Volvo | V60 Twin Engine | Gebruikershandleiding | Volvo V60 Twin Engine 2017 Late Gebruikershandleiding

Volvo V60 Twin Engine 2017 Late Gebruikershandleiding
GEBRUIKERSHANDLEIDING
VÄLKOMMEN!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto's ter wereld. Uw Volvo is
ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw Volvo te hebben, adviseren we u om de
instructies en de onderhoudsinformatie in deze gebruikershandleiding
door te nemen. De gebruikershandleiding is tevens beschikbaar als
mobiele app (Volvo Manual) en op de supportsite van Volvo Cars
(support.volvocars.com).
INHOUD
INLEIDING
12
Algemeen over veiligheidsgordels
32
Digitale gebruikershandleiding in auto
13
Veiligheidsgordel - om doen
33
Supportsite van Volvo Cars
16
Veiligheidsgordel - losmaken
34
Gebruikershandleiding lezen
17
Veiligheidsgordel - zwangerschap
34
Vastlegging van gegevens
20
Gordelwaarschuwing
Accessoires en extra uitrusting
21
Gordelspanners
22
Veiligheid - waarschuwingssymbool
Volvo ID
2
VEILIGHEID
Zo kunt u gebruikersinformatie vinden
Kinderzitje - geïntegreerde zittingverhoger met twee standen*
56
Geïntegreerde zittingverhoger met
twee standen* - uitklappen
57
35
Geïntegreerde zittingverhoger met
twee standen* - inklappen
59
35
Kinderzitje - ISOFIX
59
36
ISOFIX - afmetingscategorieën
60
61
63
Milieubeleid
23
Airbagsysteem
36
ISOFIX - soorten kinderzitjes
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding
26
Airbag aan de bestuurderszijde
38
Gelaagd glas
26
Passagiersairbag
38
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
Twin Engine - overzicht
27
Passagiersairbag - activering/deactivering*
40
Twin Engine - inleiding
29
SIPS-airbags
41
Opblaasgordijnen (IC)
42
Algemene informatie over WHIPS
(whiplash-bescherming)
43
WHIPS - zithouding
44
Roll Over Protection System (ROPS)
45
Algemene informatie over de Safety
mode
46
Safety mode - startpoging
46
Safety mode - auto verrijden
47
Algemene informatie over kinderveiligheid
47
Kinderzitje
49
Kinderzitje - positie
55
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS
EN BEDIENING
Bedieningspaneel verlichting
96
Menu-overzicht - instrumentenpaneel
119
Stadslichten
98
Berichten
120
Dagrijlicht
98
Meldingen - functies
121
Tunneldetectie*
99
MY CAR
121
72
Groot licht/dimlicht
99
Boordcomputer
123
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
73
Automatisch groot licht*
100
125
Eco guide & Hybrid guide
77
Actieve xenonkoplampen*
103
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel
Instrumentenpaneel - betekenis controlelampjes
78
Koplampen - lichtbundel aanpassen
104
Boordcomputer - rijstatistieken*
129
Instrumentenpaneel - betekenis
waarschuwingssymbolen
79
Mistachterlicht
104
Remlichten
105
Alarmlichten
105
Richtingaanwijzer
106
Interieurverlichting
106
Follow Me Home-verlichting
108
Approach-verlichting
108
Instrumenten en bediening, auto met
stuur links - overzicht
66
Instrumenten en bediening, auto met
stuur rechts - overzicht
69
Instrumentenpaneel
Buitentemperatuur
Dagtellers
Klok
81
81
82
Instrumentenpaneel - licentieovereenkomst
82
Displaysymbolen
83
Wissers en sproeiers
108
Volvo Sensus
86
Elektrisch bediende ruiten
111
Sleutelstanden
87
Buitenspiegels
112
contactslotstanden - functies in verschillende standen
87
Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming
114
Voorstoelen
89
Achteruitkijkspiegel
114
Voorstoelen - elektrisch bediend*
90
Kompas*
115
Achterbank
91
Schuif-/kanteldak*
116
Stuurwiel
94
Menufuncties - instrumentenpaneel
119
Elektrische stuurverwarming*
95
3
KLIMAAT
Algemene informatie over de klimaatregeling
132
Werkelijke temperatuur
133
Sensoren - klimaat
133
Luchtkwaliteit
133
Luchtkwaliteit - interieurfilter
134
Luchtkwaliteit - Clean Zone Interior
Package (CZIP)*
134
Luchtkwaliteit - IAQS*
134
Luchtkwaliteit - materialen
135
Menu-instellingen - klimaat
4
135
Luchtverdeling passagiersruimte
136
Elektronische klimaatregeling, ECC
138
Elektrisch verwarmde voorstoelen*
139
Elektrisch verwarmde achterbank*
140
Ventilator
140
Automatische regeling
141
Temperatuurregeling passagiersruimte
141
Airconditioning
142
Voorruit ontwasemen en ontdooien
142
Luchtverdeling - recirculatie
143
Luchtverdeling - tabel
144
Algemeen over preconditioning
146
Preconditioning - binnen parkeren
147
Preconditioning - buiten parkeren
147
Preconditioning - direct inschakelen
148
LAAD- EN
OPBERGMOGELIJKHEDEN
Preconditioning - direct uitschakelen
149
Opbergmogelijkheden
158
150
Middenconsole
160
150
Middenconsole - aansteker en asbak*
160
Timers - starten
151
Dashboardkastje
160
Timer - uitschakelen
151
Inlegmatten*
161
152
Make-upspiegel
161
154
Middenconsole - 12V-aansluiting
161
Verwarming op stroom
154
Lading vervoeren
163
Verwarming op brandstof
154
Lading vervoeren - lange lading
164
Verwarming op brandstof - AUTOstand/deactiveren
155
Lading op het dak
164
Verankeringsogen
165
12V-aansluiting - bagageruimte*
165
Preconditioning - timers
Timers - instellen
Preconditioning - meldingen
Algemene informatie over verwarmingen
Bagagenet*
166
Veiligheidsrek*
167
Bagagerolhoes*
168
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel
170
Keyless Drive* - vergrendelen
184
Transpondersleutel - verlies
170
Keyless Drive* - ontgrendelen
184
Transpondersleutel - personalisering*
171
172
Keyless Drive* - ontgrendelen met
sleutelblad
185
Vergrendelen/ontgrendelen - indicatie
Vergrendelingsindicatie
173
185
Elektronische startblokkering
Keyless Drive* - vergrendelingsinstellingen
173
Op afstand bediende startblokkering
met opsporingsfunctie*
Keyless Drive* - locatie antennes
174
186
186
Transpondersleutel - functies
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf
de buitenkant
174
Transpondersleutel - bereik
Portier handmatig vergrendelen
175
187
Transpondersleutel met PCC* unieke functies
176
Vergrendelen/ontgrendelen - van de
binnenzijde
188
Doorluchtfunctie
Transpondersleutel met PCC* - bereik
177
189
Afneembaar sleutelblad
189
177
Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/aanbrengen
178
Vergrendelen/ontgrendelen - achterklep
190
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen
Safelock-functie*
191
178
Kinderslot - handmatige activering
192
Privacy locking*
179
Transpondersleutel - batterij vervangen
180
Keyless Drive*
182
Keyless drive* - bereik transpondersleutel
182
Keyless Drive* - veilig gebruik van de
transpondersleutel
183
Keyless Drive* - storingen in de
functie van de transpondersleutel
183
Kinderslot - elektrische activering*
193
Alarm*
194
Alarmindicatie*
195
Alarm* - automatische herinschakeling
195
Alarm* - transpondersleutel defect
195
Alarmsignalen*
196
Gereduceerd alarmniveau*
196
Typegoedkeuring - transpondersleutelsysteem
196
5
6
BESTUURDERSONDERSTEUNIN
G
Adaptieve cruisecontrol - ACC*
213
Collision Warning*
237
Stuurkrachtinstelling*
198
Adaptieve cruisecontrol* - werking
214
Collision Warning* - werking
238
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - algemeen
198
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
215
Collision Warning* - detectie van fietsers
239
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - bediening
199
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid
regelen
216
Collision Warning* - detectie van
voetgangers
240
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - symbolen en meldingen
201
Adaptieve cruisecontrol* - tijdsverschil instellen
218
Collision Warning* - bediening
241
218
243
203
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke
deactivering en stand-by
Collision Warning* - beperkingen
Snelheidsbegrenzer
244
Snelheidsbegrenzer - beknopte
bedieningsinstructies
203
219
204
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren en stand-bystand
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
204
220
Collision Warning* - symbolen en
meldingen
246
Snelheidsbegrenzer - snelheid wijzigen
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen
Collision Warning* - beperkingen van
de camerasensor
Adaptieve cruisecontrol* - File-assistent
220
BLIS*
248
205
222
249
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding snelheid
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen
BLIS* - bediening
CTA*
250
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen
206
Cruisecontrol*
206
Cruisecontrol* - snelheid regelen
207
Cruisecontrol* tijdelijk deactiveren en
stand-bystand
208
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid
hervatten
208
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen
en meldingen
223
Radarsensor
225
Radarsensor - beperkingen
225
Typegoedkeuring - radarsysteem
227
City Safety™
230
City Safety™ - werking
230
BLIS - symbolen en meldingen
252
Verkeersbordinformatie (RSI)*
253
Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening
253
Verkeersbordinformatie (RSI)* beperkingen
255
Driver Alert System*
256
Driver Alert Control (DAC)*
256
Driver Alert Control (DAC)* - bediening
257
Cruisecontrol* - uitschakelen
209
City Safety™ - bediening
231
Afstandswaarschuwing*
209
City Safety™ - beperkingen
232
Afstandswaarschuwing* - beperkingen
210
City Safety™ - lasersensor
234
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en meldingen
258
Afstandswaarschuwing* - symbolen
en meldingen
212
City Safety™ - symbolen en meldingen
236
Rijbaanassistent (LDW)*
259
STARTEN EN RIJDEN
Rijbaanassistent (LDW) - functie
259
Motor starten
274
Rijbaanassistent (LDW) - bediening
260
Motor afzetten
275
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen
261
Stuurslotfout
275
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen
en meldingen
262
Starthulp met andere accu
276
Parkeerhulp*
263
Aandrijving
277
Park Assist* - functie
263
Aandrijving - rijmodi
278
Energiestroom
281
Aandrijving - symbolen en meldingen
282
Versnellingsbakken
284
Schakelindicator*
284
Automatische versnellingsbak Geartronic
285
Parkeerhulp* - aan de achterzijde
265
Park Assist* - aan de voorzijde
265
Park Assist* - storingsindicatie
266
Park Assist* - sensoren schoonmaken
Parkeerhulpcamera*
267
267
Rijden met een geopend(e) achterklep/kofferklep
300
Overbelasting - startaccu
300
Voorbereidingen bij lange reizen
300
Rijden tijdens de winter
301
Actieradius op stroom
301
Tankvulklep - openen/sluiten
302
Tankvulklep - handmatig openen
303
Brandstof tanken
303
Brandstof - gebruik
304
Brandstof - diesel
305
Roetfilter dieselmotor (DPF)
308
309
Parkeerhulpcamera - instellingen
270
Keuzehendelblokkering
287
Katalysatoren
Park Assist-camera - beperkingen
271
Hellingrem (HSA)*
288
Opladen hybride-accu
310
Vierwielaandrijving - AWD
288
Laadstroom
311
289
Opladen hybride-accu - voorbereidingen
312
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
292
Laadkabel met regeleenheid
313
Bedrijfsrem - noodremlichten en
automatische alarmlichten
292
Laadkabel met regeleenheid - statusmeldingen
315
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops
292
Laadkabel met regeleenheid - temperatuurbewaking
317
Parkeerrem
293
297
Laadkabel met regeleenheid - aardlekschakelaar
317
Zuinig rijden
Doorwaaddiepte
298
Opladen hybride-accu - starten
317
Oververhitting
299
Opladen hybride-accu - afsluiten
319
Bedrijfsrem
7
WIELEN EN BANDEN
8
Langdurige stalling van auto met
hybride-accu
321
Banden - onderhoud
332
Banden - draairichting
333
Rijden met een aanhanger*
322
Banden - slijtage-indicator
334
Rijden met een aanhanger* - automatische versnellingsbak
323
Banden - bandenspanning
334
Wiel- en velgmaten
Trekhaak*
324
335
Afneembare trekhaak* - opbergen
324
Banden - maten
335
Banden - lastindex
Afneembare trekhaak* - specificaties
325
336
Banden - snelheidsklassen
Afneembare trekhaak* - monteren/
demonteren
326
336
Wielbouten
337
Trailer Stability Assist (TSA)
Slepen
328
Winterbanden
337
329
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
338
Sleepoog
329
Wielen verwisselen - monteren
341
Bergen
330
Gevarendriehoek
342
Gereedschap
343
Krik*
343
EHBO-set*
344
Bandenspanningscontrole*
345
Bandenspanningscontrole (TPMS)* algemeen
345
Bandenspanningscontrole (TPMS)* aanpassen (herkalibreren)
346
Bandenspanningscontrole (TPMS)* -
347
Bandenspanningscontrole (TPMS)* activeren/deactiveren
347
Bandenspanningscontrole (TPMS)* adviezen
348
Bandenspanningscontrole (TPMS)* bij een lage bandenspanning
348
Bandenspanningscontrole (TPMS)* runflat-banden*
349
Typegoedkeuring - bandenspanningscontrole (TPMS)*
350
Noodreparatieset voor banden
356
Noodreparatieset voor banden - positie
356
Noodreparatieset voor banden - overzicht 357
Noodreparatieset voor banden bediening
358
Noodreparatieset voor banden reparatieresultaat controleren
360
Noodreparatieset voor banden - banden oppompen
362
ONDERHOUD EN SERVICE
Serviceprogramma van Volvo
366
Afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie*
366
Lamp vervangen - kentekenplaatverlichting
385
Lamp vervangen - verlichting in
bagageruimte
385
Auto opnemen
369
Motorkap - openen en sluiten
371
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel
386
Motorruimte - overzicht
371
Lampen - specificaties
386
Motorruimte - controle
372
Wisserbladen
387
Motorolie - algemeen
373
Sproeiervloeistof - bijvullen
389
Motorolie - controleren en bijvullen
374
Startaccu - algemeen
390
Koelvloeistof - peil
375
Accu - symbolen
391
Rem- en koppelingsvloeistof - peil
377
Startaccu - vervangen
392
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil
377
Hybride-accu
394
Klimaatregeling - storingen opsporen
en verhelpen
378
Elektrisch systeem
394
Lamp vervangen - algemeen
379
Zekeringen - algemeen
395
Lamp vervangen - koplampen
380
Zekeringen - in motorruimte
396
Lampen verwisselen - afdekkap
groot-/dimlichtlampen
381
Zekeringen - onder dashboardkastje
399
401
Lamp vervangen - dimlicht
381
Zekeringen - in regeleenheid onder
dashboardkastje
Lamp vervangen - groot licht
382
Zekeringen - in bagageruimte
403
Lamp vervangen - verstraler
383
Zekeringen - in de koude zone van
de motorruimte
407
Lampen vervangen - richtingaanwijzers voorzijde
383
Wasstraat
409
Lamp vervangen - verlichting achter
384
Poetsen en in de was zetten
411
Lamp vervangen - positie lampen
achterzijde
385
Water- en vuilafstotende laag
411
Roestwering
412
Interieur reinigen
412
Lakschade
414
9
SPECIFICATIES
ALFABETISCH REGISTER
Typeaanduidingen
418
Maten
421
Gewichten
422
Trekgewicht en kogeldruk
423
Motorspecificaties
424
Motorspecificaties - Elektrische aandrijving
425
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
425
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid
427
Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid
428
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid 429
10
Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid
430
Stuurbekrachtigingsvloeistof - kwaliteit
430
Brandstoftank - inhoud
431
Specificaties voor airconditioning
432
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
434
Wielen en banden - goedgekeurde
maten
436
Lastindex en snelheidsklasse
437
Banden - goedgekeurde bandenspanning
438
Hybride-accu - specificatie
439
Alfabetisch register
441
INLEIDING
INLEIDING
Zo kunt u gebruikersinformatie
vinden
Gebruikersinformatie is beschikbaar in verschillende productformaten, zowel digitaal als in
drukvorm. De gebruikershandleiding is te raadplegen via het display in de auto, via de mobiele
app en op de supportsite van Volvo Cars. In het
dashboardkastje ligt een Quick Guide en een
supplement bij de gebruikershandleiding met
onder meer informatie over zekeringen en specificaties. U kunt een gebruikershandleiding in
drukvorm bestellen.
Display van de auto1
Via het display van de auto is
de gebruikershandleiding raadpleegbaar in digitale vorm. Druk
op de knop MY CAR op de
middenconsole, daarna op OK/
MENU en kies
Gebruikershandleiding. De
informatie is zoekbaar en tevens ingedeeld in
categorieën.
Lees meer onder Digitale gebruikershandleiding
in de auto.
Mobiele app
Op App Store of Google Play:
zoek naar "Volvo Manual",
download de app naar uw
smartphone of tablet en kies
uw model.
De app bevat instructievideo's
en biedt de mogelijkheid tot visuele navigatie aan
de hand van afbeeldingen van het auto-exterieur
en -interieur. De navigatie tussen de verschillende paragrafen van de gebruikershandleiding
verloopt eenvoudig en de inhoud is doorzoekbaar.
Lees meer onder Gebruikershandleiding op
mobiele apparaten .
1 Op
2 Op
12
markten zonder gebruikershandleiding op het display wordt een volledige gebruikershandleiding in drukvorm verstrekt.
markten zonder gebruikershandleiding op het display wordt een volledige gebruikershandleiding in drukvorm verstrekt.
Supportsite van Volvo Cars
Bezoek support.volvocars.com
en kies uw land. Hier vindt u
gebruikershandleidingen online
en in PDF-formaat. Op de supportsite van Volvo Cars vindt u
tevens instructievideo's en
meer informatie over het
gebruik en het bezit van uw Volvo. De site is
beschikbaar voor de meeste markten. Lees meer
op de supportsite van Volvo Cars.
Informatie in drukvorm
In het dashboardkastje ligt een
supplement bij de gebruikershandleiding2 met informatie
over zekeringen en specificaties plus een overzicht van
belangrijke en nuttige informatie.
Ook in drukvorm beschikbaar is een Quick Guide
met beknopte informatie over de meeste
gebruikte autofuncties om aan de slag te kunnen.
Afhankelijk van het gekozen uitrustingsniveau, de
markt en dergelijke liggen er aanvullende documenten met gebruikersinformatie in drukvorm in
de auto.
INLEIDING
Het is mogelijk een gedrukt exemplaar van de
gebruikershandleiding en het bijbehorende supplement te bestellen. Neem voor bestelling contact op met een Volvo-dealer. Lees Gebruikershandleiding doornemenGebruikershandleiding
doornemen.
Taalinstelling wijzen voor het display
van de auto
Wanneer u de taalinstelling voor het display van
de auto wijzigt, is het mogelijk dat bepaalde informatie niet overeenkomt met de wettelijke bepalingen en voorschriften die in uw land gelden. Het
is beter geen taal in te stellen die u niet begrijpt,
omdat het anders lastig is om de weg te vinden
in de menustructuur op het display.
Gerelateerde informatie
•
Digitale gebruikershandleiding in auto
(p. 13)
•
•
Supportsite van Volvo Cars (p. 16)
Gebruikershandleiding lezen (p. 17)
Digitale gebruikershandleiding in
auto
De gebruikershandleiding is weer te geven op
het beeldscherm in de auto3. De informatie is
doorzoekbaar en de navigatie tussen de verschillende paragrafen verloopt eenvoudig.
Digitale gebruikershandleiding openen - druk op
de MY CAR-knop op de middenconsole, druk op
OK/MENU en kies Gebruikershandleiding.
Voor elementaire navigatiefuncties, zie Systeembediening. Hier volgt een gedetailleerde beschrijving.
BELANGRIJK
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat
u de auto op veilig wijze bestuurt en dat u de
geldende wetgeving en voorschriften in acht
neemt. Het is ook belangrijk dat u de auto
volgens Volvo's adviezen in de gebruikershandleiding onderhoudt en bedient.
Bij afwijkingen in de informatie op het beeldscherm en in de gedrukte informatie, geldt
altijd de informatie in drukvorm.
3
Geldt voor bepaalde automodellen.
Startpagina van de gebruikershandleiding.
U kunt op vier verschillende manieren informatie
vinden in de digitale gebruikershandleiding:
}}
13
INLEIDING
||
• Zoeken - Zoekfunctie om een artikel te vinden.
Zoeken
• Categorieën - Alle artikelen geordend naar
categorieën.
• Favorieten - Snelkoppeling naar favoriete
artikelen.
• Quick Guide - Een selectie van artikelen
Om over te schakelen op de invoer van cijfers of speciale tekens of om te zoeken,
draait u aan TUNE, totdat een van de opties
(zie verklaring in volgende tabel) in de lijst
voor het wisselen van invoerstand (2) verschijnt en druk vervolgens op OK/MENU.
123/A
BC
Met OK/MENU kunt u wisselen
tussen cijfers en letters.
MEER
Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van speciale
tekens.
OK
Voer de zoekopdracht uit. Draai aan
TUNE om een treffer te kiezen en
druk vervolgens op om OK/MENU
het bijbehorende artikel te openen.
Gebruik het schrijfwiel om een zoekterm in te
voeren, bijvoorbeeld "veiligheidsgordel".
a|A
1.
Draai aan TUNE tot de gewenste letter verschijnt en druk ter bevestiging op OK/
MENU. Ook de cijfer- en lettertoetsen van
het bedieningspaneel op de middenconsole
zijn te gebruiken.
||}
Tussen kleine en hoofdletters wisselen met OK/MENU.
2.
Ga verder met de volgende letter enzovoort.
voor veelgebruikte functies.
Kies het informatiesymbool in de rechter onderhoek voor informatie over de digitale gebruikershandleiding.
N.B.
3.
Zoeken met behulp van het schrijfwiel.
Tekenlijst.
De digitale gebruikershandleiding is tijdens
het rijden niet beschikbaar.
Invoerstand wijzigen (zie de volgende tabel).
Van het tekstwiel naar het zoekveld
wisselen. De cursor verplaatsen met
TUNE. Eventuele verkeerde spelling
wissen met EXIT. Om terug te gaan
naar het tekstwiel op OK/MENU
drukken.
Let erop dat de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel te
gebruiken zijn bij bewerkingen in
het zoekveld.
14
INLEIDING
Tekst invoeren met numeriek toetsenbord
Categorieën
De artikelen van de gebruikershandleiding zijn
geordend naar hoofdcategorieën en ondercategorieën. Hetzelfde artikel ligt mogelijk in meerdere categorieën zodat het gemakkelijker te vinden is.
nen. Druk op EXIT om terug te gaan naar de
vorige weergave.
In een artikel navigeren
Draai aan TUNE om door de categorieboom te
navigeren en druk op OK/MENU om een cate) of artikel (aangeduid
gorie (aangeduid met
met
) te openen. Druk op EXIT om terug te
gaan naar de vorige weergave.
Numeriek toetsenbord.
Favorieten
Een andere manier om tekens in te toetsen/
voeren is met behulp van de knoppen op de middenconsole: 0–9, * en #.
Hier vindt u de artikelen die als favorieten zijn
opgeslagen. Om een artikel als favoriet te markeren, zie de rubriek "In een artikel navigeren" hieronder.
Zo wordt bij een druk op 9 een kolom weergegeven met alle tekens4 onder deze toets, zoals w, x,
y, z en 9. Bij snel indrukken van de toets bladert
u met de cursor door deze tekens.
Draai aan TUNE om in de favorietenlijst te navigeren en druk op OK/MENU om een artikel te
openen. Druk op EXIT om terug te gaan naar de
vorige weergave.
•
•
Blijf met de cursor op het te kiezen teken
staan - het teken verschijnt op de schrijfregel.
Wis/annuleer uw keuze met EXIT.
Houd om een cijfer in te voeren de toets met het
gewenste cijfer ingedrukt.
4
Quick Guide
Hier vindt u een aantal artikelen om de meest
gebruikte functies van de auto te leren kennen.
De artikelen zijn ook via categorieën bereikbaar,
maar staan hier om er snel bij te kunnen.
Draai aan TUNE om in de Quick Guide te navigeren en druk op OK/MENU om een artikel te ope-
De schrijftekens voor de verschillende toetsen kunnen per markt/land/taal variëren.
Home - naar de startpagina van de gebruikershandleiding gaan.
Favoriet - het artikel als favoriet toevoegen/
verwijderen. U kunt ook op de FAV-knop op
de middenconsole drukken om een artikel
als favoriet toe te voegen/te verwijderen.
Gemarkeerde link - naar een gelinkt artikel
gaan.
Speciale teksten - als het artikel waarschuwings-, belangrijk- of NB-teksten bevat, worden het bijbehorende symbool en het aantal
van dergelijke teksten in het artikel getoond.
Draai aan TUNE om de links door te nemen of
een artikel omhoog of omlaag te schuiven. Als
}}
15
INLEIDING
het beeldscherm naar het begin/eind van een
artikel is geschoven, zijn de opties Home en
Favoriet bereikbaar door een stap omhoog/
omlaag te gaan. Druk op OK/MENU om de
keuze/gemarkeerde link te activeren. Druk op
EXIT om terug te gaan naar de vorige weergave.
Supportsite van Volvo Cars
Op de homepage en supportsite van Volvo Cars
vindt u meer informatie over uw auto. Vanaf de
homepage kunt u tevens doorlinken naar My
Volvo, een persoonlijke internetpagina voor u en
uw auto.
Support op internet
Ga naar support.volvocars.com of gebruik de QRcode hieronder om de pagina te bezoeken. De
supportsite is voor de meeste markten beschikbaar.
5 Geldt
16
Downloadbare informatie van de
supportsite
Kaarten
Voor auto's met Sensus Navigation* zijn via de
supportsite kaarten te downloaden.
Apps
Voor bepaalde Volvo-modellen van modeljaar
2014 en 2015 is de gebruikershandleiding als
app beschikbaar. Ook de Volvo On Call*-app is
hier te downloaden.
Gebruikershandleidingen van eerdere
modeljaren
Gebruikershandleidingen van eerdere modeljaren
zijn hier beschikbaar in pdf. Ook de Quick Guide
en supplementen zijn via de supportsite te downloaden. Kies model en modeljaar om de gewenste publicatie te downloaden.
QR-code naar de supportsite.
Contact
De informatie op de supportsite is zoekbaar en
bovendien ingedeeld in verschillende categorieën. Hier vindt u support voor zaken zoals diensten en functies waarvoor internet vereist is,
Volvo On Call*, het navigatiesysteem* en apps.
De verschillende procedures worden aan de hand
van video's en stapsgewijze instructies uiteengezet, bijvoorbeeld hoe u de auto via een mobiele
telefoon met internet verbindt.
Op de supportsite staan de contactgegevens van
de klantenservice en de dichtstbijzijnde Volvodealer.
My Volvo op internet5
Via www.volvocars.com kunt u doorlinken naar My
Volvo web, een persoonlijke website voor u en uw
Volvo.
Maak een persoonlijke Volvo ID aan en log in op
My Volvo web voor een overzicht van zaken zoals
onderhoud, contracten en garanties. Op My Volvo
voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
INLEIDING
web vindt u ook informatie over modelspecifieke
accessoires en softwareproducten voor uw Volvo.
Gerelateerde informatie
•
Volvo ID (p. 22)
Gebruikershandleiding lezen
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om de gebruikershandleiding
te lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Gebruikershandleiding op mobiele
apparaten
Het doornemen van de gebruikershandleiding is
een goede manier om vertrouwd te raken met
nieuwe functies, tips te krijgen voor hoe u de
auto in verschillende situaties het beste kunt
bedienen en te leren hoe u optimaal gebruik kunt
maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt.
Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in de gebruikershandleiding.
Er vindt voortdurend productontwikkeling plaats
ter verbetering van ons product. Aanpassingen
kunnen ertoe leiden dat de gegevens, beschrijvingen en illustraties in de gebruikershandleiding
afwijken van de werkelijke uitrusting op uw auto.
We behouden ons het recht voor om zonder
voorafgaande mededeling wijzigingen aan te
brengen.
© Volvo Car Corporation
BELANGRIJK
Laat deze handleiding altijd in de auto liggen.
Anders ontbreekt bij eventuele problemen de
noodzakelijke informatie over hoe en waar u
professionele hulp kunt krijgen.
N.B.
De gebruikershandleiding is te downloaden
als app (geldt voor bepaalde modellen en
mobiele telefoons), zie www.volvocars.com.
De app biedt tevens video’s en doorzoekbare
informatie en eenvoudige navigatie tussen de
verschillende hoofdstukken.
Opties/accessoires
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje* in de gebruikershandleiding.
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden
in de gebruikershandleiding ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
}}
* Optie/accessoire.
17
INLEIDING
||
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
De uitrusting die in de gebruikershandleiding
wordt beschreven is niet op alle auto's aanwezig
– welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven informatie over
kans op letsel.
BELANGRIJK
Belangrijk-teksten geven informatie over kans
op materiële schade.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips en
adviezen die het gebruik van bepaalde mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
18
Voetnoot
Gevaar voor lichamelijk letsel
In de gebruikershandleiding komt informatie voor
in de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling op
de tekst waar het nummer van de voetnoot naar
verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een tabel
verwijst, worden letters gebruikt in plaats van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop menuteksten en displaymeldingen kunnen worden
weergegeven. Dergelijke teksten in de gebruikershandleiding onderscheiden zich van de normale tekst. Voorbeeld van menuteksten en displaymeldingen: Media, Locatie wordt
verstuurd.
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de auto
om belangrijke informatie op een simpele en duidelijke manier over te dragen. De stickers in de
auto zijn van de onderstaande aflopende waarschuwings-/informatiegraad.
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een geel waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op
een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met mogelijk
dodelijke afloop.
INLEIDING
Gevaar voor materiële schade
Informatie
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een bepaalde
volgorde moeten worden uitgevoerd, staan
genummerd in de gebruikershandleiding.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op
een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
G031593
G031592
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
De in de gebruikershandleiding afgebeelde
stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw auto
aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn alleen
bedoeld om aan te geven hoe de stickers er
in grote lijnen uitzien en waar ze ongeveer zitten. Op de stickers van de auto vindt u de
informatie die op uw auto van toepassing is.
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant
is, worden de instructies voorafgegaan door
letters.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Pijlen met een letter dienen om een beweging weer te geven waarbij de onderlinge
volgorde niet van belang is.
Als er geen reeks afbeeldingen bij een stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij de
afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
}}
19
INLEIDING
||
Opsommingslijsten
Vastlegging van gegevens
Bij opsommingen in de gebruikershandleiding
wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
In het kader van de veiligheids- en kwaliteitsinspanningen van Volvo worden bepaalde gegevens over de bediening, de werking en bijnaaanrijdingen door de auto vastgelegd.
Bijvoorbeeld:
•
•
Koelvloeistof
Motorolie
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie verwijst naar andere artikelen met aanverwante informatie.
Afbeeldingen
De afbeeldingen in de handleiding zijn soms
schematisch en kunnen dan ook afwijken van uw
uitvoering van de auto afhankelijk van het uitrustingsniveau en de markt.
Zie ommezijde
}} Dit symbool staat rechts onderaan, wanneer
een artikel wordt voortgezet op de volgende
pagina.
Vervolg van de vorige pagina
|| Dit symbool staat links bovenaan wanneer
een artikel wordt voortgezet van de vorige pagina.
Gerelateerde informatie
Deze auto is uitgerust met een "Event Data
Recorder" (EDR). Het belangrijkste doel daarvan
is het vastleggen en opnemen van gegevens bij
verkeersongevallen of bijna-ongelukken, zoals
wanneer de airbag wordt geactiveerd of als de
auto een wegversperring raakt. De gegevens
worden geregistreerd om meer inzicht te krijgen
in hoe de systemen van de auto in dit soort situaties werken. De EDR is zodanig vormgegeven
dat deze gedurende een korte tijd gegevens
vastlegt die verband houden met de autodynamiek en de veiligheidssystemen, normaal gesproken 30 seconden of korter.
De EDR in deze auto is zodanig geconstrueerd
dat deze bij verkeersongevallen of bijna-ongelukken gegevens vastlegt die verband houden met:
•
de wijze waarop de verschillende autosystemen werkten;
•
de vraag of u en passagiers in de gordel
zaten;
•
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 26)
•
de vraag of u het gas- of rempedaal
bediende;
•
Supportsite van Volvo Cars (p. 16)
•
hoe snel u reed.
Dit kan een bijdrage leveren aan een beter
inzicht in de omstandigheden waarin bepaalde
20
verkeersongevallen en schades ontstaan. De
EDR legt alleen gegevens vast, als er sprake is
van een niet-alledaagse aanrijdingssituatie - bij
normale rijomstandigheden registreert de EDR
geen gegevens. Ook registreert het systeem
nooit wie de auto bestuurt of wat de geografische positie is voor de aanrijding of bijna-aanrijding. Andere partijen, zoals de politie, kunnen
echter gebruik maken van de vastgelegde gegevens in combinatie met het type persoonlijk identificeerbare informatie dat bij een verkeersongeval routinematig wordt verzameld. Om de geregistreerde gegevens te kunnen interpreteren zijn
speciale apparatuur en toegang tot de auto of de
EDR vereist.
De auto is naast de EDR ook uitgerust met een
aantal computers, die tot taak hebben de werking
van de auto continu te controleren en bewaken.
Deze kunnen tijdens normale rijomstandigheden
gegevens vastleggen, maar vooral wanneer deze
een fout registreren die betrekking heeft op de
bediening en werking van de auto of bij activering
van de actieve rijhulp (zoals City Safety en de
automatische remfunctie).
Een deel van de vastgelegde gegevens heeft de
monteur nodig om service en onderhoud te kunnen verrichten met als doel eventuele storingen
die in de auto zijn opgetreden te diagnosticeren
en verhelpen. De geregistreerde informatie heeft
Volvo ook nodig om te kunnen voldoen aan de
juridische eisen conform de wet- en regelgeving.
De in de auto geregistreerde informatie ligt
INLEIDING
opgeslagen in de computers totdat de auto een
servicebeurt krijgt of wordt gerepareerd.
Naast het bovenstaande kan de geregistreerde
informatie ook in een samengestelde vorm worden gebruikt voor verzekerings- en productontwikkelingsdoeleinden om de veiligheid en kwaliteit van Volvo's auto's te verbeteren.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet zonder de toestemming van de eigenaar van de auto
vrijgeven aan derden. Vanwege nationale wet- en
regelgeving kan Volvo echter worden gedwongen
om dit type informatie af te geven aan de politie
of andere autoriteiten die het wettelijke recht
hebben om hiertoe toegang te krijgen. Om de
door vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen
en interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij Volvo en
de werkplaatsen die een contract hebben met
Volvo. Volvo ziet erop toe dat de gegevens, die in
verband met reparatie en onderhoud worden
doorgegeven aan Volvo, zorgvuldig worden opgeslagen en gehanteerd en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden
gebruikt. Neem voor meer informatie contact op
met een Volvo-dealer.
Accessoires en extra uitrusting
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires en extra uitrusting kan een nadelige
invloed hebben op de werking van de elektronische systemen van de auto.
Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de
bijbehorende software in de computersystemen
van de auto wordt geladen. Volvo adviseert u
daarom altijd contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires
of extra uitrusting monteert die in verbinding
staan/staat met of van invloed zijn/is op het
elektrische systeem.
Warmtereflecterende voorruit*
De voorruit is voorzien van een warmtereflecterende film (IR) die de ingestraalde warmte in de
passagiersruimte beperkt.
Montage van elektronische uitrusting, zoals een
transponder, achter een ruit met een warmtereflecterende film heeft mogelijk een negatieve
invloed op de werking en prestaties van de uitrusting.
Veld waar geen IR-film is aangebracht.
A is de afstand tussen de bovenkant van de voorruit en het begin van het veld. B is de afstand
tussen de bovenkant van de voorruit en het eind
van het veld.
Maten
A
40 mm
B
80 mm
Voor optimale werking van moet de elektronische
uitrusting gemonteerd worden op dat deel van de
voorruit waar geen warmtereflecterende film is
aangebracht (zie gemarkeerd veld op afbeelding).
* Optie/accessoire.
21
INLEIDING
Volvo ID
Voorbeeld van diensten:
te voltooien moet u de instructies opvolgen in het
e-mailbericht dat automatisch wordt verstuurd
naar het opgegeven e-mailadres. Een Volvo ID
kan via de volgende diensten worden aangemaakt:
•
My Volvo - Uw persoonlijke website voor u en
uw auto.
•
My Volvo - Geef het e-mailadres aan en volg
de instructies.
•
Connected Car* - bepaalde functies en diensten vereisen dat u uw auto hebt geregistreerd op een persoonlijke Volvo ID, bijvoorbeeld om een adres van een kaartdienst op
internet rechtstreeks naar uw auto te kunnen
sturen.
•
•
Volvo On Call* - Volvo ID wordt gebruikt bij
het inloggen op de Volvo On Call-app.
Bij een Connected Car* - Geef het e-mailadres aan in de app die Volvo ID vereist en
volg de instructies. Of druk twee keer op de
op de middenconsole en
verbindingsknop
kies Apps Instellingen en volg de
instructies.
•
Volvo On Call* - Download de nieuwste versie van de Volvo On Call-app. Kies op de
startpagina voor het registreren van een
Volvo ID, geef een e-mailadres aan en volg
de instructies.
Volvo ID is uw persoonlijke ID die u toegang
biedt tot diverse diensten6.
Voordelen van Volvo ID
•
•
Een gebruikersnaam en een wachtwoord
voor online diensten, dat wil zeggen u hoeft
slechts één gebruikersnaam en één wachtwoord te onthouden.
Bij het wijzigen van een gebruikersnaam/
wachtwoord voor een dienst (bijvoorbeeld
Volvo On Call) worden deze ook automatisch
voor andere diensten gewijzigd (bijvoorbeeld
My Volvo)
Gerelateerde informatie
•
Supportsite van Volvo Cars (p. 16)
Volvo ID aanmaken
Om een Volvo ID aan te maken moet u een persoonlijk e-mailadres opgeven. Om de registratie
6
22
Het aanbod aan diensten kan veranderen en hangt af van het uitrustingsniveau en de markt.
* Optie/accessoire.
INLEIDING
Milieubeleid
Volvo Car Corporation werkt voortdurend aan de
ontwikkeling van veiliger en effectievere produc-
Milieuzorg is een van de kernwaarden van Volvo
Cars die van invloed is op alle activiteiten. De
milieu-activiteiten gaan uit van de volledige
levensduur van de auto en houden rekening met
de milieu-effecten, van ontwikkeling tot sloop en
recycling. Volvo Cars hanteert het uitgangspunt
dat de milieu-effecten van nieuwe producten
geringer moeten zijn dan die van de producten
waarvoor ze in de plaats komen.
Een van de resultaten van de inspanningen van
Volvo op milieugebied is de ontwikkeling van de
Drive-E-aandrijflijnen, die effectiever werken en
minder vervuilend zijn. Ook het persoonlijke
ten en oplossingen om de milieu-effecten te
beperken.
milieu heeft de volle aandacht van Volvo - de
lucht in een Volvo is door de klimaatregeling bijvoorbeeld schoner dan de lucht buiten.
van de samenwerkingspartners dat ze aan deze
normen voldoen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieu-eisen. Alle productie-eenheden van Volvo
hebben een ISO 14001-certificaat, wat een systematische benadering van de milieu-aspecten
van de productie betekent om voortdurend verbeteringen aan te brengen en de milieu-effecten te
beperken. Dit ISO-certificaat betekent ook dat de
geldende wettelijke bepalingen en voorschriften
op milieugebied wordt nageleefd. Volvo eist ook
Omdat de milieu-effecten van auto's voor een
groot deel toe te schrijven zijn aan het gebruik
ervan richt Volvo Cars zich op het beperken van
het brandstofverbruik, de uitstoot van kooldioxide
en andere verontreinigende stoffen. De auto's
van Volvo zijn concurrerend in hun klasse wat het
brandstofverbruik betreft. Een lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
Brandstofverbruik
}}
23
INLEIDING
||
Bijdragen aan een schoner milieu
Een zuinige auto levert niet alleen een beperking
van de milieu-effecten op, maar betekent ook
lagere kosten voor de eigenaar van de auto. Als
bestuurder kunt u eenvoudig brandstof en geld
besparen en zo een bijdrage leveren aan een
schoner milieu. Hier volgen enkele tips en adviezen:
•
Plan een effectieve gemiddelde snelheid.
Snelheden hoger dan zo'n 80 km/h (50
mph) en lager dan 50 km/h (30 mph) zorgen
voor een hoger energieverbruik.
•
Neem de intervallen voor onderhoud en service aan de auto in acht die in het Serviceen garantieboekje geadviseerd worden.
•
Voorkom stationair draaien – zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat. Houd u aan
de plaatselijke voorschriften.
•
Rijd anticiperend - bij onnodig vaak stoppen
en optrekken en een ongelijkmatige snelheid
stijgt het brandstofverbruik.
•
Gebruik preconditioning - dat verbetert de
actieradius van de hybride-accu en vermindert het stroomverbruik tijdens het rijden.
Let er tevens op dat u afvalstoffen die schadelijk
zijn voor het milieu, zoals accu's en olie, op een
milieuvriendelijke manier afvoert. Neem contact
op met een werkplaats bij twijfel over de juiste
manier van verwerken van dergelijk afval – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
24
Wanneer u deze tips opvolgt, kunt u geld besparen, zuiniger omspringen met de hulpbronnen op
aarde en uw auto langer doen meegaan. Voor
meer informatie en advies zie Eco guide
(p. 77) , Economisch rijden (p. 297) en Brandstofverbruik (p. 434).
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
"Schoon aan binnen- en buitenkant" – een concept dat een schone passagiersruimte combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies
ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen
niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Het luchtkwaliteitssysteem IAQS* (Interior Air
Quality System) zorgt ervoor dat de lucht die de
passagiersruimte binnenkomt, schoner is dan de
lucht buiten in het verkeer.
Het systeem ontdoet de lucht in de passagiersruimte van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon. Als de Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de
buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten
waarna de lucht in de passagiersruimte wordt
gerecirculeerd. Iets dergelijks kan zich voordoen
in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het IAQS is onderdeel van het CZIP (Clean Zone
Interior Package)* dat voorzien is van een speciale ventilatorfunctie die aanslaat, wanneer de
auto via de transpondersleutel wordt ontgrendeld.
Interieur
De gebruikte materialen voor het interieur van
een Volvo zijn zorgvuldig geselecteerd en uitvoerig getest op comfort en hypoallergeniteit.
Bepaalde afwerkingsdetails zijn handmatig aangebracht: zo is de stuurwielbekleding met de
hand genaaid. Het interieur is getest op de afwezigheid van sterke geuren of stoffen die klachten
kunnen geven bij hoge temperaturen of direct
zonlicht.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en een
laag brandstofverbruik. U draagt zo tevens bij aan
een schoner milieu. Wanneer u de reparaties en
het onderhoud aan de auto toevertrouwt aan de
werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een
onderdeel van Volvo's systeem. Volvo stelt duidelijke milieu-eisen aan de outillage van de werkplaatsen om te voorkomen dat er schadelijke
stoffen in het milieu vrijkomen. Het werkplaatspersoneel beschikt over de kennis en het
gereedschap om optimale milieuzorg te garanderen.
* Optie/accessoire.
INLEIDING
Recycling
Omdat Volvo werkt vanuit een levensduurperspectief is het ook belangrijk dat autowrakken op
milieuvriendelijke wijze worden gerecycled. De
auto is nagenoeg geheel te recyclen. De laatste
eigenaar van de auto wordt daarom verzocht contact op te nemen met een dealer voor de locatie
van een gecertificeerd/erkend recyclingbedrijf.
Gerelateerde informatie
•
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 26)
25
INLEIDING
Milieu-aspecten van de
gebruikershandleiding
De papiervezels waarvan deze publicatie
gemaakt is afkomstig zijn uit Forest Stewardship
Council®-gecertificeerde bossen of andere
gecontroleerde bronnen.
Gelaagd glas
Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en geluidsisolatie van het interieur. De voorruit en de
overige ruiten zijn gemaakt van
gelaagd glas*.
Het FSC®-symbool geeft aan dat de papiervezels
waarvan een gebruikershandleiding in drukvorm
gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen.
Gerelateerde informatie
•
26
Milieubeleid (p. 23)
* Optie/accessoire.
INLEIDING
Twin Engine - overzicht
Overzicht van de unieke functies van de V60
Twin Engine.
}}
27
INLEIDING
||
Opladen hybride-accu (p. 310).
Hybride-accu (p. 394).
Elektromotor (p. 277) met aandrijving op de
achterwielen.
Rijmodi (p. 278).
Instrumentenpaneel (p. 73) met unieke
informatie over de Twin Engine.
Gerelateerde informatie
•
28
Twin Engine - inleiding (p. 29)
INLEIDING
Twin Engine - inleiding
In de auto rijden
De auto rijdt als een normale auto. De elektromotor zorgt voornamelijk voor aandrijving op
lage snelheden en de dieselmotor op hogere
snelheden bij een actievere rijstijl.
De auto rijdt als een normale auto. De elektromotor zorgt voornamelijk voor aandrijving op lage
snelheden en de dieselmotor op hogere snelheden bij een actievere rijstijl. Lees meer over Zuinig rijden (p. 297).
Belangrijke aandachtspunten
WAARSCHUWING
Let erop dat de auto bij elektrische aandrijving geen motorgeluid produceert, waardoor
spelende kinderen, voetgangers, fietsers en
huisdieren u mogelijk niet opmerken. Dit geldt
in het bijzonder wanneer u op lage snelheden
rijdt, zoals op parkeerterreinen.
U kunt de auto tijdens het rijden in verschillende
rijmodi zetten, zoals alleen elektrische aandrijving
of aandrijving door zowel de elektromotor als de
dieselmotor voor als extra vermogen nodig is. De
auto berekent op basis van de gekozen rijmodus
de optimale combinatie van rijeigenschappen, rijbeleving, milieu-impact en brandstofverbruik.
Lees meer over Aandrijving - rijmodi (p. 278).
Instrumentenpaneel
Tal van auto-onderdelen werken op hoogvoltspanning wat
gevaarlijk kan zijn bij onoordeelkundig werk. Raak geen
onderdelen aan, wanneer dat
niet uitdrukkelijk in de gebruikershandleiding staat aangegeven. Lees meer over de motorruimte (p. 371).
Twee speciale velden op het instrumentenpaneel
geven unieke informatie weer over de V60 Twin
Engine bestaande uit de hybride-accumeter
(actuele ladingstoestand), de actieve rijmodus,
een symbool wanneer de dieselmotor draait, de
Hybrid Guide en de energieterugwinning. Lees
meer over het instrumentenpaneel (p. 73).
Laat de hantering van oranje kabels over aan
bevoegd personeel.
Hybride-accu opladen
BELANGRIJK
Rijmodi
Hoogvoltspanning
WAARSCHUWING
warmd ter beperking van de slijtage en het
stroomverbruik tijdens de rit. Lees meer over
Algemeen over preconditioning (p. 146).
Preconditioning
Voor optimale werking van de auto is het zaak
dat de hybride-accu en de bijbehorende elektrische aandrijving alsook de dieselmotor en diens
aandrijving de juiste bedrijfstemperatuur hebben.
De accucapaciteit neemt aanzienlijk af als de
accu te koud of te warm is. Middels preconditioning worden de motor en het interieur voorver-
Sluit de laadkabel nooit aan als er kans op
blikseminslag is.
De hybride-accu is van het lithiumion-type en kan
op verschillende manieren worden opgeladen. U
kunt een laadkabel met regeleenheid aansluiten
tussen de auto en een 230V-aansluiting (AC), zie
Laadkabel met regeleenheid (p. 313). De laadtijd
is afhankelijk van de laadstroom (p. 311).
Bij licht afremmen doet de elektromotor dienst
als motorrem, waarbij de bewegingsenergie van
de auto wordt teruggewonnen en omgezet in
elektrische energie om de hybride-accu op te
laden. Lees meer over terugwinning van remenergie (p. 289).
Bovendien kan de dieselmotor de hybride-accu
van de elektromotor zo nodig opladen met een
speciale hoogvoltgenerator, zie aandrijving en rijmodi (p. 278).
Gerelateerde informatie
•
Twin Engine - overzicht (p. 27)
29
VEILIGHEID
VEILIGHEID
Algemeen over veiligheidsgordels
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel tijdens het rijden om hebben.
Waar u op moet letten
•
Gebruik geen klemmen of andere accessoires waardoor u de veiligheidsgordel niet
strak langs uw lichaam kunt trekken.
•
De veiligheidsgordel mag niet gedraaid zitten.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u daarvoor contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten
heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn
geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de veiligheidsgordel niet of verkeerd wordt
gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed
zijn op het effect van de airbag.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bedoeld voor slechts
één persoon.
Span de heupgordel over de heupen door de diagonale
schoudergordel in de richting van de schouder omhoog
te trekken. De heupgordel moet laag zitten (niet over de
buik).
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te
ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt
de beste bescherming bij een normale rijhouding.
Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet draagt,
wordt de bewuste persoon er middels waarschuwingssymbolen en geluidssignalen (p. 35) aan
herinnerd de gordel om te doen (p. 33).
32
Gerelateerde informatie
•
•
•
Veiligheidsgordel - zwangerschap (p. 34)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 34)
Gordelspanners (p. 35)
VEILIGHEID
Veiligheidsgordel - om doen
Op de achterbank past de borglip van de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende sluiting1.
Doe de veiligheidsgordel (p. 32) om voordat u
gaat rijden.
Waar u op moet letten
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken:
Rol de gordel langzaam af en maak deze vast
door de borglip in de gordelsluiting te steken.
Een duidelijke "klik" geeft aan dat de gordel vastzit.
•
•
•
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Gerelateerde informatie
Verkeerde positie veiligheidsgordel. De veiligheidsgordel
moet over de schouder lopen.
•
•
•
•
Veiligheidsgordel - zwangerschap (p. 34)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 34)
Gordelspanners (p. 35)
Gordelwaarschuwing (p. 35)
Goede positie veiligheidsgordel.
Hoogte-instelling van de veiligheidsgordel. Druk de knop
in en zet de gordel hoger of lager. Zet de gordel zo hoog
mogelijk zonder dat de gordel daarbij langs de nek
schuurt.
1
Bepaalde markten.
33
VEILIGHEID
Veiligheidsgordel - losmaken
Veiligheidsgordel - zwangerschap
Maak de veiligheidsgordel (p. 32) pas los als de
auto stilstaat.
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk de
veiligheidsgordel (p. 32) altijd op de juiste
manier te dragen.
Druk op de rode knop van de gordelsluiting en
laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen
trekken. Als de gordel niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
auto volledig onder controle hebben (wat inhoudt
dat ze met gemak bij het stuur en de pedalen
moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand
tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te
maken.
Gerelateerde informatie
•
•
Gerelateerde informatie
Veiligheidsgordel - om doen (p. 33)
Gordelwaarschuwing (p. 35)
G020998
•
•
De veiligheidsgordel moet strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de borsten en tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel moet
vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik liggen. Het
mag nooit over de buik omhoog kunnen glijden.
De veiligheidsgordel moet zo strak mogelijk over
het lichaam lopen zonder onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens
gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel (p. 89) en het
stuurwiel (p. 94) dusdanig verstellen dat ze de
34
Veiligheidsgordel - om doen (p. 33)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 34)
VEILIGHEID
Gordelwaarschuwing
nen van een van de achterportieren verschijnt er een melding op het instrumentenpaneel. De melding verdwijnt na ongeveer 30
seconden rijden vanzelf of eerder bij het
indrukken van de knop OK op de richtingaanwijzerhendel (p. 119). Als een van de
inzittenden geen veiligheidsgordel draagt,
verdwijnt de melding echter alleen bij het
indrukken van de knop OK op de richtingaanwijzerhendel.
Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet
draagt, gaan er waarschuwingssymbolen branden en worden er geluidssignalen afgegeven om
de bewuste persoon eraan te herinneren de veiligheidsgordel om te doen (p. 33).
G017726
•
Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de
snelheid. De waarschuwingssymbolen zitten op
de plafondconsole en op het instrumentenpaneel
(p. 72).
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet voor
kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
•
Waarschuwen dat iemand op de achterbank
de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er
wordt gewaarschuwd met een melding op
het instrumentenpaneel in combinatie met
een geluidssignaal en een waarschuwingslampje. De waarschuwing stopt wanneer de
gordel weer is omgedaan, maar kan ook
handmatig worden bevestigd door op de
knop OK te drukken.
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels (p. 32) zijn uitgerust met
gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij
een voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter in
de stoel gedrukt houden.
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel aan passagierszijde nooit aanbrengen in de gordelsluiting aan bestuurderszijde. De gesp van de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de gordelsluiting aan de juiste zijde. De veiligheidsgordels nooit beschadigen en geen vreemde
voorwerpen aanbrengen in de gordelsluiting.
De veiligheidsgordels en de gordelsluiting
werken anders mogelijk niet naar behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat gevaar voor
ernstige verwondingen.
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel staat welke veiligheidsgordels er in gebruik
zijn. Deze informatie is altijd beschikbaar.
Bepaalde markten
Er gaat een waarschuwingssymbool branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder en een eventuele voorpassagier de
gordel niet dragen. Op lage snelheden klinkt de
eerste 6 seconden lang een geluidssignaal.
Aangeven welke veiligheidsgordel (p. 32) van
de achterbank er worden gebruikt. Bij
gebruik van de veiligheidsgordels of het ope-
35
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Het waarschuwingslampje verschijnt, als er tijdens de storingsdiagnose een storing wordt
geconstateerd of als het systeem geactiveerd is.
Waar nodig verschijnt het waarschuwingslampje
in combinatie met een melding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel (p. 72).
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden
korte tijd oplicht, betekent dit dat het airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het symbool kan ook duiden op een storing in de gordelspanners, het SIPS- en het IC-systeem of
op een andere storing in het systeem. Volvo
adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als het waarschuwingssymbool niet werkt, gaat
het waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt er SRS airbag Service vereist of SRS
airbag Service spoed op het display. Volvo
adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Gevarendriehoek en waarschuwingssymbool voor het
airbagsysteem (p. 36) op het instrumentenpaneel.
Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 87) staat. Het symbool dooft na ca. 6 seconden, wanneer de regelmodule heeft vastgesteld dat het airbagsysteem
geen storingen vertoont.
36
Algemene informatie over de Safety mode
(p. 46)
Airbagsysteem
Bij een frontale botsing helpt het airbagsysteem
voorkomen dat u en eventuele inzittenden letsel
aan hoofd en borstkas oplopen.
G018665
Veiligheid - waarschuwingssymbool
Airbagsysteem, van bovenaf gezien bij een auto met het
stuur links.
VEILIGHEID
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen
airbags.
•
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in de
auto over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
•
Neem altijd contact op met een arts.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u voor reparatie contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Verkeerde ingrepen in het airbagsysteem
kunnen aanleiding geven tot storingen in de
werking met mogelijk ernstig lichamelijk letsel
tot gevolg.
N.B.
G018666
WAARSCHUWING
Airbagsysteem, van bovenaf gezien bij een auto met het
stuur rechts.
Het SRS bestaat uit airbags en sensoren. Bij een
voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna één of meer airbags worden opgeblazen en warm worden. De airbags vangen de
klap van de aanrijding op voor de inzittende.
Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de
aanrijding op voor de inzittende, waarna de airbags weer leeglopen. Daarbij treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het
totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen
van de airbag, neemt enkele tienden van een
seconde in beslag.
Wanneer de airbags werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
•
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
De sensoren reageren verschillend, afhankelijk van het verloop van de botsing en of er al
dan niet een veiligheidsgordel wordt gebruikt.
Geldt voor alle gordelposities.
De regeleenheid van het airbagsysteem zit in
de middenconsole. Als de middenconsole
doorweekt geraakt is, moet u de kabels loskoppelen van de startaccu. Probeer de auto
niet te starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u de te auto te laten
wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
Er kunnen dus ongelukken ontstaan als
slechts één (of geen) van de airbags wordt
geactiveerd. De sensoren registreren de
kracht waaraan de auto bij de botsing wordt
blootgesteld en passen zich hierop aan, zodat
één of meer airbags worden opgeblazen.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Dat kan
het besturen van de auto bemoeilijken. Ook
andere veiligheidssystemen kunnen beschadigd zijn. De rook en stof die bij het opblazen
van de airbags worden gevormd, kunnen bij
een intensieve blootstelling irritaties aan de
huid en ogen/letsel veroorzaken. Bij last met
koud water wassen. Het snelle opblazen kan
ook, in combinatie met het materiaal van de
airbag, voor wrijvings- en brandwonden op de
huid zorgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Airbag aan de bestuurderszijde (p. 38)
Passagiersairbag (p. 38)
Veiligheid - waarschuwingssymbool (p. 36)
37
VEILIGHEID
Airbag aan de bestuurderszijde
Passagiersairbag
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel
(p. 32) aan de bestuurderszijde ook een airbag
(p. 36) in het stuurwiel.
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel
(p. 32) aan de passagierszijde ook een airbag
(p. 36).
De airbag zit opgevouwen in het midden van het
stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het
opschrift AIRBAG.
De airbag zit opgevouwen in een ruimte boven
het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van
het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de gordel niet of verkeerd wordt gebruikt,
kan dit bij een botsing van invloed zijn op het
effect van de airbag.
Positie van de passagiersairbag in een auto met het
stuur rechts.
Sticker voor passagiersairbag
Gerelateerde informatie
•
Passagiersairbag (p. 38)
Positie van de passagiersairbag in een auto met het
stuur links.
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
38
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de gordel niet of verkeerd wordt gebruikt,
kan dit bij een botsing van invloed zijn op het
effect van de airbag.
Schakelaar - PACOS*
De passagiersairbag (SRS) voorin is te deactiveren, (p. 40) met een schakelaar als de auto is
uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut Off
Switch).
Om geen letsel op te lopen wanneer de airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo
rechtop mogelijk zitten met de voeten op de
vloer en de rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet vast zitten.
Sticker op portierstijl aan passagierszijde. Bij het openen
van het passagiersportier is de sticker zichtbaar.
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag
is aangebracht als hierboven.
WAARSCHUWING
Plaats een achterstevoren gemonteerd kinderzitje nooit op een stoel met een geactiveerde airbag. Het niet opvolgen van deze
aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties
voor of ernstig letsel van het kind opleveren.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen vóór of bovenop het
dashboard op de plek waar de airbag voor de
passagiersstoel zit.
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen PACOS-schakelaar (Passenger Airbag Cut Off Switch)
heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Airbag aan de bestuurderszijde (p. 38)
Kinderzitje (p. 49)
WAARSCHUWING
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
* Optie/accessoire.
39
VEILIGHEID
Passagiersairbag - activering/
deactivering*
(kinderen en volwassenen) veilig in de rijrichting op de passagiersstoel zitten.
De passagiersairbag (p. 38) is te deactiveren
met een schakelaar als de auto is uitgerust met
PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch).
OFF - de airbag is gedeactiveerd. Met de
schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje veilig op de passagiersstoel voorin zitten.
Schakelaar - PACOS
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS zit aan de passagierszijde aan de zijkant van het dashboard en u
kunt erbij door het portier aan die kant te openen.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Gebruik het sleutelblad (p. 178) van
de transpondersleutel om van stand te veranderen.
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
N.B.
Wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 87) staat, brandt ca. 6 seconden
lang het waarschuwingssymbool (p. 36) voor
de airbag op het instrumentenpaneel.
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft.
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
G017800
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
Hiermee wordt aangegeven dat de passagiersairbag
geactiveerd is.
Een waarschuwingssymbool op de plafondconsole geeft aan of de passagiersairbag voorin
geactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
Locatie van de schakelaar voor de airbag.
ON - de airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen alle passagiers
40
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Bevestig een tegen de rijrichting in geplaatst
kinderzitje nooit op de passagiersstoel voorin,
als de passagiersairbag geactiveerd is en als
teken daarvan het symbool
op de plafondconsole brandt. Het niet opvolgen van
deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties voor het kind opleveren.
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen als het waarschuwingssymbool(p. 36) voor het airbagsysteem op het
instrumentenpaneel oplicht, terwijl de melding
op de plafondconsole aangeeft dat de airbag
aan die kant gedeactiveerd is. Dit duidt op
een ernstige storing. Bezoek zo spoedig
mogelijk een werkplaats. Volvo adviseert u
daarvoor contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS (Side Impact
Protection System) over balken, stijlen, vloer,
dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de bestuurders- en
de passagierszijde beschermen de borstkas en
de heupen en vormen een belangrijk onderdeel
van het SIPS.
WAARSCHUWING
2
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties
voor de passagiers opleveren.
Hiermee wordt aangeduid dat de passagiersairbag
gedeactiveerd is.
Een tekstmelding en een brandend lampje op de
plafondconsole geven aan dat de passagiersairbag gedeactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
•
Kinderzitje (p. 49)
G032949
G017724
Gerelateerde informatie
2
Het SIPS bestaat uit twee hoofdonderdelen: de
SIPS-airbags en de sensoren. De SIPS-airbags
zijn aangebracht in de rugleuningframes van de
voorstoelen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren
activeren. De SIPS-airbags worden vervolgens
opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de
klap van de aanrijding op voor de inzittende,
}}
41
VEILIGHEID
||
waarna de airbags weer leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen opgeblazen
aan de kant van de aanrijding.
WAARSCHUWING
Bestuurdersplaats, auto met stuur links.
•
Volvo adviseert u de reparatie uitsluitend
door een erkende Volvo-werkplaats te
laten uitvoeren. Een verkeerde ingreep in
het SIPS-systeem kan tot een onjuiste
werking leiden met ernstig letsel als
gevolg.
•
Plaats geen voorwerpen in het gebied
tussen de buitenzijde van de stoel en het
portierpaneel, aangezien dit gebied door
de zijairbag kan worden beïnvloed.
•
Volvo adviseert om uitsluitend door Volvo
goedgekeurde overtrekbekleding te
gebruiken. Andere bekleding kan de werking van de zijairbags hinderen.
•
De zijairbag vormt een aanvulling op de
veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
SIPS en kinderzitjes
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende
werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet
negatief.
Gerelateerde informatie
Passagiersplaats, auto met stuur links.
42
•
•
•
Airbag aan de bestuurderszijde (p. 38)
Passagiersairbag (p. 38)
Opblaasgordijnen (IC) (p. 42)
Opblaasgordijnen (IC)
Het systeem helpt voorkomen dat de bestuurder
en eventuele passagiers bij een botsing met hun
hoofd tegen de binnenkant van de auto slaan.
De opblaasgordijnen van het IC (Inflatable
Curtain) maken deel uit van het SIPS (p. 41) en
het airbagsysteem (p. 36). Deze is langs de beide
kanten van de plafondbekleding gemonteerd en
beschermt de bestuurder en passagiers op de
buitenste stoelen van de auto. Bij een voldoende
krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op
hun beurt de opblaasgordijnen activeren.
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan
de plafondhandgrepen. De haak is alleen
bedoeld voor niet al te zware kledingstukken
(en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo adviseert u uitsluitend originele Volvo-onderdelen,
bestemd voor montage op deze plaatsen, te
gebruiken.
Algemene informatie over WHIPS
(whiplash-bescherming)
WHIPS (Whiplash Protection System) biedt
bescherming tegen whiplash-letsel. Het systeem
bestaat uit energieabsorberende rugleuningen
en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen.
WAARSCHUWING
De auto mag niet zo worden beladen dat de
lading hoger dan 50 mm onder de bovenkant
van de portierruiten uitkomt. Anders kan het
beschermende vermogen van het opblaasgordijn, dat in de hemelbekleding verborgen zit,
uitblijven.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Gerelateerde informatie
•
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 32)
Het WHIPS wordt geactiveerd bij een aanrijding
van achteren, afhankelijk van de hoek waaronder
en de snelheid waarmee het achteropkomende
}}
43
VEILIGHEID
||
voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Eigenschappen van de stoel
Bij activering van het WHIPS klappen de rugleuningen van de voorstoelen naar achteren, zodat
de zithouding van bestuurder en voorpassagier
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WHIPS - zithouding
Voor optimale bescherming door het WHIPS
(p. 43) moeten bestuurder en voorpassagier de
juiste zithouding innemen en zorgen dat het systeem niet wordt gehinderd.
Zithouding
WAARSCHUWING
Plaats dozen e.d. niet zodanig, dat deze vastgeklemd zitten tussen het zitkussen van de
achterbank en de rugleuning van de voorstoel.
Denk eraan dat u de werking van het WHIPSsysteem niet hindert.
Stel voordat u wegrijdt de juiste zithouding in
voor de voorstoel (p. 89).
U en een eventuele voorpassagier moeten zoveel
mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen
en de afstand tussen hoofd en hoofdsteun zo
klein mogelijk houden.
Functie
WAARSCHUWING
Voer zelf nooit wijzigingen of reparaties aan
de stoel of het WHIPS-systeem uit. Volvo
adviseert u daarvoor contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
Plaats geen voorwerpen op de achterbank die het
WHIPS kunnen hinderen.
WHIPS en kinderzitjes
WAARSCHUWING
Het WHIPS beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet
negatief.
Gerelateerde informatie
•
•
44
WHIPS - zithouding (p. 44)
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 32)
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPS kunnen hinderen.
Als een rugleuning van de achterbank is neergeklapt, moet de bijbehorende voorstoel verder naar voren worden gezet zodat deze niet
in contact komt met de neergeklapte rugleuning.
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Roll Over Protection System (ROPS)
Als de stoel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals bij een aanrijding van achteren,
is een controle van het WHIPS vereist. Volvo
adviseert om dit door een erkende Volvowerkplaats te laten controleren.
Het Roll-Over Protection System (ROPS) van
Volvo is ontwikkeld om het gevaar te beperken
dat de auto over de kop slaat en maximale
bescherming te bieden als een ongeluk onvermijdelijk blijkt.
Het WHIPS kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs
al ziet de stoel er intact uit.
Het systeem omvat twee delen: een preventief
stabiliseringssysteem en een beschermingssysteem.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats om het systeem te laten controleren, ook bij zachtere
aanrijdingen van achteren.
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
RSC-systeem voor een betere wegligging. Dit
mag echter voor u geen reden zijn om sneller
te gaan rijden. Neem altijd de gebruikelijke
voorzorgsmaatregelen bij het rijden.
Het stabiliseringssysteem Roll Stability Control
(RSC) beperkt het gevaar dat de auto kantelt en
over de kop slaat, wanneer u bijvoorbeeld abrupt
uitwijkt of in de slip raakt.
Het RSC maakt gebruik van een gyrosensor die
wijzigingen in de helling overdwars registreert.
Aan de hand van deze informatie wordt vervolgens berekend hoe groot de kans is dat de auto
over de kop slaat. Als het gevaar reëel is, treedt
het ESC (p. 198) in werking. Het motortoerental
wordt daarbij verlaagd en één of meer van de
wielen worden afgeremd, totdat de auto zijn stabiliteit hervonden heeft.
Als de auto toch mocht kantelen, treedt het
beschermingssysteem in werking en worden,
afhankelijk van de situatie, de gordelspanners
(p. 35) en/of opblaasgordijnen (p. 42) geactiveerd.
45
VEILIGHEID
Algemene informatie over de Safety
mode
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een slechte
functie van de auto. Volvo adviseert u de auto
altijd in een erkende Volvo-werkplaats te laten
controleren en naar Normal Mode te laten
resetten nadat de melding Veiligheidsstand
Zie instructieboek is verschenen.
Safety Mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt, wanneer tijdens een aanrijding
mogelijk belangrijke onderdelen zijn beschadigd
zoals de brandstofleidingen, de sensoren voor
de veiligheidssystemen of het remsysteem.
Gerelateerde informatie
•
•
De gevarendriehoek op het instrumentenpaneel.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje op het bestuurdersdisplay van
het instrumentenpaneel (p. 72) verschijnen. Dit
betekent dat de functionaliteit van de auto is verminderd.
46
Safety mode - startpoging (p. 46)
Safety mode - auto verrijden (p. 47)
Safety mode - startpoging
Als de auto in de Safety mode (p. 46) staat, is
een startpoging mogelijk als alles in orde lijkt te
zijn en u gecontroleerd hebt dat er geen sprake
is van brandstoflekkage.
Controleer eerst of er geen brandstof uit de auto
is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur
waarneembaar zijn.
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat
er geen brandstof lekt, kunt u proberen de motor
te starten.
Neem de transpondersleutel uit en open het
bestuurdersportier. Als er vervolgens een melding
verschijnt dat het contact ingeschakeld is, dient u
op de startknop te drukken. Sluit het portier vervolgens en plaats de transpondersleutel terug.
De elektronica van de auto probeert nu te resetten naar de normale stand. Probeer vervolgens
de auto te starten.
Als de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje nog steeds op het display
staat mag u niet met de auto rijden en hem evenmin verslepen. U moet hem dan laten bergen
(p. 330). Verborgen schade kan de auto tijdens
het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als het lijkt
dat u nog met de auto kunt rijden.
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt
terwijl de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboek getoond wordt. Verlaat de
auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept zolang
deze in de Safety mode staat. De auto moet
op een bergingsvoertuig worden afgevoerd.
Volvo adviseert u hem te laten afvoeren naar
een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Safety mode - auto verrijden (p. 47)
Safety mode - auto verrijden
Als Normal mode verschijnt, wanneer de
Veiligheidsstand Zie instructieboekje na een
startpoging (p. 46) werd gereset, mag u de auto
voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie verrijden.
Verrijd de auto niet verder dan nodig.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de Safety mode
(p. 46)
Algemene informatie over
kinderveiligheid
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten
(kinderzitjes, comfortkussens en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto zijn ontwikkeld.
Met kinderveiligheidsproducten van Volvo schept
u optimale voorwaarden voor een veilig vervoer
van kinderen in de auto. U weet bovendien zeker
dat de producten passen en eenvoudig in het
gebruik zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot zitten.
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een tegen de rijrichting in geplaatst
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3–4
jaar) en daarna op een comfortkussen of een in
een de rijrichting geplaatst kinderzitje tot ze een
lengte van 1,40 m hebben.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het te gebruiken type kinderzitje voor kinderen in verschillende leeftijdscategorieën en gewichtsklassen verschillen van land tot land. Ga na wat er
in uw land geldt.
}}
47
VEILIGHEID
||
N.B.
Bij vragen over de montage van kinderveiligheidsproducten neemt u voor duidelijke aanwijzingen contact op met de producent.
Kinderslot
De achterportieren en de achterportierruiten* zijn
handmatig te blokkeren (p. 192) of elektronisch
te blokkeren (p. 193)*, zodat ze niet meer van de
binnenzijde te openen zijn.
Gerelateerde informatie
•
•
•
48
Kinderzitje - positie (p. 55)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 59)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 63)
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Kinderzitje
Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen
zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de juiste
wijze gebruikt.
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is
het belangrijk om de meegeleverde montagehandleiding te lezen.
WAARSCHUWING
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
niet vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan de
veren, rails of balken onder de stoel. Scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigen.
Raadpleeg voor de juiste montage de montageinstructies bij het kinderzitje.
}}
49
VEILIGHEID
||
Aanbevolen kinderzitjes2
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag, alleen tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes)
Categorie 0
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen in de
rijrichting geplaatste kinderzitjes)
Buitenste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) - tegen
de rijrichting in geplaatst kinderzitje
bevestigd met ISOFIX-systeem.
max. 10 kg
Categorie 0+
Typegoedkeuring: E1 04301146
max. 13 kg
(L)
Categorie 0
max. 10 kg
Categorie 0+
max. 13 kg
Volvo-babyzitje (Volvo Infant
Seat) – tegen de rijrichting in
geplaatst kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1
04301146
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – tegen
de rijrichting in geplaatst kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 04301146
(U)
(U)
Categorie 0
max. 10 kg
Categorie 0+
Kinderzitjes met universele
goedkeuring.
50
Volvo-babyzitje (Volvo Infant
Seat) – tegen de rijrichting in
geplaatst kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1
04301146
(U)
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
(U)
(U)
max. 13 kg
2 Om
Middelste zitplaats achterbank
andere kinderzitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
Kinderzitjes met universele
goedkeuring.
(U)
VEILIGHEID
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag, alleen tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes)
Categorie 1
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat)
– tegen de rijrichting in
geplaatst kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
9–18 kg
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen in de
rijrichting geplaatste kinderzitjes)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
Categorie 1
9–18 kg
Tegen de rijrichting in geplaatste Volvo-kinderzitje
Tegen de rijrichting in geplaatste Volvokinderzitje
Typegoedkeuring: E5 04212
Typegoedkeuring: E5 04212
(L)
Categorie 1
9–18 kg
(L)
In de rijrichting geplaatste
kinderzitjes met universele
goedkeuring.A
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
(U)
Kinderzitjes met universele
goedkeuring.
(U)
(UF)
}}
51
VEILIGHEID
||
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag, alleen tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes)
Categorie 2
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat)
– tegen de rijrichting in
geplaatst kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
15–25 kg
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen in de
rijrichting geplaatste kinderzitjes)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
Categorie 2
15–25 kg
Tegen de rijrichting in geplaatste Volvo-kinderzitje
Tegen de rijrichting in geplaatste Volvokinderzitje
Typegoedkeuring: E5 04212
Typegoedkeuring: E5 04212
(L)
Categorie 2
15–25 kg
(L)
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible
Child Seat) – tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5
04191
(U)
52
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04191
(U)
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child
Seat) – tegen de rijrichting in
geplaatst kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04191
(U)
VEILIGHEID
Gewicht
Categorie 2/3
15–36 kg
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag, alleen tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes)
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen in de
rijrichting geplaatste kinderzitjes)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Volvo-comfortkussen met
rugleuning (Volvo Booster
Seat with backrest).
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Volvo-comfortkussen met
rugleuning (Volvo Booster
Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1
04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
(UF)
(UF)
Categorie 2/3
15–36 kg
Kinderzitje met of zonder
rugleuning (Booster
Cushion with and without
backrest).
Typegoedkeuring: E5
04216
Typegoedkeuring: E1
04301169
(UF)
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Kinderzitje met of zonder
rugleuning (Booster Cushion
with and without backrest).
Typegoedkeuring: E5 04216
Typegoedkeuring: E5 04216
(UF)
(UF)
(UF)
Categorie 2/3
Volvo kinderzitje
Volvo kinderzitje
Volvo kinderzitje
15–36 kg
Typegoedkeuring: E1
04301312
Typegoedkeuring: E1 04301312
Typegoedkeuring: E1
04301312
(UF)
(UF, L)
(UF)
}}
53
VEILIGHEID
||
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag, alleen tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes)
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen in de
rijrichting geplaatste kinderzitjes)
Categorie 2/3
15–36 kg
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Geïntegreerd kinderzitje (Integrated
Booster Cushion) – verkrijgbaar als
fabrieksoptie.
Typegoedkeuring: E5 04189
(B)
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of semi-universeel zijn.
U: Geschikt voor kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting geplaatste kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
B: Geïntegreerde kinderzitjes met goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
Voor kinderen in deze gewichtscategorie adviseert Volvo een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje.
Gerelateerde informatie
54
•
•
Kinderzitje - positie (p. 55)
•
•
Kinderzitje - ISOFIX (p. 59)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 63)
Algemene informatie over kinderveiligheid
(p. 47)
VEILIGHEID
Kinderzitje - positie
Sticker voor passagiersairbag
Het gewicht en de lengte van het kind zijn bepalend voor de plaats van het kind in de auto en de
vereiste uitrusting.
Het volgende is te gebruiken:
•
een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer
de passagiersairbag gedeactiveerd is.
•
een in de rijrichting geplaatst kinderzitje/een
comfortkussen op de passagiersstoel voorin,
wanneer de passagiersairbag geactiveerd is.
•
en of meer kinderzitjes/comfortkussen op de
achterbank.
WAARSCHUWING
G020739
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
Plaats een achterstevoren gemonteerd kinderzitje nooit op een stoel met een geactiveerde airbag. Het niet opvolgen van deze
aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties
voor of ernstig letsel van het kind opleveren.
Tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes en airbags
gaan niet samen.
Plaats tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes (p. 49) op de achterbank, als de passagiersairbag geactiveerd (p. 40) is. Als de airbag wordt
opgeblazen, kan een kind op de passagiersstoel
ernstig letsel oplopen.
Als de passagiersairbag gedeactiveerd is, kunt u
een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op
de passagiersstoel voorin zetten.
Sticker op portierstijl aan passagierszijde. Bij het openen
van het passagiersportier is de sticker zichtbaar.
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag
is aangebracht als hierboven.
}}
55
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
Gerelateerde informatie
•
•
Kinderzitje (p. 49)
Algemene informatie over kinderveiligheid
(p. 47)
•
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 63)
•
Kinderzitje - ISOFIX (p. 59)
Kinderzitje - geïntegreerde
zittingverhoger met twee standen*
De geïntegreerde zittingverhogers op de achterbank zorgen ervoor, dat kinderen comfortabel en
veilig kunnen zitten.
De geïntegreerde kinderzitjes zijn speciaal ontworpen om kinderen optimale bescherming te
bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels (p. 32) zijn de kinderzitjes goedgekeurd voor kinderen met een gewicht van 15 tot
36 kg en een lengte van minimaal 95 cm.
WAARSCHUWING
Zittingverhogers/kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de openingsknop van de gordelsluiting aan kunnen
liggen, mogen niet worden gebruikt aangezien
ze ervoor kunnen zorgen dat de veiligheidsgordel per ongeluk opengaat.
Laat het bovengedeelte van het kinderzitje
niet tegen de voorruit leunen.
Goede positie: de gordel loopt midden over de schouder.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor hoe een kind in
de auto moet worden geplaatst, verschillen
per land. Stel u op de hoogte van wat van toepassing is.
56
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Verkeerde positie: de gordel mag niet naast de schouder lopen.
Zorg alvorens weg te rijden dat:
•
de geïntegreerde zittingverhoger met twee
standen correct ingesteld zie tabel (p. 57)
en vergrendeld is
•
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens slap
hangt of verdraaid is;
•
de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt (zie voorgaande afbeeldingen);
•
de heupgordel laag over het bekken loopt,
zodat deze maximale bescherming biedt.
Volvo adviseert u reparatie- en vervangingswerk over te laten aan een erkende Volvowerkplaats. Verricht geen wijzigingen in of
aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje. Als een geïntegreerd kinderzitje aan
grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u het geïntegreerde kinderzitje in zijn geheel vervangen.
Ook als het geïntegreerde kinderzitje er intact
uitziet, kunnen er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het geïntegreerde kinderzitje moet ook worden vervangen als het erg versleten is.
Geïntegreerde zittingverhoger met
twee standen* - uitklappen
De geïntegreerde zittingverhoger (p. 56) op de
achterbank kan in twee standen worden uitgeklapt. In welke stand u het kinderzitje moet uitklappen hangt af van het gewicht van het kind.
Gewicht
Stand 1
Stand 2
22–36 kg
15–25 kg
Stand 13
WAARSCHUWING
Als u de gebruiksinstructies voor de zittingverhoger met twee standen niet opvolgt, is het bij
een aanrijding niet uitgesloten dat het kind
ernstig letsel oploopt.
Trek de handgreep naar voren en omhoog
om het kinderzitje vrij te geven.
U zet de zittingverhoger in een van de twee standen door deze op te klappen (p. 57) of neer te
klappen (p. 59).
3 De
}}
onderste stand.
* Optie/accessoire.
57
VEILIGHEID
||
Stand 24
Duw het kinderzitje naar achteren om het te
vergrendelen.
Til het kinderzitje aan de voorkant op en duw
het achteruit tegen het ruggedeelte aan om
het te vergrendelen.
Werk vanuit de onderste stand. Druk op de
knop.
N.B.
Het is niet mogelijk de zittingverhoger vanuit
stand 2 in stand 1 te zetten. U moet de verhoger eerst volledig inklappen (p. 59) in het
zitgedeelte van de achterbank.
Gerelateerde informatie
•
4 De
58
Geïntegreerde zittingverhoger met twee
standen* - inklappen (p. 59)
bovenste stand.
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Geïntegreerde zittingverhoger met
twee standen* - inklappen
Kinderzitje - ISOFIX
ISOFIX is een bevestigingssysteem voor kinderzitjes (p. 49), gebaseerd op een internationale
standaard.
De geïntegreerde zittingverhoger (p. 56) op de
achterbank kan van de bovenste of onderste
stand worden ingeklapt naar een volledig ingeklapte stand in de zitting. Het is echter niet
mogelijk het kinderzitje vanuit de bovenste stand
in de onderste stand te zetten.
Duw het zitje met uw hand omlaag om het
zitje te vergrendelen.
BELANGRIJK
Controleer voordat u het kinderzitje weer
neerklapt of er geen losse voorwerpen (zoals
stukken speelgoed) in het gebied onder het
zitje liggen.
Trek de handgreep naar voren om het zitje
vrij te geven.
N.B.
Bij het inklappen van rugleuningen achter
moet eerst het kinderzitje worden neergeklapt.
Gerelateerde informatie
•
Geïntegreerde zittingverhoger met twee
standen* - uitklappen (p. 57)
Achter de onderkant van de ruggedeelten op de
beide buitenste zitplaatsen van de achterbank
gaan de bevestigingspunten voor het ISOFIXsysteem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten
(zie voorgaande afbeelding) geven de positie van
deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag om
bij de bevestigingspunten te komen.
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
}}
* Optie/accessoire.
59
VEILIGHEID
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
ISOFIX - afmetingscategorieën (p. 60)
ISOFIX - soorten kinderzitjes (p. 61)
Algemene informatie over kinderveiligheid
(p. 47)
ISOFIX - afmetingscategorieën
Voor kinderzitjes met een ISOFIX (p. 59)-bevestigingssysteem zijn er afmetingscategorieën om
gebruikers te helpen bij het kiezen van het juiste
type kinderzitje (p. 61).
Afmetingscategorie
60
Beschrijving
A
Normale grootte, in rijrichting
geplaatst kinderzitje
B
Beperkte grootte (optie 1), in rijrichting geplaatst kinderzitje
B1
Beperkte grootte (optie 2), in rijrichting geplaatst kinderzitje
C
Normale grootte, tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje
D
Beperkte grootte, tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje
E
Tegen de rijrichting in geplaatst
babyzitje
F
Overdwars gemonteerd babyzitje,
links
G
Overdwars gemonteerd babyzitje,
rechts
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
N.B.
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, moet het automodel op de
voertuiglijst van het kinderzitje staan.
N.B.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een Volvo-werkplaats over de ISOFIX-kinderzitjes die Volvo aanbeveelt.
VEILIGHEID
ISOFIX - soorten kinderzitjes
Kinderzitjes kunnen net als auto's verschillende
afmetingen hebben. Kinderzitjes passen daarType kinderzitje
Babyzitje, overdwars
door niet op alle zitplaatsen van de verschillende
modellen.
Gewicht
max. 10 kg
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
F
X
X
G
X
X
OK
Babyzitje, tegen rijrichting in
max. 10 kg
E
X
Babyzitje, tegen rijrichting in
max. 13 kg
E
X
(IL)
OK
(IL)
D
X
OK
(IL)
C
X
D
X
OK
(IL)
Kinderzitje, tegen rijrichting in
9–18 kg
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
}}
61
VEILIGHEID
||
Type kinderzitje
Kinderzitje, in rijrichting
Gewicht
9–18 kg
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
B
X
OKA
B1
X
(IUF)
OKA
(IUF)
A
X
OKA
(IUF)
X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie.
IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of
semi-universeel zijn.
IUF: Geschikt voor in rijrichting geplaatste ISOFIX-kinderzitjes met universele goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
Volvo adviseert een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje voor deze categorie.
Zorg dat u de juiste afmetingscategorie (p. 60)
kiest voor een kinderzitje met het ISOFIX-bevestigingsysteem (p. 59).
62
VEILIGHEID
Kinderzitje - bovenste
bevestigingspunten
N.B.
Klap de hoofdsteunen omlaag om het monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen
bij auto’s met neerklapbare hoofdsteunen op
de beide buitenste zitplaatsen.
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes (p. 49) die in
de rijrichting worden gemonteerd. Deze bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte van
de achterbank.
N.B.
In auto’s met een bagagerolhoes over de
bagageruimte moet deze worden verwijderd
voordat het kinderzitje in de bevestigingspunten kan worden gemonteerd.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het kinderzitje voor gedetailleerde informatie over de
manier waarop u het zitje aan de bovenste bevestigingspunten vastzet.
WAARSCHUWING
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd
kinderzitje aan te bevestigen. Volvo adviseert u
kleine kinderen zo lang mogelijk in een achterstevoren gemonteerd kinderzitje te blijven vervoeren.
De bevestigingsband van het kinderzitje altijd
door de opening in de ene poot van de hoofdsteun halen, alvorens de band aan het bevestigingspunt vast te zetten.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over kinderveiligheid
(p. 47)
•
•
Kinderzitje - positie (p. 55)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 59)
63
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instrumenten en bediening, auto
met stuur links - overzicht
In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
66
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Overzicht auto's met het stuur links
}}
67
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Functie
Zie
Functie
Zie
Functie
Zie
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/
dimlicht, boordcomputer
(p. 119),
(p. 121),
(p. 106),
(p. 99) en
(p. 123).
Bedieningspaneel
(p. 188),
(p. 193),
(p. 111) en
(p. 112).
Stoelverstelling*
(p. 90).
(p. 96),
(p. 302) en
(p. 190).
Cruisecontrol*
(p. 206) en
(p. 213).
Bedieningsknoppen
verlichting, ontgrendeling tankvulklep en
achterklep
Claxon, airbag
68
(p. 94) en
(p. 36).
Alarmlichten
(p. 105).
Bedieningspaneel voor
infotainment en menufuncties
(p. 121) en
Sensus Infotainment-supplement.
Bedieningspaneel voor
klimaatregeling
(p. 138).
Versnellingspook/
keuzehendel
(p. 285).
Bediening rijmodi
(p. 278).
Wissers en -sproeiers
(p. 108).
Instrumentenpaneel
(p. 72).
Menufuncties, bediening audio, bediening
telefoon*
(p. 121) en
Sensus Infotainment-supplement.
START/STOP
ENGINE-knop
(p. 274).
Contactslot
(p. 87).
Stuurwielafstelling
(p. 94).
Beeldscherm voor
infotainment en weergave van menu's
(p. 121) en
Sensus Infotainment-supplement.
Ontgrendeling motorkap
(p. 371).
Parkeerrem
(p. 293).
Openingshandgreep
portier
–
Gerelateerde informatie
•
•
•
Buitentemperatuur (p. 81)
Dagtellers (p. 81)
Klok (p. 82)
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instrumenten en bediening, auto
met stuur rechts - overzicht
In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
}}
69
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
70
Overzicht auto's met het stuur rechts
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Functie
Zie
Functie
Zie
Beeldscherm voor
infotainment en weergave van menu's
(p. 121) en
Sensus Infotainment-supplement.
Bedieningsknoppen
verlichting, ontgrendeling tankvulklep en
achterklep
(p. 96),
(p. 302) en
(p. 190).
Contactslot
(p. 87).
Stoelverstelling*
(p. 90).
START/STOP
ENGINE-knop
(p. 274).
Parkeerrem
(p. 293).
Cruisecontrol*
(p. 206) en
(p. 213).
Stuurwielafstelling
(p. 94).
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/
dimlicht, boordcomputer
(p. 119),
(p. 121),
(p. 106),
(p. 99) en
(p. 123).
Versnellingspook/
keuzehendel
(p. 285).
Bediening rijmodi
(p. 278).
Bedieningspaneel voor
klimaatregeling
(p. 138).
Bedieningspaneel voor
infotainment en menufuncties
(p. 121) en
Sensus Infotainment-supplement.
Alarmlichten
(p. 105).
Ontgrendeling motorkap
(p. 371).
Instrumentenpaneel
(p. 72).
Claxon, airbag
(p. 94) en
(p. 36).
Menufuncties, bediening audio, bediening
telefoon*
(p. 121) en
Sensus Infotainment-supplement.
Wissers en -sproeiers
(p. 108).
Openingshandgreep
portier
–
Bedieningspaneel
(p. 188),
(p. 193),
(p. 111) en
(p. 112).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Buitentemperatuur (p. 81)
Dagtellers (p. 81)
Klok (p. 82)
* Optie/accessoire.
71
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instrumentenpaneel
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wordt informatie weergegeven over
bepaalde functies van de auto en meldingen.
72
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 73)
•
Instrumentenpaneel - betekenis controlelampjes (p. 78)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 79)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instrumentenpaneel, digitaal overzicht
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wordt informatie weergegeven over
bepaalde functies van de auto en meldingen.
Welke informatie er op het informatiepaneel verschijnt hangt af van de geactiveerde opties, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 119).
Hybride-accumeter
Actuele ladingstoestand
d.w.z. de grens waarbij de verbrandingsmotor
start/stopt. Voor meer informatie, Eco guide
& Hybrid guide (p. 77).
Actieve rijmodus
Symbool dat brandt, wanneer de verbrandingsmotor draait.
Hybrid guide (Driver Support Power Meter).
Geeft het gevraagde aandrijfvermogen en
het beschikbare elektromotorvermogen aan,
}}
73
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Energieterugwinning
Informatiedisplay
Thema's door aan het duimwiel van dezelfde
hendel te draaien. Druk op de OK-knop. Draai
aan het duimwiel om een thema te kiezen en
bevestig uw keuze door op de OK-knop te drukken.
Het uiterlijk van het beeldscherm op de middenconsole hangt bij bepaalde modelvarianten af van
het gekozen thema voor het instrumentenpaneel.
Met de linker stuurhendel kunt u ook het contrast
en de kleur van het instrumentenpaneel instellen.
Voor meer informatie over de menufuncties, zie
Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 119).
Wanneer de elektromotor vermogen genereert voor de hybride-accu, verschijnen er
bellen op de meter voor de hybride-accu - zie
Bedrijfsrem (p. 289).
Informatiedisplay.
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde functies
van de auto zoals de cruisecontrol, boordcomputer en meldingen. De informatie wordt weergegeven in de vorm van symbolen en tekst. Gedetailleerder informatie vindt u onder de functies die
gebruik maken van het display.
Het gekozen thema en de instellingen op het
gebied van contrast en kleur zijn voor alle transpondersleutels apart op te slaan in het autosleutelgeheugen*, zie Transpondersleutel - personalisering* (p. 171).
Meters en wijzers
Voor het instrumentenpaneel zijn verschillende
thema's te kiezen. De mogelijke thema's zijn:
"Hybrid", "Elegance", "Eco", en "Performance".
Het is alleen mogelijk een thema te kiezen, wanneer de motor loopt.
Druk om een thema te kiezen op de OK-knop op
de linker stuurhendel en kies menu-optie
74
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Thema "Hybrid"
Thema "Elegance"
Thema "Eco"
Meters en wijzers, thema "Hybrid".
Meters en wijzers, thema "Elegance".
Meters en wijzers, thema "Eco".
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding is
gedaald tot slechts één witte markering1,
gaat het oranje controlesymbool voor een
laag brandstofpeil branden. Zie ook Boordcomputer (p. 123) en Brandstof tanken
(p. 303).
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding is
gedaald tot slechts één witte markering1,
gaat het oranje controlesymbool voor een
laag brandstofpeil branden. Zie ook Boordcomputer (p. 123) en Brandstof tanken
(p. 303).
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding is
gedaald tot slechts één witte markering1,
gaat het oranje controlesymbool voor een
laag brandstofpeil branden. Zie ook Boordcomputer (p. 123) en Brandstof tanken
(p. 303).
Hybride-accumeter
Geen functie
Snelheidsmeter
Snelheidsmeter
Eco guide. Zie ook Eco guide & Hybrid guide
(p. 77).
Hybrid guide. Zie ook Eco guide & Hybrid
guide (p. 77).
Geen functie
Schakelstandindicator. Zie ook Automatische
versnellingsbak - Geartronic (p. 285).
1
Schakelstandindicator. Zie ook Automatische
versnellingsbak - Geartronic (p. 285).
Wanneer de aanduiding "Afstand tot lege tank:" op het display verandert in "----", wordt de markering rood van kleur.
Snelheidsmeter
Hybrid guide. Zie ook Eco guide & Hybrid
guide (p. 77).
Schakelstandindicator. Zie ook Automatische
versnellingsbak - Geartronic (p. 285).
}}
75
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Thema "Performance"
Hybrid guide. Zie ook Eco guide & Hybrid
guide (p. 77).
Schakelstandindicator. Zie ook Automatische
versnellingsbak - Geartronic (p. 285).
Controle- en waarschuwingssymbolen
gen, behalve het symbool voor de parkeerrem. Dit
gaat pas uit, als de auto van de parkeerrem wordt
gehaald.
Als de motor niet aanslaat of als de functietest
wordt uitgevoerd in contactslotstand II, gaan binnen enkele seconden alle symbolen uit, behalve
het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem.
Gerelateerde informatie
Meters en wijzers, thema "Performance".
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding is
gedaald tot slechts één witte markering1,
gaat het oranje controlesymbool voor een
laag brandstofpeil branden. Zie ook Boordcomputer (p. 123) en Brandstof tanken
(p. 303).
E-boost-meter. Illustreert het gebruik van de
elektromotor, de ondersteuning van de verbrandingsmotor en de mate van motorrem2.
Snelheidsmeter
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
1
2
76
Controle- en waarschuwingssymbolen.
Controlelampjes
Controle- en waarschuwingssymbolen
Waarschuwingssymbolen
Functietest
Alle controle- en waarschuwingssymbolen,
behalve de symbolen in het midden van het informatiedisplay, gaan branden in contactslotstand II
of bij het starten van de motor. Alle symbolen
moeten weer uitgaan als de motor is aangesla-
Wanneer de aanduiding "Afstand tot lege tank:" op het display verandert in "----", wordt de markering rood van kleur.
Bij het afremmen op de elektromotor wordt de hybride-accu opgeladen, zie Bedrijfsrem (p. 289).
•
•
Instrumentenpaneel (p. 72)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 79)
Instrumentenpaneel - betekenis controlelampjes (p. 78)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Eco guide & Hybrid guide
Eco guide en Hybrid guide zijn twee van de
meters op het instrumentenpaneel (p. 72) die u
helpen om zo zuinig mogelijk met de auto te rijden.
De auto slaat ook statistische ritgegevens die in
de vorm van staafdiagrammen te bekijken zijn,
zie Boordcomputer - rijstatistieken* (p. 129).
Eco guide
Deze meter geeft een beeld van hoe zuinig u met
de auto rijdt.
Kies "Eco" om deze meter te kunnen zien, zie
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 73).
Actuele waarde
Hier wordt de actuele waarde getoond; hoe groter de uitslag op de schaal, hoe beter.
De actuele waarde wordt berekend op basis van
snelheid, motortoerental, benut motorvermogen
en het gebruik van het rempedaal.
Geadviseerd wordt een optimale snelheid
(50–80 km/h (30-50 mph)) en een laag toerental aan te houden. Bij gas geven en remmen
dalen de wijzers.
Bij zeer lage actuele waarden licht (met enige
vertraging) het rode gebied van de meter op, wat
betekent dat u onzuinig rijdt. U dient dit te voorkomen.
Gemiddelde waarde
De gemiddelde waarde volgt de actuele waarde
langzaam en beschrijft hoe de afgelopen tijd in
de auto is gereden. Hoe groter de uitslag van de
wijzers op de schaal, hoe zuiniger u hebt gereden.
Hybrid guide
Dit instrument geeft de relatie aan tussen het
benutte en het beschikbare vermogen van de
elektromotor.
Actuele waarde
Gemiddelde waarde
Kies "Hybrid" of "Performance" om deze meter
te kunnen zien, zie Instrumentenpaneel, digitaal overzicht (p. 73).
Gewenst vermogen
Beschikbaar vermogen elektromotor
Daar waar de beide wijzers elkaar ontmoeten, ligt
de grens waarbij de verbrandingsmotor start/
stopt.
Gewenst vermogen
De grote wijzer geeft het door u gewenste motorvermogen aan op basis van de stand van het gaspedaal. Hoe groter de uitslag op de schaal, hoe
groter het gewenste vermogen in de actuele versnelling.
Beschikbaar vermogen elektromotor
De kleine wijzer geeft het actuele vermogen aan
dat de elektromotor kan leveren.
Een groot verschil tussen de beide wijzers duidt
op een grote vermogensreserve.
* Optie/accessoire.
77
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instrumentenpaneel - betekenis
controlelampjes
Symbool
Informatie, lees displaymelding
De controlelampjes attenderen u erop dat de bijbehorende functies ingeschakeld zijn, de desbetreffende systemen actief zijn of dat er storingen
of gebreken zijn opgetreden.
Groot licht aan
Richtingaanwijzers links
Controlelampjes
Symbool
Betekenis
Betekenis
Richtingaanwijzers rechts
Storing in ABL
Bandenspanningscontrolesysteem , zie Bandenspanningscontrole* (p. 345)
Uitlaatgasreinigingssysteem
Storing in ABS
Mistachterlicht aan
Stabiliteitsregeling, zie Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 198)
Stabiliteitsregeling, Sport-modus,
zie Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - bediening (p. 199)
Voorgloeifunctie motor
Laag peil in brandstoftank
Storing in ABL
Het symbool brandt, als er een storing is opgetreden in het ABL-systeem (Active Bending
Lights).
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem
kan na een motorstart het symbool gaan branden. Rijd voor een controle naar een werkplaats.
Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende
Volvo-werkplaats bezoekt.
Storing in ABS
Als het symbool brandt, is het systeem defect.
Het normale remsysteem van de auto werkt dan
nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
1.
78
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2.
Start de motor opnieuw.
3.
Als het symbool blijft branden, rijd dan naar
een werkplaats om het ABS te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Mistachterlicht aan
Het symbool brandt, wanneer het mistachterlicht
is ingeschakeld.
Stabiliteitsregeling
Het knipperende symbool geeft aan dat de stabiliteitsregeling werkt. Als het symbool continu
brandt is er sprake van een storing in het systeem.
Stabiliteitsregeling, Sport-modus
Het symbool brandt, wanneer de Sport-modus is
geactiveerd. De Sport-modus maakt een actievere rijervaring mogelijk. Het systeem registreert
dan of de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook het bochtenwerk aan te merken zijn als
actiever dan normaal, waarna het systeem een
gecontroleerde vorm van slippen in de achtertrein
toelaat, voordat het ingrijpt en de auto stabiliseert.
Voorgloeifunctie motor
Het symbool gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. Voorverwarming vindt
meestal plaats bij lage temperaturen.
Laag peil in brandstoftank
Wanneer het symbool gaat branden is het brandstofpeil te laag. Tank dan zo spoedig mogelijk.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Informatie, lees displaymelding
Als er een afwijking is in een van de systemen in
de auto, gaat het informatiesymbool branden en
verschijnt er een melding op het display. U verwijdert de melding met behulp van de OK-knop, zie
Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 119). Dit
gebeurt automatisch als u enige tijd niets doet
(hoe lang hangt van de bewuste functie af). Het
informatiesymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
N.B.
Als de servicemelding verschijnt kunt u het
symbool en de melding met behulp van de
OK-knop doven. Na een tijdje doven ze ook
automatisch.
Groot licht aan
Het symbool brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft.
Richtingaanwijzers links/rechts
Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen bij
gebruik van de alarmlichten.
Bandenspanningssysteem
Het symbool brandt bij een lage bandenspanning
of als er een storing optreedt in het bandenspanningssysteem.
3
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren niet goed dichtstaat,
gaat het informatie- of waarschuwingssymbool
branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier
dat openstaat.
Als u zo'n 7 km/h (4 mph) rijdt, gaat het
informatiesymbool branden.
Als u sneller dan zo'n 7 km/h (4 mph)
rijdt, gaat het waarschuwingssymbool
branden.
Als de motorkap3 niet goed dichtstaat, gaat het
waarschuwingssymbool branden en verschijnt er
een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit de motorkap.
Als de achterklep niet goed dichtstaat, gaat het
informatiesymbool branden en verschijnt er een
verklarende afbeelding op het informatiedisplay.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand
en sluit de achterklep.
Instrumentenpaneel - betekenis
waarschuwingssymbolen
De waarschuwingssymbolen attenderen u erop
dat de bijbehorende belangrijke functies/systemen ingeschakeld zijn of dat er ernstige storingen of gebreken zijn opgetreden.
Waarschuwingssymbolen
Symbool
Betekenis
Parkeerrem ingeschakeld
Airbags (SRS)
Gordelwaarschuwing
Startaccu wordt niet opgeladen
Storing in remsysteem
Waarschuwing
Gerelateerde informatie
•
•
Instrumentenpaneel (p. 72)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 73)
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 79)
}}
Alleen auto's met alarm*.
* Optie/accessoire.
79
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Parkeerrem ingeschakeld
Het symbool brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet. Het symbool knippert tijdens het aanzetten en gaat daarna continu branden.
Een knipperend symbool in een andere situatie
wijst op een storing. Lees de melding op het
informatiedisplay.
Voor meer informatie, zie Parkeerrem (p. 293).
Airbags (SRS)
Als het symbool tijdens het rijden oplicht of blijft
branden, is er een storing geregistreerd in een
van de veiligheidssystemen van de auto. Rijd zo
spoedig mogelijk naar een werkplaats voor een
controle. Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Gordelwaarschuwing
Het symbool knippert als de bestuurder of de
voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of
als iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
Startaccu wordt niet opgeladen
Het symbool gaat tijdens het rijden branden, als
er sprake is van een storing in het elektrisch systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert dat
u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
Storing in remsysteem
Als het symbool oplicht, is het remvloeistofpeil
mogelijk te laag. Breng de auto zo spoedig
80
mogelijk tot stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir, zie Rem- en koppelingsvloeistof - peil (p. 377).
Als de waarschuwingssymbolen voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er een
storing in de remkrachtverdeling zijn opgetreden.
1.
2.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
Start de motor opnieuw.
•
•
Rijd verder als beide symbolen uitgaan.
Als de symbolen echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren, zie Rem- en koppelingsvloeistof - peil (p. 377). Als de lampjes
blijven branden ondanks dat het peil van
de remvloeistof in orde is, moet u de auto
uiterst voorzichtig naar een werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies
controleren door een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor contact opneemt met
een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Als de rem- en ABS-symbolen tegelijkertijd
branden, bestaat de kans dat de achtertrein
bij krachtig afremmen slipt.
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat branden,
wanneer er een storing is geregistreerd die van
invloed kan zijn op de veiligheid en/of de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding op het informatiedisplay. Het symbool blijft branden tot de storing is verholpen, maar de melding kunt u verwijderen met de OK-knop, zie Menufuncties instrumentenpaneel (p. 119). Het waarschuwingssymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
Actie:
1.
Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
2.
Lees de informatie op het informatiedisplay.
Voer de handeling uit die de melding op het
display u voorschrijft. Wis de melding met de
OK-knop.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren niet goed dichtstaat,
gaat het informatie- of waarschuwingssymbool
branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier
dat openstaat.
Buitentemperatuur
Dagtellers
Het buitentemperatuurmeterdisplay is zichtbaar
op het instrumentenpaneel.
Het dagtellerdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
Als u zo'n 7 km/h (4 mph) rijdt, gaat het
informatiesymbool branden.
Als u sneller dan zo'n 7 km/h (4 mph)
rijdt, gaat het waarschuwingssymbool
branden.
Als de motorkap4 niet goed dichtstaat, gaat het
waarschuwingssymbool branden en verschijnt er
een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit de motorkap.
Display voor buitentemperatuurmeter
Als de achterklep niet goed dichtstaat, gaat het
informatiesymbool branden en verschijnt er een
verklarende afbeelding op het informatiedisplay.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand
en sluit de achterklep.
Wanneer de temperatuur tussen –5 °C en +2 °C
ligt, brandt er een sneeuwvloksymbool op het display. Het lampje wijst op het gevaar voor gladheid. Als de auto stilstaat of geparkeerd gestaan
heeft, is het mogelijk dat de buitentemperatuurmeter een te hoge waarde aangeeft.
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
•
•
Instrumentenpaneel (p. 72)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 73)
4
Instrumentenpaneel - betekenis controlelampjes (p. 78)
•
Instrumentenpaneel (p. 72)
Dagtellers.
Display voor dagtellers
De beide dagtellers T1 en T2 worden gebruikt
voor het meten van kortere ritten. De afgelegde
afstand staat op het display.
Draai aan het duimwiel van de linker stuurhendel
om de gewenste meter te tonen.
Bij lang indrukken (totdat er een wijziging plaatsvindt) van de knop RESET op de linker stuurhendel wordt de getoonde dagteller gereset. Voor
meer informatie, zie Boordcomputer (p. 123).
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel (p. 72)
Alleen auto's met alarm*.
* Optie/accessoire.
81
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Klok
Het klokdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
Instrumentenpaneel licentieovereenkomst
Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen te verrichten of het recht om gebruik te maken van
een product waar een andere rechtspersoon
octrooi of eigendomsrechten op heeft, onder de
voorwaarden vervat in de overeenkomst. Hier
volgt een Engelse versie van de overeenkomst
tussen Volvo en producenten/ontwikkelaars.
The offer is valid for a period of at least three (3)
years from the date of the distribution of this
product by VCC / or for as long as VCC offers
spare parts or customer support.
Portions of this product uses software
copyrighted © 2007 The FreeType Project
(www.freetype.org). All rights reserved.
Portions of this product uses software with
Copyright © 1994–2013 Lua.org, PUC-Rio
(http://www.lua.org/)
Combined Instrument Panel Software
Open Source Software Notice
Klok.
Display voor de tijdaanduiding
Klok instellen
U kunt de klok aanpassen in het menusysteem
MY CAR, zie MY CAR (p. 121).
Gerelateerde informatie
•
82
Instrumentenpaneel (p. 72)
This product uses certain free / open source and
other software originating from third parties, that
is subject to the GNU Lesser General Public
License version 2 (LGPLv2), The FreeType
Project License ("FreeType License") and other
different and/or additional copy right licenses,
disclaimers and notices. The links to access the
exact terms of LGPLv2, and the other open
source software licenses, disclaimers,
acknowledgements and notices are provided to
you below. Please refer to the exact terms of the
relevant License, regarding your rights under said
licenses. Volvo Car Corporation (VCC) offers to
provide the source code of said free/open source
software to you for a charge covering the cost of
performing such distribution, such as the cost of
media, shipping and handling, upon written
request. Please contact your nearest Volvo
Dealer.
This product includes software under
following licenses:
LGPL v2.1: http://www.gnu.org/licenses/oldlicenses/lgpl-2.1.html
•
•
GNU FriBidi
DevIL
The FreeType Project License: http://
git.savannah.gnu.org/cgit/freetype/freetype2.git/
tree/docs/FTL.TXT
•
FreeType 2
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
MIT License: http://opensource.org/licenses/
mit-license.html
•
Lua
Displaysymbolen
Betekenis
Zie
Er worden tal van verschillende displaysymbolen
gebruikt in de auto. De symbolen zijn onderverdeeld in waarschuwings-, controle- en informatiesymbolen.
Parkeerrem ingeschakeld
(p. 79),
(p. 293)
Airbags (SRS)
Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende symbolen met hun betekenis en een verwijzing naar de pagina('s) in de handleiding waar
u meer informatie kunt vinden.
(p. 36),
(p. 79)
Gordelwaarschuwing
(p. 32),
(p. 79)
- Rood waarschuwingssymbool dat gaat
branden, wanneer er een storing geregistreerd is
die mogelijk van invloed is op de veiligheid en/of
rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende displaymelding op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel.
Startaccu wordt
niet opgeladen
(p. 79)
Storing in remsysteem
(p. 79),
(p. 289)
Waarschuwing,
Safety mode
(p. 36),
(p. 46),
(p. 79)
- Informatiesymbool, gaat branden, in combinatie met een verklarende tekst op het informatiedisplay van instrumentenpaneel, wanneer er
een storing in een van de autosystemen is opgetreden. Het informatiesymbool kan ook gaan
branden in combinatie met andere symbolen.
Waarschuwingssymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Controlelampjes op
instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Zie
Storing in ABL*
(p. 78),
(p. 103)
Uitlaatgasreinigingssysteem
(p. 78)
Storing in ABS
(p. 78),
(p. 289)
Mistachterlicht aan
(p. 78),
(p. 104)
* Optie/accessoire.
}}
83
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
84
Symbool
Betekenis
Zie
Stabiliteitsregeling,
ESC (Electronic Stability Control), Trailer
Stability Assist*
(p. 78),
(p. 201),
(p. 328)
Stabiliteitsregeling,
Sport-modus
(p. 78),
(p. 201)
Voorgloeifunctie
motor (diesel)
(p. 78)
Laag peil in brandstoftank
(p. 78),
(p. 152)
Informatie, lees displaymelding
(p. 78)
Groot licht aan
(p. 78),
(p. 99)
Richtingaanwijzers
links
(p. 78)
Richtingaanwijzers
rechts
(p. 78)
Bandenspanningssysteem*
(p. 78),
(p. 345)
Informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Symbool
Betekenis
Zie
Actief groot licht,
AHB (Active High
Beam)*
(p. 100)
Camerasensor*;
lasersensor*
(p. 100),
(p. 236),
(p. 246),
(p. 258),
(p. 262)
Adaptieve cruisecontrol*
(p. 223)
Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing* (Distance
Alert)
(p. 218),
(p. 209)
Adaptieve cruisecontrol*, tijdsverschil
(p. 213),
(p. 215)
Cruisecontrol*
(p. 206)
Radarsensor*
(p. 223),
(p. 212),
(p. 246)
Rempedaal
(p. 289)
Snelheidsbegrenzer
(p. 203)
Betekenis
Zie
Auto Brake*;
afstandswaarschuwing* (Distance
Alert); City SafetyTM;
Collision Warning*
(p. 212),
(p. 236),
(p. 246)
Motor- en interieurverwarming*
(p. 152)
Motor- en interieurverwarming* Service
vereist
(p. 152)
Geactiveerde timer*
(p. 152)
ABL*
(p. 103)
Tankvulklep rechts
(p. 302)
Accuspanning laag
(p. 152)
Parkeerrem
(p. 293)
Regensensor*
(p. 108)
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Symbool
Betekenis
Zie
Driver Alert System*;
Lane Departure
Warning*
Symbool
Gerelateerde informatie
Betekenis
Zie
(p. 258),
(p. 262)
Aandrijving
(p. 282)
Driver Alert System*;
Lane Departure
Warning*
(p. 262)
Schakelindicator
(p. 284)
Driver Alert System*;
Tijd voor pauze
(p. 257)
Schakelstanden
(p. 285)
Driver Alert System*;
Tijd voor pauze
(p. 258)
Oliepeil meten
(p. 374)
Geregistreerde snelheidsinformatie*
(p. 253)
Binnen parkeren
(p. 147)
Buiten parkeren
(p. 147)
Stoelverwarming
(p. 147),
(p. 147)
•
Instrumentenpaneel - betekenis controlelampjes (p. 78)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 79)
•
Meldingen - functies (p. 121)
Informatiesymbolen op display
plafondconsole
Symbool
Betekenis
Zie
Gordelwaarschuwing
(p. 35)
Airbag passagiersstoel,
geactiveerd
(p. 40)
Airbag passagiersstoel,
gedeactiveerd
(p. 40)
* Optie/accessoire.
85
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Volvo Sensus
Volvo Sensus vormt het hart van uw persoonlijke
Volvo-beleving en maakt communicatie mogelijk
tussen u, uw auto en de wereld eromheen. Sensus biedt informatie, entertainment en zo nodig
ondersteuning. Sensus omvat intuïtieve functies
voor meer rijplezier en een probleemloos autobezit.
van de auto met een eenvoudig te hanteren
bedieningsinterface. Er zijn instellingen te verrichten onder Instellingen van de auto, Audio en
media, Klimaat enzovoort
Met de knoppen en bedieningselementen op de
middenconsole en de rechter stuurknoppenset*
kunt u functies activeren en deactiveren en tal
van instellingen verrichten.
Bij het bedienen van MY CAR worden alle instellingen getoond die verband houden met het
besturen en bedienen van de auto, zoals City
Safety, sloten en alarm, automatische ventilatorsnelheid, klokinstelling enzovoort.
Dankzij de intuïtieve navigatiestructuur kunt u
altijd toegang krijgen tot hulp, informatie en
entertainment, zonder te worden afgeleid.
Sensus biedt u diverse oplossingen voor aansluiting* op de rest van de wereld en de mogelijkheid
tot intuïtieve bediening van de verschillende autofuncties.
Volvo Sensus presenteert tal van functies van uiteenlopende autosystemen op overzichtelijke
wijze op het display van de middenconsole. Volvo
Sensus biedt de mogelijkheid tot personalisering
5
86
Overzicht
Bij het indrukken van RADIO, MEDIA, TEL*,
*,NAV* en CAM5 kunt u andere bronnen, systemen en functies activeren, zoals AM, FM, CD,
DVD*, TV*, Bluetooth®*, navigatie* en parkeerhulpcamera*.
Voor meer informatie over alle functies/systemen, zie de desbetreffende paragrafen in de
gebruikershandleiding of het bijbehorende supplement.
Bedieningspaneel op middenconsole. De afbeelding is
schematisch – het aantal functies en de locatie van de
knoppen is afhankelijk van de gekozen uitrusting en de
desbetreffende markt.
Navigatie* - NAV, zie apart supplement (Sensus Navigation).
Audio en media - RADIO, MEDIA, TEL*, zie
desbetreffend supplement (Sensus Infotainment).
Fabrieksinstellingen - MY CAR, zie MY CAR
(p. 121).
Connected Car *, zie desbetreffend supplement (Sensus Infotainment).
Klimaatregeling (p. 132).
Parkeerhulpcamera* (p. 267) – CAM*.
Geldt voor bepaalde automodellen.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Sleutelstanden
Transpondersleutel plaatsen
Met de transpondersleutel is het elektrische systeem van de auto in verschillende standen te zetten om het gebruik van verschillende functies/
systemen mogelijk te maken, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 87).
1.
2.
Houd de transpondersleutel beet aan de
kant van het afneembare sleutelblad en
plaats de transpondersleutel in het contactslot.
Duw de transpondersleutel vervolgens tot
aan de aanslag in het slot.
BELANGRIJK
Vreemde voorwerpen in het contactslot kunnen tot functiestoringen leiden of schade aan
het slot toebrengen.
contactslotstanden - functies in
verschillende standen
Om bij uitgeschakelde motor het gebruik van
een beperkt aantal functies mogelijk te maken is
het elektrische systeem van de auto met de
transpondersleutel in 3 verschillende standen te
zetten: 0, I en II. In deze gebruikershandleiding
worden deze standen in algemene zin aangeduid als "contactslotstanden".
De volgende tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende contactslotstanden.
De transpondersleutel niet verkeerd om insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde
met het afneembare sleutelblad, zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/aanbrengen
(p. 178).
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/ingeduwd.
N.B.
Transpondersleutel uitnemen
Pak de transpondersleutel beet en trek deze uit
het contactslot.
Bij auto's met passieve start en vergrendeling* hoeft u de transportsleutel niet in het
contactslot te steken, maar kunt u deze bijvoorbeeld in een binnenzak laten zitten. Voor
meer informatie over de passieve start en vergrendeling, zie Keyless Drive* (p. 182).
}}
* Optie/accessoire.
87
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Stand
Functies
Stand
Functies
•
0
•
II
•
•
contactslotstand I - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot6 geduwd druk kort op START/STOP ENGINE.
•
contactslotstand II - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot6 geduwd druk lang7 op START/STOP ENGINE.
•
Terug naar contactslotstand 0 - Om terug
te gaan naar contactslotstand 0 vanuit stand
II en I - druk kort op START/STOP ENGINE.
I
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht.
•
Elektrisch bediende stoelen zijn
te verstellen.
•
Het audiosysteem is enige tijd te
gebruiken - zie supplement Sensus Infotainment.
•
Schuif-/kanteldak, elektrisch
bediende ruiten, 12V-aansluitingen in passagiersruimte, navigatie, telefoon, interieurventilator en
ruitenwissers zijn te gebruiken.
In deze contactslotstand is het
stroomverbruik belastend voor de
startaccu.
•
De koplampen worden ontstoken.
Waarschuwings-/controlelampjes
branden 5 seconden lang.
Diverse andere systemen worden
geactiveerd. Elektrische verwarming in zittingen en achterruit kan
echter pas na starten van de
motor worden geactiveerd.
Deze contactslotstand verbruikt
veel stroom vanuit de startaccu en
moet daarom worden vermeden!
Kiezen van contactslotstand
•
contactslotstand 0 - Ontgrendel de auto het elektrische systeem van de auto staat nu
in stand 0.
N.B.
Audiosysteem
Voor informatie over de functie van het audiosysteem bij een uitgenomen transpondersleutel, zie
supplement Sensus Infotainment.
Motor starten en afzetten
Zie voor informatie over het starten/afzetten van
de motor, zie Motor starten (p. 274).
Gerelateerde informatie
•
Sleutelstanden (p. 87)
Om stand I of II te realiseren zonder dat de
motor wordt gestart moet u bij het selecteren
van deze contactslotstanden het rem-/koppelingspedaal niet bedienen.
6
7
88
Niet nodig bij een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling*.
Ca. 2 seconden.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Voorstoelen
Lendensteun* aanpassen, druk op de knop.
Voor het best mogelijke zitcomfort hebben de
voorstoelen verschillende instelmogelijkheden.
Bedieningspaneel voor elektrisch bediende
stoel*, zie Voorstoelen - elektrisch bediend*
(p. 90).
De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren en
omlaag.
Zet de rugleuning rechtop.
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden.
Controleer of de stoel vergrendeld staat om
letsel te voorkomen bij hard afremmen of een
aanrijding.
Ruggedeelte passagiersstoel
omklappen*8
Trek de pallen aan de achterzijde van de rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
4.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/omlaagpompen.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
8 Geldt
Duw de stoel zo ver naar voren dat de hoofdsteun onder het dashboardkastje "vast" komt
te zitten.
WAARSCHUWING
Pak het ruggedeelte nadat u het rechtop
gezet hebt beet en controleer of het stevig
vergrendeld staat om letsel te voorkomen bij
hard afremmen of een aanrijding.
Gerelateerde informatie
•
•
Voorstoelen - elektrisch bediend* (p. 90)
Achterbank (p. 91)
alleen voor stoelen type comfort.
* Optie/accessoire.
89
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Voorstoelen - elektrisch bediend*
Voor het best mogelijke zitcomfort hebben de
voorstoelen verschillende instelmogelijkheden.
De elektrisch bediende stoel kan naar voren/
achteren en omhoog/omlaag worden gezet. De
voorkant van de zitting kan worden verhoogd/
verlaagd. De hellingshoek van de rugleuning en
de stand van de lendensteun* zijn te wijzigen.
Elektrisch bedienbare stoel
veerd wordt als een van de stoelen door een
obstakel wordt geblokkeerd. Als dit het geval is,
moet u het elektrische systeem van de auto in de
contactslotstand I of 0 zetten en enige tijd wachten voordat u de stoel opnieuw probeert te verstellen.
De geheugenfunctie slaat de instellingen op voor
de stoel en de buitenspiegels.
Instelling vastleggen
Geheugenknop
Geheugenknop
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag/in/uit).
Voorbereidingen
Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het mogelijk
de stoel te verstellen, ook al steekt er geen sleutel in het contactslot. U verstelt de stoel normaal
gesproken in contactslotstand I. Wanneer de
motor loopt, is dat altijd mogelijk.
Stoel met geheugenfunctie*
Geheugenknop
Knop voor vastlegging van de instelling
1.
Stel de stoel en de buitenspiegels in.
2.
Houd de knop M ingedrukt, terwijl u knop 1,
2 of 3 indrukt. Houd de knoppen ingedrukt,
totdat er een akoestisch signaal klinkt en er
een tekst op het instrumentenpaneel verschijnt.
Om een andere instelling vast te leggen moet u
de stoel eerst verstellen.
De stand van de lendensteun wordt niet opgeslagen.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
Druk op een van de geheugenknoppen 1–3, totdat de stoel en de buitenspiegels tot stilstand
komen. Bij het loslaten van de knop zal de instelling van de stoel en de buitenspiegels onmiddellijk worden beëindigd.
Lendensteun* in/uit.
Geheugen* van transpondersleutel
Stoel omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit
De elektrisch bediende stoelen zijn voorzien van
een beveiliging tegen overbelasting, die geacti-
90
Stoel in vastgelegde stand zetten
In alle transpondersleutels kunnen verschillende
instellingen voor de bestuurdersstoel en de bui-
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
tenspiegels9 voor meerdere bestuurders worden
opgeslagen, zie Transpondersleutel - personalisering* (p. 171).
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt, kunt
u op een van de verstellingsknoppen of geheugenknoppen van de stoel drukken om de stoel
tot stilstand te brengen.
Gerelateerde informatie
•
•
Voorstoelen (p. 89)
Achterbank (p. 91)
Achterbank
De rugleuning en de buitenste hoofdsteunen van
de achterbank kunnen worden neergeklapt. De
hoofdsteun van de middelste zitplaats kan aan
de lengte van de passagier worden aangepast.
Middelste hoofdsteun achterbank
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten dient u de
ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te
bedienen. Het bestuurdersportier dient daarbij
open te staan.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Zorg ervoor dat kinderen
niet met de bediening spelen. Controleer of er
bij het instellen geen voorwerpen voor, achter
of onder de stoel liggen. Zorg dat geen van
de passagiers op de achterbank bekneld kan
raken.
Stoelen met elektrische verwarming
Voor elektrisch verwarmde stoelen/achterbank,
zie Elektrisch verwarmde voorstoelen* (p. 139)
en Elektrisch verwarmde achterbank* (p. 140).
9
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de passagier zodat deze zo mogelijk het hele achterhoofd bedekt. Trek de hoofdsteun zo ver omhoog
als nodig is.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u de
knop (in het midden tussen het ruggedeelte en
de hoofdsteun, zie afbeelding) indrukken terwijl u
de hoofdsteun voorzichtig omlaagduwt.
}}
Alleen als de auto is uitgerust met een elektrisch bediende bestuurdersstoel met geheugen en elektrisch inklapbare buitenspiegels. De stand van de lendensteun wordt niet opgeslagen.
* Optie/accessoire.
91
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Ruggedeelte achterbank omklappen
WAARSCHUWING
De hoofdsteun van de middelste zitplaats
moet in de onderste stand staan, wanneer de
middelste zitplaats niet in gebruik is. Wanneer
de middelste zitplaats wel wordt gebruikt,
moet de hoofdsteun goed op de lengte van
de passagier zijn afgesteld, zodat deze zo
mogelijk diens hele achterhoofd afdekt.
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels
mogen evenmin zijn ingestoken. Schade aan
de bekleding van de achterbank is anders
namelijk niet uitgesloten.
Buitenste hoofdsteunen achterbank
handmatig omklappen
Trek aan de pal bij de hoofdsteun om de hoofdsteun om te klappen.
De drie ruggedeelten zijn op verschillende manieren neer te klappen.
N.B.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig rechtop
totdat deze hoorbaar vastklikt.
U moet mogelijk de voorstoelen naar voren
zetten en/of de rugleuningen rechtop zetten
om de ruggedeelten van de achterbank volledig naar voren te kunnen klappen.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop zetten vergrendeld staan.
•
•
•
92
Het linker gedeelte is apart neer te klappen.
Het middelste gedeelte is apart neer te klappen.
Het rechter gedeelte kan alleen samen met
het middelste gedeelte worden neergeklapt.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
N.B.
Duw bij het neerklappen van de ruggedeelten
de hoofdsteunen naar voren om te voorkomen dat ze in contact komen met het zitgedeelte.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
Als de middelste rugleuning moet worden
neergeklapt - maak de hoofdsteun voor de
middelste rugleuning los en pas deze aan,
zie de eerdere paragraaf "Middelste hoofdsteun achterbank".
Als de middelste rugleuning moet worden
neergeklapt - maak de hoofdsteun voor de
middelste rugleuning los en pas deze aan,
zie de eerdere paragraaf "Middelste hoofdsteun achterbank".
De buitenste hoofdsteunen worden automatisch neergeklapt, wanneer u de buitenste
ruggedeelten omklapt. Trek de blokkeervan het ruggedeelte omhoog
handgreep
en klap het ruggedeelte om. Een rode margeeft aan dat het ruggekering bij de pal
deelte niet langer geblokkeerd staat.
N.B.
Als de rugleuning is teruggeklapt, mag de
rode indicatie niet langer zichtbaar zijn. Als
deze toch zichtbaar is, is de rugleuning niet
vergrendeld.
WAARSCHUWING
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop zetten
goed vergrendeld zijn.
}}
93
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Buitenste hoofdsteunen achterbank
elektrisch omklappen*
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop zetten vergrendeld staan.
Gerelateerde informatie
•
•
1.
De transpondersleutel moet in contactslotstand II staan.
2.
Druk op de knop om de beide buitenste
hoofdsteunen op de achterbank om te klappen en het zicht naar achteren te verbeteren.
Voorstoelen (p. 89)
Stuurwiel
Het stuurwiel heeft meerdere verstellingsmogelijkheden en bedieningselementen voor de claxon, cruisecontrol en het menu-, het audio- en
het telefoonsysteem.
Instellen
Voorstoelen - elektrisch bediend* (p. 90)
Stuurwiel verstellen.
Ontgrendelingshendel, stuurwielverstelling
WAARSCHUWING
Zet de buitenste hoofdsteunen niet naar
beneden als er passagiers op de buitenste
plaatsen zitten.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig rechtop
totdat deze hoorbaar vastklikt.
94
Mogelijke stuurwielstanden
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in de
diepte verstellen:
1.
Trek de hendel naar u toe om het stuurwiel
vrij te geven.
2.
Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste
stand.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
3.
Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u tijdens het terugduwen van de hendel lichtje op het stuurwiel
drukken.
Claxon
Elektrische stuurverwarming*
Het stuurwiel is elektrisch te verwarmen.
Functie
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel vóór vertrek in en zet deze
vast.
Bij auto's met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te stellen, zie Stuurkrachtinstelling* (p. 198).
Toetsensets*
Claxon.
Druk op het midden van het stuurwiel om te claxonneren.
Gerelateerde informatie
•
Toetsensets op stuurwiel.
Cruisecontrol* (p. 206)* en Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 213)*.
Bediening audio en telefoon, zie Sensus
Infotainment-supplement.
Elektrische stuurverwarming* (p. 95)
De positie van de knop kan variëren afhankelijk van de
overige gekozen uitrusting en de markt.
Bij herhaaldelijk indrukken van de knop wordt
geschakeld tussen de volgende standen:
Functie
Indicatie
Uitgeschakeld
Lampje in knop uit
Verwarming
Lampje in knop aan
Automatische stuurverwarming
Bij automatische inschakeling van de stuurverwarming wordt bij het starten van de motor de
stuurverwarming ingeschakeld. Bij een omgevingstemperatuur lager dan zo’n 10 °C en een
koude auto vindt automatische inschakeling
* Optie/accessoire.
}}
95
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
plaats. Activeer/deactiveer de functie in het
menusysteem MY CAR (p. 121).
Bedieningspaneel verlichting
Met het bedieningspaneel voor de verlichting
kunt u de buitenverlichting inschakelen en aanpassen. U gebruikt het ook om de display- en
instrumentenverlichting alsook de sfeerverlichting (p. 106) aan te passen.
Standen draaiknop
N.B.
Dezelfde lampen worden gebruikt voor de
dagrijlichten en stadslichten vóór. De lichtsterkte is groter, wanneer de lampen worden
gebruikt voor de dagrijlichten.
Stand
Betekenis
DagrijlichtA wanneer het elektrische
systeem van de auto in contactslotstand II staat of als de motor draait.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel voor het afstellen van de displayen instrumentenpaneelverlichting alsook de
sfeerverlichting*
Knop voor mistachterlicht
Draaiknop voor verlichting tijdens het rijden
en parkeren
Duimwiel voor koplamphoogteregeling
Een auto met actieve xenonkoplampen* heeft
automatische koplamphoogteregeling, zodat het
duimwiel voor koplamphoogteregeling ontbreekt.
96
Dagrijlicht, parkeerlichten en sidemarkers, wanneer het elektrische
systeem van de auto in contactslotstand II staat of als de motor draait.
Parkeerlichten/sidemarkers, wanneer de auto geparkeerdB staat.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dagrijlicht, parkeerlichten en sidemarkers bij daglicht, wanneer het
elektrische systeem van de auto in
contactslotstand II staat of als de
motor draait.
Dimlicht parkeerlichten en sidemarkers achter bij slechte verlichting
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Stand
WAARSCHUWING
Betekenis
overdag of bij donker of wanneer
het mistachterlicht of de continue
wisfunctie van de achterruitwisser
geactiveerd is.
Het verlichtingssysteem van de auto kan niet
in elke situatie bepalen of het daglicht te
zwak of sterk genoeg is, bijvoorbeeld bij mist
en regen.
De tunneldetectie (p. 99)* is
geactiveerd.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op de
heersende omstandigheden en de geldende
verkeerswetgeving.
Het automatische groot licht
(p. 100)* is te gebruiken.
U kunt het groot licht inschakelen,
wanneer u het dimlicht voert.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dimlicht en parkeerlichten/sidemarkers.
Groot licht kan worden geactiveerd.
Grootlichtsignalering mogelijk.
A
B
Aangebracht in of onder de voorbumper.
Ook bij stilstaande auto en draaiende motor, mits de draaiknop
vanuit een andere stand in deze stand wordt gezet.
Volvo adviseert u om stand
bij ritten in de auto.
te gebruiken
Display- en instrumentenverlichting
Afhankelijk van de contactslotstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht, zie
contactslotstanden - functies in verschillende
standen (p. 87).
2.
Draai het duimwiel omhoog of omlaag om de
koplampen hoger of lager af te stellen.
Duimwielstanden bij uiteenlopende belading.
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze
functie is in te stellen met het duimwiel.
Alleen bestuurder
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel
verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Inzittenden op alle zitplaatsen
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U kunt dat
voorkomen door de koplamphoogte bij te stellen.
Stel de koplampen lager af als de auto zwaar
beladen is.
1.
Laat de motor draaien of zet het elektrische
systeem van de auto in de contactslotstand I.
Bestuurder en voorpassagier
Inzittenden op alle zitplaatsen en maximale
belading in bagageruimte
Bestuurder plus maximale belading in bagageruimte
Gerelateerde informatie
•
•
•
Stadslichten (p. 98)
Dagrijlicht (p. 98)
Groot licht/dimlicht (p. 99)
* Optie/accessoire.
97
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Stadslichten
U schakelt de stadslichten voor en de achterlichten in met de verlichtingsdraaiknop.
als de rijsnelheid oploopt tot boven 10 km/h
(zo'n 6 mph), gaat de dagrijverlichting branden en
verschijnt Reset positie lichtschakelaar op het
instrumentenpaneel om u ertoe aan te zetten de
te draaien.
knop uit verlichtingsstand
Gerelateerde informatie
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 96)
Dagrijlicht
Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
staat en het elektrische systeem van de
auto in sleutelstand II of als de motor draait,
wordt bij daglicht automatisch het dagrijlicht
ingeschakeld.
Dagrijlicht DRL
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stadslichten.
Zet de draaiknop in de stand
(ook de kentekenverlichting wordt ingeschakeld).
Als het elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat of als de motor draait,
brandt het dagrijlicht in plaats van de stadslichten
voor.
Wanneer het buiten donker is en de achterklep
wordt geopend, gaan de achterlichten branden
om achteropkomend verkeer te waarschuwen. Dit
gebeurt altijd, ongeacht de stand van de draaiknop of de contactslotstand van het elektrische
systeem van de auto.
Wanneer u meer dan 30 seconden op een snelheid van maximaal 10 km/h (zo'n 6 mph) rijdt of
98
Verlichtingsdraaiknop in stand AUTO.
Met de verlichtingsdraaiknop in stand
wordt het dagrijlicht (Daytime Running Lights DRL) automatisch ingeschakeld bij autoritten
overdag. Een lichtsensor boven op het dashboard
schakelt over van dagrijlicht op dimlicht, wanneer
het gaat schemeren of bij donker weer. Overschakelen op dimlicht gaat ook automatisch bij
activering van de ruitenwissers of het mistachterlicht.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
WAARSCHUWING
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet in
alle gevallen kan bepalen wanneer de omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is
bij mist en regen bijvoorbeeld.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op de
heersende omstandigheden en de geldende
verkeerswetgeving.
Gerelateerde informatie
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 99)
Bedieningspaneel verlichting (p. 96)
Tunneldetectie*
Groot licht/dimlicht
De tunneldetectie zorgt voor overschakeling van
dagrijlicht op dimlicht bij het binnenrijden van
een tunnel.
Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
staat en het elektrische systeem van de
auto in contactslotstand II of als de motor loopt,
wordt in slechte lichtomstandigheden automatisch het dimlicht ingeschakeld.
De functie Tunneldetectie is aanwezig op een
auto met een regensensor*. Wanneer u een tunnel binnenrijdt, registreert de sensor dit en wordt
overgeschakeld van dagrijlicht naar dimlicht. Ca.
20 seconden na het verlaten van de tunnel, wordt
weer overgeschakeld op dagrijlicht. Als u na
afloop van deze tijd een andere tunnel inrijdt, blijft
het dimlicht branden. Zo wordt voorkomen dat de
lichtinstelling van de auto te vaak wordt gewijzigd.
Let erop dat de tunneldetectie alleen werkt, als
de verlichtingsdraaiknop in stand
staat.
Gerelateerde informatie
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 99)
Bedieningspaneel verlichting (p. 96)
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor groot licht
Dimlicht
Met de draaiknop in de stand
wordt het
dimlicht automatisch geactiveerd als het gaat
schemeren of bij donker weer. Het dimlicht wordt
ook automatisch geactiveerd bij activering van de
ruitenwissers of het mistachterlicht.
}}
* Optie/accessoire.
99
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Met de draaiknop in de stand
brandt altijd
het dimlicht, wanneer de motor loopt of als de
contactslotstand II actief is.
Grootlichtsignalen
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de stand
voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe.
Het groot licht brandt totdat u de hendel loslaat.
Groot licht
Het groot licht is te ontsteken met de draaiknop
10 of
. Schakel het groot licht
in stand
in of uit door de stuurhendel tot in de eindstand
naar het stuurwiel te halen en vervolgens los te
laten. Het groot licht is eveneens uit te schakelen
door de stuurhendel lichtjes in de richting van het
stuurwiel te duwen.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt het
op het instrumentenpaneel.
symbool
Verstralers*
Als de auto beschikt over verstralers, kunt u in
het menusysteem MY CAR selecteren of deze
gedeactiveerd moeten worden of aan/uit moeten
gaan in combinatie met het groot licht11, zie MY
CAR (p. 121).
•
•
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 96)
Automatisch groot licht*
Koplampen - lichtbundel aanpassen (p. 104)
Automatisch groot licht ontdekt de koplampen
van een tegenligger of de achterlichten van een
voorligger en schakelt dan over van groot licht
naar dimlicht. De verlichting gaat terug naar
groot licht als het invallende licht ophoudt.
Tunneldetectie* (p. 99)
Automatisch groot licht - AHB
Automatisch groot licht (Active High Beam –
AHB) is een systeem dat met een camerasensor
boven aan de voorruit de koplampen van tegenliggers of de achterlichten van voorliggers registreert en overschakelt van groot licht naar dimlicht. Het systeem kan ook rekening houden met
de straatverlichting.
Wanneer de camerasensor geen tegen-/voorliggers meer waarneemt, wordt weer overgeschakeld naar groot licht.
Auto met halogeenkoplampen
Wanneer de camerasensor geen invallend licht
van voor-/tegenliggers waarneemt, schakelt de
verlichting enkele seconden later weer over naar
groot licht.
Auto met actieve xenonkoplampen
Gerelateerde informatie
•
•
10
11
100
Actieve xenonkoplampen* (p. 103)
Automatisch groot licht* (p. 100)
Wanneer het dimlicht brandt.
Verstralers moeten op het elektrische systeem worden aangesloten door een werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Wanneer bij automatisch groot licht met automatische in-/uitschakeling12 de camerasensor geen
invallend licht van voor-/tegenliggers meer waarneemt, schakelt de verlichting enkele seconden
later weer over naar groot licht.
Bij automatisch groot licht met adaptatiefunctie12
blijft in tegenstelling tot wat er gebeurt bij de
standaarddimfunctie dat deel van de lichtbundel
dat naast tegen- of voorliggers valt op grootlichtsterkte branden – alleen dat deel van de lichtbundel dat rechtstreeks op de tegenliggers/voorliggers gericht is wordt gedimd.
verlichting enkele seconden later weer over naar
volledig groot licht.
Activeren/deactiveren
AHB kan worden geactiveerd, wanneer de verstaat (op
lichtingsdraaiknop in de stand
voorwaarde dat het systeem niet gedeactiveerd
werd in het menusysteem MY CAR), zie MY CAR
(p. 121).
Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool
op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wit.
Als het groot licht ontstoken is, brandt het symbool blauw. Bij actieve xenonkoplampen geldt dit
ook bij gedeeltelijk groot licht, d.w.z. zodra de
lichtbundel iets sterker brandt dan het geval is bij
dimlicht.
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop in stand AUTO.
Adaptatiefunctie: Dimlicht recht vooruit in de richting van
tegenliggers, maar groot licht aan weerszijden van de
tegenliggers.
Wanneer de camerasensor geen invallend licht
van voor-/tegenliggers waarneemt, schakelt de
12
Afhankelijk van het uitrustingsniveau van de auto.
De functie kan starten bij ritten in het donker,
wanneer u op een snelheid van zo'n 20 km/h
(12 mph) of hoger rijdt.
Schakel het AHB in of uit door de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel te
halen en vervolgens los te laten. Na het deactiveren van het groot licht wordt direct overgeschakeld naar dimlicht.
}}
101
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Handmatige bediening
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór de
camerasensor, aangezien één of meer camera’s voor het systeem hierdoor slechter of niet
meer werken.
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
AHB is een systeem dat u helpt om in ongunstige omstandigheden de optimale verlichting
te kiezen.
Voorbeelden van situaties waarin u mogelijk
moet wisselen tussen groot licht en dimlicht:
Als bestuurder bent u echter altijd verplicht
om handmatig te wisselen tussen groot licht
en dimlicht, als dat gezien de verkeerssituatie
en/of weersgesteldheid vereist is.
Als de melding Actief groot licht Tijdelijk niet
beschikbaar Schakel handmatig op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt, moet u handmatig tussen groot licht en
dimlicht schakelen. De verlichtingsdraaiknop kan
echter in stand
blijven staan. Hetzelfde
geldt, als de melding Voorruitsensoren
afgedekt Zie instructieboek en het symbool
verschijnen. Het symbool
dooft,
wanneer deze melding verschijnt.
AHB is mogelijk tijdelijk niet beschikbaar, zoals in
dichte mist of bij zware regenval. Wanneer AHB
weer beschikbaar is of als de voorruitsensoren
niet langer geblokkeerd zijn, verdwijnt de melding
en gaat het symbool
branden.
•
•
•
•
•
in zware regen of dichte mist
•
bij voorliggers met een zwakke voertuigverlichting
•
•
bij voetgangers op of naast de weg
•
als de verlichting van tegenliggers schuilgaat achter bijvoorbeeld vangrails
•
•
bij verkeer op verbindingswegen
•
in scherpe bochten.
bij ijsregen
bij stuifsneeuw of sneeuwmodder
bij maanlicht
bij ritten in zwak verlichte bebouwde
gebieden
bij sterk reflecterende voorwerpen zoals
borden in de buurt van de weg
op het hoogste punt van heuvels en het
laagste punt van dalen
Zie voor meer informatie over de beperkingen
van de camerasensor, zie Collision Warning* beperkingen van de camerasensor (p. 244).
Gerelateerde informatie
•
•
102
Groot licht/dimlicht (p. 99)
Bedieningspaneel verlichting (p. 96)
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Actieve xenonkoplampen*
Actieve xenonkoplampen/actieve bochtverlichting zorgen/zorgt voor optimale verlichting in
bochten en op kruisingen om op die manier de
veiligheid te verhogen.
Actieve xenonkoplampen/actieve
bochtverlichting - ABL
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde
(rechts) functie.
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen/actieve bochtverlichting (Active
Bending Lights - ABL) draaien de lichtbundels
van de koplampen mee om optimale verlichting te
verkrijgen in bochten en op kruisingen om op die
manier de veiligheid te verhogen.
Het systeem wordt automatisch geactiveerd bij
het starten van de motor (op voorwaarde dat de
13
functie niet is gedeactiveerd in het menusysteem
MY CAR, zie MY CAR (p. 121)). Wanneer de
functie een storing vertoont, brandt het symbool
op het instrumentenpaneel verschijnen
een verklarende tekst plus een ander brandend
symbool.
Symbool
Melding
Betekenis
Storing
koplampsysteem
Service
vereist
Het systeem is
defect. Bezoek een
werkplaats als de
melding niet verdwijnt. Volvo adviseert u contact op te
nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
De functie wordt geactiveerd bij gebruik van het
groot licht of dimlicht bij een rijsnelheid lager dan
zo'n 30 km/h (20 mph).
Ook tijdens het achteruitrijden gaat de bochtverlichting branden bij wijze van aanvulling op de
achteruitrijlichten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 99)
Automatisch groot licht* (p. 100)
Bedieningspaneel verlichting (p. 96)
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
U kunt de functie13 deactiveren/activeren in het
menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 121).
Bochtverlichting*
Actieve xenonkoplampen/actieve bochtverlichting
met automatisch groot licht van het adaptieve
type zijn voorzien van bochtverlichting. De actieve
bochtverlichting draait bij een scherpe bocht tijdelijk met het stuurwiel mee of in de richting die
de richtingaanwijzers aangeven.
Geactiveerd bij levering vanuit de fabriek.
* Optie/accessoire. 103
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Koplampen - lichtbundel aanpassen
Mistachterlicht
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen en automatisch groot licht heeft, moet
u de lichtbundelinstelling aanpassen wanneer u
een auto voor rechtsrijdend verkeer wilt gebruiken voor linksrijdend verkeer en andersom.
Bij een beperkt zicht door mist kunt u de mistachterlichten gebruiken om achterliggers tijdig
op uw aanwezigheid te attenderen.
neer u de verlichtingsdraaiknop naar
draait.
of
N.B.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistachterlicht verschillen per land.
Actieve xenonkoplampen*
Bij auto's zonder automatisch groot licht* is geen
aanpassing van de lichtbundel vereist. De lichtbundel is dusdanig dat tegenliggers niet worden
verblind.
Gerelateerde informatie
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 96)
Bij auto's met automatisch groot licht is aanpassing van de lichtbundel vereist. Bij het aanpassen
van de lichtbundel voor links- of rechtsrijdend
verkeer dient de auto stil te staan.
De lichtbundel is aan te passen in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 121).
Halogeenkoplampen
Er is geen aanpassing van de lichtbundel vereist.
De lichtbundel is dusdanig dat tegenliggers niet
worden verblind.
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen, wanof
neer de verlichtingsdraaiknop in stand
staat en het contactslot in de stand II of
wanneer de motor draait.
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het conop
trolesymbool voor het mistachterlicht
het instrumentenpaneel en het lampje in de knop
branden, wanneer het mistachterlicht ingeschakeld is.
Het mistachterlicht dooft automatisch bij een
druk op de START/STOP ENGINE-knop of wan-
104
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Remlichten
Alarmlichten
De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt.
De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig
knipperen, wanneer deze functie actief is.
Bij het bedienen van het rempedaal gaan de
remlichten branden. Ze gaan ook branden wanneer een van de rij-assistentiesystemen, Adaptieve cruisecontrol (p. 213), City Safety (p. 230)
of Collision Warning (p. 237) de auto afremmen.
Gerelateerde informatie
•
•
Richtingaanwijzer (p. 106)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 292)
Gerelateerde informatie
•
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 292)
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren.
Beide richtingaanwijzersymbolen op het instrumentenpaneel knipperen bij gebruik van de
alarmlichten.
De alarmlichten worden automatisch geactiveerd,
wanneer de auto zo sterk wordt geremd dat de
noodremlichten worden geactiveerd en de snelheid lager dan zo'n 10 km (6 mph) ligt.. De
alarmlichten blijven actief als de auto stilstaat en
worden vervolgens automatisch gedeactiveerd
als de auto weer wegrijdt of gedeactiveerd als de
knop wordt ingedrukt.
105
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Richtingaanwijzer
De richtingaanwijzers van de auto zijn te bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven knipperen,
afhankelijk van hoe ver u de hendel omhoog of
omlaag beweegt.
De hendel blijft in deze stand staan en kan handmatig in de uitgangspositie teruggezet worden of
veert automatisch terug bij het terugdraaien van
het stuurwiel.
Interieurverlichting
De interieurverlichting is te activeren/deactiveren
met de knoppen van de bedieningspanelen aan
het plafond voor- en achterin.
Richtingaanwijzersymbolen
Voor de richtingaanwijzersymbolen, zie Instrumentenpaneel - betekenis controlelampjes
(p. 78).
Gerelateerde informatie
Alarmlichten (p. 105)
G021149
•
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes
en interieurverlichting voorin.
Richtingaanwijzer.
Leeslampje linkerzijde
Korte serie knippersignalen
Leeslampje rechterzijde
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
de eerste stand en laat de hendel vervolgens
los. De richtingaanwijzers lichten driemaal op.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 121).
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
de eindstand.
106
Interieurverlichting
Alle verlichting in het interieur kan handmatig inen uitgeschakeld worden binnen 30 minuten
nadat:
•
de motor is afgezet en het elektrische systeem van de auto in 0 staat
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Plafondverlichting voorin
Verlichting make-upspiegel
De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende knoppen
op de plafondconsole.
De verlichting van de make-upspiegel (p. 161),
wordt bij het openen en sluiten van het spiegelklepje in- en uitgeschakeld.
•
Plafondverlichting achterin
Verlichting in bagageruimte
De interieurverlichting dooft, wanneer:
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen
en sluiten van de achterklep automatisch in- en
uitgeschakeld.
•
•
Automatische verlichting
G021150
Met de knop voor de interieurverlichting kunt u
drie verlichtingsstanden selecteren:
Plafondverlichting achterin.
U kunt de lampjes in- en uitschakelen met een
druk op de bijbehorende knop.
Instapverlichting
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) worden in- en uitgeschakeld bij het openen
c.q. sluiten van een portier.
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
•
Uit – rechterkant ingedrukt, automatische
interieurverlichting gedeactiveerd.
•
Neutrale stand – automatische verlichting
geactiveerd.
•
Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
Neutrale stand
Met de knop in de neutrale stand wordt de interieurverlichting als volgt automatisch in- en uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
•
(p. 174) of Afneembaar sleutelblad - portier
ontgrendelen (p. 178)
de motor is afgezet en het elektrische systeem van de auto in 0 staat.
u de motor start
de auto wordt vergrendeld.
De interieurverlichting gaat aan en blijft twee
minuten lang branden, wanneer een van de portieren openstaat.
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig
inschakelt, zal deze na twee minuten automatisch
worden uitgeschakeld.
Sfeerverlichting*
Wanneer de reguliere interieurverlichting is uitgegaan en de motor draait, branden er enkele leds,
onder meer een bij de plafondverlichting voor een
zwakke sfeerverlichting tijdens de rit. Bovendien
kunt u door de verlichting in het donker eventuele
voorwerpen in de opbergvakken e.d. beter zien.
Deze verlichting gaat bij vergrendeling van de
auto even na de reguliere interieurverlichting uit.
U regelt de sterkte van de verlichting met het
duimwiel op het bedieningspaneel (p. 96).
u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt, zie Transpondersleutel - functies
* Optie/accessoire. 107
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Follow Me Home-verlichting
Approach-verlichting
Wissers en sproeiers
De Follow Me Home-verlichting omvat het dimlicht, de stadslichten voor en de achterlichten,
de buitenspiegelverlichting en de kentekenplaatverlichting.
De Approach-verlichting omvat de parkeerlichten, de lampen in de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting en de
instapverlichting.
De ruitenwissers en -sproeiers reinigen de voorruit en achterruit. De koplampen worden met
hogedruksproeiers gereinigd.
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en als Follow Me Home-verlichting dienst te laten doen na
vergrendeling van de auto.
U activeert de Approach-verlichting met de transpondersleutel, zie Transpondersleutel - functies
(p. 174), om de verlichting van de auto op
afstand in te schakelen.
1.
Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2.
Haal de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe en laat de hendel los. De functie is op dezelfde manier te
activeren als de grootlichtsignalen, zie Groot
licht/dimlicht (p. 99).
Wanneer u de functie activeert via de transpondersleutel, gaan de parkeerlichten, de richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels,
de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in
het interieur en de instapverlichting branden.
3.
Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Bij activering van de functie gaan de dimlichten,
de stadslichten voor en de achterlichten, de buitenspiegelverlichting en de kentekenplaatverlichting branden.
Gerelateerde informatie
•
Follow Me Home-verlichting (p. 108)
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor, aan/uit
Duimwiel, gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers
De duur van de Follow Me Home-verlichting is in
te stellen in het menusysteem MY CAR, zie MY
CAR (p. 121).
Ruitenwissers uitgeschakeld
Gerelateerde informatie
Enkele slag
•
14
108
De duur van de Approach-verlichting is in te stellen in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 121).
Ruitenwissers14
Approach-verlichting (p. 108)
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Haal de hendel omhoog en laat deze
los om de wissers een enkele slag te
laten maken.
Voor het vervangen van wisserbladen en de servicestand van de wisserbladen, zie Wisserbladen (p. 387). Voor het bijvullen van sproeiervloeistof, zie Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 389).
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Intervalstand
Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen,
wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale snelheid.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
BELANGRIJK
Controleer voordat u de wissers activeert of
de wisserbladen niet zijn vastgevroren en of
eventuele sneeuw- en ijsresten op voor- en
achterruit zijn verwijderd.
BELANGRIJK
Voordat u de wissers in de winter activeert,
moet u controleren of de wisserbladen niet
zijn vastgevroren en of evt. sneeuw of ijs op
de voorruit (en achterruit) is weggehaald.
BELANGRIJK
Gebruik voldoende sproeiervloeistof als de
wissers de voorruit schoonmaken. De voorruit
moet nat zijn als de ruitenwissers werken.
Servicestand wisserbladen
Deactiveren
Voor het reinigen van voorruit/wisserbladen en
het vervangen van wisserbladen, zie Wasstraat
(p. 409) en Wisserbladen (p. 387).
Deactiveer de regensensor met een druk op de
regensensorknop
of haal de hendel
omlaag naar een ander wisprogramma.
Regensensor*
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de transpondersleutel uit het
contactslot neemt of vijf minuten nadat u de
motor hebt afgezet.
De regensensor registreert de hoeveelheid regen
op de voorruit en schakelt automatisch de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de
regensensor is in te stellen met het duimwiel.
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt het
regensensorsymbool
op het instrumentenpaneel.
Activeren en gevoeligheid instellen
Om de regensensor te activeren moet de motor
draaien of de transpondersleutel in stand I of II
staan en de ruitenwisserhendel in stand 0 of die
voor een enkele wisslag.
BELANGRIJK
In een automatische wasstraat kunnen de ruitenwissers van de voorruit starten en beschadigd raken. Schakel de regensensor uit terwijl
de auto loopt of de transpondersleutel in
stand I of II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en het lampje in de knop
doven.
Activeer de regensensor door op de regensensorknop
te drukken. De ruitenwissers
maken een slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere gevoeligheid. (De wissers maken een extra slag, wanneer u het duimwiel omhoogdraait.)
}}
* Optie/accessoire. 109
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Koplamp- en ruitensproeiers
vloeistof te besparen, worden de koplampen
alleen iedere vijfde keer dat u de voorruitsproeiers activeert gesproeid.
Wanneer u de hendel naar voren haalt (zie pijl op
bovenstaande afbeelding), activeert u de ruitenwisser/-sproeier van de achterklep.
Gereduceerde sproeifunctie
N.B.
Wanneer er nog zo'n 1 liter sproeiervloeistof in
het reservoir zit en op het instrumentenpaneel de
melding verschijnt dat u sproeiervloeistof moet
bijvullen, worden de koplampen en de achterruit
niet langer schoongesproeid. Dit omdat de
sproeifunctie van de voorruit en een goed zicht
door de voorruit de voorrang hebben.
Sproeierfunctie.
Achterruit wissen en sproeien
Ruitensproeiers voorruit
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel toe
te trekken.
De achterruitwisser is beveiligd tegen oververhitting, zodat de wissermotor wordt uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een bepaalde afkoelperiode.
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl
de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de intervalstand van de ruitenwisser op de achterklep
starten15. Bij het inschakelen van een andere versnelling valt de ruitenwisser op de achterklep stil.
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al op
continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging
plaats.
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen en
worden de koplampen gesproeid.
N.B.
Verwarmde sproeikoppen*
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch
verwarmd om te voorkomen dat de sproeiervloeistof bevriest.
Hogedruksproeiers koplampen*
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om
15
110
Op auto's met een regensensor wordt bij achteruitrijden de achterruitwisser geactiveerd,
op voorwaarde dat de sensor geactiveerd is
en het regent.
Ruitenwisser achterklep – intervalstand
Ruitenwisser achterklep – ononderbroken
wissen
Gerelateerde informatie
•
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 389)
Deze functie (intervalstand tijdens achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-dealer.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Elektrisch bediende ruiten
Vanaf het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bediende ruiten te
bedienen. Vanaf de bedieningspanelen van de
overige portieren zijn alleen de ruiten van het
desbetreffende portier te bedienen.
WAARSCHUWING
Bediening
Let er bij het sluiten van de ruiten vanaf het
bestuurdersportier op dat kinderen en/of
andere inzittenden niet bekneld kunnen
raken.
WAARSCHUWING
Let erop dat kinderen of andere passagiers
niet bekneld raken, wanneer/als u de ruiten
sluit met behulp van de transpondersleutel.
WAARSCHUWING
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot dat voorkomt dat kinderen de achterportieren vanaf de binnenzijde
kunnen open* en de portierruiten achter kunnen openen/sluiten, zie Kinderslot - elektrische activering* (p. 193).
Bedieningsknoppen voor achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voor voorste zijruiten
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn, moet
altijd de stroom naar de elektrisch bedienbare
ruiten worden onderbroken door te kiezen
voor sleutelstand 0 en vervolgens de transpondersleutel mee te nemen uit de auto. Voor
informatie over sleutelstanden, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 87).
Bedieningsknoppen elektrisch bediende zijruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
Vanaf het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bediende ruiten te
bedienen - vanaf de bedieningspanelen van de
overige portieren zijn alleen de ruiten van de desbetreffende portieren te bedienen. Er kan slechts
één bedieningspaneel tegelijk worden bediend.
Om de elektrisch bediende ruiten te kunnen
gebruiken moet de contactslotstand minimaal I
zijn - zie contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 87). Bij uitschakeling van de
motor zijn de elektrisch bediende ruiten na uitname van de transpondersleutel nog enkele
minuten te bedienen, maar niet nadat er een portier is geopend.
}}
* Optie/accessoire. 111
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun beweging worden gehinderd. Wanneer sluiten onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming, kan de
inklembeveiliging worden opgeheven. Wanneer
de zijruiten tweemaal achtereen niet konden worden gesloten, wordt de inklembeveiliging korte
tijd gedeactiveerd. Sluiten is daarna mogelijk door
de bedieningsknop omhoog te trekken en vast te
houden.
N.B.
Om het pulserende windgeluid te verminderen als de beide achterruiten open staan, kunt
u de voorste ruiten ook een stukje openen.
Handmatige bediening
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen
omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch
bediende zijruiten komen steeds verder omhoog
of omlaag zolang u de bedieningsknop bedient.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog of
duw er een omlaag en laat deze vervolgens los.
De bijbehorende zijruit gaat automatisch volledig
open of dicht.
Bedienen met transpondersleutel of knop
voor centrale vergrendeling
Om de elektrisch bedienbare zijruiten vanaf de
buitenzijde te bedienen met de transpondersleutel of vanaf de binnenzijde met de knop voor cen-
112
trale vergrendeling, zie Transpondersleutel functies (p. 174) of Vergrendelen/ontgrendelen
- van de binnenzijde (p. 188).
Resetten
Buitenspiegels
Stel de stand van de buitenspiegels bij met het
hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier.
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt de
automatische openingsfunctie pas weer naar
behoren wanneer u deze hebt gereset.
1.
Trek de knop aan de voorkant omhoog om
de ruit helemaal te sluiten en houd de knop
een seconde in deze stand vast.
2.
Laat de knop korte tijd los.
3.
Trek de voorkant van de knop opnieuw een
seconde omhoog.
WAARSCHUWING
Resetten is nodig om de beveiliging tegen
overbelasting te laten werken.
Bedieningsknoppen voor buitenspiegels.
Instellen
1.
Druk op knop L voor de buitenspiegel links of
op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
2.
U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3.
Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
WAARSCHUWING
Beide spiegels zijn groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instellingen vastleggen16
De instellingen van de buitenspiegels en de
bestuurdersstoel zijn voor alle transpondersleutels apart op te slaan in het autosleutelgeheugen*, zie Transpondersleutel - personalisering*
(p. 171).
Buitenspiegel kantelen bij parkeren16
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld worden, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de
kant van de weg te kan zien.
–
Schakel de achteruitversnelling in en druk op
de knop L of R.
Bij het inschakelen van een andere versnelling
nemen de gekantelde buitenspiegels na zo'n
10 seconden de oorspronkelijke stand weer in.
Dat gebeurt eerder, als u de knop L of R indrukt.
Automatisch kantelende buitenspiegel
bij parkeren16
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
worden de buitenspiegels automatisch omlaaggekanteld, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg kan zien. Wanneer u de
auto uit de achteruitversnelling haalt, nemen de
buitenspiegels na enige tijd automatisch hun oorspronkelijke stand weer in.
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen*
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel
vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 121).
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt:
1.
Druk de knoppen L en R gelijktijdig in (contactslotstand minimaal I).
2.
Laat ze na zo'n 1 seconde los. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de
neutrale stand worden teruggezet zodat het elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt:
1.
Klap de spiegels in met de knoppen L en R.
2.
Klap de spiegels weer uit met de knoppen L
en R.
3.
Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
Autodimfunctie*
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Approach-verlichting en Follow Me
Home-verlichting
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden,
wanneer u de Approach-verlichting (p. 108) of de
Follow Me Home-verlichting (p. 108) selecteert.
Gerelateerde informatie
•
•
Achteruitkijkspiegel (p. 114)
Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming (p. 114)
Buitenspiegels met autodimfunctie zijn alleen
mogelijk, als ook de achteruitkijkspiegel is voorzien van een dergelijke autodimfunctie, zie Achteruitkijkspiegel (p. 114).
U kunt het systeem activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 121).
16
Alleen in combinatie met een elektrisch bediende stoel met geheugen, zie Voorstoelen - elektrisch bediend* (p. 90).
* Optie/accessoire. 113
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Ruiten en buitenspiegels elektrische verwarming
De elektrische verwarming dient om de achterruit en de buitenspiegels te ontwasemen en te
ontdooien.
de auto start bij een buitentemperatuur lager dan
+7 °C. Automatische ontwaseming is te selecteren in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 121).
Achteruitkijkspiegel
De achteruitkijkspiegel is te dimmen met een
knopje aan de onderkant van de spiegel. Ook is
het mogelijk dat de autodimfunctie van de achteruitkijkspiegel actief is.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Hendeltje voor dimfunctie
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
Handmatige dimfunctie
Gebruik de functie om de achterruit en de buitenspiegels te ontwasemen en te ontdooien.
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties in
de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje in de dimstand, wanneer u de verlichting van het achteropkomende verkeer als hinderlijk ervaart:
Bij eenmaal indrukken van de knop gaat de verwarming van start. Het brandende lampje in de
knop geeft aan dat de functie actief is. Schakel
de verwarming uit zodra het ijs/de condens verdwenen is om de accu niet onnodig te belasten.
Als u echter niets doet, wordt de functie na enige
tijd automatisch uitgeschakeld.
De buitenspiegels en de achterruit worden automatisch van condens/ijsvorming ontdaan, als u
114
1.
Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2.
Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje
naar de voorruit toe te duwen.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Autodimfunctie*
Kompas*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt te
fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch
gedimd. Bij een spiegel met autodimfunctie ontbreekt het hendeltje voor handmatig dimmen.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst.
De achteruitkijkspiegel is voorzien van twee sensoren (één aan de voorkant en één aan de achterkant) die samenwerken om hinderlijke lichtinval te identificeren en te verhelpen. De sensor
aan de voorkant registreert omgevingslicht, terwijl
de sensor aan de achterkant de koplampen van
achterliggers registreert.
Bediening
Alleen een achteruitkijkspiegel met autodimfunctie is mogelijk uitgerust met een kompas
(p. 115).
Gerelateerde informatie
•
Buitenspiegels (p. 112)
Om de juiste kompasrichting aan te geven moet
het kompas soms worden gekalibreerd.
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas dient te worden gekalibreerd, als u
met de auto meerdere magnetische zones doorkruist.
Kalibreer als volgt:
N.B.
Als de sensoren door bijvoorbeeld parkeervergunningen, transponders, zonnekleppen of
voorwerpen op de achterbank of in de bagageruimte dusdanig worden gehinderd dat er
geen licht op de sensoren valt, gelden er
beperkingen voor de autodimfunctie van de
achteruitkijkspiegel en buitenspiegels.
Kalibreren
1.
Breng de auto tot stilstand op een groot en
open terrein waar geen stalen constructies
of hoogspanningsdraden zijn.
2.
Start de auto en schakel alle elektrische uitrusting (klimaatregeling, luchtdroger enzovoort) uit en zorg dat alle portieren zijn gesloten.
N.B.
Achteruitkijkspiegel met kompas.
Er worden acht verschillende richtingen met
Engelse afkortingen weergegeven: N (noord), NE
(noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW
(zuidwest), W (west) en NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd wanneer u de motor start of wanneer sleutelstand II
actief is, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 87). Om het kompas handmatig uit of in te schakelen kunt u een paperclip
of iets dergelijks nemen en het knopje aan de
onderzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
De kalibratie kan mislukken of helemaal niet
worden uitgevoerd, als u de elektrische uitrusting niet uitschakelt.
3.
Houd het knopje aan de onderzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden lang (met
een paperclip of iets dergelijks) ingedrukt.
Het cijfer van de huidige magnetische zone
verschijnt.
}}
* Optie/accessoire. 115
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
7.
Auto's met elektrische voorruitverwarming*: Als bij activering van de elektrische
voorruitverwarming het teken C op het display verschijnt, kalibreer dan volgens punt 6
hierboven met de elektrische voorruitverwarming ingeschakeld, zie Voorruit ontwasemen
en ontdooien (p. 142).
Schuif-/kanteldak*
Het schuif-/kanteldak is te bedienen met de
knoppen aan het plafond.
Het binnenste zonnescherm is handmatig te sluiten.
Bij het schuif-/kanteldak hoort een windscherm.
4.
Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van de gewenste magnetische
zone (1–15) verschijnt (zie de kaart met de
magnetische zones van het kompas).
Horizontaal openschuiven
5.
Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt of houd het knopje aan de
onderzijde van de achteruitkijkspiegel
ca. 6 seconden lang ingedrukt, totdat het
teken C verschijnt.
6.
Rijd langzaam een rondje in de auto met een
snelheid van hoogstens 10 km/h (6 mph),
totdat een kompasrichting op het display verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie afgerond is. Rijd daarna nog 2 rondjes om de
kalibratie fijn af te stellen.
Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
G017823
Magnetische zones.
De bedieningsknoppen voor het schuif-/kanteldak zitten aan het plafond. Het schuif-/kanteldak
is aan de achterkant open te kantelen of horizontaal open te schuiven. Het schuif-/kanteldak is
alleen te openen in contactslotstand I of II.
8.
Horizontaal openschuiven, achteruit/vooruit.
Openen, automatisch
Openen, handmatig
116
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Sluiten, automatisch
Openen
Trek om het schuif-/kanteldak tot in de comfortstand17 te openen de bedieningsknop naar achteren tot in de stand voor automatisch openen en
laat de knop vervolgens los. Trek om het schuif-/
kanteldak maximaal te openen de bedieningsknop nogmaals naar achteren tot in de stand
voor automatisch openen en laat de knop vervolgens los.
U kunt het schuif-/kanteldak handmatig openen
door de bedieningsknop achteruit naar het drukpunt voor handmatig openen te duwen. Het
schuif-/kanteldak schuift steeds verder in de
richting van de comfortstand17 zolang u de knop
naar achteren gedrukt houdt. Druk om het
schuif-/kanteldak maximaal te openen nogmaals
op de bedieningsknop.
Sluiten
U kunt het schuif-/kanteldak handmatig sluiten
door de bedieningsknop vooruit naar het drukpunt voor handmatig sluiten te duwen. Het
schuif-/kanteldak schuift steeds verder in de
richting van de gesloten stand zolang u de knop
naar voren gedrukt houdt.
17
WAARSCHUWING
Verticaal openkantelen
Gevaar voor beknelling bij het sluiten van het
schuifdak. De beveiliging tegen overbelasting
van het schuifdak werkt alleen bij automatisch
sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Het schuif-/kanteldak gaat automatisch dicht,
wanneer u de knop in de stand voor automatisch
sluiten duwt en vervolgens loslaat.
Wanneer u contactslotstand 0 kiest en de transpondersleutel uit het contactslot neemt, wordt de
spanning van het schuif-/kanteldak verbroken.
G028900
Sluiten, handmatig
Verticaal openkantelen, achterkant omhoogkantelen.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn:
Onderbreek altijd de stroom naar het schuifdak door te kiezen voor sleutelstand 0 en
neem vervolgens de transpondersleutel mee
uit de auto. Voor informatie over sleutelstanden, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 87).
Kantel het schuif-/kanteldak open door de
achterkant van de knop omhoog te duwen.
Kantel het schuif-/kanteldak dicht door de
achterkant van de knop omlaag te trekken.
De comfortstand is de stand waarbij het schuif-/kanteldak zover geopend is dat rijwind- en resonantiegeluiden op een aangenaam laag niveau liggen.
}}
117
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Sluiten met transpondersleutel of knop
voor centrale vergrendeling
Knop voor centrale vergrendeling
U kunt de knop voor centrale vergrendeling op
bestuurdersportier of passagiersportier* gebruiken om het schuif-/kanteldak te sluiten.
G021345
–
een transpondersleutel
– Druk lang op de vergrendelingsknop
van
de transpondersleutel, tot het schuif-/kanteldak en alle zijruiten worden gesloten en de
portieren en de achterklep worden vergrendeld.
Druk nogmaals op de vergrendelingsknop van de
transpondersleutel om het sluiten te onderbreken.
stand en keert vervolgens automatisch terug naar
de laatst gebruikte, geopende stand.
Windscherm
Druk lang op de knop voor centrale vergrenvan de transpondersleutel, tot het
deling
schuif-/kanteldak en alle zijruiten worden
gesloten en de portieren en de achterklep
worden vergrendeld.
Druk opnieuw op de knop voor centrale vergrendeling om de sluitingsbeweging te onderbreken.
WAARSCHUWING
Als u het schuifdak met de transpondersleutel
of de knop voor centrale vergrendeling sluit,
moet u controleren of niemand bekneld raakt.
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuif-/kanteldak zit
een handbediend zonnescherm. Het zonnescherm glijdt automatisch naar achteren bij het
openen van het schuif-/kanteldak. Pak de handgreep vast en schuif het zonnescherm naar voren
om het te sluiten.
Bij het schuif-/kanteldak hoort een windscherm
dat opgeklapt wordt bij een geopend schuif-/
kanteldak.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel - functies (p. 174)
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 188)
Inklembeveiliging
Het schuif-/kanteldak is voorzien van een
inklembeveiliging die wordt geactiveerd, als het
schuif-/kanteldak door een obstakel wordt gehinderd. Het schuif-/kanteldak komt dan tot stil-
118
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Menufuncties - instrumentenpaneel
Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s
(p. 119) die op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel (p. 72) verschijnen. Welke
menu’s er verschijnen hangt af van de sleutelstand (p. 87).
Gerelateerde informatie
•
Meldingen - functies (p. 121)
Menu-overzicht instrumentenpaneel
Welke menu’s er op het informatiedisplay van
het instrumentenpaneel verschijnen hangt af van
de sleutelstand (p. 87).
Voor sommige van de onderstaande menu-opties
dient de auto te zijn uitgerust met de bijbehorende functie en software.
Instellingen*
Thema's
Contraststand/Kleurstand
Servicestatus
Meldingen18
Oliepeil19
Display en bedieningselementen voor menufuncties.
OK – meldingenlijst openen en meldingen
bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 73)
•
Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 119)
RESET – geactiveerde functie op nul stellen.
Wordt in bepaalde gevallen gebruikt om een
functie te selecteren/activeren (zie de uitleg
bij de verschillende functies).
Een eventuele melding, (p. 120) moet u eerst
bevestigen met de knop OK, voordat u de menu’s
kunt bekijken.
18
Voorconditionering
Boordcomp reset
Gerelateerde informatie
Het aantal meldingen staat tussen haakjes.
* Optie/accessoire. 119
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Berichten
Wanneer er een waarschuwings-, informatie- of
controlesymbool oplicht, verschijnt er tevens een
aanvullende melding op het informatiedisplay.
Melding
Betekenis
Stop auto
z.s.m.A
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade – bezoek
een werkplaatsB.
Zet motor afA
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade – bezoek
een werkplaatsB.
Service
spoedA
Bezoek een werkplaatsB om
de auto onmiddellijk te laten
controleren.
Service vereistA
Zie instructieb.A
Neem de gebruikershandleiding door.
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd om een afspraak
te maken voor een servicebeurt – bezoek een werkplaatsB.
19
120
Bezoek een werkplaatsB om
de auto zo spoedig mogelijk
te laten controleren.
Bepaalde motoren.
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Tijd voor periodiek onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een werkplaatsB. Het moment hangt
af van de afgelegde afstand,
het aantal maanden dat
sinds de laatste servicebeurt
is verstreken, het aantal
draaiuren van de motor en
de gebruikte oliekwaliteit.
Versnellingsbak heet Rijd
langzamer
Rijd voorzichtiger of breng
de auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand. Zet de versnellingsbak in de neutraal en
laat de motor stationair
draaien totdat de melding
verdwijntC.
Versnellingsbak heet
Stop auto
z.s.m. Wachten op afkoelen
Kritieke storing. Breng de
auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand en bezoek een
werkplaatsB.
Tijdelijk uitgeschakeldA
De bijbehorende functie is
tijdelijk uitgeschakeld en
wordt na enige tijd rijden of
de volgende keer dat u de
motor start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
Accuspanning laag
Spaarstand
Het audiosysteem is uitgeschakeld om stroom te
besparen. Laad de accu bij.
Onderhoudstermijn verstreken
Als u de onderhoudstermijn
niet respecteert, vallen
beschadigde onderdelen
niet langer onder de garantie – bezoek een werkplaatsB.
Versnellingsbak Olie verversen
Bezoek een werkplaatsB om
de auto zo spoedig mogelijk
te laten controleren.
Versnellingsbak Beperkte
werking
De versnellingsbak werkt
niet op maximale capaciteit.
Rijd voorzichtig totdat de
melding verdwijntC.
Bezoek bij herhaaldelijke
verschijning een werkplaatsB.
A
B
C
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over de
locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Voor informatie over de automatische versnellingsbak, zie Automatische versnellingsbak - Geartronic (p. 285).
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Gerelateerde informatie
•
•
Meldingen - functies (p. 121)
Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 119)
Meldingen - functies
MY CAR
Met de linker stuurhendel kunt u door de meldingen (p. 120) bladeren die op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnen en
deze bevestigen.
MY CAR is een menugroep voor hantering van
tal van autofuncties, zoals City Safety™, sloten
en alarm, automatische ventilatorsnelheid, klokinstelling e.d.
Wanneer er een waarschuwings-, informatie- of
controlesymbool oplicht, verschijnt er tevens een
aanvullende melding op het display. Foutmeldingen blijven in het geheugen opgeslagen, totdat
de onderliggende storing is verholpen.
Sommige functies behoren tot de standaarduitrusting, andere zijn zogeheten opties – het aanbod verschilt per markt.
Druk OK op de linker stuurhendel in om een melding te bevestigen. Gebruik het duimwiel (p. 119)
om door de meldingen te bladeren.
Bediening
Navigatie in deze menu's vindt plaats met knoppen op de middenconsole of met de knoppenset
rechts op het stuurwiel*.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt
als de boordcomputer wordt gebruikt, moet
de melding worden gelezen (druk op OK)
voordat de eerdere activiteit kan worden hervat.
Gerelateerde informatie
•
Menu-overzicht - instrumentenpaneel
(p. 119)
}}
* Optie/accessoire. 121
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
functies en de locatie van de knoppen is afhankelijk van
de gekozen uitrusting en de desbetreffende markt.
MY CAR - opent het menusysteem MY CAR.
OK/MENU - knop op de middenconsole
indrukken of het duimwiel op het stuurwiel
om de gemarkeerde menu-optie te
kiezen/aan te vinken of de gekozen functie
in het geheugen op te slaan.
TUNE - aan de draaiknop op de middenconsole of het duimwiel op het stuurwiel draaien
om een stap omhoog/omlaag te gaan door
de menu-opties.
EXIT
EXIT-functies
Afhankelijk van de functie en van het menuniveau
waarop de aanwijzer staat op het moment dat u
EXIT kort indrukt, kan het volgende gebeuren:
Bedieningspaneel op middenconsole en knoppenset op
stuurwiel. De afbeelding is schematisch – het aantal
122
•
•
•
•
telefoongesprekken worden geweigerd
•
u beweegt omhoog in het menusysteem.
de actuele functie wordt beëindigd
de ingevoerde tekens worden gewist
de laatste gemaakte keuze wordt geannuleerd
Bij lang indrukken van EXIT springt u naar de
normaalweergave voor MY CAR of naar het
hoogste menuniveau (hoofdbronmenu) als u zich
in de normaalweergave bevindt.
Menu-opties en zoekpaden
Voor een beschrijving van de menu-opties en
zoekpaden in MY CAR, zie het Sensus Infotainment-supplement.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Boordcomputer
Gemiddelde snelheid
De boordcomputer van de auto registreert en
berekent waarden zoals afgelegde afstand,
brandstofverbruik en gemiddelde snelheid tijdens het rijden.
De gemiddelde snelheid voor de afgelegde
afstand sinds de laatste nulstelling van de
waarde.
Huidig verbruik
De waarde voor het huidige verbruik wordt voortdurend (ongeveer eenmaal per seconde) bijgewerkt. Op lage snelheden wordt het verbruik
weergegeven per eenheid van tijd – op hoge
snelheden verschijnt het verbruik per eenheid van
lengte.
U kunt verschillende eenheden (km/miles) kiezen
voor de aanduiding – zie de paragraaf "Eenheid
wijzigen" (p. 123).
Bereik - actieradius op tank
De boordcomputerinformatie is weer te geven op het
bestuurdersdisplay.
De boordcomputer geeft de afstand aan die bij
benadering af te leggen is met de resterende
hoeveelheid brandstof in de tank.
De boordcomputer bestaat uit twee dagtellers en
een kilometerteller voor de totale kilometerstand.
Wanneer de melding Afst. tot leeg "----" verschijnt, zijn geen garanties meer te geven voor de
resterende actieradius.
Gemiddeld
•
Dagtellers
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de laatste maal dat de waarde op nul gesteld werd.
N.B.
Er is een bepaalde afwijking mogelijk, als er
een verwarming op brandstof* is gebruikt.
Tank dan zo spoedig mogelijk.
De actieradius wordt berekend aan de hand van
het gemiddelde brandstofverbruik over de laatste
30 km en de resterende hoeveelheid brandstof.
afstand aan die bij benadering af te leggen is
met de resterende hoeveelheid energie in de
hybride-accu.
De berekende waarde is gebaseerd op het
gemiddelde verbruik bij een normaal beladen
auto, tijdens een normale rit en rekening houdend met de vraag of de airconditioning (AC) wel
of niet aanstaat.
N.B.
Er is een bepaalde afwijking mogelijk, als u
van rijstijl verandert.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een langere actieradius. Voor meer informatie over hoe u
het energieverbruik kunt beïnvloeden, zie Milieubeleid van Volvo Car Corporation (p. 23).
Actieradius bij elektrische aandrijving
Voor een zo groot mogelijke actieradius bij elektrische aandrijving moet u het stroomverbruik zo
laag mogelijk houden. Hoe meer verbruikers (stereo, elektrische ruit-/buitenspiegel-/stoelverwarming, koelfunctie klimaatregeling enzovoort) er
zijn ingeschakeld, hoe korter de actieradius.
Actieradius op accu
Wanneer "---- km actieradius" op het display
staat, zijn geen garanties meer te geven voor de
resterende actieradius. Het display geeft de
}}
* Optie/accessoire. 123
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
N.B.
Naast een hoog stroomverbruik in het interieur kunnen ook snelle acceleraties en remmanoeuvres, hoge snelheden, zware ladingen,
geringe buitentemperaturen en oplopende
hellingen de actieradius beperken.
Digitale snelheidsheidsaanduiding in
een alternatieve eenheid20
Als het hoofdinstrument is ingesteld op weergave
in mph, wordt de digitale snelheid aangegeven in
km/h.
Eenheid wijzigen
In het menusysteem MY CAR kunt u de eenheid
van lengte en brandstofvolume aanpassen, zie
MY CAR (p. 121).
N.B.
Een wijziging van deze eenheden is niet
alleen van toepassing op de boordcomputer
maar ook op Volvo’s RTI-navigatiesysteem*.
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 125)
•
Boordcomputer - rijstatistieken* (p. 129)
20
124
Alleen bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Boordcomputer - digitaal
instrumentenpaneel
Boordcomputeropties
Bedieningsknoppen
Kies de weer te geven boordcomputerinformatie:
De boordcomputerinformatie is weer te geven op
het instrumentenpaneel en te hanteren via de
bedieningselementen op de linker stuurhendel
en via het instrumentenpaneelmenu.
Na de automatische activering van het instrumentenpaneel bij ontgrendeling zijn bediening en
instelling meteen mogelijk. Als u na het openen
van het bestuurdersportier niet binnen
ca. 30 seconden op een van de boordcomputerknoppen drukt, dooft het instrument, waarna om
opnieuw de boordcomputer te kunnen bedienen
eerst sleutelstand II of motorstart vereist is.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt
tijdens het gebruik van de boordcomputer,
dient u deze melding eerst te bevestigen
voordat u de boordcomputer weer kunt activeren.
•
Er kunnen drie boordcomputeropties tegelijk worden
weergegeven: één op elk van de drie "vensters".
OK - instrumentenpaneelmenu openen,
berichten of menu-opties bevestigen.
Duimwiel - menu-opties of boordcomputeropties doorbladeren.
1.
Om er zeker van te zijn dat geen van de
bedieningselementen zich midden in een
procedure bevindt, moet u deze eerst "resetten" met twee keer drukken op RESET.
2.
Draai aan het duimwiel om de rubriekcombinaties door te bladeren.
3.
Stop met bladeren bij de gewenste combinatie om de desbetreffende boordcomputerinformatie continu op het instrumentenpaneel
weer te geven.
U kunt tijdens het rijden op ieder gewenst
moment een ander scherm met boordcomputerinformatie op het instrumentenpaneel laten weergeven. Een de mogelijke opties is om geen
boordcomputerinformatie weer te geven.
RESET - actuele dagteller resetten of het
menusysteem verlaten.
Bevestig deze melding door de knop OK
op de richtingaanwijzerhendel kort in te
drukken.
Rubriekcombinaties
Informatie
Accustatus
Dagteller T1 + Kilometerstand
Actieradius op accu
•
RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen.
Gemiddeld
Dagteller T1 + Kilometerstand
Gemiddelde snelheid
•
RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen.
}}
125
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Rubriekcombinaties
Informatie
Huidig verbruik
Dagteller T2 + Kilometerstand
Actieradius op tank
Huidig verbruik
Kilometerstand
km/h<>mphA
Geen boordcomputerinformatie.
A
RESET lang indrukken om dagteller T2 op nul te stellen.
km/h<>mph - zie het gedeelte Alternatieve digitale snelheidsaanduiding
(p. 123).
Bij deze optie doven alle drie de boordcomputerdisplays - dit geeft tevens het
"begin"/"einde" aan van de lus.
Alleen bepaalde markten.
Boordcomputerinformatie resetten
Dagtellers
1. Draai aan het duimwiel en stop met bladeren
wanneer u de rubriekcombinatie met de te
resetten dagteller ziet.
2.
Bij lang indrukken van RESET reset u de
waarde voor de gekozen rubriek.
Gemiddelde snelheid en gemiddeld verbruik
1. Druk op OK om het instrumentenpaneelmenu te openen.
2.
126
•
Blader met het duimwiel naar de menuoptie
Boordcomp reset en bevestig uw keuze
met OK.
3.
Geef aan of u het gemiddelde brandstofverbruik of de gemiddelde snelheid wilt resetten
of allebei. Bevestig uw keuze met OK.
4.
Druk tot slot op RESET.
Functies in instrumentenpaneelmenu
In het instrumentenpaneelmenu vindt u instelmogelijkheden voor onder maar de boordcomputer.
Open het menu om de functies in de onderstaande tabel te regelen/aanpassen.
1.
Om er zeker van te zijn dat geen van de
bedieningselementen zich midden in een
procedure bevindt, moet u deze eerst "resetten" met twee keer drukken op RESET.
2.
Druk op OK.
3.
Blader de functies door met het duimwiel en
kies/bevestig uw keuze met OK.
4.
Druk na regeling/aanpassing twee keer op
RESET.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Functies
Informatie
Boordcomp reset
Reset de waarde voor het gemiddelde brandstofverbruik en de gemiddelde snelheid.
•
•
Let erop dat u hiermee niet beide dagtellers T1 en T2 niet reset.
Gemiddeld
Gemiddelde snelheid
Meldingen
Voor meer informatie, zie Meldingen - functies (p. 121).
Thema's
Kies het thema voor het uiterlijk van het instrumentenpaneel (p. 72).
Instellingen*
Selecteer Aut Aan of Uit.
Voor meer informatie, zie Algemene informatie over verwarmingen (p. 154).
A
Contraststand/Kleurstand
Lichtsterkte en kleurtemperatuur van het instrumentenpaneel instellen.
Voorconditionering
Voor een beschrijving van het programmeren van de timer, zie Timers - instellen (p. 150).
•
•
Directe start
•
- Symbool Timer 2 - voert naar het menu voor
selectie van het tijdstip.
- Symbool Timer 1 - voert naar het menu voor
selectie van het tijdstip.
Servicestatus
Geef het resterend aantal maanden en het aantal kilometers tot de eerstvolgende servicebeurt
aan.
OliepeilA
Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 374).
Bepaalde motoren.
}}
* Optie/accessoire. 127
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
128
Gerelateerde informatie
•
•
Boordcomputer (p. 123)
Boordcomputer - rijstatistieken* (p. 129)
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Boordcomputer - rijstatistieken*
Op het beeldscherm van de middenconsole zijn
rijstatistieken van de boordcomputer weer te
geven voor een grafisch overzicht van het brandstofverbruik en het stroomverbruik.
Functie
–
Open het menusysteem MY CAR (p. 121) en
kies Verbruiksinfo om een staafdiagram te
zien.
Afhankelijk van de gekozen schaalverdeling symboliseert elke staaf een afgelegde afstand van
1 km of 10 km – de staaf helemaal rechts geeft
de actuele waarde aan voor een afstand van 1 of
10 km.
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer (p. 123)
Met de TUNE-knop kunt u voor elke staaf van
schaal wisselen tussen 1 km en 10 km – de aanwijzer rechts beweegt afhankelijk van de gekozen
schaal omhoog of omlaag.
Instellingen
U kunt verschillende instellingen voor de rijstatistieken verrichten in het menusysteem MY CAR Verbruiksinfo.
• Resetten als motor min. 4 uur heeft
uitgestaan – markeer het vakje met ENTER
aan en verlaat het menu met EXIT. Wanneer
u deze optie markeert, worden alle statistieken 4 uur na uitschakeling van het contact
automatisch gewist. De volgende keer dat u
de motor start begint de verbruiksinfo weer
vanaf nul.
Verbruiksinfo21
Het brandstofverbruik en stroomverbruik worden
elk afzonderlijk weergegeven. Het getoonde
stroomverbruik is het nettoverbruik, dat wil zeggen de afgenomen stroom verminderd met de
teruggewonnen energie tijdens het remmen.
• Nieuwe rit starten – met ENTER worden
alle eerdere statistieken gewist. Verlaat het
menu met EXIT. Als u een nieuwe rijcyclus
wilt starten, voordat de 4 uur zijn verstreken,
moet u met deze optie eerst handmatig de
actuele cyclus wissen.
Zie ook de informatie over Eco guide (p. 77).
21
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van de softwareversie en het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire. 129
KLIMAAT
KLIMAAT
Algemene informatie over de
klimaatregeling
N.B.
Airconditioning (AC) (p. 142) uitschakelen,
maar voor optimaal klimaatcomfort in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan dient u de airconditioning altijd te
laten aanstaan.
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling (p. 138). De klimaatregeling zorgt ervoor
dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of
van vocht ontdaan wordt.
Bij inschakeling van de klimaatregeling wordt
geadviseerd de blaasmonden op het dashboard
helemaal open te zetten voor optimale klimaatregeling.
Waar u op moet letten
Als de koelvloeistof niet warm genoeg is, wordt in
eerste instantie de verwarming op stroom
gebruikt. Bij koud weer slaat mogelijk ook de verwarming op brandstof aan.
•
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
(p. 189) gebruiken om alle zijruiten tegelijk
korte tijd te openen en weer te sluiten en op
die manier snel voor frisse lucht in de auto te
zorgen.
•
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor
de klimaatregeling (de opening tussen de
motorkap en de voorruit).
•
Bij stationair draaien, preconditioning of
oplading van de hybride-accu, (p. 317) in
warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje
water onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
•
Wanneer de motor het maximale vermogen
nodigt heeft (bijvoorbeeld als u volgas
optrekt), is het mogelijk dat de airconditioning tijdelijk wordt uitgeschakeld. Er kan dan
een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
Tijdens het rijden worden de motorverwarming en
de verwarming op stroom of brandstof gebruikt
als verwarmingsbron. Welke verwarmingsbron(nen) er precies gebruikt worden in de verschillende rijmodi hangt af van de omstandigheden zoals de omgevingstemperatuur.
Tijdens het rijden start de auto automatisch de
systemen die nodig zijn om het interieurcomfort
op peil te houden (behalve in de rijmodus
(p. 278) PURE, waarin het interieurcomfort
ondergeschikt is en bijvoorbeeld de AC en
bepaalde elektrische apparaten niet worden
gestart).
Met de preconditioning (p. 146) kunt u het interieurklimaat van de auto regelen (conditioneren)
voordat u wegrijdt, zowel bij warm als koud weer.
132
•
Voor optimale werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een schuif-/kanteldak*
gesloten houden.
•
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwaseming (p. 142) om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen. Houd
de binnenzijde van de ruiten schoon om het
risico te beperken dat ze beslaan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Werkelijke temperatuur (p. 133)
Menu-instellingen - klimaat (p. 135)
Elektronische klimaatregeling, ECC (p. 138)
Luchtverdeling passagiersruimte (p. 136)
Luchtkwaliteit (p. 133)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Werkelijke temperatuur
Sensoren - klimaat
Luchtkwaliteit
De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen
met de gevoelstemperatuur op basis van de
heersende omstandigheden in en rond de auto
wat de buitentemperatuur, de luchtsnelheid, de
luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte
enz. betreft.
De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren om de temperatuur (p. 133) in de auto te
regelen.
Het interieur werd dusdanig vormgegeven dat
het gerieflijk en comfortabel is – ook voor mensen met contactallergieën of astma.
•
•
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
•
De buitentemperatuursensor zit in de buitenspiegel.
•
•
•
•
De vochtsensor* zit bij de achteruitkijkspiegel.
Het systeem beschikt over een zonnesensor
(p. 133) die de stand van de zon registreert.
Daardoor kan de temperatuur van de lucht uit de
blaasmonden links en rechts afwijken, ondanks
dat de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 132)
•
Temperatuurregeling passagiersruimte
(p. 141)
De interieurtemperatuursensor zit onder het
bedieningspaneel van de klimaatregeling.
•
Interieurfilter (p. 134)
Materiaal in de passagiersruimte (p. 135)
Clean Zone Interior Package (CZIP)
(p. 134)*
Interior Air Quality System (IAQS) (p. 134)*
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 132)
Bedek of blokkeer de sensoren niet met kledingstukken of andere voorwerpen.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 132)
* Optie/accessoire. 133
KLIMAAT
Luchtkwaliteit - interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter.
Vervang het filter regelmatig. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen
vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde
gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
Luchtkwaliteit - Clean Zone Interior
Package (CZIP)*
CZIP bestaat uit een aantal aanpassingen zodat
er minder stoffen in het interieur verwerkt zijn die
aanleiding kunnen geven tot allergieën en/of
astma.
Het volgende is inbegrepen:
•
N.B.
Er zijn verschillende soorten interieurfilters.
Let erop dat het juiste filter wordt gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
Luchtkwaliteit (p. 133)
•
Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer
de auto via de transpondersleutel wordt ontgrendeld. De ventilator vult het interieur op
die manier met verse lucht. De functie start
als dat nodig is en stopt na bij het openen
van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt
de functie na enige tijd automatisch beëindigd. De tijd dat de ventilatorfunctie werkt zal
langzaam maar zeker korter worden, totdat
de auto 4 jaar oud is.
Het Interior Air Quality System IAQS (p. 134)
is een volautomatisch systeem dat de lucht
in de passagiersruimte ontdoet van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend
ozon.
Luchtkwaliteit - IAQS*
Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet
de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken.
Als de Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht
meet, wordt de luchtinlaat afgesloten waarna de
lucht in de passagiersruimte wordt gerecirculeerd.
Het systeem is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
N.B.
Voor de beste lucht in het interieur moet de
luchtkwaliteitssensor altijd zijn ingeschakeld.
In een koud klimaat is de recirculatie beperkt
om het beslaan van de ruiten te voorkomen.
Als de ruiten beslaan, moet de luchtkwaliteitssensor worden uitgeschakeld en moet de
ontwaseming voor voorruit, achterruit en zijruiten worden ingeschakeld.
Gerelateerde informatie
134
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 132)
•
Luchtkwaliteit (p. 133)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 132)
•
•
Luchtkwaliteit (p. 133)
Luchtkwaliteit - Clean Zone Interior Package
(CZIP)* (p. 134)
Luchtkwaliteit - materialen
Menu-instellingen - klimaat
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is.
Via de middenconsole is het mogelijk de basisinstellingen voor zes van de klimaatregelingsfuncties te activeren/deactiveren of wijzigen.
De vloerbekleding in zowel de passagiersruimte
als de bagageruimte zijn eenvoudig te verwijderen en schoon te maken. Gebruik de door Volvo
geadviseerde schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten voor het reinigen van het interieur (p. 412).
Gerelateerde informatie
•
Luchtkwaliteit (p. 133)
•
•
•
•
•
•
Ventilatorstand bij automatische klimaatregeling (p. 141).
Recirculatietimer (p. 143).
Automatische achterruitverwarming (p. 114).
Interior Air Quality System * (p. 134).
Automatische verwarming bestuurdersstoel
(p. 139).
Automatische stuurverwarming (p. 95).
Er staat meer informatie in de beschrijving van
het menusysteem (p. 121).
De basisinstellingen voor de klimaatregelingsfuncties zijn te herstellen via het menusysteem
MY CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 132)
* Optie/accessoire. 135
KLIMAAT
Luchtverdeling passagiersruimte
Blaasmonden in dashboard
Blaasmonden in portierstijlen
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
uiteenlopende blaasmonden verspreid over het
interieur.
In de stand AUTO vindt de luchtverdeling geheel
automatisch plaats.
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij te
regelen, zie luchtverdelingstabel (p. 144).
Open
Dicht
Dicht
Open
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste
zijruiten om deze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden bij koud weer op de achterste zijruiten om deze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden, bij warm weer, naar binnen toe voor een behaaglijke temperatuur achter
in de auto.
N.B.
Let erop dat kleine kinderen gevoelig kunnen
zijn voor luchtstromen en tocht.
136
KLIMAAT
Luchtverdeling
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtverdeling - ventilatie vloer
De gestileerde menselijke gedaante op de
nevenstaande afbeelding bestaat uit drie knoppen. Bij bediening van de knoppen gaat op het
display het desbetreffende gedeelte van de
gestileerde menselijke gedaante (zie volgende
afbeelding) branden samen met een pijl vóór dit
gedeelte om aan te geven welke luchtverdelingsstand er gekozen is. Voor meer informatie, zie de
luchtverdelingstabel (p. 144).
Het middendisplay geeft de gekozen luchtverdelingsstand aan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 132)
Automatische regeling (p. 141)
Luchtverdeling - recirculatie (p. 143)
137
KLIMAAT
Elektronische klimaatregeling, ECC
ECC (Electronic Climate Control) handhaaft de
temperatuur die in het interieur wordt gekozen
Temperatuurregeling (p. 141), links
Elektrische voorstoelverwarming (p. 139),
linkerkant
Maximale ontwaseming (p. 142)
Ventilator (p. 140)
Luchtverdeling (p. 136) - ventilatie vloer
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
138
en kan voor de bestuurders- en passagierszijde
apart worden ingesteld.
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming (p. 114)
Elektrische voorstoelverwarming (p. 139),
rechterkant
Temperatuurregeling (p. 141), rechts
Recirculatie (p. 143)
AUTO - Automatische klimaatregeling
(p. 141)
AC - Airconditioning aan/uit (p. 142)
Met de autofunctie worden temperatuur, airconditioning, ventilatorsnelheid, recirculatie en luchtverdeling automatisch geregeld.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 132)
KLIMAAT
Elektrisch verwarmde voorstoelen*
De verwarming van de voorstoelen heeft drie
standen om het zitcomfort voor bestuurder en
voorpassagier bij kou te verhogen.
Er zijn drie verwarmingsniveaus met elk hun
eigen vermogen:
•
Hoogste verwarmingsniveau - er branden
drie oranje velden op het middendisplay (zie
bovenstaande afbeelding).
•
Lagere verwarmingsniveau - er branden twee
oranje velden op het display.
•
Laagste verwarmingsniveau - er brandt één
oranje veld op het display.
•
Verwarming uitschakelen - geen van de
velden brandt.
Het systeem is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 132)
•
Elektrisch verwarmde achterbank* (p. 140)
WAARSCHUWING
Het middendisplay geeft het actuele verwarmingsniveau
aan.
Tik herhaalde malen op de
knop om van niveau te wisselen
of om de functie uit te schakelen.
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed
kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt
of die om een andere reden moeilijkheden
hebben om de elektrisch verwarmde stoel te
bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan.
Automatische
bestuurdersstoelverwarming
Bij activering van de automatische bestuurdersstoelverwarming wordt de bestuurdersstoel na
het starten van de motor automatisch maximaal
verwarmd.
Bij een omgevingstemperatuur onder
zo'n +10 °C en een koude auto vindt automatische inschakeling plaats.
* Optie/accessoire. 139
KLIMAAT
Elektrisch verwarmde achterbank*
•
De verwarming voor de buitenste plaatsen van
de achterbank1 heeft drie standen om het comfort voor passagiers te verhogen als het koud is.
Verwarming uitschakelen - geen van de
lampjes brandt.
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed
kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt
of die om een andere reden moeilijkheden
hebben om de elektrisch verwarmde stoel te
bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan.
Ventilator
Houd de ventilator altijd geactiveerd om te voorkomen dat de ruiten beslaan.
N.B.
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet – wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
Ventilatorknop
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of te
verlagen. Als AUTO wordt
gekozen, wordt de ventilatorsnelheid automatisch (p. 141)
geregeld. De eerder ingestelde
ventilatorsnelheid wordt
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 132)
•
Elektrisch verwarmde voorstoelen* (p. 139)
De lampjes in de drukknoppen geven het actuele verwarmingsniveau aan.
Tik herhaalde malen op de knop om van niveau
te wisselen of om de functie uit te schakelen.
Er zijn drie verwarmingsniveaus met elk hun
eigen vermogen:
•
Hoogste verwarmingsniveau - er branden
drie lampjes.
•
Lagere verwarmingsniveau - er branden twee
lampjes.
•
Laagste verwarmingsniveau - er brandt één
lampje.
1
140
gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 132)
•
Elektronische klimaatregeling, ECC (p. 138)
De elektrisch verwarmde achterbank vervalt als u kiest voor de geïntegreerde zittingverhoger met twee standen (p. 56).
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Automatische regeling
De autofunctie regelt automatisch temperatuur
(p. 141), airconditioning (p. 142), ventilatorsnelheid (p. 140), recirculatie (p. 143) en luchtverdeling (p. 136).
Als u een of meer handmatige
functies selecteert, worden de
overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Alle
handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u
op de knop AUTO drukt. Op
het display verschijnt AUTO-KLIMAAT.
Temperatuurregeling
passagiersruimte
Bij het starten van de motor wordt de laatst verrichte temperatuurinstelling hervat.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 132)
•
•
Werkelijke temperatuur (p. 133)
Elektronische klimaatregeling, ECC (p. 138)
Het is niet mogelijk om het opwarmen/afkoelen te versnellen door een hogere/lagere
temperatuur te kiezen dan die eigenlijk
gewenst is.
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische
stand instellen in het menusysteem MY CAR.
Voor een beschrijving van het menusysteem, zie
MY CAR (p. 121).
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 132)
De actuele temperatuur voor beide zones staat aangegeven op het display van de middenconsole.
Met deze knop kunt u de temperatuur aan de bestuurdersen passagierszijde onafhankelijk van elkaar instellen.
141
KLIMAAT
Airconditioning
Voorruit ontwasemen en ontdooien
De airconditioning koelt en droogt zo nodig de
binnenkomende lucht.
U kunt de maximale ontwaseming gebruiken om
de vooruit en zijruiten snel te ontwasemen en
ontdooien.
In de rijstand (p. 278) PURE is
AC voorgeprogrammeerd om
niet te starten.
Er stroomt lucht naar de ruiten.
Het lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de
functie is ingeschakeld.
Wanneer het lampje in de knop
AC brandt, wordt de airconditioning geheel automatisch
geregeld.
Wanneer het lampje in de knop AC gedoofd is, is
de airconditioning uitgeschakeld. De overige
functies worden nog steeds automatisch geregeld. Bij activering van de maximale ontwaseming
(p. 142) wordt automatisch de airconditioning
ingeschakeld, zodat de lucht optimaal gedroogd
wordt.
Als de functie actief is, vindt bovendien het volgende plaats om de lucht in de passagiersruimte
zoveel mogelijk van vocht te ontdoen:
•
de airconditioning wordt automatisch ingeschakeld
•
de recirculatie en het Interior Air Quality System worden automatisch uitgeschakeld.
N.B.
De ventilator maakt meer geluid wanneer de
ventilator op maximale snelheid draait.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat
de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
Activering van de ontwaseming in de rijmodus
PURE kan ertoe leiden dat de verbrandingsmotor
aanslaat en de auto overschakelt op de rijmodus
(p. 278) HYBRID.
142
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 132)
KLIMAAT
Luchtverdeling - recirculatie
Kies voor recirculatie als u vieze luchtjes, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden. Er komt
met andere woorden geen lucht van buiten de
auto in, wanneer deze functie actief is.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 132)
•
•
Luchtverdeling passagiersruimte (p. 136)
Luchtverdeling - tabel (p. 144)
Wanneer de recirculatie actief
is, brandt het oranje lampje in
de knop.
BELANGRIJK
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
beslaat mogelijk de binnenzijde van de ruiten.
Timer
Bij een geactiveerde timer zal de klimaatregeling
afhankelijk van de buitentemperatuur na een
bepaalde tijd de handmatig geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit beperkt het risico van ijs,
beslagen ruiten en een slechte luchtkwaliteit.
Het systeem is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
N.B.
Wanneer u voor maximale ontwaseming kiest,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
143
KLIMAAT
Luchtverdeling - tabel
Met drie knoppen kiest u de gewenste luchtverdeling (p. 136).
144
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden. De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning is altijd ingeschakeld.
om snel te ontdooien en te ontwasemen.
Lucht naar de voorruit, via de blaasmond voor ontwaseming, en de zijruiten.
Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
Om condens- of ijsvorming bij koud en vochtig weer te
voorkomen (hiervoor mag het ventilatorniveau niet te laag
zijn).
Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden in het dashboard.
om een comfortabel klimaat te verkrijgen bij warm en
droog weer.
Luchtstroom op hoofd- en borsthoogte uit de blaasmonden in het dashboard.
om een efficiënte koeling te verkrijgen bij warm weer.
KLIMAAT
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit
de blaasmonden in het dashboard.
om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming
te verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de vloer en uit de blaasmonden in het dashboard.
bij zonnig weer en matige buitentemperaturen.
Lucht naar de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard en op de ruiten.
om warme of koude lucht naar de vloer te sturen.
Luchtstroom naar de ruiten, uit de blaasmonden in het dashboard en naar
de vloer.
om koele lucht naar de vloer te sturen bij warm en droog
weer of warme lucht naar de rest van het lichaam bij koud
weer.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 132)
•
Luchtverdeling - recirculatie (p. 143)
145
KLIMAAT
Algemeen over preconditioning
N.B.
Met de preconditioning kunt u het interieurklimaat van de auto regelen (conditioneren) voordat u wegrijdt, zowel bij warm als koud weer.
De compressor kan actief zijn en de hybrideaccu koelen, ook als koelen van het interieur
niet is geselecteerd of niet nodig is. De compressor maakt geluid.
De preconditioning maakt zo nodig gebruik van
een verwarming op brandstof of stroom in combinatie met het AC van de auto:
•
Bij koud weer verwarmt de verwarming op
brandstof de motor en het interieur – de verwarming op stroom zorgt alleen voor interieurverwarming vóór het wegrijden.
•
Bij warm weer zorgt de airconditioning voor
koeling van het interieur.
Preconditioning van de auto beperkt de slijtage.
In warme weersomstandigheden kan er bij
gebruik van de preconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan ter hoogte van de airconditioning. Dit is volkomen normaal.
N.B.
Bij preconditioning van het interieur gaat het
erom de auto te verwarmen tot een behaaglijke temperatuur te brengen en tot de op de
klimaatregeling ingestelde temperatuur.
2 Bij
146
N.B.
Houd de portieren en ruiten van de auto dicht
bij het gebruik van de preconditioning.
Alternatief voor preconditioning
Preconditioning van de auto is mogelijk ongeacht
de vraag of deze wel of niet is aangesloten
(p. 317) * op het stroomnet.
Wanneer de auto is aangesloten op het
stroomnet2
• De verwarming/koeling kan tot 50 minuten
actief zijn.
•
Tijdens de preconditioning kan het verwarmen van de stoel en het stuurwiel worden
geactiveerd.
binnen parkeren (p. 147)
Wanneer de auto niet is aangesloten op het
stroomnet*
• De verwarming kan tot 50 minuten actief zijn.
buiten parkeren (p. 147).
•
U hebt de keuze uit:
•
•
Aansluiting op stroomnet
Activering van de preconditioning is daarna als
volgt mogelijk:
•
direct (p. 148) via het bestuurdersdisplay, de
transpondersleutel* of een mobiele app*
•
via een timer (p. 150).
Er vindt 2–3 minuten lang koeling plaats.
De verwarming op stroom en het AC-systeem
betrekken tijdens preconditioning stroom van de
hybride-accu. Als de auto niet op het stroomnet
is aangesloten, geldt daarom een minder grote
actieradius.
N.B.
Volvo adviseert u om de preconditioning via
de timerfunctie te activeren en de auto op het
elektriciteitsnet aangesloten te laten zitten.
gebruik van een laadpaal met een timer werkt de preconditioning mogelijk niet.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Preconditioning - binnen parkeren
Met de keuze Binn. parkeren wordt de verwarming op stroom geactiveerd tijdens preconditioning (p. 146).
Bij activering van de optie Binn.
parkeren wordt de verwarming op
brandstof niet ingeschakeld tijdens de
preconditioning. Deze verwarmingsoptie levert een iets lager vermogen op dan de
optie Buiten park. bij buitentemperaturen lager
dan 5 °C.
3.
4.
Ga in het volgende menu naar Binn.
parkeren en bevestig uw keuze met OK.
6.
Ga terug in het menu met RESET.
7.
Geef aan of de stoel- en
wel of niet moet worden geactiveerd. Scrol
met het duimwiel naar
en maak een
keuze met OK.
8.
Scrol met het duimwiel naar
Bestuurdersstoel of Passagiersstoel en
maak een keuze met de OK-knop, als ze
moeten worden geactiveerd4 tijdens de preconditioning.
9.
Verlaat het menu met RESET.
WAARSCHUWING
Gebruik de verwarming op brandstof niet in
binnen in ongeventileerde ruimten. Er komen
uitlaatgassen vrij.
1.
2.
3
4
Druk op de OK-knop om het menu te openen.
Ga met het duimwiel naar
Voorconditionering en maak een keuze
met OK.
Is echter Buiten park. gekozen, dan wordt
het bijbehorende symbool (p. 147) getoond.
Scrol met het duimwiel naar het symbool en
maak een keuze met OK.
5.
N.B.
De auto moet op het stroomnet zijn aangesloten, voordat u de elektrische verwarming kunt
activeren.
Als de instelling Binn. parkeren al verricht is
staat het bijbehorende symbool op het display. Ga in dat geval verder naar punt 7.
stuurverwarming3
Gerelateerde informatie
•
•
Preconditioning - buiten parkeren
Wanneer u voor Buiten park. kiest, wordt zowel
de verwarming5 op stroom als die op brandstof
geactiveerd tijdens de preconditioning (p. 146).
Wanneer u voor Buiten park. kiest, is
het tijdens de preconditioning mogelijk
dat zowel de verwarming op stroom als
die op brandstof wordt geactiveerd.
WAARSCHUWING
Gebruik de verwarming op brandstof niet in
binnen in ongeventileerde ruimten. Er komen
uitlaatgassen vrij.
N.B.
De auto kan ook worden gestart en verreden
als de verwarming op brandstof actief is.
1.
Druk op de OK-knop om het menu te openen.
2.
Ga met het duimwiel naar
Voorconditionering en maak een keuze
met OK.
3.
Als de instelling Buiten park. al verricht is
staat het bijbehorende symbool op het display. Ga in dat geval verder naar punt 7.
Preconditioning - direct inschakelen (p. 148)
Preconditioning - direct uitschakelen
(p. 149)
Activering van de stoel- en stuurverwarming is alleen mogelijk, wanneer de auto is aangesloten op het stroomnet.
Vink voor activering het vakje aan.
}}
147
KLIMAAT
||
4.
Is echter Binn. parkeren gekozen, dan
wordt het bijbehorende symbool (p. 147)
getoond. Scrol met het duimwiel naar het
symbool en maak een keuze met OK.
5.
Ga in het volgende menu naar Buiten park.
en bevestig uw keuze met OK.
6.
Ga terug in het menu met RESET.
7.
Geef aan of de stoel- en stuurverwarming6
wel of niet moet worden geactiveerd. Scrol
en maak een
met het duimwiel naar
keuze met OK.
8.
9.
Scrol met het duimwiel naar
Bestuurdersstoel of Passagiersstoel en
maak een keuze met de OK-knop, als ze
moeten worden geactiveerd6 tijdens de preconditioning.
Verlaat het menu met RESET.
Gerelateerde informatie
•
•
5
6
148
Preconditioning - direct inschakelen
Directe start is mogelijk via:
•
•
•
het informatiedisplay
een transpondersleutel*
een mobiele telefoon*.
N.B.
Volvo adviseert u om voor directe start van de
preconditioning dit via de transpondersleutel
of de mobiele telefoon te doen.
Controlelampje op transpondersleutel met PCC*.
Directe start via informatiedisplay
1.
Druk op de OK-knop om het menu te openen.
2.
Ga met het duimwiel naar
Voorconditionering en maak een keuze
met OK.
3.
Ga in het volgende menu naar Directe start
om de preconditioning te activeren en bevestig uw keuze met OK.
4.
Verlaat het menu met RESET.
Preconditioning - direct inschakelen (p. 148)
Preconditioning - direct uitschakelen
(p. 149)
Directe start via transpondersleutel*
De preconditioning van de auto is direct in te
schakelen.
De verwarming op brandstof wordt niet ingeschakeld bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C.
Activering van de stoel- en stuurverwarming is alleen mogelijk, wanneer de auto is aangesloten op het stroomnet.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Activering van de preconditioning via de transpondersleutel is als volgt mogelijk:
–
Druk de knop voor de Approach-verlichting
2 seconden lang in.
De alarmlichten geven de volgende informatie:
•
5 korte lichtsignalen gevolgd door
zo'n 3 seconden lang branden - verzoek
tot inschakeling ontvangen en preconditioning geactiveerd.
•
5 korte signalen - de auto heeft een verzoek tot inschakeling ontvangen maar de
preconditioning is niet geactiveerd.
•
Alarmlichten lichten niet op - de auto
heeft geen verzoek tot inschakeling ontvangen.
indrukt terwijl de preconAls u de info-knop
ditioning actief is, wordt bij het weergeven van de
vergrendelingsstatus (p. 176) van de auto ook
de status van de preconditioning getoond. Gedurende de tijd die nodig is om de status na te
gaan geeft het controlelampje enkele malen een
kort knippersignaal. Het lampje gaat continu
branden, als de preconditioning actief is.
Directe start via app*
Voor activering en voor informatie over de gekozen instellingen wordt u verwezen naar de Volvo
On Call*-app.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Preconditioning - direct
uitschakelen
De preconditioning van de auto is direct uit te
schakelen via het informatiedisplay.
1.
Druk op de OK-knop om het menu te openen.
2.
Ga met het duimwiel naar
Voorconditionering en maak een keuze
met OK.
3.
Ga in het volgende menu naar Stop om de
preconditioning te deactiveren en bevestig
uw keuze met OK.
4.
Verlaat het menu met RESET.
Preconditioning - timers (p. 150)
Preconditioning - direct uitschakelen
(p. 149)
Preconditioning - meldingen (p. 152)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Preconditioning - direct inschakelen (p. 148)
Preconditioning - timers (p. 150)
Preconditioning - meldingen (p. 152)
De status van de preconditioning staat ook op de
boordcomputer.
* Optie/accessoire. 149
KLIMAAT
Preconditioning - timers
Timers - instellen
9.
De timers van de preconditioning (p. 146) zijn
gekoppeld aan de klok in de auto.
U kunt twee verschillende uitschakeltijden instellen met de timerfunctie. Met de uitschakeltijd
wordt het tijdstip bedoeld dat de auto op temperatuur moet zijn, omdat u die wenst te gebruiken.
10. Kies de andere timer (ga verder vanaf punt
2) of verlaat het menu met RESET.
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de auto
op temperatuur moet zijn, omdat u die wenst te
gebruiken.
U kunt twee verschillende uitschakeltijden instellen met de timerfunctie (p. 150). De elektronica
van de auto rekent aan de hand van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de verwarming moet
worden ingeschakeld.
N.B.
Als de klok van de auto wordt verzet, wordt
een eventuele programmering van de timer
gewist.
Gerelateerde informatie
•
•
7
150
Timers - starten (p. 151)
N.B.
Als de klok van de auto wordt verzet, wordt
een eventuele programmering van de timer
gewist.
1.
Druk op de OK-knop om het menu te openen.
2.
Ga met het duimwiel (p. 119) naar
Voorconditionering en maak een keuze
met OK.
3.
Kies een van de beide timers met het duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
4.
Druk kort op OK zodat de uuraanduiding
gaat branden.
5.
Stel de gewenste uuraanduiding in met het
duimwiel.
6.
Druk kort op OK zodat de minuutaanduiding
gaat branden.
7.
Stel de gewenste minuutaanduiding in met
het duimwiel.
8.
Druk op OK7 om de instelling te bevestigen.
Timer - uitschakelen (p. 151)
Bij opnieuw indrukken van OK activeert u de timer.
Met RESET gaat u een stap terug binnen
het menusysteem.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Preconditioning - timers (p. 150)
Timers - starten (p. 151)
Timer - uitschakelen (p. 151)
KLIMAAT
Timers - starten
Timer - uitschakelen
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de auto
op temperatuur moet zijn, omdat u die wenst te
gebruiken.
U kunt de timer, voor de preconditioning, handmatig uitschakelen.
Na inschakeling van de timers rekent de elektronica van de auto aan de hand van de buitentemperatuur zelf uit, wanneer de verwarming moet
worden ingeschakeld.
1.
Druk op de OK-knop om het menu te openen.
2.
Ga met het duimwiel naar
Voorconditionering en maak een keuze
met OK.
3.
Kies een van de beide timers met het duimwiel en activeer deze met OK.
4.
Druk op de OK-knop om het menu te openen.
2.
Ga met het duimwiel naar
Voorconditionering en maak een keuze
met OK.
> Als een timer ingesteld is, staat er een
kloksymbool naast de ingestelde tijd.
3.
Kies een van de beide timers met het duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
4.
Schakel de timer als volgt uit:
•
•
Verlaat het menu met RESET.
Een timer is ook te starten via de Volvo On Call*app.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
1.
Preconditioning - timers (p. 150)
Timers - instellen (p. 150)
Timer - uitschakelen (p. 151)
Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 119)
5.
druk lang op OK of
kort op OK om verder te gaan in het
menu. Kies daarna voor uitschakeling van
de timer en bevestig uw keuze met OK.
Verlaat het menu met RESET.
Een voor de preconditioning geactiveerde timer is
ook uit te schakelen (p. 149) .
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Preconditioning - timers (p. 150)
Timers - starten (p. 151)
Timers - instellen (p. 150)
Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 119)
* Optie/accessoire. 151
KLIMAAT
Preconditioning - meldingen
Wanneer een van de timers geactiveerd is, brandt
het symbool voor een geactiveerde timer op het
display met de ingestelde tijd ernaast.
Symbolen en meldingen met betrekking tot de
preconditioning (p. 146).
Wanneer de verwarming op brandstof
ingeschakeld is, brandt het verwarmingssymbool op het informatiedisplay.
Symbool
In de onderstaande tabel staan de voorkomende
symbolen en displaymeldingen.
Symbool op het display voor een geactiveerde timer.
Display
Betekenis
Autom. verw. AAN
De verwarming op brandstof is ingeschakeld en werkt.
Verwarmingstimer geactiveerd bij uitnemen transpondersleutel en verlaten van de auto – motor en passagiersruimte warm op ingesteld tijdstip.
Brandstofkachel gestopt
Zuinige stand
De verwarming op brandstof werd uitgeschakeld om te zorgen dat er voldoende stroom is om de motor te starten.
De ladingstoestand van de startaccu is te gering.
152
Brandstofkachel gestopt
Brandstofpeil laag
De verwarming op brandstof is uitgeschakeld.
Brandstofkachel Service
vereist
De verwarming op brandstof werkt niet of slechts in beperkte mate.
De verwarming kan niet worden ingeschakeld door een te laag brandstofpeil – dit om het mogelijk te maken
de motor te starten en nog ca. 50 km te rijden.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
KLIMAAT
Symbool
Display
Betekenis
Voorconditionering onderbroken door wijziging voeding
De verwarming op stroom of de airconditioning is uitgeschakeld.
Voorconditionering gestopt
wegens storing
De verwarming op stroom of de airconditioning is uitgeschakeld.
Voorconditionering gestopt
Temperatuur hybride accu
hoog
De verwarming op stroom of de airconditioning is uitgeschakeld.
De voeding is verbroken.
Bezoek een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende werkplaats.
De hybride-accu is te warm. Wacht totdat de temperatuur weer normaal is.
Een displaymelding verdwijnt automatisch na
enige tijd. U kunt een melding ook eerder laten
verdwijnen met een druk op de OK-knop van de
richtingaanwijzerhendel (p. 119).
Gerelateerde informatie
•
Meldingen - functies (p. 121)
153
KLIMAAT
Algemene informatie over
verwarmingen
De auto is uitgerust met een verwarming op
stroom en één op brandstof. Om de milieu-effecten van motorstarts te beperken moet de motor
op temperatuur worden gehouden. De verwarmingen dienen om de motor op temperatuur te
krijgen of het interieur voldoende te kunnen verwarmen.
•
•
Verwarming op stroom
Verwarming op brandstof
De auto is uitgerust met een verwarming op
stroom en een verwarming op brandstof
(p. 154).
De auto is uitgerust met een verwarming op
stroom (p. 154) en op brandstof.
De verwarming is niet handmatig in te schakelen,
maar wordt zo nodig automatisch geactiveerd.
N.B.
Bij activering van de verwarming op stroom
wordt de laadtijd van de hybride-accu verlengd. Hoeveel tijd de voorverwarming van de
auto vergt hangt voornamelijk af van de buitentemperatuur.
Verwarming op stroom (p. 154)
Verwarming op brandstof (p. 154)
Gerelateerde informatie
•
•
Algemeen over preconditioning (p. 146)
Algemene informatie over verwarmingen
(p. 154)
Bij koud weer slaat tijdens de voorverwarming
mogelijk de verwarming op brandstof aan. De verwarming slaat automatisch aan, wanneer er extra
verwarming nodig is en wordt automatisch uitgeschakeld als de verwarming niet nodig is.
N.B.
Bij gebruik van de verwarming op brandstof
komen er mogelijk uitlaatgassen vrij uit de
rechter wielkast, wat volkomen normaal is.
Activeer Binn. parkeren, zie Preconditioning binnen parkeren (p. 147), wanneer u wilt voorkomen dat de verwarming op brandstof wordt ingeschakeld tijdens de preconditioning. Dit kan echter een langere voorverwarmingstijd inhouden.
Bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C
wordt de verwarming op brandstof niet geactiveerd tijdens het rijden of tijdens de preconditioning. De verwarming werkt maximaal 50 minuten
achtereen tijdens preconditioning.
Bij een te laag brandstofpeil in de tank wordt
inschakeling van de verwarming op brandstof
wellicht geblokkeerd met onvoldoende verwarming als mogelijk gevolg.
154
KLIMAAT
N.B.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan vlam vatten. Schakel
voordat u gaat tanken de verwarming op
brandstof uit.
Let op dat er bij rijden bij temperaturen lager
dan +15 °C voldoende brandstof in de
gewone brandstoftank van de auto zit.
Controleer op het instrumentenpaneel of de
verwarming is uitgeschakeld; wanneer deze
werkt, verschijnt het verwarmingssymbool.
WAARSCHUWING
Gebruik de verwarming op brandstof niet in
binnen in ongeventileerde ruimten. Er komen
uitlaatgassen vrij.
Tanken
De automatische startprocedure van de verwarming op brandstof kan desgewenst worden
geannuleerd.
N.B.
Als de verwarming op brandstof gedeactiveerd wordt, zal de dieselmotor vaker starten
om aan de warmtebehoefte in de rijstand
PURE of HYBRID te voldoen, d.w.z. de elektrische aandrijving zal worden beperkt.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert,
moet u ervoor zorgen dat de voorkant van de
auto omlaagwijst. Zo krijgt de verwarming op
brandstof altijd voldoende brandstof.
Startaccu en brandstof
Als de startaccu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de verwarming
automatisch uitgeschakeld en verschijnt er een
melding op het instrumentenpaneel. Bevestig
deze melding door op de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel (p. 119) te drukken.
Gerelateerde informatie
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
Verwarming op brandstof - AUTOstand/deactiveren
•
•
Algemeen over preconditioning (p. 146)
Algemene informatie over verwarmingen
(p. 154)
1.
Druk op de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel (p. 119) om het menu te openen.
2.
Ga met het duimwiel naar Instellingen en
maak een keuze met OK.
3.
Kies een van opties Autom. verw. AAN of
Autom. verw. UIT met het duimwiel en
bevestig uw keuze met OK.
4.
Verlaat het menu met RESET.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Algemeen over preconditioning (p. 146)
Algemene informatie over verwarmingen
(p. 154)
Verwarming op brandstof (p. 154)
155
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Opbergmogelijkheden
Overzicht van opbergmogelijkheden in passagiersruimte
158
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Opbergvak in portierpaneel
Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje (p. 160)
Opbergvak
Opbergvakken, bekerhouder (p. 160)
Bekerhouder* in armsteun, achterbank
Opbergvak
WAARSCHUWING
Bewaar losse voorwerpen, zoals een mobiele
telefoon, camera, afstandsbediening voor
extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of
andere opbergruimten. Bij krachtig afremmen
of een botsing kunnen deze anders inzittenden verwonden.
* Optie/accessoire. 159
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Middenconsole
De middenconsole zit tussen de voorstoelen.
Middenconsole - aansteker en
asbak*
Dashboardkastje
Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde.
In bekerhouder onder de middenarmsteun zit
een uitneembare asbak. De aansteker zit in de
12V-aansluiting (p. 161) voor de voorpassagiers.
De asbak in de middenconsole (p. 160) is te verwijderen door deze recht omhoog te tillen.
U activeert de aansteker door de knop in te drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg is, veert
de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit
de opening en gebruik het roodgloeiende deel
om bijvoorbeeld een sigaret mee aan te steken.
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd's) en USB*/
AUX-ingang onder de armsteun.
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder
en een voorpassagier. Als u voor een asbak
en aansteker (p. 160) hebt gekozen, zit er
een aansteker op de plaats van de 12V-aansluiting (p. 161) voorin en een uitneembare
asbak in de bekerhouder.
Gerelateerde informatie
•
Opbergmogelijkheden (p. 158)
Hier kunt u bijvoorbeeld de gebruikershandleiding en eventuele kaarten in opbergen. Aan de
binnenkant van de klep zit een houder voor pennen. Het dashboardkastje is te vergrendelen*
(p. 189) met het sleutelblad (p. 178).
Gerelateerde informatie
•
Opbergmogelijkheden (p. 158)
Gerelateerde informatie
•
•
160
Opbergmogelijkheden (p. 158)
Middenconsole - aansteker en asbak*
(p. 160)
* Optie/accessoire.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Inlegmatten*
Make-upspiegel
Middenconsole - 12V-aansluiting
De inlegmatten vangen bijvoorbeeld vuil en natte
sneeuw op. Volvo biedt inlegmatten die speciaal
vervaardigd zijn.
De make-upspiegel zit aan de achterkant van de
zonneklep.
De elektrische aansluitingen (12 V) vindt u naast
de bekerhouder1 en achter in de middenconsole.
WAARSCHUWING
Gebruik voor alle zitplaatsen slechts één
inlegmat tegelijk en controleer alvorens weg
te rijden of de mat voor de bestuurdersstoel
goed in de bevestigingsklemmen op de vloer
vastzit om te voorkomen dat deze kan gaan
glijden en achter of onder de pedalen blijft
haken.
Gerelateerde informatie
•
Interieur reinigen (p. 412)
Make-upspiegel met verlichting.
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u het
klepje optilt.
12V-aansluiting in middenconsole, voorin.
Gerelateerde informatie
•
1
Lamp vervangen - verlichting make-upspiegel (p. 386)
Bij specificatie van een asbak en aansteker vervallen de bekerhouders en de 12V-aansluiting ernaast.
}}
* Optie/accessoire. 161
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
||
N.B.
Extra uitrusting en accessoires – zoals beeldschermen, mediaspelers en mobiele telefoons
– die zijn aangesloten op een van de 12Vaansluitingen in de passagiersruimte worden
mogelijk geactiveerd door de klimaatregeling,
ook al is de transpondersleutel uitgenomen of
de auto vergrendeld, als bijvoorbeeld de
standverwarming ingesteld is om op een
bepaalde tijd in te schakelen.
12V-aansluiting in middenconsole, achterin.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen,
mediaspelers of mobiele telefoons. De transpondersleutel moet ten minste in contactslotstand I
(p. 87) staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten, als
u deze niet gebruikt.
162
N.B.
De compressor van de noodreparatieset voor
banden (p. 356) is door Volvo getest en
goedgekeurd.
Gerelateerde informatie
•
Middenconsole - aansteker en asbak*
(p. 160)
•
12V-aansluiting - bagageruimte* (p. 165)
Trek daarom wanneer u de extra uitrusting of
accessoires niet gebruikt de stekkers uit de
elektrische aansluitingen, omdat de startaccu
anders uitgeput kan raken!
BELANGRIJK
U kunt maximaal 10 A (120 W) via de aansluiting afnemen bij gebruik van één aansluiting tegelijk. Bij gelijktijdig gebruik van de
beide aansluitingen in de tunnelconsole geldt
een waarde van 7,5 A (90 W) per aansluiting.
Als de compressor voor bandenreparatie op
een van de beide aansluitingen is aangesloten, mag er op de andere aansluiting geen
stroomverbruiker aangesloten zijn.
* Optie/accessoire.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Lading vervoeren
•
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto.
Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
•
Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen vast.
Het laadvermogen dient te worden verminderd
met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires.
Voor uitvoerige informatie over gewichten, zie
Gewichten (p. 422).
De achterklep is te openen met een
knop op het verlichtingspaneel of met
de transpondersleutel, zie Vergrendelen/ontgrendelen - achterklep (p. 190).
WAARSCHUWING
Afhankelijk van het gewicht en de positie van
de lading verandert het rijgedrag van de auto.
Aandachtspunten bij in-/uitladen
•
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning
van de achterbank.
Let erop dat het WHIPS niet door voorwerpen
mag worden gehinderd, als een of meer ruggedeelten van de achterbank zijn neergeklapt,
zieWHIPS - zithouding (p. 44).
•
•
Plaats de last in het midden.
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op neergeklapte ruggedeelten.
WAARSCHUWING
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Verankeringsogen (p. 165)
Bagagenet* (p. 166)
Lading vervoeren - lange lading (p. 164)
Lading op het dak (p. 164)
Een los voorwerp van 20 kg kan zich bij een
frontale botsing op een snelheid van 50 km/h
(30 mph) gedragen als een voorwerp van
1000 kg.
WAARSCHUWING
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding mogelijk geen bescherming meer.
•
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen en hoeken af met iets
zachts.
Zet de motor af en schakel de parkeerrem in
bij het in- en uitladen van lange voorwerpen.
Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen de
versnellingspook of keuzehendel aan komen
en zo per ongeluk een versnelling inschakelen
– de auto kan dan in beweging komen.
* Optie/accessoire. 163
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Lading vervoeren - lange lading
Lading op het dak
Om het in- en uitladen (p. 163) van de bagageruimte te vereenvoudigen, kunt u de ruggedeelten van de achterbank neerklappen. Voor het
vervoer van extra lange lading kunt u ook de rugleuning van de passagiersstoel2 omklappen*.
Voor vervoer van lading op het dak adviseren we
u de door Volvo ontwikkelde lastdragers. Dit om
schade aan de auto te voorkomen en voor maximale veiligheid tijdens het rijden.
Ruggedeelte achterbank omklappen
Voor het omklappen van de ruggedeelten van de
achterbank, zie Achterbank (p. 91).
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 163)
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
•
Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading stevig vast met sjorbanden.
•
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig
over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop.
•
Naarmate u meer lading op het dak vervoert,
vangt de auto meer wind en neemt het
brandstofverbruik toe.
•
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de auto.
Voor informatie over de maximale dakbelasting, inclusief lastdragers en een eventuele
dakbox, zie Gewichten (p. 422).
2
164
Geldt alleen voor stoelen type comfort.
* Optie/accessoire.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Verankeringsogen
12V-aansluiting - bagageruimte*
De inklapbare verankeringsogen in de bagageruimte gebruikt u om bagagebanden aan vast te
zetten.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen,
mediaspelers of mobiele telefoons.
N.B.
Denk eraan dat als de elektrische aansluiting
word gebruikt als de motor uit is, de startaccu
van de auto kan ontladen.
N.B.
De compressor van de noodreparatieset voor
banden is door Volvo getest en goedgekeurd.
Voor informatie over het gebruik van de aanbevolen noodreparatieset voor banden (TMK)
van Volvo, zie Noodreparatieset voor banden
(p. 356).
Gerelateerde informatie
•
WAARSCHUWING
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die
liggen of uitsteken kunnen bij krachtig afremmen letsel veroorzaken.
Zet grote en zware voorwerpen altijd met de
veiligheidsgordel of een spanband vast.
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 163)
Middenconsole - 12V-aansluiting (p. 161)
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting
te komen.
•
Via de aansluiting is ook stroom af te nemen,
wanneer de transpondersleutel niet in het
contactslot steekt.
BELANGRIJK
Max. 10 A (120 W).
* Optie/accessoire. 165
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Bagagenet*3
Een bagagenet voorkomt dat bagage in de
bagageruimte bij krachtig afremmen de passagiersruimte in worden geslingerd.
Aanbrengen
WAARSCHUWING
2.
Lading in de bagageruimte moet goed worden vastgezet, ook met een correct gemonteerd veiligheidsnet.
Haak de ene bevestigingshaak van het net
vast aan de achterste plafondbevestiging.
Haak de andere bevestigingshaak van het
net vast aan de plafondbevestiging aan de
tegenoverliggende zijde.
Montage achterin
1. Vouw het bagagenet open. Zorg dat de
opbergvakken van het bagagenet aan de
achterkant zitten.
Let erop dat u de bevestigingshaken van het
net in de voorste eindstand van de beide plafondbevestigingen duwt.
U moet het veiligheidsnet, uit voorzorg, altijd op
de juiste manier bevestigen en verankeren.
Het net is gemaakt van stevig nylonmateriaal en
kan op twee verschillende plaatsen in de auto
worden bevestigd:
•
Montage achterin – achter het ruggedeelte
van de achterbank
•
Montage voorin – achter de rugleuning van
de voorstoelen.
3
166
3.
Steek aan weerszijden de haak in het verankeringsoog en span de ratelsluiting op door
de borgtong in te drukken en de band aan te
halen.
Standaard op bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Montage voorin
1. Vouw het bagagenet open. Zorg dat de
opbergvakken van het bagagenet aan de
achterkant zitten.
2.
Zet de stoelen zo ver mogelijk naar voren.
3.
Haak de ene bevestigingshaak van het net
vast aan de voorste plafondbevestiging.
Gerelateerde informatie
•
•
Lading vervoeren (p. 163)
Veiligheidsrek* (p. 167)
Veiligheidsrek*
Een veiligheidsrek voorkomt dat bagage of huisdieren in de bagageruimte bij krachtig afremmen
de passagiersruimte in worden geslingerd.
Haak de andere bevestigingshaak van het
net vast aan de plafondbevestiging aan de
tegenoverliggende zijde.
Let erop dat u de bevestigingshaken van het
net in de voorste eindstand van de beide plafondbevestigingen duwt.
Opklappen
Pak het veiligheidsrek helemaal onderaan beet
en trek het naar achteren/omhoog.
BELANGRIJK
Het veiligheidsrek is niet op of neer te klappen, wanneer een bagageafdekking gemonteerd is.
4.
Steek aan weerszijden de haak in het oog
van de stoelrail en span de ratelsluiting op
door de borgtong in te drukken en de band
aan te halen.
Monteren/demonteren
Normaal laat u het veiligheidsrek gemonteerd in
de auto zitten, omdat het eenvoudig tegen het
plafond op te klappen is en zo niet in de weg zit
als u de bagageruimte wenst te verlengen. U
}}
* Optie/accessoire. 167
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
||
kunt het veiligheidsrek desgewenst demonteren
en uit de auto nemen.
Bagagerolhoes*4
Voor informatie over het vereiste gereedschappen en de te volgen methode bij montage/
demontage, zie de montagevoorschriften die bij
aankoop bijgeleverd werden.
Duw beide kanten vast. De rolhoes moet
hoorbaar vastklikken en de rode markering
moet verdwijnen.
> Controleer of beide eindstukken vergrendeld zijn.
Bagagerolhoes verwijderen
Bij het terugplaatsen moet u het veiligheidsrek,
uit voorzorg, altijd op de juiste manier bevestigen
en verankeren.
1.
Duw op de knop van het ene eindstuk en til
het uit de holte.
2.
Kantel de rolhoes voorzichtig omhoog en
naar buiten, zodat het andere eindstuk automatisch loskomt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bagagenet* (p. 166)
Lading vervoeren (p. 163)
Verankeringsogen (p. 165)
Trek de bagagerolhoes over de lading heen uit
en haak de hoes vast in de uitsparingen die bij de
achterste stijlen van de bagageruimte zitten.
BELANGRIJK
Het veiligheidsrek is niet op of neer te klappen, wanneer de bagageafdekking gemonteerd is.
Bagagerolhoes bevestigen
Achterste dekplaat bagagerolhoes
omlaagklappen
Bij een opgerolde bagagerolhoes steekt de dekplaat achter aan de rolhoes horizontaal iets uit in
de bagageruimte.
–
Trek de dekplaat voorzichtig naar achteren
van de consoles af en klap de plaat omlaag.
Gerelateerde informatie
•
•
Lading vervoeren (p. 163)
Lading vervoeren - lange lading (p. 164)
Breng het ene eindstuk van de rolhoes aan
in de holte van het zijpaneel.
Breng het andere eindstuk van de rolhoes
aan in de tegenoverliggende holte.
4
168
Standaard op bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel
U gebruikt de transpondersleutel voor onder
meer vergrendelen/ontgrendelen en het starten
van de motor.
Er zijn twee transpondersleutelvarianten: een
transpondersleutel in basisuitvoering en een
transpondersleutel met PCC (Personal Car
Communicator)*.
Functies
Vergrendelen/ontgrendelen en afneembaar
sleutelblad
A
B
BasisA
met
PCCB
X
X
Passieve vergrendeling/
ontgrendeling
X
Keyless start
X
Info-knop en controlelampjes
X
Alle transpondersleutel zijn voorzien van een
afneembaar sleutelblad (p. 177) van metaal. Het
zichtbare deel bestaat in twee uitvoeringen om
de transponders van elkaar te kunnen onderscheiden.
Er zijn meer transpondersleutels bij te stellen,
maar alleen in de varianten die bij de auto geleverd werden. Voor dezelfde auto kunnen tot zes
sleutels worden geprogrammeerd en gebruikt.
Bij de auto worden twee transpondersleutels
geleverd.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn:
Denk eraan altijd de stroom naar de elektrisch
bedienbare ramen en het dakluik te onderbreken door de transpondersleutel eruit te halen
wanneer de bestuurder de auto verlaat.
Transpondersleutel - verlies
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u een
nieuwe bestellen bij een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Neem de resterende transpondersleutels mee
naar de Volvo-werkplaats. Ter voorkoming van
diefstal moet de code van de zoekgeraakte transpondersleutel uit het systeem worden gewist.
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - functies (p. 174)
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - functies (p. 174)
5-knops sleutel
6-knops sleutel
Een transpondersleutel met PCC heeft meer
functies dan een transpondersleutel in basisuitvoering, waaronder ondersteuning voor passieve
start en ontgrendeling/vergrendeling/ontgrendeling (Keyless drive (p. 182)) en enkele unieke
functies (p. 176).
170
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel personalisering*
Dankzij het sleutelgeheugen van de transpondersleutel (p. 170) zijn bepaalde instellingen van de
auto te personaliseren.
Het sleutelgeheugen is te gebruiken voor bijvoorbeeld de elektrische bedienbare* bestuurdersstoel.
Instellingen voor de buitenspiegels (p. 112),
bestuurdersstoel, stuurbekrachtiging (p. 198)
alsook de thema-, contrast- en kleurinstellingen
(p. 73) van het instrumentenpaneel zijn op te
slaan in het geheugen afhankelijk van het uitrustingsniveau van de auto.
U kunt de functie1 activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
Bij een geactiveerde functie worden de instellingen automatisch gekoppeld aan het sleutelgeheugen. Dit betekent dat een wijziging in een van
de instellingen automatisch wordt opgeslagen in
het geheugen voor de desbetreffende transpondersleutel.
Instellingen vastleggen
Doe het volgende om de instellingen op te slaan
en gebruik te maken van het sleutelgeheugen in
de transpondersleutel:
1.
ontgrendelingsknop op de transpondersleutel
indrukken. Het bestuurdersportier dient daarbij
open te staan.
WAARSCHUWING
Ontgrendel de auto met de transpondersleutel met het geheugen waarin u de instelling2
wilt opslaan.
2.
Zorg dat het sleutelgeheugen altijd geactiveerd staat in het menusysteem MY CAR.
3.
Verricht de gewenste instellingen van bijvoorbeeld de stoel en de buitenspiegels.
4.
De instellingen worden opgeslagen in het
geheugen van de actuele transpondersleutel.
De volgende keer dat u de auto ontgrendelt met
dezelfde transpondersleutel, nemen de stoel en
de buitenspiegels automatisch de standen in die
in het sleutelgeheugen opgeslagen zijn, op voorwaarde dat deze zijn gewijzigd ten opzichte van
de vorige keer dat u deze transpondersleutel
gebruikte.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt, kunt
u op een van de verstellingsknoppen of geheugenknoppen van de stoel drukken om de stoel
tot stilstand te brengen.
Beknellingsgevaar! Zorg ervoor dat kinderen
niet met de bediening spelen. Controleer of er
bij het instellen geen voorwerpen voor, achter
of onder de stoel liggen. Zorg dat geen van
de passagiers op de achterbank bekneld kan
raken.
Instellingen wijzigen
Als meerdere personen met elk hun eigen transpondersleutel naar de auto lopen, nemen bijvoorbeeld de bestuurdersstoel en de buitenspiegels
de stand in die ligt opgeslagen in de sleutel van
degene die het bestuurdersportier opent.
Als het bestuurdersportier bijvoorbeeld is
geopend door persoon A met
transpondersleutel A, maar persoon B met
transpondersleutel B zal gaan rijden, zijn de
instellingen als volgt te wijzigen:
•
Staand naast het bestuurdersportier of zittend achter het stuur drukt persoon B op de
ontgrendelingstoets van zijn transponder-
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten moet u de
1
2
Heet Sleutelgeheugen in MY CAR.
Deze instelling is niet van invloed op de instellingen die zijn opgeslagen met de geheugenfunctie voor de elektrisch bedienbare stoel.
}}
* Optie/accessoire. 171
SLOTEN EN ALARM
||
sleutel, zie Transpondersleutel - functies
(p. 174).
•
Kies een van de drie mogelijk positiegeheugens voor de stoel met de stoelknoppen 1–3,
zie Voorstoelen - elektrisch bediend* (p. 90).
•
Zet de stoel en de buitenspiegels handmatig
in de juiste stand, zie Voorstoelen - elektrisch
bediend* (p. 90) en Buitenspiegels (p. 112).
Voor auto's met Keyless start en
ontgrendeling/vergrendeling
Het sleutelgeheugen wordt in de volgende gevallen geactiveerd:
1.
De auto wordt ontgrendeld met een druk op
de ontgrendelingsknop van de transpondersleutel of via passieve ontgrendeling.
2.
Als de auto onvergrendeld staat wordt bij het
openen van het bestuurdersportier een sleutelscan verricht. Wanneer er een unieke
transpondersleutel wordt gevonden, worden
de opgeslagen instellingen ervan geactiveerd. Zie het voorgaande punt als de auto
vergrendeld staat.
Instellingen herstellen
Wanneer automatische hervergrendeling van de
auto plaatsvindt omdat deze 30 minuten onvergrendeld heeft gestaan, wordt het sleutelgeheugen gedeactiveerd en in plaats daarvan een standaardbestuurdersprofiel gehanteerd. Om in het
gegeven geval het laatst gebruikte sleutelgeheugen weer te activeren is het volgende vereist.
Voor auto's zonder Keyless start en
ontgrendeling/vergrendeling
De instellingen in het sleutelgeheugen worden
geactiveerd, wanneer u de auto ontgrendelt met
een druk op de ontgrendelingsknop van de transpondersleutel.
3
172
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel met PCC* - unieke functies (p. 176)
Vergrendelen/ontgrendelen indicatie
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel (p. 170), lichten de
richtingaanwijzers een bepaald aantal malen op
om aan te geven dat de auto op de juiste manier
vergrendeld/ontgrendeld is.
•
Vergrendelen – eenmaal oplichten en de buitenspiegels worden ingeklapt3.
•
Ontgrendelen – tweemaal oplichten en de
buitenspiegels worden uitgeklapt3.
Bij het vergrendelen gebeurt dit alleen als alle
portieren na het sluiten correct zijn vergrendeld.
Functie kiezen
In het menusysteem MY CAR van de auto zijn
verschillende opties in te stellen voor bevestiging
bij vergrendeling/ontgrendeling middels lichtsignalen. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Keyless Drive* (p. 182)
Vergrendelingsindicatie (p. 173)
Alarmindicatie* (p. 195)
Alleen auto’s met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Vergrendelingsindicatie
Elektronische startblokkering
Melding
Betekenis
Een knipperende diode bij de voorruit geeft aan
dat de auto is vergrendeld.
De elektronische startblokkering is een anti-diefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de
auto kunnen starten.
Plaats
sleutel
Storing tijdens het uitlezen van
de transpondersleutel tijdens
het starten. Sleutel uit het contactslot trekken, er weer in
drukken en een nieuwe startpoging doen.
Autosleutel niet
gevonden
Storing tijdens het uitlezen van
de transpondersleutel tijdens
het starten. Nieuwe startpoging
doen.
Elke transpondersleutel (p. 170) heeft zijn eigen,
unieke code. U kunt de auto alleen starten, wanneer u een transpondersleutel met de juiste code
gebruikt.
De onderstaande foutmeldingen op het bestuurdersdisplay houden verband met de elektronische
startblokkering:
Als de storing aanhoudt: Transpondersleutel in het contactsleutel duwen en een nieuwe
startpoging doen.
Dezelfde diode als de alarmindicatie (p. 195).
N.B.
Ook auto’s zonder alarm zijn uitgerust met
deze indicatie.
Startblokkering
Start
opnieuw
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - indicatie
(p. 172)
Storing in het startblokkeringssysteem tijdens het starten. Als
de storing aanhoudt: Neem dan
contact op met een werkplaats.
Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Voor het starten van de auto, zie Motor starten
(p. 274).
Gerelateerde informatie
•
Op afstand bediende startblokkering met
opsporingsfunctie* (p. 174)
* Optie/accessoire. 173
SLOTEN EN ALARM
Op afstand bediende
startblokkering met
opsporingsfunctie*
De op afstand bediende startblokkering met
opsporingsfunctie4 maakt het mogelijk om de
auto op te sporen en te lokaliseren alsmede op
afstand de startblokkering te activeren.
Transpondersleutel - functies
De transpondersleutel in basisuitvoering heeft
functies voor bijvoorbeeld vergrendeling en ontgrendeling van de portieren.
Functies
Neem contact op met de dichtstbijzijnde Volvodealer voor meer informatie over het systeem en
hulp bij de activering ervan.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel met PCC*( Personal Car
Communicator).
Transpondersleutel (p. 170)
Elektronische startblokkering (p. 173)
Informatie
Functietoetsen
Transpondersleutel in basisuitvoering.
Vergrendelen
Ontgrendelen
Approach-verlichting
Achterklep
Paniekfunctie
4
174
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en de achterklep en activeert het alarm.
Bij lang indrukken worden alle zijruiten en het
schuif-/kanteldak* tegelijkertijd gesloten. Voor
meer informatie, zie Doorluchtfunctie (p. 189).
WAARSCHUWING
Als schuifdak en ruiten met de transpondersleutel worden gesloten, moet u controleren
of er geen handen bekneld raken.
Alleen bepaalde markten en in combinatie met Volvo On Call*.
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren
en de achterklep en deactiveert het alarm.
seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers,
de interieurverlichting en de claxon geactiveerd.
Bij lang indrukken worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend. Voor meer informatie, zie Doorluchtfunctie (p. 189).
U kunt deze functie met dezelfde toets weer uitschakelen, als de functie minimaal 5 seconden
actief geweest is. Anders wordt deze functie na
ca. 3 minuten automatisch uitgeschakeld.
De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren is
dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal indrukken
van de knop eerst het bestuurdersportier ontgrendeld wordt en bij de tweede maal indrukken
– één en ander binnen tien seconden – de resterende portieren te ontgrendelen.
U kunt de functie wijzigen in het menusysteem
MY CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
Duur naderingslicht – Bestemd om de verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
Voor meer informatie, zie Approach-verlichting
(p. 108).
De knop is ook te gebruiken voor activering van
de preconditioning (p. 148).
Achterklep (p. 190) – Ontgrendelt alleen
de achterklep en deactiveert de alarmfunctie voor
de achterklep.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de toets ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen 3
Gerelateerde informatie
•
•
•
Transpondersleutel - bereik
De functies van de transpondersleutel (in basisuitvoering) zijn tot op ca. 20 meter afstand van
de auto te gebruiken.
Als de auto niet reageert bij bediening van een
toets – probeer het dan op minder grote afstand
opnieuw.
Transpondersleutel (p. 170)
N.B.
Transpondersleutel met PCC* - unieke functies (p. 176)
Er kunnen storingen optreden in de transpondersleutelfuncties door radiogolven in de
lucht, omringende gebouwen, topografische
omstandigheden e.d. Het is altijd mogelijk de
auto te vergrendelen/ontgrendelen met het
sleutelblad (p. 178).
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant (p. 186)
Als u de transpondersleutel uit de auto neemt
terwijl de motor draait, sleutelstand I of II (p. 87)
actief is of alle portieren worden gesloten, verschijnt er een waarschuwingsmelding op het
bestuurdersdisplay en klinkt er een kort geluidssignaal.
De melding verdwijnt wanneer u, nadat de transpondersleutel weer in de auto terug is gebracht,
op de knop OK drukt of wanneer alle portieren
weer dichtstaan.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel (p. 170)
Transpondersleutel - functies (p. 174)
* Optie/accessoire. 175
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel met PCC* unieke functies
Een transpondersleutel met PCC (Personal Car
Communicator) heeft extra functies ten opzichte
van een transpondersleutel in basisuitvoering
(p. 170) in de vorm van een informatieknop en
controlelampjes.
Gebruik van de informatietoets
–
Druk op de informatietoets
.
> Ca. 7 seconden lang lichten de controlelampjes op de transpondersleutel om de
beurt op. Dit geeft aan dat er informatie
over de auto wordt uitgelezen.
Als u gedurende dit tijdsbestek op een
van de andere knoppen drukt, wordt de
uitlezing beëindigd.
N.B.
Transpondersleutel met PCC.
Informatietoets
Controlelampjes
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan de
hand van de controlelampjes.
176
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de informatietoets – op verschillende tijdstippen en
verschillende plaatsen – blijkt dat geen van de
controlelampjes gaat branden (en dat evenmin na 7 seconden alsook nadat de controlelampjes op de PCC om de beurt oplichtten),
dient u contact op te nemen met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld.
Continu rood licht: het alarm is afgegaan na
vergrendeling van de auto.
De beide rode controlelampjes lichten beurtelings rood op: het alarm is minder dan 5
minuten geleden afgegaan.
Gerelateerde informatie
De controlelampjes verstrekken informatie zoals
aangegeven op de volgende afbeelding:
•
Transpondersleutel met PCC* - bereik
(p. 177)
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel met PCC* bereik
N.B.
Als binnen het bereik van de transpondersleutel geen van de controlelampjes
brandt bij het indrukken van de informatietoets, vertoont de communicatie tussen de
transpondersleutel en de auto mogelijk storingen onder invloed van radiogolven in de
lucht, omringende gebouwen, topografische
omstandigheden e.d.
Een transpondersleutel met PCC (Personal Car
Communicator) heeft voor vergrendeling en ontgrendeling van de portieren en de achterklep
een bereik van ca. 20 meter en ca. 100 meter
voor de overige functies.
Als de auto niet reageert bij bediening van een
toets – probeer het dan op minder grote afstand
opnieuw.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatieknop door radiogolven in de
lucht, omringende gebouwen, topografische
omstandigheden e.d.
Buiten het bereik van de
transpondersleutel
Als de transpondersleutel dermate ver van de
auto verwijderd is dat er geen informatie over de
auto kan worden uitgelezen, wordt de laatst
bekende status van de auto weergegeven zonder
dat de controlelampjes op de transpondersleutels
om de beurt oplichten.
Als er meerdere transpondersleutels voor de auto
in gebruik zijn, geeft uitsluitend de transpondersleutel waarmee u de auto de laatste keer vergrendelde/ontgrendelde de juiste status aan.
Gerelateerde informatie
•
Keyless drive* - bereik transpondersleutel
(p. 182)
•
Transpondersleutel - bereik (p. 175)
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad waarmee u enkele functies
kunt activeren en bepaalde handelingen kunt uitvoeren.
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Functies sleutelblad
U kunt het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel gebruiken om:
•
het linker voorportier handmatig te ontgrendelen, als de centrale vergrendeling niet te
bedienen is vanaf de transpondersleutel, zie
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 178).
•
het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren/deactiveren (p. 192).
•
het rechter voorportier en de achterportieren
handmatig te vergrendelen (p. 187) bij bijvoorbeeld stroomuitval.
•
de toegang tot het dashboardkastje en de
bagageruimte (Privacy locking (p. 179)*) te
blokkeren.
•
de airbag voor de voorpassagier (PACOS*) te
activeren/deactiveren (p. 40).
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel - functies (p. 174)
Transpondersleutel (p. 170)
* Optie/accessoire. 177
SLOTEN EN ALARM
Afneembaar sleutelblad verwijderen/aanbrengen
Het verwijderen/aanbrengen van het afneembare
sleutelblad (p. 177) gaat als volgt:
Sleutelblad verwijderen
Gerelateerde informatie
•
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 178)
•
•
Kinderslot - handmatige activering (p. 192)
Passagiersairbag - activering/deactivering*
(p. 40)
Afneembaar sleutelblad - portier
ontgrendelen
Het afneembare sleutelblad (p. 177) is te
gebruiken als de centrale vergrendeling niet kan
worden geactiveerd met de transpondersleutel
(p. 170), bijvoorbeeld als de batterij van de sleutel leeg is.
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker voorportier
op de volgende manier ontgrendelen en openen:
1.
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar achteren.
Sleutelblad aanbrengen
178
Ontgrendel het linker voorportier met het
sleutelblad in de slotcilinder van de portierhandgreep. Voor een afbeelding en meer
informatie, zie Keyless Drive* - ontgrendelen
met sleutelblad (p. 185).
N.B.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendeld hebt en vervolgens opent, gaat
het alarm af.
Plaats het sleutelblad voorzichtig terug in de
transpondersleutel (p. 170).
2.
1.
Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
Voor een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling, zie Keyless Drive* - ontgrendelen met sleutelblad (p. 185).
2.
Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad
goed vastzit.
Schakel het alarm uit door de transpondersleutel in het contactslot te steken.
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel (p. 170)
Transpondersleutel - batterij vervangen
(p. 180)
Privacy locking*
Privacy locking is bestemd voor als u de auto
afgeeft voor een onderhoudsbeurt of als u hem
bij een hotel of iets dergelijks laat parkeren. Het
dashboardkastje is dan vergrendeld en het achterklepslot is niet via de centrale vergrendeling te
openen - de achterklep is niet meer te bedienen
met de knoppen op de voorportieren of die op
de transpondersleutel (p. 170).
G017870
•
•
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel zonder
sleutelblad (Privacy locking geactiveerd).
Dit betekent dat de transpondersleutel zonder
het sleutelblad alleen te gebruiken is om het
alarm (p. 194) te activeren/deactiveren, de portieren te ontgrendelen en de auto te starten.
G017869
Gerelateerde informatie
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel met
sleutelblad.
De transpondersleutel zonder sleutelblad kunt u
vervolgens overhandigen aan service- of hotelpersoneel – het losse sleutelblad houdt u bij zich.
N.B.
Vergeet niet de bagageruimte af te dekken
met de bagagerolhoes (p. 168) voordat u de
achterklep sluit.
}}
* Optie/accessoire. 179
SLOTEN EN ALARM
||
Activeren/deactiveren
N.B.
Plaats het sleutelblad niet terug op de transpondersleutel, maar berg het goed op.
•
Houd voor het deactiveren de omgekeerde
volgorde aan.
Om alleen het dashboardkastje te vergrendelen,
zie Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje (p. 189).
Transpondersleutel - batterij
vervangen
U moet de batterij5 in de transpondersleutel
mogelijk vervangen.
U moet de batterij in de transpondersleutel vervangen, als:
•
het informatiesymbool op het instrumentenpaneel oplicht en Batterij autosleutel bijna
leeg Zie instructieboek op het display verschijnt
en/of
Privacy locking activeren.
Privacy locking activeren:
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van het
dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 180 graden rechtsom.
Neem het sleutelblad uit. Ondertussen verschijnt een melding op het bestuurdersdisplay.
Het dashboardkastje is daarmee vergrendeld en
de achterklep is niet meer te ontgrendelen via de
transpondersleutel of de knop voor centrale vergrendeling.
5
180
Een transpondersleutel met PCC heeft twee batterijen.
•
de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van 20
meter rond de auto bevindt.
SLOTEN EN ALARM
N.B.
Keer de transpondersleutel met de knoppen
naar boven om te voorkomen dat de batterijen
eruit vallen als deze wordt geopend.
Batterijtype
Gebruik batterijen met de aanduiding
CR2430, 3 V (één in een transpondersleutel in
basisuitvoering, twee in een transpondersleutel
met PCC).
N.B.
BELANGRIJK
Raak nieuwe accu's en hun contactvlakken
niet met uw vingers aan, aangezien de werking hierdoor verslechtert.
Batterij vervangen
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde –.
Transpondersleutel (één batterij)
Openen
1.
Werk de batterij voorzichtig los.
2.
Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Steek een kruiskopschroevendraaier met
een dikte van 3 mm in de opening achter de
veerbelaste pal en werk de transpondersleutel voorzichtig open.
Transpondersleutel met PCC* (twee
batterijen)
1.
Werk de batterijen voorzichtig los.
2.
Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde (+)
omhoog.
3.
Leg het witte plasticvel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
Volvo adviseert u om batterijen voor de transpondersleutel/PCC te gebruiken die voldoen
aan UN Manual of Test and Criteria, Part III,
sub-section 38.3. Voor batterijen die in de
fabriek zijn geplaatst of in een erkende Volvowerkplaats zijn vervangen is dit het geval.
In elkaar zetten
1.
Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2.
Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
3.
Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad
goed vastzit.
BELANGRIJK
Let erop dat lege batterijen op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt.
}}
* Optie/accessoire. 181
SLOTEN EN ALARM
||
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel (p. 170)
Transpondersleutel - functies (p. 174)
Keyless Drive*
Auto's uitgerust met Keyless Drive zijn voorzien
van een passief start- en vergrendelingssysteem.
Met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling is de auto te starten, vergrendelen en ontgrendelen zonder dat de transpondersleutel
(p. 170)6 daarvoor in het contactslot hoeft te zitten. U hoeft de transpondersleutel alleen bij u te
dragen in bijvoorbeeld een binnenzak. Het systeem maakt het bijvoorbeeld eenvoudiger om de
auto te openen, wanneer u bijvoorbeeld uw handen vol hebt.
Beide transpondersleutels die bij de auto worden
geleverd ondersteunen het Keyless-systeem. U
kunt meer transpondersleutels bijbestellen.
Keyless drive* - bereik
transpondersleutel
Om een portier of de achterklep automatisch te
ontgrendelen zonder knoppen op de transpondersleutel in te drukken, moet de transpondersleutel7 zich binnen een straal van 1,5 meter
rond de portierhandgrepen of de achterklep
bevinden.
U moet de transpondersleutel bij u dragen om
een portier te vergrendelen of ontgrendelen.
Wanneer u aan de ene kant van de auto staat, is
het niet mogelijk om met de transpondersleutel
een portier aan de andere kant te vergrendelen
of ontgrendelen.
Het elektrische systeem van de auto kan in drie
verschillende standen worden gezet - sleutelstand 0, I en II (p. 87) - met de transpondersleutel.
Gerelateerde informatie
6
7
182
•
Keyless drive* - bereik transpondersleutel
(p. 182)
•
Keyless Drive* - veilig gebruik van de transpondersleutel (p. 183)
•
Keyless Drive* - storingen in de functie van
de transpondersleutel (p. 183)
De rode cirkels op de bovenstaande afbeelding
geven het bereik van de systeemantennes aan.
Geldt alleen voor een transpondersleutel met PCC.
Geldt voor een transpondersleutel met PCC (Personal Car Communicator).
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Als u alle transpondersleutels uit de auto neemt
terwijl de motor draait, contactslotstand I of II
(p. 87) actief is of alle portieren worden gesloten,
verschijnt er een waarschuwingsmelding op het
bestuurdersdisplay en klinkt er een geluidssignaal.
Wanneer de transpondersleutel weer in de auto
wordt geplaatst, dooft de waarschuwingsmelding
en houdt het geluidssignaal op in de volgende
gevallen:
•
•
•
er is een portier geopend of gesloten;
de transpondersleutel is in het contactslot
gestoken
Keyless Drive* - veilig gebruik van
de transpondersleutel
Keyless Drive* - storingen in de
functie van de transpondersleutel
Pas goed op alle transpondersleutels van de
auto.
De Keyless-functies (p. 182) kunnen gestoord
worden door elektromagnetische velden en
afschermingen.
Als u een van de transpondersleutels8 in de auto
vergeet, worden de Keyless-functies bijvoorbeeld
bij het vergrendelen van de auto gedeactiveerd.
Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet
meer mee openen.
De volgende keer dat u de auto ontgrendelt met
een andere transpondersleutel, wordt de transpondersleutel die u in de auto was vergeten weer
geactiveerd.
de OK-knop is ingedrukt.
BELANGRIJK
Gerelateerde informatie
•
•
Laat de transpondersleutel met PCC niet
onbeheerd in de auto liggen. Als iemand
inbreekt in de auto en de transpondersleutel
vindt, is het onder meer mogelijk om de auto
de starten door de transpondersleutel in het
contactslot te plaatsen en vervolgens op de
knop START/STOP ENGINE te drukken.
Keyless Drive* (p. 182)
Keyless Drive* - locatie antennes (p. 186)
Gerelateerde informatie
•
8
N.B.
Plaats/bewaar de PCC niet in de buurt van
een mobiele telefoon of metalen voorwerpen.
Houd een minimale afstand aan van 10-15
cm.
Als er desondanks toch storingen optreden, is de
transpondersleutel en het sleutelblad te gebruiken als een transpondersleutel in basisuitvoering,
zie Transpondersleutel - functies (p. 174).
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - batterij vervangen
(p. 180)
•
Keyless Drive* - veilig gebruik van de transpondersleutel (p. 183)
•
Keyless drive* - bereik transpondersleutel
(p. 182)
Keyless Drive* (p. 182)
Geldt voor een transpondersleutel met PCC (Personal Car Communicator).
* Optie/accessoire. 183
SLOTEN EN ALARM
Keyless Drive* - vergrendelen
Auto's met Keyless start en ontgrendeling/
vergrendeling zijn voorzien van een aanraakgevoelig gebied op de buitenhandgreep van de
portieren alsook een met rubber beklede knop
naast het eveneens met rubber beklede drukplatje voor ontgrendeling/vergrendeling op de achterklep.
Alle portieren inclusief de achterklep moeten zijn
gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen –
de auto wordt anders niet vergrendeld.
N.B.
Als u (terwijl de motor is afgezet) de transpondersleutel met Keyless-functie uit de auto
haalt en de auto niet vergrendelt door een
van de portierhandgrepen aan te raken of de
vergrendeltoets op de transpondersleutel te
bedienen, gebeurt het volgende:
Keyless Drive* - ontgrendelen
Er wordt ontgrendeld wanneer iemand een portierhandgreep beetpakt of op het met rubber
beklede drukplaatje van de achterklep drukt –
open het portier of de achterklep op de normale
manier.
N.B.
Normaal registreren de portierhandgrepen
het wanneer u met uw hand de handgreep
beetpakt, maar als u dikke handschoenen
draagt of de handbeweging te snel uitvoert,
moet u de beweging mogelijk een tweede
keer uitvoeren of de handschoen uittrekken.
Na ca. 1½–2 minuten wordt het alarm geactiveerd en gaat de alarmdiode op de voorruit
knipperen – het alarm staat daarmee op
scherp maar de auto is niet vergrendeld.
Gerelateerde informatie
N.B.
Het aanraakgevoelige gebied op de buitenhandgreep
van de portieren en de met rubber beklede knop naast
het eveneens met rubber beklede drukplaatje op de
achterklep.
Vergrendel de portieren en de achterklep door
lang op het aanraakgevoelige gebied van een van
de portierhandgrepen te drukken of druk op de
kleinste van de beide met rubber beklede knoppen op de achterklep - de vergrendelingsindicatie
(p. 173) onder aan de voorruit gaat knipperen om
aan te geven dat er vergrendeling heeft plaatsgevonden.
184
Op auto's met een automatische versnellingsbak moet de keuzehendel in de P-stand
staan. Anders kan de auto niet worden vergrendeld of op alarm worden gezet.
•
•
Keyless Drive* (p. 182)
Keyless Drive* - vergrendelen (p. 184)
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless Drive* (p. 182)
Alarmindicatie* (p. 195)
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Keyless Drive* - ontgrendelen met
sleutelblad
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker voorportier
ontgrendelen of vergrendelen met het afneembare sleutelblad.
1.
Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht omhoog
in de opening aan de onderkant van de portierhandgreep/afdekking – niet wrikken.
> De kunststof afdekking komt automatisch
los, wanneer u het blad recht omhoog de
opening induwt.
2.
Steek het sleutelblad vervolgens in de slotcilinder en ontgrendel het portier.
3.
Plaats de kunststof afdekking na ontgrendeling terug.
N.B.
Keyless Drive* vergrendelingsinstellingen
De vergrendelingsinstellingen voor auto's met
passieve start en ontgrendeling/vergrendeling
zijn aan te passen door in het menusysteem MY
CAR aan te geven welke portieren er ontgrendeld moeten worden.
Voor een beschrijving van het menusysteem, zie
MY CAR (p. 121).
Gerelateerde informatie
•
Keyless Drive* (p. 182)
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendeld hebt en vervolgens
opent, gaat het alarm af. Het wordt uitgeschakeld door de PCC in het contactslot te steken, zie Alarm* - transpondersleutel defect
(p. 195).
Opening voor het sleutelblad - voor het afnemen van de
afdekking.
Om bij de slotcilinder te komen dient de kunststof afdekking van de portierhandgreep te worden verwijderd – ook dit vindt plaats met het
sleutelblad:
Gerelateerde informatie
•
•
•
Keyless Drive* (p. 182)
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 178)
Alarm* (p. 194)
* Optie/accessoire. 185
SLOTEN EN ALARM
Keyless Drive* - locatie antennes
WAARSCHUWING
Auto's met Keyless start en ontgrendeling/
vergrendeling zijn voorzien van een aantal antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn
in de auto.
Personen met een pacemaker mogen niet
dichter dan 22 cm bij de antennes van het
Keyless-systeem komen. Hierdoor voorkomt u
storingen tussen de pacemaker en het Keyless-systeem.
Gerelateerde informatie
•
Keyless Drive* (p. 182)
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf
de buitenkant
Met de transpondersleutel (p. 170) is vergrendeling/ontgrendeling van de buitenkant mogelijk.
Met de transpondersleutel kunt u alle portieren
en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/
ontgrendelen. U hebt de keuze uit verschillende
ontgrendelingsprocedures, zie Transpondersleutel - functies (p. 174).
Om de ontgrendelingsprocedure te kunnen activeren moet het bestuurdersportier dichtstaan –
als een van de overige portieren of de achterklep
openstaat, wordt dit/deze pas na het sluiten vergrendeld en inbegrepen in het alarmsysteem.
Voor auto's uitgerust met passieve vergrendeling* moeten alle portieren en de achterklep
dichtstaan.
Achterbumper, in het midden
Portierhandgreep, linksachter
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk.
186
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met de
transpondersleutel nog in de auto.
Als u niet met de transpondersleutel kunt vergrendelen/ontgrendelen is de batterij mogelijk
leeg – vergrendel/ontgrendel het linker voorportier dan met het afneembare sleutelblad, zie
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/aanbrengen (p. 178).
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
N.B.
Let erop dat het alarm afgaat, wanneer het
portier na ontgrendeling met het sleutelblad
wordt geopend – het alarm wordt uitgeschakeld, wanneer de transpondersleutel in het
contactslot wordt geplaatst.
WAARSCHUWING
Let op het risico van opsluiting in de auto, als
u de auto van de buitenzijde vergrendelt – de
portieren zijn dan namelijk niet meer van de
binnenzijde te openen met de portierhandgrepen.
Voor meer informatie, zie Safelock-functie*
(p. 191).
Portier handmatig vergrendelen
–
Het portier is niet vanaf de buitenzijde te
openen.
Het linker voorportier is te vergrendelen met de
bijbehorende slotcilinder en het afneembare
sleutelblad van de transpondersleutel, zie Keyless
Drive* - ontgrendelen met sleutelblad (p. 185).
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
De overige portieren zijn niet voorzien van een
slotcilinder maar hebben een vergrendelingsbus
aan de korte kant achteraan die omgedraaid
moet worden – de portieren zijn vervolgens
mechanisch vergrendeld/geblokkeerd en niet
meer vanaf de buitenzijde te openen. De portieren zijn echter nog steeds vanaf de binnenzijde te
openen.
N.B.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na ontgrendeling van de
buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden alle sloten automatisch weer vergrendeld. Dit
beperkt het risico dat u de auto per ongeluk
onvergrendeld kunt laten staan. (Voor auto's met
alarmsysteem, zie Alarm* (p. 194).)
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 188)
•
Keyless Drive* (p. 182)
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet alle portieren.
•
Een handmatig vergrendeld achterportier
waarvan ook het mechanische kinderslot
geactiveerd is, kan noch van de buitenzijde noch van de binnenzijde worden
geopend, zie Kinderslot - handmatige
activering (p. 192). Een achterportier dat
op deze manier vergrendeld is kan alleen
ontgrendeld worden met de transpondersleutel of de toets voor centrale vergrendeling.
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
•
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de cilinder te verdraaien, zie Afneembaar sleutelblad
- verwijderen/aanbrengen (p. 178).
In bepaalde gevallen moet de auto handmatig
kunnen worden vergrendeld, zoals bij stroomuitval.
•
Transpondersleutel - batterij vervangen
(p. 180)
Portier handmatig vergrendelen. Niet te verwarren met
het kinderslot (p. 192).
* Optie/accessoire. 187
SLOTEN EN ALARM
Vergrendelen/ontgrendelen - van
de binnenzijde
•
Alle portieren en de achterklep kunnen tegelijkertijd worden vergrendeld of ontgrendeld met
de knop van het bestuurdersportier en het passagiersportier* voor centrale vergrendeling.
Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten*
tegelijkertijd geopend (zie ook Doorluchtfunctie
(p. 189)).
Centrale vergrendeling
•
Bij het indrukken van de knop voor centrale
vergrendeling
.
Trek aan de openingshandgreep en open het
portier – het portier wordt in een keer ontgrendeld en geopend.
Vergrendelen
•
Druk op de knop voor centrale vergrendeling
– alle gesloten portieren worden vergrendeld.
Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten en
het schuif-/kanteldak tegelijkertijd gesloten (zie
ook Doorluchtfunctie (p. 189)).
Vergrendelingsknop* achterportieren
Lampje in vergrendelingsknop
De centrale vergrendeling is verkrijgbaar in twee
uitvoeringen – de betekenis van het lampje in de
knop voor centrale vergrendeling op het bestuurdersportier is afhankelijk van de uitvoering.
Met een knop voor centrale vergrendeling alleen
op het bestuurdersportier, bij de overige portieren
ontbreekt een dergelijke knop:
•
Centrale vergrendeling.
•
Druk de rechterkant
van de knop in om
om te
te vergrendelen en de linkerkant
ontgrendelen.
Wanneer u de knop
lang ingedrukt houdt,
worden ook alle zijruiten* tegelijkertijd geopend.
Ontgrendelen
Een portier kan op twee manieren van de binnenkant worden ontgrendeld:
188
Een brandend lampje houdt in dat alle portieren vergrendeld zijn.
Met een knop voor centrale vergrendeling op
beide voorportieren en op elk van beide achterportieren een knop voor elektrische vergrendeling:
•
Een brandend lampje houdt in dat alleen het
desbetreffende portier vergrendeld is. Wanneer de lampjes in alle knoppen branden, zijn
alle portieren vergrendeld.
Bij een vergrendeld portier brandt het lampje in de knop.
Met de vergrendelingsknop op de beide achterportieren is alleen het desbetreffende achterportier te vergrendelen.
Om het portier te ontgrendelen:
•
Trek aan de openingshandgreep – het portier
wordt dan ontgrendeld en geopend.
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Automatische vergrendeling
Doorluchtfunctie
Bij het wegrijden worden de portieren en de achterklep automatisch vergrendeld.
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te openen
en weer te sluiten en op die manier snel voor
frisse lucht in de auto te zorgen.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant (p. 186)
•
•
Alarm* (p. 194)
Dashboardkastje (p. 160) valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel.
Voor informatie over het sleutelblad, zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/aanbrengen
(p. 178).
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen dashboardkastje
Transpondersleutel - functies (p. 174)
Knop voor centrale vergrendeling
Bij lang indrukken van het
-symbool op de
knop voor centrale vergrendeling of de desbetreffende knop op de transpondersleutel worden ook
alle zijruiten tegelijkertijd geopend. Wanneer u
-symbool worden alle
hetzelfde doet bij het
zijruiten gelijktijdig gesloten.
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van het
dashboardkastje zoals op de bovenstaande
afbeelding.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 188)
•
Elektrisch bediende ruiten (p. 111)
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Neem het sleutelblad uit.
•
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde
volgorde aan.
}}
* Optie/accessoire. 189
SLOTEN EN ALARM
||
Voor informatie over Privacy locking, zie Privacy
locking* (p. 179).
Vergrendelen/ontgrendelen achterklep
Gerelateerde informatie
De achterklep is op meerdere manieren te openen, vergrendelen en ontgrendelen.
•
Transpondersleutel (p. 170)
Handmatig openen
BELANGRIJK
•
De achterklep is met heel weinig kracht
te ontgrendelen – druk gewoon lichtjes
op het met rubber beklede plaatje.
•
Breng geen druk aan op het met rubber
beklede plaatje bij het openen van de
achterklep – maar til de handgreep op. Bij
te veel druk kan de elektrische schakelaar in het met rubber beklede plaatje
beschadigd raken.
Ontgrendelen met transpondersleutel
Met rubber bekleed plaatje met elektrische schakelaar.
De achterklep wordt dichtgehouden door een
elektrische vergrendeling.
Om te openen:
1.
Druk lichtjes op het breedste van de met
rubber beklede drukplaatjes onder de buitenhandgreep - de vergrendeling wordt vrijgegeven.
2.
Til de buitenste handgreep helemaal omhoog
om de klep te openen.
Met de toets
op de transpondersleutel is het
mogelijk om de alarmfunctie voor de achterklep
te deactiveren* zodat u de achterklep apart kunt
ontgrendelen.
De vergrendelingsindicatie (p. 173) op het instrumentenpaneel stopt met knipperen om aan te
190
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
geven dat de auto niet volledig vergrendeld is en
dat de niveausensoren en bewegingsmelders van
het alarm* alsmede de sensoren voor opening
van de kofferklep buiten werking gesteld zijn.
Om de achterklep te ontgrendelen:
Safelock-functie*
–
Bij activering van de Safelock-functie9 worden
alle openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het openen van de portieren van zowel
de binnen- als de buitenzijde onmogelijk maakt.
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
•
De achterklep wordt weliswaar ontgrendeld
maar blijft dichtstaan – druk lichtjes tegen op
het met rubber bekleding drukplaatje onder
de buitenhandgreep en open de klep.
Druk op de knop (1) op het verlichtingspaneel.
> De klep wordt ontgrendeld en kan binnen
2 minuten worden geopend (als de auto
vanaf de binnenzijde vergrendeld werd).
Vergrendelen met transpondersleutel
–
Als de klep niet binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend, wordt de klep weer vergrendeld en het alarm opnieuw geactiveerd.
Van de binnenzijde ontgrendelen
Druk op de toets voor vergrendeling op de
, zie Transpondertranspondersleutel
sleutel - functies (p. 174).
> De vergrendelingsindicatie op het instrumentenpaneel begint te knipperen, wat
inhoudt dat de auto vergrendeld en het
alarm* geactiveerd is.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 188)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant (p. 186)
Met de transpondersleutel (p. 170) activeert u de
Safelock-functie die ca. tien seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt.
N.B.
Als er binnen deze vertragingsperiode een
van de portieren wordt geopend, wordt de
functie geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
De auto is alleen te ontgrendelen met de transpondersleutel, wanneer de Safelock-functie
geactiveerd is. Het linker voorportier is ook te
ontgrendelen met het afneembare sleutelblad
(p. 177). Bovendien is het mogelijk om de verschillende portieren en de achterklep te ontgrendelen/openen bij auto's uitgerust met Keyless
start en ontgrendeling/vergrendeling* door de
desbetreffende portierhandgreep of de handgreep van de achterklep vast te pakken.
Achterklep ontgrendelen
9
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
}}
* Optie/accessoire. 191
SLOTEN EN ALARM
||
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren om te
voorkomen dat u iemand opsluit.
Voor een beschrijving van het menusysteem, zie
MY CAR (p. 121).
N.B.
Tijdelijk deactiveren
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd
bij vergrendeling van de auto.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
Kinderslot - handmatige activering
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde kunnen openen.
Kinderslot activeren/deactiveren
Bovenstaande geldt als de geblokkeerde vergrendelingsstand niet tijdelijk is gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
MY CAR
OK MENU
TUNE-knop
EXIT
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft,
kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen.
Dat is mogelijk in het menusysteem MY CAR.
192
•
Keyless Drive* - ontgrendelen met sleutelblad (p. 185)
•
Transpondersleutel (p. 170)
Mechanisch kinderslot. Niet te verwarren met de mechanische portiervergrendeling (p. 187).
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten
achter op de korte kant van de achterportieren,
zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan.
Doe het volgende om het kinderslot te activeren/
deactiveren:
–
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad (p. 177) van de transpondersleutel om
de cilinder te verdraaien.
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
WAARSCHUWING
Elk van de achterportieren is voorzien van
twee vergrendelbussen – verwar de bus voor
het kinderslot niet met die voor het handmatige portierslot.
N.B.
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
•
Op auto’s met een elektrisch kinderslot
zit geen handmatig kinderslot.
Kinderslot - elektrische activering*
2.
Het elektrisch geactiveerde kinderslot voorkomt
dat kinderen achter in de auto de achterportieren of de achterste zijruiten kunnen openen.
Activeren
Het kinderslot is in alle sleutelstanden (p. 87)
anders dan 0 te activeren/deactiveren en dat
binnen 2 minuten na het afzetten van de motor,
op voorwaarde dat er geen portier wordt
geopend.
Doe het volgende om het kinderslot te activeren:
Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het bestuurdersdisplay staat de melding Kinderslot actief en het lampje in
de knop brandt - het slot is geactiveerd.
Wanneer het kinderslot actief is, zijn de achterste:
•
zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel
op het bestuurdersportier te bedienen
•
portieren niet van de binnenkant te openen.
Bij het afzetten van de motor wordt de actuele
instelling vastgelegd – als het kinderslot geactiveerd was tijdens het afzetten van de motor, dan
is de functie de volgende keer dat u de motor
start eveneens actief.
Gerelateerde informatie
•
•
Kinderslot - handmatige activering (p. 192)
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 188)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Kinderslot - elektrische activering* (p. 193)
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 188)
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant (p. 186)
Bedieningspaneel bestuurdersportier.
1.
Start de motor of kies een slotstand anders
dan 0.
* Optie/accessoire. 193
SLOTEN EN ALARM
Alarm*
N.B.
Het alarm is een systeem dat waarschuwt als er
bijvoorbeeld in de auto wordt ingebroken.
De bewegingsmelders laten het alarm afgaan
bij bewegingen in de passagiersruimte – ook
eventuele luchtstromen worden geregistreerd.
Het alarm kan dan ook afgaan, als u de auto
met een ruit of schuifdak open laat staan of
als u de interieurverwarming gebruikt.
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
•
een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend10
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder*
aanwezig is)
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto's met een niveausensor*)
•
een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
•
de sirene wordt losgekoppeld.
Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten
van de auto alle ruiten en het schuifdak. Bij
gebruik van de geïntegreerde interieurverwarming van de auto (of een draagbare variant
daarvan op stroom) dan dient u de blaasmonden dusdanig af te stellen dat deze niet
omhoogwijzen. U kunt ook gebruik maken van
het beperkte alarmniveau, zie Gereduceerd
alarmniveau* (p. 196).
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel. Neem dan
contact op met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Alarm deactiveren
–
Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel.
Geactiveerd alarm uitschakelen
–
Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel of plaats de transpondersleutel
in het contactslot.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Alarmindicatie* (p. 195)
Alarm* - automatische herinschakeling
(p. 195)
Alarm* - transpondersleutel defect (p. 195)
N.B.
Probeer niet zelf de onderdelen van het
alarmsysteem te repareren of te wijzigen. Dergelijke pogingen kunnen van invloed zijn op
de verzekeringsvoorwaarden.
Alarm activeren
–
10
194
Druk op de vergrendelingstoets op de transpondersleutel.
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Alarmindicatie*
De alarmindicatie geeft de status aan van het
alarmsysteem (p. 194).
Alarm* - automatische
herinschakeling
De automatische herinschakeling van het alarm
voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarm
(p. 194) uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch
opnieuw ingeschakeld. De auto wordt bovendien
opnieuw vergrendeld.
Alarm* - transpondersleutel defect
Als u het alarm (p. 194) niet kunt uitschakelen
met de transpondersleutel (als bijvoorbeeld de
batterij (p. 180) van de sleutel leeg is), kunt u de
auto als volgt ontgrendelen, het alarmsysteem
deactiveren en de motor starten:
1.
Open het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad (p. 185).
> Het alarm gaat af, de alarmindicatie
(p. 195) knippert snel en de sirene klinkt.
2.
Plaats de transpondersleutel in het contactslot.
> Het alarm wordt gedeactiveerd en de
alarmindicatie dooft.
3.
Start de motor.
Gerelateerde informatie
•
Gereduceerd alarmniveau* (p. 196)
Dezelfde diode als de vergrendelingsindicatie (p. 173).
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
•
•
•
De led is uit – het alarm is uitgeschakeld
De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld
De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm (tot aan het
moment dat u de transpondersleutel in het
contactslot steekt en contactslotstand I
wordt bereikt) – het alarm is afgegaan.
* Optie/accessoire. 195
SLOTEN EN ALARM
Alarmsignalen*
Gereduceerd alarmniveau*
Wanneer het alarm (p. 194) afgaat, klinkt een
sirene en knipperen alle richtingaanwijzers.
Een gereduceerd alarmniveau houdt in dat de
bewegingsmelders en niveausensoren tijdelijk
worden uitgeschakeld.
•
•
Er klinkt een sirene tot u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na 30
seconden lang automatisch uit. De sirene
heeft zijn eigen accu en werkt volledig onafhankelijk van de startaccu in de auto.
Alle richtingaanwijzers knipperen tot u het
alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan ze na
vijf minuten automatisch uit.
Om te voorkomen dat het alarm (p. 194) onbedoeld afgaat als u bijvoorbeeld een hond in een
vergrendelde auto achterlaat of een autotrein of
veerverbinding gebruikt, dienen de bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk te worden
gedeactiveerd.
Typegoedkeuring transpondersleutelsysteem
De typegoedkeuring voor het transpondersleutelsysteem staat in de tabel.
Vergrendelingssysteem standaard
Land/regio
EU
De te volgen procedure is identiek aan die bij tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie
(p. 191)11.
Gerelateerde informatie
•
Alarmindicatie* (p. 195)
Passieve vergrendeling (Keyless Drive)
Land/regio
EU
Gerelateerde informatie
•
11
196
Transpondersleutel (p. 170)
Alleen in combinatie met een alarm.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Stuurkrachtinstelling*
De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
zorgt ervoor dat de stuurbekrachtiging afneemt
naarmate de rijsnelheid oploopt, waardoor u een
beter gevoel met de weg krijgt.
Op snelwegen stuurt de auto stugger. Bij het
parkeren en op lage snelheden is de auto lichter
en met minder moeite te besturen.
U hebt de keuze uit drie niveaus van stuurbekrachtiging voor een maximum aan weggevoel en
stuurgevoeligheid in het menusysteem MY CAR
(p. 121):
•
Gerelateerde informatie
•
MY CAR (p. 121)
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - algemeen
De stabiliteitsregeling ESC ((Electronic Stability
Control)) helpt u voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Tijdens het afremmen kunnen de
ingrepen van de ESC waarneembaar
zijn in de vorm van pulserende geluiden. Tijdens het gas geven kan de auto
langzamer optrekken dan u verwacht.
WAARSCHUWING
De stabiliteitsregeling ESC is slechts een
aanvullend hulpmiddel en kan niet alle situaties en alle wegomstandigheden aan.
Ga daar naar Niv. stuurbekrachtiging en
kies Laag, Midden of Hoog.
Deze instelling is niet te beschikbaar, wanneer de
auto rijdt.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften houdt.
N.B.
In bepaalde situaties kan de stuurbekrachtiging te warm worden en moet deze dan tijdelijk worden gekoeld - gedurende die periode
werkt de stuurbekrachtiging met een gereduceerd vermogen en het draaien aan het stuurwiel kan dan wat zwaarder gaan.
Op het moment dat de stuurhulp tijdelijk
gereduceerd is, verschijnt er een melding op
het instrumentenpaneel.
198
De ESC bestaat uit de volgende functies:
•
•
•
•
•
•
Antislipregeling
Antispinregeling
Tractieregeling
Motorremregeling, EDC
Corner Traction Control - CTC
Trailer Stability Assist (TSA)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Antislipregeling
Deze regeling controleert de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen om
de auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Trailer Stability Assist* - TSA1
Het TSA (p. 328) heeft tot taak de auto met een
aanhanger/caravan te stabiliseren, wanneer de
combinatie de neiging tot pendelbewegingen vertoont. Voor meer informatie, zie Rijden met een
aanhanger* (p. 322).
N.B.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
Motorremregeling, EDC
EDC (Engine Drag Control) voorkomt ongewenste blokkering van de wielen, zoals na terugschakeling of bij gladheid tijdens het afremmen op de
motor in een lage versnelling.
De functie wordt gedeactiveerd als u de
Sport-stand kiest.
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening (p. 199)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) symbolen en meldingen (p. 201)
Een van de gevolgen van ongewenste blokkering
van de wielen is dat u de auto moeilijk onder controle kunt houden.
Corner Traction Control - CTC*
CTC zorgt voor compensatie van eventueel
onderstuur in een bocht en maakt het mogelijk
om sneller op te trekken dan normaal zonder dat
het binnenste wiel doorslipt zoals bij een gebogen oprit om zo sneller in te kunnen voegen in de
verkeersstroom.
1 Trailer
Stability Assist is inbegrepen bij montage van een originele Volvo-trekhaak.
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - bediening
Niveau kiezen, Sport-modus
De ESC is altijd geactiveerd – uitschakelen is niet
mogelijk.
U kunt echter de Sport-modus
kiezen voor een actievere rijervaring.
De Sport-modus is te kiezen in
het menusysteem MY CAR.
Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
In de Sport-modus registreert het systeem of de
gaspedaal- en stuurwielbediening alsook het
bochtenwerk als actiever dan normaal aan te
merken zijn, waarna het systeem toestaat dat de
achtertrein een gecontroleerde vorm van slippen
vertoont voordat het ingrijpt en de auto stabiliseert.
Als u de gecontroleerde vorm van slippen bijvoorbeeld beëindigt door het gaspedaal te bedienen,
grijpt de ESC in om de auto te stabiliseren.
De Sport-modus maakt tevens maximale aandrijving mogelijk, als de auto is blijven steken of over
een zachte ondergrond (zoals zand of een dikke
laag sneeuw) rijdt.
}}
* Optie/accessoire. 199
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Wanneer de Sport-modus actief is,
brandt dit symbool op het instrumentenpaneel continu totdat u de functie
deactiveert of totdat de motor wordt
afgezet – een volgende keer dat de motor wordt
gestart is de normale stand van de ESC opnieuw
van kracht.
Gerelateerde informatie
200
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 198)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) symbolen en meldingen (p. 201)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - symbolen en meldingen
Tabel
Symbool
Melding
Betekenis
ESC Tijdelijk UIT
Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het ESC-systeem. Het
systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen voldoende zijn afgekoeld.
ESC Service vereist
Het ESC-systeem is defect.
•
•
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
‘Melding’
Er staat een melding op het instrumentenpaneel (p. 72) - lees deze!
Brandt 2 seconden lang
continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
Knippert.
Het ESC-systeem grijpt in.
Brandt continu.
De Sport-stand is geactiveerd.
en
NB In deze stand is het ESC niet helemaal uitgeschakeld – er gelden bepaalde beperkingen.
}}
201
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
202
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 198)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening (p. 199)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsbegrenzer
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol
– u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl
de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt.
Overzicht
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 203)
•
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren en
stand-bystand (p. 204)
•
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding
snelheid (p. 205)
•
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen (p. 206)
Snelheidsbegrenzer - beknopte
bedieningsinstructies
Inschakelen en activeren
Wanneer de snelheidsbegrenzer actief is, verschijnt op het instrumentenpaneel het bijbehorende symbool (6) samen met een markering (5)
bij de ingestelde maximumsnelheid.
Zowel tijdens het rijden als bij stilstand is het
mogelijk een maximumsnelheid in te stellen en
op te slaan in het geheugen.
Tijdens het rijden
1.
om de snelheidsDruk op de stuurtoets
begrenzer in te schakelen.
> Op het instrumentenpaneel licht het symbool (6) voor de cruisecontrol op.
2.
Wanneer de auto op de gewenste maximumsnelheid rijdt: Druk op een van de stuurtoetof
, totdat op het instrumentenpasen
neel een markering (5) voor de gewenste
maximumsnelheid verschijnt.
> De snelheidsbegrenzer is daarmee actief
en de gekozen maximumsnelheid is daarmee opgeslagen in het geheugen.
Toetsenset op stuurwiel en instrumentenpaneel.
Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-bystand.
Bij stilstand
Activeren en maximumsnelheid aanpassen.
1.
Ingestelde snelheid.
Snelheidsbegrenzer actief.
om de snelheidsDruk op de stuurtoets
begrenzer in te schakelen.
}}
203
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
2.
Scrol met de
-knop, totdat op het instrumentenpaneel een markering (5) voor de
gewenste maximumsnelheid verschijnt.
> De snelheidsbegrenzer is daarmee actief
en de gekozen maximumsnelheid is daarmee opgeslagen in het geheugen.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer (p. 203)
Snelheidsbegrenzer - snelheid
wijzigen
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk
deactiveren en stand-bystand
Om aan te passen met +/- 5 km/h (+/- 5 mph):
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol
– u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl
de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt.
•
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Opgeslagen snelheid wijzigen
U wijzigt de opgeslagen maximumsnelheid door
of
kort of lang in te drukken.
de stuurknop
Kort indrukken - elke keer drukken komt
overeen met +/- 5 km/h (+/- 5 mph).
Om aan te passen met +/- 1 km/h (+/- 1 mph):
Om de snelheidsbegrenzer tijdelijk te deactiveren
en stand-by te zetten:
•
–
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste maximumsnelheid.
De laatst verrichte aanpassing wordt in het
geheugen opgeslagen.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer (p. 203)
Druk op
.
> De markering (5) op het instrumentenpaneel verkleurt van GROEN naar WIT,
waarna u tijdelijk de ingestelde maximumsnelheid kunt overschrijden.
U kunt de snelheidsbegrenzer opnieuw
, waarna
inschakelen met een druk op
de markering (5) verkleurt van WIT naar
GROEN om aan te geven dat er opnieuw
een maximumsnelheid voor de auto geldt.
Tijdelijk deactiveren met gaspedaal
De snelheidsbegrenzer is ook met het gaspedaal
stand-by te zetten, bijvoorbeeld om in noodgevallen snel te kunnen accelereren:
204
BESTUURDERSONDERSTEUNING
–
Trap het gaspedaal volledig in.
> Op het instrumentenpaneel staat de
opgeslagen maximumsnelheid met een
gekleurde markering (5) en u kunt de
ingestelde maximumsnelheid tijdelijk overschrijden – de markering (5) verkleurt dan
van GROEN naar WIT.
De snelheidsbegrenzer wordt automatisch
opnieuw geactiveerd nadat u het gaspedaal hebt losgelaten en de auto is afgeremd tot een snelheid lager dan de gekozen/opgeslagen maximumsnelheid. De
markering (5) op het display verkleurt van
WIT naar GROEN waarna de maximumsnelheid van de auto opnieuw van kracht
is.
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer - alarm
overschrijding snelheid
•
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren en
stand-bystand (p. 204)
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol
– u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl
de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt.
•
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen (p. 206)
Op steile aflopende hellingen volstaat de motorrem van de snelheidsbegrenzer mogelijk niet,
zodat de gekozen maximumsnelheid wordt overschreden. U wordt in dat geval hierop geattendeerd door een geluidssignaal.
Het signaal is hoorbaar totdat u de auto hebt
afgeremd tot een snelheid lager dan de gekozen
maximumsnelheid.
N.B.
Snelheidsbegrenzer (p. 203)
Het alarm wordt pas na 5 seconden geactiveerd, als u de snelheid met minimaal 3 km/h
(2 mph) overschrijdt en u de afgelopen 30
of
seconden geen van de toetsen
bedient.
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 203)
•
Snelheidsbegrenzer - snelheid wijzigen
(p. 204)
•
•
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen (p. 206)
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding
snelheid (p. 205)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Snelheidsbegrenzer (p. 203)
Snelheidsbegrenzer - snelheid wijzigen
(p. 204)
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 203)
205
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen
Cruisecontrol*
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol
– u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl
de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt.
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid te houden, wat zorgt
voor een comfortabeler rijervaring op lange ritten
op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met
een gelijkmatige verkeersstroom.
Om de snelheidsbegrenzer uit te schakelen:
–
Druk op de stuurtoets
.
> Op het instrumentenpaneel doven het
symbool voor de snelheidsbegrenzer (6)
en de markering voor de ingestelde snelheid (5) – de ingestelde/opgeslagen
snelheid worden gewist en zijn daarna
niet te hervatten bij een druk op de toets
.
U kunt daarna weer zonder beperkingen
de snelheid regelen met het gaspedaal.
Gerelateerde informatie
•
•
206
Stuurknoppen en instrumentenpaneel bij een auto net
cruisecontrol2.
Cruisecontrol – Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
Stuurknoppen en instrumentenpaneel bij een auto zonder cruisecontrol2.
Activeren en snelheid aanpassen.
Snelheidsbegrenzer (p. 203)
Gekozen snelheid (GRIJS = stand-bystand).
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 203)
Cruisecontrol actief - WIT symbool (GRIJS =
stand-bystand).
•
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren en
stand-bystand (p. 204)
•
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding
snelheid (p. 205)
2
Overzicht
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden
met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen passende
snelheid en/of afstand aanhoudt.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt.
Gerelateerde informatie
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 207)
Cruisecontrol* tijdelijk deactiveren en standbystand (p. 208)
Cruisecontrol* - snelheid regelen
Om aan te passen met 5 km/h (5 mph):
U kunt een snelheid activeren, instellen en een
opgeslagen snelheid wijzigen.
•
Activeren en snelheid instellen
Om aan te passen met 1 km/h (1 mph):
Om de cruisecontrol te starten:
•
•
Druk op de stuurknop CRUISE (zonder
(met snelsnelheidsbegrenzer) of op
heidsbegrenzer).
>
Op het instrumentenpaneel gaat het
symbool (6) voor de cruisecontrol branden –
de cruisecontrol staat stand-by.
Om de cruisecontrol in te schakelen:
•
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 208)
•
•
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 209)
Druk bij de gewenste snelheid op de stuurof
.
knop
>
De actuele snelheid wordt in het geheugen
opgeslagen, de markering (5) op het instrumentenpaneel gaat branden de ingestelde
snelheid en het symbool (6) verkleurt van
GRIJS naar WIT – de auto houdt de ingestelde/opgeslagen snelheid aan.
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 213)
Als u de snelheid verhoogt met het gaspedaal
/ -knop indrukt, wordt de
voordat u de
actuele rijsnelheid opgeslagen die geldt bij het
indrukken van de knop.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling
van de cruisecontrol ongewijzigd – de auto hervat
de laatst opgeslagen snelheid wanneer u het
gaspedaal loslaat.
N.B.
Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld.
Om de cruisecontrol weer te kunnen activeren, moet de auto stilstaan en de motor worden herstart.
N.B.
U wijzigt de opgeslagen snelheid door de stuurknop
of
kort of lang in te drukken.
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
De laatst verrichte aanpassing wordt in het
geheugen opgeslagen.
De cruisecontrol is niet in te schakelen bij
snelheden lager dan 30 km/h (20 mph).
Opgeslagen snelheid wijzigen
Kort indrukken - elke keer drukken komt
overeen met 5 km/h (5 mph).
Gerelateerde informatie
•
Cruisecontrol* (p. 206)
* Optie/accessoire. 207
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Cruisecontrol* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand
Het systeem is tijdelijk te activeren en in de
stand-bystand te zetten.
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld en
stand-by gezet in de volgende gevallen:
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
•
•
Om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen en
stand-by te zetten:
•
•
Druk op de stuurknop
>
De markering (5) en het symbool (6) op het
instrumentenpaneel verkleuren van WIT naar
GRIJS – de cruisecontrol is tijdelijk uitgeschakeld.
.
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld en
automatisch stand-by gezet in de volgende gevallen:
•
•
u bedient het rempedaal
•
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
u haalt de versnellingspook/keuzehendel uit
stand N
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling
ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
208
Automatische stand-bystand
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
het toerental van de motor wordt te laag/
hoog
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph).
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 207)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 209)
Cruisecontrol* (p. 206)
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid
hervatten
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid aan te houden.
Na tijdelijke deactivering en de standbystand (p. 208) kunt u de eerder ingestelde
snelheid hervatten.
Om de cruisecontrol opnieuw te activeren vanuit
de stand-bystand:
•
Druk op de stuurknop
>
De markering (5) en het symbool (6) op het
instrumentenpaneel verkleuren van GRIJS
naar WIT en de laatst ingestelde/opgeslagen
snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 208)
.
N.B.
Nadat u de snelheid weer met de
-knop
hebt hervat, kan een markante snelheidstoename volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 207)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 209)
Cruisecontrol* (p. 206)
Cruisecontrol* tijdelijk deactiveren en standbystand (p. 208)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Cruisecontrol* - uitschakelen
Afstandswaarschuwing*
Hier volgt een beschrijving van hoe u het systeem uitschakelt.
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) waarschuwt u, als het tijdsverschil ten opzichte van
de voorligger te klein wordt.
De cruisecontrol wordt uitgeschakeld met de
stuurtoets (1) of bij het afzetten van de motor: de
ingestelde/opgeslagen snelheid wordt daarbij
gewist waarna deze niet meer te hervatten is met
de toets
.
Distance Alert is actief bij snelheden hoger dan
30 km/h (20 mph) en reageert uitsluitend op
voorliggers. Voor voertuigen die langzaam in
tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt
geen afstandsinformatie gegeven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
N.B.
De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld,
zolang de adaptieve cruisecontrol actief is.
WAARSCHUWING
Distance Alert reageert alleen, als de afstand
tot voorliggers korter is dan de ingestelde
waarde – de rijsnelheid wordt niet aangepast.
Bediening
Cruisecontrol* (p. 206)
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 207)
Cruisecontrol* tijdelijk deactiveren en standbystand (p. 208)
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 208)
Oranje waarschuwingssymbool3.
Er brandt continu een oranje waarschuwingssymbool op de voorruit, als de afstand tot de voorligger gelijk is aan het ingestelde tijdsverschil.
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Het brandende
lampje in de schakelaar geeft aan dat de functie
geactiveerd is.
Bij bepaalde combinaties van opties is er geen
plek vrij voor een knop op de middenconsole – in
3
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire. 209
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
dat geval is het systeem te bedienen via het
menusysteem MY CAR (p. 121) van de auto - ga
vandaar naar de functie
Afstandswaarschuwing.
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
Adaptieve cruisecontrol (p. 214) geactiveerd is.
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
Tijdsverschil instellen
De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt
door de adaptieve cruisecontrol (p. 214).
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Gerelateerde informatie
Bedieningselementen en symbool voor tijdsverschil.
Tijdsverschil – Verlengen/verkorten.
Tijdsverschil - Aan.
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het instrumentenpaneel
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe langer het tijdsverschil. Eén
streepje komt overeen met zo'n 1 seconde ten
opzichte van de voorligger en 5 streepjes met
zo'n 3 seconden.
210
•
Afstandswaarschuwing* - beperkingen
(p. 210)
•
Afstandswaarschuwing* - symbolen en meldingen (p. 212)
Afstandswaarschuwing* beperkingen
Dit systeem, dat gebruik maakt van dezelfde
radarsensor als de adaptieve cruisecontrol
(p. 213) en de Collision Warning met Auto Brake
(p. 237) heeft bepaalde beperkingen.
N.B.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk waar te nemen.
In slechte weersomstandigheden en op slingerende wegen heeft de radarsensor soms
moeite om voorliggers te registreren.
Ook voorliggers met geringe afmetingen
(zoals motorfietsen) zijn soms moeilijk te ontdekken. Dat kan betekenen dat het geprojecteerde waarschuwingslampje pas bij kortere
volgtijden oplicht of dat helemaal niet gaat
branden.
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk dat
het lampje door beperkingen in het bereik van
de sensor op kortere afstand oplicht.
Voor meer informatie over de beperkingen van de
radarsensor, zie Radarsensor - beperkingen
(p. 225) en (p. 242).
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandswaarschuwing* (p. 209)
Afstandswaarschuwing* - symbolen en meldingen (p. 212)
* Optie/accessoire. 211
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Afstandswaarschuwing* - symbolen
en meldingen
Er kunnen symbolen en meldingen op het instrumentenpaneel verschijnen bij een gereduceerde
werking op grond van de systeembeperkingen.
SymboolA
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieboekje
De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige
regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 225).
CWS-systeem Service
vereist
A
De afstandswaarschuwing en Collision Warning met Auto Brake werken niet of gedeeltelijk.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
212
Afstandswaarschuwing* (p. 209)
Afstandswaarschuwing* - beperkingen
(p. 210)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol - ACC*
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een bepaalde afstand tot voorliggers
te houden door een tijdsverschil ten opzichte
van de voorligger in te stellen.
De adaptieve cruisecontrol biedt u een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en
lange, rechte hoofdwegen met een gelijkmatige
verkeersstroom.
U stelt de gewenste snelheid (p. 216) en het
tijdsverschil (p. 218) ten opzichte van de voorligger. Wanneer de radarsensor een voorligger
registreert die langzamer rijdt dan u, wordt uw
snelheid automatisch aangepast. Wanneer de
weg voor u weer vrij is, hervat de auto de ingestelde snelheid.
Als u een voorligger te dicht nadert terwijl de
adaptieve cruisecontrol uitgeschakeld is of standby staat (p. 218), wordt u door de afstandswaarschuwing (p. 209) geattendeerd op de korte
afstand.
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden
met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen
passende snelheid of afstand aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet voor
alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Neem alle hoofdstukken over de adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het systeem te gebruiken.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden
aangehouden, ook bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Na een servicebeurt kan het ACC-systeem
gedurende een bepaalde tijd een enigszins
beperkt bereik hebben. Het systeem wordt tijdens het rijden gekalibreerd, zodat het systeem automatisch de maximale functionaliteit
hervat.
Automatische versnellingsbak
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak
is de adaptieve cruisecontrol uitgebreid met een
zogeheten file-assistent (p. 220).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 214)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 215)
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen
(p. 216)
•
Adaptieve cruisecontrol* - tijdsverschil instellen (p. 218)
•
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by (p. 218)
•
Adaptieve cruisecontrol* - een ander voertuig
inhalen (p. 219)
•
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
(p. 220)
•
Adaptieve cruisecontrol* - File-assistent
(p. 220)
•
•
•
•
Radarsensor (p. 225)
Radarsensor - beperkingen (p. 225)
Adaptieve cruisecontrol* - storingen opsporen en verhelpen (p. 222)
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen (p. 223)
* Optie/accessoire. 213
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol* - werking
De adaptieve cruisecontrol bestaat uit een
cruisecontrol die gekoppeld is aan een afstandshouder.
Functie-overzicht
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u
merkt dat het systeem een voorligger niet
registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Lage
aanhangers, tegenliggers, langzaam rijdende
en stilstaande voertuigen of vaste obstakels
worden eveneens genegeerd.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen,
bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten met
een dikke laag water of sneeuwmodder, op
bochtige wegen of op op- en afritten.
Functie-overzicht4.
Waarschuwingssymbool – afremmen noodzakelijk
Stuurknoppen (p. 215)
Radarsensor (p. 225)
De afstand tot voorliggers (p. 218) wordt hoofdzakelijk gemeten met een radarsensor (p. 225).
De cruisecontrol regelt de snelheid door de stand
van de gasklep aan te passen en zo nodig af te
remmen. Het is volkomen normaal dat de remmen enige geluiden produceren, wanneer de
adaptieve cruisecontrol ze aanspreekt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar het
door u ingestelde tijdsverschil (p. 218) ten
opzichte van voorliggers in dezelfde rijstrook aan
te houden. Als de radarsensor geen voorligger
registreert, houdt de auto in plaats daarvan de
4
5
214
snelheid aan die op de cruisecontrol werd ingesteld. Dit gebeurt ook als de snelheid van de
voorligger de ingestelde snelheid overschrijdt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In situaties waarin krachtig moet worden geremd, dient
u dan ook zelf te remmen. Dit is bijvoorbeeld het
geval bij grote snelheidsverschillen of als de
voorligger krachtig remt. Door beperkingen van
de radarsensor (p. 225) is het mogelijk dat er
onverwachts of helemaal niet wordt geremd.
De adaptieve cruisecontrol is te activeren om een
tijdsverschil aan te houden ten opzichte van een
voorligger bij snelheden vanaf 30 km/h5
(20 mph) tot een maximumsnelheid van
200 km/h (125 mph). Als de snelheid tot onder
30 km/h (20 mph) daalt of als het motortoerental te laag wordt, wordt de cruisecontrol stand-by
(p. 218) gezet, waarna er niet langer automatisch
wordt afgeremd – u moet dan zelf remmen om
een veilige afstand te houden tot voorliggers.
Waarschuwingssymbool – afremmen
noodzakelijk
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol
is meer dan zo'n 40% van de totale remcapaciteit
van de auto.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
De file-assistent (p. 220) (auto's met een automatische versnellingsbak) kan een interval aan van 0–200 km/h (0–125 mph).
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
De adaptieve cruise control waarschuwt
alleen voor door de radareenheid gedetecteerde voertuigen – het kan dan ook voorkomen dat een waarschuwing vertraagd of helemaal niet wordt weergegeven. Wacht een
waarschuwing niet af, maar rem als dat nodig
is.
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
De bediening van de adaptieve cruisecontrol en
de stuurknoppenset varieert, afhankelijk van of
de auto wel of niet met een snelheidsbegrenzer7
is uitgerust.
Adaptieve cruisecontrol met
snelheidsbegrenzer
Steile wegen en/of zware belading
Audiovisueel waarschuwingssignaal wanneer een botsing dreigt6.
Als de auto harder moet worden afgeremd dan
de adaptieve cruisecontrol aankan en u remt zelf
niet bij, dan wordt u er middels het waarschuwingslampje van Collision Warning (p. 237) en
een geluidssignaal op attent gemaakt dat u
onmiddellijk moet ingrijpen.
N.B.
In de felle zon en bij gebruik van een zonnebril is de geprojecteerde informatie op de
voorruit mogelijk moeilijk te zien.
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in eerste
instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op
vlakke weggedeelten. De cruisecontrol heeft
mogelijk moeite om de juiste volgafstand ten
opzichte van voorliggers aan te houden bij ritten
op steile aflopende wegen, bij vervoer van zware
belading of met een aanhanger/caravan achter
de auto – blijf dan extra alert en rem zo nodig
zelf.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 213)
Cruisecontrol – Aan/Uit.
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
(p. 220)
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Adaptieve cruisecontrol* - een ander voertuig
inhalen (p. 219)
Stand-by zetten
Tijdsverschil – Verlengen/verkorten.
Activeren en snelheid aanpassen.
6
7
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
}}
* Optie/accessoire. 215
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Groene markering bij opgeslagen snelheid
(WIT = stand-by).
Tijdsverschil
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
Tijdsverschil
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
Adaptieve cruisecontrol zonder
snelheidsbegrenzer
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid
regelen
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 213)
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 214)
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen (p. 223)
Adaptieve cruisecontrol met snelheidsbegrenzer8.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol – Aan/Uit of stand-bystand.
Tijdsverschil – Verlengen/verkorten.
Activeren en snelheid aanpassen.
216
(Wordt niet gebruikt)
Adaptieve cruisecontrol zonder snelheidsbegrenzer8.
Groene markering bij opgeslagen snelheid
(WIT = stand-by).
Om de ACC te starten:
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd:
Druk op de stuurknop
– op het instrumentenpaneel (8) gaat een vergelijkbaar WIT
symbool branden om aan te geven dat de
adaptieve cruisecontrol stand-by (p. 218)
staat.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling
ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
N.B.
Om de ACC te activeren:
•
Druk bij de gewenste snelheid op de stuurof
.
knop
>
De actuele snelheid wordt opgeslagen in het
geheugen, het instrumentenpaneel toont
korte tijd een "vergrootglas" (6) rond de
ingestelde snelheid en de bijbehorende markering verkleurt van WIT naar GROEN.
Als dit symbool van WIT naar GROEN
verkleurt, is de ACC actief en houdt
deze de auto op de ingestelde snel-
heid.
Alleen als op het symbool de
afbeelding van een ander voertuig verschijnt, wordt de
afstand tot de voorligger geregeld door de ACC.
•
de hogere snelheid met de GROENE markering is de voorgeprogrammeerde snelheid
•
de lagere snelheid is de snelheid van de
voorligger.
Als u een knop van de adaptieve cruisecontrol
meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld.
Om de cruisecontrol dan weer te kunnen activeren moet u de auto tot stilstand brengen en
de motor opnieuw starten.
Opgeslagen snelheid wijzigen
U wijzigt de opgeslagen snelheid door de stuurof
kort of lang in te drukken.
knop
In bepaalde situaties is heractivering van de
cruisecontrol niet mogelijk – in dat geval verschijnt Adaptieve cruise control control
niet beschikbaar op het instrumentenpaneel (p. 223).
Om aan te passen met +/- 5 km/h (+/- 5 mph):
•
Kort indrukken - elke keer drukken komt
overeen met +/- 5 km/h (+/- 5 mph).
Om aan te passen met +/- 1 km/h (+/- 1 mph):
•
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
De laatst verrichte aanpassing wordt in het
geheugen opgeslagen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 213)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 215)
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 214)
Als u de snelheid verhoogt met het gaspedaal
/ -knop indrukt, wordt de
voordat u de
actuele rijsnelheid opgeslagen die geldt bij het
indrukken van de knop.
8
Een toelichting bij de cijfers op de afbeelding staan in het artikel "Adaptieve cruisecontrole - overzicht" (p. 215).
* Optie/accessoire. 217
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol* tijdsverschil instellen
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het instrumentenpaneel
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe langer het tijdsverschil. Eén
streepje komt overeen met zo'n 1 seconde ten
opzichte van de voorligger en 5 streepjes met
zo'n 3 seconden.
Om het tijdsverschil in te stellen/te wijzigen:
•
Draai aan het duimwiel van de stuurknoppen/
set (p. 215) (of gebruik de knoppen
bij een auto zonder snelheidsbegrenzer).
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot de
adaptieve cruisecontrol het tijdsverschil iets.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen
blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in
bepaalde situaties aanzienlijke variaties in het
tijdsverschil toe.
Let erop dat korte tijdsverschillen u bij plotselinge
wijzigingen in de verkeersstroom minder tijd
geven om te reageren en in te grijpen.
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
afstandswaarschuwing (p. 209) geactiveerd is.
218
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Als de adaptieve cruisecontrol bij activering
niet lijkt te reageren, kan dat komen doordat
de volgtijd ten opzichte van de voorligger een
snelheidstoename belet.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke
deactivering en stand-by
De adaptieve cruisecontrol is tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten.
Tijdelijke deactivering/stand-bystand –
met snelheidsbegrenzer
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
•
Dit symbool en de markering van de
opslagen snelheid verkleuren dan van
GROEN naar WIT.
Lees meer over hoe u de snelheid regelt (p. 216).
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 213)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 215)
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 214)
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
(p. 220)
Druk op de stuurknop
Tijdelijke deactivering/stand-bystand zonder snelheidsbegrenzer
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
•
Druk op de stuurknop
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
De adaptieve cruisecontrol wordt tijdelijk gedeactiveerd en automatisch stand-by gezet in de volgende gevallen:
•
•
•
u bedient het rempedaal
u zet de keuzehendel in stand N (automatische versnellingsbak)
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling
ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Automatische stand-bystand
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen, zoals Stabiliteitsregeling ESC
(p. 198). Als een van deze systemen niet meer
werkt, wordt de adaptieve cruisecontrol automatisch uitgeschakeld.
Bij automatische deactivering klinkt er een waarschuwingssignaal en op het instrumentenpaneel
verschijnt de melding Adaptieve cruise control
geannuleerd. U moet in dat geval zelf ingrijpen
om de snelheid en afstand ten opzichte van de
voorligger aan te passen.
Automatische deactivering is mogelijk in de volgende gevallen:
•
•
•
u opent het portier
•
de snelheid is gedaald tot onder zo'n
30 km/h9 (20 mph)
•
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
•
•
de remmen hebben een hoge temperatuur
de radarsensor wordt gehinderd door natte
sneeuw of hevige regenval (de radargolven
worden geblokkeerd).
Ingestelde snelheid hervatten
Een cruisecontrol in stand-bystand is opnieuw te
activeren bij een druk op de stuurknop
– in
dat geval wordt de laatst opgeslagen snelheid
hervat.
Adaptieve cruisecontrol* - een
ander voertuig inhalen
Als u achter een voorligger rijdt en u met de richtingaanwijzer10 aangeeft te willen inhalen, helpt
de cruisecontrol door de auto kort te versnellen
ten opzichte van de voorligger.
Het systeem werkt bij snelheden hoger dan
70 km/h (43 mph).
WAARSCHUWING
N.B.
Let erop dat deze functie bij meer situaties
dan bij inhalen kan worden geactiveerd, bijv.
als de richtingaanwijzer wordt gebruikt om het
wisselen van rijbaan of een afslag naar een
andere weg aan te geven. De auto accelereert dan kort.
Nadat de snelheid weer met
is hervat, kan
er een markante snelheidstoename volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 213)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 215)
Cruisecontrol* (p. 206)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 213)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 215)
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 214)
u neemt de veiligheidsgordel los
het toerental van de motor wordt te laag/
hoog
9 Geldt niet voor een
10 Alleen bij gebruik
auto met File-assistent – bij een dergelijke auto werkt het systeem tot aan stilstand.
van de linker richtingaanwijzers bij een auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzers bij een auto met het stuur rechts.
* Optie/accessoire. 219
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol* uitschakelen
Adaptieve cruisecontrol* - Fileassistent
Knoppenset met snelheidsbegrenzer
De file-assistent is een aanvulling op de adaptieve cruisecontrol die ook bij snelheden lager
dan 30 km/h (20 mph) werkt.
De adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld
met de stuurknop
op de knoppenset van het
stuurwiel (p. 215): de ingestelde/opgeslagen
snelheid wordt daarbij gewist waarna deze niet
.
meer te hervatten is met de toets
Knoppenset zonder
snelheidsbegrenzer
Bij kort indrukken van de stuurknop
zet u de
adaptieve cruisecontrol stand-by (p. 218). Bij
nogmaals kort indrukken vindt uitschakeling
plaats: de ingestelde/opgeslagen snelheid wordt
daarbij gewist waarna deze niet meer te hervat.
ten is met de toets
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 213)
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 214)
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen (p. 223)
Groter snelheidsinterval
N.B.
Om de adaptieve cruisecontrol te kunnen
activeren moet u het bestuurdersportier hebben gesloten en de veiligheidsgordel hebben
omgedaan.
De adaptieve cruisecontrol is aangevuld met de
functie File-assistent (ook wel "Queue Assist"
genoemd).
De file-assistent biedt de volgende functies:
•
Uitgebreid snelheidsinterval - ook bij snelheden lager dan 30 km/h (20 mph) en bij stilstand
•
•
Van doelvoertuig veranderen
•
De adaptieve cruisecontrol kan een voorligger
volgen met een snelheid tot 200 km/h
(125 mph).
N.B.
Om de cruisecontrol te kunnen activeren bij
een snelheid lager dan 30 km/h (20 mph)
mag er binnen redelijke afstand geen voorligger te bekennen zijn.
Beëindiging automatische remfunctie bij stilstand
Automatische activering parkeerrem.
Let erop dat 30 km/h (20 mph) de minimumsnelheid is waarop de adaptieve cruisecontrol in
te stellen is – ook al kan de adaptieve cruisecontrol een voorligger volgen tot aan stilstand, is het
kiezen/opslaan van een lagere snelheid dan de
genoemde 30 km/h (20 mph) niet mogelijk.
Bij korte stops tijdens filerijden of voor verkeerslichten wordt de functie automatisch hervat, als
de stop korter was dan zo'n 3 seconden – duurt
het langer voordat een voorligger weer gaat rijden, dan wordt de adaptieve cruisecontrol in de
stand-bystand met automatische remfunctie
gezet. U dient deze vervolgens op een van de volgende manieren opnieuw te activeren:
•
Druk op de stuurknop
...of...
•
220
Trap het gaspedaal in.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
>
De adaptieve cruisecontrol zal dan de voorligger opnieuw volgen.
WAARSCHUWING
Wanneer de adaptieve cruisecontrol een rijdende voorligger volgt bij snelheden hoger
dan 30 km/h (20 mph), van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig
volgt, zal de adaptieve cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren en de opgeslagen
snelheid aanhouden.
N.B.
De File-assistent kan de auto maximaal
4 minuten stilhouden – daarna wordt de parkeerrem aangezet, waarna de Adaptieve
cruisecontrol wordt uitgeschakeld.
•
Om de Adaptieve cruisecontrole te kunnen heractiveren moet u eerst de parkeerrem lossen.
Van doelvoertuig veranderen
•
Automatische stand-bystand bij
wijziging van doelvoertuig
De adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld
en stand-by gezet:
•
•
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat, kan het
gebeuren dat een stilstaande voorligger het nieuwe
doelvoertuig wordt.
Wanneer de adaptieve cruisecontrol een rijdende
voorligger volgt bij snelheden lager dan 30 km/h
(20 mph), van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig volgt, zal de adaptieve cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren.
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(5 mph) en de adaptieve cruisecontrol niet
kan registreren of het doelobject een stilstaand voertuig is of een ander object, zoals
een verkeersdrempel.
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(5 mph) en de voorligger afslaat, zodat de
adaptieve cruisecontrol geen voorligger meer
heeft om te volgen.
Annulering automatisch remmen bij
stilstand
In bepaalde situaties annuleert de File-assistent
de automatische remfunctie bij stilstand. Dat
betekent dat de remmen worden gelost en de
auto mogelijk gaat rollen – u moet daarom ingrijpen en zelf remmen om de auto stil te houden.
De File-assistent los in de volgende gevallen de
remmen en zet de adaptieve cruisecontrol standby:
•
•
•
•
u bedient het rempedaal
u zet de parkeerrem aan
u zet de keuzehendel in stand P, N of R
u de adaptieve cruisecontrol stand-by zet.
Automatische activering parkeerrem
In bepaalde situaties zet de File-assistent de parkeerrem aan om te zorgen dat de auto blijft stilstaan.
Dit vindt plaats in de volgende gevallen:
•
u opent het bestuurdersportier of maakt de
veiligheidsgordel los
•
u haalt het ESC uit de Normal-modus en zet
het in de Sport-modus
•
de File-assistent heeft de auto al meer dan
4 minuten lang stilgehouden
•
•
de motor wordt afgezet
de remmen zijn oververhit geraakt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 213)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 215)
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 214)
* Optie/accessoire. 221
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen
Als op het instrumentenpaneel de melding
Radar afgedekt Zie instructieboekje ver-
schijnt, betekent dit dat de radarsensor (p. 225)
van de adaptieve cruisecontrol geen voorliggers
kan ontdekken.
In de volgende tabel staan voorbeelden van
mogelijke oorzaken van het verschijnen van de
melding en passende maatregelen:
Deze melding geeft aan dat de Afstandswaarschuwing (p. 209) of Collision Warning met Auto
Brak (p. 237) evenmin werken.
Oorzaak
Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of sneeuw
werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak staan.
Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft dat de
radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
222
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 215)
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 214)
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen (p. 223)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen
en meldingen
een paar voorbeelden - volg in die gevallen het
gegeven advies op:
Soms kan de adaptieve cruisecontrol een symbool en/of een melding weergeven. Hier ziet u
Symbool
Melding
Betekenis
Het symbool is GROEN
De auto houdt de opgeslagen snelheid aan.
Het symbool is WIT
De adaptieve cruisecontrol staat stand-by.
De traditionele cruisecontrol is handmatig gekozen.
Stel ESC in op Normaal voor
activering ACC
De adaptieve cruisecontrol is pas te activeren als de Stabiliteitsregeling (p. 198) in de normale stand is gezet.
Adaptieve cruise control
geannuleerd
De adaptieve cruisecontrol werd gedeactiveerd – u dient zelf uw snelheid aan te passen.
Adaptieve cruise control
control niet beschikbaar
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden geactiveerd.
Dit kan onder meer gebeuren in de volgende gevallen:
•
•
Radar afgedekt Zie instructieboekje
de remmen hebben een hoge temperatuur
de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
•
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd
door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 225).
Adaptieve cruise control
Service vereist
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
•
Neem dan contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
}}
* Optie/accessoire. 223
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Symbool
Melding
Betekenis
Remmen om stil te blijven
staan + geluidssignaalA
De auto staat stil en de cruisecontrol lost de rem, zodat de parkeerrem verder kan remmen en de auto stil kan
houden. Door een storing in de parkeerrem zal de auto echter spoedig in beweging komen.
•
Onder 30 km/h Voorligger
vereistA
A
U moet zelf remmen. De melding blijft staan en het geluidssignaal klinkt, totdat u het rempedaal of gaspedaal bedient.
Verschijnt wanneer u de adaptieve cruisecontrol probeert te activeren bij een snelheid lager dan 30 km/h
(20 mph) en er geen voorligger binnen de activeringsafstand te bekennen is.
Alleen auto met File-assistent.
Gerelateerde informatie
•
•
•
224
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 213)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 215)
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 214)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Radarsensor
De radarsensor dient om personenauto’s of grotere voertuigen te registreren die in dezelfde
richting als u en in dezelfde rijstrook rijden.
•
•
Collision Warning* (p. 237)
Radarsensor - beperkingen
Afstandswaarschuwing* (p. 209)
Een radarsensor (p. 225) heeft bepaalde beperkingen die onder meer terug te voeren zijn op
het beperkte blikveld.
De radarsensor wordt gebruikt voor de volgende
systemen:
De adaptieve cruisecontrol heeft veel meer
moeite om een voorligger te ontdekken, als:
•
•
•
•
als de snelheid van de voorligger veel afwijkt
van die van uw eigen auto
•
als de radarsensor gehinderd wordt door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de
radarsensor afdekken.
Afstandswaarschuwing*
Adaptieve cruisecontrol*
Collision Warning met Auto-Brake en fietsers- & voetgangersdetectie*
BELANGRIJK
Bij zichtbare schade aan de grille van de auto
of het vermoeden dat de radarsensor beschadigd is:
•
Neem contact op met een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Als de grille, de radarsensor of de console
ervan beschadigd of losgeraakt is, kan de
functie ervan geheel of gedeeltelijk wegvallen
of storingen vertonen.
N.B.
Houd het oppervlak vóór de radarsensor
schoon - zie het gedeelte ‘Onderhoud’
(p. 241).
Blikveld
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen wordt een voertuig niet ontdekt of later dan verwacht.
Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk
dat het gebruik ervan onwettig wordt.
Gerelateerde informatie
•
•
Radarsensor - beperkingen (p. 225)
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 213)
}}
* Optie/accessoire. 225
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden
met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen
passende snelheid of afstand aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u
merkt dat het systeem een voorligger niet
registreert.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet voor
alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d.
Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden
eveneens genegeerd.
Neem alle hoofdstukken over de adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het systeem te gebruiken.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen,
bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten met
een dikke laag water of sneeuwmodder, op
bochtige wegen of op op- en afritten.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden
aangehouden, ook bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol.
WAARSCHUWING
Blikveld van de ACC.
Soms kan de radarsensor een voertuig op
korte afstand pas laat registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt tussen u en uw voorligger.
Accessoires of andere voorwerpen, zoals bijv.
verstralers, mogen niet vóór de grille worden
gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 213)
Collision Warning* (p. 237)
Afstandswaarschuwing* (p. 209)
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen of
voertuigen die niet in het midden van de rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
226
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Typegoedkeuring - radarsysteem
De typegoedkeuringen voor de radareenheden
van de auto staan in de volgende tabel.
Markt
ACCA
BLISB
Symbool
Typegoedkeuring
Este equipamento opera em caráter secundário, isto é, não tem direito à proteção contra
interferência prejudicial, mesmo de estações do mesmo tipo e não pode causar interferência
a sistemas operando em caráter primário.
✓
Modelo: L2C0038TR
1071-10-3451
Brazilië
EAN: 07897843800248
Modelo: L2C0055TR
✓
1500-15-8065
EAN: 07897843840978
Europa
✓
✓
Hereby, Delphi Electronics & Safety declares that L2C0038TR / L2C0055TR are in
compliance with the essential requirements and other relevant provisions of Directive
1999/5/EC.
The Declaration of Conformity may be consulted at Delphi Electronics & Safety / 2151 E.
Lincoln Road / Kokomo, Indiana 46902 USA
TRA
✓
REGISTERED No: 0018923/09
DEALER No: DA37380/15
Verenigde Arabische
Emiraten
TRA
✓
REGISTERED No: ER37357/15
DEALER No: DA37380/15
}}
227
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Markt
Indonesië
ACCA
BLISB
✓
Symbool
Typegoedkeuring
14785/POSTEL/2010 1982
✓
38806/SDPPI/2015 4927
Type Approval No.: TRC/LPD/2009/87
✓
Equipment type: Low Power Device (LPD)
Jordanië
✓
Type Approval No.: TRC/LPD/2015/3
Equipment Type: Low Power Device (LPD)
Certification No.
✓
DPH-L2C0038TR
Korea
✓
Certification No.
MSIP-CMI-DPH-L2C0055TR
AGREE PAR L'ANRT MAROC
✓
Numero d'agrement : MR 4838 ANRT 2009
Date d'agrement : 22/05/2009
Marokko
AGREE PAR L’ANRT MAROC
✓
NUMÉRO D’AGRÉMENT: MR 9929 ANRT 2014
DATE D’AGRÉMENT: 26/12/2014
Moldavië
228
✓
✓
1024
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Markt
ACCA
BLISB
✓
✓
Singapore
Complies with IDA Standards DA105753
APPROVED
Zuid-Afrika
✓
✓
A
B
Typegoedkeuring
TA-2009/163
✓
Taiwan
Symbool
TA-2014/2390
APPROVED
CCAB09LP4590T3
✓
CCAB15LP0680T0
ACC = Adaptive Cruise Control
BLIS = Blind Spot Information
Gerelateerde informatie
•
Radarsensor (p. 225)
229
BESTUURDERSONDERSTEUNING
City Safety™
BELANGRIJK
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen
een botsing te voorkomen tijdens filerijden en
dergelijke, waarbij plotselinge wijzigingen in het
verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid
tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
Onderhoud en vervanging van onderdelen in
City Safety™ mogen uitsluitend door een
werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Het City Safety™ dat actief is bij een snelheid tot
50 km/h (30 mph) helpt u door automatisch te
remmen, wanneer het gevaar voor een botsing
met een voorligger reëel is en u zelf niet snel
genoeg remt en/of uitwijkt.
City Safety™ werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
City Safety™ reageert niet op voertuigen die
in een andere richting dan de eigen auto rijden, op kleine voertuigen, op motorfietsen of
op mensen en dieren.
City Safety™ kan botsingen voorkomen bij
een snelheidsverschil lager dan 15 km/h
(9 mph) - bij een groter snelheidsverschil kan
de impactsnelheid alleen worden gereduceerd. Voor maximale remwerking moet u zelf
het rempedaal intrappen.
City Safety™ is erop gebouwd om zo laat mogelijk geactiveerd te worden om onnodige ingrepen
te voorkomen.
Gebruik City Safety™ niet om uw rijgedrag aan te
passen – als u er blind op vertrouwt dat City
Safety™ remt, raakt u vroeg of laat betrokken bij
een botsing.
Bij auto's met Collision Warning met Auto Brake
(p. 237)* vullen de beide systemen elkaar aan.
230
City Safety registreert het verkeer vóór de auto
middels een lasersensor boven aan de voorruit.
Wanneer het gevaar voor een aanrijding reëel is,
zal City Safety automatisch remmen, wat aandoet als een krachtige remmanoeuvre.
WAARSCHUWING
City Safety™ wordt geactiveerd in situaties waar
u eigenlijk al veel eerder had moeten remmen,
zodat de functie niet altijd uitkomst biedt.
U en eventuele passagiers zullen normaal alleen
merken dat City Safety™ actief is, wanneer een
botsing dreigt.
City Safety™ - werking
Wacht nooit af totdat City Safety™ ingrijpt. U
bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de juiste afstand en snelheid aanhoudt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
City Safety™ - beperkingen (p. 232)
City Safety™ - werking (p. 230)
City Safety™ - bediening (p. 231)
City Safety™ - lasersensor (p. 234)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 236)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt
op het instrumentenpaneel de displaymelding dat
het systeem actief is/was.
N.B.
Als City Safety™ remt, gaan de remlichten
branden.
City Safety™ - bediening
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen
een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d.,
waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer
vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijnaongelukken kunnen leiden.
Aan en Uit
Gerelateerde informatie
Zend- en ontvangstoog van de lasersensor11.
Bij een snelheidsverschil van 4–15 km/h
(3–9 mph) ten opzichte van de voorligger kan
City Safety een aanrijding geheel voorkomen.
City Safety start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u net
achter uw voorligger tot stilstand komt. Voor veel
bestuurders die dit niet gewend zijn is een dergelijke remmanoeuvre onprettig.
•
•
•
•
•
City Safety™ wordt bij het starten van de
motor automatisch gestart.
City Safety™ (p. 230)
City Safety™ - bediening (p. 231)
City Safety™ - lasersensor (p. 234)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 236)
Bij een snelheidsverschil groter dan 15 km/h
(9 mph) tussen de voertuigen kan City Safety
een aanrijding niet geheel op eigen kracht voorkomen – voor het maximale remvermogen dient u
zelf het rempedaal te bedienen. In dat geval is
het ook bij snelheidsverschillen groter dan
15 km/h (9 mph) mogelijk een aanrijding te voorkomen.
11
N.B.
City Safety™ - beperkingen (p. 232)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Soms is het handig om City Safety™ uit te kunnen schakelen, bijvoorbeeld wanneer bebladerde
takken langs de motorkap en voorruit kunnen
schampen.
City Safety™ is te bedienen in het menusysteem
MY CAR (p. 121) en na een motorstart is het
systeem als volgt uit te schakelen:
•
Ga in MY CAR naar Rijondersteuning en
kies Uit bij City Safety.
De volgende keer dat de motor wordt gestart
is de functie echter weer actief, ook al stond
het systeem uit toen de motor werd afgezet.
}}
231
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
De lasersensor geeft ook laserlicht af, wanneer u City Safety™ handmatig uitgeschakeld
hebt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
City Safety™ (p. 230)
City Safety™ - beperkingen (p. 232)
City Safety™ - werking (p. 230)
City Safety™ - lasersensor (p. 234)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 236)
MY CAR (p. 121)
City Safety™ - beperkingen
De City Safety-sensor is erop gebouwd om
auto's en andere voertuigen vóór u te ontdekken,
zowel overdag als 's nachts.
Er gelden echter bepaalde beperkingen voor het
systeem.
Door de beperkingen van de sensor werkt City
Safety minder goed – of helemaal niet – bij
hevige sneeuw- of regenval, in dichte mist of in
dikke stofwolken of stuifsneeuw. Ook condens,
vuil, sneeuw en ijs op de voorruit kunnen voor
storingen in de werking zorgen.
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/wimpels
die uitstekende lading markeren of accessoires
zoals verstralers en frontbars die boven de motorkap uitsteken zorgen voor functiebeperkingen.
Het laserlicht van de sensor in City Safety meet
hoe het licht reflecteert. De sensor kan geen
obstakels met een gering reflecterend vermogen
waarnemen. De achterkant van voertuigen weerkaatst veelal voldoende licht dankzij de kentekenplaat en de achterlichtreflectoren.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor City
Safety minder goed in staat is aanrijdingen te
voorkomen. In dergelijke situaties zullen het
ABS12 en ESC13 voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
12
13
232
(Anti-lock Braking System) - Antiblokkeerremsysteem.
(Electronic Stability Control) - Stabiliteitsregeling.
Wanneer u achteruitrijdt, is City Safety tijdelijk
gedeactiveerd.
City Safety wordt niet geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h (3 mph)), wat betekent dat
het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u een
voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens
het parkeren.
De commando's die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety niet
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando's geeft via stuurwiel of gaspedaal, zelfs al is
een aanrijding onvermijdelijk.
Nadat City Safety een aanrijding met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de auto
maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de auto
wordt afgeremd wegens een rijdende voorligger,
wordt de snelheid begrensd tot dezelfde snelheid
als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer City Safety de
auto tot stilstand heeft gebracht, tenzij u daarvoor
het koppelingspedaal weet te bedienen.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
N.B.
•
Houd de voorruit in het gebied vóór de
lasersensor vrij van sneeuw, ijs, condens
en vuil (zie de afbeelding met de sensorpositie (p. 230)).
•
Plak of bevestig geen zaken op de voorruit vóór de lasersensor.
•
Haal sneeuw en ijs van de motorkap – de
laag sneeuw en ijs mag niet dikker zijn
dan 5 cm.
Storingen opsporen en verhelpen
Als de melding Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek op het instrumentenpaneel verschijnt, worden de lasersensoren gehinderd zodat
ze geen voertuigen vóór de auto kunnen registreren. Dit betekent op zijn beurt dat City Safety niet
werkt.
De melding Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek verschijnt echter niet in alle situaties waarbij de lasersensor gehinderd worden –
let er daarom op dat u de voorruit en in het bijzonder het gebied vóór de lasersensor zorgvuldig
schoonhoudt.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en suggesties voor passende maatregelen.
Oorzaak
BELANGRIJK
Maatregel
Het voorruitoppervlak
vóór de lasersensor is
vuil of bedekt met
sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
lasersensor van vuil,
sneeuw en ijs.
Het zicht van de
lasersensor is
geblokkeerd.
Verwijder het voorwerp dat het zicht
blokkeert.
Als het voorruitoppervlak vóór een van beide
‘ogen’ barsten, krassen of steenslag vertoont
van ca. 0,5 × 3,0 mm (of groter), neem dan
contact op met een erkende werkplaats om
de voorruit te laten vervangen (zie de afbeelding met de sensorpositie (p. 230)) – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als u niets doet, presteert City Safety™
mogelijk minder goed.
Om te voorkomen dat City Safety™ helemaal
niet, onjuist of in beperkte mate werkt, geldt
tevens het volgende:
•
Volvo adviseert u scheurtjes, krassen of
sterren in het gebied vóór de lasersensor
niet te repareren, maar de complete
voorruit te vervangen.
•
Voordat de voorruit wordt vervangen,
moet u contact opnemen met een
erkende Volvo-werkplaats om te controleren of de juiste voorruit wordt besteld
en gemonteerd.
•
monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander type,
door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
}}
233
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety™ (p. 230)
City Safety™ - werking (p. 230)
City Safety™ - bediening (p. 231)
City Safety™ - lasersensor
Het City Safety™-systeem maakt gebruik van
een sensor die laserlicht uitzendt (zie afbeelding
(p. 230) voor de locatie van de sensor). Neem
contact op met een gekwalificeerde werkplaats
als de lasersensor een storing vertoont of nagekeken moet worden – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Het is daarom essentieel dat u de aangegeven instructies opvolgt bij
het hanteren van de lasersensor.
De volgende twee stickers gelden voor de lasersensor:
Op de onderste sticker staan de fysische eigenschappen van het laserlicht:
•
IEC 60825-1:1993 + A2:2001. Voldoet aan
de normen van de FDA (Amerikaanse keuringsdienst van waren) betreffende de uitvoering van laserproducten met uitzondering
van de afwijkingen conform ‘Laser Notice No.
50’, d.d. 26 juli 2001.
Stralingsgegevens voor lasersensor
De fysische gegevens staan nader omschreven in
de volgende tabel.
Maximale pulsenergie
2,64 µJ
Maximaal gem. vermogen
45 mW
Pulsduur
Divergentie (horizontaal × verticaal)
Op de bovenste sticker in de afbeelding staat de
classificatie van het laserlicht:
•
234
Laserstraling - Niet rechtstreeks in de straal
kijken met optische instrumenten - Klasse
1M laserproduct.
33 ns
28° × 12°
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
Als u de instructies in deze handleiding niet
opvolgt, bestaat er gevaar voor oogletsel!
•
•
•
Kijk nooit van een afstand van 100 mm of
minder in de lasersensor (waaruit uiteenlopende, onzichtbare laserstralen komen)
met vergrotende optiek zoals een vergrootglas, microscoop, objectief of soortgelijke optische instrumenten.
Laat tests, reparaties, demontage, afstelling en/of vervanging van de lasersensor
of delen ervan alleen uitvoeren door een
erkende werkplaats – geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
Stel de lasersensor niet bij en voer geen
onderhoud uit dat niet uitdrukkelijk in
deze handleiding staat aangegeven om
blootstelling aan schadelijke straling
tegen te gaan.
•
De reparateur dient de speciaal opgestelde werkplaatsinformatie voor de
lasersensor te volgen.
•
Demonteer de lasersensor niet (en verwijder de lenzen evenmin). Een gedemonteerde lasersensor is een laserproduct
klasse 3B volgens de IEC-norm
60825-1. Een laserproduct klasse 3B is
niet veilig voor de ogen en houdt dan ook
een gevaar voor oogletsel in.
•
Koppel de connector van de lasersensor
los voordat u deze van de voorruit demonteert.
•
Zorg dat de lasersensor op de voorruit
gemonteerd is alvorens de connector aan
te sluiten.
•
De lasersensor zendt laserlicht uit wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 87) staat, ook al is de motor
afgezet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
City Safety™ (p. 230)
City Safety™ - beperkingen (p. 232)
City Safety™ - werking (p. 230)
City Safety™ - bediening (p. 231)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 236)
235
BESTUURDERSONDERSTEUNING
City Safety™ - symbolen en
meldingen
tenpaneel gaan branden in combinatie met een
tekstmelding. Meldingen kunt u van het display
halen door de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel kort in te drukken.
Terwijl City Safety™ (p. 230) automatisch remt,
kunnen een of meer symbolen op het instrumenSymbool
Melding
Betekenis/Maatregel
Automatisch remmen door
City Safety
City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek
De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt.
•
Verwijder het voorwerp dat de sensor hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór de sensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de lasersensor (p. 232).
City Safety Service vereist
City Safety™ is defect.
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
236
City Safety™ (p. 230)
City Safety™ - beperkingen (p. 232)
City Safety™ - werking (p. 230)
City Safety™ - bediening (p. 231)
City Safety™ - lasersensor (p. 234)
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Collision Warning*
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsersen voetgangersdetectie’ is een hulpmiddel dat
bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het
gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of
voorligger botst.
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en
voetgangersdetectie’ wordt geactiveerd in situaties waar u eigenlijk al veel eerder had moeten
remmen, zodat het systeem niet altijd uitkomst
biedt.
sers- en voetgangersdetectie’ in twee uitvoeringen voorkomen:
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 244)
Uitvoering 1
U wordt alleen met visuele en akoestische signalen gewaarschuwd14 voor obstakels – er wordt
niet automatisch geremd, u moet zelf remmen.
•
Collision Warning* - symbolen en meldingen
(p. 246)
Uitvoering 2
U wordt met visuele en akoestische signalen
gewaarschuwd voor obstakels – de auto remt
automatisch als u niet zelf binnen een redelijke
tijd reageert.
BELANGRIJK
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en
voetgangersdetectie’ is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
Onderhoud aan de componenten van ‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en
voetgangsdetectie’ mag uitsluitend worden
uitgevoerd in een werkplaats – geadviseerd
wordt een door Volvo erkende werkplaats.
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en
voetgangersdetectie’ kan een aanrijding voorkomen of de impactsnelheid verlagen.
Gebruik ‘Collision Warning met Auto Brake en
fietsers- en voetgangersdetectie’ niet om uw rijgedrag aan te passen – als u er blind op vertrouwt dat Collision Warning met Auto Brake
remt, raakt u vroeg of laat betrokken bij een aanrijding.
Twee systeemuitvoeringen
Afhankelijk van het uitrustingsniveau van de auto
kan de ‘Collision Warning met Auto Brake en fiet14
Gerelateerde informatie
•
•
Collision Warning* - werking (p. 238)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 240)
•
Collision Warning* - detectie van fietsers
(p. 239)
•
•
Collision Warning* - bediening (p. 241)
Collision Warning* - beperkingen (p. 243)
Geen waarschuwing voor fietsers bij ‘Uitvoering 1’.
* Optie/accessoire. 237
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Collision Warning* - werking
1 – Collision Warning
Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende
aanrijding.
Collision Warning kan voetgangers, fietsers of
voertuigen voor uw auto ontdekken, die stilstaan
of in dezelfde richting als u rijden.
Bij gevaar voor een aanrijding met een voetganger, fietser of voertuig, wordt uw aandacht
getrokken met een rood knipperend waarschuwingssymbool (1) en een akoestisch signaal.
2 - Brake Support16
Functie-overzicht15.
Audiovisueel waarschuwingssignaal wanneer
een botsing dreigt.
Radarsensor16
Camerasensor
Collision Warning met Auto Brake vervult drie
functies in de volgende volgorde:
1.
Collision Warning
2.
Brake Support16
3.
Auto Brake16
Collision Warning en City Safety™ (p. 230) vullen
elkaar aan.
15
16
238
3 - Auto Brake16
Op het laatste moment wordt de automatische
remfunctie geactiveerd.
Als u in deze fase nog steeds niet aan een uitwijkmanoeuvre bent begonnen en het aanrijdingsgevaar urgent is, schakelt de automatische
remfunctie in, ongeacht of u remt of niet. De auto
wordt daarbij maximaal afgeremd om de botssnelheid te beperken of zoveel als nodig is om
een aanrijding te voorkomen. Voor fietsers wordt
mogelijk zeer laat gewaarschuwd en geremd of
gelijktijdig gewaarschuwd en geremd.
Als het gevaar voor een aanrijding na de Collision
Warning verder is toegenomen, treedt de Brake
Support in werking.
Dit betekent dat het systeem de nodige voorbereidingen treft voor een snelle remmanoeuvre,
waarna de remmen licht worden aangezet. Dit is
te merken aan een lichte schok.
Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid
bedient, wordt het maximale remvermogen geleverd.
Brake Support helpt u eveneens bij het remmen,
als het systeem ervan uitgaat dat de remmanoeuvre alleen niet voldoende is om een botsing
te voorkomen.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Alleen met een systeem in uitvoering 2.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Collision Warning reageert niet op naderende
tegenliggers of fietsers noch op dieren.
Collision Warning* - detectie van
fietsers
Er wordt alleen gewaarschuwd, wanneer het
risico van een botsing groot is. In het onderdeel "Functie" en "Beperkingen" wordt geïnformeerd over de beperkingen die u als
bestuurder moet kennen, voordat u de Collision Warning met Auto Brake gebruikt.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h (50 mph).
In het donker en in tunnels kan niet worden
gewaarschuwd noch geremd voor voetgangers en fietsers – zelfs al brandt de straatverlichting.
Het systeem ‘ziet’ alleen de achterkant van fietsers die
zich in dezelfde richting als uw auto bewegen.
Auto Brake kan een botsing geheel voorkomen of de botssnelheid verlagen. Bedien voor
een maximale remwerking altijd het rempedaal – ook al wordt er automatisch geremd.
Wacht nooit een waarschuwingssignaal van
de Collision Warning af. U bent er altijd verantwoordelijk voor om de juiste afstand en
snelheid aan te houden – ook bij gebruik van
de Collision Warning met Auto Brake.
Gerelateerde informatie
•
17
Collision Warning* (p. 237)
Optimaal voorbeeld van wat het systeem als een fietser
beschouwt – met duidelijke lichaams- en fietscontouren,
De reflector moet voldoen aan de aanbevelingen en voorschriften van de verkeersinstantie in het desbetreffende land.
recht van achteren gezien en in het verlengde van de
hartlijn door de auto.
Voor optimale prestaties van het systeem dient
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van fietsers zo uniform mogelijke
informatie over de lichaams- en fietscontouren
ontvangen – dat houdt in dat kenmerkende
(lichaams-)delen zoals fiets, hoofd, armen, schouders, benen, borstkas en buik moeten kunnen
worden waargenomen evenals een bewegingspatroon dat voor fietsers als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan fietsers niet ontdekken, als de
camera grote delen van het lichaam van de fietser of van zijn/haar fiets niet kan waarnemen.
•
Het systeem kan alleen volwassen fietsers
ontdekken die op een dames- of herenfiets
zitten.
•
De fiets moet aan de achterkant zijn voorzien
van een rode reflector die goed zichtbaar en
goedgekeurd17 is en op minstens 70 cm
boven het wegdek zit.
•
Het systeem kan fietsers alleen recht van
achteren ontdekken en alleen als deze zich
in dezelfde richting als uw auto bewegen –
niet schuin van achteren of van opzij.
•
Fietsers die dicht op de denkbeeldige snijlijnen door de zijkanten van uw auto fietsen
}}
* Optie/accessoire. 239
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
(links of rechts ervan) worden mogelijk laat
of helemaal niet ontdekt.
•
Bij zonsondergang en -opgang kan het systeem fietsers minder goed registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
•
Het systeem is niet in staat fietsers te registreren bij ritten in het donker of in tunnels –
zelfs al brandt de straatverlichting.
•
Voor optimale fietsersdetectie moet het systeem City Safety™ zijn geactiveerd, zie City
Safety™ (p. 230).
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 237)
Collision Warning* - detectie van
voetgangers
WAARSCHUWING
Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie is een hulpmiddel.
Fietserdetectie is niet mogelijk:
•
in alle situaties en het systeem heeft bijvoorbeeld moeite met gedeeltelijk zichtbare fietsers;
•
bij fietsers in kleding die de lichaamscontouren verhult of fietsers die van de zijkant komen;
•
bij fietsen waar achterop geen reflector
zit;
•
bij fietsen waarop grote voorwerpen worden vervoerd.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt afhankelijk van de rijsnelheid.
240
Ideaalvoorbeelden van wat het systeem als voetgangers
met herkenbare lichaamscontouren beschouwt.
Voor optimale prestaties van het systeem dient
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke informatie over de lichaamscontouren ontvangen – dat houdt in dat kenmerkende
lichaamsdelen zoals hoofd, armen, schouders,
benen, borstkas en buik moeten kunnen worden
waargenomen evenals een bewegingspatroon
dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan voetgangers niet ontdekken, als
de camera grote delen van het lichaam niet kan
waarnemen.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
Een voetganger is alleen te ontdekken wanneer deze helemaal zichtbaar is en een
lengte heeft van minimaal 80 cm.
•
Bij zonsondergang en -opgang kan de camerasensor voetgangers minder goed registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
•
De camerasensor is niet in staat voetgangers
te registreren bij ritten in het donker of in
tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
Collision Warning* - bediening
Waarschuwingssignalen Aan en Uit
Waarschuwingslampje en geluidssignaal
Wanneer het waarschuwingslampje en het
geluidssignaal zijn ingeschakeld, wordt het waarschuwingslampje (nr. [1] op de voorgaande
afbeelding) bij iedere motorstart getest door de
verschillende lichtpunten korte tijd te laten branden.
Na het starten van de motor zijn zowel het waarschuwingslampje als het geluidssignaal uit te
schakelen:
WAARSCHUWING
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en voetgangsdetectie’ is een hulpmiddel. Het systeem kan niet altijd alle voetgangers detecteren en heeft bijvoorbeeld moeite
met:
•
•
slechts gedeeltelijk zichtbare voetgangers, voetgangers die gekleed gaan in
kleding die de lichaamscontouren verhult
of voetgangers met een lengte tot korter
dan 80 cm;
voetgangers die grote voorwerpen dragen.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt afhankelijk van de rijsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 237)
Via het menusysteem MY CAR op het display van
de middenconsole zijn instellingen voor de Collision Warning te verrichten, zie (p. 121).
1. Akoestisch en visueel waarschuwingssignaal wanneer
een botsing dreigt18.
U kunt aangeven of de geluidssignalen en het
geprojecteerde waarschuwingslampje voor de
Collision Warning moeten zijn in- of uitgeschakeld.
Bij het starten van de motor geldt automatisch de
instelling die actief was toen de motor werd afgezet.
N.B.
De functies Brake Support en Auto Brake zijn
altijd actief – ze kunnen niet uitgeschakeld
worden.
•
Ga naar Botswaarschuwing in
Rijondersteuning in het menusysteem MY
CAR (p. 121) - vink de functie daar uit.
Geluidssignaal
Na het starten van de motor is het geluidssignaal
apart in/uit te schakelen:
•
Ga naar Signaaltoon in
Botswaarschuwing in het menusysteem
MY CAR (p. 121) - kies daar Aan of Uit.
Vervolgens vindt de Collision Warning alleen met
lichtsignalen plaats.
Waarschuwingsafstand instellen
De waarschuwingsafstand is de afstand waarbij
een visueel signaal en een geluidssignaal worden
afgegeven.
}}
* Optie/accessoire. 241
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
•
Ga naar Waarschuwingsafstand in
Botswaarschuwing in het menusysteem
MY CAR (p. 121) - kies daar Lang, Normaal
of Kort.
De waarschuwingsafstand is bepalend voor de
gevoeligheid van het systeem. Bij de waarschuwingsafstand Lang wordt eerder gewaarschuwd.
Ga altijd uit van de instelling Lang, maar als deze
instelling te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in
bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u overgaan op de waarschuwingsafstand Normaal.
Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij
dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort.
N.B.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en de
waarschuwingszoemer door de cruisecontrol
gehanteerd, ook al hebt u de Collision Warning gedeactiveerd.
Onderhoud
Voor een optimale werking van de Collision
Warning dient u de Afstandswaarschuwing
(p. 209) altijd in te stellen op tijdsverschil 4-5.
N.B.
WAARSCHUWING
Geen enkel automatisch systeem kan in alle
situaties een 100 % feilloze werking garanderen. Test Collision Warning met Auto Brake
daarom nooit uit op mensen of voertuigen dat kan namelijk tot ernstig letsel/ernstige
schade en levensgevaarlijke situaties leiden.
242
De actuele instellingen zijn te controleren via het
display van de middenconsole en in het menusysteem (p. 121) MY CAR.
De Collision Warning waarschuwt u bij gevaar
voor een botsing, maar het systeem is niet in
staat de reactietijd te verkorten.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden afgegeven. Bijvoorbeeld bij grote snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig remt.
18
19
Instellingen controleren
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Camera- en radarsensor19.
De sensoren werken alleen naar behoren wanneer u vuil, ijs en sneeuw verwijdert en ze regelmatig schoonmaakt met water en autoshampoo.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken,
neemt de functie af en kan meten onmogelijk
worden gemaakt.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 237)
Collision Warning* - beperkingen
Het systeem heeft bepaalde beperkingen – zo is
het systeem pas actief bij snelheden van zo'n
4 km/h (3 mph) en hoger.
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit
geprojecteerde waarschuwingslampje voor de
Collision Warning (zie (1) op de afbeelding
(p. 238)) soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook
mogelijk als u niet recht vooruit kijkt. Houd de
waarschuwingszoemer daarom altijd ingeschakeld.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor het
systeem minder goed in staat is aanrijdingen te
voorkomen. In dergelijke situaties zullen het ABS
en de ESC (p. 198) voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan korte
tijd buiten werking worden gesteld, wanneer
de temperatuur in het interieur bijvoorbeeld
door de felle zon te hoog is opgelopen. Als dit
gebeurt, wordt er een waarschuwingszoemer
afgegeven ook al hebt u deze uitgeschakeld
via het menusysteem.
•
Waarschuwingen kunnen eveneens uitblijven bij een zeer geringe afstand tot de
voorligger of bij relatief grote stuur- en
pedaalbewegingen zoals bij een zeer
actieve rijstijl.
}}
* Optie/accessoire. 243
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
Als de gecombineerde camera en radarsensor op grond van de verkeerssituatie of
anderszins problemen heeft voetgangers,
voorliggers of fietsers te ontdekken, is het
mogelijk dat het systeem pas laat, onterecht
of helemaal geen waarschuwing geeft en
remt.
De sensoren hebben een beperkt bereik voor
voetgangers en fietsers20, zodat het systeem
voor dergelijke weggebruikers efficiënt waarschuwt en remingrepen verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h (30 mph). Voor stilstaande
of langzaam rijdende voorliggers wordt efficient gewaarschuwd en geremd bij rijsnelheden
tot 70 km/h (43 mph).
In het donker of bij slecht zicht wordt mogelijk
niet gewaarschuwd voor langzaam rijdende of
stilstaande voorliggers.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h (50 mph).
De Collision Warning maakt gebruik van dezelfde
radarsensor als die van de adaptieve cruisecontrol (p. 213). Lees meer over de beperkingen van
de radarsensor (p. 225).
teem waarschuwt dan minder snel en minder
vaak.
Collision Warning* - beperkingen
van de camerasensor
Met geactiveerde achteruitversnelling is de Collision Warning met Auto Brake tijdelijk gedeactiveerd.
"Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie" is een hulpmiddel dat
bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het
gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of
voorligger botst.
Collision Warning met Auto Brake wordt niet
geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h
(3 mph)), wat betekent dat het systeem niet
ingrijpt in situaties waarbij u een voorligger uiterst
langzaam nadert zoals tijdens het parkeren.
In situaties waarin u actief en bewust rijgedrag
laat zien, wordt Collision Warning minder actief.
Nadat Auto Brake een aanrijding met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de auto
maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de auto
wordt afgeremd wegens een rijdende voorligger,
wordt de snelheid begrensd tot dezelfde snelheid
als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer Auto Brake
de auto tot stilstand heeft gebracht, tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet te bedienen.
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 237)
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd en
de signalen als storend ervaart, kunt u de waarschuwingsafstand verkleinen (p. 241). Het sys-
20
244
Het systeem maakt gebruik van de camerasensor van de auto, die bepaalde beperkingen
heeft.
De camerasensor van de auto wordt naast de
Collision Warning met Auto Brake ook gebruikt
door de functies:
•
•
•
•
Automatisch groot licht (p. 100)
Verkeersbordinformatie (p. 253)
Driver Alert Control - DAC (p. 256)
Rijbaanassistent (p. 259)
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór de
camerasensor, aangezien één of meer camera’s voor het systeem hierdoor slechter of niet
meer werken.
Voor fietsers wordt mogelijk zeer laat gewaarschuwd en geremd of gelijktijdig gewaarschuwd en geremd.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
De camerasensor kent ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in dat de
sensor minder goed "ziet" bij hevige regen- of
sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke
omstandigheden kunnen functies die gebruik
maken van de camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd worden.
Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde
of onduidelijke rijstrookmarkeringen kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen voor de functies die van de camera gebruik maken om bijvoorbeeld het wegdek af te tasten en andere
voertuigen en voetgangers te ontdekken.
Het blikveld van de camerasensor is beperkt,
zodat voetgangers, fietsers en voertuigen in
bepaalde situaties niet kunnen worden geregistreerd of later worden ontdekt dan verwacht.
Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera de
eerste ca. 15 minuten na het starten van de
motor niet om de camerafunctie te ontzien.
•
•
•
•
Automatisch groot licht
Driver Alert Control
Rijbaanassistent
Verkeersbordinformatie
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en passende
maatregelen.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak
vóór de camera is
vuil of bedekt met
sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
camera van vuil,
sneeuw en ijs.
Bij dichte mist en
hevige regen- of
sneeuwval heeft de
camera een minder
goed zicht.
Valt niets aan te doen.
Bij hevige neerslag
werkt de camera soms
niet.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak
vóór de camera is
schoongemaakt,
maar de melding
blijft.
Wacht even. Het kan
enige minuten duren
voordat de camera het
zicht opnieuw heeft
gemeten.
Er is vuil tussen de
binnenkant van de
voorruit en de
camera gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de voorruit
achter de camerabehuizing te laten
schoonmaken – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 237)
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding Voorruitsensoren
afgedekt Zie instructieboek staat, betekent dit
dat de camerasensor afgedekt is en geen voetgangers, fietsers, voertuigen of rijstrookmarkeringen vóór de auto kan ontdekken.
Dit betekent tevens dat, naast Collision Warning
met automatisch remmen, de volgende functies
evenmin volledig werken:
* Optie/accessoire. 245
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Collision Warning* - symbolen en
meldingen
"Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie" is een hulpmiddel dat
SymboolA
bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het
gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of
voorligger botst.
Melding
Betekenis
Collision warning system UIT
Collision Warning is uitgeschakeld.
Verschijnt bij het starten van de motor.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de OK-knop drukt.
CWS-systeem niet
beschikbaar
Het is niet mogelijk Collision Warning te activeren.
Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de OK-knop drukt.
Remassistent geactiveerd
De Auto Brake was actief.
Voorruitsensoren afgedekt Zie instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
De melding verdwijnt na bediening van de OK-knop.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 244).
246
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
SymboolA
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieboekje
Collision Warning met Auto Brake werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige
regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 225).
CWS-systeem Service
vereist
A
Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Collision Warning* (p. 237)
Collision Warning* - werking (p. 238)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 240)
•
Collision Warning* - detectie van fietsers
(p. 239)
•
•
•
Collision Warning* - bediening (p. 241)
Collision Warning* - beperkingen (p. 243)
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 244)
* Optie/accessoire. 247
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BLIS*
Overzicht
BLIS (Blind Spot Information) is een functie om
u ondersteuning te bieden bij rijden in druk verkeer op wegen met meerdere rijbanen in
dezelfde richting.
Het BLIS-systeem is een hulpmiddel om u te
waarschuwen voor:
•
•
voertuigen in de dode hoek
snel inhalende voertuigen in de linker en
rechter rijbaan naast uw auto.
De BLIS-functie CTA (p. 250) (Cross Traffic
Alert) is een hulpmiddel om u te waarschuwen
voor:
•
kruisend verkeer als u achteruitrijdt met de
auto.
WAARSCHUWING
BLIS is slechts een aanvullend hulpmiddel en
werkt niet in alle situaties.
BLIS vormt geen vervanging voor een veilige
rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
Ook met BLIS moet u altijd oplettend en verantwoord blijven rijden - u bent er altijd verantwoordelijk voor dat u op een veilige manier
van rijstrook wisselt.
21
248
Houd dit gebied schoon - ook aan de linkerzijde.
Positie BLIS-lampje21.
Controlelampje
BLIS-symbool
N.B.
Het lampje gaat branden aan de kant van de
auto waar het systeem het voertuig heeft ontdekt. Als de auto aan beide kanten tegelijkertijd wordt ingehaald, gaan beide lampjes branden.
•
Voor optimale werking is het belangrijk dat
de oppervlakken vóór de sensoren worden
schoongehouden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
BLIS* - bediening (p. 249)
BLIS - symbolen en meldingen (p. 252)
CTA* (p. 250)
Onderhoud
De sensoren voor het BLIS-systeem zitten aan
de binnenkant van beide hoeken van achterspatbord/bumper.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BLIS* - bediening
BLIS (Blind Spot Information) is een functie om
u ondersteuning te bieden bij rijden in druk verkeer op wegen met meerdere rijbanen in
dezelfde richting.
BLIS activeren/deactiveren
BLIS wordt geactiveerd bij het starten van de
motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes op de portierpanelen die één keer oplichten.
bevestigt de wijziging met een displaymelding bij activering lichten de controlelampjes op de
portierpanelen eenmaal op.
Om de melding te laten verdwijnen:
•
Druk op de OK-knop van de linker stuurhendel.
of
•
Wanneer BLIS een voertuig binnen zone 1 of een
snel inhalend voertuig in zone 2 ontdekt, brandt
het BLIS-lampje op het portierpaneel constant.
Als u in deze stand de richtingaanwijzers activeert aan de kant waarvoor de waarschuwing
wordt gegeven, schakelt het BLIS-lampje over
van constant branden op knipperen met een feller licht.
Wacht ongeveer 5 seconden - de melding
verdwijnt.
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
Wanneer BLIS werkt
BLIS werkt niet als de auto achteruitrijdt.
Beperkingen
Knop voor activering/deactivering.
Het BLIS is te deactiveren/activeren met een
druk op de BLIS-knop op de middenconsole.
Principe voor BLIS: 1. Zone in dode hoek. 2. Zone voor
snel inhalende voertuigen.
Bij bepaalde combinaties van opties is er geen
plek vrij voor een knop op de middenconsole – in
dat geval is het systeem te bedienen via het
menusysteem MY CAR (p. 121) van de auto.
Het BLIS werkt bij snelheden hoger dan
10 km/h (6 mph).
Bij deactivering/activering van BLIS dooft/brandt
het lampje in de knop en het instrumentenpaneel
•
•
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken. BLIS kan
dergelijke beperkende omstandigheden niet
detecteren.
•
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers
binnen het oppervlak van de sensoren.
•
BLIS wordt gedeactiveerd, als u een aanhanger op het elektrische systeem van de auto
aansluit.
Het systeem reageert, in de volgende gevallen:
u wordt ingehaald
achterliggers naderen snel.
}}
* Optie/accessoire. 249
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
BELANGRIJK
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van de
bumper mogen uitsluitend in een werkplaats
worden uitgevoerd. Een erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Gerelateerde informatie
•
•
BLIS* (p. 248)
BLIS - symbolen en meldingen (p. 252)
CTA*
CTA is slechts een aanvullend hulpmiddel en
werkt niet in alle situaties.
CTA activeren/deactiveren
Ook met CTA moet u altijd oplettend en verantwoord blijven rijden - u bent er altijd verantwoordelijk voor dat u op een veilige manier
achteruitrijdt.
CTA wordt geactiveerd bij het starten van de
motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes voor BLIS op de portierpanelen die één keer
oplichten.
CTA vormt geen vervanging voor een veilige
rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
Wanneer CTA werkt
Aan/Uit voor de sensoren voor Parkeerhulp en CTA.
Het CTA-systeem is apart uit/in te schakelen
met de Aan/Uit-knop voor de Parkeerhulp
(p. 263). De BLIS-lampjes lichten bij heractivering eenmaal op.
Na uitschakeling van het CTA-systeem is het
BLIS-systeem echter nog steeds geactiveerd.
250
WAARSCHUWING
Het BLIS-systeem CTA (Cross Traffic Alert) is
een hulpmiddel om u voor kruisend verkeer te
waarschuwen, als u achteruitrijdt met de auto.
CTA is een aanvulling op BLIS (p. 248).
Principe voor CTA.
CTA vormt een aanvulling op het BLIS-systeem
door bij achteruitrijden het kruisende verkeer
vanaf de zijkant te kunnen zien, bijvoorbeeld als
de auto achteruit een parkeervak verlaat.
CTA is bedoeld om in de eerste plaats voertuigen
te ontdekken – in gunstige gevallen kunnen ook
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
kleinere voorwerpen zoals fietsen en voetgangers
worden ontdekt.
die/dat in de weg zit, zodat de dode hoek snel in
grootte afneemt.
CTA is alleen actief tijdens het achteruitrijden en
wordt automatisch geactiveerd als de achteruitversnelling wordt geactiveerd.
Voorbeelden van andere beperkingen:
•
Een geluidssignaal waarschuwt als CTA ontdekt dat iets vanaf de zijkant nadert - het
geluid komt uit de linker of rechter luidsprekers, afhankelijk van uit welke richting het
object nadert.
•
CTA waarschuwt ook doordat de BLIS-lampjes gaan branden.
•
Er wordt ook een waarschuwing gegeven
met een brandend pictogram in de grafische
PAS-voorstelling (p. 263) op het beeldscherm.
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken. CTA kan dergelijke beperkende omstandigheden niet
detecteren.
•
CTA wordt gedeactiveerd als een aanhanger
op het elektrische systeem van de auto wordt
aangesloten.
Uw auto staat ver naar achteren in een parkeervak.
Dode hoek CTA.
Detectiegebied/‘blikveld’ CTA.
Beperkingen
Het CTA werkt niet in alle situaties optimaal,
maar heeft zijn beperkingen – zo kunnen de
CTA-sensoren niet ‘door’ andere geparkeerde
voertuigen of voorwerpen die het zicht blokkeren
heen kijken.
BELANGRIJK
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van de
bumper mogen uitsluitend in een werkplaats
worden uitgevoerd. Een erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Onderhoud
De sensoren voor de BLIS- en CTA-systemen zitten aan de binnenkant van beide hoeken van
achterspatbord/bumper.
Hier volgen enkele voorbeelden van situaties
waar het ‘blikveld’ van het CTA aanvankelijk
beperkt is, zodat naderende voertuigen pas op
het laatste moment geregistreerd worden:
In schuine parkeervakken valt de ene kant van de auto
mogelijk helemaal binnen de dode hoek van het CTA.
Naarmate u verder achteruitrijdt, verandert de
hoek ten opzichte van de auto/het obstakel
}}
251
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
BLIS - symbolen en meldingen
In situaties waarbij het BLIS (Blind Spot
Information) (p. 248) en CTA (Cross Traffic
Alert) (p. 250) uitblijven of worden onderbroken,
kan er een symbool op het instrumentenpaneel
verschijnen in combinatie met een verklarende
melding. Neem een eventueel advies in acht.
Gerelateerde informatie
•
BLIS* (p. 248)
Voorbeelden van meldingen:
Houd dit gebied schoon - ook aan de linkerzijde.
•
•
Voor optimale werking is het belangrijk dat
de oppervlakken vóór de sensoren worden
schoongehouden.
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers
binnen het oppervlak van de sensoren.
Gerelateerde informatie
•
•
BLIS* (p. 248)
BLIS - symbolen en meldingen (p. 252)
Melding
Betekenis
CTA UIT
CTA is handmatig uitgeschakeld - BLIS is actief.
BLIS en
CTA UIT
Aanhanger
aangekoppeld
BLIS en CTA zijn tijdelijk buiten werking, omdat er een
aanhanger is aangesloten op
het elektrische systeem van de
auto.
BLIS en
CTA Service vereist
BLIS en CTA zijn buiten werking.
•
Bezoek een werkplaats
als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
Meldingen kunt u van het display halen door de
OK-knop op de richtingaanwijzerhendel kort in te
drukken.
252
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie (RSI)*
WAARSCHUWING
Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI – Road
Sign Information) helpt u onthouden welke snelheidsborden u gepasseerd bent.
RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften houdt.
Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening
Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI – Road
Sign Information) helpt u onthouden welke snelheidsborden u gepasseerd bent.
Bediening van het systeem:
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordenherkenning (RSI)* - bediening (p. 253)
•
Verkeersbordinformatie (RSI)* beperkingen
(p. 255)
Voorbeelden van leesbare snelheidsborden22.
Het verkeersbordinformatiesysteem RSI geeft
informatie over o.a. actuele snelheid, begin of
eind van een autoweg of snelweg en inhaalverboden.
Als zowel een bord met snel-/autoweg als een
bord met de maximumsnelheid wordt gepasseerd, toont RSI alleen het bordsymbool voor de
maximumsnelheid.
22
23
Geregistreerde snelheidsinformatie23.
Als RSI een verkeersbord registreert met de geldende snelheid, geeft het instrumentenpaneel
dat bord als symbool weer.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in deze instructie zijn slechts voorbeelden.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in deze instructie zijn slechts voorbeelden.
Samen met het symbool voor
de geldende snelheidsbeperking kan (voor zover van toepassing) ook een bord met
inhaalverbod verschijnen.
}}
* Optie/accessoire. 253
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Einde snelheidsbeperking of snelweg
Aanvullende borden
Wanneer het RSI een bord registreert dat het
einde van een snelheidsbeperking aangeeft (of
andere snelheidsspecifieke informatie zoals het
einde van een snelweg), verschijnt het desbetreffende verkeersbord ca. 10 seconden lang op het
instrumentenpaneel:
Het snelheidsbord dat aan dit type aanvullend
bord is gekoppeld, verschijnt alleen als u de richtingaanwijzer gebruikt.
Voorbeelden van dergelijke borden zijn:
Voorbeelden van aanvullende borden23.
Einde snelheidsbeperkingen.
Einde snelweg.
Vervolgens wordt er geen verkeersbordinformatie
weergegeven, totdat het volgende snelheidsbord
wordt geregistreerd.
Soms kent een en dezelfde weg verschillende
snelheidsbeperkingen – een aanvullend bord
geeft dan aan onder welke omstandigheden de
snelheden gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan
om een gevaarlijke weg bij bijvoorbeeld regen
en/of mist.
Het aanvullende bord met betrekking tot regen
verschijnt alleen als de ruitenwissers zijn geactiveerd.
Op bepaalde markten wordt de
geldende snelheid op een afrit
aangegeven met een aanvullend bord met een pijl.
Sommige snelheden gelden bijvoorbeeld alleen
een bepaald traject of op een bepaalde tijd van
de dag. U wordt hierop geattendeerd met een
symbool voor een aanvullend bord onder het
snelheidssymbool.
Weergave van aanvullende informatie
Een leeg vakje onder het snelheidssymbool op
het instrumentenpaneel geeft aan dat het RSI
een bord heeft geregistreerd met aanvullende
informatie over de geldende snelheidsbeperking.
Instelling in MY CAR
De beschikbare opties voor het RSI vindt u in het
menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 121).
23
254
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in deze instructie zijn slechts voorbeelden.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Road Sign Information Aan/Uit
perking met 5 km/h (5 mph) of meer. De waarschuwing bestaat uit een tijdelijk knipperend
symbool voor de maximumsnelheid als de snelheid wordt overschreden. U kunt het systeem
activeren/deactiveren in het menusysteem MY
CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
Sensus Navigation
Bij een auto met Sensus Navigation, wordt er in
de volgende gevallen snelheidsspecifieke informatie opgehaald uit de navigatie-eenheid:
Het is mogelijk de weergave van snelheidssymbolen op het instrumentenpaneel te deactiveren.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
Speed Alert
•
Bij indirecte snelheidsaanduiding24, zoals bij
borden voor autosnelwegen en autowegen.
•
Als een eerder waargenomen bord als niet
langer geldig wordt gezien en er geen nieuw
bord is gepasseerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verkeersbordinformatie (RSI)* (p. 253)
Verkeersbordinformatie (RSI)* beperkingen
(p. 255)
MY CAR (p. 121)
Verkeersbordinformatie (RSI)*
beperkingen
Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI – Road
Sign Information) helpt u onthouden welke snelheidsborden u gepasseerd bent. Het systeem
heeft de volgende beperkingen.
De camerasensor van het RSI-systeem kent
ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk
oog – lees daarover meer in het gedeelte over de
beperkingen van de camerasensor (p. 244).
Borden die indirect informeren over snelheidsbeperkingen, bijvoorbeeld naamborden van steden/
dorpen, worden niet geregistreerd door het RSIsysteem.
Hieronder volgen enkele voorbeelden die de
functie kunnen storen:
•
•
•
•
•
Verbleekte borden
Borden in een bocht
Verdraaide of beschadigde borden
Verscholen of slecht geplaatste borden
Borden die geheel of gedeeltelijk zijn afgedekt met ijs, sneeuw en/of vuil.
Gerelateerde informatie
U kunt ervoor kiezen of u een waarschuwing wil
krijgen bij een overschrijding van de snelheidsbe24
•
•
Verkeersbordinformatie (RSI)* (p. 253)
Verkeersbordenherkenning (RSI)* - bediening (p. 253)
Afhankelijk van de markt kunnen verschillen voorkomen.
* Optie/accessoire. 255
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Driver Alert System*
Driver Alert System is bestemd om u te helpen
als de auto op een ongecontroleerde manier
wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden.
Driver Alert System bestaat uit verschillende
functies die tegelijk of apart in te schakelen zijn:
•
•
Driver Alert Control - DAC (p. 257).
Rijbaanassistent - LDW (p. 259).
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert Control (DAC)* (p. 256)
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 259)
Driver Alert Control (DAC)*
Het DAC-systeem is bedoeld om uw aandacht
te trekken, wanneer u de auto op een ongecontroleerde manier bestuurt (omdat u bijvoorbeeld
afgeleid wordt of bijna in slaap valt).
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in het
rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie op de
grotere wegen. De functie is niet bedoeld voor
gebruik in het stadsverkeer.
Een ingeschakelde functie wordt pas daadwerkelijk geactiveerd bij snelheden hoger dan 65 km/h
(40 mph). Bij lagere snelheden staat de functie
stand-by.
De functie wordt weer uitgeschakeld, zodra de
snelheid onder de 60 km/h (37 mph) daalt.
Beide functies maken gebruik van een camera
die alleen rijstroken met aan weerszijden geschilderde zijmarkeringen kan onderscheiden.
WAARSCHUWING
Het Driver Alert System werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt.
256
Een camera tast de geschilderde rijstrookmarkeringen af en vergelijkt de wegrichting met uw
stuurbewegingen. U wordt gewaarschuwd wanneer de auto de wegrichting op een ongecontroleerde manier volgt.
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. In dat
geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd. Het
is daarom van groot belang dat u bij opkomende
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
vermoeidheid de auto op een geschikte plek parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de
vraag of DAC nu wel of niet heeft gewaarschuwd.
N.B.
De functie mag niet worden gebruikt om de
rijtijd te verlengen. Plan altijd regelmatig pauzes in en zorg ervoor dat u bent uitgerust.
Beperkingen
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit
kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
zijdelingse rukwinden
spoorvorming in het wegdek.
N.B.
De camerasensor heeft zijn beperkingen
(p. 244).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Driver Alert System* (p. 256)
Driver Alert Control (DAC)* - bediening
(p. 257)
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen (p. 258)
Driver Alert Control (DAC)* bediening
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing altijd serieus, omdat
u bij slaperigheid uw lichamelijke conditie
vaak minder goed kunt inschatten.
Via het menusysteem op het display van de middenconsole zijn instellingen te verrichten.
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand om rust te houden.
Aan/Uit
Het Driver Alert is stand-by te zetten via het
menusysteem MY CAR (p. 121):
•
•
Studies hebben aangetoond dat rijden bij vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als
rijden onder invloed.
Vakje aangevinkt – systeem geactiveerd.
Vakje uitgevinkt – systeem gedeactiveerd.
Functie
Driver Alert wordt geactiveerd bij een snelheid
hoger dan 65 km/h (40 mph) en blijft actief
zolang de snelheid boven 60 km/h (37 mph) ligt.
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert System* (p. 256)
Driver Alert Control (DAC)* (p. 256)
Als de auto slingert, wordt u gewaarschuwd met een geluidssignaal en de
displaymelding Driver Alert Tijd voor
pauze – tegelijkertijd gaat het bijbehorende symbool op het instrumentenpaneel branden. Als u uw rijgedrag niet corrigeert wordt
enige tijd later opnieuw gewaarschuwd.
U kunt het waarschuwingssymbool ook deactiveren:
•
Druk op de OK-knop van de linker stuurhendel.
* Optie/accessoire. 257
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Driver Alert Control (DAC)* symbolen en meldingen
Hier volgen enkele voorbeelden:
Het DAC (p. 256) kan in uiteenlopende situaties
symbolen en meldingen op het instrumentenpaneel of op het middendisplay laten verschijnen.
SymboolA
Melding
Betekenis
Driver Alert Tijd voor pauze
De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding.
Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 244).
Driver Alert-systeem Service
vereist
A
Het systeem is defect.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
•
258
Driver Alert System* (p. 256)
Driver Alert Control (DAC)* (p. 256)
Driver Alert Control (DAC)* - bediening
(p. 257)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent (LDW)*
N.B.
De rijbaanassistent (Lane Departure Warning)
dient voor gebruik op snelwegen, hoofdwegen
en dergelijke en beperkt het risico dat u in
bepaalde situaties onbedoeld de eigen rijbaan
verlaat.
Iedere keer dat de wielen een markering passeren wordt u slechts eenmaal gewaarschuwd. U wordt dan ook niet meer gewaarschuwd, wanneer u met één wiel aan weerszijden zijden van de rijstrookmarkering blijft rijden.
Werkingsprincipe van LDW
Rijbaanassistent (LDW) - functie
Het is mogelijk bepaalde instellingen te verrichten voor de Rijbaanassistent(Lane Departure
Warning).
Aan & Uit
WAARSCHUWING
De Rijbaanassistent is slechts een hulpmiddel
voor de bestuurder en werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en dat u
zich aan de geldende wetgeving en verkeersregels houdt.
(De afbeelding is schematisch – niet modelspecifiek.)
Een camera tast de zijlijnen van de weg/rijbaan
af.
Als de auto een van de zijlijnen overschrijdt, wordt
de bestuurder gewaarschuwd met een geluidssignaal.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 259)
Rijbaanassistent (LDW) - bediening (p. 260)
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen
(p. 261)
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en meldingen (p. 262)
Driver Alert System* (p. 256)
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Bij een ingeschakelde functie brandt het lampje in de knop.
De functie wordt in verschillende situaties
gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen op het instrumentenpaneel.
Persoonlijke instellingen
Via het menusysteem MY CAR op het display van
de middenconsole zijn instellingen te verrichten.
Voor een beschrijving van het menusysteem, zie
MY CAR (p. 121).
Kies uit de opties:
}}
* Optie/accessoire. 259
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
• Aan bij starten - De functie staat bij iedere
Rijbaanassistent (LDW) - bediening
•
Het LDW-symbool heeft GRIJZE zijlijnen –
het systeem staat stand-by, omdat de snelheid lager is dan 65 km/h (40 mph).
• Hogere gevoeligheid – Verhoogde gevoe-
De rijbaanassistent (Lane Departure Warning)
wordt in verschillende situaties gecompleteerd
met duidelijke grafische voorstellingen op het
instrumentenpaneel. Hier volgen enkele voorbeelden:
•
Het LDW-symbool heeft geen zijlijnen – het
systeem is uitgeschakeld.
motorstart stand-by. Anders is de functiestatus bij het afzetten van de motor bepalend.
ligheid, zodat er eerder wordt gewaarschuwd
en minder beperkingen gelden.
•
Gerelateerde informatie
•
Gerelateerde informatie
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 259)
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 259)
Zijlijnen van LDW-systeem.
•
Het LDW-symbool heeft WITTE zijlijnen – het
systeem is actief en detecteert/"ziet" één zijlijn of beide zijlijnen.
•
Het LDW-symbool heeft GRIJZE zijlijnen –
het systeem is actief, maar detecteert de linker noch de rechter zijlijn.
of
260
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent (LDW) beperkingen
De camerasensor van de Rijbaanassistent (Lane
Departure Warning) heeft beperkingen, net als
het menselijk oog.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 244).
N.B.
In de volgende situaties waarschuwt het LDW
echter niet:
•
•
•
•
•
Bij gebruik van de richtingaanwijzers
Bij bediening van het rempedaal25
Bij snelle bediening van het gaspedaal25
Bij snelle stuurbewegingen25
Bij dusdanig scherpe bochten dat de
auto overhelt.
Gerelateerde informatie
•
25
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 259)
Wanneer u voor ‘Hogere gevoeligheid’ hebt gekozen, wordt er echter wel gewaarschuwd, zie Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 259).
* Optie/accessoire. 261
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen
en meldingen
mentenpaneel verschijnen in combinatie met een
verklarende melding – volg in dat geval het
gegeven advies op.
In situaties waar de Rijbaanassistent niet wordt
geactiveerd kan er een symbool op het instruSymbool
Melding
Betekenis
Lane Departure Warning AAN/
Lane Departure Warning UIT
De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld.
Voorbeelden van meldingen:
Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
De melding verdwijnt automatisch na ca. 5 seconden.
Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Reinig het voorruitoppervlak vóór de camerasensor.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 244).
Driver Alert-systeem Service vereist
Het systeem is defect.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
262
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 259)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeerhulp*
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het display van de middenconsole geven de
afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Het parkeerhulpvolume is tijdens de weergave
van geluidssignalen bij te stellen met de VOLknop op de middenconsole. Het geluidsniveau
kan ook worden bijgesteld in het menu voor
audio-instellingen dat bereikbaar is met een druk
op SOUND of in het menusysteem (p. 121) MY
CAR26 van de auto.
Parkeerhulp is verkrijgbaar in twee varianten:
•
•
Parkeerhulp aan de achterzijde
Parkeerhulp aan de voor- en achterzijde.
N.B.
Wanneer het elektrische systeem van de auto
is geconfigureerd voor een trekhaak, wordt de
uitsteeklengte van de trekhaak meegerekend
bij het meten van de parkeerruimte.
26
Afhankelijk van het audio- en mediasysteem.
WAARSCHUWING
Park Assist* - functie
•
Hoewel de Park Assist handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig
bij eventuele fouten.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de sensoren zitten, zal het systeem ze
niet kunnen ontdekken.
De Park Assist wordt bij het starten van de
motor automatisch geactiveerd – het lampje in
de schakelaar brandt. Wanneer u Park Assist
met deze knop uitschakelt, dooft het lampje.
•
Houd mensen, dieren e.d. in de buurt van
de auto daarom in de gaten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Park Assist* - functie (p. 263)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 265)
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 265)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 267)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 266)
Parkeerhulpcamera* (p. 267)
Aan/Uit voor Park Assist en CTA*.
Bij een auto met CTA (p. 250) lichten de controlelampjes voor BLIS (p. 248) eenmaal op, wanneer u de Park Assist activeert met de knop.
}}
* Optie/accessoire. 263
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
gevuld. Als er zowel voor als achter de auto
obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen,
wisselen de geluidssignalen uit de luidsprekers
voor- en achterin elkaar af.
•
•
Park Assist* - storingsindicatie (p. 266)
Parkeerhulpcamera* (p. 267)
BELANGRIJK
Obstakels zoals kettingen, smalle glanzende
palen of lage obstakels kunnen "afgeschaduwd" worden en worden in dat geval tijdelijk
niet geregistreerd door de sensoren – het
onderbroken geluidssignaal kan dan plotseling wegvallen in plaats van over te gaan in
het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
Displayweergave - toont linksvoor en rechtsachter een
obstakel.
De sensoren kunnen geen hoge obstakels
ontdekken, zoals uitstekende laadperrons.
Op het display van de middenconsole verschijnt
een schematische weergave van de onderlinge
posities van de auto en een eventueel obstakel.
•
De gemarkeerde sector(en) geeft/geven aan
welke van de vier sensoren een obstakel heeft/
hebben waargenomen. De gemarkeerde sector
ligt dichter bij het autosymbool, naarmate de
afstand tussen de auto en het waargenomen
obstakel kleiner is.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de auto
nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen
elkaar op. Wanneer u ondertussen het audiosysteem beluistert, wordt het volume daarvan tijdelijk
verlaagd.
Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is de sensorsector die het dichtst bij de auto ligt geheel
264
Wees in dergelijke gevallen extra voorzichtig en bedien/verrijd de auto erg
langzaam of breek de parkeermanoeuvre
af – er bestaat groot gevaar voor materiele schade aan de auto of de omgeving,
aangezien de informatie afkomstig van de
sensoren in dergelijke situaties niet altijd
betrouwbaar is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 263)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 265)
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 265)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 267)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeerhulp* - aan de achterzijde
N.B.
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het display van de middenconsole geven de
afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Bij het achteruitrijden met een aanhanger
achter de auto of een fietsdrager op de trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel
van Volvo – moet u de Park Assist mogelijk
handmatig uitschakelen om te voorkomen dat
de sensoren erop reageren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. Bij obstakels achter de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers achterin.
Parkeerhulp aan de achterzijde wordt geactiveerd
bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto wordt de parkeerhulp
automatisch uitgeschakeld – anders reageren de
sensoren op de aanhanger.
•
•
Park Assist* - aan de voorzijde
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het display van de middenconsole geven de
afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Bij het starten van de motor wordt Park Assist
automatisch geactiveerd - het lampje in de Aan/
Uit-knop brandt. Wanneer u Park Assist met deze
knop uitschakelt, dooft het lampje.
Parkeerhulp* (p. 263)
Park Assist* - functie (p. 263)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 265)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 267)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 266)
Parkeerhulpcamera* (p. 267)
Het meetbereik strekt tot zo'n 0,8 m recht voor
de auto. Bij obstakels voor de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers
voorin.
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snelheden tot 10 km/h (6 mph).
Als de Park Assist wordt gedeactiveerd door een
te hoge snelheid – 11 km/h (7 mph) of hoger –
}}
* Optie/accessoire. 265
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
wordt het systeem hervat wanneer de snelheid
daalt tot onder 10 km/h (6 mph).
N.B.
De parkeerhulp wordt gedeactiveerd wanneer
u de parkeerrem aanzet of als u bij een auto
met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P zet.
BELANGRIJK
Park Assist* - storingsindicatie
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het display van de middenconsole geven de
afstand aan tot een waargenomen obstakel.
BELANGRIJK
Parkeerhulp* (p. 263)
Park Assist* - functie (p. 263)
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
onder andere claxons, natte banden op asfalt,
pneumatische remmen en uitlaatgeluid van
motorfietsen.
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 265)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 267)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 266)
Parkeerhulpcamera* (p. 267)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
266
Parkeerhulpcamera* (p. 267)
In bepaalde omstandigheden kan het parkeerhulpsysteem ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door externe
geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van dezelfde frequentie als de sensoren
van het systeem.
Gerelateerde informatie
•
•
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 265)
Als op het instrumentenpaneel het
informatiesymbool continu brandt en
de displaymelding Park Assistsysteem Service vereist verschijnt, dan is Park
Assist defect.
Bij montage van verstralers: Let erop dat deze
de sensoren niet mogen hinderen - de verstralers kunnen dan als obstakel worden
gezien.
•
•
•
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 263)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 267)
Park Assist* - functie (p. 263)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 265)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Park Assist* - sensoren
schoonmaken
Parkeerhulpcamera*
De parkeerhulpcamera is een ondersteunend
systeem dat geactiveerd wordt bij inschakeling
van de achteruitversnelling.
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het display van de middenconsole geven de
afstand aan tot een waargenomen obstakel.
De cameraweergave verschijnt op het display van
de middenconsole.
De sensoren werken alleen naar behoren, wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water en
autoshampoo.
N.B.
Positie van de achterste sensoren.
Wanneer het elektrische systeem van de auto
is geconfigureerd voor een trekhaak, wordt de
uitsteeklengte van de trekhaak meegerekend
bij het meten van de parkeerruimte.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
aanleiding geven tot onterechte waarschuwingssignalen, tot systeembeperkingen of
ervoor zorgen dat het systeem niet meer
werkt.
Positie van de voorste sensoren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 263)
Park Assist* - functie (p. 263)
WAARSCHUWING
•
De parkeercamera is alleen bedoeld als
hulpmiddel en zodat de bestuurder eindverantwoordelijk blijft tijdens het achteruitrijden.
•
De camera kent dode hoeken waarin
registratie van obstakels niet mogelijk is.
•
Houd mensen en dieren in de buurt van
de auto in de gaten.
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 265)
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 265)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 266)
Parkeerhulpcamera* (p. 267)
}}
* Optie/accessoire. 267
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Functie en bediening
Camerapositie bij de openingshandgreep.
De camera toont wat er achter de auto is en of er
iets of iemand van de zijkanten opduikt.
De camera beslaat een breed gebied achter de
auto alsook een deel van de bumper en een
eventuele trekhaak.
Voorwerpen op het display lijken mogelijk over te
hellen – dit is volkomen normaal.
N.B.
Voorwerpen op het beeldscherm kunnen
dichterbij zijn dan ze lijken.
Als een andere schermweergave actief is, neemt
de parkeercamera het scherm automatisch over
om de camerabeelden te tonen.
268
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
wordt met behulp van ononderbroken lijnen grafisch aangegeven waar de achterwielen van de
auto uitkomen bij de actuele stuuruitslag – dit
vereenvoudigt het achteruit inparkeren, achteruitrijden in krappe ruimten en aankoppelen van aanhangers. De contouren van de auto worden bij
benadering getoond met streepjeslijnen. De hulplijnen zijn te deactiveren - zie paragraaf Instellingen (p. 270).
N.B.
Houd voor optimale werking de cameralens
vrij van vuil, sneeuw en ijs. Dit is vooral van
belang in slechte lichtomstandigheden.
Hulplijnen
Als de auto tevens uitgerust is met parkeerhulpsensoren (p. 263)*, illustreren gekleurde velden
op grafische wijze de afstand tot geregistreerde
obstakels, zie het kopje "Auto's met parkeerhulpsensoren achter" verderop.
De camera wordt ca. 5 seconden na uitschakeling van de achteruitversnelling gedeactiveerd, of
eerder als de rijsnelheid oploopt tot boven
10 km/h (6 mph) vooruit of 35 km/h (22 mph)
achteruit.
Lichtomstandigheden
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit
kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat
kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit betreft.
Slechte lichtomstandigheden leveren mogelijk
een iets slechtere beeldkwaliteit op.
Voorbeeld van hoe hulplijnen voor u worden getoond.
De lijnen op het display worden geprojecteerd als
stonden ze op de grond achter de auto. De lijnen
zijn bovendien afhankelijk van de stuuruitslag,
zodat u ook tijdens het draaien kunt zien welke
baan de auto zal nemen.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de lijnen op het
scherm de baan van de auto aan – niet
die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen lijnen op het scherm,
wanneer er een aanhanger/caravan is
aangesloten op het elektrische systeem
van de auto.
•
De Park Assist-camera wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger/caravan achter de auto hebt hangen die met originele trekhaakbedrading
van Volvo aangesloten is.
BELANGRIJK
Let erop dat op het beeldscherm alleen het
gebied achter de auto wordt weergegeven,
als u voor de achterzichtcamera hebt gekozen
– let in dat geval goed op de zijkanten en
voorkant van de auto wanneer u tijdens het
achteruitrijden het stuurwiel verdraait.
Grenslijnen
Auto's met parkeerhulpsensoren
achter*
De verschillende lijnen van het systeem.
Grenslijn vrije achteruitrijzone
De afstand wordt aangegeven met gekleurde velden
(voor elke sensor één).
"Wielsporen"
Als de auto tevens uitgerust is met parkeerhulp
(p. 263) wordt voor iedere sensor die een obstakel waarneemt de afstand met gekleurde velden
weergegeven.
De onderbroken lijn (1) grenst een zone af die tot
ca. 1,5 m achter de achterbumper strekt. Het
vormt tegelijkertijd de grens voor de uitstekende
delen van de auto, zoals buitenspiegels en hoeken – ook tijdens het maken van een bocht.
De brede "wielsporen" (2) tussen de zijlijnen
geven aan waar de wielen zich zullen bevinden
en kunnen tot ca. 3,2 m achter de achterbumper
reiken zolang er geen obstakel in de weg staat.
De kleur van de velden verandert naarmate de
afstand tot het obstakel afneemt – van lichtgeel
via oranje in rood.
Kleur
Afstand (meter)
Lichtgeel
0,7–1,5
Oranje
0,5–0,7
Oranje
0,3–0,5
Rood
0–0,3
}}
* Optie/accessoire. 269
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerhulpcamera - instellingen (p. 270)
Park Assist-camera - beperkingen (p. 271)
Parkeerhulp* (p. 263)
Parkeerhulpcamera - instellingen
3.
Uitgeschakelde camera activeren
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
start de camera automatisch, maar de camera is
ook handmatig te activeren en wel als volgt:
Markeer de optie van uw keuze door op
OK/MENU te drukken en verlaat het menu
met EXIT.
Trekhaak
De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhanger/caravan. Op het display
kan een hulplijn verschijnen voor de geplande
"baan" van de trekhaak naar de aanhanger,
net als voor de "wielsporen".
U kunt kiezen uit weergave van de "wielsporen"
of de baan van de trekhaak - beide opties kunnen niet tegelijkertijd worden weergegeven.
•
Druk op CAM - het beeldscherm geeft de
actuele camerabeelden weer.
Instelling wijzigen
U kunt de instellingen van de parkeercamera wijzigen, wanneer camerabeelden op het beeldscherm worden weergegeven:
1.
2.
270
Druk op OK/MENU wanneer camerabeelden
worden weergegeven - op het beeldscherm
wordt een menu geopend met verschillende
alternatieven.
Scrol naar de gewenste optie met TUNE.
1.
Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt.
2.
Scrol naar de optie Richtlijn traject
trekhaak met TUNE.
3.
Markeer de optie van uw keuze door op
OK/MENU te drukken en verlaat het menu
met EXIT.
Zoomen
Voor nauwkeurig manoeuvreren kunt u als volgt
inzoomen op de camerabeelden:
•
Druk op CAM of draai aan TUNE
- bij nogmaals indrukken/draaien springt u
terug naar de normaalweergave.
Eventuele andere opties liggen in een lus
- druk/draai totdat de gewenste camerabeelden
verschijnen.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
•
Park Assist-camera - beperkingen
Parkeerhulpcamera* (p. 267)
N.B.
Parkeerhulp* (p. 263)
Fietsdragers of andere accessoires achter op
de auto kunnen het blikveld van de camera
blokkeren.
Waar u op moet letten
Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied er
op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke,
verborgen gebied dusdanig groot kan zijn dat
obstakels pas worden geregistreerd wanneer u er
bijna bovenop zit.
•
Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw en
ijs.
•
Maak de cameralens regelmatig schoon met
lauw water en autoshampoo – wees voorzichtig om geen krassen in de lens te maken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerhulpcamera* (p. 267)
Parkeerhulpcamera - instellingen (p. 270)
Parkeerhulp* (p. 263)
* Optie/accessoire. 271
STARTEN EN RIJDEN
STARTEN EN RIJDEN
Motor starten
2.
Trap het rempedaal volledig in1.
De motor is te starten en uit te schakelen met
behulp van de transpondersleutel en de knop
START/STOP ENGINE.
3.
Druk op de knop START/STOP ENGINE en
laat deze vervolgens los.
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/ingeduwd en knop START/STOP ENGINE.
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde
met het afneembare sleutelblad, zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/aanbrengen
(p. 178).
1.
1
274
Bij het starten van de motor blijft de startmotor
draaien, totdat de motor aanslaat of totdat de
beveiliging tegen oververhitting in werking treedt.
Bij motorstart in normale omstandigheden wordt
doorgaans de elektrische aandrijving gebruikt –
de dieselmotor blijft uitgeschakeld. Dit betekent
dat de elektromotor na een druk op de knop
START/STOP ENGINE "gestart" is, zodat de
auto rijklaar is. Ter bevestiging dat de elektromotor is gestart, doven de controlelampjes op het
instrumentenpaneel en gaat het gekozen thema
branden (zie Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 73)).
Er zijn echter situaties waarbij de dieselmotor
start, zoals bij een te lage buitentemperatuur of
als de hybride-accu moet worden opgeladen.
BELANGRIJK
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
WAARSCHUWING
Haal na een motorstart of als de auto wordt
gesleept nooit de transpondersleutel uit het
contactslot.
WAARSCHUWING
Haal altijd de transpondersleutel uit het contactslot als u uit de auto stapt en zorg ervoor
dat de sleutelstand 0 is, in het bijzonder als er
kinderen in de auto aanwezig zijn. Zie voor
informatie over hoe u dit doet Sleutelstanden
(p. 87).
N.B.
Voor bepaalde motortypen kan het stationaire
toerental bij een koude start duidelijk hoger
dan normaal zijn. Dit gebeurt om het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op de
normale bedrijfstemperatuur te krijgen waardoor de uitlaatgasemissies afnemen en het
milieu wordt ontzien.
Passieve start (Keyless Drive)*
Loop de punten 2–3 door om de motor passief
(p. 182) te starten.
Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag naar
binnen.
Als de auto rolt, is het indrukken van de knop START/STOP ENGINE voldoende om de motor te starten.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
N.B.
Om de motor te kunnen starten moet een van
de transpondersleutels met passieve start en
vergrendeling in de passagiers- of bagageruimte aanwezig zijn.
WAARSCHUWING
Haal nooit de transpondersleutel uit de auto
tijdens rijden of slepen.
Motor afzetten
Stuurslotfout
U zet de motor af met de knop START/STOP
ENGINE.
Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij
gebruik van de auto door onbevoegden. Er is
mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar
wanneer het stuurslot wordt opgeheven of ingeschakeld.
Om de motor af te zetten:
•
Als de keuzehendel niet in stand P staat of als de
auto rolt:
•
Gerelateerde informatie
•
Motor afzetten (p. 275)
Druk op START/STOP ENGINE – de motor
slaat af.
Druk twee maal op START/STOP ENGINE
of houd de knop ingedrukt, totdat de motor
afslaat.
Functie
•
Het stuurslot wordt geactiveerd, wanneer u
na het afzetten van de motor het bestuurdersportier opent.
•
Het stuurslot wordt ontgrendeld als de transpondersleutel in het contactslot zit2 en de
START/STOP ENGINE-knop wordt ingedrukt.
Gerelateerde informatie
•
Sleutelstanden (p. 87)
Gerelateerde informatie
•
•
•
2
Motor starten (p. 274)
Sleutelstanden (p. 87)
Stuurwiel (p. 94)
Bij een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling is de aanwezigheid van een transpondersleutel in de passagiersruimte voldoende.
275
STARTEN EN RIJDEN
Starthulp met andere accu
3.
Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de beide auto's
elkaar niet raken.
4.
Bevestig de ene klem van de rode startkabel
aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
Als de startaccu (p. 390) uitgeput is, kunt u de
auto starten met stroom van een hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten wordt
geadviseerd de volgende stappen aan te houden
om kortsluiting en andere schade te voorkomen:
1.
Zet het elektrische systeem van de auto in
de sleutelstand 0, zie contactslotstanden functies in verschillende standen (p. 87).
BELANGRIJK
Na sleutelstand 0: Wacht ca. 2 minuten voordat u de hulpaccu aansluit, zodat het stuursysteem de vereiste parameters kan instellen.
2.
276
Controleer of de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
5.
van
Haal de clips op de voorste dekplaat
de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat.
6.
Bevestig de andere klem van de rode startkabel aan de pluspool (2) van de auto.
7.
Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
8.
Bevestig de andere klem aan een massapunt, zoals een van de hefogen (4) op de
motor.
9.
Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen
dat er tijdens de startpoging vonken ontstaan.
10. Start de motor van de “hulpauto” en laat deze
enkele minuten draaien op een toerental dat
iets hoger ligt dan normaal,
zo'n 1500 omw/min.
STARTEN EN RIJDEN
11. Start de motor van de auto met de uitgeputte
accu met de transpondersleutel geplaatst en
druk op de START/STOP ENGINE-knop, zie
Motor starten (p. 274).
13. Plaats de voorste dekplaat van de opgeladen
accu terug.
WAARSCHUWING
N.B.
Bij motorstart in normale omstandigheden
wordt doorgaans de elektrische aandrijving
gebruikt – de dieselmotor blijft uitgeschakeld.
Dit betekent dat de elektromotor na een druk
op de knop START/STOP ENGINE ‘gestart’
is, zodat de auto rijklaar is. Ter bevestiging dat
de elektromotor is gestart, doven de controlesymbolen op het instrumentenpaneel en gaat
het gekozen thema branden.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen tussen de kabel en de
auto niet aan tijdens het starten. Er bestaat
namelijk gevaar voor vonkvorming.
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde volgorde - eerst de zwarte kabel en daarna de
rode.
> Zorg dat geen van de aansluitklemmen
aan de zwarte startkabel contact kan
maken met de pluspool van de accu of
met de aangesloten klem van de rode
startkabel.
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van een startkabel, kan volstaan om de
accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat
ernstige chemische brandwonden kan
veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw
huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
Aandrijving
Deze Plug-in Hybrid is een zogeheten parallelhybride, wat inhoudt dat de auto is uitgerust met
twee afzonderlijke aandrijvingen: een elektromotor en een dieselmotor. Afhankelijk van de gekozen rijstand en de beschikbare energie kunnen
de beide aandrijvingen elk afzonderlijk of tegelijkertijd worden gebruikt.
Twee aandrijvingen
Een geavanceerd regelsysteem benut de eigenschappen van de beide aandrijvingen in verschillende omstandigheden om optimaal rendement
te realiseren.
Gerelateerde informatie
•
Motor starten (p. 274)
Hybride-accu
Hoogvoltgenerator3
}}
277
STARTEN EN RIJDEN
||
Dieselmotor
Aandrijving - rijmodi
Elektromotor
De beide aandrijvingen van de auto worden
apart of parallel gebruikt. Tijdens het rijden hebt
u de keuze uit verschillende rijmodi. Ongeacht
de gekozen rijmodus zorgt het systeem altijd
voor de optimale combinatie van rijeigenschappen, rijbeleving, milieu-impact en brandstofverbruik voor de desbetreffende rijmodus.
De elektromotor zorgt voornamelijk voor aandrijving op lage snelheden en de verbrandingsmotor
op hogere snelheden bij een actievere rijstijl.
Zowel de verbrandingsmotor als de elektromotor
kan de wielen direct aandrijven. De verbrandingsmotor kan bovendien de hybride-accu van de
elektromotor opladen middels een speciale hoogvoltgenerator.
Gerelateerde informatie
•
•
•
3
278
Aandrijving - rijmodi (p. 278)
Energiestroom (p. 281)
Aandrijving - symbolen en meldingen
(p. 282)
Als activering van een rijmodus niet mogelijk is,
geeft een displaymelding op het instrumentenpaneel aan waarom niet.
N.B.
De bestuurder kan niet de 'verkeerde' rijstand
instellen: als in een bepaalde situatie niet aan
een bepaalde parameter is voldaan, kiest het
systeem automatisch een andere, meer
geschikte rijstand.
Gecombineerde hoogvoltgenerator en startmotor - ISG (Integrated Starter Generator).
Knoppen voor rijmodi.
WAARSCHUWING
Laat de auto niet met geactiveerde rijstand in
een ongeventileerde ruimte en uitgeschakelde brandstofmotor staan - de motor start
automatisch bij een laag energieniveau in de
hybride-accu en de uitlaatgassen kunnen dan
ernstig letsel veroorzaken bij mensen en dieren.
STARTEN EN RIJDEN
– HYBRID
Deze stand is de standaardstand bij het starten van de
auto. Het regelsysteem maakt
dan gebruik van de elektromotor en de verbrandingsmotor –
ieder afzonderlijk of allebei
tegelijk – en berekent de optimale gebruiksfactoren gelet op prestaties, brandstofverbruik en comfort.
Het hangt van de ladingstoestand van de
hybride-accu af in hoeverre het mogelijk is alleen
de elektromotor te gebruiken in de rijmodus
HYBRID. Bij een hoge ladingstoestand is het
gebruik van alleen de elektromotor identiek aan
dat in de rijmodus PURE – wat wil zeggen dat
alleen elektrische aandrijving mogelijk is (hoge
stroomafname mogelijk).
Bij een geringe ladingstoestand (hybride-accu
bijna leeg) moet ook de ladingstoestand van de
accu worden hersteld, wat betekent dat de verbrandingsmotor vaker aanslaat.
Om weer alleen op de elektromotor te kunnen rijden in de rijmodus HYBRID:
•
Laad de hybride-accu met de laadkabel op
aan een 230VAC-stopcontact (zie Laadstroom (p. 311)) of activeer de stand SAVE.
– PURE
In deze stand genieten elektrische aandrijving en een laag
energieverbruik de voorkeur
voor een maximale actieradius
van de hybride-accu.
Omdat de actieradius bij elektrische aandrijving afhangt van het totale energieverbruik van de auto, gelden er beperkingen voor
de functies die de actieradius beperken en de klimaatregeling en de rijdynamiek regelen. Voor
een optimale actieradius staat de airconditioning
(p. 142) uit – u kunt de airco zo nodig echter
inschakelen met de knop AC.
•
als de hybride-accu een te geringe ladingstoestand heeft en moet worden opgeladen
•
bij systeem-/onderdeelbeperkingen door bijvoorbeeld een lage buitentemperatuur, zie
Energiestroom (p. 281).
Waar u op moet letten
•
Ook bij een hoge ladingstoestand van de
hybride-accu slaat de verbrandingsmotor
mogelijk aan, bijvoorbeeld om te helpen bij
de verwarming/koeling van het interieur.
– POWER
Deze stand levert de beste respons en prestaties van de auto
op doordat de elektromotor en
de verbrandingsmotor continu
allebei in gebruik zijn. De auto
vertoont een sportiever gedrag
en reageert sneller op het gas-
N.B.
Druk als de ruiten beslaan op de knoppen
AC, AUTO of op de ontwasemingsknop.
Waar u op moet letten
pedaal.
U kunt deze rijmodus alleen kiezen, wanneer de
ladingstoestand van de hybride-accu voldoende
is.
Bij sportief rijden wordt de voorkeur gegeven aan
lagere versnellingen, zodat er met enige vertraging wordt opgeschakeld.
In bepaalde gevallen vindt er een auto-start van
de verbrandingsmotor plaats, ondanks dat u de
rijmodus PURE hebt gekozen, bijvoorbeeld:
Waar u op moet letten
•
als de snelheid is hoger dan 125 km/h
(78 mph)
•
als de elektrische aandrijving de door u
gewenste aandrijfkracht niet kan leveren
•
•
•
De verbrandingsmotor draait continu.
De auto wordt aangedreven op zowel de
voor- als de achterwielen.
Deze rijmodus houdt een verhoogd brandstofverbruik in.
}}
279
STARTEN EN RIJDEN
||
– AWD
Deze stand activeert de vierwielaandrijving, wat de grip en
rijeigenschappen van de auto
ten goede komt. De stand is
voornamelijk bestemd voor
gebruik op lage snelheid bij
gladheid, maar de vierwielaandrijving werkt ook stabiliserend bij hogere snelheden.
Waar u op moet letten
•
•
De verbrandingsmotor draait continu.
Deze rijmodus houdt een verhoogd brandstofverbruik in.
– SAVE
Deze stand start de oplading
van de hybride-accu en zorgt
ervoor dat de ladingstoestand
van de hybride-accu niet onder
een niveau daalt overeenkomend met een afstand van
zo'n 20 km op de elektromotor.
Dit om energie te besparen voor situaties die zich
beter lenen voor elektrische aandrijving zoals
stadsritten.
Als bij het indrukken van de knop SAVE blijkt dat
de ladingstoestand van de hybride-accu te gering
is, zal de verbrandingsmotor de ladingstoestand
eerst verhogen tot een niveau overeenkomend
met ca. 20 km op de elektromotor.
280
Bij ritten op stroom bespaart u meer brandstof op
lage snelheden dan op hoge. Gebruik daarom liever SAVE, wanneer de ladingstoestand van de
hybride-accu hoog is en u bij de komende rit
eerst een langer stuk op hoge snelheden aflegt
(zoals op een snelweg) en daarna een stuk op
lage snelheid op de elektrische motor.
1.
Ga naar MY CAR
2.
Kies daarna uit PURE, HYBRID, POWER,
AWD of SAVE en bevestig uw keuze met
OK.
HYBRID
Rijmodi.
Start/Stop-systeem
De regeling bepaalt wanneer de verbrandingsmotor kan worden gestopt en hoelang. Dit is vergelijkbaar met het Start/Stop-systeem van conventionele auto's met een verbrandingsmotor.
Wanneer u de knop SAVE indrukt bij een
ladingstoestand van de hybride-accu overeenkomend met een afstand van meer dan 20 km op
de elektromotor, wordt de actuele ladingstoestand van de hybride-accu gehandhaafd.
Rijstatistieken
Ongeacht de gekozen rijmodus start op de achtergrond een tijdelijke oplading van de hybrideaccu – vergelijkbaar met de functie van de SAVEmodus – tijdens een automatische regeneratie
van het roetfilter (DPF (p. 308)).
De rijstatistiek is behalve via de boordcomputer
ook te bereiken via het menusysteem MY CAR:
Waar u op moet letten
•
Deze rijmodus houdt een verhoogd brandstofverbruik in.
•
Nadat de verbrandingsmotor de hybride-accu
heeft opgeladen tot het SAVE-niveau, zal het
regelsysteem de verbrandingsmotor desgewenst stoppen/starten zoals het geval is bij
een geringe ladingstoestand in de rijmodus
HYBRID.
Rijmodi in MY CAR
In het menusysteem (p. 121) van de auto vindt u
korte beschrijvingen van de verschillende rijmodi.
De auto slaat statistieken (p. 129) op over het
stroom-/brandstofverbruik in verhouding tot de
afgelegde afstand.
•
Ga naar MY CAR Verbruiksinfo en
bevestig uw keuze met OK.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Aandrijving (p. 277)
Aandrijving - symbolen en meldingen
(p. 282)
Energiestroom (p. 281)
STARTEN EN RIJDEN
Energiestroom
Op het beeldscherm van de middenconsole kan
grafisch worden weergegeven welke motor de
auto aandrijft en in welke richting de energie
stroomt - er wordt bijvoorbeeld weergegeven of
de hybride-accu wordt opgeladen of stroom
levert aan de elektromotor.
De functie Energiestromen tonen wordt geactiveerd in het menusysteem MY CAR:
•
Ga naar HYBRID Stroomtoevoer en
bevestig uw keuze met OK.
Gerelateerde informatie
•
Aandrijving (p. 277)
281
STARTEN EN RIJDEN
Aandrijving - symbolen en
meldingen
De aandrijving kan in bepaalde situaties een
melding op het instrumentenpaneel tonen - volg
in die gevallen het gegeven advies op.
Dit symbool gaat branden in combinatie met een tekstmelding en een
akoestisch waarschuwingssignaal, als u
als bestuurder de gordel niet draagt en
het bestuurdersportier opent nadat de verbrandingsmotor of elektromotor is gestart.
282
Hetzelfde gebeurt als u als bestuurder de gordel
niet draagt en met het bestuurdersportier open
de motor start.
Hier volgen enkele voorbeelden van meldingen,
wat ze betekenen en de voorgestelde maatregelen:
Melding
Betekenis
Maatregel
PURE niet beschikb. door lage
temperat. hybridesysteem
Een of meer onderdelen van de aandrijving hebben de
juiste bedrijfstemperatuur niet bereikt.
Rijd in stand HYBRID rijden, totdat de melding verandert in PURE beschikbaar – druk vervolgens op
de PURE-knop.
PURE niet beschikb. door tijd.
beperkingen hybridesysteem
Tijdelijke systeembeperking doordat bijvoorbeeld niet de
juiste bedrijfstemperatuur is bereikt.
Rijd in stand HYBRID rijden, totdat de melding verandert in PURE beschikbaar – druk vervolgens op
de PURE-knop.
PURE niet beschikb. door lage
accuspanning
De hybride-accu heeft een te geringe ladingstoestand.
Rijd in de stand SAVE, totdat de melding verandert in
PURE beschikbaar of laad de accu op aan 230 V
(AC) - druk vervolgens op de PURE-knop.
PURE niet beschikb. met schakelpook in handmatige stand
De keuzehendel staat in de ‘+/-’-stand voor handmatig
schakelen.
Haal de keuzehendel opzij naar de stand voor automatisch schakelen en druk vervolgens op de PUREknop.
PURE beschikbaar
De stand PURE is opnieuw beschikbaar na eerdere beperkingen.
–
STARTEN EN RIJDEN
Melding
Betekenis
Maatregel
POWER niet besch. door tijd.
beperkingen hybridesysteem
Tijdelijke systeembeperking doordat bijvoorbeeld niet de
juiste bedrijfstemperatuur is bereikt.
–
SAVE niet beschikb. door tijd.
beperkingen hybridesysteem
Tijdelijke systeembeperking doordat bijvoorbeeld niet de
juiste bedrijfstemperatuur is bereikt.
–
AWD niet beschikb. door tijd.
beperkingen hybridesysteem
Tijdelijke systeembeperking doordat bijvoorbeeld niet de
juiste bedrijfstemperatuur is bereikt.
–
Gerelateerde informatie
•
Aandrijving (p. 277)
283
STARTEN EN RIJDEN
Versnellingsbakken
Schakelindicator*
Een V60 Twin Engine rijdt en gedraagt zich als
een auto met een conventionele verbrandingsmotor en automatische versnellingsbak.
De schakelindicator geeft aan, wanneer u het
beste kunt opschakelen of terugschakelen.
Wanneer de keuzehendel in de stand voor handmatig schakelen staat (+/-), draait de verbrandingsmotor continu. U moet dan handmatig schakelen en bij het loslaten van het gaspedaal remt
de auto af op de motor, zie Automatische versnellingsbak - Geartronic (p. 285).
BELANGRIJK
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn
te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur
van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij
gevaar voor oververhitting gaat een waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel
branden en verschijnt er een displaymelding –
volg in dat geval het gegeven advies.
Belangrijk voor een milieubewuste rijstijl is het
kiezen van de juiste versnelling en tijdig schakelen.
Het omcirkelde cijfer geeft de actuele versnelling
aan.
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak - Geartronic
(p. 285)
Bepaalde uitvoeringen zijn voorzien van een indicator - GSI (Gear Shift Indicator) - die aangeeft,
wanneer u moet opschakelen of terugschakelen
om het brandstofverbruik minimaal te houden.
Met het oog op eigenschappen als de prestaties
en een trillingsvrije motorloop is het soms beter
op iets hogere toeren te schakelen. Het omcirkelde cijfer geeft de actuele versnelling aan.
Automatische versnellingsbak
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak - Geartronic
(p. 285)
Instrumentenpaneel ‘Digital’ met schakelindicator.
284
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Automatische versnellingsbak Geartronic
De versnellingsbak Geartronic heeft twee schakelstanden - Automatisch en Handmatig.
Parkeerstand - P
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert.
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen,
moet u in contactslotstand II het rempedaal
bedienen, zie contactslotstanden - functies in
verschillende standen (p. 87).
N.B.
Iedere motorstart vindt er een automatische
functietest van het remsysteem plaats, wanneer de bestuurder het rempedaal bedient
om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen. Tijdens een functietest is de pedaalweg iets groter dan bij normaal remmen.
D: automatisch schakelen. +/–: handmatig schakelen. S:
Sport-modus*4.
Het instrumentenpaneel (p. 72) geeft de stand
van de keuzehendel aan met behulp van de volgende tekens: P, R, N, D, S*, 1, 2, 3 enzovoort.
Schakelstanden
De automatische schakelstanden worden rechts op het
instrumentenpaneel getoond.
(Er brandt maar één lampje
tegelijk - dat van de actuele
keuzehendelstand.)
4
Niet mogelijk met V60 Twin Engine.
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan als stand P wordt
gekozen.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - de P-stand van de
automatische versnellingsbak is niet voldoende om de auto in alle situaties vast te
houden.
Achteruitrijstand - R
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
Neutraalstand - N
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer voor de zekerheid ook de
parkeerrem (p. 293), wanneer de auto geparkeerd staat.
N.B.
De keuzehendel moet in de P-stand staan om
de auto te kunnen vergrendelen en op alarm
te zetten.
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
Om de keuzehendel vanuit stand N in een andere
schakelstand te zetten, moet u in contactslotstand II het rempedaal bedienen, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen
(p. 87).
Rijstand - D
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug afhankelijk
van de stand van het gaspedaal en de snelheid.
}}
* Optie/accessoire. 285
STARTEN EN RIJDEN
||
Zorg ervoor dat de auto stilstaat, voordat u de
keuzehendel vanuit stand D in stand R zet.
langzamer gaat rijden dan wat voor de gekozen
versnelling gepast is.
Als u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat,
schakelt de versnellingsbak automatisch op.
Geartronic - Handmatig schakelen
(+S–)
Om de automatische rijstand te hervatten:
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Wanneer de keuzehendel in de stand voor handmatig schakelen "+S-" staat, draait de verbrandingsmotor continu. U moet dan handmatig schakelen en bij het loslaten van het gaspedaal remt
de auto af op de motor.
Zet de hendel helemaal naar links in stand D.
Geartronic - Winterstand
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e versnelling in te schakelen.
U activeert de handmatige schakelstand door de hendel zijwaarts vanuit
de stand D naar de eindstand bij "+S-"
te bewegen. Het symbool "+S-" op het
instrumentenpaneel verkleurt van WIT naar
ORANJE en de cijfers 1, 2, 3 enzovoort worden
in een kader getoond en komen overeen met de
zojuist ingeschakelde versnelling.
1.
Bedien het rempedaal en haal de keuzehendel vanuit stand D helemaal naar stand
"+S–". Het symbool D op het instrumentenpaneel verandert in het cijfer 1.
2.
Schakel op naar de 3e versnelling door de
hendel twee keer naar voren naar de + (plus)
te duwen – op het display verandert de 1 in
een 3.
•
3.
Laat het rempedaal los en geef voorzichtig
gas.
Duw de hendel naar voren naar de + (plus)
om een hogere versnelling in te schakelen
en laat deze weer los – de hendel veert terug
naar de neutrale stand tussen + en –.
of
•
Trek de hendel naar achteren naar de "–"
(min) om een lagere versnelling in te schakelen en laat deze weer los.
Handmatig schakelen "+S–" is tijdens het rijden
op elk moment te activeren.
Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug als u
286
•
Bij activering van de "winterstand" van de versnellingsbak rijdt de auto met een lager motortoerental en minder kracht op de aandrijfwielen
weg.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij de
normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen is het
stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien
van een terugschakelblokkering, waardoor de
zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown
toe die tot een dusdanig hoog toerental leidt dat
de motor kan worden beschadigd. Als u bij hoge
motortoeren toch probeert een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt er niets. De auto blijft
in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen terugschakelen. Om schade aan de motor te voorkomen schakelt de auto op wanneer de motor het
maximumtoerental heeft bereikt.
Slepen
Als de auto moet worden weggesleept - zie de
belangrijke informatie in paragraaf Slepen
(p. 329).
Gerelateerde informatie
•
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 429)
•
Versnellingsbakken (p. 284)
STARTEN EN RIJDEN
Keuzehendelblokkering
Automatische keuzehendelblokkering
De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in twee
uitvoeringen: een mechanische en een automatische.
De automatische versnellingsbak kent enkele bijzondere beveiligingsfuncties:
Mechanische keuzehendelblokkering
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Parkeerstand (P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
•
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de
keuzehendel verzet.
G021351
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
parkeerstand (P)
Om de keuzehendel vanuit stand P in een andere
schakelstand te zetten, moet u in contactslotstand (p. 87) II het rempedaal bedienen.
M: Handmatig schakelen5 - "+/-" - of "Sportstand"6.
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Schakelblokkering, vrijstand (N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens 3 seconden stilgestaan (of de
motor nu draait of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd.
Om de keuzehendel vanuit stand N in een andere
schakelstand te zetten, moet u in contactslotstand (p. 87) II het rempedaal bedienen.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel
vooruit of achteruit bewegen tussen de standen
P, R, N en D.
5
6
7
De afbeelding is schematisch.
Niet bij de V60 Twin Engine.
U treft mogelijk 2 gaten aan – een voor het sleutelblad en een voor bevestiging van de rubbermat.
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu, moet u
de keuzehendel uit stand P halen voordat u de
auto kunt verslepen.
Neem de rubbermat in het vak achter de
middenconsole uit te auto en zoek onder in
het vak het gat7 voor het sleutelblad (p. 178)
p.
Lokaliseer met het sleutelblad de verende
knop onder in het gat, druk met het blad de
knop omlaag en houd deze ingedrukt.
Haal de keuzehendel uit stand P en verwijder
het sleutelblad.
}}
287
STARTEN EN RIJDEN
||
4.
Leg de rubbermat terug.
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak - Geartronic
(p. 285)
Hellingrem (HSA)*
Vierwielaandrijving - AWD
U hoeft het rempedaal niet te bedienen wanneer
u wegrijdt of achteruit een helling oprijdt - het
HSA-systeem (Hill Start Assist) voorkomt dat de
auto achteruitrolt.
Bij vierwielaandrijving is de grip op het wegdek
optimaal.
Het systeem zorgt ervoor dat de pedaaldruk
enkele seconden lang op peil blijft, wanneer u uw
voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst.
De tijdelijke remwerking wordt na enige seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van
het gaspedaal.
Gerelateerde informatie
•
Motor starten (p. 274)
Met deze knop op de middenconsole activeert u de vierwielaandrijving (AWD – All Wheel
Drive), zie Aandrijving - rijmodi
(p. 278). De stand is voornamelijk bestemd voor gebruik op
lage snelheid bij gladheid. De
vierwielaandrijving werkt ook stabiliserend bij
hogere snelheden.
Om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin
te voorkomen wordt de aandrijfkracht automatisch verdeeld over de wielen met de beste grip.
Bij normaal rijden worden de voorwielen naar verhouding iets sterker aangedreven dan de achterwielen.
Gerelateerde informatie
•
288
Aandrijving - rijmodi (p. 278)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Bedrijfsrem
U gebruikt het rempedaal om de rijsnelheid te
verlagen.
De auto is om veiligheidsredenen uitgerust met
twee remkringen.
De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt
versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt pas nadat de
motor is gestart, zie Motor starten (p. 274).
Bij gebruik van het rempedaal bij een stroomloze
auto met de elektromotor en verbrandingsmotor
afgezet (zoals tijdens het slepen) is de pedaalweg iets langer en moet u het pedaal harder
intrappen om de auto te remmen.
Bij auto's met de functie Hellingrem (HSA)*
(p. 288)* veert het rempedaal langzamer dan normaal terug in de uitgangspositie, als de auto op
een helling of ongelijkmatige ondergrond geparkeerd staat.
In bergachtig gebied of tijdens ritten met een
zware belading kunt u de remmen ontzien door
op de motor af te remmen. U benut de remmende werking van de motor het best, wanneer u
tijdens het afdalen dezelfde versnelling inschakelt
als bij het oprijden van een helling.
Voor meer algemene informatie over een zware
belasting van de auto, zie Motorolie - ongunstige
rijomstandigheden (p. 425).
Functietest tijdens motorstart
De auto is uitgerust met een "brake by wire"remsysteem. Na elke motorstart wordt een automatische functietest van het remsysteem uitgevoerd als u het rempedaal bedient om de keuzehendel uit de P-stand te halen, zie Automatische
versnellingsbak - Geartronic (p. 285). In verband
met de functietest kan het bestuurdersdisplay in
bepaalde gevallen een melding en een symbool
tonen, zie het voorbeeld in de tabel achter in
deze paragraaf.
N.B.
Tijdens een functietest is de pedaalweg iets
groter dan bij normaal remmen.
Licht afremmen - oplading hybride-accu
Bij licht remmen wordt op de elektromotor afgeremd. De bewegingsenergie van de auto wordt
dan omgezet in elektrische energie om de
hybride-accu mee op te laden. Een animatie op
het bestuurdersdisplay (p. 73) geeft aan wanneer
de accu wordt opgeladen via terugwinning van
remenergie.
De terugwinning vindt plaats bij snelheden tussen 150–5 km/h (93–3 mph) – bij krachtig remmen en bij snelheden buiten het gespecificeerde
interval wordt ook het hydraulische remsysteem
ingeschakeld.
Remmen op natte wegen
Als langere tijd wordt gereden bij harde regen en
zonder te remmen, kan bij de eerste keer remmen het remvermogen wat zijn verminderd. Dit
kan ook het geval zijn na het wassen van de auto.
In dat geval is het noodzakelijk het rempedaal
verder in te trappen. Houd om die reden meer
afstand aan tot uw voorligger.
Rem hard met de auto na op natte wegen te
hebben gereden of het wassen van de auto. De
remschijven warmen dan op, drogen sneller en
zijn beschermd tegen corrosie. Houd bij het remmen rekening met de actuele verkeerssituatie.
Remmen op met zout gestrooide
wegen
Bij ritten op wegen waar zout is gestrooid, kan
zich een zoutlaag op de remschrijven en remvoering afzetten. Dit kan de remweg verlengen. Houd
daarom extra veel afstand aan tot uw voorligger.
Let ook op dat u:
•
Af en toe remt om eventuele zoutafzetting te
verwijderen. Let op dat u andere verkeersdeelnemers niet in gevaar brengt bij het remmen.
•
Trap het rempedaal na de rit en voordat u de
volgende rit begint voorzichtig in.
}}
* Optie/accessoire. 289
STARTEN EN RIJDEN
||
Onderhoud
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te
houden, dient u de service-intervallen van Volvo
aan te houden zoals omschreven in het Serviceen garantieboekje.
een paar honderd kilometer rijden zijn "ingesleten". Compenseer de verminderde remwerking
door harder op het rempedaal te trappen. Volvo
raadt aan om alleen remvoeringen te monteren
die zijn goedgekeurd voor uw Volvo.
De remwerking van nieuwe en vervangen remblokken en remschijven is pas optimaal als ze na
BELANGRIJK
De onderdelen van het remsystemen moeten
regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Symbolen en meldingen
Symbool
Melding
Betekenis/Maatregel
Brandt continu – controleer het remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag ligt en controleer tevens de
oorzaak van het remvloeistofverlies.
Brandt tijdens het starten van de motor 2 seconden continu - automatische functietest.
290
STARTEN EN RIJDEN
Symbool
Melding
Betekenis/Maatregel
Rempedaal bedienen om auto uit
stand P te halen
U trapt het rempedaal niet ver genoeg in.
Eigenschappen rempedaal gewijzigd
Service vereist
Kan verschijnen bij strenge vorst of als de keuzehendel uit stand P is gehaald, terwijl het rempedaal niet ver genoeg
werd ingetrapt.
•
•
Trap het pedaal verder in.
Zet de motor af met een druk op de knop START/STOP ENGINE – voer een nieuwe motorstart uit en trap het
rempedaal in.
Als de foutmelding aanhoudt: Neem contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Als
en
tegelijk branden, kan er
een storing in het remsysteem zijn ontstaan.
Als het niveau in het remvloeistofreservoir in
dat geval normaal is, moet u voorzichtig naar
de dichtstbijzijnde werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
Parkeerrem (p. 293)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 292)
•
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij noodstops (p. 292)
•
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
(p. 292)
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau in
het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
De oorzaak van het remvloeistofverlies moet
worden gecontroleerd.
291
STARTEN EN RIJDEN
Bedrijfsrem antiblokkeerremsysteem
Bedrijfsrem - noodremlichten en
automatische alarmlichten
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging
bij noodstops
Het antiblokkeerremsysteem, ABS Anti-lock
Braking System voorkomt dat de wielen blokkeren tijdens het remmen.
De noodremlichten worden geactiveerd om achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt.
Daarbij knipperen de remlichten in plaats van dat
ze continu branden, zoals bij normaal remmen.
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assist) helpt de remkracht verhogen om op die manier de remweg te verkorten.
De noodremlichten worden geactiveerd bij snelheden hoger dan 50 km/h (31 mph) als het ABS
actief is en/of bij krachtig remmen. Zodra de rijsnelheid minder dan 10 km/h (6 mph) bedraagt,
knipperen de remlichten niet langer en gaan ze
continu branden en worden tegelijkertijd de
alarmlichten (p. 105) geactiveerd. Deze knipperen tot u weer gas geeft of de alarmlichten zelf
uitschakelt.
Het EBA registreert de wijze waarop u het rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de remkracht. De remkracht kan worden verhoogd tot
aan het niveau waarbij het ABS ingrijpt. De EBAregeling wordt uitgeschakeld wanneer u de druk
op het rempedaal verlaagt.
Het systeem zorgt ervoor dat de auto bestuurbaar blijft, waardoor het bijvoorbeeld gemakkelijker is om obstakels te ontwijken. Bij activering
van deze functie kunt u trillingen in het rempedaal voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u het rempedaal loslaat nadat de motor
is aangeslagen, gaat een kortdurende, automatische test van het ABS van start. Het is mogelijk
dat er op een lage snelheid nóg een automatische test van het ABS plaatsvindt. Deze test is
waarneembaar in de vorm van trillingen in het
rempedaal.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
292
Bedrijfsrem (p. 289)
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij noodstops (p. 292)
Als EBA wordt geactiveerd, gaat het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Druk het
rempedaal in zo lang als dat nodig is. Als u
het rempedaal loslaat, stopt al het afremmen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerrem (p. 293)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 292)
N.B.
•
Bedrijfsrem (p. 289)
Parkeerrem (p. 293)
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij noodstops (p. 292)
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
(p. 292)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bedrijfsrem (p. 289)
Parkeerrem (p. 293)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 292)
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
(p. 292)
STARTEN EN RIJDEN
Parkeerrem
Parkeerrem aanzetten
De parkeerrem voorkomt met behulp van mechanische blokkering/vergrendeling van twee wielen
dat een stilstaande auto kan wegrollen.
ten van de handgreep wordt de rem uitgeschakeld.
N.B.
Bij activeren van de noodrem bij hogere snelheden klinkt er tijdens het remmen een signaal.
Functie
Bij activering van de elektrisch geregelde parkeerrem hoort u een zwak elektromotorgeluid.
Het geluid is tevens waarneembaar bij een automatische functietest van de parkeerrem.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen.
Als u de parkeerrem tijdens het rijden aanzet,
wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd. Daarbij
werkt de rem op alle vier de wielen. Wanneer de
auto bijna stilstaat, worden alleen de achterwielen geremd.
Op een helling parkeren
Bij het parkeren van de auto op een oplopende
helling:
Handgreep parkeerrem – aanzetten.
1.
Trap het rempedaal stevig in.
2.
Druk op de handgreep van de parkeerrem.
>
Het symbool op het instrumentenpaneel gaat knipperen – wanneer het
continu brandt, is de parkeerrem ingeschakeld.
Lage accuspanning
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is, zie
Starthulp met andere accu (p. 276).
3.
Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
•
Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende
helling:
•
Draai de wielen naar de trottoirband toe.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling of de P-stand van een automatische versnellingsbak is niet voldoende
om de auto in alle situaties vast te houden.
Als de auto wordt geparkeerd, moet de keuzehendel in de P-modus staan.
Noodrem
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens
het rijden inschakelen door de handgreep voor
de parkeerrem ingedrukt te houden. Bij het losla}}
293
STARTEN EN RIJDEN
||
Parkeerrem lossen
Automatisch lossen
Zware belading op oplopende hellingen
1.
Doe de veiligheidsgordel om.
2.
Start de motor.
Bij een zware belading zoals een aanhanger is
het mogelijk dat de auto op een steile, oplopende
helling achteruitrolt, wanneer de parkeerrem
automatisch wordt gelost. U kunt dit voorkomen
door bij het wegrijden de handgreep ingedrukt te
houden. Laat de handgreep weer los zodra de
koppeling aangrijpt.
3.
Trap het rempedaal stevig in.
4.
Zet de keuzehendel in stand D of R en geef
gas.
>
De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft.
N.B.
Handgreep parkeerrem – lossen.
Handmatig lossen
1.
2.
Trap het rempedaal stevig in.
3.
Trek aan de handgreep.
>
De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft.
8
294
Plaats de transpondersleutel in het contactslot8.
Om veiligheidsredenen wordt de parkeerrem
alleen automatisch uitgeschakeld, als de
motor loopt en de bestuurder de veiligheidsgordel draagt. Bij auto’s met automatische
transmissie wordt de parkeerrem onmiddellijk
uitgeschakeld, wanneer u het gaspedaal
bedient terwijl de keuzehendel in stand D of
R staat.
Bij een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling: Druk op START/STOP ENGINE.
Remblokken vervangen
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een werkplaats met het oog op de constructie van de elektrische parkeerrem – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Symbolen en meldingen
Voor informatie over het weergeven en wissen
van displaymeldingen op het instrumentenpaneel,
zie Meldingen - functies (p. 121).
STARTEN EN RIJDEN
Symbool
Melding
Betekenis/Maatregel
"Melding"
•
Lees de melding op het instrumentenpaneel.
Een knipperend symbool houdt in dat de parkeerrem wordt aangezet.
Als het symbool in een andere situatie gaat knipperen, is er sprake van een storing.
•
Parkeerrem niet
helemaal gelost
Lees de melding op het instrumentenpaneel.
Door een storing kan de parkeerrem niet worden uitgeschakeld:
•
Probeer of u de rem kunt in- en uitschakelen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt:
•
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
NB Er klinkt een waarschuwingssignaal als u doorrijdt met deze foutmelding.
Parkeerrem niet
bekrachtigd
Door een storing kan de parkeerrem niet worden ingeschakeld:
•
Probeer of u de rem kunt uit- en inschakelen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt:
•
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Dezelfde melding verschijnt ook op auto's met een handbak, wanneer er langzaam wordt gereden met het portier open.
De melding maakt u erop attent dat de parkeerrem mogelijk onbedoeld werd gelost.
Parkeerrem Service vereist
Er is een storing opgetreden:
•
Probeer of u de rem kunt in- en uitschakelen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt:
•
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als u de auto moet parkeren voordat een eventuele storing kan worden verholpen, moet u de wie-
}}
295
STARTEN EN RIJDEN
||
len net als bij het parkeren op een helling de
juiste kant op draaien of de keuzehendel in stand
P te zetten.
Meldingen kunt u van het display halen door de
OK-knop op de richtingaanwijzerhendel kort in te
drukken.
Gerelateerde informatie
•
296
Bedrijfsrem (p. 289)
STARTEN EN RIJDEN
Zuinig rijden
ste instantie de elektrische stoel- en stuurwielverwarming*. Vermijd verwarming van het
complete interieur, omdat dit stroom uit de
hybride-accu verbruikt.
Rijd zuinig en milieubewust door rustig en met
vooruitziende blik te rijden én door uw rijstijl en
snelheid aan te passen aan de situatie.
Rijden op stroom plannen
Het is belangrijk om het rijden op stroom zorgvuldig te plannen, zodat u zo ver mogelijk kunt rijden:
Opladen
• Laad de auto regelmatig via het elektriciteitsnet op. Maak er een gewoonte van om altijd
met een volledig opgeladen hybride-accu te
vertrekken.
•
•
•
Activeer voor het laagste energieverbruik de
rijmodus Pure.
•
Rijd met gelijkmatige snelheid en met vooruitziende blik om zo weinig mogelijk te hoeven remmen.
•
Balanceer de vermogensbehoefte met het
gaspedaal. Raadpleeg de indicatie voor het
beschikbare vermogen van de elektromotor,
zie Eco guide & Hybrid guide (p. 77), om te
voorkomen dat de verbrandingsmotor onnodig aanslaat. De elektromotor is efficiënter
dan verbrandingsmotor, vooral op lage snelheden.
Ga na waar de laadstations zich bevinden.
Kies zo mogelijk een parkeerplaats met laadstation.
Preconditioning
• Activeer de preconditioning van de auto zo
mogelijk alvorens ermee te gaan rijden door
de laadkabel op het elektriciteitsnet aan te
sluiten.
•
Rijden
Een energiebesparende rijtechniek verlaagt het
stroomverbruik en vergroot uw actieradius.
Vermijd parkeerplaatsen waar het auto-interieur tijdens het parkeren overmatig wordt
gekoeld of verwarmd. Parkeer bijvoorbeeld
liefst in een geklimatiseerde garage.
•
Bij een korte rit na de preconditioning van
het interieur moet u, zo mogelijk, de interieurventilator uitschakelen.
•
Als preconditioning bij koude weersomstandigheden niet mogelijk is, gebruik dan in eer-
•
•
Als u remt, gebruik het rempedaal dan zo
soepel mogelijk. Hierdoor wordt de hybrideaccu weer opgeladen. In het rempedaal is
een regeneratieve remfunctie ingebouwd.
Bij ritten in heuvelachtig gebied kunt u de
motorrem benutten. De auto remt af op de
motor wanneer het gaspedaal wordt losgelaten en de hybride-accu wordt opgeladen.
•
Bij hoge snelheden neemt het energieverbruik toe - de luchtweerstand neemt toe
naarmate de snelheid stijgt.
•
Kies rijmodus Save bij hogere snelheden tijdens ritten die langer duren dan de elektromotor aankan.
•
Houd de juiste bandenspanning aan en controleer regelmatig of dat nog steeds zo is houd voor de beste resultaten de zogeheten
ECO-bandenspanning aan.
•
De bandenkeuze is mogelijk van invloed op
het brandstofverbruik – informeer bij uw dealer naar passende banden.
•
Neem geen spullen in de auto mee die u niet
gebruikt – hoe groter de belading, hoe hoger
het verbruik.
•
Lading op het dak en een dakbox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor het
verbruik toeneemt – verwijder lastdagers die
u niet gebruikt.
•
•
Rijd niet met open zijruiten.
Houd de auto niet stil op een helling door
het gaspedaal te bedienen. Gebruik in plaats
daarvan het rempedaal.
}}
* Optie/accessoire. 297
STARTEN EN RIJDEN
||
WAARSCHUWING
Let erop dat de auto bij elektrische aandrijving geen motorgeluid produceert, waardoor
spelende kinderen, voetgangers, fietsers en
huisdieren u mogelijk niet opmerken. Dit geldt
in het bijzonder wanneer u op lage snelheden
rijdt, zoals op parkeerterreinen.
Buitentemperatuur
De elektromotor, elektronica en accu’s werken
het best bij een temperatuur rond 25 °C. Wanneer de auto op een laadstation is aangesloten,
wordt de auto verwarmd/gekoeld (p. 146) tot het
optimale temperatuurinterval. Als u de auto bij
vorst start of als de auto tijdens de rit wordt afgekoeld tot onder het optimale temperatuurinterval,
start automatisch de verwarming op brandstof en
eventueel ook de verbrandingsmotor voor extra
verwarming. Als de temperatuur te ver daalt, is
elektrische aandrijving mogelijk maar met een
lager rendement.
Tijdens ritten bij hoge temperaturen is mogelijk
koeling van het systeem vereist.
N.B.
Bij extreem lage buitentemperaturen draait de
dieselmotor altijd.
Stroomverbruikers
Hoe meer verbruikers (audiosysteem, elektrische
verwarming in ruiten/spiegels/stoelen et cetera)
298
er zijn ingeschakeld, hoe hoger het stroomverbruik.
Gerelateerde informatie
•
•
Actieradius op stroom (p. 301)
Rijden tijdens de winter (p. 301)
Doorwaaddiepte
Met doorwaden wordt bedoeld dat de auto op
een met water bedekte rijbaan door een diepere
plas water rijdt. Waden dient met de nodige
voorzichtigheid te gebeuren.
Stapvoets kunt u met de auto door waterpartijen
van maximaal 25 cm diep rijden. Wees extra
voorzichtig bij het doorwaden van stromend
water.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking
optreden.
•
Maak eventuele aansluitingen voor de elektrische verwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en modder.
•
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken – elektrische
storingen zijn anders niet uitgesloten.
STARTEN EN RIJDEN
BELANGRIJK
Als er water in het luchtfilter komt, kan er
motorschade ontstaan.
Bij een diepte groter dan 25 cm kan er water
in de transmissie komen. Het smerende vermogen van de oliën neemt dan af, waardoor
de levensduur van deze systemen korter
wordt.
Schade aan de motor, transmissie, turbocompressor, het differentieel of de inwendige
onderdelen ervan als gevolg van waterlekkage (hydrolock) of een tekort aan olie valt
niet onder de garantie.
Oververhitting
Voor informatie over oververhitting bij het gebruik
van een aanhanger, zie Rijden met een aanhanger* (p. 322).
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten
tijdens ritten bij warm weer.
•
Als de temperatuur in het koelsysteem van
de motor te hoog oploopt, gaat een waarschuwingssymbool branden op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel en
verschijnt daar de melding
Motortemperatuur hoog Stop auto
z.s.m. – breng de auto in dat geval zo spoedig mogelijk tot stilstand en laat de motor
enkele minuten stationair lopen zodat deze
kan afkoelen.
Bij een motorstop in water moet u niet proberen opnieuw te starten. Laat de auto uit het
water naar de werkplaats slepen - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Kans op motorschade.
Gerelateerde informatie
•
•
Bergen (p. 330)
Slepen (p. 329)
display de tekstmelding Versnellingsbak
heet Rijd langzamer of Versnellingsbak
heet Stop auto z.s.m. Wachten op
afkoelen verschijnt. Neem het gegeven
advies in acht en verlaag de snelheid of
breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand om de versnellingsbak te laten afkoelen door de motor enkele minuten stationair
te laten draaien.
In bepaalde omstandigheden, bij zware belasting op steile hellingen en warm weer, bestaat
het gevaar dat de motor en de aandrijflijn oververhit raken – vooral bij het vervoer van een
zware lading.
•
Als de displaymelding Motortemperatuur
hoog Zet motor af of Koelvloeistofpeil
laag Stop auto z.s.m. verschijnt, dient u
nadat de auto tot stilstand is gekomen ook
de motor af te zetten.
•
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een ingebouwde beveiliging geactiveerd die er onder meer voor zorgt dat het
waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden en op het bijbehorende
•
Bij oververhitting kan de airconditioning zichzelf tijdelijk uitschakelen.
•
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator van de
motor een tijdje werkt nadat de motor is uitgeschakeld.
* Optie/accessoire. 299
STARTEN EN RIJDEN
Rijden met een geopend(e)
achterklep/kofferklep
Wanneer u met een geopende achterklep rijdt,
kunnen er giftige uitlaatgassen via de bagageruimte de auto in worden gezogen.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Via
de bagageruimte kunnen er giftige uitlaatgassen in de auto worden gezogen.
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 163)
Overbelasting - startaccu
Voorbereidingen bij lange reizen
De elektrische functies van de auto belasten de
startaccu (p. 390) in verschillende mate. Laat
het contactslot niet te lang achtereen in sleutelstand II (p. 87) staan, wanneer de auto is uitgeschakeld. Maak in plaats daarvan gebruik van de
stand I – het stroomverbruik is dan minder.
Bij lange reizen is het goed om de volgende
punten te doorlopen:
Let er tevens op dat de verschillende accessoires
het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom nemen uit, wanneer de auto is uitgeschakeld. Voorbeelden van
dergelijke onderdelen/systemen zijn:
•
•
•
•
300
Controleer of de motor naar behoren functioneert en of het brandstofverbruik (p. 434) in
orde is.
•
Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
•
Controleer alle lampen en de profieldiepte
van de banden.
•
In sommige landen bent u wettelijk verplicht
een gevarendriehoek (p. 342) in de auto te
hebben.
interieurventilator
koplampen
ruitenwisser
audiosysteem (hoog volume).
Bij een geringe startaccuspanning verschijnt op
het informatiedisplay van het instrumentenpaneel
de tekst Accuspanning laag Spaarstand. De
energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens
bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt de
belasting van de accu door bijvoorbeeld de interieurventilator lager te zetten en/of het audiosysteem uit te schakelen.
–
•
Laad de startaccu dan op door de auto te
starten en de motor minstens 15 minuten te
laten draaien – de startaccu wordt beter
opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand
met een stationair draaiende motor.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Motorolie - controleren en bijvullen (p. 374)
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 338)
Lamp vervangen - algemeen (p. 379)
STARTEN EN RIJDEN
Rijden tijdens de winter
Bij rijden in de winter is het belangrijk om
bepaalde controles uit te voeren, zodat u zeker
weet dat u veilig met de auto kunt rijden.
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder
op het volgende:
•
De koelvloeistof (p. 375) van de motor moet
50 % glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie is de motor beschermd tegen
bevriezing tot ca. –35 °C. Om gezondheidsrisico’s te vermijden is het zaak geen verschillende soorten glycol met elkaar te mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens
in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk.
Wanneer u oliesoorten met een lagere viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat de motor
bij koud weer gemakkelijker aan en neemt
bovendien het brandstofverbruik tijdens de
koude start af. Voor meer informatie over
geschikte oliesoorten, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 425).
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of
warm weer.
•
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de startaccu. De star-
taccu wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
•
Giet sproeiervloeistof (p. 389) in het sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming te voorkomen.
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of ijs
adviseert Volvo u om de auto rondom van winterbanden te voorzien.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn niet
in alle landen toegestaan.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden om
te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
Gerelateerde informatie
•
Rijden tijdens de winter (p. 301)
Actieradius op stroom
De actieradius van de auto bij elektrische aandrijving hangt af van tal van factoren, zoals het
aantal actieve stroomverbruikers. De voorwaarden voor een grote actieradius zijn afhankelijk
van de omstandigheden en situaties waarin de
auto rijdt.
Factoren die van invloed zijn op de
actieradius
Op bepaalde factoren kunt u zelf invloed uitoefenen, terwijl andere niet te beïnvloeden zijn. De
grootste actieradius is te bereiken onder gunstige omstandigheden als alle factoren een positieve invloed hebben.
Factoren die u zelf niet kunt beïnvloeden
Er zijn meer externe omstandigheden die in verschillende mate van invloed zijn op de actieradius:
•
•
•
•
•
verkeerssituatie
korte afstanden
topografie
buitentemperatuur en tegenwind
toestand van de weg en oppervlaktelaag.
}}
301
STARTEN EN RIJDEN
||
Factoren die u zelf kunt beïnvloeden
U moet zich bewust zijn van het feit dat de volgende factoren van invloed zijn op de actieradius,
zodat u de auto zo energiezuinig mogelijk kunt
besturen:
•
•
•
•
•
•
•
Regelmatig opladen
Preconditioning
Tankvulklep - openen/sluiten
Kies de rijmodus Pure voor het meest energiezuinig rijden - om zo ver mogelijk te komen op
alleen elektriciteit.
De tankvulklep is als volgt te openen/sluiten:
Langdurige stilstand
Klimaatinstellingen
Bij normale oplading van de hybride-accu
(p. 310) wordt een deel van de laadstroom
gebruikt om de aandrijving van de auto bedrijfsklaar te houden, in het bijzonder om de temperatuur van de hybride-accu te regelen. Als u de
auto enkele dagen niet gebruikt, kunt u energie
besparen door de preconditioning uit te schakelen. Bij langdurige stilstand is het voor de
hybride-accu het beste om de auto op een koele
plek te parkeren. Voor meer informatie over waar
u aan moet denken bij langdurige stilstand, zie
Langdurige stalling van auto met hybride-accu
(p. 321).
Snelheid en acceleratie
Rijmodus Save
Banden en bandenspanning.
Voor een zo groot mogelijke actieradius bij elektrische aandrijving moet u stroom besparen
(p. 311). Hoe meer verbruikers (audiosysteem,
elektrische verwarming ruiten/spiegels/stoelen,
sterke koeling klimaatregeling e.d.) er zijn ingeschakeld, hoe korter de actieradius.
N.B.
Naast een hoog stroomverbruik in het interieur kunnen ook hoge snelheden, snel optrekken, zware ladingen en oplopende hellingen
de actieradius beperken.
Tankvulklep openen/sluiten
Kies rijmodus Save bij hogere snelheden tijdens
ritten die langer duren dan de elektromotor aankan.
Rijmodus Pure
Stroomverbruikers
302
Rijden met elektrische aandrijving
Gerelateerde informatie
•
•
Zuinig rijden (p. 297)
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel – bij het loslaten van de knop springt
de klep open.
Op het display van het instrumentenpaneel wordt middels de pijl op het symbool
aangegeven aan welke kant van de auto de tankdop zit.
•
Aandrijving - rijmodi (p. 278)
Sluit de klep door deze dusdanig in te drukken dat u een klik hoort.
Gerelateerde informatie
•
Brandstof tanken (p. 303)
STARTEN EN RIJDEN
Tankvulklep - handmatig openen
De tankvulklep kan handmatig worden geopend,
als openen met de schakelaar in de passagiersruimte niet mogelijk is.
1.
Open/verwijder het zijluikje in de bagageruimte (aan de kant van de tankvulklep).
2.
Open een geperforeerd deel van de isolatie
en zoek een groene kabel met handgreep
op.
3.
Trek de kabel voorzichtig recht naar achteren
toe totdat de tankvulklep met een duidelijke
klik wordt geopend.
Gerelateerde informatie
•
Brandstof tanken (p. 303)
Brandstof tanken
Waar u tijdens het tanken op moet letten.
Tankdop open-/dichtdraaien
De tankdop is tijdelijk op de klep te zetten.
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank
ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam open.
•
Breng na het tanken de tankdop weer aan
en draai deze zo ver dicht dat u één of meer
klikken hoort.
BELANGRIJK
Trek voorzichtig aan de lus – er is slechts weinig kracht nodig om de klep te ontgrendelen.
}}
303
STARTEN EN RIJDEN
||
Brandstof tanken
1.
Kies een brandstof die is goedgekeurd voor
gebruik in de auto op basis van de aanduiding9 aan de binnenkant van de tankvulklep.
Zie de informatie over de goedgekeurde
brandstoffen in het artikel over diesel
(p. 305).
2.
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag meteen uit de vulopening te
halen.
N.B.
Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen.
Bijvullen met jerrycan10
Gebruik voor het bijvullen met een jerrycan de
trechter die onder het vloerluik in de bagageruimte ligt.
Gerelateerde informatie
•
•
Tankvulklep - handmatig openen (p. 303)
Brandstof - gebruik (p. 304)
Brandstof - gebruik
Gebruik geen brandstof met een slechtere kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een nadelige
invloed kan hebben op het motorvermogen en
het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen zoals
benzine, bio-ethanol, mengsels ervan en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen bij
inwendig gebruik aanleiding geven tot blijvend
letsel met mogelijk dodelijke afloop. Roep
onmiddellijk medische hulp in bij het inslikken
van brandstof.
Let erop dat u de buis van de trechter goed in de
vulpijp steekt. De vulpijp is voorzien van een te
openen afdekking. U moet de buis van de trechter langs de afdekking naar binnen steken, voordat u kunt bijvullen.
9
De aanduiding conform de CEN-norm prEN16942 zit aan de binnenkant van de tankvulklep en binnenkort (binnen twee jaar) ook op de desbetreffende brandstofpompen en vulpistolen op tankstations in heel
Europa.
Geldt alleen voor een auto met een dieselmotor.
10
304
STARTEN EN RIJDEN
WAARSCHUWING
•
Brandstoftank - inhoud (p. 431)
Brandstof - diesel
Op de grond gemorste brandstof kan vlam
vatten.
Diesel is een brandstoftype bestemd voor een
auto met een dieselmotor.
Schakel de verwarming op brandstof uit voordat u gaat tanken.
Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit brandstof
van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De dieselolie moet voldoen aan de norm EN 590 of
SS 155435. Dieselmotoren zijn gevoelig voor
verontreinigingen in de brandstof zoals een te
hoog gehalte aan zwavel- of metaaldeeltjes.
Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het
belsignaal kan er vonkvorming ontstaan waardoor de benzinedampen ontsteken en dat kan
tot brand en letsel leiden.
BELANGRIJK
Door mengsels van verschillende soorten
brandstoffen of het gebruik van niet aanbevolen brandstof vervallen de garanties van Volvo
en evt. aanvullende serviceovereenkomsten.
Dit geldt voor alle motoren.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, rijden met
een aanhanger/caravan of ritten op grote
hoogte kan, afhankelijk van de gebruikte
brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van
de auto te wensen overlaten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstof - diesel (p. 305)
Roetfilter dieselmotor (DPF) (p. 308)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 434)
}}
305
STARTEN EN RIJDEN
||
Aanduiding
De aanduiding11 zit aan de binnenkant van de
tankvulklep en binnenkort (binnen twee jaar) ook
op de desbetreffende brandstofpompen en vulpistolen op tankstations in heel Europa.
Dit is de aanduiding die geldt voor de huidige
standaardbrandstof in Europa. In een auto met
een dieselmotor is het toegestaan dieselolie te
gebruiken met de volgende aanduiding:
B7 is een dieselsoort met
maximaal 7 vol-% FAME (Fatty
Acid Methyl Ester).
pijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte
oppervlakken. Maak als u gemorst hebt het
gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK
De dieselolie:
•
moet voldoen aan de norm EN 590 en/of
SS 155435;
•
moet een zwavelgehalte hebben van
maximaal 10 mg/kg;
•
mag maximaal 7 vol% FAME12 (B7)
bevatten.
BELANGRIJK
Bij lage temperaturen (lager dan 0 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot
startproblemen leiden. De verkrijgbare brandstofkwaliteiten moeten zich lenen voor gebruik in het
actuele jaargetijde en klimaatgebied, maar in
extreme weersomstandigheden, bij gebruik van
verouderde brandstof of bij ritten door verschillende klimaatgebieden kan desondanks uitvlokking optreden.
Het risico van condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld houdt.
Houd tijdens het tanken het gebied rond de vul11
12
13
306
CEN-norm prEN16942.
Fatty Acid Methyl Ester
Dieselolie met maximaal 7 vol% FAME (B7) is toegestaan.
Maak geen gebruik van de volgende dieselolieachtige brandstoffen:
•
•
•
•
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
FAME13 of plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door de
garanties van Volvo.
Beperkingen door lage
buitentemperaturen
Om te voorkomen dat paraffinen (zie voorgaande
paragraaf) uitvlokken bij gebruik van een dieseloliesoort met een geringe koudebestendigheid is
de auto (afhankelijk van de markt) voorzien van
een functie die bij lage temperaturen automatisch beperkingen instelt voor het gebruik van de
elektrische aandrijving in de rijmodus PURE of
HYBRID. In een dergelijke situatie blijft de dieselmotor continu draaien.
De koudebestendigheid van de dieselolie geeft
aan hoe geschikt deze brandstof is voor gebruik
bij lage temperaturen. Normaal is de koudebestendigheid van de dieselolie afgestemd op de
klimaatzone en het seizoen waarin de brandstof
gedistribueerd en verkocht wordt.
Naarmate de brandstof in de tank ouder wordt
vinden er bij lage temperaturen meer automatische beperkingen plaats. Voor een auto die net
getankt is gelden geen beperkingen, maar naarmate de brandstof in de tank ouder wordt (ouderdom in maanden) nemen eventuele beperkingen
toe.
De functie past bij lage buitentemperaturen het
brandstofverbruik van de auto dusdanig aan dat
er verse brandstof (met de juiste koudebestendigheid) kan/moet worden bijgetankt, voordat de
STARTEN EN RIJDEN
aanwezige brandstof in de tank de kritieke temperatuur bereikt.
1.
Ouderdom brandstof
De combinatie van oude dieselolie (met een
ouderdom van zo'n 5 maanden of meer) en condenswater kan in bepaalde omstandigheden aanleiding geven tot de groei van algen en bacteriën
in het brandstofsysteem en/of oxidatie van de
brandstof met motorpech als mogelijk gevolg.
Ter voorkoming van dergelijke problemen heeft
de auto een ingebouwde controlefunctie die de
ouderdom van de brandstof bijhoudt. In het kader
van deze functie verschijnt mogelijk een duidelijke displaymelding, bijvoorbeeld:
• Verouderde brandstof Start
verbrandingsmotor voor
brandstofverbruik
• Oude brandstof Motor draait om
Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag naar
binnen. Voor meer informatie, zie Sleutelstanden (p. 87).
2.
Druk op de START-knop zonder rem- en/of
koppelingspedaal te bedienen.
3.
Wacht ca. één minuut.
4.
Om de motor te starten: Bedien rem- en/of
koppelingspedaal en druk nogmaals op de
START-knop.
N.B.
Alvorens brandstof te tanken bij een leeggereden tank:
•
Breng de auto tot stilstand op een zo
egaal/horizontaal mogelijke ondergrond
– als de auto overhelt, bestaat er gevaar
voor luchtbellen in de brandstoftoevoer.
brandstof te verbr.
• Oude brandstof Vul brandstoftank
Neem in het gegeven geval de aanbevolen maatregel in acht.
Wanneer u de tank leegrijdt
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná bijtanken
met dieselolie) het volgende, voordat u de motor
start:
14
Geldt alleen voor vijfcilindermotoren.
Waar u op moet letten, wanneer u de
tank hebt leeggereden
Probeer te voorkomen dat u zonder brandstof
komt te staan. Wanneer u de tank hebt leeggereden, kunt u verder rijden op de resterende stroom
in de hybride-accu. Wanneer u vervolgens weer
brandstof hebt kunnen tanken, is het mogelijk dat
het iets langer duurt voordat de motor aanslaat
(tot 30 seconden). In sommige gevallen zijn
mogelijk meerdere startpogingen vereist.
Nadat de motor is aangeslagen wordt geadviseerd om deze minstens 5 minuten te laten
draaien. Kies de rijmodus AWD of POWER voor
optimale brandstoftoevoer.
Als de melding Verbrandingsmotor niet
beschikbaar Vermogen en actieradius
beperkt verschijnt op het bestuurdersdisplay –
zet de motor dan af en start deze opnieuw om de
maximale motorfunctie te herstellen.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen14
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van condenswater. Condenswater kan anders aanleiding
geven tot motorstoringen.
Voor optimale prestaties is het belangrijk de vervangingsintervallen voor het brandstoffilter aan te
houden en originele onderdelen te gebruiken.
Houd u voor het aftappen van het condenswater
aan de specificaties die in uw Service- en garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er verontreinigde brandstof is gebruikt,
moet u het brandstoffilter aftappen. Voor meer
informatie, zie Serviceprogramma van Volvo
(p. 366).
}}
307
STARTEN EN RIJDEN
||
BELANGRIJK
Bepaalde speciale toevoegingen verwijderen
de waterafscheiding in het brandstoffilter.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstof - gebruik (p. 304)
Roetfilter dieselmotor (DPF) (p. 308)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 434)
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter,
waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging
mogelijk is.
Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter.
Om de roetdeeltjes te verbranden en het filter te
legen wordt een zogeheten regeneratie gestart.
Daarvoor moet de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
De regeneratie van het roetfilter vindt automatisch plaats en duurt normaal 10–20 minuten. Bij
een lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer
duren. Tijdens de regeneratie kan het brandstofverbruik iets stijgen.
Bij regeneratie vindt op de achtergrond een tijdelijke oplading van de hybride-accu plaats die vergelijkbaar is met de functie in de SAVE-stand, zie
Aandrijving - rijmodi (p. 278).
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd
en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes
gevuld is, licht de oranje waarschuwingsdriehoek
op het instrumentenpaneel op en verschijnt de
melding Roetfilter vol Zie instructieboekje op
het informatiedisplay.
308
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden tot de motor voldoende op temperatuur
is gekomen. Daarna rijdt u nog 20 minuten verder.
N.B.
Tijdens de regeneratie kan zich het volgende
voordoen:
•
er kan tijdelijk een geringe beperking van
het motorvermogen te bespeuren zijn
•
het brandstofverbruik kan tijdelijk toenemen
•
er kan sprake zijn van een brandlucht.
Wanneer het filter geregenereerd is, wordt de
waarschuwingsmelding automatisch gewist.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming*
inschakelt, bereikt de motor sneller de normale
bedrijfstemperatuur.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal vol deeltjes zit, kan het
moeilijk zijn om de motor te starten en het filter wordt onbruikbaar. De kans bestaat dan
dat het filter moet worden vervangen.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Brandstof - gebruik (p. 304)
Brandstof - diesel (p. 305)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 434)
Brandstoftank - inhoud (p. 431)
Katalysatoren
De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor in het
uitlaatsysteem gemonteerd om snel op temperatuur te komen.
Gerelateerde informatie
•
Brandstof - diesel (p. 305)
De katalysatoren bestaan uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De wanden van de
kanalen zijn bekleed met platina/rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische
werking, dat wil zeggen ze versnellen een chemische reactie zonder dat ze daar zelf actief aan
deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken
en de energie-inhoud van de brandstof beter te
benutten. Voor meer informatie, zie Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 434).
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten.
De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse wordt
doorgegeven aan het elektronische systeem dat
continu de injectoren afregelt. Het lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt, wordt continu
bijgesteld. De regeling schept de ideale omstandigheden voor een effectieve verbranding van de
schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden) in de driewegkatalysator.
309
STARTEN EN RIJDEN
Opladen hybride-accu
Naast een brandstoftank zoals in een conventionele auto is de auto ook uitgerust met een
oplaadbare accu, een zogeheten hybride-accu,
van het lithiumion-type.
De hybride-accu wordt geladen met behulp van
een laadkabel met regeleenheid (p. 313) die
onder de laadvloer in de bagageruimte wordt
bewaard, zie Laadkabel met regeleenheid
(p. 313).
N.B.
Elektrische aandrijving is niet mogelijk wanneer
de temperatuur in de accu te laag of te hoog is.
Als de rijmodus PURE (zie Aandrijving en rijmodi
(p. 278)) dan is gekozen, slaat de verbrandingsmotor aan.
Laden met een vaste regeleenheid
volgens mode 315
Volvo adviseert een laadkabel volgens IEC
62196 en IEC 61851 die temperatuurbewaking ondersteunt.
Op bepaalde markten zit de regeleenheid vast in
een laadstation dat op het stroomnet is aangesloten. De laadkabel heeft dan geen eigen regeleenheid.
De tijd die nodig is om de hybride-accu te laden
is afhankelijk van de gebruikte laadstroom
(p. 311).
In plaats daarvan heeft deze een speciale connector om de laadkabel op het laadstation aan te
sluiten. Volg de instructies op het laadstation.
Bij het opladen van de hybride-accu van de auto
geven de lampjes op de regeleenheid van de
laadkabel de actuele status (p. 315) weer tijdens
en na het opladen.
Tijdens het opladen van de hybride-accu wordt
ook de startaccu (p. 390) van de auto opgeladen.
Als de hybride-accu een temperatuur heeft lager
dan –10 ºC of hoger dan 30 ºC zijn er mogelijk
15
310
beperkingen/wijzigingen van bepaalde autofuncties van kracht. Het is ook mogelijk dat functies
niet beschikbaar zijn, omdat de capaciteit van
lithiumion-accu's buiten het gegeven temperatuurinterval afneemt.
Europese standaard - EN 61851-1.
N.B.
De auto is niet compatibel met alle soorten
laadstations en niet berekend op een stroomsterkte hoger dan 20 A. Als u de auto aansluit op een laadstation dat niet compatibel is
met de auto of als het laadstation een hogere
stroomsterkte levert dan de auto aankan, zal
de LED-indicator van de laadaansluiting rood
oplichten. Oplading is dan niet mogelijk.
Oplading met verbrandingsmotor
De auto genereert stroom voor oplading van de
accu, wanneer de verbrandingsmotor draait. In de
rijmodus SAVE laadt de verbrandingsmotor de
accu op en zorgt de motor er op die manier voor
dat de ladingstoestand van de accu niet onder
een waarde daalt overeenkomend met een actieradius van zo'n 20 km op stroom.
Lees meer over Aandrijving en rijmodi (p. 278).
Gerelateerde informatie
•
Opladen hybride-accu - voorbereidingen
(p. 312)
•
Actieradius op stroom (p. 301)
STARTEN EN RIJDEN
Laadstroom
Laadstroom wordt gebruikt voor het opladen van
de hybride-accu (p. 310) en voor de preconditioning van de auto. De laadkabel (p. 313) die u
aansluit tussen de laadaansluiting van de auto
en de elektrische aansluiting van 230 VAC is in
te stellen op verschillende amperages (6–16 A)
met behulp van de regeleenheid op de laadkabel.
Bij gebruik van de laadkabel verschijnt er een
melding op het instrumentenpaneel en gaat een
lampje (p. 317) branden in de laadaansluiting
van de auto. De laadstroom wordt hoofdzakelijk
gebruikt voor het opladen van de accu, maar voor
een deel ook voor preconditioning (p. 146) van
de auto.
BELANGRIJK
Koppel de laadkabel nooit tijdens het opladen
los van het 230V-contact (AC) – het gevaar
bestaat dan dat het 230V-contact (AC)
beschadigd raakt. Beëindig altijd eerst het
opladen en koppel daarna de laadkabel los.
De laadtijd hangt af van de stroomsterkte die u
hebt ingesteld op de regeleenheid van de laadkabel.
Zie de voorbeelden in de volgende tabel:
A
Stroomsterkte (A)A
Laadtijd (uur)
6
7,5–10,0
10
4,5–7,0
16
4,0–5,5
De maximale laadstroom kan per markt verschillen.
N.B.
•
•
Bij zeer koud of zeer warm weer wordt
een deel van de laadstroom gebruikt om
de hybride-accu en het interieur te verwarmen/koelen, wat tot een langere
laadtijd leidt.
Selectie van preconditioning (p. 146)
houdt een langere laadtijd in. De benodigde tijd hangt voornamelijk af van de
buitentemperatuur.
Laadkabelstekker en laadaansluiting.
Normaal worden meerdere 230VAC-contacten
beveiligd door dezelfde zekeringgroep, zodat
andere stroomverbruikers (zoals verlichting, stofzuiger, boormachine e.d.) op dezelfde zekeringgroep kunnen zitten.
Voorbeeld 1
Als u de auto aansluit op een stopcontact van
230 VAC/10 A en de regeleenheid is ingesteld
op 16 A, dan zal de auto een stroom van 16 A
afnemen van het 230VAC-net. Na enige tijd zal
de overbelaste 10A-zekering voor de aansluiting
doorslaan, waarna de oplading van de accu wordt
verbroken.
Reset de zekering voor de aansluiting dan en stel
een lagere laadstroom in op de regeleenheid, zie
Opladen hybride-accu - voorbereidingen
(p. 312).
}}
311
STARTEN EN RIJDEN
||
Voorbeeld 2
Als u de auto aansluit op een 230VAC/10A-aansluiting en de regeleenheid is ingesteld op 10 A,
dan zal de auto 10 A afnemen van het 230VACnet. Als er vervolgens nog een stroomverbruiker
wordt aangesloten op dezelfde aansluiting (of
een van de andere aansluitingen binnen dezelfde
zekeringgroep), bestaat het risico dat de zekering
van de aansluiting/groep overbelast wordt en de
oplading van de accu wordt afgebroken.
Voordat u met het opladen van de hybride-accu
van de auto kunt beginnen (p. 317), moet u een
aantal voorbereidingen treffen.
WAARSCHUWING
Alvorens op te laden
BELANGRIJK
•
De regeleenheid niet met water overspoelen of in water onderdompelen.
•
Stel de regeleenheid en de bijbehorende
stekker niet bloot aan direct zonlicht. De
beveiliging tegen oververhitting van de
stekker kan anders de oplading van de
hybride-accu begrenzen of beëindigen.
•
Reset de zekering voor het contact/de zekeringgroep en stel een lagere laadstroom in op de
regeleenheid - of koppel een van de ander verbruikers los van het contact.
De hybride-accu mag alleen worden
opgeladen aan een goedgekeurd en
geaard 230V-contact (AC).
•
De aardlekschakelaar van de regeleenheid beveiligt de auto, maar toch bestaat
het gevaar dat het 230 VAC-net overbelast raakt.
Voorbeeld 3
•
•
Vermijd stopcontacten die zichtbaar slijtage of schade vertonen, omdat het
gebruik ervan aanleiding kan geven tot
brand en/of letsel.
Controleer of het 230VAC-contact voldoende stroom kan leveren om een elektrische auto op te laden - laat bij twijfel
het contact controleren door een vakman.
•
•
Gebruik nooit een verlengsnoer.
Is de stroomsterkte van het contact niet
bekend – stel dan de laagste stroomsterkte in op de regeleenheid.
Als u de auto aansluit op een 230VAC/10A-aansluiting en de regeleenheid is ingesteld op 6 A,
dan zal de auto slechts 6 A afnemen van het
230VAC-net. De oplading zal dan weliswaar langer duren, maar het is wel mogelijk om andere
verbruikers aan te sluiten op dezelfde aansluiting
(of dezelfde zekeringgroep), zolang de totale
belasting de capaciteit van de zekeringgroep niet
overschrijdt.
Gerelateerde informatie
•
16
312
Opladen hybride-accu voorbereidingen
Actieradius op stroom (p. 301)
De maximale laadstroom kan per markt verschillen.
WAARSCHUWING
Een hybride-accu mag alleen worden vervangen door de werkplaats. Een erkende Volvowerkplaats wordt aanbevolen.
BELANGRIJK
Op de regeleenheid van de laadkabel (p. 313)
stelt u de gewenste laadstroom (p. 311) in op
een waarde van 6–16 A16. Bij aflevering is de
laagst mogelijke laadstroom vooraf ingesteld.
STARTEN EN RIJDEN
Klep laadaansluiting openen/sluiten
Laadkabel met regeleenheid
De laadkabel met regeleenheid wordt gebruikt
om de hybride-accu van de auto op te laden.
Gebruik een door Volvo aanbevolen laadkabel.
WAARSCHUWING
Gebruik van de laadkabel is niet toegestaan
bij schade aan delen ervan – er bestaat
gevaar voor elektrische schokken en ernstig
letsel.
Laat de reparatie van een beschadigde of
defecte laadkabel over aan een werkplaats –
geadviseerd wordt een Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Duw lichtjes tegen de achterkant van de
klep.
Open de klep.
Trek de afdekking van de laadaansluiting af
en hang deze aan de houder aan de binnenkant van de klep op. Zorg ervoor dat de rubberband van de afdekking omlaag gebogen
is, zodat de afdekking niet uit de houder kan
losgaan.
De laadkabel zit in de opbergruimte onder het luik in de
bagageruimtevloer.
Koppel de laadkabel nooit tijdens het opladen
los van het 230V-contact (AC) – het gevaar
bestaat dan dat het 230V-contact (AC)
beschadigd raakt. Beëindig altijd eerst het
opladen en koppel daarna de laadkabel los.
Specificaties, laadkabel
Beschermingsgraad
Omgevingstemperatuur
IP67
–32 ºC tot +50 ºC
Sluit de klep van de laadaansluiting in omgekeerde volgorde.
Gerelateerde informatie
•
•
Opladen hybride-accu (p. 310)
Opladen hybride-accu - afsluiten (p. 319)
}}
313
STARTEN EN RIJDEN
||
Regeleenheid
Lampje dat de ingestelde laadstroom aangeeft17.
•
Het symbool brandt, wanneer de laadkabel is
aangesloten op een 230VAC-contact.
Laadkabel met regeleenheid - statusmeldingen (p. 315)
•
Drukknoppen om de laadstroom te verhogen/verlagen.
Laadkabel met regeleenheid - aardlekschakelaar (p. 317)
•
Laadstroom (p. 311)
Het symbool brandt wanneer de laadkabel is
aangesloten op het 230VAC-contact van de
auto.
BELANGRIJK
Het is niet toegestaan om stekkerdozen,
overspanningsbeveiligingen e.d. te gebruiken
in combinatie met de laadkabel, omdat dit
aanleiding kan geven tot brand, elektrische
schokken enz.
Het is alleen toegestaan een verloopstuk tussen het 230VAC-contact en de laadkabel te
gebruiken als op het verloopstuk staat aangegeven dat het goedgekeurd is volgens IEC
61851 en IEC 62196.
N.B.
Lampjes en bedieningsknoppen van de regeleenheid.
314
Gerelateerde informatie
De laadkabel onthoudt de laatst ingestelde
laadstroom. Het is daarom belangrijk dat u de
instelling aanpast, als u de volgende keer dat
er wordt opgeladen een ander 230V(AC)contact gebruikt.
STARTEN EN RIJDEN
Laadkabel met regeleenheid statusmeldingen
Bij het opladen (p. 310) van de hybride-accu
van de auto geven de lampjes op de regeleenheid (p. 313) van de laadkabel de actuele status
weer tijdens en na het opladen.
Lampjes en bedieningsknoppen van de regeleenheid.
17
De maximale laadstroom kan per markt verschillen.
}}
315
STARTEN EN RIJDEN
||
Display regeleenheid
Status
Betekenis
Aanbevolen maatregel
Het lampje voor laadstroom (1)
brandt niet. Het autosymbool (4)
brandt continu groen.
Stand-by
•
•
De laadkabel is op de auto aangesloten.
Wacht totdat de accu volledig is opgeladen.
Het huidige stroomverbruik wordt
weergegeven met een groen lampje
(1). Het autosymbool (4) brandt continu groen.
Wordt opgeladen.
•
De elektronica van de auto heeft de oplading
gestart.
•
Wordt opgeladen.
Het lampje voor laadstroom (1)
brandt niet. Het autosymbool (4)
brandt rood.
Oplading is
niet mogelijk.
•
Storing in de communicatie tussen de regeleenheid en de auto.
1.
Controleer alle aansluitingen of probeer
een ander 230VAC-stopcontact.
•
De ventilatiefunctie van de elektronica van de
auto werkt onvoldoende, niet of gebrekkig.
2.
Start de oplading van de accu opnieuw.
Het autosymbool (4) brandt continu
rood.
Oplading is
niet mogelijk.
•
De aardlekschakelaar van de laadkabel is in
werking getreden.
1.
Trek de laadkabel uit het stopcontact van
230 VAC los.
2.
De aardlekschakelaar wordt gereset en
de eenheid herstart.
Het lampje voor de laadstroom (1)
en het huissymbool (2) knipperen
rood.
Gerelateerde informatie
•
316
Laadstroom (p. 311)
Oplading is
niet mogelijk.
Opladen is mogelijk maar moet nog worden
geactiveerd door de elektronica.
De temperatuurcontrole grijpt in voor het stopcontact van 230 VAC.
Wacht totdat de accu volledig is opgeladen.
Start de oplading opnieuw. Neem contact op
met de vakman, als het probleem aanhoudt.
STARTEN EN RIJDEN
Laadkabel met regeleenheid temperatuurbewaking
Laadkabel met regeleenheid aardlekschakelaar
Om te zorgen dat de auto veilig kan worden
opgeladen (p. 310) is de regeleenheid (p. 313)
voorzien van een ingebouwde controlefunctie.
De regeleenheid van de laadkabel (p. 313) is
voorzien van een ingebouwde aardlekschakelaar, die de auto en de gebruiker beschermt
tegen elektrische schokken als gevolg van systeemstoringen.
Deze controlefunctie regelt de laadstroom
(p. 311) automatisch af op een veilig niveau. Dit
garandeert een veilig gebruik zonder toezicht en
een optimale laadtijd.
N.B.
Als de ingebouwde aardlekschakelaar van de
regeleenheid uitschakelt, brandt het autosymbool
continu met een rood licht – controleer het
230VAC-contact.
Gebruik een door Volvo aanbevolen laadkabel
die voldoet aan de normen IEC 62196 en IEC
61851, omdat een dergelijke kabel voorzien
is van temperatuurcontrole.
Temperatuurbewaking
Zodra de hybride-accu van de auto wordt opgeladen, wordt de temperatuurcontrole ingeschakeld.
Als een kritische temperatuur wordt bereikt,
wordt de laadstroom verlaagd. Als dat herhaalde
malen achtereen gebeurt, wordt de oplading
beëindigd.
BELANGRIJK
De aardlekschakelaar van de regeleenheid
beveiligt niet de 230 VAC-aansluiting.
Gerelateerde informatie
•
Opladen hybride-accu (p. 310)
Opladen hybride-accu - starten
De hybride-accu van de auto is op te laden met
een laadkabel tussen de auto een 230 VACcontact18.
BELANGRIJK
Sluit de laadkabel nooit aan als er kans op
blikseminslag is.
N.B.
Gebruik een door Volvo aanbevolen laadkabel
die voldoet aan de normen IEC 62196 en IEC
61851, omdat een dergelijke kabel voorzien
is van temperatuurcontrole.
Pak de laadkabel (p. 313) uit de opbergruimte
onder de laadvloer.
BELANGRIJK
Als de temperatuurbewaking herhaalde malen
de laadstroom verlaagt en de oplading werd
afgebroken, dient u de oorzaak van de oververhitting op te sporen en weg te nemen.
Sluit de laadkabel aan op een 230VAC-stopcontact. Gebruik nooit een verlengkabel.
}}
317
STARTEN EN RIJDEN
||
2.
Stel de juiste laadstroom (p. 311) (afhankelijk van het gebruikte 230VAC-stopcontact)
in op de regeleenheid.
5.
De laadkabelstekker wordt geblokkeerd/
vergrendeld en ca. 10 seconden later gaat
de oplading van start.
Om de resterende laadtijd te controleren:
•
Positie van de beschermdop van de laadkabelstekker.
Verwijder de beschermdop van de laadkabelstekker en sluit de laadkabelstekker vervolgens aan op de auto.
BELANGRIJK
Plaats om lakschade te voorkomen bij hevige
storm bijvoorbeeld de beschermdop van de
laadaansluiting dusdanig dat deze niet tegen
het lakwerk aankomt.
Druk op de knop voor Approach-verlichting op de transpondersleutel – op het
instrumentenpaneel verschijnt vervolgens
de berekende tijd.
De oplading van de accu kan enige tijd worden onderbroken, als u de auto ontgrendelt:
•
en het portier opent – de oplading gaat
2 minuten later opnieuw van start.
•
zonder het portier te openen – er vindt
automatisch hervergrendeling plaats, zie
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 186). De oplading gaat
1 minuut later opnieuw van start.
N.B.
De Approach-verlichting moet zijn ingeschakeld om de resterende laadtijd weer te geven.
De bijbehorende instellingen vindt u in het
menusysteem MY CAR (p. 121).
18
318
De spanning in het contact kan afhankelijk van de markt variëren.
STARTEN EN RIJDEN
BELANGRIJK
Koppel de laadkabel nooit tijdens het opladen
los van het 230V-contact (AC) – het gevaar
bestaat dan dat het 230V-contact (AC)
beschadigd raakt. Beëindig altijd eerst het
opladen en koppel daarna de laadkabel los.
6.
Wanneer de oplading afgerond is (zie volgende tabel) - open het bestuurdersportier.
Het instrumentenpaneel gaat dan branden
en kan informatie tonen over de ladingstoestand.
Ledje brandt
Betekenis
Opladen hybride-accu - afsluiten
Continu wit
Hulpverlichting
Beëindig het opladen door de auto te ontgrendelen, de laadkabel uit de laadaansluiting van de
Continu oranje
Stand-byA – in afwachting van oplading.
Knippert groen
Wordt opgeladenB.
Continu groen
Oplading gereedC.
Blauw - knipperend
of continu
Timer ingeschakeld.
Rood - knipperend
of continu
Er is een storing opgetreden.
A
B
C
Bijvoorbeeld bij het openen van een portier of een laadkabelstekker die niet vergrendeld is.
Naarmate de ladingstoestand van de accu verbetert gaat het
ledje langzamer knipperen.
Dooft na enige tijd.
Tijdens het opladen kan er een plasje water
onder de auto ontstaan afkomstig van de airco.
Dit is normaal en hoort bij de koelfunctie van de
hybride-accu.
Gerelateerde informatie
•
Opladen hybride-accu - afsluiten (p. 319)
De LED-lampjes geven tijdens het opladen de
actuele status aan. Bij inschakeling van de interieurverlichting branden de witte, blauwe, rode en
oranje ledjes (om enige tijd na uitschakeling van
de interieurverlichting weer te doven).
}}
319
STARTEN EN RIJDEN
||
Oplading met dieselmotor
auto en vervolgens uit het 230 VAC-contact19 te
halen.
De hybride-accu is ook op te
laden met de dieselmotor van
de auto, zie Aandrijving
(p. 277).
N.B.
Om de handschoen van de laadkabel los te
kunnen nemen uit de 230 VAC-aansluiting
van de auto, moet de auto eerst worden ontgrendeld met behulp van de transpondersleutel/PCC.
Gerelateerde informatie
Haal de kabel los uit de aansluiting van de
auto, plaats de afdekking terug op de aansluiting en sluit de klep, zie Opladen hybrideaccu - voorbereidingen (p. 312).
•
•
Laadkabel met regeleenheid (p. 313)
Opladen hybride-accu - starten (p. 317)
Ontgrendel de auto met de transpondersleutel/PCC* – de geblokkeerd/vergrendelde
laadkabelstekker wordt vrijgegeven.
Haal de kabel uit het 230VAC-stopcontact.
Plaats de laadkabel terug in de bergruimte
onder de vloer in de bagageruimte.
19
320
De spanning in het contact kan afhankelijk van de markt variëren.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Langdurige stalling van auto met
hybride-accu
Om te zorgen dat de hybride-accu bij langdurige
opslag (langer dan 1 maand) van de auto in een
zo goed mogelijke staat blijft, wordt aanbevolen
om de ladingsgraad volgens het instrumentenpaneel op ca. 25 % te houden.
Ga als volgt te werk:
1.
Kies het thema "Hybrid" op het instrumentenpaneel. Voor informatie over de menufuncties, zie Instrumentenpaneel (p. 72).
2.
Rijd bij een hoge ladingsgraad in de auto totdat de ladingsgraad ca. 25 % is. Druk bij een
lage ladingsgraad laag op de POWER-knop
en rijd in de auto, totdat ca. 25 % wordt
bereikt. Voor meer informatie over de rijmodi,
zie Aandrijving - rijmodi (p. 278).
3.
Bij een opslag langer dan 6 maanden of als
de ladingstoestand van de hybride-accu ver
onder 25 % is - start de motor in de rijmodus
POWER en laat deze minimaal 10 minuten
draaien totdat de ladingsgraad zich stabiliseert rond 25 %.
Dit zorgt voor compensatie van de natuurlijke
zelfontlading die vooral bij langdurige opslag
merkbaar is. Controleer de ladingstoestand
voortdurend op het instrumentenpaneel, zie
Opladen hybride-accu - starten (p. 317).
onder 25 % - laad de accu zo'n 45 minuten op
het laagste niveau op, afhankelijk van de laadstatus. Controleer de ladingstoestand voortdurend
op het instrumentenpaneel.
Gerelateerde informatie
•
•
Opladen hybride-accu (p. 310)
Actieradius op stroom (p. 301)
Voor het omgaan met de startaccu tijdens langdurige opslag, zie Startaccu - algemeen (p. 390).
N.B.
Parkeer de auto zo koel mogelijk om te zorgen dat de accu bij langdurige stalling zo min
mogelijk achteruitgaat. Parkeer de auto
zomers bij voorkeur overdekt of buiten in de
schaduw, afhankelijk van waar de temperatuur
het laagst is.
BELANGRIJK
Tijdens langdurige opslag mag de laadkabel
niet op de laadaansluiting van de auto zijn
aangesloten.
Oude brandstof
De combinatie van oude dieselolie (met een
ouderdom van ca. 5 maanden of meer) en condenswater kan in bepaalde omstandigheden aanleiding geven tot de groei van algen en bacteriën
in het brandstofsysteem en/of oxidatie van de
brandstof met motorpech als mogelijk gevolg.
Voor meer informatie, zie Energiestroom (p. 281).
Als de auto binnen staat en niet kan rijden bij
een ladingstoestand van de hybride-accu ver
321
STARTEN EN RIJDEN
Rijden met een aanhanger*
Bij het rijden met een aanhanger moet u op
enkele belangrijke dingen letten, zoals de trekhaak, de aanhanger en hoe u de lading op de
aanhanger aanbrengt.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te
worden verminderd met de som van het gewicht
van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak. Voor uitgebreidere informatie, zie Gewichten (p. 422).
•
Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhanger
•
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer
de auto nog helemaal nieuw is. Wacht hiermee totdat de auto ten minste 1000 kilometer heeft gereden.
•
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast dan
normaal. Schakel dan terug naar een lagere
versnelling en pas uw snelheid aan.
Als een van de richtingaanwijzers op de aanhanger defect is, knippert het richtingaanwijzersymbool op het instrumentenpaneel sneller dan normaal en op het informatiedisplay verschijnt de
tekst Storing knipperlicht aanhanger.
•
Om veiligheidsredenen dient u de toelaatbare maximumsnelheid voor auto's met een
aanhanger/caravan niet te overschrijden.
Neem de geldende bepalingen in acht ten
aanzien van de toelaatbare snelheden en
gewichten.
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd, wordt
de auto compleet aangeleverd met de benodigde
randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
322
•
De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn.
•
Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om te
controleren of uw auto van de nodige uitrusting is voorzien om met een aanhanger te
kunnen rijden.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig
dat de druk op de trekhaak de maximale
kogeldruk niet overschrijdt.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor informatie over de bandenspanning, zie Banden goedgekeurde bandenspanning (p. 438).
•
Houd een lage snelheid aan, wanneer u met
een aanhanger achter de auto een lange en
steile helling oprijdt.
•
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een aanhanger.
Trekhaakbedrading
Als de trekhaak van de auto een 13-polige aansluiting heeft en de aanhanger een 7-polige aansluiting, hebt u een adapter nodig. Gebruik een
door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat
de kabel niet over de grond sleept.
Als een van de remlichten op de aanhanger
defect is, dan verschijnt de tekst Storing
remlicht aanhanger.
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten die Volvo hanteert, zie Trekgewicht en
kogeldruk (p. 423).
N.B.
De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. Nationale voertuigvoorschriften kunnen het aanhangergewicht en de snelheid verder beperken. De trekhaken zijn mogelijk gecertificeerd
voor hogere trekgewichten dan wat de auto
mag trekken.
WAARSCHUWING
Volg de vermelde aanbevelingen voor het
aanhangergewicht. Anders is het mogelijk dat
de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en
afremmen moeilijk onder controle is te houden.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijden met een aanhanger* - automatische
versnellingsbak (p. 323)
Trekhaak* (p. 324)
Lamp vervangen - algemeen (p. 379)
Rijden met een aanhanger* automatische versnellingsbak
Op een helling wegrijden
1.
Trap het rempedaal in.
Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept
in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk
gevaar voor oververhitting.
2.
Zet de keuzehendel in de rijstand D.
3.
Los de parkeerrem.
4.
Haal uw voet van het rempedaal en rijd weg.
•
Een automatische versnellingsbak kiest altijd
de juiste versnelling voor het motortoerental.
•
Bij oververhitting gaat op het instrumentenpaneel een waarschuwingssymbool branden
en verschijnt er een melding op het bestuurdersdisplay. Neem het gegeven advies in
acht.
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak - Geartronic
(p. 285)
Steile hellingen
•
Blokkeer een automatische versnellingsbak
niet met een hogere versnelling dan de
motor "aankan" – rijden in een hoge versnelling bij een laag motortoerental is niet altijd
zuinig.
Op een helling parkeren
1.
Trap het rempedaal in.
2.
Activeer de parkeerrem.
3.
Zet de keuzehendel in stand P.
4.
Haal uw voet van het rempedaal.
•
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
•
Gebruik wielblokken, als u een auto met aanhanger op een steile helling parkeert.
* Optie/accessoire. 323
STARTEN EN RIJDEN
Trekhaak*
N.B.
Een trekhaak maakt het mogelijk om bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto te hangen.
Als de auto is uitgerust met een afneembare/
demontabele trekhaak, moet u de montagevoorschriften voor bevestiging van het afneembare/
demontabele deel zorgvuldig in acht nemen, zie
Afneembare trekhaak* - monteren/demonteren
(p. 326).
Wanneer een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden
gesmeerd.
Afneembare trekhaak* - opbergen
Bewaar de afneembare trekhaak in de bagageruimte.
Dit geldt ook bij montage van een fietsdrager
die rond de trekkogel wordt vastgeklemd.
Gerelateerde informatie
•
Rijden met een aanhanger* (p. 322)
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
•
Volg de montage-instructies nauwkeurig
op.
•
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u begint
te rijden.
•
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Belangrijke controlepunten
•
324
U moet de kogel van de trekhaak regelmatig
schoonmaken en met vet insmeren.
Opbergruimte trekhaak.
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd de trekhaak los en
berg deze op de daarvoor bestemde plaats
op.
Gerelateerde informatie
•
Afneembare trekhaak* - specificaties
(p. 325)
•
Afneembare trekhaak* - monteren/demonteren (p. 326)
•
Rijden met een aanhanger* (p. 322)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
•
Afneembare trekhaak* specificaties
Rijden met een aanhanger* (p. 322)
Specificaties voor een afneembare trekhaak.
Specificaties
G021485
Afmetingen, bevestigingspunten (mm)
A
998
B
81
C
854
D
427
E
109
F
282
G
Langsligger
H
Middelpunt kogel
Gerelateerde informatie
•
Afneembare trekhaak* - monteren/demonteren (p. 326)
•
Afneembare trekhaak* - opbergen (p. 324)
* Optie/accessoire. 325
STARTEN EN RIJDEN
Afneembare trekhaak* - monteren/
demonteren
U kunt de afneembare trekhaak als volgt monteren/demonteren:
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
G018928
Het controlevenster moet rood van kleur zijn.
G021490
G021488
Aanbrengen
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
G021487
Breng de trekhaak aan en duw deze naar
binnen totdat u een klik hoort.
G000000
G021489
Verwijder de afdekking door de pal in te
en de afdekking vervolgens
drukken
recht naar achteren te trekken
.
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel rechtsom
te draaien.
326
* Optie/accessoire.
Controleer of de trekhaak vastzit door deze
stevig omhoog, omlaag en naar achteren te
bewegen.
WAARSCHUWING
Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze
verwijderen en opnieuw monteren zoals eerder werd beschreven.
G021495
G021494
STARTEN EN RIJDEN
Veiligheidskabel.
Druk de vergrendelingsknop
in en draai
deze linksom
totdat u een klik hoort.
WAARSCHUWING
Controleer of de veiligheidskabel van de aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
Trekhaak verwijderen
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst; houd de rest van
het kogelsegment vetvrij en droog.
Draai de vergrendelingsknop volledig omlaag
totdat deze niet verder kan. Houd de knop in
deze stand vast terwijl u de trekhaak schuin
naar achteren toe omhoogtrekt.
N.B.
Als er een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden
gesmeerd.
WAARSCHUWING
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
Zet de trekhaak goed vast, wanneer u deze in
de auto bewaart, zie Afneembare trekhaak* opbergen (p. 324).
}}
* Optie/accessoire. 327
STARTEN EN RIJDEN
||
Trailer Stability Assist (TSA)20
G018929
Het TSA-systeem (Trailer Stability Assist) heeft
tot taak de auto met een aanhanger/caravan te
stabiliseren, wanneer de combinatie de neiging
tot pendelbewegingen vertoont.
TSA maakt deel uit van de stabiliteitsregeling
(p. 198) ESC21.
Functie
Duw de afdekking er zo ver op dat deze vastklikt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Afneembare trekhaak* - opbergen (p. 324)
Afneembare trekhaak* - specificaties
(p. 325)
Rijden met een aanhanger* (p. 322)
Bij alle combinaties van auto en aanhanger/caravan kan het bekende verschijnsel met pendelbewegingen optreden. Doorgaans treedt het verschijnsel pas bij hoge snelheden op. Als de aanhanger/caravan echter overmatig beladen is of
als het gewicht van de lading verkeerd verdeeld
is (bijvoorbeeld te ver naar achteren), bestaat er
ook op lagere snelheden gevaar voor slingeren.
Een pendelbeweging begint altijd met een van de
onderstaande factoren, zoals.:
•
De auto met aanhanger/caravan staat bloot
aan rukwinden.
•
De auto met aanhanger/caravan rijdt over
een oneffen wegdek of over hobbels.
•
Grote stuurbewegingen.
bestuurbaar wordt en het gevaar bestaat op de
verkeerde weghelft of naast de weg te belanden.
Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen
van de auto in de gaten en in het bijzonder de
dwarsbewegingen. Als een neiging tot pendelbewegingen geregistreerd wordt, worden de voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig afgeremd dat
de combinatie gestabiliseerd wordt. Vaak is dit
voldoende om de auto weer onder controle te
krijgen.
Als de pendelbeweging ondanks de eerste
ingreep van het TSA-systeem niet wordt
gedempt, worden alle wielen van de combinatie
afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de
motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging
vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de
combinatie weer stabiel is, beëindigt het systeem
de regeling waarna u de auto weer volledig onder
controle hebt. Voor meer informatie, zie Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - bediening
(p. 199).
Overig
TSA kan op hogere snelheden ingrijpen.
Bediening
Een pendelbeweging is vaak niet of nauwelijks te
dempen, waardoor de combinatie moeilijk
20
21
328
Inbegrepen bij montage van een originele Volvo-trekhaak.
(Electronic Stability Control) - elektronische stabiliteitsregeling.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
N.B.
De TSA-functie wordt uitgeschakeld, als u de
Sport-stand kiest, zie Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - algemeen (p. 198).
Het TSA grijpt mogelijk niet in als u met grote
stuurbewegingen zelf de pendelbeweging tracht
op te heffen, aangezien het systeem dan niet kan
bepalen of de pendelbeweging wordt veroorzaakt
door de aanhanger/caravan of door u.
Wanneer het TSA actief is, knippert het
ESC21-symbool op het instrumentenpaneel.
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 198)
Slepen
Sleepoog
Het is niet toegestaan de V60 Twin Engine te
slepen. Zet de auto tijdens het bergen (p. 330)
met alle vier de wielen op de laadvloer van het
bergingsvoertuig.
Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd in
een draadbus achter een afdekking in de bumper rechtsachter.
Sleepoog bevestigen
Bij het slepen van een andere auto
Het slepen van een andere auto neemt veel
stroom - gebruik daarom de rijmodus AWD. De
hybride-accu wordt dan bijgeladen en ook de rijen wegeigenschappen van de auto worden verbeterd, zie Aandrijving - rijmodi (p. 278).
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik een
hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is
dat de motor niet kan worden gestart, zie Starthulp met andere accu (p. 276).
BELANGRIJK
De elektrische aandrijfmotor en de katalysator
kunnen beschadigd raken bij pogingen de
auto aan te slepen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
21
(Electronic Stability Control) - elektronische stabiliteitsregeling.
Alarmlichten (p. 105)
Sleepoog (p. 329)
Bergen (p. 330)
}}
329
STARTEN EN RIJDEN
||
Neem het sleepoog erbij dat achter het
paneel links in de bagageruimte ligt.
De afdekking op het bevestigingspunt voor
het sleepoog bestaat in twee versies die op
verschillende manieren moeten worden
geopend:
•
•
U opent de versie met een uitsparing door
een muntstuk of iets dergelijks in de uitsparing aan te brengen en de afdekking
los te werken. Klap de afdekking daarna
helemaal los en verwijder deze.
Bij de andere versie zit er een markering
langs de ene zijde of in een hoek: Duw
met uw vinger op deze markering terwijl u
de tegenoverliggende zijde/hoek met een
muntstuk of iets dergelijks openklapt – de
afdekking klapt rond de middellijn open
en kan vervolgens worden verwijderd.
van het bergingsvoertuig onder een te grote hoek
staan of als de bodemvrijheid onder de auto
onvoldoende is, kan de auto beschadigd raken
wanneer men deze met een sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te trekken. Hef de auto zo
nodig met behulp van de hefinrichting van het
bergingsvoertuig op de auto.
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de laadvloer
wordt getrokken.
Gerelateerde informatie
•
•
Slepen (p. 329)
Bergen (p. 330)
Bergen
Met bergen wordt het afslepen bedoeld met een
ander voertuig.
Roep professionele hulp in voor berging.
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken om
de auto op een bergingsvoertuig met laadvloer te
trekken. De positie van de auto en de bodemvrijheid bepalen of dat mogelijk is. Als de oprijbanen
van het bergingsvoertuig onder een te grote hoek
staan of als de bodemvrijheid onder de auto
onvoldoende is, kan de auto beschadigd raken
wanneer men deze met een sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te trekken. Hef de auto zo
nodig met behulp van de hefinrichting van het
bergingsvoertuig op de auto.
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de laadvloer
wordt getrokken.
Schroef het sleepoog tot aan de flens naar
binnen. Draai het oog stevig vast met bijvoorbeeld een wielsleutel.
Draai het sleepoog na gebruik los en leg het
weer op zijn plek.
BELANGRIJK
Let erop dat u de V60 Twin Engine altijd
bergt met alle vier de wielen op de laadvloer
van het bergingsvoertuig.
Plaats de afdekking tot slot weer in de bumper terug.
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken om
de auto op een bergingsvoertuig met laadvloer te
trekken. De positie van de auto en de bodemvrijheid bepalen of dat mogelijk is. Als de oprijbanen
330
Gerelateerde informatie
•
Slepen (p. 329)
WIELEN EN BANDEN
WIELEN EN BANDEN
Banden - onderhoud
Nieuwe banden
Rijeigenschappen
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat,
de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn
belangrijk voor het rijgedrag van de auto.
Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en
slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op
de voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit
en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u door
een vakman laten controleren, ook al zien ze er
intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken
wordt, als banden zelden of nooit worden
gebruikt. Daarbij kan de werking van de band
worden aangetast. Dit geldt voor alle banden die
u voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is voor
gebruik.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en
neemt de grip op het wegdek stukje bij beetje af.
Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo
nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De laatste cijfers van de
cijferreeks geven de week en het jaar van productie aan. Het is de zogeheten DOT-code
(Department of Transportation) van de band en
bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1510. De
band op de afbeelding is de 15e week van het
jaar 2010 geproduceerd.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door winterbanden of andersom, moet u op de band noteren waar de band zat: bijvoorbeeld L voor links, R
voor rechts.
332
Slijtage en onderhoud
De juiste bandenspanning (p. 334) levert een
gelijkmatiger slijtage op. De rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en de staat van de wegen
zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten.
De banden bieden onder meer draagvermogen,
grip op de ondergrond, trillingsdemping en
beschermen de wielen tegen slijtage.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, als u niet zeker bent
van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in de slijtage (> 1 mm verschil in profieldiepte) van de banden, dienen de minst versleten
banden altijd op de achteras te zitten. Slippende
voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende achterwielen, omdat de auto rechtuit blijft
rijden in plaats van uit te breken met de achterkant waarbij u mogelijk de controle over de auto
verliest. Daarom is belangrijk dat de achterwielen
nooit vóór de voorwielen grip verliezen.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan voor een oncontroleerbare auto zorgen.
Opslag
Bewaar wielen met omgelegde banden altijd liggend of hangend - nooit staand.
WIELEN EN BANDEN
Gerelateerde informatie
Banden - maten (p. 335)
Banden - snelheidsklassen (p. 336)
Banden - lastindex (p. 336)
Banden - draairichting (p. 333)
Banden - draairichting
N.B.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een bepaalde
richting draaien, staat deze richting aangegeven
met een pijl op de zijkant van de band.
Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde maat
en ook hetzelfde merk voor beide wielparen
hebt.
Houd de aanbevolen bandenspanning aan die in
de bandenspanningstabel (p. 438) staat.
Banden - slijtage-indicator (p. 334)
Gerelateerde informatie
G021778
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Banden - maten (p. 335)
Banden - snelheidsklassen (p. 336)
Banden - lastindex (p. 336)
Banden - onderhoud (p. 332)
Banden - slijtage-indicator (p. 334)
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting
hebben. Banden mogen alleen van voor naar
achter verwisseld worden, nooit van links naar
rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd
aanbrengt, nemen de remeigenschappen van de
auto af en kunnen de banden regen, sneeuw en
drab minder goed afvoeren. Monteer de banden
met het diepste profiel altijd op de achteras (om
het gevaar voor slippen te verminderen).
333
WIELEN EN BANDEN
Banden - slijtage-indicator
Een slijtage-indicator toont de status van de profieldiepte van de band.
•
•
Banden - draairichting (p. 333)
Banden - bandenspanning
Banden - onderhoud (p. 332)
Banden kunnen een verschillende bandenspanning hebben en dat wordt gemeten in de eenheid bar.
Bandenspanning controleren
Controleer iedere maand de bandenspanning.
G021829
Controleer de bandenspanning als de banden
koud zijn. De aangegeven bandenspanning geldt
bij koude banden (kan verschillen naargelang van
de buitentemperatuur). Al na enkele kilometers
rijden worden de banden warm en loopt de spanning op.
Slijtage-indicatoren.
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het bandenprofiel staan. Op de zijkant
van de band staan de letters TWI (Tread Wear
Indicator). De slijtage-indicatoren zijn duidelijk
zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten
is dat slechts 1,6 mm van het profiel over is. Vervang de banden dan zo spoedig mogelijk. Let
erop dat een band met een gering profiel zeer
weinig grip op het wegdek heeft bij regen of
sneeuw.
Gerelateerde informatie
•
•
•
334
Banden - maten (p. 335)
Banden - snelheidsklassen (p. 336)
Banden - lastindex (p. 336)
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve
inwerking op het brandstofverbruik, de levensduur van de banden en de rijeigenschappen van
de auto. Wanneer u met een te lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden oververhit en
beschadigd raken. De bandenspanning is van
invloed op het rijcomfort, de geproduceerde weggeluiden en de rijeigenschappen.
N.B.
In de loop van de tijd daalt de bandenspanning. Dit is een natuurlijk verschijnsel. De
bandenspanning schommelt ook door de
omgevingstemperatuur.
WIELEN EN BANDEN
Bandenspanningssticker
Wiel- en velgmaten
Banden - maten
Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals in
de onderstaande tabel.
De banden van de auto hebben een bepaalde
maat, zie het voorbeeld in de onderstaande
tabel.
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd.
Dat betekent dat niet alle wiel- (velg-) en bandcombinaties goedgekeurd zijn.
G021830
Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50.
De bandenspanningssticker op de B-stijl (tussen
voor- en achterportier) aan bestuurderszijde geeft
de juiste bandenspanning aan voor de aanbevolen bandenmaten. De bandenspanning staat ook
in de bandenspanningstabel, zie Banden - goedgekeurde bandenspanning (p. 438).
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Banden - maten (p. 335)
Banden - snelheidsklassen (p. 336)
Banden - lastindex (p. 336)
Banden - onderhoud (p. 332)
Banden - slijtage-indicator (p. 334)
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 438)
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding:235/45R17 97W.
235
Breedte van de band (mm)
45
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
7
Velgbreedte in inch
J
Profiel velgrand
R
Aanduiding voor radiaalbanden
16
Velgdiameter van de band
17
Velgdiameter van de band (")
50
Bolling in mm (afstand tussen de verticale aslijn door het wiel en het contactvlak met de naaf)
97
Aanduiding van het draagvermogen van
de band, lastindex (LI)
W
Aanduiding van de snelheidslimiet van
de band, snelheidsklasse (SS). (In dit
geval 270 km/h (168 mph)).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden - maten (p. 335)
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 438)
De typegoedkeuring van de auto geldt in combinatie met bepaalde wielen en banden.
Wielen en banden - goedgekeurde maten
(p. 436)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Banden - snelheidsklassen (p. 336)
Banden - lastindex (p. 336)
Banden - draairichting (p. 333)
Banden - onderhoud (p. 332)
}}
335
WIELEN EN BANDEN
•
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 438)
•
•
Wiel- en velgmaten (p. 335)
•
Lastindex en snelheidsklasse (p. 437)
Wielen en banden - goedgekeurde maten
(p. 436)
Banden - lastindex
Banden - snelheidsklassen
De lastindex geeft het vermogen van een band
aan om een bepaalde last te dragen.
Elke band is bestand tegen een bepaalde maximumsnelheid en behoort daardoor tot een
bepaalde snelheidsklasse (SS - Speed Symbol).
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen,
wat wordt aangeduid met de lastindex (LI). Het
gewicht van de auto bepaalt het draagvermogen
van de banden. De minimaal toelaatbare index
staat in de lastindextabel, zie de paragraaf "Specificaties" in de gedrukte gebruikershandleiding.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Banden - maten (p. 335)
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 438)
Banden - snelheidsklassen (p. 336)
Banden - onderhoud (p. 332)
Wielen en banden - goedgekeurde maten
(p. 436)
De snelheidsklasse van de banden moet minimaal overeenkomen met de topsnelheid van de
auto. In de tabel hieronder staat de toegestane
maximumsnelheid voor de desbetreffende snelheidsklasse (SS). De enige uitzondering hierop
vormen winterbanden, (p. 337)1, waarvoor een
lagere snelheidsklasse gebruikt mag worden. Bij
gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller
rijden dan de maximumsnelheid die voor het
gebruikte bandentype geldt (voor klasse Q geldt
bijvoorbeeld een maximumsnelheid van
160 km/h (100 mph)). De gesteldheid van het
wegdek is bepalend voor de maximumsnelheid
en niet de snelheidsklasse op de banden.
N.B.
In de tabel staat de maximaal toegestane
snelheid.
1
336
Onder winterbanden worden zowel banden met als zonder "spikes" verstaan.
Q
160 km/h (100 mph) (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h (118 mph)
H
210 km/h (130 mph)
WIELEN EN BANDEN
240 km/h (149 mph)
Wielbouten
Winterbanden
W
270 km/h (168 mph)
De wielen zitten op de naaf vast met wielbouten
die in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar zijn.
Winterbanden zijn banden die aan de winterse
toestand van de weg zijn aangepast.
Y
300 km/h (186 mph)
V
BELANGRIJK
U dient de wielbouten aan te halen met 140
Nm. Als u ze te strak of niet strak genoeg
aanhaalt, kan de boutverbinding beschadigd
raken.
WAARSCHUWING
De auto moet worden uitgerust met banden
die minimaal de gespecificeerde lastindex
(p. 336) (LI) en snelheidsklasse (SS) hebben.
Bij gebruik van banden met een te lage lastindex of snelheidsklasse kunnen de banden
oververhit raken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden - maten (p. 335)
Banden - lastindex (p. 336)
Banden - draairichting (p. 333)
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd
zijn door Volvo en deel uitmaken van de originele
accessoires van Volvo. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel.
Gebruik geen smeermiddel op de draadwindingen van de wielbouten.
Afsluitbare wielbouten*
Afsluitbare wielbouten* zijn te gebruiken op zowel
aluminium als stalen velgen.
Gerelateerde informatie
•
Wiel- en velgmaten (p. 335)
Winterbanden
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van de
motorvariant. Gebruik altijd het juiste type winterbanden op alle vier de wielen.
N.B.
Volvo adviseert u om met een Volvo-dealer te
overleggen over welke velg en welk type band
het best geschikt zijn.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat de
“spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo gaan
de banden en vooral de “spikes” langer mee.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het gebruik
van banden met spikes verschillen per land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
}}
* Optie/accessoire. 337
WIELEN EN BANDEN
||
Sneeuwkettingen gebruiken
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor modellen met voorwielaandrijving). Rijd nooit sneller
dan 50 km/h (31 mph) met sneeuwkettingen.
Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen, omdat zowel
de sneeuwkettingen als de banden daardoor
overmatig slijten.
WAARSCHUWING
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of
vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen. Bij twijfel adviseert Volvo u een
erkende Volvo-werkplaats om advies te vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan ernstige schade aan de auto veroorzaken en
aanleiding geven tot een ongeluk.
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 338)
Wielen verwisselen - wielen
verwijderen
De wielen van de auto kunnen worden verwisseld door bijvoorbeeld winterbanden.
Reservewiel*
De volgende instructies gelden alleen voor
reservewielen die bij wijze van extra bij de
auto zijn gekocht. Als de auto niet is uitgerust
met een reservewiel - zie de informatie over de
noodreparatieset voor banden (TMK) (p. 356).
Een compact reservewiel (Temporary Spare) is
alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en dient dan
ook zo spoedig mogelijk door een normaal wiel te
worden vervangen. Het rijgedrag van de auto verandert mogelijk bij gebruik van een compact
reservewiel. Het compacte reservewiel is kleiner
dan een normaal wiel. De bodemspeling verandert er daarom door. Wees voorzichtig bij hoge
trottoirbanden en reinig de auto niet in een autowasstraat. Als het reservewiel op de vooras zit,
kunt u evenmin sneeuwkettingen omleggen. Bij
vierwielaangedreven auto's is de achterwielaandrijving uit te schakelen. Het reservewiel mag niet
worden gerepareerd.
In de bandenspanningstabel (p. 438) staat de
juiste bandenspanning voor het reservewiel.
338
BELANGRIJK
•
Rijd met een reservewiel op de auto nooit
sneller dan 80 km/h (50 mph).
•
Rijd nooit met de auto, als deze is voorzien van meer dan één reservewiel van
het type "Temporary Spare".
Het reservewiel wordt aangeleverd in een
opbergzak en moet met riemen worden bevestigd
op de laadvloer van de bagageruimte.
Auto's met vier verankeringsogen.
Draai de handgreep van de reservewielzak naar u
toe. Bevestig de haken van de vastgenaaide
spanbanden in de voorste verankeringsogen.
Bevestig de lange band in een van de voorste
verankeringsogen, leid de band diagonaal over
het reservewiel en door de bovenste handgreep.
Zet de korte spanband vast op de lange. Bevestig
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
deze in het achterste verankeringsoog en trek
aan.
Alvorens een wiel te verwisselen
1.
2.
Haal de spanbanden los, til het reservewiel
uit de bagageruimte en haal het uit de reservewielzak.
3.
Neem de krik*, het demontagegereedschap
voor de kunststof boutafdekkingen en de
wielsleutel* (in een de zak op de bagageruimtevloer) erbij. Bij gebruik van een andere
krik, zie Auto opnemen (p. 369).
Open het luik links in de bagageruimte om bij
het sleepoog te komen.
N.B.
•
Als de auto niet is voorzien van een reservewiel, hoeft u de krik niet in de auto te
bewaren.
•
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven op de kriksticker.
•
Op de sticker staat tevens de maximale
hefcapaciteit bij de vermelde hefhoogte.
4.
Zet de gevarendriehoek (p. 342) op, als u
een wiel moet verwisselen langs een drukke
weg. Zorg ervoor dat de auto en de krik* op
een stevige en horizontale ondergrond staan.
Verwijderen
Demontagegereedschap voor kunststof boutafdekkingen.
1.
Zet de parkeerrem (p. 293) aan en schakel
de achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
2.
Plaats wielblokken voor en achter de wielen
die op de grond blijven staan. Gebruik daarvoor bijvoorbeeld grote houten blokken of
grote stenen.
WAARSCHUWING
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft en
vrij van vuil is.
}}
* Optie/accessoire. 339
WIELEN EN BANDEN
||
3.
Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in
de wielsleutel* vast, zoals hieronder afgebeeld.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto.
6.
Kruip nooit onder de auto als deze op een krik
staat.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat. Bij het verwisselen van
een wiel langs de kant van de weg moeten
eventuele passagiers op een veilige plek gaan
staan.
Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Breng de krik* omhoog,
zodat de flens in de carrosserie in de groef in
de kop van de krik valt.
N.B.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met een
krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden
opgekrikt of voor langere tijd zoals bij het
onderling roteren van de banden wordt het
gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg
in dat geval de gebruiksaanwijzing van de
desbetreffende krik.
BELANGRIJK
Het sleepoog dient volledig in de wielsleutel
te worden gedraaid.
4.
Verwijder de kunststof boutafdekkingen met
het demontagegereedschap.
5.
Draai de wielbouten ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel*.
BELANGRIJK
De ondergrond dient vast en egaal te zijn en
niet te hellen.
7.
340
Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielbouten
en til het wiel eraf.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Wielen verwisselen - monteren (p. 341)
Krik* (p. 343)
Gevarendriehoek (p. 342)
Wielbouten (p. 337)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Wielen verwisselen - monteren
3.
Het is belangrijk dat het wiel op de juiste manier
gemonteerd wordt.
Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel niet
meer ongehinderd kan draaien.
Aanbrengen
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op een krik
staat.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat. Bij het verwisselen van
een wiel langs de kant van de weg moeten
eventuele passagiers op een veilige plek gaan
staan.
1.
Reinig de contactvlakken tussen het wiel en
de naaf.
2.
Breng het wiel aan. Haal de wielbouten stevig aan.
Gebruik geen smeermiddel op de draadwindingen van de wielbouten.
Zorg dat de witte pijl naar de voorkant van de auto wijst.
6.
4.
Draai de wielbouten kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielbouten stevig aanhaalt. Haal aan met 140 Nm. Controleer het
aanhaalmoment met een momentsleutel.
5.
Plaats de kunststof doppen terug op de wielbouten.
Schroef het sleepoog en de wielsleutel los.
Leg de wielsleutel en de krik in de voorziene
vakjes van de opbergzak. Trek de middenriem van de opbergzak stevig aan en zet de
opbergzak met de andere riem vast aan het
achterste verankeringsoog links in de bagageruimte. Plaats de opbergzak zo dat deze
niet bekneld raakt bij het sluiten van de achterklep. Zorg dat de witte pijl op de opbergzak naar de voorkant van de auto wijst.
}}
341
WIELEN EN BANDEN
||
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
WAARSCHUWING
Zet de opbergzak dusdanig vast dat de witte
pijl (zie inzet) naar de voorkant van de auto
wijst.
Bij montage van een andere
bandenmaat
Neem bij montage van een andere bandenmaat
altijd contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor een update van de software. Bij montage van een grotere of kleinere bandenmaat en
ook bij het vervangen van zomerbanden door winterbanden is mogelijk een update van de software vereist.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
342
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 338)
Krik* (p. 343)
Gevarendriehoek
De gevarendriehoek wordt gebruikt om andere
verkeersdeelnemers te waarschuwen voor een
stilstaande auto.
Opbergen en uitklappen
Til de vloer in de bagageruimte op en haal de
gevarendriehoek tevoorschijn.
Neem de gevarendriehoek uit de houder,
klap de driehoek uit en bevestig de twee
losse zijden aan elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek
uit.
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op om
achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek na
gebruik stevig in de bagageruimte vastzit.
N.B.
Bij een geactiveerde Privacy locking zijn achterklep en vloerluik niet te openen, zie Privacy
locking* (p. 179).
Gevarendriehoek (p. 342)
Wielbouten (p. 337)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Gereedschap
In de auto is onder meer een sleepoog, een krik*
en een wielsleutel* aanwezig.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Het sleepoog van de auto, de noodreparatieset
en het gereedschap voor de kunststof boutafdekkingen vindt u achter het klepje aan de linkerkant
van de bagageruimte. Er is tevens ruimte om de
dop voor de afsluitbare wielbouten in op te bergen. De krik* en de wielsleutel* liggen in een
opbergzak die aan de bagageruimtevloer bevestigd is.
Noodreparatieset voor banden (p. 356)
Sleepoog (p. 329)
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 338)
Wielbouten (p. 337)
Krik* (p. 343)
Krik*
Gebruik de krik om de auto op te heffen om bijvoorbeeld een wiel te verwisselen.
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van het reservewiel. Houd de schroef van
de krik altijd goed ingevet.
N.B.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met een
krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden
opgekrikt of voor langere tijd zoals bij het
onderling roteren van de banden wordt het
gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg
in dat geval de gebruiksaanwijzing van de
desbetreffende krik.
Als de auto niet is uitgerust met een reservewiel
hoeft u de krik niet in de auto te bewaren.
WAARSCHUWING
Zet het sleepoog en de noodreparatieset voor
banden altijd met de spanband vast, wanneer
u ze in het blok schuimrubber bewaart.
}}
* Optie/accessoire. 343
WIELEN EN BANDEN
||
Gereedschap, terugplaatsen
andere riem vast aan het achterste verankeringsoog links in de bagageruimte. Plaats de opbergzak zo dat deze niet bekneld raakt bij het sluiten
van de achterklep. Zorg dat de witte pijl op de
opbergzak naar de voorkant van de auto wijst.
Plaats het sleepoog in het blok schuimrubber
links in de bagageruimte.
EHBO-set*
De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen
van eerste hulp.
WAARSCHUWING
Zet de opbergzak dusdanig vast dat de witte
pijl (zie inzet) naar de voorkant van de auto
wijst.
N.B.
Als het luik in de vloer van de bagageruimte
niet dichtstaat, werkt Privacy locking niet.
Onder de vloer in de bagageruimte ligt een
EHBO-set.
Gerelateerde informatie
•
•
Gevarendriehoek (p. 342)
Noodreparatieset voor banden (p. 356)
N.B.
Bij een geactiveerde Privacy locking zijn achterklep en vloerluik niet te openen, zie Privacy
locking* (p. 179).
Zorg dat de witte pijl naar de voorkant van de auto wijst.
Draai de krik na gebruik omlaag en schroef het
sleepoog van de wielsleutel los. Leg de wielsleutel en de krik in de voorziene vakjes van de
opbergzak. Trek de middenriem van de opbergzak stevig aan en zet de opbergzak met de
344
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Bandenspanningscontrole*2
De bandenspanningscontrole TPMS (Tyre
Pressure Monitoring System) waarschuwt u met
een controlesymbool op het instrumentenpaneel
voor een te lage bandenspanning in één of meer
banden van de auto.
Op bepaalde markten is bandenspanningscontrole wettelijk verplicht. Ook mét dit systeem
moet u het normale onderhoud aan de banden
blijven plegen.
Controlesymbool voor bandenspanningscontrole
Gerelateerde informatie
•
Bandenspanningscontrole (TPMS)* - algemeen (p. 345)
Bandenspanningscontrole (TPMS)*3
- algemeen
• Bandenspanning laag Controleer band
linksachter
De bandenspanningscontrole TPMS (Tyre
Pressure Monitoring System) waarschuwt u,
wanneer de spanning in één of meer banden te
laag is.
• Band moet worden opgepompt Contr.
Systeembeschrijving
• Band moet worden opgepompt Contr.
TPMS De TPMS maakt gebruik van sensoren in
de bandventielen. Bij snelheden van zo'n
30 km/h (20 mph) controleert de TPMS de bandenspanning.
• Band moet worden opgepompt Contr.
Zowel originele fabrieksbanden als naderhand
gemonteerde banden zijn te voorzien van ventielen met TPMS-sensoren.
Ook mét dit systeem moet u het normale onderhoud aan de banden blijven plegen.
Meldingen
Bij een te lage bandenspanning gaat het controlelampje
op het instrumentenpaneel branden
en verschijnt een van de volgende meldingen:
• Bandenspanning laag Controleer band
rechtsvoor
• Bandenspanning laag Controleer band
linksvoor
rechtsvoor
• Band moet worden opgepompt Contr.
linksvoor
rechtsacht.
linksacht.
• Bandensp.systeem Service vereist
Bij gebruik van wielen zonder TPMS-sensor of
een kapotte sensor, verschijnt de melding
Bandensp.systeem Service vereist.
Voor informatie over de juiste bandenspanning,
zie Banden - bandenspanning (p. 334).
BELANGRIJK
Als er een storing optreedt in het TPMS, gaat
op het instrumentenhet controlesymbool
paneel eerst zo'n 1 minuut lang knipperen
waarna het continu blijft branden. Er verschijnt tevens een melding op het instrumentenpaneel.
• Bandenspanning laag Controleer band
rechtsachter
2
3
Standaard op bepaalde markten.
Standaard op bepaalde markten.
}}
* Optie/accessoire. 345
WIELEN EN BANDEN
||
Gerelateerde informatie
•
Bandenspanningscontrole (TPMS)* - aanpassen (herkalibreren) (p. 346)
•
Bandenspanningscontrole (TPMS)* - bij een
lage bandenspanning (p. 348)
•
Bandenspanningscontrole (TPMS)* - activeren/deactiveren (p. 347)
•
Bandenspanningscontrole (TPMS)* - adviezen (p. 348)
•
Bandenspanningscontrole (TPMS)* - runflatbanden* (p. 349)
Bandenspanningscontrole (TPMS)*4
- aanpassen (herkalibreren)
5.
Kies Stel bandenspan. af en druk op OK.
6.
Rijd ten minste 10 minuten op een snelheid
van 30 km/h (20 mph) of hoger.
> Op uw teken vindt automatisch kalibratie
plaats. Het systeem geeft geen bevestiging na afloop van de kalibratie.
TPMS (Tyre Pressure Monitoring System) hanteert een bepaalde referentiewaarde om te
bepalen of een waarschuwing voor een lage
bandenspanning moet worden gegeven.
U kunt de referentiewaarde wijzigen door het
systeem te herkalibreren zoals bij ritten met een
zware last.
De nieuwe referentiewaarden zijn van kracht, tot
u de stappen 1–6 herhaalt.
Stem vóór kalibratie altijd de bandenspanning af
op de door Volvo geadviseerde bandenspanningswaarden.
•
•
Gerelateerde informatie
Bandenspanningscontrole* (p. 345)
Banden - bandenspanning (p. 334)
N.B.
De auto moet stilstaan bij het starten van de
kalibratie.
U verricht instellingen met de knoppen op de
middenconsole, zie MY CAR (p. 121).
1.
4
346
Pomp de banden op tot de gewenste spanning zoals aangegeven op de bandenspanningssticker die op de B-stijl aan bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) zit.
2.
Start de motor.
3.
Open het menusysteem MY CAR.
4.
Kies het menu Bandenspanning.
Standaard op bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Bandenspanningscontrole (TPMS)*5
Bij een auto met bandenspanningscontrole
TPMS (Tyre Pressure Monitoring System) kunt u
de bandenstatus controleren op het middendisplay.
Status systeem en banden
De status van het systeem en de banden zijn te
controleren, zie MY CAR (p. 121).
1.
Open het menusysteem MY CAR.
2.
Kies het menu Bandenspanning.
> De status van de bandenspanningswaarden wordt aangegeven met kleurcodes.
De status wordt voor alle banden afzonderlijk
aangegeven met een bepaalde kleur:
•
Alle wielen groen: het systeem werkt naar
behoren en voor alle banden ligt de actuele
bandenspanning iets boven het aanbevolen
niveau.
•
Eén oranje wiel: de bandenspanning van het
desbetreffende wiel is te gering.
•
Eén rood wiel: de bandenspanning van het
desbetreffende wiel is veel te laag.
•
Alle wielen grijs: het systeem is op dit
moment niet beschikbaar. Om het systeem
weer te activeren moet u mogelijk enkele
5
6
7
minuten in de auto rijden op een snelheid
hoger dan 30 km/h (20 mph).
•
Alle wielen grijs in combinatie met de melding Bandensp.systeem Service vereist:
er is een storing opgetreden in het systeem.
Neem contact op met een Volvo-dealer of werkplaats.
Bandenspanningscontrole (TPMS)*6
- activeren/deactiveren7
Op bepaalde markten is de bandenspanningscontrole TPMS (Tyre Pressure Monitoring
System) naar wens te activeren/deactiveren.
N.B.
De auto moet stilstaan bij het activeren/deactiveren van het bandenspanningscontrolesysteem.
Gerelateerde informatie
•
•
Bandenspanningscontrole* (p. 345)
Bandenspanningscontrole (TPMS)* - bij een
lage bandenspanning (p. 348)
U verricht instellingen met de knoppen op de
middenconsole, zie MY CAR (p. 121).
1.
Start de motor.
2.
Open het menusysteem MY CAR.
3.
Kies het menu Bandenspanning.
4.
Kies Bandmonitoring en druk op OK.
> Bij het activeren van het systeem verschijnt een X op het bestuurdersdisplay.
Het verdwijnt als u het systeem deactiveert.
Gerelateerde informatie
•
Bandenspanningscontrole* (p. 345)
Standaard op bepaalde markten.
Standaard op bepaalde markten.
Alleen op bepaalde markten.
* Optie/accessoire. 347
WIELEN EN BANDEN
Bandenspanningscontrole (TPMS)*8
- adviezen
WAARSCHUWING
Houd bij het oppompen van een band met
TMPS het mondstuk recht tegen het ventiel
aan om het ventiel niet te beschadigen.
Adviezen voor bandenspanningscontrole TPMS
(Tyre Pressure Monitoring System).
•
Volvo adviseert TPMS-sensoren te laten
monteren op alle wielen (zomer- en winterbanden) van de auto.
•
Volvo raadt het af sensoren van het ene wiel
over te zetten op een ander wiel.
•
Het reservewiel is niet voorzien van een
TPMS-sensor.
•
Bij gebruik van een reservewiel of ander wiel
zonder TPMS-sensor verschijnt de foutmelding Bandensp.systeem Service vereist
op het instrumentenpaneel.
•
Controleer het systeem altijd na het verwisselen van wielen om er zeker van te zijn dat
de vervangende wielen compatibel zijn met
het systeem.
•
Bij aanpassing van een van de wielen of verhuizing van de TPMS-sensor naar een ander
wiel moeten afdichting, moer en ventielinzetstuk worden vervangen.
•
8
9
348
N.B.
•
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
Bandenspanningscontrole (TPMS)*9
- bij een lage bandenspanning
Wanneer de bandenspanningscontrole TPMS
(Tyre Pressure Monitoring System) waarschuwt,
is de bandenspanning in een of meer banden
van de auto te laag.
Als een bandenspanningsmelding is verschenen
en het controlelampje voor TPMS brandt:
1.
Controleer met een manometer de bandenspanning in de aangegeven band(en).
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
2.
Pomp de band(en) op tot de juiste spanning
zoals aangegeven op de bandenspanningssticker op de B-stijl aan bestuurderszijde
(tussen voor- en achterportier).
N.B.
3.
Om de melding te verwijderen moet u soms
enkele minuten in de auto rijden op een
snelheid hoger dan 30 km/h (20 mph). In
dat geval dooft het controlelampje voor
TPMS ook.
Als u een andere bandenmaat wilt monteren,
moet het TPMS geherconfigureerd wordt.
Neem voor meer informatie contact op met
een Volvo-dealer.
Gerelateerde informatie
•
Bandenspanningscontrole* (p. 345)
Bij montage van een TPMS-sensor moet de
auto minstens 15 minuten hebben stilgestaan, omdat anders een foutmelding op het
instrumentenpaneel verschijnt.
Standaard op bepaalde markten.
Standaard op bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
N.B.
•
•
Het TPMS hanteert een zogeheten spanningswaarde die gecorrigeerd wordt op
basis van de banden- en buitentemperatuur. Dit betekent dat de bandenspanning
iets kan afwijken van de aanbevolen
spanningswaarden die staan aangegeven
op de bandenspanningssticker op de Bstijl aan bestuurderszijde (tussen voor- en
achterportier). Het is mogelijk dat u de
banden tot een iets hogere waarde moet
oppompen om de melding voor een lage
bandenspanning te laten verdwijnen.
Controleer de bandenspanning bij koude
banden om de verkeerde bandenspanning tegen te gaan. Koude banden hebben dezelfde temperatuur als de omgeving (na ca. 3 uur stilstand). Al na enkele
kilometers rijden worden de banden
warm en loopt de spanning op.
WAARSCHUWING
•
Een verkeerde bandenspanning kan tot
bandenpech leiden, waarbij u de controle
over de auto kunt verliezen.
•
Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
Bandenspanningscontrole
(TPMS)*10 - runflat-banden*
WAARSCHUWING
Laat de montage van SST-banden over aan
de vakman.
Als er zogeheten runflat-banden (SST-banden,
Self Supporting run flat Tires)* op de auto zitten,
hebt u ook TPMS (p. 345).
Gebruik SST-banden alleen in combinatie met
TPMS.
Dergelijke banden zijn voorzien van een speciaal
verstevigde zijwand, zodat u ook als de lucht
geheel of gedeeltelijk uit de band ontsnapt is,
enige tijd kunt blijven rijden. Deze banden zijn op
speciale velgen gemonteerd. (Om dergelijke velgen kunnen ook standaardbanden worden
gelegd.)
Rijd niet sneller dan 80 km/h (50 mph), nadat
er een melding voor een lage bandenspanning is verschenen.
Als de bandenspanning van een SST-band daalt,
gaat het oranje TPMS-lampje op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een melding
op het bestuurdersdisplay. Houd in dat geval een
snelheid van maximaal 80 km/h (50 mph) aan.
Laat de band zo spoedig mogelijk vervangen.
Vervang een SST-band bij beschadiging of
lekkage.
Vervang de lekke band na maximaal 80 kilometer rijden.
Rijd voorzichtig en vermijd snelle afremmanoeuvres of scherpe bochten.
Gerelateerde informatie
•
Bandenspanningscontrole* (p. 345)
Rijd voorzichtig omdat het niet altijd duidelijk is
welke band er lek is. Controleer altijd alle vier de
banden om na te gaan welke band er moet worden vervangen.
Gerelateerde informatie
•
Bandenspanningscontrole* (p. 345)
* Optie/accessoire. 349
WIELEN EN BANDEN
Typegoedkeuring bandenspanningscontrole
(TPMS)*11
De typegoedkeuring voor de sensoren van de
bandenspanningscontrole - TPMS (Tyre
Pressure Monitoring System) staat in de tabel.
10
11
350
Standaard op bepaalde markten.
Standaard op bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Land/regio
Brazilië
Oekraïne
}}
351
WIELEN EN BANDEN
||
Land/regio
Israël
352
WIELEN EN BANDEN
Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity)
Land/regio
Landen binnen de EU:
Exportland: Duitsland
Producent: Continental Automotive GmbH
Type uitrusting: TPMS-eenheid
}}
353
WIELEN EN BANDEN
||
Land/regio
Tsjechië:
Continental tímto prohlašuje, že tento Radio Transmitter je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými ustanoveními
směrnice 1999/5/ES.
Denemarken:
Undertegnede Continental erklærer herved, at følgende udstyr Radio Transmitter overholder de væsentlige krav og øvrige
relevante krav i direktiv 1999/5/EF.
Duitsland:
Hiermit erklärt Continental, dass sich das Gerät Radio Transmitter in Übereinstimmung mit den grundlegenden Anforderungen
und den übrigen einschlägigen Bestimmungen der Richtlinie 1999/5/EG befindet.
Estland:
Käesolevaga kinnitab Continental seadme Radio Transmitter vastavust direktiivi 1999/5/EÜ põhinõuetele ja nimetatud direktiivist
tulenevatele teistele asjakohastele sätetele.
Groot-Brittannië:
Hereby, Continental declares that this Radio Transmitter is in compliance with the essential requirements and other relevant provisions of
Directive 1999/5/EC.
Spanje:
Por medio de la presente Continental declara que el Radio Transmitter cumple con los requisitos esenciales y cualesquiera otras
disposiciones aplicables o exigibles de la Directiva 1999/5/CE.
Griekenland:
354
Η
Α
Α Continental Η Ω
Radio Transmitter
Α Α
Η
Η Α 1999/5/ .
Ω
Α
Ω
Α Α Η
Α
Frankrijk:
Par la présente Continental déclare que l'appareil Radio Transmitter est conforme aux exigences essentielles et aux autres
dispositions pertinentes de la directive 1999/5/CE.
Italië:
Con la presente Continental dichiara che questo Radio Transmitter è conforme ai requisiti essenziali ed alle altre disposizioni
pertinenti stabilite dalla direttiva 1999/5/CE.
Letland:
Ar šo Continental deklarē, ka Radio Transmitter atbilst Direktīvas 1999/5/EK būtiskajām prasībām un citiem ar to saistītajiem
noteikumiem.
Litouwen:
Šiuo Continental deklaruoja, kad šis Radio Transmitter atitinka esminius reikalavimus ir kitas 1999/5/EB Direktyvos nuostatas.
Nederland:
Hierbij verklaart Continental dat het toestel Radio Transmitter in overeenstemming is met de essentiële eisen en de andere
relevante bepalingen van richtlijn 1999/5/EG.
WIELEN EN BANDEN
Land/regio
Malta:
Hawnhekk, Continental, jiddikjara li dan Radio Transmitter jikkonforma mal-ħtiġijiet essenzjali u ma provvedimenti oħrajn relevanti
li hemm fid-Dirrettiva 1999/5/EC.
Hongarije:
Alulírott, Continental nyilatkozom, hogy a Radio Transmitter megfelel a vonatkozó alapvetõ követelményeknek és az 1999/5/EC irányelv
egyéb elõírásainak.
Polen:
Niniejszym Continental oświadcza, że Radio Transmitter jest zgodny z zasadniczymi wymogami oraz pozostałymi stosownymi
postanowieniami Dyrektywy 1999/5/EC.
Portugal:
Continental declara que este Radio Transmitter está conforme com os requisitos essenciais e outras disposições da Directiva
1999/5/CE.
Slovenië:
Continental izjavlja, da je ta Radio Transmitter v skladu z bistvenimi zahtevami in ostalimi relevantnimi določili direktive 1999/5/ES.
Slowakije:
Continental týmto vyhlasuje, že Radio Transmitter spĺňa základné požiadavky a všetky príslušné ustanovenia Smernice 1999/5/ES.
Finland:
Continental vakuuttaa täten että Radio Transmitter tyyppinen laite on direktiivin 1999/5/EY oleellisten vaatimusten ja sitä
koskevien direktiivin muiden ehtojen mukainen.
Zweden:
Härmed intygar Continental att denna Radio Transmitter står I överensstämmelse med de väsentliga egenskapskrav och övriga
relevanta bestämmelser som framgår av direktiv 1999/5/EG.
IJsland:
Hér með lýsir Continental yfir því að Radio Transmitter er í samræmi við grunnkröfur og aðrar kröfur, sem gerðar eru í tilskipun 1999/5/EC.
Noorwegen:
Continental erklærer herved at utstyret Radio Transmitter er i samsvar med de grunnleggende krav og øvrige relevante krav i
direktiv 1999/5/EF.
Gerelateerde informatie
•
Bandenspanningscontrole* (p. 345)
* Optie/accessoire. 355
WIELEN EN BANDEN
Noodreparatieset voor banden
U gebruikt de noodreparatieset voor banden,
Temporary Mobility Kit (TMK), om een gat te
dichten en om de bandenspanning (p. 438) te
controleren en aan te passen.
De noodreparatieset voor banden (p. 357)
bestaat uit een compressor en een bus met
afdichtmiddel. Het afdichtmiddel dient om noodreparaties uit te voeren. Het afdichtmiddel dicht
banden met een lek in het loopvlak effectief af.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden - positie
(p. 356)
•
Noodreparatieset voor banden - overzicht
(p. 357)
•
Noodreparatieset voor banden - bediening
(p. 358)
•
Gereedschap (p. 343)
Noodreparatieset voor banden positie
U gebruikt de noodreparatieset voor banden,
Temporary Mobility Kit (TMK), om een gat te
dichten en om de bandenspanning te controleren en aan te passen.
Locatie noodreparatieset voor banden
De noodreparatieset voor banden leent zich minder goed voor banden met een gat in het zijvlak.
Probeer geen banden met de noodreparatieset
voor banden af te dichten die grote groeven,
scheuren en dergelijke vertonen.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend bedoeld
voor het repareren van banden met een lek in
het loopvlak.
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd.
356
De noodreparatieset zit achter het klepje aan de
linkerkant van de bagageruimte.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden - overzicht
(p. 357)
•
Noodreparatieset voor banden (p. 356)
WIELEN EN BANDEN
Noodreparatieset voor banden overzicht
Overzicht van de onderdelen van de noodreparatieset, Temporary Mobility Kit (TMK).
De onderdelen liggen onder de bagageruimtevloer.
Bus met afdichtmiddel
Manometer
Bus met afdichtmiddel
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden - positie
(p. 356)
•
Noodreparatieset voor banden (p. 356)
Vervang de bus met afdichtmiddel voordat de
houdbaarheidsdatum verstreken is en na ieder
gebruik. Behandel de vervangen bus als klein
chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-Ethanol en natuurrubberlatex.
Gevaarlijk bij inname. Kan bij huidcontact
allergie veroorzaken.
Contact met de huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
WAARSCHUWING
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
•
Wanneer de borgvloeistof op de huid
terechtkomt, moet u de vloeistof met een
ruime hoeveelheid water en zeep verwijderen.
•
Wanneer u afdichtvloeistof in uw oog
krijgt, moet u het oog onmiddellijk uitspoelen met oogdouchevloeistof of een
ruime hoeveelheid water. Laat het oog bij
aanhoudende irritatie nakijken door een
arts.
Voedingskabel
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
Luchtslang
357
WIELEN EN BANDEN
Noodreparatieset voor banden bediening
1.
Repareer een lekke band met de noodreparatieset, Temporary Mobility Kit (TMK).
Plaats een gevarendriehoek en schakel de
alarmlichten in, als u een lekke band moet
afdichten langs een drukke weg.
5.
Laat een eventuele spijker of iets dergelijks
in de lekke band zitten. Het lek is zo beter af
te dichten.
Noodreparatieset voor banden
2.
Verwijder de sticker met de toegestane maximumsnelheid (die aan de ene kant van de
compressor zit) en bevestig deze op het
stuurwiel. Rijd nooit sneller dan 80 km/h
(50 mph), nadat u de noodreparatieset hebt
gebruikt.
3.
Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de voedingskabel en de luchtslang
erbij.
4.
Schroef het oranje deksel van de compressor
los en draai de drop van de bus.
N.B.
Voor het gebruik de verzegeling van de bus
niet verbreken. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
Schroef de bus tot aan de aanslag in de bushouder vast.
> De bus en de bushouder zijn voorzien van
een terugdraaiblokkering om te voorkomen dat er afdichtmiddel weglekt. U kunt
een vastgeschroefde bus niet meer uit de
bushouder losdraaien. De bus is alleen in
een werkplaats te verwijderen; geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
•
Wanneer de borgvloeistof op de huid
terechtkomt, moet u de vloeistof met een
ruime hoeveelheid water en zeep verwijderen.
•
Wanneer u afdichtvloeistof in uw oog krijgt,
moet u het oog onmiddellijk uitspoelen
met oogdouchevloeistof of een ruime hoeveelheid water. Laat het oog bij aanhoudende irritatie nakijken door een arts.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
Voor informatie over de werking van de onderdelen, zie
Noodreparatieset voor banden - overzicht (p. 357).
358
WIELEN EN BANDEN
6.
Ventielafdekking verwijderen12
8.
Neem de torx-sleutel erbij (die in het blok
schuimrubber zit, achter het paneel links in
de bagageruimte).
Plaats de torx-sleutel in de opening.
Werk de afdekking los met behulp van de
torx-sleutel (A).
Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
N.B.
Zorg er bij een actieve compressor voor dat
geen van de overige 12V-aansluitingen in
gebruik is.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
9.
Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
WAARSCHUWING
7.
Draai het ventieldopje van de band los.
Controleer of het drukreduceerventiel van de
luchtslang volledig vastgeschroefd is en
schroef de ventielaansluiting tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het
bandventiel.
12
Alleen de 17"-velg Thia
Ga nooit naast de band staan terwijl de compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u de compressor
onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat
geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een
erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
10. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
BELANGRIJK
Laat de compressor niet langer dan
10 minuten achtereen werken – risico van
oververhitting.
11. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning moet minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar bedragen. (Laat eventueel
lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in dat
geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een
erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
12. Schakel de compressor uit en koppel de voedingskabel los.
N.B.
Als de compressor start, kan de druk tot 6 bar
toenemen. De druk daalt echter na ca. 30
seconden.
}}
359
WIELEN EN BANDEN
||
13. Schroef de luchtslang los van het bandventiel en plaats het ventieldopje terug op de
band.
Duw de afdekking12 weer op het bandventiel,
met de opening naar de naaf gericht. Twee
klikken geven aan dat de afdekking goed
vastzit.
14. Plaats de beschermdop op de luchtslang om
te voorkomen dat restanten afdichtmiddel
weglekken.
15. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie minstens 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h (50 mph), zodat het afdichtmiddel
de band kan afdichten.
N.B.
Tijdens de eerste slagen die de band ronddraait spuit er afdichtvloeistof uit het gat.
WAARSCHUWING
Houd bij het wegrijden omstanders uit de
buurt van de auto om te voorkomen dat ze
afdichtmiddel op zich krijgen. De afstand
moet minimaal twee meter zijn.
12
360
Alleen de 17"-velg Thia
16. Controle achteraf:
Sluit de luchtslang weer aan op het bandventiel en controleer de bandenspanning met de
manometer, zie Noodreparatieset voor banden - reparatieresultaat controleren (p. 360).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Noodreparatieset voor banden (p. 356)
Noodreparatieset voor banden - reparatieresultaat controleren (p. 360)
Noodreparatieset voor banden - overzicht
(p. 357)
Noodreparatieset voor banden reparatieresultaat controleren
Wanneer een band gerepareerd is met de noodreparatieset, Temporary Mobility Kit (TMK), moet
na zo'n 3 kilometer rijden een tweede controle
plaatsvinden.
Bandenspanning controleren
Neem de noodreparatieset voor banden erbij. De
compressor moet uitstaan.
1.
Verwijder de ventielafdekking, zie (p. 359).
Draai het ventieldopje van de band los.
Neem de luchtslang erbij en schroef de
ventielaansluiting ervan tot aan de aanslag
vast over de draadwindingen van het bandventiel.
WIELEN EN BANDEN
2.
Lees de bandenspanning van de manometer
af.
•
•
•
3.
Als de bandenspanning lager is dan
1,3 bar13, werd de band onvoldoende
afgedicht. Beëindig in dat geval de rit.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats.
Als de bandenspanning hoger is dan 1,3
bar13, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de bandenspanningstabel, zie Banden - goedgekeurde bandenspanning (p. 438).
Laat lucht uit de band ontsnappen, als de
bandenspanning te hoog is.
2. Schakel de compressor in en pomp de
band op tot de vermelde spanning in de
bandenspanningstabel.
3. Schakel de compressor uit.
1 bar = 100 kPa.
Alleen de 17"-velg Thia.
Koppel de noodreparatieset voor banden los,
plaats de beschermdop op de luchtslang,
vouw de luchtslang op en plaats deze in de
daarvoor bestemde uitsparing.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
5.
Plaats het ventieldopje terug op de band.
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade aan
het ventiel door grind, vuil e.d. te voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn moeilijk los te draaien.
Als de band moet worden opgepompt:
1. Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
13
14
4.
6.
Ventielafdekking terugplaatsen14
Duw de ene kant van de afdekking (die zonder opening) vast (aan de kant van de band B). Klap de afdekking vervolgens in de richting van de velg – duw ondertussen de afgeschuinde bovenkant omlaag zodat deze
onder de rand van de velg grijpt. Controleer
of de afdekking gelijk ligt met het velgoppervlak – duw anders het uitstekende gedeelte
voorzichtig naar binnen.
}}
361
WIELEN EN BANDEN
||
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het vervangen over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
•
Noodreparatieset voor banden - overzicht
(p. 357)
Noodreparatieset voor banden banden oppompen
De originele banden van de auto kunnen worden
opgepompt met behulp van de compressor in
de noodreparatieset voor banden (p. 357).
1.
De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de voedingskabel en de luchtslang erbij.
2.
Verwijder de ventielafdekking15 – voor
instructies voor het verwijderen van de ventielafdekking, zie (p. 359).
3.
Draai het ventieldopje van de band los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het bandventiel.
4.
Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Volvo adviseert u de auto naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats te rijden om de
beschadigde band te laten vervangen/repareren.
Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er
afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
Rijd na het gebruik van de noodreparatieset
voor banden niet sneller dan 80 km/h
(50 mph). Volvo adviseert een bezoek aan
een erkende Volvo-werkplaats voor een
inspectie van de gerepareerde band (maximaal 200 km rijden). Het personeel kan
bepalen of de band te repareren is of moet
worden vervangen.
Gerelateerde informatie
•
•
15
362
Noodreparatieset voor banden (p. 356)
Noodreparatieset voor banden - bediening
(p. 358)
Alleen de 17"-velg Thia
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die afgesloten zijn of onvoldoende
ventilatie hebben.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
WIELEN EN BANDEN
5.
Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
BELANGRIJK
Laat de compressor niet langer dan
10 minuten achtereen werken – risico van
oververhitting.
6.
Pomp de band op tot de spanning die staat
aangegeven in de bandenspanningstabel, zie
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 438). Laat lucht uit de band ontsnappen,
als de bandenspanning te hoog is.
7.
Schakel de compressor uit. Koppel de luchtslang en de voedingskabel los.
8.
Plaats het ventieldopje terug op de band.
9.
Plaats de ventielafdekking15 terug door eerst
de ene kant (die zonder opening) vast te
drukken (aan de kant van de band), zie
Noodreparatieset voor banden - reparatieresultaat controleren (p. 360). Klap de afdekking vervolgens in de richting van de velg –
duw ondertussen de afgeschuinde bovenkant omlaag zodat deze onder de rand van
de velg grijpt. Controleer of de afdekking
gelijk ligt met het velgoppervlak – duw
anders het uitstekende gedeelte voorzichtig
naar binnen.
15
Gerelateerde informatie
•
•
•
Noodreparatieset voor banden (p. 356)
Noodreparatieset voor banden - overzicht
(p. 357)
Noodreparatieset voor banden - reparatieresultaat controleren (p. 360)
Alleen de 17"-velg Thia
363
ONDERHOUD EN SERVICE
ONDERHOUD EN SERVICE
Serviceprogramma van Volvo
WAARSCHUWING
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die
omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo.
Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen beschikken
over het personeel, het speciale gereedschap en
de servicehandboeken waardoor zij u een zo
hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
Deze auto niet zélf repareren. Losgeraakte
stroomkabels en/of onderdelen mogen alleen
worden aangesloten door een erkende werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Service-interval en volgende
servicebeurt, laadkabel
De urenteller van de laadkabel houdt de resterende laadtijd bij tot aan de volgende servicebeurt. Volvo adviseert u de regeleenheid om de
5000 draaiuren te laten controleren door een
elektromonteur.
BELANGRIJK
BELANGRIJK
Om de garantie van Volvo te laten gelden,
moet u het Service- en garantieboekje controleren en volgen.
Service en reparatie
Afspraak maken voor servicebeurt
en reparatie*1
Informatie over geplande afspraken voor service
en reparatie bekijken vanuit een auto met internetverbinding.
Deze dienst1 vormt een handige manier om
rechtstreeks vanuit de auto een afspraak voor
service of reparatie te maken. De autogegevens
worden doorgestuurd naar uw dealer ter voorbereiding op het werkplaatsbezoek. De dealer
neemt contact met u op om een afspraak te
plannen. Op bepaalde markten herinnert het systeem u tijdig aan geplande afspraken en het navigatiesysteem2 kan bovendien in begeleiding naar
de werkplaats voorzien.
Probeer de regeleenheid niet te modificeren.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregeling - storingen opsporen en verhelpen (p. 378)
Voer regelmatig onderhoud uit aan de auto. Houd
de door Volvo geadviseerde onderhoudsintervallen aan.
Laat eventuele controles en reparaties over aan
een erkende werkplaats.
1
2
366
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor Sensus Navigation.
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Voordat de dienst te gebruiken is
Volvo ID en My Profile
• Registreer een Volvo ID. Voor meer informatie over het aanmaken van een Volvo ID, zie
Volvo ID (p. 22).
•
Log in op de webportal My Volvo, ga naar My
Profile en doe het volgende:
1.
Controleer of de auto gekoppeld is aan My
Profile.
2.
Controleer of uw contactgegevens kloppen.
3.
Geef de Volvo-dealer van uw keuze aan voor
service en reparatie.
4.
Kies het communicatiekanaal van uw voorkeur (telefoon). Eventuele boekingsgegevens
worden altijd naar de auto gestuurd en per email toegezonden.
Voorwaarden voor het maken van afspraken
vanuit de auto
• Om boekingsinformatie te kunnen versturen
vanuit de auto en te kunnen ontvangen moet
de auto internetverbinding hebben, zie het
supplement bij Sensus Infotainment voor
informatie over het tot stand brengen van
een internetverbinding.
•
Omdat de boekingsinformatie via uw eigen
mobiele abonnement wordt verzonden, krijgt
u de vraag te zien of u informatie wenst te
versturen. De vraag wordt eenmaal gesteld,
waarna het gegeven antwoord een bepaalde
tijd geldt voor de gekozen aansluiting.
•
Om de dienst te kunnen gebruiken en systeemcommunicatie mogelijk te maken via het
beeldscherm in de auto moet u meldingen/
pop-ups goedkeuren. Druk in de normaalweergave van de bron MY CAR op OK/
MENU en daarna op Service & reparatie
Berichten weergeven.
Dienst gebruiken
Alle menu’s en instellingen zijn vanuit de normaalweergave in MY CAR te bereiken door OK/
MENU in te drukken gevolgd door Service &
reparatie.
Wanneer het tijd is voor service en in sommige
gevallen ook wanneer de auto aan reparatie toe
is, wordt dat aangegeven via een melding op het
instrumentenpaneel (p. 72) en via een popupmenu op het beeldscherm.
Servicemelding op beeldscherm.
Betekenis van de alternatieven in het popupmenu op het beeldscherm:
• Ja - Er wordt een boekingsverzoek naar uw
dealer verstuurd, die contact met u opneemt
en u een boekingsvoorstel doet. Het servicelampje en de servicemelding op het instrumentenpaneel doven.
• Nee - Er verschijnen geen pop-upmeldingen
meer op het beeldscherm. De melding op het
instrumentenpaneel blijft staan. Na dit alternatief is het nog altijd mogelijk om vanuit de
auto handmatig een nieuw boekingsverzoek
te starten, zie onder.
• Uitstellen - Het pop-upmenu verschijnt de
volgende keer dat u de auto start opnieuw.
}}
367
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Handmatig afspraak maken voor
servicebeurt en reparatie1
1. Druk op de MY CAR-knop op de middenconsole en kies Service & reparatie
Dealerinformatie Verzoek service of
reparatie.
> De autogegevens worden automatisch
doorgestuurd naar uw dealer.
2.
De dealer stuurt een boekingsvoorstel naar
de auto.
3.
Accepteer het boekingsvoorstel of vraag een
nieuw aan.
Wanneer u het boekingsvoorstel accepteert,
wordt de boekingsinformatie in de auto opgeslagen, zie Mijn afspraken. De communicatie tussen
u en de auto verloopt automatisch middels boekingsherinneringen op het beeldscherm en begeleiding naar de geboekte werkplaats.
U kunt een werkplaatsbezoek ook inplannen via
My Volvo. Open Mijn afspraken en kies voor actualiseren om alle afspraken van My Volvo te zien.
Mijn afspraken1
Toon boekingsinformatie op het beeldscherm van
de auto. Accepteer het boekingsvoorstel of vraag
een nieuw aan.
1 Geldt voor bepaalde markten.
2 Geldt voor Sensus Navigation.
3 Vehicle Identification Number
368
–
Kies Service & reparatie
afspraken.
Mijn
Dealer bellen1
Via een telefoon met Bluetooth® handsfree die
aan de auto gekoppeld is, kunt u uw dealer bellen. Voor aansluiting van de telefoon, zie het supplement bij Sensus Infotainment.
–
Kies Service & reparatie
Dealerinformatie Dealer bellen.
Navigatiesysteem gebruiken1, 2
Geef uw werkplaats als bestemming of deelbestemming aan voor het navigatiesysteem.
–
–
Kies Service & reparatie
Dealerinformatie Eén bestemming
inst..
Kies Service & reparatie
Dealerinformatie Toevoegen als
tussenbestemming.
Autogegevens versturen1
De autogegevens worden verstuurd naar de centrale Volvo-database (niet naar dealers). Volvodealers kunnen de autogegevens vervolgens
opvragen aan de hand van het identificatienummer van de auto (VIN3). U vindt het nummer in
het Service- en garantieboekje van de auto en in
de linker onderhoek van de voorruit.
–
Kies Service & reparatie
versturen.
Autogegevens
Boekingsinformatie en autogegevens
Bij het maken van een afspraak voor een servicebeurt vanuit uw auto worden boekingsinformatie
en autogegevens verzonden. De autogegevens
bestaan uit gegevens op de volgende gebieden:
•
•
•
•
•
•
servicebehoefte
functiestatus
vloeistofpeilen
Kilometerstand
identificatienummer van de auto (VIN3)
Softwareversie van de auto.
Gerelateerde informatie
•
Volvo ID (p. 22)
ONDERHOUD EN SERVICE
Auto opnemen
Bij het opnemen van de auto is het belangrijk
dat u de krik of de dragerarmen onder de voorziene steunpunten in het onderstel van de auto
aanbrengt.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken
die bij de auto hoort. Volg bij gebruik van een
andere krik dan door Volvo geadviseerd de
aanwijzingen die bij deze krik werden geleverd.
}}
369
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Kriksteunpunten (pijlen) voor de krik van de auto en de hefpunten (rood gemarkeerd).
Als u de auto aan de voorkant heft met een garagekrik, moet u de krik onder een van de vier hefpunten zetten die verder naar binnen onder de
auto zitten. Als u de auto aan de achterkant heft
met een garagekrik, moet u de krik onder een
van de hefpunten zetten. Let erop dat u de garagekrik dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet
van af kan glijden. Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto opneemt op een tweekoloms hefbrug, kunt u de voorste en achterste dragerarmen
onder de buitenste hefpunten (kriksteunpunten)
zetten. Aan de voorkant kunt u daarvoor ook de
binnenste hefpunten gebruiken.
370
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 338)
ONDERHOUD EN SERVICE
Motorkap - openen en sluiten
Haal de borghaak naar links om de motorkap
te openen. (De borghaak zit tussen de koplamp en de radiateurgrille zoals afgebeeld.)
De motorkap is te openen, wanneer u de handgreep in de passagiersruimte rechtsom hebt
gedraaid en de pal bij de radiateurgrille naar
links hebt gehaald.
WAARSCHUWING
Controleer of de motorkap bij sluiten goed
vergrendelt.
Gerelateerde informatie
•
•
Motorruimte - controle (p. 372)
Motorruimte - overzicht
Het overzicht laat een aantal servicespecifieke
componenten zien.
Onder de motorkap vindt u bepaalde accu's en
enkele componenten van het elektrische aandrijfsysteem van de auto. Wees voorzichtig bij werkzaamheden in deze ruimte en raak alleen de
onderdelen aan die bij normaal onderhoud zijn
inbegrepen.
WAARSCHUWING
Motorruimte - overzicht (p. 371)
Laat de hantering van oranje kabels over aan
bevoegd personeel.
De handgreep voor ontgrendeling van de motorkap zit
altijd aan de linkerzijde.
WAARSCHUWING
Tal van auto-onderdelen werken op hoogvoltspanning wat gevaarlijk kan zijn bij onoordeelkundig werk.
•
Raak geen onderdelen aan, wanneer dat
niet uitdrukkelijk in de gebruikershandleiding staat aangegeven.
•
Wees voorzichtig bij het controleren/
bijvullen van vloeistoffen in de motorruimte.
Draai de handgreep ca. 20–25 graden
rechtsom. Het is duidelijk te horen dat vergrendeling wordt opgeheven.
}}
371
ONDERHOUD EN SERVICE
||
WAARSCHUWING
Houd het elektrische systeem van de auto
altijd in sleutelstand 0 bij werkzaamheden in
de motorruimte, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 87).
Gerelateerde informatie
•
•
Normale controlepunten – voor de overige onderdelen is
specialistische kennis vereist.
Motorkap - openen en sluiten (p. 371)
Motorruimte - controle (p. 372)
Motorruimte - controle
Bepaalde oliën en vloeistoffen dienen regelmatig
gecontroleerd te worden.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig de volgende oliën en vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
•
•
•
•
Koelvloeistof
Motorolie
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Ruitensproeiervloeistof
WAARSCHUWING
Controle-/vulopening koelvloeistof voor koelsysteem en klimaatregeling.
Vergeet niet dat de koelventilator (vóór in de
motorruimte, achter de radiateur) tot enige tijd
na het afzetten van de motor automatisch kan
aanslaan.
Controle-/vulopening stuurbekrachtigingsvloeistof.
Vulpijp voor motorolie
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Als de motor warm
is, bestaat er brandgevaar.
Remvloeistof controleren/bijvullen (bestuurderszijde)
Startaccu
Relais- en zekeringhouder
Vulpijp voor sproeiervloeistof
372
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Motorkap - openen en sluiten (p. 371)
Motorruimte - overzicht (p. 371)
Koelvloeistof - peil (p. 375)
Motorolie - controleren en bijvullen (p. 374)
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil (p. 377)
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 389)
ONDERHOUD EN SERVICE
Motorolie - algemeen
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden,
zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 425).
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De
oliesoort werd met grote zorg geselecteerd
lettend op de levensduur van de motor, de
startgewilligheid, het brandstofverbruik en de
milieu-impact.
Volvo adviseert:
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit
en dat zowel bij het bijvullen als bij verversen
van olie. Een negatieve invloed op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het
brandstofverbruik en de milieu-impact is
anders niet uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende Volvowerkplaats te laten verversen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag/hoog oliepeil of een
lage oliedruk. Bij motorvarianten met een oliedruksensor wordt gebruikt gemaakt van het
waarschuwingssymbool voor een lage oliedruk
op het instrumentenpaneel. Bij varianten
met een olieniveausensor wordt u geïnformeerd
via een waarschuwingssymbool
op het
instrumentenpaneel en met displayteksten.
Bepaalde varianten zijn voorzien van allebei.
Neem voor meer informatie contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Houd voor het verversen van de motorolie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan die
staan aangegeven in het Service- en garantieboekje.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken met
een hogere kwaliteit dan aangegeven. Voor ritten
onder ongunstige omstandigheden adviseert
Volvo een olie van een hogere kwaliteit dan aangegeven, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 425).
Voor de bij te vullen hoeveelheid, zie Motorolie kwaliteit en hoeveelheid (p. 427).
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - controleren en bijvullen (p. 374)
373
ONDERHOUD EN SERVICE
Motorolie - controleren en bijvullen
BELANGRIJK
Een elektronische oliepeilsensor detecteert het
oliepeil.
Vul bij het verschijnen van de melding
Oliepeil laag 0,5 liter bijvullen slechts
0,5 liter bij.
5-cil. diesel
WAARSCHUWING
Vul niet meer olie bij, als niveau (3) of (4) verschijnt zoals aangegeven op de afbeelding.
De olie mag nooit boven MAX of onder MIN
staan om motorschade tegen te gaan.
Melding en grafische voorstelling op display.
Melding
Motoroliepeil
Vulpijp4.
Aanpassing van het motoroliepeil is niet nodig
voordat er een melding op het bestuurdersdisplay
verschijnt, zie volgende afbeelding.
Wanneer de motor afgezet is, kunt u het duimwiel
gebruiken om het oliepeil te laten controleren
door de elektronische oliepeilsensor, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 119).
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding
Olieservice vereist moet u een werkplaats
opzoeken – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats. Het oliepeil is mogelijk te
hoog.
4
374
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok.
N.B.
Het systeem registreert het oliepeil alleen,
wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Na het bijvullen of aftappen van olie kan
het dan ook even duren voordat het systeem
wijzigingen in het oliepeil kan waarnemen. In
bepaalde omstandigheden moet u eerst
ca. 30 km op de verbrandingsmotor hebben
afgelegd.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
ONDERHOUD EN SERVICE
Oliepeil meten, 5-cil. diesel
Houd voor controle van het oliepeil de onderstaande procedure aan.
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - algemeen (p. 373)
Koelvloeistof - peil
1.
Activeer contactslotstand II, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen
(p. 87).
De koelvloeistof koelt de verbrandingsmotor af
tot de juiste bedrijfstemperatuur. De warmte die
de motor overdraagt op de koelvloeistof is te
benutten voor verwarming van de passagiersruimte.
2.
Draai het duimwiel op de linker stuurhendel
naar stand Oliepeil.
> Vervolgens verschijnt informatie over het
motoroliepeil, zie de onderstaande afbeelding voor de melding en grafische voorstelling op het display.
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAXstreepje op het expansiereservoir staan. Als u het
koelsysteem niet goed gevuld houdt, kan de temperatuur in het systeem dusdanig hoog oplopen
dat er gevaar voor motorschade ontstaat.
Voor meer informatie over de menufuncties, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 119).
Peil controleren
N.B.
Controleer het koelvloeistofpeil regelmatig bij
een koude motor.
Bijvullen
De cijfers 1–4 geven het niveau aan. Vul niet meer olie
bij, als niveau (3) of (4) staat aangegeven. Het aanbevolen niveau is 4.
}}
375
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Vul
het reservoir nooit alleen met schoon water. Het
gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer
de concentratie koelvloeistof te laag is als wanneer deze te hoog is.
Als er een plasje koelvloeistof onder de auto ontstaat, als er witte rook/damp uit de uitlaatpijp
komt of als u meer dan 2 liter koelvloeistof moet
bijvullen, bel dan een takelwagen om bij een
startpoging motorschade te voorkomen door een
lek in het koelsysteem.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan zeer heet zijn. Als er
moet worden bijgevuld terwijl de motor warm
is, moet u de dop voorzichtig van het expansievat draaien zodat de overdruk verdwijnt.
376
BELANGRIJK
•
Hoge concentraties chloor, chloriden en
andere zoutverbindingen kunnen aanleiding geven tot corrosie in het koelsysteem.
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen volgens de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor 50 %
uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij twijfel
over de waterkwaliteit altijd een kant-enklare koelvloeistof volgens de aanbevelingen van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander soort
koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd, dient u het
koelsysteem schoon te spoelen met leidingwater van goede kwaliteit of met
kant-en-klare koelvloeistof.
•
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. Als dat niet het
geval is, kunnen er hoge temperaturen
optreden met gevaar voor beschadiging
(barsten) van de cilinderkop.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 428).
ONDERHOUD EN SERVICE
Rem- en koppelingsvloeistof - peil
Bijvullen
De vloeistof moet tussen de MIN- en MAXstreepjes staan.
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil
De stuurbekrachtigingsvloeistof moet tussen de
MIN- en MAX-streepjes op het reservoir staan.
Verversing van de vloeistof is niet nodig.
Peil controleren
De vloeistof moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan die aan de buitenkant van het
reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil regelmatig.
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of iedere
tweede geplande servicebeurt.
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of in
landen met een tropisch klimaat en een hoge
relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt, dient u de
remvloeistof ieder jaar te verversen.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen remvloeistofkwaliteit, zie Remvloeistof kwaliteit en hoeveelheid (p. 430).
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Geadviseerd wordt de oorzaak van het remvloeistofverlies te laten controleren door een
erkende Volvo-werkplaats.
Het vloeistofreservoir zit aan de bestuurderszijde.
Het vloeistofreservoir gaat schuil achter de dekplaat op de koude zone van de motorruimte. U
moet het ronde deksel eerst verwijderen om bij
de dop van het reservoir te komen.
Open het deksel dat in de dekplaat zit door
het te verdraaien.
Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan (aan de binnenkant van het reservoir).
BELANGRIJK
Vergeet niet de dop terug te plaatsen.
BELANGRIJK
Houd bij een controle het gebied rond het
reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
goed schoon. De dop niet losdraaien.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan.
Voor de aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie Stuurbekrachtigingsvloeistof - kwaliteit (p. 430).
}}
377
ONDERHOUD EN SERVICE
WAARSCHUWING
Als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de motor is afgezet en u de
auto moet laten wegslepen, stuurt de auto
aanzienlijk zwaarder. Lees de Aandachtspunten bij het slepen (p. 329).
Klimaatregeling - storingen
opsporen en verhelpen
Auto's met koudemiddel R1234yf
WAARSCHUWING
Service en reparatie aan het aircosysteem
mogen uitsluitend door een erkende werkplaats
worden uitgevoerd.
In de airco-installatie zit koudemiddel
R1234yf onder druk. Conform de SAE-norm
J2845 (“Technician Training for Safe Service
and Containment of Refrigerants Used in
Mobile A/C System”) mogen service en reparatie aan het koudemiddelsysteem alleen worden uitgevoerd door een daartoe bekwaam en
bevoegd technicus om de veiligheid van het
systeem te garanderen.
Storingen opsporen en verhelpen
De airconditioning bevat een fluorescerend traceermiddel. Bij zoeken naar lekken moet ultraviolet licht worden gebruikt.
Volvo adviseert om contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Auto's met koudemiddel R134a
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk. Service en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door
een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
378
Gerelateerde informatie
•
Serviceprogramma van Volvo (p. 366)
ONDERHOUD EN SERVICE
Lamp vervangen - algemeen
Een groot aantal van de lampen op de auto kunt
u zelf vervangen. Wend u voor vervanging van
led-lampen en xenonlampen tot een werkplaats.
De gloeilampen zijn gespecificeerd (p. 386).
Gloeilampen en andere lichtbronnen van een bijzonder type zoals led5-lampen of lampen die u
om andere redenen alleen in een werkplaats6
moet laten vervangen, zijn die in:
•
•
•
•
•
•
•
•
•
5
6
actieve xenonkoplampen - ABL (xenonlampen)
dagrijlicht/parkeerlichten voor
Bochtverlichting
Zijdelings gemonteerde richtingaanwijzers,
buitenspiegels
Approach-verlichting, buitenspiegels
Interieurverlichting behalve instapverlichting
vóór
parkeerlichten achter
Sidemarker
Remlichten.
WAARSCHUWING
N.B.
Als de auto is voorzien van xenonkoplampen,
moet u de xenonlampen door een werkplaats
laten vervangen – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Werkzaamheden
aan de xenonkoplampen vergen de nodige
voorzichtigheid, aangezien dergelijke koplampen zijn voorzien van een ontstekingsgedeelte
dat een hoge spanning opwekt.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de
kapotte gloeilamp is vervangen, wordt geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen
en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit
is een natuurlijk verschijnsel en alle externe
verlichting is erop gebouwd om dit zoveel
mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt
normaal uit het lamphuis, wanneer de lamp
enige tijd brandt.
WAARSCHUWING
Bij het vervangen van een lamp moet het
elektrische systeem van de auto in sleutelstand 0 staan, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 87).
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt
voor een laagje op de reflector die dan kapot
kan gaan.
Gerelateerde informatie
•
•
Lamp vervangen - koplampen (p. 380)
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde
(p. 385)
•
Lamp vervangen - verlichting make-upspiegel (p. 386)
•
Lamp vervangen - verlichting in bagageruimte (p. 385)
•
Lamp vervangen - kentekenplaatverlichting
(p. 385)
Lichtdioden (Light Emitting Diode)
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
379
ONDERHOUD EN SERVICE
Lamp vervangen - koplampen
Koplamphuis bevestigen
Alle gloeilampen in het koplamphuis zijn te vervangen door eerst het complete koplamphuis via
de motorruimte los te nemen en te verwijderen.
Koplamphuis verwijderen
Zet het elektrische systeem van de auto in de
contactslotstand 0, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 87).
Koppel de connector van het koplamphuis
los door met uw duim de clip omlaag te
duwen.
Trek de borgpennen van het koplamphuis
naar buiten.
Haal het koplamphuis los door het beurtelings te kantelen en naar buiten te trekken.
BELANGRIJK
Trek niet aan de kabel, maar alleen aan de
connector.
Trek ondertussen met uw andere hand de
connector los.
1.
5.
Til het koplamphuis naar buiten en leg het op
een zachte ondergrond om krassen op de
lens te voorkomen.
Sluit de connector dusdanig aan dat u een
klik hoort.
2.
6.
Vervang de kapotte gloeilamp.
Plaats het koplamphuis terug en breng de
borgpennen aan. Plaats de korte borgpen bij
de radiateurgrille. Controleer of u ze goed
hebt ingestoken.
3.
Controleer de verlichting.
Zorg dat het koplamphuis gemonteerd en de
connector goed aangesloten is, voordat u de verlichting inschakelt of de transpondersleutel in het
contactslot steekt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
380
Lamp vervangen - algemeen (p. 379)
Lampen verwisselen - afdekkap groot-/
dimlichtlampen (p. 381)
Lampen - specificaties (p. 386)
ONDERHOUD EN SERVICE
Lampen verwisselen - afdekkap
groot-/dimlichtlampen
De groot-/dimlichtlampen zijn bereikbaar door
de grotere afdekkap van de koplamp los te
maken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Lamp vervangen - koplampen (p. 380)
Lamp vervangen - dimlicht (p. 381)
Lamp vervangen - dimlicht
De lamp van het dimlicht zit achter de grote
afdekking in het koplamphuis.
Lamp vervangen - groot licht (p. 382)
Lamp vervangen - verstraler (p. 383)
N.B.
Geldt voor auto's met halogeenkoplampen.
Alvorens een gloeilamp te vervangen, zie Lamp
vervangen - koplampen (p. 380).
1.
Draai de vier bouten van de afdekking los
met een torx-sleutel, T20 (1). Verwijder ze
echter niet. (3–4 slagen is voldoende.)
2.
Duw de afdekking opzij.
3.
Verwijder de afdekking.
Plaats de afdekking in omgekeerde volgorde
terug.
1.
Neem de koplamp (p. 380) los.
2.
Verwijder de afdekking (p. 381).
3.
Koppel de connector van de lamp los.
4.
Trek de lamp recht naar buiten toe los.
5.
De paspen op de lamp dient bij het aanbrengen recht omhoog te wijzen, terwijl een klikgeluid aangeeft dat de lamp goed vastzit.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
}}
381
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 386)
Lamp vervangen - groot licht
De lamp van het groot licht zit achter de grote
afdekking in het koplamphuis.
N.B.
Geldt voor auto's met halogeenkoplampen.
382
1.
Neem de koplamp (p. 380) los.
2.
Verwijder de afdekking (p. 381).
3.
Haal de gloeilamp los door deze rechtsom te
draaien en vervolgens recht naar buiten te
trekken.
4.
Koppel de connector van de lamp los.
5.
Vervang de gloeilamp, steek de nieuwe lamp
in de lampvoet en draai de gloeilamp
rechtsom vast. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 386)
ONDERHOUD EN SERVICE
Lamp vervangen - verstraler
De verstralerlamp zit achter de grote afdekking
in het koplamphuis.
N.B.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Lampen vervangen richtingaanwijzers voorzijde
Gerelateerde informatie
De richtingaanwijzerlamp zit achter de kleine
afdekking in het koplamphuis.
•
Lampen - specificaties (p. 386)
Geldt voor auto's met xenonkoplampen*.
1.
Neem de koplamp (p. 380) los.
2.
Verwijder de afdekking (p. 381).
3.
Haal de gloeilamp los door deze rechtsom te
draaien en vervolgens recht naar buiten te
trekken.
4.
Koppel de connector van de gloeilamp los.
5.
Vervang de gloeilamp, steek de nieuwe lamp
in de lampvoet en draai de gloeilamp
rechtsom vast. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
1.
Neem de koplamp (p. 380) los.
2.
Trek de afdekking recht naar buiten toe los.
3.
Trek aan de lamphouder om de gloeilamp
tevoorschijn te halen.
4.
Druk op de gloeilamp, terwijl u deze linksom
losdraait.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 386)
* Optie/accessoire. 383
ONDERHOUD EN SERVICE
Lamp vervangen - verlichting achter
Gerelateerde informatie
De lampen voor richtingaanwijzers achter, mistachterlicht en achteruitrijlichten zijn vanuit de
bagageruimte te vervangen.
Achterlamphuis
Om bij de lampen te komen moet u de noodreparatieset
voor banden verwijderen.
De lampen voor achteruitrijlichten, mistachterlicht
en richtingaanwijzers in het achterlamphuis zijn
via de bagageruimte te vervangen.
384
1.
Open het paneel.
2.
Verwijder de noodreparatieset voor banden.
3.
Verwijder de isolatie die voor de gloeilamphouder zit door deze recht naar buiten toe
trekken.
4.
Duw de borghaak omlaag en trek de gloeilamphouder naar buiten.
5.
Haal de kapotte gloeilamp los door deze in
te duwen en linksom te draaien.
6.
Breng een nieuwe gloeilamp aan door de
lamp omlaag te duwen en rechtsom te
draaien.
7.
Houd de borghaak omlaag terwijl u de gloeilamphouder terugplaatst.
8.
Plaats de isolatie, de noodreparatieset voor
banden en het paneel terug.
•
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde
(p. 385)
•
Lampen - specificaties (p. 386)
ONDERHOUD EN SERVICE
Lamp vervangen kentekenplaatverlichting
Lamp vervangen - verlichting in
bagageruimte
Het overzicht geeft de positie aan van de lampen
aan achterzijde.
De kentekenplaatverlichting zit onder de handgreep van de achterklep.
De bagageruimteverlichting zit in de achterklep.
G031942
Lamp vervangen - positie lampen
achterzijde
Remlicht (led)
Parkeerlichten (led)/sidemarkers (led)
Richtingaanwijzer (p. 384)
Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
2.
Haal voorzichtig het complete lamphuis los
en trek het naar buiten.
Remlicht (led)
3.
Vervang de gloeilamp.
Achteruitrijlicht
4.
Plaats het complete lamphuis terug en draai
de boutjes vast.
Mistachterlicht
Gerelateerde informatie
•
•
1.
1.
Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en wrik deze iets heen en weer, zodat
het lamphuis loskomt.
2.
Vervang de gloeilamp.
3.
Controleer of de gloeilamp werkt en druk het
lamphuis weer vast.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 386)
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 386)
Lamp vervangen - algemeen (p. 379)
Lampen - specificaties (p. 386)
385
ONDERHOUD EN SERVICE
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel
De lampjes voor de verlichting van de makeupspiegel zitten achter de lensjes.
Lampglas verwijderen
Duw het vast.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 386)
Lampen - specificaties
De specificaties gelden voor gloeilampen. Wend
u voor vervanging van led-lampen en xenonlampen tot een werkplaats.
Verlichting
WA
Type
Dimlicht, halogeen
55
H7 LL
Groot licht, halogeen
65
H9
Verstralers, ABL
65
H9
Richtingaanwijzers
voorzijde
24
PY24W
Instapverlichting voor
3
Lampvoet T10;
W2,1x9,5d
Verlichting dashboardkastje
5
Lampvoet SV8.5;
lengte 43 mm
Verlichting makeupspiegel
1,2
Lampvoet T5;
W2x4,6d
1.
Steek een schroevendraaier achter het lampglas om het borgnokje aan de rand voorzichtig los te werken.
2.
Haal het lampglas voorzichtig los en verwijder het.
Verlichting bagageruimte
5
Lampvoet SV8.5;
lengte 43 mm
3.
Trek met een puntbektang de gloeilamp
recht naar buiten toe opzij en vervang deze.
Let er echter op dat u met de tang niet te
veel druk zet op de lamp. Het lampglas kan
anders kapotgaan.
Kentekenplaatverlichting
5
C5W LL
Richtingaanwijzers
achter
21
PY21W LL
-
-
Lampglas bevestigen
1.
386
2.
Plaats het lampglas terug.
-
ONDERHOUD EN SERVICE
Verlichting
WA
Type
Achteruitrijlicht
21
P21W LL
Mistachterlicht
21
H21W LL
Watt
A
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen - algemeen (p. 379)
Wisserbladen
De wisserbladen vegen neerslag van de voor- en
achterruit. In combinatie met sproeiervloeistof
reinigen ze de ruiten voor een goed zicht tijdens
het rijden.
Om de wisserbladen van de voorruit te kunnen
vervangen moeten deze eerst in de servicestand
worden gezet.
BELANGRIJK
Voordat de wisserbladen in de servicestand
worden gezet, moet u controleren of ze niet
vastgevroren zijn.
1.
Steek de transpondersleutel in het contactslot7 en druk kort op de START/STOP
ENGINE-knop om het elektrische systeem
van de auto in de contactslotstand I te zetten. Voor gedetailleerde informatie over contactslotstanden, zie contactslotstanden functies in verschillende standen (p. 87).
2.
Druk nogmaals kort op de START/STOP
ENGINE-knop om het elektrische systeem
van de auto in de contactslotstand 0 te zetten.
3.
Beweeg binnen 3 seconden de rechter
stuurhendel omhoog en houd deze
ca. 1 seconde in deze stand.
> De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal
staan.
Servicestand
Wisserbladen in servicestand.
De wisserbladen dienen in de servicestand te
staan om ze te kunnen vervangen, reinigen of
optillen (bijvoorbeeld om ijs van de voorruit te
krabben).
7
Niet nodig bij een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling.
De wisserbladen keren terug naar de beginstand
met een korte druk op de START/STOP
ENGINE-knop om het elektrische systeem van
de auto in de contactslotstand I te zetten (of bij
het starten van de auto).
}}
387
ONDERHOUD EN SERVICE
||
BELANGRIJK
Als de wisserarmen in de servicestand van de
voorruit af zijn gehaald, moet u ze tegen de
voorruit terugklappen alvorens de wissers te
activeren. Dit om lakschade aan de motorkap
tegen te gaan.
Wisserbladen vervangen
Klap de wisserarm omhoog als deze in de
servicestand staat. Druk op de knop die op
de wisserbladhouder zit en trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar binnen dat u een klik hoort.
Controleer of het blad goed vastzit.
4.
Klap de wisserarm terug op de voorruit.
De wisserbladen keren terug vanuit de servicestand naar de beginstand met een korte druk op
de START/STOP ENGINE-knop om het elektrische systeem van de auto in de contactslotstand
I te zetten (of bij het starten van de auto).
388
N.B.
De wisserbladen hebben een verschillende
lengte. Het blad aan de bestuurderskant is
langer dan dat aan de passagierskant.
Wisserbladen vervangen, achterklep
ONDERHOUD EN SERVICE
Klap de wisserarm uit.
Sproeiervloeistof - bijvullen
2.
Kantel het wisserblad iets naar buiten toe,
van de wisserarm af.
3.
Pak de wisserarm beet en duw het wisserblad met uw duim (pijl) naar voren toe los.
Om de koplampen en ruiten schoon te houden
wordt sproeiervloeistof gebruikt. Gebruik sproeiervloeistof met antivries bij temperaturen onder
het vriespunt.
1.
4.
Duw het nieuwe wisserblad vast. Controleer
of het goed vastzit.
5.
Klap de wisserarm terug.
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij koud weer
en onder het vriespunt.
BELANGRIJK
Gebruik originele sproeiervloeistof van Volvo
of een vergelijkbaar product met de aanbevolen pH-waarde tussen 6 en 8 (gebruiksklaar
mengsel, d.w.z. gelijke delen/1:1 bij neutraal
water).
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen en
de voorruit, zie Wasstraat (p. 409).
BELANGRIJK
Gebruik bij temperaturen onder nul sproeiervloeistof met antivries, zodat de vloeistof niet
vastvriest in pomp, reservoir en slangen.
BELANGRIJK
Controleer de bladen regelmatig. Verwaarloosd onderhoud verkort de levensduur van
de bladen.
Gerelateerde informatie
•
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 389)
Voor het bijvullen van de sproeiervloeistof opent
u de blauwe dop.
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
N.B.
Wanneer er nog zo'n 1 liter sproeiervloeistof
in het reservoir zit, verschijnt op het instrumentenpaneel samen met het symbool
de melding dat u sproeiervloeistof moet bijvullen.
Hoeveelheid:
•
•
Auto's met koplampsproeiers: 3,4 liter.
Auto's zonder koplampsproeiers: 3,4 liter.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Wisserbladen (p. 387)
Wissers en sproeiers (p. 108)
Motorkap - openen en sluiten (p. 371)
389
ONDERHOUD EN SERVICE
Startaccu - algemeen
De startaccu wordt gebruikt voor aandrijving van
de startmotor en andere elektrische uitrusting in
de auto.
De traditionele 12V-accu van de auto wordt hier
‘startaccu’ genoemd, ook al wordt de hybrideaccu (p. 394) vaak gebruikt bij het starten van de
verbrandingsmotor.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal startpogingen, de weersomstandigheden enzovoort
zijn van invloed op de levensduur en de werking
van de accu.
•
Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor draait.
•
Controleer of de kabels van de startaccu op
de juiste manier zijn aangesloten en stevig
vastzitten.
Spanning (V)
KoudestartvermogenA
-
Afmetingen , l×b×h (mm)
A
B
390
Conform de EN-norm.
Cold Cranking Amperes.
N.B.
De grootte van de startaccubehuizing moet
overeenkomen met de afmetingen van de originele accu.
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van een startkabel, kan volstaan om de
accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat
ernstige chemische brandwonden kan
veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw
huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
12
CCAB (A)
Capaciteit (Ah)
BELANGRIJK
Bij vervanging van de startaccu moet u erop
letten dat u een accu met hetzelfde koudestartvermogen en van hetzelfde type gebruikt
als de originele accu (zie de sticker op de
accu).
720
278×175×190
70
BELANGRIJK
Gebruik voor het opladen van de startaccu
alleen een moderne acculader met laadspanningsregeling. Maak geen gebruik van eventuele snellading omdat de accu daarbij
beschadigd kan raken.
N.B.
Als zowel de startaccu als de hybride-accu
(p. 310) leeg zijn, moet u beide accu's opladen. Het is niet mogelijk om in een dergelijk
geval alleen de hybride-accu op te laden.
De hybride-accu is alleen op te laden, als de
startaccu een ladingstoestand boven een
bepaalde waarde heeft.
ONDERHOUD EN SERVICE
BELANGRIJK
N.B.
Bij het negeren van het volgende valt na aansluiting van een externe startaccu of acculader de energiebesparingsfunctie voor het
infotainmentsysteem mogelijk tijdelijk uit
en/of verschijnt er tijdelijk geen melding over
de ladingstoestand van de startaccu op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel:
•
De minpool van de startaccu in de auto
mag nooit worden gebruikt voor aansluiting van een externe startaccu of acculader – alleen het autochassis dient als
massapunt te worden gebruikt.
Als de startaccu vaak ontladen wordt, heeft
dat een negatief effect op zijn levensduur.
De levensduur van de startaccu hangt af van
meerdere factoren, waaronder de rijomstandigheden en het klimaat. De startcapaciteit
van de accu daalt in de loop van de tijd geleidelijk en daarom moet de accu worden opgeladen als de auto langere tijd niet wordt
gebruikt of als er alleen korte ritten mee worden gemaakt. Extreme kou beperkt de startcapaciteit ook.
Symbolen op de accu's
Om de startaccu in een goede conditie te
houden wordt geadviseerd om minimaal 15
minuten per week te rijden of de accu aan te
sluiten op een acculader met automatische
druppellading.
Zie Starthulp met andere accu (p. 276) voor
een beschrijving van de locatie van de kabelklemmen en de manier van aansluiten.
Accu - symbolen
Op de accu's zitten symbolen die informatie verstrekken en waarschuwen.
Een startaccu die constant volledig opgeladen wordt gehouden, heeft een maximale
levensduur.
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie de
gebruikershandleiding die
bij de auto hoort.
Bewaar accu's buiten het
bereik van kinderen.
Gerelateerde informatie
•
•
Accu - symbolen (p. 391)
Startaccu - vervangen (p. 392)
De accu bevat een bijtend
zuur.
}}
391
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Vermijd vonken en open
vuur.
Startaccu - vervangen
De startaccu van de auto is zonder hulp van een
werkplaats te vervangen.
Demonteren
Explosiegevaar.
Om te beginnen: Neem de transpondersleutel
uit het contactslot en wacht ten minste
5 minuten, voordat u een van de elektrische aansluitingen aanraakt – zo kan de informatie in het
elektrische systeem van de auto worden opgeslagen in de verschillende regeleenheden.
Bestemd voor inzameling.
N.B.
Een defecte startaccu moet op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt - deze
bevat namelijk lood.
Gerelateerde informatie
•
Startaccu - algemeen (p. 390)
Haal de clips op de voorste dekplaat los en
verwijder de dekplaat.
392
ONDERHOUD EN SERVICE
Haal de rubber strip los om de achterste
afdekking bloot te leggen.
Monteren
Neem de achterste afdekking los door deze
een kwartslag te verdraaien en vervolgens op
te tillen.
Voor meer informatie over de startaccu van de
auto, zie Startaccu - algemeen (p. 390) en Starthulp met andere accu (p. 276).
WAARSCHUWING
De plus- en minkabels in de juiste volgorde
loskoppelen en/of aansluiten.
Koppel de zwarte minkabel los.
Koppel de rode pluskabel los.
1.
Laat de accu in de accubak zakken.
2.
Duw de accu naar binnen en gelijktijdig opzij
totdat de accu tegen de achterkant van de
accubak aankomt.
3.
Schroef de klem vast waarmee de accu vastzit.
4.
Sluit de ontluchtingsslang aan.
> Controleer of deze correct is aangesloten
tussen de accu en de afvoeropening in de
carrosserie.
5.
Sluit de rode pluskabel aan.
6.
Sluit de zwarte minkabel aan.
7.
Duw de achterste afdekking vast. (Zie de
voorgaande paragraaf "Demonteren".)
8.
Plaats de rubber strip. (Zie "Demonteren".)
9.
Pas de voorste afdekking in en zet het vast
met behulp van de clips. (Zie "Demonteren".)
Koppel de ontluchtingsslang van de accu los.
Draai het boutje los waarmee de accuklem
vastzit.
Haal de accu opzij.
Til het recht omhoog.
393
ONDERHOUD EN SERVICE
Hybride-accu
Elektrisch systeem
Ten behoeve van de elektromotor is de auto
voorzien van een hybride-accu - een onderhoudsvrije en oplaadbare accu van het lithiumion-type.
Het elektrische systeem is enkelpolig en
gebruikt het chassis en het motorblok als geleiders.
De afmetingen, het type en de prestaties van de
accu zijn afhankelijk van de uitrusting in de auto
en de functie.
N.B.
Als zowel de startaccu als de hybride-accu
(p. 310) leeg zijn, moet u beide accu's opladen. Het is niet mogelijk om in een dergelijk
geval alleen de hybride-accu op te laden.
BELANGRIJK
De hybride-accu is alleen op te laden, als de
startaccu een ladingstoestand boven een
bepaalde waarde heeft.
BELANGRIJK
Het bijvullen van een hybride-accu met koelvloeistof mag alleen worden uitgevoerd door
de werkplaats. Een erkende Volvo-werkplaats
wordt aanbevolen.
WAARSCHUWING
Een hybride-accu mag alleen worden vervangen door de werkplaats. Een erkende Volvowerkplaats wordt aanbevolen.
Koelvloeistof
Het koelsysteem van de hybride-accu is voorzien
van een apart expansiereservoir.
394
Bij vervanging van de startaccu moet u erop
letten dat u een accu met hetzelfde koudestartvermogen en van hetzelfde type gebruikt
als de originele accu (zie de sticker op de
accu).
Gerelateerde informatie
•
Startaccu - algemeen (p. 390)
Gerelateerde informatie
•
•
Startaccu - vervangen (p. 392)
Startaccu - algemeen (p. 390)
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen - algemeen
Vervangen
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal
zekeringen beschermd.
1.
Zoek in de zekeringentabel op waar de zekering zit.
2.
Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3.
Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
WAARSCHUWING
Laat de hantering van oranje kabels over aan
bevoegd personeel.
WAARSCHUWING
Tal van auto-onderdelen werken op hoogvoltspanning wat gevaarlijk kan zijn bij onoordeelkundig werk.
Raak geen onderdelen aan, wanneer dat niet
uitdrukkelijk in de gebruikershandleiding staat
aangegeven.
Als een van de elektrische onderdelen of functies
niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende
zekering overbelast werd en daardoor gesmolten
is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt,
betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een
storing vertoont. U wordt dan geadviseerd een
bezoek te brengen aan een erkende Volvo-werkplaats voor een controle.
Positie van de relais- en zekeringhouders bij
auto's met het stuur links – bij auto's met het
stuur rechts zitten de relais- en zekeringhouders
onder het dashboardkastje omgekeerd.
Motorruimte
Onder dashboardkastje
Onder dashboardkastje
Bagageruimte
WAARSCHUWING
Koude zone motorruimte –
Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een
zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit kan
aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot brand leiden.
•
•
Positie van relais- en zekeringhouders
•
Gerelateerde informatie
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 396)
Zekeringen - onder dashboardkastje
(p. 399)
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 401)
Zekeringen - in bagageruimte (p. 403)
Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte (p. 407)
395
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen - in motorruimte
De zekeringen in de motorruimte beveiligen
onder meer de motor- en remfuncties.
396
ONDERHOUD EN SERVICE
Algemene informatie over de
zekeringen in de motorruimte
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Posities (zie voorgaande afbeelding)
Motorruimte bovenin
Motorruimte voorin
Motorruimte onderin
Functie
Hoofdzekering voor centrale elektronicamodule (ECM) onder dashboardkastje
Hoofdzekering voor relais-/zekeringhouder onder dashboardkastje
AA
50
60
Functie
AA
Koplampsproeiers*
20
Koplamphoogteregeling*; actieve
xenonkoplampen - ABL*
10
Hoofdzekering voor centrale elektronicamodule (ECM) onder dashboardkastje
20
ABS
5
Deze zekeringen zitten allemaal in de zekeringhouder in de motorruimte. De zekeringen in (C)
zitten onder (A).
-
-
Stuurkrachtinstelling*
5
-
-
10
Aan de binnenkant van het deksel zit een sticker
met de positie van de verschillende zekeringen.
-
-
Motorregeleenheid; transmissieregeleenheid; airbags
-
-
Elektrische sproeikopverwarming*
10
•
•
•
8
De zekeringen 1–7 en 42–44 zijn van het
type "MidiFuse" en mogen alleen door een
werkplaats worden vervangen8.
Ruitenwissers
30
De zekeringen 8–15 en 34 zijn van het type
"JCASE" en dienen door een werkplaats te
worden vervangen8.
Standverwarming*
25
-
-
De zekeringen 16–33 en 35–41 zijn van het
type "MiniFuse".
-
-
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
ABS-pomp
40
ABS-ventielen
20
-
-
Bedieningspaneel verlichting
5
-
-
-
-
-
-
Relais sproeiers
5
Verstralers*
20
}}
* Optie/accessoire. 397
ONDERHOUD EN SERVICE
||
398
Functie
AA
Claxon
15
Relaisspoel in hoofdrelais voor
motormanagementsysteem;
motorregeleenheid
10
Transmissieregeleenheid
15
-
-
Relaisspoelen in relais- en zekeringhouder in koude zone motorruimte
5
Startrelais
30
Regeleenheid gloeiregeling
10
Regeleenheid motor
15
Luchtmassameter; regelkleppen
15
Kleppen; olieniveausensor
10
Lambdasondes; regeleenheid
radiateurafdekking
15
Dieselfilterverwarming
20
Carterventilatieverwarming
10
A
Functie
AA
Gloeibougies
70
Koelventilator
80
Stuurbekrachtiging
100
Ampère
Achter de motor
A: Auto met stuur links. B: Auto met stuur rechts.
Zekering
A
Functie
AA
Bewaking vacuümpomp voor remsysteem
5
Ampère
Gerelateerde informatie
•
Zekeringen - onder dashboardkastje
(p. 399)
•
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 401)
•
Zekeringen - in bagageruimte (p. 403)
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen - onder
dashboardkastje
De zekeringen onder het dashboardkastje beveiligen onder meer de infotainment- en stoelfuncties.
Posities
Functie
Functie
AA
Hoofdzekering voor regeleenheid
audio*; hoofdzekering voor de
zekeringen 16–20: Infotainment
40
Ruitensproeiers voor; ruitensproeiers achter
25
-
-
AA
Functie
AA
Bedieningspaneel bestuurdersportier
20
-
-
-
5
Bedieningspaneel voorste passagiersportier
20
Portierhandgrepen, passief systeem*
-
Bedieningspaneel achterste passagiersportier rechts
20
-
}}
* Optie/accessoire. 399
ONDERHOUD EN SERVICE
||
400
Functie
AA
Functie
AA
Bedieningspaneel achterste passagiersportier links
20
Verwarming zitplaats achterbank
links*
15
Passief systeem*
7,5
Verwarming op stroom
5
Elektrisch bedienbare stoel
bestuurderszijde*
20
Stoelverwarming passagierszijde
voorin
15
Elektrisch bedienbare stoel passagierszijde*
20
Stoelverwarming bestuurderszijde
voorin
15
Parkeerhulp*; parkeercamera*;
BLIS*
5
-
-
-
-
-
-
Regeleenheid infotainment of displayB
5
Regeleenheid audio (versterker)*;
tv*; digitale radio*
10
Regeleenheid audio of regeleenheid SensusB
15
Telematica*; Bluetooth*
5
A
B
Ampère
Bepaalde modelvarianten.
Gerelateerde informatie
-
-
Schuif-/kanteldak*; interieurverlichting plafond; klimaatsensor*
5
12V-aansluiting middenconsole
15
Verwarming zitplaats achterbank
rechts*
15
•
•
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 396)
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 401)
Zekeringen - in bagageruimte (p. 403)
Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte (p. 407)
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen - in regeleenheid onder
dashboardkastje
De zekeringen in de regeleenheid onder het
dashboardkastje beveiligen onder meer de functies voor airbags en Collision Warning.
Posities
Functie
AA
Functie
AA
Instrumentenpaneel
5
Centrale vergrendeling tankvulklep
10
Adaptieve cruisecontrol (ACC)*;
Collision Warning*
10
Elektrische stuurverwarming*
15
7,5
Interieurverlichting; regensensor*
7,5
Stuurwieleenheid
7,5
Functie
AA
Achterruitwisser
15
Interieurverlichting; bedieningspaneel zijruiten op bestuurdersportier,
elektrisch bedienbare voorstoelen*
-
-
Achterklep ontgrendelen
10
Omklapbare hoofdsteunen*
10
}}
* Optie/accessoire. 401
ONDERHOUD EN SERVICE
||
A
402
Functie
AA
Brandstofpomp
20
Bewegingsmelder voor alarm*;
bedieningspaneel klimaatregeling
5
Stuurslot
15
Sirene alarmsysteem*; diagnoseaansluiting OBDII
5
-
-
Airbags
10
Collision Warning*
5
Gaspedaalsensor; dimfunctie achteruitkijkspiegel*; achterbankverwarming*
7,5
Regeleenheid Infotainment (Performance); audiosysteem (Performance)
15
Remlichten
5
Schuif-/kanteldak*
20
Startblokkering
5
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 396)
Zekeringen - onder dashboardkastje (p. 399)
Zekeringen - in bagageruimte (p. 403)
Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte (p. 407)
Ampère
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen - in bagageruimte
De zekeringen in de bagageruimte beveiligen
onder meer de elektrische parkeerrem en de
functies voor de elektrische aandrijving.
Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde.
}}
403
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Houder A
Functie
-
-
-
-
-
-
-
-
Trekhaakaansluiting 1*
Om toegang te krijgen tot de relais-/zekeringhouder
moet de noodreparatieset voor banden worden verwijderd.
A
AA
40
-
Ampère
Posities
Houder A
Functie
AA
Elektrische parkeerrem links
30
Elektrische parkeerrem
rechts
30
Elektrische achterruitverwarming
30
Trekhaakaansluiting 2*
15
12V-aansluiting bagageruimte
404
15
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde.
Houder B
Om toegang te krijgen tot de relais-/zekeringhouder
moet de noodreparatieset voor banden worden verwijderd.
Functie
AA
Koelvloeistofpomp 1 voor
hybride-accu; klep voor koelvloeistofpomp 1 en 2
Houder B
Functie
AA
10
Laadeenheid; spanningsomvormer 400–12 V; regeleenheid
voor hybride-accu
10
Koelvloeistofpomp 2 voor
hybride-accu
10
10
Laadeenheid; spanningsomvormer 400–12 V; regeleenheid
voor hybride-accu
5
Relaisspoelen; hoogvoltomvormer voor elektromotor en
gecombineerde hoogvoltgenerator/startmotor
15
Koelvloeistofpomp voor lagetemperatuurkring koelsysteem
15
Uitschakeling achterasaandrijving elektromotor
-
}}
405
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Houder B
A
Functie
AA
Hoogvoltomvormer voor elektromotor en gecombineerde
hoogvoltgenerator/startmotor;
regeleenheid voor hybride-accu
10
Koelvloeistofkleppen voor lagetemperatuurkring koelsysteem;
elektrische aircocompressor;
klep voor warmtewisselaar;
klep voor klimaatregeling
10
-
-
-
-
Ampère
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
406
Zekeringen - in motorruimte (p. 396)
Zekeringen - onder dashboardkastje (p. 399)
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 401)
Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte (p. 407)
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen - in de koude zone van
de motorruimte
De zekeringen in de koude zone van de motorruimte zitten in auto's met de Start/Stop-functie.
•
De zekeringen A1 en A2 zijn van het type
"MEGA Fuse" en mogen alleen door een
werkplaats worden vervangen9.
•
De zekeringen 1–11 zijn van het type "MidiFuse" en mogen alleen door een werkplaats
worden vervangen9.
•
Zekeringen 12 is van het type "MiniFuse".
Voor meer informatie over Start/Stop, zie Aandrijving - rijmodi (p. 278).
9
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Posities
Functie
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in motorruimte
Functie
AA
175
AA
Hoofdzekering voor centrale elektronicamodule (CEM) onder dashboardkastje, relais-/zekeringhouder onder dashboardkastje, relaisen zekeringhouders in bagageruimte
175
Vacuümpomp voor remsysteem
40
}}
407
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Functie
AA
•
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 401)
Hoofdzekering voor centrale elektronicamodule (ECM) onder dashboardkastje
50
•
Zekeringen - in bagageruimte (p. 403)
Hoofdzekering voor relais-/zekeringhouder onder dashboardkastje
60
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder B in bagageruimte
50
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder A in bagageruimte
60
Interieurventilator
40
-
-
-
-
-
-
-
-
Oliepomp automatische versnellingsbak
A
30
-
Ampère
Gerelateerde informatie
•
•
408
Zekeringen - in motorruimte (p. 396)
Zekeringen - onder dashboardkastje (p. 399)
ONDERHOUD EN SERVICE
Wasstraat
Was de auto zodra deze vuil geworden is. De
auto is dan gemakkelijker te reinigen, omdat het
vuil nog niet is aangekoekt. Zo beperkt u tevens
de kans op krassen en houdt u de auto langer
mooi. Zorg dat de auto op een spoelvloer met
olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
Met de hand wassen
•
•
•
•
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die
de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. Gebruik bijvoorbeeld een zachte tissue of een spons die u goed nat hebt
gemaakt. U wordt geadviseerd een dergelijke
verkleuring te laten herstellen door een
erkende Volvo-werkplaats.
Spoel het onderstel af.
Spoel de hele auto eerst af om loszittend vuil
te verwijderen en het risico te beperken dat
er tijdens het reinigen krassen ontstaan.
Spuit niet rechtstreeks in de richting van de
sloten.
Gebruik zo nodig een koud ontvettingsmiddel
voor hardnekkig vuil. Let erop dat de verontreinigde gebieden niet zijn opgewarmd door
de zon!
•
Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
•
Reinig de wisserbladen met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
•
Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker. Als u waterdruppels op de auto niet in de felle zon laat
drogen maar meteen verwijdert, beperkt u
het risico dat u later watervlekken moet wegpoetsen.
WAARSCHUWING
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is, bestaat
er brandgevaar.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed. Maak
ze regelmatig schoon, bijvoorbeeld als u tankt.
Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen,
maar water en een niet krassende spons.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen
en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit
is een natuurlijk verschijnsel en alle externe
verlichting is erop gebouwd om dit zoveel
mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt
normaal uit het lamphuis, wanneer de lamp
enige tijd brandt.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken, maar
de borstels van de wasstraat kunnen niet overal
even goed bij. Voor het beste resultaat wordt
geadviseerd om de auto met de hand te wassen
of een bezoek aan de automatische wasstraat te
combineren met een handmatige wasbeurt.
N.B.
De eerste maanden mag de auto alleen met
de hand worden gewassen. De reden hiervoor
is dat de lak gevoeliger is als deze nieuw is.
Hogedrukreinigers
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de spuitkop op minstens 30 cm afstand van de auto
houdt. Spuit niet rechtstreeks in de richting van
de sloten.
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test de rem na het wassen altijd, ook de parkeerrem, zodat vocht en corrosie de remvoering niet aantasten en de remmen verslechteren.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal, als
u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder
aflegt. Door de wrijving worden de remblokken
}}
409
ONDERHOUD EN SERVICE
||
warm, zodat het vocht verdampt. Doe hetzelfde bij
zeer vochtig of koud weer.
tussen 3,5 en 11,5. Dit om verkleuring tegen te
gaan.
BELANGRIJK
Was de auto bij voorkeur niet met reinigingsmiddelen met een pH lager dan 3,5 of hoger
dan 11,5. Geanodiseerde onderdelen van aluminium zoals de dakrails en de sierlijsten rond
de zijruiten kunnen anders verkleuren.
Wisserbladen
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs en dergelijke op de voorruit
gaan wisserbladen minder lang mee.
Gebruik nooit metaalpolijstpasta op onderdelen van geanodiseerd aluminium om verkleuring en schade aan de finish tegen te gaan.
Bij het reinigen:
- Zet de wisserbladen in de servicestand, zie Wisserbladen (p. 387).
Velgen
N.B.
Reinig de wisserbladen en voorruit regelmatig
met een lauw sopje of autoshampoo. Gebruik
geen sterke oplosmiddelen.
Kunststof en rubber sieronderdelen
exterieur
Voor het schoonmaken en verzorgen van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende strips,
wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel
te gebruiken dat bij de Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij gebruik van dit reinigingsmiddel
de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
De sierlijsten rond de portierruiten, de dakrails
van de auto en de portierframes bij de ruiten* zijn
gemaakt van geanodiseerd aluminium, wat betekent dat u de genoemde onderdelen alleen dient
te wassen met een reinigingsmiddel met een pH
410
Gebruik alleen de velgreinigers die Volvo adviseert.
Onderdelen die moeten worden schoongemaakt met
een reinigingsmiddel met een pH tussen 3,5 en 11,5.
BELANGRIJK
Waxen en polijsten van kunststof en rubber
onderdelen is niet toegestaan.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber onderdelen mag u, als dat
nodig is, alleen licht wrijven. Gebruik een
zachte spons.
Bij het polijsten van glanzende strips kan de
glanzende oppervlaktelaag wegslijten of
beschadigd raken.
Na reiniging kan er verkleuring optreden aan de
spaakvoet, doordat remstof zich kan vastbijten in
de lak op de velgen. Vaak is het gebruik van een
lakreiniger met een zeer fijne polish en een
zachte doek voldoende.
Sterke velgreinigers kunnen het oppervlak
beschadigen en vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Poetsen en in de was zetten (p. 411)
Interieur reinigen (p. 412)
Water- en vuilafstotende laag (p. 411)
Gebruik geen poetsmiddelen met een schurende werking.
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Poetsen en in de was zetten
BELANGRIJK
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat
u begint te poetsen of de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met een teerverwijderaar of terpentine. U kunt hardnekkige vlekken
met een speciaal voor autolak bestemde, fijne
schuurpasta ("rubbing compound") verwijderen.
Waxen en polijsten van kunststof en rubber
onderdelen is niet toegestaan.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber onderdelen mag u, als dat
nodig is, alleen licht wrijven. Gebruik een
zachte spons.
Water- en vuilafstotende laag*
Bij het polijsten van glanzende strips kan de
glanzende oppervlaktelaag wegslijten of
beschadigd raken.
•
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters en dergelijke op het glasoppervlak,
omdat de waterafstotende laag daardoor
beschadigd kan raken.
•
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak ontstaan.
•
Om schade aan het glas te voorkomen dient
u voor het verwijderen van ijs alleen een
krabber van kunststof te gebruiken.
•
Om de waterafstotende eigenschappen op
de zijruiten te behouden, wordt geadviseerd
de behandeling te vernieuwen met een
nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij
een erkende Volvo-werkplaats. Gebruik het
middel de eerste keer na drie jaar en daarna
ieder jaar.
Gebruik geen poetsmiddelen met een schurende werking.
BELANGRIJK
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op. Veel
preparaten bevatten zowel poetsmiddel als was.
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling,
bescherming, glansverzegeling e.d. kunnen
lakschade veroorzaken. Lakschade als gevolg
van dergelijke behandelingen valt niet onder
de Volvo-garantie.
Gerelateerde informatie
•
Water- en vuilafstotende laag
De ruiten zijn voorzien van een speciale laag die
bij hevige regenval voor een beter zicht zorgt.
Wasstraat (p. 409)
De waterafstotende laag staat bloot
aan natuurlijke slijtage.
Onderhoud:
}}
* Optie/accessoire. 411
ONDERHOUD EN SERVICE
||
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de ruiten
van ijs te ontdoen. Gebruik de elektrische verwarming om de buitenspiegels van ijs te ontdoen, zie Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming (p. 114).
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 409)
Roestwering
Interieur reinigen
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Reinig het interieur regelmatig en voor
het beste resultaat is het zaak om vlekken
meteen te verwijderen. Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een reinigingsmiddel gebruikt.
Controleren en onderhouden
De corrosiebescherming van de auto behoeft
normaal gesproken geen onderhoud, maar door
de auto schoon te houden, wordt de kans op corrosie verder verkleind. Sterk alkalische of zure reinigingsmiddelen moeten altijd worden vermeden
op glanzende sierdetails. Repareer eventuele
steenslagplekken zo snel mogelijk na constatering.
BELANGRIJK
•
Sommige geverfde kledingstukken (zoals
spijkerbroeken en suède kleding) kunnen
afgeven en voor verkleuring van de bekleding zorgen. In dat geval is het belangrijk
om de verkleurde delen van de bekleding
zo spoedig mogelijk te reinigen en te verzorgen.
•
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen zoals
sproeiervloeistof, wasbenzine of terpentine voor het reinigen van het interieur,
omdat zowel de bekleding als de overige
interieuronderdelen daarbij beschadigd
kunnen raken.
•
Spuit reinigingsmiddelen nooit rechtstreeks op componenten met elektrische
knoppen of bedieningselementen. Maak
ze in plaats daarvan schoon met een
doek die u met het reinigingsmiddel
bevochtigd hebt.
•
Scherpe voorwerpen en klittenbandsluitingen kunnen de stoffen bekleding van
de auto beschadigen.
Gerelateerde informatie
•
412
Lakschade (p. 414)
ONDERHOUD EN SERVICE
Stoffen bekleding en plafondbekleding
Volvo biedt een universeel textielverzorgingsproduct voor stoffen bekleding en plafondbekleding,
waarmee u de bekleding in optimale staat kunt
houden, mits u de instructies opvolgt. Het textielverzorgingsproduct is verkrijgbaar bij een Volvodealer.
Leren bekleding
De leren bekleding van Volvo is behandeld om de
bekleding in oorspronkelijke staat te bewaren.
Leren bekleding is een natuurproduct dat na verloop van tijd een mooi patina krijgt. Voor het
behoud van de eigenschappen en kleur van het
leer is regelmatige reiniging en verzorging vereist.
Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct, Volvo Leather Care Kit/Wipes, waarmee u
leren bekleding kunt reinigen en de beschermende laag kunt herstellen, mits u de instructies
opvolgt.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo de
beschermende crème een- à viermaal per jaar (zo
nodig vaker) op te brengen. U kunt de Volvo Leather Care Kit/Wipes kopen bij een Volvo-dealer.
Leren stuurwiel
Leer moet kunnen ademen. Dek het leren stuurwiel nooit af met kunststof bescherming. Reinigen het leren stuurwiel bij voorkeur met Volvo
Leather Care Kit/Wipes.
Interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
WAARSCHUWING
Gebruik voor alle zitplaatsen slechts één
inlegmat tegelijk en controleer alvorens weg
te rijden of de mat voor de bestuurdersstoel
goed in de bevestigingsklemmen op de vloer
vastzit om te voorkomen dat deze kan gaan
glijden en achter of onder de pedalen blijft
haken.
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken geadviseerd,
die verkrijgbaar zijn bij een erkende Volvo-werkplaats.
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit
sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige
vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel
gebruiken dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats.
Veiligheidsgordels
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel en
in het bijzonder het textielreinigingsmiddel dat bij
een erkende Volvo-werkplaats verkrijgbaar is.
Zorg dat de gordel droog is, voordat deze weer
wordt opgerold.
Voor vlekken op de vloermat wordt geadviseerd
het speciale reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken nadat u hebt gestofzuigd. U
dient vloermatten te reinigen met de door een
Volvo-dealer geadviseerde producten.
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 409)
Inlegmatten en vloermat
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart schoon te
kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en
stof te verwijderen. Elk van beide inlegmatten zit
met pennen vast.
Verwijder de inlegmat door de inlegmat bij elk
van beide pennen vast te pakken en recht
omhoog te tillen.
Breng de inlegmat aan door deze bij beide pennen vast te drukken.
413
ONDERHOUD EN SERVICE
Lakschade
Geringe lakschade herstellen zoals
steenslagschade en krasjes
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. De meest voorkomende soorten lakschade zijn bijvoorbeeld
steenslagplekken, krassen en plekjes op de
spatbordranden, portieren en bumpers.
Geringe lakschade herstellen
Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct herstellen.
•
Grondlak (primer)10 - voor bumpers en dergelijke zijn er spuitbussen met speciale
hechtprimer verkrijgbaar.
•
basislak en heldere lak - verkrijgbaar in spuitbussen en als bijwerkpennen/-stiften11.
•
•
Afplaktape.
Kleurcode exterieur
Eventuele secundaire kleurcode exterieur
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur gebruikt.
Voor de positie van de productsticker zie
Typeaanduidingen (p. 418).
fijn schuurlinnen10.
Kleurcode
De kleurcodesticker vindt u in de portierstijl van
de auto en wordt zichtbaar zodra het portier
rechtsachter wordt geopend.
10
11
414
G021832
Eventueel benodigd materiaal
Eventueel.
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen/-stift werden geleverd.
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan 15 °C.
1.
Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van de
lak af om eventuele lakresten te verwijderen.
Als de beschadiging tot de metaallaag
(blanke plaat) reikt, wordt grondlak (primer)
geadviseerd. Bij beschadiging van een kunststof oppervlak moet u een hechtprimer
gebruiken voor betere resultaten - spuit het
middel in de dop van de spuitbus uit en
breng het met een kwastje dun op.
ONDERHOUD EN SERVICE
2.
Vóór het lakken kunt u zo nodig (bij ongelijkmatige randen bijvoorbeeld) plaatselijk licht
schuren met zeer fijn schuurlinnen. Reinig
het gebied zorgvuldig en laat het goed drogen.
3.
Roer de grondlak (primer) goed om en breng
deze met een fijn kwastje of een lucifer of
iets dergelijks op. Dek het geheel af met
basislak en heldere lak, wanneer de grondlak
droog is.
4.
Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
N.B.
Als de steenslag niet tot het metalen oppervlak (blanke plaat) is doorgedrongen en er
nog steeds een intacte laklaag aanwezig is,
moet u de basislak en heldere lak direct aanbrengen nadat u het oppervlak hebt gereinigd.
Gerelateerde informatie
•
Roestwering (p. 412)
415
SPECIFICATIES
SPECIFICATIES
Typeaanduidingen
Typeaanduiding, chassisnummer enzovoort
(autospecifieke informatie) staan aangegeven op
een sticker in de auto.
418
SPECIFICATIES
Positie van stickers en plaatjes
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen of
}}
419
SPECIFICATIES
||
accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om
de typeaanduiding, het chassisnummer en het
motornummer bij de hand te hebben.
N.B.
De in de gebruikershandleiding afgebeelde
stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw auto
aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn alleen
bedoeld om aan te geven hoe de stickers er
in grote lijnen uitzien en waar ze ongeveer zitten. Op de stickers van de auto vindt u de
informatie die op uw auto van toepassing is.
Sticker voor typeaanduiding, chassisnummer,
maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcode voor
lakwerk en typegoedkeuringsnummer. De
sticker zit op de portierstijl en wordt bij het
openen van het rechter achterportier zichtbaar.
Sticker voor A/C-systeem.
Sticker voor standverwarming.
Sticker voor motorcode en serienummer van
de motor.
Sticker voor motorolie.
Sticker voor typeaanduiding en serienummer
van de versnellingsbak.
Sticker voor het identificatienummer van de
auto – VIN (Vehicle Identification Number).
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
420
Gerelateerde informatie
•
•
•
Gewichten (p. 422)
Motorspecificaties (p. 424)
Specificaties voor airconditioning (p. 432)
SPECIFICATIES
Maten
In de tabel ziet u de maten van de auto wat de
lengte, hoogte enzovoort betreft.
Maten
mm
Maten
mm
A
Wielbasis
2776
G
Spoorbreedte vooras
1578
B
Lengte
4635
H
Spoorbreedte achteras
1575
C
Laadlengte, vloer, achterbank
neergeklapt
I
Laadbreedte, vloer
1082
1749
J
Breedte
1866
K
Breedte incl. buitenspiegels
2097
L
Breedte incl. ingeklapte buitenspiegels
1899
D
Laadlengte, vloer
E
Hoogte
F
Laadhoogte
978
1484
592
421
SPECIFICATIES
Gewichten
Het maximale totaalgewicht staat aangegeven
op een sticker in de auto.
Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het
gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90% gevuld is en dat van de resterende oliën/vloeistoffen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk
(p. 423) (bij gebruik van een aanhanger) zijn van
invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht –
rijklaar gewicht.
N.B.
Het gedocumenteerde rijklare gewicht geldt
voor een auto in de basisuitvoering, dus een
auto zonder extra uitrusting of opties. Dat
houdt in dat voor elke optie die wordt toegevoegd, de laadcapaciteit van de auto met het
gewicht van de optie afneemt.
Voorbeelden van opties die de laadcapaciteit
verminderen zijn de onderdelen voor de verschillende uitvoeringen (zoals Kinetic/
Momentum/Summum) en andere opties
zoals: trekhaak, lastdrager, dakbox, audiosysteem, verstralers, gps-navigatie, verwarming
op brandstof, veiligheidsrek, matten, bagagerolhoes, elektrisch bedienbare stoelen et
cetera.
Voor informatie over de positie van de sticker, zie
Typeaanduidingen (p. 418).
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
De auto wegen is een betrouwbare methode
om na te gaan wat het rijklare gewicht van uw
auto is.
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
WAARSCHUWING
Het rijgedrag van de auto verandert door hoe
zwaar de auto beladen is en hoe de lading is
geplaatst.
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 75 kg.
Gerelateerde informatie
•
•
422
Trekgewicht en kogeldruk (p. 423)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 434)
SPECIFICATIES
Trekgewicht en kogeldruk
Het trekgewicht en de kogeldruk voor het rijden
met een aanhanger staan in de tabellen.
Max. gewicht geremde aanhanger
Motor
MotorcodeA
Versnellingsbak
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
D5 AWD
D87PHEV
Automaat, TF-80SD
1800
90
D6 AWD
D97PHEV
Automaat, TF-80SD
1800
90
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Typeaanduidingen (p. 418).
A
Max. gewicht ongeremde aanhanger
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
750
50
Gerelateerde informatie
•
•
•
Gewichten (p. 422)
Rijden met een aanhanger* (p. 322)
Trailer Stability Assist (TSA) (p. 328)
* Optie/accessoire. 423
SPECIFICATIES
Motorspecificaties
De motorspecificaties (vermogen enzovoort)
voor de verschillende motoralternatieven staan in
de tabel.
Dieselmotor
Motor
Vermogen
Vermogen
Koppel
(kW bij omw/min)
(pk bij omw/min)
(Nm bij omw/min)
MotorcodeA
Cilinderboring
Slaglengte
Cilinderinhoud
(mm)
(mm)
(liter)
Compressieverhouding
D5 AWD
D87PHEV
120/4000
163/4000
420/1500–2500
5
81,0
93,2
2,400
16,5:1
D6 AWD
D97PHEV
162/4000
220/4000
440/1500–3000
5
81,0
93,2
2,400
16,5:1
A
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Typeaanduidingen (p. 418).
Gerelateerde informatie
424
Aantal
cilinders
•
Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 428)
•
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p. 427)
SPECIFICATIES
Motorspecificaties - Elektrische
aandrijving
Motorolie - ongunstige
rijomstandigheden
De V60 Twin Engine wordt deels aangedreven
door een dieselmotor en deels door een elektrische aandrijving (ERAD – Electric Rear Axle
Drive).
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden van
ongunstige rijomstandigheden.
Max. vermogen: 50 kW (70 pk).
Controleer het oliepeil (p. 374) vaker tijdens langere ritten:
Koppel: 200 Nm.
Gerelateerde informatie
•
Motorspecificaties (p. 424)
•
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C.
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere ritten
bij lage temperaturen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige
rijomstandigheden. Ze bieden de motor extra
bescherming.
Volvo adviseert:
}}
425
SPECIFICATIES
||
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De
oliesoort werd met grote zorg geselecteerd
lettend op de levensduur van de motor, de
startgewilligheid, het brandstofverbruik en de
milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit
en dat zowel bij het bijvullen als bij verversen
van olie. Een negatieve invloed op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het
brandstofverbruik en de milieu-impact is
anders niet uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende Volvowerkplaats te laten verversen.
Gerelateerde informatie
•
•
426
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p. 427)
Motorolie - algemeen (p. 373)
SPECIFICATIES
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid
De motoroliekwaliteit en de te hanteren hoeveelheden voor de verschillende motoralternatieven
staan in de tabel.
Volvo adviseert:
Motor
MotorcodeA
Oliekwaliteit
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
A
D5 AWD
D87PHEV
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca. 5,9
D6 AWD
D97PHEV
Viscositeit: SAE 0W-30
ca. 5,9
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Typeaanduidingen (p. 418).
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 425)
•
Motorolie - controleren en bijvullen (p. 374)
427
SPECIFICATIES
Koelvloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
In de tabel ziet u de aan te houden hoeveelheid
koelvloeistof voor de verschillende motortypes.
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50% water1, zie
verpakking.
Motor
Hoeveelheid
(liter)
D5 AWD
12,9
D6 AWD
12,9
Gerelateerde informatie
•
1
428
Koelvloeistof - peil (p. 375)
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
SPECIFICATIES
Transmissieolie - kwaliteit en
hoeveelheid
De voorgeschreven transmissieolie en de hoeveelheid voor de verschillende versnellingsbakopties staan in de tabel.
Automatische versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
TF-80SD
Hoeveelheid (liter)
ca. 7,0
Voorgeschreven versnellingsbakolie
AW1
N.B.
In normale rijomstandigheden hoeft de transmissie-olie niet te worden ververst. Onder
ongunstige rijomstandigheden moet de olie
mogelijk wel worden ververst.
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 425)
•
Typeaanduidingen (p. 418)
429
SPECIFICATIES
Remvloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
Stuurbekrachtigingsvloeistof kwaliteit
Remvloeistof is de naam van het middel in een
hydraulisch remsysteem, dat wordt gebruikt om
druk uit een hoofdremcilinder over te brengen
op mechanisch bediende remmen.
Stuurbekrachtigingsvloeistof is de naam van het
middel dat in het stuurbekrachtigingssysteem
van de auto wordt gebruikt.
Voorgeschreven kwaliteit: Volvo Original
DOT 4 klasse 6 of een vergelijkbare kwaliteit.
Hoeveelheid: 0,6 liter
Gerelateerde informatie
•
430
Rem- en koppelingsvloeistof - peil (p. 377)
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen stuurbekrachtigingsvloeistof.
Gerelateerde informatie
•
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil (p. 377)
SPECIFICATIES
Brandstoftank - inhoud
De inhoud van de brandstof voor de verschillende motoralternatieven staat in de tabel.
Motor
Alle
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven kwaliteit
ca. 45
Brandstof - diesel (p. 305)
Gerelateerde informatie
•
•
Brandstof tanken (p. 303)
Motorspecificaties (p. 424)
431
SPECIFICATIES
Specificaties voor airconditioning
Sticker voor R1234yf
Lampje
De klimaatregeling van de auto maakt, afhankelijk van de markt, gebruik van het koudemiddel
R1234yf of R134a. Op een sticker aan de binnenkant van de motorkap staat informatie over
het koudemiddel dat in de klimaatregeling van
de auto zit.
In de onderstaande tabellen ziet u welke kwaliteit
vloeistoffen en smeermiddelen er in het aircosysteem zitten en in welke hoeveelheden.
A/C-sticker
Sticker voor R134a
Betekenis
Onderhoud aan de mobiele airco
(MAC) is voorbehouden aan een
bevoegd onderhoudsmonteur
Brandbaar koudemiddel
De sticker zit aan de binnenkant van de motorkap.
Koudemiddel
Toelichting symbolen R1234yf
Auto's met koudemiddel R134a
Lampje
Betekenis
Voorzichtigheid betrachten
Gewicht
880 g
Voorgeschreven kwaliteit
R134a
WAARSCHUWING
Mobiele airco (MAC)
De sticker zit aan de binnenkant van de motorkap.
432
Type smeermiddel
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk. Service en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend worden
uitgevoerd door een erkende werkplaats.
SPECIFICATIES
Auto's met koudemiddel R1234yf
Gewicht
825 g
Gerelateerde informatie
Voorgeschreven kwaliteit
•
Klimaatregeling - storingen opsporen en verhelpen (p. 378)
R1234yf
•
Typeaanduidingen (p. 418)
WAARSCHUWING
In de airco-installatie zit koudemiddel
R1234yf onder druk. Conform de SAE-norm
J2845 (“Technician Training for Safe Service
and Containment of Refrigerants Used in
Mobile A/C System”) mogen service en reparatie aan het koudemiddelsysteem alleen worden uitgevoerd door een daartoe bekwaam en
bevoegd technicus om de veiligheid van het
systeem te garanderen.
Compressorolie
Hoeveelheid
140 ml
Voorgeschreven kwaliteit
PAG SP-A2
Verdamper
BELANGRIJK
Het is niet toegestaan de aircocondensor te
repareren of te vervangen door een gebruikte
condensor. De nieuwe condensor moet conform de SAE-norm J2842 zijn gekeurd en
gemerkt.
433
SPECIFICATIES
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
N.B.
Combinatierit
Het brandstofverbruik voor een auto wordt
gemeten in liter per 100 km en de CO2-uitstoot
in gram CO2 per km.
Automatische versnellingsbak
Uitleg
("theoretisch") mogelijke actieradius op accu uitgedrukt in km
Als de gegevens over brandstofverbruik en
emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement.
gram CO2/km
liter/100 km
A
D5 AWD (D87PHEV)
48
1,8
50A
D6 AWD (D97PHEV)
48
1,8
50A
Rijmodus PURE
N.B.
De capaciteit van de hybride accu neemt na
verloop van tijd en met het gebruik af, hetgeen kan resulteren in een verhoogd gebruik
van de verbrandingsmotor met verhoogd
brandstofverbruik en verminderde actieradius
bij elektrische aandrijving als gevolg.
434
De waarden in de bovenstaande tabel voor
brandstofverbruik, emissie en actieradius op
stroom zijn gebaseerd op speciale EU-rijcycli (zie
onder), die gelden voor een auto met rijklaar
gewicht in standaarduitvoering zonder extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting neemt het
autogewicht toe. Dit alsook de mate van belading
van de auto zorgt voor een verhoging van het
brandstofverbruik en de uitstoot van kooldioxide
en beperkt de actieradius op stroom.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor een
verhoogd brandstofverbruik en een kleinere
actieradius op accu ten opzichte van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken aan factoren als:
SPECIFICATIES
•
Als de auto niet regelmatig wordt opgeladen
via het stroomnet.
•
Als de auto wordt uitgerust met extra accessoires die het gewicht van de auto verhogen.
•
•
Uw rijstijl.
•
De grotere luchtweerstand bij hogere snelheden.
•
De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de
staat van de auto.
De grotere rolweerstand als u kiest voor
andere wielen dan de standaardwielen op de
basisuitvoering van het model.
Een combinatie van de bovengenoemde factoren
kan een aanzienlijk hoger verbruik opleveren.
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik
mogelijk bij een vergelijking met de EU-rijcycli
(zie onder) die gehanteerd worden bij certificering van de auto en waarop de verbruikscijfers in
de tabel gebaseerd zijn. Raadpleeg voor meer
informatie de richtlijnen waar eerder aan gerefereerd werd.
N.B.
Extreme weersomstandigheden, een aangekoppelde aanhanger/caravan of ritten op
grote hoogte zijn, in combinatie met de
brandstofkwaliteit, factoren die het brandstofverbruik aanzienlijk kunnen doen toenemen.
EU-rijcycli
De officiële brandstofverbruikscijfers en actieradius op accu zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu ("EU-rijcycli"), alles conform EU Regulation no 692/2008,
715/2007 (Euro 5 / Euro 6) alsmede UN ECE
Regulation no 101. Aangezien de rijcycli ook
worden gebruikt in het kader van de kwaliteitscontrole worden er hoge eisen gesteld aan de
herhaalbaarheid van de tests. Daarom worden de
tests zorgvuldig gecontroleerd en alleen uitgevoerd voor de basisfuncties van de auto (bijvoorbeeld met gedeactiveerde airconditioning, radio
et cetera). Als gevolg hiervan zijn de resultaten
van de officiële cijfers niet vanzelfsprekend representatief voor wat klanten ervaren bij daadwerkelijk gebruik van de auto.
combinatie van de rijcycli "Stadsverkeer" en
"Snelwegrit".
Om de kooldioxide-emissie (CO2-uitstoot) tijdens
de twee rijcycli te berekenen worden de uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens
geanalyseerd en leiden tot de gespecificeerde
waarde voor de CO2-uitstoot.
Gerelateerde informatie
•
Gewichten (p. 422)
Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli "Stadsverkeer" en "Snelwegrit":
•
Stadsverkeer - De meting begint met een
koude start van de motor. Het betreft hier
een gesimuleerde rit.
•
Snelwegrit - de auto moet optrekken en
afremmen bij snelheden van 0–120 km/h
(0–75 mph). Het betreft hier een gesimuleerde rit.
Bij auto's met een handgeschakelde versnellingsbak geldt de 2e versnelling als wegrijversnelling.
De officiële waarde voor combinatierit, die in de
tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een
435
SPECIFICATIES
Wielen en banden - goedgekeurde
maten
In bepaalde landen staan niet alle goedgekeurde
maten aangegeven op de typegoedkeuring of
Motor
436
Voor informatie over de minimaal toelaatbare lastindex (LI) en snelheidsklasse (SS), zie Lastindex
en snelheidsklasse (p. 437).
✓ = Goedgekeurd
handb./
235/45 R 17
235/45 R 18
235/40 R 19
autom.
8Jx17x55
8Jx18x55
8Jx19x55
D5 AWD
D87PHEV
autom.
✓
✓
✓
D6 AWD
D97PHEV
autom.
✓
✓
✓
Gerelateerde informatie
•
•
andere autopapieren. In de onderstaande tabel
staan alle goedgekeurde velg- en bandcombinaties.
Banden - maten (p. 335)
Wiel- en velgmaten (p. 335)
SPECIFICATIES
Lastindex en snelheidsklasse
In de onderstaande tabel staan de minimaal toelaatbare lastindex (LI) en snelheidsklasse (SS).
Motor
A
B
Voor het juiste gebruik van de tabel zijn gegevens over de motor, de voorwielaandrijving
(FWD) of vierwielaandrijving (AWD) alsook het
type versnellingsbak vereist. Voor meer informatie over deze gegevens, zie Typeaanduidingen
(p. 418).
handb./
autom.
Minimaal toelaatbare lastindex (LI)A
Minimaal toelaatbare snelheidsklasse (SS)B
D5 AWD
D87PHEV
autom.
96
V
D6 AWD
D97PHEV
autom.
96
V
De lastindex van de band dient groter dan of minimaal gelijk te zijn aan de tabelwaarde.
De snelheidsklasse van de band dient groter dan of minimaal gelijk te zijn aan de tabelwaarde.
Gerelateerde informatie
•
Wielen en banden - goedgekeurde maten
(p. 436)
•
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 438)
•
•
•
•
Banden - maten (p. 335)
Wiel- en velgmaten (p. 335)
Banden - lastindex (p. 336)
Banden - snelheidsklassen (p. 336)
437
SPECIFICATIES
Banden - goedgekeurde
bandenspanning
De goedgekeurde bandenspanningen voor de
verschillende motoralternatieven staan in de
tabel.
Motor
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)
D5 AWD (D87PHEV)
D6 AWD (D97PHEV)
235/45 R 17
235/45 R 18
235/40 R 19
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
C
D
E
•
•
•
438
Wielen en banden - goedgekeurde maten
(p. 436)
Banden - maten (p. 335)
Banden - bandenspanning (p. 334)
Typeaanduidingen (p. 418)
Max. belading
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
0 – 160C
280
280
280
280
280
160+D
280
280
320
320
-
max. 80E
420
420
420
420
-
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
0 – 100 mph
100+ mph
max. 50 mph
Gerelateerde informatie
•
Belading, 1–3 inzittenden
SPECIFICATIES
Hybride-accu - specificatie
De hybride-accu (accu voor aandrijfmotor) wordt
gebruikt om de elektromotor bij ritten in de elektrische stand aan te drijven.
Soort: Lithiumion
Energiecapaciteit: 11,2 kWh.
Gerelateerde informatie
•
•
Opladen hybride-accu (p. 310)
Opladen hybride-accu - voorbereidingen
(p. 312)
439
ALFABETISCH REGISTER
A
Aanbevolen kinderzitjes
tabel
49
ALFABETISCH REGISTER
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Kompas
115
Actieradius
bij elektrische aandrijving
434
103
Aandrijving
277
Actieve xenonkoplampen
Aanhanger
kabel
pendelbeweging
rijden met een aanhanger
322
322
328
322
Adaptieve bochtverlichting
103
Adaptieve cruisecontrol
functie
inhalen
overzicht
Radarsensor
snelheid instellen
stand-bystand
Storingzoeken
tijdelijk deactiveren
uitschakelen
volgtijd instellen
213
214
219
215
225
216
218
222
218
220
218
Aanrijding
46
aanzuiging, uitlaatgassen, giftig
300
Aardlekschakelaar
317
ACC - Adaptieve cruisecontrol
213
Accu
hybride
starten met hulpaccu
394
276
Achterbank
elektrische verwarming
140
Achterklep
vergrendelen/ontgrendelen
190
Achterlichten
positie
385
Achterruit
elektrische verwarming
114
Achteruitkijkspiegel
autodimfunctie
114
115
Airbagsysteem
waarschuwingssymbool
36
36
Airconditioning
142
Airconditioning, vloeistof
hoeveelheid en kwaliteit
432
alarm
alarm controleren
alarmindicatie
alarmsignalen
beperkt alarmniveau
194, 195, 196
176
195
196
196
Alarm
automatische herinschakeling
transpondersleutel defect
195
195
Alarmlichten
105
All Wheel Drive (vierwielaandrijving)
288
Antislipregeling
198
Antispin
Afneembare trekhaak
opbergen
324
Approach-verlichting
Afsluitbare wielbouten
337
Automatische hervergrendeling
198
108, 174
187
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie
366
Automatische schakelblokkering deactiveren
287
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS
bestuurderszijde
passagierszijde
Automatische versnellingsbak
285
aanhanger
323
handmatige schakelstanden (Geartronic)
286
AIRBAG
40
38
38, 40
38
Automatische wasstraat
409
Automatisch groot licht
100
441
ALFABETISCH REGISTER
Auto met internetaansluiting
afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie
366
Auto opnemen
369
Bandenmaat
Autosleutelgeheugen
171
Autoverzorging
Leren bekleding
409
413
AWD, vierwielaandrijving
288
Bandenspanningscontrolesysteem
activeren
adviezen
deactiveren
Instellen
lage bandenspanning
runflat-banden (SST)
B
Bagageafdekking
168
Bagagerek
167
Bagageruimte
bagageafdekking
bagagenet
bevestigingspunten
koelvloeistof
Verlichting
168
166
165
394
107
Banden
band afdichten
bandenspanningscontrole
draairichting
maten
onderhoud
profieldiepte
slijtage-indicator
442
356
345, 347
333
436
332
337
334
spanning
specificaties
Winterbanden
334, 438
436, 437, 438
337
335
345, 347
347
348
347
346
348
349
Bandenspanningstabel
334
Batterij
onderhoud
StartSymbolen op de accu
transpondersleutel/PCC
Waarschuwingssymbolen
390
390
391
180
391
Bedrijfsrem
289, 292
Brandstof
aanduiding
brandstofbesparing
brandstoffilter
brandstofverbruik
Brandstoftank
inhoud
431
Buitenmaten
421
Buitenspiegels
autodimfunctie
elektrische verwarming
elektrisch inklapbaar
resetten
112
113
114
113
113
Buitentemperatuurmeter
Camerasensor
Bekleding
412
Bergen
330
Claxon
BLIS
Clean Zone Interior Package (CZIP)
118
248, 249
Bochtverlichting
103
Boordcomputer
123, 125, 129
Botsing, zie Aanrijding
46
81
C
City Safety™
Beveiliging tegen overbelasting, schuifdak
304, 305
305
334
307
434
CO2-uitstoot
Collision Warning
algemene beperkingen
bediening
Radarsensor
232, 244
230
95
134
434
237, 238
243
241
225, 230
ALFABETISCH REGISTER
voetgangersdetectie
werking
240
238
Diesel
brandstofgebrek
307
Collision Warning met Auto Brake
237
Dieselolie
305
Compact reservewiel
338
Display regeleenheid
315
409
132
Distance Alert
Beperkingen
Symbolen en meldingen
209
210
212
409
Doorluchtfunctie
Condens
Condens in koplamp
ruiten ontdoen van Condens in koplamp
Controlesymbolen
76, 78
132, 189
Doorsteekluik
164
Corner Traction Control
199
Doorwaaddiepte
298
Cruisecontrol
ingestelde snelheid hervatten
snelheid instellen
tijdelijk deactiveren
uitschakelen
206
208
207
208
209
Draairichting
333
Driver Alert Control
bediening
256
257
Driver Alert System
256
CTA
250
CZIP (Clear Zone Interior Package)
134
E
ECC, elektronische klimaatregeling
D
Dagrijlicht
Dagteller op nul stellen
Dagtellers
EcoGuide
98
126
81, 123
Dakbelasting, max. gewicht
422
Dashboardkastje
vergrendelen
160
189
116
Elektrische aandrijfmotor
specificaties
425
Elektrische aansluiting
bagageruimte
161
165
Elektrische parkeerrem
lage accuspanning
293
Elektrische verwarming
Achterruit
spiegels
Stoelen en achterbank
stuurwiel
114
114
139, 140
95
Elektrisch inklapbare buitenspiegels
113
Elektrisch systeem
394
Elektronische klimaatregeling, ECC
138
Elektronische startblokkering
173
Etiketten
418
138
77
Eerste hulp
344
EHBO-kit
344
Elektrisch bedienbare ruiten
resetten
111
112
Elektrisch bedienbare stoel
90
Elektrisch bedienbare zijruiten resetten
Elektrisch bediend schuifdak
112
F
Fietserdetectie
239
Follow Me Home-verlichting
108
Foutmeldingen
Adaptieve cruisecontrol
Driver Alert Control
zie Meldingen en symbolen
223
258
223, 294
443
ALFABETISCH REGISTER
Foutmeldingen BLIS
FSC, milieulabel
252
26
G
Geartronic
286
286
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links
auto met stuur rechts
Hill Start Assist
288
Instrumentenpaneel
Hogedruksproeiers koplampen
110
Interieurluchtfilter
134
Hoge motortemperatuur
299
Interieurverlichting
automatische functie
106
107
Interior Air Quality System (IAQS)
luchtreiniging
134
134
Intervalfunctie wisser
109
H
Handmatige schakelstanden (Geartronic)
Hoofdsteun
inklappen
middelste zitplaats achterbank
Geheugenfunctie stoel
90
Gelaagd glas
26
Gereedschap
343
Hoogte lichtbundel koplampen aanpassen
Gevarendriehoek
342
Gewichten
rijklaar gewicht
422
Hybride-accu
opladen
specificaties
Gladde wegen
301
Hybrid Guide
Gladheid
301
Glazen
gelaagd/versterkt
gloeilampen, specificaties
26
386
Gordelspanners
35
Gordelwaarschuwing
35
Groot licht, automatische activering
Groot licht/dimlicht
100
99
97
394
310
439
77
I
Kachel
elektrisch
op brandstof
154
154
309
329
134
Katalysator
Bergen
In de was zetten
411
Keuzehendelblokkering
Informatiedisplay
73
73
K
IAQS - Interior Air Quality System
Keyless Drive
287
182, 183, 184, 185, 186, 274
Informatietoets, PCC
176
Keyless - ontgrendelen
184
Inlegmatten
161
Keyless - vergrendelen
184
Kilometerstand
123
Instructieboekje, milieulabel
Instrumenten, schakelaars en bediening
444
92, 94
91
66
69
26
66, 69
Kinderen
kinderslot
kinderzitje en airbag
47
55
ALFABETISCH REGISTER
kinderzitje en SIPS-airbag
plaats in de auto
veiligheid
Kinderslot
41
55
47
192, 193
Kinderveiligheidszitje
aanbevolen
afmetingscategorieën voor kinderzitjes
met ISOFIX-bevestigingssysteem
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes
types
47
49
60
63
61
Kinderzitje
geïntegreerde zittingverhoger met twee
standen
56
ISOFIX-systeem voor kinderzitjes
59
Kleurcode, lak
414
Klimaat
algemene informatie
automatische regeling
persoonlijke instellingen
sensoren
temperatuurregeling
werkelijke temperatuur
132
141
135
133
141
133
Klimaatregeling
reparatie
378
Klok, instellen
Koelsysteem
oververhitting
82
299
299
Koelvloeistof
hoeveelheid en kwaliteit
428
Lampen
Koelvloeistof, controleren en bijvullen
motorruimte
375
Kompas
kalibreren
115
115
Koplampen
380
379
Lane Departure Warning -(LDW)
259, 260
Langdurig stallen
321
Lasersensor
234
Lastindex
336
Lekke band
356
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften
413
45
Lichtbundel, aanpassen
104
Koudemiddel
378
Lichtbundel aanpassen
104
Krik
343
Lichtbundel koplampen
aanpassen
hoogteregeling
104
97
Lichtbundel koplampen aanpassen
104
Lichtsignalen, PCC
176
Koprolbescherming
ROPS (Roll Over Protection System)
L
Laadkabel
regeleenheid
313
313
Laadstroom
311
Laag oliepeil
374
Lading vervoeren
algemene informatie
bagageruimte
lading op het dak
lange lading
163
163
164
164
Lak
kleurcode
lakschade en herstel ervan
414
414
Luchtreiniging
materiaal
passagiersruimte
Luchtverdeling
recirculatie
tabel
135
133, 134, 135
136
143
144
M
Make-upspiegel
verlichting
161
107
Maten
421
445
ALFABETISCH REGISTER
Max. dakbelasting
422
Meldingen BLIS
252
Meldingen en symbolen
Adaptieve cruisecontrol
Collision Warning with Auto
Brake
Driver Alert Control
Lane Departure Warning
236, 246
258
262
Meldingen op het informatiedisplay
120
Meldingsfuncties
121
Menufuncties
Instrumentenpaneel
menu-overzicht
119
119
Meters
brandstofmeter
snelheidsmeter
toerenteller
Middenconsole
Milieulabel, FSC, instructieboekje
Mistverlichting
achter
446
223
74
74
74
Motorolie
filter
kwaliteit en hoeveelheid
ongunstige rijomstandigheden
Motorolie, bijvullen
373, 425
373
427
425
374
O
Motorremregeling
199
Olie, zie ook Motorolie
Motorruimte
controleren
koelvloeistof
Motorolie
overzicht
remvloeistof
stuurservo-olie
372
375
373
371
377
377
Motorspecificaties
424, 425
MY CAR
104
121
Motor
oververhitting
starten
uitschakelen
299
274
275
Motor afzetten
275
Motorkap, openen
371
N
Noodreparatieset banden
Noodreparatieset voor banden
band oppompen
overzicht
positie
resultaat controleren
uitvoering
344
342
374
Motoroliepeil controleren
160
26
Nooduitrusting
EHBO-kit
gevarendriehoek
356
362
357
356
360
358
425, 427
Onderhoud
roestwering
412
Ontgrendelen
van de binnenzijde
van de buitenzijde
188
186
Ontgrendelen met sleutelblad
185
Ontwaseming
142
Op afstand bediende startblokkering
174
Opbergmogelijkheden passagiersruimte
158
Opbergmogelijkheid
dashboardkastje
tunnelconsole
160
160
Opblaasgordijn
42
Op een helling parkeren
155
Opladen
opladen beëindigen
opladen starten
312
319
317
Optie/accessoire
Oververhitting
17
299, 322
ALFABETISCH REGISTER
direct uitschakelen
meldingen en symbolen
timer
P
PACOS
Paniekfunctie
Park Assist
aan achterzijde
functie
sensoren voor Park Assist
storingsindicatie
40
174
263, 265
265
263
267
266
Parkeerhulpcamera
Instellingen
267
270
Parkeerrem
293
Partikelfilter
308
149
152
150
Privacy locking
179
Profieldiepte
337
Q
Queue Assist
220
R
Passief startsysteem (Keyless Drive) 182,
183, 184, 185, 186, 274
Radarsensor
Beperkingen
214
225
PCC, Personal Car Communicator
Actieradius
functies
Regeleenheid
317
Regeneratie
308
Regensensor
109
Reinigen
Automatische wasstraat
bekleding
veiligheidsgordels
Velgen
wasstraat
409
412
413
410
409
Remlichten
105
Peilstok, elektronisch
177, 182
174
374
Personal Car Communicator
177
Poetsen
411
Positie buitenspiegels herstellen
113
Preconditioning
algemene informatie
binnen parkeren
buiten parkeren
directe start
146
147
147
148
Remmen
antiblokkeerremsysteem, ABS
289, 292
292
parkeerrem
293
remkrachtverhoging bij noodstops, EBA 292
Remlichten
105
remsysteem
289, 292
remvloeistof bijvullen
377
symbolen op instrumentenpaneel
290
Remvloeistof
kwaliteit en hoeveelheid
377
430
Reservewiel
monteren
341
Resetten dagteller
126
Richtingaanwijzer
106
Richtingaanwijzers
106
Rijadviezen
300
Rijbaanassistent
bediening
220
260, 261
Rijden
koelsysteem
met geopende achterklep
300
299
300
Rijden met een aanhanger
kogeldruk
trekgewicht
322
423
423
Rijden tijdens de winter
301
Rijeigenschappen aanpassen
198
Rijklaar gewicht
422
Rijstatistiek
280
Ritstatistiek
129
447
ALFABETISCH REGISTER
Roestwering
412
Roetfilter dieselmotor
308
ROETFILTER VOL
308
ROPS (Roll Over Protection System)
45
Rugleuning
achterbank, omklappen
voorstoel, omklappen
89
92
89
Ruiten en spiegels
411
Ruitenwisser voor
Regensensor
108
109
Runflat-banden
349
Runflat-banden (SST-banden, Self Supporting Tyres)
349
S
Safelock-functie
deactiveren
tijdelijk deactiveren
Safety mode
auto verrijden
startpoging
Schakelblokkering, mechanische vrijgave
Schuifdak
Beveiliging tegen overbelasting
openen en sluiten
Ventilatiestand
Zonnescherm
Sensus
46
47
46
287
Schakelindicatie (GSI)
284
Schakelindicator
284
114
Spiegels
buiten-
112
Spin control
198
Sproeien voorruit
110
Sproeier
Achterruit
sproeiervloeistof, bijvullen
Voorruit
110
389
110
329
Sproeiervloeistof
389
329
329
Sproeikoppen, verwarmd
86
Serviceprogramma
366
Servicestand
387
Sfeerverlichting
107
SIPS-airbag
Sleepoog
Slepen
sleepoog
41
Sleutel
170, 172
Sleutelblad
177, 178
Sleutelstanden
191
191
192
Spiegel
achteruitkijk-
118
116
117
118
Slijtage-indicator
Slot
kinderSnelheidsbegrenzer
alarm overschrijding snelheid
beknopte bedieningsinstructies
tijdelijk deactiveren
uitschakelen
Snelheidsklassen, banden
87
334
203
205
203, 204
204
206
336
199
stabiliteitsregeling
198
Stadslicht
Startaccu
overbelasting
vervangen
98
280
276, 300, 390
300
392
Startblokkering
173
Starten met hulpaccu
276
Steenslagplekken en krassen
414
Stickers
418
Stoel, zie Stoelen en achterbank
448
198, 201
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
bediening
Start/Stop-systeem
47
110
Stabiliteits- en tractieregeling
89
ALFABETISCH REGISTER
Stoelen en achterbank
89
elektrisch bediend
90
elektrische verwarming
139, 140
Hoofdsteunen achterbank
91
Ruggedeelte(n) achterbank neerklappen
92
ruggedeelte(n) achterbank vooroverklappen
89
Stoffen die allergieën en/of astma kunnen
verwekken
134
Storingsdiagnose van camerasensor
233
Storingsmeldingen
Lane Departure Warning
262
Storingzoeken
Adaptieve cruisecontrol
Symbolen
Controlesymbolen
Waarschuwingssymbolen
Symbolen en meldingen
Adaptieve cruisecontrol
Collision Warning with Auto
Brake
Driver Alert Control
Lane Departure Warning
Totaalgewicht
76, 78
76
223
236, 246
258
262
T
222
Tanken
Bijvullen
Tankdop
tankklep
tankvulklep, handmatig openen
303
303
302
303
Stuurbekrachtigingsvloeistof
kwaliteit
niveauregeling
430
377
Stuurkracht, snelheidsafhankelijk
198
Temperatuur
werkelijke temperatuur
133
Stuurkrachtniveau, zie Stuurkracht
198
Temperatuurregeling
141
Stuurslotfout
275
94
95
94
95
Timer
instellen
preconditioning
starten
uitschakelen
Stuurwiel afstellen
94
Toeteren
95
Support
16
Toetsensets op stuurwiel
95
Stuurwiel
elektrische verwarming
Stuur afstellen
Toetsenset
150
150
151
151
422
TPMS - Tyre Pressure Monitoring System
345, 347
Traction Control
Trailer Stability Assist
Transponder
Transpondersleutel
Actieradius
afneembaar sleutelblad
batterij vervangen
functies
zoekgeraakt
198
199, 328
21
170, 171, 172
175, 182
177, 178
180
174
170
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring
196
Trekgewicht en kogeldruk
423
Trekhaak
afneembaar, aanbrengen
afneembaar, verwijderen
specificaties
324
326
327
325
Trekhaak, zie Trekinrichting
324
Trekhaak - afneembaar
monteren/demonteren
Trillingsdemper
TSA, Trailer Stability Assist
Tunnelconsole
12V-aansluiting
aansteker en asbak
326, 327
324
199, 328
161
160
449
ALFABETISCH REGISTER
Tunneldetectie
Typeaanduidingen
Typegoedkeuring
bandenspanningscontrole
radarsysteem
transpondersleutelsysteem
99
Ventilatie
136
418
Ventilator
ECC
140
Vergrendelen/ontgrendelen
achterklep
binnenzijde
dashboardkastje
190
188
189
Vergrendeling
handmatig vergrendelen
ontgrendelen
vergrendelen
187
186, 188
186
Vergrendelingsindicatie
172, 173
Verkeersbordinformatie
bediening
Beperkingen
253
253
255
350
227
196
U
Uitstoot van kooldioxide
434
V
450
V60 Twin Engine
inleiding
overzicht
29
27
Veiligheidsgordel
Achterbank
gordelspanner
gordelwaarschuwing
losnemen
omdoen
zwangerschap
32
35
35
35
34
33
34
Veiligheidsrek
167
Velg, maten
335
Velgen
Reinigen
410
Verlichting
actieve xenonkoplampen
103
adaptieve bochtverlichting
103
Approach-verlichting
108, 174
automatische verlichting, interieur
107
automatisch groot licht
100
Bedieningselementen
96, 106
bochtverlichting
103
dagrijlicht
98
Follow Me Home-verlichting
108
gloeilampen, specificaties
386
groot licht/dimlicht
99
in interieur
106
Koplamphoogteregeling
97
mistachterlicht
Stadslicht
tunneldetectie
Verlichting display
Verlichting instrumentenpaneel
verlichting van bedieningselementen
Verlichting, gloeilampen vervangen
achterlamphuis
bagageruimte
kentekenplaatverlichting
make-upspiegel
richtingaanwijzers, voor
104
98
99
97
97
97
379
384
385
385
386
383
Verlichting, lamp vervangen
dimlicht (auto's met halogeenkoplampen)
381
groot licht (auto's met actieve xenonkoplampen)
383
groot licht (auto's met halogeenkoplampen)
382
Verlichting display
97
Verlichting instrumentenpaneel
97
Verlichtingsbediening
96
Verlichting van bedieningselementen
97
Vermogen
elektromotor
424
425
Versnellingsbak
automaat
284
285
ALFABETISCH REGISTER
Versnellingsbakolie
hoeveelheid en kwaliteit
429
Verwarmde sproeikoppen
110
Verwarming op brandstof
automatische stand
deactiveren
op een helling parkeren
startaccu en brandstof
tanken
154
155
155
155
155
155
Verwarming op stroom
154
Vierwielaandrijving, AWD
288
Vlekken
412
W
Waarschuwingsgeluid
Collision Warning
241
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol
Collision Warning
stabiliteits- en tractieregeling
214
241
198
Vloeistoffen, hoeveelheden
389, 428,
429, 430, 431, 432
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)
gordelwaarschuwing
parkeerrem ingeschakeld
startaccu wordt niet opgeladen
storing in remsysteem
Waarschuwing
Vloeistoffen en oliën
428, 429, 430, 432
Waarschuwingssymbolen
Voetgangersbescherming
237
Warmtereflecterende voorruit
Volgtijd instellen
210
79
35, 79
79
79
79
79
76, 79
338
341
337
Wielen en banden
Goedgekeurde maten
lastindex en snelheidsklasse
436
437
Wiel vervangen
338
Winterbanden
337
Wisserblad
achterruit vervangen
Reinigen
Servicestand
vervangen
387
388
389
387
388
Wissers en -sproeiers
108
21
Wasstraat
409
Volvo ID
22
Water- en vuilafstotende laag
411
Volvo Sensus
86
Water- en vuilafstotende laag, reinigen
411
Whiplash, WHIPS
43
WHIPS
kinderzitje/verhogingskussen
WHIPS-systeem
zithouding
43
43
44
Wielbouten
afsluitbare
Wielen
demonteren
monteren
Sneeuwkettingen
337
337
Z
Zekeringen
achter de motor
algemene informatie
in bagageruimte
in koude zone motorruimte
in motorruimte
in regeleenheid onder dashboardkastje
398
395
403
407
396
401
451
ALFABETISCH REGISTER
onder het dashboardkastje
vervangen
Zekeringenkastje
395
Zij-airbag, SIPS
41
Zittingverhoger
inklappen
uitklappen
zithouding
59
57
56
Zonnescherm, schuifdak
452
399
395
118
TP 22227 (Dutch), AT 1646, MY17, Printed in Sweden, Göteborg 2016, Copyright © 2000-2016 Volvo Car Corporation
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising