Volvo | V90 | Gebruikershandleiding | Volvo V90 2017 Gebruikershandleiding

Volvo V90 2017 Gebruikershandleiding
GEBRUIKERSHANDLEIDING
VÄLKOMMEN!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto's ter wereld. Uw Volvo is
ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw Volvo te hebben, adviseren we u om de
instructies en de onderhoudsinformatie in deze gebruikershandleiding
door te nemen. De gebruikershandleiding is tevens beschikbaar als
mobiele app (Volvo Manual) en op de supportsite van Volvo Cars
(support.volvocars.com).
INHOUD
INLEIDING
14
Digitale gebruikershandleiding in auto
15
Functiescherm met knoppen voor
autofuncties
48
50
Veiligheid
58
Veiligheid tijdens de zwangerschap
59
Whiplash Protection System
59
61
Navigeren in de digitale gebruikershandleiding
16
Het toetsenbord in het middendisplay gebruiken
Gebruikershandleiding op mobiele
apparaten
18
Handmatig tekens/letters invoeren
op het scherm
54
Pedestrian Protection System
Veiligheidsgordel
61
Inleiding in autogas (Bi-Fuel)*
55
Gordelspanners
62
Veiligheidsgordel omdoen/afdoen
63
Portier- en gordelwaarschuwing
65
Airbags
66
Supportsite van Volvo Cars
Gebruikershandleiding doornemen
Vastlegging van gegevens
2
VEILIGHEID
Zo kunt u gebruikersinformatie vinden
19
19
22
Belangrijke informatie over accessoires, extra uitrusting en de diagnoseaansluiting
23
Volvo ID
24
Drive-E - schoner rijplezier
26
IntelliSafe - rijhulp
29
Sensus - connectiviteit en entertainment
30
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding
33
Ruiten, lampglazen en spiegels
Stuur- en passagiersairbag
67
Passagiersairbag* activeren/deactiveren
69
SIPS-airbag
71
gordijnairbag
72
Safety Mode
72
Auto in Safety Mode starten/verrijden
73
Kinderen en veiligheid
74
33
Kinderzitje
75
Overzicht van het middendisplay
34
77
Bedieningsfuncties middendisplay
37
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
Navigeren in schermen op het middendisplay
41
Onderste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
78
Symbolen op de statusbalk van het
middendisplay
46
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die
de veiligheidsgordel in de auto gebruiken
79
Instellingen wijzigen voor het middendisplay
46
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten
81
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
82
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
85
Geïntegreerd kinderzitje*
86
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen*
86
Geïntegreerd kinderzitje inklappen*
88
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS
EN BEDIENING
Instellingen voor stembediening
122
Stembediening telefoon
123
Stembediening van radio en media
123
Klimaatregeling met stembediening
124
94
Stembediening bij kaartnavigatie
125
98
Handmatig bediende voorstoel
126
99
Elektrisch bediende voorstoel*
127
Instrumenten en bediening, auto met
stuur links
90
Instrumenten en bediening, auto met
stuur rechts
91
Bestuurdersdisplay
Instellingen voor bestuurdersdisplay
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
Waarschuwingssymbolen op
bestuurdersdisplay
101
Elektrisch bediende voorstoel* verstellen
127
Buitentemperatuurmeter
103
Geheugenfunctie gebruiken van
elektrisch bediende voorstoel*
128
Klok
103
Multifunctionele voorstoel*
129
Brandstofmeter voor autogas*
104
Multifunctionele voorstoel* verstellen
129
Licentieovereenkomst voor bestuurdersdisplay
105
Passagiersstoel verstellen vanaf
bestuurdersstoel*
132
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
110
Achterbank
133
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay gebruiken
111
Hoofdsteunen achterbank verstellen
133
Meldingen op bestuurders- en middendisplay
112
Rugleuning achterbank omklappen
135
Stuurwiel
136
Stuurwiel instellen
137
Verlichtingsbediening
139
Koplamphoogteregeling
140
stadslichten voor/achterlichten
141
Dagrijlicht
142
Dimlicht
142
Groot licht activeren/deactiveren
143
Meldingsfuncties op bestuurders- en
middendisplay
114
Meldingen opgeslagen vanuit het
bestuurders- en middendisplay hanteren
115
Head-updisplay*
117
Stembediening
120
Stembediening gebruiken
121
3
KLIMAAT
Actieve bochtverlichting*
146
HomeLink®* programmeren
Lichtbundel van koplampen aanpassen
147
Boordcomputer
Mistlampen voor/bochtverlichting*
147
Mistachterlicht
148
Remlichten
148
Alarmlichten
149
Richtingaanwijzers gebruiken
149
Interieurverlichting
150
Follow Me Home-verlichting
153
Approach-verlichting
153
Ruitenwissers gebruiken
153
Regensensor activeren/deactiveren
154
Ruiten- en koplampsproeiers
155
Achterruitwisser en -sproeier
156
Elektrisch bediende ruiten
156
Elektrisch bedienbare ruiten
157
Zonnescherm gebruiken*
158
Buitenspiegels instellen
159
Klimaatregeling
188
171
Klimaatsensoren
189
Rijstatistieken tonen op het bestuurdersdisplay
172
Gevoelstemperatuur
189
Verbruiksinfo weergeven op het middendisplay
Luchtkwaliteit
174
190
Interieurfilter
191
Instellingsscherm
175
Clean Zone Interior Package*
191
Interior Air Quality System*
191
Klimaatregelingsbediening
192
Klimaatregelingsbediening op het
middendisplay
193
Klimaatregelingsbediening achter op
de tunnelconsole*
194
Automatische klimaatregeling
195
Airconditioning activeren/deactiveren
196
196
Categorieën op instellingsscherm
176
Systeeminstellingen wijzigen op
instellingsscherm
178
Instellingen resetten op instellingsscherm
179
Bestuurdersprofielen
179
Bestuurdersprofiel kiezen
180
Bestuurdersprofiel bewerken
181
Transpondersleutel koppelen aan
bestuurdersprofiel
182
Temperatuur regelen
Ventilatorstand regelen
199
Bestuurdersprofiel importeren/
exporteren via USB
183
Ontwaseming van ruiten en buitenspiegels activeren/deactiveren
201
Instellingen wijzigen voor apps
184
Luchtrecirculatie activeren/deactiveren
204
Gebruikersgegevens resetten bij
doorverkoop
185
Luchtverdeling
204
161
Luchtverdeling wijzigen
205
Kompas kalibreren*
162
Blaasmonden openen/sluiten en richten
206
Panoramadak*
163
Tabel met luchtverdelingsstanden
208
Panoramadak* bedienen
164
210
HomeLink®*
167
Elektrische stoelverwarming* activeren/deactiveren
Achteruitkijkspiegel
Kompas*
4
168
160
LAAD- EN
OPBERGMOGELIJKHEDEN
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel
244
Auto-interieur
224
Bereik transpondersleutel
246
Tunnelconsole
225
247
Stroomaansluitingen
226
Red Key - Transpondersleutel met
beperkte functionaliteit*
Aansteker gebruiken*
230
248
Asbakken* legen
230
Locatie antennes voor start- en vergrendelingssysteem
Dashboardkastje gebruiken
231
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de
buitenzijde
249
Aanduiding bij vergrendeling/
ontgrendeling van de auto
252
233
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de
binnenzijde
253
Verankeringsogen
234
Safelock-functie*
255
Draagtashouders
235
Achterklep vergrendelen/ontgrendelen
Doorsteekluik in achterbank
256
236
Privacy locking gebruiken
258
Elektrische stoelventilatie* activeren/
deactiveren
212
Elektrische stuurverwarming* activeren/deactiveren
213
Parkeerklimaat*
213
Preconditioning* inschakelen/
uitschakelen
214
Timer voor preconditioning*
215
Timer voor preconditioning* instellen
216
Zonnekleppen
232
Timer voor preconditioning* activeren/deactiveren
217
Bagageruimte en kofferbak
233
Bagage vervoeren
Handhaving klimaatcomfort inschakelen/uitschakelen*
218
Symbolen en meldingen voor parkeerklimaat*
219
Verwarming*
220
Bagagerolhoes*
236
Afneembaar sleutelblad
259
Standverwarming*
221
Bagagenet*
239
260
Extra verwarming*
222
Veiligheidsrek*
240
Vergrendelen/ontgrendelen met
afneembaar sleutelblad
Elektrische achterklepbediening*
262
Achterklep openen/sluiten met
schopbeweging*
265
Batterij in transpondersleutel vervangen
266
Elektronische startblokkering
270
Kinderslot
270
Alarm*
272
Automatische activering/heractivering van het alarm*
274
5
RIJHULP
Alarm deactiveren* zonder werkende
transpondersleutel
274
Typegoedkeuring voor transpondersleutels
275
Snelheidsafhankelijke stuurkracht
282
Beperkingen van afstandswaarschuwing*
300
Roll Stability Control
282
Adaptieve cruisecontrol*
301
elektronische stabiliteitsregeling
283
284
Adaptieve cruisecontrol activeren en
starten*
304
Sportstand voor elektronische stabiliteitsregeling
285
Snelheidsfuncties voor adaptieve
cruisecontrol*
305
Symbolen en meldingen voor Elektronische stabiliteitsregeling
287
Tijdsverschil instellen voor de adaptieve cruisecontrol*
306
Snelheidsbegrenzer*
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
288
307
Snelheidsfuncties voor de snelheidsbegrenzer
288
Adaptieve cruisecontrol deactiveren/
heractiveren*
309
Snelheidsbegrenzer deactiveren/
heractiveren
289
Inhaalassistent bij de adaptieve
cruisecontrol* of Pilot Assist*
310
Snelheidsbegrenzer uitschakelen
290
Van doelvoertuig veranderen en
automatisch remmen met de adaptieve cruisecontrol
Automatische snelheidsbegrenzer*
291
311
Automatische snelheidsbegrenzer
activeren/deactiveren
292
Beperkingen van de adaptieve
cruisecontrol*
293
Wisselen tussen cruisecontrol en
adaptieve cruisecontrol*
312
Tolerantie voor automatische snelheidsbegrenzer wijzigen
294
Symbolen en meldingen voor de
adaptieve cruisecontrol*
313
Cruisecontrol
Cruisecontrol activeren en starten
294
Pilot Assist*
315
Snelheidsfuncties voor cruisecontrol
318
320
321
Cruisecontrol deactiveren/heractiveren
296
Snelheidsfuncties voor Pilot Assist*
Cruisecontrol uitschakelen
297
Tijdsverschil instellen voor Pilot Assist*
Afstandswaarschuwing*
298
Pilot Assist deactiveren/heractiveren*
322
299
Van doelvoertuig veranderen en
automatisch remmen met Pilot Assist*
324
Afstandswaarschuwing activeren/
deactiveren en tijdsverschil instellen*
6
295
Pilot Assist* activeren en starten
Meldingen voor Blind Spot
Information* en Cross Traffic Alert*
358
Hulplijnen en velden voor de parkeerhulpcamera*
381
Verkeersbordinformatie*
359
Parkeerhulpcamera starten*
383
Bordweergave van verkeersbordinformatie
359
Beperkingen van de parkeerhulpcamera*
384
Informatie over flitspalen*
361
Actieve parkeerhulp*
386
Verkeersbordinformatie activeren/
deactiveren
362
Parkeren met actieve parkeerhulp*
387
363
341
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
Waarschuwingsafstand instellen voor
City Safety
344
Driver Alert Control
363
Beperkingen van Pilot Assist*
325
Symbolen en meldingen voor
Pilot Assist*
327
Radarsensor
328
Beperkingen van de radarsensor
330
Typegoedkeuring voor radarsensoren
334
Camera
337
Beperkingen van de camera
338
City Safety
Meldingen voor Actieve parkeerhulp*
393
Driver Alert Control activeren/deactiveren 364
Obstakeldetectie met City Safety™
345
Beperkingen van Driver Alert Control
City Safety bij kruisend verkeer
365
347
Rijbaanassistent
City Safety bij ontoereikende uitwijkmanoeuvre
366
347
Lane Keeping Aid activeren/deactiveren
368
Beperkingen van City Safety
348
Symbolen en meldingen voor rijbaanassistent
369
Meldingen voor City Safety
350
Rear Collision Warning
Bescherming bij bermongevallen
Run-off Mitigation
371
351
Blind Spot Information*
352
373
Blind Spot Information* activeren/
deactiveren
353
Symbolen en meldingen voor
bescherming bij bermongelukken
Parkeerhulp*
374
Beperkingen van Blind Spot Information*
354
Parkeerhulp activeren/deactiveren*
376
Cross Traffic Alert*
355
Beperkingen van parkeerhulp*
376
Cross Traffic Alert* activeren/deactiveren 356
Meldingen voor Parkeerhulp*
378
Beperkingen van Cross Traffic Alert
Parkeerhulpcamera*
379
356
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp* 390
7
STARTEN EN RIJDEN
8
Alcoholslot*
396
Noodremlichten
419
In- en uitklapbare trekhaak*
437
Alcoholslot* omzeilen
396
Remversterker
420
Specificaties van de trekhaak*
439
Alvorens een motor met alcoholslot
te starten
396
Automatisch remmen na een aanrijding
420
Rijden met aanhanger
440
Contactslotstanden
Parkeerrem
397
421
442
Motor starten
Parkeerrem gebruiken
398
421
Rijden met een aanhanger in speciale omstandigheden
Bij een storing in de parkeerrem
443
400
423
Aanhangerstabilisering*
Auto afzetten
400
424
444
Stuurslotfout
Hellingrem
Sleepoog
400
424
446
Starthulp met andere accu
Automatische rem bij stilstand
Slepen
402
425
447
Versnellingsbak
Doorwaaddiepte
Auto bergen
Schakelstanden van automatische
versnellingsbak
Oververhitting van motor en aandrijving
402
426
Overbelasting van de startaccu
427
Handgeschakelde versnellingsbak
404
Voorbereidingen voor een lange rit
427
Schakelindicator*
405
Rijden tijdens de winter
428
Keuzehendelblokkering
406
Schakelen met stuurpaddles*
407
Start/Stop
408
Start/Stop-systeem gebruiken
408
Voorwaarden voor Start/Stop-systeem
410
Rijmodi*
412
Rijmodus ECO
Tankvulklep openen/sluiten en tanken
429
Autogas* tanken
430
Knop voor gebruik autogas*
431
Hanteren van brandstof
432
Benzine
433
Dieselolie
434
414
Wanneer u de tank leegrijdt van een
dieselmodel
435
435
Niveauregeling* en schokdemping
416
Roetfilter
Vierwielaandrijving*
417
Zuinig rijden
Remsystemen
436
417
Trekhaak*
Rempedaal
437
418
AUDIO EN MEDIA
Audio en media
450
Apple CarPlay* gebruiken
468
Apps
450
Instellingen voor Apple CarPlay*
469
Audio-instellingen
451
Android Auto*
470
Radio
452
Instellingen voor Android Auto*
471
Van radiozender wisselen en radiozender zoeken
452
Technische specificaties voor media
472
RDS-radio
455
Telefoon
474
Digitale radio
456
Verbinding met telefoon
475
Schakelen tussen de radiobanden
FM en DAB
456
Telefoon aansluiten/loskoppelen
476
Telefoonfuncties
477
479
Instellingen voor radio
457
Berichtfuncties
Mediaspeler
458
Telefoonboekfuncties
480
Media afspelen
459
Instellingen voor telefoon
480
461
Instellingen voor tekstbericht
481
Media zoeken
462
Instellingen voor Bluetooth
481
Cd-speler*
463
Connected Car*
481
463
Auto met internet verbinden
482
Media aansluiten via Bluetooth
463
484
Media via AUX/USB-aansluiting
464
Internetverbinding delen via Wi-Fihotspot
Media aansluiten via AUX/USB-poort
464
Geen internetverbinding of een
slechte verbinding
485
Video
465
Wi-Fi-netwerk verwijderen
485
Audio-instellingen voor media
465
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi
486
TV*
466
Instellingen voor automodem*
486
Tv* gebruiken
466
487
Apple CarPlay*
467
Apps downloaden, bijwerken of verwijderen
Gracenote®
Media via Bluetooth
Licentieovereenkomst voor audio en
media
488
Voorwaarden voor diensten en beleid
inzake vertrouwelijkheid van klantgegevens
498
9
WIELEN EN BANDEN
10
ONDERHOUD EN SERVICE
Banden
500
Maataanduiding voor wielen
522
Serviceprogramma van Volvo
526
De draairichting van de banden.
501
Maataanduiding voor banden
522
Autostatus
526
Afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie
526
Slijtage-indicator van banden
502
Bandenspanning controleren
502
Bandenspanningscontrole*
503
Inspectie en onderhoud van het
autogassysteem*
529
Controleer de bandenspanning met
het bandenspanningscontrolesysteem*.
505
Externe updates
529
Lage bandenspanning verhelpen bij
een auto met bandenspanningscontrolesysteem*
506
Systeemupdates
530
Gegevensoverdracht tussen auto en
werkplaats
531
Bandenspanningscontrolesysteem*
kalibreren
507
Auto opnemen
533
Noodreparatieset voor banden
Motorkap openen en sluiten
508
535
Noodreparatieset voor banden gebruiken
Overzicht motorruimte
509
536
Band oppompen met de compressor
uit de noodreparatieset voor banden
Motorolie
513
537
Motorolie controleren en bijvullen
538
Bij het verwisselen van wielen
514
Koelvloeistof bijvullen
539
Wielen demonteren
514
Onderhoud aan klimaatregeling
541
Wiel monteren
516
Lampen vervangen
542
Wielbouten
517
Dimlichtlamp vervangen
544
Reservewiel*
518
Grootlichtlamp vervangen
544
Winterwielen
519
Dagrijlichtlamp/stadslichtlamp vóór
vervangen
545
Gereedschapsset
520
Richtingaanwijzer vóór vervangen
Gevarendriehoek
546
520
Gloeilamp achteruitrijlicht vervangen
Krik*
546
521
Gloeilamp mistachterlicht vervangen
EHBO-set
547
522
Lampspecificaties
548
SPECIFICATIES
ALFABETISCH REGISTER
Wisserbladen in servicestand
548
Typeaanduidingen
578
Wisserbladen vervangen
549
Maten
581
Vulopening voor sproeiervloeistof
551
Gewichten
583
Startaccu
552
Trekgewicht en kogeldruk
584
Symbolen op de accu's
554
Motorspecificaties
586
Hulpaccu
555
Specificaties van de motorolie
587
Zekeringen
556
589
Zekering vervangen
557
Ongunstige rijomstandigheden voor
motorolie
Zekeringen in motorruimte
558
Specificaties van de koelvloeistof
590
Zekeringen onder dashboardkastje
563
Specificaties van de versnellingsbakolie
590
Zekeringen in bagageruimte
567
Specificaties van de remvloeistof
590
Exterieur reinigen
570
Brandstoftank - inhoud
591
Poetsen en in de was zetten
572
Specificaties van de airconditioning
591
Roestwering
573
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
593
Interieur reinigen
573
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
596
Middendisplay reinigen
575
Lastindex en snelheidsklasse
598
Lakschade
575
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
599
Lakschade herstellen
576
Alfabetisch register
601
11
INLEIDING
INLEIDING
Zo kunt u gebruikersinformatie
vinden
Gebruikersinformatie is beschikbaar in verschillende productformaten, zowel digitaal als in
drukvorm. De gebruikershandleiding is te raadplegen via het middendisplay van de auto, via de
mobiele app en op de supportsite van Volvo
Cars. In het dashboardkastje ligt een Quick
Guide en een supplement bij de gebruikershandleiding met onder meer informatie over
zekeringen en specificaties. U kunt een gebruikershandleiding in drukvorm bestellen.
Beeldscherm van de auto1
Supportsite van Volvo Cars
Open op het middendisplay het
hoofdscherm en druk op
Handleiding. Hier hebt u de
mogelijkheid tot visuele navigatie aan de hand van afbeeldingen van het auto-exterieur en interieur. De informatie is doorzoekbaar en ook beschikbaar in een indeling in
categorieën.
Bezoek support.volvocars.com
en kies uw land. Hier vindt u
gebruikershandleidingen online
en in PDF-formaat. Op de supportsite van Volvo Cars vindt u
tevens instructievideo's en
meer informatie over het
gebruik en het bezit van uw Volvo. De site is
beschikbaar voor de meeste markten.
Mobiele app
Informatie in drukvorm
Zoek op App Store of Google
Play naar "Volvo Manual",
download de app naar uw
smartphone of tablet en kies
uw model. De app bevat
instructievideo's en biedt de
mogelijkheid tot visuele navigatie aan de hand van afbeeldingen van het autoexterieur en -interieur. De navigatie tussen de
verschillende artikelen van de gebruikershandleiding verloopt eenvoudig en de inhoud is doorzoekbaar.
In het dashboardkastje ligt een
supplement bij de gebruikershandleiding1 met informatie
over zekeringen en specificaties plus een overzicht van
belangrijke en nuttige informatie.
Ook in drukvorm beschikbaar is een Quick Guide
met beknopte informatie over de meeste
gebruikte autofuncties om aan de slag te kunnen.
Afhankelijk van het gekozen uitrustingsniveau, de
markt en dergelijke liggen er aanvullende documenten met gebruikersinformatie in drukvorm in
de auto.
Het is mogelijk een gedrukt exemplaar van de
gebruikershandleiding en het bijbehorende supplement te bestellen. Neem voor bestelling contact op met een Volvo-dealer.
1 Op
14
markten zonder gebruikershandleiding op het middendisplay wordt een volledige gebruikershandleiding in drukvorm verstrekt.
INLEIDING
Taalinstelling wijzen voor het
middendisplay
Digitale gebruikershandleiding in
auto
Wanneer u de taalinstelling voor het middendisplay wijzigt, is het mogelijk dat bepaalde gebruikersinformatie niet overeenkomt met de wettelijke bepalingen en voorschriften die in uw land
gelden. Het is beter geen taal in te stellen die u
niet begrijpt, omdat het anders lastig wordt om
de weg te vinden in de menustructuur op het
scherm.
Via het middendisplay van de auto kunt u de
gebruikershandleiding in digitale2 vorm raadplegen.
Symbolen in het menu van de gebruikershandleiding en hun betekenis
Hiermee gaat u naar de
startpagina van de gebruikershandleiding.
BELANGRIJK
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat
u de auto op veilig wijze bestuurt en dat u de
geldende wetgeving en voorschriften in acht
neemt. Het is ook belangrijk dat u de auto
volgens Volvo's adviezen in de gebruikershandleiding onderhoudt en bedient.
Bij afwijkingen in de informatie op het middendisplay en in de gedrukte informatie, geldt
altijd de informatie in drukvorm.
De digitale gebruikershandleiding is vanuit het hoofdscherm te openen.
Om de digitale gebruikershandleiding te openen
– sleep het hoofdscherm op het middendisplay
omlaag en druk op Handleiding.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
2
Digitale gebruikershandleiding in auto
(p. 15)
Gebruikershandleiding op mobiele apparaten
(p. 18)
Supportsite van Volvo Cars (p. 19)
U kunt op verschillende manieren informatie vinden in de digitale gebruikershandleiding. Deze
alternatieven zijn beschikbaar vanaf de startpagina van de gebruikershandleiding en vanaf het
hoofdscherm door op
te drukken.
N.B.
De digitale gebruikershandleiding is tijdens
het rijden niet beschikbaar.
Artikelen gegroepeerd in
categorieën. Hetzelfde artikel kan in meerdere categorieën liggen.
Voert naar een Quick
Guide-pagina met koppelingen naar enkele artikelen
die u vooral moet doornemen. Hier krijgt u antwoord
op veelgestelde vragen
over de auto.
Gebruikershandleiding doornemen (p. 19)
Geldt voor de meeste markten.
}}
15
INLEIDING
||
Symbolen in het menu van de gebruikershandleiding en hun betekenis
Symbolen in het menu van de gebruikershandleiding en hun betekenis
Overzichtsbeelden (exterieur en interieur) van de
auto. Diverse delen zijn
voorzien van hotspots waarmee u naar artikelen over
het desbetreffende deel
van de auto gaat.
Hier staan de artikelen die
als favorieten zijn aangeduid.
Voert naar korte instructievideo's over uiteenlopende
autofuncties.
Navigeren in de digitale
gebruikershandleiding
De digitale gebruikershandleiding is vanaf het
middendisplay in de auto te openen. De informatie is doorzoekbaar en de navigatie tussen de
verschillende artikelen verloopt eenvoudig.
Hier vindt u informatie over
de versie van de gebruikershandleiding in de auto
en overige handige informatie.
Gerelateerde informatie
•
Navigeren in de digitale gebruikershandleiding (p. 16)
De digitale gebruikershandleiding is vanuit het hoofdscherm te openen.
Digitale gebruikershandleiding openen
–
Om de digitale gebruikershandleiding te openen – sleep het hoofdscherm op het middendisplay omlaag en druk op Handleiding.
U kunt op verschillende manieren informatie vinden in de digitale gebruikershandleiding. Druk op
in de bovenste lijst in de gebruikershandleiding om naar het menu van de gebruikershandleiding te gaan.
16
INLEIDING
Zoeken met behulp van categorieën
1.
De artikelen van de gebruikershandleiding zijn geordend naar
hoofdcategorieën en subcategorieën. Hetzelfde artikel kan in
meerdere categorieën voorkomen zodat het gemakkelijker is
te vinden.
1.
2.
3.
Druk op
en kies daarna Categorieën.
> De hoofdcategorieën staan in een lijst.
Druk op een hoofdcategorie ( ).
> Er verschijnt een lijst met subcategorieën
( ) en artikelen ( ).
Druk op een artikel om dit te openen. Druk
op de pijl-links om een stap terug te doen.
Hotspots voor exterieur en interieur
Overzichtsbeelden (exterieur en
interieur) van de auto. Diverse
delen zijn voorzien van hotspots
waarmee u naar artikelen over
het desbetreffende deel van de
auto gaat.
Druk op
en kies daarna Exterieur/
Interieur.
> Er verschijnen afbeeldingen van exterieur/
interieur met daarop hotspots geplaatst.
De hotspots leiden naar artikelen over het
desbetreffende deel van de auto. Veeg
horizontaal over het scherm om van de
ene naar de andere afbeelding te navigeren.
Favorieten
Hier vindt u de artikelen die als
favorieten zijn opgeslagen.
Druk op een artikel om het in
zijn geheel te lezen.
2.
Druk op een hotspot.
> De titel van een artikel op dit terrein verschijnt.
Artikelen als favoriet opslaan/verwijderen
Sla een artikel op als favoriet door in een
geheel rechtsboven te
geopend artikel op
drukken. De ster wordt gevuld wanneer een artikel is opgeslagen als favoriet:
.
3.
Druk op de titel om het artikel te openen.
Druk op de pijl-links om een stap terug te
doen.
Om een artikel te verwijderen uit de favoriete artikelen, kunt u vanuit het geopende artikel
opnieuw op de ster drukken.
Kennismaken met de meeste gebruikte
autofuncties via Quick Guide
Voert naar een pagina met
koppelingen naar enkele artikelen die u vooral moet doornemen om kennis te maken met
de meest gebruikelijke autofuncties. De artikelen zijn ook
via categorieën bereikbaar,
maar staan hier om er snel bij te kunnen. Druk op
een artikel om het in zijn geheel te lezen.
Video
Voert naar korte instructievideo's over uiteenlopende autofuncties.
Informatie
Druk op het symbool voor informatie over de versie van de
gebruikershandleiding in de
auto en andere praktische
informatie.
}}
17
INLEIDING
||
Startpagina
Druk op het symbool om terug
te gaan naar de startpagina van
de gebruikershandleiding.
Gebruikershandleiding op mobiele
apparaten
ding verloopt eenvoudig en de inhoud is doorzoekbaar.
De gebruikershandleiding is beschikbaar als
mobiele app en is verkrijgbaar via zowel App
Store als Google Play. De app is aangepast
voor zowel smartphones als tablets.
Zoekfunctie gebruiken
1.
Druk op
op het hoofdscherm van de
gebruikershandleiding. Onder aan het
scherm verschijnt een toetsenbord.
2.
Voer een zoekterm in, bijvoorbeeld "veiligheidsgordel".
> Er verschijnen suggesties voor artikelen
en categorieën naarmate u letters invoert.
3.
Druk op het artikel/de categorie om het/
deze te openen.
Gerelateerde informatie
•
•
Digitale gebruikershandleiding in auto (p. 15)
Het toetsenbord in het middendisplay
gebruiken (p. 50)
De gebruikershandleiding is als
mobiele app te downloaden via
App Store of Google Play. De
QR-code hiernaast leidt rechtstreeks naar de app. Of zoek
anders naar "Volvo manual" in
App Store of Google Play.
De app bevat video's alsook afbeeldingen van
exterieur en interieur waarop verschillende delen
van de auto staan aangegeven met zogenoemde
hotspots, die verder leiden naar artikelen over de
desbetreffende gebieden. De navigatie tussen de
verschillende artikelen van de gebruikershandlei-
18
De mobiele app is verkrijgbaar via zowel App Store als
Google Play.
Gerelateerde informatie
•
•
Gebruikershandleiding doornemen (p. 19)
Supportsite van Volvo Cars (p. 19)
INLEIDING
Supportsite van Volvo Cars
Contact
Gebruikershandleiding doornemen
Op de web- en supportsite van Volvo Cars staat
meer informatie over uw auto. Daar kunt u doorlinken naar My Volvo3: een persoonlijke internetsite voor u en uw auto.
Op de supportpagina staan de contactgegevens
van de klantenservice en de dichtstbijzijnde
Volvo-dealers.
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om de gebruikershandleiding
door te nemen, idealiter voor aanvang van de
eerste rit.
Support op internet
Ga naar support.volvocars.com om deze pagina te
bezoeken. De supportpagina is beschikbaar voor
de meeste markten.
Hier vindt u support voor zaken die bijvoorbeeld
te maken hebben met online diensten en functies, Volvo On Call*, het navigatiesysteem* en
apps. Video's en stapsgewijze instructies verklaren verschillende procedures, bijvoorbeeld hoe de
auto via een mobiele telefoon wordt aangesloten
op internet.
Te downloaden informatie
Kaarten
Voor auto's met Sensus Navigation zijn via de
supportsite kaarten te downloaden.
Gebruikershandleidingen in pdf-vorm
Er zijn gebruikershandleidingen in pdf-formaat te
downloaden. Download de gewenste gebruikershandleiding door een model en modeljaar te kiezen.
3
My Volvo op internet3
Via www.volvocars.com kunt u doorlinken naar My
Volvo web, een persoonlijke website voor u en uw
Volvo.
Maak een persoonlijke Volvo ID aan en log in op
My Volvo web voor een overzicht van zaken zoals
onderhoud, contracten en garanties. Op My Volvo
web vindt u ook informatie over modelspecifieke
accessoires en softwareproducten voor uw Volvo.
Gerelateerde informatie
•
Volvo ID (p. 24)
Het doornemen van de gebruikershandleiding is
een goede manier om vertrouwd te raken met
nieuwe functies, tips te krijgen voor hoe u de
auto in verschillende situaties het beste kunt
bedienen en te leren hoe u optimaal gebruik kunt
maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt.
Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in de gebruikershandleiding.
Er vindt voortdurend productontwikkeling plaats
ter verbetering van ons product. Aanpassingen
kunnen ertoe leiden dat de gegevens, beschrijvingen en illustraties in de gebruikershandleiding
afwijken van de werkelijke uitrusting op uw auto.
We behouden ons het recht voor om zonder
voorafgaande mededeling wijzigingen aan te
brengen.
Laat dit boekje altijd in de auto liggen - anders
ontbreekt bij eventuele problemen de noodzakelijke informatie over hoe en waar u professionele
hulp kunt krijgen.
© Volvo Car Corporation
}}
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
19
INLEIDING
||
Opties/accessoires
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden
in de gebruikershandleiding ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje * in de gebruikershandleiding.
De uitrusting die in de gebruikershandleiding
wordt beschreven is niet op alle auto's aanwezig
- welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven informatie over
kans op letsel.
BELANGRIJK
Belangrijk-teksten geven informatie over kans
op materiële schade.
20
N.B.
Gevaar voor lichamelijk letsel
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips en
adviezen die het gebruik van bepaalde mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
Op verschillende plekken in de gebruikershandleiding treft u informatie aan in voetnoten onder
aan een pagina of onder aan een tabel. Deze
informatie vormt een aanvulling op de tekst waar
het nummer van de voetnoot naar verwijst. Als de
voetnoot naar tekst in een tabel verwijst, worden
letters gebruikt in plaats van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop menuen displayteksten kunnen worden weergegeven.
Dergelijke teksten in de gebruikershandleiding
onderscheiden zich van de normale tekst. Voorbeeld van menuteksten en displaymeldingen:
Telefoon, Nieuw bericht.
Zwarte ISO-symbolen in een geel waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op
een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met mogelijk
dodelijke afloop.
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de auto
om belangrijke informatie op een simpele en duidelijke manier over te dragen. De stickers in de
auto zijn van de onderstaande aflopende waarschuwings-/informatiegraad.
* Optie/accessoire.
INLEIDING
Gevaar voor materiële schade
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
De in de gebruikershandleiding afgebeelde
stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw auto
aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn alleen
bedoeld om aan te geven hoe de stickers er
in grote lijnen uitzien en waar u ze ongeveer
kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto
vindt u de informatie die op uw auto van toepassing is.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op
een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
Informatie
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een bepaalde
volgorde moeten worden uitgevoerd, staan
genummerd in de gebruikershandleiding:
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant
is, worden de instructies voorafgegaan door
letters.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Pijlen met een letter dienen om een beweging weer te geven waarbij de onderlinge
volgorde niet van belang is.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij de
afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in de gebruikershandleiding
wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
•
•
Koelvloeistof
Motorolie
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie verwijst naar andere artikelen met aanverwante informatie.
Afbeeldingen
De afbeeldingen in de handleiding zijn soms
schematisch en kunnen dan ook afwijken van uw
uitvoering van de auto afhankelijk van het uitrustingsniveau en de markt.
}}
21
INLEIDING
||
Zie ommezijde
}} Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
een artikel wordt voortgezet op de volgende
pagina.
Vervolg van de vorige pagina
|| Dit symbool staat links bovenaan wanneer
een artikel wordt voortgezet van de vorige pagina.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Digitale gebruikershandleiding in auto (p. 15)
Gebruikershandleiding op mobiele apparaten
(p. 18)
Supportsite van Volvo Cars (p. 19)
Vastlegging van gegevens
In het kader van de veiligheids- en kwaliteitsinspanningen van Volvo wordt bepaalde informatie
over de werking, de functionaliteit en bijna-aanrijdingen door de auto vastgelegd.
Deze auto is uitgerust met een "Event Data
Recorder" (EDR). Het belangrijkste doel daarvan
is het vastleggen en opnemen van gegevens bij
verkeersongevallen of op aanrijdingen lijkende
situaties, zoals wanneer de airbag wordt geactiveerd of als de auto een wegversperring raakt.
De gegevens worden geregistreerd om meer
inzicht te krijgen in hoe de systemen van de auto
in dit soort situaties werken. De EDR is zodanig
vormgegeven dat deze gedurende een korte tijd
gegevens vastlegt die verband houden met de
autodynamiek en de veiligheidssystemen, normaal gesproken 30 seconden of korter.
De EDR in deze auto is zodanig geconstrueerd
dat deze bij verkeersongevallen of bijna-ongelukken gegevens vastlegt die verband houden met
het volgende:
22
•
Hoe de verschillende systemen in de auto
werkten;
•
In hoeverre de veiligheidsgordels van
bestuurder en passagiers vastzaten;
•
Het gebruik door de bestuurder van het gasof rempedaal;
•
Met welke snelheid de auto reed.
Dit kan een bijdrage leveren aan een beter
inzicht in de omstandigheden waarin bepaalde
verkeersongevallen en schades ontstaan. De
EDR legt alleen gegevens vast, als er sprake is
van een niet-alledaagse aanrijdingssituatie - bij
normale rijomstandigheden registreert de EDR
geen gegevens. Ook registreert het systeem
nooit wie de auto bestuurt of wat de geografische positie is voor de aanrijding of bijna-aanrijding. Andere partijen, zoals de politie, kunnen
echter gebruik maken van de vastgelegde gegevens in combinatie met het type persoonlijk identificeerbare informatie dat bij een verkeersongeval routinematig wordt verzameld. Om de geregistreerde gegevens te kunnen interpreteren zijn
speciale apparatuur en toegang tot de auto of de
EDR vereist.
De auto is naast de EDR ook uitgerust met een
aantal computers, die tot taak hebben de werking
van de auto continu te controleren en bewaken.
Deze kunnen in normale rijomstandigheden
gegevens vastleggen, maar vooral wanneer deze
een fout registreren die betrekking heeft op de
bediening en werking van de auto of bij activering
van de actieve rijhulp (zoals City Safety en de
automatische remfunctie).
Een deel van de vastgelegde gegevens heeft de
monteur nodig om service en onderhoud te kunnen verrichten met als doel eventuele storingen
die in de auto zijn opgetreden te diagnosticeren
en verhelpen. De geregistreerde informatie heeft
Volvo ook nodig om te kunnen voldoen aan de
INLEIDING
juridische eisen conform de wet- en regelgeving.
De in de auto geregistreerde informatie is opgeslagen in de computers totdat de auto een servicebeurt krijgt of wordt gerepareerd.
Naast het bovenstaande kan de geregistreerde
informatie ook in een samengestelde vorm worden gebruikt voor verzekerings- en productontwikkelingsdoeleinden om de veiligheid en kwaliteit van Volvo's te verbeteren.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet zonder de toestemming van de eigenaar van de auto
vrijgeven aan derden. Vanwege nationale wet- en
regelgeving kan Volvo echter worden gedwongen
om dit type informatie te verstrekken aan de politie of andere autoriteiten die het wettelijke recht
hebben om hiertoe toegang te krijgen. Om de
door vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen
en interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij Volvo en
de werkplaatsen die een contract hebben met
Volvo. Volvo ziet erop toe dat de gegevens, die in
verband met reparatie en onderhoud worden
doorgegeven aan Volvo, zorgvuldig worden opgeslagen en gehanteerd en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden
gebruikt. Neem voor meer informatie contact op
met een Volvo-dealer.
Belangrijke informatie over
accessoires, extra uitrusting en de
diagnoseaansluiting
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires, extra uitrusting of software/
diagnose-instrumenten kan een nadelige invloed
hebben op de werking van de elektronische systemen van de auto.
Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de
bijbehorende software in de computersystemen
van de auto wordt geladen. Volvo adviseert u
daarom altijd contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires
of extra uitrusting monteert die in verbinding
staan/staat met of van invloed zijn/is op het
elektrische systeem.
De diagnoseaansluiting zit onder het dashboard aan de
kant van het stuurwiel.
Uitrusting aansluiten op de
diagnoseaansluiting van de auto
WAARSCHUWING
Volvo Cars wijst alle aansprakelijkheid af voor
eventuele consequenties bij aansluiting van
niet-goedgekeurde uitrusting op de diagnoseaansluiting van de auto (On-BoardDiagnostics (OBD-II)).
23
INLEIDING
Volvo ID
Een Volvo ID biedt toegang tot een breed scala
aan persoonlijke Volvo-diensten4 online.
Het is mogelijk een Volvo ID te registreren vanuit
de auto, op My Volvo5 of via de Volvo On Callapp6. Voor sommige functies en diensten moet
de auto aan een persoonlijke Volvo ID gekoppeld
zijn. Wanneer het Volvo ID ook voor de auto geregistreerd wordt, krijgt u toegang tot een breed
scala aan Volvo-diensten, die vanuit de auto
beschikbaar zijn.
of met de Volvo On Call-app, moet u de Volvo ID
ook aan de auto koppelen om gebruik te kunnen
maken van de verschillende Volvo ID-diensten.
Op My Volvo5
1. Ga naar www.volvocars.com en link daarvandaan door naar My Volvo.
2.
Geef een persoonlijk e-mailadres op.
3.
Volg de instructies op die automatisch verstuurd worden naar het opgegeven e-mailadres.
> Er is nu een Volvo ID aangemaakt. Lees
hieronder over hoe u het ID registreert
voor de auto.
Voorbeeld van diensten:
•
My Volvo - Uw persoonlijke website voor u en
uw auto.
•
Volvo On Call* - Volvo ID wordt gebruikt bij
het inloggen op de Volvo On Call-app.
•
Send to Car - Mogelijkheid om een adres van
een kaartservice op internet rechtstreeks
naar de auto te sturen.
•
Onderhoud en reparatie reserveren - Registreer de door u gewenste werkplaats/dealer
op My Volvo om onderhoud rechtstreeks vanuit de auto te kunnen reserveren.
Volvo ID aanmaken
Een Volvo ID is op verschillende manieren aan te
maken. Als u de Volvo ID aanmaakt op My Volvo
4
5
6
24
Call-app6
Met de Volvo On
1. Download de nieuwste versie van de Volvo
On Call-app via de smartphone, op bijvoorbeeld AppStore, Windows Phone of Google
Play.
2.
3.
Kies op de startpagina van de app voor het
aanmaken van een Volvo ID en geef een persoonlijk e-mailadres aan.
Volg de instructies op die automatisch verstuurd worden naar het opgegeven e-mailadres.
> Er is nu een Volvo ID aangemaakt. Lees
hieronder over hoe u het ID registreert
voor de auto.
Uw Volvo ID voor de auto registreren
Als het Volvo ID werd aangemaakt op internet of
met de Volvo On Call-app, registreer deze dan
voor de auto:
1.
Download de app Volvo ID via Download
Center op het appscherm van het middendisplay.
N.B.
Om apps te kunnen downloaden moet de
auto verbinding hebben met internet.
2.
Start de app en vul uw Volvo ID/mailadres in.
3.
Volg de instructies op, die automatisch naar
het e-mailadres worden gestuurd dat aan uw
Volvo ID is gekoppeld.
> Uw Volvo ID is nu voor de auto geregistreerd. De Volvo ID-diensten kunnen nu
gebruikt worden.
Volvo ID aanmaken en registreren voor
de auto
1.
Download de app Volvo ID vanaf Download
Center als u dat al niet eerder hebt gedaan.
2.
Start de app en registreer een persoonlijk emailadres.
Het aanbod aan diensten kan veranderen en hangt af van het uitrustingsniveau en de markt.
Beschikbaar op bepaalde markten.
Voor mensen met Volvo On Call*.
* Optie/accessoire.
INLEIDING
3.
Volg de instructies op die automatisch verstuurd worden naar het opgegeven e-mailadres.
> Er is nu een Volvo ID aangemaakt en het
ID staat automatisch geregistreerd voor
de auto. De Volvo ID-diensten kunnen nu
gebruikt worden.
Voordelen van Volvo ID
•
Een gebruikersnaam en een wachtwoord
voor online diensten, dat wil zeggen u hoeft
slechts één gebruikersnaam en één wachtwoord te onthouden.
•
Bij het wijzigen van een gebruikersnaam/
wachtwoord voor een bepaalde dienst (bijvoorbeeld Volvo On Call) worden deze ook
automatisch voor de overige diensten (zoals
My Volvo) gewijzigd
Gerelateerde informatie
•
Apps downloaden, bijwerken of verwijderen
(p. 487)
•
Auto met internet verbinden (p. 482)
25
INLEIDING
Drive-E - schoner rijplezier
Volvo Car Corporation werkt voortdurend aan de
ontwikkeling van veiliger en effectievere produc-
Milieuzorg is een van de kernwaarden van Volvo
Cars die van invloed is op alle activiteiten. De
milieu-activiteiten gaan uit van de volledige
levensduur van de auto en houden rekening met
de milieu-effecten, van ontwikkeling tot sloop en
recycling. Volvo Cars hanteert het uitgangspunt
dat de milieu-effecten van nieuwe producten
geringer moeten zijn dan die van de producten
waarvoor ze in de plaats komen.
Een van de resultaten van de inspanningen van
Volvo op milieugebied is de ontwikkeling van de
Drive-E-aandrijflijnen, die effectiever werken en
minder vervuilend zijn. Ook het persoonlijke
26
ten en oplossingen om de milieu-effecten te
beperken.
milieu heeft de volle aandacht van Volvo - de
lucht in een Volvo is door de klimaatregeling bijvoorbeeld schoner dan de lucht buiten.
van de samenwerkingspartners dat ze aan deze
normen voldoen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieu-eisen. Alle productie-eenheden van Volvo
hebben een ISO 14001-certificaat, wat een systematische benadering van de milieu-aspecten
van de productie betekent om voortdurend verbeteringen aan te brengen en de milieu-effecten te
beperken. Dit ISO-certificaat betekent ook dat de
geldende wettelijke bepalingen en voorschriften
op milieugebied wordt nageleefd. Volvo eist ook
Omdat de milieu-effecten van auto's voor een
groot deel toe te schrijven zijn aan het gebruik
ervan richt Volvo Cars zich op het beperken van
het brandstofverbruik, de uitstoot van kooldioxide
en andere verontreinigende stoffen. De auto's
van Volvo zijn concurrerend in hun klasse wat het
brandstofverbruik betreft. Een lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
Brandstofverbruik
INLEIDING
Bijdragen aan een schoner milieu
Een zuinige auto levert niet alleen een beperking
van de milieu-effecten op, maar betekent ook
lagere kosten voor de eigenaar van de auto. Als
bestuurder kunt u eenvoudig brandstof en geld
besparen en zo een bijdrage leveren aan een
schoner milieu. Hier volgen enkele tips en adviezen:
•
Plan een effectieve gemiddelde snelheid.
Snelheden boven zo'n 80 km/h (50 mph) en
onder zo'n 50 km/h (30 mph) zorgen voor
een hoger energieverbruik.
manier van verwerken van dergelijk afval - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
"Schoon aan binnen- en buitenkant" - een concept dat een schone passagiersruimte combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies
ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen
niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
•
Neem de intervallen voor onderhoud en service aan de auto in acht die in het Serviceen garantieboekje geadviseerd worden.
•
Voorkom stationair draaien - zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat. Houdt u zich
aan de plaatselijke voorschriften.
•
Rijd anticiperend - bij onnodig vaak stoppen
en optrekken en een ongelijkmatige snelheid
stijgt het brandstofverbruik.
•
Activeer de preconditioning* vóór een koude
start - dit verhoogt de startgewilligheid en
beperkt de slijtage bij koud weer. De motor
komt sneller op bedrijfstemperatuur, wat een
beperking van het verbruik en de uitstoot
oplevert.
Het systeem ontdoet de lucht in de passagiersruimte van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon. Als de Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de
buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten
waarna de lucht in de passagiersruimte wordt
gerecirculeerd. Iets dergelijks kan zich voordoen
in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Let er tevens op dat u afvalstoffen die schadelijk
zijn voor het milieu, zoals accu's en olie, op een
milieuvriendelijke manier afvoert. Neem contact
op met een werkplaats bij twijfel over de juiste
Het IAQS is onderdeel van het CZIP (Clean Zone
Interior Package)* dat voorzien is van een speciale ventilatorfunctie die aanslaat, wanneer de
auto via de transpondersleutel wordt ontgrendeld.
Het luchtkwaliteitssysteem IAQS* (Interior Air
Quality System) zorgt ervoor dat de lucht die de
passagiersruimte binnenkomt, schoner is dan de
lucht buiten in het verkeer.
Interieur
De gebruikte materialen voor het interieur van
een Volvo zijn zorgvuldig geselecteerd en uitvoerig getest op comfort en hypoallergeniteit.
Bepaalde afwerkingsdetails zijn handmatig aangebracht: zo is de stuurwielbekleding met de
hand genaaid. Het interieur is getest op de afwezigheid van sterke geuren of stoffen die klachten
kunnen geven bij hoge temperaturen of direct
zonlicht.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en een
laag brandstofverbruik. U draagt zo tevens bij aan
een schoner milieu. Wanneer u de reparaties en
het onderhoud aan de auto toevertrouwt aan de
werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een
onderdeel van Volvo's systeem. Volvo stelt duidelijke milieu-eisen aan de outillage van de werkplaatsen om te voorkomen dat er schadelijke
stoffen in het milieu vrijkomen. Het werkplaatspersoneel beschikt over de kennis en het
gereedschap om optimale milieuzorg te garanderen.
Recycling
Omdat Volvo werkt vanuit een levensduurperspectief is het ook belangrijk dat autowrakken op
milieuvriendelijke wijze worden gerecycled. De
auto is nagenoeg geheel te recyclen. De laatste
eigenaar van de auto wordt daarom verzocht con-
* Optie/accessoire.
}}
27
INLEIDING
||
tact op te nemen met een dealer voor de locatie
van een gecertificeerd/erkend recyclingbedrijf.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
28
Rijmodi* (p. 412)
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 33)
Zuinig rijden (p. 436)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 593)
Luchtkwaliteit (p. 190)
* Optie/accessoire.
INLEIDING
IntelliSafe - rijhulp
IntelliSafe staat voor de manier waarop Volvo
Cars tegen rijveiligheid aankijkt. Het bestaat uit
een aantal systemen die de rijveiligheid verhogen, schade/letsel voorkomen en inzittenden en
overige verkeersdeelnemers beschermen.
Support
Onderdeel van IntelliSafe zijn systemen die u helpen om op een veilige manier met de auto te rijden. De rijhulpsystemen van de auto zijn
bijvoorbeeld de adaptieve cruisecontrol (Adaptive
Cruise Control)* die zorgt voor een constant tijdsverschil ten opzichte van voorliggers.
Pilot Assist* helpt u bij om de auto tussen de zijmarkeringen te houden en een vooraf ingesteld(e) snelheid of tijdsverschil ten opzichte van
voorliggers aan te houden.
Als u niet op een waarschuwing reageert en er
een aanrijding dreigt, kan City Safety de auto
automatische remmen.
Lane Keeping Aid (LKA)* is een ander voorbeeld
van een systeem dat helpt om ongelukken te
voorkomen door u te waarschuwen en een corrigerende stuuringreep uit te voeren, als de auto
onbedoeld een zijlijn dreigt te overschrijden.
Bovendien is er de bescherming tegen bermongevallen (Run off mitigation) die het risico moet
beperken dat de auto onbedoeld van de weg
raakt en de auto terug de weg op moet sturen.
Beschermen
Park Assist Pilot* (parkeerhulp) helpt u bij het
parkeren van de auto door het gebied rondom de
auto te scannen.
Om u en inzittenden te beschermen is de auto
uitgerust met gordelspanners die de veiligheidsgordels in kritieke situaties en bij aanrijdingen
kunnen aanpassen. De auto is ook voorzien van
airbags en gordijnairbags alsook Whiplash
Protection System (WHIPS) dat bescherming
biedt tegen whiplash-letsel.
Automatisch groot licht, Cross Traffic Alert
(CTA)* en Blind Spot Information (BLIS)* zijn
andere voorbeelden van systemen die u ondersteunen.
Om de kracht te beperken waarmee een voetganger bij een frontale botsing de auto raakt is
tevens voorzien in een Pedestrian Protection
System (PPS).
Voorkomen
Een voorbeeld van een systeem dat helpt om
ongevallen te voorkomen is City Safety. Dit systeem waarschuwt u als u een voertuig, fietser,
voetganger of een groot dier dreigt aan te rijden.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Cross Traffic Alert* activeren/deactiveren
(p. 356)
Blind Spot Information* (p. 352)
City Safety (p. 341)
Rijbaanassistent (p. 366)
Roll Stability Control (p. 282)
Veiligheidsgordel (p. 61)
Veiligheid (p. 58)
Airbags (p. 66)
Pilot Assist* (p. 315)
Bescherming bij bermongevallen Run-off
Mitigation (p. 371)
Whiplash Protection System (p. 59)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
Actieve parkeerhulp* (p. 386)
Groot licht activeren/deactiveren (p. 143)
* Optie/accessoire.
29
INLEIDING
Sensus - connectiviteit en
entertainment
schijnt, hangt af van hoe belangrijk de informatie
is voor u als bestuurder.
Sensus biedt u de mogelijkheid om te internetten, diverse apps te gebruiken en een Wi-Fi-hotspot van uw auto te maken.
Dit is Sensus
Sensus biedt een intelligente bedieningsinterface
en contact met de digitale wereld. Dankzij de
intuïtieve navigatiestructuur kunt u altijd toegang
krijgen tot hulp, informatie en entertainment, zonder te worden afgeleid.
Sensus omvat alle oplossingen in de auto die
verband houden met entertainment, connectiviteit, navigatie* en de bedieningsinterface tussen
bestuurder en auto. Sensus maakt communicatie
mogelijk tussen u, uw auto en de omgeving.
Informatie waar en wanneer u die nodig
hebt
Op de verschillende displays in de auto staat
altijd relevante informatie. Waar de informatie ver-
30
* Optie/accessoire.
G000000
INLEIDING
Waar welke informatie verschijnt, hangt af van hoe belangrijk de informatie is.
Head-updisplay*
Op het head-updisplay verschijnt het gekozen
type informatie dat onmiddellijke actie vereist.
Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om verkeersin-
formatie en informatie over snelheid en navigatie*. Ook informatie over verkeersborden en telefoonoproepen verschijnen op het head-updisplay.
Dergelijke informatie is te hanteren met de knoppenset rechts op het stuurwiel en vanaf het middendisplay.
Bestuurdersdisplay
12 inch bestuurdersdisplay.
}}
* Optie/accessoire.
31
INLEIDING
||
Een groot aantal van de primaire functies van de
auto wordt aangestuurd vanaf het middendisplay,
een touchscreen dat reageert bij aanraking. Dit
houdt een beperking in van het aantal fysieke
knoppen en bedieningselementen in de auto. Het
scherm is met of zonder handschoenen aan te
bedienen.
8 inch bestuurdersdisplay.
Het bestuurdersdisplay geeft informatie over
onder meer snelheid en telefoonoproepen of
informatie over het afgespeelde nummer. Het is
te bedienen met de twee knoppensets op het
stuurwiel.
Middendisplay
•
•
•
•
•
Head-updisplay* (p. 117)
Bestuurdersdisplay (p. 94)
Stembediening (p. 120)
Connected Car* (p. 481)
Audio en media (p. 450)
Vanaf het middendisplay zijn bijvoorbeeld de klimaatregeling, het infotainmentsysteem en de
stoelverstelling te bedienen. De functies van het
middendisplay zijn door de bestuurder of een
eventuele passagier te bedienen.
Stembediening
Als bestuurder kunt u de stembediening gebruiken om uw
handen aan het stuur te kunnen houden. Het systeem
begrijpt bepaalde stemcommando's. Gebruik de stembediening om een track af te spelen, iemand te bellen, de verwarming hoger te
zetten of een sms-bericht te laten voorlezen.
Voor meer informatie over alle functies/systemen, zie de desbetreffende artikelen in de
gebruikershandleiding of het bijbehorende supplement.
Gerelateerde informatie
•
•
32
Bedieningsfuncties middendisplay (p. 37)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 41)
* Optie/accessoire.
INLEIDING
Milieu-aspecten van de
gebruikershandleiding
De gebruikershandleiding is gedrukt op papier
waarvoor de grondstoffen afkomstig zijn uit
gecontroleerde bossen.
Het Forest Stewardship Council (FSC)®-symbool
geeft aan dat de papiervezels waarvan een
gebruikershandleiding in drukvorm gemaakt is
afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of
andere gecontroleerde bronnen.
Ruiten, lampglazen en spiegels
In de auto zitten bedieningselementen voor ruiten, lampglazen en spiegels. Een aantal ruimten
van de auto is gelamineerd, waardoor bijvoorbeeld de geluidsisolatie van het interieur beter
is.
•
•
Ruitenwissers gebruiken (p. 153)
Ruiten- en koplampsproeiers (p. 155)
Gelaagd glas
De voorruit en het panoramadak* zijn voorzien
van gelaagd glas. Het glas is verstevigd voor een
verbeterde inbraakbeveiliging en geluidsisolatie
van het interieur. Bepaalde ruiten zijn als optie te
voorzien van gelaagd glas.
Dit symbool staat op beglazing bestaande uit gelaagd
glas7.
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
•
Drive-E - schoner rijplezier (p. 26)
•
•
•
•
•
•
•
7
Panoramadak* (p. 163)
Elektrisch bediende ruiten (p. 156)
Ontwaseming van ruiten en buitenspiegels
activeren/deactiveren (p. 201)
Zonnescherm gebruiken* (p. 158)
Achteruitkijkspiegel (p. 160)
Buitenspiegels instellen (p. 159)
Head-updisplay* (p. 117)
Geldt niet voor de voorruit en het panoramadak*, die altijd van gelaagd glas zijn en daarom dit symbool niet hebben.
* Optie/accessoire.
33
INLEIDING
Overzicht van het middendisplay
Vanaf het middendisplay zijn tal van autofuncties
te regelen. Hier volgt een beschrijving van het
middendisplay en de mogelijkheden ervan.
34
INLEIDING
Drie van de basisschermen van het middendisplay. Veeg naar rechts of naar links om het functie- of appscherm te openen8.
Functiescherm - autofuncties die met één
druk te activeren/deactiveren zijn. Sommige
8
Voor een auto met het stuur rechts zijn de schermen in spiegelbeeld.
functies zijn ook zogenoemde triggerfuncties,
die vensters met instelmogelijkheden ope}}
35
INLEIDING
||
nen. Voorbeelden hiervan zijn Camera en
parkeerfuncties.
een van de overige deelschermen. Druk op
het scherm om het uit te vouwen.
Homescherm - het eerste scherm dat verschijnt bij het inschakelen van display.
Klimaatveld - informatie en rechtstreekse
interactie voor het instellen van temperatuur,
stoelverwarming en ventilatorstand. Druk op
het symbool in het midden van het klimaatveld om het klimaatscherm met meer klimaatinstellingen te openen.
Het applicatiescherm (appscherm) - apps die
zijn gedownload (apps van derden) maar ook
apps voor ingebouwde functies, bijvoorbeeld
FM-radio. Druk op een app-pictogram om de
app te openen.
Statusbalk - boven aan het scherm staat de
activiteiten in de auto. Links op de statusbalk
verschijnt netwerk-/aansluitingsinformatie en
rechts verschijnen mediaspecifieke informatie en een klok plus een aanduiding van
lopende achtergrondactiviteiten.
Hoofdscherm - sleep het tabblad omlaag om
het hoofdscherm te openen. Van hieruit zijn
Instellingen, Handleiding, Profiel alsook de
opgeslagen berichten van de auto te openen.
Navigatie - voert naar de kaartnavigatie, aan
de hand van bijvoorbeeld Sensus
Navigation*. Druk op het deelscherm om het
uit te vouwen.
Media - laatst gebruikte apps die verband
houden met media. Druk op het scherm om
het uit te vouwen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Bedieningsfuncties middendisplay (p. 37)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 41)
Functiescherm met knoppen voor autofuncties (p. 48)
Instellingen wijzigen voor apps (p. 184)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 46)
•
•
•
•
Instellingsscherm (p. 175)
•
Middendisplay reinigen (p. 575)
Mediaspeler (p. 458)
Telefoon (p. 474)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 193)
Telefoon - van hieruit hebt u toegang tot de
telefoon. Druk op het scherm om het uit te
vouwen.
Het extra deelscherm - laatst gebruikte
apps/autosystemen die niet thuishoren in
36
* Optie/accessoire.
INLEIDING
Bedieningsfuncties middendisplay
Veel autofuncties zijn te bedienen en regelen
vanaf het middendisplay. Het middendisplay is
een touchscreen dat op aanraking reageert.
scherm bladeren, objecten markeren, scrollen in
een lijst en apps verplaatsen door het scherm op
verschillende manieren aan te raken.
Touchscreenfunctie middendisplay
gebruiken
Dankzij IR-stralen kan het scherm ook vingers op
korte afstand vóór het scherm registreren. Deze
technologie maakt het mogelijk om het scherm
ook te gebruiken als u handschoenen aan hebt.
De schermreacties hangen af van de vraag of u
erop drukt of slepende of vegende bewegingen
maakt. U kunt van het ene naar het andere
Het scherm is gelijktijdig door twee mensen te
bedienen, bijvoorbeeld om het klimaat aan de
bestuurders- en passagierszijde in te stellen.
Methode
BELANGRIJK
Raak het scherm niet met scherpe voorwerpen aan om krassen te voorkomen.
In de onderstaande tabel worden de verschillende methoden voor schermbediening toegelicht:
Uitvoering
Resultaat
Eenmaal indrukken.
Een object markeren, een keuze bevestigen of een functie activeren.
Tweemaal snel drukken.
Inzoomen op een digitaal object, zoals de kaart*.
Eenmaal drukken en vasthouden.
Een object beetpakken. Is te gebruiken om apps of kaartpunten op de kaart te verplaatsen*. Houd de
vinger(s) op het scherm gedrukt, terwijl u het object naar de gewenste locatie sleept.
Eenmaal drukken met twee
vingers.
Uitzoomen van een digitaal object, zoals de kaart*.
}}
* Optie/accessoire.
37
INLEIDING
||
38
Methode
Uitvoering
Resultaat
Vegen
Wisselen tussen schermen, bladeren in een lijst, tekst of scherm. Ingedrukt houden en verslepen om
apps of kaartpunten op de kaart te verplaatsen*. Horizontaal of verticaal over het scherm slepen.
Snel vegen/slepen
Wisselen tussen schermen, bladeren in een lijst, tekst of scherm. Horizontaal of verticaal over het
scherm slepen.
Spreiden
Inzoomen.
Knijpen
Uitzoomen.
* Optie/accessoire.
INLEIDING
Scherm uitschakelen en weer activeren
2.
Display opnieuw inschakelen - kort op de
homeknop drukken.
> U ziet dan weer hetzelfde als toen het
scherm werd uitgeschakeld.
N.B.
Apps en knoppen voor autofuncties
verplaatsen
De apps en de knoppen voor autofuncties op het
app- en functiescherm zijn te verplaatsen en naar
wens anders te organiseren.
1.
Blijf op een app/knop drukken.
> De app/knop verandert van grootte en
wordt transparant. U kunt de app/knop
vervolgens verplaatsen.
2.
Sleep de app/knop naar een lege plek op
het scherm.
Het scherm kan niet worden uitgezet als er
een bepaald commando op het scherm staat.
N.B.
Homeknop voor middendisplay.
De consequentie van een uitgeschakeld middendisplay is dat het scherm wordt gedimd om u tijdens het rijden niet te storen. Het klimaatveld is
nog wel zichtbaar en apps en andere functies die
aan het scherm gekoppeld zijn, blijven doordraaien.
1.
Houd de fysieke homeknop onder het
scherm langere tijd ingedrukt.
> Het scherm dooft, met uitzondering van
het klimaatveld dat nog steeds zichtbaar
is. Alle functies, zoals klimaat, geluid,
geleiding* en apps zijn, nog steeds actief.
In deze stand kunt u het scherm schoonmaken met het meegeleverde schoonmaakdoekje, zie het artikel "Middendisplay
reinigen".
Het middendisplay wordt automatisch uitgeschakeld als de motor uit is en het bestuurdersportier wordt geopend.
Terugkeren naar homescherm vanuit
een ander scherm
1.
Druk kort op de homeknop.
> De laatst geactiveerde stand voor het
homescherm verschijnt.
2.
Druk opnieuw kort op de homeknop.
> Alle deelschermen van het homescherm
worden in de standaardstand gezet.
N.B.
In het homescherm van de standaardstand –
druk kort op de homeknop. Op het scherm
verschijnt een animatie die uitlegt hoe u de
verschillende tegels kunt openen.
Het maximale aantal regels voor apps/knoppen
is 48. Om een app/knop tot buiten het zichtbare
schermgedeelte te verplaatsen moet u deze naar
de onderkant van het scherm slepen. Er worden
dan automatisch nieuwe regels voor de app/knop
toegevoegd.
Het is dan ook mogelijk om een app/knop verder
naar onderen te verplaatsen, zodat deze in de
normale schermstand niet zichtbaar is.
Veeg over het scherm om omhoog/omlaag te
bladeren.
N.B.
Verberg de apps die u zelden of nooit
gebruikt door ze helemaal onderaan te plaatsen, buiten het zichtveld. Op die manier kunt
u makkelijker de apps vinden die u vaker
gebruikt.
* Optie/accessoire.
}}
39
INLEIDING
||
In een lijst, artikel of scherm bladeren
Bediening op middendisplay gebruiken
Wanneer een bladerindicator zichtbaar is op het
scherm, kunt u omhoog- of omlaagbladeren.
Veeg op een willekeurige plaats op het scherm
omhoog of omlaag.
Temperatuurbediening.
Tal van autosystemen gebruiken bedieningselementen. Regel bijvoorbeeld de temperatuur door:
De bladerindicator verschijnt op het middendisplay, wanneer u omhoog of omlaag kunt bladeren.
•
het bedieningselement naar de gewenste
temperatuur te slepen,
•
op + /− te drukken om de temperatuur in
stapjes te verhogen/verlagen, of
•
op de gewenste temperatuur op het bedieningselement te drukken.
Gerelateerde informatie
40
•
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 41)
•
•
Instellingsscherm (p. 175)
•
Bereik transpondersleutel (p. 246)
Sensus - connectiviteit en entertainment
(p. 30)
•
Apps downloaden, bijwerken of verwijderen
(p. 487)
•
Het toetsenbord in het middendisplay
gebruiken (p. 50)
•
Instellingen wijzigen voor het middendisplay
(p. 46)
INLEIDING
Navigeren in schermen op het
middendisplay
vier deelschermen: Navigatie, Media, Telefoon
en een extra deelscherm.
Het middendisplay heeft vijf verschillende basisschermen: homescherm, hoofdscherm, klimaatscherm, applicatiescherm (appscherm) en functiescherm. Bij het openen van het bestuurdersportier wordt het display automatisch ingeschakeld.
Een app/autofunctie die gekozen wordt vanuit
het app-/functiemenu, start in het desbetreffende deelmenu in het homescherm. Zo start bijvoorbeeld FM-radio in het Media-deelscherm.
Homescherm
Het homescherm is het scherm dat verschijnt bij
het inschakelen van het display. Het bestaat uit
Het extra deelscherm bestaat uit de laatst
gebruikte app(s)/autofunctie(s) die niet thuishoren in een van de overige drie schermen.
De deelschermen bevatten beknopte informatie
over de desbetreffende apps.
N.B.
De eerste keer dat u de auto gebruikt, zijn
bepaalde deelschermen van het homescherm
nog leeg.
N.B.
In het homescherm van de standaardstand –
druk kort op de homeknop. Op het scherm
verschijnt een animatie die uitlegt hoe u de
verschillende tegels kunt openen.
}}
41
INLEIDING
||
Een deelscherm uitvouwen vanuit standaardstand
Standaardstand en uitgevouwen stand van het deelscherm van het middendisplay.
42
INLEIDING
Deelscherm uitvouwen:
–
Druk op een willekeurige plaats op het deelscherm. Bij het uitvouwen van een deelscherm verdwijnt het vierde deelscherm op
het homescherm tijdelijk naar de achtergrond. De andere twee worden ingeklapt en
tonen slechts bepaalde informatie.
In het uitgevouwen scherm zijn de basisfuncties in de betr. app toegankelijk.
Uitgevouwen deelscherm sluiten:
–
Om de app vanuit uitgevouwen
stand te maximaliseren - druk
op het symbool.
Statusbalk
Druk op het symbool om terug
te gaan naar de uitgevouwen
stand of druk op de homeknop
onder aan het display.
Hoofdscherm
Boven aan het scherm staan de activiteiten in de
auto. Links op de statusbalk verschijnt netwerk-/
aansluitingsinformatie en rechts verschijnt mediaspecifieke informatie, klok alsook een aanduiding
dat er achtergrondactiviteiten gaande zijn.
Het deelscherm kan op drie verschillende
manieren worden gesloten:
•
Druk op het bovenste deel van het uitgevouwen deelscherm.
•
Druk op een ander deelscherm (dan
opent dit namelijk in uitgevouwen stand).
•
Druk kort op de fysieke homeknop onder
het middendisplay.
Deelscherm maximaliseren/minimaliseren
Het extra deelscherm en het deelscherm voor
Navigatie zijn te maximaliseren tot volledig
scherm voor nog meer informatie en aanvullende
instelmogelijkheden.
Als er een deelscherm is geopend als volledig
scherm, verschijnt er geen informatie van de overige deelschermen.
Hoofdscherm omlaaggesleept.
Midden op de statusbalk boven aan het display
vindt u een tab. Open het hoofdscherm door op
het tabblad te klikken of door van boven naar
beneden over het scherm te slepen/vegen.
Homeknop voor middendisplay.
Het hoofdscherm biedt toegang tot:
U kunt altijd teruggaan naar het homescherm
door op de homeknop te drukken. Om vanuit de
gemaximaliseerde stand terug te gaan naar de
standaardweergave van het homescherm - druk
tweemaal op de homeknop.
• Instellingen
• Handleiding
• Profiel
• De opgeslagen berichten van de auto.
}}
43
INLEIDING
||
Hoofdscherm verlaten - druk op een punt buiten
het hoofdscherm, op de homeknop of onder aan
het hoofdscherm en sleep het omhoog. Het
onderliggende scherm wordt dan weer zichtbaar
zodat u het kunt gebruiken.
N.B.
Het hoofdscherm is niet beschikbaar tijdens
het starten/uitschakelen of als er een displaytekst op het scherm staat. Dat is evenmin het
geval als het klimaatscherm wordt weergegeven.
gebruikte klimaatinstellingen worden gedaan,
zoals het instellen van de temperatuur, stoelverwarming en ventilator.
Applicatiescherm
Druk op het symbool midden in het klimaatveld om het klimaatscherm te
openen en om toegang te krijgen tot
meer klimaatinstellingen.
Druk op het symbool om het klimaatscherm te sluiten en terug te gaan
naar het eerdere scherm.
Hoofdscherm openen vanuit een app
Sleep het hoofdscherm omlaag terwijl een app
actief is, zoals FM-radio:
•
Druk op FM Radio Instellingen - er verschijnen instellingen die verband houden met
FM-radio.
•
Druk op Handleiding FM Radio - er wordt
een artikel geopend dat verband houdt met
FM-radio.
Dit geldt alleen voor bepaalde apps in de auto.
Zo zijn voor gedownloade apps van derden geen
appspecifieke artikelen of instellingen te openen.
Klimaatscherm
Onder aan het display is altijd het klimaatveld
zichtbaar. Daar kunnen rechtstreeks de meest
9
44
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
Applicatiescherm met de apps van de auto.
Veeg van rechts naar links9 over het display om
vanuit het homescherm het applicatiescherm
(appscherm) te openen. Hier liggen apps die zijn
gedownload (apps van derden) maar ook apps
voor ingebouwde functies, bijvoorbeeld FMradio. Bepaalde apps tonen beknopte informatie
INLEIDING
rechtstreeks op het appscherm, zoals het aantal
ongelezen sms-berichten voor Berichten.
Functiescherm
Druk op een app om deze te openen. Deze opent
dan in het deelscherm waar hij bij hoort, bijvoorbeeld Media.
Afhankelijk van het aantal functies kunt u ook
omlaagbladeren in het scherm. U doet dat door
van onder naar boven te vegen/slepen.
In tegenstelling tot het appscherm waar bij een
druk op een app de bijbehorende app wordt
geopend, wordt bij een druk op een functieknop
in het functiescherm alleen de desbetreffende
functie geactiveerd/gedeactiveerd. Bepaalde
functies, de triggerfuncties, openen door erop te
drukken in een eigen venster.
Afhankelijk van het aantal apps kunt u omlaagbladeren in het appscherm. U doet dat door van
onder naar boven te vegen/slepen.
Om een app te verplaatsen:
1.
Blijf op de app drukken.
> De app wordt ietwat doorzichtig en kleiner
van formaat, wanneer deze klaar is voor
verplaatsing.
Net als in het appscherm kunt u de functieknoppen verplaatsen en de onderlinge volgorde naar
wens aanpassen.
2.
Sleep de app naar de gewenste plek.
•
•
•
Gerelateerde informatie
N.B.
Apps en autofunctieknoppen kunnen niet
worden bewaard op plaatsen die al bezet zijn.
Ga terug naar het homescherm door van links
naar rechts9 over het display te vegen of door op
de homeknop te drukken.
9
Functiescherm met knoppen voor uiteenlopende autofuncties.
Veeg van links naar rechts9 over het display om
vanuit het homescherm het functiescherm te
openen. Van hieruit kunt u verschillende autofuncties activeren/deactiveren, waaronder Lane
Departure Warning, Lane Keeping Aid* en
Parkeerhulp*.
•
•
•
Bedieningsfuncties middendisplay (p. 37)
Overzicht van het middendisplay (p. 34)
Functiescherm met knoppen voor autofuncties (p. 48)
Instellingen wijzigen voor apps (p. 184)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 46)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 193)
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
* Optie/accessoire.
45
INLEIDING
Symbolen op de statusbalk van het
middendisplay
Symbool
Preconditioning gaande.
Overzicht van de symbolen die mogelijk op de
statusbalk van het middendisplay verschijnen.
Weergave audiobron gestart.
De statusbalk geeft de lopende activiteiten en in
bepaalde gevallen hun status aan. Omdat de
ruimte in het veld beperkt is, worden niet voortdurend alle symbolen weergegeven.
Symbool
Weergave audiobron gestopt.
Telefoongesprek gaande.
Betekenis
Weergave audiobron onderdrukt.
Roaming geactiveerd.
Er komt nieuws binnen via een
radiozender.
Signaalsterkte in netwerk voor
mobiele telefonie.
Verkeersinformatie mogelijk.
Bluetooth-apparaat aangesloten.
Bluetooth geactiveerd maar geen
eenheid aangesloten.
Aangesloten op Wi-Fi-netwerk.
'Internet sharing' geactiveerd (WiFi-hotspot). De auto deelt dus de
beschikbare verbinding.
Automodem geactiveerd.
Externe diagnose actief.
Proces gaande.
46
Betekenis
Klok.
Instellingen wijzigen voor het
middendisplay
Bij het openen van het bestuurdersportier wordt
het middendisplay automatisch ingeschakeld.
De instellingen voor het middendisplay zijn te
wijzigen met betrekking tot geluid en thema's. U
kunt het scherm uitschakelen, zodat u bij het rijden niet gestoord wordt.
Zet het volume van de systeemgeluiden
uit of wijzig dit op het middendisplay.
Het volume van het systeemgeluid op het middendisplay is te wijzigen/uit te schakelen:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Geluid
3.
Verschuif de bediening onder Scherm
aanraken om het geluid voor drukken op
het scherm te wijzigen/uit te zetten en op
Keypad aanraken om het geluid voor drukken op het toetsenbord van het scherm te
wijzigen/uit te zetten. Schuif de bediening
naar het gewenste geluidsniveau.
Gerelateerde informatie
•
Meldingen op bestuurders- en middendisplay
(p. 112)
•
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 41)
Systeemvolumes.
Uiterlijk van het scherm veranderen
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies vervolgens een thema, bijvoorbeeld
Minimalistic of Chrome Rings.
Displays
Toon skins.
INLEIDING
Als aanvulling hierop is het mogelijk om te kiezen
tussen Normaal en Helder. Bij Normaal is de
achtergrond op het scherm donker en zijn de teksten licht. Dit is de standaardinstelling voor alle
thema's. Desgewenst kan een lichte variant worden gekozen, waarbij het uiterlijk zo wordt gewijzigd dat de achtergrond licht wordt en de teksten
donker. Dit kan bijvoorbeeld handig zijn bij fel
daglicht.
De mogelijkheden zijn altijd beschikbaar voor de
gebruiker en zijn niet afhankelijk van de verlichting eromheen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Instellingsscherm (p. 175)
Sensus - connectiviteit en entertainment
(p. 30)
Middendisplay reinigen (p. 575)
Bedieningsfuncties middendisplay (p. 37)
47
INLEIDING
Functiescherm met knoppen voor
autofuncties
In het functiescherm, een van de basisschermen
van het middendisplay, liggen alle knoppen voor
autofuncties. Navigeer vanuit het homescherm
naar het functiescherm door van links naar
rechts over het display te vegen.10.
Verschillende soorten knoppen
Er zijn drie verschillende soorten knoppen voor
autofuncties, zie hieronder:
Soort knop
Eigenschap
Bijbehorende autofunctie
Functieknoppen
Hebben een Aan/Uit-stand.
De meeste knoppen in het functiescherm zijn
functieknoppen.
Bij een geactiveerde functie brandt een led-lampje links van de knopicoon. Druk op de
knop om de bijbehorende functie te activeren/deactiveren.
Triggerknoppen
Hebben geen Aan/Uit-stand.
Bij een druk op een triggerknop wordt er een venster voor de desbetreffende functie
geopend. Bijvoorbeeld een venster voor het aanpassen van de stoelinstellingen.
• Camera
• Hfdsteun omlaag
• Functies voor het neer-/opklappen van
stoelen
• Head-up display afstellen
Parkeerknoppen
Hebben een Aan/Uit-stand en een aftaststand.
Lijken op functieknoppen maar hebben een extra stand voor het aftasten van parkeerruimte.
10
48
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
• Inparkeren
• Uitparkeren
INLEIDING
Verschillende standen van de knoppen
Wanneer het groene led-lampje brandt van een
functie- of parkeerknop, is de desbetreffende
functie geactiveerd. Bij het activeren van functies
verschijnt voor sommige functies een extra tekst
over wat deze inhouden. De tekst blijft een paar
seconden staan, waarna de knop met het brandende led-lampje verschijnt.
Het systeem is gedeactiveerd, wanneer het ledlampje is gedoofd.
Voor Lane Keeping Aid verschijnt bijvoorbeeld
de tekst Werkt alleen bij bepaalde snelheden
bij het indrukken van de knop.
Druk eenmaal kort op de knop om de desbetreffende functie te activeren/deactiveren.
Wanneer er in de rechter bovenhoek van de knop
een gevarendriehoekje verschijnt, is er sprake van
een fout.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 34)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 41)
Categorieën op instellingsscherm (p. 176)
49
INLEIDING
Het toetsenbord in het
middendisplay gebruiken
Met het toetsenbord van het middendisplay kunt
u met toetsen tekst invoeren op het scherm,
maar ook handmatig door letters en tekens "in te
tekenen" op het scherm.
Tekst invoeren met toetsenbord
Met het toetsenbord kunnen tekens, letters en
cijfers worden ingevoerd, bijvoorbeeld om tekstberichten van de auto in te voeren, wachtwoorden in te vullen en naar artikelen te zoeken in de
digitale gebruikershandleiding.
Het toetsenbord verschijnt alleen als het mogelijk
is om op het scherm te schrijven.
50
INLEIDING
De afbeelding laat een overzicht zien van een aantal van de knoppen die op het toetsenbord kunnen verschijnen. Het uiterlijk wisselt, al naar gelang de taalinstellingen en in welk
verband het toetsenbord wordt gebruikt.
}}
51
INLEIDING
||
Regel met suggesties voor woorden of
tekens11. De voorgestelde woorden worden
aangepast naarmate er nieuwe letters worden ingetypt. Blader door de suggesties door
op de pijlen naar links en naar rechts te
drukken. Druk op een suggestie om deze te
selecteren. Let erop dat deze functie niet
door alle taalopties wordt ondersteund. De
regel is dan niet zichtbaar op het toetsenbord.
Afhankelijk van de voor het toetsenbord
gekozen taal (zie punt 7) worden de beschikbare tekens aangepast. Druk op een teken
om dit in te voeren.
Afhankelijk van de situatie waarin u het
toetsenbord gebruikt, heeft de knop een
andere functie – @ (bij invoer van een e-mailadres) of nieuwe regel (bij normale tekstinvoer).
Verbergt het toetsenbord. Als dat niet mogelijk is, verschijnt de knop niet.
Wordt gebruikt om met hoofdletters te schrijven. Druk eenmaal om een hoofdletter te
schrijven en dan verder te gaan met kleine
letters. Door nogmaals te drukken worden
alle letters hoofdletters. Als u nog eens drukt,
wordt het toetsenbord weer ingesteld op
kleine letters. In deze stand wordt de eerste
letter na een punt, uitroepteken of vraagteken als hoofdletter geschreven. Dit geldt ook
11
52
Geldt voor Aziatische talen.
voor de eerste letter in het tekstveld. In tekstvelden die bestemd zijn voor namen of
adressen begint automatisch elk woord met
een hoofdletter. In tekstvelden waar wachtwoorden, webadressen of e-mailadressen
moeten worden ingevuld, worden alle letters
juist klein, tenzij anderszins actief met de
knop wordt ingesteld.
Cijferinvoer. Het toetsenbord (2) laat dan cijfers zien. Druk op
, dat in de cijferstand
, om terug te
verschijnt in plaats van
keren naar het toetsenbord met letters, of op
om het toetsenbord met speciale
tekens te zien.
Wijzigt de taal voor de tekstinvoer, bijvoorbeeld UK. Tekens die kunnen worden ingevoerd alsook suggesties voor woorden (1)
veranderen al naar gelang de gekozen taal.
Indrukken om een lijst met talen te krijgen en
op de te gebruiken taal drukken. Om meer
talen aan het toetsenbord toe te voegen - zie
de rubriek "Taal van het toetsenbord wijzigen" hieronder.
Spatie.
Maakt tekstinvoer ongedaan. Kort indrukken
om één teken per keer te verwijderen. Houd
de knop ingedrukt om meerdere tekens in
sneller tempo te verwijderen.
Vervangt de toetsenbordstand om in plaats
daarvan handmatig letters en tekens in te
voeren. Lees meer onder de rubriek "Handmatig tekens/letters invoeren op het
scherm".
Druk op de bevestigingsknop boven het toetsenbord (niet zichtbaar op de afbeelding) om de
gemaakte tekstinvoer te bevestigen. De knop ziet
er verschillend uit, al naar gelang de context.
Taal van het toetsenbord wijzigen
Om op het toetsenbord tussen de verschillende
talen te kunnen wisselen, moeten de talen eerst
onder Instellingen worden toegevoegd.
INLEIDING
Taal toevoegen/verwijderen in instellingen
Het toetsenbord is automatisch ingesteld op
dezelfde taal als de systeemtaal. De taal voor het
toetsenbord kan handmatig worden aangepast
zonder dat dit gevolgen heeft voor de systeemtaal.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Systeem
Toetsenbordindelingen.
3.
Kies één of meer talen in de lijst.
> Nu kunt u direct op het toetsenbord schakelen tussen de geselecteerde talen om
tekst in te voeren.
2.
Kies de gewenste taal. Als er onder
Instellingen meer dan vier talen zijn geselecteerd, is het mogelijk om op het toetsenbord door de lijst te bladeren.
> Het toetsenbord wordt aangepast aan de
gekozen taal en er worden andere suggesties voor woorden gegeven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Instellingsscherm (p. 175)
Bedieningsfuncties middendisplay (p. 37)
Berichtfuncties (p. 479)
Systeeminstellingen wijzigen op instellingsscherm (p. 178)
Varianten van een letter of een teken
Als er onder Instellingen geen talen actief zijn
gekozen, houdt het toetsenbord dezelfde taal als
de systeemtaal van de auto. Zie het artikel "Systeeminstellingen wijzigen in het hoofdmenu".
Op het toetsenbord wisselen tussen
verschillende talen
Als er meerdere talen gekozen
zijn bij Instellingen, wordt de
knop (in zijn context weergegeven als nummer 7 in de afbeelding hierboven) op het toetsenbord gebruikt om te wisselen
tussen de verschillende talen.
Om de taal op het toetsenbord te wijzigen:
1.
Houd de knop vast (zie afbeelding boven).
> Er verschijnt een lijst.
Om een variant van een letter/teken in te voeren,
bijvoorbeeld é of è:
1.
Houd de letter/het teken ingedrukt.
> Er verschijnt een venster met mogelijke
varianten van de letter/het teken.
2.
Druk op de gewenste variant. Als u geen van
de varianten selecteert, wordt uw oorspronkelijk gekozen letter of teken ingevoerd.
53
INLEIDING
Handmatig tekens/letters invoeren
op het scherm
Ga terug naar het toetsenbord met gewone
tekeninvoer.
Tekens/letters verwijderen/wijzigen die
handmatig zijn ingevoerd
Verberg het toetsenbord. Als dat niet mogelijk is, verschijnt de knop niet.
Wijzig de taal voor de tekstinvoer.
Handmatig tekens/letters invoeren
1. Schrijf een teken/letter in de ruimte voor
handgeschreven letters (1).
> Er verschijnt een aantal suggesties voor
tekens of letters (3). Het meest waarschijnlijke staat boven aan in de lijst.
2.
Ruimte om letters/tekens in te voeren.
Tekstveld waar letters/tekens worden ingevoerd naargelang deze op het scherm worden ingetekend.
Suggesties voor letters/tekens. U kunt bladeren in de lijst.
Voer het teken/de letter in door heel even te
wachten.
> Het teken/de letter boven aan de lijst
wordt ingevoerd. U kunt ook een ander
teken kiezen dat wat er boven aan de lijst
verschijnt. Druk op het teken of de letter
in de lijst naar uw keuze.
Spatie.
Tekstinvoer ongedaan maken. Kort indrukken
om één letter/teken per keer te verwijderen.
Wacht even voordat u opnieuw drukt om de
volgende letter of het volgende teken te verwijderen, enz.
12
54
Veeg bij een Arabisch toetsenbord in tegengestelde richting. Wanneer u van rechts naar links veegt, voegt u een spatie in.
Wis de tekens in het tekstveld (2) door over het veld
voor handgeschreven tekst (1) te vegen.
–
Om tekens/letters te wijzigen zijn er meerdere alternatieven:
•
Druk in de lijst (3) op de letter die eigenlijk bedoeld werd.
•
Druk op de knop voor het ongedaan
maken van tekstinvoer (5) om de letter te
verwijderen en begin opnieuw.
•
Veeg horizontaal van rechts naar links12
over de ruimte voor handgeschreven letters (1). Verwijder meerdere letters door
meerdere keren over de ruimte te vegen.
•
Eenmaal drukken op het kruisje in het
tekstveld (2) neemt alle ingevoerde tekst
weg.
INLEIDING
Van regel wisselen in het vrije tekstveld met
handgeschreven tekst
Inleiding in autogas (Bi-Fuel)*
Auto's met Bi-Fuel-motoren kunnen op autogas
of benzine rijden. Autogas kan bestaan uit biogas of aardgas, of een mengsel van deze twee.
Autogas wordt ook wel aangeduid als CNG
(Compressed Natural Gas).
Autogas bestaat hoofdzakelijk uit methaan. Bij
aardgas varieert het methaangehalte van 85 tot
98%. Bij biogas ligt het gehalte altijd rond de
100%.
Wissel handmatig van regel door bovenstaand teken in
te tekenen in het veld voor handgeschreven tekst13.
Gerelateerde informatie
•
•
Berichtfuncties (p. 479)
Systeeminstellingen wijzigen op instellingsscherm (p. 178)
De autogastanks zitten onder de vloer in de
bagageruimte en zijn niet van invloed op de normale benzinetank.
Het systeem wordt op dezelfde manier getest als
bij benzineauto's. Het betreft een gesloten systeem, waardoor lekken tijdens bijvoorbeeld tanken wordt voorkomen. De gastanks liggen
beschermd en zijn bestand tegen een aanrijding.
Het gas is lichter dan lucht en niet giftig. Daarnaast is de ontbrandingstemperatuur hoger dan
die van benzine en diesel. De kans op brand of
explosie bij verkeersongelukken is dan ook kleiner dan bij benzine en diesel.
WAARSCHUWING
Na een ongeval dient u de auto eerst in een
erkende Volvo-werkplaats te laten controleren
en goedkeuren, voordat u de auto weer in
gebruik neemt. Geef altijd aan de hulpdienst
door dat de auto is voorzien van een CNGinstallatie.
WAARSCHUWING
Roken en open vuur verboden tijdens het tanken en bij service- en reparatiewerk. Stap bij
een eventuele brand onmiddellijk uit de auto
en ga op veilige afstand staan.
Probeer de CNG-installatie en/of de bijbehorende onderdelen onder geen beding te
demonteren of aan te passen. Anders bestaat
er groot gevaar voor lichamelijk letsel. Laat
alle service- en reparatieklussen dan ook om
veiligheidsredenen over aan een gecertificeerd monteur – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
De tank is voorzien van een veiligheidsklep die bij
een abnormaal hoge druk gas uit de tank laat
ontsnappen. Deze klep zorgt ervoor dat de tank
niet kan exploderen.
13
}}
Voor Arabisch toetsenbord - schrijf hetzelfde teken, maar dan gespiegeld.
* Optie/accessoire.
55
INLEIDING
||
WAARSCHUWING
Als u gas in of om de auto kunt ruiken, schakel dan onmiddellijk over op benzine en laat
de auto door de dichtstbijzijnde gecertificeerde monteur nakijken.
Als de auto in een spuit-/moffelcabine met
droogtemperatuur hoger dan 60 °C plaatst,
mag de druk in de CNG-installatie niet hoger
zijn dan 50 bar. Controleer in dat geval of de
CNG-tank bijna leeg is.
56
VEILIGHEID
VEILIGHEID
Veiligheid
De auto is voorzien van diverse veiligheidssystemen die samenwerken om u en uw medepassagiers te beschermen bij een ongeluk.
De auto is uitgerust met een aantal sensoren die
bij een ongeval reageren en bepaalde veiligheidssystemen activeren, zoals verschillende soorten
airbags en de gordelspanners van de veiligheidsgordels. Afhankelijk van de specifieke ongevalssituatie, zoals aanrijdingen onder verschillende
hoeken, over de kop slaan of van de weg raken,
reageren de systemen op verschillende manieren
om zo de beste bescherming te bieden.
Waarschuwingssymbool op
bestuurdersdisplay
Het waarschuwingssymbool op het
bestuurdersdisplay gaat branden, wanneer u het elektrische systeem van de
auto in contactslotstand II zet. Het
symbool dooft na ongeveer 6 seconden, als blijkt
dat de veiligheidssystemen van de auto in orde
zijn.
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingssymbool blijft branden
of tijdens het rijden gaat branden en het
bericht SRS airbag Service urgent Rijd
naar werkplaats op het bestuurdersdisplay
verschijnt, is dit een teken dat een gedeelte
van een veiligheidssysteem niet naar behoren
werkt. Volvo adviseert u om zo spoedig mogelijk contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Daarnaast zijn er mechanische veiligheidssystemen zoals het Whiplash Protection System. De
auto is bovendien zodanig gebouwd dat een
groot deel van de kracht bij een aanrijding wordt
verdeeld over de balken, de stijlen, de vloer, het
dak en andere carrosseriedelen.
Na een ongeval kan de Safety Mode van de auto
worden geactiveerd, als er een belangrijke functie
in de auto beschadigd is geraakt.
Als het specifieke waarschuwingssymbool defect is, gaat in plaats daarvan
het algemene waarschuwingssymbool
branden en het bestuurdersdisplay
geeft dezelfde melding weer.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
58
Veiligheid tijdens de zwangerschap (p. 59)
Veiligheidsgordel (p. 61)
Airbags (p. 66)
Whiplash Protection System (p. 59)
•
•
•
Pedestrian Protection System (p. 61)
Safety Mode (p. 72)
Kinderen en veiligheid (p. 74)
VEILIGHEID
Veiligheid tijdens de zwangerschap
Zithouding
Whiplash Protection System
Het is belangrijk dat zwangere passagiers hun
veiligheidsgordel op de juiste manier dragen en
dat een zwangere bestuurder haar zithouding
aanpast.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuurwiel
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig onder
controle hebben (wat inhoudt dat ze met gemak
bij het stuur en de pedalen moeten kunnen
komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik
en het stuur zo groot mogelijk te maken.
Whiplash Protection System (WHIPS) biedt
bescherming tegen whiplash-letsel. Het systeem
bestaat uit energieabsorberende rugleuningen
en zittingen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen.
Veiligheidsgordel
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
De veiligheidsgordel moet strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de borsten en tegen de zijkant van de buik ligt.
Veiligheid (p. 58)
Veiligheidsgordel (p. 61)
Handmatig bediende voorstoel (p. 126)
Elektrisch bediende voorstoel* (p. 127)
WHIPS wordt geactiveerd bij een aanrijding van
achteren, afhankelijk van de hoek waaronder en
de snelheid waarmee het achteropkomende
voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
Bij activering van het WHIPS klappen de rugleuningen van de voorstoelen naar achteren en de
zittingen omlaag, zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogenoemd whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
WHIPS vormt een aanvulling op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel
altijd.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel moet
vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik liggen. Het
mag nooit over de buik omhoog kunnen glijden.
De veiligheidsgordel moet zo strak mogelijk over
het lichaam lopen zonder onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens
gedraaid zit.
}}
* Optie/accessoire.
59
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoelen of
WHIPS aan en probeer deze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als de voorstoelen aan grote krachten hebben blootgestaan zoals tijdens een aanrijding,
moet u de stoelen vervangen. De stoelen kunnen een deel van hun beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als ze ogenschijnlijk niet zijn beschadigd.
WAARSCHUWING
Plaats dozen e.d. niet dusdanig, dat deze vastgeklemd zitten tussen het zitgedeelte van de
achterbank en de rugleuning van de voorstoelen.
WAARSCHUWING
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Veiligheid (p. 58)
Handmatig bediende voorstoel (p. 126)
Elektrisch bediende voorstoel* (p. 127)
Rear Collision Warning (p. 351)
Kinderzitje (p. 75)
Als een rugleuning van de achterbank is neergeklapt, moet de bijbehorende voorstoel verder naar voren worden gezet zodat deze niet
in contact komt met de neergeklapte rugleuning.
Zithouding
Voor optimale bescherming door het WHIPS
moeten bestuurder en voorpassagier de juiste zithouding innemen en zorgen dat het systeem niet
wordt gehinderd.
Stel voordat u wegrijdt de juiste zithouding in
voor de voorstoel.
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter of onder de
voorstoelen of op de achterbank achter de bestuurdersof passagiersstoel die het WHIPS kunnen hinderen.
U en een eventuele voorpassagier moeten zoveel
mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen
en de afstand tussen hoofd en hoofdsteun zo
klein mogelijk houden.
WHIPS en kinderzitjes
WHIPS beïnvloedt de beschermende werking van
kinderzitje en/of verhogingskussen niet negatief.
60
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Pedestrian Protection System
WAARSCHUWING
Pedestrian Protection System (PPS) is een systeem dat bij bepaalde frontale botsingen met
een voetganger de impact kan beperken waarmee de voetganger de auto raakt.
Monteer geen accessoires op de voorkant van
de auto en breng evenmin wijzigingen in dit
gebied aan. Een onjuiste ingreep in het front
kan tot een foutieve werking van het systeem
leiden waardoor ernstig letsel en materiële
schade aan de auto kan ontstaan.
Bij bepaalde frontale botsingen met een voetganger reageren sensoren aan de voorkant van de
auto, zodat het systeem wordt geactiveerd.
Volvo adviseert om originele wisserarmen te
gebruiken en deze alleen door originele
onderdelen te vervangen.
Bij activering van het PPS gebeurt het volgende:
•
Het achterste gedeelte van de motorkap
komt omhoog.
•
er wordt automatisch alarm geslagen via
Volvo On Call*.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats bij schade aan
het front van de auto om er zeker van te zijn
dat het systeem intact is.
De sensoren zijn actief bij een snelheid van zo'n
25–50 km/h (15–30 mph).
De sensoren zijn berekend op detectie van een
botsing met zaken die eigenschappen hebben
vergelijkbaar met menselijke benen.
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
PPS is geactiveerd of er is een
fout opgetreden in het systeem.
Volg het gegeven advies op.
N.B.
Er zijn mogelijk zaken in het verkeersmilieu
aanwezig waardoor de sensoren onterecht
het signaal krijgen dat er een voetganger
wordt aangereden. Bij een botsing met iets
dergelijks wordt het systeem mogelijk geactiveerd.
Betekenis
Veiligheidsgordel
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen.
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te
ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt
de beste bescherming bij een normale rijhouding.
WAARSCHUWING
Denk eraan geen clips te gebruiken of de
gordel vast te maken rond haken of andere
delen van het interieur, omdat de veiligheidsgordel daardoor niet goed aansluit.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de veiligheidsgordel niet of verkeerd wordt
gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed
zijn op het effect van de airbag.
Gerelateerde informatie
•
Veiligheid (p. 58)
}}
* Optie/accessoire.
61
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten
heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn
geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
Gordelspanners bij een botsing
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Gordelspanners
De auto is voorzien van pyrotechnische en elektrische gordelspanners die de veiligheidsgordels
in kritieke situaties en bij aanrijdingen kunnen
aanspannen.
Veiligheid (p. 58)
Gordelspanners (p. 62)
Veiligheidsgordel omdoen/afdoen (p. 63)
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 65)
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met een
pyrotechnische gordelspanner.
De pyrotechnische gordelspanner spant de veiligheidsgordel bij een voldoende krachtige botsing
om de inzittende efficiënter te kunnen opvangen.
Gordelspanners in kritieke situaties
De gordelspanners voor bestuurder en passagier
op de voorstoel zijn uitgerust met een elektrische
gordelspanner.
De gordelspanner werkt samen met en is te activeren door de rijhulpsystemen City Safety en
Rear Collision Warning. In kritieke situaties, zoals
bij een noodstop, krachtige uitwijkmanoeuvres,
van de weg raken (bijvoorbeeld wanneer de auto
een greppel inrolt, van de grond komt of tegen
een object botst), slippen of gevaar voor een botsing, kan de veiligheidsgordel door de elektromotor van de gordelspanner worden gespannen.
De elektrische gordelspanner plaatst de inzittende beter, wat het risico om tegen het interieur
van de auto geworpen te worden tot een minimum reduceert en het effect van veiligheidssystemen (zoals de airbags van de auto) verbetert.
62
BELANGRIJK
Als de passagiersairbag wordt gedeactiveerd,
wordt ook de elektrische gordelspanner aan
de passagierskant gedeactiveerd.
VEILIGHEID
Een elektrische gordelspanner resetten
Zodra de kritieke situatie voorbij is, worden de
gordel en de elektrische gordelspanner automatisch gereset.
Mocht de gordel desondanks toch aangespannen
blijven:
1.
Parkeer de auto op een veilige plek.
2.
Neem de veiligheidsgordel af en doe deze
vervolgens weer om.
> De gordel en de elektrische gordelspanner worden gereset.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten
heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn
geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Veiligheidsgordel (p. 61)
Veiligheidsgordel omdoen/afdoen
Veiligheidsgordel omdoen/afdoen (p. 63)
Let erop dat alle passagiers hun veiligheidsgordel om hebben voordat u gaat rijden.
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 65)
Veiligheidsgordel omdoen
City Safety (p. 341)
1.
Rear Collision Warning (p. 351)
Passagiersairbag* activeren/deactiveren
(p. 69)
Rol de gordel langzaam af. Zorg dat er geen
slag in zit en let erop dat hij niet is beschadigd.
N.B.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan
niet verder worden uitgetrokken:
•
•
•
2.
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Zet de gordel vast door de borglip in de bijbehorende gordelsluiting te steken.
> Een duidelijke "klik" geeft aan dat de gordel vastzit.
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de gordelsluiting aan de juiste
zijde. De veiligheidsgordels en de gordelsluiting werken anders mogelijk niet naar behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat gevaar
voor ernstige verwondingen.
}}
* Optie/accessoire.
63
VEILIGHEID
||
3.
Voorin kunt u de gordel hoger of lager zetten.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bedoeld voor slechts
één persoon.
WAARSCHUWING
Denk eraan geen clips te gebruiken of de
gordel vast te maken rond haken of andere
delen van het interieur, omdat de veiligheidsgordel daardoor niet goed aansluit.
WAARSCHUWING
De gordel moet over de schouder lopen (en niet over de
bovenarm).
Druk de gordelbevestiging in elkaar en zet de
gordel hoger of lager.
Zet de gordel zo hoog mogelijk zonder dat de
gordel daarbij langs de nek schuurt.
4.
De veiligheidsgordels nooit beschadigen en
geen vreemde voorwerpen aanbrengen in de
gordelsluiting. De veiligheidsgordels en de
gordelsluiting werken anders mogelijk niet
naar behoren tijdens een aanrijding. Er
bestaat gevaar voor ernstige verwondingen.
Span de heupgordel over de heupen door de
diagonale schoudergordel in de richting van
de schouder omhoog te trekken.
Veiligheidsgordel afdoen
1.
Druk op de rode knop van de gordelsluiting
en laat het oprolmechanisme de gordel naar
binnen trekken.
2.
Als de gordel niet volledig wordt opgerold,
moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
Gerelateerde informatie
De heupgordel moet laag zitten (niet over de buik).
64
•
•
•
Veiligheidsgordel (p. 61)
Gordelspanners (p. 62)
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 65)
VEILIGHEID
Portier- en gordelwaarschuwing
Het systeem herinnert inzittenden eraan de veiligheidsgordel om te doen en waarschuwt ook
als een portier, motorkap, achterklep of tankvulklep niet goed dichtstaat.
De grafische voorstelling verdwijnt automatisch
na 30 seconden rijden of eerder bij een druk op
de O-knop van de rechter stuurknoppenset.
Gordelwaarschuwing
Grafische voorstelling op
bestuurdersdisplay
Visueel signaal op plafondconsole.
Grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay met
verschillende soorten waarschuwingen. De waarschuwingskleur voor portier en achterklep is afhankelijk van
de rijsnelheid.
De grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay geeft de zitplaatsen weer waarvan de veiligheidsgordel wel of juist niet in gebruik is.
In dezelfde grafische voorstelling wordt aangegeven of de motorkap, de achterklep, de tankvulklep
of een portier openstaat.
De visuele signalen worden verstrekt via de plafondconsole en het waarschuwingssymbool op
het bestuurdersdisplay.
Het geluidssignaal is afhankelijk van de snelheid,
de rijtijd en de afgelegde afstand.
De gordelstatus voor de bestuurder en de passagiers geeft op de grafische voorstelling op het
bestuurdersdisplay aan wanneer een gordel
wordt om- of afgedaan.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet voor
kinderzitjes.
Voorstoel
Er worden visuele signalen en geluidssignalen
afgegeven, wanneer u en een eventuele voorpassagier niet in de gordel zitten.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
•
Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. Bij gebruik
van de veiligheidsgordels verschijnt een grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay.
•
Met visuele signalen en geluidssignalen
ervoor waarschuwen dat een van de veiligheidsgordel achterin tijdens het rijden werd
losgenomen. De waarschuwing stopt wanneer de gordel weer is omgedaan, maar is
ook handmatig te onderdrukken door op de
O-knop van de rechter stuurknoppenset te
drukken.
Waarschuwing voor portier, motorkap,
achterklep en tankvulklep
Als de motorkap, de achterklep, de tankvulklep of
een van de portieren niet goed dichtstaan, geeft
de grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay aan wat openstaat. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het onderdeel
dat aanleiding gaf tot de waarschuwing.
Bij een rijsnelheid tot 10 km/h (6 mph)
gaat het informatiesymbool op het
bestuurdersdisplay branden.
}}
65
VEILIGHEID
||
Bij een rijsnelheid hoger dan zo'n 10
km/h (6 mph) gaat het waarschuwingssymbool op het bestuurdersdisplay branden.
Airbags
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Dat kan
het besturen van de auto bemoeilijken. Ook
andere veiligheidssystemen kunnen beschadigd zijn. De rook en stof die bij het opblazen
van de airbags worden gevormd, kunnen bij
een intensieve blootstelling irritaties aan de
huid en ogen/letsel veroorzaken. Bij last met
koud water wassen. Het snelle opblazen kan
ook, in combinatie met het materiaal van de
airbag, voor wrijvings- en brandwonden op de
huid zorgen.
WAARSCHUWING
Gerelateerde informatie
•
•
•
WAARSCHUWING
De auto is voorzien van airbags en opblaasgordijnen aan bestuurders- en passagierszijde.
De regeleenheid van het airbagsysteem zit in
de middenconsole. Als de middenconsole
doorweekt geraakt is, moet u de kabels loskoppelen van de startaccu. Probeer de auto
niet te starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u de auto te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
Veiligheidsgordel (p. 61)
Gordelspanners (p. 62)
Veiligheidsgordel omdoen/afdoen (p. 63)
Gerelateerde informatie
Opgeblazen airbags
Wanneer een van de airbags is opgeblazen,
wordt het volgende geadviseerd:
66
•
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen
airbags.
•
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in de
auto over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
•
Neem altijd contact op met een arts.
•
•
•
•
Veiligheid (p. 58)
Stuur- en passagiersairbag (p. 67)
SIPS-airbag (p. 71)
gordijnairbag (p. 72)
VEILIGHEID
Stuur- en passagiersairbag
Als aanvulling op de veiligheidsgordel is de auto
voorzien van airbags aan de bestuurders- en
passagierszijde voorin.
zen tot het leeglopen van de airbag, neemt
enkele tienden van een seconde in beslag.
N.B.
De sensoren reageren verschillend, afhankelijk van het verloop van de botsing en of er al
dan niet een veiligheidsgordel wordt gebruikt.
Geldt voor alle gordelposities.
Er kunnen dus ongelukken ontstaan als
slechts één (of geen) van de airbags wordt
geactiveerd. De sensoren registreren de
kracht waaraan de auto bij de botsing blootstaat en blazen op basis daarvan geen, een of
meer airbags op.
Stuur- en passagiersairbag1.
Bij een frontale botsing helpen de airbags voorkomen dat u en eventuele inzittenden letsel aan
hoofd en borstkas oplopen, alsook dat u gewond
raakt aan knieën en benen1.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren
van de airbags activeren. De airbags vangen de
klap van de aanrijding op voor de inzittende. De
airbags lopen vervolgens weer leeg. Daarbij
treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opbla-
1
Alleen op bepaalde markten is de auto uitgerust met een knie-airbag.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de gordel niet of verkeerd wordt gebruikt,
kan dit bij een botsing van invloed zijn op het
effect van de airbag.
Om geen letsel op te lopen wanneer de airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo
rechtop mogelijk zitten met de voeten op de
vloer en de rug tegen de rugleuning.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in het airbagsysteem kan tot een onjuiste werking leiden
met ernstig letsel als gevolg.
Bestuurdersairbags
Stuurairbag
De airbag zit opgevouwen in het midden van het
stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het
opschrift AIRBAG.
Knie-airbag1
De airbag zit opgevouwen onder in het dashboard aan de bestuurderszijde. Het paneel is
voorzien van het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
Plaats of bevestig geen voorwerpen vóór of
op het paneel waar de knie-airbag geplaatst
is.
Passagiersairbag
De airbag zit opgevouwen in een ruimte boven
het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van
het opschrift AIRBAG.
}}
67
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen vóór of bovenop het
dashboard op de plek waar de airbag voor de
passagiersstoel zit.
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
Sticker voor passagiersairbag
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
Sticker op portierstijl aan passagierszijde. Bij het openen
van het passagiersportier is de sticker zichtbaar.
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag
is aangebracht als hierboven.
WAARSCHUWING
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
68
Als de auto niet is uitgerust met een schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag (PACOS), is de passagiersairbag altijd geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Airbags (p. 66)
Passagiersairbag* activeren/deactiveren
(p. 69)
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Passagiersairbag* activeren/
deactiveren
De passagiersairbag is te deactiveren als de
auto is voorzien van een speciale schakelaar,
Passenger Airbag Cut Off Switch (PACOS).
PACOS-schakelaar
De PACOS-schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag zit aan de passagierszijde aan de zijkant van het dashboard en u
kunt erbij door het portier aan die kant te openen.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat.
kinderzitje kunnen veilig op de passagiersstoel zitten.
Passagiersairbag activeren
WAARSCHUWING
Als de auto niet is uitgerust met een schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag (PACOS), is de passagiersairbag altijd geactiveerd.
Trek de schakelaar naar buiten en draai deze
vanuit OFF (B) naar ON (A).
> Op het bestuurdersdisplay verschijnt de
melding Passagiersairbag aan Graag
bevestigen.
N.B.
Als u de passagiersairbag hebt geactiveerd/
gedeactiveerd met de auto in contactslotstand I of lager en het contactslot vervolgens
in stand II zet, verschijnt na ca. 6 seconden
een melding op het bestuurdersdisplay in
combinatie met de volgende indicatie op de
plafondconsole.
ON - De airbag is geactiveerd en alle passagiers (kinderen en volwassenen) kunnen veilig in de rijrichting op de passagiersstoel zitten.
OFF - De airbag is gedeactiveerd en kinderen in een tegen de rijrichting in geplaatst
}}
* Optie/accessoire.
69
VEILIGHEID
||
2.
Bevestig de melding door de O-knop van de
rechter stuurknoppenset in te drukken.
> Een displaytekst en een waarschuwingssymbool op de plafondconsole geven aan
dat de passagiersairbag geactiveerd is.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de airbag aan die kant
geactiveerd is.
De passagiersairbag moet altijd zijn geactiveerd, wanneer er passagiers (kinderen of volwassenen) op de passagiersstoel voorin zitten.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
70
Passagiersairbag deactiveren
Trek de schakelaar naar buiten en draai deze
vanuit ON (A) naar OFF (B).
> Op het bestuurdersdisplay verschijnt de
melding Passagiersairbag uit Graag
bevestigen.
N.B.
Als u de passagiersairbag hebt geactiveerd/
gedeactiveerd met de auto in contactslotstand I of lager en het contactslot vervolgens
in stand II zet, verschijnt na ca. 6 seconden
een melding op het bestuurdersdisplay in
combinatie met de volgende indicatie op de
plafondconsole.
2.
Bevestig de melding door de O-knop van de
rechter stuurknoppenset in te drukken.
> Een displaytekst en een brandend lampje
op de plafondconsole geven aan dat de
passagiersairbag gedeactiveerd is.
WAARSCHUWING
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, wanneer de airbag aan die kant gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbeveling kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
BELANGRIJK
Als de passagiersairbag wordt gedeactiveerd,
wordt ook de elektrische gordelspanner aan
de passagierskant gedeactiveerd.
VEILIGHEID
Gerelateerde informatie
•
•
•
Stuur- en passagiersairbag (p. 67)
Gordelspanners (p. 62)
Kinderzitje (p. 75)
SIPS-airbag
WAARSCHUWING
De SIPS-airbags aan bestuurders- en passagierszijde beschermen bij een aanrijding borstkas en heupen.
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in de zij-airbags
kan tot een onjuiste werking leiden met ernstig letsel als gevolg.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen in het gebied tussen
de buitenzijde van de stoel en het portierpaneel, aangezien dit gebied door de zijairbag
kan worden beïnvloed.
Volvo adviseert om uitsluitend door Volvo
goedgekeurde overtrekbekleding te gebruiken. Andere bekleding kan de werking van de
zijairbags hinderen.
De SIPS-airbags zijn in de buitenste rugframes
van de voorstoelen gemonteerd en dragen bij tot
het beschermen van de bestuurder en de passagier in de voorstoelen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren
activeren. De SIPS-airbags worden vervolgens
opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. De airbags lopen vervolgens weer leeg.
De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen
opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
WAARSCHUWING
De zijairbag vormt een aanvulling op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel
altijd.
SIPS-airbags en kinderzitjes
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende
werking van kinderzitje en/of verhogingskussen
niet negatief.
Gerelateerde informatie
•
•
Airbags (p. 66)
Kinderzitje (p. 75)
71
VEILIGHEID
gordijnairbag
WAARSCHUWING
De gordijnairbags, Inflatable Curtain (IC) helpen
voorkomen dat bestuurder en eventuele passagiers bij een botsing met hun hoofd tegen de
binnenkant van de auto stoten.
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan
de plafondhandgrepen. De haken zijn alleen
bedoeld voor niet al te zware kledingstukken
(en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Safety Mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt, wanneer tijdens een aanrijding
mogelijk belangrijke onderdelen zijn beschadigd
zoals de brandstofleidingen, de sensoren voor
de veiligheidssystemen of het remsysteem.
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo adviseert om alleen originele Volvo-onderdelen,
bestemd voor montage op deze plaatsen, te
gebruiken.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de tekst Safety mode Zie
handleiding op het bestuurdersdisplay verschijnen in combinatie met een waarschuwingssymbool. Dit betekent dat de functionaliteit van de
auto is verminderd.
WAARSCHUWING
Houd 10 cm afstand aan tussen de bagage
en de zijruiten, als u de bagage opstapelt tot
boven de portierruiten. Anders kan de
beschermende werking van de opblaasgordijnen, die in de plafondbekleding zijn weggewerkt, uitblijven.
De gordijnairbags zijn langs de beide zijden van
het plafond gemonteerd en helpen de bestuurder
en de passagiers op de buitenste zitplaatsen te
beschermen. De panelen zijn voorzien van het
opschrift IC AIRBAG.
WAARSCHUWING
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gordijnairbags
activeren.
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Gerelateerde informatie
•
72
Safety Mode
Airbags (p. 66)
Ook als de auto in de Safety Mode staat, kunt u
het systeem nog steeds resetten en de auto vervolgens starten en naar een veiliger plek rijden.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety Mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een slechte
functie van de auto. Volvo adviseert u de auto
altijd in een erkende Volvo-werkplaats te laten
controleren en naar Normal Mode te laten
resetten nadat de melding Safety mode Zie
handleiding is verschenen.
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept zolang
deze in de Safety mode staat. De auto moet
op een bergingsvoertuig worden afgevoerd.
Volvo adviseert u hem te laten afvoeren naar
een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
Auto in Safety Mode starten/
verrijden
3.
Ook als de auto in de Safety Mode staat, kunt u
deze nog steeds starten en naar een veiliger
plek rijden.
Auto in Safety Mode starten
1.
Veiligheid (p. 58)
Auto in Safety Mode starten/verrijden
(p. 73)
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld
dat er geen brandstof weglekt, kunt u proberen de motor te starten.
Probeer vervolgens de auto te starten.
> De auto-elektronica verricht een systeemcontrole en probeert vervolgens de normale modus te activeren.
BELANGRIJK
Als de melding Safety mode Zie
handleiding nog steeds op het display staat,
mag u niet met de auto rijden en deze evenmin verslepen. U moet de auto dan laten bergen. Verborgen schade kan de auto tijdens
het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als het
lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt
terwijl de melding Safety mode Zie
handleiding verschijnt. Verlaat de auto
onmiddellijk.
2.
Draai de startknop naar stand STOP en laat
de knop los.
Auto in Safety Mode verrijden
1.
Als op het bestuurdersdisplay de melding
Normal mode The car is now in normal
mode verschijnt nadat er een startpoging is
verricht, mag u de auto voorzichtig naar een
veiliger plek rijden.
2.
Verrijd de auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept zolang
deze in de Safety mode staat. De auto moet
op een bergingsvoertuig worden afgevoerd.
Volvo adviseert u hem te laten afvoeren naar
een erkende Volvo-werkplaats.
}}
73
VEILIGHEID
||
Gerelateerde informatie
•
Safety Mode (p. 72)
Kinderen en veiligheid
N.B.
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten
(kinderzitjes, verhogingskussens en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto zijn
ontwikkeld.
Met kinderveiligheidsproducten van Volvo schept
u optimale voorwaarden voor een veilig vervoer
van kinderen in de auto. U weet bovendien zeker
dat de producten passen en eenvoudig in het
gebruik zijn.
Bij vragen over de montage van kinderveiligheidsproducten neemt u voor duidelijke aanwijzingen contact op met de producent.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Veiligheid (p. 58)
Kinderzitje (p. 75)
Geïntegreerd kinderzitje* (p. 86)
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot zitten.
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een tegen de rijrichting in geplaatst
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3–
4 jaar) en daarna op/in een comfortkussen of
een kinderzitje dat in de rijrichting geplaatst is
totdat ze een lengte van 1,40 m hebben.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het te gebruiken type kinderzitje voor kinderen in verschillende leeftijdscategorieën en gewichtsklassen verschillen van land tot land. Ga na wat er
in uw land geldt.
74
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Kinderzitje
Het gewicht en de lengte van het kind zijn bepalend voor de plaats van het kind in de auto en de
vereiste uitrusting.
Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen
zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de juiste wijze
gebruikt.
Raadpleeg voor de juiste montage de montageinstructies bij het kinderzitje.
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is
het belangrijk om de meegeleverde montagehandleiding te lezen.
Kinderzitje plaatsen
Plaats tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes op de achterbank, als de passagiersairbag
geactiveerd is. Als de airbag wordt opgeblazen,
kan een kind op de passagiersstoel ernstig letsel
oplopen.
Als de passagiersairbag gedeactiveerd is, kunt u
een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op
de passagiersstoel voorin zetten.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor hoe een kind in
de auto moet worden geplaatst, verschillen
per land. Stel u op de hoogte van wat van toepassing is.
WAARSCHUWING
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
Kinderzitje monteren
Let bij het monteren van een kinderzitje in de
auto op het volgende.
WAARSCHUWING
Comfortkussens/kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de openingsknop van de gordelsluiting aan kunnen
liggen, mogen niet worden gebruikt aangezien
ze ervoor kunnen zorgen dat de veiligheidsgordel per ongeluk open gaat.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
niet vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan de
veren, rails of balken onder de stoel. Scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigen.
Laat het bovengedeelte van het kinderzitje
niet tegen de voorruit leunen.
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
Tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes en airbags
gaan niet samen.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
}}
75
VEILIGHEID
||
Op voorstoel monteren
• Controleer bij montage van tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes of de passagiersairbag gedeactiveerd is.
•
•
•
sele goedkeuring waarbij uw auto op de lijst
van compatibele auto's staat.
•
Controleer bij montage van in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes of de passagiersairbag geactiveerd is.
Het is niet toegestaan om kinderzitjes met
steunbeen op de middelste zitplaats te monteren.
•
Gebruik alleen door Volvo geadviseerde kinderzitjes met een universele of semi-universele goedkeuring waarbij uw auto op de lijst
van compatibele auto's staat.
De buitenste zitplaatsen zijn uitgerust met
ISOFIX-systeem en goedgekeurd voor iSize3.
•
De buitenste zitplaatsen zijn uitgerust met
bevestigingspunten bovenaan. Volvo adviseert u om de bovenste bevestigingsbanden
door de hoofdsteunopening te halen alvorens ze vast te zetten aan de bevestigingspunten. Volg de adviezen van de producent
van het kinderzitje op, als dit niet mogelijk is.
ISOFIX-kinderzitjes zijn alleen te monteren,
wanneer de auto is uitgerust met een
ISOFIX-console2 (accessoire).
•
Als het kinderzitje voorzien is van onderste
bevestigingsbanden, adviseert Volvo u om
deze aan de onderste bevestigingspunten
vast te zetten2.
•
Om de montage van kinderzitjes te vereenvoudigen kunt u gebruik maken van een
ISOFIX-geleider.
Op achterbank monteren
Gebruik alleen door Volvo geadviseerde kinderzitjes met een universele of semi-univer-
•
Sticker voor passagiersairbag
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
Verstel na het vastzetten van eventuele
onderste bevestigingsbanden van een kinderzitje in de onderste bevestigingspunten
de desbetreffende stoel niet meer. Vergeet
niet om bij het demonteren van een kinderzitje ook altijd eventuele onderste bevestigingsbanden te verwijderen.
•
Sticker op portierstijl aan passagierszijde. Bij het openen
van het passagiersportier is de sticker zichtbaar.
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag
is aangebracht als hierboven.
2
3
76
Het aanbod aan accessoires verschilt per markt.
Verschilt per markt.
VEILIGHEID
Gerelateerde informatie
•
•
Kinderen en veiligheid (p. 74)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 77)
•
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 78)
•
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten (p. 81)
Passagiersairbag* activeren/deactiveren
(p. 69)
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
WAARSCHUWING
Haal de bovenste bevestigingsband van het
kinderzitje door de opening in de ene poot
van de hoofdsteun, voordat u de band aan het
bevestigingspunt vastzet. Volg, als dit niet
mogelijk is, de aanbevelingen van de producent van het kinderzitje op.
De auto is voorzien van bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes op de buitenste zitplaatsen van de achterbank.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd
kinderzitje aan te bevestigen.
N.B.
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de bovenste bevestigingspunten vastzet.
Klap de hoofdsteunen omlaag om het monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen
bij auto’s met neerklapbare hoofdsteunen op
de beide buitenste zitplaatsen.
Positie van de bevestigingspunten
N.B.
In auto’s met een bagagerolhoes over de
bagageruimte moet deze worden verwijderd
voordat het kinderzitje in de bevestigingspunten kan worden gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Symbolen achter op de rugleuningen geven de positie
van de bevestigingspunten aan.
De bevestigingspunten zitten aan de achterzijde
van de buitenste zitplaatsen op de achterbank.
•
•
Kinderzitje (p. 75)
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 78)
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten (p. 81)
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 79)
* Optie/accessoire.
77
VEILIGHEID
Onderste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
voor het activeren/deactiveren van de passagiersairbag *.
De auto is voorzien van onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes voorin* en achterin.
De onderste bevestigingspunten zijn bedoeld
voor gebruik in combinatie met bepaalde achterstevoren gemonteerde kinderzitjes.
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de onderste bevestigingspunten vastzet.
Positie van de bevestigingspunten
De positie van de bevestigingspunten achterin.
De bevestigingspunten achterin zitten op de achterste uiteinden van de vloerrails voor de voorstoelen.
Gerelateerde informatie
•
•
De positie van de bevestigingspunten voorin.
De bevestigingspunten voorin zitten aan de zijkanten van de beenruimte voor de passagiersstoel.
Kinderzitje (p. 75)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 77)
•
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten (p. 81)
•
Passagiersairbag* activeren/deactiveren
(p. 69)
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 79)
De bevestigingspunten voorin zijn alleen gemonteerd als de auto is voorzien van een schakelaar
78
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die
de veiligheidsgordel in de auto
gebruiken
De tabel geeft aanbevelingen voor de te gebruiken kinderzitjes op de verschillende zitplaatsen
en voor de desbetreffende gewichtsgroepen.
Gewicht
Groep 0
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
Groep 1
9-18 kg
Groep 2
15-25 kg
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag, alleen tegen de rijrichting in
geplaatste kinderzitjes)
N.B.
Neem, voordat u een kinderzitje in de auto
monteert, altijd het hoofdstuk "Kinderzitjes"
door.
Voorstoel (met geactiveerde airbag,
alleen in de rijrichting geplaatste
kinderzitjes)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
UA, B
X
UB
UB
UA, B
X
UB
UB
LC
UFA, D
U, LC
U
LC
UFA
UE, F, B*, G, LC
UE
}}
* Optie/accessoire.
79
VEILIGHEID
||
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag, alleen tegen de rijrichting in
geplaatste kinderzitjes)
Groep 3
22–36 kg
Voorstoel (met geactiveerde airbag,
alleen in de rijrichting geplaatste
kinderzitjes)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
UFA
UF, H, B*, G
UH
X
U: Geschikt voor kinderzitjes met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes met universele goedkeuring.
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of semi-universeel zijn.
B: een geïntegreerd kinderzitje dat goedgekeurd is voor vervoer van kinderen in de betrokken gewichtsgroep.
X: deze plaats is niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsgroep.
A
B
C
D
E
F
G
H
Zet de rugleuning beter rechtop.
Volvo adviseert: Volvo-babyzitje (typegoedkeuring E1 04301146).
Volvo adviseert: Tegen de rijrichting in geplaatst omkeerbaar Volvo-zitje (typegoedkeuring E5 04192); tegen de rijrichting in geplaatste Volvo-kinderzitje (typegoedkeuring E5 04212).
Voor kinderen in deze gewichtsgroep adviseert Volvo een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje.
Volvo adviseert: in de rijrichting geplaatst omkeerbaar Volvo-zitje (typegoedkeuring E5 04191); verhogingskussen met of zonder rugleuning (typegoedkeuring E5 04216); Volvo-kinderzitje met rugleuning (typegoedkeuring E1 04301169); Volvo-kinderzitje (typegoedkeuring E1 04301312).
Volvo adviseert: Römer KidFix XP (typegoedkeuring E1 04301312).
Volvo adviseert: geïntegreerd kinderzitje.
Volvo adviseert: verhogingskussen met of zonder rugleuning (typegoedkeuring E5 04216); Volvo-kinderzitje met rugleuning (typegoedkeuring E1 04301169).
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
80
Gerelateerde informatie
•
•
Kinderzitje (p. 75)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 77)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 82)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 85)
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten
De auto is voorzien van i-Size/ISOFIX4-bevestigingspunten voor kinderzitjes op de achterbank.
Klap de afdekkingen omhoog om bij de bevestigingspunten te komen.
Gerelateerde informatie
i-Size/ISOFIX is een bevestigingssysteem voor
kinderzitjes dat gebaseerd is op een internationale norm.
•
•
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
•
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 78)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 85)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 82)
Positie van de bevestigingspunten
Kinderzitje (p. 75)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 77)
Symbolen4 achter op de rugbekleding geven de positie
van de bevestigingspunten aan.
De bevestigingspunten voor het i-Size/ISOFIXsysteem zitten achter afdekkingen onder in de
rugleuningen van de achterbank, op de beide
buitenste zitplaatsen.
4
Naam en symbool verschillen per markt.
81
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor ISOFIXkinderzitjes
De tabel geeft aanbevelingen voor de te gebruiken ISOFIX-kinderzitjes op de verschillende zitplaatsen en voor de desbetreffende gewichtsgroepen.
Gewicht
Groep 0
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
82
AfmetingscategorieA
Het kinderzitje moet zijn goedgekeurd conform
UN Reg R44 en de producent van het zitje moet
het desbetreffende automodel op de lijst met
compatibele auto's vermelden.
Type kinderzitje
E
Tegen rijrichting in geplaatst
babyzitje
E
Tegen rijrichting in geplaatst
babyzitje
C
Tegen rijrichting in geplaatst
kinderzitje
D
Tegen rijrichting in geplaatst
kinderzitje
N.B.
Neem, voordat u een kinderzitje in de auto
monteert, altijd het hoofdstuk "Kinderzitjes"
door.
Voorstoel (met
gedeactiveerde airbag, alleen tegen de
rijrichting in geplaatste
kinderzitjes)B
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen
in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)B
Buitenste zitplaats
achterbank
Middelste zitplaats achterbank
ILB, C, XD
X
ILC
X
ILB, C, E, XD
X
ILC
X
VEILIGHEID
Gewicht
Groep 1
9–18 kg
AfmetingscategorieA
Type kinderzitje
A
In rijrichting geplaatst kinderzitje
B
In rijrichting geplaatst kinderzitje
B1
In rijrichting geplaatst kinderzitje
C
Tegen rijrichting in geplaatst
kinderzitje
D
Tegen rijrichting in geplaatst
kinderzitje
Voorstoel (met
gedeactiveerde airbag, alleen tegen de
rijrichting in geplaatste
kinderzitjes)B
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen
in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)B
Buitenste zitplaats
achterbank
Middelste zitplaats achterbank
X
ILB, E, F, XD
ILF, IUFF
X
ILB, E, XD
X
ILG
X
}}
83
VEILIGHEID
||
Gewicht
AfmetingscategorieA
Type kinderzitje
Voorstoel (met
gedeactiveerde airbag, alleen tegen de
rijrichting in geplaatste
kinderzitjes)B
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen
in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)B
Buitenste zitplaats
achterbank
Middelste zitplaats achterbank
IL: Geschikt voor bepaalde ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of semiuniverseel zijn.
IUF: Geschikt voor in de rijrichting geplaatste ISOFIX-kinderzitjes met een universele goedkeuring voor gebruik voor kinderen in de betrokken gewichtsgroep.
X: Niet geschikt voor ISOFIX-kinderzitjes.
A
B
C
D
E
F
G
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-systeem zijn er afmetingscategorieën om te helpen bij het kiezen van het juiste type kinderzitje. De afmetingscategorie staat aangegeven op het etiket van het kinderzitje.
Geschikt voor montage van ISOFIX-kinderzitjes met semi-universele goedkeuring (IL), als de auto is uitgerust met een ISOFIX-console (accessoire) (het aanbod aan accessoires verschilt per markt).
Volvo adviseert: Volvo-babyzitje bevestigd met ISOFIX-systeem (typegoedkeuring E1 04301146).
Geldt bij een auto zonder ISOFIX-console.
Stel de rugleuning zo in dat de hoofdsteun het kinderzitje niet raakt.
Voor kinderen in deze gewichtsgroep adviseert Volvo een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje.
Volvo adviseert: BeSafe iZi Kid X3 ISOfix (typegoedkeuring E5 04200).
WAARSCHUWING
N.B.
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
N.B.
Als een i-Size/ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, moet het automodel op
de voertuiglijst van het kinderzitje staan.
Volvo raadt u aan om contact op te nemen
met een erkende Volvo-dealer voor de i-Size/
ISOFIX-kinderzitjes die Volvo adviseert.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
84
Kinderzitje (p. 75)
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten (p. 81)
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 85)
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 79)
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor i-Sizekinderzitjes
Het kinderzitje moet zijn goedgekeurd conform
UN Reg R129.
De tabel geeft aanbevelingen voor de te gebruiken i-Size-kinderzitjes op de verschillende zitplaatsen en voor de desbetreffende gewichtsgroepen.
N.B.
Neem, voordat u een kinderzitje in de auto
monteert, altijd het hoofdstuk "Kinderzitjes"
door.
Type kinderzitje
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag, alleen tegen de rijrichting in
geplaatste kinderzitjes)
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
i-Size-kinderzitje
X
X
i-UA
X
i-U: Geschikt voor i-Size-kinderzitje met "universele" goedkeuring dat in of tegen de rijrichting in geplaatst is.
X: Niet geschikt voor kinderzitjes met universele goedkeuring.
A
Volvo adviseert een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje voor deze categorie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Kinderzitje (p. 75)
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten (p. 81)
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 82)
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 79)
85
VEILIGHEID
Geïntegreerd kinderzitje*
In de geïntegreerde kinderzitjes op de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank kunnen kinderen comfortabel en veilig meerijden.
•
•
Het geïntegreerde kinderzitje is speciaal ontwikkeld om kinderen optimale bescherming te bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordel is het geïntegreerde kinderzitje goedgekeurd voor kinderen met een gewicht van 15 tot
36 kg en een lengte van minimaal 97 cm.
de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt
de heupgordel laag over het bekken loopt,
zodat deze maximale bescherming biedt.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u reparatie- en vervangingswerk over te laten aan een erkende Volvowerkplaats. Verricht geen wijzigingen in of
aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje. Als een geïntegreerd kinderzitje aan
grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u het geïntegreerde kinderzitje in zijn geheel vervangen.
Ook als het geïntegreerde kinderzitje er intact
uitziet, kunnen er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het geïntegreerde kinderzitje moet ook worden vervangen als het erg versleten is.
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen*
Om de geïntegreerde kinderzitjes op de beide
buitenste zitplaatsen van de achterbank te
gebruiken moet u ze eerst uitklappen.
Het geïntegreerde kinderzitje is in twee standen
uit te klappen. Welke stand u moet gebruiken
hangt af van het gewicht van het te vervoeren
kind.
Gewicht
Onderste stand
Bovenste stand
22–36 kg
15-25 kg
Onderste stand:
WAARSCHUWING
Bij het negeren van de instructies voor het
geïntegreerde kinderzitje kan het kind in geval
van een ongeluk ernstig letsel oplopen.
Goede positie: de gordel loopt midden over de schouder.
Zorg alvorens weg te rijden dat:
86
•
het geïntegreerde kinderzitje in de vergrendelde stand staat
•
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens slap
hangt of verdraaid is
Gerelateerde informatie
•
•
•
Kinderen en veiligheid (p. 74)
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen* (p. 86)
Trek de handgreep naar voren en omhoog
om het kinderzitje vrij te geven.
Geïntegreerd kinderzitje inklappen* (p. 88)
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Bovenste stand, met de onderste stand als uitgangspunt:
Duw het kinderzitje naar achteren om het te
vergrendelen.
Druk op de knop om het kinderzitje vrij te
geven.
Til het kinderzitje aan de voorkant op en duw
het achteruit tegen de rugleuning aan om
het te vergrendelen.
WAARSCHUWING
Bij het negeren van de instructies voor het
geïntegreerde kinderzitje kan het kind in geval
van een ongeluk ernstig letsel oplopen.
N.B.
Het geïntegreerde kinderzitje is vanuit de
bovenste stand niet in één keer in de onderste stand te zetten. U moet het geïntegreerde
kinderzitje eerste helemaal tot op het zitkussen omlaagklappen en vervolgens tot in de
onderste stand omhoogklappen.
}}
87
VEILIGHEID
||
Gerelateerde informatie
•
•
Geïntegreerd kinderzitje* (p. 86)
Geïntegreerd kinderzitje inklappen* (p. 88)
Geïntegreerd kinderzitje inklappen*
De geïntegreerde kinderzitjes op de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank moeten na
gebruik weer worden ingeklapt.
N.B.
Het geïntegreerde kinderzitje is vanuit de
bovenste stand niet in één keer in de onderste stand te zetten. U moet het geïntegreerde
kinderzitje eerste helemaal tot op het zitkussen omlaagklappen en vervolgens tot in de
onderste stand omhoogklappen.
Duw het zitje met uw hand omlaag om het
zitje te vergrendelen.
BELANGRIJK
Controleer voordat u het kinderzitje weer
neerklapt of er geen losse voorwerpen (zoals
stukken speelgoed) in het gebied onder het
zitje liggen.
N.B.
Bij het inklappen van rugleuningen achter
moet eerst het kinderzitje worden neergeklapt.
Trek de handgreep naar voren om het zitje
vrij te geven.
Gerelateerde informatie
•
•
88
Geïntegreerd kinderzitje* (p. 86)
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen* (p. 86)
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instrumenten en bediening, auto
met stuur links
In de overzichten wordt aangegeven waar displays en bedieningselementen dicht bij de
bestuurder zitten.
Display/functie/bediening
Display/functie/bediening
Wissers en sproeiers, regensensor*
Leeslampjes en interieurverlichting voorin
Rechter knoppenset op het stuur
Panoramadak*
Stuurwielafstelling
Display in plafondconsole
Claxon
Handmatige dimfunctie van achteruitkijkspiegel
Linker knoppenset op het stuur
Motorkap openen
Displayverlichting, achterklep ontgrendelen, achterklep openen/sluiten*, koplamphoogteregeling van halogeenkoplampen
Display/functie/bediening
Stadslicht, dagrijlicht, dimlicht, groot licht,
richtingaanwijzers, mistlampen vóór/
bochtverlichting*, mistachterlicht, op nul
zetten van dagtellers
Stuurpaddles om handmatig te schakelen met automatische transmissie*
Head-updisplay*
Bestuurdersdisplay
Display/functie/bediening
Middendisplay
Alarmlichten, maximale ontwaseming/
elektrische voorruitverwarming*, media,
dashboardkastje openen
Schakelhendel/keuzehendel
90
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Display/functie/bediening
Display/functie/bediening
Startknop
Elektrisch bedienbare ruiten, buitenspiegels
Rijmodusknop*
Instelling van voorstoel
Instrumenten en bediening, auto
met stuur rechts
In de overzichten wordt aangegeven waar displays en bedieningselementen dicht bij de
bestuurder zitten.
Parkeerrem
Automatische rem bij stilstand
Display/functie/bediening
Display/functie/bediening
Geheugens voor instellingen van:
•
•
•
elektrisch bedienbare voorstoel*
Buitenspiegels
Head-updisplay*
Portier openen, portieren en achterklep
vergrendelen/ontgrendelen
Stadslicht, dagrijlicht, dimlicht, groot licht,
richtingaanwijzers, mistlampen vóór/
bochtverlichting*, mistachterlicht, op nul
zetten van dagtellers
Stuurpaddles om handmatig te schakelen met automatische transmissie*
Head-updisplay*
Bestuurdersdisplay
}}
* Optie/accessoire.
91
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Display/functie/bediening
Display/functie/bediening
Display/functie/bediening
Wissers en sproeiers, regensensor*
Leeslampjes en interieurverlichting voorin
Startknop
Rechter knoppenset op het stuur
Panoramadak*
Rijmodusknop*
Displayverlichting, achterklep openen,
achterklep* openen/sluiten
Display in plafondconsole
Parkeerrem
Handmatige dimfunctie van achteruitkijkspiegel
Automatische rem bij stilstand
Motorkap openen
Claxon
Stuurwielafstelling
Linker knoppenset op het stuur
Display/functie/bediening
Middendisplay
Alarmlichten, maximale ontwaseming/
elektrische voorruitverwarming*, media,
dashboardkastje openen
Schakelhendel/keuzehendel
92
Display/functie/bediening
Geheugens voor instellingen van:
•
•
•
elektrisch bedienbare voorstoel*
Buitenspiegels
Head-updisplay*
Portier openen, portieren en achterklep
vergrendelen/ontgrendelen
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Display/functie/bediening
Elektrisch bedienbare ruiten, buitenspiegels
Instelling van voorstoel
93
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Bestuurdersdisplay
WAARSCHUWING
Het bestuurdersdisplay geeft informatie weer
over de auto en het rijden.
Van het bestuurdersdisplay maken deel uit
meters, indicatoren en controle- en waarschuwingssymbolen. Wat er op het bestuurdersdisplay
wordt weergegeven, hangt af van de uitrusting,
instellingen en de op dat moment actieve functies van de auto.
Bestuurdersdisplay, 12 inch
Maak geen gebruik van de auto, als het
bestuurdersdisplay na de activering/start
dooft of niet oplicht of als het bestuurdersdisplay of delen ervan onleesbaar zijn. Bezoek
onmiddellijk een werkplaats. Geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Het bestuurdersdisplay is verkrijgbaar in twee uitvoeringen: één van 12 inch en één van 8 inch.
WAARSCHUWING
Bij storingen in het bestuurdersdisplay kan
mogelijk geen informatie over het remsysteem, de airbags of andere veiligheidssystemen worden weergegeven. U kunt de status
van de autosystemen dan niet controleren en
evenmin waarschuwingen en informatie ontvangen.
Positie op het bestuurdersdisplay:
94
Links
In het midden
Rechts
Snelheidsmeter
Controle- en waarschuwingssymbolen
ToerentellerA
Dagtellers
Buitentemperatuur
ECO-meterA
Kilometerteller
Klok
Schakelindicator
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
A
Links
In het midden
Rechts
Informatie over cruisecontrol en snelheidsbegrenzer
Meldingen, in bepaalde gevallen met grafische voorstellingen
Rijmodus
Verkeersbordinformatie*
Informatie over portieren en gordels
Brandstofmeter
-
Mediaspeler
Status van Start/Stop-systeem
-
Navigatiekaart*
Actieradius op tank
-
Telefoon
Momentaan brandstofverbruik
-
Stembediening
Appmenu (te activeren met de knoppenset op het
stuurwiel)
Afhankelijk van de gekozen rijmodus.
Bestuurdersdisplay, 8 inch
}}
* Optie/accessoire.
95
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Positie op het bestuurdersdisplay:
A
96
Links
In het midden
Rechts
Brandstofmeter
Snelheidsmeter
Mediaspeler
Rijmodus
Verkeersbordinformatie*
Telefoon
Schakelindicator
Informatie over cruisecontrol en snelheidsbegrenzer
Navigatie-informatie*
ToerentellerA
Informatie over portieren en gordels
Klok
ECO-meterA
Status van Start/Stop-systeem
Appmenu (te activeren met de knoppenset op het stuurwiel)
Actieradius op tank
-
Momentaan brandstofverbruik
Buitentemperatuur
-
Kilometerteller
Controle- en waarschuwingssymbolen
-
Dagtellers
-
-
Controle- en waarschuwingssymbolen
-
-
Stembediening
-
-
Motortemperatuurmeter
-
-
Meldingen, in bepaalde gevallen met grafische voorstellingen
Afhankelijk van de gekozen rijmodus.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Positie van flexibel symbool
Gerelateerde informatie
•
•
Instellingen voor bestuurdersdisplay (p. 98)
•
Waarschuwingssymbolen op bestuurdersdisplay (p. 101)
•
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
(p. 110)
•
Licentieovereenkomst voor bestuurdersdisplay (p. 105)
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
(p. 99)
Voorbeeld met controlesymbool op een 12 inch bestuurdersdisplay.
In het midden van het bestuurdersdisplay kunnen
verschillende symbolen verschijnen afhankelijk
van het type melding. Het symbool kan bestaan
uit een controle- of waarschuwingssymbool of uit
een animatie bestaande uit een groeiend symbool.
Bestuurdersdisplay activeren
Het bestuurdersdisplay wordt geactiveerd zodra
er een portier wordt geopend, dat wil zeggen in
contactslotstand 0. Het bestuurdersdisplay dooft,
als het enige tijd niet wordt gebruikt. Om het
weer te activeren moet u het volgende doen:
•
•
•
Bedien het rempedaal.
Draai de startknop naar contactslotstand I.
Open een van de portieren.
97
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instellingen voor bestuurdersdisplay
3.
Instellingen voor het bestuurdersdisplay zijn te
verrichten in het applicatiemenu van het bestuurdersdisplay en in het menu Instellingen van het
middendisplay.
• Geen info in achtergrond tonen
• Info huidige gespeelde media tonen
• Navigatie ook tonen zonder
Instellingen in het applicatiemenu
ingestelde route1.
In het appmenu is te kiezen welke informatie op
het bestuurdersdisplay moet verschijnen:
•
•
•
•
Thema kiezen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
telefoon
navigatiesysteem*.
Het applicatiemenu van het bestuurdersdisplay is
te openen en te bedienen via de rechter stuurknoppenset, zie het artikel "Applicatiemenu op
bestuurdersdisplay bedienen".
Instellingen op middendisplay
Informatietype kiezen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
1
98
Bij het 12 inch bestuurdersdisplay verschijnt
de informatie in het midden en bij het 8 inch
bestuurdersdisplay in het veld rechtsboven.
boordcomputer
mediaspeler
Druk op My Car Displays
bestuurdersdisplay.
Kies wat er op de achtergrond moet verschijnen:
Opties
2.
Druk op My Car
3.
Kies thema (uiterlijk) van het bestuurdersdisplay:
•
•
•
•
Displays
2.
Druk op Systeem Systeemtaal om een
taal te kiezen.
> Een wijziging werkt door op de taal op alle
niveaus.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 94)
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
(p. 110)
Instellingsscherm (p. 175)
Toon skins
Glass
Minimalistic
Performance
Chrome Rings.
Taal kiezen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Alleen op een 12 inch bestuurdersdisplay verschijnt een kaart. Bij het 8 inch bestuurdersdisplay verschijnt alleen routebegeleiding. Zie voor meer informatie de artikelen "Displays en bediening voor kaartnavigatie" en "Kaartnavigatie op bestuurdersdisplay".
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Controlesymbolen op
bestuurdersdisplay
De controlesymbolen attenderen u erop dat de
bijbehorende functies ingeschakeld zijn, de desbetreffende systemen actief zijn of dat er storingen of gebreken zijn opgetreden.
Symbool
Betekenis
Informatie, lees displaymelding
Symbool
Betekenis
Automatische rem aan
Het symbool brandt, wanneer de
functie actief is en de bedrijfsrem
of parkeerrem ingrijpen. De rem
zorgt dat de auto stil blijft staan,
nadat deze tot stilstand is gekomen.
Symbool
Betekenis
Richtingaanwijzer links en
rechts
De symbolen knipperen als de richtingaanwijzers worden gebruikt.
Bandenspanningssysteem
stadslichten
Het symbool brandt, wanneer de
stadslichten zijn ingeschakeld.
Het symbool brandt bij een storing
in de parkeerrem.
Het symbool brandt bij een te lage
bandenspanning. Bij een storing in
het bandenspanningssysteem gaat
het symbool eerst ca. 1 minuut
knipperen en vervolgens permanent branden. Dit kan komen doordat het systeem niet als beoogd
een lage bandenspanning kan
registreren of daarvoor waarschuwen.
Storing in ABS
Uitlaatgasreinigingssysteem
Als het symbool brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog
wel, zij het zonder ABS-regeling.
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan na een motorstart het symbool gaan branden.
Rijd voor een controle naar een
werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Het symbool brandt met blauw licht
als het automatisch groot licht aan
is.
Bij een afwijking in een van de
autosystemen gaat het informatiesymbool branden op het bestuurdersdisplay en verschijnt er een
displaytekst. Het informatiesymbool
kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
Storing in remsysteem
Fout in het koplampsysteem
Het symbool brandt, als er een storing is opgetreden in het ABL
(Active Bending Lights) of als er
een andere storing is opgetreden
in het koplampsysteem.
Automatisch groot licht aan
Automatisch groot licht uit
Het symbool brandt met wit licht
als het automatisch groot licht uit
is.
}}
99
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Symbool
Betekenis
Betekenis
Symbool
Betekenis
Groot licht aan
Regensensor aan
Rijbaanassistent
Het symbool brandt, wanneer u het
groot licht voert of grootlichtsignalen geeft.
Dit symbool brandt, wanneer de
regensensor aanstaat.
Wit symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is waargenomen.
Preconditioning aan
Grijs symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is niet waargenomen.
Automatisch groot licht aan
Het symbool brandt met blauw licht
als het automatisch groot licht aan
is. Stadslichten zijn ingeschakeld.
Het symbool brandt, wanneer de
motor- en interieurverwarming/
airconditioning voor preconditioning van de auto zorgen.
Automatisch groot licht uit
Stabiliteitsregeling
Het symbool brandt met wit licht
als het automatisch groot licht uit
is. Stadslichten zijn ingeschakeld.
Het knipperende symbool geeft
aan dat de stabiliteitsregeling
werkt. Als het symbool continu
brandt is er sprake van een storing
in het systeem.
Groot licht aan
Het symbool brandt, wanneer het
groot licht en de stadslichten zijn
ingeschakeld.
Mistlampen aan
Het symbool brandt, wanneer de
mistlampen voor zijn ingeschakeld.
Mistachterlicht aan
Het symbool brandt, wanneer het
mistachterlicht is ingeschakeld.
100
Symbool
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
Het symbool brandt, wanneer de
Sport-stand is geactiveerd. De
Sport-stand maakt een actievere
rijervaring mogelijk. Het systeem
registreert dan of de gaspedaal- en
stuurwielbediening alsook het
bochtenwerk aan te merken zijn als
sportiever dan normaal, waarna het
systeem toestaat dat de achtertrein
een gecontroleerde vorm van slippen vertoont voordat het ingrijpt en
de auto stabiliseert.
Geel lampje: Rijbaanassistent
waarschuwt/grijpt in.
Rijbaanassistent en regensensor
Wit symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is waargenomen.
De regensensor is aan.
Grijs symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is niet waargenomen. De regensensor is aan.
Waarschuwing voor portier, motorkap,
achterklep en tankvulklep
Als een portier, motorkap, achterklep of tankvulklep niet goed dichtstaat, gaat het informatie- of
waarschuwingssymbool op het bestuurdersdisplay branden in combinatie met een grafische
voorstelling.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 94)
Waarschuwingssymbolen op bestuurdersdisplay (p. 101)
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 65)
Waarschuwingssymbolen op
bestuurdersdisplay
De waarschuwingssymbolen attenderen u erop
dat de bijbehorende belangrijke functies/systemen ingeschakeld zijn of dat er ernstige storingen of gebreken zijn opgetreden.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau in
het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
Het remvloeistofverlies moet door een werkplaats worden gecontroleerd. Volvo adviseert
u daarvoor contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Als de rem- en ABS-symbolen tegelijkertijd
branden, bestaat de kans dat de achtertrein
bij krachtig afremmen slipt.
Symbool
Betekenis
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool
gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd die van
invloed kan zijn op de veiligheid
en/of de rijeigenschappen van de
auto. Er verschijnt tegelijkertijd een
verklarende tekstmelding op het
bestuurdersdisplay. Het waarschuwingssymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
Gordelwaarschuwing
Het lampje brandt als u of de voorpassagier geen veiligheidsgordel
draagt of als iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
Airbags
Als het symbool tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing geregistreerd in een van de
veiligheidssystemen van de auto.
Lees de melding op het bestuurdersdisplay. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
}}
101
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Symbool
Betekenis
Symbool
Betekenis
Storing in remsysteem
Lage oliedruk
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag.
Bezoek de dichtstbijzijnde erkende
werkplaats om het remvloeistofpeil
te laten controleren en aanpassen.
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie
te laag. Zet de motor onmiddellijk
af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het lampje
oplicht terwijl het oliepeil in orde is,
moet u contact opnemen met een
werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Parkeerrem aangezet
Het lampje brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet.
Een knipperend symbool houdt in
dat er een storing is opgetreden.
Lees de melding op het bestuurdersdisplay.
Dynamo laadt niet bij
Het lampje gaat tijdens het rijden
branden, als er sprake is van een
storing in het elektrisch systeem.
Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
Waarschuwing voor portier, motorkap,
achterklep en tankvulklep
Als een portier, motorkap, achterklep of tankvulklep niet goed dichtstaat, gaat het informatie- of
waarschuwingssymbool op het bestuurdersdisplay branden in combinatie met een grafische
voorstelling.
102
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 94)
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
(p. 99)
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 65)
Veiligheid (p. 58)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Buitentemperatuurmeter
De buitentemperatuurmeter staat aangegeven
op het bestuurdersdisplay.
Een sensor registreert de temperatuur buiten de
auto.
Instelling van de
buitentemperatuurmeter
Wijzig de eenheid voor onder meer de temperatuurmeter via het hoofdscherm van het middendisplay.
–
Klok
De klok is zichtbaar op zowel bestuurders- als
middendisplay.
Positie
Kies Instellingen Systeem
Eenheden en markeer het gewenste type
eenheden: Metr.,Imper. of VS.
Gerelateerde informatie
•
•
Positie van de buitentemperatuurmeter bij een 12 inch
en een 8 inch bestuurdersdisplay.
Als de auto geparkeerd heeft gestaan, is het
mogelijk dat de meter een te hoge temperatuur
aangeeft.
Wanneer de buitentemperatuur in het gebied –5
°C tot +2 °C ligt, brandt er ook een sneeuwvloksymbool op het bestuurdersdisplay, dat voor slipgevaar waarschuwt. Het sneeuwvloksymbool gaat
ook tijdelijk branden op het head-updisplay, als
de auto daarmee is uitgerust.
Bestuurdersdisplay (p. 94)
Klimaatsensoren (p. 189)
Positie van de klok bij een 12 inch en een 8 inch
bestuurdersdisplay.
Op het middendisplay zit de klok rechts bovenaan
op de statusbalk.
In sommige situaties kan de klok op het bestuurdersdisplay schuilgaan achter meldingen en
informatie.
Instellingen voor tijd en datum
Kies Instellingen Systeem Datum en tijd
op het hoofdscherm van het middendisplay om
de instellingen voor tijd- en datumformaat te wijzigen.
}}
103
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Stel de tijd en datum in door op de pijlen omhoog
of omlaag op het touchscreen te drukken.
Automatische tijd voor auto's met gps
Bij een auto met navigatiesysteem kunt u
Automatische tijd kiezen. De tijdzone wordt dan
automatisch ingesteld aan de hand van waar de
auto zich bevindt. Voor een bepaald type navigatiesysteem moet ook de huidige locatie (land)
worden ingesteld om de juiste tijdzone te krijgen.
Als Automatische tijd niet is gekozen, stelt u
tijd en datum met de pijlen omhoog of omlaag op
het touchscreen.
Zomertijd
In sommige landen kan automatische instelling
van de zomertijd worden geselecteerd met Auto.
Voor alle overige landen kan de zomertijd worden
ingesteld met Aan of Uit.
Brandstofmeter voor autogas*
Een auto met een Bi-Fuel-motor heeft een aparte
brandstofmeter voor autogas.
Als de gastank leeg is, klinkt de schakelaar 3
keer. De niveaumeter gaat uit en het systeem
schakelt automatisch over op benzine.
N.B.
Zorg dat de benzinetank nooit helemaal leeg
is, omdat de auto altijd op benzine start.
Gerelateerde informatie
•
•
Autogas* tanken (p. 430)
Knop voor gebruik autogas* (p. 431)
De markeringen boven de knop geven het
actuele brandstofniveau aan.
Gerelateerde informatie
•
•
104
Bestuurdersdisplay (p. 94)
Instellingsscherm (p. 175)
Aantal dioden
Kleur van de
dioden
Brandstofniveau
(%)
5
Groen
81–100
4
Groen
61–80
3
Groen
41–60
2
Groen
21–40
1
Groen
11–20
1
Rood
0–10
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Licentieovereenkomst voor
bestuurdersdisplay
Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen te verrichten of het recht om gebruik te maken van
een product waar een andere rechtspersoon
octrooi of eigendomsrechten op heeft, onder de
voorwaarden vervat in de overeenkomst. Hier
volgt een Engelse versie van de overeenkomst
tussen Volvo en producenten/ontwikkelaars.
BSD 4-clause "Original" or "Old"
License
Copyright (c) 1982, 1986, 1990, 1991, 1993
The Regents of the University of California. All
rights reserved.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer.
2.
Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution.
3.
All advertising materials mentioning features
or use of this software must display the
following acknowledgement: This product
includes software developed by the
University of California, Berkeley and its
contributors.
4.
Neither the name of the University nor the
names of its contributors may be used to
endorse or promote products derived from
this software without specific prior written
permission.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE
REGENTS AND CONTRIBUTORS ``AS IS'' AND
ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY
AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE
ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE
REGENTS OR CONTRIBUTORS BE LIABLE
FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL,
SPECIAL, EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL
DAMAGES (INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR
SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS;
OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER
CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY,
OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF
THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
BSD 3-clause "New" or "Revised"
License
Copyright (c) 2011-2014, Yann Collet.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer.
2.
Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution.
3.
Neither the name of the organisation nor the
names of its contributors may be used to
endorse or promote products derive from this
software without specific prior written
permission.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE
COPYRIGHT HOLDERS AND CONTRIBUTORS
"AS IS" AND ANY EXPRESS OR IMPLIED
WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED
TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN
NO EVENT SHALL THE COPYRIGHT HOLDER
OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY
DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL,
EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES
(INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR
SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS;
OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER
CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY,
}}
105
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY,
OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF
THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
BSD 2-clause “Simplified” license
Copyright (c) <YEAR>, <OWNER> All rights
reserved.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer.
2.
Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE
COPYRIGHT HOLDERS AND CONTRIBUTORS
"AS IS" AND ANY EXPRESS OR IMPLIED
WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED
TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN
NO EVENT SHALL THE COPYRIGHT OWNER
OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY
DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL,
106
EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES
(INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR
SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS;
OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER
CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY,
OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF
THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
The views and conclusions contained in the
software and documentation are those of the
authors and should not be interpreted as
representing official policies, either expressed or
implied, of the FreeBSD Project.
FreeType Project License
1.
1 Copyright 1996-1999 by David Turner,
Robert Wilhelm, and Werner Lemberg
Introduction The FreeType Project is
distributed in several archive packages; some
of them may contain, in addition to the
FreeType font engine, various tools and
contributions which rely on, or relate to, the
FreeType Project. This license applies to all
files found in such packages, and which do
not fall under their own explicit license. The
license affects thus the FreeType font
engine, the test programs, documentation
and makefiles, at the very least. This license
was inspired by the BSD, Artistic, and IJG
(Independent JPEG Group) licenses, which
all encourage inclusion and use of free
software in commercial and freeware
products alike. As a consequence, its main
points are that: o We don't promise that this
software works. However, we are be
interested in any kind of bug reports. (`as is'
distribution) o You can use this software for
whatever you want, in parts or full form,
without having to pay us. (`royalty-free'
usage) o You may not pretend that you wrote
this software. If you use it, or only parts of it,
in a program, you must acknowledge
somewhere in your documentation that
you've used the FreeType code. (`credits')
We specifically permit and encourage the
inclusion of this software, with or without
modifications, in commercial products,
provided that all warranty or liability claims
are assumed by the product vendor. Legal
Terms 0. Definitions Throughout this license,
the terms `package', `FreeType Project', and
`FreeType archive' refer to the set of files
originally distributed by the authors (David
Turner, Robert Wilhelm, and Werner
Lemberg) as the `FreeType project', be they
named as alpha, beta or final release. `You'
refers to the licensee, or person using the
project, where `using' is a generic term
including compiling the project's source code
as well as linking it to form a `program' or
`executable'. This program is referred to as `a
program using the FreeType engine'. This
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
license applies to all files distributed in the
original FreeType archive, including all source
code, binaries and documentation, unless
otherwise stated in the file in its original,
unmodified form as distributed in the original
archive. If you are unsure whether or not a
particular file is covered by this license, you
must contact us to verify this. The FreeType
project is copyright (C) 1996-1999 by David
Turner, Robert Wilhelm, and Werner
Lemberg. All rights reserved except as
specified below. 1. No Warranty THE
FREETYPE ARCHIVE IS PROVIDED `AS IS'
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EITHER EXPRESSED OR IMPLIED,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND
FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE.
IN NO EVENT WILL ANY OF THE
AUTHORS OR COPYRIGHT HOLDERS BE
LIABLE FOR ANY DAMAGES CAUSED BY
THE USE OR THE INABILITY TO USE, OF
THE FREETYPE PROJECT. As you have not
signed this license, you are not required to
accept it. However, as the FreeType project
is copyrighted material, only this license, or
another one contracted with the authors,
grants you the right to use, distribute, and
modify it. Therefore, by using, distributing, or
modifying the FreeType project, you indicate
that you understand and accept all the terms
of this license.
2.
3.
Redistribution Redistribution and use in
source and binary forms, with or without
modification, are permitted provided that the
following conditions are met: o Redistribution
of source code must retain this license file
(`licence.txt') unaltered; any additions,
deletions or changes to the original files
must be clearly indicated in accompanying
documentation. The copyright notices of the
unaltered, original files must be preserved in
all copies of source files. o Redistribution in
binary form must provide a disclaimer that
states that the software is based in part of
the work of the FreeType Team, in the
distribution documentation. We also
encourage you to put an URL to the
FreeType web page in your documentation,
though this isn't mandatory. These conditions
apply to any software derived from or based
on the FreeType code, not just the
unmodified files. If you use our work, you
must acknowledge us. However, no fee need
be paid to us.
Advertising The names of FreeType's authors
and contributors may not be used to endorse
or promote products derived from this
software without specific prior written
permission. We suggest, but do not require,
that you use one or more of the following
phrases to refer to this software in your
documentation or advertising materials:
`FreeType Project', `FreeType Engine',
`FreeType library', or `FreeType Distribution'.
4.
Contacts There are two mailing lists related
to FreeType: o freetype@freetype.org
Discusses general use and applications of
FreeType, as well as future and wanted
additions to the library and distribution. If you
are looking for support, start in this list if you
haven't found anything to help you in the
documentation. o devel@freetype.org
Discusses bugs, as well as engine internals,
design issues, specific licenses, porting, etc.
o http://www.freetype.org Holds the current
FreeType web page, which will allow you to
download our latest development version and
read online documentation. You can also
contact us individually at: David Turner
<david.turner@freetype.org> Robert Wilhelm
<robert.wilhelm@freetype.org> Werner
Lemberg <werner.lemberg@freetype.org>
Libpng License
This copy of the libpng notices is provided for
your convenience. In case of any discrepancy
between this copy and the notices in the file
png.h that is included in the libpng distribution,
the latter shall prevail.
}}
107
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
COPYRIGHT NOTICE, DISCLAIMER, and
LICENSE:
If you modify libpng you may insert additional
notices immediately following this sentence.
Tom Lane
libpng versions 1.0.7, July 1, 2000, through
1.0.13, April 15, 2002, are Copyright (c)
2000-2002 Glenn Randers-Pehrson and are
distributed according to the same disclaimer and
license as libpng-1.0.6 with the following
individuals added to the list of Contributing
Authors
libpng versions 0.89, June 1996, through 0.96,
May 1997, are Copyright (c) 1996, 1997
Andreas Dilger Distributed according to the same
disclaimer and license as libpng-0.88, with the
following individuals added to the list of
Contributing Authors:
Simon-Pierre Cadieux
Kevin Bracey
Eric S. Raymond
Sam Bushell
Gilles Vollant
Magnus Holmgren
and with the following additions to the disclaimer:
Greg Roelofs
There is no warranty against interference with
your enjoyment of the library or against
infringement. There is no warranty that our efforts
or the library will fulfill any of your particular
purposes or needs. This library is provided with all
faults, and the entire risk of satisfactory quality,
performance, accuracy, and effort is with the user.
libpng versions 0.97, January 1998, through
1.0.6, March 20, 2000, are Copyright (c) 1998,
1999 Glenn Randers-Pehrson, and are
distributed according to the same disclaimer and
license as libpng-0.96, with the following
individuals added to the list of Contributing
Authors:
108
Glenn Randers-Pehrson
Willem van Schaik
John Bowler
The PNG Reference Library is supplied "AS IS".
The Contributing Authors and Group 42, Inc.
disclaim all warranties, expressed or implied,
including, without limitation, the warranties of
merchantability and of fitness for any purpose.
The Contributing Authors and Group 42, Inc.
assume no liability for direct, indirect, incidental,
special, exemplary, or consequential damages,
which may result from the use of the PNG
Reference Library, even if advised of the
possibility of such damage.
Permission is hereby granted to use, copy,
modify, and distribute this source code, or
portions hereof, for any purpose, without fee,
subject to the following restrictions:
1.
The origin of this source code must not be
misrepresented.
Tom Tanner
2.
libpng versions 0.5, May 1995, through 0.88,
January 1996, are Copyright (c) 1995, 1996 Guy
Eric Schalnat, Group 42, Inc.
Altered versions must be plainly marked as
such and must not be misrepresented as
being the original source.
3.
This Copyright notice may not be removed or
altered from any source or altered source
distribution.
For the purposes of this copyright and license,
"Contributing Authors" is defined as the following
set of individuals:
Andreas Dilger
Dave Martindale
Guy Eric Schalnat
Paul Schmidt
Tim Wegner
The Contributing Authors and Group 42, Inc.
specifically permit, without fee, and encourage
the use of this source code as a component to
supporting the PNG file format in commercial
products. If you use this source code in a product,
acknowledgment is not required but would be
appreciated.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
A "png_get_copyright" function is available, for
convenient use in "about" boxes and the like:
printf("%s",png_get_copyright(NULL));
Also, the PNG logo (in PNG format, of course) is
supplied in the files "pngbar.png" and
"pngbar.jpg (88x31) and "pngnow.png" (98x31).
Libpng is OSI Certified Open Source Software.
OSI Certified Open Source is a certification mark
of the Open Source Initiative.
Glenn Randers-Pehrson randeg@alum.rpi.edu
April 15, 2002
MIT License
Copyright (c) <year> <copyright holders>
Permission is hereby granted, free of charge, to
any person obtaining a copy of this software and
associated documentation files (the "Software"),
to deal in the Software without restriction,
including without limitation the rights to use,
copy, modify, merge, publish, distribute,
sublicense, and/or sell copies of the Software,
and to permit persons to whom the Software is
furnished to do so, subject to the following
conditions:
LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
THE AUTHORS OR COPYRIGHT HOLDERS BE
LIABLE FOR ANY CLAIM, DAMAGES OR
OTHER LIABILITY, WHETHER IN AN ACTION
OF CONTRACT, TORT OR OTHERWISE,
ARISING FROM, OUT OF OR IN CONNECTION
WITH THE SOFTWARE OR THE USE OR
OTHER DEALINGS IN THE SOFTWARE.
zlib License
The zlib/libpng License Copyright (c) <year>
<copyright holders>
This software is provided 'as-is', without any
express or implied warranty. In no event will the
authors be held liable for any damages arising
from the use of this software.
Permission is granted to anyone to use this
software for any purpose, including commercial
applications, and to alter it and redistribute it
freely, subject to the following restrictions:
1.
The origin of this software must not be
misrepresented; you must not claim that you
wrote the original software. If you use this
software in a product, an acknowledgment in
the product documentation would be
appreciated but is not required.
2.
Altered source versions must be plainly
marked as such, and must not be
The above copyright notice and this permission
notice shall be included in all copies or
substantial portions of the Software.
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
misrepresented as being the original
software.
3.
This notice may not be removed or altered
from any source distribution.
SGI Free Software B License Version
2.0.
SGI FREE SOFTWARE LICENSE B (Version 2.0,
Sept. 18, 2008)
Copyright (C) [dates of first publication] Silicon
Graphics, Inc. All Rights Reserved. Permission is
hereby granted, free of charge, to any person
obtaining a copy of this software and associated
documentation files (the "Software"), to deal in
the Software without restriction, including without
limitation the rights to use, copy, modify, merge,
publish, distribute, sublicense, and/or sell copies
of the Software, and to permit persons to whom
the Software is furnished to do so, subject to the
following conditions: The above copyright notice
including the dates of first publication and either
this permission notice or a reference to http://
oss.sgi.com/projects/FreeB/ shall be included in
all copies or substantial portions of the Software.
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
SILICON GRAPHICS, INC. BE LIABLE FOR ANY
}}
109
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
CLAIM, DAMAGES OR OTHER LIABILITY,
WHETHER IN AN ACTION OF CONTRACT,
TORT OR OTHERWISE, ARISING FROM, OUT
OF OR IN CONNECTION WITH THE SOFTWARE
OR THE USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE.
Applicatiemenu op
bestuurdersdisplay
App
Functies
Boordcomputer
Dagteller kiezen, kiezen wat op
het bestuurdersdisplay moet
worden weergegeven en dergelijke.
Except as contained in this notice, the name of
Silicon Graphics, Inc. shall not be used in
advertising or otherwise to promote the sale, use
or other dealings in this Software without prior
written authorization from Silicon Graphics, Inc.
Mediaspeler
Actieve bron voor mediaspeler
kiezen.
Telefoon
Contact in de gesprekslijst bellen.
Gerelateerde informatie
Navigatie
Routebegeleiding pauzeren, routebegeleiding naar recentelijk
gehanteerde bestemming starten en dergelijke.
•
Via het applicatiemenu (appmenu) van het
bestuurdersdisplay krijgt u snel toegang tot de
meest gebruikte functies voor bepaalde apps.
Bestuurdersdisplay (p. 94)
Gerelateerde informatie
Het appmenu op het bestuurdersdisplay is te gebruiken
in plaats van het middendisplay.
Het appmenu verschijnt op het bestuurdersdisplay en navigatie is mogelijk via de knoppenset
rechts op het stuurwiel. Dankzij het appmenu
kunt u eenvoudig van app of appfunctie wisselen
zonder daarvoor uw handen van het stuur of uw
blik van de weg te hoeven nemen.
Functies van het appmenu
U hebt toegang tot uiteenlopende functies via
verschillende apps. Vanuit het appmenu zijn de
volgende apps en de bijbehorende appfuncties te
regelen:
110
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 94)
Overzicht van het middendisplay (p. 34)
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
gebruiken (p. 111)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Applicatiemenu op
bestuurdersdisplay gebruiken
Appmenu openen/sluiten
–
Het applicatiemenu (appmenu) op het bestuurdersdisplay is te gebruiken via de knoppenset
rechts op het stuurwiel.
Druk op Openen/sluiten (1).
(Het appmenu kan niet worden geopend als
er nog een onbevestigde melding op het
bestuurdersdisplay staat. De melding moet
eerst worden bevestigd voordat het appmenu
kan worden geopend.)
> Het appmenu wordt geopend/gesloten.
Gerelateerde informatie
•
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
(p. 110)
•
Meldingsfuncties op bestuurders- en middendisplay (p. 114)
Het appmenu wordt na een periode van inactiviteit automatisch gesloten of na bepaalde keuzes.
Navigeren en kiezen in appmenu
Appmenu en knoppenset rechts op het stuurwiel.
Openen/sluiten
Links/rechts
Omhoog/omlaag
Bevestigen
1.
Navigeer door de beschikbare apps door op
links of rechts (2) te drukken.
> In het appmenu verschijnen de functies
voor de vorige/volgende app.
2.
Blader door de functies voor de gekozen app
door op omhoog of omlaag (3) te drukken.
3.
Bevestig de actuele functie of markeer uw
keuze door op bevestigen (4) te drukken.
> De desbetreffende functie wordt geactiveerd, waarna in bepaalde gevallen het
appmenu wordt gesloten.
Als het appmenu weer opent, verschijnen direct
de functies voor de laatst gekozen app.
111
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Meldingen op bestuurders- en
middendisplay
Servicemeldingen
Hier volgt een greep uit de belangrijke servicemeldingen en hun betekenis.
Op het bestuurders- en middendisplay kunnen
in uiteenlopende situaties meldingen verschijnen
om u te informeren of helpen.
Melding
Bestuurdersdisplay
Stop
Melding op
bestuurdersdisplay3.
Op het bestuurdersdisplay verschijnen meldingen
die voor u als bestuurder belangrijk zijn.
Melding op bestuurdersdisplay2.
Afhankelijk van de andere informatie die op dit
moment wordt weergegeven, kan de positie van
de meldingen op het bestuurdersdisplay variëren.
De meldingen verdwijnen na enige tijd automatisch of na eventuele bevestiging/reactie van het
bestuurdersdisplay. Als een melding moet worden opgeslagen, wordt deze bewaard in de app
Auto status, die opent vanuit het appscherm op
het middendisplay.
De meldingen kunnen er verschillende uitzien en
worden mogelijk gecombineerd met grafische
voorstellingen, symbolen en knoppen om de desbetreffende melding bijvoorbeeld te bevestigen
of in te stemmen met een bepaald verzoek.
2
3
112
Met 8 inch bestuurdersdisplay.
Met 12 inch bestuurdersdisplay.
veiligA
Betekenis
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade - bezoek
een werkplaatsB.
Zet de motor
afA
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade - bezoek
een werkplaatsB.
Service
urgent Rijd
naar werkplaatsA
Bezoek een werkplaatsB om
de auto onmiddellijk te laten
controleren.
Service vereistA
Bezoek een werkplaatsB om
de auto zo spoedig mogelijk
te laten controleren.
Normaal
onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt - bezoek een werkplaatsB. Verschijnt geruime
tijd vóór het geprogrammeerde tijdstip voor de volgende servicebeurt.
Bespreek tijd
voor onderhoud
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Melding
Betekenis
Normaal
onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt - bezoek een werkplaatsB. Verschijnt op het
geprogrammeerde tijdstip
voor de volgende servicebeurt.
Onderhoud
nodig
Normaal
onderhoud
Onderhoudstermijn verstreken
Tijdelijk uitA
A
B
Het is tijd voor een servicebeurt - bezoek een werkplaatsB. Verschijnt wanneer
het geprogrammeerde tijdstip voor een servicebeurt is
overschreden.
De bijbehorende functie is
tijdelijk uitgeschakeld en
wordt na enige tijd rijden of
de volgende keer dat u de
motor start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over de
locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Middendisplay
bevestiging/actie. Meldingen die moeten worden
opgeslagen, worden bewaard op het hoofdscherm van het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 94)
Overzicht van het middendisplay (p. 34)
Meldingsfuncties op bestuurders- en middendisplay (p. 114)
Meldingen opgeslagen vanuit het bestuurders- en middendisplay hanteren (p. 115)
Melding op middendisplay.
Op het middendisplay verschijnen meldingen die
voor u als bestuurder minder belangrijk zijn.
De meeste meldingen verschijnen boven de statusbalk van het middendisplay. De meldingen verdwijnen na enige tijd automatisch of na eventuele
reactie uit de statusbalk. Als een melding moet
worden opgeslagen, wordt deze bewaard op het
hoofdscherm van het middendisplay.
De meldingen kunnen er verschillend uitzien en
worden mogelijk gecombineerd met grafische
voorstellingen, symbolen of een knop om bijvoorbeeld een systeem dat aan de melding is gekoppeld, te activeren/deactiveren.
Pop-upmeldingen
In bepaalde gevallen verschijnen pop-upmeldingen. Pop-upmeldingen zijn belangrijker dan meldingen op de statusbalk en verdwijnen alleen na
113
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Meldingsfuncties op bestuurdersen middendisplay
2.
De meldingen op het bestuurdersdisplay en middendisplay zijn te hanteren met de knoppenset
rechts op het stuurwiel en op de schermen van
het middendisplay.
Voor meldingen zonder knoppen:
–
Bestuurdersdisplay
Melding op bestuurdersdisplay5 en knoppenset rechts
op het stuurwiel.
Links/rechts
Bevestigen
Melding op bestuurdersdisplay4 en knoppenset rechts
op het stuurwiel.
Bepaalde meldingen op het bestuurdersdisplay
worden gecombineerd met een of meer knoppen
om de desbetreffende meldingen bijvoorbeeld te
bevestigen of in te stemmen met een bepaald
verzoek.
Nieuwe melding hanteren
Voor meldingen met knoppen:
1.
4
5
114
Met 8 inch bestuurdersdisplay.
Met 12 inch bestuurdersdisplay.
Bevestig uw keuze door te drukken op
bevestigen (2).
> De melding verdwijnt van het bestuurdersdisplay.
Navigeer door de beschikbare knoppen door
op links of rechts (1) te drukken.
Sluit de melding door op bevestigen (2) te
drukken of doe niets, waarna de melding
enige tijd later automatisch verdwijnt.
> De melding verdwijnt van het bestuurdersdisplay.
Als een melding moet worden opgeslagen, wordt
deze bewaard in de app Auto status, die opent
vanuit het appscherm op het middendisplay. In
verband hiermee verschijnt de melding
Autobericht opgesl. in app Autostatus op het
middendisplay.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Middendisplay
Als een melding moet worden opgeslagen, wordt
deze bewaard op het hoofdscherm van het middendisplay.
Meldingen opgeslagen vanuit het
bestuurders- en middendisplay
hanteren
Gerelateerde informatie
Meldingen die zijn opgeslagen vanuit het
bestuurders- en middendisplay worden in beide
gevallen gehanteerd in het middendisplay.
•
Meldingen op bestuurders- en middendisplay
(p. 112)
•
Meldingen opgeslagen vanuit het bestuurders- en middendisplay hanteren (p. 115)
Meldingen opgeslagen vanuit het
bestuurdersdisplay
Melding op middendisplay.
Bepaalde meldingen op het middendisplay hebben een knop (of meerdere knoppen in popupmeldingen) om bijvoorbeeld een functie te
activeren/deactiveren die aan de melding gekoppeld is.
Nieuwe melding hanteren
Voor meldingen met knoppen:
–
Druk op de knop om de maatregel uit te voeren of laat de melding automatisch na een
poosje gesloten worden.
> De melding verdwijnt van de statusbalk.
Voor meldingen zonder knoppen:
–
Sluit de melding door erop te drukken of doe
niets, waarna de melding enige tijd later
automatisch verdwijnt.
> De melding verdwijnt van de statusbalk.
Opgeslagen meldingen en beschikbare opties in de app
Auto status.
Meldingen die op het bestuurdersdisplay zijn weergegeven
en die opgeslagen moeten
worden, worden bewaard in de
app Auto status op het middendisplay. In verband hiermee
verschijnt de melding
Autobericht opgesl. in app Autostatus op het
middendisplay.
}}
115
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Opgeslagen melding lezen
Lees de opgeslagen melding direct:
Onderhoud reserveren voor een opgeslagen melding:
–
–
Druk op de knop rechts van de melding
Autobericht opgesl. in app Autostatus in
het middendisplay.
> De opgeslagen melding verschijnt in de
app Auto status.
Lees de opgeslagen melding achteraf:
1.
2.
3.
Open de app Auto status vanuit het appscherm op het middendisplay.
> De app start in het onderste deelscherm
van het homescherm.
Kies de tab Berichten in de app.
> Er verschijnt een lijst met opgeslagen
meldingen.
Druk op de pijl rechts om een melding uit te
vouwen/in te klappen.
> Er verschijnt meer informatie over de melding in de lijst en de afbeelding links in de
app geeft informatie in grafische vorm
over de melding.
Een opgeslagen melding hanteren
Bepaalde meldingen hebben in uitgevouwen
vorm twee knoppen, nl. om onderhoud te reserveren of de gebruikershandleiding te lezen.
6
116
Afhankelijk van de markt.
Druk in de uitgevouwen stand van de melding op AfspraakverzoekBel voor een
afspraak6 om hulp te krijgen bij het reserveren van onderhoud.
> Met Afspraakverzoek: De tab
Afspraken gaat open in de app en u
krijgt een vraag voorgelegd over het
reserveren van onderhoud en reparatie.
Met Bel voor een afspraak: De telefoonapp wordt gestart en deze belt een
onderhoudscentrum om service en reparatie te reserveren.
Lees de gebruikershandleiding voor de opgeslagen melding:
–
Meldingen opgeslagen vanuit het
middendisplay
Druk in de uitgevouwen stand van de melding op Handleiding om in de gebruikershandleiding over de melding te lezen.
> De gebruikershandleiding gaat open op
het middendisplay en deze geeft informatie die aan de melding is gekoppeld.
Meldingen opgeslagen in de app worden automatisch gewist telkens bij het starten van de
motor.
Opgeslagen meldingen en beschikbare opties in het
hoofdscherm.
Meldingen die op het middendisplay zijn weergegeven en die opgeslagen moeten worden, worden bewaard in het hoofdscherm van het middendisplay.
Opgeslagen melding lezen
1. Open het hoofdscherm op het middendisplay.
> Er verschijnt een lijst met opgeslagen
meldingen. Meldingen met een pijl naar
rechts kunnen worden uitgevouwen.
2.
Druk op de pijl om de melding uit te
vouwen/in te klappen.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Een opgeslagen melding hanteren
Bepaalde meldingen hebben een knop om bijvoorbeeld een functie te activeren/deactiveren
die aan de melding is gekoppeld.
–
Druk op de knop om de maatregel uit te voeren.
Head-updisplay*
Het head-updisplay is een aanvulling op het
bestuurdersdisplay van de auto en projecteert
informatie van het bestuurdersdisplay op de
voorruit. Het geprojecteerde beeld is alleen vanuit de positie van de bestuurder zichtbaar.
Opgeslagen meldingen in het hoofdscherm worden automatisch gewist als de auto wordt uitgezet.
BELANGRIJK
De displaymodule die de informatie projecteert zit in het dashboard. Leg geen voorwerpen op het dekglas en zorg dat er evenmin
voorwerpen op kunnen vallen om schade aan
het dekglas van de displaymodule te voorkomen.
Gerelateerde informatie
•
Meldingen op bestuurders- en middendisplay
(p. 112)
•
Meldingsfuncties op bestuurders- en middendisplay (p. 114)
Telefoonoproepen.
Het head-updisplay projecteert waarschuwingen
en informatie met betrekking tot snelheid, cruisecontrolfuncties, navigatie en dergelijke binnen het
gezichtsveld van de bestuurder. Ook informatie
over verkeersborden en telefoonoproepen verschijnen op het head-updisplay.
Voorbeelden van wat op het display kan verschijnen.
Snelheid
Cruisecontrol
Navigatie
Verkeersborden
Bepaalde symbolen kunnen korte tijd op het
head-updisplay verschijnen, zoals:
}}
* Optie/accessoire. 117
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Licht het waarschuwingssymbool op lees de waarschuwingsmelding op het
bestuurdersdisplay.
Licht het informatiesymbool - lees de
melding op het bestuurdersdisplay.
City Safety op head-updisplay
N.B.
Bij activering van het City Safety* wordt de
informatie op het head-updisplay vervangen
door een grafische voorstelling voor City
Safety. Deze grafische voorstelling verschijnt
ook als het head-updisplay is uitgeschakeld
N.B.
U kunt de informatie op het head-updisplay
mogelijk minder goed zien bij:
•
•
•
•
gebruik van een polariserende zonnebril
voorwerpen op het dekglas van de displaymodule
2.
Druk op My Car
3.
Selecteer of deselecteer Head-up display.
Displays.
N.B.
Activering/deactivering en instellingen van
het head-updisplay zijn alleen mogelijk als het
een geprojecteerde afbeelding toont. Daarvoor moet de motor van de auto draaien.
ongunstige lichtomstandigheden,
N.B.
118
Via instellingen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
U kunt uw keuze als persoonlijke instelling
opslaan in het bestuurdersprofiel.
een zithouding waarbij u niet goed in het
midden van de stoel zit
Bij bepaalde afwijkingen in de lichtbreking
kan het gebruik van het head-updisplay aanleiding geven tot hoofdpijn en vermoeide
ogen.
Via het functiescherm
Druk op de knop Head-up
display.
De grafische voorstelling voor City Safety knippert om
uw aandacht te trekken.
Instellingen voor head-updisplay
Head-updisplay activeren/deactiveren
Kies opties en pas de instellingen aan voor de
weergave van het head-updisplay op de voorruit.
U kunt de functie op twee manieren activeren/
deactiveren via het middendisplay:
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Weergave-opties kiezen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
vangen van de voorruit of de displayeenheid. Kalibreren houdt in dat de geprojecteerde afbeelding
linksom of rechtsom wordt gedraaid.
2.
Druk op My Car Displays
head-up display.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
3.
Kies de weer te geven systemen:
2.
Kies My Car Displays
display kalibreren.
3.
Kalibreer de horizontale stand van de afbeelding met de rechter knoppenset op het stuur.
•
•
•
•
Opties
Toon navigatie
Toon Road Sign Information
Toon rijhulp
Toon telefoon.
U kunt de instelling als persoonlijke instelling
opslaan in het bestuurdersprofiel.
Lichtsterkte en hoogte aanpassen
Head-up
Lichtsterkte verlagen
Lichtsterkte verhogen
Positie verhogen
Positie verlagen
Bevestigen
1.
Druk op de knop Head-up display
afstellen in het functiescherm op het middendisplay.
2.
Pas de lichtsterkte en hoogte van de geprojecteerde afbeelding in uw blikveld aan met
behulp van de knoppenset rechts op het
stuurwiel.
De lichtsterkte van de grafische voorstellingen
wordt automatisch afgestemd op de heersende
lichtomstandigheden. De lichtsterkte van het
head-updisplay hangt tevens af van de gehanteerde lichtsterkte voor de overige displays in de
auto.
De hoogte is op te slaan in de geheugenfunctie
van de elektrisch bedienbare voorstoel*.
Horizontale stand kalibreren
De horizontale stand van het head-updisplay
moet mogelijk gekalibreerd worden bij het ver-
Linksom draaien
Rechtsom draaien
Bevestigen
Schoonmaken
Neem het dekglas van het display voorzichtig af
met een schone en droge microvezeldoek. U kunt
de microvezeldoek zo nodig licht bevochtigen.
}}
* Optie/accessoire. 119
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen. Voor de
hardnekkige vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel gebruiken dat verkrijgbaar is bij de
erkende Volvo-werkplaats.
Bij vervanging van de voorruit
Auto's met een head-updisplay hebben een speciaal type voorruit dat voldoet aan de eisen voor
de geprojecteerde afbeelding.
Neem voor het vervangen van de voorruit contact
op met een erkende werkplaats7. De grafische
voorstellingen op het head-updisplay zijn alleen
goed weer te geven, als het juiste type voorruit
gemonteerd is.
Gerelateerde informatie
•
Functiescherm met knoppen voor autofuncties (p. 48)
•
•
•
Instellingsscherm (p. 175)
Stuurwiel (p. 136)
•
Bestuurdersdisplay (p. 94)
7
8
120
Geheugenfunctie gebruiken van elektrisch
bediende voorstoel* (p. 128)
Stembediening8
De stembediening biedt u de mogelijkheid om
bepaalde functies van de mediaspeler, een via
Bluetooth aangesloten telefoon, de klimaatregeling en Volvo's navigatiesysteem* met stemcommando's te bedienen.
Het gebruik van stemcommando's biedt bedieningscomfort, leidt minder af en helpt u om de
aandacht op het verkeer op de weg vast te houden.
WAARSCHUWING
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en de geldende verkeersregels in
acht neemt.
Microfoon van de stembediening
De stembediening vindt in dialoogvorm plaats
met stemcommando's van de gebruiker en
gesproken systeemreacties. De stembediening
maakt gebruik van dezelfde microfoon als het
Bluetooth-handsfreesysteem en geeft antwoord
via de luidsprekers in de auto. In sommige gevallen verschijnt tevens een tekstmelding op het
bestuurdersdisplay. De functies worden aangestuurd met de rechter stuurknoppenset en instellingen doet u via het middendisplay.
Systeemupdate
Het systeem voor stembediening wordt voortdurend verder verbeterd. Voor optimale functionaliteit kunt u updates downloaden, zie
support.volvocars.com.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Stembediening gebruiken (p. 121)
Stembediening telefoon (p. 123)
Stembediening gebruiken9
Basisinstructies voor gebruik van de stembediening.
Stembediening van radio en media (p. 123)
Druk op de stuurknop voor
stembediening
om de
werking te activeren en een
dialoog met stemcommando's
te starten.
Klimaatregeling met stembediening (p. 124)
Stembediening bij kaartnavigatie (p. 125)
Instellingen voor stembediening (p. 122)
Let op het volgende tijdens de dialoog:
•
Spreek bij het geven van commando's na de
toon, met normale stem in een normaal
tempo.
•
Wacht met spreken, totdat het systeem klaar
is met antwoorden (zolang het systeem antwoordt, werkt de stembediening namelijk
niet).
•
Vermijd achtergrondgeluiden in het interieur
door portieren, ruiten en dakluik gesloten te
houden.
U kunt de stembediening als volgt beëindigen:
•
•
Zeg "Annuleer".
het systeem spreekt de stuurknop voor stembeindrukken.
diening
Voorbeelden van stembediening
Druk op
, zeg "Bel [Voornaam]
[Achternaam] [nummercategorie]" - contactpersoon bellen voor wie meerdere telefoonnummers in het telefoonboek staan (bijvoorbeeld
thuis, mobiel, werk), bijvoorbeeld:
Druk
, zeg "Bel Robyn Smith Mobiel".
Commando's/zinnen
De volgende commando's zijn altijd mogelijk:
•
•
•
"Herhaal" - de laatst gegeven steminstructie van de actieve dialoog herhalen.
"Annuleer" - de dialoog annuleren.
"Help" - een hulpdialoog starten. Het systeem antwoordt met: commando's die in de
actuele situatie gebruikt kunnen worden, een
vraag of een voorbeeld.
Commando's voor specifieke functies staan
beschreven in de desbetreffende artikelen, bijvoorbeeld Spaakherkenning telefoon.
Druk lang op de stuurknop voor stembedie.
ning
Om de commandodialoog te verkorten en systeemvragen over te slaan voordat het volgende
commando wordt aangegeven, kunt u wanneer
9
Geldt voor bepaalde markten.
}}
121
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Er zijn meerdere instellingen voor stembediening
mogelijk.
•
1.
•
•
Telefoonnummers en postcodes moet u
apart en cijfer voor cijfer zeggen, bijvoorbeeld
nul drie een twee twee vier vier drie
(03122443).
Huisnummers kunt u apart of in een groep
zeggen, bijvoorbeeld twee twee of tweeëntwintig (22). Bij Engels en Nederlands kunt u
meerdere groepen achter elkaar zeggen, bijvoorbeeld tweeëntwintig tweeëntwintig (22
22). Bij Engels kunt u ook dubbel of drievoudig gebruiken, bijvoorbeeld dubbel nul (00).
U kunt nummers aangeven binnen het interval 0–2300.
Frequenties kunt u als volgt zeggen: achtennegentig komma acht (98,8) en honderdenvier komma twee (104,2).
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
10
122
Instellingen voor stembediening10
Cijfers
Geef de cijfercommando's aan, afhankelijk van
welke functie moet worden aangestuurd:
Stembediening (p. 120)
2.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
Druk op Systeem
kies instellingen.
Stembediening en
• Stemcommando herhalen
• Geslacht
• Spreeksnelheid
Audio-instellingen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Geluid Systeemvolumes
Stembediening en kies instellingen.
Taal wijzigen
Stembediening is niet voor alle talen mogelijk. De
beschikbare talen voor stembediening zijn in de
talenlijst aangegeven met een pictogram,
.
Stembediening telefoon (p. 123)
Een eventuele taalwijziging geldt ook voor de
menu-, display- en hulpteksten.
Stembediening van radio en media (p. 123)
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
Klimaatregeling met stembediening (p. 124)
2.
Druk op Systeem
taal.
Stembediening bij kaartnavigatie (p. 125)
Instellingen voor stembediening (p. 122)
Geldt voor bepaalde markten.
Systeemtaal en kies
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Stembediening (p. 120)
Stembediening gebruiken (p. 121)
Stembediening telefoon (p. 123)
Stembediening van radio en media (p. 123)
Klimaatregeling met stembediening (p. 124)
Stembediening bij kaartnavigatie (p. 125)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Stembediening telefoon11
Commando voor stembediening van een mobiele telefoon met Bluetooth-verbinding om bijvoorbeeld een contactpersoon of een nummer
te bellen of een sms-bericht te beluisteren.
Om een contactpersoon in het telefoonboek aan
te geven moet het stemcommando contactgegevens bevatten die in het telefoonboek staan. Als
er voor een contactpersoon, bijvoorbeeld Robyn
Smith, meerdere telefoonnummers in het telefoonboek staan, kunt u ook de nummercategorie
aangeven, bijvoorbeeld Thuis of Mobiel: "Bel
Robyn Smith Mobiel".
en geef een van de volgende stemDruk op
commando's:
Gerelateerde informatie
•
•
•
Stembediening (p. 120)
Stembediening gebruiken (p. 121)
Instellingen voor stembediening (p. 122)
Stembediening van radio en
media12
Commando's voor stembediening van de radio
en de mediaspeler.
Druk op
en geef een van de volgende stemcommando's:
•
"Media" - start een dialoog voor media en
radio en geeft voorbeelden van commando's
weer.
•
"Speel [artiest]" - muziek afspelen van
gekozen artiest.
•
"Speel [tracknaam]" - gekozen track
afspelen.
•
"Speel [tracknaam] van [album]" - gekozen track van gekozen album afspelen.
•
"Bel [contact]" - hiermee belt u de gekozen
contactpersoon uit het telefoonboek.
•
•
"Bel [telefoonnummer]" - hiermee belt u
een telefoonnummer.
"Speel [Tv-zendernaam]" - gekozen tvzender starten.
•
•
"Recente gesprekken" - hiermee geeft u
de gesprekslijst weer.
"Speel [radiozender]" - gekozen radiozender starten.
•
•
"Lees bericht" - hiermee laat u een bericht
voorlezen. Als er meerdere berichten zijn geef aan welk bericht moet worden voorgelezen.
"Stem af op [frequentie]" - gekozen radiofrequentie starten op actieve radioband. Als
op dat moment geen radiobron actief is,
wordt standaard de FM-band ingeschakeld.
•
"Stem af op [frequentie]
[frequentieband]" - gekozen radiofrequentie starten op gekozen radioband.
11
12
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor bepaalde markten.
}}
123
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
"Radio" - FM-radio starten.
"FM Radio" - FM-radio starten.
"AM Radio" - AM-radio starten.
"DAB" - DAB-radio starten.
"Tv" - tv*-weergave starten.
"CD" - cd*-weergave starten.
Klimaatregeling met
stembediening13
Commando's voor klimaatregeling met stembediening om bijvoorbeeld de temperatuur te wijzigen, elektrische stoelverwarming te activeren of
de ventilatorstand te wijzigen.
"USB" - USB-weergave starten.
Druk op
mando's:
"iPod" - iPod-weergave starten.
•
"Bluetooth" - weergave vanaf een mediabron met Bluetooth-verbinding starten.
"Vergelijkbare muziek" - muziek op via de
USB-aansluiting aangesloten eenheden spelen die op de weergegeven muziek lijkt.
13
124
Stembediening (p. 120)
Stembediening gebruiken (p. 121)
"Klimaatregeling" - start een dialoog voor
klimaatregeling en geeft voorbeelden van
commando's weer.
"Stel temperatuur in op X graden" - stelt
de gewenste temperatuur in.
•
"Verhoog temperatuur" / "Verlaag
temperatuur" - verhoogt/verlaagt de ingestelde temperatuur met één stap.
•
"Synchroniseer temperatuur" - synchroniseert de temperatuur voor alle klimaatzones
in de auto met de voor de bestuurderszone
ingestelde temperatuur.
•
"Lucht op voeten" / "Lucht op lichaam" opent de gewenste blaasmond.
•
"Lucht op voeten uit" / "Lucht op
lichaam uit" - sluit de gewenste blaasmond.
•
"Zet ventilator op max." / "Schakel
ventilator uit" - verandert de ventilatorstand
naar Max/Off.
Instellingen voor stembediening (p. 122)
"Verhoog ventilatorsnelheid" / "Verlaag
ventilatorsnelheid" - verhoogt/verlaagt de
ingestelde ventilatorstand met één stap.
•
"Schakel auto-klimaat in" - activeert de
automatische klimaatregeling.
•
"Airconditioning aan" / "Airconditioning
uit" - activeert/deactiveert de airconditioning.
•
"Recirculatie aan" / "Recirculatie uit" activeert/deactiveert de luchtrecirculatie.
•
"Schakel ruitontdooiing in" / "Schakel
ruitontdooiing uit" - activeert/deactiveert
ontwaseming van ruiten en buitenspiegels.
•
"Schakel max. ruitontdooiing in" /
"Schakel max. ruitontdooiing uit" - activeert/deactiveert maximale ontwaseming.
•
"Schakel elektrische ruitverwarming
in" / "Schakel elektrische
ruitverwarming uit" - activeert/deactiveert
elektrische voorruitverwarming*.
•
"Schakel achterruitverwarming in" /
"Schakel achterruitverwarming uit" activeert/deactiveert elektrische achterruiten buitenspiegelverwarming.
•
"Schakel stuurwielverwarming in" /
"Schakel stuurwielverwarming uit" - activeert/deactiveert elektrische stuurverwarming*.
en zeg een van de volgende com-
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
•
•
"Verhoog stuurwielverwarming" /
"Verlaag stuurwielverwarming" - verhoogt/verlaagt ingesteld niveau voor de
elektrische stuurverwarming* met één stap.
"Schakel stoelverwarming in" / "Schakel
stoelverwarming uit" - activeert/deactiveert elektrische stoelverwarming*.
•
"Verhoog stoelverwarming" / "Verlaag
stoelverwarming" - verhoogt/verlaagt ingesteld niveau voor de elektrische stoelverwarming* met één stap.
•
"Schakel stoelventilatie in" / "Schakel
stoelventilatie uit" - activeert/deactiveert
stoelventilatie*.
"Verhoog stoelventilatie" / "Verlaag
stoelventilatie" - verhoogt/verlaagt ingesteld niveau voor de stoelventilatie* met één
stap.
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
14
15
16
17
Stembediening (p. 120)
Stembediening gebruiken (p. 121)
Instellingen voor stembediening (p. 122)
Stembediening bij kaartnavigatie14
Commando's voor stembediening van de radio
en de mediaspeler om bijvoorbeeld een bestemming aan te geven of de routebegeleiding te
pauzeren.
Druk op
mando's:
en zeg een van de volgende com-
•
"Navigatie" - Een navigatiedialoog starten
en voorbeelden van commando's tonen.
•
"Breng me naar huis" - Voor begeleiding
naar de Huis-locatie.
•
"Ga naar [stad]" - Een stad aangeven als
bestemming. Bijvoorbeeld "Rij naar Rotterdam".
•
"Ga naar [Adres]" - Een adres aangeven
als bestemming. Een adres moet uit een
straat en plaats bestaan. Bijvoorbeeld "Rij
naar Coolsingel 35, Rotterdam".
•
"Voeg kruispunt toe" – Een dialoog starten
waar u twee straten moet aangeven. De
bestemming is het punt waar de twee straten
elkaar kruisen.
Klimaatregeling (p. 188)
Geldt voor bepaalde markten.
U kunt ervoor kiezen om een POI te bellen of deze aan te geven als bestemming.
In Europese landen wordt "land" gebruikt in plaats van "staat".
In Brazilië en India past u het zoekgebied aan via het middendisplay.
•
"Ga naar [Postcode]" - Een postcode aangeven als bestemming. Bijvoorbeeld "Rij naar
1 2 3 4 5".
•
"Ga naar [contact]" - Een adres uit het
telefoonboek aangeven als bestemming. Bijvoorbeeld "Rij naar Robyn Smith".
•
"Zoek [POI-categorie]" - Om nuttige plaatsen (POI's) in de buurt zoeken die binnen
een bepaalde categorie vallen (zoals restaurants).15 Om een lijst te krijgen van de nuttige plaatsen langs de route kunt u "Langs
de route" zeggen, wanneer de lijst met treffers verschijnt.
•
"Zoek [POI-categorie] in [stad]" - Om
nuttige plaatsen (POI's) in een bepaalde
categorie of plaats te zoeken. De lijst met
treffers wordt gesorteerd op de respectievelijke afstand tot het centrum van de aangegeven plaats. Bijvoorbeeld "Zoek restaurant
in Rotterdam".
•
"Zoek [POI-naam]". Bijvoorbeeld "Zoek
Euromast".
•
"Wijzig land/Wijzig staat16, 17" - Het zoekgebied wijzigen voor navigatie.
•
"Toon favorieten" - Om de favoriete locaties weer te geven op het bestuurdersdisplay.
}}
* Optie/accessoire. 125
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
•
"Wis reisweg" - Alle in een reisplan opgeslagen deelbestemmingen en de eindbestemming wissen.
•
"Herhaal stembegeleiding" - De laatst uitgesproken aanwijzing herhalen.
•
"Schakel stembegeleiding uit" - De
gesproken aanwijzingen uitschakelen.
•
Handmatig bediende voorstoel
Pas de hellingshoek van het ruggedeelte aan
door aan de knop te draaien.
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden.
Controleer of de stoel vergrendeld staat om
letsel te voorkomen bij hard afremmen of een
aanrijding.
"Schakel stembegeleiding in" - De uitgeschakelde gesproken aanwijzingen weer
starten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Hele stoel hoger/lager zetten door de handgreep omhoog/omlaag te bewegen.
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen
verschillende instelmogelijkheden.
Gerelateerde informatie
Stembediening (p. 120)
Stembediening gebruiken (p. 121)
Instellingen voor stembediening (p. 122)
Zet de voorkant van de zitting hoger/lager*
door omhoog/omlaag te pompen.
Wijzig de zitlengte door de hendel omhoog
te trekken en de zitting met de hand voor-/
achteruit te bewegen.
•
•
•
Multifunctionele voorstoel* (p. 129)
•
Veiligheidsgordel (p. 61)
Elektrisch bediende voorstoel* (p. 127)
Elektrische stoelverwarming* activeren/deactiveren (p. 210)
Zet de stoel vooruit/achteruit door de handgreep omhoog te tillen en de juiste afstand
tot het stuurwiel en de pedalen in te stellen.
Controleer of de stoel na het verstellen in de
nieuwe stand geblokkeerd staat.
Pas de lendensteun* aan door op de knop
omhoog/omlaag/vooruit/achteruit te drukken.
126
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Elektrisch bediende voorstoel*
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen
verschillende instelmogelijkheden. De elektrisch
bediende stoel is naar voren/achteren en
omhoog/omlaag te zetten. De voorkant van de
zitting is te verhogen/verlagen. De hellingshoek
van de rugleuning is te wijzigen. De lendensteun
kan omhoog/omlaag/vooruit/achteruit worden
versteld.
Elektrisch bediende voorstoel*
verstellen
Stel de gewenste zitstand in met behulp van de
handgreep op het zitgedeelte van de voorstoel.
Gerelateerde informatie
•
•
Multifunctionele voorstoel* (p. 129)
Elektrisch bediende voorstoel* verstellen
(p. 127)
•
Geheugenfunctie gebruiken van elektrisch
bediende voorstoel* (p. 128)
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 126)
Elektrische stoelverwarming* activeren/deactiveren (p. 210)
De ruggedeelten van de voorstoelen zijn niet
helemaal neer te klappen.
Gerelateerde informatie
•
•
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen door
een obstakel wordt geblokkeerd. Als dat het
geval is, neemt u het obstakel weg en bedient de
stoel opnieuw.
Tot enige tijd nadat u het portier hebt ontgrendeld blijft het mogelijk de stoel te verstellen, ook
al draait de motor niet. De stoel is altijd te verstellen, wanneer de motor draait. Dat kan ook
nog enige tijd na het uitzetten van de motor.
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
•
•
Elektrisch bediende voorstoel* (p. 127)
Geheugenfunctie gebruiken van elektrisch
bediende voorstoel* (p. 128)
Multifunctionele voorstoel* (p. 129)
Veiligheidsgordel (p. 61)
Pas de lendensteun aan door op de knop
omhoog/omlaag/vooruit/achteruit te drukken.
Zet de voorkant van de zitting hoger/lager
door de handgreep omhoog/omlaag te
bewegen.
Hele stoel hoger/lager zetten door de handgreep omhoog/omlaag te bewegen.
Hele stoel naar voren/achteren zetten door
de handgreep naar voren/achteren te bewegen.
Hellingshoek van het ruggedeelte aanpassen
door de handgreep naar voren/achteren te
bewegen.
* Optie/accessoire. 127
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Geheugenfunctie gebruiken van
elektrisch bediende voorstoel*
2.
Druk de M-knop in en laat deze weer los. Het
controlelampje in de knop brandt.
De geheugenfunctie slaat instellingen op voor
de stoel, de buitenspiegels en het head-updisplay*.
3.
Druk binnen drie seconden op een van de
knoppen 1 of 2.
> Wanneer de standen zijn opgeslagen
onder de geheugenknop van uw keuze,
klinkt er een akoestisch signaal en dooft
het controlelampje in de knop M.
Met de geheugenfunctie kunt u twee verschillende instellingen opslaan. De knoppenset van
de geheugenfunctie zit op een van de voorportieren of op allebei*.
Als u niet binnen drie seconden een van de
geheugenknoppen indrukt, dooft het controlelampje in de knop M en worden de standen niet
vastgelegd.
Om een andere instelling vast te leggen moet u
de stoel eerst verstellen.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Bij het loslaten van de geheugenknop komen de
stoel, de buitenspiegels en de head-updisplay tot
stilstand.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Let op dat kinderen niet
met de knoppenset spelen. Controleer of er
bij het instellen geen voorwerpen voor, achter
of onder de stoel liggen. Zorg dat geen van
de passagiers op de achterbank bekneld kan
raken.
Gerelateerde informatie
•
•
Elektrisch bediende voorstoel* (p. 127)
Elektrisch bediende voorstoel* verstellen
(p. 127)
De vastgelegde standen zijn altijd op te roepen,
of het voorportier nu open- of dichtstaat:
Knop M voor vastlegging van de instellingsset.
Geheugenknop
Geheugenknop
Instelling vastleggen
1.
128
Zet de stoel, buitenspiegels en het headupdisplay in de gewenste stand.
Geopend voorportier
– Druk eenmaal kort op een van de geheugenknoppen 1 of 2. De stoel, de buitenspiegels
en het head-updisplay komen in bewegen en
nemen de standen in die onder de ingedrukte geheugenknop zijn vastgelegd.
Gesloten voorportier
– Houd een van de geheugenknoppen 1 of 2
ingedrukt, totdat de stoel, de buitenspiegels
en het head-updisplay de standen innemen
die onder de desbetreffende geheugenknop
zijn vastgelegd.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Multifunctionele voorstoel*
Gebruik de multifunctionele bediening om het
zitcomfort te verhogen.
het middendisplay staan, verschijnen deze instelling in het midden van het scherm. Wanneer er
genoeg ruimte is om de instellingen voor beide
voorstoelen weer te geven, staan de instellingen
voor de bestuurdersstoel in de bovenste helft en
die voor de passagiersstoel in de onderste helft.
Multifunctionele voorstoel*
verstellen
Voor verstelling kunt u zowel de multifunctionele
bediening op de stoel als het middendisplay
gebruiken. De verschillende instellingen verschijnen op het middendisplay*.
Om het scherm voor de stoelinstellingen op het
middendisplay te sluiten kunt u op de homeknop
drukken. Deze zit onder het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Multifunctionele bediening, op de zijkant van het zitkussen van de stoel.
De multifunctionele bediening is in bepaalde uitvoeringen te gebruiken voor verstelling van de
lendensteun*, de zijsteunen*, de zitlengte en de
instellingen voor de massagefunctie*. Alle verrichte instellingen met de multifunctionele bediening verschijnen op het middendisplay*. Bepaalde
functiekeuzes zijn ook direct via het middendisplay te verrichten.
Middendisplay
Alle instellingen voor de bestuurders- en passagiersstoel die u met de multifunctionele bediening verricht, verschijnen op het middendisplay.
Als de instellingen voor slechts één voorstoel op
Elektrisch bediende voorstoel* (p. 127)
Multifunctionele voorstoel* verstellen
(p. 129)
Elektrische stoelverwarming* activeren/deactiveren (p. 210)
Multifunctionele bediening, op de zijkant van het zitkussen van de stoel.
Voor het activeren van de multifunctionele bediening draait u de bedieningsknop omhoog/
omlaag.
Instellingen voor massagefunctie*
voorstoel aanpassen
De voorstoel is voorzien van een rugleuning met
massagefunctie. De massagefunctie die gebruik
maakt van luchtkussens heeft verschillende
instellingen.
}}
* Optie/accessoire. 129
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
3.
Om een van de verschillende massagefuncties te activeren maakt u een keuze op het
touchscreen of u beweegt de cursor
omhoog/omlaag met de knop omhoog/
omlaag van de multifunctionele bediening.
Wijzig de instelling van de gekozen functie
door rechtstreeks op het touchscreen een
keuze te maken via de pijlen of via de knop
vooruit/achteruit van de multifunctionele
bediening.
Instellingen voor massagefunctie
Voor de massagefunctie hebt u de keuze uit de
volgende instellingen:
• Aan/Uit: kies Aan/Uit om de massagefunc-
Knop op het middendisplay voor het herstarten van de
massagefunctie.
•
De massagefunctie wordt na 20 minuten automatisch uitgeschakeld. De functie is handmatig
te herstarten.
tie in/uit te schakelen.
Programma 1–5: Er zijn 5 vooraf ingestelde
massageprogramma's. Kies uit Golf, Loop,
Geavanc., Lende en Schouder.
• Intensiteit: kies uit Laag, Normaal en
Scherm voor massagefunctie op middendisplay.
1.
2.
Activeer de multifunctionele bediening door
de knop omhoog/omlaag te draaien. Het
stoelverstellingsscherm verschijnt nu op het
middendisplay.
Kies Massage op het stoelverstellingsscherm.
Massagefunctie herstarten
Hoog.
• Snelheid: kies uit Langzaam, Normaal en
Snel.
–
Druk op Hrstart op het middendisplay om de
gekozen massagefunctie te herstarten.
> De massagefunctie start opnieuw. Wanneer u niets doet, verschijnt de melding
op het hoofdscherm.
Wanneer de motor afslaat kunt u geen gebruik
maken van de massafunctie.
Zijsteunen* van rugleuning voorstoel
verstellen
De zijsteunen van de rugleuning zijn te verstellen
voor steun in de zij.
130
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
2.
Kies Zijsteunen op het stoelverstellingsscherm.
•
Druk op de voorste stoelknop voor meer
zijsteun.
•
Druk op de achterste stoelknop voor minder zijsteun.
Zo verstelt u de lendensteun:
1.
Activeer de multifunctionele bediening door
de knop omhoog/omlaag te draaien. Het
stoelverstellingsscherm verschijnt nu op het
middendisplay.
2.
Kies Lenden op het stoelverstellingsscherm.
Lendensteun* voorstoel instellen
•
De lendensteun kan omhoog/omlaag/vooruit/
achteruit worden versteld.
Druk op de stoelknop omhoog/omlaag
om de lendensteun hoger/lager te zetten.
•
Druk op de voorste stoelknop voor meer
lendensteun.
•
Druk op de achterste stoelknop voor minder lendensteun.
Zitkussen voorstoel verlengen
Gebruik de multifunctionele bediening om het zitkussen te verlengen.
Scherm voor verstelbare zijsteun op het middendisplay.
Zo verstelt u de zijsteun:
1.
Activeer de multifunctionele bediening door
de knop omhoog/omlaag te draaien. Het
stoelverstellingsscherm verschijnt nu op het
middendisplay.
Scherm voor lendensteun op middendisplay.
}}
* Optie/accessoire. 131
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Multifunctionele voorstoel* (p. 129)
Passagiersstoel verstellen vanaf
bestuurdersstoel*
Meldingen opgeslagen vanuit het bestuurders- en middendisplay hanteren (p. 115)
De voorste passagiersstoel is vanaf de bestuurdersstoel te verstellen.
Gerelateerde informatie
•
•
Functie activeren
De functie is op twee manieren te activeren via
het middendisplay:
Via het functiescherm
Druk op de knop
Passagierstoel aanpassen
om te activeren.
Via instellingen
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
Scherm voor verlenging zitkussen op middendisplay.
1.
2.
132
Activeer de multifunctionele bediening door
de knop omhoog/omlaag te draaien. Het
stoelverstellingsscherm verschijnt nu op het
middendisplay.
Kies Kussenverl. op het stoelverstellingsscherm.
•
Druk op de voorste stoelknop om het zitkussen verlengen.
•
Druk op de achterste stoelknop om het
zitkussen te verkorten.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Passagiersstoel aanp. vanuit
bestuurderspos. voor activeren.
Stoelen.
Passagiersstoel verstellen
Na activering van de functie hebt u 10 seconden
de tijd om de passagiersstoel te verstellen. Als
gedurende deze periode geen verstelling plaatsvindt, wordt de functie gedeactiveerd.
U verstelt de bestuurdersstoel met de handgrepen op de bestuurdersstoel:
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Achterbank
De auto heeft 5 zitplaatsen. De tweede zitrij
bestaat uit twee ongelijke delen, met respectievelijk één en twee zitplaatsen.
Gerelateerde informatie
•
•
Rugleuning achterbank omklappen (p. 135)
•
Elektrische stoelverwarming* activeren/deactiveren (p. 210)
Hoofdsteunen achterbank verstellen
(p. 133)
Hoofdsteunen achterbank
verstellen
Stel de hoofdsteun van de middelste zitplaats af
aan de hand van de lengte van de passagier.
Klap de hoofdsteun* van de buitenste zitplaatsen
omlaag voor een beter zicht naar achteren.
Hoofdsteun middelste zitplaats
verstellen
Hele passagiersstoel naar voren/achteren
zetten door de handgreep naar voren/
achteren te bewegen.
Hellingshoek van het ruggedeelte van de
passagiersstoel aanpassen door de handgreep naar voren/achteren te bewegen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Elektrisch bediende voorstoel* (p. 127)
Elektrisch bediende voorstoel* verstellen
(p. 127)
Veiligheidsgordel (p. 61)
De hoofdsteun voor de middelste zitplaats is aan
te passen aan de lengte van de passagier, zodat
de hoofdsteun zo mogelijk het hele achterhoofd
bedekt. Trek de hoofdsteun handmatig zo ver
omhoog als nodig is.
}}
* Optie/accessoire. 133
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Buitenste hoofdsteunen achterbank
elektrisch omklappen*
3.
Kies Hoofdst. omlaag stoelen 2e rij om
de hoofdsteunen op de buitenste zitplaatsen
achterin om te klappen.
WAARSCHUWING
Zet de buitenste hoofdsteunen niet naar
beneden als er passagiers op de buitenste
plaatsen zitten.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig rechtop
totdat deze hoorbaar vastklikt.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u de
knop (zie afbeelding) indrukken terwijl u de
hoofdsteun voorzichtig omlaagduwt.
WAARSCHUWING
De hoofdsteun van de middelste zitplaats
moet in de onderste stand staan, wanneer de
middelste zitplaats niet in gebruik is. Wanneer
de middelste zitplaats wel wordt gebruikt,
moet de hoofdsteun goed op de lengte van
de passagier zijn afgesteld, zodat deze zo
mogelijk diens hele achterhoofd afdekt.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop zetten vergrendeld staan.
De buitenste hoofdsteunen zijn op twee manieren via het middendisplay om te klappen:
Via het functiescherm
Druk op de knop Hfdsteun
omlaag om omklappen te activeren/deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
Achterbank (p. 133)
Rugleuning achterbank omklappen (p. 135)
Via instellingen
Het elektrische systeem van de auto moet in
contactslotstand II staan.
134
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
Stoelen.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Rugleuning achterbank omklappen
De achterbank bestaat uit twee delen. De twee
delen zijn elk apart om te klappen.
WAARSCHUWING
Stel de bank vóór vertrek in en zet deze vast.
Wees voorzichtig als u de bank instelt. Een
ongecontroleerde of onvoorzichtige instelling
kan tot letsel door beknelling leiden.
N.B.
U moet mogelijk de voorstoelen naar voren
zetten en/of de rugleuningen rechtop zetten
om de ruggedeelten van de achterbank volledig naar voren te kunnen klappen.
WAARSCHUWING
Let erop dat mensen niet het risico lopen
bekneld te raken bij het automatisch neerklappen van de achterbank. Omdat dit bij het
indrukken van de knop automatisch plaatsvindt, mag zich niemand op of te dicht in de
buurt van de achterbank bevinden.
Rugleuning omklappen
Auto met elektrische omklapfunctie
Om de rugleuning elektrisch om te klappen:
1.
Zorg dat er zich geen mensen of voorwerpen
op de achterbank bevinden.
2.
Klap de middelste hoofsteun handmatig om.
3.
Houd de knop voor het omklappen ingedrukt.
De knoppen zijn gemarkeerd met L en R
voor respectievelijk de linker en rechter rugleuning.
4.
De rugleuning wordt automatisch omgeklapt
tot in horizontale stand. Ook de hoofdsteunen klappen automatisch om.
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels
mogen evenmin zijn ingestoken. Schade aan
de bekleding van de achterbank is anders
namelijk niet uitgesloten.
BELANGRIJK
Klap de geïntegreerde kinderzitjes* op de
middelste zitplaatsen in alvorens de achterbank om te klappen.
Klap de middenarmsteun* op alvorens de
stoel neer te klappen.
Bij een auto met elektrisch omklapbare achterstoelen* zitten knoppen in de bagageruimte. De
rugleuningen zijn ook handmatig om te klappen.
De achterstoelen zijn alleen om te klappen, wanneer de auto stilstaat en de achterklep openstaat.
U kunt de rugleuning als volgt handmatig
omklappen:
Bij een auto met Privacy locking moet het skiluik zijn gesloten alvorens de stoel neer te
klappen.
}}
* Optie/accessoire. 135
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Rugleuning rechtop zetten
Stuurwiel
U zet de rugleuning handmatig weer rechtop.
Op het stuurwiel zitten bedieningselementen
voor onder meer claxon, rijhulp en stembediening.
1.
Zet de rugleuning handmatig rechtop/naar
achteren.
2.
Schuif de rugleuning door tot deze vastklikt.
3.
De hoofdsteun moet handmatig rechtop worden gezet.
4.
Pas de stand van de hoofdsteun op de middelste zitplaats zo nodig aan.
Gerelateerde informatie
1.
Klap de middelste hoofdsteun handmatig
om.
2.
Trek de handgreep aan het ruggedeelte van
de linker of rechter achterstoel naar voren.
3.
De rugleuning wordt ontgrendeld en klapt
automatisch om tot in horizontale stand.
•
•
Achterbank (p. 133)
Hoofdsteunen achterbank verstellen (p. 133)
Auto zonder elektrische omklapfunctie
Bij een auto met alleen handmatig om te klappen
achterstoelen:
1.
Klap de middelste hoofsteun handmatig om.
2.
Trek de handgreep aan het ruggedeelte van
de linker of rechter achterstoel naar voren.
3.
De stoel wordt ontgrendeld, maar blijft in
dezelfde stand staan. Klap de rugleuning om
tot in horizontale stand.
18
136
Knoppensets en paddles* op stuurwiel.
Bediening voor rijhulp18.
Paddle* voor handmatig schakelen bij automatische versnellingsbak.
Bediening voor stembediening, verstellen van
head-updisplay plus menu-, meldings- en
telefoonfuncties.
Snelheidsbegrenzer*, Cruisecontrol, Adaptieve cruisecontrol*, Afstandswaarschuwing* en Pilot Assist*.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Claxon
•
•
Meldingsfuncties op bestuurders- en middendisplay (p. 114)
Telefoon (p. 474)
Stuurwiel instellen
Het stuurwiel is in verschillende standen te zetten.
De claxon zit in het midden van het stuurwiel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Stuurwiel instellen (p. 137)
Het stuurwiel is in hoogte en diepte te verstellen.
Elektrische stuurverwarming* activeren/
deactiveren (p. 213)
Snelheidsbegrenzer* (p. 287)
Cruisecontrol (p. 294)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
Afstandswaarschuwing* (p. 298)
Pilot Assist* (p. 315)
Schakelen met stuurpaddles* (p. 407)
Stembediening (p. 120)
Head-updisplay* (p. 117)
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
gebruiken (p. 111)
}}
* Optie/accessoire. 137
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Hoe de stuurwielverstelling in zijn werk gaat
hangt af van de vraag of de auto wel of niet is
uitgerust met een knie-airbag19.
2.
Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste
stand.
3.
Trek de hendel naar achteren om het stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als dit
moeite kost, kunt u lichtjes op het stuurwiel
drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel vóór vertrek in en zet deze
vast.
Zonder knie-airbag
Bij auto's met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging is de vereiste stuurkracht in te stellen.
De mate van stuurbekrachtiging wordt afgestemd
op de rijsnelheid om u een beter weggevoel te
geven.
Met knie-airbag
Stuurwiel verstellen.
Stuurwiel verstellen.
1.
19
138
Beweeg de hendel naar voren om het stuurwiel te ontkoppelen.
Alleen op bepaalde markten is de auto uitgerust met een knie-airbag.
1.
Trek de hendel naar achteren om het stuurwiel te ontgrendelen.
2.
Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste
stand.
3.
Duw de hendel terug naar voren om het
stuurwiel te vergrendelen. Als dit moeite kost,
kunt u lichtjes op het stuurwiel drukken en
tegelijkertijd de hendel terugduwen.
Gerelateerde informatie
•
•
Stuurwiel (p. 136)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 282)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Verlichtingsbediening
U activeert de buitenverlichting via de bedieningselementen op de linker stuurhendel. Met
de duimwielen op het dashboard kunt u de
koplamphoogte20 en sterkte van de interieurverlichting aanpassen.
Stand
Betekenis
Stand
Dagrijverlichting wanneer het elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat of als de auto
rijdt.
Dagrijverlichting en stadslichten
voor/achterlichten bij daglicht wanneer het elektrische systeem van
de auto in contactslotstand II staat
of wanneer de auto is ingeschakeld.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Draairing op stuurhendel
Betekenis
Dagrijverlichting en stadslichten
voor/achterlichten achter, wanneer
het elektrische systeem van de
auto in contactslotstand II staat of
als de auto rijdt.
Dimlicht en stadslichten voor/
achterlichten bij weinig daglicht of
donker of wanneer de mistlampen
voor* en/of het mistachterlicht
geactiveerd zijn.
Stadslichten voor/achterlichten,
wanneer de auto geparkeerd staatA.
Het automatisch groot licht is te
activeren.
Grootlichtsignalering mogelijk.
U kunt het groot licht inschakelen,
wanneer u het dimlicht voert.
Dimlicht en stadslichten voor/
achterlichten.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Groot licht is te activeren.
Automatisch groot licht aan/uit.
Grootlichtsignalering mogelijk.
A
Ook bij een stilstaande, ingeschakelde auto, mits de draairing
vanuit een andere stand in deze stand wordt gezet.
Volvo adviseert om stand
te gebruiken als
er met de auto wordt gereden.
20
Geldt voor auto's met halogeenkoplampen.
}}
* Optie/accessoire. 139
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
WAARSCHUWING
Het verlichtingssysteem van de auto kan niet
in elke situatie bepalen of het daglicht te
zwak of sterk genoeg is, bijv. bij mist en regen.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op de
heersende omstandigheden en de geldende
verkeerswetgeving.
Duimwielen op het dashboard
Lichtsterkte van interieurverlichting
aanpassen
Afhankelijk van de contactslotstand gaat de interieurverlichting op een bepaalde manier branden.
Met het duimwiel past u de lichtsterkte aan van
de displayverlichting, de knopverlichting, de achtergrondverlichting en de sfeerverlichting*.
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegenliggers
mogelijk verblindt. U kunt dat voorkomen door de
koplamphoogte bij te stellen. Stel de koplampen
lager af als de auto zwaar beladen is.
Koplamphoogteregeling
De koplamphoogte22 is te regelen met een van
de duimwielen op het dashboard.
1.
Laat de motor draaien of zet het elektrische
systeem van de auto in de contactslotstand I.
2.
Draai het duimwiel omhoog of omlaag om de
koplampen hoger of lager af te stellen.
Hieronder ziet u in welke stand het duimwiel
moet staan in enkele beladingssituaties.
Zie het artikel "Koplamphoogteregeling" voor de
instellingen bij uiteenlopende belading.
Gerelateerde informatie
Duimwiel voor het aanpassen van de lichtsterkte in het interieur
Duimwiel voor koplamphoogteregeling
Een auto met led-21 koplampen* heeft automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel
voor koplamphoogteregeling ontbreekt.
21
22
140
•
•
•
•
•
Interieurverlichting (p. 150)
Groot licht activeren/deactiveren (p. 143)
Contactslotstanden (p. 397)
stadslichten voor/achterlichten (p. 141)
Koplamphoogteregeling (p. 140)
Voorbeelden van duimwielstanden.
Duimwiel in stand 0
Duimwiel in stand 1
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
Geldt voor auto's met halogeenkoplampen.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Beladingssituatie
Duimwielstand
Alleen bestuurder.
0
Bestuurder en voorpassagier.
0
Bestuurder en voorpassagier.
1
stadslichten voor/achterlichten
Stadslichten voor/achterlichten gaan aan via de
draairing van de stuurhendel.
Wanneer u meer dan 30 seconden op een snelheid van maximaal 10 km/h (zo'n 6 mph) rijdt of
als de rijsnelheid oploopt tot boven 10 km/h
(zo'n 6 mph), gaat de dagrijverlichting branden. U
dient dan over te schakelen op een andere stand
.
dan
Drie passagiers achterin.
Bestuurder en voorpassagier.
1
Drie passagiers achterin.
220 kg bagage in de bagageruimte.
Bestuurder plus maximale belading in bagageruimte.
Gerelateerde informatie
•
Verlichtingsbediening (p. 139)
al niet zijn ingeschakeld) om het achteropkomende verkeer te waarschuwen. Dat gebeurt
altijd, ongeacht de stand van de draairing of de
contactslotstand van het elektrische systeem van
de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
2
Verlichtingsbediening (p. 139)
Contactslotstanden (p. 397)
De draairing van de stuurhendel in de stand voor stadslichten voor/achterlichten.
Zet de draairing in stand
- de stadslichten
voor/achterlichten gaan branden (ook de kentekenverlichting wordt ingeschakeld).
Als het elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat of als de auto is ingeschakeld, brandt de dagrijverlichting in plaats van de
stadslichten vóór. Dit geldt achter niet bij een
stilstaande, ingeschakelde auto, als u de draairing vanuit een andere stand in stand
draait. In dat geval branden de stadslichten voor/
achterlichten.
Als het buiten donker is en de achterklep wordt
geopend, gaan de achterlichten branden (als ze
141
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Dagrijlicht
Wanneer de draairing van de stuurhendel in
,
of
staat terwijl het
stand
elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat of de auto rijdt, brandt het dagrijgeldt dat alleen overdag.
licht. Voor stand
Bij een zwakke verlichting overdag of in het donker brandt in plaats daarvan het dimlicht.
Als u bij een ingeschakelde en stilstaande auto
de draairing vanuit een willekeurige andere
stand naar de stand voor de stadslichten,
,
branden de stadslichten in plaats van andere verlichting.
Dimlicht
Bij ritten met de draairing van de stuurhendel in
wordt het dimlicht automatisch
stand
geactiveerd bij een zwakke verlichting overdag
of in het donker.
WAARSCHUWING
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet in
alle gevallen kan bepalen wanneer de omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is
bij mist en regen bijvoorbeeld.
Dagrijlicht DRL
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op de
heersende omstandigheden en de geldende
verkeerswetgeving.
Gerelateerde informatie
•
•
•
De draairing van de stuurhendel in stand AUTO.
Wanneer de draairing van de stuurhendel in
staat, brandt het dagrijlicht (Daytime
stand
Running Lights - DRL) wanneer de auto overdag
rijdt. De auto schakelt automatisch over van dagrijlicht op dimlicht bij een zwakke verlichting overdag of in het donker. Overschakeling op dimlicht
vindt ook automatisch plaats, als u de mistlampen
voor/mistachterlichten activeert.
142
Verlichtingsbediening (p. 139)
Dimlicht (p. 142)
Contactslotstanden (p. 397)
De draairing van de stuurhendel in stand AUTO.
Wanneer de draairing van de stuurhendel in
stand
staat, wordt het dimlicht automatisch
geactiveerd bij een zwakke verlichting overdag of
in het donker, terwijl het elektrische systeem van
de auto in contactslotstand II staat of wanneer
de auto is ingeschakeld.
Met de draairing op de stuurhendel in stand
wordt het dimlicht ook automatisch geactiveerd in de volgende gevallen:
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
•
•
•
u activeert de mistlampen voor*
Groot licht activeren/deactiveren
Groot licht
u activeert het mistachterlicht
Groot licht is te activeren met de stuurhendel.
u activeert de mistlampen voor en het mistachterlicht
Automatisch groot licht is te activeren met de
draairing van de stuurhendel.
Het groot licht is te activeren met de draairing
23 of
.
van de stuurhendel in stand
Activeer het groot licht door de stuurhendel naar
voren te duwen. U kunt de functie deactiveren
door de stuurhendel naar achteren te halen.
Wanneer de draairing van de stuurhendel in
stand
staat terwijl het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand II staat of de
auto is ingeschakeld, brandt altijd het dimlicht.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt het
symbool
op het bestuurdersdisplay.
Automatisch groot licht
Tunneldetectie
De auto detecteert dat hij een tunnel inrijdt en
schakelt dan over van dagrijlicht op dimlicht.
Let erop dat de tunneldetectie alleen werkt, als
gedraaid is.
de linker stuurhendel in stand
Gerelateerde informatie
•
•
•
Dagrijlicht (p. 142)
Verlichtingsbediening (p. 139)
Contactslotstanden (p. 397)
Stuurhendel met draairing.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor groot licht
Grootlichtsignalen
Haal de stuurhendel naar achteren, naar de stand
voor grootlichtsignalen. Het groot licht brandt totdat u de hendel loslaat.
23
Wanneer het dimlicht brandt.
Automatisch groot licht is een systeem dat met
een camerasensor boven aan de voorruit de
koplampen van tegenliggers of de achterlichten
van voorliggers registreert en automatisch overschakelt van groot licht naar dimlicht. Het systeem kan ook rekening houden met de straatverlichting.
Wanneer de camerasensor geen tegen-/voorliggers meer waarneemt, wordt weer overgeschakeld naar groot licht.
Auto met halogeenkoplampen
Wanneer de camerasensor geen invallend licht
van voor-/tegenliggers waarneemt, schakelt de
verlichting enkele seconden later weer over naar
groot licht.
}}
* Optie/accessoire. 143
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Auto met led24-koplampen*
Wanneer bij automatisch groot licht met automatische in-/uitschakeling25 de camerasensor geen
invallend licht van voor-/tegenliggers meer waarneemt, schakelt de verlichting enkele seconden
later weer over naar groot licht.
Bij automatisch groot licht met adaptatiefunctie25
blijft in tegenstelling tot wat er gebeurt bij de
standaarddimfunctie dat deel van de lichtbundel
dat naast tegen- of voorliggers valt op grootlichtsterkte branden – alleen dat deel van de lichtbundel dat rechtstreeks op de tegenliggers/voorliggers gericht is wordt gedimd.
Wanneer de camerasensor geen invallend licht
van voor-/tegenliggers waarneemt, schakelt de
verlichting enkele seconden later weer over naar
volledig groot licht.
Activeren/deactiveren
Het systeem kan starten bij ritten in het donker,
wanneer de auto op een snelheid van zo'n
20 km/h (12 mph) of hoger rijdt.
Wanneer automatisch groot licht geactiveerd is,
op het bestuurdersdislicht het symbool
play wit op.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt het
symbool blauw. Bij led-koplampen geldt dit ook
bij gedeeltelijk groot licht, dat wil zeggen zodra
de lichtbundel iets sterker brandt dan het geval is
bij dimlicht.
Activeer/deactiveer automatisch groot licht door
de draairing op de stuurhendel naar stand
te draaien en weer los te laten. Deactiveren van
automatisch groot licht wanneer het groot licht
aanstaat, leidt ertoe dat er direct wordt overgeschakeld op dimlicht.
Adaptatiefunctie: Dimlicht recht vooruit in de richting van
tegenliggers, maar groot licht aan weerszijden van de
tegenliggers.
24
25
144
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
Afhankelijk van het uitrustingsniveau van de auto.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Handmatige bediening
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór de
camerasensor, aangezien één of meer camera’s voor het systeem hierdoor slechter of niet
meer werken.
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
Actief groot licht is een systeem dat u helpt
om in ongunstige omstandigheden de optimale verlichting te kiezen.
Voorbeelden van situaties waarin u mogelijk
moet wisselen tussen groot licht en dimlicht:
Als bestuurder bent u echter altijd verplicht
om handmatig te wisselen tussen groot licht
en dimlicht, als dat gezien de verkeerssituatie
en/of weersgesteldheid vereist is.
Als dit symbool samen met de melding
Actief grootlicht Tijdelijk niet
beschikbaar op het bestuurdersdisplay verschijnt, moet u handmatig overschakelen tussen groot licht en dimlicht. Desondanks kan de draairing van de stuurhendel in
stand
staan. Het symbool
dooft,
wanneer deze melding verschijnt.
Hetzelfde geldt als dit symbool samen
met de melding Voorruitsensor
Sensor afgedekt, zie handleiding
verschijnt.
Automatisch groot licht is mogelijk tijdelijk niet
beschikbaar, zoals in dichte mist of bij zware
regenval. Wanneer automatisch groot licht weer
beschikbaar is of als de voorruitsensoren niet
langer geblokkeerd zijn, verdwijnt de melding en
branden.
gaat het symbool
•
•
•
•
•
in zware regen of dichte mist
•
bij voorliggers met een zwakke voertuigverlichting
•
•
bij voetgangers op of naast de weg
•
als de verlichting van tegenliggers schuilgaat achter bijvoorbeeld vangrails
•
•
bij verkeer op verbindingswegen
•
in scherpe bochten.
bij ijsregen
bij stuifsneeuw of sneeuwmodder
bij maanlicht
bij ritten in zwak verlichte bebouwde
gebieden
bij sterk reflecterende voorwerpen zoals
borden in de buurt van de weg
op het hoogste punt van heuvels en het
laagste punt van dalen
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor in het artikel "Beperkingen van City
Safety".
Gerelateerde informatie
•
•
Verlichtingsbediening (p. 139)
Beperkingen van City Safety (p. 348)
145
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Actieve bochtverlichting*
Actieve bochtverlichting is ontworpen om in
bochten en op kruisingen voor maximale verlichting te zorgen.
Een auto met led26-koplampen* kan afhankelijk
van het uitrustingsniveau van de auto zijn uitgerust met actieve bochtverlichting.
De functie wordt automatisch ingeschakeld bij
het starten van de motor. Wanneer de functie
een storing vertoont, brandt het symbool
op het middendisplay en verschijnt op hetzelfde
middendisplay een verklarende tekst.
Gerelateerde informatie
•
•
Instellingsscherm (p. 175)
Mistlampen voor/bochtverlichting* (p. 147)
De functie is alleen actief bij een zwakke verlichting overdag of in het donker en alleen, wanneer
de auto rijdt of het dimlicht is ontstoken.
Functie deactiveren/activeren
U kunt de functie die bij aflevering vanuit de
fabriek is geactiveerd op twee manieren via het
middendisplay deactiveren/activeren.
Via het functiescherm
Druk op de knop Actieve
bochtverlichting.
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde
(rechts) functie.
De led-koplampen kunnen afhankelijk van het
uitrustingsniveau van de auto zijn uitgerust met
actieve bochtverlichting. De actieve bochtverlichting volgt de stuurbewegingen om voor een optimale verlichting in bochten en op kruisingen te
zorgen om op die manier de veiligheid te verhogen.
26
146
Via instellingen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car Lampen en verlichting
Exterieurverlichting.
3.
Deselecteer/selecteer Actieve
bochtverlichting.
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Lichtbundel van koplampen
aanpassen
Als de auto is uitgerust met adaptieve ledkoplampen, moet u de lichtbundelinstelling aanpassen wanneer u een auto voor rechtsrijdend
verkeer wilt gebruiken voor linksrijdend verkeer
en andersom.
Mistlampen voor/bochtverlichting*
De mistlampen zijn voorzien van de functie
bochtverlichting, zodat de lampen bij een scherpe
bocht tijdelijk met het stuurwiel meedraaien of in
de richting die de richtingaanwijzers aangeven.
Halogeenkoplampen
De functie wordt geactiveerd bij een zwakke verlichting overdag of in het donker, wanneer de
draairing van de stuurhendel in stand
of
en de auto een rijsnelheid heeft lager dan
zo'n 30 km/h (20 mph).
Led-koplampen*
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car Lampen en verlichting
Exterieurverlichting.
3.
Kies Tijdelijk rechtsrijdend verkeer/
Tijdelijk linksrijdend verkeer.
Gerelateerde informatie
•
•
Instellingsscherm (p. 175)
Groot licht activeren/deactiveren (p. 143)
De voorschriften voor het gebruik van een
mistlicht verschillen per land.
Bochtverlichting
De lichtbundel hoeft niet te worden aangepast.
De lichtbundel is dusdanig dat tegenliggers niet
worden verblind.
Pas de lichtbundel van de koplampen aan bij
adaptief groot licht, zie het artikel "Groot licht
activeren/deactiveren". Bij het aanpassen van de
lichtbundel voor links- of rechtsrijdend verkeer
moet de auto stilstaan en zijn ingeschakeld.
N.B.
De mistlampen vóór hebben bochtverlichting die
schuin omlaag is gericht.
Knop voor mistlampen voorzijde.
De mistlampen zijn in te schakelen, wanneer het
contactslot in stand II staat of wanneer de auto is
ingeschakeld en de draairing van de stuurhendel
in stand
,
of
staat.
Druk op de knop voor aan/uit. Het symbool
op het bestuurdersdisplay brandt, wanneer
de mistlampen branden.
Wanneer u de startknop naar STOP draait of de
draairing op de stuurhendel naar stand
draait, doven de mistlampen voor automatisch.
Ook tijdens het achteruitrijden gaat de bochtverlichting branden bij wijze van aanvulling op de
achteruitrijlichten.
U kunt de functie die bij aflevering vanuit de
fabriek geactiveerd is via het middendisplay
deactiveren/activeren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Verlichtingsbediening (p. 139)
Mistachterlicht (p. 148)
Actieve bochtverlichting* (p. 146)
Contactslotstanden (p. 397)
* Optie/accessoire. 147
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Mistachterlicht
Bij een beperkt zicht door mist kunt u de mistachterlichten gebruiken om achterliggers tijdig
op uw aanwezigheid te attenderen.
Druk op de knop voor aan/uit. Het symbool
op het bestuurdersdisplay brandt, wanneer
het mistachterlicht brandt.
Het mistachterlicht dooft automatisch in de volgende gevallen:
•
u draait de startknop naar STOP of u zet de
draairing op de stuurhendel naar stand
•
de draairing op de stuurhendel staat in stand
en de mistlampen zijn gedoofd.
N.B.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistachterlicht verschillen per land.
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht bestaat uit een lamp aan de
linkerzijde bij een auto met het stuur links of aan
de rechterzijde bij een auto met het stuur rechts.
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen in de
volgende gevallen:
148
•
het contactslot staat in stand II of de auto is
ingeschakeld en de draairing van de stuurof
hendel staat in stand
•
de draairing op de stuurhendel staat in stand
en de mistlampen voor branden.
Remlichten
De remlichten gaan automatisch branden, wanneer u remt.
Bij het bedienen van het rempedaal gaan de
remlichten branden. Ze gaan ook branden, wanneer een van de rijhulpsystemen Adaptieve
cruisecontrol*, City Safety of Rear Collision Warning de auto afremmen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Noodremlichten (p. 419)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
City Safety (p. 341)
Rear Collision Warning (p. 351)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verlichtingsbediening (p. 139)
Mistlampen voor/bochtverlichting* (p. 147)
Contactslotstanden (p. 397)
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Alarmlichten
Richtingaanwijzers gebruiken
De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig
knipperen, wanneer deze functie actief is.
De richtingaanwijzers van de auto zijn te bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven knipperen,
afhankelijk van hoe ver u de hendel omhoog of
omlaag beweegt.
N.B.
•
Deze reeks automatische knipperingen is
te onderbreken door de stuurhendel
onmiddellijk in tegengestelde richting te
bewegen.
•
Als het richtingaanwijzersymbool op het
bestuurdersdisplay sneller knippert dan
normaal – zie de melding op het bestuurdersdisplay.
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
de eindstand.
De hendel blijft in deze stand staan en is handmatig in de uitgangspositie terug te zetten of
veert automatisch terug bij het terugdraaien van
het stuurwiel.
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren.
De alarmlichten worden automatisch geactiveerd
als er zo sterk met de auto wordt geremd dat de
noodremlichten worden geactiveerd en de snelheid laag is. Nadat de noodremlichten zijn opgehouden met knipperen, gaan de alarmlichten
knipperen en de alarmlichten worden automatisch gedeactiveerd, wanneer u weer wegrijdt of
de desbetreffende knop indrukt.
Richtingaanwijzer.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
de eerste stand en laat de hendel vervolgens
los. De richtingaanwijzers lichten driemaal op.
De functie is te activeren/deactiveren via het
middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verlichtingsbediening (p. 139)
Alarmlichten (p. 149)
Instellingsscherm (p. 175)
Gerelateerde informatie
•
•
Richtingaanwijzers gebruiken (p. 149)
Noodremlichten (p. 419)
149
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Interieurverlichting
De interieurverlichting is te activeren/deactiveren
met de knoppen van de bedieningspanelen aan
het plafond voor- en achterin.
Alle verlichting in het interieur is handmatig in en
uit te schakelen binnen 30 minuten nadat:
•
de auto is afgezet en het elektrische systeem ervan in contactslotstand 0 staat
•
de auto ontgrendeld is zonder dat deze is
gestart.
Verlichting voorin
Automatische bediening voor interieurverlichting
•
wordt in- en uitgeschakeld bij het openen of
sluiten van een portier
Leeslampje rechterzijde
•
blijft twee minuten branden, wanneer een
van de portieren openstaat.
Leeslampjes voorin
De leeslampjes links of rechts doet u aan of uit
door kort op de bijbehorende knop op de plafondconsole te drukken. De lichtsterkte is aan te
passen door de knop ingedrukt te houden.
Interieurverlichting
De vloerverlichting en plafondverlichting zijn in en
uit te schakelen door de bijbehorende knop op
de plafondconsole kort in te drukken.
Automatische bediening voor
interieurverlichting
De automatische verlichting is te activeren door
de AUTO-knop op de plafondconsole kort in te
drukken. Het lampje in de knop gaat branden,
wanneer de automatische verlichting geactiveerd
is. Met het activeren van de AUTO-knop is de
interieurverlichting als volgt in en uit te schakelen.
Verlichting achterin
In het achterste deel van de auto zitten leeslampjes, die ook als interieurverlichting dienen.
De leeslampjes zitten in het plafond.
Leeslampjes boven de achterbank27.
De interieurverlichting:
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes
en interieurverlichting voorin.
Leeslampje linkerzijde
Interieurverlichting
27
150
•
gaat branden, wanneer de auto wordt ontgrendeld en wanneer deze wordt uitgeschakeld
•
dooft wanneer de auto wordt gestart en deze
wordt vergrendeld
Een auto met panoramadak* is voorzien van twee lampjes: aan beide zijden van het plafond één.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Dorpelverlichting
De dorpelverlichting wordt in- en uitgeschakeld
bij het openen of sluiten van een portier.
Verlichting in bagageruimte
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen
en sluiten van de achterklep automatisch in- en
uitgeschakeld.
Omgevingslicht
Leeslampje boven de achterbank bij een auto met panoramadak*.
De leeslampjes zijn in en uit te schakelen met
een korte druk op de knop van het lampje. De
lichtsterkte is aan te passen door de knop ingedrukt te houden.
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
Verlichting make-upspiegel*
De verlichting van de make-upspiegel in de zonneklep wordt bij het openen en sluiten van het
spiegelklepje in- en uitgeschakeld.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car Lampen en verlichting
Interieurverlichting.
3.
Kies uit de volgende instellingen:
•
Kies onder Intensiteit omgevingslicht
uit Uit, Laag en Hoog.
•
Kies onder Niveau omgevingslicht uit
Verm. en Vol.
Bediening naast het stuur.
De sterkte van de achtergrondverlichting is ook
fijn af te stellen met de bediening op het dashboard:
–
Draai aan het duimwiel om de sterkte te veranderen.
Sfeerverlichting*
De auto is uitgerust met een aantal leds waarmee de kleur van de verlichting te veranderen is.
Deze verlichting brandt, wanneer de auto is ingeschakeld.
De sfeerverlichting is aan te passen via het middendisplay:
Grondverlichting
De grondverlichting wordt in- en uitgeschakeld
bij het openen of sluiten van het desbetreffende
portier.
}}
* Optie/accessoire. 151
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Gerelateerde informatie
Verlichtingssterkte wijzigen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car Lampen en verlichting
Interieurverlichting
Stemmingsverlichting interieur.
3.
Kies onder Intensiteit sfeerverlichting uit
Uit, Laag en Hoog.
Verlichtingskleur wijzigen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car Lampen en verlichting
Interieurverlichting
Stemmingsverlichting interieur.
3.
Kies uit Op temperatuur, Op kleur en
Themakleuren om de verlichtingskleur te
wijzigen.
Bij kleurkeuze Op temperatuur verandert
de kleur van de verlichting aan de hand van
de ingestelde interieurtemperatuur.
•
•
•
Bediening naast het stuur.
De sterkte van de sfeerverlichting is ook fijn af te
stellen met de bediening op het dashboard:
–
Draai aan het duimwiel om de sterkte te veranderen.
Verlichting in portiervakken
De verlichting in de portiervakken brandt, wanneer de auto is ingeschakeld. De lichtsterkte is
fijn af te stellen met behulp van de bediening op
het dashboard.
Verlichting van bekerhouder voor in
tunnelconsole
De verlichting van de bekerhouder voorin gaat
branden bij ontgrendeling van de auto en dooft
bij vergrendeling. De lichtsterkte is fijn af te stellen met behulp van de bediening op het dashboard.
152
Verlichtingsbediening (p. 139)
Contactslotstanden (p. 397)
Instellingsscherm (p. 175)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Follow Me Home-verlichting
Approach-verlichting
Ruitenwissers gebruiken
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en als
Follow Me Home-verlichting dienst te laten doen
na vergrendeling van de auto.
De Approach-verlichting wordt geactiveerd als
de auto wordt ontgrendeld en wordt gebruikt om
de verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
De ruitenwissers reinigen de voorruit. Met de
rechter stuurhendel zijn verschillende instellingen voor de ruitenwisser mogelijk.
Om de functie in te schakelen:
Wanneer de functie is geactiveerd met de transpondersleutel bij ontgrendeling, branden de
stadslichten voor/achterlichten, de verlichting in
de handgrepen aan de buitenkant*, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het interieur
en de vloerverlichting. Als binnen de activeringstijd een portier wordt geopend, wordt de inschakelduur van de buitengreepverlichting* en de
interieurverlichting verlengd.
1.
Zet de auto uit.
2.
Breng de linker stuurhendel naar voren richting het dashboard en laat los.
3.
Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Bij activering van de functie gaan de dimlichten,
de stadslichten, de buitengreepverlichting* en de
kentekenplaatverlichting branden.
De duur van de Follow Me Home-verlichting kan
worden ingesteld via het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
Approach-verlichting (p. 153)
Instellingsscherm (p. 175)
U kunt de functie activeren/deactiveren via het
middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Follow Me Home-verlichting (p. 153)
Transpondersleutel (p. 244)
Instellingsscherm (p. 175)
Rechter stuurhendel.
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid
ruitenwissers
Enkele slag
Haal de hendel omlaag en laat deze weer
los om de wissers een enkele wisslag te
laten maken.
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de ruitenwissers uit te schakelen.
}}
* Optie/accessoire. 153
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Intervalstand
Regensensor activeren/deactiveren
Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd.
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch de
ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid
van de regensensor is af te stellen met het duimwiel op de rechter stuurhendel.
Ononderbroken wissen
Haal de hendel omhoog om de wissers
op normale snelheid te laten wissen.
BELANGRIJK
•
•
•
154
Deactiveer de regensensor met een druk op de
regensensorknop
of haal de hendel
omhoog voor een ander wisprogramma.
Rechter stuurhendel.
Regensensorknop
Ruiten- en koplampsproeiers (p. 155)
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid
ruitenwissers
Wanneer de regensensor actief is, verschijnt het
regensensorsymbool
op het bestuurdersdisplay.
Wisserbladen in servicestand (p. 548)
Regensensor activeren
Gerelateerde informatie
Regensensor activeren/deactiveren (p. 154)
Als u de hendel omlaaghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Regensensor deactiveren
Controleer voordat u de wissers activeert of
de wisserbladen niet zijn vastgevroren en of
eventuele sneeuw- en ijsresten op voor- en
achterruit zijn verwijderd.
BELANGRIJK
Activeer de regensensor door op de regensente drukken.
sorknop
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere gevoeligheid. De wissers maken een extra slag, als u
het duimwiel omhoogdraait.
Haal de hendel nog eens omhoog om de
wissers op hoge snelheid te laten wissen.
Gebruik voldoende sproeiervloeistof als de
wissers de voorruit schoonmaken. De voorruit
moet nat zijn als de ruitenwissers werken.
contactslotstand I of II staan en de ruitenwisserhendel in stand 0 of die voor een enkele wisslag.
Om de regensensor te kunnen activeren motor
de motor draaien of het elektrische systeem in
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer het elektrische systeem in contactslotstand 0 staat of wanneer de motor is
afgezet.
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de wisserarmen in de servicestand zet. De regensensor wordt opnieuw geactiveerd, wanneer de wisserarmen niet meer in de
servicestand staan.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
BELANGRIJK
In de wasstraat kunnen de ruitenwissers van
de voorruit starten en beschadigd raken.
Schakel de regensensor uit, terwijl de auto
rijdt of wanneer het elektrische systeem van
de auto in contactslotstand I of II staat. Het
symbool op het bestuurdersdisplay dooft.
Ruiten- en koplampsproeiers
Verwarmde sproeikoppen*
De ruiten- en koplampsproeiers reinigen de
voorruit en de koplampen. Via de rechter stuurhendel is de reiniging te starten.
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch
verwarmd om te voorkomen dat de sproeiervloeistof bevriest.
Ruiten- en koplampsproeiers starten
Koplampsproeiers*
Om vloeistof te besparen, worden de koplampen
alleen iedere vijfde keer dat u de voorruitsproeiers activeert gesproeid.
Geheugenfunctie activeren/deactiveren
Gereduceerde sproeifunctie
U kunt zo nodig de geheugenfunctie voor de
regensensor activeren, zodat u iedere keer dat u
de auto start de regensensorknop niet hoeft in te
drukken:
1.
–
Gerelateerde informatie
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Geheugen regensensor om de
geheugenfunctie te activeren/deactiveren.
Ruitenwisser.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Sproeifunctie, rechter stuurhendel.
Wanneer er nog zo'n 1 liter sproeiervloeistof in
het reservoir zit en op het bestuurdersdisplay de
melding Sproeiervloeistof Niveau laag,
,
bijvullen in combinatie met het symbool
worden de koplampen niet langer schoongesproeid. Dit omdat de sproeifunctie van de voorruit en een goed zicht door de voorruit de voorrang hebben.
Ruitenwissers gebruiken (p. 153)
Wisserbladen in servicestand (p. 548)
Achterruitwisser en -sproeier (p. 156)
U activeert de sproeiers van de voorruit en
de koplampen door de rechter stuurhendel
naar het stuurwiel toe te trekken.
> Nadat u de hendel hebt losgelaten maken
de ruitenwissers op de voorruit nog
enkele slagen.
•
•
•
Ruitenwissers gebruiken (p. 153)
Achterruitwisser en -sproeier (p. 156)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 551)
BELANGRIJK
Activeer de sproeiers niet bij bevriezing of bij
een leeg sproeiervloeistofreservoir, omdat de
pomp anders schade kan oplopen.
* Optie/accessoire. 155
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Achterruitwisser en -sproeier
De achterruitwisser en -sproeiers reinigen de
achterruit. Via de rechter stuurhendel is de reiniging te starten en zijn instellingen te verrichten.
N.B.
De achterruitwisser is beveiligd tegen oververhitting, zodat de wissermotor wordt uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een bepaalde afkoelperiode.
Achterruitwisser en -sproeier
–
Duw de rechter stuurhendel naar voren om
de achterruit schoon te sproeien en te wissen.
Automatische achterruitwisser bij
achteruitrijden activeren/deactiveren
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Selecteer Automatisch wissen achter om
wissen bij achteruitrijden te activeren/deactiveren.
Elektrisch bediende ruiten
Via het bedieningspaneel op het bestuurdersportier zijn alle ruiten te bedienen – via het
bedieningspaneel op de overige portieren is
alleen de ruit in het desbetreffende portier te
bedienen.
Ruitenwisser.
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl
de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de ruitenwisser voor de achterruit starten. Bij het inschakelen van een andere versnelling valt de ruitenwisser op de achterklep stil.
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al op
continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging
plaats.
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Ruitenwissers gebruiken (p. 153)
Elektrisch kinderslot* dat voorkomt dat kinderen de achterportieren vanaf de binnenzijde kunnen openen en de portierruiten achter kunnen openen/sluiten.
Ruiten- en koplampsproeiers (p. 155)
Bedieningsknoppen voor achterste zijruiten.
Regensensor activeren/deactiveren (p. 154)
Bedieningsknoppen voor voorste zijruiten.
Gerelateerde informatie
Selecteer
voor de intervalstand van de
achterruitwisser.
Selecteer
voor een continue wissnelheid van de achterruitwisser.
156
•
•
•
Gerelateerde informatie
•
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 157)
Kinderslot (p. 270)
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Elektrisch bedienbare ruiten
Bediening
Via het bedieningspaneel op het bestuurdersportier zijn alle ruiten te bedienen – via het
bedieningspaneel op de overige portieren is
alleen de ruit in het desbetreffende portier te
bedienen.
WAARSCHUWING
Let op dat kinderen of andere passagiers niet
bekneld raken wanneer u de ramen sluit vanaf
het bestuurdersportier.
WAARSCHUWING
Let op dat kinderen of andere passagiers niet
bekneld raken wanneer/indien u de ramen
sluit met behulp van de transpondersleutel.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn, moet
u altijd de stroom naar de elektrisch bedienbare ruiten onderbreken door het elektrische
systeem van de auto in contactslotstand 0 te
zetten en vervolgens de transpondersleutel
mee te nemen uit de auto.
ging worden gehinderd. Wanneer sluiten onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming, kan de
inklembeveiliging worden opgeheven. Wanneer
de zijruiten tweemaal achtereen niet konden worden gesloten, wordt de inklembeveiliging korte
tijd gedeactiveerd. Sluiten is daarna mogelijk door
de bedieningsknop omhoog te trekken en vast te
houden.
N.B.
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare ruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
Via het bedieningspaneel op het bestuurdersportier zijn alle ruiten te bedienen – via het bedieningspaneel op de overige portieren is alleen de
ruit in het desbetreffende portier te bedienen. Er
kan slechts één bedieningspaneel tegelijk worden bediend.
Voor het gebruik van de elektrisch bedienbare
ruiten moet de contactslotstand minimaal I zijn.
Bij uitschakeling van de auto zijn de elektrisch
bediende ruiten nadat het contact is uitgeschakeld nog enkele minuten te bedienen, maar niet
nadat een portier is geopend.
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun bewe-
Om het pulserende windgeluid te verminderen als de beide achterruiten open staan, kunt
u de voorste ruiten ook een stukje openen.
N.B.
Bij snelheden hoger dan zo'n 180 km/h
(112 mph) zijn de zijruiten niet te openen,
maar wel te sluiten.
Handmatige bediening
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen
omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch
bedienbare ruiten komen steeds verder omhoog
of omlaag zolang u de bedieningsknop bedient.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog of
duw er een omlaag en laat deze vervolgens los.
De desbetreffende zijruit gaat automatisch volledig open of dicht.
}}
157
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Bediening met transpondersleutel,
portierhandgreep of knop voor centrale
vergrendeling
Voor het vanaf de buitenzijde bedienen van de
elektrisch bedienbare ruiten met de transpondersleutel of de portierhandgrepen, of vanaf de binnenzijde met de knop voor centrale vergrendeling, zie het artikel "Transpondersleutel", "Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de buitenzijde" of
"Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de binnenzijde".
•
•
•
Transpondersleutel (p. 244)
Zonnescherm gebruiken*
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de buitenzijde (p. 249)
De beide achterportieren zijn voorzien van geïntegreerde zonneschermen.
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de binnenzijde (p. 253)
Op achterportier - handmatig bediend
Resetten
Als de startaccu losgekoppeld is geweest, werkt
de automatische openingsfunctie pas weer naar
behoren nadat u deze hebt gereset.
1.
Trek de knop aan de voorkant omhoog om
de ruit helemaal te sluiten en houd de knop
een seconde in deze stand vast.
2.
Laat de knop korte tijd los.
3.
Trek de voorkant van de knop opnieuw een
seconde omhoog.
Haak met bijbehorende vergrendeling
–
Trek het zonnescherm omhoog en haak het
vast aan de haak boven aan de ruitopening.
Ook bij gebruik van het zonnescherm kan de zijruit worden geopend en gesloten.
WAARSCHUWING
Resetten is nodig om de beveiliging tegen
overbelasting te laten werken.
Gerelateerde informatie
•
•
158
Elektrisch bediende ruiten (p. 156)
Contactslotstanden (p. 397)
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Buitenspiegels instellen
WAARSCHUWING
Stel de stand van de buitenspiegels bij met het
hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier.
Beide spiegels zijn groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Geheugenfunctie van elektrisch
bedienbare voorstoel*
De standen van de buitenspiegels zijn op te slaan
in de geheugenfunctie van de elektrisch bedienbare voorstoel.
Buitenspiegel kantelen bij parkeren28
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld worden, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de
kant van de weg te kan zien.
Bedieningsknoppen voor buitenspiegels.
Instellen
–
Schakel de achteruitversnelling in en druk op
de knop L of R.
Druk op knop L voor de buitenspiegel links of
op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
Bij het inschakelen van een andere versnelling
nemen de gekantelde buitenspiegels na ca.
10 seconden de oorspronkelijke stand weer in.
Dat gebeurt eerder, als u de knop L of R indrukt.
2.
U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
Automatisch kantelende buitenspiegel
bij parkeren28
3.
Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
worden de buitenspiegels automatisch omlaaggekanteld, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg kan zien. Wanneer u de
auto uit de achteruitversnelling haalt, nemen de
1.
28
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen.
buitenspiegels na enige tijd automatisch hun oorspronkelijke stand weer in.
De instellingen voor de functie zijn te verrichten
via het middendisplay:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies onder Buitenspiegel kantelen bij
achteruit voor Uit, Best., Passag. of Beide
om te activeren/deactiveren en om te kiezen
welke buitenspiegel moet worden gekanteld.
Spiegels en Easy Entry.
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen*
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel
vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
De functie is te activeren/deactiveren via het
middendisplay:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Spiegel inklappen bij vergrendelen
om te activeren/deactiveren.
Spiegels en Easy Entry.
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de
}}
* Optie/accessoire. 159
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
neutrale stand worden teruggezet zodat het elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt:
De instellingen voor de functie zijn te verrichten
via het middendisplay:
1.
Klap de spiegels in met de knoppen L en R.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Klap de spiegels weer uit met de knoppen L
en R.
2.
Druk op My Car
3.
Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
3.
Kies onder Binnenspiegel automatisch
dimmen voor Normaal, Donker of Licht.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt te
fel is, worden de achteruitkijkspiegel en buitenspiegels automatisch gedimd.
Buitenspiegels met autodimfunctie zijn alleen
mogelijk, als ook de achteruitkijkspiegel is voorzien van een dergelijke autodimfunctie, zie het
artikel "Achteruitkijkspiegel".
De autodimfunctie is tijdens het rijden altijd
actief, behalve bij inschakeling van de achteruitversnelling. De gevoeligheid van de autodimfunctie is in te stellen op drie niveaus en is van
invloed op zowel de achteruitkijkspiegel als de
buitenspiegels.
N.B.
Bij aanpassing van het gevoeligheidsniveau
van de autodimfunctie is de wijziging pas na
enige tijd te merken.
160
Spiegels en Easy Entry.
Achteruitkijkspiegel
De achteruitkijkspiegel is te dimmen met een
knopje aan de onderzijde van de spiegel. Ook is
het mogelijk dat de autodimfunctie van de achteruitkijkspiegel actief is.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt:
1.
Druk de knoppen L en R gelijktijdig in (contactslotstand minimaal I).
2.
Laat ze na zo'n 1 seconde los. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Achteruitkijkspiegel (p. 160)
Instellingsscherm (p. 175)
Geheugenfunctie gebruiken van elektrisch
bediende voorstoel* (p. 128)
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties in
de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje in de dimstand, wanneer u de verlichting van het achteropkomende verkeer als hinderlijk ervaart:
1.
Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2.
Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje
naar de voorruit toe te duwen.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Autodimfunctie*
De achteruitkijkspiegel is voorzien van twee sensoren (één aan de voorkant en één aan de achterkant) die samenwerken om hinderlijke lichtinval te identificeren en te verhelpen. De sensor
aan de voorkant registreert omgevingslicht, terwijl
de sensor aan de achterkant de koplampen van
achterliggers registreert.
N.B.
Als de sensoren door bijvoorbeeld parkeervergunningen, transponders, zonnekleppen of
voorwerpen op de achterbank of in de bagageruimte dusdanig worden gehinderd dat er
geen licht op de sensoren valt, gelden er
beperkingen voor de autodimfunctie van de
achteruitkijkspiegel en buitenspiegels.
De autodimfunctie is tijdens het rijden altijd
actief, behalve bij inschakeling van de achteruitversnelling. De gevoeligheid van de autodimfunctie is in te stellen op drie niveaus en is van
invloed op zowel de achteruitkijkspiegel als de
buitenspiegels.
Kompas*
N.B.
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt te
fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch
gedimd. Bij een spiegel met autodimfunctie ontbreekt het hendeltje voor handmatig dimmen.
Bij aanpassing van het gevoeligheidsniveau
van de autodimfunctie is de wijziging pas na
enige tijd te merken.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst.
De instellingen voor de functie zijn te verrichten
via het middendisplay:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies onder Binnenspiegel automatisch
dimmen voor Normaal, Donker of Licht.
Spiegels en Easy Entry.
Gerelateerde informatie
•
•
Buitenspiegels instellen (p. 159)
Instellingsscherm (p. 175)
Achteruitkijkspiegel met kompas.
Er worden acht verschillende kompasrichtingen
met Engelse afkortingen weergegeven: N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost),
S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en NW (noordwest).
Kompas activeren/deactiveren
Het kompas wordt automatisch geactiveerd bij
het starten van de motor.
Om het kompas te deactiveren/activeren:
–
Druk met een recht gebogen paperclip of
iets dergelijks het knopje aan de onderzijde
van de achteruitkijkspiegel in.
}}
* Optie/accessoire. 161
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Kompas kalibreren* (p. 162)
Contactslotstanden (p. 397)
Ontwaseming van ruiten en buitenspiegels
activeren/deactiveren (p. 201)
Kompas kalibreren*
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas dient te worden gekalibreerd als u
met de auto meerdere magnetische zones doorkruist.
Kalibreer als volgt:
1.
Breng de auto tot stilstand op een groot en
open terrein waar geen stalen constructies
of hoogspanningsdraden zijn.
2.
Start de auto en schakel alle elektrische uitrusting (klimaatregeling, luchtdroger en dergelijke) uit en zorg dat alle portieren zijn
gesloten.
Magnetische zones.
4.
Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van de gewenste magnetische
zone (1-15) verschijnt (zie de kaart met de
magnetische zones van het kompas).
5.
Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt of houd het knopje aan de
onderzijde van de achteruitkijkspiegel
zo'n 6 seconden lang ingedrukt, totdat het
teken C verschijnt.
6.
Rijd langzaam een rondje in de auto met een
snelheid van hoogstens 10 km/h (6 mph),
totdat een kompasrichting op het display verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie afgerond is. Rijd daarna nog 2 rondjes om de
kalibratie fijn af te stellen.
N.B.
De kalibratie kan mislukken of helemaal niet
worden uitgevoerd, als u de elektrische uitrusting niet uitschakelt.
3.
162
Houd het knopje aan de onderzijde van de
achteruitkijkspiegel zo'n 3 seconden lang
(met een paperclip of iets dergelijks) ingedrukt. Het cijfer van de huidige magnetische
zone verschijnt.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
7.
8.
Auto's met elektrische voorruitverwarming*: Als bij activering van de elektrische
voorruitverwarming het teken C op het display verschijnt, kalibreer dan volgens punt 6
hierboven met de elektrische voorruitverwarming ingeschakeld.
Panoramadak*
Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
Gerelateerde informatie
•
Kompas* (p. 161)
Het panoramadak is verdeeld in twee glassegmenten. Het voorste kan aan de achterkant verticaal (ventilatiestand) of horizontaal (open stand)
worden geopend. Het achterste is een vast dakglas.
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door de bewegende
delen van het panoramadak.
•
Let altijd op bij bediening van het panoramadak.
Bij het panoramadak hoort een windscherm.
•
Aan de binnenkant van het panoramadak zit een
zonnescherm gemaakt van geperforeerd textiel
voor extra bescherming tegen bijvoorbeeld het
felle zonlicht.
Laat kinderen niet met de bediening spelen.
•
Onderbreek altijd de stroom naar het
panoramadak door het elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0 te
zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
BELANGRIJK
Open het panoramadak niet, wanneer lastdragers zijn gemonteerd.
Het panoramadak en het zonnescherm zijn te
bedienen met een bedieningsknop aan het plafond.
De bediening wordt geactiveerd, wanneer het
elektrische systeem van de auto in contactslotstand I of II staat.
}}
* Optie/accessoire. 163
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Windscherm
Panoramadak* bedienen
Bij bediening via de bedieningselementen
schuift het panoramadak eerst horizontaal openen tot in de comfortstand.
van de auto minimaal in de contactslotstand I
staan.
Bediening met bediening aan plafond
In de ventilatiestand wordt het voorste glassegment aan de achterzijde opengekanteld.
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door de bewegende
delen van het panoramadak.
•
Bij het panoramadak hoort een windscherm dat
opgeklapt wordt bij een geopend panoramadak.
Let altijd op bij bediening van het panoramadak.
•
Gerelateerde informatie
Laat kinderen niet met de bediening spelen.
•
Onderbreek altijd de stroom naar het
panoramadak door het elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0 te
zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
•
•
Panoramadak* bedienen (p. 164)
Contactslotstanden (p. 397)
Openen, handmatig
Openen, automatisch
Sluiten, handmatig
Sluiten, automatisch
BELANGRIJK
Open het panoramadak niet, wanneer lastdragers zijn gemonteerd.
Om het panoramadak en het zonnescherm te
kunnen bedienen moet het elektrische systeem
164
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Handmatige bediening
1. Zonnescherm openen – duw de bedieningsknop achteruit naar de stand voor handmatig
openen. Zolang u de knop naar achteren
geduwd houdt, schuift het zonnescherm
steeds verder open tot in maximale stand.
2.
Panoramadak openen – duw de bedieningsknop een tweede maal naar achteren naar
de stand voor handmatig openen. Het panoramadak bereikt eerst de comfortstand29.
Om het dak maximaal te openen – duw de
bedieningsknop een derde maal naar achteren.
Volautomatische bediening
1. Zonnescherm maximaal openen – duw de
bedieningsknop naar achteren naar de stand
voor automatisch openen en laat de knop
weer los.
2.
Panoramadak openen – duw de bedieningsknop een tweede maal naar achteren naar
de stand voor automatisch openen en laat
los. Het panoramadak bereikt eerst de comfortstand29. Om het dak maximaal te openen
– duw de bedieningsknop een derde maal
naar achteren naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
Sluit het dak/scherm door de voorgaande procedure in omgekeerde volgorde te doorlopen – duw
de bedieningsknop nu echter vooruit/omlaag
naar de stand voor handmatig sluiten.
Sluit het dak/scherm door de voorgaande procedure in omgekeerde volgorde te doorlopen – duw
de bedieningsknop nu echter vooruit/omlaag
naar de stand voor automatisch sluiten.
Het dak komt tot stilstand, als u de bedieningsknop loslaat of als het glas de comfortstand heeft
bereikt of maximaal geopend of gesloten is.
Het dak komt tot stilstand, wanneer u de bedieningsknop loslaat of wanneer het dak de comfortstand heeft bereikt of maximaal geopend of
gesloten is. De beweging wordt eveneens onderbroken, als u een tegengesteld commando geeft
met de bedieningsknop.
N.B.
Bij handmatige opening is het panoramadak
pas te openen, wanneer het zonnescherm
volledig geopend is. Bij de omgekeerde procedure moet het panoramadak eerst volledig
dichtstaan, voordat het zonnescherm kan worden gesloten.
29
Volautomatisch bediening - snel openen/
sluiten
Het panoramadak en het zonnescherm zijn ook
tegelijkertijd te openen/sluiten:
–
Openen – duw de bedieningsknop tweemaal
naar achteren naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
–
Sluiten – duw de bedieningsknop tweemaal
naar voren/onderen naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
Het dak komt tot stilstand, wanneer het dak de
comfortstand heeft bereikt of maximaal gesloten
is. De beweging wordt eveneens onderbroken,
als u een tegengesteld commando geeft met de
bedieningsknop.
De beweging van het dak wordt niet onderbroken
als het glas de comfortstand bereikt bij sluiten
vanuit maximaal geopende stand. Het scherm
komt nooit tot stilstand wanneer het dak de comfortstand bereikt.
De beweging van het dak wordt niet onderbroken
als het glas de comfortstand bereikt bij sluiten
vanuit maximaal geopende stand.
De comfortstand is de stand waarbij het glassegment zover geopend is dat rijwind- en resonantiegeluiden op een aangenaam laag niveau liggen.
}}
165
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Ventilatiestand
U kunt de functie, die bij aflevering vanuit de
fabriek gedeactiveerd is, activeren/deactiveren:
1.
2.
Knop voor centrale vergrendeling
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Druk op My Car
Vergrendeling.
Kies Zonnescherm automatisch sluiten
om te activeren/deactiveren.
Sluiten met transpondersleutel, knop
voor centrale vergrendeling of
portiergreep
Ventilatiestand, achterkant verticaal opengekanteld.
Kantel het schuif-/kanteldak open door de
bedieningsknop omhoog te duwen.
Sluit het door de bedieningsknop naar
voren/onder te duwen.
Bij activering van de ventilatiestand wordt het
voorste glassegment aan de achterzijde opengekanteld. Als het zonnescherm helemaal dichtstaat
bij activering van de ventilatiestand, schuift het
automatisch zo'n 50 mm open.
Zonnescherm automatisch sluiten
Als de auto bij zonnig/warm weer geparkeerd
staat, sluit het zonnescherm automatisch 15
minuten nadat de auto is vergrendeld. Dit
gebeurt om de interieurtemperatuur te laten
dalen en de autobekleding te beschermen tegen
verkleuren door de zon.
166
een transpondersleutel
– Druk lang op de vergrendelingsknop
van
de transpondersleutel totdat het panoramadak en het zonnescherm in beweging komen
richting de gesloten stand. Laat de vergrendelingsknop vervolgens los.
De beweging stopt als u nogmaals op de knop
voor vergrendeling op de transpondersleutel
drukt of als het dak/scherm de gesloten stand
heeft bereikt.
Knop voor centrale vergrendeling.
Wanneer u het elektrische systeem van de auto
minimaal in contactslotstand I zet, kunt u de knop
voor centrale vergrendeling op het bestuurdersportier of het passagiersportier* gebruiken om
het panoramadak te sluiten.
–
Druk lang op de knop voor centrale vergrentotdat het panoramadak en het
deling
zonnescherm in beweging komen richting de
gesloten stand. Laat de knop vervolgens los.
De beweging stopt bij het indrukken van de knop
voor centrale vergrendeling of als het dak/
scherm de gesloten stand heeft bereikt.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Portiergrepen
Auto's uitgerust met passieve vergrendeling/
ontgrendeling* hebben een aanrakingsgevoelige
verdieping aan de buitenkant van de portiergrepen.
–
Leg uw vinger tegen de aanrakingsgevoelige
verdieping aan de buitenkant van een van de
portiergrepen totdat het panoramadak en het
zonnescherm in beweging komen richting de
gesloten stand. Laat daarna de verdieping in
de portierhandgreep los.
De beweging stopt als u uw vinger weer tegen
de verdieping van de portiergreep legt of als het
dak/scherm de gesloten stand heeft bereikt.
WAARSCHUWING
Als u het panoramadak sluit met de transpondersleutel, knop voor centrale vergrendeling
of portiergreep, moet u opletten dat er niemand bekneld raakt.
BELANGRIJK
Controleer of het panoramadak bij sluiten
goed vergrendelt.
of zonnescherm komt dan tot stilstand en wordt
vervolgens geopend tot op zo'n 50 mm van de
geblokkeerde stand (of tot de maximale ventilatiestand). De inklembeveiliging werkt ook bij het
openen van het glassegment of het zonnescherm.
Het panoramadak is voorzien van een inklembeveiliging die wordt geactiveerd, als het glassegment of het zonnescherm tijdens het sluiten door
een voorwerp wordt gehinderd. Het glassegment
HomeLink® is een programmeerbare afstandsbediening die geïntegreerd is in het elektrische
systeem van de auto.
Algemeen
Ook als de inklembeveiliging in werking is getreden, is het mogelijk om het glassegment en/of
zonnescherm nog een keer zonder inklembeveiliging in dezelfde richting te laten bewegen, op
voorwaarde dat deze beweging binnen 10 seconden na activering van de inklembeveiliging wordt
gestart. Wanneer sluiten onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming rond het glassegment, is de
inklembeveiliging met andere woorden op te heffen. U doet dat door de bedieningsknop vooruit/
omlaag te duwen, totdat het glassegment en/of
zonnescherm dichtstaat.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Inklembeveiliging
HomeLink®*30
Panoramadak* (p. 163)
Contactslotstanden (p. 397)
Transpondersleutel (p. 244)
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de binnenzijde (p. 253)
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de buitenzijde (p. 249)
Knop 1
Knop 2
Knop 3
Controlelampje
HomeLink®31 is een programmeerbare afstandsbediening die tot drie verschillende systemen (bijvoorbeeld een garagedeuropener, alarmsysteem,
huis- en tuinverlichting) op afstand kan bedienen
en daarmee de originele afstandsbedieningen
vervangt. HomeLink® wordt geleverd in een uitvoering die ingebouwd is in de achteruitkijkspie-
}}
* Optie/accessoire. 167
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
gel. Het HomeLink®-paneel bestaat uit drie programmeerbare knoppen en een controlelampje in
het spiegelglas.
Ga voor meer informatie over HomeLink® naar:
www.HomeLink.com, www.youtube.com/
HomeLinkGentex of bel 00 8000 466 354 65
(of het betaalnummer +49 6838 907 277).
WAARSCHUWING
30
31
32
33
168
•
Als HomeLink® wordt gebruikt om een
garagedeur of hek te bedienen, moet u
controleren of er niemand in de buurt van
de deur of het hek staat als deze
beweegt.
•
Terwijl HomeLink wordt geprogrammeerd,
kan de garagedeur of het toegangshek
dat wordt geprogrammeerd, geactiveerd
worden. Let daarom op dat er niemand in
de buurt van de deur of het hek staat tijdens het programmeren.
•
De auto moet buiten de garage staan als
de garagedeuropener wordt geprogrammeerd.
•
Gebruik HomeLink® niet voor een elektrische garagedeur zonder veiligheidsstop
en -retour.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen
goed bewaart voor eventuele programmering in
een later stadium (zoals bij aankoop van een
nieuwe auto of gebruik in een andere auto). Het
wordt tevens geadviseerd om de programmering
van de knoppen te wissen bij verkoop van de
auto, zie de paragraaf "HomeLink® programmeren".
Gerelateerde informatie
•
HomeLink®* programmeren (p. 168)
HomeLink®*32 programmeren
Instructie voor programmeren van HomeLink®.
HomeLink® programmeren
N.B.
Bij bepaalde auto’s moet het contact zijn
ingeschakeld of in de ‘accessoirestand’ staan,
voordat HomeLink® te programmeren of
gebruiken is. Plaats bij voorkeur nieuwe batterijen in de afstandsbediening die
HomeLink® moet vervangen, omdat de programmering dan mogelijk sneller verloopt en
het radiosignaal sterker is. Reset de
HomeLink®-knoppen alvorens te programmeren, zie het kopje "HomeLink®-knoppen
resetten". HomeLink® staat vervolgens in de
'inleermodus' en is klaar voor programmering.
1.
Druk de knop33 op HomeLink® in die u wilt
programmeren. Het controlelampje33 op
HomeLink® moet 1 keer per seconde geel
knipperen. U hoeft de knop niet ingedrukt te
houden.
Geldt voor bepaalde markten.
HomeLink en het symbool met het HomeLink-huis zijn geregistreerde handelsmerken van Gentex Corporation.
Geldt voor bepaalde markten.
Zie de paragraaf "HomeLink®*" voor de plaats van de knoppen en het controlelampje.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
2.
Richt de afstandsbediening op de te programmeren HomeLink®-knop en houd de
afstandsbediening op 2–8 cm van de knop.
Blokkeer het controlesymbool van
HomeLink® niet.
Opmerking! Met sommige afstandsbedieningen is HomeLink® beter te programmeren
op een afstand van 15–20 cm. Denk daaraan
als er problemen zijn met programmeren.
3.
Houd de knop op de originele afstandsbediening die op HomeLink® moet worden
geprogrammeerd vast en houd de led in de
gaten. Laat de knop pas los als de led van 1
maal per seconde geel knipperen is overgegaan op 10 maal per seconde groen knipperen of constant groen branden. Wanneer de
led groen knippert of brandt, kunt u de knop
op de afstandsbediening loslaten.
Opmerking! Voor sommige ontvangers
moet programmeerstap 3 wellicht worden
vervangen door de instructies in stap 4.
4.
Druk de knop op de originele afstandsbediening in el laat deze om de seconde los totdat
de led van 1 maal per seconde geel knipperen is overgegaan op 10 maal per seconde
groen knipperen of constant groen branden.
34
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
5.
Druk de geprogrammeerde HomeLink®-knop
in en controleer de led.
> Permanent groen branden: Als de led
permanent groen brandt, is het programmeren klaar. De garagedeur, het toegangshek en dergelijke moeten vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de geprogrammeerde knop.
10 maal per seconde groen knipperen: Druk op de te programmeren knop,
houd deze 2 seconden lang ingedrukt
en laat de knop weer los. Herhaal de
procedure van indrukken/vasthouden/
loslaten al naar gelang het model van de
ontvanger één of twee keer. Het programmeren is nu klaar en garagedeur, toegangshek en dergelijke moeten vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de geprogrammeerde knop.
Als de ontvanger nog steeds niet
wordt geactiveerd: Ga verder met programmeerstappen 6–8 om de programmering te voltooien.
6.
Zoek de inleerknop34 op de ontvanger voor
bijvoorbeeld de garagedeur op. Deze zit
doorgaans in de buurt van de bevestiging
van de antenne op de ontvanger.
7.
Druk de inleerknop van de ontvanger in en
laat hem los. Stap 8 moet worden binnen 30
seconden na het indrukken van de knop worden voltooid.
8.
Druk op de te programmeren knop, houd
deze 2 seconden lang ingedrukt en laat
de knop weer los. Herhaal de procedure
van indrukken/vasthouden/loslaten al naar
gelang het model van de ontvanger één of
twee keer. Het programmeren is nu klaar
en garagedeur, toegangshek en dergelijke
moeten vervolgens geactiveerd worden bij
het indrukken van de geprogrammeerde
knop.
}}
169
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Bediening
Zodra HomeLink® geprogrammeerd is, vormt het
een vervanging voor de afzonderlijke originele
afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in. De garagedeur, het toegangshek en dergelijke worden
geactiveerd (dit kan een paar seconden duren).
Na het indrukken van de knop brandt of knippert
het controlelampje. Uiteraard kunt u de originele
afstandsbedieningen naast HomeLink® blijven
gebruiken.
N.B.
Als het contact niet is uitgeschakeld, blijft
HomeLink® tot 30 minuten na opening van
het bestuurdersportier werken.
Als er problemen met programmeren ontstaan,
neem dan contact op met HomeLink® via:
www.HomeLink.com, www.youtube.com/
HomeLinkGentex of bel 00 8000 466 354 65
(of het betaalnummer +49 6838 907 277).
HomeLink®-knoppen resetten
U kunt de HomeLink®-knoppen alleen allemaal
tegelijk resetten en dus niet slechts één ervan.
Herprogrammeren van slechts één knop is echter
wel mogelijk, zie de paragraaf "Afzonderlijke knop
programmeren" hieronder.
170
1.
2.
Druk knop 1 en 3 op HomeLink® in en laat
deze pas na ca. 10 seconden los wanneer de
led groen gaat knipperen.
Gerelateerde informatie
•
HomeLink®* (p. 167)
Laat de knoppen los.
> HomeLink® staat daarmee in de "inleermodus" en is klaar om opnieuw geprogrammeerd te worden, zie de paragraaf
"HomeLink® programmeren" hierboven.
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke
HomeLink®-knop te programmeren:
1.
Druk op de gewenste knop en houd deze
ingedrukt.
2.
Begin na ca. 20 seconden, wanneer de led
op HomeLink® geel gaat knipperen, met stap
1 in de paragraaf "HomeLink® programmeren" hierboven.
Opmerking! Als de te programmeren knop
opnieuw moet worden geprogrammeerd niet
met een nieuwe eenheid wordt geprogrammeerd, zal deze terugkeren naar de eerder
opgeslagen programmering.
Ga voor meer informatie over HomeLink® of bij
op- en aanmerkingen naar: www.HomeLink.com,
www.youtube.com/HomeLinkGentex of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277).
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
•
•
Boordcomputer
De boordcomputer van de auto registreert en
berekent waarden zoals afgelegde afstand,
brandstofverbruik en gemiddelde snelheid tijdens het rijden.
Gemiddelde snelheid
Gemiddeld brandstofverbruik.
De waarden zijn berekend op basis van de waarden sinds de laatste reset.
Kilometerteller
Om eenvoudiger zuinig te kunnen rijden, worden
het momentane en het gemiddelde brandstofverbruik geregistreerd. De boordcomputerinformatie
is weer te geven op het bestuurdersdisplay.
De kilometerteller registreert de totale afgelegde
afstand van de auto. Deze waarde is niet op nul
te zetten.
Momentaan brandstofverbruik
8 inch bestuurdersdisplay.
De volgende meters maken deel uit van de
boordcomputer:
•
•
•
•
•
12 inch bestuurdersdisplay.
Dagtellers
Kilometerteller
Geldt voor Bi-Fuel*-auto
Bij ritten op gas toont de boordcomputer het
gasverbruik.
Momentaan brandstofverbruik
Actieradius op tank
Actieradius op tank
De boordcomputer berekent de actieradius op
basis van de resterende hoeveelheid brandstof in
de tank.
Toerist (alternatieve snelheidsmeter)
Dagtellers
Er zijn twee dagtellers, TM en TA.
TM kan handmatig op nul worden gezet en TA
wordt automatisch op nul gezet als de auto minimaal vier uur niet wordt gebruikt.
Tijdens de rit wordt informatie geregistreerd over:
•
•
Deze meter geeft het actuele brandstofverbruik
van de auto aan. De waarde wordt zowat iedere
seconde bijgewerkt.
De actieradius wordt berekend aan de hand van
het gemiddelde brandstofverbruik over de laatste
30 km en de resterende hoeveelheid brandstof.
Wanneer de meter "----" aangeeft, zijn geen
garanties meer te geven voor de actieradius.
Tank dan zo spoedig mogelijk.
Afstand
Rijtijd
}}
* Optie/accessoire. 171
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
N.B.
Er is een bepaalde afwijking mogelijk, als u
van rijstijl verandert.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een langere actieradius.
Geldt voor Bi-Fuel*-auto
N.B.
De aanduiding voor de actieradius op de
tankinhoud geldt alleen voor een benzinetank.
De door de boordcomputer geregistreerde en
berekende waarden kunnen worden weergegeven op het bestuurdersdisplay.
De waarden worden opgeslagen in een boordcomputerapp. Via het appmenu kunt u die informatie kiezen die op het bestuurdersdisplay moeten worden weergegeven.
Open het appmenu35 en blader erin met de knoppenset
rechts op het stuurwiel.
Toerist (alternatieve snelheidsmeter)
Appmenu
De alternatieve digitale snelheidsmeter vereenvoudigt het rijden in landen waar verkeersborden
met de voorgeschreven snelheden een andere
eenheid hebben dan wat de instrumenten van de
auto laten zien.
Links/rechts
De digitale snelheid wordt dan weergegeven in
de eenheid die de analoge snelheidsmeter juist
niet geeft. Is de analoge snelheidsmeter ingesteld op mph, dan wordt de snelheid op de
boordcomputermeter weergegeven in km/h en
omgekeerd.
Gerelateerde informatie
172
Rijstatistieken tonen op het
bestuurdersdisplay
•
Rijstatistieken tonen op het bestuurdersdisplay (p. 172)
•
Verbruiksinfo weergeven op het middendisplay (p. 174)
Omhoog/omlaag
Bevestigen
1.
Open het appmenu op het bestuurdersdisplay door op (1) te drukken.
(Het appmenu kan niet worden geopend als
er nog een onbevestigde melding op het
bestuurdersdisplay staat. De melding moet
eerst worden bevestigd voordat het appmenu
kan worden geopend.)
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
2.
3.
Navigeer naar de boordcomputerapp door
met (2) naar links of rechts te vegen.
> Op de bovenste vier menuregels staan de
gemeten waarden voor dagteller TM. Op
de vier menuregels eronder staan de
gemeten waarden voor dagteller TA. Blader omhoog of omlaag in de lijst met (3).
Dagteller op nul zetten
Gerelateerde informatie
Blader verder omlaag naar de alternatievenknoppen om te kiezen welke informatie op het
bestuurdersdisplay moet worden weergegeven:
•
•
•
•
•
Momentaan brandstofverbruik
Actieradius op tank
Kilometerteller
Afgelegde afstand voor dagteller TM, TA
of geen weergave van afgelegde afstand
Toerist (alternatieve snelheidsmeter).
Selecteer of deselecteer een optie met de
knop O (4). De wijziging gaat meteen in.
•
•
Boordcomputer (p. 171)
•
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
gebruiken (p. 111)
Verbruiksinfo weergeven op het middendisplay (p. 174)
Zet dagteller TM op nul door de knop RESET op
de linker stuurhendel lang in te drukken.
Dagteller TA wordt alleen automatisch op nul
gezet. Dat is het geval als de auto gedurende 4
uur of meer niet wordt gebruikt.
Eenheid wijzigen
Eenheden voor afgelegde afstand, snelheden en
dergelijke wijzigen via het middendisplay:
1.
35
N.B.
Een wijziging van deze eenheden is niet
alleen van toepassing op de boordcomputer
maar ook op Volvo’s RTI-navigatiesysteem*.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Systeem
3.
Kies onder Eenheden de gewenste eenheidsnorm: Metr., Imper. of VS.
Eenheden.
Het uiterlijk van het display kan verschillen afhankelijk van de variant.
* Optie/accessoire. 173
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Verbruiksinfo weergeven op het
middendisplay
De verbruiksinfo van de boordcomputer verschijnt in grafische vorm op het middendisplay
en biedt u het overzicht waarmee u eenvoudig
zuiniger kunt rijden.
Het gemiddelde brandstofverbruik en de totale
rijtijd zijn bepaald op basis van de verbruiksinfo
sinds de laatste nulstelling.
Verbruiksinfo van de boordcomputer36.
Instellingen voor verbruiksinfo
Druk op Voorkeur om
•
de schaalverdeling te wijzigen. Kies een
resolutie van 1, 10 of 100 km/miles voor de
staaf.
•
de verbruiksinfo na afloop van een rit op nul
te zetten. Wanneer de auto meer dan 4 uur
stilgestaan heeft.
•
de gegevens over de actuele rit op nul te zetten.
Eenheid wijzigen
Eenheid voor afgelegde afstand, brandstofverbruik en dergelijke wijzigen via het middendisplay:
174
2.
Druk op Systeem
3.
Kies onder Eenheden de gewenste eenheidsnorm: Metr., Imper. of VS.
•
•
Verbruiksinfo, berekend gemiddeld verbruik en
totale rijtijd worden altijd gelijktijdig op nul gezet.
36
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
Eenheden.
Gerelateerde informatie
Open de app Bestuurder
prestaties op het appscherm
om de verbruiksinfo weer te
geven.
Elke staaf in het diagram staat
voor een afstand van 1, 10 of
100 km (of miles). Tijdens het rijden worden de
staven van rechts naar links aangevuld. De staaf
uiterst rechts geeft de waarde voor de actuele
etappe aan.
1.
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van de softwareversie en de gekozen uitvoering afwijkingen mogelijk zijn.
Boordcomputer (p. 171)
Rijstatistieken tonen op het bestuurdersdisplay (p. 172)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instellingsscherm
Een instelling wijzigen
In het instellingsscherm van het middendisplay
kunt u Instellingen en informatie hanteren voor
tal van autofuncties.
Het instellingsscherm openen en
sluiten en hierin bladeren
Een subcategorie in het instellingsscherm met verschillende soorten instellingen, heeft een meerkeuzeknop en
radioknoppen.
Het hoofdscherm met de knop voor Instellingen.
1.
Sleep het tabblad boven aan het middendisplay omlaag om het hoofdscherm te openen.
2.
Druk op Instellingen om het instellingsscherm te openen.
3.
Druk op een van de categorieën die verschijnt en blader naar subcategorieën en
Instellingen door nogmaals te tikken.
4.
Druk op Terug om terug te gaan naar het
instellingsscherm.
Druk op Sluiten om het instellingsscherm te
sluiten.
1.
Druk op categorieën en subcategorieën om
naar de gewenste instelling te bladeren.
2.
Wijzig een of meer instellingen. Verschillende
soorten instellingen worden op verschillende
manieren gewijzigd (zie de tabel hieronder
voor een beschrijving van de desbetreffende
soorten).
> De wijzigingen worden onmiddellijk opgeslagen.
Soorten instellingen
Er zijn verschillende soorten instellingen:
Soort
instelling
Beschrijving
Triggerfunctie
Start een app of een afzonderlijk
scherm voor geavanceerdere
instellingen door op de tekst te
drukken, bijvoorbeeld om een
eenheid met Bluetooth aan te
sluiten.
Radioknop
Kies uit meerdere opties een
instelling door op de gewenste
radioknop te drukken, bijvoorbeeld om een systeemtaal te
kiezen.
Meerkeuzeknop
Kies een niveau voor iets door
op het gewenste deel van de
knop te drukken, bijvoorbeeld om
het gevoeligheidsniveau voor
City Safety te kiezen.
Selectievakjes
Kies ervoor een functie te activeren/deactiveren door op het
vakje te drukken om dit aan te
kruisen of leeg te maken, bijvoorbeeld om automatische start
van elektrische stoelverwarming
te kiezen.
Schuifknoppen
Kies een niveau voor iets binnen
een interval door op de knop te
drukken en deze te slepen, bij}}
175
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Soort
instelling
Weergave
van informatie
Beschrijving
Categorieën op instellingsscherm
Subcategorie
Instellingen
voorbeeld om het geluidsniveau
te kiezen.
Het instellingsscherm heeft een aantal hoofdcategorieën en subcategorieën waarin instellingen
en informatie voor tal van functies van de auto
zijn verzameld.
Displays
Persoonlijk
Geen eigenlijke instelling, geeft
ergens informatie over, bijvoorbeeld het identificatienummer
van de auto.
IntelliSafe
Gemengd
Onder het instellingsscherm zitten 7 hoofdcategorieën: My Car, Geluid, Navigatie, Media,
Communicatie, Klimaat en Systeem.
Parkeerhulp
Algemeen
Rijmodus/Individuele rijmodus*
Gemengd
Lampen en verlichting
Gemengd
Spiegels en Easy Entry
Persoonlijk
Vergrendeling
Gemengd
Parkeerrem en vering
Gemengd
Stoelen
Gemengd
Ruitenwisser voorruit
Gemengd
Ophanging
Algemeen
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 34)
Categorieën op instellingsscherm (p. 176)
Elke categorie omvat op zijn beurt een aantal
subcategorieën en instelmogelijkheden. In de
onderstaande tabellen wordt het eerste niveau
van subcategorieën weergegeven. De instelmogelijkheden voor een functie of terrein worden
uitvoeriger beschreven in de desbetreffende artikelen van de gebruikershandleiding. Zie voor systeeminstellingen die niet staan beschreven in de
desbetreffende artikelen: artikel "Systeeminstellingen wijzigen in het hoofdmenu".
Sommige instellingen zijn persoonlijk, wat inhoudt
dat ze opgeslagen kunnen worden voor een
Bestuurdersprofielen, terwijl andere algemeen
zijn, wat betekent dat ze niet zijn gekoppeld aan
een bestuurdersprofiel. De onderstaande tabellen
maken duidelijk of de instellingen van een categorie persoonlijk, algemeen of een mengvorm
van beide zijn.
176
My Car
Audio
Subcategorie
Instellingen
Geluidsbeleving*
Persoonlijk
Toon
Persoonlijk
Balans
Persoonlijk
Systeemvolumes
Gemengd
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Navigatie
Subcategorie
Instellingen
Kaart
Persoonlijk
Route en begeleiding
Persoonlijk
Verkeer
Persoonlijk
Begeleiding
Persoonlijk
Systeem
Persoonlijk
Media
Subcategorie
Instellingen
Internet via automodem
Algemeen
Volvo On Call
-
Volvo-servicenetwerken
Algemeen
Systeem
Subcategorie
Instellingen
Bestuurdersprofiel
Persoonlijk
AM/FM-radio
Persoonlijk
Datum en tijd
-
DAB
Persoonlijk
Systeemtaal
Persoonlijk
Gracenote®
Persoonlijk
Toetsenbordindelingen
Algemeen
Video
Persoonlijk
Stembediening
Persoonlijk
Eenheden
Persoonlijk
Opslag
-
Software-updates
-
Fabrieksreset
-
Services
-
Instellingen
Telefoon
-
Tekstberichten
-
Bluetooth-apparaten
-
Wi-Fi
Algemeen
Wifi-hotspot auto
Algemeen
Instellingsscherm (p. 175)
Systeeminstellingen wijzigen op instellingsscherm (p. 178)
De hoofdcategorie Klimaat heeft geen subcategorieën.
Instellingen
Subcategorie
•
•
Klimaatregeling
Subcategorie
Communicatie
Gerelateerde informatie
177
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Systeeminstellingen wijzigen op
instellingsscherm
De categorie Systeem in het instellingsscherm
verzamelt instellingen en informatie die in zijn
algemeenheid gelden voor de systemen van de
auto, bijvoorbeeld taal en eenheden.
De systeeminstellingen onder
Bestuurdersprofiel, Datum en tijd,
Toetsenbordindelingen, Stembediening,
Software-updates, Fabrieksreset,
Fabrieksreset en Services staan beschreven in
de desbetreffende artikelen van de gebruikershandleiding.
Systeemtaal wijzigen
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Systeem
3.
Systeemtaal selecteren. Talen met ondersteuning van stembediening hebben een
stembedieningssymbool.
> De taal op het bestuurdersdisplay, het
middendisplay en het head-updisplay
wordt gewijzigd.
Lengte- en volume-eenheden wijzigen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
178
Vehicle Identification Number.
3.
Druk op Systeem
Eenheden.
Eenheden
Kies uit de volgende eenheidsnormen:
• Metr. - kilometer, liter en graden Celsius.
• Imper. - miles, gallons en graden Celsius.
• VS - miles, gallons en graden Fahrenheit.
> De eenheden op het bestuurdersdisplay,
het middendisplay en het head-updisplay
worden gewijzigd.
Zie de opslaginformatie
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Systeem Opslag.
> De opslaginformatie voor de harde schijf
van de auto verschijnt - met onder andere
de totale capaciteit, de beschikbare capaciteit en de hoeveelheid ruimte die de
geïnstalleerde applicaties gebruiken.
Systeemtaal.
Systeemeenheden wijzigen
37
2.
Zie het identificatienummer van de auto
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Systeem Vehicle Identification
Number.
> Het identificatienummer van de auto
(VIN37) verschijnt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Categorieën op instellingsscherm (p. 176)
Bestuurdersprofielen (p. 179)
Klok (p. 103)
Het toetsenbord in het middendisplay
gebruiken (p. 50)
•
•
•
Instellingen voor stembediening (p. 122)
•
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie (p. 526)
Systeemupdates (p. 530)
Instellingen resetten op instellingsscherm
(p. 179)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instellingen resetten op
instellingsscherm
4.
Alle gewijzigde instellingen in het instellingsscherm kunnen in één keer worden gereset naar
hun standaardwaarden.
Soorten resets
Er zijn drie soorten resets voor de instellingen in
het instellingsscherm:
• Fabrieksreset - wist alle gegevens en
media en reset alle instellingen naar hun
standaardwaarden.
• Auto-instellingen resetten - reset alge-
mene instellingen naar standaardwaarden.
• Persoonlijke instell. resetten - wist persoonlijke gegevens en reset persoonlijke
instellingen naar hun standaardwaarden.
Instellingen resetten
N.B.
Fabrieksreset is alleen mogelijk, wanneer de
auto stilstaat.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Systeem
3.
Kies het gewenste type reset.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
Fabrieksreset.
Druk op OK om de reset te bevestigen.
Bestuurdersprofielen
Voor de optie Persoonlijke instell.
resetten wordt de reset bevestigd door op
Resetten voor het actieve profiel of
Resetten voor alle profielen te drukken.
> De geselecteerde instellingen worden
gereset.
Tal van instellingen in de auto zijn naar wens aan
te passen en op te slaan in een of meer bestuurdersprofielen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Systeeminstellingen wijzigen op instellingsscherm (p. 178)
Bestuurdersprofielen (p. 179)
Gebruikersgegevens resetten bij doorverkoop (p. 185)
De persoonlijke instellingen worden automatisch
in het actieve bestuurdersprofiel opgeslagen.
Elke sleutel is te koppelen aan een bestuurdersprofiel. Bij gebruik van een sleutel waaraan een
bestuurdersprofiel is gekoppeld, wordt de auto
aangepast volgens de instellingen van dat specifieke bestuurdersprofiel.
Welke instellingen worden opgeslagen
in bestuurdersprofielen?
Tal van instellingen in de auto zullen automatisch
worden opgeslagen in het actieve bestuurdersprofiel als het profiel niet is vergrendeld, zie het
artikel "Bestuurdersprofiel bewerken". In de auto
zijn de verrichte instellingen hetzij persoonlijk,
hetzij algemeen. Het zijn de persoonlijke instellingen die in bestuurdersprofielen worden opgeslagen.
Instellingen die zijn op te slaan in een bestuurdersprofiel zijn onder meer schermweergaven,
spiegels, voorstoelen, navigatie, audio- en mediasysteem, taal en stembediening.
Bepaalde instellingen, de zogeheten algemene
instellingen, zijn te wijzigen, maar worden niet
opgeslagen in een specifiek bestuurdersprofiel.
Wijzigen van de algemene instellingen is van
invloed op alle profielen.
}}
179
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Algemene instellingen
De algemene instellingen en de parameters wijzigen niet als het ene bestuurdersprofiel wordt verruild voor een ander. Ze blijven gelijk, ongeacht
welk bestuurdersprofiel actief is.
De instellingen van de toetsenbordindeling zijn
voorbeelden van algemene instellingen. Als u
bestuurdersprofiel X gebruikt om meer talen aan
het toetsenbord toe te voegen, blijven deze opgeslagen en kunt u ook bij gebruik van bestuurdersprofiel Y van taal wissen. De instellingen van de
toetsenbordindeling worden niet opgeslagen
onder een specifiek bestuurdersprofiel - deze
instellingen zijn algemeen.
Persoonlijke instellingen
Als bestuurdersprofiel X is gebruikt om bijvoorbeeld de lichtsterkte op het middendisplay in te
stellen, wordt bestuurdersprofiel Y niet door deze
instelling beïnvloed. Deze is opgeslagen voor
bestuurdersprofiel X - de instelling van de lichtsterkte is een persoonlijke instelling.
Bestuurdersprofiel kiezen
Alternatief 2:
Het laatst gebruikte bestuurdersprofiel is het
profiel dat bij de volgende ontgrendeling van de
auto opnieuw wordt gekozen. Na ontgrendeling
van de auto kunt u een ander bestuurdersprofiel
kiezen.
1.
Sleep het hoofdscherm van het middendisplay open.
2.
Druk op Profiel.
> Dezelfde lijst als die voor alternatief 1 verschijnt.
3.
Kies het gewenste bestuurdersprofiel.
4.
Druk op Bevestig.
> Het bestuurdersprofiel is gekozen, waarna
het systeem de instellingen van het
nieuwe bestuurdersprofiel laadt.
Bij het inschakelen van het middendisplay verschijnt boven aan het display het gekozen
bestuurdersprofiel. Bij ontgrendeling van de auto
wordt automatisch het laatst gebruikte bestuurdersprofiel gekozen. Als de transpondersleutel
echter aan een ander bestuurdersprofiel is
gekoppeld, wordt bij het starten het desbetreffende profiel gekozen. Zie "Transpondersleutel
koppelen aan bestuurdersprofiel".
U kunt op twee manieren van bestuurdersprofiel
veranderen.
Alternatief 1:
1.
Druk tijdens het inschakelen van het middendisplay op de naam van het bestuurdersprofiel dat boven aan het middendisplay staat.
> Er verschijnt een lijst met de te kiezen
bestuurdersprofielen.
2.
Kies het gewenste bestuurdersprofiel.
3.
Druk op Bevestig.
> Het bestuurdersprofiel is gekozen, waarna
het systeem de instellingen van het
nieuwe bestuurdersprofiel laadt.
Lees meer in artikel "Categorieën in instellingsscherm" om een idee te krijgen van welke instellingen persoonlijk en welke algemeen zijn.
Gerelateerde informatie
•
•
•
180
Bestuurdersprofiel bewerken (p. 181)
Categorieën op instellingsscherm (p. 176)
Bestuurdersprofiel kiezen (p. 180)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bestuurdersprofielen (p. 179)
Bestuurdersprofiel bewerken (p. 181)
Transpondersleutel koppelen aan bestuurdersprofiel (p. 182)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Bestuurdersprofiel bewerken
2.
U kunt de verschillende bestuurdersprofielen die
in de auto worden gebruikt een andere naam
geven.
3.
Druk op het vakje Profielnaam.
> Er verschijnt een toetsenbord, waarna u
de naam kunt wijzigen. Druk op
om
het toetsenbord te sluiten.
Sla de naamswijziging op door te drukken op
Terug/Sluiten.
> De naam is nu gewijzigd.
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersprofielen (p. 179)
Instellingen resetten op instellingsscherm
(p. 179)
•
Het toetsenbord in het middendisplay
gebruiken (p. 50)
•
Bestuurdersprofiel kiezen (p. 180)
N.B.
Een profielnaam kan niet beginnen met een
spatie, omdat de profielnaam dan niet wordt
opgeslagen.
Instellingen resetten in
bestuurdersprofielen
Alle soorten wijzigingen in bestuurdersprofielen
zijn vanuit het hoofdscherm op het middendisplay
te verrichten -Instellingen Systeem
Bestuurdersprofielen.
Naam van bestuurdersprofiel wijzigen
Wijzig de naam van een bestuurdersprofiel vanuit
het venster Bestuurdersprofiel.
1.
Druk op Profiel bewerken.
> Er verschijnt een menu waarin het profiel
kan worden bewerkt.
Instellingen die zijn opgeslagen onder een of
meer bestuurdersprofielen zijn te herstellen, als
de auto stilstaat.
N.B.
Fabrieksreset is alleen mogelijk, wanneer de
auto stilstaat.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Systeem Fabrieksreset
Persoonlijke instell. resetten.
3.
Kies een van de opties Resetten voor het
actieve profiel, Resetten voor alle
profielen of Annuleren.
181
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Transpondersleutel koppelen aan
bestuurdersprofiel
2.
Druk op Systeem
Bestuurdersprofielen.
U kunt uw sleutel koppelen aan een bestuurdersprofiel. Op die manier wordt telkens automatisch het bestuurdersprofiel met alle bijbehorende instellingen geselecteerd als de auto
wordt gebruikt met die specifieke transpondersleutel.
3.
Markeer het gewenste profiel. Het profiel
Gast kan niet aan een sleutel worden
gekoppeld.
4.
Open het hoofdscherm en druk op
Instellingen Systeem
Bestuurdersprofielen Profiel
bewerken.
De eerste keer dat de transpondersleutel wordt
gebruikt, is deze nog niet gekoppeld aan een
specifiek bestuurdersprofiel. Bij het starten van
de auto wordt automatisch het profiel Gast
geactiveerd.
Het is mogelijk om handmatig een bestuurdersprofiel te kiezen zonder dit aan de sleutel te
koppelen. Bij ontgrendeling van de auto wordt
het laatst gehanteerde bestuurdersprofiel geactiveerd. Als de sleutel eenmaal gekoppeld is aan
een bestuurdersprofiel, hoeft u bij gebruik van
deze sleutel geen bestuurdersprofiel meer te kiezen.
Transpondersleutel koppelen aan een
bestuurdersprofiel
Kies eerst het profiel dat u aan de sleutel wilt
koppelen, voor zover het te koppelen profiel niet
al actief is. Het actieve profiel is vervolgens aan
de sleutel te koppelen.
1.
182
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
5.
Kies Sleutel koppelen om het profiel aan
de sleutel te koppelen. Het is niet mogelijk
om een bestuurdersprofiel te koppelen aan
een andere sleutel dan de momenteel in de
auto gebruikte sleutel. Als er meerdere sleutels in de auto zijn, verschijnt de tekst Meer
dan één sleutel gevonden, pak de
sleutel die u met de back-uplezer wilt
verbinden.
Positie back-uplezer in de tunnelconsole.
> Als de tekst Profiel gekoppeld aan
sleutel verschijnt, zijn de sleutel en het
bestuurdersprofiel aan elkaar gekoppeld.
6.
Druk op OK.
> De huidige sleutel is nu gekoppeld aan
het bestuurdersprofiel en blijft gekoppeld
zolang het hokje voor Sleutel koppelen
is aangevinkt.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bestuurdersprofielen (p. 179)
Bestuurdersprofiel bewerken (p. 181)
Transpondersleutel (p. 244)
Bestuurdersprofiel importeren/
exporteren via USB
De persoonlijke instellingen die zijn opgeslagen
in bestuurdersprofielen, kunnen per USB
naar/uit andere auto's geëxporteerd/geïmporteerd worden.
Loop de onderstaande punten door om een
bestuurdersprofiel te importeren/exporteren via
een USB-stick:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Systeem
Bestuurdersprofielen.
4.
Kies Profiel importeren van USB/Profiel
exporteren naar USB.
N.B.
Tijdens het importeren en exporteren van
bestuurdersprofielen kan er slechts één USBstick in de aansluiting zitten. Als er meerdere
sticks in de aansluiting zitten, bestaat de kans
dat het bestuurdersprofiel wordt opgeslagen
op de verkeerde USB-stick of dat de auto bij
het importeren geen bestuurdersprofiel kan
vinden.
N.B.
Er kunnen meerdere profielen naar USB worden geëxporteerd, maar er kan slechts één
profiel tegelijk geïmporteerd worden. Bij het
importeren van een profiel wordt het huidige
profiel in de auto overschreven door het
geïmporteerde. Ook de profielnaam wordt
overschreven.
Het gastprofiel kan noch geëxporteerd, noch
geïmporteerd worden.
USB-aansluiting in tunnelconsole.
3.
Plaats een USB-stick in de aansluiting in de
tunnelconsole.
}}
183
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
5.
6.
Kies het profiel dat geïmporteerd of het profiel dat/de profielen die geëxporteerd
moet(en) worden.
> Het huidige bestuurdersprofiel wordt
overschreven bij het importeren van een
nieuw.
Instellingen wijzigen voor apps
Apps van derden
In het appscherm staan alle apps in de auto bij
elkaar. De instellingen voor apps die betrekking
hebben op de ingebouwde functies van de auto
zijn te wijzigen vanuit het hoofdscherm van het
middendisplay.
Kies OK.
Apps voor ingebouwde functies basisapps
Apps van derden zoals Volvo-id zijn bij aflevering
van de auto niet voorgeïnstalleerd en moeten
naderhand worden gedownload. Bij dergelijke
apps van derden verricht u eventuele instellingen
altijd in de desbetreffende apps en niet vanuit het
hoofdscherm.
Gerelateerde informatie
De apps die oorspronkelijk in de auto zijn opgeslagen, bijvoorbeeld FM-radio en USB, maken
deel uit van Sensus en behoren tot de ingebouwde functies van de auto. De instellingen
voor deze apps kunnen rechtstreeks op het
hoofdscherm van het middendisplay worden
gewijzigd.
•
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 41)
•
•
Instellingsscherm (p. 175)
•
Categorieën op instellingsscherm (p. 176)
Als het exporteren mislukt, kan dat komen doordat:
•
•
de USB-stick vol is;
de USB-stick niet goed geplaatst is of tijdens het exporteren werd verwijderd.
Als het importeren mislukt, kan dat komen doordat:
•
de USB-stick niet goed geplaatst is of tijdens het importeren werd verwijderd;
Instellingen wijzigen voor een basisapp
1. Druk op de app, bijvoorbeeld FM-radio.
•
er geen bestuurdersprofiel op de USB-stick
staat;
2.
•
het bestuurdersprofiel op de USB-stick
beschadigd is.
3.
Druk op FM Radio Instellingen.
4.
Wijzig de instellingen naar wens en bevestig
uw keuze(s).
5.
Druk op de fysieke homeknop of tik op de
virtuele knop Sluiten.
Gerelateerde informatie
•
Bestuurdersprofielen (p. 179)
Veeg het hoofdscherm open
De meeste basisapps van de auto bieden deze
contextuele instelmogelijkheid, maar niet allemaal. Zie het artikel "Categorieën op instellingsscherm" voor meer informatie over hoe u instellingen wijzigt.
184
Apps downloaden, bijwerken of verwijderen
(p. 487)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Gebruikersgegevens resetten bij
doorverkoop
Bij doorverkoop moeten gebruikersgegevens en
systeeminstellingen worden gereset naar de
fabrieksinstellingen.
De instellingen van de auto kunnen op verschillende niveaus gereset worden. Reset bij doorverkoop alle gebruikersgegevens en systeeminstellingen naar de oorspronkelijke fabrieksinstellingen. Bij verkoop van de auto is het ook belangrijk
om de doorverkoop te registreren in Volvo On
Call* te wijzigen.
Gerelateerde informatie
•
Instellingen resetten op instellingsscherm
(p. 179)
•
Volvo ID (p. 24)
* Optie/accessoire. 185
KLIMAAT
KLIMAAT
Klimaatregeling
4-zoneregeling*
•
Klimaatregeling met stembediening (p. 124)
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt ervoor dat de
lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of van
vocht ontdaan wordt.
2-zoneregeling
Klimaatzones bij 4-zoneregeling.
Bij 4-zoneregeling zijn de interieurtemperaturen
voor de zones linksvoor, rechtsvoor, linksachter
en rechtsachter elk apart in te stellen.
Klimaatzones bij 2-zoneregeling.
Bij 2-zoneregeling zijn de interieurtemperaturen
voor de linker en rechter zone elk apart in te stellen.
Alle klimaatfuncties zijn te bedienen via het middendisplay en de fysieke knoppen op de middenconsole.
188
Alle klimaatfuncties zijn te bedienen via het middendisplay en de fysieke knoppen op de middenconsole. De klimaatregelingsfuncties voor achterin zijn ook te bedienen via het klimaatregelingspaneel achter op de tunnelconsole.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Klimaatsensoren (p. 189)
Gevoelstemperatuur (p. 189)
Luchtkwaliteit (p. 190)
Klimaatregelingsbediening (p. 192)
Luchtverdeling (p. 204)
Parkeerklimaat* (p. 213)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Klimaatsensoren
De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren voor de regeling van het autoklimaat.
Bij het Interior Air Quality System* is er ook een
luchtkwaliteitssensor, die in de luchtinlaat van de
klimaatregeling zit.
Positie van de sensoren
Gerelateerde informatie
•
•
•
Klimaatregeling (p. 188)
Gevoelstemperatuur (p. 189)
Interior Air Quality System* (p. 191)
Gevoelstemperatuur
De klimaatregeling regelt het autoklimaat op
basis van de gevoelstemperatuur en niet de werkelijke temperatuur.
De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen
met de gevoelstemperatuur op basis van de
heersende omstandigheden in en rond de auto
wat buitentemperatuur, luchtsnelheid, luchtvochtigheidsgraad, ingestraalde warmte en dergelijke
betreft.
Het systeem beschikt over een zonnesensor die
de stand van de zon registreert. Daardoor kan de
temperatuur van de lucht uit de blaasmonden
links en rechts afwijken, ondanks dat de temperatuurknoppen voor de beide zijden in dezelfde
stand staan.
Vochtsensor - in de voetafdekking van de
achteruitkijkspiegel.
Buitentemperatuursensor - in de rechter buitenspiegel.
Zonnesensor - boven op het dashboard.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Klimaatregeling (p. 188)
Klimaatsensoren (p. 189)
Temperatuur regelen (p. 196)
Binnentemperatuursensor - bij de fysieke
koppen op de middenconsole.
N.B.
Bedek of blokkeer de sensoren niet met kledingstukken of andere voorwerpen.
* Optie/accessoire. 189
KLIMAAT
Luchtkwaliteit
N.B.
De gekozen interieurmaterialen en het luchtreinigingssysteem zorgen voor een hoge luchtkwaliteit in de auto.
Clean Zone geeft niet per se aan dat de
luchtkwaliteit goed is, maar duidt er alleen op
dat is voldaan aan de voorwaarden voor een
goede luchtkwaliteit.
Materiaal in de passagiersruimte
Het interieur werd dusdanig vormgegeven dat het
gerieflijk en comfortabel is - ook voor mensen
met contactallergieën of astma.
Gerelateerde informatie
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is.
De vloerbekleding in zowel de passagiersruimte
als de bagageruimte is eenvoudig te verwijderen
en schoon te maken.
Gebruik de door Volvo geadviseerde schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten voor
het reinigen van het interieur.
Luchtreinigingssysteem
Los van het interieurfilter dragen ook de aanpassingen voor Clean Zone Interior Package* en het
luchtkwaliteitssysteem Interior Air Quality
System* bij aan een hoge luchtkwaliteit in de
auto.
Clean Zone*
Clean Zone controleert of wel of niet is voldaan
aan alle voorwaarden voor een goede luchtkwaliteit in het interieur.
190
De indicator staat in het klimaatveld op het
middendisplay.
De indicator staat in het klimaatveld, wanneer
het klimaatscherm niet geopend is.
Als niet is voldaan aan de voorwaarden, verschijnt
de tekst Clean Zone in het wit. Wanneer is voldaan aan alle voorwaarden, verandert de kleur
van de tekst in blauw.
•
•
•
•
•
•
Klimaatregeling (p. 188)
Interieurfilter (p. 191)
Clean Zone Interior Package* (p. 191)
Interior Air Quality System* (p. 191)
Interieur reinigen (p. 573)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 193)
Op de volgende voorwaarden wordt gecontroleerd:
•
•
•
Alle portieren en de achterklep zijn gesloten.
•
•
De interieurventilator is geactiveerd.
Alle zijruiten en panoramadak* zijn gesloten.
Het luchtkwaliteitssysteem Interior Air Quality
System* is geactiveerd.
De luchtrecirculatie is gedeactiveerd.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Interieurfilter
Clean Zone Interior Package*
Interior Air Quality System*
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter.
Clean Zone Interior Package (CZIP) omvat een
aantal aanpassingen om stoffen die aanleiding
kunnen geven tot allergieën en/of astma uit het
interieur te weren.
Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet
de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken.
Het volgende is inbegrepen:
IAQS maakt deel uit van Clean Zone Interior
Package (CZIP) en ontdoet de lucht in de passagiersruimte van verontreinigingen in de vorm van
stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en
laaghangend ozon.
Interieurfilter vervangen
Om een goed interieurklimaat te kunnen handhaven moet u het filter op gezette tijden vervangen.
Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor
het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk
verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
•
N.B.
Er zijn verschillende soorten interieurfilters.
Let erop dat het juiste filter wordt gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Luchtkwaliteit (p. 190)
Clean Zone Interior Package* (p. 191)
Interior Air Quality System* (p. 191)
Serviceprogramma van Volvo (p. 526)
Een geavanceerde ventilatorfunctie die aanslaat, wanneer de auto via de transpondersleutel wordt ontgrendeld. De ventilator vult
het interieur op die manier met verse lucht.
De functie start als dat nodig is en stopt na
bij het openen van een van de portieren. Bij
inactiviteit wordt de functie na enige tijd
automatisch beëindigd. De tijd dat de ventilatorfunctie werkt zal langzaam maar zeker
korter worden, totdat de auto 4 jaar oud is.
Het volautomatische luchtkwaliteitssysteem
Interior Air Quality System (IAQS).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Luchtkwaliteit (p. 190)
Interieurfilter (p. 191)
Interior Air Quality System* (p. 191)
Als de luchtkwaliteitssensor van het systeem
registreert dat de buitenlucht vervuild is, wordt de
luchtinlaat gesloten en de luchtrecirculatie geactiveerd.
N.B.
Voor de beste lucht in het interieur moet de
luchtkwaliteitssensor altijd zijn ingeschakeld.
In een koud klimaat is de recirculatie beperkt
om het beslaan van de ruiten te voorkomen.
Schakel bij condens de elektrische verwarming van de voorruit, zijruiten en achterruiten
in.
Luchtkwaliteitssensor activeren/
deactiveren
U kunt de luchtkwaliteitssensor desgewenst activeren/deactiveren.
}}
* Optie/accessoire. 191
KLIMAAT
||
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Luchtkwaliteitssensor om de luchtkwaliteitssensor te activeren/deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Luchtkwaliteit (p. 190)
Klimaatregelingsbediening
De klimaatregelingsfuncties zijn te bedienen via
het middendisplay, de fysieke knoppen op de
middenconsole en het klimaatpaneel achter op
de tunnelconsole*.
•
Klimaatregelingsbediening achter op de tunnelconsole* (p. 194)
•
Ontwaseming van ruiten en buitenspiegels
activeren/deactiveren (p. 201)
Overzicht van de
klimaatregelingsbediening
Interieurfilter (p. 191)
Clean Zone Interior Package* (p. 191)
Luchtrecirculatie activeren/deactiveren
(p. 204)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay.
Ontwasemingsknoppen op de middenconsole.
Klimaatregelingsbediening achter op de tunnelconsole*.
Gerelateerde informatie
•
•
192
Klimaatregeling (p. 188)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 193)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Klimaatregelingsbediening op het
middendisplay
Via het klimaatveld en het klimaatscherm van het
middendisplay zijn alle klimaatfuncties te regelen.
Klimaatveld
Via het klimaatveld zijn de meest voorkomende
klimaatfuncties te regelen.
Temperatuurbediening voor bestuurders- en
passagierszone.
Bediening voor elektrische stoelverwarming*
en -ventilatie* voorin plus elektrische stuurverwarming*.
Knop voor toegang tot het klimaatscherm.
De grafische voorstelling op de knop geeft
de geactiveerde klimaatinstellingen weer.
Klimaatscherm
Bij eenmaal indrukken van de middelste knop in
het klimaatveld opent u het klimaatscherm. Het
klimaatscherm is opgesplitst in de tabbladen
Hoofd klimatisering, Achter klimatisering* en
Standklimatisering*. U kunt van tabblad wisselen door naar links/rechts te vegen of op de desbetreffende rubriek te drukken.
Hoofdklimaat
Op het tabblad Hoofd klimatisering kunt u
behalve de klimaatfuncties in het klimaatveld ook
de hoofdklimaatfuncties regelen.
Max, Elektrisch, Achter - Bediening voor
ontwaseming van ruiten en buitenspiegels.
AC - Bediening voor airconditioning.
Recirc. - Bediening voor luchtrecirculatie.
Bediening voor luchtverdeling.
Ventilatorbediening voorin (en achterin bij 2zoneregeling).
AUTO - Automatische klimaatregeling.
}}
* Optie/accessoire. 193
KLIMAAT
||
Klimaat achterin*
Op het tabblad Achter klimatisering zijn alle klimaatfuncties voor achterin te regelen.
Parkeerklimaat*
Op het tabblad Standklimatisering is het parkeerklimaat van de auto te regelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Temperatuurbediening voor achterin.
Via het klimaatregelingspaneel achter op de tunnelconsole zijn de klimaatfuncties voor achterin
te regelen.
Ontwaseming van ruiten en buitenspiegels
activeren/deactiveren (p. 201)
•
Airconditioning activeren/deactiveren
(p. 196)
•
Luchtrecirculatie activeren/deactiveren
(p. 204)
•
•
•
•
•
Klimaat tweede rij - Bediening voor klimaatregeling achterin. Ventilatorbediening
voor achterin.
Klimaatregelingsbediening (p. 192)
Klimaatregelingsbediening achter
op de tunnelconsole*
Luchtverdeling wijzigen (p. 205)
Ventilatorstand regelen (p. 199)
Automatische klimaatregeling (p. 195)
Temperatuur regelen (p. 196)
Elektrische stoelverwarming* activeren/deactiveren (p. 210)
Bediening voor elektrische achterbankverwarming*.
•
Elektrische stoelventilatie* activeren/deactiveren (p. 212)
Ventilatorbediening voor achterin.
•
Elektrische stuurverwarming* activeren/
deactiveren (p. 213)
•
Parkeerklimaat* (p. 213)
Temperatuurbediening voor achterin.
Als de auto niet is uitgerust met een klimaatpaneel achter op de tunnelconsole maar wel elektrische achterbankverwarming* heeft, zitten er
fysieke bedieningsknoppen achter op de tunnelconsole.
Bediening voor elektrische achterbankverwarming*.
194
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 192)
Elektrische stoelverwarming* activeren/deactiveren (p. 210)
Ventilatorstand regelen (p. 199)
Temperatuur regelen (p. 196)
Automatische klimaatregeling
2.
Bij automatische klimaatregeling regelt de klimaatregeling automatisch meerdere klimaatfuncties.
Druk kort of lang op AUTO.
Temperatuur en ventilatorstand worden
afhankelijk van de vraag of u de desbetreffende knop kort of lang indrukt als volgt
gewijzigd:
De automatische klimaatregeling regelt automatisch de luchtrecirculatie, airconditioning en luchtverdeling.
•
Kort indrukken – voorgaande instellingen
voor automatische klimaatregeling hervatten.
•
Lang indrukken – standaardinstellingen
hanteren: 22 °C/72 °F en niveau 3
(niveau 2 achterin1).
> De automatische klimaatregeling wordt
geactiveerd/gedeactiveerd en de knop
gaat branden/dooft.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 193)
Knop voor automatische klimaatregeling op klimaatscherm.
1.
1
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
Voor auto's met 4-zoneregeling*.
* Optie/accessoire. 195
KLIMAAT
Airconditioning activeren/
deactiveren
N.B.
Sluit alle zijruiten en het panoramadak* voor
optimale werking van de airconditioning.
De airconditioning koelt en droogt zo nodig de
binnenkomende lucht.
Hoofdairconditioning activeren/
deactiveren
Temperatuur regelen
De temperaturen voor de linker en rechter zone
zijn elk apart in te stellen. Bij 4-zoneregeling* zijn
ook de temperaturen voor de zones voorin en
achterin elk apart in te stellen.
N.B.
Het is niet mogelijk de airconditioning te activeren, wanneer de ventilatorknop in stand Off
staat.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 193)
Airconditioningsknop op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Druk op AC.
> De airconditioning wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
Bij een actieve airconditioning bepaalt de
klimaatregeling op basis van de behoefte
automatisch de tijdstippen voor in- en uitschakeling.
196
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Temperatuur voorin2 regelen
Temperatuur synchroniseren
Temperatuurbediening.
Temperatuurknoppen in het klimaatveld.
1.
Druk op de temperatuurknop voor de linker
of rechter zone in het klimaatveld op het middendisplay om de bediening te openen.
2.
Regel de temperatuur door:
•
de bediening naar de gewenste temperatuur te slepen, of
Synchronisatieknop op temperatuurbediening bestuurderszone.
1.
Druk op de temperatuurknop voor de
bestuurderszone in het klimaatveld op het
middendisplay om de bediening te openen.
2.
Druk op Temperatuur synchroniseren .
> De temperatuurinstelling voor alle klimaatzones van de auto wordt gesynchroniseerd met de ingestelde temperatuur voor
de bestuurderszone en naast de temperatuurknop staat het synchronisatiesymbool.
•
op +/− te drukken om de temperatuur in
stapjes te verhogen/verlagen.
> De temperatuur wordt aangepast, waarna
de knop de ingestelde temperatuur aangeeft.
De synchronisatie is op te heffen door opnieuw
op Temperatuur synchroniseren te drukken of
door de temperatuurinstellingen te wijzigen voor
de passagierszone of voor de zones achterin*.
2 Bij
2-zoneregeling ook achterin.
}}
* Optie/accessoire. 197
KLIMAAT
||
Temperatuur achterin* regelen
Vanaf de achterbank
Vanaf de voorstoelen
Temperatuurbediening.
3.
Regel de temperatuur door:
Temperatuurknoppen op tabblad Achter klimatisering
op klimaatscherm.
•
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay en kies het tabblad Achter
klimatisering.
•
2.
Druk op de temperatuurknop voor de linker
of rechter zone om de bediening te openen.
de bediening naar de gewenste temperatuur te slepen
op +/− te drukken om de temperatuur in
stapjes te verhogen/verlagen.
> De temperatuur wordt aangepast, waarna
de knop de ingestelde temperatuur aangeeft.
Temperatuurregeling op klimaatpaneel achter op tunnelconsole.
–
Druk op de < /> -knoppen voor de linker of
rechter zone in het klimaatregelingspaneel
achter op de tunnelconsole om de temperatuur in stapjes te verhogen of te verlagen.
> De temperatuur wordt aangepast, waarna
het scherm van het klimaatpaneel de
ingestelde temperatuur aangeeft.
N.B.
Het is niet mogelijk om het opwarmen/afkoelen te versnellen door een hogere/lagere
temperatuur te kiezen dan die eigenlijk
gewenst is.
198
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 192)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 193)
•
Klimaatregelingsbediening achter op de tunnelconsole* (p. 194)
•
Gevoelstemperatuur (p. 189)
Ventilatorstand regelen
De ventilator is in te stellen op zeven verschillende automatische ventilatorstanden alsook op
Off en Max. Bij 4-zoneregeling* zijn de ventilatorstanden voor de zones voorin en achterin elk
apart in te stellen.
BELANGRIJK
Als de ventilator volledig uitstaat, start de airconditioning niet, waardoor er mogelijk condens aan de binnenkant van de ruiten
optreedt.
Ventilatorstand voorin3 regelen
Ventilatorstandknoppen op klimaatscherm.
3 Bij
2-zoneregeling ook achterin.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Druk op de gewenste ventilatorstand: Off,
1-5 of Max.
> De ventilatorstand wordt aangepast,
waarna de knop voor de gekozen stand
gaat branden.
}}
* Optie/accessoire. 199
KLIMAAT
||
Ventilatorstand achterin* regelen
Vanaf de achterbank
N.B.
Vanaf de voorstoelen
De klimaatregeling past de luchtstroom zo
nodig automatisch aan, wat betekent dat de
ventilatorsnelheid kan veranderen ondanks
dat de ventilatorstand ongewijzigd is.
Gerelateerde informatie
Ventilatorstandknoppen op tabblad Achter
klimatisering op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay en kies het tabblad Achter
klimatisering.
2.
Druk op de gewenste ventilatorstand: 1 - 5.
De ventilatorstand voor de achterbank is te
deactiveren met een druk op Klimaat
tweede rij.
> De ventilatorstand wordt aangepast,
waarna de knop voor de gekozen stand
gaat branden.
200
•
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 193)
•
Klimaatregelingsbediening achter op de tunnelconsole* (p. 194)
Ventilatorregeling op klimaatpaneel achter op tunnelconsole.
–
Druk op de gewenste ventilatorstand: Off of
1-5 op het klimaatpaneel achter op de tunnelconsole.
> De ventilatorstand wordt aangepast,
waarna de knop voor de gekozen stand
gaat branden.
N.B.
De ventilatorstand voor achterin is niet in te
stellen, als de ventilatorstand voor voorin is
ingesteld op Off.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Ontwaseming van ruiten en
buitenspiegels activeren/
deactiveren
Auto's met elektrische voorruitverwarming:
–
De drie klimaatregelingsfuncties maximale ontwaseming, elektrische voorruitverwarming* en
elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming dienen om de ruiten en buitenspiegels snel
van condens en ijs te ontdoen.
•
elektrische voorruitverwarming geactiveerd
•
Elektrische voorruitverwarming en maximale ontwaseming geactiveerd
•
Gedeactiveerd.
> De elektrische voorruitverwarming en
maximale ontwaseming worden geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
Via fysieke knoppen op middenconsole
Op de middenconsole zitten fysieke knoppen die
toegang bieden tot de ontwasemingsfuncties.
Met elektrische voorruitverwarming* is de maximale ontwaseming alleen individueel te activeren
vanuit het klimaatscherm op het middendisplay.
Druk meerdere keren op de knop (1) om de
drie standen te doorlopen:
Fysieke knoppen op middenconsole.
Knop voor elektrische achterruitverwarming*
en maximale ontwaseming.
N.B.
Knop voor elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming.
Auto's zonder elektrische voorruitverwarming:
–
Wanneer u de elektrische achterruitverwarming deactiveert door de knop tweemaal snel
in te drukken, wordt de maximale ontwaseming met enige vertraging ingeschakeld om
een tijdelijke verhoging van de ventilatorstand
tegen te gaan.
Druk op de knop (1).
> De maximale ontwaseming wordt geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming:
–
Druk op de knop (2).
> De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming worden geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
}}
* Optie/accessoire. 201
KLIMAAT
||
Vanuit klimaatscherm op middendisplay
Maximale ontwaseming activeren/
deactiveren
2.
Druk op Max.
> De maximale ontwaseming wordt geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
Elektrische voorruitverwarming* activeren/
deactiveren
Bij maximale ontwaseming worden de
automatische klimaatregeling en de luchtrecirculatie gedeactiveerd, wordt de airconditioning geactiveerd, de ventilatorstand gewijzigd in 5 en de temperatuur in
HI.
Bij deactivering van de maximale ontwaseming hervat de klimaatregeling de eerder verrichte instellingen.
Knop voor maximale ontwaseming op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
N.B.
Het geluidsniveau neemt toe wanneer de
ventilatorstand wordt gewijzigd in 5.
Knop voor elektrische voorruitverwarming op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Druk op Elektrisch.
> De elektrische voorruitverwarming wordt
geactiveerd/gedeactiveerd en de knop
gaat branden/dooft.
N.B.
Aan de beide uiteinden van de voorruit zitten
driehoekige gebieden zonder elektrische verwarming, zodat het ontdooien daar mogelijk
langer duurt.
202
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
N.B.
2.
De elektrische voorruitverwarming kan de
prestaties van transponders en andere communicatie-apparatuur beïnvloeden.
N.B.
Als u de elektrische voorruitverwarming activeert, wanneer Start/Stop de motor automatisch heeft afgezet, wordt de motor opnieuw
gestart.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming activeren/
deactiveren
Knop voor elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
Druk op Achter.
> De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming worden geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 192)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 193)
Automatische inschakeling van
elektrische ruitverwarming activeren/
deactiveren
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische voorruitverwarming* en elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming bij
het starten van de motor al dan niet geactiveerd
is. Met automatische inschakeling geactiveerd zal
de elektrische verwarming starten, wanneer er
gevaar bestaat voor ijsvorming of condens op de
ruit. De elektrische verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer de ruit warm
genoeg is en het ijs of de condens is verdwenen.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Automatische voorruitverwarming
om automatische inschakeling van elektrische voorruitverwarming te activeren/deactiveren.
Kies Automatische achterruitverwarming
om automatische inschakeling van elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
te activeren/deactiveren.
* Optie/accessoire. 203
KLIMAAT
Luchtrecirculatie activeren/
deactiveren
N.B.
De luchtrecirculatie is niet te activeren, wanneer u de maximale ontwaseming hebt ingeschakeld.
De luchtrecirculatie houdt vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten het interieur door geen
lucht van buiten aan te zuigen.
Luchtverdeling
De klimaatregeling verdeelt de binnenkomende
lucht over uiteenlopende blaasmonden verspreid
over het interieur.
Overzicht van de luchtverdeling
Timer voor luchtrecirculatie activeren/
deactiveren
U kunt instellen of een timer voor de luchtrecirculatie geactiveerd of gedeactiveerd moet zijn. Met
de timer geactiveerd wordt de luchtrecirculatie
automatisch na 20 minuten uitgeschakeld.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Recirculatietimer om de timer voor de
luchtrecirculatie te activeren/deactiveren.
Luchtrecirculatieknop op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Druk op Recirc..
> De luchtrecirculatie wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
BELANGRIJK
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
beslaat mogelijk de binnenzijde van de ruiten.
204
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 193)
Luchtverdeling bij interieur met 4 klimaatzones.
Automatische en handmatige
luchtverdeling
Wanneer u de automatische klimaatregeling hebt
geactiveerd, verloopt de luchtverdeling automatisch. De luchtverdeling is zo nodig handmatig bij
te regelen.
Verstelbare blaasmonden
Afhankelijk van het type klimaatregeling zitten er
6 of 8* verstelbare blaasmonden in het interieur.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
•
Automatische klimaatregeling (p. 195)
Luchtverdeling wijzigen
De luchtverdeling is desgewenst handmatig te
wijzigen.
Positie van verstelbare blaasmonden in interieur.
Bij 2-zoneregeling zitten er vier blaasmonden
in het dashboard en twee in de portierstijlen
(aan weerszijden één) tussen voor- en achterportier.
Luchtverdelingsknoppen op klimaatscherm.
Luchtverdeling - ontwasemingsopeningen
voorruit
Extra bij 4-zoneregeling* - twee blaasmonden achter in de tunnelconsole.
Luchtverdeling - blaasmonden dashboard en
middenconsole
N.B.
Let erop dat kleine kinderen gevoelig kunnen
zijn voor luchtstromen en tocht.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Luchtverdeling wijzigen (p. 205)
•
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 208)
Klimaatregeling (p. 188)
Blaasmonden openen/sluiten en richten
(p. 206)
Luchtverdeling - blaasmonden vloer
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Druk op een of meer luchtverdelingsknoppen
om de desbetreffende blaasmond(en) te
openen/sluiten.
> De luchtverdeling wordt gewijzigd, waarna
de knoppen gaan branden/doven.
}}
* Optie/accessoire. 205
KLIMAAT
||
Luchtverdeling (p. 204)
Blaasmonden openen/sluiten en
richten
Blaasmonden openen/sluiten en richten
(p. 206)
Sommige blaasmonden in het interieur zijn apart
te openen, sluiten en richten.
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 208)
Als u de blaasmonden in de portierstijlen en aan
beide uiteinden van het dashboard op de zijruiten
richt, kunt u condens elimineren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 193)
Blaasmonden openen/sluiten
Blaasmonden voorin:
Als u de blaasmonden in de portierstijlen naar
binnen richt, creëert u een warm en comfortabel
autoklimaat.
Draaiknop van blaasmond4.
–
Draai aan de draaiknop om de luchtaanvoer
uit de blaasmond te openen/sluiten.
Wanneer de markering op de draaiknop verticaal staat, is de luchtaanvoer het grootst.
4
206
Schematische afbeelding - de uitvoering van de blaasmond verschilt afhankelijk van de locatie.
KLIMAAT
Blaasmonden achterin:
Blaasmonden richten
Duimwiel van blaasmond4.
Hendeltje van blaasmond4.
–
–
Draai aan het duimwiel om de luchtaanvoer
uit de blaasmond te openen/sluiten.
De luchtaanvoer neemt toe naarmate er
meer van de witte lijnen op het duimwiel
zichtbaar zijn.
4
Beweeg de hendel naar links/rechts of
omhoog/omlaag om de luchtstroom uit de
blaasmond te richten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Luchtverdeling (p. 204)
Luchtverdeling wijzigen (p. 205)
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 208)
Schematische afbeelding - de uitvoering van de blaasmond verschilt afhankelijk van de locatie.
207
KLIMAAT
Tabel met luchtverdelingsstanden
De luchtverdeling is desgewenst handmatig te
wijzigen. De volgende standen zijn in te stellen.
Luchtverdeling
Doel
Bij deactivering van alle luchtverdelingsknoppen in de handmatige stand schakelt de klimaatregeling weer over op automatische klimaatregeling.
208
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Gaat condens- en ijsvorming tegen (om dat te
realiseren mag de ventilatorstand niet te laag
zijn).
De meeste lucht komt uit de blaasmonden in het dashboard. Er komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende koeling bij warm weer.
De meeste lucht komt uit de blaasmonden bij de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor verwarming of koeling van de voetenruimte.
KLIMAAT
Luchtverdeling
Doel
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen en blaasmonden in het dashboard. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort bij warm en droog
weer.
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen en de blaasmonden bij de vloer.
Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort en ontwaseming bij
koud en vochtig weer.
De meeste lucht komt uit de blaasmonden in het dashboard en de blaasmonden bij de
vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen, de blaasmonden in het dashboard en de blaasmonden bij de vloer.
Voor een gebalanceerd comfort in het interieur.
Gerelateerde informatie
•
•
Luchtverdeling (p. 204)
•
Blaasmonden openen/sluiten en richten
(p. 206)
•
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 193)
Luchtverdeling wijzigen (p. 205)
209
KLIMAAT
Elektrische stoelverwarming*
activeren/deactiveren
2.
De stoelverwarming is te activeren om het comfort voor bestuurder en inzittenden te verhogen,
wanneer het koud is.
Elektrische voorstoelverwarming*
activeren/deactiveren
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stoelverwarming om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
2.
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stoelverwarming om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
Elektrische achterbankverwarming*
activeren/deactiveren
Vanaf de voorstoelen*
Stuur- en stoelknoppen in het klimaatveld.
1.
Druk op de stuur-/stoelknop voor de linker of
rechter zone in het klimaatveld op het middendisplay om de bediening voor de stoelen
en het stuurwiel te openen.
Als de auto niet is uitgerust met stoelventilatie of elektrische stuurverwarming staat de
knop voor elektrische stoelverwarming direct
in het klimaatveld.
210
Knoppen voor elektrische stoelverwarming in de groep
Achter klimatisering op het klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay en kies het tabblad Achter
klimatisering.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Vanaf de achterbank
Met 2-zoneregeling:
Met 4-zoneregeling*:
Automatische inschakeling van
elektrische stoel-/
achterbankverwarming activeren/
deactiveren
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische stoel-/achterbankverwarming bij
het starten van de motor al dan niet geactiveerd
is. Met automatische inschakeling geactiveerd zal
de elektrische verwarming starten bij een lage
omgevingstemperatuur.
Knoppen voor elektrische achterbankverwarming achter
op tunnelconsole.
–
Druk meerdere keren op de fysieke knoppen
voor de elektrische achterbankverwarming
achter op de tunnelconsole om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geven de ledjes
in de knop de ingestelde stand aan.
Stoelverwarmingsindicatie en bediening op klimaatpaneel achter op tunnelconsole.
–
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische achterbankverwarming in het klimaatpaneel op de tunnelconsole om de vier
standen te doorlopen: Uit, Hoog,
Gemiddeld en Laag.
> De stand wordt aangepast, waarna het
scherm van het klimaatpaneel de ingestelde stand aangeeft.
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed
kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt
of die om een andere reden moeilijkheden
hebben om de elektrisch verwarmde stoel te
bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies onder Niveau aut. verwarming
best.stoel en Niveau aut. verwarming
pass.stoel voor Uit, Laag, Gemiddeld of
Hoog voor het activeren/deactiveren en
niveauselectie voor automatische start van
elektrische stoelverwarming voorin.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 192)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 193)
Klimaatregelingsbediening achter op de tunnelconsole* (p. 194)
* Optie/accessoire. 211
KLIMAAT
Elektrische stoelventilatie*
activeren/deactiveren
Elektrische voorstoelventilatie*
activeren/deactiveren
N.B.
Wie tochtgevoelig is dient de stoelventilatie
met beleid te gebruiken. Voor langdurig
gebruik wordt niveau Laag geadviseerd.
De stoelventilatie is in te schakelen om bijvoorbeeld vochtige kleding te drogen.
Het ventilatiesysteem bestaat uit ventilatoren in
de zittingen en de rugleuningen die lucht door de
bekleding heen aanzuigen. Naarmate de lucht in
het interieur kouder is, neemt het koelingseffect
toe. Het systeem is te activeren wanneer de
motor draait en houdt rekening met de stoeltemperatuur, ingestraalde zonnewarmte en buitentemperatuur.
BELANGRIJK
Bij een te lage interieurtemperatuur is inschakeling van de stoelventilatie niet mogelijk. Dit
om te voorkomen dat de passagier op de
bewuste stoel onderkoeld raakt.
Gerelateerde informatie
Stuur- en stoelknoppen in het klimaatveld.
1.
Druk op de stuur-/stoelknop voor de linker of
rechter zone in het klimaatveld op het middendisplay om de bediening voor de stoelen
en het stuurwiel te openen.
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 192)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 193)
Als de auto niet is uitgerust met elektrische
stoelverwarming of elektrische stuurverwarming staat de knop voor stoelventilatie direct
in het klimaatveld.
2.
212
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stoelventilatie om de vier standen
te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Elektrische stuurverwarming*
activeren/deactiveren
2.
De stuurverwarming is te activeren om het stuurcomfort te verhogen, wanneer het koud is.
Elektrische stuurverwarming activeren/
deactiveren
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stuurverwarming om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
Parkeerklimaat*
Het interieurklimaat is vooraf te regelen middels
preconditioning of te handhaven nadat u de auto
geparkeerd hebt.
Automatische inschakeling van
elektrische stuurverwarming activeren/
deactiveren
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische stuurverwarming bij het starten
van de motor al dan niet geactiveerd is. Met automatische inschakeling geactiveerd zal de elektrische verwarming starten bij een lage omgevingstemperatuur.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Stuur- en stoelknoppen in het klimaatveld.
2.
Druk op Klimaat.
1.
3.
Kies onder Niveau aut.
stuurwielverwarming voor Uit, Laag,
Gemiddeld of Hoog voor het activeren/
deactiveren en niveauselectie voor automatische start van elektrische stuurverwarming.
Druk op de stuur-/stoelknop voor de
bestuurderszone in het klimaatveld op het
middendisplay om de bediening voor de
stoelen en het stuurwiel te openen.
Als de auto niet is uitgerust met elektrische
stoelverwarming of stoelventilatie staat de
knop voor elektrische stuurverwarming direct
in het klimaatveld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 192)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 193)
Stuurwiel (p. 136)
Preconditioning en handhaving klimaatcomfort worden
aangestuurd vanaf tab Standklimatisering op het klimaatscherm op het middendisplay.
Preconditioning
Preconditioning vooraf beperkt de slijtage en het
stroomverbruik tijdens het rijden.
}}
* Optie/accessoire. 213
KLIMAAT
||
Preconditioning is direct in te schakelen of via
een timer te programmeren.
De functie maakt afhankelijk van de situatie
gebruik van uiteenlopende systemen:
Preconditioning* inschakelen/
uitschakelen
De functie maakt afhankelijk van de situatie
gebruik van uiteenlopende systemen:
•
Bij koud weer wordt het interieur met de
restwarmte van de motor opgewarmd tot de
comforttemperatuur.
•
De ventilator koelt bij warm weer het interieur af tot de actuele buitentemperatuur.
De preconditioning verwarmt het interieur en de
motor óf ventileert het interieur vóór vertrek. De
functie is vanaf het middendisplay of een mobiele telefoon direct in te schakelen.
•
De standverwarming* warmt bij koud weer
het interieur op tot de comforttemperatuur
en warmt eveneens de motor op.
•
De ventilator koelt bij warm weer het interieur af tot de actuele buitentemperatuur.
N.B.
Handhaving klimaatcomfort wordt uitgeschakeld als de auto van buitenaf wordt vergrendeld om niet onnodig restwarmte te gebruiken. De functie dient om het klimaatcomfort
te behouden, wanneer u en/of passagiers in
de auto achterblijven.
N.B.
Bij preconditioning van het interieur gaat het
erom de auto te verwarmen tot een behaaglijke temperatuur te brengen en tot de op de
klimaatregeling ingestelde temperatuur.
Handhaving klimaatcomfort
Het interieurklimaat van de auto is tijdens het
parkeren nog enige tijd te handhaven, bijvoorbeeld als u of een of meer inzittenden na uitschakeling van de motor in de auto willen blijven
zitten en het klimaatcomfort wensen te handhaven.
Handhaving klimaatcomfort is alleen direct in te
schakelen.
214
Inschakelen/uitschakelen via
middendisplay
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregeling (p. 188)
Preconditioning* inschakelen/uitschakelen
(p. 214)
•
•
Timer voor preconditioning* (p. 215)
Preconditioningsknop op tabblad Standklimatisering
op klimaatscherm.
Handhaving klimaatcomfort inschakelen/
uitschakelen* (p. 218)
1.
•
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
Symbolen en meldingen voor parkeerklimaat*
(p. 219)
2.
Kies het tabblad Standklimatisering.
•
•
Verwarming* (p. 220)
3.
Druk op Preconditioning.
> De preconditioning wordt ingeschakeld/
uitgeschakeld en de knop gaat branden/
dooft.
Standverwarming* (p. 221)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
N.B.
Houd de portieren en ruiten van de auto dicht
bij het gebruik van de preconditioning.
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
•
•
•
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden
uitlaatgassen geproduceerd.
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, zaagsel en dergelijke
kunnen ontbranden.
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat
van de verwarming is geblokkeerd. Een
pak sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan
bijvoorbeeld de afvoer van de verwarming
onmogelijk maken.
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
tot de comforttemperatuur óf ventileert het interieur tot de actuele buitentemperatuur.
Om het interieur ook te kunnen koelen naar de
comforttemperatuur (met de airconditioning van
de auto) is de afstandsstart motor (Engine
Remote Start - ERS)5 te gebruiken via de Volvo
On Call-app*.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Timer voor preconditioning*
U kunt de timer dusdanig instellen dat de preconditioning gereed is op een bepaald tijdstip.
De timer kan tot 8 verschillende instellingen hanteren voor:
•
•
Parkeerklimaat* (p. 213)
Timer voor preconditioning* (p. 215)
Handhaving klimaatcomfort inschakelen/
uitschakelen* (p. 218)
•
Symbolen en meldingen voor parkeerklimaat*
(p. 219)
•
Verwarming* (p. 220)
een tijdstip op een bepaalde datum
een tijdstip op één of meer dagen van de
week, voor eenmalige of terugkerende activering.
Gerelateerde informatie
•
•
Parkeerklimaat* (p. 213)
Timer voor preconditioning* instellen
(p. 216)
•
Timer voor preconditioning* activeren/deactiveren (p. 217)
•
Preconditioning* inschakelen/uitschakelen
(p. 214)
•
Symbolen en meldingen voor parkeerklimaat*
(p. 219)
Via de app starten*
Via een apparaat met de Volvo On Call-app* is
het mogelijk de preconditioning in te schakelen
én informatie te krijgen over de gekozen instellingen. De preconditioning warmt het interieur op
5
Bepaalde automodellen en markten.
* Optie/accessoire. 215
KLIMAAT
Timer voor preconditioning*
instellen
3.
De timer voor preconditioning kan tot 8 verschillende tijdstippen hanteren.
Tijdstip toevoegen
Druk op Timer toevoegen.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
7.
N.B.
Het is niet mogelijk om meer tijdstippen te
programmeren, als er al 8 timerinstellingen
bestaan. Om een nieuw tijdstip te kunnen
toevoegen moet u eerst een ouder tijdstip
verwijderen.
4.
Druk op Datum om een tijdstip in te stellen
voor een bepaalde datum.
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
•
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden
uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, zaagsel en dergelijke
kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat
van de verwarming is geblokkeerd. Een
pak sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan
bijvoorbeeld de afvoer van de verwarming
onmogelijk maken.
Druk op Dagen om een tijdstip in te stellen
voor één of meer dagen van de week.
De knop voor tijdstip toevoegen op het tabblad
Standklimatisering op het klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies het tabblad Standklimatisering.
Met Dagen: Activeer/deactiveer de repeteerfunctie door het vakje voor Wekelijks
herhalen aan/uit te vinken.
5.
Met Dagen: Kies een dag van de week voor
de preconditioning door op de knoppen voor
de dagen van de week te drukken.
6.
216
Met Datum: Kies een datum voor de preconditioning door met de pijltoetsen in de
datumlijst te bladeren.
Stel het tijdstip in dat de preconditioning
moet zijn afgerond door te bladeren met de
pijltoetsen op de klok.
Druk op Bevestig om het ingestelde tijdstip
toe te voegen.
> Het ingestelde tijdstip wordt toegevoegd
aan de lijst en geactiveerd.
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
Ingesteld tijdstip bewerken
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies het tabblad Standklimatisering.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
3.
Druk op het tijdstip dat u wilt wijzigen.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
4.
Bewerk het tijdstip op dezelfde manier als bij
"Tijdstip toevoegen" hierboven.
Ingesteld tijdstip verwijderen
5.
Gerelateerde informatie
•
•
•
De knop voor lijst bewerken/ingesteld tijdstip verwijderen op het tabblad Standklimatisering op het klimaatscherm.
1.
2.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
Kies het tabblad Standklimatisering.
3.
Druk op Lijst bewerken.
4.
Druk op het verwijderingspictogram rechts in
de lijst.
> Het pictogram verandert in de tekst Wis.
Druk ter bevestiging op Wis.
> Het ingestelde tijdstip wordt uit de lijst
verwijderd.
Timer voor preconditioning*
activeren/deactiveren
Zo nodig kunt u een timertijdstip voor de preconditioning activeren of deactiveren.
Timer voor preconditioning* (p. 215)
Timer voor preconditioning* activeren/deactiveren (p. 217)
Verwarming* (p. 220)
Timerknoppen op tab Standklimatisering op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies het tabblad Standklimatisering.
3.
Activeer/deactiveer een tijdstip door op de
timerknop rechts van het desbetreffende tijdstip te drukken.
> Het ingestelde tijdstip wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
}}
* Optie/accessoire. 217
KLIMAAT
||
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
•
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden
uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, zaagsel en dergelijke
kunnen ontbranden.
•
Gerelateerde informatie
218
N.B.
Het is niet mogelijk om de functie voor handhaving van het klimaatcomfort te starten, als
de restwarmte in de motor niet volstaat om
het interieurklimaat op peil te houden of als
de buitentemperatuur hoger is dan zo'n 20
°C.
Bij handhaving van het klimaatcomfort wordt na
afloop van een rit het interieurklimaat nog enige
tijd geregeld. De functie is vanaf het middendisplay direct in te schakelen.
N.B.
Handhaving klimaatcomfort wordt uitgeschakeld als de auto van buitenaf wordt vergrendeld om niet onnodig restwarmte te gebruiken. De functie dient om het klimaatcomfort
te behouden, wanneer u en/of passagiers in
de auto achterblijven.
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat
van de verwarming is geblokkeerd. Een
pak sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan
bijvoorbeeld de afvoer van de verwarming
onmogelijk maken.
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
•
•
•
Handhaving klimaatcomfort
inschakelen/uitschakelen*
Timer voor preconditioning* (p. 215)
Timer voor preconditioning* instellen (p. 216)
Verwarming* (p. 220)
Gerelateerde informatie
Knop voor handhaving klimaatcomfort op tab
Standklimatisering op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies het tabblad Standklimatisering.
3.
Druk op Handhaaf klimaatcomfort.
> Handhaving klimaatcomfort wordt ingeschakeld/uitgeschakeld en de knop gaat
branden/dooft.
•
•
Parkeerklimaat* (p. 213)
Preconditioning* inschakelen/uitschakelen
(p. 214)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Symbolen en meldingen voor
parkeerklimaat*
Bij een actieve standverwarming brandt
dit symbool op het bestuurdersdisplay.
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van
het parkeerklimaat.
Symbool
Melding
Betekenis
Standklimatisering
Parkeerklimaat is defect. Bezoek een werkplaatsA om de werking zo spoedig mogelijk te laten controleren.
Service vereist
Parkeerklimaat is tijdelijk defect. Als het probleem aanhoudt, neem dan contact op met een werkplaatsA op het systeem te laten controleren.
Standklimatisering
Tijdelijk niet beschikbaar
Het parkeerklimaat is niet te activeren wanneer het brandstofpeil te gering is voor inschakeling van
de standverwarming*. Vul de brandstoftank bij.
Standklimatisering
Niet beschikbaar, te laag brandstofniveau
Het parkeerklimaat is niet te activeren, wanneer de ladingsgraad van de startaccu te gering is voor
inschakeling van de standverwarming*. Laad de startaccu bij.
Standklimatisering
Niet beschikbaar Laadniveau te laag
A
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Handhaving klimaatcomfort inschakelen/
uitschakelen* (p. 218)
•
•
Timer voor preconditioning* (p. 215)
Parkeerklimaat* (p. 213)
Preconditioning* inschakelen/uitschakelen
(p. 214)
•
Meldingsfuncties op bestuurders- en middendisplay (p. 114)
Verwarming* (p. 220)
* Optie/accessoire. 219
KLIMAAT
Verwarming*
Accu en opladen
Dankzij de verwarming komen motor en interieur
zowel vóór als tijdens het rijden sneller op temperatuur.
De verwarming wordt aangedreven door de startaccu van de auto. Als de ladingsgraad van de
startaccu te laag is, wordt de verwarming automatisch uitgeschakeld en geeft het bestuurdersdisplay een melding weer.
De verwarming heeft twee deelfuncties:
•
•
Standverwarming - verwarmt zo nodig de
motor en het interieur bij geactiveerde preconditioning*.
Extra verwarming - verwarmt zo nodig het
interieur en de motor tijdens het rijden.
De verwarming werkt op brandstof en is op de
wielkast rechtsvoor gemonteerd.
N.B.
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert,
moet u ervoor zorgen dat de voorkant van de
auto omlaagwijst. Zo krijgt de verwarming altijd
voldoende brandstof.
Als het niveau in de brandstoftank te laag is,
wordt de verwarming automatisch uitgeschakeld
en geeft het bestuurdersdisplay een melding
weer.
Zorg ervoor dat het laadpercentage van de
accu hoog genoeg is als de verwarming moet
worden gebruikt.
N.B.
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval de verwarming
moet worden ingeschakeld.
Brandstof en tanken6
Bij een actieve verwarming brandt dit
symbool op het bestuurdersdisplay.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan vlam vatten. Schakel
voordat u gaat tanken de verwarming op
brandstof uit.
N.B.
Wanneer de verwarming actief is, kan er rook
uit de wielkast rechtsvoor komen. Ook is er
wellicht een dof geluid hoorbaar. Achter in de
auto is ook een tikkend geluid vanuit de
brandstofpomp waar te nemen. Dit is volkomen normaal.
Controleer op het bestuurdersdisplay of de
verwarming is uitgeschakeld; wanneer deze
werkt, verschijnt het verwarmingssymbool.
Gerelateerde informatie
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
De verwarming maakt gebruik van brandstof uit
de normale brandstoftank van de auto.
6 Geldt
220
•
•
•
Standverwarming* (p. 221)
Extra verwarming* (p. 222)
Parkeerklimaat* (p. 213)
voor verwarming op brandstof.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Standverwarming*
N.B.
De standverwarming helpt om vóór het wegrijden het interieur op de juiste temperatuur te
brengen.
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval de verwarming
moet worden ingeschakeld.
De standverwarming is een van twee deelfuncties
van de verwarming van de auto. De verwarming is
op de wielkast rechtsvoor gemonteerd.
Zorg dat de ladingstoestand van de startaccu
voldoende is voor gebruik van de verwarming.
N.B.
Wanneer de verwarming actief is, kan er rook
uit de wielkast rechtsvoor komen. Ook is er
wellicht een dof geluid hoorbaar. Achter in de
auto is ook een tikkend geluid vanuit de
brandstofpomp waar te nemen. Dit is volkomen normaal.
De standverwarming wordt automatisch ingeschakeld, wanneer extra verwarming nodig is bij
geactiveerde preconditioning* van het parkeerklimaat.
Deze wordt vervolgens automatisch uitgeschakeld wanneer de juiste temperatuur, de tijd voor
een ingestelde timer of de maximale looptijd van
de verwarming is bereikt.
De verwarming werkt maximaal 40 minuten achtereen.
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
•
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden
uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, zaagsel en dergelijke
kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat
van de verwarming is geblokkeerd. Een
pak sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan
bijvoorbeeld de afvoer van de verwarming
onmogelijk maken.
BELANGRIJK
Als de standkachel herhaaldelijk en in combinatie met korte ritten wordt gebruikt, ontlaadt
de accu met startproblemen als gevolg.
Om te zorgen dat de oplading van de accu in
balans is met het stroomverbruik van de
standkachel moet u bij regelmatig gebruik van
de kachel net zo lang met de auto rijden als
dat de kachel wordt gebruikt. Gebruik de
standkachel per keer maximaal 40 minuten
lang.
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
WAARSCHUWING
Als u brandstof ruikt, abnormaal veel rook of
zwarte rook ziet of ongebruikelijke geluiden
vanuit de standverwarming waarneemt, moet
u de verwarming uitschakelen en zo mogelijk
de zekering van de standverwarming verwijderen. Volvo adviseert u om voor reparatie contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
}}
* Optie/accessoire. 221
KLIMAAT
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Verwarming* (p. 220)
Extra verwarming* (p. 222)
Parkeerklimaat* (p. 213)
Zekeringen in motorruimte (p. 558)
Extra verwarming*
Dankzij de extra verwarming komen het interieur
en de motor tijdens het rijden sneller op temperatuur.
De extra verwarming is een van twee deelfuncties
van de verwarming van de auto. De verwarming is
op de wielkast rechtsvoor gemonteerd.
N.B.
Automatische inschakeling van extra
verwarming activeren/deactiveren
U kunt de automatische inschakeling van de
extra verwarming desgewenst activeren/deactiveren.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Extra verwarming voor activeren/
deactiveren automatische inschakeling van
extra verwarming.
Wanneer de verwarming actief is, kan er rook
uit de wielkast rechtsvoor komen. Ook is er
wellicht een dof geluid hoorbaar. Achter in de
auto is ook een tikkend geluid vanuit de
brandstofpomp waar te nemen. Dit is volkomen normaal.
De extra verwarming start en wordt automatisch
aangestuurd als tijdens het rijden verwarming
nodig is.
Deze wordt vervolgens automatisch uitgeschakeld wanneer de auto wordt uitgeschakeld.
N.B.
Volvo adviseert u om de automatische start
van de extra verwarming uit te schakelen tijdens korte ritten.
Gerelateerde informatie
•
•
Verwarming* (p. 220)
Standverwarming* (p. 221)
N.B.
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval de verwarming
moet worden ingeschakeld.
Zorg dat de ladingstoestand van de startaccu
voldoende is voor gebruik van de verwarming.
222
* Optie/accessoire.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Auto-interieur
WAARSCHUWING
Overzicht van het auto-interieur en de opbergmogelijkheden.
Bewaar losse voorwerpen, zoals een mobiele
telefoon, camera, afstandsbediening voor
extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of
andere opbergruimten. Bij krachtig afremmen
of een botsing kunnen deze anders inzittenden verwonden.
Voorstoel
Gerelateerde informatie
Opbergmogelijkheden met bekerhouders, asbak*,
stroomaansluitingen en aansteker*, netvak* alsmede
AUX/USB-ingang in de tunnelconsole.
Achterbank
•
•
•
•
•
Tunnelconsole (p. 225)
Dashboardkastje gebruiken (p. 231)
Zonnekleppen (p. 232)
Stroomaansluitingen (p. 226)
Asbakken* legen (p. 230)
Opbergvakken in het portierpaneel en bij het stuurwiel,
dashboardkastje en zonnekleppen.
Opbergvakken en asbak* in het portierpaneel, bekerhouders* in de rugleuning van de middelste zitplaats,
opbergnet* op de rugleuning van de voorstoel alsmede
stroomaansluitingen en aansteker* in de tunnelconsole.
224
* Optie/accessoire.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Tunnelconsole
De tunnelconsole zit tussen de voorstoelen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Auto-interieur (p. 224)
Stroomaansluitingen (p. 226)
Aansteker gebruiken* (p. 230)
Asbakken* legen (p. 230)
Media aansluiten via AUX/USB-poort
(p. 464)
Klimaatregelingsbediening achter op de tunnelconsole* (p. 194)
Opbergvak met klep*. De klep is te openen/
sluiten door op de greep te drukken.
Opbergvak met bekerhouders voor bestuurder en voorpassagier alsmede een 12V-aansluiting. Als u voor een asbak en aansteker
hebt gekozen, zit er een aansteker op de
plaats van de 12V-aansluiting voorin en een
uitneembare asbak in de ruimte voor de
bekerhouders.
Opbergvak en AUX/USB-aansluiting onder
middenarmsteun.
Klimaatregeling voor klimaatfuncties achterin* of opbergvak.
* Optie/accessoire. 225
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Stroomaansluitingen
Elektrische 230V-aansluiting*
3.
Achter in de tunnelconsole zitten twee 12V-aansluitingen plus een 230V-aansluiting* en in de
bagageruimte zit ook nog een 12V-aansluiting*.
Trek de afdekking omhoog als de aansluiting
niet wordt gebruikt of als de aansluiting zonder toezicht wordt achtergelaten.
Het elektrische systeem van de auto moet minimaal in contactslotstand I staan, anders geven de
aansluitingen geen stroom. Vervolgens blijven de
aansluitingen actief zolang de ladingstoestand
van de startaccu niet te laag is.
Als de motor afgezet en de auto vergrendeld
wordt, worden de aansluitingen gedeactiveerd.
Als de motor wordt afgezet en de auto niet wordt
vergrendeld óf wordt vergrendeld met tijdelijk
gedeactiveerde Safelock-functie, blijven de aansluitingen nog maximaal 10 minuten actief.
N.B.
Denk eraan dat het gebruik van de elektrische aansluitingen met uitgeschakelde motor
het risico met zich meebrengt dat het laadniveau van de startaccu te laag wordt, wat
andere functies kan beperken.
BELANGRIJK
230V-aansluiting in tunnelconsole, achterbank.
U kunt de aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 230 V
werken, zoals laders of laptops.
BELANGRIJK
Het maximale vermogen is 150 W.
Aansluiting gebruiken
1. Trek de afdekking voor de aansluiting
omlaag en sluit de stekker van het accessoire aan.
> De led op de aansluiting geeft de status
aan.
2.
226
Ontkoppel het accessoire door de stekker
eruit te trekken. Trek niet aan de kabel.
Controleer of de led constant groen brandt;
alleen dan geeft de aansluiting stroom.
•
Gebruik geen accessoires met grote of
zware contacten - ze kunnen de aansluiting beschadigen of losgaan tijdens het
rijden.
•
Gebruik geen accessoires die storingen
kunnen veroorzaken, bijv. in de radio-ontvanger of het elektrische systeem van de
auto.
•
Plaats het accessoire zo, dat het bestuurder of passagiers bij krachtig remmen of
een botsing niet kan verwonden.
•
Houd aangesloten accessoires in de
gaten, aangezien ze warmte kunnen produceren waaraan passagiers zich kunnen
branden. Ook kan het interieur hierdoor
worden beschadigd.
WAARSCHUWING
•
Gebruik alleen onbeschadigde accessoires zonder mankementen. De accessoires
moeten bestemd zijn voor 230 V en 50
Hz, met stekkers die zijn berekend op het
stopcontact. De accessoires moeten een
* Optie/accessoire.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
CE-markering, een UL-markering of een
vergelijkbare veiligheidsaanduiding hebben.
•
Laat stopcontact, stekker of accessoires
nooit in aanraking komen met water of
een andere vloeistof. Gebruik het stopcontact niet en raak het niet aan als het
beschadigd lijkt of in aanraking is
geweest met water of een andere vloeistof.
•
Sluit geen contactdozen, adapters of verlengsnoeren aan op het stopcontact.
Daardoor zouden de veiligheidsfuncties
van het stopcontact omzeild kunnen worden.
•
Het stopcontact is voorzien van een stopcontactbeschermer. Let erop dat niemand
in het stopcontact peutert of dit dermate
beschadigt, dat de beschermer niet langer werkt. Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto achter, wanneer het stopcontact actief is.
Statusindicatie
Een led op de aansluiting geeft de status van de
aansluiting aan:
Het negeren van bovenstaande aanmaningen
kan aanleiding geven tot hoge of levensgevaarlijke stroomstoten.
Statusindicatie
Oorzaak
Maatregel
Led brandt constant
groen
De aansluiting levert stroom aan een aangesloten stekker.
Geen.
}}
227
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
||
Statusindicatie
Oorzaak
Maatregel
Led knippert oranje
De spanningsomvormer van de aansluiting is te warm (bijvoorbeeld als
het accessoire te veel vermogen nodig heeft of als het interieur te warm
is).
Koppel de stekker los, laat de spanningsomvormer
afkoelen en sluit de stekker weer aan.
Het aangesloten accessoire heeft te veel vermogen nodig (tijdelijk of
constant) of werkt niet.
Geen. Het accessoire kan de aansluiting niet gebruiken.
De aansluiting detecteert niet dat er een stekker is aangesloten op de
aansluiting.
Controleer of de stekker goed in de aansluiting is aangebracht.
De aansluiting is niet actief.
Zet het elektrische systeem van de auto minimaal in
contactslotstand I.
De aansluiting is actief geweest, maar is gedeactiveerd.
Start de motor en/of laad de startaccu op.
Gedoofde led
Als het probleem blijft bestaan, neemt u contact
op met een werkplaats; geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Elektrische 12V-aansluiting
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in het 230V-contact aan en probeer het nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
12V-aansluiting in tunnelconsole, achterbank.
12V-aansluiting in tunnelconsole, voorin.
228
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
2.
Haal de stekker van het accessoire eruit en
plaats de plug weer terug (tunnelconsole) of
klap de afdekking omhoog (bagageruimte)
als de aansluiting niet wordt gebruikt of als u
de aansluiting zonder toezicht achterlaat.
Gerelateerde informatie
•
Auto-interieur (p. 224)
12V-aansluiting in bagageruimte*.
U kunt de aansluitingen voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12V
werken, zoals mediaspelers, koelboxen of mobiele telefoons.
De aansluitingen in de tunnelconsole zijn aan te
vullen met een aansteker*.
BELANGRIJK
Het maximale vermogen is 120 W per aansluiting.
Aansluitingen gebruiken
1. Verwijder de plug (tunnelconsole) of klap de
afdekking omlaag (bagageruimte) vóór de
aansluiting en sluit de stekker van het accessoire aan.
* Optie/accessoire. 229
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Aansteker gebruiken*
De aansteker kan een aanvulling zijn op de elektrische 12V-aansluitingen in het voorste en achterste deel van de tunnelconsole.
1.
2.
3.
Druk de knop op de aansteker in.
> Als de aansteker eenmaal gloeit, springt
de knop omhoog.
Haal de aansteker uit de aansluiting en
gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan te steken.
Asbakken* legen
Een auto met een aansteker is voorzien van uitneembare asbakken in de bekerhouders van de
tunnelconsole en in de portierpanelen achterin.
Asbak in tunnelconsole legen
1.
Neem de asbak los door deze recht omhoog
uit de bekerhouder te tillen en leeg de
inhoud ervan.
2.
Plaats de asbak terug in de bekerhouder.
Plaats de aansteker terug in de aansluiting.
BELANGRIJK
Let op dat als de aansteker gloeit, het gloeiende deel bijv. het interieur niet beschadigt.
Asbak in portierpanelen achterin legen
Gerelateerde informatie
Aansteker in tunnelconsole, voorin.
Aansteker in tunnelconsole, achterin.
230
•
•
•
Tunnelconsole (p. 225)
Stroomaansluitingen (p. 226)
Asbakken* legen (p. 230)
1.
Open het deksel van de asbak en duw het
deksel vervolgens helemaal tot in verticale
stand open.
> De pal, waarmee de asbak vastzit, komt
los.
2.
Til de asbak op en leeg de inhoud ervan.
* Optie/accessoire.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
3.
Plaats de asbak terug en laat deze omlaagglijden in de zijgroeven.
Dashboardkastje gebruiken
Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde.
Opbergplek voor de sleutel
4.
Druk lichtjes op de twee korte kanten van de
asbak.
> De pal, waarmee de asbak vastzit, grijpt
weer in.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Auto-interieur (p. 224)
Tunnelconsole (p. 225)
Aansteker gebruiken* (p. 230)
In het dashboardkastje kunt u bijvoorbeeld de
gedrukte versie van de gebruikershandleiding en
eventuele kaarten bewaren. Aan de binnenkant
van de klep zit een penhouder.
Dashboardkastje vergrendelen/
ontgrendelen*
Het dashboardkastje is te vergrendelen, wanneer
u de auto bijvoorbeeld bij een werkplaats of een
hotel afgeeft. Het dashboardkastje is alleen te
vergrendelen/ontgrendelen met de bijgeleverde
sleutel.
}}
* Optie/accessoire. 231
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
||
Zonnekleppen
Op de achterkanten van de zonnekleppen zit
een make-upspiegel met kaarthouder.
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw de sleutel in de slotcilinder van het
dashboardkastje.
Draai de sleutel 90 graden rechtsom.
Koeling geactiveerd
Koeling gedeactiveerd
–
Verwijder de sleutel.
–
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde
volgorde aan.
Koeling* dashboardkastje gebruiken
U kunt de koeling van het dashboardkastje
gebruiken om bijvoorbeeld dranken of etenswaar
te koelen. De koeling werkt, wanneer de klimaatregeling actief is (dat wil zeggen wanneer de
auto in contactslotstand II staat of wanneer de
motor draait).
232
Activeer/deactiveer de koeling door de hendel tot aan de aanslag (in de richting van
interieur/dashboardkastje) te bewegen.
Gerelateerde informatie
•
•
Auto-interieur (p. 224)
Privacy locking gebruiken (p. 258)
Make-upspiegel met verlichting en kaarthouder.
De verlichting* voor de make-upspiegel gaat
automatisch branden als het klepje wordt
geopend.
Op de omlijsting van de make-upspiegel zit een
houder voor bijvoorbeeld kaarten of biljetten.
Gerelateerde informatie
•
Auto-interieur (p. 224)
* Optie/accessoire.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Bagageruimte en kofferbak
Bagage vervoeren
De auto heeft een flexibele bagageruimte waarin
u grote spullen kunt vervoeren en vastzetten.
Er zijn enkele dingen waar u op moet letten bij
het inladen van de auto.
Door de rugleuningen van de achterbank omlaag
te klappen, ontstaat een bijzonder grote bagageruimte. Gebruik verankeringsogen of draagtashouders om de lading goed in positie te houden
en de uitrolbare bagagerolhoes* om de lading
desgewenst aan het oog te onttrekken. In de
bagageruimte liggen tevens de gevarendriehoek
en de EHBO-set.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te
worden verminderd met de som van het gewicht
van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires.
Onder de laadvloer liggen het sleepoog en de
noodreparatieset voor banden en een eventueel
reservewiel*.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Doorsteekluik in achterbank (p. 236)
Rugleuning achterbank omklappen (p. 135)
Bagage vervoeren (p. 233)
Gereedschapsset (p. 520)
WAARSCHUWING
Afhankelijk van het gewicht en de positie van
de lading verandert het rijgedrag van de auto.
Adviezen voor het vervoer van bagage
in bagageruimte en kofferbak
•
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning
van de achterbank.
•
•
Plaats de last in het midden.
•
Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
•
Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen vast.
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op neergeklapte rugleuningen.
WAARSCHUWING
Een los voorwerp van 20 kg kan zich bij een
frontale botsing op een snelheid van 50 km/h
(30 mph) gedragen als een voorwerp van
1000 kg.
WAARSCHUWING
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding mogelijk geen bescherming meer.
•
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen en hoeken af met iets
zachts.
Zet de motor af en schakel de parkeerrem in
bij het in- en uitladen van lange voorwerpen.
Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen de
versnellingspook of keuzehendel aan komen
en zo per ongeluk een versnelling inschakelen
– de auto kan dan in beweging komen.
}}
* Optie/accessoire. 233
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
||
Bagageruimte en kofferbak vergroten
Om de bagageruimte groter te maken en het vervoer van bagage te vereenvoudigen zijn de rugleuningen van de achterbank om te klappen. Let
erop dat het WHIPS niet door voorwerpen mag
worden gehinderd, als een of meer rugleuningen
van de achterbank zijn omgeklapt.
•
WAARSCHUWING
Maak voor het vervoer van lading op het dak
gebruik van de lastdragers1 die Volvo ontwikkeld
heeft. Dit om schade aan de auto te voorkomen
en voor maximale veiligheid tijdens het rijden.
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
•
•
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig
over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop.
•
Naarmate u meer lading op het dak vervoert,
vangt de auto meer wind en neemt het
brandstofverbruik toe.
1
234
Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading stevig vast met sjorbanden.
Verankeringsogen
De inklapbare verankeringsogen in de bagageruimte gebruikt u om bagagebanden aan vast te
zetten.
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de auto.
Bij het vervoer van lange en smalle stukken
bagage is het doorsteekluik in de achterbank
open te klappen.
Adviezen bij vervoer van lading op het
dak
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
Lees meer over de toelaatbare dakbelasting
in het gedeelte over Gewichten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
Verankeringsogen (p. 234)
Achterklep vergrendelen/ontgrendelen
(p. 256)
Doorsteekluik in achterbank (p. 236)
Rugleuning achterbank omklappen (p. 135)
WAARSCHUWING
Veiligheidsrek* (p. 240)
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die
liggen of uitsteken kunnen bij krachtig afremmen letsel veroorzaken.
Bagagenet* (p. 239)
Bagagerolhoes* (p. 236)
Zet grote en zware voorwerpen altijd met de
veiligheidsgordel of een spanband vast.
Gewichten (p. 583)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bagage vervoeren (p. 233)
Draagtashouders (p. 235)
Veiligheidsrek* (p. 240)
De lastdragers van Volvo zijn te verkrijgen bij erkende Volvo-dealers.
* Optie/accessoire.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
•
•
Bagagenet* (p. 239)
Draagtashouders
Bagagerolhoes* (p. 236)
Met de draagtashouders en de elastische band
kunt u draagtassen vastzetten om te voorkomen
dat ze omvallen en de inhoud op de vloer van de
bagageruimte terechtkomt.
Aan de zijkanten
Onder het vloerluik*
Aan weerszijden van de bagageruimte zitten twee
draagtashouders in de zijpanelen.
BELANGRIJK
Er zitten twee draagtashouders en een elastische
band2 op de afdekking die deel uitmaakt van het
vloerluik in de bagageruimte. De elastische band
is in vier verschillende standen te monteren.
Om de draagtashouders te gebruiken moet u de
afdekking openen. Zet de draagtassen met de
bijgeleverde elastische band in de gewenste
positie vast. Als de draagtassen handvatten hebben en groot genoeg zijn, kunt u ze aan de houders hangen.
2
De boodschappentassenhouders kunnen een
gewicht van maximaal 5 kg dragen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bagage vervoeren (p. 233)
Veiligheidsrek* (p. 240)
Bagagenet* (p. 239)
Bagagerolhoes* (p. 236)
U kunt meer elastische banden bijbestellen bij een Volvo-dealer.
* Optie/accessoire. 235
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Doorsteekluik in achterbank
U kunt het luik in de rugleuning van de achterbank openen om lange en smalle voorwerpen te
vervoeren, zoals ski's.
•
•
•
Privacy locking gebruiken (p. 258)
Bagagerolhoes*
Bagage vervoeren (p. 233)
In uitgerolde stand voorkomt de bagagerolhoes
inkijk in de bagageruimte.
Verankeringsogen (p. 234)
Monteren
1.
Pak vervolgens vanuit de kofferbak de handgreep van het doorsteekluik beet en klap het
luik omlaag.
Steek het ene uiteinde van de bagagerolhoes in de uitsparing in het zijpaneel van de
bagageruimte.
2.
Klap de armleuning van de achterbank
omlaag.
Breng vervolgens het andere uiteinde aan in
de uitsparing in het zijpaneel aan de tegenoverliggende zijde.
Bij gebruik van de Privacy locking* moet het luik
dichtstaan.
Geldt voor een Bi-Fuel*-model
De verhoogde laadvloer bij een auto met een
gastank maakt het gebruik van het doorsteekluik
onmogelijk.
236
Gerelateerde informatie
Duw de uiteinden één voor één omlaag.
> Wanneer u een klik hoort en de rode markering op het uiteinde verdwijnt, zit de
bagagerolhoes vast. Ga na of de hoes
goed vastzit.
* Optie/accessoire.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Volledig dekkende stand
4.
Klap de voorste dekplaat van de bagagerolhoes naar voren om de ruimte tussen de
bagagerolhoes en de rugleuningen van de
achterbank op te vullen.
Bij gebruik van een bagagenet* in combinatie
met de bagagerolhoes moet u het bagagenet
eerst monteren.
Gebruik
De bagagerolhoes heeft twee gebruiksstanden:
één volledig dekkende stand en een laadstand
waarbij de rolhoes slechts gedeeltelijk uitgerold
is, zodat u gemakkelijker spullen in en uit de
bagageruimte kunt leggen/nemen.
1.
2.
Pak de handgreep beet en rol de bagagerolhoes af langs de bovenkant van de zijpanelen in de bagageruimte. Rol de hoes tot aan
de aanslag uit.
Duw de bevestigingspennen van de hoes in
de uitsparingen van de zijpanelen. Laat de
pennen los terwijl u de handgreep iets
omhoogkantelt, zodat de bevestigingspennen
ingrijpen.
> De bagagerolhoes wordt vergrendeld in
de volledig dekkende stand.
Laadstand
Vanuit volledig dekkende stand:
–
Pak de handgreep beet om de bevestigingspennen uit de haken te verwijderen.
> De rolhoes rolt naar binnen tot aan de
aanslag in de laadstand.
Teruggaan naar volledig dekkende stand vanuit
de laadstand:
1.
Pak de handgreep beet en rol de bagagerolhoes tot aan de aanslag uit.
2.
Laat de handgreep los, zodat de bevestigingspennen in de haken grijpen.
> De rolhoes wordt dan in de laadstand vergrendeld.
Bij een automatische* bagagerolhoes beweegt
de hoes bij het openen van de achterklep automatisch vanuit de volledig dekkende stand tot in
de laadstand en bij het sluiten van de achterklep
weer terug naar de volledig dekkende stand. De
bagagerolhoes merkt dat de hoes in zijn bewe-
}}
* Optie/accessoire. 237
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
||
ging wordt gehinderd en beweegt dat automatisch terug.
Inklappen
1. Vanuit volledig dekkende stand:
Til de handgreep op en trek deze naar achteren, zodat de bevestigingspennen van de
rolhoes vrijkomen uit de groeven en laat hem
weer los.
N.B.
Bij lage interieurtemperaturen kan de bagagerolhoes mogelijk niet automatisch bewegen.
BELANGRIJK
Bij het vervoer van omvangrijke lading moet u
de automatische* bagagerolhoes in opgerolde stand zetten om te voorkomen dat deze
tegen de lading aankomt.
238
Bagage vervoeren (p. 233)
Veiligheidsrek* (p. 240)
Bagagenet* (p. 239)
Verankeringsogen (p. 234)
Pak de handgreep beet en trek de bagagerolhoes uit in de groeven. Trek tot aan de volledig dekkende stand. Til de handgreep op
en trek deze naar achteren, zodat de bevestigingspennen vrijkomen uit de groeven en
laat hem weer los.
Plaats geen voorwerpen boven op de bagagerolhoes.
BELANGRIJK
•
•
•
•
Vanuit de laadstand:
BELANGRIJK
Let op risico van beknelling bij het openen en
sluiten van de automatische* bagagerolhoes.
Gerelateerde informatie
2.
Duw de hoes met zijn bevestigingspennen
boven de zijpanelen langs tot aan de aanslag
in ingerolde stand.
Let erop dat een ingerolde bagagerolhoes u het
zicht naar achteren kan beperken.
Demonteren
In ingerolde stand:
1.
Druk de knop in op een van de eindstukken
van de ingerolde bagagerolhoes en verwijder
het eindstuk.
2.
Kantel de rolhoes voorzichtig omhoog en
opzij.
> Het andere eindstuk komt dan vanzelf los,
waarna u de rolhoes uit de bagageruimte
kunt tillen.
* Optie/accessoire.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Bagagenet*
Het bagagenet voorkomt dat bagage in de bagageruimte bij krachtig afremmen de passagiersruimte in wordt geslingerd.
Het bagagenet wordt aan vier bevestigingspunten vastgezet.
WAARSCHUWING
Lading in de bagageruimte moet goed worden vastgezet, ook met een correct gemonteerd veiligheidsnet.
Monteren
4.
Haak de ene bevestigingshaak aan de achterste plafondbevestiging en duw de haak
vervolgens zo ver mogelijk naar voren.
5.
Haak de andere bevestigingshaak vast aan
de tegenoverliggende zijde en duw de haak
zo ver mogelijk naar voren.
Montage achterin
Het bagagenet moet uit veiligheidsoverwegingen
altijd vastgemaakt en verankerd worden aan de
hand van de onderstaande beschrijving.
1.
Het net is gemaakt van stevig nylonmateriaal en
kan op twee verschillende plaatsen in de auto
worden bevestigd:
Om de montage te vereenvoudigen kunt u
de rugleuningen van de achterbank omklappen.
2.
Plaats de eindstukken van de bagagenetcassette over de bevestigingsogen in de holten
van de zijpanelen. Duw de eindstukken één
voor één omlaag. Controleer of de cassette
stevig vastzit.
3.
Trek het net omhoog.
•
•
Montage achterin - achter de achterbank.
Montage voorin - achter de voorstoelen.
}}
* Optie/accessoire. 239
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
||
Montage voorin
Demonteren en opbergen
Veiligheidsrek*
1.
Het veiligheidsrek voorkomt dat stukken bagage
of huisdieren in de bagageruimte de passagiersruimte in worden geslingerd.
Haal het bagagenet los uit de plafondbevestigingen door de bevestigingshaken naar
achteren te duwen. Laat het net terugrollen
in de cassette.
2.
1.
Klap de rugleuningen van de achterbank
voorover.
2.
Plaats de bevestigingsrails van de bagagenetcassette vóór de bevestigingsnokken van
de rugleuningen.
3.
Schuif de tweedelige cassette over de
bevestigingsnokken heen vast.
4.
Trek het net omhoog.
5.
Haak de ene bevestigingshaak aan de voorste plafondbevestiging en duw de haak vervolgens zo ver mogelijk naar voren.
6.
240
Haak de andere bevestigingshaak vast aan
de tegenoverliggende zijde en duw de haak
zo ver mogelijk naar voren.
Het veiligheidsrek voldoet aan de wettelijke eisen
voor de botsproef conform ECE R17 en aan de
duurzaamheidseisen van Volvo.
Montage achterin:
Druk aan weerszijden van de cassette op de
knop om de eindstukken los te halen van de
bevestigingsogen. Til het bagagenet naar
buiten.
Montage voorin:
Duw de cassette van de bevestigingsnokken
af en til het bagagenet naar buiten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bagage vervoeren (p. 233)
Veiligheidsrek* (p. 240)
U moet het veiligheidsrek uit voorzorg altijd op de
juiste manier bevestigen en verankeren.
WAARSCHUWING
Als de auto in beweging is, mag er nooit
iemand in de bagageruimte aanwezig zijn. Dit
is om letsel bij eventueel hard afremmen of
een ongeval te voorkomen.
Bagagerolhoes* (p. 236)
Verankeringsogen (p. 234)
* Optie/accessoire.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Monteren
Voor het eerste gebruik van het veiligheidsrek
moet u de bestaande kunststof plafondbevestigingen vervangen door stalen plafondbevestigingen. Volvo adviseert u de plafondbevestigingen te
laten vervangen door een erkende Volvo-werkplaats of -dealer.
1.
Klap de rugleuningen van de achterbank
voorover.
2.
Zorg dat u het veiligheidsrek met de juiste
kant naar voren beetpakt. Til het veiligheidsrek via een van de achterportieren naar binnen.
4.
Plaats de bijgeleverde bout en haal deze aan.
Herhaal dit aan de andere kant.
> Controleer of het veiligheidsrek goed
vastzit.
Voor meer informatie over het vereiste gereedschappen en de te volgen methode bij montage/
demontage, zie de montagevoorschriften3 die bij
aankoop bijgeleverd werden.
BELANGRIJK
Het veiligheidsrek is niet op of neer te klappen, wanneer een bagageafdekking gemonteerd is.
3.
Plaats de bevestigingen van het veiligheidsrek in de plafondbevestigingen.
Het volgende punt is gemakkelijker, als twee
personen het veiligheidsrek in de juiste positie vasthouden.
3
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bagage vervoeren (p. 233)
Verankeringsogen (p. 234)
Bagagenet* (p. 239)
Bagagerolhoes* (p. 236)
Montagevoorschriften nr. 31659257.
* Optie/accessoire. 241
SLOTEN EN ALARM
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel
Met de transpondersleutel zijn de portieren en
de achterklep te vergrendelen/ontgrendelen. De
transpondersleutel moet in de auto aanwezig zijn
om deze te kunnen starten.
1,5 meter rond het bestuurdersportier en van
zo'n 1 meter rond de achterklep. Zie het artikel
"Bereik transpondersleutel".
Bij passief starten in combinatie met passieve
vergrendeling/ontgrendeling mag de transpondersleutel zich overal in het interieur of de bagageruimte bevinden, zonder dat dit van invloed is
op het starten van de auto.
De transpondersleutels die bij de auto werden
geleverd zijn elk apart aan een bestuurdersprofiel
met unieke instellingen te koppelen. Bij gebruik
van een sleutel waaraan een bepaald profiel
gekoppeld is, hanteert de auto de instellingen
van dat profiel. Zie het artikel "Bestuurdersprofielen".
Transpondersleutel, links en transpondersleutel zonder
knoppen (Key Tag), rechts.
U gebruikt de transpondersleutel niet actief bij
het starten, omdat een auto in standaarduitvoering is uitgerust met ondersteuning voor passief
starten (Passive Start). Om de auto te kunnen
starten moet de transpondersleutel zich voor in
het interieur bevinden en bijvoorbeeld in een
broekzak/binnenzak zitten of in de bekerhouder
in de tunnelconsole. Zie het artikel "Motor starten".
Passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive
Entry*) van de portieren en achterklep is ook een
optie. Het sleutel heeft een bereik van zo'n
244
wordt bijgeleverd als de auto is voorzien van passieve vergrendeling/ontgrendeling*. Het is mogelijk meer sleutels bij te bestellen. Voor dezelfde
auto kunnen maximaal twaalf sleutels worden
geprogrammeerd en gebruikt. Bij nabestellen
worden er meer bestuurdersprofielen toegevoegd
- één per nieuwe transpondersleutel. Dit geldt
ook voor de transpondersleutel zonder knoppen.
Zie de rubriek "Zoekgeraakte transpondersleutel"
hieronder als u een transpondersleutel bent
kwijtgeraakt.
De knoppen van de transpondersleutel
Transpondersleutel zonder knoppen
(Key Tag)
Bij auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling* wordt een wat kleinere en lichtere transpondersleutel zonder knoppen (Key Tag) geleverd.
Deze werkt ten aanzien van passief starten en
vergrendelen/ontgrendelen op dezelfde manier
als de standaardtranspondersleutel. Hij heeft
geen afneembaar sleutelblad en de batterij kan
niet worden vervangen. Een nieuwe transpondersleutel zonder knoppen is te bestellen bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Meer sleutels bestellen
De auto wordt geleverd met twee transpondersleutels - een transpondersleutel zonder knoppen
De transpondersleutel heeft vier knoppen - een aan de
linker- en drie aan de rechterkant.
Vergrendelen - Bij eenmaal indrukken
worden alle portieren en de achterklep vergrendeld en wordt het alarm* geactiveerd. Bij
lang indrukken worden alle ruiten en het
panoramadak* tegelijkertijd gesloten. Zie
onder "Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
buitenzijde" en "Vergrendelen/ontgrendelen
vanaf de binnenzijde".
WAARSCHUWING
Als u iemand in de auto achterlaat, moet u de
raammechanismen en het dakluik stroomloos
maken door altijd de transpondersleutel mee
te nemen als u de auto verlaat.
Ontgrendelen - Bij eenmaal indrukken
worden alle portieren en de achterklep ontgrendeld en wordt het alarm gedeactiveerd.
Bij langer indrukken worden alle ruiten tegelijkertijd geopend, de zogenoemde doorluchtfunctie1. Zie het artikel "Vergrendelen/
ontgrendelen vanaf de buitenzijde".
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met de
transpondersleutel/Key Tag nog in de auto.
Achterklep - Ontgrendelt alleen de achterklep en deactiveert de alarmfunctie voor de
achterklep. Bij auto's met elektrische achterklepbediening* is de klep automatisch te
openen bij lang indrukken. De klep is ook te
sluiten door lang indrukken - er klinken waarschuwingssignalen. Zie het artikel "Elektrische achterklepbediening".
Paniekfunctie - bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken. Als
u de knop ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen 3
seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon
geactiveerd. U kunt deze functie met
dezelfde toets weer uitschakelen, als de
functie minimaal 5 seconden actief geweest
is. Anders wordt deze functie na zo'n 3 minuten automatisch uitgeschakeld.
1
N.B.
Bewaar de transpondersleutel niet te dicht in
de buurt van metalen voorwerpen of elektronische apparaten zoals mobiele telefoons,
tablets, laptops of laders – op een afstand
kleiner dan 10-15 cm.
Als de auto wordt vergrendeld en het alarm
wordt ingeschakeld met een geldige transpondersleutel, wordt een eventuele transpondersleutel/Key Tag in de auto gedeactiveerd.
De gedeactiveerde sleutel wordt bij ontgrendeling van de auto opnieuw geactiveerd.
Storingen
De passieve startfunctie van de transpondersleutel en de passieve vergrendeling/ontgrendeling*
ondervinden mogelijk storingen door elektromagnetische velden en afschermingen.
Om bijvoorbeeld bij warm weer snel voor frisse lucht in de auto te zorgen.
Als er toch storingen mochten optreden, gebruikt
u het sleutelblad van de transpondersleutel en
plaatst u vervolgens de sleutel in de back-uplezer
in de bekerhouder om het alarmsysteem van de
auto te deactiveren. Zie het artikel "Vergrendelen/ontgrendelen met afneembaar sleutelblad".
N.B.
Zorg ervoor dat er geen andere autosleutels,
metalen voorwerpen of elektronische apparaten (zoals mobiele telefoons, tablets, laptops
of laders) in de bekerhouder liggen, wanneer
u de transpondersleutel in de bekerhouder
plaatst. Als er zich meerdere sleutels in de
bekerhouder bevinden, kunnen deze elkaar
storen.
Zoekgeraakte transpondersleutel
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u een
nieuwe bestellen bij een werkplaats - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Neem de resterende transpondersleutels mee
}}
* Optie/accessoire. 245
SLOTEN EN ALARM
||
naar de werkplaats. Ter preventie van diefstal
moet de code van de zoekgeraakte sleutel uit het
systeem worden gewist.
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren op het hoofdscherm van het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bereik transpondersleutel (p. 246)
Afneembaar sleutelblad (p. 259)
Batterij in transpondersleutel vervangen
(p. 266)
•
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de binnenzijde (p. 253)
•
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de buitenzijde (p. 249)
•
•
•
•
Bereik transpondersleutel
Voor een goede werking van de transpondersleutel moet de sleutel zich binnen een bepaalde
afstand van de auto bevinden.
Bij handmatig gebruik
De functies van de transpondersleutel voor bijvoorbeeld vergrendeling/ontgrendeling die worden geactiveerd via het indrukken van
of
,
hebben een bereik van zo'n 20 meter rond de
auto.
Als de auto niet reageert bij bediening van een
knop - probeer het dan op minder grote afstand
opnieuw.
Bij passief gebruik2
Bestuurdersprofielen (p. 179)
Motor starten (p. 398)
Red Key - Transpondersleutel met beperkte
functionaliteit* (p. 247)
Het gemarkeerde gebied op de afbeelding geeft het
bereik van de systeemantennes aan.
246
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de transpondersleutelfuncties door radiogolven in de
lucht, omringende gebouwen, topografische
omstandigheden e.d. Het is altijd mogelijk de
auto te vergrendelen/ontgrendelen met het
sleutelblad.
Bij verwijdering van de
transpondersleutel uit de auto
Als de transpondersleutel bij een draaiende motor uit de auto wordt verwijderd, verschijnt de waarschuwingsmelding Sleutel niet gevonden Uit auto
verwijderd op het bestuurdersdisplay en klinkt
er als het laatste portier wordt gesloten ter herinnering ook een geluidssignaal.
Elektrische achterklepbediening* (p. 262)
2 Geldt
Voor passieve vergrendeling/ontgrendeling moet
een transpondersleutel of de transpondersleutel
zonder knoppen Key Tag zich binnen een straal
van zo'n 1,5 meter rond de zijkanten of zo'n
1 meter rond de achterklep van de auto bevinden.
De melding verdwijnt wanneer u, nadat de transpondersleutel weer in de auto aanwezig is, op de
knop O van de rechter stuurknoppenset drukt of
wanneer u het laatste portier weer sluit.
alleen voor auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*).
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel (p. 244)
Locatie antennes voor start- en vergrendelingssysteem (p. 248)
Red Key - Transpondersleutel met
beperkte functionaliteit*
Dankzij een Red Key kan de autobezitter beperkingen instellen voor bepaalde eigenschappen
van de auto. Dergelijke beperkingen moeten
ervoor zorgen dat de auto op veilige wijze wordt
bestuurd, zoals bij het uitlenen.
ren en te gebruiken voor één en dezelfde auto er moet minstens één transpondersleutel in standaarduitvoering aan de auto zijn gekoppeld.
De instellingen voor de Red Key zijn door de persoon met de standaardtranspondersleutel te verrichten op het hoofdscherm van het middendisplay. Ga naar: Instellingen Systeem
Bestuurdersprofielen Rode sleutels
De gebruiker van een Red Key kan bepaalde rijhulpsystemen van de auto niet uitschakelen.
De beperkte functionaliteit dient uit voorzorg om
het risico van ongelukken te beperken, zodat u
zich minder zorgen hoeft te maken bij het afgeven van uw auto aan bijvoorbeeld jonge bestuurders en parkeer- of hotelbedienden. De instellingen zijn niet te wijzigen door de gebruiker van
een Red Key.
Mogelijke instellingen
Bij een Red Key kunt u de maximale rijsnelheid
programmeren, snelheidswaarschuwingen instellen en beperkingen instellen voor het maximale
volume van het audiosysteem. Bovendien zijn
bepaalde rijhulpsystemen van de auto altijd actief.
De functies van deze sleutel zijn verder gelijk aan
die van een standaardtranspondersleutel.
De volgende instellingen zijn te hanteren voor
een Red Key:
U kunt een of meer Red Keys bestellen bij een
Volvo-dealer. Er zijn in totaal elf transpondersleutels met beperkte functionaliteit te programme}}
* Optie/accessoire. 247
SLOTEN EN ALARM
||
Snelheidsbegrenzer (Speed Limiter)3 (Aan/
Uit):
• Instelinterval: 50-250 km/h (30-160 mph)
Rijhulpsystemen
De volgende rijhulpsystemen zijn altijd actief voor
gebruikers met een Red Key:
•
Bij het eerste gebruik geldt een standaardinstelling van 120 km/h (75 mph).
•
Blind Spot Information (BLIS)* - zie het artikel "Blind Spot Information"
•
Stapgrootte: 1 km/h (1 mph)
•
Rijbaanassistent (LDW en LKA)* - zie het
artikel "Rijbaanassistent"
•
Afstandswaarschuwing* - zie het artikel
"Afstandswaarschuwing"
•
•
City Safety - zie het artikel "City Safety"
mogelijk.
Snelheidswaarschuwing3 (Aan/Uit):
• Instelinterval: 0-250 km/h (0-160 mph)
•
Verkeersbordinformatie* - zie het artikel
"Verkeersbordinformatie"
Op het bestuurdersdisplay verschijnen
het symbool en de melding
Rode sleutel Overschrijden
snelheids- begrenzing niet
•
•
•
Bij het eerste gebruik geldt een standaardinstelling van 50, 70 en 90 km/h (30, 45 en
55 mph).
Stapgrootte: 1 km/h (1 mph)
Maximumaantal gelijktijdige waarschuwingen:
6
Verlaagd maximumvolume3 (Aan/Uit):
Instelling bij eerste gebruik: Aan
•
Adaptieve cruisecontrol*:
• Instelling bij eerste gebruik: Grootste tijdsverschil
•
Zie het artikel "Adaptieve cruisecontrol" voor
meer informatie
De auto heeft een passief start- en vergrendelingssysteem4 en is daarom voorzien van enkele
antennes die op verschillende locaties zijn ingebouwd in de auto.
Driver Alert Control (DAC)* - zie het artikel
"Driver Alert Control"
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Transpondersleutel (p. 244)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
Afstandswaarschuwing* (p. 298)
Blind Spot Information* (p. 352)
City Safety (p. 341)
Rijbaanassistent (p. 366)
Driver Alert Control (p. 363)
Verkeersbordinformatie* (p. 359)
Bestuurdersprofielen (p. 179)
3 Optie, alleen in combinatie met een Red Key.
4 Het passieve vergrendelingssysteem heeft alleen betrekking op auto's met passieve
5 Alleen bij auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*).
248
Locatie antennes voor start- en
vergrendelingssysteem
Antennelocaties.
Onder de bekerhouder voor in de tunnelconsole
Voor aan de bovenkant van het linker achterportier5
Voor aan de bovenkant van het rechter achterportier5
In de bagageruimte
vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*).
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
WAARSCHUWING
Personen met een pacemaker mogen niet
dichter dan 22 cm bij de antennes van het
Keyless-systeem komen. Hierdoor voorkomt u
storingen tussen de pacemaker en het Keyless-systeem.
Transpondersleutel (p. 244)
Vergrendeling/ontgrendeling van buiten de auto
vindt plaats met knoppen op de transpondersleutel of met de handgreep van de portieren of
de achterklep als de auto is voorzien van passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive
Entry)*. De achterklep is elektrisch* en/of door
middel van een schopbeweging* te bedienen.
Bereik transpondersleutel (p. 246)
Vergrendelen/ontgrendelen
Gerelateerde informatie
•
•
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf
de buitenzijde
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met de
transpondersleutel/Key Tag nog in de auto.
Als de auto wordt vergrendeld en het alarm
wordt ingeschakeld met een geldige transpondersleutel, wordt een eventuele transpondersleutel/Key Tag in de auto gedeactiveerd.
De gedeactiveerde sleutel wordt bij ontgrendeling van de auto opnieuw geactiveerd.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren om te
voorkomen dat u iemand opsluit.
Met de knoppen op de transpondersleutel kunt u
alle portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/ontgrendelen.
Vergrendelen
Vergrendeling is alleen mogelijk, als alle portieren
en de achterklep dichtstaan.
Ontgrendelen
Als vergrendelen/ontgrendelen via de transpondersleutel niet mogelijk is, is de batterij mogelijk
leeg - vergrendel/ontgrendel het bestuurdersportier met het afneembare sleutelblad. Zie het artikel "Afneembaar sleutelblad" voor meer informatie.
N.B.
Ga altijd dichter bij de auto staan en probeer
dan opnieuw te ontgrendelen.
}}
* Optie/accessoire. 249
SLOTEN EN ALARM
||
Instellingen voor ontgrendelen op afstand
U kunt verschillende procedures voor ontgrendeling kiezen.
kelijker openen, als u uw handen vol hebt. Zie
voor informatie over het bereik van het systeem
artikel "Bereik transpondersleutel".
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car Vergrendeling Op
afstand of van binnenuit ontgrendelen.
3.
Kies een alternatief:
Aanrakingsgevoelige gebieden
Aan de buitenkant van de portiergrepen zit een
verdieping voor vergrendeling en aan de binnenkant een aanrakingsgevoelig gebied voor ontgrendeling. De handgreep van de achterklep
heeft een met rubber bekleed drukplaatje, dat
alleen voor ontgrendeling dient.
• Alle portieren ontgrendelen
N.B.
Het is belangrijk dat u slechts één aanraakgevoelig vlak tegelijk aanraakt. Als u de handgreep beetpakt terwijl u het slotoppervlak
aanraakt, bestaat het risico van dubbele commando's. Dat betekent dat de verlangde activiteit (vergrendelen/ontgrendelen) niet of met
vertraging zal plaatsvinden.
- ontgrendelt alle portieren tegelijkertijd.
• Een portier
- ontgrendelt alleen het bestuurdersportier.
Om alle portieren te ontgrendelen moet u de
ontgrendelingsknop op de transpondersleutel tweemaal indrukken.
De instellingen die u verricht voor Op afstand of
van binnenuit ontgrendelen zijn ook van
invloed op de centrale vergrendeling via de openingsgreep aan de binnenzijde. Voor meer informatie over de wijze waarop ontgrendeling vanaf
de binnenzijde van invloed is op de functie, lees
het artikel "Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de
binnenzijde".
Passieve vergrendeling/ontgrendeling*
Aanrakingsgevoelige verdieping voor vergrendeling
Het met rubber beklede drukplaatje op de kofferklep
wordt alleen gebruikt voor ontgrendeling.
Aanrakingsgevoelig gebied voor ontgrendeling
Als de auto is voorzien van passieve vergrendeling/ontgrendeling* is het voldoende om de
transpondersleutel in bijvoorbeeld een zak of tas
bij u te dragen. Daardoor kunt u de auto gemak-
250
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Passieve vergrendeling
Alle portieren en de achterklep moeten dichtstaan om de auto te vergrendelen.
–
Raak na het sluiten van het portier het
gemarkeerde gebied aan de achter- en buitenkant van een de portiergrepen aan of druk
voor vergrendeling de knop aan de onderzijde van de achterklep in voordat u deze
sluit.
> De slotindicator aan de binnenkant van de
voorruit bevestigt door te gaan knipperen
dat de vergrendeling heeft plaatsgevonden.
Om alle zijruiten en het panoramadak* tegelijkertijd te sluiten - leg uw vinger tegen de aanrakingsgevoelige verdieping aan de buitenkant van
de portiergreep totdat de zijruiten en het panoramadak* worden gesloten.
Passieve ontgrendeling
– Pak een portiergreep beet of druk voor ontgrendeling op het met rubber beklede drukplaatje aan de onderzijde van de greep van
de achterklep.
> De slotindicator aan de binnenkant van de
voorruit bevestigt door uit te gaan dat de
auto is ontgrendeld. Open portieren of
achterklep op de normale wijze.
Instellingen voor passieve ontgrendeling
U kunt verschillende procedures voor passieve
ontgrendeling kiezen.
1.
2.
3.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Druk op My Car Vergrendeling
Sleutelloos ontgrendelen
•
•
•
Bereik transpondersleutel (p. 246)
Afneembaar sleutelblad (p. 259)
Alarm* (p. 272)
Kies een alternatief:
• Alle portieren
- ontgrendelt alle portieren tegelijkertijd.
• Een portier
- ontgrendelt het gekozen portier.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na ontgrendeling van de
buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden deze automatisch weer vergrendeld. Deze
functie beperkt de kans dat u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten staan.
Ontgrendelen met Volvo On Call
De auto is op afstand te ontgrendelen met de
app Volvo On Call*.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Transpondersleutel (p. 244)
Elektrische achterklepbediening* (p. 262)
Achterklep vergrendelen/ontgrendelen
(p. 256)
Achterklep openen/sluiten met schopbeweging* (p. 265)
* Optie/accessoire. 251
SLOTEN EN ALARM
Aanduiding bij vergrendeling/
ontgrendeling van de auto
deling pas aangegeven nadat alle portieren, de
achterklep en de motorkap zijn gesloten.
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel, lichten de richtingaanwijzers een bepaald aantal malen op om aan
te geven dat de auto op de juiste manier vergrendeld/ontgrendeld is.
Slot- en alarmindicatie
Indicatie in vergrendelingsknoppen
Voorportieren
U kunt de indicatie voor vergrendelen/ontgrendelen zelf aanpassen, zie het kopje "Bevestigingssignalen bij vergrendeling en ontgrendeling
kiezen".
Indicatie exterieur
Vergrendelen
•
Bij vergrendeling knipperen de alarmlichten
van de auto eenmaal en daarnaast worden
de buitenspiegels ingeklapt6.
Ontgrendelen
•
Bij ontgrendeling knipperen de alarmlichten
van de auto tweemaal en daarnaast worden
de buitenspiegels uitgeklapt6.
Vergrendelingsknoppen met led in voorportier.
De slot- en alarmindicatie op het dashboard laat de status van het vergrendelingssysteem zien.
Een keer lang knipperen betekent dat de auto
vergrendeld is. Als de auto vergrendeld is, wordt
dit aangegeven door kort, pulserend knipperen.
Als de led in de desbetreffende vergrendelingsknop van de voorportieren brandt, betekent dit
dat alle portieren zijn vergrendeld. Als er een portier wordt geopend, gaat het lampje in beide portieren uit.
Om een vergrendelde auto aan te geven, moeten
alle portieren, de achterklep en de motorkap
gesloten zijn.
Als er wordt vergrendeld terwijl alleen het
bestuurdersportier dichtstaat7, wordt de vergren-
6
7
252
Alleen auto's met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Geldt niet voor auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*).
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
In alle portieren*
3.
Kies de gewenste instelling voor akoestische
en visuele signalen.
Meer over de aanduiding bij vergrendeling/
ontgrendeling kunt u lezen onder "Approach-verlichting" en "Buitenspiegels instellen".
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de buitenzijde (p. 249)
•
•
Approach-verlichting (p. 153)
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf
de binnenzijde
De portieren en de achterklep zijn te vergrendelen en ontgrendelen met de knop voor centrale
vergrendeling op de voorportieren. Met de vergrendelingsknoppen* op de achterportieren kunt
u het desbetreffende achterportier vergrendelen.
Centrale vergrendeling
Buitenspiegels instellen (p. 159)
Vergrendelingsknop met controlelampje in achterportier.
Als de led in de desbetreffende vergrendelingsknop van de portieren brandt, betekent dit dat het
desbetreffende portier is vergrendeld. Als er een
portier wordt ontgrendeld, gaat het bijbehorende
lampje uit terwijl de overige lampjes blijven branden.
Bevestigingssignalen bij vergrendeling
en ontgrendeling kiezen
Knop voor vergrendeling/ontgrendeling op voorportier
met led.
Via het middendisplay zijn verschillende opties in
te stellen voor bevestiging bij vergrendeling/
ontgrendeling.
–
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
–
2.
Druk op My Car Vergrendeling
Visuele vergrendelingsfeedback.
Druk op knop
om te vergrendelen en op
om te ontgrendelen.
knop
Ontgrendelen
Druk op knop
om alle portieren en achterklep te ontgrendelen.
}}
* Optie/accessoire. 253
SLOTEN EN ALARM
||
Bij lang indrukken van knop
worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend - de zogenoemde
doorluchtfunctie8.
Alternatieve ontgrendelingsmethode
Voort meer informatie over Op afstand of van
binnenuit ontgrendelen, zie het artikel "Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de buitenzijde".
Vergrendelen
–
Druk op de knop
- beide voorportieren
moeten dichtstaan.
> Alle portieren en de achterklep zijn vergrendeld.
Om een achterportier te ontgrendelen:
–
Trek aan de openingsgreep - het achterportier wordt dan ontgrendeld en geopend.
Instelling voor automatische
vergrendeling
De portieren en de achterklep zijn bij het wegrijden automatisch te vergrendelen.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Bij lang indrukken van knop
sluiten alle zijruiten en het panoramadak* tegelijkertijd.
2.
Druk op My Car
Vergrendelingsknop* achterportieren
3.
Kies Aut. portiervergrendeling tijdens
rijden.
Vergrendeling.
Gerelateerde informatie
Openingsgreep voor alternatieve ontgrendeling op voorportier.
–
8
254
Trek een van de openingsgrepen van de
voorportieren naar buiten en laat los.
> Als u de optie Alle portieren
ontgrendelen hebt gekozen voor Op
afstand of van binnenuit
ontgrendelen van de transpondersleutel,
worden alle portieren ontgrendeld. Als u
de optie Een portier hebt gekozen, wordt
alleen het desbetreffende ontgrendeld
waarna het te openen is.
•
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de buitenzijde (p. 249)
•
Aanduiding bij vergrendeling/ontgrendeling
van de auto (p. 252)
Knop voor vergrendelen in achterportier met led.
Met de vergrendelingsknop op de beide achterportieren is alleen het desbetreffende achterportier te vergrendelen.
Om bijvoorbeeld bij warm weer snel voor frisse lucht in de auto te zorgen.
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Safelock-functie*
WAARSCHUWING
Bij activering van de Safelock-functie worden
alle openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het openen van de portieren van de
binnenzijde onmogelijk maakt.
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren om te
voorkomen dat u iemand opsluit.
De Safelock-functie wordt geactiveerd via de
transpondersleutel en bij passieve vergrendeling
(Passive Entry)*. De Safelock-functie wordt met
zo'n 10 seconden vertraging actief na vergrendeling van de portieren.
Safelock-functie tijdelijk uitschakelen
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft,
kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen
met Minder bescherming.
N.B.
Het linker voorportier is ook te ontgrendelen met
het afneembare sleutelblad. Bij ontgrendeling van
de auto met het afneembare sleutelblad gaat het
alarm* af. Zie het artikel "Alarm" om het alarm uit
te schakelen.
De volgende keer dat u de motor start, wordt het
systeem gereset.
N.B.
Druk op de knop Minder
bescherming op het functiescherm van het middendisplay.
Als er binnen deze vertragingsperiode een
van de portieren wordt geopend, wordt de
functie geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
De auto is alleen te ontgrendelen via de transpondersleutel, passieve ontgrendeling of met de
Volvo On Call*-app , wanneer de Safelock-functie
geactiveerd is.
Als de auto wordt ontgrendeld en weer wordt vergrendeld, moet de Safelock-functie weer tijdelijk
worden gedeactiveerd. Let erop dat ook de
bewegingsmelders en hellingssensoren van het
alarmsysteem* worden uitgeschakeld.
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd
bij vergrendeling van de auto.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
Gerelateerde informatie
U kunt ook via het hoofdscherm van het middendisplay kiezen voor een verlaagde guard.
–
Druk op Instellingen My Car
Vergrendeling en kies Minder
bescherming.
Op het middendisplay verschijnt vervolgens
Minder bescherming, waarna bij de volgende
vergrendeling van de auto de Safelock-functie tijdelijk wordt uitgeschakeld.
•
•
Transpondersleutel (p. 244)
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de buitenzijde (p. 249)
•
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de binnenzijde (p. 253)
•
Vergrendelen/ontgrendelen met afneembaar
sleutelblad (p. 260)
•
Alarm* (p. 272)
Bij reguliere vergrendeling worden de stroomaansluitingen direct gedeactiveerd, maar bij een tijdelijk gedeactiveerde Safelock-functie zijn ze na
vergrendeling maximaal 10 minuten actief.
* Optie/accessoire. 255
SLOTEN EN ALARM
Achterklep vergrendelen/
ontgrendelen
De achterklep is op verschillende manieren te
vergrendelen/ontgrendelen en openen, afhankelijk van het uitrustingsniveau van de auto.
Achterklep ontgrendelen met
transpondersleutel
1.
op de transponderDruk op de knop
sleutel.
> De slot- en alarmindicatie op het dashboard dooft om aan te geven dat het
alarm niet voor alle delen van de auto is
ingeschakeld.
De hellingssensoren en bewegingsmelders alsmede de sensoren in de opening
van de achterklep worden buiten werking
gesteld.
2.
Met de optie elektrische achterklepbediening*
Lang drukken (zo'n 1,5 seconde) op de knop
van de transpondersleutel
> De achterklep wordt ontgrendeld en
geopend, terwijl de portieren vergrendeld
blijven en het alarm op de portieren actief
blijft.
Achterklep passief ontgrendelen*
De achterklep wordt ontgrendeld maar
blijft dichtstaan, terwijl de portieren vergrendeld blijven en het alarm op de portieren actief blijft.
Om vervolgens de achterklep te openen,
pakt u het met rubber beklede drukplaatje
aan de onderzijde van de greep van de
achterklep voorzichtig vast en opent u de
klep.
Met de knop
op de transpondersleutel is het
mogelijk om de alarmfunctie voor de achterklep te deactiveren, zodat u de achterklep kunt ontgrendelen.
Er zijn twee manieren om de achterklep te ontgrendelen
256
Als de klep niet binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend, wordt de klep
weer vergrendeld en het alarm opnieuw
geactiveerd.
Met rubber bekleed drukplaatje.
De achterklep wordt dichtgehouden door een
elektrische vergrendeling. Het is voldoende dat u
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
de transpondersleutel bij u draagt, bijvoorbeeld in
een zak of tas.
1.
Om de klep te openen – druk lichtjes op het
met rubber beklede drukplaatje onder op de
handgreep van de achterklep.
> De vergrendeling wordt ontkoppeld.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Via
de bagageruimte kunnen er giftige uitlaatgassen in de auto worden gezogen.
Achterklep ontgrendelen vanaf de
binnenzijde
N.B.
–
Druk op de knop
op de transpondersleutel.
> De slot- en alarmindicatie op het dashboard gaat knipperen - de auto is vergrendeld en het alarm* is geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Indien de transpondersleutel niet voldoende
dicht bij de achterklep wordt waargenomen,
werkt vergrendelen/ontgrendelen niet. Zie
paragraaf 'Bereik van de transpondersleutel'
voor meer informatie.
2.
Vergrendelen met transpondersleutel
Transpondersleutel (p. 244)
Elektrische achterklepbediening* (p. 262)
Achterklep openen/sluiten met schopbeweging* (p. 265)
Til de buitenste handgreep helemaal omhoog
om de klep te openen.
BELANGRIJK
•
De achterklep is met heel weinig kracht te
ontgrendelen – druk gewoon lichtjes op
het met rubber beklede plaatje.
•
Breng geen druk aan op het met rubber
beklede plaatje bij het openen van de achterklep – maar til de handgreep op. Bij te
veel druk kan de elektrische schakelaar in
het met rubber beklede plaatje beschadigd
raken.
Om de achterklep te ontgrendelen:
1.
Kort drukken op knop
op het dashboard.
> De klep kan van buitenaf worden ontgrendeld en geopend door het met rubber
beklede drukplaatje vast te pakken.
2.
En met de optie elektrische achterklepbediening
op het dashLang drukken op knop
board.
> De klep wordt geopend.
* Optie/accessoire. 257
SLOTEN EN ALARM
Privacy locking gebruiken
De achterklep is via de zogenoemde Privacy locking te vergrendelen, bijvoorbeeld als u de auto
afgeeft voor service, bij een hotel en dergelijke.
1.
•
N.B.
Hoofdcode invoeren bij het eerste
gebruik
Bij het eerste gebruik van de Privacy locking
moet u een hoofdcode kiezen. De code is vervolgens te gebruiken om de Privacy locking te deactiveren, als u de ingestelde pincode niet meer
weet. De hoofdcode is te beschouwen als een
pukcode voor alle pincodes die zijn ingesteld voor
de Privacy locking.
Bewaar de hoofdcode goed.
258
2.
Druk op de knop Private Locking op het
functiescherm.
of
Om de functie Privacy locking te kunnen activeren, moet de auto minimaal in contactslotstand I staan.
Functieknop voor Privacy locking. Afhankelijk van de status
van de functie verschijnt
Private Locking ontgrendeld
of Private Locking
vergrendeld.
De hoofdcode is te activeren vanuit het functiescherm of vanuit het hoofdscherm van het
middendisplay.
•
Druk op Instellingen op het hoofdscherm. Druk op My Car
Vergrendeling en kies Private Locking.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
2.
Privacy locking deactiveren
1.
Geef de gewenste hoofdcode aan.
> De hoofdcode is opgeslagen. De Privacy
locking is daarmee klaar voor activering.
•
Druk op Instellingen op het hoofdscherm. Druk op My Car
Vergrendeling en kies Private Locking.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
De functie is te activeren vanuit het functiescherm of vanuit het hoofdscherm van het
middendisplay.
Druk op de knop Private Locking op het
functiescherm.
of
•
Druk op Instellingen op het hoofdscherm. Druk op My Car
Vergrendeling en kies Private Locking.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
Druk op de knop Private Locking op het
functiescherm.
of
Privacy locking activeren
•
De functie is te deactiveren vanuit het functiescherm of vanuit het hoofdscherm van het
middendisplay.
•
Na het resetten van het systeem moet u de
bovenstaande procedure herhalen.
1.
Voer de code in die na vergrendeling moet
worden gebruikt om de achterklep te ontgrendelen en druk op Bevestig.
> De achterklep wordt vergrendeld. De vergrendeling wordt bevestigd met een
groene indicatie bij de knop op het functiescherm en doordat het vakje voor Privacy locking in het instellingsscherm
wordt aangevinkt.
2.
Voer de code in die bij het vergrendelen
werd gebruikt en druk op Bevestig.
> De achterklep wordt ontgrendeld. De ontgrendeling wordt bevestigd doordat de
groene indicatie bij de knop op het functiescherm dooft en doordat het vakje voor
Privacy locking in het instellingsscherm
wordt uitgevinkt.
SLOTEN EN ALARM
N.B.
Als u de pincode kwijt bent of tijdelijk niet
meer weet of als u meer dan driemaal achtereen de verkeerde pincode hebt ingevoerd,
kunt u de beveiligingscode gebruiken voor
deactivering van de Privacy locking.
N.B.
Als Privacy locking is geactiveerd en de auto
wordt ontgrendeld via Volvo On Call* of de
Volvo On Call*-app, wordt de Privacy locking
automatisch gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Afneembaar sleutelblad
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Toepassingsgebieden van het
sleutelblad
U kunt het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel gebruiken om:
•
het linker voorportier9 handmatig te openen,
als de centrale vergrendeling niet te bedienen is vanaf de transpondersleutel.
•
de noodsluiting van alle portieren te activeren - zie het artikel "Vergrendelen/ontgrendelen met afneembaar sleutelblad".
•
het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren/deactiveren - zie het artikel "Kinderslot".
Dashboardkastje gebruiken (p. 231)
Achterklep vergrendelen/ontgrendelen
(p. 256)
Sleutelblad verwijderen
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad, waarmee u een aantal functies kunt activeren en bepaalde handelingen
kunt uitvoeren.
Houd de transpondersleutel met de voorzijde zichtbaar en het logo van Volvo naar de
juiste kant. Schuif de knop bij de sleutelring
aan de onderkant naar rechts. Schuif de
behuizing aan de voorkant een paar millimeter omhoog.
De behuizing komt los en is van de sleutel te nemen.
De transpondersleutel zonder knoppen10 (Key
Tag) heeft geen afneembaar sleutelblad. Gebruik
zo nodig het afneembare sleutelblad van de standaardtranspondersleutel.
9 Dit geldt ongeacht of het stuur van de auto aan de linker- of de rechterkant zit.
10 Wordt meegeleverd bij auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive
Entry*).
}}
* Optie/accessoire. 259
SLOTEN EN ALARM
||
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen met afneembaar
sleutelblad (p. 260)
•
•
Kinderslot (p. 270)
Transpondersleutel (p. 244)
Vergrendelen/ontgrendelen met
afneembaar sleutelblad
Het afneembare sleutelblad is onder meer te
gebruiken om de auto van de buitenzijde te ontgrendelen - als bijvoorbeeld de batterij in de
transpondersleutel leeg is.
Ontgrendelen
Verwijder het sleutelblad door het
omhoog te kantelen.
Trek de voorste portierhandgreep links naar
buiten11 totdat deze niet verder kan. De slotcilinder komt dan tevoorschijn.
Zet het sleutelblad na gebruik op de daarvoor bestemde plaats terug in de transpondersleutel.
Plaats de behuizing terug door deze
omlaag te drukken totdat u een klik hoort.
Schuif daarna de behuizing terug.
> Nog een klik geeft aan dat de behuizing
in positie zit.
11
260
Dit geldt zowel voor auto's met het stuur links als voor auto's met het stuur rechts.
Plaats de sleutel in de slotcilinder.
Draai 45 graden rechtsom. Het sleutelblad
wijst dan recht omlaag.
Draai de sleutel 45 graden terug naar de
beginstand. Neem de sleutel uit de slotcilinder en laat de handgreep los, zodat de achterkant van de handgreep weer tegen de
auto aan veert.
SLOTEN EN ALARM
5.
Trek de handgreep naar buiten.
> Het portier wordt ontgrendeld.
Het vergrendelen gaat op dezelfde manier. Daarbij wordt dan bij stap (3) 45 graden linksom
gedraaid in plaats van rechtsom.
Alarm uitschakelen*
N.B.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendelt en vervolgens opent, gaat het
alarm af.
2.
Draai de startknop vervolgens naar START
en laat de knop weer los.
> De knop veert automatisch terug naar de
uitgangspositie - het alarmsignaal valt stil
en het alarm wordt uitgeschakeld.
Vergrendelen
U kunt de auto ook vergrendelen met het
afneembare sleutelblad van de transpondersleutel: bij stroomuitval bijvoorbeeld of als de batterij
in de transpondersleutel leeg is.
Het linker voorportier is te vergrendelen met de
bijbehorende slotcilinder en het afneembare
sleutelblad.
De overige portieren hebben geen slotcilinders,
maar zijn voorzien van een vergrendeling op de
zijkant van het portier die moet worden ingedrukt
met het sleutelblad, waarna het portier mechanisch is vergrendeld en niet meer van buitenaf
kan worden geopend.
De portieren zijn echter nog steeds vanaf de binnenzijde te openen.
Positie back-uplezer in bekerhouder.
Schakel het alarm uit door:
1.
Plaats de transpondersleutel in de
back-uplezer onder in de bekerhouder van
de tunnelconsole.
Portier handmatig vergrendelen. Niet te verwarren met
het kinderslot.
–
Verwijder het afneembare sleutelblad uit de
transpondersleutel. Steek het sleutelblad in
de vergrendelopening en druk de sleutel er
helemaal in, ca. 12 mm.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
Het portier is niet vanaf de buitenzijde te
openen. Om terug te keren naar stand A
moet de binnengreep van het portier worden
geopend.
De portieren zijn ook te ontgrendelen met de
ontgrendelingsknop op de transpondersleutel of
de knop voor centrale vergrendeling op het
bestuurdersportier.
}}
* Optie/accessoire. 261
SLOTEN EN ALARM
||
N.B.
Elektrische achterklepbediening*
•
De vergrendeling van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet alle portieren.
De achterklep van de auto is elektrisch te openen/sluiten.
•
Een handmatig vergrendeld achterportier
waarvan ook het mechanische kinderslot
geactiveerd is, kan niet van de binnenzijde noch van de buitenzijde worden
geopend. Een achterportier dat op die
manier is vergrendeld, kan alleen worden
ontgrendeld met een transpondersleutel
of de knop van de centrale vergrendeling.
Als extra optie bestaat ook de mogelijkheid van
openen/sluiten met behulp van een schopbeweging - zie artikel "Elektrisch bediende achterklep
openen/sluiten met schopbeweging" voor meer
informatie.
•
Druk lichtjes op handgreep van de achterklep.
•
Druk knop
op het dashboard langdurig
in. Houd de knop ingedrukt totdat de achterklep een stukje openveert.
•
op de transpondersleutel
Druk knop
langdurig in. Houd de knop ingedrukt totdat
de achterklep een stukje openveert.
Openen
De achterklep is te openen met de handgreep
ervan, met een schopbeweging*, met een knop
op het dashboard of met de transpondersleutel.
Gerelateerde informatie
•
Open de achterklep op een van de volgende
manieren:
Afneembaar sleutelblad (p. 259)
Sluiten
De achterklep is te sluiten met de knop op het
dashboard, met een schopbeweging*, met de
transpondersleutel of met de knoppen12 aan de
onderzijde van de achterklep.
Sluit de achterklep op een van de volgende
manieren.
–
Knop voor het openen/sluiten op het dashboard.
12
262
Lang drukken op knop
op het dashvan de transponderboard of op knop
sleutel.
> De achterklep sluit automatisch en er
klinkt een signaal - de klep wordt niet vergrendeld.
Een auto die is uitgerust met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*) heeft een knop voor sluiten en een knop voor sluiten en vergrendelen.
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
–
12 op de onderkant van
Druk op de knop
de achterklep om de klep te sluiten en tegelijkertijd zowel portieren als klep te vergrendelen (voor vergrendelen moeten alle portieren zijn gesloten).
> De achterklep sluit automatisch - de klep
en de portieren vergrendelen automatisch
en het alarm* wordt ingeschakeld.
N.B.
Knop voor sluiten en vergrendelen aan de onderzijde van
de achterklep.
–
12 op de onderkant van
Druk op de knop
de achterklep om deze te sluiten.
> De achterklep sluit automatisch - de klep
wordt niet vergrendeld.
N.B.
De knop is 24 uur actief nadat de klep is
opengelaten. Daarna moet u de klep handmatig sluiten.
12
Indien de transpondersleutel niet voldoende
dicht bij de achterklep wordt waargenomen,
werkt vergrendelen/ontgrendelen niet. Zie
paragraaf 'Bereik van de transpondersleutel'
voor meer informatie.
N.B.
Bij Keyless* vergrendelen/sluiten klinken er
drie signalen als de sleutel niet voldoende
dicht bij de achterklep wordt waargenomen.
Zie paragraaf 'Bereik van de transpondersleutel' en lees 'Vergrendelingen en transpondersleutels' voor meer informatie.
BELANGRIJK
Bij handmatige bediening van de achterklep
is het zaak de klep langzaam te openen of
sluiten. Duw de achterklep niet met kracht
open of dicht, als de achterklep weerstand
biedt. De achterklep kan beschadigd worden
en defect raken.
Opening/sluiting onderbreken
–
Opening/sluiting is op vijf manieren te
onderbreken:
•
•
Druk op knop op het dashboard.
Druk op de knop op de transpondersleutel.
•
Druk op de sluitingsknop12 aan de onderzijde van de achterklep.
•
Druk op het met rubber beklede drukplatje onder de buitenhandgreep.
•
Met een schopbeweging* (zie artikel
"Elektrisch bediende achterklep openen/
sluiten met schopbeweging" voor meer
informatie).
> De klepbeweging wordt onderbroken en
stopt waarna de klep handmatig te bedienen is.
Een auto die is uitgerust met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*) heeft een knop voor sluiten en een knop voor sluiten en vergrendelen.
}}
* Optie/accessoire. 263
SLOTEN EN ALARM
||
Aanpasbare maximale openingshoek
Inklembeveiliging
De maximale openingshoek van de achterklep is
aan te passen - bijvoorbeeld als de garage een
laag plafond heeft.
Als de achterklep tijdens het openen/sluiten in
zekere mate wordt gehinderd door een obstakel
treedt de inklembeveiliging in werking.
De maximale openingshoek instellen:
•
Bij openen – de beweging wordt onderbroken, de achterklepbeweging stopt en er
klinkt een lang signaal.
•
Bij sluiten – de beweging wordt onderbroken,
de achterklepbeweging stopt, er klinkt een
lang signaal en de achterklep keert terug
naar de geprogrammeerde maximale openingshoek.
1.
Achterklep openen; stopzetten in de gewenste openingspositie.
2.
aan de onderzijde van de
Druk de knop
achterklep ten minste 3 seconden in.
> Er klinken twee korte signalen en de desbetreffende stand is nu opgeslagen.
Resetten van de maximale openingshoek:
–
Beweeg de klep handmatig naar de hoogst
mogelijke stand. Druk de knop
op de
achterklep ten minste 3 seconden in.
> Er klinken twee signalen en de opgeslagen stand is nu gewist. De klep opent
voortaan tot in de maximale stand.
WAARSCHUWING
Voorgespannen veren
De voorgespannen veren voor de elektrische achterklepbediening.
Let op het gevaar voor beknelling tijdens het
openen/sluiten. Controleer alvorens de achterklep te openen/sluiten of er niemand in de
buurt van de achterklep staat, omdat ernstig
beknellingsletsel anders niet uitgesloten kan
worden.
WAARSCHUWING
Open de voorgespannen veren van de elektrische achterklepbediening niet. De veren zijn
sterk voorgespannen en kunnen bij opening
letsel toebrengen.
Let altijd op bij bediening van de achterklep.
N.B.
•
264
Om oververhitting tegen te gaan wordt
het systeem na langdurig en continu
gebruik automatisch even uitgeschakeld.
Ca. 2 minuten later is het opnieuw klaar
voor gebruik.
Gerelateerde informatie
•
Achterklep openen/sluiten met schopbeweging* (p. 265)
•
Bereik transpondersleutel (p. 246)
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Achterklep openen/sluiten met
schopbeweging*
Bediening
Openen/sluiten
N.B.
Om de bediening van de achterklep te vereenvoudigen als u uw handen vol hebt, kunt u de
achterklep ook openen/sluiten met een naar
voren gerichte schopbeweging onder de achterbumper.
De achterklep met voetbediening is verkrijgbaar in twee uitvoeringen:
–
U kunt de achterklep alleen met een schopbeweging openen/sluiten wanneer een van de transpondersleutels van de auto zich binnen bereik14
achter de auto bevindt. Dit geldt ook bij een ontgrendelde auto om onbedoelde voetbediening
zoals bij een wasbeurt van de auto te voorkomen.
13
14
Bij een auto met skidplate/diffusor* zit de sensor verder naar links in de buurt van de bumperhoek.
Zie het artikel "Bereik transpondersleutel" voor meer informatie.
een uitvoering die te openen en sluiten is
met een schopbeweging
•
een uitvoering die alleen te ontgrendelen
is met een schopbeweging (achterklep
moet handmatig worden geopend)
Let erop dat voor de voetbediende opening
en sluiting de optie "Elektrische achterklepbediening"* vereist is.
Schopbeweging binnen het geldige activeringsgebied
van de sensor.
De sensor zit even links van het midden van de achterbumper13.
•
Maak een langzame, naar voren gerichte
schopbeweging onder het linker gedeelte
van de achterbumper. Doe daarna een stap
terug. U mag de bumper daarbij niet aanraken.
> Bij activering van de openings-/sluitingsfunctie klinkt een kort geluidssignaal - de
achterklep wordt geopend/gesloten.
Als de achterklep openstaat, vindt er bij
activering via een schopbeweging altijd
een sluiting plaats.
}}
* Optie/accessoire. 265
SLOTEN EN ALARM
||
De achterklep is ook te sluiten met de knop op
het dashboard, met de transpondersleutel of met
de knop(pen)15 op de onderkant van de achterklep. Zie voor meer informatie het artikel "Elektrische achterklepbediening".
Als de sensor meerdere schopbewegingen waarneemt zonder dat er een goedgekeurde transpondersleutel achter de auto wordt waargenomen, is de achterklep pas na enige vertraging te
openen.
Houd uw voet tijdens de schopbeweging niet
onder de auto, aangezien de activering hierdoor
kan mislukken.
N.B.
Bedenk dat het systeem kan worden geactiveerd tijdens het wassen van de auto en dergelijke als de transpondersleutel zich binnen
bereik bevindt.
•
N.B.
Alle accu's hebben een beperkte levensduur
en moeten uiteindelijk worden vervangen
(geldt niet voor Key Tag). De levensduur van
de accu hangt af van het feit hoe vaak de
auto/sleutel wordt gebruikt.
•
•
Achterklep vergrendelen/ontgrendelen
(p. 256)
Elektrische achterklepbediening* (p. 262)
Bereik transpondersleutel (p. 246)
Om de opening/sluiting te onderbreken hoeft de
transpondersleutel niet in de buurt van de auto te
zijn.
N.B.
Als de achterbumper bedekt is met een dikke
laag ijs, sneeuw, vuil en dergelijke, werkt het
systeem mogelijk niet of slechts in beperkte
mate. Zorg daarom dat u het gebied schoonhoudt.
266
Vervang de batterij in de transpondersleutel
wanneer deze leeg is.
Gerelateerde informatie
Opening/sluiting onderbreken
– Maak een langzame, naar voren gerichte
schopbeweging tijdens het openen/sluiten
om de achterklepbeweging te stoppen.
15
Batterij in transpondersleutel
vervangen
U moet de batterij in de transpondersleutel vervangen in de volgende gevallen:
het informatiesymbool gaat branden en
de melding Batt. sleutel bijna leeg
Zie handleiding op het bestuurdersdisplay verschijnt
en/of
•
de sloten reageren herhaalde malen achtereen niet op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van
20 meter rond de auto bevindt.
Geldt alleen voor een auto uitgerust met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*).
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
N.B.
Openen en vervangen
Ga altijd dichter bij de auto staan en probeer
dan opnieuw te ontgrendelen.
De batterij in de transpondersleutel zonder knoppen16 (Key Tag) kan niet worden vervangen - een
nieuwe sleutel is te bestellen bij een erkende
Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Lever een uitgediende Key Tag in bij een
erkende Volvo-werkplaats. De sleutel moet uit
de auto worden gewist, omdat die nog steeds
kan worden gebruikt om de auto te starten
met back-upstart.
Houd de transpondersleutel met de voorzijde zichtbaar en het logo van Volvo naar de
juiste kant. Schuif de knop bij de sleutelring
aan de onderkant naar rechts. Schuif de
behuizing aan de voorkant een paar millimeter omhoog.
Haal de knop opzij en schuif de behuizing
aan de achterkant een paar millimeter
omhoog.
De behuizing komt los en is van de sleutel te nemen.
De behuizing komt los en is van de sleutel te nemen.
16
Deze sleutel wordt geleverd bij een auto uitgerust met de optie passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*).
}}
* Optie/accessoire. 267
SLOTEN EN ALARM
||
Gebruik bijvoorbeeld een schroevendraaier
om het batterijklepje linksom te kunnen
draaien, zodat deze markering uitkomt bij de
tekst OPEN.
Verwijder voorzichtig het batterijklepje door
bijvoorbeeld uw nagel in de uitsparing te
drukken.
Werk het batterijklepje vervolgens naar
boven toe los.
De +-kant van de batterij wijst naar boven.
Wrik vervolgens de batterij voorzichtig los
zoals op de afbeelding.
BELANGRIJK
Raak nieuwe accu's en hun contactvlakken
niet met uw vingers aan, aangezien de werking hierdoor verslechtert.
Plaats een nieuwe batterij met de pluszijde
(+) omhoog. Vermijd de batterijcontacten van
de transpondersleutel met uw vingers aan te
raken.
Plaats de batterij met de kant omlaag in
de houder. Schuif de batterij daarna naar
voren, zodat deze vast komt te zitten onder
de twee kunststof pallen.
Druk de batterij vervolgens omlaag, zodat
deze vast komt te zitten onder de bovenste
zwarte kunststof pal.
N.B.
Gebruik batterijen met de aanduiding
CR2032, 3 V.
268
SLOTEN EN ALARM
N.B.
Volvo adviseert u om batterijen voor de transpondersleutel te gebruiken die voldoen aan
UN Manual of Test and Criteria, Part III, subsection 38.3. Voor batterijen die in de fabriek
zijn geplaatst of in een erkende Volvo-werkplaats zijn vervangen is dit het geval.
Plaats de behuizing aan de achterkant
terug en druk die omlaag totdat u een klik
hoort.
Keer de transpondersleutel om en plaats
de behuizing aan de voorkant terug door
deze omlaag te drukken totdat u een klik
hoort.
Schuif daarna de behuizing terug.
> Nog een klik geeft aan dat de behuizing
weer in positie vastzit.
Schuif daarna de behuizing terug.
> Nog een klik geeft aan dat de behuizing
in positie zit.
Plaats het batterijklepje terug en draai de
markering rechtsom terug naar de tekst
CLOSE.
BELANGRIJK
Let erop dat lege batterijen op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel (p. 244)
269
SLOTEN EN ALARM
Elektronische startblokkering
De elektronische startblokkering is een anti-diefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de
auto kunnen starten.
De auto kan alleen worden gestart met de juiste
transpondersleutel.
De volgende foutmelding op het bestuurdersdisplay houdt verband met de elektronische startblokkering:
Symbool
Melding
Betekenis
Sleutel
niet
gevonden
Fout bij het uitlezen
van de transpondersleutel tijdens het
starten - plaats de
sleutel in de bekerhouder in de buurt
van het sleutelsymbool en probeer het
opnieuw.
Zie handleiding
Op afstand bediende startblokkering
met opsporingssysteem17
De auto is uitgerust met een systeem waarmee
het mogelijk is om de auto op te sporen en te
lokaliseren alsmede op afstand de startblokkering te activeren zodat de motor niet meer te
starten is. Neem contact op met de dichtstbij-
17
270
zijnde Volvo-dealer voor meer informatie over het
systeem en hulp bij de activering ervan.
De volgende foutmelding op het bestuurdersdisplay houdt verband met de op afstand bediende
startblokkering met opsporingssysteem:
Symbool
Melding
Betekenis
Immobilisatie op
afst.
De op afstand
bediende startblokkering met opsporingssysteem is
geactiveerd. De
auto is niet te starten. Neem contact
op met de Volvo On
Call-helpdesk.
Auto kan
niet worden
gestart
Kinderslot
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde kunnen openen. Er
is een elektrisch* en een handmatig slot.
Elektrisch activeren/deactiveren*
Het elektrische kinderslot is in alle contactslotstanden anders dan 0 te activeren/deactiveren
en dat binnen 2 minuten na het afzetten van de
motor, op voorwaarde dat er geen portier wordt
geopend. Zie het artikel "Contactslotstanden"
voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel (p. 244)
Bereik transpondersleutel (p. 246)
Knop voor elektrische activering/inactivering.
1.
Start de motor of kies een contactslotstand
anders dan 0.
Alleen bepaalde markten en in combinatie met Volvo On Call*.
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
2.
Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het bestuurdersdisplay staat de melding Kinderslot achter Geactiveerd en
het lampje in de knop brandt - het slot is
geactiveerd.
Symbool
Wanneer het elektrische kinderslot actief is, zijn
de achterste:
•
zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel
op het bestuurdersportier te bedienen
•
portieren niet van de binnenkant te openen.
Melding
Betekenis
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Kinderslot achter Geactiveerd
Het kinderslot
is geactiveerd.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
Kinderslot achter Gedeactiveerd
Het kinderslot
is gedeactiveerd.
N.B.
Handmatig activeren/inactiveren
Om het slot uit te zetten:
–
Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het bestuurdersdisplay staat de melding Kinderslot achter Gedeactiveerd
en het lampje in de knop dooft - het slot
is geïnactiveerd.
Bij het afzetten van de motor wordt de actuele
instelling vastgelegd - als het kinderslot geactiveerd was tijdens het afzetten van de motor, dan
is de functie de volgende keer dat u de motor
start eveneens actief.
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
•
Op auto’s met een elektrisch kinderslot
zit geen handmatig kinderslot.
Gerelateerde informatie
•
•
Afneembaar sleutelblad (p. 259)
Contactslotstanden (p. 397)
Mechanisch kinderslot. Niet te verwarren met de mechanische portiervergrendeling.
–
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de cilinder te verdraaien. Zie het artikel "Afneembaar sleutelblad" voor meer informatie.
271
SLOTEN EN ALARM
Alarm*
Het alarm waarschuwt bijvoorbeeld bij inbraak in
de auto.
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
•
een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend18
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder*
aanwezig is)
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto's met een hellingssensor*)
•
een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld of
•
de sirene wordt losgekoppeld.
Als er een storing in het alarmsysteem
is opgetreden, verschijnen het symbool
en de melding Storing
alarmsysteem Service vereist op
het bestuurdersdisplay. Neem dan contact op
met een werkplaats - geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
18
19
272
N.B.
Probeer niet zelf de onderdelen van het
alarmsysteem te repareren of te wijzigen. Dergelijke pogingen kunnen van invloed zijn op
de verzekeringsvoorwaarden.
N.B.
De bewegingsmelders laten het alarm afgaan
bij bewegingen in de passagiersruimte – ook
eventuele luchtstromen worden geregistreerd.
Het alarm kan dan ook afgaan, als u de auto
met een raam of panoramadak* open laat
staan of als u de interieurverwarming
gebruikt.
Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten
van de auto alle ramen en het panoramadak.
Bij gebruik van de geïntegreerde standkachel
van de auto (of een draagbare variant daarvan
op stroom) dan dient u de blaasmonden dusdanig af te stellen dat deze niet omhoogwijzen. U kunt ook gebruik maken van het
beperkte alarmniveau – zie het gedeelte verderop in dit artikel.
Alarm activeren
Vergrendel de auto en activeer het alarmsysteem
van de auto door:
•
op de vergrendelingsknop op de transpondersleutel te drukken
•
het gemarkeerde gebied op de buitenkant19
van de portiergreep aan te raken of
•
op het met rubber beklede drukplaatje op de
achterklep te drukken19.
Bij een auto met elektrische achterklepbediening
kunt u ook gebruik maken van de knop aan de
onderzijde van de achterklep om de auto te vergrendelen en het alarmsysteem in te schakelen.
Alarm deactiveren
Ontgrendel de auto en deactiveer het alarmsysteem van de auto door:
•
op de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te drukken
•
een van de portiergrepen beet te pakken19
of
•
op het met rubber beklede drukplaatje op de
achterklep te drukken19.
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt alleen voor een auto met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*).
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Geactiveerd alarm uitschakelen
–
Slot- en alarmindicatie
Druk op de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel of zet de auto in contactslotstand I door de draaiknop naar START te
draaien en weer los te laten.
N.B.
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd
bij vergrendeling van de auto.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
Alarmsignalen
•
Druk op de knop Minder
bescherming in het functiescherm van het middendisplay
om de bewegingsmelder en
niveausensoren tijdelijk uit te
schakelen.
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
Er klinkt een sirene, totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
30 seconden automatisch uit.
Zie voor meer informatie het artikel "Safelockfunctie".
•
•
De led is uit - het alarm is uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u het
alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan ze na
vijf minuten automatisch uit.
•
De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm, maximaal
30 seconden of tot aan het moment dat contactslotstand I wordt ingeschakeld doordat u
de startknop naar START draait en weer loslaat - het alarm is afgegaan.
Wanneer het alarm afgaat, gebeurt het volgende:
•
Schakel de bewegingsmelders en hellingssensoren uit om onbedoelde activering van het alarm
tegen te gaan – als u bijvoorbeeld een hond in
een vergrendelde auto achterlaat of een autotrein of veerverbinding gebruikt. De te volgen procedure is identiek aan die bij tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie.
Als de oorzaak van het getriggerde alarm niet
wordt weggenomen, wordt de alarmcyclus tot
maximaal 10 keer20 herhaald.
De led licht om de twee seconden eenmaal
op - het alarm is ingeschakeld.
•
Automatische activering/heractivering van
het alarm* (p. 274)
•
Alarm deactiveren* zonder werkende transpondersleutel (p. 274)
•
Safelock-functie* (p. 255)
Verlaagde guard
Een verlaagde guard houdt in dat de bewegingsmelders en hellingssensoren tijdelijk worden uitgeschakeld.
20
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire. 273
SLOTEN EN ALARM
Automatische activering/
heractivering van het alarm*
Alarm deactiveren* zonder
werkende transpondersleutel
De automatische heractivering van het alarm
voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarmsysteem uit te schakelen.
Ook als de transpondersleutel niet werkt, bijvoorbeeld als de batterij leeg is, kan de auto
worden ontgrendeld en kan het alarmsysteem
worden gedeactiveerd.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm gedeactiveerd) is, wordt het alarm automatisch opnieuw
ingeschakeld. De auto wordt bovendien opnieuw
vergrendeld.
1.
•
•
Afneembaar sleutelblad (p. 259)
Motor starten (p. 398)
Open het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad.
> Het alarm gaat af.
Op bepaalde markten vindt automatische herinschakeling van het alarm plaats, als u na het openen en sluiten van het bestuurdersportier vergeet
te vergrendelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Alarm* (p. 272)
Alarm deactiveren* zonder werkende transpondersleutel (p. 274)
Positie back-uplezer in bekerhouder.
2.
Plaats de transpondersleutel in de backuplezer, die in de bekerhouder van de tunnelconsole zit.
3.
Draai de startknop naar START en laat de
knop los.
> Het alarm wordt uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
274
Alarm* (p. 272)
Automatische activering/heractivering van
het alarm* (p. 274)
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Typegoedkeuring voor
transpondersleutels
De typegoedkeuring voor de transpondersleutels
staat in de tabel.
Passief starten (Passive Start) en
passieve vergrendeling/ontgrendeling
(Passive Entry*)
CEM-markering voor transpondersleutels. Zie de onderstaande tabel voor aanvullende typegoedkeuringsnummers.
Land/regio
Typegoedkeuring
Jordanië
TRC/LPD/2014/250
Servië
P1614120100
Argentinië
CNC ID: C-14771
}}
* Optie/accessoire. 275
SLOTEN EN ALARM
||
Land/regio
Typegoedkeuring
Brazilië
MT-3245/2015
Indonesië
Nomor: 38301/SDPPI/2015
Maleisië
RAAT/37A/0315/S(15-0663)
Mexico
IFETEL: RLVDEVO15-0396
Rusland
Verenigde Arabische Emiraten
ER37847/15
DA0062437/11
Voor meer informatie over de typegoedkeuring
voor transpondersleutels, zie
support.volvocars.com.
276
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel
Land/regio
Typegoedkeuring
Jordanië
TRC/LPD/2015/104
Marokko
AGREE PAR L'ANRT MAROC
Numéro d’agrément: MR 10668 ANRT 2015
Date d’agrément: 24/07/2015
Mexico
IFETEL
Marca: HUF
Modelo (s): HUF8423
NOM-121-SCT1-2009
La operación de este equipo está sujeta a las siguientes dos condiciones: (1)
es posible que este equipo o dispositivo no cause interferencia perjudicial y (2)
este equipo o dispositivo debe aceptar cualquier interferencia, incluyendo la
que pueda causar su operación no deseada.
Oman
}}
277
SLOTEN EN ALARM
||
Land/regio
Typegoedkeuring
Servië
Verenigde Arabische
Emiraten
Key Tag
Land/regio
Typegoedkeuring
Jordanië
TRC/LPD/2015/107
Marokko
AGREE PAR L'ANRT MAROC
Numéro d’agrément: MR 10667 ANRT 2015
Date d’agrément: 24/07/2015
278
SLOTEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Mexico
IFETEL
Marca: HUF
Modelo (s): HUF8432
NOM-121-SCT1-2009
La operación de este equipo está sujeta a las siguientes dos condiciones: (1)
es posible que este equipo o dispositivo no cause interferencia perjudicial y (2)
este equipo o dispositivo debe aceptar cualquier interferencia, incluyendo la
que pueda causar su operación no deseada.
Oman
}}
279
SLOTEN EN ALARM
||
Land/regio
Typegoedkeuring
Servië
Verenigde Arabische
Emiraten
Gerelateerde informatie
•
280
Transpondersleutel (p. 244)
RIJHULP
RIJHULP
Snelheidsafhankelijke stuurkracht
De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
zorgt ervoor dat de stuurbekrachtiging afneemt
naarmate de rijsnelheid oploopt, waardoor u een
beter weggevoel krijgt.
Op snelwegen stuurt de auto stugger. Bij het
parkeren en op lage snelheden is de auto lichter
en zonder veel moeite te besturen.
N.B.
In bepaalde situaties kan de stuurbekrachtiging te warm worden zodat deze dan tijdelijk
moet worden gekoeld - gedurende die
periode werkt de stuurbekrachtiging met een
gereduceerd vermogen en het draaien aan
het stuurwiel kan dan wat zwaarder gaan.
Instellingen
Stuurkracht
My Car
Rijmodi
Het stuurkrachtniveau is niet te wijzigen tijdens
het maken van een bocht.
Gerelateerde informatie
•
Rijmodi* (p. 412)
Roll Stability Control
Roll Stability Control (RSC) is een stabiliteitssysteem dat de kans verkleint op kantelen en over
de kop slaan bij bijvoorbeeld heftige uitwijkmanoeuvres of als de auto gaat slippen.
Het RSC-systeem registreert of en hoeveel de
helling van de auto in zijwaartse richting wordt
gewijzigd. Aan de hand van deze informatie wordt
vervolgens berekend of de kans bestaat dat de
auto over de kop slaat. Als deze kans bestaat,
treedt de elektronische stabiliteitscontrole van de
auto in werking, waarna het koppel van de motor
wordt verlaagd en een of meer wielen worden
geremd totdat de auto zijn stabiliteit terug heeft.
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
RSC-systeem voor een betere wegligging, wat
voor u echter geen reden mag zijn om sneller
te gaan rijden. Neem altijd de gebruikelijke
voorzorgsmaatregelen bij het rijden.
Wanneer de stuurbekrachtiging tijdelijk gereduceerd is, staat er een melding op het
bestuurdersdisplay.
Stuurkrachtniveau wijzigen*
Om het stuurkrachtniveau te kiezen, gaat u naar
het artikel "Rijmodi" en bekijkt u de beschrijving
bij de optie INDIVIDUAL onder het kopje "Mogelijke rijmodi".
Gerelateerde informatie
•
•
elektronische stabiliteitsregeling (p. 283)
Veiligheid (p. 58)
Bij modellen zonder een rijmodusknop met de
optie INDIVIDUAL is het stuurkrachtniveau in te
stellen via het hoofdscherm op het middendisplay
en wel aan de hand van het volgende zoekpad:
282
* Optie/accessoire.
RIJHULP
elektronische stabiliteitsregeling
•
De elektronische stabiliteitsregeling (Electronic
Stability Control - ESC) helpt u voorkomen dat
de wielen doorslippen en verbetert de tractie van
de auto.
Antislipregeling
Tijdens het afremmen kunnen
de ingrepen van het ESC-systeem waarneembaar zijn in de
vorm van pulserende geluiden.
Tijdens het gas geven kan de
auto langzamer optrekken dan
u verwacht.
WAARSCHUWING
De stabiliteitsregeling ESC is slechts een
aanvullend hulpmiddel en kan niet alle situaties en alle wegomstandigheden aan.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften houdt.
Het ESC-systeem bestaat uit de volgende functies:
•
•
•
•
Antislipregeling
Antispinregeling
Tractieregeling
Trailer Stability Assist
slingerneigingen vertoont. Zie het artikel "Rijden
met een aanhanger" voor meer informatie.
Deze regeling controleert de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen om
de auto op die manier te stabiliseren.
N.B.
De functie TSA wordt gedeactiveerd als de
sportstand wordt geactiveerd.
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
Motorremregeling
De motorremregeling (Engine Drag Control EDC) voorkomt ongewenste blokkering van de
wielen, zoals na terugschakeling of bij gladheid
tijdens het afremmen op de motor in een lage
versnelling.
Gerelateerde informatie
•
Sportstand voor elektronische stabiliteitsregeling (p. 284)
•
Symbolen en meldingen voor Elektronische
stabiliteitsregeling (p. 285)
•
•
Roll Stability Control (p. 282)
Rijden met aanhanger (p. 440)
Een van de gevolgen van ongewenste blokkering
van de wielen is dat u de auto moeilijk onder controle kunt houden.
Trailer Stability Assist*1
Trailer Stability Assist (Trailer Stability Assist TSA) heeft tot taak een auto met aanhanger/
caravan te stabiliseren, wanneer de combinatie
Motorremregeling
1 Trailer
Stability Assist is inbegrepen bij installatie van een originele trekhaak van Volvo.
* Optie/accessoire. 283
RIJHULP
Sportstand voor elektronische
stabiliteitsregeling
Sportstand activeren/deactiveren
De sportstand wordt geactiveerd/gedeactiveerd op het
functiescherm van het middendisplay.
De elektronische stabiliteitsregeling (Electronic
Stability Control - ESC) helpt u voorkomen dat
de wielen doorslippen en verbetert de tractie van
de auto.
Het ESC-systeem is altijd geactiveerd - uitschakelen is niet mogelijk. U kunt echter de Sportstand kiezen voor een sportievere rijervaring.
In de Sportstand registreert het ESC-systeem of
de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook het
bochtenwerk als sportiever dan normaal aan te
merken zijn, waarna de ESC toestaat dat de achtertrein een gecontroleerde vorm van slippen vertoont voordat het ingrijpt en de auto stabiliseert.
Als u de gecontroleerde vorm van slippen bijvoorbeeld beëindigt door het gaspedaal te bedienen,
grijpt het ESC-systeem in om de auto te stabiliseren.
De Sportstand maakt ook maximale aandrijving
mogelijk, als de auto is blijven steken of over een
zachte ondergrond (zoals zand of een dikke laag
sneeuw) rijdt.
–
Druk op de knop ESC-sportmodus op het
functiescherm.
> De sportstand wordt geactiveerd/gedeactiveerd, in de knop verschijnt een groene/
grijze indicatie.
Wanneer de sportstand actief is, brandt
dit symbool op het bestuurdersdisplay
continu totdat de functie wordt
gedeactiveerd of totdat de motor wordt
afgezet. Een volgende keer dat de motor wordt
gestart is de normale stand van het ESC-systeem
opnieuw van kracht.
Beperking voor de sportstand
De functie ESC-sportmodus kan niet worden
gekozen als een van de functies snelheidsbegrenzer, cruisecontrol of adaptieve cruisecontrol
geactiveerd is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
284
elektronische stabiliteitsregeling (p. 283)
Snelheidsbegrenzer* (p. 287)
Cruisecontrol (p. 294)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Symbolen en meldingen voor
Elektronische stabiliteitsregeling
elektronische stabiliteitsregeling (Electronic
Stability Control - ESC).
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Symbool
Melding
Betekenis
Brandt ca. 2 seconden lang
continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
Knippert.
Het ESC-systeem grijpt in.
Brandt continu.
De Sportstand is geactiveerd.
NB In deze stand is het ESC-systeem niet helemaal uitgeschakeld. Er gelden bepaalde beperkingen.
ESC
Tijdelijk uit
Wegens een te hoge temperatuur van de remmen gelden er tijdelijk beperkingen voor het ESC-systeem - het
systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld wanneer de remmen voldoende zijn afgekoeld.
ESC
Het ESC-systeem is defect.
Service vereist
•
•
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
}}
285
RIJHULP
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
286
elektronische stabiliteitsregeling (p. 283)
Sportstand voor elektronische stabiliteitsregeling (p. 284)
Meldingsfuncties op bestuurders- en middendisplay (p. 114)
RIJHULP
Snelheidsbegrenzer*
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter - SL) is
te beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol - u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per
ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde maximumsnelheid overschrijdt.
Overzicht
Markering voor opgeslagen maximumsnelheid
N.B.
Er verschijnen tekstmeldingen over overschrijding van de maximumsnelheid, als de snelheid met minimaal 3 km/h (zo'n 2 mph) is
overschreden.
Actuele rijsnelheid
Opgeslagen maximumsnelheid
WAARSCHUWING
De snelheidsbegrenzer is een hulpmiddel dat
niet alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden aankan.
U moet altijd zelf op de verkeerssituatie letten
en ingrijpen wanneer de snelheidsbegrenzer
niet de juiste snelheid aanhoudt.
U bent er altijd voor verantwoordelijk dat u
veilig en volgens de verkeersregels met de
auto rijdt, ook als de functie snelheidsbegrenzer wordt gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
(p. 288)
•
Snelheidsfuncties voor de snelheidsbegrenzer (p. 288)
•
Snelheidsbegrenzer deactiveren/heractiveren (p. 289)
•
•
Snelheidsbegrenzer uitschakelen (p. 290)
Automatische snelheidsbegrenzer* (p. 291)
Beperkingen
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies2.
Verhoogt opgeslagen maximumsnelheid óf
heractiveert de snelheidsbegrenzer en hervat
de opgeslagen maximumsnelheid
Activeert de snelheidsbegrenzer en slaat
actuele snelheid op óf deactiveert de snelheidsbegrenzer
Op steile aflopende hellingen volstaat de remwerking van de snelheidsbegrenzer mogelijk niet,
zodat de opgeslagen maximumsnelheid mogelijk
wordt overschreden. In dat geval wordt u hierop
attent gemaakt met de melding Snelheidsgrens
overschreden op het bestuurdersdisplay.
Verlaagt de opgeslagen maximumsnelheid
2
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire. 287
RIJHULP
Snelheidsbegrenzer activeren en
starten
–
Om de snelheid te kunnen regelen moet u eerst
de snelheidsbegrenzer (Speed Limiter - SL) kiezen en activeren.
Snelheidsbegrenzer activeren
Als het symbool/de functie
wordt
weergegeven – druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzer wordt gestart en
de actuele snelheid wordt opgeslagen als
maximumsnelheid.
Snelheidsfuncties voor de
snelheidsbegrenzer
De snelheidsbegrenzer (Speed Limiter - SL) is in
te stellen op verschillende snelheden.
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer* (p. 287)
Snelheidsfuncties voor de snelheidsbegrenzer (p. 288)
•
Snelheidsbegrenzer deactiveren/heractiveren (p. 289)
•
Snelheidsbegrenzer uitschakelen (p. 290)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
–
Druk op ◀ (1) of ▶ (3) om naar het
symbool/de functie
(4) te gaan.
> Het desbetreffende symbool verschijnt,
waarna u de snelheidsbegrenzer kunt
activeren.
Snelheidsbegrenzer starten
De laagst mogelijke maximumsnelheid die u kunt
opslaan is 30 km/h (.20 mph).
288
–
U wijzigt de opgeslagen maximumsnelheid
(1) of
door kort of lang op de stuurknop
- (3) te drukken:
•
Bij iedere keer dat u de knop kort
indrukt past u de snelheid aan met
+/- 5 km/h (+/- 5 mph).
•
Houd de knop ingedrukt om de snelheid aan te passen met +/- 1 km/h
(+/- 1 mph) en laat los, wanneer de markering (4)/(6) op het bestuurdersdisplay
bij de gewenste snelheid staat.
> De laatst verrichte aanpassing wordt in
het geheugen opgeslagen.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer* (p. 287)
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
(p. 288)
•
Snelheidsbegrenzer deactiveren/heractiveren (p. 289)
•
Snelheidsbegrenzer uitschakelen (p. 290)
Snelheidsbegrenzer deactiveren/
heractiveren
Snelheidsbegrenzer heractiveren vanuit
stand-bystand
De snelheidsbegrenzer (Speed Limiter - SL) kan
tijdelijk worden gedeactiveerd en stand-by worden gezet en vervolgens weer worden geactiveerd.
–
Druk op de stuurknop
(1).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van GRIJS naar WIT - de laatst
ingestelde/opgeslagen maximumsnelheid
voor de auto is weer van kracht.
of
–
Druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van GRIJS naar WIT en de auto
gebruikt daarna de actuele snelheid als
maximumsnelheid.
Gas bijgeven met het gaspedaal
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Snelheidsbegrenzer deactiveren en
stand-by zetten
–
Druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van WIT naar GRIJS. De snelheidsbegrenzer is daarmee tijdelijk
gedeactiveerd, zodat u de ingestelde
maximumsnelheid kunt overschrijden.
De ingestelde maximumsnelheid is tijdelijk te
overschrijden met het gaspedaal zonder dat de
snelheidsbegrenzer daarvoor stand-by wordt
gezet - om bijvoorbeeld snel te kunnen optrekken. Doe in dat geval het volgende:
1.
Trap het gaspedaal helemaal in en laat het
pedaal weer los bij het bereiken van de
gewenste snelheid om de acceleratie te
beëindigen.
> De snelheidsbegrenzer is in dat geval nog
steeds geactiveerd, zodat het symbool op
het bestuurdersdisplay WIT van kleur is.
}}
* Optie/accessoire. 289
RIJHULP
||
2.
Haal uw voet van het gaspedaal, wanneer de
tijdelijke acceleratie voltooid is.
> De auto wordt vervolgens automatisch
afgeremd tot een snelheid onder de laatst
opgeslagen maximumsnelheid.
Snelheidsbegrenzer uitschakelen
De snelheidsbegrenzer (Speed Limiter - SL) kan
worden uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Snelheidsfuncties voor de snelheidsbegrenzer (p. 288)
•
Snelheidsbegrenzer deactiveren/heractiveren (p. 289)
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer* (p. 287)
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
(p. 288)
•
Snelheidsfuncties voor de snelheidsbegrenzer (p. 288)
•
Snelheidsbegrenzer uitschakelen (p. 290)
Snelheidsbegrenzer* (p. 287)
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
(p. 288)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
290
1.
(2).
Druk op de stuurknop
> De snelheidsbegrenzer wordt stand-by
gezet.
2.
Druk op de stuurknop ◀ (1) of ▶ (3) om naar
een andere functie te gaan.
> De snelheidsbegrenzermarkering (4) en
het symbool op het bestuurdersdisplay
doven – de ingestelde/opgeslagen maximumsnelheid is daarmee gewist.
3.
Druk nogmaals op de stuurknop
(2).
> Er wordt een andere functie geactiveerd.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Automatische snelheidsbegrenzer*
Is SL of ASL actief?
De automatische snelheidsbegrenzer (Automatic
Speed Limiter - ASL) helpt u om de maximumsnelheid van de auto af te stemmen op de op
verkeersborden aangegeven maximumsnelheid.
Symbolen op het bestuurdersdisplay geven aan
welke snelheidsbegrenzer actief is:
Symbool
De functie snelheidsbegrenzer (Speed Limiter SL) kan worden omgezet naar automatische
snelheidsbegrenzer.
WAARSCHUWING
Ook als u zelf het snelheidsbord duidelijk kunt
waarnemen, geeft de verkeersbordenherkenning mogelijk de verkeerde snelheid aan – u
moet in dat geval zelf ingrijpen en afremmen
naar een geschikte snelheid.
ASL
✓
✓
Groengeel
Grijs
Oranjegeel/oranje
A
✓
De automatische cruisecontrol gebruikt de snelheidsinformatie van de Verkeersbordenherkenning3 om de maximumsnelheid van de auto automatisch aan te passen.
De automatische snelheidsbegrenzer is een
hulpmiddel en werkt niet in alle rijsituaties en
verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Als
bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk
voor dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt, ook bij gebruik van de automatische
snelheidsbegrenzer.
SL
Kleur van het bordsymbool
A
Betekenis
ASL is actief
ASL staat in stand-by
ASL staat in de tijdelijke
stand-byA
Een verkeersbord kon bijvoorbeeld niet worden gelezen.
Beperkingen van ASL
BordsymboolB na "70" = ASL is geactiveerd.
A
B
WIT symbool: De functie is actief, GRIJS symbool: Standbystand.
Zie het volgende kopje "ASL-symbool" voor de betekenis van
de kleur van het symbool.
ASL-symbool
Het bordsymbool (naast de opgeslagen snelheid "70", in het midden van
de snelheidsmeter) kan drie kleuren
hebben met de volgende betekenissen:
De automatische snelheidsbegrenzing vindt
plaats op basis van snelheidsinformatie afkomstig
van RSI3 – niet op basis van de verkeersborden
met maximumsnelheden die de auto passeert.
Als RSI3 de snelheidsinformatie niet kan interpreteren en doorgeven aan ASL, gaat ASL stand-by
staan en wordt overgeschakeld op SL. In dergelijke gevallen moet de bestuurder zelf ingrijpen
en naar de juiste snelheid afremmen.
ASL wordt opnieuw geactiveerd, wanneer RSI3
weer snelheidsinformatie kan interpreteren en
doorgeven aan ASL.
Zie ook onder de rubriek "Beperkingen van Verkeersbordenherkenning".
Zie ook de rubriek "Beperkingen van de verkeersbordenherkenning"
3
Road Sign Information – RSI
}}
* Optie/accessoire. 291
RIJHULP
||
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer* (p. 287)
Automatische snelheidsbegrenzer activeren/
deactiveren (p. 292)
•
Tolerantie voor automatische snelheidsbegrenzer wijzigen (p. 293)
•
•
Verkeersbordinformatie* (p. 359)
Automatische snelheidsbegrenzer
activeren/deactiveren
Automatische snelheidsbegrenzer
deactiveren
De functie automatische snelheidsbegrenzer
(Automatic Speed Limiter - ASL) kan worden
geactiveerd en gedeactiveerd als aanvulling op
de snelheidsbegrenzer (Speed Limiter - SL).
–
De functie is te activeren/
deactiveren op het functiescherm van het middendisplay.
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
(p. 363)
WAARSCHUWING
De auto volgt niet langer de op de borden
aangegeven maximumsnelheid na het wisselen van ASL naar SL - de auto volgt dan
alleen de in het geheugen opgeslagen maximumsnelheid.
Automatische snelheidsbegrenzer
activeren
1.
2.
292
Druk op de knop Hulp max. snelheid op
het functiescherm.
> ASL wordt stand-by gezet, het groene
lampje in de knop brandt en op het
bestuurdersdisplay verschijnt een bordsymbool in het midden van de snelheidsmeter.
Druk op de knop Hulp max. snelheid op
het functiescherm.
> ASL wordt uitgeschakeld en de kleur van
de indicatie op de knop verandert in
GRIJS - SL wordt in plaats daarvan geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Automatische snelheidsbegrenzer* (p. 291)
Tolerantie voor automatische snelheidsbegrenzer wijzigen (p. 293)
Druk op de stuurknop
.
> ASL wordt met de actuele rijsnelheid
geactiveerd.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Tolerantie voor automatische
snelheidsbegrenzer wijzigen
De tolerantie is op dezelfde manier aan te passen als bij het instellen van de snelheid voor de
snelheidsbegrenzer.
De automatische snelheidsbegrenzer (Automatic
Speed Limiter - ASL) is in te stellen op verschillende tolerantieniveaus.
N.B.
De grootst mogelijke marge die u kunt kiezen
is +/- 10 km/h (5 mph).
Het is mogelijk om de op snelheidsborden gebaseerde maximumsnelheid te verhogen/verlagen.
Als de auto bijvoorbeeld de aangegeven maximumsnelheid van 70 km/h (43 mph) aanhoudt,
kunt u ervoor kiezen om een snelheid van
75 km/h (47 mph) aan te houden.
Gerelateerde informatie
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
–
Druk op de stuurknop
(1) totdat
70 km/h (43 mph) in het midden van de
snelheidsmeter (4) is gewijzigd in 75 km/h
(47 mph).
> De auto hanteert vervolgens de gekozen
tolerantie van 5 km/h (4 mph) zolang de
gepasseerde borden 70 km/h (43 mph)
aangeven.
•
•
•
•
Automatische snelheidsbegrenzer* (p. 291)
Automatische snelheidsbegrenzer activeren/
deactiveren (p. 292)
Verkeersbordinformatie* (p. 359)
Snelheidsfuncties voor de snelheidsbegrenzer (p. 288)
Deze tolerantie geldt totdat u een verkeersbord met een lagere of hogere snelheid passeert - de auto hanteert dan de
nieuwe aangegeven maximumsnelheid en
de tolerantie wordt uit het geheugen
gewist.
Als de verkeersbordinformatie* geactiveerd is, verschijnt de aangegeven snelheid vervolgens met een RODE markering
op de schaal van de snelheidsmeter.
* Optie/accessoire. 293
RIJHULP
Cruisecontrol
De cruisecontrol (Cruise Control - CC) helpt u
een gelijkmatige snelheid te houden, wat zorgt
voor een comfortabeler rijervaring tijdens lange
ritten op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met een gelijkmatige doorstroom.
Overzicht
Actuele rijsnelheid
Cruisecontrol activeren en starten
Opgeslagen snelheid
Om de snelheid te kunnen regelen moet u eerst
de cruisecontrol (Cruise Control - CC) kiezen en
activeren.
Bij een auto met de optie adaptieve cruisecontrol
kunt u wisselen tussen CC en ACC – zie "Overschakelen tussen cruisecontrol en adaptieve
cruisecontrol".
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden
met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen passende
snelheid en/of afstand aanhoudt.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt.
Gerelateerde informatie
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
Verhoogt de opgeslagen snelheid óf heractiveert de cruisecontrol en hervat de opgeslagen snelheid
Activeert de cruisecontrol en slaat actuele
snelheid op óf deactiveert de cruisecontrol
Verlaagt de opgeslagen snelheid
Aanduiding voor opgeslagen snelheid
294
•
•
•
Cruisecontrol activeren en starten (p. 294)
Snelheidsfuncties voor cruisecontrol (p. 295)
Cruisecontrol deactiveren/heractiveren
(p. 296)
•
•
Cruisecontrol uitschakelen (p. 297)
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve
cruisecontrol* (p. 312)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Cruisecontrol activeren
–
Druk op ◀ (1) of ▶ (3) om naar het
symbool/de functie
(4) te gaan.
> Het desbetreffende symbool verschijnt,
waarna u de cruisecontrol kunt activeren.
Cruisecontrol starten
Voor het starten van de cruisecontrol vanuit de
stand-bystand moet de actuele snelheid 30 km/h
(20 mph) of hoger zijn. De laagst mogelijke snelheid die u kunt opslaan is 30 km/h (20 mph).
* Optie/accessoire.
RIJHULP
–
Als het symbool/de functie
wordt
weergegeven – druk op de stuurknop
(2).
> De cruisecontrol wordt gestart en de
actuele snelheid wordt opgeslagen.
Snelheidsfuncties voor
cruisecontrol
De cruisecontrol (Cruise Control - CC) is in te
stellen op verschillende snelheden.
N.B.
De cruisecontrol is niet in te schakelen bij
snelheden lager dan 30 km/h (20 mph).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Cruisecontrol (p. 294)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Snelheidsfuncties voor cruisecontrol (p. 295)
–
Cruisecontrol deactiveren/heractiveren
(p. 296)
U wijzigt de opgeslagen snelheid door kort of
(1) of - (3) te
lang op de stuurknop
drukken:
•
Cruisecontrol uitschakelen (p. 297)
•
Bij iedere keer dat u de knop kort
indrukt past u de snelheid aan met
+/- 5 km/h (+/- 5 mph).
•
Houd de knop ingedrukt om de snelheid aan te passen met +/- 1 km/h
(+/- 1 mph) en laat los, wanneer de markering (4)/(6) op het bestuurdersdisplay
bij de gewenste snelheid staat.
> De laatst verrichte aanpassing wordt in
het geheugen opgeslagen.
Als de snelheid met het gaspedaal wordt verwordt
hoogd voordat op de stuurknop
gedrukt, wordt de actuele rijsnelheid bij het druk-
}}
295
RIJHULP
||
ken op de knop opgeslagen, op voorwaarde dat u
bij het drukken op de knop uw voet op het gaspedaal houdt.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Cruisecontrol deactiveren/
heractiveren
De cruisecontrol (Cruise Control - CC) kan tijdelijk worden gedeactiveerd en stand-by worden
gezet en vervolgens weer worden geactiveerd.
Motorrem gebruiken in plaats van
bedrijfsrem
Druk het gaspedaal tot ongeveer halverwege
in en laat het pedaal weer los.
> De cruisecontrol schakelt de automatische remingreep uit en remt vervolgens
alleen op de motor af.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Cruisecontrol (p. 294)
Cruisecontrol activeren en starten (p. 294)
Cruisecontrol deactiveren/heractiveren
(p. 296)
Cruisecontrol uitschakelen (p. 297)
•
•
•
•
De cruisecontrol regelt de snelheid met een
beperkte remingreep. Op een aflopende helling is
het soms wenselijk om iets sneller weg te rijden
en de snelheidstoename alleen dempen door op
de motor af te remmen. U kunt de remingreep
van de cruisecontrol dan tijdelijk uitschakelen.
–
Stand-by vanwege ingreep van bestuurder
De cruisecontrol wordt tijdelijk gedeactiveerd en
stand-by gezet in de volgende gevallen:
u bedient het rempedaal
u zet de keuzehendel in stand N
het koppelingspedaal meer dan 1 minuut
lang intrapt
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Cruisecontrol deactiveren en stand-by
zetten
–
Druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van WIT naar GRIJS - de cruisecontrol is daarmee tijdelijk gedeactiveerd,
zodat u de ingestelde snelheid tijdelijk
kunt overschrijden.
Automatische stand-bystand
De cruisecontrol wordt in de volgende gevallen
tijdelijk uitgeschakeld en stand-by gezet in de
volgende gevallen:
•
•
•
•
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
het motortoerental is te laag/hoog
de remtemperatuur wordt te hoog
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph).
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Cruisecontrol heractiveren vanuit standbystand
296
RIJHULP
–
Druk op de stuurknop
(1).
> De cruisecontrolmarkeringen op het
bestuurdersdisplay verkleuren van GRIJS
naar WIT en de laatst opgeslagen snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol uitschakelen
De cruisecontrol (Cruise Control - CC) kan worden uitgeschakeld.
of
–
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Druk op de stuurknop
(2).
> De cruisecontrolmarkeringen en -symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren
van GRIJS naar WIT en de actuele snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol (p. 294)
Cruisecontrol activeren en starten (p. 294)
Snelheidsfuncties voor cruisecontrol (p. 295)
Cruisecontrol deactiveren/heractiveren
(p. 296)
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve
cruisecontrol* (p. 312)
N.B.
Nadat de snelheid weer met de stuurknop
is hervat, kan er een markante snelheidstoename volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
1.
(2).
Druk op de stuurknop
> De cruisecontrol wordt stand-by gezet.
2.
Druk op de stuurknop ◀ (1) of ▶ (3) om naar
een andere functie te gaan.
> De snelheidsbegrenzermarkering (4) en
het -symbool op het bestuurdersdisplay
doven – de ingestelde/opgeslagen snelheid is daarmee gewist.
3.
Druk nogmaals op de stuurknop
(2).
> Er wordt een andere functie geactiveerd.
Cruisecontrol (p. 294)
Cruisecontrol activeren en starten (p. 294)
Snelheidsfuncties voor cruisecontrol (p. 295)
Cruisecontrol uitschakelen (p. 297)
Bij een auto met adaptieve cruisecontrol* kunt u
wisselen tussen beide cruisecontrolsystemen –
zie de rubriek "Wisselen tussen CC en ACC".
* Optie/accessoire. 297
RIJHULP
Afstandswaarschuwing*
Head-updisplay*
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) waarschuwt u, als het tijdsverschil ten opzichte van
de voorligger te klein wordt.
De afstandswaarschuwing is actief bij snelheden
hoger dan 30 km/h (20 mph) en reageert alleen
op voorliggers die in dezelfde richting rijden. Voor
voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven.
N.B.
De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld,
zolang de adaptieve cruisecontrol actief is.
WAARSCHUWING
Distance Alert reageert alleen, als de afstand
tot voorliggers korter is dan de ingestelde
waarde – de rijsnelheid wordt niet aangepast.
Gerelateerde informatie
•
Afstandswaarschuwing activeren/deactiveren
en tijdsverschil instellen* (p. 299)
•
Beperkingen van afstandswaarschuwing*
(p. 300)
•
•
Head-updisplay* (p. 117)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
Symbool voor afstandswaarschuwing onder aan de voorruit4.
Bij een auto met head-updisplay verschijnt er een
symbool op de voorruit, zolang het tijdsverschil
ten opzichte van de voorligger kleiner is dan de
ingestelde waarde. Daarvoor moet echter Toon
rijhulp zijn geactiveerd via de instellingen in het
menusysteem van de auto – zie de rubriek
"Head-updisplay" voor hoe u dat doet.
N.B.
In de felle zon en bij gebruik van een zonnebril is de geprojecteerde informatie op de
voorruit mogelijk moeilijk te zien.
4
298
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Afstandswaarschuwing activeren/
deactiveren en tijdsverschil
instellen*
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) kan
worden geactiveerd/gedeactiveerd en er kunnen
verschillende tijdsverschillen worden ingesteld.
Afstandswaarschuwing activeren/
deactiveren
De functie is te activeren/
deactiveren op het functiescherm van het middendisplay.
Tijdsverschil instellen voor
afstandswaarschuwing
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het bestuurdersdisplay
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe groter het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen met
ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger en
5 streepjes komt overeen met ca. 3 seconden.
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
adaptieve cruisecontrole geactiveerd is.
–
Druk op de knop Distance Alert in het functiescherm.
> Afstandswaarschuwing wordt geactiveerd/gedeactiveerd, de knop toont een
groene/grijze indicatie.
Bedieningselementen voor het tijdsverschil.
Tijdsverschil verkleinen
Tijdsverschil vergroten
Afstandsindicatie
–
Druk op de stuurknop (1) of (2) om het tijdsverschil te verkleinen of te vergroten.
> De afstandsindicatie (3) toont het actuele
tijdsverschil.
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaald tijdsverschil.
Het ingestelde tijdsverschil wordt ook
gebruikt door de Adaptieve cruisecontrol.
Houd alleen een tijdsverschil aan dat niet in
strijd is met de geldende verkeersregels.
}}
* Optie/accessoire. 299
RIJHULP
||
Afstandswaarschuwing* (p. 298)
Beperkingen van
afstandswaarschuwing*
Beperkingen van afstandswaarschuwing*
(p. 300)
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) kent
in bepaalde situaties beperkingen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
N.B.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Afstandswaarschuwing* (p. 298)
Afstandswaarschuwing activeren/deactiveren
en tijdsverschil instellen* (p. 299)
Beperkingen van de radarsensor (p. 330)
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk waar te nemen.
In slechte weersomstandigheden en op bochtige wegen heeft de radareenheid soms
moeite om voorliggers te registreren.
Ook voorliggers met geringe afmetingen
(zoals motorfietsen) zijn soms moeilijk te ontdekken. Dat kan betekenen dat het geprojecteerde waarschuwingslampje pas bij kortere
volgtijden oplicht of dat helemaal niet gaat
branden.
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk dat
het lampje door beperkingen in het bereik van
de sensor op kortere afstand oplicht.
N.B.
De functie maakt gebruik van de radareenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de radareenheid'.
300
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Adaptieve cruisecontrol*
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control - ACC) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een bepaald tijdsverschil ten
opzichte van de voorligger in te stellen.
De adaptieve cruisecontrol biedt u een comfortabeler rijervaring tijdens lange ritten op snelwegen
en lange, rechte hoofdwegen met een gelijkmatige doorstroom.
Wanneer de weg voor u weer vrij is, hervat de
auto de ingestelde snelheid.
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is een hulpmiddel
dat niet alle rijsituaties, verkeers-, weers- en
wegomstandigheden aankan.
Houd altijd rekening met de heersende verkeersomstandigheden en grijp in, wanneer de
adaptieve cruisecontrol geen geschikte snelheid of geen passend tijdsverschil aanhoudt.
Neem alle hoofdstukken over de Adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het systeem te gebruiken.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de juiste afstand en de juiste
snelheid aanhoudt, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
De gecombineerde camera en radarsensor meet de
afstand tot voorliggers5.
U kiest de gewenste snelheid en het aan te houden tijdsverschil ten opzichte van voorliggers. Als
de gecombineerde camera en radarsensor een
voorligger registreert die langzamer rijdt dan u,
wordt het tijdsverschil automatisch aangepast.
5
De adaptieve cruisecontrol regelt de snelheid
door de stand van de gasklep aan te passen en
zo nodig af te remmen. Het is normaal dat de
remmen zwakke geluiden produceren, wanneer
ze worden gebruikt bij het aanpassen van de
snelheid.
u dan ook zelf te remmen. Dit is bijvoorbeeld het
geval bij grote snelheidsverschillen of als de
voorligger krachtig remt. Door beperkingen van
de radarsensor is het mogelijk dat er onverwacht
of helemaal niet wordt geremd.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar het
door u ingestelde tijdsverschil ten opzichte van
voorliggers in dezelfde rijstrook aan te houden.
Als de radarsensor geen voorligger registreert,
houdt de auto in plaats daarvan de snelheid aan
die op de cruisecontrol werd ingesteld. Dit
gebeurt ook als de snelheid van de voorligger
toeneemt en de ingestelde snelheid overschrijdt.
Voor auto's met een automatische versnellingsbak geldt:
•
De adaptieve cruisecontrol kan voorliggers
volgen bij snelheden van stilstand tot
200 km/h (125 mph).
Voor auto's met een handgeschakelde versnellingsbak geldt:
•
De adaptieve cruisecontrol kan voorliggers
volgen bij snelheden van 30 km/h (20 mph)
tot 200 km/h (125 mph).
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In situaties waarin krachtig moet worden geremd moet
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire. 301
RIJHULP
||
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u
merkt dat het systeem een voorligger niet
registreert.
Overzicht
Bediening
Symbool voor tijdsverschil ten opzichte van
voorligger
Bij een auto met de optie adaptieve cruisecontrol
kunt u wisselen tussen CC en ACC – zie "Overschakelen tussen cruisecontrol en adaptieve
cruisecontrol".
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Lage
aanhangers, tegenliggers, langzaam rijdende
en stilstaande voertuigen of vaste obstakels
worden eveneens genegeerd.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in bijvoorbeeld stadsverkeer, op kruisingen, bij
gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten met
veel water of natte sneeuw, op bochtige
wegen of op op- en afritten.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies5.
Verhoogt de opgeslagen snelheid óf heractiveert de adaptieve cruisecontrol en hervat de
opgeslagen snelheid en het opgeslagen
tijdsverschil
Activeert de adaptieve cruisecontrol en slaat
de actuele snelheid op óf deactiveert de
adaptieve cruisecontrol
Verlaagt de opgeslagen snelheid
Vergroot het tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger
Verkleint het tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger
5
302
Doelvoertuigindicatie: ACC heeft een doelvoertuig ontdekt en volgt deze met een
vooraf gekozen tijdsverschil
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
RIJHULP
Bestuurdersdisplay
Waarschuwing bij een dreigende
aanrijding
WAARSCHUWING
De adaptieve cruise control waarschuwt
alleen voor door de radareenheid gedetecteerde voertuigen – het kan dan ook voorkomen dat een waarschuwing vertraagd of helemaal niet wordt weergegeven. Wacht een
waarschuwing niet af, maar rem als dat nodig
is.
Snelheidsaanduidingen5.
Opgeslagen snelheid
Snelheid van de voorligger.
Actuele snelheid van uw auto.
Voor informatie over verschillende symboolcombinaties in uitlopende verkeerssituaties - zie de
rubriek "Symbolen en meldingen voor de adaptieve cruisecontrol".
5
Geluidssignaal en symbool voor Collision Warning5
Akoestisch waarschuwingssignaal bij gevaar
voor een botsing
Waarschuwingssymbool bij gevaar voor een
botsing
Afstandsmeting met gecombineerde camera
en radarsensor
De adaptieve cruisecontrol gebruikt
ongeveer 40% van de capaciteit van de bedrijfsrem. Als de auto harder moet worden afgeremd
dan de adaptieve cruisecontrol aankan en u remt
zelf niet bij, dan wordt u er met het waarschuwingslampje en een waarschuwingssignaal op
attent gemaakt dat u onmiddellijk moet ingrijpen.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
303
RIJHULP
||
Head-updisplay*
Symbool voor Collision Warning onder aan de voorruit5.
Bij een auto met een head-updisplay, wordt de
waarschuwing op de voorruit weergegeven met
een knipperend symbool.
N.B.
In de felle zon en bij gebruik van een zonnebril is de geprojecteerde informatie op de
voorruit mogelijk moeilijk te zien.
•
Tijdsverschil instellen voor de adaptieve
cruisecontrol* (p. 306)
Adaptieve cruisecontrol activeren
en starten*
•
Van doelvoertuig veranderen en automatisch
remmen met de adaptieve cruisecontrol
(p. 310)
•
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve
cruisecontrol* (p. 312)
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control - ACC) moet, om de snelheid en het
tijdsverschil te kunnen regelen, eerst worden
geactiveerd en vervolgens worden gestart.
•
Inhaalassistent bij de adaptieve cruisecontrol* of Pilot Assist* (p. 309)
•
Adaptieve cruisecontrol deactiveren/heractiveren* (p. 307)
•
Beperkingen van de adaptieve cruisecontrol*
(p. 311)
•
Symbolen en meldingen voor de adaptieve
cruisecontrol* (p. 313)
•
•
•
•
Pilot Assist* (p. 315)
Afstandswaarschuwing* (p. 298)
Head-updisplay* (p. 117)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Beperkingen van de radarsensor (p. 330)
Adaptieve cruisecontrol activeren
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol activeren en starten*
(p. 304)
•
Snelheidsfuncties voor adaptieve cruisecontrol* (p. 305)
5
304
De adaptieve cruisecontrol staat direct na het
starten van de motor in stand-by.
–
Druk op ◀ (2) of ▶ (3) om naar het
symbool/de functie
(4) te gaan.
> Het symbool wordt weergegeven en de
adaptieve cruisecontrol wordt stand-by
gezet.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Adaptieve cruisecontrol starten
Om ACC te kunnen starten, is het volgende vereist:
De hogere snelheid is de opgeslagen/gekozen
snelheid en de lagere snelheid is de snelheid van
de voorligger (het doelvoertuig).
•
U moet de veiligheidsgordel om hebben en
het bestuurdersportier moet dichtstaan.
Gerelateerde informatie
•
Er moet binnen een redelijke afstand een
voorligger (doelvoertuig) aanwezig zijn of de
actuele snelheid moet minimaal 15 km/h
(9 mph) zijn.
•
Voor auto's met een handgeschakelde versnellingsbak: De snelheid moet minimaal
30 km/h (20 mph) bedragen.
–
Als het symbool/de functie
wordt weer(1).
gegeven – druk op de stuurknop
> De adaptieve cruisecontrol wordt gestart
en de actuele snelheid wordt als snelheid
opgeslagen en met cijfers in het midden
van de snelheidsmeter weergegeven.
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
Snelheidsfuncties voor adaptieve
cruisecontrol*
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control - ACC) is in te stellen op verschillende
snelheden.
Alleen als het afstandssymbool
twee voertuigen aangeeft,
regelt ACC het tijdsverschil ten
opzichte van de voorligger.
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd.
}}
* Optie/accessoire. 305
RIJHULP
||
ken op de knop opgeslagen, op voorwaarde dat u
bij het drukken op de knop uw voet op het gaspedaal houdt.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Automatische versnellingsbak
De adaptieve cruisecontrol kan voorliggers volgen bij snelheden van stilstand tot 200 km/h
(125 mph).
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
–
U wijzigt de opgeslagen snelheid door kort of
(1) of - (3) te
lang op de stuurknop
drukken:
•
Bij iedere keer dat u de knop kort
indrukt past u de snelheid aan met
+/- 5 km/h (+/- 5 mph).
•
Houd de knop ingedrukt om de snelheid aan te passen met +/- 1 km/h
(+/- 1 mph) en laat los, wanneer de markering (4) op het bestuurdersdisplay bij
de gewenste snelheid staat.
> De laatst verrichte aanpassing wordt in
het geheugen opgeslagen.
Als de snelheid met het gaspedaal wordt verwordt
hoogd voordat op de stuurknop
gedrukt, wordt de actuele rijsnelheid bij het druk-
306
Let erop dat 30 km/h (20 mph) de minimumsnelheid is waarop de adaptieve cruisecontrol in
te stellen is – ook al kan de adaptieve cruisecontrol een voorligger volgen tot aan stilstand, is het
kiezen/opslaan van een lagere snelheid dan de
genoemde 30 km/h (20 mph) niet mogelijk.
De hoogst mogelijk snelheid die u kunt instellen
is 200 km/h (125 mph).
Handgeschakelde versnellingsbak
De adaptieve cruisecontrol kan voorliggers volgen bij snelheden van 30 km/h (20 mph) tot
200 km/h (125 mph).
30 km/h (20 mph) is de minimumsnelheid
waarop de adaptieve cruisecontrol in te stellen is
– 200 km/h (125 mph) is de maximumsnelheid.
Tijdsverschil instellen voor de
adaptieve cruisecontrol*
Voor de adaptieve cruisecontrol (Adaptive
Cruise Control - ACC) kunnen verschillende
tijdsverschillen worden ingesteld.
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het bestuurdersdisplay
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe groter het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen met
zo'n 1 seconde ten opzichte van de voorligger en
5 streepjes komt overeen met zo'n 3 seconden.
Hetzelfde symbool verschijnt ook, wanneer de
afstandswaarschuwing geactiveerd is.
N.B.
Als het symbool op het bestuurdersdisplay
twee voertuigen toont, volgt ACC de voorligger met een vooraf gekozen tijdsverschil.
Als er slechts één auto wordt getoond, is er
binnen een redelijke afstand geen voorligger
aanwezig.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
* Optie/accessoire.
RIJHULP
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Als de adaptieve cruisecontrol bij activering
niet lijkt te reageren, kan dat komen doordat
de volgtijd ten opzichte van de voorligger een
snelheidstoename belet.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
Bedieningselementen voor het tijdsverschil.
Tijdsverschil verkleinen
Tijdsverschil vergroten
Afstandsindicatie
–
Druk op de stuurknop (1) of (2) om het tijdsverschil te verkleinen of te vergroten.
> De afstandsindicatie (3) toont het actuele
tijdsverschil.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen
blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in
bepaalde situaties aanzienlijke variaties in het
tijdsverschil toe. Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot de adaptieve cruisecontrol het
tijdsverschil iets.
Let erop dat kleine tijdsverschillen u bij plotselinge wijzigingen in het verkeer minder tijd geven
om te reageren en in te grijpen.
Adaptieve cruisecontrol
deactiveren/heractiveren*
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control - ACC) kan tijdelijk worden gedeactiveerd en stand-by worden gezet en vervolgens
weer worden geactiveerd.
Adaptieve cruisecontrol deactiveren en
stand-by zetten
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
Snelheidsfuncties voor adaptieve cruisecontrol* (p. 305)
Afstandswaarschuwing* (p. 298)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
–
Druk op de stuurknop
(2).
> Het symbool
op het bestuurdersdisplay verandert van WIT naar GRIJS en de
opgeslagen snelheid in het midden van de
snelheidsmeter verandert van BEIGE naar
GRIJS.
}}
* Optie/accessoire. 307
RIJHULP
||
In de stand-bystand moet u zelf de juiste snelheid en afstand aanhouden.
Wanneer de adaptieve cruisecontrol in de standbystand staat en uw auto een voorligger te dicht
nadert, wordt u in plaats daarvan gewaarschuwd
voor het geringe tijdsverschil door de afstandswaarschuwing (zie de link naar de rubriek
"Afstandswaarschuwing" aan het eind van dit
artikel).
Stand-by vanwege ingreep van bestuurder
De adaptieve cruisecontrol wordt tijdelijk gedeactiveerd en stand-by gezet in de volgende gevallen:
•
•
•
u bedient het rempedaal
•
u bedient het koppelingspedaal langer dan
zo'n 1 minuut – geldt voor auto's met een
handgeschakelde versnellingsbak.
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
•
de gecombineerde camera en radarsensor
wordt afgedekt door sneeuw of zware regenval (blokkering cameralens/radarsignalen).
Adaptieve cruisecontrol heractiveren
vanuit de stand-bystand
Bij automatische deactivering klinkt een signaal
en op het bestuurdersdisplay verschijnt een melding. U moet in dat geval zelf ingrijpen om de
snelheid en afstand ten opzichte van de voorligger aan te passen.
Automatische deactivering is mogelijk in de volgende gevallen:
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en
ACC kan niet registreren of de voorligger
een stilstaand voertuig is of een object, zoals
een verkeersdrempel.
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en de
voorligger slaat af, zodat ACC geen voorligger meer heeft om te volgen.
u zet de keuzehendel in stand N.
U moet in dat geval zelf ingrijpen om de snelheid
en afstand ten opzichte van de voorligger aan te
passen.
308
Automatische stand-bystand
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen zoals de stabiliteitsregeling/
antislipregeling ESC. Als een van dergelijke systemen uitvalt, wordt de adaptieve cruisecontrol
automatisch uitgeschakeld.
•
•
•
•
•
•
•
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph) – geldt alleen voor auto's met een
handgeschakelde versnellingsbak.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
ACC heractiveren vanuit stand-bystand:
–
Druk op de stuurknop
(1).
> De auto hervat de laatst opgeslagen snelheid.
u opent het bestuurdersportier
u doet de veiligheidsgordel af
het motortoerental is te laag/hoog
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
de remmen hebben een hoge temperatuur
de parkeerrem wordt geactiveerd
N.B.
Nadat de snelheid weer met de stuurknop
is hervat, kan er een markante snelheidstoename volgen.
RIJHULP
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
Afstandswaarschuwing* (p. 298)
Inhaalassistent bij de adaptieve
cruisecontrol* of Pilot Assist*
De adaptieve cruisecontrol Adaptive Cruise
Control - ACC of Pilot Assist kan u helpen bij
het inhalen van andere voertuigen.
Als ACC of Pilot Assist een voorligger volgt en u
geeft met de richtingaanwijzer6 aan dat u wilt
inhalen, dan helpt de adaptieve cruisecontrol of
Pilot Assist door te versnellen ten opzichte van
de voorligger voordat uw auto de inhaalstrook
bereikt.
Inhaalassistent starten
Om de inhaalassistent te kunnen activeren, is het
volgende vereist:
•
•
•
de opgeslagen snelheid voor ACC of Pilot
Assist is hoog genoeg om veilig te kunnen
inhalen.
–
Activeer de richtingaanwijzer.
Gebruik de linker richtingaanwijzer bij een
auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzer bij een auto met het stuur
rechts.
> De inhaalassistent wordt gestart.
De functie vertraagt daarna de snelheidsverlaging om te vroeg afremmen te voorkomen als de
auto een langzamer voertuig nadert.
De functie is actief totdat u het ingehaalde voertuig bent gepasseerd.
WAARSCHUWING
Let erop dat deze functie bij meer situaties
dan bij inhalen kan worden geactiveerd, bijv.
als de richtingaanwijzer wordt gebruikt om het
wisselen van rijbaan of een afslag naar een
andere weg aan te geven. De auto accelereert dan kort.
6
er is een voorligger (doelvoertuig) aanwezig
de actuele snelheid is minimaal 70 km/h
(43 mph)
Beperkingen
Houd rekening met plotseling veranderende
omstandigheden bij het gebruik van de inhaalassistent. In bepaalde situaties kan de inhaalassistent namelijk een ongewenste acceleratie uitvoeren.
Alleen bij gebruik van de linker richtingaanwijzers bij een auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzers bij een auto met het stuur rechts.
}}
* Optie/accessoire. 309
RIJHULP
||
Het is daarom zaak bepaalde situaties te vermijden. Voorbeelden daarvan zijn:
•
u nadert een afslag om af te slaan in de richting die normaal voor inhaalmanoeuvres
geldt
•
een voorligger mindert vaart voordat uw auto
de inhaalstrook heeft bereikt
•
•
het verkeer op de inhaalstrook mindert vaart
Van doelvoertuig veranderen en
automatisch remmen met de
adaptieve cruisecontrol
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control - ACC ) kan bij auto's met een automatische versnellingsbak op bepaalde snelheden
van doelvoertuig veranderen en remmen.
Van doelvoertuig veranderen
een auto bestemd voor rechtsrijdend verkeer
rijdt in een land met linksrijdend verkeer (of
andersom).
Gerelateerde informatie
Pilot Assist* (p. 315)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat, kan het
gebeuren dat een stilstaande voorligger het nieuwe
doelvoertuig wordt.
Wanneer de adaptieve cruisecontrol een rijdende
voorligger volgt bij snelheden lager dan 30 km/h
(20 mph), van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig volgt, zal de adaptieve cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren.
310
•
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
Automatische stand-bystand bij wijziging van
doelvoertuig
De adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld
en stand-by gezet in de volgende gevallen:
Dergelijke situaties zijn te vermijden door ACC of
Pilot Assist tijdelijk stand-by te zetten:
•
•
WAARSCHUWING
Wanneer de adaptieve cruisecontrol een rijdende voorligger volgt bij snelheden hoger
dan zo'n 30 km/h (20 mph), van doelvoertuig
verandert en vervolgens een stilstaand voertuig volgt, zal de adaptieve cruisecontrol het
stilstaande voertuig negeren en de opgeslagen snelheid aanhouden.
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en de
adaptieve cruisecontrol kan niet registreren
of het doelobject een stilstaand voertuig is of
een ander object, zoals een verkeersdrempel.
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en de
voorligger slaat af, zodat de adaptieve cruisecontrol geen voorligger meer heeft om te volgen.
Automatische remfunctie
Bij korte stops tijdens filerijden of voor verkeerslichten wordt de rit automatisch hervat bij een
stop korter dan zo'n 3 seconden - duurt het langer voordat een voorligger weer gaat rijden, dan
wordt de adaptieve cruisecontrol stand-by gezet
met de automatische remfunctie.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
–
De adaptieve cruisecontrol kunt u op een van
de volgende manieren heractiveren:
•
•
Druk op de stuurknop
.
Trap het gaspedaal in.
> De adaptieve cruisecontrol hervat het volgen van de voorligger als deze binnen
ongeveer 6 seconden vooruit begint te rijden.
N.B.
ACC kan de auto maximaal 5 minuten stilhouden – daarna wordt de parkeerrem aangezet,
waarna de adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld.
Om de Adaptieve cruisecontrole te kunnen
heractiveren moet u eerst de parkeerrem lossen.
•
u zet de adaptieve cruisecontrol stand-by.
Automatische activering van de
parkeerrem
In bepaalde situaties wordt de parkeerrem aangezet om te zorgen dat de auto blijft stilstaan.
Dit gebeurt als de adaptieve cruisecontrol de
auto staande houdt met behulp van de bedrijfsrem en:
•
u het bestuurdersportier opent of de veiligheidsgordel losmaakt
•
ACC de auto langer dan ongeveer 5 minuten
staande heeft gehouden
•
•
de remmen oververhit zijn geraakt
de motor wordt afgezet.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
Beperkingen van de adaptieve
cruisecontrol*
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control - ACC) kent in bepaalde situaties beperkingen.
Steile wegen en/of zware belading
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in eerste
instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op
vlakke weggedeelten. Het systeem heeft mogelijk
moeite om de juiste afstand ten opzichte van
voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen – blijf dan extra alert en rem zo
nodig zelf. Maak geen gebruik van de adaptieve
cruisecontrol bij een zware belading of wanneer
er een aanhanger achter de auto hangt.
Overig
•
Annulering van automatische remfunctie
In bepaalde situaties wordt de automatische remfunctie bij stilstand geannuleerd en wordt de
adaptieve cruisecontrol stand-by gezet. Dat betekent dat de remmen worden gelost en de auto
mogelijk gaat rollen – u moet daarom ingrijpen
en zelf remmen om de auto stil te houden.
Dat is mogelijk in de volgende situaties:
•
•
•
u bedient het rempedaal
u zet de parkeerrem aan
Rijstand Off Road kan niet worden gekozen
als de adaptieve cruisecontrol is geactiveerd.
N.B.
De functie maakt gebruik van de radareenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de radareenheid'.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
Beperkingen van de radarsensor (p. 330)
u zet de keuzehendel in de stand P, N of R
* Optie/accessoire. 311
RIJHULP
Wisselen tussen cruisecontrol en
adaptieve cruisecontrol*
2.
Bij een auto met adaptieve cruisecontrol (ACC)
kunt u wisselen tussen cruisecontrol (CC) en
ACC.
symbool
ACC in
CC vervolgens is de adaptieve cruisecontrol
(ACC) uitgeschakeld en de cruisecontrol
(CC) stand-by gezet.
Het symbool op het bestuurdersdisplay geeft aan
welke cruisecontrol actief is:
CC
ACC
Cruise Control
Adaptive Cruise Control
A
Cruisecontrol
A
3.
A
2.
3.
.
Druk op de stuurknop
> De cruisecontrol wordt gestart en de
actuele snelheid wordt opgeslagen.
Overschakelen van ACC op CC
Zo wisselt u van adaptieve cruisecontrol (ACC)
naar cruisecontrol (CC):
Zet de adaptieve cruisecontrol stand-by met
de stuurknop
.
WAARSCHUWING
Na overschakeling van ACC op CC houdt de
auto niet langer het vooraf ingesteld tijdsverschil aan – de auto houdt alleen de ingestelde
snelheid aan.
Druk op de knop Cruise control op het
functiescherm – de kleur van het controlelampje in de knop verandert van GROEN in
GRIJS.
> Op het bestuurdersdisplay verandert het
symbool
CC in
ACC vervolgens is de adaptieve cruisecontrol
geactiveerd en stand-by gezet.
Adaptieve cruisecontrol
WIT symbool: De functie is actief, GRIJS symbool: Stand-by zetten
1.
Druk op de knop Cruise control op het
functiescherm – de kleur van het controlelampje in de knop verandert van GRIJS in
GROEN.
> Op het bestuurdersdisplay verandert het
.
Druk op de stuurknop
> De adaptieve cruisecontrol start en slaat
de actuele snelheid op samen met het
vooraf ingestelde tijdsverschil ten opzichte
van voorliggers.
Gerelateerde informatie
•
•
Cruisecontrol (p. 294)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
Als CC bij het uitschakelen van de motor actief is,
wordt ACC bij de volgende motorstart geactiveerd.
Overschakelen van CC op ACC
Zo wisselt u van de reguliere cruisecontrol (CC)
naar de adaptieve cruisecontrol (ACC):
1.
312
Zet de cruisecontrol stand-by met de stuur.
knop
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Symbolen en meldingen voor de
adaptieve cruisecontrol*
Op het bestuurdersdisplay en/of head-updisplay* kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van de adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise Control - ACC).
Op de voorgaande afbeelding8 ziet u dat de
adaptieve cruisecontrol is ingesteld op het aanhouden van een snelheid van 110 km/h en dat
er geen voorliggers zijn die het systeem kan volgen.
houden van een snelheid van 110 km/h en dat
het systeem voorliggers volgt die op dezelfde
snelheid rijden.
Hier volgen enkele voorbeelden7.
Op de voorgaande afbeelding8 ziet u dat de
adaptieve cruisecontrol is ingesteld op het aan-
Symbool
7
8
Melding
Betekenis
Het symbool is WIT
De auto houdt de opgeslagen/gekozen snelheid aan.
Niet beschikbaar en het symbool is GRIJS
De adaptieve cruisecontrol staat stand-by.
Op de onderstaande voorbeeldafbeeldingen informeert het RSI (Road Sign Information) u dat de maximumsnelheid 130 km/h bedraagt.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire. 313
RIJHULP
||
Symbool
Melding
Betekenis
Adaptieve cruise
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
Service vereist
Voorruitsensor
Reinig de voorruit vóór de sensoren van de gecombineerde camera en radarsensor.
Sensor afgedekt, zie handleiding
Gerelateerde informatie
•
•
314
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
Verkeersbordinformatie* (p. 359)
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Pilot Assist*
Pilot Assist helpt u om tussen de zijmarkeringen
van de rijbaan te blijven rijden dankzij stuurhulp,
een constante snelheid aan te houden en een
vooraf geselecteerd tijdsverschil ten opzichte
van voorliggers.
Pilot Assist biedt u een comfortabeler en meer
ontspannen rijervaring, bijvoorbeeld tijdens lange
ritten op snelwegen.
De gecombineerde camera en radarsensor meet de
afstand tot voorliggers en detecteert zijmarkeringen9.
Gecombineerde camera en radarsensor
Afstandssensor
Zijmarkeringssensor
9
U kiest de gewenste snelheid en het aan te houden tijdsverschil ten opzichte van voorliggers.
Pilot Assist registreert de afstand tot de voorligger en de zijmarkeringen van de rijstrook op de
weg via de gecombineerde camera en radarsensor. Het vooraf ingestelde tijdsverschil wordt aangehouden via automatische aanpassing van de
snelheid, terwijl de stuurhulp helpt om de auto
binnen de rijstrookmarkeringen te houden.
De kleur van het stuursymbool
geeft de actuele status van de
stuurhulp aan:
• een GROEN stuur geeft aan
dat de stuurhulp actief is
• een GRIJS stuur (zoals afgebeeld) geeft aan
dat de stuurhulp niet actief is.
Pilot Assist-stuurhulp wordt gebaseerd op een
combinatie van het traject dat de voorligger aflegt
en de zijlijnen van de rijstrook. U kunt op elk
gewenst moment het stuuradvies van Pilot Assist
negeren en in een andere richting sturen, bijvoorbeeld om van rijstrook te wisselen of om obstakels op de weg te omzeilen.
Als Pilot Assist de rijbaan niet goed kan detecteren, bijvoorbeeld als de gecombineerde camera
en radarsensor de zijmarkeringen van de rijbaan
niet kan zien, schakelt Pilot Assist de stuurhulp
tijdelijk uit, maar de stuurhulp wordt weer ingeschakeld zodra de rijbaan weer wordt gedetecteerd – de snelheids- en afstandsregelingen blijven echter geactiveerd.
N.B.
De stuurassistentie van Pilot Assist wordt
zonder waarschuwing vooraf uitgeschakeld en
hervat.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire. 315
RIJHULP
||
WAARSCHUWING
Pilot Assist is een hulpmiddel dat niet alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden aankan.
Houd altijd rekening met de heersende verkeersomstandigheden en grijp in, wanneer
Pilot Assist geen adequate stuurassistentie
verleent of geen geschikte snelheid of geen
passend tijdsverschil aanhoudt.
Neem alle gedeelten over het systeem in de
gebruikershandleiding door voor informatie
over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het systeem te gebruiken.
Gebruik Pilot Assist alleen bij duidelijke markeringen op de rijbaan aan weerszijden van
de rijstrook. Bij gebruik in andere situaties
bestaat het risico dat u op omringende obstakels botst die het systeem niet kan detecteren.
U bent altijd verantwoordelijk voor de besturing van de auto en voor het aanhouden van
een passende afstand en snelheid, ook bij
gebruik van Pilot Assist.
Pilot Assist regelt de snelheid door de stand van
de gasklep aan te passen en zo nodig af te remmen. Het is normaal dat de remmen zwakke
geluiden produceren, wanneer ze worden
gebruikt bij het aanpassen van de snelheid.
Pilot Assist probeert de snelheid op een soepele
manier te regelen. In situaties waarin krachtig
moet worden geremd moet u dan ook zelf te
316
remmen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij grote
snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig
remt. Door beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor is het mogelijk dat er
onverwacht of helemaal niet wordt geremd.
Pilot Assist streeft ernaar het door u ingestelde
tijdsverschil ten opzichte van voorliggers in
dezelfde rijstrook aan te houden. Als de radarsensor geen voorligger registreert, houdt de auto
in plaats daarvan de snelheid aan die op de
cruisecontrol werd ingesteld. Dit gebeurt ook als
de snelheid van de voorligger toeneemt en de
ingestelde snelheid overschrijdt.
Voor auto's met een automatische versnellingsbak geldt:
•
Pilot Assist kan voorliggers volgen bij snelheden van stilstand tot 200 km/h (125 mph).
•
Pilot Assist kan stuurhulp bieden bij snelheden van om en nabij stilstand tot 140 km/h
(87 mph).
Voor auto's met een handgeschakelde versnellingsbak geldt:
•
Pilot Assist kan voorliggers volgen bij snelheden van 30 km/h (20 mph) tot 200 km/h
(125 mph).
•
Pilot Assist kan stuurhulp bieden bij snelheden van 30 km/h (20 mph) tot 140 km/h
(87 mph).
WAARSCHUWING
Pilot Assist is geen systeem dat botsingen
voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het
systeem een voorligger niet registreert.
Pilot Assist remt niet voor mensen, dieren,
obstakels, kleine voertuigen (zoals fietsen en
motorfietsen), lage aanhangwagens/trailers,
tegenliggers en langzaam rijdende of stilstaande voorliggers.
Gebruik Pilot Assist niet in stadsverkeer, op
kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of
sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met veel water of natte sneeuw, op
bochtige wegen, op op- en afritten of met een
aanhangwagen achter de auto.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
Pilot Assist over aan een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
RIJHULP
Overzicht
Functiesymbool
Bediening
Symbolen voor doelvoertuig plus tijdsverschil
ten opzichte van voorligger
Waarschuwing bij een dreigende
aanrijding
Symbool voor geactiveerde/gedeactiveerde
stuurhulp
Bestuurdersdisplay
Geluidssignaal en symbool voor Collision Warning9
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies9.
Akoestisch waarschuwingssignaal bij gevaar
voor een botsing
Verhoogt de opgeslagen snelheid óf heractiveert Pilot Assist en hervat de opgeslagen
snelheid en het opgeslagen tijdsverschil
Activeert/deactiveert Pilot Assist
Schakelt over van Pilot Assist op adaptieve
cruisecontrol
Verlaagt de opgeslagen snelheid
Verhoogt de afstand tot de voorligger
Schakelt over van adaptieve cruisecontrol op
Pilot Assist
Verkleint de afstand tot de voorligger
9
Snelheidsaanduidingen9.
Opgeslagen snelheid
Snelheid van de voorligger.
Actuele snelheid van uw auto.
Voor informatie over verschillende symboolcombinaties in uitlopende verkeerssituaties - zie de
rubriek "Symbolen en meldingen voor Pilot
Assist".
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Waarschuwingssymbool bij gevaar voor een
botsing
Afstandsmeting met gecombineerde camera
en radarsensor
Pilot Assist gebruikt zo'n 40% van de capaciteit
van de bedrijfsrem. Als de auto harder moet worden afgeremd dan Pilot Assist aankan en u remt
zelf niet bij, dan wordt u er met het waarschuwingslampje en een waarschuwingssignaal op
attent gemaakt dat u onmiddellijk moet ingrijpen.
}}
317
RIJHULP
||
WAARSCHUWING
N.B.
Pilot Assist waarschuwt alleen voor voertuigen die door de camera- en radareenheid zijn
ontdekt - daarom kan een waarschuwing uitblijven of met een bepaalde vertraging worden doorgegeven. Wacht een waarschuwing
niet af, maar rem als dat nodig is.
Head-updisplay*
Symbool voor Collision Warning onder aan de
318
Pilot Assist* activeren en starten
Pilot Assist moet, om de snelheid en het tijdsverschil te kunnen regelen en stuurhulp te kunnen
bieden, eerst worden geactiveerd en vervolgens
worden gestart.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Pilot Assist* activeren en starten (p. 318)
Snelheidsfuncties voor Pilot Assist* (p. 320)
Tijdsverschil instellen voor Pilot Assist*
(p. 321)
•
Van doelvoertuig veranderen en automatisch
remmen met Pilot Assist* (p. 324)
•
Pilot Assist deactiveren/heractiveren*
(p. 322)
•
Inhaalassistent bij de adaptieve cruisecontrol* of Pilot Assist* (p. 309)
•
•
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 325)
voorruit9.
Bij een auto met een head-updisplay, wordt de
waarschuwing op de voorruit weergegeven met
een knipperend symbool.
9
In de felle zon en bij gebruik van een zonnebril is de geprojecteerde informatie op de
voorruit mogelijk moeilijk te zien.
•
•
•
•
•
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Symbolen en meldingen voor Pilot Assist*
(p. 327)
Om Pilot Assist te kunnen starten, is het volgende vereist:
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
•
U moet de veiligheidsgordel om hebben en
het bestuurdersportier moet dichtstaan.
•
Er moet binnen een redelijke afstand een
voorligger (doelvoertuig) aanwezig zijn of de
Afstandswaarschuwing* (p. 298)
Head-updisplay* (p. 117)
Beperkingen van de radarsensor (p. 330)
Beperkingen van de camera (p. 338)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
•
actuele snelheid moet minimaal 15 km/h
(9 mph) zijn.
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd.
•
Van doelvoertuig veranderen en automatisch
remmen met Pilot Assist* (p. 324)
Voor auto's met een handgeschakelde versnellingsbak: De snelheid moet minimaal
30 km/h (20 mph) bedragen.
De hogere snelheid is de opgeslagen/gekozen snelheid en de
lagere snelheid is de snelheid
van de voorligger (het doelvoer-
•
Pilot Assist deactiveren/heractiveren*
(p. 322)
•
Inhaalassistent bij de adaptieve cruisecontrol* of Pilot Assist* (p. 309)
Met de adaptieve cruisecontrol in stand-by:
1.
2.
Druk op ▶ (6).
> In de stand-bystand verandert het symin Pilot Assist (8).
bool
(2).
Druk op de stuurknop
> Pilot Assist wordt gestart en de actuele
snelheid wordt opgeslagen en met cijfers
in het midden van de snelheidsmeter
weergegeven.
...of...
Met de adaptieve cruisecontrol gestart:
–
Druk op ▶ (6).
> Pilot Assist wordt gestart.
Alleen wanneer de kleur van
het stuursymbool (2) verandert
van GRIJS in GROEN, is de
stuurhulp van Pilot Assist
actief.
Alleen wanneer het afstandssymbool een auto (1) boven het stuursymbool
aangeeft, regelt Pilot Assist het tijdsverschil en
opzichte van voorliggers.
tuig).
Handen aan het stuur
Pilot Assist werkt alleen, wanneer u de handen
aan het stuur houdt. Het systeem controleert dit
voortdurend. Als dit niet het geval is, wordt u middels een displaymelding aangespoord om de
auto actief te sturen. En als dat niet gebeurt,
klinkt tevens een akoestisch waarschuwingssignaal.
•
•
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 325)
Symbolen en meldingen voor Pilot Assist*
(p. 327)
Als u dan nóg niet het stuurwiel beetpakt met uw
handen, gaat Pilot Assist stand-by staan. Vervolgens moet u Pilot Assist opnieuw starten met de
.
stuurknop
N.B.
Let op: de hulpfunctie Pilot Assist werkt
alleen als u de handen aan het stuur hebt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Pilot Assist* (p. 315)
Snelheidsfuncties voor Pilot Assist* (p. 320)
Tijdsverschil instellen voor Pilot Assist*
(p. 321)
* Optie/accessoire. 319
RIJHULP
Snelheidsfuncties voor Pilot Assist*
Pilot Assist is in te stellen op verschillende snelheden.
Als de snelheid met het gaspedaal wordt verwordt
hoogd voordat op de stuurknop
gedrukt, wordt de actuele rijsnelheid bij het drukken op de knop opgeslagen, op voorwaarde dat u
bij het drukken op de knop uw voet op het gaspedaal houdt.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Automatische versnellingsbak
Pilot Assist kan voorliggers volgen bij snelheden
van stilstand tot 200 km/h (125 mph).
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
–
U wijzigt de opgeslagen snelheid door kort of
lang op de stuurknop
(1) of - (3) te
drukken:
•
•
Bij iedere keer dat u de knop kort
indrukt past u de snelheid aan met
+/- 5 km/h (+/- 5 mph).
Houd de knop ingedrukt om de snelheid aan te passen met +/- 1 km/h
(+/- 1 mph) en laat los, wanneer de markering (4) op het bestuurdersdisplay bij
de gewenste snelheid staat.
> De laatst verrichte aanpassing wordt in
het geheugen opgeslagen.
320
Let erop dat 30 km/h (20 mph) de minimumsnelheid is waarop Pilot Assist in te stellen is –
ook al kan het systeem een voorligger volgen tot
aan stilstand, is het kiezen/opslaan van een
lagere snelheid dan de genoemde 30 km/h
(20 mph) niet mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Pilot Assist* (p. 315)
•
Van doelvoertuig veranderen en automatisch
remmen met Pilot Assist* (p. 324)
•
Pilot Assist deactiveren/heractiveren*
(p. 322)
•
Inhaalassistent bij de adaptieve cruisecontrol* of Pilot Assist* (p. 309)
•
•
Pilot Assist* activeren en starten (p. 318)
Tijdsverschil instellen voor Pilot Assist*
(p. 321)
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 325)
Symbolen en meldingen voor Pilot Assist*
(p. 327)
De hoogst mogelijk snelheid die u kunt instellen
is 200 km/h (125 mph).
Handgeschakelde versnellingsbak
Pilot Assist kan voorliggers volgen bij snelheden
van 30 km/h (20 mph) tot 200 km/h (125 mph).
30 km/h (20 mph) is de minimumsnelheid
waarop Pilot Assist in te stellen is – 200 km/h
(125 mph) is de maximumsnelheid.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Tijdsverschil instellen voor
Pilot Assist*
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Voor Pilot Assist zijn diverse tijdsverschillen in te
stellen.
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het bestuurdersdisplay
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe groter het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen met
zo'n 1 seconde ten opzichte van de voorligger en
5 streepjes komt overeen met zo'n 3 seconden.
Als Pilot Assist bij activering niet lijkt te reageren, kan dat komen doordat de volgtijd ten
opzichte van de voorligger een snelheidstoename belet.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
Bedieningselementen voor het tijdsverschil.
Tijdsverschil verkleinen
Tijdsverschil vergroten
N.B.
Wanneer op het bestuurdersdisplay het autosymbool met een stuur verschijnt, volgt Pilot
Assist een voorligger met het gekozen tijdverschil.
Wanneer alleen het autosymbool verschijnt, is
er binnen een redelijke afstand geen voorligger aanwezig.
Afstandsindicatie
–
Druk op de stuurknop (1) of (2) om het tijdsverschil te verkleinen of te vergroten.
> De afstandsindicatie (3) toont het actuele
tijdsverschil.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen
blijven volgen staat Pilot Assist in bepaalde situaties aanzienlijke variaties in het tijdsverschil toe.
Zo vergroot Pilot Assist het tijdsverschil iets bij
lage snelheden (en korte tijden).
Let erop dat kleine tijdsverschillen u bij plotselinge wijzigingen in het verkeer minder tijd geven
om te reageren en in te grijpen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Pilot Assist* (p. 315)
•
Pilot Assist deactiveren/heractiveren*
(p. 322)
•
Inhaalassistent bij de adaptieve cruisecontrol* of Pilot Assist* (p. 309)
•
•
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 325)
•
Pilot Assist* activeren en starten (p. 318)
Snelheidsfuncties voor Pilot Assist* (p. 320)
Van doelvoertuig veranderen en automatisch
remmen met Pilot Assist* (p. 324)
Symbolen en meldingen voor Pilot Assist*
(p. 327)
Afstandswaarschuwing* (p. 298)
* Optie/accessoire. 321
RIJHULP
Pilot Assist deactiveren/
heractiveren*
–
Pilot Assist is tijdelijk te deactiveren en stand-by
te zetten en vervolgens weer te activeren.
Pilot Assist deactiveren en stand-by
zetten
Druk op ◀ (3).
> Pilot Assist wordt uitgeschakeld en schakelt over naar de adaptieve cruisecontrol
in actieve stand.
In de stand-bystand krijgt u niet langer stuuradvies en moet u zelf de juiste snelheid en afstand
aanhouden.
Bij gebruik van de richtingaanwijzers wordt de
stuurhulp van Pilot Assist tijdelijk uitgeschakeld.
Wanneer dat niet langer het geval is, wordt de
stuurhulp automatisch opnieuw geactiveerd als
de zijlijnen van de rijstrook nog steeds te detecteren zijn.
Wanneer Pilot Assist in de stand-bystand staat
en uw auto een voorligger te dicht nadert, wordt
u in plaats daarvan gewaarschuwd voor het
geringe tijdsverschil door de afstandswaarschuwing (zie de link naar de rubriek "Afstandswaarschuwing" aan het eind van dit artikel).
Stand-by vanwege ingreep van bestuurder
Pilot Assist wordt tijdelijk gedeactiveerd en
stand-by gezet in de volgende gevallen:
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Om Pilot Assist tijdelijk uit te schakelen en
stand-by te zetten:
–
Druk op de stuurknop
(2).
> Pilot Assist gaat stand-by staan – de kleur
van het symbool (8) op het bestuurdersdisplay verandert van WIT in GRIJS en de
kleur van de opgeslagen snelheid in het
midden van de snelheidsmeter verandert
van BEIGE in GRIJS.
...of...
322
•
•
•
u bedient het rempedaal
u zet de keuzehendel in stand N.
u hebt de richtingaanwijzers langer dan
1 minuut niet gebruikt.
•
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
•
u bedient het koppelingspedaal langer dan
zo'n 1 minuut – geldt voor auto's met een
handgeschakelde versnellingsbak.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Automatische stand-bystand
Pilot Assist is afhankelijk van andere systemen
zoals de stabiliteitsregeling/antislipregeling ESC.
Als een van dergelijke andere systemen uitvalt,
wordt Pilot Assist automatisch uitgeschakeld.
Bij automatische deactivering klinkt een signaal
en op het bestuurdersdisplay verschijnt een melding. U moet in dat geval zelf ingrijpen om de
snelheid en afstand ten opzichte van de voorligger aan te passen.
•
de gecombineerde camera en radarsensor
wordt afgedekt door sneeuw of zware regenval (blokkering cameralens/radarsignalen).
Pilot Assist heractiveren vanuit standbystand
Automatische deactivering is mogelijk in de volgende gevallen:
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en de
voorligger slaat af, zodat Pilot Assist geen
voorligger meer heeft om te volgen.
•
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph) – geldt alleen voor auto's met een
handgeschakelde versnellingsbak.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Pilot Assist* (p. 315)
•
Van doelvoertuig veranderen en automatisch
remmen met Pilot Assist* (p. 324)
•
Inhaalassistent bij de adaptieve cruisecontrol* of Pilot Assist* (p. 309)
•
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en
Pilot Assist kan niet registreren of de voorligger een stilstaand voertuig is of een object,
zoals een verkeersdrempel.
•
Gerelateerde informatie
•
Pilot Assist* activeren en starten (p. 318)
Snelheidsfuncties voor Pilot Assist* (p. 320)
Tijdsverschil instellen voor Pilot Assist*
(p. 321)
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 325)
Symbolen en meldingen voor Pilot Assist*
(p. 327)
Afstandswaarschuwing* (p. 298)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
–
Druk op de stuurknop
(1).
> De auto hervat de laatst opgeslagen snelheid.
u houdt uw handen niet aan het stuurwiel
u opent het bestuurdersportier
u doet de veiligheidsgordel af
het motortoerental is te laag/hoog
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
N.B.
Nadat de snelheid weer met de stuurknop
is hervat, kan er een markante snelheidstoename volgen.
de remmen hebben een hoge temperatuur
de parkeerrem wordt geactiveerd
* Optie/accessoire. 323
RIJHULP
Van doelvoertuig veranderen en
automatisch remmen met
Pilot Assist*
WAARSCHUWING
Wanneer de Pilot Assist een rijdende voorligger volgt bij snelheden boven zo'n 30 km/h
(20 mph), van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig volgt, zal Pilot
Assist het stilstaande voertuig negeren en de
opgeslagen snelheid aanhouden.
Pilot Assist kan bij auto's met een automatische
versnellingsbak op bepaalde snelheden van
doelvoertuig veranderen en remmen.
Van doelvoertuig veranderen
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat, kan het
gebeuren dat een stilstaande voorligger het nieuwe
doelvoertuig wordt.
Wanneer Pilot Assist een rijdende voorligger
volgt bij snelheden onder 30 km/h, (20 mph)
van doelvoertuig verandert en een stilstaand
voertuig volgt, zal Pilot Assist voor het stilstaande
voertuig remmen.
•
Pilot Assist kunt u op een van de volgende
manieren heractiveren:
•
•
Druk op de stuurknop
.
Trap het gaspedaal in.
> Pilot Assist hervat het volgen van de voorligger als deze binnen
ongeveer 6 seconden vooruit begint te rijden.
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
N.B.
Automatische stand-bystand bij wijziging van
doelvoertuig
Pilot Assist wordt uitgeschakeld en stand-by
gezet:
Pilot Assist kan de auto maximaal 5 minuten
stilhouden - daarna wordt de parkeerrem aangezet, waarna de functie wordt uitgeschakeld.
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(3 mph) en Pilot Assist niet kan registreren
of het doelobject een stilstaand voertuig is of
een ander object, zoals een verkeersdrempel.
Om Pilot Assist te kunnen heractiveren, moet
u eerst de parkeerrem lossen.
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(3 mph) en de voorligger afslaat, zodat Pilot
Assist geen voorligger meer heeft om te volgen.
Automatische remfunctie
Bij korte stops tijdens filerijden of voor verkeerslichten wordt de functie automatisch hervat, als
de stop korter was dan zo'n 3 seconden. Duurt
het langer voordat een voorligger weer gaat rijden, dan wordt Pilot Assist stand-by met automatische remfunctie gezet.
324
–
Annulering van automatische remfunctie
In bepaalde situaties wordt het automatisch remmen bij stilstand geannuleerd en wordt Pilot
Assist stand-by gezet. Dat betekent dat de remmen worden gelost en de auto mogelijk gaat rollen – u moet daarom ingrijpen en zelf remmen
om de auto stil te houden.
Dat is mogelijk in de volgende situaties:
•
•
•
•
u bedient het rempedaal
u zet de parkeerrem aan
u zet de keuzehendel in de stand P, N of R
u Pilot Assist stand-by zet.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Automatische activering van de
parkeerrem
In bepaalde situaties wordt de parkeerrem aangezet om te zorgen dat de auto blijft stilstaan.
Dit gebeurt als Pilot Assist de auto staande
houdt met behulp van de bedrijfsrem en:
•
u het bestuurdersportier opent of de veiligheidsgordel losmaakt
•
Pilot Assist de auto langer dan
ongeveer 5 minuten staande heeft gehouden
•
•
de remmen oververhit zijn geraakt
Beperkingen van Pilot Assist*
In bepaalde situaties gelden mogelijk beperkingen voor de werking van Pilot Assist.
Pilot Assist is een hulpmiddel dat u in veel situaties kan ondersteunen en helpen. U bent er
echter altijd zelf verantwoordelijk voor dat u een
veilige afstand aanhoudt ten opzichte van de
omgeving en dat u de juiste positie op de rijbaan
aanhoudt.
BELANGRIJK
In bepaalde situaties heeft de stuurassistentie
van Pilot Assist moeite om u op de juiste
manier te helpen of wordt de stuurassistentie
automatisch uitgeschakeld – in dat geval is
het advies om Pilot Assist niet te gebruiken.
Voorbeelden van dergelijke situaties:
•
de rijstrookmarkeringen zijn afgesleten,
ontbreken of kruisen elkaar.
•
de rijstrookindeling is niet duidelijk, bijvoorbeeld wanneer de rijstroken worden
gesplitst of samengevoegd, bij afritten of
als er sprake is van meerdere sets wegmarkeringen.
•
er zijn randen of andere lijnen dan rijstrookmarkeringen aanwezig op of naast
de rijbaan, zoals trottoirbanden, naden of
reparaties in het oppervlak van de rijbaan,
randen van barrières, bermen of scherpe
schaduwen.
•
•
de rijstrook is smal of bochtig.
•
het is slecht weer, met regen, (natte)
sneeuw of mist of verminderd zicht met
de motor wordt afgezet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Pilot Assist* (p. 315)
•
Pilot Assist deactiveren/heractiveren*
(p. 322)
•
Inhaalassistent bij de adaptieve cruisecontrol* of Pilot Assist* (p. 309)
•
•
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 325)
Pilot Assist* activeren en starten (p. 318)
Snelheidsfuncties voor Pilot Assist* (p. 320)
Tijdsverschil instellen voor Pilot Assist*
(p. 321)
de rijstrook loopt over een top van een
helling of een verkeerdrempel.
Symbolen en meldingen voor Pilot Assist*
(p. 327)
}}
* Optie/accessoire. 325
RIJHULP
||
slechte lichtomstandigheden, tegenlicht,
een natte rijbaan et cetera.
Let er ook op dat Pilot Assist de volgende
beperkingen heeft:
•
•
Hoge trottoirbanden, barrières en tijdelijke wegversperringen (pylonen, andere
barrières et cetera) worden niet gedetecteerd. Ze kunnen ten onrechte worden
verward met rijstrookmarkeringen, zodat
het risico bestaat dat de auto in aanraking komt met dergelijke barrières. Het is
aan de bestuurder om voldoende afstand
te houden tot de genoemde barrières.
Let erop dat Pilot Assist in eerste instantie
bestemd is voor gebruik tijdens ritten op vlakke
weggedeelten. Het systeem heeft mogelijk
moeite om de juiste afstand ten opzichte van
voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen – blijf dan extra alert en rem zo
nodig zelf. Maak geen gebruik van Pilot Assist bij
een zware belading of wanneer er een aanhanger
achter de auto hangt.
Overig
•
De gecombineerde radarsensor en
camera heeft onvoldoende capaciteit om
alle aanwezige objecten en obstakels in
het verkeer te ontdekken, zoals kuilen,
stilstaande obstakels of voorwerpen die
de route geheel of gedeeltelijk blokkeren.
•
Pilot Assist "ziet" voetgangers, dieren en
dergelijke niet.
•
De aanbevolen stuuringreep is in sterkte
beperkt, wat inhoudt dat het systeem u
niet altijd kan helpen de auto zo te sturen
dat deze binnen de rijstrook blijft.
U kunt actuele stuuringrepen van Pilot Assist
altijd corrigeren of aanpassen en zelf het stuur in
de gewenste stand draaien.
326
Steile wegen en/of zware belading
U kunt Off Road niet kiezen, wanneer Pilot
Assist is geactiveerd.
N.B.
•
•
Snelheidsfuncties voor Pilot Assist* (p. 320)
•
Van doelvoertuig veranderen en automatisch
remmen met Pilot Assist* (p. 324)
•
Pilot Assist deactiveren/heractiveren*
(p. 322)
•
Inhaalassistent bij de adaptieve cruisecontrol* of Pilot Assist* (p. 309)
•
Symbolen en meldingen voor Pilot Assist*
(p. 327)
•
•
Tijdsverschil instellen voor Pilot Assist*
(p. 321)
Beperkingen van de camera (p. 338)
Beperkingen van de radarsensor (p. 330)
De functie maakt gebruik van de camera-eenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de camera-eenheid'.
N.B.
De functie maakt gebruik van de radareenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de radareenheid'.
Gerelateerde informatie
•
•
Pilot Assist* (p. 315)
Pilot Assist* activeren en starten (p. 318)
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Symbolen en meldingen voor
Pilot Assist*
Op het bestuurdersdisplay en/of head-updisplay* kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van Pilot Assist.
Hier volgen enkele voorbeelden10.
Op de voorgaande afbeelding11 ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h en dat het systeem voorliggers volgt die op dezelfde snelheid rijden.
Op de voorgaande afbeelding11 ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h en dat het systeem voorliggers volgt die op dezelfde snelheid rijden.
Pilot Assist geeft geen stuurhulp, omdat het de
zijlijnen van de rijstrook niet detecteren.
Pilot Assist geeft nu stuurhulp, omdat het de zijlijnen van de rijstrook kan detecteren.
Op de voorgaande afbeelding11 ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h en dat er geen voorliggers zijn die het systeem kan volgen.
Pilot Assist geeft geen stuurhulp, omdat het de
zijlijnen van de rijstrook niet detecteren.
10
11
Op de onderstaande voorbeeldafbeeldingen informeert het RSI (Road Sign Information) u dat de maximumsnelheid 130 km/h bedraagt.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire. 327
RIJHULP
||
•
•
•
•
Pilot Assist deactiveren/heractiveren*
(p. 322)
Inhaalassistent bij de adaptieve cruisecontrol* of Pilot Assist* (p. 309)
Radarsensor
De radarsensor wordt door meerdere rijhulpsystemen gebruikt en heeft tot taak om andere voertuigen te detecteren.
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 325)
Verkeersbordinformatie* (p. 359)
Op de voorgaande afbeelding11 ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h en dat er geen voorliggers zijn die het systeem kan volgen.
En Pilot Assist geeft in dit geval stuurhulp, omdat
het de zijlijnen van de rijstrook kan detecteren.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
De radarsensor wordt gebruikt voor de volgende
systemen:
•
•
•
•
•
11
328
Pilot Assist* (p. 315)
Tijdsverschil instellen voor Pilot Assist*
(p. 321)
•
•
•
•
Van doelvoertuig veranderen en automatisch
remmen met Pilot Assist* (p. 324)
Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk
dat het gebruik ervan onwettig wordt.
Pilot Assist* activeren en starten (p. 318)
Snelheidsfuncties voor Pilot Assist* (p. 320)
Afstandswaarschuwing*
Adaptieve cruisecontrol*
Pilot Assist*
City Safety
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Beperkingen van de radarsensor (p. 330)
Typegoedkeuring voor radarsensoren
(p. 334)
Afstandswaarschuwing* (p. 298)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
Pilot Assist* (p. 315)
City Safety (p. 341)
* Optie/accessoire. 329
RIJHULP
Beperkingen van de radarsensor
De radarsensor kent een aantal beperkingen, die
ook beperkingen met zich meebrengen voor de
functies die gebruik maken van de eenheid.
Geblokkeerde eenheid
De radarsensor zit aan de binnenkant op het
bovenste deel van de voorruit, samen met de
camera van de auto.
BELANGRIJK
Plaats, plak of monteer niets aan de buitenof binnenkant van de voorruit, vóór of rond de
camera- en radareenheid - dat kan de op de
camera en radar gebaseerde functies verstoren.
Als op het bestuurdersdisplay dit symbool en de melding Voorruitsensor
Sensor afgedekt, zie handleiding
verschijnen, betekent dit dat de
gecombineerde camera en radarsensor geen
voorliggers kan ontdekken.
In de volgende tabel staan voorbeelden van
mogelijke oorzaken van het verschijnen van de
melding en passende maatregelen:
Dit kan er tevens toe leiden dat functies worden gereduceerd, volledig worden uitgeschakeld of niet goed reageren.
Houd het gemarkeerde gebied vrij van stickers, voorwerpen, zonnefilm et cetera12.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor is vuil
of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor
van vuil, sneeuw en ijs.
Dichte mist en zware regen- of sneeuwval blokkeren de radarsignalen of het
zicht van de camera.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de eenheid soms niet.
12
330
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
RIJHULP
Oorzaak
Maatregel
De radarsignalen of het zicht van de camera worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de eenheid soms niet.
Er is vuil tussen de binnenkant van de voorruit en de gecombineerde camera
en radarsensor gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de voorruit achter de behuizing van de eenheid te laten reinigen. Geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
beeld als een inhalend voertuig invoegt tussen u en uw voorligger.
N.B.
Houd het voorruitoppervlak vóór de cameraen radareenheid schoon.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen of
voertuigen die niet in het midden van de rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
Rijsnelheid
In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
De radarsensor heeft veel meer moeite om een
voorligger te ontdekken als:
•
de snelheid van de voorligger veel afwijkt van
die van uw eigen auto
Beperkt blikveld
De radarsensor heeft een beperkt blikveld. In
bepaalde gevallen wordt een voorligger niet ontdekt of later dan verwacht.
Het blikveld van de radarsensor.
Soms kan de radarsensor een voorligger op
korte afstand pas laat registreren, bijvoor-
}}
331
RIJHULP
||
Lage aanhangers
BELANGRIJK
Als het voorruitoppervlak vóór een van beide
"ogen" van de gecombineerde camera en
radarsensor barsten, krassen of steenslagschade vertoont van ca. 0,5 × 3,0 mm (of groter), neem dan contact op met een werkplaats
om de voorruit te laten vervangen. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Lage aanhanger in radarschaduw.
Ook lage aanhangers ontdekt de radarsensor
soms alleen met grote moeite of helemaal niet u moet daarom extra voorzichtig zijn als er een
lage aanhanger achter de voorligger hangt en de
adaptieve cruisecontrol of Pilot Assist actief is.
Hoge temperaturen
Bij zeer hoge temperaturen in het interieur zal de
gecombineerde camera en radarsensor na het
starten van de motor mogelijk tijdelijk worden uitgeschakeld gedurende zo'n 15 minuten om de
elektronica te beschermen. Als de temperatuur
voldoende gedaald is, wordt de gecombineerde
camera en radarsensor automatisch weer opgestart.
Beschadigde voorruit
332
Als u niets doet, presteren de rijhulpsystemen
die gebruik maken van de gecombineerde
camera en radarsensor mogelijk minder goed.
Dit kan er tevens toe leiden dat functies worden gereduceerd, volledig worden uitgeschakeld of niet goed reageren.
Om te voorkomen dat de rijhulpsystemen die
van de radarsensor gebruik maken, helemaal
niet, onjuist of in beperkte mate werken, geldt
tevens het volgende:
•
•
Volvo adviseert u scheurtjes, krassen of
sterren in het gebied vóór de gecombineerde camera en radarsensor niet te
repareren, maar de complete voorruit te
vervangen.
Neem alvorens de voorruit te laten vervangen contact op met een erkende
Volvo-werkplaats om te controleren of de
juiste voorruit wordt besteld en gemonteerd.
•
Monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander type,
door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
BELANGRIJK
Bij het vervangen van de voorruit moet de
camera- en radareenheid in de werkplaats
opnieuw worden gekalibreerd om de werking
van alle op de camera en radar gebaseerde
systemen van de auto te garanderen. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Onderhoud
De gecombineerde radarsensor en camera werkt
alleen naar behoren wanneer u vuil, ijs en
sneeuw van de voorruit ervoor verwijdert en u dit
deel regelmatig reinigt met water en autoshampoo.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de camera- en radareenheid bedekken, neemt de functie af en
kan meten onmogelijk worden gemaakt.
Dit kan er tevens toe leiden dat functies worden gereduceerd, volledig worden uitgeschakeld of niet goed reageren.
RIJHULP
Gerelateerde informatie
•
•
•
Radarsensor (p. 328)
Beperkingen van de camera (p. 338)
Beperkingen van afstandswaarschuwing*
(p. 300)
•
Beperkingen van de adaptieve cruisecontrol*
(p. 311)
•
•
Beperkingen van City Safety (p. 348)
Pilot Assist* (p. 315)
* Optie/accessoire. 333
RIJHULP
Typegoedkeuring voor
radarsensoren
De typegoedkeuringen voor de radarsensoren
van de auto staan in de volgende tabel.
Markt
ACCA
BLISB
Symbool
Typegoedkeuring
Este equipamento opera em caráter secundário, isto é, não tem direito à proteção contra
interferência prejudicial, mesmo de estações do mesmo tipo, e não pode causar
interferência a sistemas operando em caráter primário.
✓
Modelo: L2C0055TR
1500-15-8065
Brazilië
EAN: 07897843840978
Modelo: L2C0054TR
✓
4122-14-8645
EAN: (01)07897843840855
Europa
✓
✓
Hereby, Delphi Electronics & Safety declares that L2C0054TR / L2C0055TR are in
compliance with the essential requirements and other relevant provisions of Directive
1999/5/EC. The Declaration of Conformity may be consulted at Delphi Electronics &
Safety / 2151 E. Lincoln Road / Kokomo, Indiana 46902 USA
TRA
✓
REGISTERED No: ER37536/15
DEALER No: DA37380/15
Verenigde Arabische
Emiraten
TRA
✓
REGISTERED No: ER37357/15
DEALER No: DA37380/15
334
RIJHULP
Markt
ACCA
BLISB
Symbool
Typegoedkeuring
37295/POSTEL/2014
✓
4927
Indonesië
✓
38806/SDPPI/2015
4927
Type Approval No.: TRC/LPD/2014/255
✓
Equipment Type: Low Power Device (LPD)
Jordanië
✓
Type Approval No.: TRC/LPD/2015/3
Equipment Type: Low Power Device (LPD)
Certification No.
✓
MSIP-CMI- DPH-L2C0054TR
Korea
✓
Certification No.
MSIP-CMI-DPH-L2C0055TR
AGREE PAR L’ANRT MAROC
Marokko
✓
✓
NUMÉRO D’AGRÉMENT: MR 9929 ANRT 2014
DATE D’AGRÉMENT: 26/12/2014
Moldavië
✓
✓
1024
}}
335
RIJHULP
||
Markt
ACCA
BLISB
✓
✓
Singapore
Complies with IDA Standards DA105753
APPROVED
Zuid-Afrika
✓
✓
A
B
Typegoedkeuring
TA-2014/1824
✓
Taiwan
Symbool
TA-2014/2390
APPROVED
CCAB15LP0560T3
✓
CCAB15LP0680T0
ACC = Adaptive Cruise Control
BLIS = Blind Spot Information
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
336
Radarsensor (p. 328)
Beperkingen van de radarsensor (p. 330)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
Blind Spot Information* (p. 352)
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Camera
•
De camera wordt gebruikt door meerdere rijhulpsystemen en heeft tot taak om bijvoorbeeld
de zijlijnen van de weg of verkeersborden te
detecteren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Automatisch groot licht*
Beperkingen van de camera (p. 338)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
Rijbaanassistent (p. 366)
Driver Alert Control (p. 363)
Pilot Assist* (p. 315)
City Safety (p. 341)
Bescherming bij bermongevallen Run-off
Mitigation (p. 371)
Verkeersbordinformatie* (p. 359)
Groot licht activeren/deactiveren (p. 143)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
De camera wordt gebruikt voor de volgende systemen:
•
•
•
•
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol*
Rijbaanassistent*
Driver Alert Control*
Pilot Assist*
City Safety
Bescherming bij bermongevallen Run-off
Mitigation
Verkeersbordinformatie*
* Optie/accessoire. 337
RIJHULP
Beperkingen van de camera
Geblokkeerde eenheid
De camera kent een aantal beperkingen, die ook
beperkingen met zich meebrengen voor de systemen die gebruik maken van de eenheid.
Beperkt zicht
De camera kent ongeveer dezelfde beperkingen
als het menselijk oog. Dit houdt in dat hij minder
goed "ziet" bij hevige regen- of sneeuwval, in
dichte mist of in dikke stofwolken of stuifsneeuw.
In dergelijke omstandigheden kunnen functies
die gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd
worden.
Fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde
en onduidelijke rijstrookmarkeringen kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen voor de systemen die van de camera gebruik maken om bijvoorbeeld het wegdek af te tasten en andere
voertuigen, fietsers, voetgangers en grotere dieren te ontdekken.
Dit kan er tevens toe leiden dat functies worden gereduceerd, volledig worden uitgeschakeld of niet goed reageren.
Houd het gemarkeerde gebied vrij van stickers, voorwerpen, zonnefilm et cetera13.
De camera zit aan de binnenkant op het bovenste deel van de voorruit, samen met de radarsensor van de auto.
Als op het bestuurdersdisplay dit symbool en de melding Voorruitsensor
Sensor afgedekt, zie handleiding
verschijnen, betekent dit dat de
gecombineerde camera en radarsensor geen
voorliggers kan ontdekken.
In de volgende tabel staan voorbeelden van
mogelijke oorzaken van het verschijnen van de
melding en passende maatregelen:
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor is
vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor van
vuil, sneeuw en ijs.
Dichte mist en zware regen- of sneeuwval blokkeren de radarsignalen
of het zicht van de camera.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de eenheid soms niet.
13
338
BELANGRIJK
Plaats, plak of monteer niets aan de buitenof binnenkant van de voorruit, vóór of rond de
camera- en radareenheid - dat kan de op de
camera en radar gebaseerde functies verstoren.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
RIJHULP
Oorzaak
Maatregel
De radarsignalen of het zicht van de camera worden gehinderd door
opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of sneeuw
werkt de eenheid soms niet.
Er is vuil tussen de binnenkant van de voorruit en de gecombineerde
camera en radarsensor gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de voorruit achter de behuizing van
de eenheid te laten reinigen. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Fel tegenlicht
Valt niets aan te doen. In betere lichtomstandigheden wordt de camera automatisch opnieuw geactiveerd.
N.B.
Houd het voorruitoppervlak vóór de cameraen radareenheid schoon.
Hoge temperaturen
Bij zeer hoge temperaturen in het interieur zal de
gecombineerde camera en radarsensor na het
starten van de motor mogelijk tijdelijk worden uitgeschakeld gedurende zo'n 15 minuten om de
elektronica te beschermen. Als de temperatuur
voldoende gedaald is, wordt de gecombineerde
camera en radarsensor automatisch weer opgestart.
Beschadigde voorruit
BELANGRIJK
Als het voorruitoppervlak vóór een van beide
"ogen" van de gecombineerde camera en
radarsensor barsten, krassen of steenslagschade vertoont van ca. 0,5 × 3,0 mm (of groter), neem dan contact op met een werkplaats
om de voorruit te laten vervangen. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Om te voorkomen dat de rijhulpsystemen die
van de radarsensor gebruik maken, helemaal
niet, onjuist of in beperkte mate werken, geldt
tevens het volgende:
•
Volvo adviseert u scheurtjes, krassen of
sterren in het gebied vóór de gecombineerde camera en radarsensor niet te
repareren, maar de complete voorruit te
vervangen.
•
Neem alvorens de voorruit te laten vervangen contact op met een erkende
Volvo-werkplaats om te controleren of de
juiste voorruit wordt besteld en gemonteerd.
•
Monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander type,
door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
Als u niets doet, presteren de rijhulpsystemen
die gebruik maken van de gecombineerde
camera en radarsensor mogelijk minder goed.
Dit kan er tevens toe leiden dat functies worden gereduceerd, volledig worden uitgeschakeld of niet goed reageren.
}}
339
RIJHULP
||
BELANGRIJK
Bij het vervangen van de voorruit moet de
camera- en radareenheid in de werkplaats
opnieuw worden gekalibreerd om de werking
van alle op de camera en radar gebaseerde
systemen van de auto te garanderen. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
•
•
•
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 325)
Beperkingen van City Safety (p. 348)
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
(p. 363)
Onderhoud
De gecombineerde radarsensor en camera werkt
alleen naar behoren wanneer u vuil, ijs en
sneeuw van de voorruit ervoor verwijdert en u dit
deel regelmatig reinigt met water en autoshampoo.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de camera- en radareenheid bedekken, neemt de functie af en
kan meten onmogelijk worden gemaakt.
Dit kan er tevens toe leiden dat functies worden gereduceerd, volledig worden uitgeschakeld of niet goed reageren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
340
Camera (p. 337)
Beperkingen van de radarsensor (p. 330)
Rijbaanassistent (p. 366)
Beperkingen van Driver Alert Control
(p. 365)
* Optie/accessoire.
RIJHULP
City Safety
City Safety waarschuwt u met visuele, haptische
en akoestische signalen voor voetgangers, fietsers, grotere dieren en voorliggers – de auto
remt automatisch als u niet zelf binnen een redelijke tijd reageert.
peld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken
kunnen leiden.
geheel voorkomen, maar wel de gevolgen ervan
beperken.
Het systeem helpt u door automatisch te remmen, wanneer het gevaar voor een botsing met
een voorligger reëel is en u zelf niet snel genoeg
remt en/of uitwijkt.
Bij gevaar voor een botsing met groot wild kan
City Safety de rijsnelheid verlagen tot 15 km/h
(9 mph). De remingreep voor groot wild is in eerste instantie bedoeld om de botskrachten bij
hogere snelheden te beperken. De remingreep is
het effectiefst op snelheden hoger dan 70 km/h
(43 mph) en minder effectief op lage snelheden.
City Safety start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u net
achter uw voorligger tot stilstand komt. Voor veel
bestuurders die dit niet gewend zijn is een dergelijke remmanoeuvre onprettig.
City Safety wordt geactiveerd in situaties waar u
eigenlijk al veel eerder had moeten remmen,
zodat de functie niet altijd uitkomst biedt.
City Safety is erop gebouwd om zo laat mogelijk
geactiveerd te worden om onnodige ingrepen te
voorkomen.
Locatie gecombineerde camera en radarsensor14.
City Safety kan een aanrijding voorkomen of de
impactsnelheid verlagen.
City Safety is een hulpmiddel dat bedoeld is om u
te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat
u op een voetganger, een fietser, een groter dier
of een voorligger botst.
City Safety kan u helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden en dergelijke, waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekop-
14
U en eventuele passagiers zullen normaal alleen
merken dat City Safety actief is, wanneer een
botsing dreigt.
City Safety kan een botsing met een voorligger of
fietser voorkomen door een verlaging van de
snelheid tot 50 km/h (30 mph). Voor voetgangers kan City Safety de snelheid verlagen met
maximaal 45 km/h (28 mph).
Bij een snelheidsverschil groter dan 50 km/h
(30 mph) of 45 km/h (28 mph) kan City Safety
door automatische remingrepen een botsing niet
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
341
RIJHULP
||
WAARSCHUWING
City Safety is een hulpmiddel en werkt niet in
alle rijsituaties en verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Zoekpad in hoofdmenu: Instellingen
IntelliSafe
My Car
Overzicht
Er wordt alleen gewaarschuwd, wanneer het
risico van een botsing groot is. Deze paragraaf plus de paragraaf "Beperkingen van City
Safety" informeren over de beperkingen die u
als bestuurder moet kennen, voordat u City
Safety gebruikt.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 70 km/h (43 mph).
De Auto Brake van City Safety kan een botsing geheel voorkomen of de botssnelheid
verlagen. Bedien voor een maximale remwerking altijd het rempedaal – ook al wordt er
automatisch geremd.
Functie-overzicht14.
Akoestisch waarschuwingssignaal bij gevaar
voor een botsing
City Safety triggert geen automatische remingrepen bij krachtig optrekken.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor om de juiste afstand en snelheid aan
te houden – wacht nooit af totdat Collision
Warning of City Safety ingrijpt.
Marktbeperking
City Safety is niet in alle landen beschikbaar. Als
City Safety niet in het menu van het middendisplay voor Instellingen voorkomt, zit dit systeem
niet op de auto.
14
342
Waarschuwingssymbool bij gevaar voor een
botsing
Afstandsmeting met gecombineerde camera
en radarsensor
City Safety vervult drie functies in de volgende
volgorde:
1.
Collision Warning
2.
Brake Support
3.
Auto Brake
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Collision Warning
Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende
aanrijding.
City Safety kan voetgangers, fietsers of voertuigen voor uw auto ontdekken, die stilstaan of in
dezelfde richting als u rijden. City Safety kan
tevens voetgangers, fietsers of grote dieren ontdekken, die het pad van uw auto kruisen.
Bij gevaar voor een aanrijding met een voetganger, fietser, groter dier of een voertuig en met
voertuigen als beschreven in het artikel "City
Safety bij kruisend verkeer" wordt uw aandacht
getrokken met een rood knipperend waarschuwingssymbool, een akoestisch signaal en een
haptische waarschuwing in de vorm van rempedaaltrilling. Bij lagere snelheden, krachtig afremmen door de bestuurder of het geven van gas
wordt geen haptische waarschuwing verstrekt.
De intensiteit van de rempedaaltrilling is afhankelijk van de rijsnelheid.
Brake Support
Als het gevaar voor een aanrijding na de Collision
Warning verder is toegenomen, treedt de Brake
Support in werking.
Brake Support helpt u bij het remmen, als het
systeem ervan uitgaat dat de remmanoeuvre
alleen niet voldoende is om een botsing te voorkomen.
RIJHULP
Auto Brake
In allerlaatste instantie wordt de automatische
remfunctie geactiveerd.
Als u in deze fase nog steeds niet aan een uitwijkmanoeuvre bent begonnen en er een aanrijding dreigt, wordt er automatisch geremd, ongeacht of u zelf remt of niet. De auto wordt daarbij
maximaal afgeremd om de botssnelheid te
beperken of zoveel als nodig is om een aanrijding
te voorkomen.
N.B.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak, stopt de motor wanneer de Auto
Brake de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u voor die tijd het koppelingspedaal
weet te bedienen.
Wanneer City Safety een botsing met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de auto
stilstaan totdat u bepaalde actie onderneemt. Als
de auto wordt afgeremd wegens een langzamer
rijdende voorligger, wordt uw snelheid afgestemd
op die van de voorligger.
City Safety bij ontoereikende uitwijkmanoeuvre (p. 347)
•
•
•
•
City Safety bij kruisend verkeer (p. 347)
Beperkingen van City Safety (p. 348)
Meldingen voor City Safety (p. 350)
Gordelspanners (p. 62)
U kunt een remingreep altijd afbreken hard op
het gaspedaal te trappen.
Bij activering van de automatische remfunctie
worden mogelijk ook de gordelspanners geactiveerd. Zie voor meer informatie onder "Gordelspanners".
Auto Brake kan in bepaalde situaties de remingreep met lichter remmen beginnen en vervolgens overgaan op de volledige remwerking.
•
N.B.
Als City Safety™ remt, gaan de remlichten
branden.
Wanneer City Safety ingrijpt en remt, verschijnt
op het bestuurdersdisplay de melding dat het
systeem actief is/was.
WAARSCHUWING
Gebruik City Safety niet om uw rijgedrag aan
te passen – als u er blind op vertrouwt dat
City Safety remt, raakt u vroeg of laat betrokken bij een botsing.
Gerelateerde informatie
•
Waarschuwingsafstand instellen voor City
Safety (p. 344)
•
Obstakeldetectie met City Safety™ (p. 345)
343
RIJHULP
Waarschuwingsafstand instellen
voor City Safety
schuwingsafstand verkleinen. Het systeem waarschuwt dan minder snel en minder vaak.
City Safety is altijd actief, maar het is wel mogelijk om een waarschuwingsafstand te kiezen voor
het systeem.
Waarschuwingsafstand Laat mag alleen in uitzonderingsgevallen worden gebruikt, zoals bij
dynamisch rijden.
N.B.
N.B.
City Safety is niet uit te schakelen, maar
wordt bij het starten van de motor/elektrische
aandrijving automatisch geactiveerd en blijft
vervolgens actief tot u de motor/elektrische
aandrijving uitschakelt.
De waarschuwingsafstand bepaalt de gevoeligheid van het systeem en geeft aan bij welke
afstand de visuele, akoestische en haptische
waarschuwing moeten worden geactiveerd.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Kies onder Waarschuwing City Safety voor
Laat, Normaal of Vroeg voor het instellen
van de gewenste waarschuwingsafstand.
IntelliSafe.
Als de instelling Vroeg te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk
kan worden ervaren), kunt u de waarschuwingsafstand Normaal of Laat gebruiken.
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd en
de signalen als storend ervaart, kunt u de waar-
344
N.B.
Waarschuwingen via de richtingaanwijzers
voor de Rear Collision Warning worden
gedeactiveerd, als de waarschuwingsafstand
voor de Collision Warning in City Safety is
ingesteld op het laagste niveau "Laat".
De functies 'gordels spannen' en 'remmen'
zijn echter nog steeds actief.
City Safety waarschuwt u bij gevaar voor een
botsing, maar de functie is niet in staat uw
reactietijd te verkorten.
WAARSCHUWING
Wanneer de waarschuwingsafstand is ingesteld op Vroeg, worden de waarschuwingen
eerder gegeven. Dit kan ertoe leiden dat de
waarschuwingen vaker worden gegeven dan
bij de waarschuwingsafstand Normaal.
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Vroeg, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden afgegeven, bijvoorbeeld bij grote snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig remt.
Geen enkel automatisch systeem kan in alle
situaties een 100 % feilloze werking garanderen. Test City Safety daarom nooit uit op mensen, dieren of voertuigen – dat kan namelijk
tot ernstig letsel/ernstige schade en levensgevaarlijke situaties leiden.
Gerelateerde informatie
•
City Safety (p. 341)
RIJHULP
Obstakeldetectie met City Safety™
City Safety detecteert de meeste voertuigen die
stilstaan of in dezelfde richting rijden als u en de
voertuigen die beschreven staan in "City Safety
bij kruisend verkeer".
Voor optimale prestaties van het systeem moet
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van fietsers zo uniform mogelijke
informatie over de lichaams- en fietscontouren
ontvangen – wat inhoudt dat kenmerkende
(lichaams-)delen zoals fiets, hoofd, armen, schouders, benen, borstkas en buik moeten kunnen
worden waargenomen evenals een bewegingspatroon dat voor fietsers als normaal te beschouwen is.
City Safety kan voertuigen in het donker alleen
detecteren, wanneer de voor- en achterlichten
van deze voertuigen werken en duidelijk waarneembaar branden.
Het systeem kan fietsers niet ontdekken, als de
systeemcamera grote delen van het lichaam van
de fietser of van zijn/haar fiets niet kan waarnemen.
Fietser
Het systeem kan alleen volwassen fietsers ontdekken die op fietsen voor volwassenen zitten.
De obstakels die City Safety kan detecteren, zijn
voertuigen, fietsers, grotere dieren en voetgangers.
Voertuig
WAARSCHUWING
City Safety is slechts een hulpmiddel dat niet
altijd alle fietsers kan detecteren en bijvoorbeeld moeite heeft met:
Ideaalvoorbeeld van wat City Safety als een fietser
beschouwt – met herkenbare lichaams- en fietscontouren.
•
•
slechts gedeeltelijk zichtbare fietsers;
•
fietsen waarop grote voorwerpen worden
vervoerd.
fietsers in kleding die de lichaamscontouren verhult;
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt, afhankelijk van de rijsnelheid.
Voetganger
Ideaalvoorbeelden van wat het systeem als voetgangers
met herkenbare lichaamscontouren beschouwt.
Voor optimale prestaties van het systeem moet
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke informatie over de lichaamscontouren ontvangen – wat inhoudt dat kenmerkende
lichaamsdelen zoals hoofd, armen, schouders,
benen, borstkas en buik moeten kunnen worden
waargenomen evenals een bewegingspatroon
dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
Om een voetganger te kunnen detecteren moet
er sprake zijn van een bepaald contrast ten
opzichte van de achtergrond door bijvoorbeeld
kleding, achtergrond, weersomstandigheden en
dergelijke. Bij weinig contrast worden voetgangers mogelijk laat of helemaal niet gedetecteerd.
De waarschuwingen en remingrepen kunnen dan
laat of helemaal niet plaatsvinden.
}}
345
RIJHULP
||
City Safety kan dankzij de koplampen van de auto
ook in het donker voetgangers detecteren.
Grotere dieren
WAARSCHUWING
City Safety is slechts een hulpmiddel dat niet
altijd alle grotere dieren kan detecteren en
bijvoorbeeld moeite heeft met:
WAARSCHUWING
City Safety is slechts een hulpmiddel dat niet
altijd alle voetgangers kan detecteren en bijvoorbeeld moeite heeft met:
•
slechts gedeeltelijk zichtbare voetgangers, voetgangers die gekleed gaan in
kleding die de lichaamscontouren verhult
of voetgangers met een lengte korter dan
80 cm;
•
voetgangers bij een gering contrast met
de achtergrond – waarschuwingen en
remingrepen kunnen dan pas laat komen
of helemaal achterwege blijven;
•
voetgangers die grote voorwerpen dragen.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt, afhankelijk van de rijsnelheid.
Ideaalvoorbeeld van wat City Safety als een stilstaand of
langzaam lopend groter dier beschouwt – met herkenbare lichaamscontouren.
Voor optimale prestaties van het systeem moet
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van grotere dieren (zoals een eland
of paard) zo uniform mogelijk informatie over de
lichaamscontouren ontvangen – wat inhoudt dat
het dier recht vanaf de zijkant moet kunnen worden waargenomen en dat het dier een bewegingspatroon heeft dat voor het dier als normaal
te beschouwen is.
Het systeem kan dieren niet ontdekken, als de
systeemcamera delen van het lichaam van het
dier niet kan waarnemen.
City Safety kan dankzij de koplampen van de auto
ook in het donker grotere dieren detecteren.
346
•
slechts gedeeltelijk zichtbare grotere dieren;
•
grotere dieren die met hun voor- of achtereind recht voor de auto staan of bewegen;
•
grotere dieren die snel rennen of bewegen;
•
grotere dieren als het contrast met de
achtergrond van de dieren gering is –
waarschuwingen en remingrepen kunnen
dan pas laat komen of helemaal achterwege blijven.
•
kleinere dieren zoals honden en katten.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt, afhankelijk van de rijsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
City Safety (p. 341)
RIJHULP
City Safety bij kruisend verkeer
•
City Safety kan u helpen als uw auto tijdens het
afslaan op een kruising het pad van een tegenligger kruist.
de koplampen van tegenliggers branden.
WAARSCHUWING
City Safety is een hulpmiddel en werkt niet in
alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Waarschuwingen en remingrepen bij een
dreigende aanrijding met tegemoetkomende
voertuigen komen vaak heel laat.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor om de juiste afstand en snelheid aan
te houden – wacht nooit af totdat Collision
Warning of City Safety ingrijpt.
City Safety bij ontoereikende
uitwijkmanoeuvre
City Safety kan u helpen door de auto automatisch eerder te remmen, wanneer een botsing
niet met een simpele uitwijkmanoeuvre te voorkomen is.
City Safety helpt u door voortdurend na te gaan
of er voldoende "uitwijkmogelijkheden" zijn via de
aangrenzende rijstroken, als het systeem een
langzaam rijdende of stilstaande voorligger
mogelijk laat ontdekt.
Beperkingen bij kruisend verkeer
Gebied waarin City Safety tegemoetkomende kruisende
voertuigen kan detecteren.
Om te zorgen dat City Safety een tegenligger kan
detecteren waar u tegenop dreigt te botsen,
moeten tegenliggers eerst in het gebied (1)
komen waar City Safety het verloop kan analyseren.
Bovendien moet aan de volgende criteria zijn voldaan:
•
de snelheid van uw auto is minimaal 4 km/h
(3 mph)
•
uw auto slaat af naar links op markten met
rechtsrijdend verkeer (of naar rechts bij linksrijdend verkeer)
In bepaalde gevallen kan het voor City Safety
moeilijk zijn om u te helpen bij een dreigende
aanrijding met tegemoetkomend kruisend verkeer. Wat mogelijk is in de volgende gevallen:
•
bij gladheid zodat de stabiliteitsregeling ESC
ingrijpt
•
•
tegenliggers worden laat ontdekt
•
•
het zicht op tegenliggers wordt ergens door
belemmerd
tegenliggers voeren geen koplampen
tegenliggers rijden onvoorspelbaar en wisselen bijvoorbeeld in een laat stadium snel van
rijbaan.
Gerelateerde informatie
•
City Safety (p. 341)
Uw auto (1) "ziet" geen uitwijkmogelijkheid voor voorliggers (2) en kan daarom eerder een automatische remingreep verrichten.
Uw auto
Langzaamrijdende/stilstaande auto
City Safety grijpt niet met een automatische
remingreep in, zolang u de mogelijkheid hebt om
}}
347
RIJHULP
||
via een uitwijkmanoeuvre een botsing te voorkomen.
Als City Safety echter inschat dat u niet kunt uitwijken door verkeer in de aangrenzende rijstroken, kan het systeem u helpen door eerder dan
normaal een automatische remingreep te starten.
WAARSCHUWING
City Safety met zijn anticiperende functies is
een hulpmiddel en werkt niet in alle rijsituaties en verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Als bestuurder bent u er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u op een veilige manier in de
auto rijdt en daarbij de geldende verkeerswetgeving in acht neemt.
Gerelateerde informatie
•
•
City Safety (p. 341)
Beperkingen van City Safety (p. 348)
Beperkingen van City Safety
De City Safety kent in bepaalde situaties beperkingen.
Omgeving
Lage voorwerpen
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/wimpels
die uitstekende lading markeren of accessoires
zoals verstralers en frontbars die boven de motorkap uitsteken zorgen voor functiebeperkingen.
Gladheid
Bij gladheid is de remweg langer waardoor City
Safety minder goed in staat is een aanrijding te
voorkomen. In dergelijke situaties zullen het antiblokkeerremsysteem en de stabiliteitsregeling
ESC zorgen voor een optimale remkracht met
behoud van de stabiliteit.
Tegenlicht
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit
geprojecteerde waarschuwingslampje soms
moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk als u
niet recht vooruit kijkt.
Hitte
Bij een hoge interieurtemperatuur door bijvoorbeeld sterke instraling is het mogelijk dat het
visuele waarschuwingssignaal aan de binnenkant
van de voorruit mogelijk niet werkt.
348
Blikveld van gecombineerde camera en
radarsensor
Het blikveld van de camera is beperkt, zodat
voetgangers, fietsers, grotere dieren en voertuigen in bepaalde situaties niet kunnen worden
geregistreerd of later worden ontdekt dan verwacht.
Vuile voertuigen worden mogelijk later gedetecteerd dan andere voertuigen en motoren worden
in het donker mogelijk later of helemaal niet
gedetecteerd.
Als een tekstmelding op het bestuurdersdisplay
aangeeft dat de gecombineerde camera en
radarsensor geblokkeerd is, houdt dit in dat City
Safety moeilijk voetgangers, fietsers, grotere dieren, auto's of weglijnen vóór de auto kan registreren – daardoor kan City Safety mogelijk minder
goed functioneren.
Er verschijnt echter niet altijd een foutmelding bij
geblokkeerde voorruitsensoren - het is dan ook
belangrijk dat u het gebied van de voorruit vóór
de gecombineerde camera en radarsensor goed
schoonhoudt.
BELANGRIJK
Onderhoud en vervanging van onderdelen in
City Safety mogen uitsluitend door een werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
RIJHULP
Ingreep van bestuurder
Achteruitrijden
Wanneer u achteruitrijdt, is City Safety tijdelijk
gedeactiveerd.
Lage snelheid
City Safety wordt niet geactiveerd op zeer lage
snelheden (onder 4 km/h (3 mph)), wat betekent
dat het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u
een voorligger heel langzaam nadert zoals bij het
parkeren.
Actief rijgedrag
De commando's die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety niet
ingrijpt of met enige vertraging waarschuwt/
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando's geeft via stuurwiel en gaspedaal, zelfs als
een aanrijding onvermijdelijk lijkt.
Bij een actief en sportief rijgedrag vinden waarschuwingen en ingrepen daarom met enige vertraging plaats om onnodige waarschuwingen
tegen te gaan.
Overig
Plaats, plak of bevestig niets aan de buitenof binnenkant van de voorruit, vóór of rond de
gecombineerde radarsensor en camera – dat
kan storingen veroorzaken in de op de
camera gebaseerde functies.
WAARSCHUWING
Als de gecombineerde radarsensor en
camera op grond van de verkeerssituatie of
anderszins problemen heeft voetgangers, fietsers, grotere dieren of voorliggers te ontdekken, is het mogelijk dat het systeem pas laat,
onterecht of helemaal geen waarschuwing
geeft en remt.
De aanwezigheid van voorwerpen, sneeuw, ijs
of vuil in het gebied van de camerasensor kan
aanleiding geven tot een functiereductie, volledige uitschakeling of onvoorziene reacties.
's Nachts zijn voorliggers alleen te detecteren,
als de voor- en achterlichten ervan werken en
zichtbaar branden.
N.B.
De gecombineerde radarsensor en camera
heeft een beperkt bereik voor voetgangers en
fietsers, zodat het systeem voor dergelijke
weggebruikers efficiënt waarschuwt en remingrepen verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h
(30 mph). Voor stilstaande of langzaam rijdende voorliggers wordt efficiënt gewaarschuwd en geremd bij rijsnelheden tot
70 km/h (43 mph). De snelheidsreductie bij
detectie van grotere dieren bedraagt minder
dan 15 km/h (9 mph) en kan zich voordoen
bij rijsnelheden hoger dan 70 km/h (43 mph).
Op lagere snelheden zijn waarschuwingen en
remingrepen bij detectie van grote dieren
minder effectief.
In het donker of bij slecht zicht wordt mogelijk
niet gewaarschuwd voor langzaam rijdende of
stilstaande voorliggers en grote dieren.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 70 km/h (43 mph).
De functie maakt gebruik van de camera-eenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de camera-eenheid'.
N.B.
De functie maakt gebruik van de radareenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de radareenheid'.
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety (p. 341)
Beperkingen van de camera (p. 338)
Beperkingen van de radarsensor (p. 330)
349
RIJHULP
Meldingen voor City Safety
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele meldingen verschijnen ten aanzien van City Safety.
Melding
Betekenis
Automatische ingreep
Als City Safety afremt of automatisch heeft afgeremd, kunnen een of meer symbolen op het bestuurdersdisplay
gaan branden terwijl tegelijkertijd een tekstmelding wordt weergegeven.
City Safety
City Safety
Beperkte functionaliteit Service vereist
Gerelateerde informatie
•
350
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
City Safety (p. 341)
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
RIJHULP
Rear Collision Warning
Beperkingen
De Rear Collision Warning (RCW) kan u helpen
om aanrijdingen van achteren door naderende
achterliggers te voorkomen.
In bepaalde gevallen kan het voor RCW moeilijk
zijn om u te helpen bij een dreigende aanrijding.
Dat kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen zijn:
•
•
•
als een naderende achterligger laat wordt
ontdekt
•
als een naderende achterligger in een laat
stadium van rijbaan wisselt
•
•
•
als een inhalende achterligger sneller rijdt
dan 80 km/h (50 mph).
RCW wordt bij elke motorstart automatisch geactiveerd.
De RCW kan bestuurders in van achteren naderende voertuigen voor een aanrijding waarschuwen door fel met de richtingaanwijzers te knipperen.
Als de RCW bij snelheden onder 30 km/h
(20 mph) berekent dat uw auto van achteren
dreigt te worden aangereden, kan de gordelspanner de veiligheidsgordels van de voorstoelen
spannen en wordt het veiligheidssysteem
Whiplash Protection System geactiveerd.
Net voor de botsing kan RCW ook de bedrijfsrem
activeren om te voorkomen dat uw auto tijdens
de botsing wordt gelanceerd. De bedrijfsrem
wordt echter alleen geactiveerd, als uw auto stilstaat. De bedrijfsrem lost onmiddellijk als het
gaspedaal wordt ingedrukt.
Gerelateerde informatie
City Safety (p. 341)
Waarschuwingsafstand instellen voor City
Safety (p. 344)
Gordelspanners (p. 62)
Whiplash Protection System (p. 59)
N.B.
Op sommige markten waarschuwt RCW vanwege plaatselijke verkeersvoorschriften niet
met de richtingaanwijzers - in dergelijke
gevallen is dat deel van de functie daarom
gedeactiveerd.
N.B.
Waarschuwingen via de richtingaanwijzers
voor de Rear Collision Warning worden
gedeactiveerd, als de waarschuwingsafstand
voor de Collision Warning in City Safety is
ingesteld op het laagste niveau "Laat".
De functies 'gordels spannen' en 'remmen'
zijn echter nog steeds actief.
351
RIJHULP
Blind Spot Information*
trolelampje over van constant branden op knipperen met een feller licht.
Het Blind Spot Information (BLIS) dient om u te
waarschuwen voor naderende achterliggers
schuin achter en naast u bij ritten in druk verkeer
op wegen met meerdere rijbanen in dezelfde
richting.
N.B.
Het lampje gaat branden aan de kant van de
auto waar het systeem het voertuig heeft ontdekt. Als de auto aan beide kanten tegelijkertijd wordt ingehaald, gaan beide lampjes branden.
BLIS is een hulpmiddel om u te waarschuwen
voor:
•
•
voertuigen in de dode hoek
snel naderende achterliggers in de linker en
rechter rijbaan naast uw auto.
Werkingsprincipe van Blind Spot Information
Zone in dode hoek
Zone voor snel naderende achterliggers.
Blind Spot Information werkt niet als de auto
achteruitrijdt.
BLIS werkt bij snelheden hoger dan 10 km/h
(6 mph).
Het systeem reageert in de volgende gevallen:
Positie van het BLIS-lampje15.
Controlelampje
Het BLIS is te activeren/deactiveren met de
bijbehorende knop op het functiescherm van
het middendisplay.
15
352
WAARSCHUWING
Blind Spot Information werkt niet in scherpe
bochten.
•
uw auto wordt ingehaald door andere voertuigen
•
een achterligger nadert uw auto snel.
Wanneer BLIS een voertuig binnen zone 1 of een
snel naderende achterligger in zone 2 ontdekt,
brandt het controlelampje bij de desbetreffende
zijspiegel constant. Als u in deze stand de richtingaanwijzers activeert aan de kant waarvoor de
waarschuwing wordt gegeven, schakelt het con-
WAARSCHUWING
Blind Spot Information is slechts een aanvullend hulpmiddel en werkt niet in alle situaties.
Blind Spot Information vormt geen vervanging
voor een veilige rijstijl en het gebruik van de
buitenspiegels.
Ook met Blind Spot Information moet u altijd
oplettend en verantwoord blijven rijden - u
bent er altijd verantwoordelijk voor dat u op
een veilige manier van rijstrook wisselt.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
WAARSCHUWING
Het systeem is een aanvulling op, en vormt
geen vervanging voor, een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. Ook met het
systeem moet u altijd oplettend en verantwoord blijven rijden. U bent altijd zelf verantwoordelijk voor het veilig van rijbaan wisselen.
Blind Spot Information* activeren/
deactiveren
lelampjes op de buitenspiegels één keer knipperen.
Het Blind Spot Information (BLIS) is te activeren/deactiveren.
Als BLIS bij het uitschakelen van de motor
gedeactiveerd is, is dat na de volgende motorstart nog steeds zo en zal er geen controlelampje
branden.
WAARSCHUWING
Gerelateerde informatie
•
Blind Spot Information* activeren/deactiveren (p. 353)
•
Beperkingen van Blind Spot Information*
(p. 354)
•
Meldingen voor Blind Spot Information* en
Cross Traffic Alert* (p. 358)
•
Cross Traffic Alert* (p. 355)
Blind Spot Information is slechts een aanvullend hulpmiddel en werkt niet in alle situaties.
Blind Spot Information vormt geen vervanging
voor een veilige rijstijl en het gebruik van de
buitenspiegels.
Ook met Blind Spot Information moet u altijd
oplettend en verantwoord blijven rijden - u
bent er altijd verantwoordelijk voor dat u op
een veilige manier van rijstrook wisselt.
Positie van het Blind Spot Information-lampje16.
Controlelampje
–
Het BLIS is te activeren/deactiveren met de
desbetreffende knop op het functiescherm
van het middendisplay.
Druk op de knop BLIS op het functiescherm.
> BLIS wordt geactiveerd/gedeactiveerd –
in de knop verschijnt een groene/grijze
indicatie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Blind Spot Information* (p. 352)
Beperkingen van Blind Spot Information*
(p. 354)
Meldingen voor Blind Spot Information* en
Cross Traffic Alert* (p. 358)
Als BLIS bij het starten van de motor geactiveerd
is, wordt de functie bevestigd doordat de contro-
16
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire. 353
RIJHULP
Beperkingen van Blind Spot
Information*
Gerelateerde informatie
•
•
Het Blind Spot Information (BLIS) kent in
bepaalde situaties beperkingen.
Voorbeelden van beperkingen:
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken.
•
BLIS wordt gedeactiveerd, als u een aanhanger op het elektrische systeem van de auto
aansluit.
Sensoren
De sensoren voor de BLIS-functies zitten aan de
binnenkant van beide hoeken van achterspatbord/bumper. De sensoren worden tevens
gebruikt door de Cross Traffic Alert (CTA).
Blind Spot Information* (p. 352)
Blind Spot Information* activeren/deactiveren (p. 353)
•
Meldingen voor Blind Spot Information* en
Cross Traffic Alert* (p. 358)
•
Beperkingen van Cross Traffic Alert (p. 356)
Dit gebied schoonhouden – dat zowel links als rechts17.
Voor een optimale werking is het belangrijk dat
de oppervlakken vóór de sensoren schoon worden gehouden.
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers binnen het oppervlak van de sensoren.
BELANGRIJK
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van de
bumper mogen uitsluitend in een werkplaats
worden uitgevoerd. Een erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
17
354
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Cross Traffic Alert*
Cross Traffic Alert (CTA) is een hulpmiddel om u
voor kruisend verkeer te waarschuwen als u achteruitrijdt met de auto. CTA is een aanvulling op
Blind Spot Information (BLIS).
Als CTA heeft gedetecteerd dat er van de zijkant
iets aankomt, wordt dit aangegeven met:
•
WAARSCHUWING
CTA is slechts een aanvullend hulpmiddel en
werkt niet in alle situaties.
een geluidssignaal - het geluid komt uit de
linker of rechter luidspreker, afhankelijk van
waar het object vandaan komt.
•
een brandend pictogram in de grafische
PAS-voorstelling op het beeldscherm.
•
een pictogram op het hoofdscherm van de
parkeerhulpcamera.
CTA vormt geen vervanging voor een veilige
rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
Ook met CTA moet u altijd oplettend en verantwoord blijven rijden - u bent er altijd verantwoordelijk voor dat u op een veilige manier
achteruitrijdt.
Gerelateerde informatie
CTA is bedoeld om in de eerste plaats voertuigen
te ontdekken - in gunstige gevallen kunnen ook
kleinere voorwerpen zoals fietsen en voetgangers
worden ontdekt.
Cross Traffic Alert* activeren/deactiveren
(p. 356)
•
Meldingen voor Blind Spot Information* en
Cross Traffic Alert* (p. 358)
•
•
Principe voor CTA.
CTA vormt een aanvulling op de BLIS-functie
door bij achteruitrijden het kruisende verkeer
vanaf de zijkant te kunnen zien, bijvoorbeeld als
de auto achteruit een parkeervak verlaat.
•
Beperkingen van Cross Traffic Alert (p. 356)
Blind Spot Information* (p. 352)
Een brandend CTA-pictogram in de grafische PAS-voorstelling op het beeldscherm.
CTA is alleen actief als de auto achteruit rolt of in
de achteruit is gezet.
* Optie/accessoire. 355
RIJHULP
Cross Traffic Alert* activeren/
deactiveren
De Cross Traffic Alert (CTA) kan worden geactiveerd/gedeactiveerd.
De functie is te activeren/
deactiveren op het functiescherm van het middendisplay.
–
Druk op de knop Cross Traffic Alert in het
functiescherm.
> • GROENE knopindicatie - CTA is geactiveerd.
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
Cross Traffic Alert* (p. 355)
Beperkingen van Cross Traffic Alert (p. 356)
Meldingen voor Blind Spot Information* en
Cross Traffic Alert* (p. 358)
Beperkingen van Cross Traffic Alert
De Cross Traffic Alert (CTA) kent in bepaalde
situaties beperkingen.
CTA werkt niet in alle situaties optimaal, maar
heeft zijn beperkingen - zo kunnen de CTA-sensoren niet "door" andere geparkeerde voertuigen
of voorwerpen die het zicht blokkeren heen kijken.
Hier volgen enkele voorbeelden van situaties
waar het "blikveld" van het CTA aanvankelijk
beperkt kan zijn, zodat naderende voertuigen pas
op het laatste moment gedetecteerd worden:
GRIJZE knopindicatie - CTA is gedeactiveerd.
CTA is direct na het starten van de motor altijd
geactiveerd.
WAARSCHUWING
CTA is slechts een aanvullend hulpmiddel en
werkt niet in alle situaties.
CTA vormt geen vervanging voor een veilige
rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
De auto staat ver naar achteren in een parkeervak.
Ook met CTA moet u altijd oplettend en verantwoord blijven rijden - u bent er altijd verantwoordelijk voor dat u op een veilige manier
achteruitrijdt.
356
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Sensoren
BELANGRIJK
De sensoren voor de CTA-functies zitten aan de
binnenkant van beide hoeken van achterspatbord/bumper. De sensoren worden tevens
gebruikt door het Blind Spot Information (BLIS).
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van de
bumper mogen uitsluitend in een werkplaats
worden uitgevoerd. Een erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Gerelateerde informatie
•
•
In schuine parkeervakken valt de ene kant van de auto
mogelijk helemaal binnen de dode hoek van CTA.
Dode hoek van CTA.
Detectiegebied/"blikveld" van CTA.
Naarmate u verder achteruitrijdt, verandert de
hoek ten opzichte van de auto/het obstakel
die/dat in de weg zit zodat de dode hoek snel in
grootte afneemt.
Voorbeelden van andere beperkingen:
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken.
•
CTA wordt gedeactiveerd, als u een aanhanger op het elektrische systeem van de auto
aansluit.
18
Cross Traffic Alert* (p. 355)
Cross Traffic Alert* activeren/deactiveren
(p. 356)
•
Meldingen voor Blind Spot Information* en
Cross Traffic Alert* (p. 358)
•
Beperkingen van Blind Spot Information*
(p. 354)
Dit gebied schoonhouden – dat zowel links als rechts18.
Voor een optimale werking is het belangrijk dat
de oppervlakken vóór de sensoren schoon worden gehouden.
Bevestig geen voorwerpen, tape, stickers en dergelijke binnen het sensoroppervlak.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire. 357
RIJHULP
Meldingen voor Blind Spot
Information* en Cross Traffic Alert*
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele meldingen verschijnen ten aanzien van Blind Spot
Information (BLIS) en Cross Traffic Alert (CTA).
Melding
Betekenis
Dodehoeksensor
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Service vereist
Dodehoeksysteem uit
BLIS en CTA zijn gedeactiveerd, omdat er een aanhanger op het elektrische systeem van de auto is aangesloten.
Aanhanger gekoppeld
Gerelateerde informatie
•
•
358
Blind Spot Information* (p. 352)
Blind Spot Information* activeren/deactiveren (p. 353)
•
Beperkingen van Blind Spot Information*
(p. 354)
•
•
Cross Traffic Alert* (p. 355)
•
Meldingsfuncties op bestuurders- en middendisplay (p. 114)
Cross Traffic Alert* activeren/deactiveren
(p. 356)
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Verkeersbordinformatie*
WAARSCHUWING
De verkeersbordinformatie (Road Sign
Information - RSI) helpt u bij het in acht nemen
van snelheidsspecifieke verkeersborden en
bepaalde verbodsborden die u passeert.
RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften houdt.
Bordweergave van
verkeersbordinformatie
De verkeersbordinformatie (Road Sign
Information - RSI) registreert en toont verkeersborden op verschillende manieren, afhankelijk
van het bord en de situatie.
Gerelateerde informatie
•
Bordweergave van verkeersbordinformatie
(p. 359)
•
•
Informatie over flitspalen* (p. 361)
•
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
(p. 363)
Verkeersbordinformatie activeren/deactiveren (p. 362)
Voorbeelden van leesbare borden19.
RSI geeft informatie over onder meer actuele
snelheid, begin of eind van auto- of snelwegen
en eventuele inhaal- en inrijverboden.
Als u zowel een bord voor snel-/autoweg als een
bord met de maximumsnelheid passeert, toont
RSI alleen het bordsymbool voor snel-/autoweg.
De nieuwe maximumsnelheid wordt direct aangegeven met een streepje op de snelheidsmeterschaal op het bestuurdersdisplay.
19
20
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek - de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek - de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
Voorbeeld van geregistreerde snelheidsinformatie20.
Zodra RSI een verkeersbord met een voorgeschreven snelheid heeft geregistreerd, laat het
bestuurdersdisplay dat bord zien in de vorm van
een symbool en een rode aanduiding op de snelheidsschaal.
}}
* Optie/accessoire. 359
RIJHULP
||
Samen met het symbool voor
de geldende snelheidsbeperking kan ook een aanvullend
bord worden weergegeven, bijvoorbeeld voor een inhaalverbod.
Einde snelheidsbeperkingen.
Soms kent een en dezelfde weg verschillende
snelheidsbeperkingen – een aanvullend bord
geeft dan aan onder welke omstandigheden de
snelheden gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan
om een gevaarlijke weg bij bijvoorbeeld regen
en/of mist.
Als u een weg met een inrijverbod inrijdt met dit bord aan de
desbetreffende zijde, wordt u
gewaarschuwd met een knipperend symbool van dit bord op
het bestuurdersdisplay.
Einde snelweg.
Het aanvullende bord met betrekking tot regen
verschijnt alleen als de ruitenwissers zijn geactiveerd.
Bij een auto met Sensus Navigation* wordt ook
gebruik gemaakt van de kaartinformatie om te
bepalen of de auto in de verkeerde richting rijdt.
Vervolgens wordt er geen verkeersbordinformatie
weergegeven, totdat het volgende snelheidsbord
wordt geregistreerd.
U kunt ook een akoestische waarschuwing ontvangen bij het negeren van een inrijverbod als
Audiowaarschuwing geactiveerd is - zie
"Akoestische waarschuwing activeren/deactiveren" onder "Verkeersbordinformatie activeren/
deactiveren".
Aanvullende borden
Einde snelheidsbeperking of snelweg
Als RSI een bord detecteert dat kan betekenen
dat de actuele snelheidsbeperking eindigt - zoals
aan het eind van een snelweg - verschijnt
10-30 seconden lang het corresponderende verkeersbord op het bestuurdersdisplay.
Voorbeelden van dergelijke borden zijn:
20
360
Voorbeelden van aanvullende borden20.
Als er een aanhanger achter de auto is gekoppeld en u passeert een snelheidsbord met het
onderbord "aanhanger", wordt die snelheid weergegeven op het bestuurdersdisplay.
Sommige snelheden gelden
bijvoorbeeld alleen een bepaald
traject of op een bepaalde tijd
van de dag. U wordt hierop
geattendeerd met een symbool
voor een aanvullend bord onder
het snelheidssymbool. Het aanvullende symbool op het bestuurdersdisplay toont
dan ofwel "DIST", ofwel "TIME".
Een leeg vakje onder het snelheidssymbool op het bestuurdersdisplay geeft aan dat het
RSI een bord heeft geregistreerd met aanvullende informatie over de geldende snelheidsbeperking.
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek - de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Sensus Navigation
Informatie over flitspalen*
Bij een auto met Sensus Navigation, wordt er in
de volgende gevallen snelheidsspecifieke informatie opgehaald uit de navigatie-eenheid:
Auto's uitgerust met Sensus Navigation kunnen
op het bestuurdersdisplay informatie geven over
komende flitspalen.
•
Bij verkeersborden met indirecte snelheidsinformatie, zoals borden voor autosnelwegen
en autowegen en plaatsnaamborden.
•
Als een eerder waargenomen bord als niet
langer geldig wordt gezien en er geen nieuw
bord is gepasseerd.
N.B.
Informatie met betrekking tot flitskasten op
de navigatiekaarten is niet voor alle markten
beschikbaar.
Gerelateerde informatie
•
•
N.B.
Bij gebruik van navigatie via een app die van
derden is gedownload, wordt geen snelheidsinformatie van eventueel gepasseerde verkeersborden verstrekt.
ren/deactiveren" en de paragraaf "Beperkingen
voor Verkeersbordinformatie".
•
Verkeersbordinformatie* (p. 359)
Verkeersbordinformatie activeren/deactiveren (p. 362)
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
(p. 363)
Waarschuwing voor flitspaal op het bestuurdersdisplay.
Als de auto een gedetecteerde
snelheidsgrens overschrijdt,
kunt u worden gewaarschuwd
als de auto een flitspaal nadert,
op voorwaarde dat de navigatiekaarten voor de actuele
markt informatie over flitspalen
Bord voor "Schoolzone" en "Woonerf"
Als de navigatiekaart gegevens
bevat over locatie van het type
"Schoolzone" of "Woonerf",
verschijnt op het bestuurdersdisplay een bord20 van dit type.
bevatten.
Gerelateerde informatie
•
•
20
Verkeersbordinformatie* (p. 359)
Verkeersbordinformatie activeren/deactiveren (p. 362)
Voor meer informatie over Snelheidswaarschuwing in verband met flitspalen - zie het kopje
"Snelheidswaarschuwing activeren/deactiveren"
in de paragraaf "Verkeersbordinformatie active-
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek - de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
* Optie/accessoire. 361
RIJHULP
Verkeersbordinformatie activeren/
deactiveren
De snelheidswaarschuwing
bestaat uit een tijdelijk knipperend symbool op het bestuurdersdisplay voor de maximumsnelheid als de snelheid wordt
overschreden.
De verkeersbordinformatie (Road Sign
Information - RSI) is te activeren/deactiveren.
Verkeersbordinformatie activeren/
deactiveren
De functie is te activeren/
deactiveren op het functiescherm van het middendisplay.
–
Druk op de knop Road Sign Information in
het functiescherm.
> RSI wordt geactiveerd en de knop laat
een groene indicatie zien - een grijze indicatie betekent dat RSI gedeactiveerd is.
Snelheidswaarschuwing activeren/
deactiveren
De snelheidswaarschuwing waarschuwt u bij
overschrijding van de geldende snelheidslimiet. U
krijgt altijd een snelheidswaarschuwing bij overschrijding van de snelheidslimiet voor flitspalen
die in verband met de flitspaalinformatie geregistreerd staat. U kunt zelf kiezen of de functie
geactiveerd of gedeactiveerd moet zijn.
362
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car IntelliSafe
Sign Information.
3.
Kies Waarschuwing max. snelheid om de
snelheidswaarschuwing te activeren/deactiveren.
> Als de functie wordt geactiveerd, wordt er
een snelheidskiezer weergegeven.
4.
Road
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car IntelliSafe
Sign Information.
3.
Kies Audiowaarschuwing om de akoestische waarschuwing te activeren/deactiveren.
Road
Bij activering van Audiowaarschuwing krijgt u
ook bij het negeren van een inrijverbod een waarschuwing.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verkeersbordinformatie* (p. 359)
Informatie over flitspalen* (p. 361)
Bordweergave van verkeersbordinformatie
(p. 359)
U kunt het niveau waarop een snelheidswaarschuwing moet worden gegeven hoger/
lager maken door op de pijl-omhoog/omlaag
te drukken.
Let erop dat er geen rekening wordt gehouden met een uitgevoerde grenscorrectie als
het symbool voor de flitspaal op het bestuurdersdisplay staat.
Akoestische waarschuwing activeren/
deactiveren
Het is mogelijk om ook een akoestische waarschuwing te krijgen bij een snelheidswaarschuwing:
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Beperkingen van
Verkeersbordinformatie*
N.B.
De RSI-functie kan sommige soorten fietsdrager (aangesloten op de elektrische aansluiting voor aanhangers)interpreteren als een
aangekoppelde aanhanger. In dergelijke
gevallen kunt u onjuiste snelheidsinformatie
te zien krijgen.
De verkeersbordinformatie (Road Sign
Information - RSI) kent in bepaalde situaties
beperkingen.
Voorbeelden van zaken die de werking van de
RSI mogelijk begrenzen zijn:
•
•
•
•
verbleekte borden
De functie maakt gebruik van de camera-eenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de camera-eenheid'.
gedraaide of beschadigde borden
borden die hoog boven het wegdek hangen/
staan
•
borden die gedeeltelijk of geheel verscholen
of slecht geplaatst zijn
•
borden die geheel of gedeeltelijk zijn afgedekt met ijs, sneeuw en/of vuil
•
N.B.
borden in een bocht
digitale wegenkaarten21 die niet actueel of
onjuist zijn of geen snelheidsinformatie22
bevatten.
Driver Alert Control
Driver Alert Control (DAC) dient om uw aandacht te trekken, wanneer de auto op ongecontroleerde wijze bestuurd wordt (omdat u bijvoorbeeld afgeleid wordt of bijna in slaap valt).
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in het
rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie op de
grotere wegen. De functie is niet bedoeld voor
gebruik in het stadsverkeer.
De functie wordt geactiveerd bij een snelheid
hoger dan 65 km/h (40 mph) en blijft actief
zolang de snelheid boven 60 km/h (37 mph) ligt.
Gerelateerde informatie
•
•
Verkeersbordinformatie* (p. 359)
Verkeersbordinformatie activeren/deactiveren (p. 362)
•
Bordweergave van verkeersbordinformatie
(p. 359)
•
Beperkingen van de camera (p. 338)
Een camera tast de zijmarkeringen van de rijbaan
af en vergelijkt de wegrichting met uw stuurbewegingen.
21
22
Bij een auto met Sensus Navigation.
Kaartgegevens met snelheidsinformatie is niet op alle markten beschikbaar.
}}
* Optie/accessoire. 363
RIJHULP
||
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing altijd serieus, omdat
u bij slaperigheid uw lichamelijke conditie
vaak minder goed kunt inschatten.
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand om rust te houden.
Studies hebben aangetoond dat rijden bij vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als
rijden onder invloed.
WAARSCHUWING
Als het rijgedrag duidelijk
ongecontroleerd wordt, wordt u
gewaarschuwd met een
geluidssignaal en verschijnt op
het bestuurdersdisplay de melding Tijd voor een pauze? in
combinatie met een symbool.
Als u uw rijgedrag niet corrigeert wordt enige tijd
later opnieuw gewaarschuwd.
N.B.
De functie mag niet worden gebruikt om de
rijtijd te verlengen. Plan altijd regelmatig pauzes in en zorg ervoor dat u bent uitgerust.
364
Driver Alert Control werkt niet in alle situaties,
maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend
hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt.
Gerelateerde informatie
•
Driver Alert Control activeren/deactiveren
(p. 364)
•
Beperkingen van Driver Alert Control
(p. 365)
Driver Alert Control activeren/
deactiveren
De Driver Alert Control (DAC) is te activeren/
deactiveren.
Driver Alert Control activeren/
deactiveren
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
Alert Control.
3.
Kies Alertheidswaarschuwing om DAC te
activeren/deactiveren.
IntelliSafe
Driver
WAARSCHUWING
Driver Alert Control werkt niet in alle situaties,
maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend
hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt.
Begeleiding naar parkeerplaats bij
waarschuwing activeren/deactiveren
U kunt instellen of de begeleiding naar een parkeerplaats geactiveerd/gedeactiveerd moet zijn.
Als de begeleiding geactiveerd is, wordt een suggestie voor een geschikte parkeerplaats weergegeven bij een waarschuwing van DAC.
RIJHULP
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Beperkingen van Driver Alert
Control
2.
Druk op My Car
Alert Control.
De Driver Alert Control (DAC) kent in bepaalde
situaties beperkingen.
3.
Kies Begeleiding ruststop om de begeleiding naar een parkeerplaats te activeren/
deactiveren.
IntelliSafe
Driver
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert Control (p. 363)
Beperkingen van Driver Alert Control
(p. 365)
•
Pilot Assist* (p. 315)
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag – zoals
bij gebruik van Pilot Assist – zodat DAC u niet
waarschuwt. Het is daarom van zeer groot belang
dat u bij de eerste tekenen van opkomende vermoeidheid de auto op een geschikte plek parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de
vraag of DAC nu wel of niet heeft gewaarschuwd.
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit
kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
zijdelingse rukwinden
spoorvorming in het wegdek.
N.B.
De functie maakt gebruik van de camera-eenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de camera-eenheid'.
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert Control (p. 363)
•
Beperkingen van de camera (p. 338)
Driver Alert Control activeren/deactiveren
(p. 364)
* Optie/accessoire. 365
RIJHULP
Rijbaanassistent
geringe stuurbeweging actief terug de rijbaan in sturen.
De rijbaanassistent moet op snelwegen, hoofdwegen en dergelijke het risico beperken dat uw
auto onbedoeld de eigen rijbaan verlaat.
2.
De rijbaanassistent stuurt de auto terug de rijbaan in en/of waarschuwt u met geluid of met
stuurtrillingen.
N.B.
Als de richtingaanwijzer aan is, biedt de rijbaanassistent geen sturing of waarschuwing.
De rijbaanassistent is actief in het snelheidsinterval 65–200 km/h (40–125 mph) op wegen met
goed zichtbare zijlijnen.
Op smalle wegen is de functie mogelijk niet
beschikbaar en wordt dan stand-by gezet. Als de
weg weer voldoende breed is, wordt de functie
weer beschikbaar.
Bij een geactiveerde waarschuwing: Als de
auto een zijlijn dreigt te passeren, wordt u
gewaarschuwd met geluid of stuurtrillingen.
De rijbaanassistent stuurt de auto terug de rijbaan in.
WAARSCHUWING
De Rijbaanassistent is slechts een hulpmiddel
voor de bestuurder en werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en dat u
zich aan de geldende wetgeving en verkeersregels houdt.
Stuurhulp
De rijbaanassistent waarschuwt met stuurtrillingen23.
Een camera tast de zijlijnen van de weg/rijbaan af.
Afhankelijk van de instellingen reageert de rijbaanassistent als volgt:
1.
23
366
Bij geactiveerde stuurhulp: Als de auto een
zijlijn nadert, zal LKA de auto met een
De stuurtrillingen variëren; hoe langer de auto over de zijlijn rijdt, hoe langer de trillingen aanhouden.
Een voorwaarde voor de werking van LKA is dat u
uw handen aan het stuur houdt en het systeem
controleert dat voortdurend.
RIJHULP
Als u uw handen niet aan het
stuur houdt, verschijnt op het
bestuurdersdisplay het volgende symbool samen met de
melding om actief te sturen:
Rijbaanassistent grijpt niet in
•
•
slecht weer met beperkt zicht
•
wegen met onduidelijke of ontbrekende belijning.
• Lane Keeping Aid Sturen
N.B.
Als u dan niet actief gaat sturen, verschijnt het
symbool opnieuw in combinatie met een waarschuwingsgeluid en de volgende melding:
De functie maakt gebruik van de camera-eenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de camera-eenheid'.
• Lane Keeping Aid Stand-by tot stuur
wordt bekrachtigd
Als u dan nog geen gehoor geeft en de auto niet
actief stuurt, wordt LKA in de stand-bystand
gezet – het systeem is vervolgens pas weer
beschikbaar, wanneer u de auto actief stuurt.
randen of andere lijnen dan de zijlijnen van
de rijstrook
De rijbaanassistent grijpt niet in scherpe binnenbochten
in.
In bepaalde gevallen staat de rijbaanassistent u
toe om zijlijnen te passeren zonder in te grijpen
met stuurhulp of te waarschuwen – bijvoorbeeld
bij gebruik van de richtingaanwijzers of bij het
afsnijden van bochten.
Beperkingen
In bepaalde veeleisende situaties kan de rijbaanassistent u moeilijk op de juiste manier helpen –
het wordt dan geadviseerd het systeem uit te
schakelen.
Gerelateerde informatie
•
Lane Keeping Aid activeren/deactiveren
(p. 368)
•
Bescherming bij bermongevallen Run-off
Mitigation (p. 371)
•
Symbolen en meldingen voor rijbaanassistent
(p. 369)
•
Beperkingen van de camera (p. 338)
Voorbeelden daarvan:
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegomstandigheden
slecht wegdek
zeer sportief rijgedrag
367
RIJHULP
Lane Keeping Aid activeren/
deactiveren
3.
Het is mogelijk de rijbaanassistent Lane Keeping
Aid (LKA) te activeren/deactiveren en enkele
deelfuncties te kiezen.
De functie is te activeren/
deactiveren op het functiescherm van het middendisplay.
–
Druk op de knop Lane Keeping Aid op het
functiescherm.
> LKA wordt geactiveerd (knop GROEN) of
gedeactiveerd (knop GRIJS).
Type waarschuwing kiezen voor Lane
Keeping Aid
Kies onder Waarschuwende feedback
Lane Keeping Aid de waarschuwingsmethode:
• Geluid - u wordt gewaarschuwd met
geluid.
• Trilling - u wordt gewaarschuwd met
stuurtrillingen.
Assistentie-opties voor Lane Keeping
Aid
U kunt kiezen hoe LKA moet handelen als de
auto de eigen rijbaan verlaat.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car IntelliSafe
Rijbaanassistent.
3.
Kies onder Modus Lane Keeping Aid wat
LKA moet doen:
U kunt kiezen hoe LKA u moet waarschuwen als
de auto de eigen rijbaan verlaat.
• Sturen - u krijgt zonder waarschuwing
stuurhulp.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
• Beide - u krijgt een waarschuwing én
2.
Druk op My Car IntelliSafe
Rijbaanassistent.
• Waarsch - u wordt alleen gewaarschuwd.
stuurhulp.
Gerelateerde informatie
•
•
368
Rijbaanassistent (p. 366)
Symbolen en meldingen voor rijbaanassistent
(p. 369)
RIJHULP
Symbolen en meldingen voor
rijbaanassistent
Rijbaanassistent tast de ene zijlijn of beide zijlijnen van de rijstrook af.
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van
de rijbaanassistent.
Niet beschikbaar
Aanduiding van stuurhulp/waarschuwing
Symbool op het bestuurdersdisplay
De rijbaanassistent wordt gevisualiseerd met een symbool op
het bestuurdersdisplay. Het
symbool is afhankelijk van de
situatie.
Hier volgt een aantal voorbeelden van het uiterlijk van het symbool en in welke
situaties dit verschijnt:
Beschikbaar
Stuurhulp/waarschuwing - de zijlijnen van het symbool
zijn gekleurd.
Niet beschikbaar - de zijlijnen van het symbool zijn grijs.
Rijbaanassistent kan de zijlijnen van de rijstrook
niet aftasten, de snelheid is te laag of de weg is
te smal.
De rijbaanassistent geeft aan dat het systeem
waarschuwt en/of de auto terug de rijbaan in
probeert te sturen.
Symbolen en meldingen
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Beschikbaar - de zijlijnen van het symbool zijn wit.
}}
369
RIJHULP
||
Symbool
Melding
Betekenis
Best.onderst.systeem
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Beperkte functionaliteit Service vereist
Voorruitsensor
Het vermogen van de camera om de rijbaan vóór de auto af te tasten is beperkt.
Sensor afgedekt, zie handleiding
Lane Keeping Aid
Sturen
Lane Keeping Aid
Stand-by tot stuur wordt bekrachtigd
Gerelateerde informatie
•
•
370
Rijbaanassistent (p. 366)
Lane Keeping Aid activeren/deactiveren
(p. 368)
De stuurhulp van LKA werkt niet als u uw handen niet aan het stuur houdt. Houd uw handen aan het stuur.
LKA blijft stand-by staan totdat u de auto weer actief stuurt.
RIJHULP
Bescherming bij bermongevallen
Run-off Mitigation
Bescherming tegen bermongelukken met
stuurhulp
De bescherming tegen bermongelukken helpt
het risico beperken dat uw auto onbedoeld van
de weg raakt door de auto in het gegeven geval
actief weer de weg op te sturen.
Instellingen voor de bescherming tegen
bermongelukken Run-off Mitigation
Run-off Road Protection is naar keuze in of uit te
schakelen - u kunt kiezen voor Aan of Uit door op
het middendisplay het hoofdscherm te openen
en daar het volgende op te zoeken:
Het systeem is actief in het snelheidsinterval
65–140 km/h (40–87 mph) op wegen met goed
zichtbare zijmarkeringen/zijlijnen.
Een camera tast de zijkanten en zijmarkeringen
van de weg af. Als de auto de wegrand dreigt te
overschrijden, stuurt de bescherming tegen
bermongelukken de auto actief terug de weg op.
En als stuuringrepen niet genoeg zijn om een
bermongeluk te voorkomen kunnen ook remingrepen plaatsvinden.
Instellingen My Car
Rijbaanassistent
Run-off Mitigation grijpt in met stuurhulp.
Bescherming tegen bermongelukken met
stuurhulp en remingreep
Wanneer u de richtingaanwijzers gebruikt, biedt
de bescherming tegen bermongelukken geen
assistentie in de vorm van stuurhulp of remingrepen. Als het systeem detecteert dat u er een
actieve rijstijl op na houdt, grijpt de bescherming
tegen bermongelukken iets later in.
IntelliSafe
Run-off Road Protection activeren:
•
Markeer het vakje bij Hulp bij het
voorkomen van aanrijdingen, Stuurhulp
tijdens verhoogd botsrisico - het systeem
is daarmee geactiveerd.
Bij het afzetten van de motor wordt de laatst
gebruikte instelling voor de Run-off Road Protection opgeslagen om deze bij een volgende motorstart opnieuw te gebruiken.
Het systeem heeft twee activeringsniveaus:
•
•
Remingrepen helpen in situaties waar stuurhulp
alleen niet voldoende is. De remkracht wordt
automatisch afgestemd op de situatie waarin een
bermongeluk dreigt.
Beperkingen van de bescherming
tegen bermongelukken Run-off
Mitigation
Alleen stuurhulp
Stuurhulp en remingreep
Run-off Mitigation grijpt in met stuurhulp en remingreep.
In bepaalde veeleisende situaties kan de
bescherming tegen bermongelukken u moeilijk
op de juiste manier helpen – het wordt dan geadviseerd het systeem uit te schakelen.
}}
371
RIJHULP
||
Voorbeelden daarvan:
•
•
•
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegomstandigheden
smalle wegen
slecht wegdek
zeer sportief rijgedrag
slecht weer met beperkt zicht
wegen met onduidelijke of ontbrekende zijmarkeringen
randen of andere lijnen dan de zijmarkeringen
WAARSCHUWING
De Run-off Road Protection is alleen een
hulpmiddel en werkt niet in alle rijsituaties en
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Het systeem is niet in staat om barrières, vangrails en dergelijke naast de rijbaan te detecteren.
Als bestuurder bent u er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u op een veilige manier in de
auto rijdt en daarbij de geldende verkeerswetgeving in acht neemt.
N.B.
De functie maakt gebruik van de camera-eenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de camera-eenheid'.
372
Gerelateerde informatie
•
Symbolen en meldingen voor bescherming
bij bermongelukken (p. 373)
•
•
Rijbaanassistent (p. 366)
Beperkingen van de camera (p. 338)
RIJHULP
Symbolen en meldingen voor
bescherming bij bermongelukken
de bescherming bij bermongelukken Run-off
Mitigation.
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Symbool
Melding
Betekenis
Automatische ingreep
Bij activering van de bescherming bij bermongelukken krijgt u een melding te zien dat het
systeem ingeschakeld is.
City Safety
Best.onderst.systeem
Beperkte functionaliteit Service vereist
Voorruitsensor
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Het vermogen van de camera om de rijbaan vóór de auto af te tasten is beperkt.
Sensor afgedekt, zie handleiding
Gerelateerde informatie
•
Bescherming bij bermongevallen Run-off
Mitigation (p. 371)
373
RIJHULP
Parkeerhulp*
De parkeerhulp helpt u bij het parkeren in
krappe ruimten door de afstand tot obstakels
aan te geven met geluidssignalen in combinatie
met grafische voorstellingen op het bestuurdersdisplay.
ondertussen het audiosysteem beluistert, wordt
het volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Bij obstakels voor en naast de auto worden er
zolang de auto rijdt geluidssignalen gegeven,
maar deze geluidssignalen verdwijnen wanneer
de auto zo'n 2 seconden stilstaat. Bij obstakels
achter de auto blijven de geluidssignalen ook
klinken, wanneer de auto stilstaat.
Wanneer de auto een obstakel voor of achter de
auto tot op minder dan 30 cm is genaderd,
bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken
toon en is de sensorsector die het dichtst bij het
autosymbool ligt geheel gevuld.
Beeldscherm met obstakelzones en sensorsectoren.
Op het middendisplay verschijnt een schematische weergave van de onderlinge posities van de
auto en eventuele obstakels.
De gemarkeerde sector geeft aan waar het
obstakel zich bevindt. De gemarkeerde sector ligt
dichter bij het autosymbool, naarmate de afstand
tussen de auto en het waargenomen obstakel
kleiner is.
Hoe korter de afstand tot het obstakel, des te
korter op elkaar klinken de signalen. Wanneer u
374
WAARSCHUWING
•
Hoewel de Park Assist handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig
bij eventuele fouten.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de sensoren zitten, zal het systeem ze
niet kunnen ontdekken.
•
Houd mensen, dieren e.d. in de buurt van
de auto daarom in de gaten.
Achterzijde
Het volume van de parkeerhulp is als het geluidssignaal klinkt bij te stellen met behulp van de
[>II]-knop op de middenconsole. U kunt het
volume ook bijstellen met behulp van menu-optie
Instellingen van het hoofdmenu.
N.B.
•
Geluidssignalen worden alleen gegeven
voor obstakels die zich op direct op het
traject van de auto bevinden.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Als de auto in zijn vrij achteruitrolt of wanneer u
de keuzehendel in de stand voor achteruitrijden
zet, worden de sensoren aan de achterzijde
geactiveerd.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Het meetgebied strekt tot zo'n 1,5 meter achter
de auto.
zijn actief bij snelheden lager dan 10 km/h
(6 mph).
Bij het achteruitrijden met een aanhanger achter
de auto wordt de parkeerhulp automatisch
gedeactiveerd.
Het meetgebied strekt tot zo'n 30 cm naast de
zijkanten. Bij detectie van obstakels aan de zijkant komen de geluidssignalen uit de luidsprekers aan de zijkant.
N.B.
Bij het achteruitrijden met een aanhanger
achter de auto of een fietsdrager op de trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel
van Volvo – moet u de Park Assist mogelijk
handmatig uitschakelen om te voorkomen dat
de sensoren erop reageren.
N.B.
De parkeerhulp wordt gedeactiveerd wanneer
u de parkeerrem aanzet of als u bij een auto
met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P zet.
Voorzijde
BELANGRIJK
Bij montage van verstralers: Let erop dat deze
de sensoren niet mogen hinderen - de verstralers kunnen dan als obstakel worden
gezien.
Gerelateerde informatie
Aan de zijkanten
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
•
•
•
•
•
Parkeerhulp activeren/deactiveren* (p. 376)
Beperkingen van parkeerhulp* (p. 376)
Meldingen voor Parkeerhulp* (p. 378)
Parkeerhulpcamera* (p. 379)
Actieve parkeerhulp* (p. 386)
De voorsensoren van de parkeerhulp worden bij
het starten van de motor automatisch geactiveerd. De voorsensoren zijn actief bij snelheden
lager dan 10 km/h (6 mph).
Het meetgebied strekt tot zo'n 0,8 meter voor de
auto.
De zijsensoren van de parkeerhulp worden bij het
starten van de motor automatisch geactiveerd. Ze
* Optie/accessoire. 375
RIJHULP
Parkeerhulp activeren/deactiveren*
Beperkingen van parkeerhulp*
De parkeerhulp is te activeren/deactiveren.
De functie parkeerhulp kent in bepaalde situaties
beperkingen.
De voor- en zijsensoren van de parkeerhulp worden automatisch geactiveerd bij het starten van
de motor - de achtersensoren als de auto achteruitrolt of als de achteruitversnelling wordt geselecteerd.
De functie is te activeren/
deactiveren op het functiescherm van het middendisplay.
De parkeerhulp is ook te activeren/deactiveren vanuit de
camera-aanzichten.
–
Druk op de knop Parkeerhulp op het functiescherm.
> Parkeerhulp wordt geactiveerd/gedeactiveerd, in de knop verschijnt een groene/
grijze indicatie.
N.B.
Wanneer het elektrische systeem van de auto
is geconfigureerd voor een trekhaak, wordt de
uitsteeklengte van de trekhaak meegerekend
bij het meten van de afstand tot obstakels
achter de auto.
BELANGRIJK
Obstakels zoals kettingen, smalle glanzende
palen of lage obstakels kunnen "afgeschaduwd" worden en worden in dat geval tijdelijk
niet geregistreerd door de sensoren – het
onderbroken geluidssignaal kan dan plotseling wegvallen in plaats van over te gaan in
het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
De sensoren kunnen geen hoge obstakels
ontdekken, zoals uitstekende laadperrons.
•
Wees in dergelijke gevallen extra voorzichtig en bedien/verrijd de auto erg
langzaam of breek de parkeermanoeuvre
af – er bestaat groot gevaar voor materiele schade aan de auto of de omgeving,
aangezien de informatie afkomstig van de
sensoren in dergelijke situaties niet altijd
betrouwbaar is.
Gerelateerde informatie
•
•
376
Parkeerhulp* (p. 374)
Cross Traffic Alert* (p. 355)
* Optie/accessoire.
RIJHULP
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan het parkeerhulpsysteem ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door externe
geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van dezelfde frequentie als de sensoren
van het systeem.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
onder andere claxons, natte banden op asfalt,
pneumatische remmen en uitlaatgeluid van
motorfietsen.
Onderhoud
De parkeerhulp werkt alleen optimaal, wanneer u
de bijbehorende sensoren regelmatig reinigt met
water en autoshampoo.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
aanleiding geven tot onterechte waarschuwingssignalen, tot systeembeperkingen of
ervoor zorgen dat het systeem niet meer
werkt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 374)
Parkeerhulp activeren/deactiveren* (p. 376)
Meldingen voor Parkeerhulp* (p. 378)
De plaats van de sensoren24.
24
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire. 377
RIJHULP
Meldingen voor Parkeerhulp*
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele meldingen verschijnen ten aanzien van Parkeerhulp.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Melding
Betekenis
Parkeerhulpsysteem
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Niet beschikbaar Service vereist
Parkeerhulpsysteem
Sensoren afgedekt, schoonmaken vereist
Een of meer van de sensoren van het systeem zijn geblokkeerd. Controleer dit en verhelp de storing zo
spoedig mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
•
378
Parkeerhulp* (p. 374)
Parkeerhulp activeren/deactiveren* (p. 376)
Beperkingen van parkeerhulp* (p. 376)
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Parkeerhulpcamera*
CTA* - Cross Traffic Alert activeren/deactiveren
De parkeerhulpcamera helpt u bij het parkeren in
krappe ruimten door obstakels weer te geven
met camerabeelden en grafische voorstellingen
op het middendisplay.
Overzicht
De parkeerhulpcamera is een hulpsysteem dat, al
naargelang de gekozen instelling, automatisch
wordt geactiveerd als er in de achteruit wordt
geschakeld of handmatig wordt geactiveerd via
het middendisplay.
Zoomen26 - in-/uitzoomen
WAARSCHUWING
•
De parkeercamera is alleen bedoeld als
hulpmiddel en zodat de bestuurder eindverantwoordelijk blijft tijdens het achteruitrijden.
•
De camera kent dode hoeken waarin
registratie van obstakels niet mogelijk is.
•
Houd mensen en dieren in de buurt van
de auto in de gaten.
Camera-aanzichten
De functie kan een gecombineerde 360°-aanzicht tonen én een afzonderlijk aanzicht voor de
vier camera's: achter, voor, links of rechts. Bovenaan in het geselecteerde aanzicht staat welke
camera er actief is.
Lijnen - hulplijnen activeren/deactiveren
Trekhaak* - hulplijn voor trekhaak activeren/
deactiveren*25
Camera 360°-aanzicht*
Approximatief dekkingsgebied van de parkeerhulpcamera's.
Alle vier de zijden van de auto worden gelijktijdig
op het middendisplay weergegeven, zodat u bij
manoeuvreren op lage snelheden kunt zien wat
er zich rond de auto bevindt.
Iedere camera-aanzichten is apart te activeren
door het "blikveld" van de gewenste camera op
het beeldscherm aan te raken - bijvoorbeeld het
gebied voor/boven de frontcamera.
Bij een auto die ook voorzien is van parkeerhulp*
wordt de afstand tot gedetecteerde obstakels
aangegeven met velden in verschillende kleuren.
PAS* - parkeerhulp activeren/deactiveren
25
26
Niet beschikbaar op alle markten.
Bij het inzoomen doven de hulplijnen.
}}
* Optie/accessoire. 379
RIJHULP
||
Achterzijde
Voorzijde
N.B.
Voor automatische heractivering van de frontcamera bij snelheidsdaling moet u
Automatische achteruitrijcamera
activeren hebben gekozen in Instellingen
My Car Parkeerhulp.
Naar zijkanten
De achtercamera27 zit boven de kentekenplaat.
De parkeerhulpcamera27 vooruit zit in de grille.
De camera beslaat een breed gebied achter de
auto. Bij bepaalde modellen is ook een deel van
de achterbumper zichtbaar plus een eventuele
trekhaak.
De frontcamera kan handig zijn bij het invoegen
vanuit een oprit waarbij het zicht naar beide zijden bijvoorbeeld door heggen beperkt is. De
camera is actief bij snelheden tot 25 km/h
(16 mph) - bij hogere snelheden wordt de frontcamera uitgeschakeld.
Voorwerpen op het middendisplay lijken mogelijk
over te hellen – dit is volkomen normaal.
N.B.
Voorwerpen op het middendisplay kunnen
dichter bij de auto zijn dan dat ze op het
scherm lijken te zijn.
27
380
Als de rijsnelheid een waarde van 50 km/h
(30 mph) niet bereikt maar binnen 60 seconden
na uitschakeling van de frontcamera daalt tot
onder 22 km/h (14 mph), wordt de camera
opnieuw geactiveerd.
De zijcamera's27 zitten in beide buitenspiegels.
De zijcamera's geven weer wat er zich aan de
desbetreffende zijde naast de auto bevindt.
Gerelateerde informatie
•
•
Parkeerhulpcamera starten* (p. 383)
Hulplijnen en velden voor de parkeerhulpcamera* (p. 381)
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
•
Beperkingen van de parkeerhulpcamera*
(p. 384)
Hulplijnen en velden voor de
parkeerhulpcamera*
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 374)
De parkeerhulpcamera geeft met lijnen in het
camerabeeld aan waar de auto zich ten opzichte
van de omgeving bevindt.
Cross Traffic Alert* (p. 355)
Actieve parkeerhulp* (p. 386)
Hulplijnen
De hulplijnen zijn inclusief de uitstekende delen
van de auto, zoals de trekhaak, buitenspiegels en
hoeken.
N.B.
Er verschijnen geen hulplijnen bij het inzoomen.
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de lijnen op het
scherm de baan van de auto aan – niet
die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen lijnen op het scherm,
wanneer er een aanhanger/caravan is
aangesloten op het elektrische systeem
van de auto.
Voorbeeld van hoe hulplijnen voor de bestuurder
getoond worden.
De hulplijnen geeft de denkbeeldige baan van de
contouren van de auto aan bij de actuele stuuruitslag - dit vereenvoudigt het achteruit insteken,
achteruitrijden in krappe ruimten en aankoppelen
van aanhangers.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd
als stonden ze op de grond achter de auto. De lijnen zijn bovendien afhankelijk van de stuuruitslag, zodat u ook tijdens het draaien kunt zien
welke baan de auto zal nemen.
}}
* Optie/accessoire. 381
RIJHULP
||
BELANGRIJK
Hulplijnen in 360°-weergave*
Hulplijn voor trekhaak
360°-weergave met hulplijnen.
Trekhaak met hulplijn.
Let op: als u het camerabeeld naar achteren
hebt gekozen, toont het middendisplay alleen
het gebied achter de auto - let dan zelf op de
zijkanten en voorkant van de auto als u bij het
achteruitrijden aan het stuur draait.
Hetzelfde geldt ook omgekeerd - let op wat
er met het achterste deel van de auto gebeurt
als u het camerabeeld naar voren hebt gekozen.
Denk eraan dat de hulplijnen de kortste weg
laten zien. Let daarom extra goed op dat de
zijkanten van de auto nergens naar toe/
nergens overheen bewegen als u bij vooruitrijden aan het stuur draait of dat de voorkant
niet naar iets toe/over iets heen beweegt als
u bij achteruitrijden aan het stuur draait.
•
•
Bij vooruitrijden: Frontlijnen
Bij achteruitrijden: Zijlijnen en achteruitrijlijnen.
Wanneer u hebt gekozen voor de frontcamera of
achteruitrijcamera worden de hulplijnen ongeacht
de rijrichting van de auto weergegeven. Wanneer
u hebt gekozen voor de zijcamera worden de
hulplijnen alleen weergegeven tijdens het achteruitrijden.
382
Trekhaak - hulplijn voor trekhaak activeren*.
Met 360°-weergave worden - afhankelijk van de
rijrichting - achter, voor en aan de zijkant van de
auto hulplijnen getoond:
Zoomen - in-/uitzoomen.
De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhanger door de weergave van
een hulplijn voor de virtuele "baan" van de trekhaak naar de aanhanger.
1.
Druk op Trekhaak (1).
> De hulplijn voor de virtuele "baan" van de
trekhaak wordt weergegeven. Tegelijkertijd verdwijnen de hulplijnen van de auto.
2.
Druk op Zoomen (2) als u nauwkeurig moet
manoeuvreren.
> Er wordt ingezoomd op de camerabeelden.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Er zijn niet tegelijkertijd hulplijnen weer te geven
voor de auto en de trekhaak.
Sensorveld van parkeerhulp*
Als de auto uitgerust is met Parkeerhulp* wordt
voor iedere sensor die een obstakel waarneemt
de afstand met gekleurde velden in 360°-weergave weergegeven.
Sensorveld achteruit en vooruit
Afstand (meter)
Oranje
0,6-1,5
De parkeerhulpcamera kan automatisch starten
bij het inschakelen van de achteruitversnelling of
handmatig via het middendisplay.
Oranje
0,4-0,6
Parkeerhulpcamera starten
Rood
0-0,4
•
•
•
De kleur van de velden voor de sensoren achteruit en vooruit verandert als de afstand tot het
obstakel kleiner wordt - van geel, via oranje naar
rood.
Om de parkeerhulpcamera
handmatig te starten:
Sensorvelden naar de zijkanten
De zijvelden worden uitsluitend weergegeven met
de kleur oranje.
Veldkleur zijkanten
Afstand (meter)
Oranje
0–0,3
Gerelateerde informatie
Op het autosymbool rechts kan het beeldscherm
gekleurde sensorvelden tonen.
Parkeerhulpcamera starten*
Veldkleur achteruit en vooruit
Parkeerhulpcamera* (p. 379)
Parkeerhulpcamera starten* (p. 383)
Beperkingen van de parkeerhulpcamera*
(p. 384)
–
Druk op de knop Camera op het functiescherm van het middendisplay.
> De parkeerhulpcamera wordt gestart.
Camerastart in verschillende situaties
Bij een druk op de knop hangt het van de rijsnelheid en de rijrichting van de auto af of de camera
een bovenaanzicht of vooraanzicht hanteert:
•
Bovenaanzicht: Tijdens stilstand en vooruitrijden - 0-15 km/h (0-9 mph).
•
Bovenaanzicht: Tijdens stilstand en achteruitrijden - ongeacht snelheid.
•
Vooraanzicht: Tijdens vooruitrijden
15-22 km/h (9-14 mph).
}}
* Optie/accessoire. 383
RIJHULP
||
Automatische start parkeerhulpcamera
activeren/deactiveren
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Beperkingen van de
parkeerhulpcamera*
De automatische start van de parkeerhulpcamera
bij inschakeling van de achteruitversnelling is te
activeren/deactiveren.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Zicht achteruit in plaats van 360°beeld om het achterste camerabeeld als
basisscherm te activeren/deactiveren.
De functie parkeerhulpcamera kent in bepaalde
situaties beperkingen.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Automatische achteruitrijcamera
activeren om het automatisch starten te
activeren/deactiveren.
Parkeerhulp.
Camera automatisch deactiveren
Het vooraanzicht dooft bij 25 km/h (16 mph) om
u niet af te leiden. Als gekozen is voor de instelling Automatische achteruitrijcamera
activeren, wordt de camera bij een snelheid van
22 km/h (14 mph) binnen 60 seconden opnieuw
geactiveerd. Bij een snelheid hoger dan 50 km/h
(31 mph) wordt het vooraanzicht niet opnieuw
geactiveerd.
Parkeerhulp.
Gerelateerde informatie
•
Hulplijnen en velden voor de parkeerhulpcamera* (p. 381)
•
Beperkingen van de parkeerhulpcamera*
(p. 384)
•
Contactslotstanden (p. 397)
De parkeerhulpcamera kan niet in alle situaties
alle objecten zien – houd rekening met de volgende beperkingen.
N.B.
Fietsdragers of andere accessoires achter op
de auto kunnen het blikveld van de camera
blokkeren.
Dode hoeken
Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied er
op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke,
verborgen gebied dusdanig groot kan zijn dat
obstakels pas worden geregistreerd wanneer de
auto er bijna bovenop zit.
De overige camera-aanzichten doven bij 15 km/h
(9 mph) en worden niet opnieuw geactiveerd.
Basisweergave voor
parkeerhulpcamera achterzijde
Wanneer Automatische achteruitrijcamera
activeren gekozen is kunt u de camera-aanzichten kiezen die bij inschakeling van de achteruitversnelling moet worden geactiveerd: het achteraanzicht of het bovenaanzicht over 360°*.
384
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Onderhoud
Maak cameralenzen regelmatig schoon met lauw
water en autoshampoo. Wees voorzichtig zodat er
geen krassen op de lens komen.
N.B.
Houd voor optimale werking de cameralens
vrij van vuil, sneeuw en ijs. Dit is vooral van
belang in slechte lichtomstandigheden.
Gerelateerde informatie
Er zitten "dode" hoeken tussen de blikvelden van de
camera's.
In de 360°-weergave kunnen obstakels/voorwerpen "verdwijnen" in de overgangen tussen de
afzonderlijke camera's.
Defecte camera
Als een camerasector zwart
blijft en het nevenstaande symbool bevat, betekent dit dat de
desbetreffende camera defect
is. Hieronder een voorbeeld.
De linker camera van de auto is defect.
Zwarte camerasector
Ook in de volgende gevallen blijft de desbetreffende camerasector zwart, zij het zonder het
symbool voor een defecte camera:
•
•
•
•
•
•
Parkeerhulpcamera* (p. 379)
Parkeerhulpcamera starten* (p. 383)
Hulplijnen en velden voor de parkeerhulpcamera* (p. 381)
geopend portier
geopende achterklep
ingeklapte buitenspiegel.
Lichtomstandigheden
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit
kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat
kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit betreft.
Slechte lichtomstandigheden leveren mogelijk
een slechtere beeldkwaliteit op.
* Optie/accessoire. 385
RIJHULP
Actieve parkeerhulp*
De actieve parkeerhulp (Park Assist Pilot - PAP)
helpt u bij het parkeren in en het wegrijden uit
een parkeervak.
PAP controleert eerst of een ruimte groot
genoeg is en helpt u vervolgens bij het draaien
van het stuur en het in die ruimte sturen van de
auto.
Op het middendisplay wordt met symbolen, grafische voorstellingen en teksten aangegeven wat u
wanneer moet doen.
N.B.
WAARSCHUWING
PAP werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en het gebied rond de auto goed in
de gaten houdt om naderende of passerende
verkeersdeelnemers tijdig op te merken.
3.
De auto wordt netjes in het midden van het
vak geparkeerd door voor-/achteruit te rijden.
Met Uitparkeren kan een parallel geparkeerde
auto ook hulp krijgen van PAP om een parkeervak te verlaten - zie de rubriek "Uit een parkeervak rijden" in artikel "Parkeren met actieve parkeerhulp".
Parkeervarianten
PAP is te gebruiken bij de volgende parkeervarianten.
Fileparkeren
PAP meet de ruimte en stuurt de auto - aan u
de taak om:
•
goed op de omgeving rond de auto te letten
•
de instructies op het middendisplay op te
volgen
•
•
te schakelen (achteruit/vooruit)
•
te remmen en de auto tot stilstand te
brengen.
de snelheid te regelen en daarbij een veilige snelheid aan te houden
Principe voor fileparkeren of achteruit insteken.
Het PAP-systeem parkeert de auto aan de hand
van de volgende stappen:
386
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
2.
De auto wordt achteruit het vak ingestuurd.
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Achteruit insteken
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeren met actieve parkeerhulp* (p. 387)
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp*
(p. 390)
Meldingen voor Actieve parkeerhulp*
(p. 393)
Parkeren met actieve parkeerhulp*
De actieve parkeerhulp (Park Assist Pilot - PAP)
helpt u in drie fasen bij het parkeren. De functie
kan u ook helpen om uit een parkeervak te rijden.
N.B.
PAP meet de ruimte en stuurt de auto - aan u
de taak om:
Principe voor (achteruit) insteken.
Het PAP-systeem parkeert de auto aan de hand
van de volgende stappen:
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
2.
De auto wordt achteruit/vooruit het parkeervak in gestuurd en netjes in het midden
geparkeerd door voor-/achteruit te rijden.
N.B.
Een haaks geparkeerde auto kan niet met
behulp van de PAP-functie Uitparkeren een
parkeervak verlaten - die functie is alleen te
gebruiken voor een parallel geparkeerde auto.
•
goed op de omgeving rond de auto te letten
•
de instructies op het middendisplay op te
volgen
•
•
te schakelen (achteruit/vooruit)
•
te remmen en de auto tot stilstand te
brengen.
de snelheid te regelen en daarbij een veilige snelheid aan te houden
PAP is te activeren als na het starten van de
motor aan de volgende criteria is voldaan:
•
Er is geen aanhanger aan de auto gekoppeld.
•
De snelheid moet lager zijn dan 30 km/h
(20 mph).
}}
* Optie/accessoire. 387
RIJHULP
||
N.B.
De afstand tussen de auto en parkeervakken
moet 0,5–1,5 meter bedragen, wanneer PAP
de omgeving aftast op zoek naar een passende parkeerplek.
2.
Druk op de knop Inparkeren op het functiescherm.
> PAP zoekt een parkeervak en meet of dit
vak groot genoeg is.
3.
Let op het middendisplay. Stop de auto als
de grafische voorstellingen en een melding
aangeven dat er een geschikt parkeervak is
gevonden.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
4.
Kies Fileparkeren of Haaks parkeren en
schakel in de achteruit.
Parkeren
Het PAP-systeem parkeert de auto aan de hand
van de volgende stappen:
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
2.
De auto wordt achteruit het vak ingestuurd.
3.
De auto wordt netjes in het midden van het
vak geparkeerd - het systeem kan u vragen
om te schakelen.
Principe voor fileparkeren.
N.B.
PAP zoekt een geschikte ruimte om te parkeren, geeft instructies en parkeert de auto aan
de passagierskant in. Desgewenst kunt u de
auto ook aan de bestuurderszijde van de
straat parkeren:
Parkeervakken zoeken en meten
De functie is te activeren op
het functiescherm van het middendisplay.
•
Deze is ook bereikbaar vanuit
de camerabeelden.
Principe voor (achteruit) insteken.
1.
388
Rijd maximaal 30 km/h (20 mph) voordat u
gaat fileparkeren of maximaal 20 km/h
(12 mph) voordat u achteruit gaat insteken.
Schakel de richtingaanwijzers aan
bestuurderszijde in, waarna het systeem
een geschikte parkeerplek aan deze kant
van de straat zoekt.
RIJHULP
Achteruit in het parkeervak rijden
2.
Rijd langzaam en voorzichtig achteruit en
raak het stuurwiel niet aan – rijd niet sneller
dan 7 km/h (4 mph).
> PAP zal de auto het parkeervak insturen.
3.
Let op het middendisplay. Stop de auto als
dit met grafische voorstellingen en een melding van u verlangd wordt.
Auto netjes in het midden van het
parkeervak parkeren
N.B.
Fileparkeren.
•
Houd uw handen weg van het stuurwiel
als de PAP-functie is geactiveerd.
•
Let erop dat het stuurwiel niet door iets
wordt gehinderd en vrij kan draaien.
•
Wacht voor het beste resultaat totdat het
stuurwiel is uitgedraaid, voordat u achteruit/vooruit rijdt.
Fileparkeren.
Achteruit insteken.
1.
Controleer of de ruimte achter de auto vrij is.
Achteruit insteken.
1.
Zet de keuzehendel in stand D. Wacht totdat
het stuur gedraaid is en rijd langzaam vooruit.
}}
389
RIJHULP
||
2.
Let op het middendisplay. Stop de auto als
dit met grafische voorstellingen en een melding van u verlangd wordt.
3.
Schakel in de achteruit en rijd langzaam achteruit.
4.
Let op het middendisplay. Stop de auto als
dit met grafische voorstellingen en een melding van u verlangd wordt.
Het systeem wordt automatisch gedeactiveerd,
waarna met grafische voorstellingen en een melding wordt aangegeven dat het insteken is afgerond. U moet mogelijk later corrigeren - alleen u
kunt beoordelen of de auto goed geparkeerd
staat.
BELANGRIJK
De waarschuwingsafstand is korter, wanneer
de sensoren worden gebruikt door PAP dan
wanneer Park Assist de sensoren gebruikt.
Uit een parkeervak rijden
N.B.
Het verlaten van een parkeervak met
Uitparkeren is alleen bestemd voor een
parallel geparkeerde auto - het systeem werkt
niet voor een haaks geparkeerde auto.
390
U activeert Uitparkeren op het
functiescherm van het middendisplay.
Beperkingen van de Actieve
parkeerhulp*
De actieve parkeerhulp (Park Assist Pilot – PAP)
kent in bepaalde situaties beperkingen.
Parkeren afbreken
1.
Druk op de knop Uitparkeren op het functiescherm.
2.
Geef met de richtingaanwijzer aan in welke
richting de auto het parkeervak moet verlaten.
3.
Let op het middendisplay. Volg de aanwijzingen op dezelfde manier als bij het parkeren.
Let erop dat het stuur kan "terugveren" bij het
uitschakelen van de functie. U moet dan mogelijk
het stuur terugdraaien tot de maximale stuuruitslag om uit het parkeervak te kunnen rijden.
Als PAP oordeelt dat u zonder extra manoeuvres
het parkeervak kunt uitrijden, zal de functie worden afgesloten, ook al denkt u misschien dat de
auto nog in het parkeervak staat.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Actieve parkeerhulp* (p. 386)
Een parkeerprocedure wordt afgebroken:
•
•
als u het stuurwiel aanraakt
•
als u op Annuleren op het middendisplay
drukt
•
bij een ingreep van het antiblokkeerremsysteem of de elektronische stabiliteitsregeling,
bijvoorbeeld als een wiel geen grip meer
heeft bij een glad wegdek.
als u te snel met de auto rijdt – sneller dan
7 km/h (4 mph)
In voorkomende gevallen laat een melding op het
middendisplay u weten waarom de parkeerprocedure is afgebroken.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken,
neemt de functie af en kan meten onmogelijk
worden gemaakt.
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp*
(p. 390)
Meldingen voor Actieve parkeerhulp*
(p. 393)
* Optie/accessoire.
RIJHULP
parkeervak, wanneer het PAP de beschikbare ruimte meet.
BELANGRIJK
Onder bepaalde omstandigheden kan PAP
geen parkeerplaatsen vinden - een reden kan
zijn dat de sensoren worden verstoord door
externe geluidsbronnen, die dezelfde ultrasoonfrequenties afgeven als waar het systeem mee werkt.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn o.a.
claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van motorfietsen.
•
•
Let erop dat de voorkant van de auto tijdens
het parkeren kan uitzwenken naar het tegemoetkomende verkeer.
•
Voorwerpen boven het detectiegebied van de
sensoren worden niet meegenomen bij het
berekenen van de parkeermanoeuvre, waardoor PAP mogelijk te vroeg het parkeervak
indraait. Vermijd daarom parkeervakken met
dergelijke hoge voorwerpen.
Uw verantwoordelijkheid
Vergeet niet dat PAP een hulpmiddel is en geen
onfeilbaar en volautomatisch systeem. Wees
daarom altijd voorbereid om de parkeermanoeuvre te onderbreken.
Er zijn ook een paar details waar u bij het parkeren op moet letten, bijvoorbeeld:
•
•
28
29
PAP gaat uit van de onderlinge positie van
de geparkeerde voertuigen – als deze ongelukkig geparkeerd staan, kunnen de banden
en velgen van uw auto beschadigd raken bij
contact met de stoeprand.
PAP is bedoeld voor inparkeren in rechte
straatgedeelten – niet in straatgedeelten met
sterke krommingen of scherpe bochten. Zorg
daarom dat de auto evenwijdig staat aan het
In smalle straten zijn niet altijd parkeervakken
te vinden, omdat er mogelijk te weinig ruimte
voor manoeuvreren is.
•
U moet bepalen of het vak dat PAP voorstelt
geschikt is om in te parkeren.
•
Gebruik goedgekeurde banden28 met de
juiste bandenspanning - dit is van invloed op
de parkeermogelijkheden van PAP.
•
Hevige regen of sneeuwval kan ertoe leiden
dat het parkeervak niet op een juiste manier
wordt gemeten.
•
Gebruik PAP niet als u sneeuwkettingen of
een reservewiel hebt gemonteerd.
•
Gebruik PAP niet als er lading buiten de auto
uitsteekt.
•
Haakse parkeervakken kunnen worden
gemist of ten onrechte worden gedetecteerd,
Met 'goedgekeurde banden' wordt bedoeld: banden van hetzelfde type en merk als die bij levering af fabriek origineel waren gemonteerd.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
als een geparkeerde auto meer uitsteekt dan
de andere geparkeerde auto's.
BELANGRIJK
Bij montage van een andere goedgekeurde
maat velgen en/of banden kan de omtrek van
de banden veranderen, zodat de PAP-parameters mogelijk moeten worden bijgewerkt.
Informeer bij een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Onderhoud
Locatie van de PAP-sensoren29.
PAP werkt alleen correct, wanneer u de bijbehorende sensoren regelmatig reinigt met water en
autoshampoo.
}}
391
RIJHULP
||
392
Gerelateerde informatie
•
•
Actieve parkeerhulp* (p. 386)
Parkeren met actieve parkeerhulp* (p. 387)
* Optie/accessoire.
RIJHULP
Meldingen voor Actieve
parkeerhulp*
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele meldingen verschijnen ten aanzien van de Actieve
parkeerhulp (Park Assist Pilot – PAP).
Melding
Betekenis
Parkeerhulpsysteem
Een of meer van de sensoren van de systemen zijn geblokkeerd. Controleer dit en verhelp de storing zo
spoedig mogelijk.
Sensoren afgedekt, schoonmaken vereist
Parkeerhulpsysteem
Niet beschikbaar Service vereist
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Actieve parkeerhulp* (p. 386)
Parkeren met actieve parkeerhulp* (p. 387)
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp*
(p. 390)
* Optie/accessoire. 393
STARTEN EN RIJDEN
STARTEN EN RIJDEN
Alcoholslot*
Alcoholslot* omzeilen
Het alcoholslot voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Voordat de motor kan worden gestart, moet u een
blaastest afgeven om vast te stellen dat u niet
onder de invloed van alcohol bent. Het alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte van de
grenswaarde voor verkeersdeelname die in uw
land geldt.
In noodsituaties of wanneer het alcoholslot
defect is, kunt u het alcoholslot omzeilen om
toch in de auto te kunnen rijden.
De auto heeft een interface voor elektrische aansluiting van de door Volvo goedgekeurde alcoholslotmerken en -modellen. De interface maakt het
eenvoudig om een alcoholslot aan te sluiten en
biedt de mogelijkheid om alcoholslotmeldingen
op het hoofddisplay van de auto weer te geven.
Raadpleeg voor informatie over een bepaald
alcoholslot de desbetreffende handleiding.
WAARSCHUWING
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u niet
ontslaat van uw verantwoordelijkheden als
bestuurder. De bestuurder dient altijd nuchter
te blijven en de auto op een veilige manier te
besturen.
Zie de desbetreffende handleiding voor het deactiveren van een bepaald alcoholslot.
Bypass-functie activeren
N.B.
Alle activering met bypass wordt geregistreerd en opgeslagen in een geheugen in de
regeleenheid van het alcoholslot. Het is niet
mogelijk een bypass te annuleren.
Alvorens een motor met alcoholslot
te starten
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd en
gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
Waar u op moet letten
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig
mogelijk meetresultaat:
•
Zo'n 5 minuten voor de blaastest niet eten of
drinken.
•
De voorruit niet te lang sproeien – de alcohol
in de sproeiervloeistof kan een verkeerd
meetresultaat opleveren.
N.B.
Op het scherm verschijnt de melding Blaas in
alcoholslot Bypass?:
–
Kies voor de bypass-functie door op de knop
O te drukken van de rechter stuurknoppen.
> Het alcoholslot is daarmee omzeild,
waarna de auto te starten is.
Bij installatie van het alcoholslot wordt het maximale aantal keren ingesteld dat de bypass-functie te activeren is voordat service vereist is.
Binnen 30 minuten na afloop van een rit kan
de motor opnieuw gestart worden zonder dat
er een nieuwe blaastest nodig is.
Gerelateerde informatie
•
•
Alcoholslot* omzeilen (p. 396)
Motor starten (p. 398)
Gerelateerde informatie
396
•
Alvorens een motor met alcoholslot te starten (p. 396)
•
Motor starten (p. 398)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Contactslotstanden
Het elektrische systeem van de auto is in verschillende standen te zetten voor gebruik van
verschillende autosystemen.
Om een beperkt aantal systemen te kunnen
gebruiken bij een uitgeschakelde motor is het
elektrische systeem van de auto in drie verschillende standen te zetten: 0, I en II. In de gebruikershandleiding worden deze standen overal aangeduid als "contactslotstanden".
De volgende tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende contactslotstanden/standen:
Niveau
0
Functies
•
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht.
•
Elektrisch bedienbare stoelen
zijn te verstellen.
•
Niveau
I
Functies
•
Elektrisch bedienbare ruiten zijn
te gebruiken.
Panoramadak, elektrisch bedienbare ruiten, 12V-aansluitingen in
passagiersruimte, navigatie, telefoon, interieurventilator en ruitenwissers zijn te gebruiken.
•
•
Middendisplay wordt ingeschakeld en is te gebruiken.
Elektrisch bedienbare stoelen
zijn te verstellen.
•
•
Het audiosysteem is in te schakelen.
12V-aansluiting in bagageruimte
is te gebruiken.
•
Het audiosysteem wordt automatisch ingeschakeld, als het bij
het verlaten van de auto aanstond.
De functies zijn in deze contactslotstand tijdsgestuurd en worden na
een poosje automatisch uitgeschakeld.
In deze contactslotstand is het
stroomverbruik belastend voor de
accu.
II
•
De koplampen worden ontstoken.
•
Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang.
•
Meerdere andere systemen worden geactiveerd. De stoelverwarming en achterruitverwarming
zijn echter pas te activeren na
het starten van de auto.
Deze contactslotstand vergt veel
stroom van de accu en moet
daarom worden vermeden!
}}
397
STARTEN EN RIJDEN
||
Contactslotstand kiezen
zo'n 4 seconden in stand START. Laat vervolgens knop los, die automatisch terugveert
naar de uitgangspositie.
•
Motor starten
De auto is te starten via de transpondersleutel
en met de startknop op de tunnelconsole.
Terug naar contactslotstand 0 - Om terug
te gaan naar contactslotstand 0 vanuit stand
I en II moet u de startknop naar stand STOP
draaien en de knop loslaten. De knop veert
automatisch terug naar de uitgangspositie.
Gerelateerde informatie
De startknop op de tunnelconsole.
•
Contactslotstand 0 - Vergrendel de auto en
bewaar de transpondersleutel binnen in de
auto.
N.B.
Om stand I of II te realiseren zonder dat de
motor wordt gestart moet u bij het selecteren
van deze contactslotstanden het rempedaal
of bij een auto met een handbak het koppelingspedaal niet bedienen.
398
•
Contactslotstand I - Draai de startknop
naar stand START en laat de knop weer los.
De knop veert automatisch terug naar de uitgangspositie.
•
Contactslotstand II - Draai de startknop
naar stand START en houd de knop
•
•
•
Motor starten (p. 398)
Auto afzetten (p. 400)
Bestuurdersdisplay (p. 94)
De startknop op de tunnelconsole.
U gebruikt de transpondersleutel niet actief bij
het starten van de auto, omdat de auto is uitgerust met ondersteuning voor passief starten
(Passive Start).
Om de auto te starten:
1.
Controleer of de transpondersleutel in de
auto aanwezig is. Voor auto's met Passive
Start moet de sleutel zich in het voorste deel
van het interieur bevinden. Met de optie passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive
Entry*) is het voldoende dat de sleutel zich
ergens in de auto bevindt.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
2.
Bij een auto met een automatische versnellingsbak moet u ervoor zorgen dat u schakelstand P of N hebt gekozen. Zorg er bij auto's
met een handgeschakelde versnellingsbak
voor dat de schakelhendel in de neutraalstand staat of dat u het rempedaal bedient.
3.
Trap het rempedaal volledig in1.
4.
Draai de startknop naar stand START en laat
de knop weer los. De knop veert automatisch
terug naar de uitgangspositie.
N.B.
Bij auto's met een dieselmotor slaat de motor
mogelijk met enige vertraging aan.
Bij het starten van de motor blijft de startmotor
draaien, totdat de motor aanslaat of totdat de
beveiliging tegen oververhitting in werking treedt.
Als bij het starten de melding Sleutel niet
gevonden op het bestuurdersdisplay verschijnt,
plaats de transpondersleutel dan op de
back-uplezer in de bekerhouder. Probeer vervolgens opnieuw te starten.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel mee en zorg dat het elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0 staat – vooral als er kinderen in de
auto achterblijven.
N.B.
Zorg ervoor dat er geen andere autosleutels,
metalen voorwerpen of elektronische apparaten (zoals mobiele telefoons, tablets, laptops
of laders) in de bekerhouder liggen, wanneer
u de transpondersleutel in de bekerhouder
plaatst. Als er zich meerdere sleutels in de
bekerhouder bevinden, kunnen deze elkaar
storen.
BELANGRIJK
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
WAARSCHUWING
N.B.
Voor bepaalde motortypen kan het stationaire
toerental bij een koude start duidelijk hoger
dan normaal zijn. Dit gebeurt om het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op de
normale bedrijfstemperatuur te krijgen waardoor de uitlaatgasemissies afnemen en het
milieu wordt ontzien.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Contactslotstanden (p. 397)
Auto afzetten (p. 400)
Transpondersleutel (p. 244)
Batterij in transpondersleutel vervangen
(p. 266)
Haal nooit de transpondersleutel uit de auto
tijdens rijden of slepen.
Positie back-uplezer in de tunnelconsole.
1
Als de auto rolt, kunt u de motor starten door de startknop naar START te draaien.
399
STARTEN EN RIJDEN
Auto afzetten
Stuurslotfout
Starthulp met andere accu
U zet de auto af met de startknop op de tunnelconsole.
Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij
gebruik van de auto door onbevoegden. Er is
mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar,
wanneer u het stuurslot inschakelt of opheft.
Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto starten met stroom van een hulpaccu.
Stuurslot activeren
Wanneer u de auto van buitenaf vergrendelt en
de motor is uitgeschakeld, wordt het stuurslot
geactiveerd. Als u de auto onvergrendeld achterlaat, wordt na verloop van korte tijd automatisch
het stuurslot geactiveerd.
Stuurslot opheffen
De startknop op de tunnelconsole.
Om de auto af te zetten:
–
Draai de startknop naar STOP en laat de
knop los – de auto wordt afgezet. De knop
veert automatisch terug naar de uitgangspositie.
Als de keuzehendel niet in stand P staat of als de
auto rolt:
–
Houd de knop in de stand STOP vast, totdat
de auto wordt afgezet.
Gerelateerde informatie
•
400
Motor starten (p. 398)
Wanneer u de auto van buitenaf ontgrendelt,
wordt het stuurslot gedeactiveerd. Als de auto
niet is vergrendeld, is het voor het opheffen van
het stuurslot voldoende dat de transpondersleutel in het interieur aanwezig is en dat motor
gestart wordt door de startknop naar START te
draaien.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten wordt
geadviseerd de volgende stappen aan te houden
om kortsluiting en andere schade te voorkomen:
1.
Zet het elektrische systeem van de auto in
de contactslotstand 0.
2.
Controleer of de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
3.
Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de beide auto's
elkaar niet raken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Motor starten (p. 398)
Auto afzetten (p. 400)
Stuurwiel (p. 136)
STARTEN EN RIJDEN
4.
Bevestig de ene klem van de rode startkabel
aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
5.
Open de afdekking (2) van het positieve
starthulppunt.
6.
Bevestig de andere klem van de rode startkabel aan het positieve starthulppunt (2).
7.
Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
8.
Bevestig de andere klem van de zwarte startkabel aan het negatieve starthulppunt (4).
9.
Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen
dat er tijdens de startpoging vonken ontstaan.
11. Start de motor in de auto met de uitgeputte
accu.
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van een startkabel, kan volstaan om de
accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat
ernstige chemische brandwonden kan
veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw
huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen tussen de kabel en de
auto niet aan tijdens het starten. Er bestaat
namelijk gevaar voor vonkvorming.
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde volgorde - eerst de zwarte kabel en daarna de
rode.
Zorg dat geen van de aansluitklemmen aan
de zwarte startkabel contact kan maken met
het positie starthulppunt op de auto/de pluspool van de starthulpaccu of met de aangesloten klem van de rode startkabel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Startaccu (p. 552)
Contactslotstanden (p. 397)
Motor starten (p. 398)
Motorkap openen en sluiten (p. 535)
10. Start de motor van de "hulpauto" en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
zo'n 1500 omw/min.
401
STARTEN EN RIJDEN
Versnellingsbak
Symbolen op bestuurdersdisplay
De versnellingsbak is een onderdeel van de aandrijflijn (krachtoverbrenging) tussen motor en
aandrijfwielen. De versnellingsbak heeft tot taak
de overbrengingsverhouding af te stemmen op
de gewenste snelheid en vermogensbehoefte.
Bij een eventuele storing in de versnellingsbak
verschijnen op het bestuurdersdisplay een symbool en een melding.
Symbool
Er zijn twee hoofdgroepen versnellingsbakken:
handgeschakelde en automatische versnellingsbakken.
De handgeschakelde versnellingsbak heeft zes
versnellingen. De automatische versnellingsbak
heeft acht of zes versnellingen afhankelijk van
het type motor dat in de auto ligt. Dankzij de verschillende versnellingen zijn het motorkoppel en
het motorvermogen efficiënt te benutten.
De automatische versnellingsbak biedt ook de
mogelijk tot handmatig schakelen. Op het
bestuurdersdisplay staat welke versnelling of
schakelstand er op dat moment in gebruik is.
BELANGRIJK
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn
te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur
van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij
gevaar voor oververhitting gaat er een waarschuwingssymbool op het bestuurdersdisplay
branden en verschijnt er een displaymelding –
volg in dat geval het gegeven advies.
402
Betekenis
Informatie- of foutmelding voor de
versnellingsbak. Volg het gegeven
advies op.
Schakelstanden van automatische
versnellingsbak
Bij een auto met een automatische versnellingsbak kiest het systeem automatisch de optimale
versnelling. De versnellingsbak heeft ook een
handmatige schakelstand.
Schakelstanden op bestuurdersdisplay
Versnellingsbak heeft of oververhit.
Volg het gegeven advies op.
Gerelateerde informatie
•
Schakelstanden van automatische versnellingsbak (p. 402)
•
•
Handgeschakelde versnellingsbak (p. 404)
Schakelindicator* (p. 405)
Op het bestuurdersdisplay staat de actuele keuzehendelstand:
P, R, N, D of M.
In de stand voor handmatig schakelen verschijnt
ook de ingeschakelde versnelling.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Schakelstanden
Parkeerstand - P
Kies stand P wanneer de auto geparkeerd staat
of als de motor moet worden gestart. De auto
moet stilstaan, wanneer u de parkeerstand kiest.
Neutrale stand - N
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
Om de keuzehendel uit de parkeerstand te kunnen halen, moet u in contactslotstand II het rempedaal bedienen.
Om de keuzehendel uit de neutraalstand te kunnen halen moet u in contactslotstand II het rempedaal bedienen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Zet de parkeerrem eerst aan als de
auto geparkeerd staat.
WAARSCHUWING
Gebruik bij het parkeren op een helling altijd
de parkeerrem. Stand P is bij een automaat
niet voldoende om de auto in alle situaties
staande te houden.
N.B.
De keuzehendel moet in de P-stand staan om
de auto te kunnen vergrendelen en op alarm
te zetten.
Achteruitrijstand - R
Kies de stand R om achteruit te rijden. De auto
moet stilstaan, wanneer u de achteruitrijstand
kiest.
2
naar de eerstvolgende hogere versnelling en
laat de hendel weer los.
•
Duw de keuzehendel naar achteren in de
richting van de "–" (minus) om terug te schakelen naar de eerstvolgende lagere versnelling en laat de hendel weer los.
Rijmodus - D
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug afhankelijk
van de stand van het gaspedaal en de snelheid.
De auto moet stilstaan bij het schakelen van
stand R naar stand D.
Stand voor handmatig schakelen - M
Handmatig schakelen kan op elk moment tijdens
het rijden geactiveerd worden. Bij het loslaten
van het gaspedaal wordt de auto op de motor
afgeremd.
Kies de stand voor handmatig schakelen door de
keuzehendel vanuit stand D helemaal opzij te
bewegen naar "±". Het bestuurdersdisplay geeft
aan welke versnelling er op dat moment is ingeschakeld.
•
Duw de keuzehendel naar voren in de richting van de "+" (plus) om op te schakelen
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van de uitrusting van de auto afwijkingen mogelijk zijn.
Stand voor handmatig schakelen op het bestuurdersdisplay2.
Om schokkerig gedrag en afslag van de motor te
voorkomen schakelt de versnellingsbak automatisch terug, als de snelheid daalt tot onder de
gewenste waarde voor de gekozen versnelling.
Duw de keuzehendel helemaal opzij naar D om
terug te keren naar automatisch schakelen.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij de
normale volgasstand), schakelt de versnellings}}
403
STARTEN EN RIJDEN
||
bak automatisch terug naar een lagere versnelling. Dit is de zogenoemde kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand
loslaat, schakelt de versnellingsbak automatisch
op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor tegen te gaan is het
stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien
van een terugschakelblokkering.
Handgeschakelde versnellingsbak
Bij een handgeschakelde versnellingsbak kiest u
zelf een geschikte versnelling op basis van de
gewenste snelheid en het gewenste vermogen.
Schakelen
De handgeschakelde versnellingsbak heeft zes
versnellingen en het schakelpatroon staat in
reliëf op de schakelhendel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
404
Versnellingsbak (p. 402)
Schakelen met stuurpaddles* (p. 407)
Schakelindicator* (p. 405)
Keuzehendelblokkering (p. 406)
Contactslotstanden (p. 397)
Volg het schakelpatroon dat in de schakelhendel is geslagen en begin in de neutrale
stand N. Druk daarna de schakelhendel naar
stand R duwt.
•
Schakel de achteruitversnelling alleen in als
de auto stilstaat.
Bij het parkeren
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling is niet voldoende om de
auto in alle situaties vast te houden.
De versnellingsbak staat geen terugschakeling/
kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental leidt dat de motor beschadigd kan raken.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt er
niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental een of meer versnellingen terugschakelen. Om schade aan de motor te voorkomen schakelt de auto op wanneer de motor het
maximumtoerental heeft bereikt.
•
Gerelateerde informatie
•
•
Versnellingsbak (p. 402)
Schakelindicator* (p. 405)
Schakelpatroon.
•
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•
Haal uw voet na het schakelen weer van het
koppelingspedaal af.
Blokkering achteruitversnelling
De blokkering van de achteruitversnelling beperkt
het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling
inschakelt.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Schakelindicator*
De schakelindicator op het bestuurdersdisplay
geeft aan welke versnelling er ingeschakeld is in
de stand voor handmatig schakelen en wanneer
u voor optimale zuinigheid beter kunt schakelen.
Voor een milieubewuste rijstijl in de stand voor
handmatig schakelen is het belangrijk om de
juiste versnelling te kiezen en tijdig te schakelen.
Bij een automatische versnellingsbak
De schakelindicator toont de actuele versnelling
op het bestuurdersdisplay en geeft met een pijlomhoog de aanbevolen opschakeling aan.
Schakelindicator op 8 inch bestuurdersdisplay.
Schakelindicator op 8 inch bestuurdersdisplay.
Bij een handgeschakelde versnellingsbak
Een pijl-omhoog geeft aan geadviseerd wordt om
op te schakelen, terwijl een pijl-omlaag aangeeft
dat geadviseerd wordt om terug te schakelen.
•
•
Gerelateerde informatie
•
Versnellingsbak (p. 402)
Schakelstanden van automatische versnellingsbak (p. 402)
Handgeschakelde versnellingsbak (p. 404)
Schakelindicator op 12 inch bestuurdersdisplay.
Schakelindicator op 12 inch bestuurdersdisplay.
* Optie/accessoire. 405
STARTEN EN RIJDEN
Keuzehendelblokkering
Automatische schakelblokkering
De keuzehendelblokkering voorkomt onbedoeld
schakelen tussen schakelstanden bij een automatische versnellingsbak.
De automatische keuzehendelblokkering kent
verschillende beveiligingsfuncties.
De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in twee
uitvoeringen: een mechanische en een automatische.
Mechanische schakelblokkering
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel
vooruit of achteruit bewegen tussen de standen
P, R, N en D.
406
Vanuit de parkeerstand - P
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen
moet u in contactslotstand II het rempedaal
bedienen.
Vanuit de neutrale stand - N
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens 3 seconden stilgestaan (of de
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd.
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu, moet u
de keuzehendel in stand N zetten voordat u de
auto kunt verslepen.
Til de rubber mat uit het vak voor de keuzehendel. Zoek in de bodem van het vak de
opening met een terugverende knop op.
Steek een smalle schroevendraaier in deze
opening en houd de knop ingedrukt.
Zet de keuzehendel in stand N en laat de
knop los.
4.
Leg de rubberen mat terug.
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen halen
moet u in contactslotstand II het rempedaal
bedienen.
Gerelateerde informatie
•
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Schakelstanden van automatische versnellingsbak (p. 402)
•
Contactslotstanden (p. 397)
STARTEN EN RIJDEN
Schakelen met stuurpaddles*
De stuurpaddles vormen een aanvulling op de
keuzehendel en bieden u de mogelijkheid om
handmatig te schakelen zonder uw handen van
het stuurwiel te hoeven nemen.
Stuurpaddles activeren
Om met de stuurpaddles te kunnen schakelen
moet u ze wel eerst activeren:
–
Haal een van de paddles in de richting van
het stuurwiel.
> Een cijfer op het bestuurdersdisplay geeft
de ingeschakelde versnelling aan.
Bestuurdersdisplay bij schakelen met stuurpaddles in de
stand voor handmatig schakelen.
Schakelen
U kunt als volgt schakelen:
–
Haal een van de paddles naar achteren - in
de richting van het stuurwiel - en laat deze
weer los.
"-": Eerstvolgende lagere versnelling inschakelen.
"+": Eerstvolgende hogere versnelling
inschakelen.
Bij iedere bediening van de paddles wordt er
geschakeld, tenzij het motortoerental buiten het
toelaatbare bereik komt.
Na iedere schakeling geeft het bestuurdersdisplay het cijfer van de ingeschakelde versnelling
weer.
Systeem uitschakelen
Bestuurdersdisplay bij het schakelen met de stuurpaddles.
Stand voor handmatig schakelen
In de schakelstand M zijn de stuurpaddles automatisch geactiveerd.
Handmatig uitschakelen in schakelstand D
– Schakel de stuurpaddles uit door de rechter
paddle (+) in de richting van het stuurwiel te
halen en in die stand vast te houden, totdat
het cijfer voor de ingeschakelde versnelling
van het bestuurdersdisplay verdwijnt.
}}
* Optie/accessoire. 407
STARTEN EN RIJDEN
||
Automatische uitschakeling
In schakelstand D worden de stuurpaddles na
enige tijd van inactiviteit automatisch uitgeschakeld. Het feit dat het cijfer voor de ingeschakelde
versnelling verdwijnt bevestigt dit.
Dit geldt echter niet bij het afremmen op de
motor. De paddles blijven actief zolang er op de
motor wordt afgeremd.
In schakelstand M vindt geen automatische uitschakeling plaats.
Gerelateerde informatie
•
Schakelstanden van automatische versnellingsbak (p. 402)
•
Schakelindicator* (p. 405)
Start/Stop
Start/Stop-systeem gebruiken
Het Start/Stop-systeem zet de motor tijdelijk af
wanneer de auto stilstaat voor bijvoorbeeld verkeerslichten of in een file en start de motor vervolgens automatisch wanneer u verder rijdt.
Het Start/Stop-systeem zet de motor tijdelijk af,
als de auto stilstaat en start hem vervolgens
weer als u uw weg vervolgt.
Start/Stop is een van de energiebesparende systemen die als doel hebben het brandstofverbruik
te verlagen. En dat draagt weer bij aan lagere uitlaatgasemissies.
Het systeem maakt een milieubewuste rijstijl
mogelijk door de motor automatisch te laten
stoppen als dat zo uitkomt.
Gerelateerde informatie
•
•
Start/Stop-systeem gebruiken (p. 408)
Voorwaarden voor Start/Stop-systeem
(p. 410)
Het Start/Stop-systeem is beschikbaar bij het
starten van de motor en is te activeren als aan
bepaalde voorwaarden is voldaan. Het bestuurdersdisplay geeft aan of het systeem beschikbaar, actief of niet beschikbaar is, zie de onderstaande rubriek "Symbolen op het bestuurdersdisplay".
Alle standaardsystemen van de auto zoals verlichting, radio en dergelijke werken ook na een
autostop normaal. Voor sommige systemen kunnen tijdelijk bepaalde beperkingen gelden zoals
voor de ventilatorsnelheid van de klimaatregeling
of voor de volumeregeling van het audiosysteem.
Autostop
Voor autostop geldt het volgende:
408
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Bij een automatische versnellingsbak
•
Zet de auto stil met het rempedaal en houd
uw voet op het rempedaal. De motor slaat
automatisch af.
Bij een handgeschakelde versnellingsbak
•
•
Bedien de koppeling, zet de hendel in de
neutrale stand en laat het koppelingspedaal
opkomen. De motor slaat automatisch af.
In de rijmodus Eco of Comfort3 kan de motor
automatisch stoppen voordat de auto helemaal
stilstaat.
Als de functie Adaptieve cruise of Pilot Assist
geactiveerd is, stopt de motor na circa drie
seconden automatisch.
Zie ook artikel "Voorwaarden voor Start/Stopsysteem".
•
Houd met uw voet het rempedaal in dezelfde
stand en bedien het gaspedaal. De motor
start automatisch.
•
Op een aflopende helling: Laat het rempedaal iets opkomen, zodat de auto begint te
rollen. De motor start automatisch na een
geringe snelheidsverhoging.
•
Met de schakelhendel in de neutrale stand:
Bedien het koppelingspedaal of het gaspedaal - de motor start.
•
Op een aflopende helling: Laat het rempedaal iets opkomen, zodat de auto begint te
rollen. De motor start automatisch na een
geringe snelheidsverhoging.
Autostart
•
Laat het rempedaal los. De motor start automatisch en u kunt doorrijden. Op een oplopende helling grijpt de hellingrem (HSA) in
om te voorkomen dat de auto achteruitrolt.
•
Wanneer de Auto hold geactiveerd is, wordt
de autostart uitgesteld tot het moment van
indrukken van het gaspedaal.
3
Normale startstand.
•
De melding READY staat grijs gearceerd,
wanneer het systeem niet beschikbaar is.
•
Er verschijnt geen displaytekst, wanneer het
systeem uitstaat.
Bij een handgeschakelde versnellingsbak
Voor autostart geldt het volgende:
Bij een automatische versnellingsbak
Als de functie Adaptieve cruise of Pilot
Assist geactiveerd is, start de motor automatisch als het gaspedaal wordt ingetrapt of
als er op de knop
wordt gedrukt op de
linker knoppenset van het stuur.
Het systeem is actief en de motor is automatisch afgezet.
Symbolen op bestuurdersdisplay
Met 12 inch bestuurdersdisplay
• De melding READY verschijnt op de toerenteller, wanneer het systeem beschikbaar is.
•
Een wijzer van de toerenteller staat op
READY, wanneer het systeem actief is en de
motor automatisch is afgezet.
}}
409
STARTEN EN RIJDEN
||
Met 8 inch bestuurdersdisplay
Het symbool verschijnt onder aan de snelheidsmeter.
Symbool
Betekenis
•
•
Beige symbool: Het systeem is
actief en de motor is automatisch
afgezet.
•
•
•
•
Er verschijnt geen symbool, wanneer het systeem uitstaat.
Systeem uitschakelen
Soms is het raadzaam om het systeem tijdelijk uit
te schakelen.
Schakel het systeem uit met de
functieknop Start/Stop op het
functiescherm van het middendisplay. Bij uitschakeling van
het systeem dooft de indicatie
in de knop.
Het systeem staat uit totdat:
het opnieuw wordt geactiveerd
u de rijmodus wijzigt in Eco of Comfort
de auto een volgende keer wordt gestart.
Gerelateerde informatie
Wit symbool: Het systeem is
beschikbaar.
Het systeem is niet beschikbaar,
omdat niet is voldaan aan de voorwaarden.
410
•
•
•
Start/Stop (p. 408)
Voorwaarden voor Start/Stop-systeem
(p. 410)
Hellingrem (p. 424)
Automatische rem bij stilstand (p. 424)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 301)
Pilot Assist* activeren en starten (p. 318)
Voorwaarden voor Start/Stopsysteem
Het Start/Stop-systeem werkt alleen, wanneer
aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
Als niet aan al deze voorwaarden is voldaan,
wordt dit aangegeven op het bestuurdersdisplay.
Zie het artikel "Start/Stop-systeem gebruiken".
Autostop werkt niet
In de volgende gevallen werkt de autostart niet:
•
de auto heeft na het starten geen snelheid
van zo'n 10 km/h (6 mph) bereikt.
•
na een aantal opeenvolgende autostops
moet de snelheid weer boven zo'n 10 km/h
(6 mph) komen vóór de volgende autostop.
•
de bestuurder heeft zijn/haar veiligheidsgordel losgenomen.
•
de capaciteit van de startaccu is onder de
toelaatbare ondergrens gedoken.
•
de motor heeft de normale bedrijfstemperatuur niet bereikt.
•
de buitentemperatuur ligt onder zo'n -5 °C of
boven zo'n 30 °C.
•
de elektrische voorruitwarming wordt geactiveerd.
•
de omstandigheden in de passagiersruimte
wijken af van de ingestelde waarden.
•
u rijdt achteruit met de auto.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
•
de temperatuur van de startaccu ligt onder of
boven de toelaatbare grenswaarden.
•
•
•
•
u maakt grote stuurbewegingen.
•
•
•
•
de weg is erg steil.
u ontgrendelt de motorkap.
bij ritten op grote hoogte waarbij de motor
niet op de bedrijfstemperatuur heeft bereikt.
het ABS is geactiveerd.
bij een krachtige remmanoeuvre (ook zonder
dat het ABS actief is).
de beveiliging tegen oververhitting van de
startmotor is in werking getreden door frequente starts in korte tijd.
•
het roetfilter van de uitlaatgasreiniging is verzadigd4.
•
er is een aanhanger aangesloten op het
elektrische systeem van de auto.
Het onderstaande geldt bij een automatische
versnellingsbak:
•
de versnellingsbak heeft de normale bedrijfstemperatuur niet bereikt.
•
de keuzehendel staat in de stand ±.
Autostart werkt niet
In de volgende gevallen werkt de autostart niet
nadat de motor automatisch werd afgezet:
4
Bij een automatische versnellingsbak:
Geldt voor een auto met dieselmotor.
De bestuurder draagt geen gordel, de keuzehendel staat in stand P en het bestuurdersportier staat open - er moet op de normale
manier worden gestart.
•
de ruiten beslaan door de hoge luchtvochtigheidsgraad in het interieur.
•
de omstandigheden in de passagiersruimte
wijken af van de ingestelde waarden.
•
er wordt tijdelijk veel stroom afgenomen of
de capaciteit van de startaccu is onder de
toelaatbare ondergrens gezakt.
•
u bedient het rempedaal met pompende
bewegingen.
Bij een handgeschakelde versnellingsbak:
•
•
De bestuurder zit niet in de gordel.
Er is een versnelling ingeschakeld zonder te
ontkoppelen.
Onvrijwillige motorstop bij een
handgeschakelde versnellingsbak
Doe het volgende, als de automatische motorstart mislukt en de motor afslaat:
1.
Controleer of de veiligheidsgordel van de
bestuurdersstoel goed in de gordelsluiting
vastzit.
2.
Bedien het koppelingspedaal opnieuw – de
motor start automatisch.
3.
In bepaalde gevallen moet u de schakelhendel in de neutrale stand zetten. Er verschijnt
een melding op het bestuurdersdisplay –
volg het gegeven advies.
Autostart zonder dat u het rempedaal
loslaat
In de volgende gevallen vindt autostart plaats,
ook al hebt u het rempedaal niet losgelaten:
•
•
u ontgrendelt de motorkap.
de auto begint te rollen of gaat iets sneller
rijden als de auto automatisch is afgezet zonder helemaal stil te staan.
Het onderstaande geldt bij een automatische
versnellingsbak:
•
u hebt de veiligheidsgordel afgedaan met de
keuzehendel in stand D of N.
•
•
u zet de keuzehendel van D in stand R of ±.
u opent het bestuurdersportier met de keuzehendel in stand D - een "belsignaal" en
een tekstbericht geven aan dat het contact
ingeschakeld is.
WAARSCHUWING
Open de motorkap niet na een automatische
motorstop. Zet de motor op de normale wijze
af alvorens de motorkap te openen.
}}
411
STARTEN EN RIJDEN
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Start/Stop (p. 408)
Start/Stop-systeem gebruiken (p. 408)
Hulpaccu (p. 555)
Rijmodi*
Rijmodus kiezen
De gekozen rijmodus past de rijeigenschappen
van de auto aan om de rijbeleving te verbeteren
en ondersteuning te bieden in bepaalde omstandigheden.
Dankzij de rijmodi kunt u in uiteenlopende rijomstandigheden snel gebruik maken van de verschillende autosystemen en instellingen. De volgende systemen worden aangepast voor optimale rijeigenschappen in de verschillende rijmodi:
•
•
•
•
•
•
•
Besturing
Motor/versnellingsbak5/vierwielaandrijving*
Remmen
1.
Druk op de rijmodusknop DRIVE MODE.
> Er verschijnt een pop-upmenu op het middendisplay.
2.
Rol het wiel omhoog of omlaag totdat de
gewenste rijmodus gemarkeerd is.
3.
Druk op de rijmodusknop of rechtstreeks op
het touchscreen om uw keuze te bevestigen.
> Op het bestuurdersdisplay verschijnt de
gekozen rijmodus.
Schokdemping
Bestuurdersdisplay
Start/Stop-systeem
Klimaatinstellingen
Kies de rijmodus die zich het beste leent voor de
actuele rijomstandigheden. Let erop dat u de rijmodi mogelijk niet in alle situaties kunt kiezen.
Wanneer een rijmodus niet te selecteren is, verschijnt daarover een melding, bijvoorbeeld:
• Niet kiesb. door handgesch.
• Niet kiesb. door lage accu
• Niet kiesb. door lage temp.
5
412
Geldt bij een automatische versnellingsbak.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
• Niet kiesb. door beperkingen
• Niet kiesb. door hoge snelh..
Mogelijke rijmodi
COMFORT
• Dit is de normale modus van de auto.
Bij het starten van de auto staat deze in de rijmodus Comfort en is het start/stop-systeem geactiveerd. De aanpassingen in deze stand zorgen
ervoor dat de auto comfortabel aandoet, licht
stuurt, soepel veert en dat de carrosserie minimaal beweegt.
Deze rijmodus is de stand voor de certificering
van de uitstoot van kooldioxide.
ECO
• In de rijmodus Eco wordt de auto afgestemd
op zuiniger en milieuvriendelijker rijden.
Deze rijmodus houdt onder meer in dat het start/
stop-systeem actief is en dat het effect van
bepaalde klimaatinstellingen wordt gereduceerd.
Het bestuurdersdisplay heeft een Eco-meter
waarmee u gemakkelijker zuinig kunt rijden.
Meer informatie over deze rijmodus vindt u in het
artikel "Rijmodus ECO".
6
7
DYNAMIC
• De Dynamic-modus zorgt ervoor dat de
auto een sportiever gedrag vertoont en sneller reageert op het gaspedaal.
Er wordt sneller en scherper geschakeld en de
versnellingsbak geeft de voorrang aan een versnelling die een hogere trekkracht oplevert.
De auto reageert sneller op stuurwielbewegingen
en de vering is stugger6 dan normaal, wat ervoor
zorgt dat de carrosserie het wegdek beter volgt
om in bochten de mate van overhellen te beperken.
Het start/stop-systeem is uitgeschakeld.
INDIVIDUAL
• Deze stand biedt de mogelijkheid om uw
eigen rijinstellingen op te slaan.
Kies een van de rijmodi als uitgangspunt en pas
de instellingen voor de rijeigenschappen geheel
naar wens aan. De instellingen worden vervolgens opgeslagen in uw eigen bestuurdersprofiel.
De persoonlijke rijmodus is alleen beschikbaar,
wanneer u deze eerst geactiveerd hebt op het
middendisplay.
Geldt voor een auto met Four-C.
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van de softwareversie en het model afwijkingen mogelijk zijn.
Instellingenscherm7 voor Individuele rijmodus.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car Individuele rijmodus en
markeer Rijmodus Individual.
}}
413
STARTEN EN RIJDEN
||
3.
Kies onder Presets een rijmodus als uitgangspunt: Eco, Comfort of Dynamisch.
Instellingen die kunnen worden aangepast,
zijn instellingen voor:
•
•
•
•
•
•
•
Bestuurdersscherm
Stuurkracht
Kenmerken aandrijflijn
Remkenmerken
Besturing ophanging
ECO-klimaat
Start/stop.
Rijmodus ECO
Gebruik deze rijmodus om brandstof te besparen
en het milieu te ontzien.
De volgende eigenschappen worden aangepast
bij ritten in de rijmodus ECO:
•
•
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 282)
Niveauregeling* en schokdemping (p. 416)
Start/Stop (p. 408)
Rijmodus ECO (p. 414)
Vierwielaandrijving* (p. 417)
Met de rijmodusknop*
Rijmodus ECO optimaliseert de rijeigenschappen van de auto om zuiniger en milieuvriendelijker te kunnen rijden.
Schakelpunten8 van de versnellingsbak.
Motorregeling en respons van het gaspedaal.
Het uitrolsysteem Eco Coast9 wordt geactiveerd en het afremmen op de motorrem
stopt, wanneer u het gaspedaal loslaat bij
snelheden tussen 65 en 140 km/h
(40 en 87 mph).
•
Bepaalde klimaatinstellingen werken met
gereduceerd effect of worden uitgeschakeld.
•
Het bestuurdersdisplay geeft informatie weer
in een ECO-meter, wat het milieubewustzijn
vergroot en voordelig rijden bevordert.
1.
Druk op de rijmodusknop DRIVE MODE.
> Er verschijnt een pop-upmenu op het middendisplay.
2.
Rol het wiel omhoog of omlaag totdat de
gewenste rijmodus gemarkeerd is.
3.
Druk op de rijmodusknop of rechtstreeks op
het touchscreen om uw keuze te bevestigen.
Rijmodus ECO kiezen
Bij het afzetten van de motor wordt de rijmodus
ECO uitgeschakeld, zodat u de rijmodus iedere
keer dat u de motor start opnieuw moet activeren. Op het bestuurdersdisplay verschijnt ECO,
wanneer de rijmodus geactiveerd is.
8
9
414
Alleen bij automatische versnellingsbak.
Alleen bij automatische versnellingsbak.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Op het functiescherm van het middendisplay
Bij een auto zonder rijmodusknop bevat het functiescherm
op het middendisplay een functieknop voor Rijmodus ECO.
–
Druk voor activering van de functie herhaalde
malen op de knop.
> Een brandend lampje in de knop geeft
aan dat de functie geactiveerd is.
Uitrolsysteem Eco Coast10
Het uitrolsysteem Eco Coast houdt in de praktijk
in dat er niet meer op de motor wordt afgeremd
om de bewegingsenergie van de auto te benutten om de auto te laten uitrollen. Wanneer u het
gaspedaal loslaat wordt de versnellingsbak automatisch losgekoppeld van de motor, die voor een
lager verbruik stationair gaat draaien.
De functie is het beste bruikbaar op plaatsen
waar u ver kunt uitrollen, bijvoorbeeld op wegen
die licht aflopen of bij een voorziene snelheidsverlaging, waar u een gebied met een lagere
maximumsnelheid kunt binnenrollen.
Uitrolsysteem activeren
Het systeem wordt geactiveerd wanneer u het
gaspedaal helemaal hebt losgelaten in combinatie met het volgende:
10
Alleen bij automatische versnellingsbak.
•
•
•
Rijmodus Eco is geactiveerd.
•
het hellingspercentage van een aflopende
weg is niet groter dan zo'n 6%.
de keuzehendel staat in de stand D.
de rijsnelheid ligt in het interval van
zo'n 65-140 km/h (40-87 mph).
dat u inhaalt, zodat u dat zo veilig mogelijk kunt
doen.
Deactiveer het uitrolsysteem als volgt:
•
•
Op het bestuurdersdisplay verschijnt COASTING
als het uitrolsysteem gebruikt wordt.
•
Beperkingen
Het uitrolsysteem is niet beschikbaar in de volgende gevallen:
•
•
de motor en/of versnellingsbak hebben niet
de normale bedrijfstemperatuur.
•
•
de cruisecontrol wordt geactiveerd;
u zet de keuzehendel vanuit stand D- in de
stand voor handmatig schakelen.
•
de snelheid ligt buiten het interval van
zo'n 65-140 km/h (40-87 mph).
•
het hellingspercentage van een aflopende
weg is niet groter dan zo'n 6%.
•
u schakelt handmatig met behulp van de
stuurpaddles*.
Vrijloopsysteem deactiveren en uitschakelen
Soms is het raadzaam om het systeem tijdelijk te
deactiveren of uit te schakelen om op de motor
te kunnen afremmen. Mogelijke voorbeelden
daarvan zijn steil aflopende hellingen of net voor-
Bedien het gas- of rempedaal.
Zet de keuzehendel in de stand voor handmatig schakelen.
Schakel met de stuurpaddles*.
Schakel het uitrolsysteem als volgt uit:
Wissel van rijmodus* of schakel de
Rijmodus ECO uit op het functiescherm.
Ook zonder het uitrolsysteem is het mogelijk om
kortere stukken uit te rollen. En dat draagt bij aan
een lager verbruik. Voor optimale zuinigheid is
het echter voordeliger om het uitrolsysteem te
activeren en zo langere stukken te kunnen uitrollen.
ECO-meter op bestuurdersdisplay
De ECO-meter geeft aan hoe voordelig er wordt
gereden:
•
Bij zuinig rijden laat de meter een lage
waarde zien met de wijzer in het groene
gebied.
•
Bij onzuinig rijden, zoals bij krachtig remmen
of stevig gas geven, laat de meter een hoge
uitslag zien.
De ECO-meter heeft ook een indicator die laat
zien hoe een referentiebestuurder in dezelfde rij}}
* Optie/accessoire. 415
STARTEN EN RIJDEN
||
omstandigheden met de auto zou rijden. Dit
wordt aangegeven met de korte wijzer van de
meter.
ECO-klimaat
Niveauregeling* en schokdemping
In de rijmodus Eco wordt automatisch het ECOklimaat voor de passagiersruimte geactiveerd om
het stroomverbruik te beperken.
De niveauregeling en schokdemping van de auto
worden automatisch geregeld.
N.B.
Bij activering van de ECO-functie worden
enkele parameters in de instellingen van de
klimaatregeling gewijzigd en gelden functiebeperkingen voor bepaalde elektrische verbruikers. Bepaalde instellingen zijn handmatig
te herstellen, maar de volledige functionaliteit
is alleen te verkrijgen door de ECO-functie te
deactiveren of de rijmodus Individual* aan te
passen met maximale functionaliteit op klimaatregelingsgebied.
ECO-meter op 12 inch bestuurdersdisplay.
Druk bij problemen met beslagen ruiten op de
knop voor maximale ontwaseming met normale
functionaliteit.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
ECO-meter op 8 inch bestuurdersdisplay.
416
Zuinig rijden (p. 436)
Start/Stop (p. 408)
Rijmodi* (p. 412)
Ontwaseming van ruiten en buitenspiegels
activeren/deactiveren (p. 201)
Dankzij de niveauregeling aan achterzijde blijft de
achterkant van de auto ongeacht de lading op
dezelfde hoogte staan. Ook nadat de auto is
geparkeerd kan enige niveauregeling plaatsvinden.
Schokdemping (Four-C)
De schokdemping is afgestemd op de gekozen
rijmodus en de actuele rijsnelheid van de auto.
De schokdemping staat normaal ingesteld op
optimaal comfort en wordt continu bijgeregeld op
basis van de ondergrond, de mate van versnelling/vertraging en de vraag of de auto op rechte
stukken of in bochten rijdt.
Instellingen voor niveauregeling
Vering en niveauregeling uitschakelen
In bepaalde gevallen moet u het systeem uitschakelen, zoals wanneer u de auto opneemt op
een krik*. Het niveauverschil dat ontstaat bij
opname op een krik kan anders problemen met
de luchtvering veroorzaken.
Schakel het systeem uit via het middendisplay:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Niveauregeling uitschakelen.
Ophanging .
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Ander niveau voor schokdemping11
Bij een auto met actieve chassisregeling (Four-C)
maar zonder de rijmodus* is het dempingsniveau
aan te passen via het middendisplay:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car Rijmodus Besturing
ophanging en kies een niveau.
Bij het transporteren
Bij het transport van de auto op een veerboot,
autotrein of autotransporter mag u de spanbanden alleen rond de banden vastzetten en niet om
andere chassisonderdelen halen. Eventuele wijzigingen in de luchtvering tijdens het transport
kunnen de verankering negatief beïnvloeden.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijmodi* (p. 412)
Bagage vervoeren (p. 233)
Vierwielaandrijving*
Remsystemen
Bij vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive),
worden alle vier de wielen van de auto tegelijk
aangedreven, wat de wegligging verbetert.
De remmen van de auto worden gebruikt om
snelheid te minderen of om te voorkomen dat
een geparkeerde auto wegrolt.
Om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin
te voorkomen wordt de aandrijfkracht automatisch verdeeld over de wielen met de beste grip.
Het systeem berekent voortdurend het koppel
dat op de achterwielen moet worden overgebracht en kan tot vijftig procent van het totale
motorkoppel naar de achterwielen sturen.
Naast de bedrijfsrem en de parkeerrem heeft de
auto meerdere andere vormen van automatische
remondersteuningssystemen. Deze systemen
bieden ondersteuning doordat u bijvoorbeeld tijdens het wachten voor een verkeerslicht, het
wegrijden op een oplopende helling of ritten op
aflopende hellingen uw voet niet op het rempedaal hoeft te houden.
De vierwielaandrijving werkt ook stabiliserend bij
hogere snelheden. Bij normaal rijden worden de
voorwielen naar verhouding iets sterker aangedreven dan de achterwielen. Bij stilstand is de
vierwielaandrijving altijd ingeschakeld om bij het
optrekken maximale tractie mogelijk te maken.
De eigenschappen van de vierwielaandrijving wisselen, al naar gelang de gekozen rijmodus*.
Gerelateerde informatie
•
11
Rijmodi* (p. 412)
Afhankelijk van de uitrusting van de auto beschikt
u mogelijk over de volgende remondersteuningssystemen:
•
•
•
•
Automatische rem bij stilstand (Auto Hold)
Hellingrem (Hill Start Assist)
Automatisch remmen na een aanrijding
City Safety
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Rempedaal (p. 418)
Parkeerrem (p. 421)
Hellingrem (p. 424)
Automatische rem bij stilstand (p. 424)
Automatisch remmen na een aanrijding
(p. 420)
Afhankelijk van de uitrusting van de auto.
* Optie/accessoire. 417
STARTEN EN RIJDEN
Rempedaal
Het rempedaal wordt gebruikt om de rijsnelheid
tijdens het rijden te verlagen.
Bedrijfsrem
De auto is uitgerust met twee remcircuits. Als
een van de remcircuits beschadigd raakt, neemt
de rempedaalweg toe. U moet dan harder op het
pedaal trappen voor een normale remwerking.
De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt
versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
Als u het rempedaal bedient met de motor afgezet, doet het pedaal stug aan en moet u harder
op het pedaal trappen om de auto af te remmen.
In bergachtig gebied of bij ritten met een zware
belading kunt u de remmen ontzien door op de
motor af te remmen in de stand voor handmatig
schakelen. U benut de remmende werking van de
motor het best, wanneer u tijdens het afdalen
dezelfde versnelling inschakelt als bij het oprijden
van een helling.
Antiblokkeerremsysteem
De auto heeft een antiblokkeerremsysteem, Antilock Braking System (ABS), dat voorkomt dat de
wielen blokkeren tijdens het remmen zodat de
418
auto bestuurbaar blijft. Bij activering van deze
functie kunt u trillingen in het rempedaal voelen.
Dit is volkomen normaal.
•
Rem af en toe om een eventueel zoutlaagje
te verwijderen. Let erop dat medeweggebruikers geen gevaar lopen doordat u remt.
Wanneer u nadat de motor is aangeslagen het
rempedaal loslaat, gaat een kortdurende, automatische test van het ABS van start. Het is
mogelijk dat er op een lage snelheid nóg een
automatische test plaatsvindt. Ook deze test is
mogelijk waarneembaar in de vorm van trillingen
in het rempedaal.
•
Trap het rempedaal voorzichtig in als u op uw
plaats van bestemming bent aangekomen en
voordat u opnieuw de weg op gaat.
Remmen op natte wegen
Bij langduriger rijden in hevige regen zonder te
remmen, kan het remeffect bij de eerste keer
remmen iets vertraagd zijn. Dat kan ook het geval
zijn als u uw auto hebt gewassen. U moet dan
harder op de rem trappen. Houd daarom meer
afstand tot voorliggers.
Trap stevig op de rem na rijden op natte wegen
of na wassen van de auto. De remschijven worden dan warm, drogen sneller en worden
beschermd tegen corrosie. Houd bij remmen
rekening met de situatie op de weg.
Remmen op gezouten wegen
Bij remmen op gezouten wegen kan er een zoutlaagje ontstaan op remschijven en remblokken.
Dat kan tot een langere remweg leiden. Houd
daarom extra veel afstand tot voorliggers. Andere
voorzorgsmaatregelen:
Onderhoud
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te
houden, dient u de service-intervallen van Volvo
aan te houden zoals omschreven in het Serviceen garantieboekje.
De remwerking van nieuwe en vervangen remblokken en remschijven is pas optimaal als ze na
een paar honderd kilometer rijden zijn "ingesleten". Compenseer de verminderde remwerking
door harder op het rempedaal te trappen. Volvo
raadt aan uitsluitend remblokken te monteren die
voor uw Volvo zijn goedgekeurd.
BELANGRIJK
De onderdelen van het remsystemen moeten
regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
STARTEN EN RIJDEN
Symbolen op bestuurdersdisplay
Symbool
WAARSCHUWING
Betekenis
Controleer het remvloeistofpeil. Vul
remvloeistof bij als het peil te laag
ligt en controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Als het waarschuwingslampje voor storingen
in het remsysteem en het ABS tegelijkertijd
branden, is er mogelijk een fout opgetreden in
het remsysteem.
•
Als het remvloeistofpeil in dat geval normaal is, moet u voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
•
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau
in het remvloeistofreservoir ligt, mag u
pas verder rijden als de remvloeistof is
bijgevuld. De oorzaak van het remvloeistofverlies moet worden gecontroleerd.
De noodremlichten worden geactiveerd bij krachtig remmen of als het ABS-systeem wordt geactiveerd bij hoge snelheden. Na afremmen tot een
geringe snelheid gaat het remlicht van knipperen
weer op de normale wijze permanent branden.
Tegelijkertijd worden de alarmlichten van de auto
geactiveerd. Deze blijven knipperen totdat de
bestuurder weer versnelt naar een hogere snelheid of tot hij de alarmlichten uitzet.
Brand tijdens het starten van de
motor 2 seconden continu: Automatische functietest.
Brandt langer dan 2 seconden
continu. ABS vertoont een storing.
Het standaardremsysteem van de
auto werkt dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Noodremlichten
De noodremlichten worden geactiveerd om achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt.
Daarbij knipperen de remlichten in plaats van dat
ze continu branden, zoals bij normaal remmen.
Remsystemen (p. 417)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rempedaal (p. 418)
Alarmlichten (p. 149)
Remlichten (p. 148)
Remversterker (p. 420)
Remlichten (p. 148)
Noodremlichten (p. 419)
419
STARTEN EN RIJDEN
Remversterker
Het systeem van een remversterker, BAS (Brake
Assist System), helpt om bij afremmen de remkracht te verhogen en het verkort daarmee de
remweg.
Het systeem registreert de wijze waarop u het
rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de remkracht. De remkracht kan worden versterkt tot het
niveau waarop het ABS-systeem ingrijpt. De
regeling wordt uitgeschakeld, wanneer u de druk
op het rempedaal vermindert.
N.B.
Bij activering van BAS zakt het rempedaal iets
verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang als nodig is.
Bij het loslaten van het rempedaal wordt er
niet meer geremd.
Gerelateerde informatie
•
Rempedaal (p. 418)
Automatisch remmen na een
aanrijding
Bij een aanrijding waarbij het activeringsniveau
voor pyrotechnische gordelspanners of airbags
wordt bereikt, of als er een aanrijding met groot
wild wordt gedetecteerd, worden de remmen
van de auto automatisch geactiveerd. De functie
moet de effecten van een eventueel daarop volgende aanrijding voorkomen of verzachten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Remsystemen (p. 417)
Gordelspanners (p. 62)
Airbags (p. 66)
Rear Collision Warning (p. 351)
Blind Spot Information* (p. 352)
Bij een zware aanrijding bestaat het risico dat de
auto onbestuurbaar raakt. Om te voorkomen dat
de auto dan tegen een tweede obstakel of voertuig opbotst of de gevolgen te beperken wordt
automatisch de remondersteuning geactiveerd
om de auto veilig te remmen.
Tijdens het remmen worden de remlichten en
alarmlichten ingeschakeld. Wanneer de auto tot
stilstand is gekomen, blijven de alarmlichten knipperen en de parkeerrem wordt aangezet.
Als afremmen niet geadviseerd wordt, omdat bijvoorbeeld het risico bestaat dat de auto door
achterliggers geraakt wordt, kunt u het systeem
onderdrukken door het gaspedaal te bedienen.
Het systeem werkt alleen, als het remsysteem na
de botsing nog intact is.
Zie ook de artikelen "Rear Collision Warning" en
"Blind Spot Information".
420
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Parkeerrem
De parkeerrem voorkomt met behulp van mechanische blokkering/vergrendeling van twee wielen
dat een stilstaande auto kan wegrollen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Remsystemen (p. 417)
Parkeerrem gebruiken
Parkeerrem gebruiken (p. 421)
Gebruik de parkeerrem om te voorkomen dat
een stilstaande auto kan wegrollen.
Bij een storing in de parkeerrem (p. 423)
Parkeerrem aanzetten
De bediening voor de parkeerrem zit op de tunnelconsole tussen de voorstoelen.
1.
Bij activering van de elektrische bediende parkeerrem hoort u een zwak elektromotorgeluid.
Het geluid is tevens waarneembaar bij een automatische functiecontrole van de parkeerrem.
Trek de knop omhoog.
> Het symbool op het bestuurdersdisplay
gaat branden, wanneer de parkeerrem is
aangezet.
2.
Controleer of de auto daadwerkelijk stilstaat.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen.
Als u de parkeerrem tijdens het rijden aanzet,
wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd. Daarbij
werkt de rem op alle vier de wielen. Wanneer de
auto bijna stilstaat, worden alleen de achterwielen geremd.
}}
421
STARTEN EN RIJDEN
||
Symbool op bestuurdersdisplay
Symbool
Parkeerrem lossen
Kies de schakelstand D of R en geef gas.
Het symbool brandt wanneer de
parkeerrem is aangezet.
Bij een handgeschakelde versnellingsbak:
Schakel een geschikte versnelling in, laat de
koppeling opkomen en geef gas.
> De parkeerrem wordt gelost en het symbool op het bestuurdersdisplay dooft.
Op een helling parkeren
Automatisch aanzetten
De parkeerrem wordt automatisch aangezet:
als de Auto Hold (automatische rem bij stilstand) is geactiveerd en de auto zo'n 5 minuten stilstaat.
•
wanneer u schakelstand P kiest op een steile
helling12.
•
wanneer de auto is afgezet.
Noodrem
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens
het rijden aanzetten door de knop uit te trekken
en vast te houden. Bij het loslaten van de handgreep wordt de rem uitgeschakeld.
N.B.
Bij activeren van de noodrem bij hogere snelheden klinkt er tijdens het remmen een signaal.
12
422
Bij een automatische versnellingsbak:
Betekenis
Als het symbool knippert, betekent
dit dat er ergens een storing is
opgetreden. Lees de melding op
het bestuurdersdisplay.
•
3.
Geldt bij een automatische versnellingsbak.
WAARSCHUWING
Gebruik bij het parkeren op een helling altijd
de parkeerrem. Stand P is bij een automaat
niet voldoende om de auto in alle situaties
staande te houden.
Handmatig lossen
1. Trap het rempedaal stevig in.
2.
Druk de knop in.
> De parkeerrem wordt gelost en het symbool op het bestuurdersdisplay dooft.
Automatisch lossen
1. Doe de veiligheidsgordel om.
2.
Start de motor.
Bij het parkeren van de auto op een oplopende
helling:
•
Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende
helling:
•
Draai de wielen naar de trottoirband toe.
STARTEN EN RIJDEN
Zware belading op oplopende hellingen
Bij een zware belading zoals een aanhanger is
het mogelijk dat de auto op een steile, oplopende
helling achteruitrolt, wanneer de parkeerrem
automatisch wordt gelost. U kunt dit voorkomen
door tijdens het wegrijden de knop omhoog te
trekken. Laat de handgreep weer los zodra de
koppeling aangrijpt.
Instellingen voor parkeerrem
Via het middendisplay kunt u de automatische
activering van de parkeerrem instellen.
Automatische activering bij het afzetten van de
auto:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car Parkeerrem en vering
en markeer de functie Parkeerrem
automatisch activeren of juist niet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerrem (p. 421)
Bij een storing in de parkeerrem (p. 423)
Automatische rem bij stilstand (p. 424)
Bij een storing in de parkeerrem
Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats als het na meerdere pogingen niet lukt om
de parkeerrem aan te zetten of te lossen.
Symbolen op bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Als het symbool knippert, betekent
dit dat er ergens een storing is
opgetreden. Zie de melding op het
bestuurdersdisplay.
Er klinkt een waarschuwingssignaal als u rijdt
met de parkeerrem aangetrokken.
Als u de auto moet parkeren voordat een eventuele storing is verholpen, dient u de wielen net als
bij het parkeren op een helling van de trottoirband/berm af te draaien en de keuzehendel in
stand P te zetten (of de eerste versnelling in te
schakelen bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak).
Storing in remsysteem. Zie de melding op het bestuurdersdisplay.
Informatiemelding op het bestuurdersdisplay.
Lage accuspanning
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is.
Remblokken vervangen
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een werkplaats met het oog op de constructie van de elektrische parkeerrem - een
erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Voorbeelden van meldingen:
• Parkeerrem Service vereist
• Parkeerrem Systeem oververhit
• Parkeerrem Tijdelijk niet beschikbaar
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Remsystemen (p. 417)
Parkeerrem gebruiken (p. 421)
Parkeerrem (p. 421)
Starthulp met andere accu (p. 400)
423
STARTEN EN RIJDEN
Hellingrem
Automatische rem bij stilstand
De hellingrem, Hill Start Assist (HSA), voorkomt
dat de auto achteruitrolt bij het starten op een
oplopende helling. Tijdens het achteruitrijden op
een oplopende helling voorkomt het systeem dat
de auto vooruitrolt.
Dankzij de automatische rem bij stilstand (Auto
Hold) kunt u bij stilstand voor verkeerslichten of
een kruising het rempedaal loslaten zonder dat
dit gevolgen heeft voor de remwerking.
Het systeem zorgt ervoor dat de pedaaldruk
enkele seconden lang op peil blijft, wanneer u uw
voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst.
De tijdelijke remwerking wordt na enige seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van
het gaspedaal.
De hellingrem is ook beschikbaar als de automatische rem bij stilstand (Auto hold) uitstaat.
Gerelateerde informatie
Als u terwijl de auto stilstaat de motor afzet,
wordt de parkeerrem ingeschakeld.
13
424
Functie
Zodra de auto stilstaat, worden de remmen automatisch geactiveerd. Het systeem kan de auto
staande houden met de bedrijfsrem of de parkeerrem en werkt ongeacht hellingspercentage.
Wanneer u het gaspedaal weer bedient, worden
de remmen gelost.
Bij afremmen tot stilstand op hellingen trapt u
het rempedaal iets harder in voordat u het loslaat
om zeker te weten dat de auto helemaal niet rolt.
•
•
Remsystemen (p. 417)
Automatische rem bij stilstand (p. 424)
Geldt bij een automatische versnellingsbak.
Schakelaar voor automatische rem
Automatische uitschakeling
Er vindt automatische uitschakeling plaats:
•
wanneer het bestuurdersportier openstaat en
de bestuurder de veiligheidsgordel niet
draagt;
•
in de schakelstand N13.
Een brandend lampje in de knop geeft aan dat de functie geactiveerd is.
Schakel Auto Hold in en of uit met de schakelaar
op de tunnelconsole. Het systeem blijft uitgeschakeld, totdat u het weer activeert.
Als het systeem actief is en de auto
staande houdt met het remsysteem
(symbool A brandt), moet u rempedaal
bedienen en tegelijkertijd op de knop
drukken om het systeem uit te schakelen.
Bij uitschakeling van het systeem blijft de hellingrem (HSA) actief om te voorkomen dat de auto
bij het wegrijden op een oplopende helling achteruitrolt.
STARTEN EN RIJDEN
Symbolen op bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Het symbool brandt als het systeem het rempedaal gebruikt om
de auto stil te houden.
Het symbool brandt als het systeem de parkeerrem gebruikt om
de auto stil te houden.
Gerelateerde informatie
•
•
Remsystemen (p. 417)
Hellingrem (p. 424)
Doorwaaddiepte
BELANGRIJK
Met doorwaden wordt bedoeld dat de auto door
een diepere plas water op een met water
bedekte rijbaan rijdt. Waden dient met de
nodige voorzichtigheid te gebeuren.
Als er water in het luchtfilter komt, kan er
motorschade ontstaan.
Bij een diepte groter dan 25 cm kan er water
in de transmissie komen. Het smerende vermogen van de oliën neemt dan af, waardoor
de levensduur van deze systemen korter
wordt.
Stapvoets kunt u met de auto door waterpartijen
van maximaal 25 cm diep rijden. Wees extra
voorzichtig als u door stromend water rijdt.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking
optreden.
•
Maak eventuele aansluitingen voor de elektrische verwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en modder.
•
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken - elektrische
storingen zijn anders niet uitgesloten.
Schade aan de motor, transmissie, turbocompressor, het differentieel of de inwendige
onderdelen ervan als gevolg van waterlekkage (hydrolock) of een tekort aan olie valt
niet onder de garantie.
Bij een motorstop in water moet u niet proberen opnieuw te starten. Laat de auto uit het
water naar de werkplaats slepen - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Kans op motorschade.
Gerelateerde informatie
•
•
Slepen (p. 446)
Auto bergen (p. 447)
425
STARTEN EN RIJDEN
Oververhitting van motor en
aandrijving
Transmissie warm Ga langzamer rijden
om temperatuur te verlagen of
Transmissie heet Stop veilig, wacht op
koelen verschijnt. Volg in dat geval het
advies op en matig uw snelheid of breng de
auto op een veilige plek tot stilstand om de
motor enkele minuten stationair te laten
draaien, zodat de versnellingsbak kan afkoelen.
In bepaalde omstandigheden, bij zware belasting op steile hellingen en warm weer, bestaat
het gevaar dat de motor en de aandrijflijn oververhit raken – vooral bij het vervoer van een
zware lading.
426
•
Bij oververhitting is het motorvermogen
mogelijk tijdelijk beperkt.
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten
tijdens ritten bij warm weer.
•
Als de temperatuur in het koelsysteem van
de motor te hoog oploopt, gaat een waarschuwingssymbool branden en verschijnt op
het bestuurdersdisplay de melding
Motortemperatuur Hoge temperatuur.
Stop veilig. Breng de auto in dat geval zo
spoedig mogelijk tot stilstand en laat de
motor enkele minuten stationair lopen, zodat
deze kan afkoelen.
•
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af, als de melding Motortemperatuur Hoge
temperatuur. Zet de motor af of
Motorkoelvloeistof Niveau laag. Zet de
motor af verschijnt.
•
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een alternatief schakelprogramma
gekozen. Boven wordt een ingebouwde
beveiligingsfunctie geactiveerd, waarbij onder
meer een waarschuwingssymbool gaat branden en op het bestuurdersdisplay de melding
•
Bij oververhitting kan de airconditioning zichzelf tijdelijk uitschakelen.
•
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten draaien.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator van de
motor een tijdje werkt nadat de motor is uitgeschakeld.
Symbolen op bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Hoge motortemperatuur. Volg het
gegeven advies op.
Laag peil koelvloeistof. Volg het
gegeven advies op.
De versnellingsbak is heet/oververhit/wordt gekoeld. Volg het gegeven advies op.
Gerelateerde informatie
•
Rijden met een aanhanger in speciale
omstandigheden (p. 442)
•
Voorbereidingen voor een lange rit (p. 427)
STARTEN EN RIJDEN
Overbelasting van de startaccu
De elektrische functies van de auto belasten de
startaccu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in stand II staan,
wanneer de auto is uitgeschakeld. Maak in
plaats daarvan gebruik van contactslotstand I het stroomverbruik is dan minder.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires
het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom nemen uit, wanneer de auto is uitgeschakeld. Voorbeelden van
dergelijke onderdelen/systemen zijn:
•
•
•
•
interieurventilator
koplampen
•
•
Contactslotstanden (p. 397)
Startaccu (p. 552)
Voorbereidingen voor een lange rit
Voor aanvang van een autovakantie of een langere autorit is het belangrijk om de functies en
uitrusting van de auto eens goed te controleren.
Controleer of:
•
de motor naar behoren functioneert en of het
brandstofverbruik in orde is
•
er wellicht sprake is van lekkage (brandstof,
olie of andere vloeistoffen)
•
•
alle gloeilampen werken
•
er een gevarendriehoek en reflecterende
hesjes in de auto aanwezig zijn - in bepaalde
landen is dat wettelijk verplicht
•
de wisserbladen in goede staat verkeren.
ruitenwisser
audiosysteem (hoog volume).
Bij een lage startaccuspanning verschijnt de melding 12V-accu Accu is bijna leeg, gaat snel
naar bespaarstand op het bestuurdersdisplay.
De energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens
bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt de
belasting van de accu door bijvoorbeeld de interieurventilator lager te zetten en/of het audiosysteem uit te schakelen.
–
Gerelateerde informatie
Laad de startaccu dan op door de auto te
starten en de motor minstens 15 minuten te
laten draaien – de startaccu wordt beter
opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand
met een stationair draaiende motor.
de profieldiepte van de banden en de spanning voldoende zijn
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 593)
Bandenspanning controleren (p. 502)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 551)
Rijden tijdens de winter (p. 428)
Zuinig rijden (p. 436)
Instellingen voor automodem* (p. 486)
Bagage vervoeren (p. 233)
Pilot Assist* (p. 315)
Snelheidsbegrenzer* (p. 287)
}}
* Optie/accessoire. 427
STARTEN EN RIJDEN
•
•
•
•
•
•
•
•
Informatie over flitspalen* (p. 361)
Rijden tijdens de winter
•
Rijden met aanhanger (p. 440)
Bij rijden in de winter is het belangrijk om
bepaalde controles op de auto uit te voeren,
zodat u zeker weet dat u er veilig mee kunt rijden.
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de startaccu. De startaccu wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
•
Giet sproeiervloeistof met antivries in het
sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming te
voorkomen.
Doorwaaddiepte (p. 425)
Alarm* (p. 272)
Niveauregeling* en schokdemping (p. 416)
Gevarendriehoek (p. 520)
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder
op het volgende:
Noodreparatieset voor banden (p. 508)
•
De koelvloeistof van de motor moet 50% glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie
is de motor beschermd tegen bevriezing tot
zo'n –35 °C. Om gezondheidsrisico's te vermijden is het zaak geen verschillende soorten glycol met elkaar te mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens
in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk.
Wanneer u oliesoorten met een lagere viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat de motor
bij koud weer gemakkelijker aan en neemt
bovendien het brandstofverbruik tijdens de
koude start af. Lees meer over geschikte
oliën in het artikel "Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie".
Reservewiel* (p. 518)
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of
warm weer.
428
Nieuwe auto's en gladde wegen
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of ijs
adviseert Volvo u om de auto rondom van winterbanden te voorzien.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn niet
in alle landen toegestaan.
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden om
te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Koelvloeistof bijvullen (p. 539)
Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie (p. 589)
Startaccu (p. 552)
Winterwielen (p. 519)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 551)
Wisserbladen vervangen (p. 549)
Parkeerklimaat* (p. 213)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
•
Ontwaseming van ruiten en buitenspiegels
activeren/deactiveren (p. 201)
Tankvulklep openen/sluiten en
tanken
•
•
•
•
Rijmodi* (p. 412)
Rempedaal (p. 418)
De brandstoftank is voorzien van een doploos
tanksysteem.
Vierwielaandrijving* (p. 417)
Tankvulklep openen/sluiten
elektronische stabiliteitsregeling (p. 283)
Om de tankvulklep te kunnen openen moet de
auto ontgrendeld zijn.
Tanken bij een tankstation
Op het bestuurdersdisplay
wordt met de pijl naast het
tanksymbool aangegeven aan
welke kant van de auto de
tankvulklep zit.
U tankt als volgt brandstof.
1.
2.
Open de tankvulklep door lichte druk aan te
brengen op de achterkant van de vulklep.
Sluit na het tanken de klep door er licht op te
drukken.
1.
Open de tankvulklep.
2.
Kies een brandstof die is goedgekeurd voor
gebruik in de auto op basis van de aanduiding14 aan de binnenkant van de tankvulklep.
Zie de informatie over goedgekeurde brandstofsoorten en hun aanduidingen in het artikel "Benzine" of "Dieselolie".
Zie bij een Bi-Fuel*-model ook het artikel
"Autogas tanken".
14
De aanduiding conform de CEN-norm prEN16942 zit aan de binnenkant van de tankvulklep en binnenkort (binnen twee jaar) ook op de desbetreffende brandstofpompen en vulpistolen op tankstations in heel
Europa.
}}
* Optie/accessoire. 429
STARTEN EN RIJDEN
||
3.
4.
Autogas* tanken
Steek het mondstuk van het vulpistool in de
brandstofvulopening. De vulpijp heeft twee
afdekkingen die te openen zijn. Zorg dat u
het mondstuk van het vulpistool langs de
beide afdekkingen hebt gestoken, voordat u
begint met tanken.
Autogas (Compressed Natural Gas) tanken bij
een auto met een Bi-Fuel-motor.
Tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
> De tank is vol.
N.B.
Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen.
Bijvullen met jerrycan15
Gebruik voor het bijvullen met een jerrycan de
trechter die onder het vloerluik in de bagageruimte ligt.
1.
Open de tankvulklep.
2.
Steek de trechter in de brandstofvulopening.
De vulpijp heeft twee afdekkingen die te
openen zijn. Zorg dat u de trechterbuis langs
de beide afdekkingen hebt gestoken, voordat
u begint met tanken.
Sticker
Gebruik de brandstofverwarming nooit, wanneer
de auto bij een tankstation staat.
15
430
Sticker aan binnenkant tankvulklep.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Hanteren van brandstof (p. 432)
Benzine (p. 433)
Dieselolie (p. 434)
Autogas* tanken (p. 430)
U tankt autogas via de vulaansluiting achter de
tankvulklep.
1.
Open de tankvulklep en verwijder de dop van
de vulaansluiting.
2.
Druk het mondstuk op de vulnippel en let
erop dat het mondstuk van de slang vastzit
door de hendel op het mondstuk een halve
slag te draaien.
3.
Houd vervolgens de startknop op de gaspomp enkele seconden ingedrukt.
> De tank wordt in enkele minuten gevuld.
Geldt alleen voor een auto met een dieselmotor.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
4.
5.
Verwijder het mondstuk door de hendel
ervan in tegengestelde richting te draaien.
Plaats de dop op de vulaansluiting en sluit
de tankvulklep.
Aanduiding voor autogas
Knop voor gebruik autogas*
Een auto met een Bi-Fuel-motor is voorzien van
een knop om te wisselen tussen gas (CNG Compressed Natural Gas) en benzine.
Bediening
De aanduiding16 zit aan de binnenkant van de
tankvulklep en binnenkort (binnen twee jaar) ook
op de desbetreffende brandstofpompen en
mondstukken op tankstations in heel Europa.
Bij een start met koude motor kan het langer
duren voordat de auto overschakelt naar gas om
zo laag mogelijke emissies te garanderen.
Waarschuwingslampje
Als het waarschuwingslampje in de knop gaat
branden en/of er meerdere geluidssignalen klinken, is het tijd voor service. Bevestig de waarschuwing door op de knop te drukken en bezoek
de dichtstbijzijnde werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Dit is de aanduiding die geldt
voor autogas (CNG) in Europa.
In een auto met een Bi-Fuelmotor is het toegestaan om
autogas te gebruiken met de
volgende aanduiding.
Gerelateerde informatie
Tankstations met autogas
Verkeersbord voor tankstations
met autogas.
De auto start altijd op benzine, ook als gas is
gekozen. Als de motor is gestart, schakelt het
systeem automatisch over naar gas (normaal
gesproken bij een warme start binnen enkele
seconden).
Druk op de knop om te wisselen tussen gas en
benzine.
•
•
Autogas* tanken (p. 430)
Brandstofmeter voor autogas* (p. 104)
Bij het schakelen kan een klikgeluid hoorbaar zijn
vanuit de bagageruimte. Dat is normaal en betekent dat de tankkleppen worden geopend.
De knop heeft twee standen:
Gerelateerde informatie
•
•
16
Knop voor gebruik autogas* (p. 431)
Brandstofmeter voor autogas* (p. 104)
•
BI-FUEL brandt groen – de auto rijdt op
autogas
•
BI-FUEL brandt amberkleurig – de auto rijdt
op benzine (gasmeter is uit).
Conform de CEN-norm prEN16942.
* Optie/accessoire. 431
STARTEN EN RIJDEN
Hanteren van brandstof
WAARSCHUWING
Gebruik geen brandstof met een kwaliteit die
slechter is dan de kwaliteit die door Volvo wordt
aanbevolen, omdat dit een negatief effect heeft
op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
Op de grond gemorste brandstof kan vlam
vatten.
Schakel de verwarming op brandstof uit voordat u gaat tanken.
Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het
belsignaal kan er vonkvorming ontstaan waardoor de benzinedampen ontsteken en dat kan
tot brand en letsel leiden.
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp inroepen.
BELANGRIJK
Door mengsels van verschillende soorten
brandstoffen of het gebruik van niet aanbevolen brandstof vervallen de garanties van Volvo
en evt. aanvullende serviceovereenkomsten.
Dit geldt voor alle motoren.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen zoals
benzine, bio-ethanol, mengsels ervan en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen bij
inwendig gebruik aanleiding geven tot blijvend
letsel met mogelijk dodelijke afloop. Roep
onmiddellijk medische hulp in bij het inslikken
van brandstof.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, rijden met
een aanhanger/caravan of ritten op grote
hoogte kan, afhankelijk van de gebruikte
brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van
de auto te wensen overlaten.
Gerelateerde informatie
•
•
432
Benzine (p. 433)
Dieselolie (p. 434)
•
Tankvulklep openen/sluiten en tanken
(p. 429)
•
Zuinig rijden (p. 436)
STARTEN EN RIJDEN
Benzine
E10 is een benzinesoort met
maximaal 3,7% zuurstof en
maximaal 10 vol-% ethanol.
Benzine is een brandstoftype dat bestemd is
voor een auto met een benzinemotor.
Maak alleen gebruik van benzine van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit brandstof
van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De benzine
moet voldoen aan de norm EN 228.
BELANGRIJK
Aanduiding voor benzine
De aanduiding17 zit aan de binnenkant van de
tankvulklep en binnenkort (binnen twee jaar) ook
op de desbetreffende brandstofpompen en
mondstukken op tankstations in heel Europa.
Dit zijn de aanduidingen die gelden voor de huidige standaardbrandstoffen in Europa. In een
auto met een benzinemotor is het toegestaan
benzine te gebruiken met de volgende aanduiding:
E5 is een benzinesoort met
maximaal 2,7% zuurstof en
maximaal 5 vol-% ethanol.
BELANGRIJK
•
Er is brandstof toegestaan die tot 10
volumeprocent ethanol bevat.
•
Het gebruik van EN 228 E10-benzine
(maximaal 10 volumeprocent ethanol) is
toegestaan.
•
Een ethanolgehalte hoger dan E10
(maximaal 10 volumeprocent ethanol)
zoals bij E85 is niet toegestaan.
•
Gebruik alleen loodvrije benzine om
schade aan de katalysator tegen te gaan.
•
Het gebruik van brandstof met metaaladditieven is niet toegestaan.
•
Gebruik geen toevoegingen die niet door
Volvo zijn aanbevolen.
Gerelateerde informatie
•
•
Hanteren van brandstof (p. 432)
Tankvulklep openen/sluiten en tanken
(p. 429)
Octaangetal
•
95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
•
98 RON wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met een
zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit
om optimale prestaties en een zo laag mogelijk
brandstofverbruik te verkrijgen.
17
Conform de CEN-norm prEN16942.
433
STARTEN EN RIJDEN
Dieselolie
Dieselolie is een brandstoftype dat bestemd is
voor een auto met een dieselmotor.
Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit brandstof
van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De dieselolie moet voldoen aan de norm EN 590 of
SS 155435. Dieselmotoren zijn gevoelig voor
verontreinigingen in de brandstof, zoals een te
hoog gehalte aan zwavel- of metaaldeeltjes.
Aanduiding
De aanduiding18 zit aan de binnenkant van de
tankvulklep en binnenkort (binnen twee jaar) ook
op de desbetreffende brandstofpompen en
mondstukken op tankstations in heel Europa.
Dit is de aanduiding die geldt voor de huidige
standaardbrandstof in Europa. In een auto met
een dieselmotor is het toegestaan dieselolie te
gebruiken met de volgende aanduiding:
B7 is een dieselsoort met
maximaal 7 vol-% veresterde
methylvetzuren (FAME).
18
19
20
434
CEN-norm prEN16942.
Fatty Acid Methyl Ester
Dieselolie met maximaal 7 vol% FAME (B7) is toegestaan.
Bij lage temperaturen (lager dan 0 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat tot startproblemen kan leiden. De verkrijgbare brandstofkwaliteiten moeten zich lenen voor gebruik in het
actuele jaargetijde en klimaatgebied, maar in
extreme weersomstandigheden, bij gebruik van
verouderde brandstof of bij ritten door verschillende klimaatgebieden kan desondanks uitvlokking optreden.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolieachtige brandstoffen:
•
•
•
•
Het risico van condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld houdt.
De dieselolie:
•
moet voldoen aan de norm EN 590 en/of
SS 155435;
•
moet een zwavelgehalte hebben van
maximaal 10 mg/kg;
•
mag maximaal 7 vol% FAME19 (B7)
bevatten.
scheepsolie
stookolie
FAME20 of plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door de
garanties van Volvo.
Houd tijdens het tanken het gebied rond de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte
oppervlakken. Maak als u gemorst hebt het
gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK
speciale toevoegingen (dopes)
Gerelateerde informatie
•
Wanneer u de tank leegrijdt van een dieselmodel (p. 435)
•
Roetfilter (p. 435)
STARTEN EN RIJDEN
Wanneer u de tank leegrijdt van een
dieselmodel
Waar u op moet letten bij het vullen van
brandstof uit een jerrycan
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren.
Gebruik voor het bijvullen van dieselolie uit een
jerrycan de trechter die onder het vloerluik in de
bagageruimte ligt. Let erop dat u de buis van de
trechter goed in de vulpijp steekt. De vulpijp is
voorzien van een te openen afdekking. U moet de
buis van de trechter langs de afdekking naar binnen steken, voordat u kunt bijvullen.
Doe nadat u de brandstoftank hebt bijgevuld met
dieselolie het volgende alvorens de motor te starten:
1.
Controleer of de transpondersleutel in de
auto aanwezig is.
2.
Zet de auto in contactslotstand II - draai de
startknop naar START zonder het rempedaal
te bedienen en houd de knop
zo'n 4 seconden lang in de START-stand.
Laat vervolgens knop los, die automatisch
terugveert naar de uitgangspositie.
3.
Wacht ca. één minuut.
4.
Om de motor te starten: Bedien het rempedaal en draai de startknop opnieuw naar
START.
N.B.
Alvorens brandstof te tanken bij een leeggereden tank:
•
Breng de auto tot stilstand op een zo
egaal/horizontaal mogelijke ondergrond
– als de auto overhelt, bestaat er gevaar
voor luchtbellen in de brandstoftoevoer.
Gerelateerde informatie
•
•
Dieselolie (p. 434)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 593)
Roetfilter
Auto's op diesel zijn uitgerust met een roetfilter,
waardoor een nog effectievere uitlaatgasreiniging mogelijk is.
Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter.
Om de roetdeeltjes te verbranden en het filter te
legen wordt een zogeheten regeneratie gestart.
Daarvoor moet de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
De regeneratie van het roetfilter vindt automatisch plaats en duurt normaal 10-20 minuten. Bij
een lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer
duren. Tijdens de regeneratie kan het brandstofverbruik iets stijgen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor onvoldoende op temperatuur. Dit
betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en
niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes
gevuld is, licht er een oranje waarschuwingsdriehoek op en verschijnt de melding Roetfilter vol
Zie handleiding op het bestuurdersdisplay.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden totdat de motor voldoende op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog 20 minuten
verder.
}}
435
STARTEN EN RIJDEN
||
N.B.
Tijdens de regeneratie kan zich het volgende
voordoen:
Zuinig rijden
Rijd zuinig en milieubewust door rustig en met
vooruitziende blik te rijden én door uw rijstijl en
snelheid aan te passen aan de situatie.
•
er kan tijdelijk een geringe beperking van
het motorvermogen te bespeuren zijn
•
•
het brandstofverbruik kan tijdelijk toenemen
•
•
er kan sprake zijn van een brandlucht.
Wanneer het filter geregenereerd is, verdwijnt de
waarschuwingsmelding automatisch.
•
Wanneer u bij koud weer de standverwarming*
inschakelt, bereikt de motor sneller de normale
bedrijfstemperatuur.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal vol deeltjes zit, kan het
moeilijk zijn om de motor te starten en het filter wordt onbruikbaar. De kans bestaat dan
dat het filter moet worden vervangen.
Gerelateerde informatie
•
436
Gebruik het uitrolsysteem Eco
Er
wordt niet meer op de motor afgeremd,
waardoor de bewegingsenergie van de auto
wordt gebruikt om de auto langer te laten
uitrollen.
De bandenkeuze is mogelijk van invloed op
het brandstofverbruik - informeer bij uw dealer naar passende banden.
•
Neem geen spullen in de auto mee die u niet
gebruikt - hoe groter de belading, hoe hoger
het verbruik.
•
Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk is.
•
Lading op het dak en het gebruik van een
dakbox resulteren in een grotere luchtweerstand waardoor het verbruik toeneemt – verwijder lastdragers die u niet gebruikt.
•
Rijd niet met open zijruiten.
versnelling22,
Rijd in de hoogst mogelijke
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid; lagere toeren leveren een
lager brandstofverbruik op. Maak gebruik van
de schakelindicator.
Rijd met gelijkmatige snelheid en met vooruitziende blik om zo weinig mogelijk te hoeven remmen.
•
Bij hoge snelheden neemt het brandstofverbruik toe - de luchtweerstand neemt toe
naarmate de snelheid stijgt.
•
Laat de motor niet stationair warmdraaien,
maar rijdt direct na het starten weg met normale belasting; een koude motor verbruikt
meer brandstof dan een warme.
Dieselolie (p. 434)
•
Coast21.
•
•
21
22
Activeer voor een lager brandstofverbruik de
rijmodus ECO.
houd voor de beste resultaten de zogenoemde ECO -bandenspanning aan.
Houd de juiste bandenspanning aan en controleer regelmatig of dat nog steeds zo is -
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden (zoals
op een aflopende helling), omdat daarbij
belangrijke systemen zoals de stuur- en rembekrachtiging wegvallen.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijmodus ECO (p. 414)
•
•
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 593)
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 599)
Drive-E - schoner rijplezier (p. 26)
Zie het artikel "Rijmodus ECO".
Geldt bij handmatig schakelen.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Trekhaak*
N.B.
De auto is uit te rusten met een trekhaak, waarmee bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto
te hangen is.
Er zijn verschillende trekhaakuitvoeringen verkrijgbaar voor de auto – neem voor informatie
contact op met een Volvo-dealer.
Zie artikel "Aanhangergewicht en kogeldruk"
voor informatie over aanhangergewichten en
kogeldruk.
BELANGRIJK
Als de motor wordt afgezet, kan de constante
accuspanning voor het aanhangercontact
automatisch worden uitgeschakeld om de
startaccu niet te ontladen.
Als de auto met een trekhaak is uitgerust, is
er geen achterbevestiging voor het sleepoog
aanwezig.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Rijden met aanhanger (p. 440)
Trekgewicht en kogeldruk (p. 584)
In- en uitklapbare trekhaak*
De in-/uitklapbare trekhaak is altijd gemakkelijk
bereikbaar en eenvoudig uit of in te klappen als
dat nodig is. In de ingeklapte stand is de trekhaak volledig onzichtbaar.
WAARSCHUWING
Neem de instructies voor het in- en uitklappen van de trekhaak zorgvuldig in acht.
Aanhangerstabilisering* (p. 443)
Specificaties van de trekhaak* (p. 439)
In- en uitklapbare trekhaak* (p. 437)
Trekhaak uitklappen
WAARSCHUWING
Sta niet te dicht bij de achterbumper van de
auto bij het uitklappen van de trekhaak.
BELANGRIJK
De trekhaak moet regelmatig worden gereinigd en ingevet om slijtage tegen te gaan.
N.B.
Wanneer een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden
gesmeerd.
Dit geldt ook bij montage van een fietsdrager
die rond de trekkogel wordt vastgeklemd.
}}
* Optie/accessoire. 437
STARTEN EN RIJDEN
||
1.
Open de achterklep Rechtsachter in de
bagageruimte zit een knop voor het in- en
uitklappen van de trekhaak. Het led-lampje in
de knop brandt permanent oranje, als de uitklapfunctie actief is.
2.
Druk de knop in en laat hem weer los - drukt
u te lang, dan kan dat betekenen dat het uitklappen niet start.
> De trekhaak valt naar buiten en blijft
onvergrendeld liggen. De led knippert
oranje.
WAARSCHUWING
Druk niet op de knop voor het in- en uitklappen als er een aanhanger op de trekhaak is
gekoppeld.
N.B.
De trekhaak moet eerst volledig zijn uitgeklapt voordat deze in de vergrendelde stand
te zetten is. Dit kan enkele seconden duren.
Als de trekhaak niet in de vergrendelde stand
blijft, moet u enkele seconden later opnieuw
proberen.
438
3.
Beweeg de trekhaak naar zijn eindpositie.
Daar moet hij worden vastgezet en vergrendeld - de led brandt permanent oranje.
> De trekhaak is nu klaar voor gebruik.
WAARSCHUWING
Controleer of de veiligheidskabel van de aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
N.B.
De stroomspaarstand wordt na een tijdje
geactiveerd en het controlelampje dooft. Het
systeem wordt opnieuw geactiveerd door de
achterklep te sluiten en daarna opnieuw te
openen. Dit geldt zowel bij het in- als uitklappen van de trekhaak.
Als het elektrische systeem heeft gedetecteerd dat er een aanhanger achter de auto
hangt, stopt het controlelampje met branden.
STARTEN EN RIJDEN
Specificaties van de trekhaak*
Trekhaak inklappen
Afmetingen en bevestigingspunten voor de trekhaak.
BELANGRIJK
Zorg dat er geen aansluitcontact of adapter in
de elektrische aansluiting zit bij het inklappen
van de trekhaak.
1.
Open de achterklep Druk de knop rechtsachter in de bagageruimte in en laat hem weer
los - drukt u te lang, dan kan dat betekenen
dat het inklappen niet start.
> De trekhaak valt automatisch in een
onvergrendelde positie. De led in de knop
knippert oranje.
2.
Vergrendel de trekhaak door deze terug te
bewegen naar zijn ingeklapte positie. Daar
wordt hij vergrendeld.
> Als de trekhaak op de juiste wijze is ingeklapt, brandt het led-lampje continu.
Gerelateerde informatie
•
•
Trekhaak* (p. 437)
Specificaties van de trekhaak* (p. 439)
}}
* Optie/accessoire. 439
STARTEN EN RIJDEN
||
Afmetingen, bevestigingspunten (mm)
A
1229
B
111,8
C
875
D
437,5
E
Zie afbeelding boven
F
310,5
G
Middelpunt kogel
Gerelateerde informatie
•
440
Trekhaak* (p. 437)
Rijden met aanhanger
Bij ritten met een aanhanger moet u op enkele
dingen letten zoals de trekhaak, de aanhanger
en hoe u de aanhanger laadt.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te
worden verminderd met de som van het gewicht
van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
normaal. Schakel dan terug naar een lagere
versnelling en pas uw snelheid aan.
•
Neem de geldende bepalingen in acht ten
aanzien van de toelaatbare snelheden en
gewichten.
•
Houd een lage snelheid aan, wanneer u met
een aanhanger achter de auto een lange en
steile helling oprijdt.
•
De aangegeven maximale aanhangergewichten gelden alleen voor hoogtes tot 1000 m
boven zeeniveau. Daarboven zijn het motorvermogen en daarmee het klimvermogen van
de auto beperkt door de lagere luchtdichtheid en moet daarom het maximale aanhangergewicht worden beperkt. Het gewicht
voor auto en aanhanger moet worden verlaagd met 10% voor iedere extra 1000 m (of
een deel daarvan).
•
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12% bij het gebruik van een aanhanger.
De auto wordt geleverd met de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
•
De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig
dat de druk op de trekhaak de maximale
kogeldruk niet overschrijdt. De kogeldruk
wordt tot het laadvermogen van de auto
gerekend.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Zie voor meer
informatie over bandenspanning artikel
"Goedgekeurde bandenspanningswaarden".
•
Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
•
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer
de auto nog helemaal nieuw is. Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
•
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast dan
N.B.
Extreme weersomstandigheden, een aangekoppelde aanhanger/caravan of ritten op
grote hoogte zijn, in combinatie met de
brandstofkwaliteit, factoren die het brandstofverbruik aanzienlijk kunnen doen toenemen.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Aanhangercontact
Als de trekhaak van de auto een 13-polige aansluiting heeft en de aanhanger een 7-polige aansluiting, hebt u een adapter nodig. Gebruik een
door Volvo goedgekeurde adapter. Zorg dat de
kabel niet over de grond sleept.
BELANGRIJK
Als de motor wordt afgezet, kan de constante
accuspanning voor het aanhangercontact
automatisch worden uitgeschakeld om de
startaccu niet te ontladen.
Aanhangergewichten
Informatie over de aanhangergewichten die Volvo
toelaat vindt u onder "Aanhangergewicht en
kogeldruk".
WAARSCHUWING
Volg de vermelde aanbevelingen voor het
aanhangergewicht. Anders is het mogelijk dat
de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en
afremmen moeilijk onder controle is te houden.
N.B.
De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. Nationale voertuigvoorschriften kunnen het aanhangergewicht en de snelheid verder beperken. De trekhaken zijn mogelijk gecertificeerd
voor hogere trekgewichten dan wat de auto
mag trekken.
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhanger
Als een of meer richtingaanwijzers of remlichten
op de aanhanger kapot zijn, verschijnen op het
bestuurdersdisplay een symbool en een melding.
De overige verlichting op de aanhanger moet u
vóór vertrek handmatig controleren, zie het kopje
"Aanhangerverlichting controleren".
Symbool
bestuurdersdisplay bovendien sneller dan normaal.
Aanhangerverlichting controleren*
Automatische controle
Na aansluiting van een aanhanger is de werking
van de aanhangerverlichting te controleren aan
de hand van een automatische verlichtingscontrole. Dankzij deze controle kunt u voor vertrek
nagaan of de aanhangerverlichting werkt.
Om deze controle te kunnen verrichten moet de
motor zijn afgezet.
1.
Als er een aanhanger is aangesloten op de
trekhaak, verschijnt de melding Aut. contr.
lamp aanhanger op het bestuurdersdisplay.
2.
Bevestig de melding door de O-knop van de
knoppenset rechts op het stuurwiel in te
drukken.
> De lichtcontrole gaat van start.
3.
Stap uit de auto om de werking van de verlichting te kunnen controleren.
> Alle lampen van de aanhanger gaan knipperen – daarna gaan de lampen één voor
één branden.
4.
Kijk of alle lampen op de aanhanger ook
daadwerkelijk branden.
5.
Na een poosje gaan alle lampen op de aanhanger weer knipperen.
> De controle is afgerond.
Melding
• Richtingaanw. aanh. Storing
knipperlicht rechts
• Richtingaanw. aanh. Storing
richtingaanwijzer links
• Remlicht aanhanger Storing
Als een richtingaanwijzer op de aanhanger kapot
is, knippert het richtingaanwijzersymbool op het
}}
* Optie/accessoire. 441
STARTEN EN RIJDEN
||
Automatische controle uitschakelen
De automatische controlefunctie is uit te schakelen op het middendisplay.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Vink Aut. contr. lamp aanhanger uit.
Lampen en verlichting.
Handmatige controle
Als de automatische controle is uitgeschakeld,
kunt u de controle handmatig starten.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Handm. contr. lamp aanhanger.
> De lichtcontrole gaat van start. Stap uit de
auto om de werking van de verlichting te
kunnen controleren.
Lampen en verlichting.
Niveauregeling*
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 599)
Rijden met een aanhanger in
speciale omstandigheden
•
Trekhaak* (p. 437)
Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept
in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk
gevaar voor oververhitting.
Bij oververhitting gaat er op het bestuurdersdisplay een waarschuwingssymbool branden en verschijnt er tegelijk een melding, zie het artikel
"Oververhitting van motor en aandrijving".
Het onderstaande geldt alleen voor een auto met
een automatische versnellingsbak.
De automatische versnellingsbak kiest altijd de
juiste versnelling voor belasting en motortoerental.
Steile hellingen
Blokkeer de automatische versnellingsbak niet
met een hogere versnelling dan de motor "aankan" - rijden in een hoge versnelling bij een laag
motortoerental is niet altijd zuinig.
De niveauregeling van de auto streeft ernaar om
ongeacht de belading dezelfde rijhoogte aan te
houden (tenzij het maximaal toelaatbare gewicht
wordt overschreden). Wanneer de auto stilstaat,
zakt de achterkant normaal iets omlaag.
Op een helling parkeren
2.
Activeer de parkeerrem.
Gerelateerde informatie
3.
Kies de schakelstand P.
4.
Laat het rempedaal los.
•
•
•
442
•
Rijden met een aanhanger in speciale
omstandigheden (p. 442)
Trekgewicht en kogeldruk (p. 584)
Aanhangerstabilisering* (p. 443)
1.
Trap het rempedaal in.
Gebruik wielblokken, als u een auto met aanhanger op een steile helling parkeert.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Op een helling wegrijden
Aanhangerstabilisering*
De functie van Trailer Stability Assist
1.
Trap het rempedaal in.
2.
Kies de schakelstand D.
3.
Parkeerrem lossen.
4.
Haal uw voet van het rempedaal en rijd weg.
Trailer Stability Assist (Trailer Stability Assist TSA) heeft tot taak een auto met aanhanger/
caravan te stabiliseren wanneer de combinatie
slingerneigingen vertoont. De regeling maakt
deel uit van de stabiliteitsregeling ESC23.
Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen
van de auto in de gaten en in het bijzonder de
dwarsbewegingen. Als een neiging tot slingeren
geregistreerd wordt, worden de voorwielen ieder
afzonderlijk dusdanig afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd wordt. Vaak is dit voldoende om
de auto weer onder controle te krijgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijden met aanhanger (p. 440)
Oververhitting van motor en aandrijving
(p. 426)
Parkeerrem gebruiken (p. 421)
Oorzaken voor slingerneigingen
Bij alle combinaties van auto en aanhanger/caravan kan het bekende verschijnsel met slingeren
optreden. Doorgaans treedt het verschijnsel pas
bij hoge snelheden op. Als de aanhanger/caravan echter overmatig beladen is of als het
gewicht van de lading verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld te ver naar achteren), bestaat er ook
op lagere snelheden gevaar voor slingeren.
Een pendelbeweging begint altijd met een van de
onderstaande factoren, zoals.:
•
De auto met aanhanger/caravan staat bloot
aan rukwinden.
•
De auto met aanhanger/caravan rijdt over
een oneffen wegdek of over hobbels.
•
Grote stuurbewegingen.
Slingeren is vaak niet of nauwelijks te dempen,
waardoor de combinatie moeilijk bestuurbaar
wordt en het gevaar bestaat op de verkeerde
weghelft of naast de weg te belanden.
23
Electronic Stability Control (elektronische stabiliteitsregeling)
Als de slingerbeweging ondanks de eerste
ingreep van de aanhangerstabilisering niet wordt
gedempt, worden alle wielen van de combinatie
afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de
motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging
vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de
combinatie weer stabiel is, beëindigt het systeem
de regeling waarna u de auto weer volledig onder
controle hebt.
N.B.
De stabiliteitsregeling wordt uitgeschakeld,
als u de Sportstand kiest door via het menusysteem van het middendisplay ESC te deactiveren.
De aanhangerstabilisering grijpt mogelijk niet in
als u met grote stuurbewegingen de slingering
zelf tracht op te heffen, aangezien de stabilisering dan niet kan bepalen of de slingering wordt
veroorzaakt door de aanhanger/caravan of door
uzelf.
}}
* Optie/accessoire. 443
STARTEN EN RIJDEN
||
Wanneer de stabilisatorregeling werkt, knippert op het
bestuurdersdisplay het symbool
ESC.
Sleepoog
Gebruik het sleepoog bij het slepen. Schroef het
sleepoog vast in een draadbus achter een
afdekking in de bumper, voor of achter.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijden met aanhanger (p. 440)
Rijden met een aanhanger in speciale
omstandigheden (p. 442)
elektronische stabiliteitsregeling (p. 283)
Als de auto met een trekhaak is uitgerust, is
er geen achterbevestiging voor het sleepoog
aanwezig.
Sleepoog monteren
Voor: Verwijder de afdekking.
> De afdekking is horizontaal open te klappen en vervolgens te verwijderen.
Pak het sleepoog erbij. Dit zit in het blok
schuimrubber onder het vloerluik in de bagageruimte24.
24
444
Bij een Bi-Fuel-model zit het sleepoog achter het zijluik links in de bagageruimte.
STARTEN EN RIJDEN
BELANGRIJK
BELANGRIJK
Het is belangrijk het sleepoog goed vast te
schroeven – dat wil zeggen, helemaal tot aan
de aanslag.
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken om
de auto op een bergingsvoertuig met laadvloer te
trekken. De positie van de auto en de bodemspeling bepalen of dat mogelijk is.
Achter: Verwijder de afdekking - druk met
een vinger op het artikel met de markering
en werk tegelijkertijd de tegenoverliggende
kant/hoek los met een muntstuk of iets dergelijks.
> De afdekking is horizontaal open te klappen en vervolgens te verwijderen.
4.
Schroef het sleepoog tot aan de aanslag
naar binnen. Draai het oog stevig vast met
bijvoorbeeld een wielsleutel*.
Draai het sleepoog na gebruik los en leg het
weer op zijn plek.
Als de oprijplaten van het bergingsvoertuig onder
een te grote hoek staan of als de bodemspeling
onder de auto onvoldoende is, kan de auto
beschadigd raken wanneer men deze met een
sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te
trekken.
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
Gerelateerde informatie
•
•
Slepen (p. 446)
Auto bergen (p. 447)
Hef de auto zo nodig op met de takelinrichting
van het bergingsvoertuig - maak geen gebruik
van het sleepoog.
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de laadvloer
wordt getrokken.
Plaats de afdekking tot slot weer in de bumper
terug.
* Optie/accessoire. 445
STARTEN EN RIJDEN
Slepen
6.
Bij het slepen wordt de auto met behulp van een
sleepkabel voortgetrokken door een ander voertuig.
Ga alvorens te slepen na wat de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid voor slepen is.
7.
Schakel de alarmlichten van de auto in.
2.
Bevestig de sleepkabel aan het sleepoog.
3.
Hef het stuurslot op door de auto te ontgrendelen.
Sleep de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
•
N.B.
In de contactslotstand II wordt het stuurslot
gedeactiveerd als de auto onvergrendeld was.
Zie het hoofdstuk "Contactslotstand" voor
meer informatie.
4.
5.
446
Zet de auto in contactslotstand II door de
startknop naar START te draaien en de knop
zo'n 4 seconden in stand START vast te
houden. Laat vervolgens knop los, die automatisch terugveert naar de uitgangspositie.
Zet de keuzehendel in neutraalstand N en
los de parkeerrem.
> U kunt vervolgens beginnen met het slepen.
WAARSCHUWING
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet
als de motor is uitgeschakeld. Er moet
ca. 5 keer zo hard op het rempedaal worden
getrapt en de besturing gaat aanzienlijk
zwaarder dan normaal.
Sta klaar om te remmen om de auto tot stilstand te brengen.
BELANGRIJK
Voorbereidingen en slepen
1.
Houd, wanneer de slepende auto afremt, de
sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen zo voorkomt u schokken.
Sleep auto's met een automatische versnellingsbak niet met een hogere snelheid dan 80 km/h (50 mph) en niet verder dan 80 km.
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik een
hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is
dat de motor niet kan worden gestart.
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken bij
pogingen om de motor via slepen aan het
draaien te krijgen.
WAARSCHUWING
•
Controleer voordat u gaat slepen of het
stuurslot eraf is.
•
Contactslotstand II moet geactiveerd zijn
– in contactslotstand I zijn alle airbags
gedeactiveerd.
•
Zorg dat de transpondersleutel tijdens
het slepen altijd in de auto aanwezig is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Gevarendriehoek (p. 520)
Sleepoog (p. 444)
Auto bergen (p. 447)
Starthulp met andere accu (p. 400)
Contactslotstanden (p. 397)
STARTEN EN RIJDEN
Auto bergen
BELANGRIJK
Bij het bergen wordt de auto met behulp van
een ander voertuig weggesleept.
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
Roep professionele hulp in voor berging.
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken om
de auto op een bergingsvoertuig met laadvloer te
trekken.
BELANGRIJK
Geldt voor auto's met niveauregeling*: Als de
auto is voorzien van luchtvering, moet deze worden uitgeschakeld voordat u de auto opneemt.
Schakel het systeem uit via het middendisplay.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Niveauregeling uitschakelen.
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
N.B.
Ophanging .
De positie en bodemspeling van de auto bepalen
of de auto op een laadvloer kan worden getrokken. Als de oprijplaten van het bergingsvoertuig
onder een te grote hoek staan of als de bodemspeling onder de auto onvoldoende is, kan de
auto beschadigd raken wanneer men deze op het
bergingsvoertuig probeert te trekken. Neem de
auto dan op met de hefinrichting van het bergingsvoertuig.
Als de auto met een trekhaak is uitgerust, is
er geen achterbevestiging voor het sleepoog
aanwezig.
Gerelateerde informatie
•
•
Slepen (p. 446)
Sleepoog (p. 444)
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de laadvloer
wordt getrokken.
* Optie/accessoire. 447
AUDIO EN MEDIA
AUDIO EN MEDIA
Audio en media
Het audio- en mediasysteem bestaat uit de
mediaspeler, de radio en de Bluetooth-verbinding met de telefoon. Bij een Connected Car is
het ook mogelijk om via apps diensten te beluisteren.
De functies zijn te bedienen via stembediening,
de stuurknoppen en via het middendisplay. Het
hangt van het audiosysteem van de auto af hoeveel luidsprekers en versterkers er in de auto zitten.
Overzicht van audio en media.
Systeemupdate
Het audio- en mediasysteem wordt voortdurend
verder verbeterd. Bij een Connected Car kunt u
voor optimale functionaliteit updates downloaden,
zie het gedeelte "Systeemupdates" en
support.volvocars.com.
450
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Mediaspeler (p. 458)
Radio (p. 452)
Apps
Applicaties (apps) bieden toegang tot bepaalde
boorddiensten.
Telefoon (p. 474)
Connected Car* (p. 481)
Apps (p. 450)
Contactslotstanden (p. 397)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 46)
Stembediening (p. 120)
Systeemupdates (p. 530)
Licentieovereenkomst voor audio en media
(p. 488)
Applicatiescherm.
Bepaalde basisapps zijn altijd beschikbaar. Bij
een Connected Car zijn er meer te downloaden.
De te downloaden apps variëren, maar het kan
bijvoorbeeld gaan om internetradio en muziekdiensten.
* Optie/accessoire.
AUDIO EN MEDIA
Sommige apps kunt u alleen gebruiken, als de
auto een internetverbinding heeft.
–
Druk op een app op het appscherm om deze
te starten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Connected Car* (p. 481)
Apps downloaden, bijwerken of verwijderen
(p. 487)
Instellingen wijzigen voor apps (p. 184)
Audio-instellingen
Het audiosysteem is vooraf ingesteld voor optimale geluidsweergave, maar is geheel naar
wens aan te passen.
systeem het geluid dempt door antigeluid voort te
brengen.
Het volume wordt normaal gesproken geregeld
met de volumeknop onder het middendisplay of
met de knoppenset rechts op het stuurwiel.
Instelling voor optimale
geluidsweergave
Het audiosysteem is voorgekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking. Voor ieder automodel wordt
het audiosysteem tijdens de kalibratie perfect
afgestemd op de luidsprekers, de versterker, de
akoestiek in de auto, de positie van de luisteraar
en dergelijke. Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij rekening wordt gehouden met de
stand van de volumeknop en de rijsnelheid.
De audio-instellingen staan beschreven in de
desbetreffende artikelen van de bedieningsinformatie. Open voor de instellingen het hoofdscherm en druk op Instellingen Geluid.
Actieve geluidsdemping*
Bepaalde auto's zijn uitgerust met actieve
geluidsdemping die met behulp van het audiosysteem het motorgeluid in de passagiersruimte
dempt. Microfoontjes in de plafondbekleding
registreren storende geluiden, waarna het audio-
Microfoontjes in de plafonbekleding.
N.B.
Dek de microfoons in de auto niet af, omdat
anders een dreunend geluid uit het audiosysteem kan komen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Audio-instellingen voor media (p. 465)
Instellingen voor stembediening (p. 122)
Instellingen voor telefoon (p. 480)
Audio en media (p. 450)
Connected Car* (p. 481)
* Optie/accessoire. 451
AUDIO EN MEDIA
Radio
De radio is te bedienen via
stemcommando's, de stuurknoppen of via het middendisplay.
Het is mogelijk de radiofrequentiebanden voor
AM, FM en digitale radio (DAB)* te beluisteren.
Bij een Connected Car is het ook mogelijk om
internetradio te beluisteren.
Gerelateerde informatie
452
•
Van radiozender wisselen en radiozender
zoeken (p. 452)
•
•
•
•
•
Digitale radio (p. 456)
Van radiozender wisselen en
radiozender zoeken
De radio maakt automatisch een zenderlijst met
de best doorkomende radiozenders binnen het
actuele gebied.
De radio starten
RDS-radio (p. 455)
Connected Car* (p. 481)
Stembediening van radio en media (p. 123)
Mediaspeler (p. 458)
1.
Open de app (bijvoorbeeld FM) vanuit het
appscherm.
2.
Kies een zender.
* Optie/accessoire.
AUDIO EN MEDIA
Van lijst wisselen op de radioband
Genres - uitsluitend radiozenders beluisteren die
het gekozen genre/programmatype uitzenden,
bijvoorbeeld pop en klassieke muziek.
Radiofavorieten
Radiofavorieten laten de opgeslagen favorieten van alle radiobanden zien.
Van radiozender wisselen in gekozen
lijst
–
Druk op < > onder het middendisplay of op
de knoppenset rechts op het stuurwiel.
> U springt naar het eerstvolgende alternatief in de gekozen lijst.
Wisselen kan ook via het middendisplay.
Favorieten
Als een favoriet wordt opgeslagen vanuit een lijst,
zoekt de radio automatisch naar de beste frequentie. Maar als er een favoriet wordt opgeslagen na handmatig zenders zoeken, schakelt de
radio niet automatisch over naar een sterkere frequentie.
1.
Druk op Bibliotheek.
2.
Kies weergave via Zenders, Favorieten,
Genres of Ensembles1.
3.
Druk op de gewenste zender in de lijst.
Favorieten - uitsluitend geselecteerde favoriete
zenders beluisteren, zie de rubriek "Favorieten"
hieronder.
1
Geldt alleen voor digitale radio (DAB).
1.
Open de app Radiofavorieten vanuit het
appscherm.
2.
Druk op de gewenste radiozender in de lijst
om te luisteren.
Bij het verwijderen van een favoriet wordt deze
eveneens verwijderd uit de lijst met favorieten van
de desbetreffende radioband.
Zie de rubriek "Van lijst wisselen op de radioband" hierboven om te kiezen uit favorieten op
de radioband. Zie de rubriek "Radiofavorieten"
hierboven om uit alle favorieten te kiezen.
–
Druk op
om een radiozender aan de lijst
met favorieten op de radioband en aan radiofavorieten toe te voegen of uit de lijst te verwijderen.
}}
453
AUDIO EN MEDIA
||
Van radioband wisselen
Radiozender zoeken
2.
.
Druk op
> Er verschijnt een zoekscherm met toetsenbord.
3.
Voer de zoekterm in.
> Naarmate u meer letters invoert wordt de
zoekopdracht verfijnd. De treffers staan
per categorie geordend.
Handmatig zenders zoeken
–
454
Druk op de app (bijvoorbeeld FM) op het
appscherm of open het appmenu met de
knoppenset rechts op het stuurwiel en kies
van daaruit verder.
De zoekopties zijn afhankelijk van de gekozen
radioband:
•
•
•
AM - zenders en frequentie.
1.
Druk op Bibliotheek.
FM - zenders, genres en frequentie.
DAB - ensembles en zenders.
AUDIO EN MEDIA
Wanneer u handmatig zenders zoekt, schakelt de
radio bij een slechte ontvangst niet meer automatisch over op een andere frequentie.
–
Druk op Hndm. afstemmen, trek aan de
knop of druk op < > totdat de gewenste frequentie verschijnt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Radio (p. 452)
Digitale radio (p. 456)
Stembediening van radio en media (p. 123)
RDS-radio
Met RDS (Radio Data System) kan de radio
automatisch naar de sterkste zender schakelen.
RDS biedt de mogelijkheid om bijvoorbeeld verkeersinformatie te ontvangen en naar bepaalde
soorten programma's te zoeken.
RDS verbindt FM-zenders in een netwerk met
elkaar. Een FM-zender in een dergelijk netwerk
verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDSradio onder meer de volgende mogelijkheden
biedt:
•
Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in een
bepaald gebied slecht is.
•
Zoeken op programmatype, zoals programmatypes of verkeersinformatie.
•
Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
audiobron en het vorige volume terug wanneer
het ingestelde programmatype ophoudt met uitzenden. Druk om eerder te onderbreken op
op de knoppenset rechts op het stuurwiel of druk
op Annuleren op het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
Radio (p. 452)
Instellingen voor radio (p. 457)
N.B.
Bepaalde radiostations gebruiken geen RDS
of slechts bepaalde onderdelen van deze
functie.
Als er nieuws of verkeersinformatie wordt uitgezonden, kan de radio naar een andere zender
overschakelen en de weergave van de actieve
audiobron onderbreken. Als de cd-speler bijvoorbeeld actief is, wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De radio gaat naar de vorige
455
AUDIO EN MEDIA
Digitale radio
Digitale radio (Digital Audio Broadcasting, DAB)
is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen. De radio ondersteunt DAB, DAB+ en
DMB (Digital Multimedia Broadcasting).
De radio is te bedienen via
stemcommando's, de stuurknoppen of via het middendisplay.
De app voor digitale radio start
u vanuit het appscherm op het
middendisplay.
Digitale radio is op dezelfde manier te beluisteren
als FM- en AM-radio, zie artikel "Van radiozender
wisselen en radiozender zoeken". Behalve
Zenders, Favorieten en Genres kunt u daarbij
ook kiezen uit subkanalen en Ensembles.
Ensembles zijn groepen radiokanalen (kanaalgroep) die op dezelfde frequentie zenden.
Als het radiokanaal zijn logo meestuurt, wordt dit
logo gedownload en weergegeven naast de zendernaam (de downloadtijd varieert).
DAB-subkanaal
Secundaire componenten worden vaak aangeduid als subkanalen. Dergelijke componenten zijn
456
van tijdelijke aard en kunnen bijvoorbeeld uit vertalingen van het hoofdprogramma bestaan. Subkanalen worden aangegeven met een pijlsymbool
in het kanaaloverzicht.
Gerelateerde informatie
•
Van radiozender wisselen en radiozender
zoeken (p. 452)
•
Schakelen tussen de radiobanden FM en
DAB (p. 456)
•
•
•
•
Stembediening van radio en media (p. 123)
Schakelen tussen de radiobanden
FM en DAB
Dankzij deze functie kan de digitale radio overschakelen van een kanaal dat slecht of helemaal
niet te ontvangen is op hetzelfde kanaal in een
andere kanaalgroep (ensemble) met een betere
ontvangst, binnen DAB en/of tussen DAB en
FM.
DAB naar DAB- en DAB naar FMschakeling
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
Instellingen voor radio (p. 457)
2.
Druk op Media
Instellingen resetten op instellingsscherm
(p. 179)
3.
Vink de vakjes voor DAB-DAB-verbinding
en/of DAB-FM-verbinding aan of juist niet
om de desbetreffende functies te activeren/
deactiveren.
Radio (p. 452)
DAB.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Digitale radio (p. 456)
Radio (p. 452)
Instellingen voor radio (p. 457)
AUDIO EN MEDIA
Instellingen voor radio
Instellingen voor de verschillende radiobanden.
Een lopende uitzending van bijvoorbeeld verkeersinformatie kan tijdelijk worden onderbroken
in de knoppenset rechts op het
door op
stuurwiel of op Annuleren op het middendisplay
te drukken.
Sleep het hoofdscherm omlaag en kies
Instellingen Media gevolgd door de gewenste radioband. Kies om functies te activeren/
deactiveren.
AM/FM
• Radiotekst weergeven - informatie weer-
geven over de inhoud van programma's, uitvoerende artiesten en dergelijke.
• Programmanaam bevriezen - kiezen om
de programmaservicenaam niet permanent
te laten scrollen, maar de weergave na 20
seconden te laten bevriezen.
• Nieuws - lopende mediaweergave onderbreken en nieuws doorgeven. De weergave van
de voorgaande mediabron wordt hervat zodra
de nieuwsuitzending afgerond is.
• Verkeersinformatie - lopende mediaweergave onderbreken voor informatie over verkeersproblemen. De weergave van de voorgaande mediabron wordt hervat zodra de
melding afgerond is.
• Lokale onderbrekingen - lopende media-
weergave onderbreken voor informatie over
verkeersproblemen in de nabije omgeving.
De weergave van de voorgaande mediabron
wordt hervat zodra de melding afgerond is.
De functie Lokale onderbrekingen vormt
een geografische begrenzing van de functie
Verkeersinformatie. De functie
Verkeersinformatie moet tegelijkertijd
geactiveerd zijn.
• Alarm - lopende mediaweergave onderbre-
ken en waarschuwingen voor calamiteiten en
rampen doorgeven. De weergave van de
voorgaande mediabron wordt hervat zodra de
melding afgerond is.
DAB
• Kies mededelingen - aangeven welk type
meldingen moet worden ontvangen als DAB
bezig is. Bij de gekozen meldingen wordt de
lopende mediaweergave onderbroken en
wordt de melding afgespeeld. De weergave
van de voorgaande mediabron wordt hervat
zodra de melding afgerond is.
Alarm - lopende mediaweergave onderbreken en waarschuwingen voor calamiteiten en
rampen doorgeven. De weergave van de
voorgaande mediabron wordt hervat zodra de
melding afgerond is.
Verkeersinformatie - informatie ontvangen
over verkeersproblemen.
Nieuwsflits - nieuws ontvangen.
• Service sorteren - hier kiest u op welke
Transportbericht - informatie ontvangen
over openbaar vervoer, bijvoorbeeld dienstregelingen voor veerboten en treinen.
• DAB-DAB-verbinding - functie starten voor
Waarschuwing/diensten - informatie ontvangen over incidenten die van minder
belang zijn dan de Alarm-functie, bijvoorbeeld stroomstoringen.
manier kanalen gesorteerd moeten worden.
Dit kan op alfabetische volgorde of op basis
van het servicenummer.
schakelen binnen DAB. Wanneer het signaal
van een bepaalde radiozender wegvalt, wordt
automatisch overgeschakeld naar dezelfde
radiozender binnen een andere kanaalgroep
(ander ensemble).
• DAB-FM-verbinding - functie starten voor
schakelen tussen DAB en FM. Wanneer het
signaal van een bepaalde radiozender wegvalt, wordt automatisch naar een andere frequentie gezocht.
• Radiotekst weergeven - aangeven of radiotekst of gekozen delen van radiotekst, bijvoorbeeld artiest, moet(en) worden weergegeven.
• Afbeeldingen van programma
weergeven - aangeven of er op het scherm
afbeeldingen voor de verschillende programma's moeten verschijnen.
}}
457
AUDIO EN MEDIA
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Radio (p. 452)
Digitale radio (p. 456)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 46)
Mediaspeler
De mediaspeler kan geluidsbestanden weergeven via de CD*, op externe mediabronnen die via
de AUX/USB-poort zijn aangesloten of geluidsbestanden op externe media 'streamen' via
Bluetooth. Ook video's op externe eenheden die
zijn aangesloten op de USB-poort zijn te bekijken. Bij een Connected Car kunt u internetradio
of luisterboeken beluisteren en muziekdiensten
via apps gebruiken.
Via de mediaspeler verloopt ook de radiobediening die in een apart artikel beschreven staat.
De mediaspeler is te bedienen
vanaf het middendisplay, maar
veel functies zijn ook te bedienen vanaf de knoppenset
rechts op het stuurwiel of via
stemcommando's.
Gerelateerde informatie
•
•
•
458
Media afspelen (p. 459)
Stembediening van radio en media (p. 123)
Apps (p. 450)
* Optie/accessoire.
AUDIO EN MEDIA
•
•
•
•
•
Radio (p. 452)
Media afspelen
2.
Open de app Cd vanuit het appscherm.
Cd-speler* (p. 463)
De mediaspeler wordt bediend via het middendisplay. Verschillende functies zijn ook te bedienen via de rechter stuurknoppenset of via stembediening.
3.
Kies wat er moet worden afgespeeld.
> Het afspelen start.
Media via Bluetooth (p. 463)
Media via AUX/USB-aansluiting (p. 464)
Video (p. 465)
Via de mediaspeler verloopt ook de radiobediening die in een apart artikel beschreven staat.
Mediabron starten
USB-stick
1. Plaats de USB-stick.
2.
Open de app USB vanuit het appscherm.
3.
Kies wat er moet worden afgespeeld.
> Het afspelen start.
Mp3-speler en iPod®
N.B.
Om het afspelen te starten vanaf de iPod,
moet u de iPod-app gebruiken (en niet USB).
Wanneer u muziek op een aangesloten iPod
beluistert, hanteert het audio- en mediasysteem een menustructuur vergelijkbaar met die
van de iPod.
CD*
1. Plaats een cd.
1.
Sluit de mediabron aan.
2.
Start de weergave op de aangesloten mediabron.
3.
Open de app (iPod, USB, AUX) vanuit het
appscherm.
> Het afspelen start.
}}
* Optie/accessoire. 459
AUDIO EN MEDIA
||
Eenheid met Bluetooth-verbinding
1. Activeer Bluetooth op de desbetreffende
mediabron.
2.
Sluit de mediabron aan.
3.
Start de weergave op de aangesloten mediabron.
4.
Open de app Bluetooth vanuit het appscherm.
> Het afspelen start.
Media regelen en van media wisselen
De mediaspeler is te bedienen
via stembediening, de stuurknoppen of via het middendisplay.
Vooruit-/achteruitspoelen - op de tijdas op het
middendisplay drukken en deze opzij slepen, of
onder het middendisplay of op de rechter
stuurknoppenset ingedrukt houden.
Open de app vanuit het appscherm.
> Het afspelen start.
Video
1. Sluit de mediabron aan.
2.
Open de app USB vanuit het appscherm.
3.
Druk op de titel van het weer te geven
bestand.
> Het afspelen start.
Van media wisselen – keuze maken onder
Recente bronnen in de app, op de gewenste
app in het appscherm drukken of een keuze
maken met de rechter stuurknoppenset via het
appmenu
.
Bibliotheek - op de knop drukken om af te spelen vanuit de bibliotheek.
Apple CarPlay
Apple CarPlay staat in een apart artikel beschreven.
Shuffle - op de knop drukken voor een willekeurige afspeelvolgorde.
Volume – aan de draaiknop onder het middendisplay draaien of op
van de rechter stuur-
460
Afspelen/pauzeren - op de afbeelding van de
desbetreffende track drukken, op de knop onder
van de rechter
het middendisplay of op
stuurknoppenset.
Van track/nummer wisselen - op de gewenste
track op het middendisplay drukken, op
onder het middendisplay drukken of op de rechter stuurknoppenset.
Internet-media
1. Verbind de auto met internet.
2.
knoppenset drukken om het volume te verhogen
of te verlagen.
Verge-lijkbaar - op de knop drukken om aan de
hand van Gracenote naar soortgelijke muziek te
zoeken op de USB-eenheid en op basis daarvan
een speellijst te creëren. De speellijst kan uit
maximaal 50 tracks bestaan.
AUDIO EN MEDIA
Ander apparaat - op de knop drukken om te
wisselen tussen meerdere aangesloten USBeenheden.
Instellingen voor video
Wanneer de videospeler in de stand voor volledige schermgrootte staat of wanneer u het
hoofdscherm hebt geopend en op Instellingen
Video drukt, beschikt u over de volgende
opties: Audiotaal, Uit en Ondertitelingstaal.
DivX® weergeven
Om Video-on-Demand-films (VOD) in DivX-formaat te kunnen afspelen moet u deze DivX
Certified® eenheid eerst registreren.
•
Media aansluiten via AUX/USB-poort
(p. 464)
•
•
•
•
•
•
•
•
Cd-speler* (p. 463)
Radio (p. 452)
Gracenote® (p. 461)
Gracenote®
Gracenote geeft bij het afspelen van muziek de
uitvoerende artiesten, albums, tracks en eventuele illustraties weer.
Video (p. 465)
Gracenote MusicID® is een norm voor muziekherkenning.
Audio-instellingen voor media (p. 465)
Activeren/deactiveren Gracenote
TV* (p. 466)
Bij activering worden de oorspronkelijke gegevens vervangen door de Gracenote-gegevens,
Apple CarPlay* (p. 467)
Technische specificaties voor media (p. 472)
1.
Druk op Media
Activeer/deactiveer Gracenote door het vakje
voor Gracenote® aan/uit te vinken.
Kies instellingen voor geactiveerde
Gracenote-gegevens:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
3.
2.
Druk op Video DivX® VOD om de registratiecode op te halen.
4.
3.
Breng voor meer informatie en om de registratie te voltooien een bezoek aan
vod.divx.com.
Gerelateerde informatie
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Gracenote®.
• Online opzoeken Gracenote® - onlinedatabase van Gracenote doorzoeken op gegevens over de afgespeelde media.
• Meerdere resultaten Gracenote® - aan-
•
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
gebruiken (p. 111)
•
•
•
•
•
Stembediening van radio en media (p. 123)
1 - originele bestandsgegevens gebruiken.
Auto met internet verbinden (p. 482)
2 - Gracenote-gegevens gebruiken.
geven hoe Gracenote-gegevens moeten
worden weergegeven bij meerdere treffers.
Apps (p. 450)
Media zoeken (p. 462)
Media aansluiten via Bluetooth (p. 463)
3 - Gracenote- of originele data kiezen.
•
Geen - geen treffers.
}}
* Optie/accessoire. 461
AUDIO EN MEDIA
||
Gracenote bijwerken
Media zoeken
De inhoud van de Gracenote-database wordt
voortdurend bijgewerkt. Download de nieuwste
update voor optimale functionaliteit. Zie
support.volvocars.com voor informatie en downloads.
U kunt artiesten, componisten, tracks (titels),
albums, video's, luisterboeken, speellijsten en bij
een Connect Car podcasts (digitale media via
internet) zoeken.
Gerelateerde informatie
•
•
462
3.
Druk op Zoeken.
> De gekoppelde eenheden worden doorzocht en de treffers verschijnen per categorie geordend in een lijst.
Veeg overdwars over het scherm om alle categorieën apart te bekijken.
Gerelateerde informatie
Media afspelen (p. 459)
Licentieovereenkomst voor audio en media
(p. 488)
1.
.
Druk op
> Er verschijnt een zoekscherm met toetsenbord.
2.
Voer de zoekterm in.
•
•
•
Media afspelen (p. 459)
•
Connected Car* (p. 481)
Mediaspeler (p. 458)
Het toetsenbord in het middendisplay
gebruiken (p. 50)
* Optie/accessoire.
AUDIO EN MEDIA
Cd-speler*
Media via Bluetooth
Media aansluiten via Bluetooth
De mediaspeler kan cd's met audiobestanden
afspelen. Zie de Technische specificaties voor
de ondersteunde formaten.
De mediaspeler in de auto is uitgerust met
Bluetooth en kan draadloos 'streaming audio'bestanden afspelen op externe eenheden met
Bluetooth zoals mobiele telefoons en laptops.
Bluetooth-eenheid koppelen aan de auto om
media te streamen en de eenheid te gebruiken
voor een eventuele internetverbinding.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Opening voor het plaatsen/uitwerpen van
een schijf.
Media aansluiten via Bluetooth (p. 463)
Media afspelen (p. 459)
Stembediening van radio en media (p. 123)
Mediaspeler (p. 458)
Contactslotstanden (p. 397)
Technische specificaties voor media (p. 472)
Hoewel veel moderne telefoons Bluetooth-technologie bieden, zijn niet alle telefoons volledig
compatibel met de auto. Zie
support.volvocars.com voor compatibiliteit.
U kunt een media-eenheid op dezelfde manier
koppelen als een telefoon.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Verbinding met telefoon (p. 475)
Media via Bluetooth (p. 463)
Media afspelen (p. 459)
Mediaspeler (p. 458)
Knop voor het uitwerpen van een schijf.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Media afspelen (p. 459)
Stembediening van radio en media (p. 123)
Mediaspeler (p. 458)
Technische specificaties voor media (p. 472)
* Optie/accessoire. 463
AUDIO EN MEDIA
Media via AUX/USB-aansluiting
Op het audiosysteem is een externe media zoals
een iPod of mp3-speler aan te sluiten.
Een mediabron met oplaadbare batterijen wordt
opgeladen, wanneer de mediabron is aangesloten via USB en het contact in stand I, II staat of
de motor draait.
Om het gebruik van een USB-stick te vereenvoudigen is het beter alleen compatibele bestandsformaten in het geheugen op te slaan. Het inlezen duurt aanzienlijk langer, wanneer er behalve
compatibele bestandsformaten nog andere formaten op het opslagmedium staan. De mediaspeler ondersteunt, naast audioweergave, ook
videoweergave, wanneer de eenheid is aangesloten via USB.
•
Technische specificaties voor media (p. 472)
Media aansluiten via AUX/USBpoort
Via een van de aansluitingen op de tunnelconsole is het mogelijk een externe audiobron (zoals
een iPod of mp3-speler) aan te sluiten op het
audiosysteem. Zorg dat de kabel aan de voorzijde naar buiten komt om te voorkomen dat de
kabel bekneld raakt bij het sluiten van het deksel.
Bij een auto met twee USB-ingangen moet u
een telefoon aansluiten op de ingang met de
witte omlijsting om Apple CarPlay of
Android Auto te kunnen gebruiken.
Sommige mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem dat niet ondersteund word door
het systeem.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
464
Media aansluiten via AUX/USB-poort
(p. 464)
Media afspelen (p. 459)
Stembediening van radio en media (p. 123)
Mediaspeler (p. 458)
Contactslotstanden (p. 397)
Video (p. 465)
Apple CarPlay* (p. 467)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Media afspelen (p. 459)
Media via AUX/USB-aansluiting (p. 464)
Mediaspeler (p. 458)
Technische specificaties voor media (p. 472)
* Optie/accessoire.
AUDIO EN MEDIA
Video
Audio-instellingen voor media
Videobestanden op een eenheid verbonden met
de USB-aansluiting zijn via de mediaspeler weer
te geven.
Personalisering van audio-instellingen voor
mediaweergave.
2.
• Geluidsbeleving* - meerdere opties om
het geluid aan te passen en bijvoorbeeld
een geluidsweergave vergelijkbaar met
die in een concertgebouw te verkrijgen.
De instellingen komen in de plaats voor
de gekozen opties in de onderstaande
punten voor de audio-instellingen.
Wanneer de auto rijdt, verdwijnt het beeld terwijl
het geluid gewoon wordt weergegeven. Wanneer
de auto stilstaat, komt het beeld terug.
Zie het artikel "Technische specificaties voor
media" voor de ondersteunde videoformaten.
• Toon - persoonlijke instellingen van bij-
voorbeeld bas- en hoge tonen en equalizer.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Druk op Geluid en kies instellingen:
• Balans - onderlinge balans tussen de
Media afspelen (p. 459)
luidsprekers links/rechts en de luidsprekers voor/achter.
Mediaspeler (p. 458)
Technische specificaties voor media (p. 472)
Audiomodus die de akoestiek van het concertgebouw
van Gotenburg nabootst.
1.
Systeemvolumes voor media
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
}}
* Optie/accessoire. 465
AUDIO EN MEDIA
||
2.
Druk op Geluid
Systeemvolumes:
• AUX - bij aansluiting van een externe
audiobron (zoals een mp3-speler of iPod)
op de AUX-ingang verschilt het ingestelde volume van deze audiobron mogelijk van het volume waarop het audiosysteem (bijvoorbeeld de radio) speelt. Corrigeer dit door het ingangsvolume van de
ingang aan te passen. Als het volume te
hoog of te laag staat, kan de geluidskwaliteit achteruitgaan.
TV*2
Tv*3 gebruiken
Tv-weergave is uitsluitend mogelijk wanneer de
auto stilstaat. Wanneer de auto rijdt, verdwijnt
het beeld terwijl het geluid wordt weergegeven.
Het beeld komt terug, wanneer de auto bijna of
helemaal stilstaat.
1.
Open de app TV vanuit het appscherm.
2.
Kies een zender.
De tv is te bedienen via het middendisplay. Verschillende functies zijn ook te bedienen via de
rechter stuurknoppenset of via stembediening.
Van tv-zender wisselen of tv-zenders
zoeken
De tv zoekt automatisch de best doorkomende
zenders.
Lijst met beschikbare tv-zenders
1. Druk op Bibliotheek
• Snelheids- en volumecompensatie -
het audiosysteem zorgt voor compensatie
van hinderlijke rijgeluiden in de passagiersruimte door het volume aan te passen ten opzichte van de rijsnelheid. Het
compensatieniveau is aan te passen.
2.
Kies weergave via TV-kanalen, Favorieten
of Genres.
3.
Kies de gewenste zender.
Andere zender op gekozen lijst kiezen
– Druk op <> onder het middendisplay of op
de knoppenset op het stuurwiel.
> U springt naar het eerstvolgende alternatief in de gekozen lijst.
Gerelateerde informatie
•
•
Tv starten
Audio-instellingen (p. 451)
Mediaspeler (p. 458)
Gerelateerde informatie
•
Tv* gebruiken (p. 466)
Wisselen kan ook via het middendisplay.
Favorieten
U kunt een tv-zender opslaan als Favoriet:
–
2
3
466
Druk op
om een zender aan de lijst met
favorieten toe te voegen of van de lijst te verwijderen.
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
AUDIO EN MEDIA
Tv-gids
U beschikt over een tv-gids met informatie over
tv-programma's voor de komende 48 uur.
–
Druk op Gids om informatie over tv-programma's weer te geven.
Media TV drukt, beschikt u over de volgende opties:
• Ondertitelingstaal
• Audiotaal
N.B.
N.B.
1.
Auto - De tv-beelden worden weergegeven
in de oorspronkelijke beeldverhouding.
2.
Automatisch invullen - De tv-beelden worden afgestemd op het display, zonder bijsnijden.
Instellingen voor tv
U kunt bepaalde instellingen verrichten op het
hoofdscherm of tijdens het tv kijken op volledige
schermgrootte.
Wanneer de videospeler in de stand voor volledige schermgrootte staat of wanneer u het
hoofdscherm hebt geopend en op Instellingen
Apple CarPlay biedt u de mogelijkheid om tijdens het rijden muziek te beluisteren, te bellen,
route-instructies te ontvangen, sms-berichten te
versturen/ontvangen en Siri te raadplegen, zonder afgeleid te worden. Apple CarPlay werkt
alleen met bepaalde Apple-apparaten.
Het systeem ondersteunt alleen tv-signalen in
landen die in MPEG-2- of MPEG-4-formaat
uitzenden volgens de DVB-T/T2-standaard.
Het systeem ondersteunt geen analoge tvsignalen.
Als u van locatie verandert binnen het land en
bijvoorbeeld naar een andere stad rijdt, zijn de
Favorieten niet per definitie beschikbaar
omdat het frequentiegebied mogelijk gewijzigd is.
Beeldverhouding tv wijzigen
Wanneer u op Beeldformaat drukt, kunt u de
beeldverhouding voor de tv kiezen.
Apple CarPlay*
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
TV* (p. 466)
Stembediening van radio en media (p. 123)
Media afspelen (p. 459)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 41)
Licentieovereenkomst voor audio en media
(p. 488)
Bij auto's zonder Apple CarPlay is de app achteraf te installeren. Neem contact op met een
Volvo-dealer om Apple CarPlay te installeren.
Informatie over de ondersteunde apps en de
compatibele telefoons vindt u op de homepage
van Apple: www.apple.com/ios/carplay/. Gebruik
van apps die niet compatibel zijn met
Apple CarPlay kan er soms toe leiden dat de verbinding tussen iPhone en de auto wegvalt. Let
erop dat Volvo niet verantwoordelijk is voor de
inhoud van Apple CarPlay.
}}
* Optie/accessoire. 467
AUDIO EN MEDIA
||
Bij gebruik van de kaartnavigatie via
Apple CarPlay verschijnt de routebegeleiding niet
op het bestuurdersdisplay of head-updisplay
maar alleen op het middendisplay.
De Apple CarPlay-apps zijn te bedienen via het
middendisplay, de mobiele telefoon of met de
rechter stuurknoppenset (geldt voor bepaalde
functies). De apps zijn tevens te regelen met de
stembediening van de virtuele assistent Siri. Bij
activeert u
lang indrukken van de stuurknop
de stembediening via de virtuele assistent Siri en
bij kort indrukken activeert u de stembediening
van de auto. Als Siri te snel wordt afgebroken,
kunt u de stuurknop
ingedrukt houden.
Door Apple CarPlay te gebruiken stemt u in
met het volgende: Apple CarPlay is een
service van Apple Inc. die valt onder de
voorwaarden van Apple Inc. Volvo Cars is
daarom niet verantwoordelijk voor Apple
CarPlay of de functies/applicaties ervan. Bij
gebruik van Apple CarPlay, wordt bepaalde
informatie van uw auto (waaronder de
locatie van de auto) doorgegeven aan uw
iPhone. Ten aanzien van Volvo Cars bent u
zelf volledig verantwoordelijk voor uw eigen
gebruik van Apple CarPlay of voor het
gebruik door iemand anders.
Gerelateerde informatie
•
•
468
Mediaspeler (p. 458)
Auto met internet verbinden (p. 482)
•
Apple CarPlay* gebruiken (p. 468)
Apple CarPlay* gebruiken
Om Apple CarPlay te kunnen gebruiken moet u
de virtuele assistent Siri hebben geactiveerd op
uw telefoon.
iPhone koppelen aan Apple CarPlay
N.B.
Apple CarPlay is alleen te gebruiken als
Bluetooth is uitgeschakeld. Een telefoon of
mediaspeler die via Bluetooth is verbonden
met de auto, is dan ook niet beschikbaar als
CarPlay actief is. Om een internetverbinding
te maken voor de boordapps moet u een
alternatieve internetbron gebruiken. Gebruik
Wi-Fi of de geïntegreerde automodem*.
1.
Sluit de iPhone aan op de USB-ingang. Bij
een auto met twee USB-ingangen moet u de
ingang met een witte omlijsting gebruiken.
2.
Lees de informatie op het pop-upscherm en
druk vervolgens op OK.
3.
Druk op Apple CarPlay op het appscherm.
4.
Neem de voorwaarden door en druk vervolgens op Accepteren om een verbinding te
maken.
> Het deelscherm met Apple CarPlay wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
* Optie/accessoire.
AUDIO EN MEDIA
5.
Druk op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
2.
Druk op Communicatie
3.
Vink het vakje uit voor het Apple-apparaat
dat bij aansluiting van de USB-kabel niet langer tot automatisch activering van
Apple CarPlay moet leiden.
Apple CarPlay starten
Apple CarPlay start alleen als volgt na aansluiting
van een iPhone.
1.
2.
3.
Sluit de iPhone aan op de USB-ingang. Bij
een auto met twee USB-ingangen moet u de
ingang met een witte omlijsting gebruiken.
> Als u gekozen hebt voor automatische
activering - het deelscherm met
Apple CarPlay wordt geopend en de compatibele apps verschijnen.
Druk op Apple CarPlay op het appscherm,
als het deelscherm met Apple CarPlay niet
wordt geopend.
> Het deelscherm met Apple CarPlay wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
4.
Haal de verbinding op de USB-aansluiting
los voor het Apple-apparaat en sluit het
apparaat weer aan.
5.
Open de app iPod vanuit het appscherm.
Wisselen tussen Apple CarPlay en iPod
Van Apple CarPlay naar iPod
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
Instellingen voor Apple CarPlay*
Instellingen voor een iPhone met geactiveerde
Apple CarPlay.
Automatisch starten
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
en kies de instelling:
Van iPod naar Apple CarPlay
1. Druk op Apple CarPlay op het appscherm.
2.
Lees de informatie op het pop-upscherm en
druk vervolgens op OK.
3.
Haal de verbinding op de USB-aansluiting
los voor het Apple-apparaat en sluit het
apparaat weer aan.
> Het deelscherm met Apple CarPlay wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
Druk op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
Apple CarPlay blijft op actief op de achtergrond,
als u vanuit hetzelfde deelscherm een andere
app start. Druk op het pictogram Apple CarPlay in
het appscherm om Apple CarPlay weer in het
deelscherm te weer te geven.
Apple CarPlay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Apple CarPlay
•
Vink het vakje aan - Apple CarPlay start
automatisch bij aansluiting van de USBkabel.
•
Vink het vakje uit - Apple CarPlay start
niet automatisch bij aansluiting van de
USB-kabel.
De lijst kan maximaal 20 Apple-eenheden bevatten. Wanneer de lijst vol is, wordt bij aansluiting
van een nieuwe eenheid de oudste aansluiting
verwijderd.
Om de lijst te verwijderen moet u de fabrieksinstellingen herstellen, zie het artikel "Instellingen
resetten op instellingsscherm".
Mediaspeler (p. 458)
Systeemvolumes
Media afspelen (p. 459)
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
Media aansluiten via AUX/USB-poort
(p. 464)
2.
Druk op Geluid Systeemvolumes om
instellingen te verrichten voor het volgende:
Instellingen voor Apple CarPlay* (p. 469)
Auto met internet verbinden (p. 482)
• Stembediening
• Navi-stembegeleid.
• Ringtone telefoon
}}
* Optie/accessoire. 469
AUDIO EN MEDIA
||
Gerelateerde informatie
•
•
Apple CarPlay* (p. 467)
Instellingen resetten op instellingsscherm
(p. 179)
Android Auto*
Android Auto biedt u de mogelijkheid om tijdens
het rijden muziek te beluisteren, route-instructies
te ontvangen, te bellen en apps op een Androidapparaat te gebruiken. Android Auto werkt alleen
met bepaalde Android-apparaten.
N.B.
Wanneer er een telefoon gekoppeld is aan
Android Auto kunt u via Bluetooth muziek
streamen naar een andere mediaspeler.
Bluetooth is actief bij gebruik van Android
Auto.
Bij gebruik van de kaartnavigatie via Android Auto
verschijnt de routebegeleiding niet op het
bestuurdersdisplay of head-updisplay maar alleen
op het middendisplay.
Informatie over de ondersteunde apps en de
compatibele telefoons vindt u op de homepage:
www.android.com/auto/. Let erop dat Volvo niet
verantwoordelijk is voor de inhoud van
Android Auto.
Android Auto is te starten vanuit het appscherm.
Wanneer u Android Auto eenmaal hebt geactiveerd, zal de app een volgende keer dat u hetzelfde apparaat aansluit opnieuw worden gestart.
Deze automatische activering is uit te schakelen
onder de instellingen.
470
De Android Auto-apps zijn te bedienen via het
middendisplay, de mobiele telefoon of met de
rechter stuurknoppenset (geldt voor bepaalde
functies). U kunt Android Auto ook bedienen via
stemcommando's, zodat u uw aandacht bij het
verkeer op de weg kunt houden. Bij lang indrukken van de stuurknop
activeert u de stembediening en bij kort indrukken deactiveert u deze
functie.
Door Android Auto te gebruiken, stemt u in
met het volgende: Android Auto is een
onder de voorwaarden van Google Inc.
geleverde dienst. Volvo Cars is niet
verantwoordelijk voor Android Auto of de
functies of applicaties ervan. Wanneer u
Android Auto gebruikt, zet uw auto
bepaalde informatie (waaronder zijn locatie)
over naar uw verbonden Android telefoon. U
bent zelf volledig verantwoordelijk voor uw
* Optie/accessoire.
AUDIO EN MEDIA
eigen gebruik van Android Auto en dat door
anderen.
2.
Android Auto starten
Eerste aansluiting van een Android
1. Sluit de Android aan op de USB-ingang. Bij
een auto met twee USB-ingangen moet u de
ingang met een witte omlijsting gebruiken.
2.
Lees de informatie op het pop-upscherm en
druk vervolgens op OK.
3.
Druk op Android Auto op het appscherm.
4.
Neem de voorwaarden door en druk vervolgens op Accepteren om een verbinding te
maken.
> Het deelscherm met Android Auto wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
5.
Druk op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
Eerder aangesloten Android
1. Sluit de iPhone aan op de USB-aansluiting.
> Als u gekozen hebt voor automatische
activering - het deelscherm met
Android Auto wordt geopend en de compatibele apps verschijnen.
3.
Als u niet gekozen hebt voor automatische activering - open de app Android
Auto vanuit het appscherm.
> Het deelscherm met Android Auto wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
Druk op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
Instellingen voor Android Auto*
Instellingen voor een telefoon die voor het eerst
via Android Auto is verbonden.
Automatisch starten
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
en kies de instelling:
Android Auto blijft op actief op de achtergrond,
als u vanuit hetzelfde deelscherm een andere
app start. Druk op het pictogram Android Auto in
het appscherm om Android Auto weer in het
deelscherm te weer te geven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Mediaspeler (p. 458)
Media afspelen (p. 459)
Media aansluiten via AUX/USB-poort
(p. 464)
Android Auto
•
Vink het vakje aan - Android Auto start
automatisch bij aansluiting van de USBkabel.
•
Vink het vakje uit - Android Auto start niet
automatisch bij aansluiting van de USBkabel.
De lijst kan maximaal 20 Android-apparaten
bevatten. Wanneer de lijst vol is, wordt bij aansluiting van een nieuwe eenheid de oudste aansluiting verwijderd.
Auto met internet verbinden (p. 482)
Om de lijst te verwijderen moet u de fabrieksinstellingen herstellen, zie het artikel "Instellingen
resetten op instellingsscherm".
Overzicht van het middendisplay (p. 34)
Systeemvolumes
Instellingen voor Android Auto* (p. 471)
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Geluid Systeemvolumes om
instellingen te verrichten voor het volgende:
• Stembediening
• Navi-stembegeleid.
• Ringtone telefoon
}}
* Optie/accessoire. 471
AUDIO EN MEDIA
||
Android Auto* (p. 470)
Technische specificaties voor
media
Instellingen resetten op instellingsscherm
(p. 179)
Compatibele bestandsformaten, audiospecificaties en USB.
Overzicht van het middendisplay (p. 34)
Audiobestanden
Gerelateerde informatie
•
•
•
Formaat
Bestandsextensie
Codec
MP3
.mp3
MPEG1 Layer III,
MPEG2 Layer III,
MP3 Pro (mp3compatibel),
MP3 HD (mp3compatibel)
AAC
.m4a, .m4b, .aac
AAC LC (MPEG-4
part III Audio),
HE-AAC (aacPlus
v1/v2)
WMA
.wma
WMA8/9,
WMA9/10 Pro
WAV
.wav
LPCM
FLAC
.flac
FLAC
Formaat
Bestandsextensie
AVI
.avi
AVI (DivX)
.avi, divx
ASF
.asf, .wmv
MKV
.mkv
Ondertiteling
Formaat
Bestandsextensie
SubViewer
.sub
SubRip
.srt
SSA
.ssa
Videobestanden
472
Formaat
Bestandsextensie
MP4
.mp4, m4v
MPEG-PS
.mpg, .mp2, .mpeg, .m1v
* Optie/accessoire.
AUDIO EN MEDIA
DivX®
DivX-gecertificeerde eenheden zijn getest op
hoogkwalitatieve videoweergave van DivX
(.divx, .avi). Wanneer het DivX-logo zichtbaar is,
kunnen er DivX-films afgespeeld worden.
Profile
DivX Home Theater
Videocodec
DivX, MPEG-4
Resolutie
720x576
Audiobitsnelheid
(bit rate)
4.8Mbps
Beeldsnelheid
30 fps
Bestandsextensie
.divx, .avi
Maximale
bestandsgrootte
4 GB
Audiocodec
MP3, AC3
Ondertiteling
XSUB
Speciale functies
Referentie
Alternatieve ondertitels,
alternatieve audiotracks,
weergave hervatten
Voldoet aan alle voorwaarden voor het DivX
Home Theater-profile.
Breng een bezoek aan
divx.com voor meer informatie en programma's
om bestanden te converteren naar DivX Home
Theater-video.
Technische specificaties voor USBaansluiting
•
•
•
•
Aansluiting type A
Versie 2.0
Voeding 5 V
Maximale stroomsterkte 2,1 A
Gerelateerde informatie
•
•
Mediaspeler (p. 458)
Media afspelen (p. 459)
Op USB-eenheid opslaan
Het systeem kan gegevens op een aangesloten
USB-eenheid alleen goed lezen, wanneer de
eenheid aan de volgende specificaties voldoet.
Een eventuele mapstructuur is tijdens het afspelen niet zichtbaar op het middendisplay.
Maximumaantal
Bestanden
15.000
Mappen
1000
Mapniveaus
8
Speellijsten
100
Maximumaantal posten in
een speellijst
1000
Submappen
Onbeperkt
473
AUDIO EN MEDIA
Telefoon
Overzicht
Een mobiele telefoon met Bluetooth-functie is
draadloos aan te sluiten op het geïntegreerde
handsfreesysteem van de auto.
Het audio- en mediasysteem werkt dan als handsfree en biedt u de mogelijkheid om enkele functies van uw mobiele telefoon op afstand te bedienen. U kunt de mobiele telefoon ook na aansluiting nog via de knoppen op de telefoon bedienen.
Als een mobiele telefoon is gekoppeld en aangesloten is op de auto, kunt u daarmee bellen,
berichten versturen/ontvangen en media streamen. Ook kunt u hem gebruiken als internetverbinding.
Microfoon.
Mobiele telefoon.
De telefoon wordt bediend met
het middendisplay, maar hij kan
ook gedeeltelijk worden
gebruikt met stembediening en
het appmenu, die bereikbaar
zijn via de rechter stuurknoppenset.
Telefoonfuncties op middendisplay.
Knoppenset voor telefoonfuncties die op het
bestuurdersdisplay verschijnen en voor stembediening.
Bestuurdersdisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
474
Verbinding met telefoon (p. 475)
Telefoon aansluiten/loskoppelen (p. 476)
Telefoonfuncties (p. 477)
Berichtfuncties (p. 479)
Instellingen voor telefoon (p. 480)
Instellingen voor tekstbericht (p. 481)
•
•
•
Instellingen voor Bluetooth (p. 481)
•
Mediaspeler (p. 458)
Stembediening (p. 120)
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
gebruiken (p. 111)
AUDIO EN MEDIA
Verbinding met telefoon
Koppel een telefoon met Bluetooth-functie aan
de auto, zodat u vervolgens vanuit de auto kunt
bellen, berichten kunt versturen/ontvangen,
media kunt streamen en met de auto verbinding
kunt maken met internet.
Er kunnen twee Bluetooth-apparaten tegelijk zijn
aangesloten, waarbij een van beide dan uitsluitend bestemd is voor het streamen van media. De
laatst aangesloten telefoon wordt automatisch
verbonden om te kunnen bellen, berichten te
kunnen versturen/ontvangen, media te kunnen
streamen en de telefoon te gebruiken voor een
internetverbinding. Zie het artikel "Instellingen
voor Bluetooth" om het gebruik van de telefoon
te kunnen veranderen.
U hoeft een eenheid slechts eenmaal te koppelen. Na het koppelen hoeft het Bluetooth-apparaat niet langer zichtbaar/identificeerbaar te zijn,
alleen moet Bluetooth wel zijn geactiveerd. Om
de auto via internet te kunnen aansluiten op
internet, moet ook "internet sharing" in de mobiele telefoon geactiveerd zijn. Er kunnen maximaal
20 gekoppelde Bluetooth-apparaten in de auto
worden opgeslagen.
U kunt op twee manieren pairen. U zoekt de telefoon vanuit de auto of u zoekt de auto vanaf de
telefoon.
Alternatief 1 - telefoon zoeken vanuit de
auto
1.
Maak de telefoon identificeerbaar/zichtbaar
via Bluetooth.
2.
Om de auto op internet aan te sluiten via de
Bluetooth van de telefoon - activeer via
Bluetooth "internet sharing" (wifi-hotspot) op
de telefoon.
3.
Open het deelscherm voor de telefoon.
•
Als er geen telefoon is aangesloten op de
auto - druk op Telefoon toevoegen.
N.B.
•
Bij sommige telefoons moet de berichtenfunctie geactiveerd worden.
•
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel en ze kunnen dus niet allemaal contacten en berichten in de auto
tonen.
Alternatief 2 - auto zoeken vanaf de
telefoon
1.
•
Als er een telefoon is aangesloten op de
. Druk in het
auto - druk op Wijzigen
pop-upvenster op Tel. toevoegen.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare
Bluetooth-apparaten. Bij identificatie van
nieuwe apparaten wordt de lijst bijgewerkt.
4.
Druk op de naam van de te pairen telefoon.
5.
Controleer of de aangegeven cijfercode in de
auto overeenkomt met die op de telefoon.
Accepteer in dat geval op beide punten.
6.
Accepteer of weiger in de telefoon eventuele
opties voor de contactpersonen en de
berichtfuncties van de telefoon.
Open het deelscherm voor de telefoon.
•
Als er geen telefoon is aangesloten op de
auto - druk op Telefoon toevoegen
Auto herkenbaar maken.
•
Als er een telefoon is aangesloten op de
. Druk in het
auto - druk op Wijzigen
pop-upvenster op Telefoon toevoegen
Auto herkenbaar maken.
2.
Activeer Bluetooth op de telefoon.
3.
Om de auto op internet aan te sluiten via de
Bluetooth van de telefoon - activeer via
Bluetooth "internet sharing" (wifi-hotspot) op
de telefoon.
4.
Zoek op de telefoon naar Bluetooth-apparaten.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare
Bluetooth-apparaten.
}}
475
AUDIO EN MEDIA
||
5.
6.
7.
Kies de naam van de auto op de telefoon.
Controleer of de aangegeven cijfercode in de
auto overeenkomt met die op de externe
eenheid. Accepteer in dat geval op beide
punten.
Accepteer of weiger in de telefoon eventuele
opties voor de contactpersonen en de
berichtfuncties van de telefoon.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Telefoon (p. 474)
Telefoon aansluiten/loskoppelen (p. 476)
Telefoon aansluiten/loskoppelen
Gekoppelde telefoon aansluiten, loskoppelen of
van telefoon wisselen.
Instellingen voor Bluetooth (p. 481)
Telefoon automatisch verbinden
Telefoonfuncties (p. 477)
Berichtfuncties (p. 479)
Automatische aansluiting werkt alleen voor de
twee laatst gekoppelde telefoons.
Connected Car* (p. 481)
1.
Om tegelijkertijd een internetverbinding voor
de auto tot stand te brengen moet ook 'internet sharing' (portable/persoonlijke hotspot)
op de telefoon zijn geactiveerd.
N.B.
•
Bij sommige telefoons moet de berichtenfunctie geactiveerd worden.
•
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel en ze kunnen dus niet allemaal contacten en berichten in de auto
tonen.
2.
1.
Compatibele telefoons
Hoewel veel moderne telefoons Bluetooth-technologie bieden, zijn niet alle telefoons volledig
compatibel met de auto. Zie
support.volvocars.com voor compatibiliteit.
476
Zet de auto in contactslotstand I of hoger.
> De telefoon wordt aangesloten.
Telefoon handmatig aansluiten
N.B.
Bij een update van het besturingssysteem van
de telefoon wordt de koppeling mogelijk
onderbroken. Verwijder de telefoon dan uit de
auto en breng een nieuwe koppeling tot
stand.
Activeer Bluetooth op de telefoon alvorens
de auto in contactslotstand I te zetten.
Activeer Bluetooth op de telefoon.
Om tegelijkertijd een internetverbinding voor
de auto tot stand te brengen moet ook 'internet sharing' (portable/persoonlijke hotspot)
op de telefoon zijn geactiveerd.
2.
Open het deelscherm voor de telefoon.
> Er verschijnt een lijst met de gekoppelde
telefoons.
3.
Druk op de naam van de te pairen telefoon.
> De telefoon wordt aangesloten.
Telefoon loskoppelen
–
Deactiveer Bluetooth op de telefoon.
* Optie/accessoire.
AUDIO EN MEDIA
De telefoon wordt automatisch losgekoppeld,
wanneer deze buiten het bereik van de auto
komt. Als u de telefoon tijdens een lopend telefoongesprek loskoppelt, kunt u het gesprek via
de telefoon voortzetten.
•
•
•
Instellingen voor Bluetooth (p. 481)
Telefoonfuncties
Contactslotstanden (p. 397)
Verwerking van gesprekken in de auto voor een
telefoon met Bluetooth-verbinding.
Connected Car* (p. 481)
Van telefoon wisselen
1.
Open het deelscherm voor de telefoon.
2.
Druk op Wijzigen
.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare
Bluetooth-apparaten.
3.
Druk op de aan te sluiten telefoon.
Telefoon verwijderen
1.
Open het deelscherm voor de telefoon.
2.
Druk op Instellingen Communicatie
Bluetooth-apparaten.
> Er verschijnt een lijst met gekoppelde
Bluetooth-apparaten.
3.
Druk op de te verwijderen telefoon.
4.
Druk op App. verwijderen en bevestig uw
keuze.
> De telefoon is daarmee niet langer
gekoppeld aan de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bellen
1.
Open het deelscherm voor de telefoon.
Telefoon (p. 474)
Verbinding met telefoon (p. 475)
Instellingen voor telefoon (p. 480)
}}
* Optie/accessoire. 477
AUDIO EN MEDIA
||
2.
Geef aan hoe u wilt bellen: via de gesprekkenlijst, via de contactenlijst of geef het nummer aan via de knoppenset. U kunt de contactenlijst doorzoeken of doorbladeren. Druk
in de contactenlijst om een contactop
persoon onder te brengen onder Favoriet.
3.
Druk op Bel of op
4.
Druk op Ophangen om het gesprek te
beëindigen.
.
Het is ook mogelijk om te bellen via de gesprekkenlijst op het appmenu, dat toegankelijk is via
rechts op het stuurwiel.
de knoppenset
478
Conferentiegesprek
Tijdens ruggespraak:
1.
Druk op Gesprekken samenv. om de
lopende gesprekken samen te voegen.
2.
Druk op Ophangen om het gesprek te
beëindigen.
Privégesprek
–
• Naar mobiele telefoon schakelen - de
handsfree-functie wordt uitgeschakeld en
het gesprek gaat verder via de mobiele
telefoon.
Telefoonoproepen
Telefoonoproepen verschijnen op het bestuurdersdisplay en op het middendisplay. Voer het
gesprek met de knoppenset rechts op het stuurwiel of met het middendisplay.
Druk tijdens een lopend gesprek op Privacy
en kies de instelling:
• Alleen bestuurder - de microfoon in het
plafond aan de passagierszijde wordt uitgeschakeld en het gesprek gaat verder
via de handsfree-functie van de auto.
Gerelateerde informatie
1.
Druk op Antwoorden/Afwijzen.
Ruggespraak
Tijdens lopende gesprekken:
2.
Druk op Ophangen om het gesprek te
beëindigen.
1.
Druk op Voeg gesprek toe.
2.
Geef aan hoe u wilt bellen: via de gesprekkenlijst, de favorieten of de contactenlijst.
Telefoonoproepen tijdens lopende
telefoongesprekken
1. Druk op Antwoorden/Afwijzen.
•
Het toetsenbord in het middendisplay
gebruiken (p. 50)
3.
Druk op een post/regel in de gesprekkenlijst
of op
voor de contactpersoon in de contactenlijst.
2.
•
Instellingen voor telefoon (p. 480)
4.
Druk op Wissel gesprek om te wisselen
tussen gesprekken.
5.
Druk op Ophangen om het lopende
gesprek te beëindigen.
Druk op Ophangen om het gesprek te
beëindigen.
•
•
•
Telefoon (p. 474)
Stembediening telefoon (p. 123)
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
gebruiken (p. 111)
AUDIO EN MEDIA
Berichtfuncties
2.
Verwerking van berichten in de auto voor een
telefoon met Bluetooth-verbinding.
Op sommige telefoons moet de functie 'Berichten' worden geactiveerd. Ook zijn niet alle telefoons volledig compatibel en deze kunnen geen
contactpersonen en meldingen in de auto tonen.
Zie support.volvocars.com voor compatibiliteit.
Bericht lezen op middendisplay
1.
Druk in het appscherm op Berichten om het
te openen.
2.
Druk op Oplezen om het bericht te laten
voorlezen of druk op het bericht dat u wilt
laten voorlezen.
Nieuw bericht lezen op middendisplay
Een tekstbericht verschijnt alleen op het bestuurdersdisplay als daarvoor is gekozen, zie artikel
"Instellingen voor tekstbericht".
–
Kies met de stuurknoppenset voor Oplezen
om het bericht te laten voorlezen.
Bericht versturen
1.
•
Berichten beantwoorden - op de contactpersoon drukken wiens bericht moet worden beantwoord en druk vervolgens op
Antwoorden.
•
Nieuw bericht schrijven - op Nwe. maken
+ drukken. Kies een contactpersoon of
voer een nummer in.
3.
Schrijf het bericht.
4.
Druk op Verzenden.
Berichtmelding
Zie artikel "Instellingen voor tekstbericht" voor
meldingsinstellingen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Telefoon (p. 474)
Instellingen voor tekstbericht (p. 481)
Instellingen voor telefoon (p. 480)
Stembediening telefoon (p. 123)
Het toetsenbord in het middendisplay
gebruiken (p. 50)
Druk in het appscherm op Berichten om het
te openen.
479
AUDIO EN MEDIA
Telefoonboekfuncties
Contactfuncties in de auto voor een telefoon
met Bluetooth-verbinding.
Instellingen voor telefoon
foonboek staan verschijnen alleen bepaalde
letters.
Instellingen voor aangesloten telefoon.
Contacten zoeken - druk op
om een
telefoonnummer of naam te zoeken in de lijst
met contacten.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
kies instellingen.
Favoriet - druk op
om een contact toe
te voegen aan de lijst met favorieten of ervan
te verwijderen.
Telefoon
• Beltonen - beltoon kiezen. U kunt de
beltoon van de gekoppelde telefoon of die
van de auto gebruiken. Bepaalde telefoons zijn niet volledig compatibel en
daardoor is het niet mogelijk de beltonen
van zo'n telefoon in de auto te gebruiken.
Zie support.volvocars.com voor compatibiliteit.
N.B.
Op het middendisplay verschijnen alleen contacten op een actieve telefoon die is aangesloten via Bluetooth. Er zijn tot 3000 contacten weer te geven.
Sorteren
De lijst met contacten staat op alfabetische volgorde en speciale tekens en cijfers staan onder
. U kunt sorteren op voor- of achternaam, zie
voor meer informatie het artikel "Instellingen voor
telefoon".
Gerelateerde informatie
Blader de letters tot en met
door om de
contactpersoon van uw keuze te vinden.
Afhankelijk van de contacten die in het tele-
480
•
•
•
Telefoon (p. 474)
Stembediening telefoon (p. 123)
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
gebruiken (p. 111)
•
Het toetsenbord in het middendisplay
gebruiken (p. 50)
•
Instellingen voor telefoon (p. 480)
Telefoon en
• Contacten sorteren - sorteervolgorde
van contactenlijst kiezen.
Zie artikel "Head-updisplay" voor gespreksberichten op het head-updisplay*.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Instellingen voor tekstbericht (p. 481)
Instellingen voor Bluetooth (p. 481)
Telefoon (p. 474)
Verbinding met telefoon (p. 475)
Head-updisplay* (p. 117)
* Optie/accessoire.
AUDIO EN MEDIA
Instellingen voor tekstbericht
Instellingen voor Bluetooth
Connected Car*
Instellingen voor tekstbericht op aangesloten
telefoon.
Instellingen voor telefoon met Bluetooth-aansluiting.
Een Connected Car biedt u de mogelijkheid om
gebruik te maken van bijvoorbeeld internetradio
en muziekdiensten via apps en in de auto contact op te nemen met de dealer en software te
downloaden.
Melding
Bluetooth
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
en kies instellingen.
2.
Druk op Communicatie Bluetoothapparaten en kies instellingen.
Tekstberichten
• Melding in middendisplay - berichtmeldingen op de statusbalk van het middendisplay weergeven.
• Eerder gepairde apparaten - lijst met
gekoppelde eenheden weergeven.
App. verwijderen - eerder gekoppelde eenheid verwijderen.
• Melding in bestuurdersdisplay -
berichten weergeven op het bestuurdersdisplay. Bij berichten op het bestuurdersdisplay kunt u binnenkomende berichten
actief hanteren via de rechter stuurknoppenset.
• Tekstberichttoon - signaal voor binnen-
Toegestane diensten voor dit apparaat kiezen waarvoor u de telefoon wilt gebruiken:
bellen, berichten sturen/lezen, media streamen of als middel voor internetverbinding.
•
•
•
•
4
Verbinding met telefoon (p. 475)
Instellingen voor telefoon (p. 480)
Geldt niet bij aansluiting met Wi-Fi.
Een symbool op de statusbalk van het middendisplay geeft de status weer van de internetverbinding.
Bluetooth-verbinding van het apparaat een
internetverbinding voor de auto wilt maken.
• Apparaat toevoegen - nieuwe eenheid pairen.
Telefoon (p. 474)
Berichtfuncties (p. 479)
Als de auto is aangesloten, is het mogelijk om de
internetverbinding (wifi-hotspot) te delen, zodat
andere eenheden de internetverbinding kunnen
gebruiken4.
• Internetverbinding - kiezen of u via de
komende sms-berichten kiezen.
Gerelateerde informatie
De auto maakt een internetverbinding via
Bluetooth, Wi-Fi of via de ingebouwde automodem*.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Connected Car* (p. 481)
Telefoon (p. 474)
Verbinding met telefoon (p. 475)
Mediaspeler (p. 458)
}}
* Optie/accessoire. 481
AUDIO EN MEDIA
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Auto met internet verbinden (p. 482)
Apps (p. 450)
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie (p. 526)
•
•
•
Systeemupdates (p. 530)
•
Internetverbinding delen via Wi-Fi-hotspot
(p. 484)
Volvo ID (p. 24)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 46)
Auto met internet verbinden
De internetverbinding van de auto is tot stand te
brengen via een telefoon met Bluetooth, Wi-Fi of
via de ingebouwde automodem*.
De mobiele telefoon en de provider moeten
ondersteuning bieden voor tethering (delen van
de internetverbinding) en het abonnement moet
inclusief dataverkeer zijn.
Internetverbinding via Bluetooth
Zie Verbinding met telefoon.
Internetverbinding via Wi-Fi
N.B.
Bij gebruik van internet wordt data overgebracht (dataverkeer) en dat kan kosten met
zich meebrengen.
Het activeren van dataroaming kan tot verdere kosten leiden.
1.
Activeer "internet sharing" (wifi-hotspot) op
de mobiele telefoon.
Informeer bij uw provider naar de kosten voor
dataverkeer.
2.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
3.
Druk op Communicatie
4.
Activeer/deactiveer de optie door het vakje
voor Wi-Fi aan/uit te vinken.
5.
Druk op de naam van het netwerk waarop u
wilt aansluiten.
6.
Geef het wachtwoord van het netwerk aan.
7.
Gebruikte u eerder een andere methode voor
internetverbinding - bevestig de keuze van
een andere verbindingsmethode.
> De auto maakt een verbinding tot stand
met het netwerk.
N.B.
Bij gebruik van Apple CarPlay kunt u alleen
een internetverbinding voor de auto maken
via Wi-Fi of de automodem*.
N.B.
Bij gebruik van Android Auto kunt u een internetverbinding voor de auto tot stand brengen
via Wi-Fi, Bluetooth of de automodem*.
482
Lees voordat u verbinding maakt de Servicevoorwaarden en het Beleid inzake vertrouwelijkheid van klantengegevens op
support.volvocars.com.
Wi-Fi.
* Optie/accessoire.
AUDIO EN MEDIA
Let erop dat sommige telefoons de internetverbinding verbreken, wanneer de verbinding met de
auto is verbroken (zoals wanneer u de auto
ergens parkeert tot de volgende keer dat u hem
nodig hebt). In dat geval moet u bij een volgend
gebruik van de telefoon de "internet sharing"
opnieuw activeren.
Internetverbinding via
automodem*5
Bij verbinding via de automodem gebruiken de
Volvo On Call-diensten deze verbinding.
5 Alleen
•
•
•
•
•
•
Een telefoon die verbinding heeft gemaakt met
de auto wordt opgeslagen voor later gebruik. Als
het maximum aantal opgeslagen telefoons (50)
wordt bereikt, wordt de telefoon verwijderd die als
eerste verbinding heeft gemaakt. Om de lijst met
opgeslagen netwerken weer te geven of opgeslagen netwerken handmatig te verwijderen,
drukt u op Instellingen Wi-Fi Opgeslagen
netwerken.
Zie het artikel "Techniek en veiligheid rond Wi-Fi"
voor eisen aan de netwerkaansluiting.
Gerelateerde informatie
1.
Plaats een persoonlijke simkaart in de houder onder de vloer in de bagageruimte.
2.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
3.
Druk op Communicatie
automodem.
4.
Activeer/deactiveer de optie door het vakje
voor Internet via automodem aan/uit te
vinken.
5.
Gebruikte u eerder een andere methode voor
internetverbinding - bevestig de keuze van
een andere verbindingsmethode.
6.
Geef de pincode van de simkaart aan.
> De auto maakt een verbinding tot stand
met het netwerk.
•
•
•
Connected Car* (p. 481)
Verbinding met telefoon (p. 475)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 46)
Wi-Fi-netwerk verwijderen (p. 485)
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi (p. 486)
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 485)
Instellingen voor automodem* (p. 486)
Instellingen voor Bluetooth (p. 481)
Apple CarPlay* (p. 467)
Internet via
auto's met Volvo On Call.
* Optie/accessoire. 483
AUDIO EN MEDIA
Internetverbinding delen via Wi-Fihotspot
Als de auto is aangesloten, is het mogelijk om
de internetverbinding te delen, zodat andere
eenheden de internetverbinding kunnen gebruiken.6
De provider (simkaart) moet ondersteuning bieden voor tethering (delen van de internetverbinding).
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
auto.
3.
Druk op Netwerknaam en geeft de wifi-hotspot een naam.
4.
Druk op Wachtwoord en kies een wachtwoord dat u vervolgens op de te koppelen
eenheden moet aangeven.
5.
6
484
N.B.
Het activeren van Wi-Fi-hotspot kan tot verdere kosten van uw provider leiden.
Informeer bij uw provider naar de kosten voor
dataverkeer.
Wifi-hotspot
Druk op Frequentieband en kies de zendfrequentie voor de wifi-hotspot. Let erop dat
de te hanteren frequentieband niet op alle
markten te specificeren is.
6.
Activeer/deactiveer de optie door het vakje
voor Wifi-hotspot auto aan/uit te vinken.
7.
Als Wi-Fi eerder is gebruikt als methode voor
internetverbinding bevestigt u de keuze van
een andere verbindingsmethode.
> Externe eenheden kunnen vervolgens verbinding maken met de "internet sharing"
(Wi-Fi-hotspot) van de auto.
Een symbool op de statusbalk van het middendisplay geeft de status weer van de internetverbinding.
Druk op Aangesloten apparaten voor een lijst
met de op dit moment aangesloten eenheden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Connected Car* (p. 481)
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi (p. 486)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 46)
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 485)
Geldt niet bij aansluiting met Wi-Fi.
* Optie/accessoire.
AUDIO EN MEDIA
Geen internetverbinding of een
slechte verbinding
Storingen in het netwerk.
De uitgewisselde hoeveelheid gegevens is afhankelijk van de diensten of apps die in de auto worden gebruikt. Het streamen van audio kan bijvoorbeeld tot een grote hoeveelheid dataverkeer
leiden en dat vereist een goede verbinding en
signaalsterkte.
Telefoon herstarten
Wi-Fi-netwerk verwijderen
Verbindingsproblemen zijn soms te verhelpen
door de telefoon te herstarten.
Niet gebruikte netwerken verwijderen.
Gerelateerde informatie
•
•
Connected Car* (p. 481)
Auto met internet verbinden (p. 482)
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Wi-Fi
3.
Druk op Vergeten voor het te verwijderen
netwerk.
4.
Bevestig uw keuze.
> De auto zal vervolgens geen verbinding
tot stand brengen met het desbetreffende
netwerk.
Mobiele telefoon in de auto
De snelheid van de verbinding kan variëren
afhankelijk van de positie van de mobiele telefoon in de auto. Plaats de mobiele telefoon dichter bij het middendisplay om de signaalsterkte te
verbeteren. Zorg dat de signalen niet worden
gehinderd.
Mobiele telefoon en provider
De snelheid binnen het mobiele netwerk varieert
afhankelijk van de dekking op de actuele locatie.
Een slechtere netwerkdekking is bijvoorbeeld
mogelijk in tunnels, achter bergen, in diepe dalen
of in gebouwen. De snelheid is ook afhankelijk
van uw overeenkomst met uw teleprovider.
N.B.
Opgeslagen netwerken.
Alle netwerken uit geheugen
verwijderen
U kunt alle netwerken in één keer verwijderen
door de fabrieksinstellingen te herstellen. Houd
er in dat geval rekening mee dat dan de fabrieksinstellingen worden hersteld voor alle gebruikersgegevens en systeeminstellingen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Connected Car* (p. 481)
Auto met internet verbinden (p. 482)
Instellingen resetten op instellingsscherm
(p. 179)
Neem bij problemen met de dataoverdracht
contact op met uw provider.
* Optie/accessoire. 485
AUDIO EN MEDIA
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi
Instellingen voor automodem*8
Mogelijke netwerktypes voor aansluiting.
De auto is uitgerust met een modem die u kunt
gebruiken om de auto met internet te verbinden.
U kunt de internetverbinding tevens delen via
Wi-Fi.
Aansluiting is alleen mogelijk op netwerken van
het volgende type:
•
•
•
Frequentie - 2,4 of 5 GHz7.
Standaarden - 802.11 a/b/g/n.
Beveiligingstype - WPA2-AES-CCMP.
Het Wi-Fi-systeem van de auto is zo ingericht dat
het Wi-Fi-eenheden in de auto kan hanteren.
Als meerdere eenheden op dezelfde frequentie
actief zijn, kunnen de prestaties afnemen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Connected Car* (p. 481)
Auto met internet verbinden (p. 482)
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie Internet via
automodem en kies instellingen.
• Internet via automodem - aangeven of
automodem moet worden gebruikt voor internetverbinding.
• Datagebruik - bij het indrukken van Reset
Wijzig pincode - maximaal 4 cijfers aangeven.
Pincode blokkeren - aangeven of de pincode vereist is voor gebruik van de simkaart.
• Gevraagde code verzenden - bestemd om
bijvoorbeeld het saldo op een chipkaart op te
laden of te controleren. Deze functie is
afhankelijk van de provider.
Gerelateerde informatie
•
•
Connected Car* (p. 481)
Internetverbinding delen via Wi-Fi-hotspot
(p. 484)
worden de tellers voor de ontvangen en verstuurde hoeveelheid gegevens op nul gezet.
• Netwerk
Internetverbinding delen via Wi-Fi-hotspot
(p. 484)
Aanbieder selecteren - netwerkprovider
automatisch of handmatig kiezen.
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 485)
Roaming - is dit vakje aangevinkt, dan zal de
automodem proberen verbinding te maken
met internet op het moment dat de auto zich
in het buitenland buiten het thuisnetwerk
bevindt. Let erop dat dit tot hoge kosten kan
leiden. Controleer uw roamingovereenkomst
met betrekking tot dataverkeer in het buitenland met uw netwerkprovider in uw eigen
land.
• Pincode simkaart
7
8
486
Het kiezen van een frequentie is niet op alle markten mogelijk.
Alleen auto's met Volvo On Call.
* Optie/accessoire.
AUDIO EN MEDIA
Apps downloaden, bijwerken of
verwijderen
Bij een Connected Car kunt u nieuwe apps
downloaden en bestaande apps bijwerken of
verwijderen.
3.
Druk op een bepaalde app om de lijst uit te
vouwen en meer informatie over de app te
krijgen.
4.
Kies Installeren om de app van uw keuze te
downloaden en installeren.
> Tijdens het downloaden en installeren
wordt de voortgang aangegeven.
N.B.
Het downloaden van data kan van invloed zijn
op andere diensten die gebruik maken van
gegevensuitwisseling, zoals de internetradio.
Als u deze invloed op andere diensten als
hinderlijk ervaart, kunt u het downloaden
annuleren. Het is ook mogelijk om andere
diensten te annuleren of tijdelijk te onderbreken.
Als een bepaalde download niet kan starten, verschijnt een melding. De app blijft
echter op de downloadlijst staan, zodat u
later een nieuwe poging tot downloaden
kunt doen.
Downloaden annuleren
– Druk op Annuleer om een lopende download te annuleren.
De apps zijn te hanteren via
Download Center op het
applicatiescherm.
Let erop dat alleen de download te annuleren is,
zodat u een eventuele installatiefase niet meer
kunt annuleren zodra deze van start gegaan is.
Om apps te kunnen downloaden, bijwerken of verwijderen
moet de auto een internetver-
Apps bijwerken
binding hebben.
App downloaden
1.
Open de app Download Center.
2.
Kies Nieuwe apps om een lijst te openen
met de apps die beschikbaar zijn voor installatie in de auto.
Als bij het bijwerken van een app blijkt dat de
desbetreffende app in gebruik is, wordt deze app
opnieuw gestart om de installatie te voltooien.
2.
Kies Applicatie-updates om een lijst te
openen met alle beschikbare updates.
3.
Zoek de gewenste app op en kies
Installeren.
> De update start.
App verwijderen
U kunt een app niet verwijderen, wanneer deze
gebruikt wordt.
1.
Open de app Download Center.
2.
Kies Applicatie-updates om een lijst te
openen met alle geïnstalleerde apps.
3.
Zoek de gewenste app op en kies Deinstalleren om de app te verwijderen.
> Zodra de app verwijderd is, verdwijnt deze
uit de lijst.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Connected Car* (p. 481)
Radio (p. 452)
Mediaspeler (p. 458)
Systeemupdates (p. 530)
Alle apps bijwerken
1. Open de app Download Center.
2.
Kies Alles installeren.
> De update start.
Bepaalde apps bijwerken
1. Open de app Download Center.
* Optie/accessoire. 487
AUDIO EN MEDIA
Licentieovereenkomst voor audio en
media
Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen te verrichten of het recht om gebruik te maken van
een product waar een andere rechtspersoon
octrooi of eigendomsrechten op heeft, onder de
voorwaarden vervat in de overeenkomst. Hier
volgen de teksten van de overeenkomsten tussen Volvo en producenten/ontwikkelaars. Een
groot aantal van deze teksten is in het Engels.
Bowers & Wilkins
Bowers & Wilkins en B&W zijn handelsmerken
van B&W Group Ltd. Nautilus is een handelsmerk
van B&W Group Ltd. Kevlar is een geregistreerd
handelsmerk van DuPont.
Dirac Unison®
DivX®
Dirac Unison optimaliseert de luidsprekers qua
tijd, ruimte en frequentie voor optimale basintegratie en helderheid. De technologie maakt ook
een waarheidsgetrouwe weergave mogelijk van
de akoestische eigenschappen van specifieke
concertzalen. Met behulp van geavanceerde algoritmes stuurt Dirac Unison op digitale wijze alle
luidsprekers aan op basis van akoestische metingen met een grote nauwkeurigheid. Net als een
echte dirigent garandeert Dirac Unison dat de
luidsprekers bij de weergave perfect op elkaar
zijn afgestemd.
DivX®, DivX Certified® en daaraan gerelateerde
logo's zijn handelsmerken die eigendom zijn van
DivX, LLC en worden gebruikt onder licentie.
Dit DivX Certified® apparaat kan DivX® Home
Theater videobestanden tot 576p weergeven
(inclusief .avi, .divx). Download gratis software van
www.divx.com om digitale videobestanden te
maken, weergeven en streamen.
OVER DIVX VIDEO-ON-DEMAND: Om Video-onDemand-films (VOD) in DivX-formaat te kunnen
afspelen moet u deze DivX Certified® eenheid
eerst registreren. U vindt uw registratiecode via
de sectie DivX VOD in het instellingenmenu van
de eenheid. Breng voor meer informatie over het
afronden van de registratie een bezoek aan
vod.divx.com.
Octrooinummer
Beschermd door een of meer van de volgende
octrooien in de VS. 7,295,673; 7,460,668;
7,515,710; 8,656,183; 8,731,369; RE45,052
488
AUDIO EN MEDIA
Gracenote®
Het copyright © van bepaalde delen van de
inhoud berust bij Gracenote of zijn leveranciers.
Gracenote, Gracenote-logo en -logotype,
"Powered by Gracenote" en Gracenote MusicID
zijn geregistreerde handelsmerken of handelsmerken die eigendom zijn van Gracenote, Inc. in
de VS en/of andere landen.
Licentieovereenkomst Gracenote®
Deze toepassing of dit apparaat bevat software
van Gracenote, Inc. uit Emeryville, Californië (‘Gracenote’). Met de software van Gracenote (“Gracenote-software”) kan deze toepassing schijf- en of
bestandsidentificatie uitvoeren en muziekverwante gegevens ophalen, waaronder informatie
over de naam, artiest, track en titel (“Gracenotegegevens”) vanuit online-servers of ingesloten
databases (samen “Gracenote-servers”). De toepassing kan tevens andere functies verrichten. U
mag Gracenote-gegevens uitsluitend gebruiken
door middel van de beoogde eindgebruikersfuncties van deze toepassing of dit apparaat.
U stemt ermee in de Gracenote-gegevens, de
Gracenote-software en Gracenote-servers uitsluitend voor uw eigen, niet-commercieel privégebruik te gebruiken. U stemt ermee in de Gracenote-software of welke Gracenote-gegevens dan
ook niet aan derden toe te wijzen, te kopiëren,
over te dragen of door te zenden. U STEMT
ERMEE IN DE GRACENOTE-GEGEVENS, DE
GRACENOTE-SOFTWARE OF DE GRACENOTESERVERS UITSLUITEND TE GEBRUIKEN OP
DE MANIER DIE HIERIN UITDRUKKELIJK
WORDT TOEGESTAAN.
U stemt ermee in dat uw niet-exclusieve licentie
om de Gracenote-gegevens, de Gracenote-software en de Gracenote-servers te gebruiken, zal
worden beëindigd als u inbreuk maakt op deze
beperkingen. Als uw licentie wordt beëindigd,
stemt u ermee in op geen enkele wijze meer
gebruik te maken van de Gracenote-gegevens,
de Gracenote-software en de Gracenote-servers.
Gracenote behoudt zich alle rechten voor met
betrekking tot de Gracenote-gegevens, de Gracenote-software en de Gracenote-servers, inclusief alle eigendomsrechten. In geen geval is Gracenote aansprakelijk voor betaling aan u voor
informatie die u verschaft. U stemt ermee in dat
Gracenote, Inc. volgens deze overeenkomst uit
eigen naam rechtstreeks mag toezien op naleving van de rechten jegens u.
De Gracenote-service gebruikt een unieke identificatiecode om query's na te sporen voor statistische doeleinden. Het doel van deze willekeurig
toegewezen numerieke code is om de Gracenote-service query's te laten tellen zonder te
weten wie u bent. Ga voor meer informatie naar
de webpagina over het Privacybeleid van Gracenote voor de Gracenote-service.
De licentie voor de Gracenote-software en alle
onderdelen van de Gracenote-gegevens wordt
verstrekt op "AS IS"-basis. Gracenote doet geen
toezeggingen en verstrekt geen garantie, uitdrukkelijk of stilzwijgend, ten aanzien van de juistheid
van de Gracenote-gegevens in de Gracenoteservers. Gracenote behoudt zich het recht voor
om gegevens te verwijderen van de Gracenoteservers of om gegevenscategorieën te wijzigen
als Gracenote hiertoe voldoende reden ziet. Er
wordt geen garantie verstrekt dat de Gracenotesoftware of Gracenote-servers geen onjuistheden
bevatten of dat het functioneren van de Gracenote-software of Gracenote-servers ononderbroken zal zijn. Gracenote is niet verplicht u te voorzien van nieuwe, verbeterde of extra gegevenstypen of -categorieën die Gracenote mogelijk in de
toekomst verschaft; Gracenote mag de diensten
op elk moment beëindigen.
GRACENOTE WIJST ALLE GARANTIES, UITDRUKKELIJK OF STILZWIJGEND, INCLUSIEF
MAAR NIET BEPERKT TOT STILZWIJGENDE
GARANTIES MET BETREKKING TOT VERKOOPBAARHEID, GESCHIKTHEID VOOR EEN
BEPAALD DOEL, EIGENDOMSRECHT EN HET
GEEN INBREUK MAKEN OP RECHTEN VAN
DERDEN, VAN DE HAND. GRACENOTE VER-
}}
489
AUDIO EN MEDIA
||
STREKT GEEN GARANTIES TEN AANZIEN VAN
DE RESULTATEN DIE WORDEN VERKREGEN
VOOR UW GEBRUIK VAN GRACENOTE-SOFTWARE OF WELKE GRACENOTE-SERVER DAN
OOK. GRACENOTE IS IN GEEN GEVAL AANSPRAKELIJK VOOR INDIRECTE OF GEVOLGSCHADE, GEDERFDE WINST OF VERLIES VAN
INKOMSTEN.
© Gracenote, Inc. 2009
Sensus software
This software uses parts of sources from clib2
and Prex Embedded Real-time OS - Source
(Copyright (c) 1982, 1986, 1991, 1993, 1994),
and Quercus Robusta (Copyright (c) 1990,
1993), The Regents of the University of
California. All or some portions are derived from
material licensed to the University of California by
American Telephone and Telegraph Co. or Unix
System Laboratories, Inc. and are reproduced
herein with the permission of UNIX System
Laboratories, Inc. Redistribution and use in
source and binary forms, with or without
modification, are permitted provided that the
following conditions are met: Redistributions of
source code must retain the above copyright
notice, this list of conditions and the following
disclaimer. Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer in the
documentation and/or other materials provided
with the distribution. Neither the name of the
490
<ORGANIZATION> nor the names of its
contributors may be used to endorse or promote
products derived from this software without
specific prior written permission. THIS
SOFTWARE IS PROVIDED BY THE COPYRIGHT
HOLDERS AND CONTRIBUTORS "AS IS" AND
ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY
AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE
ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE
COPYRIGHT OWNER OR CONTRIBUTORS BE
LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT,
INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING,
BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF
SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF
USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS
INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON
ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN
CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT
(INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE)
ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF
THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE
POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE.
This software is based in part on the work of the
Independent JPEG Group.
This software uses parts of sources from
"libtess". The Original Code is: OpenGL Sample
Implementation, Version 1.2.1, released January
26, 2000, developed by Silicon Graphics, Inc. The
Original Code is Copyright (c) 1991-2000 Silicon
Graphics, Inc. Copyright in any portions created
by third parties is as indicated elsewhere herein.
All Rights Reserved. Copyright (C) [1991-2000]
Silicon Graphics, Inc. All Rights Reserved.
Permission is hereby granted, free of charge, to
any person obtaining a copy of this software and
associated documentation files (the "Software"),
to deal in the Software without restriction,
including without limitation the rights to use,
copy, modify, merge, publish, distribute,
sublicense, and/or sell copies of the Software,
and to permit persons to whom the Software is
furnished to do so, subject to the following
conditions: The above copyright notice including
the dates of first publication and either this
permission notice or a reference to http://
oss.sgi.com/projects/FreeB/ shall be included in
all copies or substantial portions of the Software.
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
SILICON GRAPHICS, INC. BE LIABLE FOR ANY
CLAIM, DAMAGES OR OTHER LIABILITY,
WHETHER IN AN ACTION OF CONTRACT,
TORT OR OTHERWISE, ARISING FROM, OUT
OF OR IN CONNECTION WITH THE SOFTWARE
OR THE USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE. Except as contained in this notice,
the name of Silicon Graphics, Inc. shall not be
AUDIO EN MEDIA
used in advertising or otherwise to promote the
sale, use or other dealings in this Software
without prior written authorization from Silicon
Graphics, Inc.
This software is based in parts on the work of the
FreeType Team.
This software uses parts of SSLeay Library:
Copyright (C) 1995-1998 Eric Young
(eay@cryptsoft.com). All rights reserved
camellia:1.2.0
Copyright (c) 2006, 2007
NTT (Nippon Telegraph and Telephone
Corporation). All rights reserved.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer as
the first lines of this file unmodified.
2.
Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution.
Linux software
This product contains software licensed under
GNU General Public License (GPL) or GNU
Lesser General Public License (LGPL), etc.
You have the right of acquisition, modification,
and distribution of the source code of the GPL/
LGPL software.
You may download Source Code from the
following website at no charge: http://
www.embedded-carmultimedia.jp/linux/oss/
download/TVM_8351_013
The website provides the Source Code "As Is"
and without warranty of any kind.
By downloading Source Code, you expressly
assume all risk and liability associated with
downloading and using the Source Code and
complying with the user agreements that
accompany each Source Code.
Please note that we cannot respond to any
inquiries regarding the source code.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY NTT ``AS
IS'' AND ANY EXPRESS OR IMPLIED
WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED
TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN
NO EVENT SHALL NTT BE LIABLE FOR ANY
DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL,
EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES
(INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR
SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS;
OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER
CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY,
OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF
THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
Unicode: 5.1.0
COPYRIGHT AND PERMISSION NOTICE
Copyright c 1991-2013 Unicode, Inc. All rights
reserved. Distributed under the Terms of Use in
http://www.unicode.org/copyright.html.
Permission is hereby granted, free of charge, to
any person obtaining a copy of the Unicode data
files and any associated documentation (the
"Data Files") or Unicode software and any
associated documentation (the "Software") to
deal in the Data Files or Software without
restriction, including without limitation the rights
to use, copy, modify, merge, publish, distribute,
and/or sell copies of the Data Files or Software,
and to permit persons to whom the Data Files or
Software are furnished to do so, provided that (a)
the above copyright notice(s) and this permission
notice appear with all copies of the Data Files or
Software, (b) both the above copyright notice(s)
and this permission notice appear in associated
documentation, and (c) there is clear notice in
each modified Data File or in the Software as
well as in the documentation associated with the
Data File(s) or Software that the data or software
has been modified.
}}
491
AUDIO EN MEDIA
||
492
THE DATA FILES AND SOFTWARE ARE
PROVIDED "AS IS", WITHOUT WARRANTY OF
ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING
BUT NOT LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT OF THIRD PARTY
RIGHTS. IN NO EVENT SHALL THE
COPYRIGHT HOLDER OR HOLDERS
INCLUDED IN THIS NOTICE BE LIABLE FOR
ANY CLAIM, OR ANY SPECIAL INDIRECT OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES, OR ANY
DAMAGES WHATSOEVER RESULTING FROM
LOSS OF USE, DATA OR PROFITS, WHETHER
IN AN ACTION OF CONTRACT, NEGLIGENCE
OR OTHER TORTIOUS ACTION, ARISING OUT
OF OR IN CONNECTION WITH THE USE OR
PERFORMANCE OF THE DATA FILES OR
SOFTWARE.
Except as contained in this notice, the name of a
copyright holder shall not be used in advertising
or otherwise to promote the sale, use or other
dealings in these Data Files or Software without
prior written authorization of the copyright holder.
Verklaring van overeenstemming voor
Bluetooth®-module
AUDIO EN MEDIA
Land/
regio
EU:
Exportland: Japan
Producent: Mitsubishi Electric Corporation
Type uitrusting: Audio Navigation Unit
Mitsubishi Electric Corporation verklaart hierbij dat Audio Navigation Unit voldoet aan de eisen en bepalingen van de Europese richtlijn
1999/5/EG.
}}
493
AUDIO EN MEDIA
||
Land/
regio
China:
1.
■ 使用频率
2.4 - 2.4835 GHz
■ 等效全向辐射
■ 最大
率(EIRP)
率谱密度
天线增益
天线增益
≤100 mW 或≤20 dBm ①
≤20 dBm / MHz(EIRP) ①
■ 载频容限
20 ppm
■ 帯外发射
率(在 2.4-2.4835GHz 頻段以外) ≤-80 dBm / Hz (EIRP)
■ 杂散发射(辐射)
•
•
•
•
•
率(对应载波±2.5 倍信道带宽以外)
≤-36 dBm / 100 kHz (30 - 1000 MHz)
≤-33 dBm / 100 kHz (2.4 - 2.4835 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (3.4 - 3.53 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (5.725 - 5.85 GHz)
≤-30 dBm / 1 MHz (其它 1 - 12.75 GHz)
2.不得擅自更改发射频率
大发射
率(包括额外
3.使用时不得对各种合法的无线电通信业
使用
4.使用微
率无线电设备,必须忍
5.不得在飞机和机场附近使用
494
10dBi 时
10dBi 时
装射频
产生有害干扰
各种无线电业
率放大器),不得擅自外接天线或改用其它发射天线
一旦发现有干扰现象时,应立即停止使用,并采
的干扰或工业
科学及医疗应用设备的辐射干扰
措施消除干扰后方可继续
AUDIO EN MEDIA
Land/
regio
Korea:
B 급 기기 (가정용 방송통신기자재)
이 기기는 가정용(B 급) 전자파적합기기로서 주로
가정에서 사용하는 것을
적으로 하며,
든
지역에서 사용할 수 있습니다.
해당 무선설비는 전파혼신 가능성이 있으므로 인명안전과 관련된 서비스는 할 수 없습니다.
Taiwan:
低功率電波輻射性電機管理辦法
第十二條
經型式認證合格之低功率射頻電機,非經許可,公司
變更頻率
商號或使用者均不得擅自
加大功率或變更原設計之特性及功能
第十四條
低功率射頻電機之使用不得影響飛航安全及干擾合法通信;經發現有干擾現象時,應
立停用,改善至無干擾時方得繼續使用
電通信
前項合法通信,指依電信法規定作業之無線
低功率射頻電機須忍受合法通信或工業
科學及醫療用電波輻射性電機設備
之干擾
}}
495
AUDIO EN MEDIA
||
Land/
regio
Brazilië:
Este equipamento opera em caráter secundário isto e, náo tem direito a protecão contra interferéncia prejudicial, mesmo tipo, e não pode
causar interferéncia a sistemas operando em caráter primário.
Para consultas, visite: www.anatel.gov.br
Kazachstan:
Modelnaam: NR-0V
Producent: Mitsubishi Electric Corporation
Exportland: Japan
496
AUDIO EN MEDIA
Land/
regio
Mexico:
Verenigde
Arabische
Emiraten:
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Audio en media (p. 450)
Mediaspeler (p. 458)
Connected Car* (p. 481)
Gracenote® (p. 461)
Sensus - connectiviteit en entertainment
(p. 30)
* Optie/accessoire. 497
AUDIO EN MEDIA
Voorwaarden voor diensten en
beleid inzake vertrouwelijkheid van
klantgegevens
Lees de servicevoorwaarden en het beleid
inzake vertrouwelijkheid van klantengegevens
door op support.volvocars.com.
Servicevoorwaarden
Volvo wil u optimale diensten aanbieden om zo
veilig, comfortabel en aangenaam mogelijk in uw
Volvo te kunnen rijden. Volvo stelt een groot
assortiment aan diensten beschikbaar, van hulp
in noodsituaties tot navigatie en diverse infotainmentdiensten.
Lees deze voorwaarden ("servicevoorwaarden")
zorgvuldig door voordat u de diensten gaat
gebruiken - support.volvocars.com.
Beleid inzake vertrouwelijkheid van
klantengegevens
Dit beleid geldt voor de verwerking van klant- en
persoonsgegevens. Doel van het beleid is om
onze huidige, voormalige en potentiële klanten
een algemeen inzicht te geven in:
498
•
de omstandigheden waarin wij uw persoonsgegevens verzamelen en gebruiken
•
de soorten persoonsgegevens die wij verzamelen
•
de redenen waarom wij uw persoonsgegevens verzamelen
•
de manier waarop wij met uw persoonsgegevens omgaan.
Het volledige beleid kunt u doorlezen op
support.volvocars.com.
Gerelateerde informatie
•
Licentieovereenkomst voor audio en media
(p. 488)
•
Licentieovereenkomst voor bestuurdersdisplay (p. 105)
•
Typegoedkeuring voor radarsensoren
(p. 334)
WIELEN EN BANDEN
WIELEN EN BANDEN
Banden
Nieuwe banden
De banden bieden onder meer draagvermogen,
grip op de ondergrond, trillingsdemping en
beschermen de wielen tegen slijtage.
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat,
de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn
belangrijk voor het rijgedrag van de auto.
Slijtage en onderhoud
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op. De rijstijl, de bandenspanning, het
klimaat en de staat van de wegen zijn van invloed
op de snelheid waarmee de banden verouderen
en slijten.
Aanbevolen banden
De auto wordt aangeleverd met originele Volvobanden met het opschrift VOL1 aan de zijkant.
Deze banden zijn zorgvuldig afgestemd op de
auto. Bij het verwisselen van banden is het
daarom belangrijk om erop te letten dat ook de
nieuwe banden voorzien zijn van dit opschrift voor
het behoud van de rijeigenschappen, het rijcomfort en het brandstofverbruik van de auto.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en
neemt de grip op het wegdek stukje bij beetje af.
Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo
nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De laatste cijfers van de
cijferreeks geven de week en het jaar van productie aan. Het is de zogeheten DOT-code
(Department of Transportation) van de band en
bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld 0715. De
band op de afbeelding is de 07e week van het
jaar 2015 geproduceerd.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u door
een vakman laten controleren, ook al zien ze er
intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken
1
500
Voor bepaalde bandenmaten zijn afwijkingen mogelijk.
wordt, als banden zelden of nooit worden
gebruikt. Daarbij kan de werking van de band
worden aangetast. Dit geldt voor alle banden die
u voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is voor
gebruik.
Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en
slijtpatronen in de banden tegen te gaan kunt u
de wielen op de voor- en achteras onderling van
plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na zo'n
5000 km uit en doe dat daarna om de
10.000 km opnieuw.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, als u niet zeker bent
van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in de slijtage (> 1 mm verschil in profieldiepte) van de banden, dienen de minst versleten
banden altijd op de achteras te zitten. Slippende
voorwielen zijn gemakkelijker te corrigeren dan
slippende achterwielen, omdat de auto rechtuit
blijft rijden in plaats van uit te breken met de achterkant waarbij u mogelijk de controle over de
WIELEN EN BANDEN
auto verliest. Daarom is belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de voorwielen grip verliezen.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan voor een oncontroleerbare auto zorgen.
De draairichting van de banden.
N.B.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een bepaalde
richting draaien, staat deze richting aangegeven
met een pijl op de zijkant van de band.
Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde maat
en ook hetzelfde merk voor beide wielparen
hebt.
Gerelateerde informatie
•
Opslag
Banden (p. 500)
Bewaar wielen met omgelegde banden altijd liggend of hangend - nooit staand.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Bandenspanning controleren (p. 502)
De draairichting van de banden. (p. 501)
Slijtage-indicator van banden (p. 502)
Bandenspanningscontrole* (p. 503)
Noodreparatieset voor banden (p. 508)
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Maataanduiding voor banden (p. 522)
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting
hebben. Banden mogen alleen van voor naar
achter verwisseld worden, nooit van links naar
rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd
aanbrengt, nemen de remeigenschappen van de
auto af en kunnen de banden regen, sneeuw en
drab minder goed afvoeren. Monteer de banden
met het diepste profiel altijd op de achteras (om
het gevaar voor slippen te verminderen).
* Optie/accessoire. 501
WIELEN EN BANDEN
Slijtage-indicator van banden
Bandenspanning controleren
De slijtage-indicator geeft de status aan van de
profieldiepte van de band.
Het gebruik van de juiste bandenspanning verhoogt de rijveiligheid, bespaart brandstof en
komt de levensduur van banden ten goede.
Dat de bandenspanning na verloop van tijd daalt
is normaal. De bandenspanning varieert ook
afhankelijk van de omgevingstemperatuur. Een te
lage bandenspanning heeft een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de levensduur van
de banden en de rijeigenschappen van de auto.
Wanneer u met een te lage bandenspanning rijdt,
kunnen de banden oververhit en beschadigd
raken. De bandenspanning is van invloed op het
rijcomfort, de geproduceerde weggeluiden en de
rijeigenschappen.
De slijtage-indicator is een smalle ophoging die
dwars op het bandenprofiel staat. Op de zijkant
van de band staan de letters TWI (Tread Wear
Indicator). De slijtage-indicatoren zijn duidelijk
zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten
is dat slechts 1,6 mm van het profiel over is. Vervang de banden dan zo spoedig mogelijk. Let
erop dat een band met een gering profiel zeer
weinig grip op het wegdek heeft bij regen of
sneeuw.
Banden (p. 500)
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier)
502
Zuiniger rijden met ECO-bandenspanning
Bij een lichte belading (maximaal 3 inzittenden)
en snelheden tot 160 km/h (100 mph) kunt u
voor brandstofbesparing de ECO-bandenspanning aanhouden. Als u echter uit bent op een
minimum aan rijgeluiden en optimaal rijcomfort
wordt geadviseerd de lagere Comfort-bandenspanning aan te houden.
Bandenspanning controleren
1.
Controleer iedere maand de bandenspanning. Voer de controle uit bij koude banden,
wat betekent dat de banden even koud/
warm zijn als hun omgeving. Al na enkele
kilometers rijden worden de banden warm en
loopt de spanning op.
2.
Vul zo nodig lucht bij zodat de bandenspanning overeenkomt met de goedgekeurde
bandenspanning op de bandenspanningssticker.
Aanbevolen bandenspanning
Gerelateerde informatie
•
staat de juiste bandenspanning voor uw auto
aangegeven bij verschillende belading en snelheid.
WIELEN EN BANDEN
N.B.
Bandenspanningscontrole*
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
Het bandenspanningscontrolesysteem Indirect
Tyre Pressure Monitoring System (ITPMS) waarschuwt u met een controlesymbool op het
bestuurdersdisplay voor een te lage bandenspanning in één of meer banden van de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
Banden (p. 500)
Controleer de bandenspanning met het bandenspanningscontrolesysteem*. (p. 505)
•
Band oppompen met de compressor uit de
noodreparatieset voor banden (p. 513)
•
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 599)
Bij een te lage bandenspanning gaat het controlelampje voor een lage bandenspanning op het
bestuurdersdisplay branden en er verschijnt een
melding, zie ook onder de rubriek "Melding op
bestuurdersdisplay" verderop.
Als het symbool eerst ongeveer één minuut knippert en vervolgens constant gaat branden, kan
dat komen doordat het systeem niet in staat is
om een te lage bandenspanning te detecteren of
ervoor te waarschuwen.
Symbool
Betekenis
•
Het symbool brandt bij een te
lage bandenspanning.
•
Het symbool knippert eerst
ongeveer één minuut en
brandt daarna continu bij een
storing in het iTPMS.
Systeembeschrijving
Het iTPMS meet met behulp van het ABS de verschillen in de omwentelingssnelheid van de verschillende wielen om zo te kunnen bepalen of de
bandenspanning in orde is. Bij een te geringe
bandenspanning verandert de diameter en daarmee ook de rotatiesnelheid van de band. Aan de
hand van onderlinge vergelijkingen kan het systeem vaststellen of de spanning in een of meer
banden te gering is.
}}
* Optie/accessoire. 503
WIELEN EN BANDEN
||
Algemene informatie over
bandenspanningscontrolesystemen
In de onderstaande informatie wordt het bandenspanningscontrolesysteem aangeduid met de
algemene benaming TPMS.
Iedere band, ook de reserveband*, moet elke
maand gecontroleerd worden. Bij controle moet
de band koud zijn en de bandenspanning hebben
die door de autofabrikant wordt aanbevolen op
de bandenspanningssticker of in de bandenspanningstabel. Als de auto banden heeft met een
andere maat dan de maat die door de fabrikant
wordt aanbevolen, moet u uitzoeken wat voor
deze banden het juiste bandenspanningsniveau
is.
Als extra veiligheidsmaatregel is de auto voorzien
van een bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS) dat aangeeft wanneer de bandenspanning in een of meer banden te laag is. Als het
controlesymbool voor een lage bandenspanning
gaat branden, moet u zo snel mogelijk stoppen,
de banden controleren en de banden oppompen
tot de juiste spanning.
Rijden op banden met een te lage bandenspanning kan ertoe leiden dat de banden oververhit
raken, waardoor de banden lek kunnen raken.
Door een lage bandenspanning gaat u ook minder zuinig rijden en gaan de banden minder lang
mee én het kan gevolgen hebben voor de rijeigenschappen van de auto en het vermogen om
tot stilstand te komen. Let erop dat TPMS geen
504
vervanging is voor normaal bandenonderhoud. De
bestuurder is ervoor verantwoordelijk dat de bandenspanning correct is, óók als de grenswaarde
voor lage bandenspanning niet is bereikt en het
controlesymbool daardoor nog niet is gaan branden.
De auto is ook voorzien van een indicator voor
storingen in het TPMS. Deze geeft aan wanneer
het systeem niet correct werkt. De indicator voor
storingen in het TPMS is gecombineerd met het
controlesymbool voor een lage bandenspanning.
Als het systeem een storing detecteert, gaat het
symbool op het bestuurdersdisplay circa één
minuut knipperen om vervolgens te blijven branden. Dit wordt telkens herhaald als de auto wordt
gestart tot de storing is verholpen. Als het symbool brandt, kan dat gevolgen hebben voor het
vermogen van het systeem om lage bandenspanning te detecteren en ervoor te waarschuwen.
Storingen in het TPMS kunnen diverse oorzaken
hebben zoals het gebruik van een reservewiel of
andere banden of wielen, waardoor het TPMS
niet goed kan functioneren.
Controleer altijd het controlesymbool voor het
TPMS nadat u een of meer banden hebt vervangen om er zeker van te zijn dat de nieuwe band
of het nieuwe wiel goed werkt in combinatie met
het TPMS.
Melding op bestuurdersdisplay
De volgende meldingen kunnen verschijnen in
combinatie met een brandend controlesymbool:
• Bandenspanning laag Controleer de
banden, kalibreer na vullen
• Bandenspanningssyst. Tijdelijk niet
beschikbaar
• Bandenspanningssyst. Service vereist.
Als het systeem niet kan vaststellen welke band
een lage bandenspanning heeft, verschijnt op het
middendisplay een aanduiding voor alle vier de
banden.
Waar u op moet letten
•
Kalibreer het systeem altijd na het verwisselen van wielen of het aanpassen van de bandenspanning. Zie de bandenspanningssticker
op de portierstijl aan bestuurderszijde voor
de bandenspanning die Volvo adviseert.
•
Ook mét dit systeem moet u het normale
onderhoud aan de banden blijven plegen.
•
Het iTPMS is niet uit te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Banden (p. 500)
Controleer de bandenspanning met het bandenspanningscontrolesysteem*. (p. 505)
•
Bandenspanningscontrolesysteem* kalibreren (p. 507)
•
Lage bandenspanning verhelpen bij een auto
met bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 506)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Controleer de bandenspanning met
het
bandenspanningscontrolesysteem*.
Alle banden grijs:
•
•
Met het bandenspanningscontrolesysteem,
Indirect Tyre Pressure Monitoring System
(ITPMS), kunt u op het middendisplay de bandenspanningsstatus bekijken.
Alle banden grijs en een melding:
• Bandenspanningssyst. Tijdelijk niet
Open de app Auto status op het appscherm.
beschikbaar. Het controlesymbool knippert
en gaat na zo'n 1 minuut constant branden.
Het systeem is tijdelijk niet beschikbaar,
maar wordt spoedig geactiveerd.
Statusscherm2.
Groene band:
•
2.
Druk op Status om de status van de banden
te bekijken.
Statusindicatie
De grafische voorstelling geeft de status aan van
alle banden.
De bandenspanning is hoger dan de grenswaarde voor een waarschuwing.
• Bandenspanningssyst. Service vereist.
Het controlesymbool knippert en gaat na
zo'n 1 minuut constant branden. Het systeem werkt niet goed, neem contact op met
een erkende Volvo-werkplaats (wordt geadviseerd).
Gele band:
•
De bandenspanning is te laag. Stop onmiddellijk om de bandenspanning te controleren/corrigeren. Kalibreer het iTPMS na aanpassing van de bandenspanning.
Alle banden geel:
•
2
Status onbekend.
U moet mogelijk enkele minuten rijden op snelheden hoger dan 30 km/h (20 mph) om het systeem te activeren.
Status controleren
1.
Kalibratie loopt.
De bandenspanning van twee of meer banden is te gering. Stop onmiddellijk om de
bandenspanningswaarden te controleren/
corrigeren. Kalibreer het iTPMS na aanpassing van de bandenspanning.
Gerelateerde informatie
•
•
Bandenspanningscontrole* (p. 503)
Bandenspanningscontrolesysteem* kalibreren (p. 507)
•
Lage bandenspanning verhelpen bij een auto
met bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 506)
•
Autostatus (p. 526)
De afbeelding is schematisch. Afhankelijk van de softwareversie en het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire. 505
WIELEN EN BANDEN
Lage bandenspanning verhelpen bij
een auto met
bandenspanningscontrolesysteem*
2.
Wanneer het bandenspanningscontrolesysteem,
Indirect Tyre Pressure Monitoring System
(ITPMS), waarschuwt, is de bandenspanning in
een of meer banden van de auto te laag.
Pomp de banden op tot de juiste spanning,
volgens de bandenspanningssticker aan de
binnenkant van de portierstijl aan bestuurderszijde.
N.B.
Controleer de bandenspanning bij koude banden om de verkeerde bandenspanning tegen
te gaan. Koude banden hebben dezelfde temperatuur als de omgeving (na ca. 3 uur stilstand). Al na enkele kilometers rijden worden
de banden warm en loopt de spanning op.
Controleer de bandenspanning en corrigeer deze zo nodig, wanneer het controlesymbool voor iTPMS gaat branden
en de melding Bandenspanning laag
verschijnt. Kalibreer het iTPMS na aanpassing
van de bandenspanning.
1.
N.B.
Controleer de bandenspanning van alle vier
de wielen met een manometer.
3.
Herkalibreer het iTPMS, zie het artikel "Bandenspanningscontrolesysteem kalibreren".
4.
Om het iTPMS-symbool en de melding te
laten verdwijnen moet u soms enkele minuten in de auto rijden op een snelheid hoger
dan 30 km/h (20 mph).
Let erop dat het iTPMS-symbool niet verdwijnt, voordat de geringe bandenspanning is
verholpen en een nieuwe kalibratie is verricht.
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
WAARSCHUWING
•
Een verkeerde bandenspanning kan tot
bandenpech leiden, waarbij u de controle
over de auto kunt verliezen.
•
Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
Gerelateerde informatie
•
•
506
•
Bandenspanningscontrole* (p. 503)
Controleer de bandenspanning met het bandenspanningscontrolesysteem*. (p. 505)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
•
Bandenspanningscontrolesysteem* kalibreren (p. 507)
Bandenspanningscontrolesysteem*
kalibreren
•
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 599)
•
Band oppompen met de compressor uit de
noodreparatieset voor banden (p. 513)
Het Indirect Tyre Pressure Monitoring System
(ITPMS) kan alleen correct werken, wanneer er
een referentiewaarde voor de bandenspanning
is vastgesteld. Dit moet na iedere bandenwissel
of wijziging in de bandenspanning gebeuren.
Zo moet u de bandenspanning afstemmen op de
door Volvo geadviseerde bandenspanningswaarden bij ritten met een zware lading of op hoge
snelheden (meer dan 160 km/h (100 mph)).
Herkalibreer het systeem vervolgens.
1.
Zet de motor af.
2.
Pomp de banden op tot de gewenste spanning, volgens de bandenspanningssticker aan
de binnenkant van de portierstijl aan bestuurderszijde.
3.
Start de motor.
4.
Open de app Auto status op het appscherm.
5.
Druk op Status om de bandenspanningscontrole te zien.
N.B.
De auto moet stilstaan bij het starten van de
kalibratie.
6.
Druk op Kalibreren.
7.
Druk op OK om te bevestigen dat u de bandenspanning van alle vier de wielen hebt
gecontroleerd en aangepast.
}}
* Optie/accessoire. 507
WIELEN EN BANDEN
||
8.
Rijd met de auto.
De kalibratie vindt plaats tijdens het rijden.
Als de motor wordt afgezet, wordt de kalibratie tijdelijk onderbroken. Wanneer de auto
weer verder rijdt, wordt de kalibratie automatisch hervat.
> Wanneer het systeem voldoende gegevens heeft verzameld om een geringe
bandenspanning te kunnen detecteren,
verandert de kleur van de banden op het
middendisplay van grijs in groen. Het systeem geeft na afloop van de kalibratie
geen bevestiging.
Als de kalibratie mocht mislukken, verschijnt de melding Kalibreren niet
gelukt. Probeer opnieuw.
N.B.
Let erop dat u het TPMS na iedere bandenwissel of aanpassing van de bandenspanning
opnieuw moet instellen. Voor de juiste werking van het systeem moeten nieuwe referentiewaarden worden opgeslagen.
Gerelateerde informatie
•
•
Bandenspanningscontrole* (p. 503)
Controleer de bandenspanning met het bandenspanningscontrolesysteem*. (p. 505)
•
Lage bandenspanning verhelpen bij een auto
met bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 506)
Noodreparatieset voor banden
U gebruikt de noodreparatieset voor banden,
Temporary Mobility Kit (TMK), om een lek in een
band tijdelijk af te dichten én om de bandenspanning te controleren en zo nodig aan te passen.
De noodreparatieset voor banden bestaat uit een
compressor en een bus met afdichtmiddel. Het
afdichtmiddel dient om noodreparaties uit te voeren. Het afdichtmiddel dicht banden met een lek
in het loopvlak effectief af.
De noodreparatieset voor banden leent zich minder goed voor banden met een gat in het zijvlak.
Gebruik de noodreparatieset niet voor banden
met diepe sneeën, barsten of soortgelijke
beschadigingen.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend bedoeld
voor het repareren van banden met een lek in
het loopvlak.
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd.
Positie
De noodreparatieset voor banden zit in het blok
schuimrubber onder de vloer in de bagageruimte.
508
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
WAARSCHUWING
Geldt voor Bi-Fuel*-model
De noodreparatieset voor banden zit achter het
zijluik links in de bagageruimte.
De bus met afdichtmiddel
Vervang de bus met afdichtmiddel voordat de
houdbaarheidsdatum verstreken is en na ieder
gebruik. Behandel de vervangen bus als klein
chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-ethanol en natuurrubberlatex.
•
•
•
•
Gevaarlijk bij inname.
Kan bij huidcontact allergie veroorzaken.
Contact met de huid en ogen vermijden.
•
Wanneer de borgvloeistof op de huid
terechtkomt, moet u de vloeistof met een
ruime hoeveelheid water en zeep verwijderen.
•
Wanneer u afdichtvloeistof in uw oog
krijgt, moet u het oog onmiddellijk uitspoelen met oogdouchevloeistof of een
ruime hoeveelheid water. Laat het oog bij
aanhoudende irritatie nakijken door een
arts.
Noodreparatieset voor banden
gebruiken
Dicht een lek met de noodreparatieset voor banden, Temporary Mobility Kit (TMK).
Overzicht
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden gebruiken
(p. 509)
•
Band oppompen met de compressor uit de
noodreparatieset voor banden (p. 513)
•
Banden (p. 500)
Voedingskabel
Luchtslang
Drukreduceerventiel
Beschermdop
Sticker, toelaatbare maximumsnelheid
Bushouder (oranje deksel)
Manometer
Buiten bereik van kinderen bewaren.
}}
* Optie/accessoire. 509
WIELEN EN BANDEN
||
Bus met afdichtmiddel
2.
Verwijder de sticker met de toegestane maximumsnelheid die aan de ene kant van de
compressor zit. Bevestig de sticker goed
zichtbaar aan de binnenkant van de voorruit
om u eraan te herinneren de toegestane
maximumsnelheid aan te houden. Rijd na
gebruik van de noodreparatieset voor banden
nooit sneller dan 80 km/h (50 mph).
3.
Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de voedingskabel en de luchtslang
erbij.
4.
Schroef het oranje deksel van de compressor
los en draai de drop van de bus.
Knop
Aansluiten
5.
WAARSCHUWING
•
Wanneer de borgvloeistof op de huid
terechtkomt, moet u de vloeistof met een
ruime hoeveelheid water en zeep verwijderen.
•
Wanneer u afdichtvloeistof in uw oog krijgt,
moet u het oog onmiddellijk uitspoelen
met oogdouchevloeistof of een ruime hoeveelheid water. Laat het oog bij aanhoudende irritatie nakijken door een arts.
N.B.
1.
Zet de gevarendriehoek op en schakel de
alarmlichten in, als u een lekke band moet
afdichten langs een drukke weg.
Laat een eventuele spijker of iets dergelijks
in de lekke band zitten. Het lek is zo beter af
te dichten.
Voor het gebruik de verzegeling van de bus
niet verbreken. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
Schroef de bus tot aan de aanslag in de bushouder vast.
> De bus en de bushouder zijn voorzien van
een terugdraaiblokkering om te voorkomen dat er afdichtmiddel weglekt. U kunt
een vastgeschroefde bus niet meer uit de
bushouder losdraaien. De bus is alleen in
een werkplaats te verwijderen; geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
510
WIELEN EN BANDEN
6.
Draai het ventieldopje van de band los.
Controleer of het drukreduceerventiel van de
luchtslang volledig vastgeschroefd is en
schroef de ventielaansluiting tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het
bandventiel.
7.
Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
8.
Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u de compressor
onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat
geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een
erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
N.B.
Zorg er bij een actieve compressor voor dat
geen van de overige 12V-aansluitingen in
gebruik is.
N.B.
Als de compressor start, kan de druk tot 6 bar
toenemen. De druk daalt echter na ca. 30
seconden.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
9.
Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
BELANGRIJK
Laat de compressor niet langer dan
10 minuten achtereen werken – risico van
oververhitting.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning moet minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar bedragen. (Laat eventueel
lucht ontsnappen via het drukreduceerventiel,
als de bandenspanning te hoog is.)
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in dat
geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een
erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
11. Schakel de compressor uit en koppel de voedingskabel los.
12. Schroef de luchtslang los van het bandventiel en plaats het ventieldopje terug op de
band.
13. Plaats de beschermdop op de luchtslang om
te voorkomen dat restanten afdichtmiddel
weglekken.
}}
511
WIELEN EN BANDEN
||
14. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie minstens 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h (50 mph), zodat het afdichtmiddel
de band kan afdichten.
16. Lees de bandenspanning van de manometer
af.
•
N.B.
Tijdens de eerste slagen die de band ronddraait spuit er afdichtvloeistof uit het gat.
WAARSCHUWING
Houd bij het wegrijden omstanders uit de
buurt van de auto om te voorkomen dat ze
afdichtmiddel op zich krijgen. De afstand
moet minimaal twee meter zijn.
15. Controle achteraf
Sluit de luchtslang aan op het bandventiel en
schroef de ventielaansluiting tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het
bandventiel. De compressor moet zijn uitgeschakeld.
•
Bij een spanning lager dan 1,3 bar is de
band niet goed afgedicht. Beëindig in dat
geval de rit. Neem contact op met een
bandenwerkplaats.
Bij een bandenspanning hoger dan 1,3
bar moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven op de
bandenspanningssticker aan de binnenkant van de portierstijl aan bestuurderszijde (1 bar = 100 kPa). Laat bij een te
hoge bandenspanning lucht uit de band
ontsnappen.
17. Als de band moet worden opgepompt:
1. Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
2. Schakel de compressor in en pomp de
band op tot de spanning de bandenspanningssticker.
3. Schakel de compressor uit.
18. Koppel de noodreparatieset voor banden los,
plaats de beschermdop op de luchtslang,
vouw de luchtslang op en plaats deze in de
daarvoor bestemde uitsparing.
Leg de noodreparatieset voor banden (TMK)
in de bagageruimte.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
19. Plaats het ventieldopje terug op de band.
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het vervangen over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
512
WIELEN EN BANDEN
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Volvo adviseert u de auto naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats te rijden om de
beschadigde band te laten vervangen/repareren.
Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er
afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
Rijd na het gebruik van de noodreparatieset
voor banden niet sneller dan 80 km/h
(50 mph). Volvo adviseert een bezoek aan
een erkende Volvo-werkplaats voor een
inspectie van de gerepareerde band (maximaal 200 km rijden). Het personeel kan
bepalen of de band te repareren is of moet
worden vervangen.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden (p. 508)
Band oppompen met de
compressor uit de noodreparatieset
voor banden
De originele banden van de auto zijn op te pompen met de compressor uit de noodreparatieset
voor banden.
1.
De compressor moet zijn uitgeschakeld. Zorg
dat de knop in stand 0 staat en neem de
kabel en de luchtslang erbij.
2.
Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
3.
Sluit de kabel aan op een van de
12V-aansluitingen in de auto en start de
motor.
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor mag
niet langer dan 10 minuten werken.
5.
Pomp de band op tot de spanning die op de
bandenspanningssticker aan de binnenkant
van de portierstijl aan bestuurderszijde staat.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning
te hoog is.)
6.
Schakel de compressor uit. Koppel de luchtslang en de kabel los.
7.
Plaats het ventieldopje terug.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die afgesloten zijn of onvoldoende
ventilatie hebben.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
4.
Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
Gerelateerde informatie
•
•
Noodreparatieset voor banden (p. 508)
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 599)
513
WIELEN EN BANDEN
Bij het verwisselen van wielen
Wielen demonteren
U kunt de wielen vervangen door bijvoorbeeld
winterwielen of een reservewiel.
Instructie voor het demonteren van wielen bij het
verwisselen van wielen.
Neem de desbetreffende instructie in acht voor
het demonteren en monteren van wielen.
1.
Bij montage van een andere
bandenmaat
Controleer of de bandenmaat goedgekeurd is
voor gebruik op de auto.
Neem bij montage van een andere bandenmaat
altijd contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor een update van de software. Bij montage van een grotere of kleinere bandenmaat en
ook bij het vervangen van zomerbanden door winterbanden is mogelijk een update van de software vereist.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
514
Wielen demonteren (p. 514)
2.
Plaats een gevarendriehoek en schakel de
alarmlichten in, als u een wiel moet verwisselen langs een drukke weg.
Haal de parkeerrem aan en schakel stand P
in of schakel de eerste versnelling in bij een
auto met een handgeschakelde versnellingsbak.
WAARSCHUWING
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft en
vrij van vuil is.
3.
Neem de krik*, de wielsleutel* en het demontagegereedschap voor de kunststof wielboutdoppen uit het blok schuimrubber.
Geldt voor auto's met Besturing
niveauregeling*: Bij een auto met luchtvering moet u de luchtvering uitschakelen,
voordat u de auto opneemt met een krik*.
Schakel het systeem uit via het hoofdscherm
van het middendisplay door op Instellingen
My Car Ophanging te drukken en
Niveauregeling uitschakelen te kiezen.
Demontagegereedschap voor kunststof boutafdekkingen.
Wiel monteren (p. 516)
Gereedschapsset (p. 520)
Winterwielen (p. 519)
Reservewiel* (p. 518)
Wielbouten (p. 517)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
N.B.
5.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met een
krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden
opgekrikt of voor langere tijd zoals bij het
onderling roteren van de banden wordt het
gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg
in dat geval de gebruiksaanwijzing van de
desbetreffende krik.
4.
Plaats wielblokken voor en achter de wielen
die op de grond blijven staan. Gebruik daarvoor bijvoorbeeld grote houten blokken of
grote stenen.
Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in
de wielsleutel* vast.
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto.
BELANGRIJK
De ondergrond dient vast en egaal te zijn en
niet te hellen.
8.
BELANGRIJK
Het sleepoog dient volledig in de wielsleutel
te worden gedraaid.
6.
Verwijder de kunststof boutafdekkingen met
het demontagegereedschap.
7.
Draai de wielbouten ½-1 slag linksom los
met de wielsleutel*.
Bij het opnemen van de auto is het belangrijk
dat u de krik* of de dragerarmen onder de
voorziene steunpunten in het onderstel van
de auto plaatst. Driehoekige markeringen op
de kunststof afdekking geven aan waar de
kriksteunpunten/hefpunten zitten. Er zitten
aan beide zijden van de auto twee kriksteunpunten. Bij elk steunpunt zit een uitsparing
voor de krik.
}}
* Optie/accessoire. 515
WIELEN EN BANDEN
||
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op een krik
staat.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat. Bij het verwisselen van
een wiel langs de kant van de weg moeten
eventuele passagiers op een veilige plek gaan
staan.
9.
Breng de krik* omhoog, zodat deze in contact
komt met het kriksteunpunt van de auto.
Controleer of de kop van de krik juist in het
steunpunt is geplaatst, zodat de verhoging in
het midden van de kop in de opening in het
steunpunt past en of de voet loodrecht onder
het steunpunt staat. Let ook op dat u de krik
zo draait dat de slinger zo ver mogelijk van de
zijkant van de auto komt. De armen van de
krik staan dan haaks op de rijrichting van de
auto.
516
Neem de auto zo ver op dat het wiel van de
grond komt. Verwijder de wielbouten en til
het wiel eraf.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 514)
Auto opnemen (p. 533)
Wiel monteren
Instructie voor het monteren van wielen bij het
verwisselen van wielen.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op een krik
staat.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat. Bij het verwisselen van
een wiel langs de kant van de weg moeten
eventuele passagiers op een veilige plek gaan
staan.
1.
Reinig de contactvlakken tussen het wiel en
de naaf.
2.
Breng het wiel aan. Haal de wielbouten stevig aan.
Wiel monteren (p. 516)
Gereedschapsset (p. 520)
Gebruik geen smeermiddel op de draadwindingen van de wielbouten.
3.
Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
4.
Draai de wielbouten kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielbouten stevig aanhaalt. Haal aan met 140 Nm. Controleer het
aanhaalkoppel met een momentsleutel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Wielen demonteren (p. 514)
Bij het verwisselen van wielen (p. 514)
Wielbouten
De wielen zitten met wielbouten op de naven
vast.
Reservewiel* (p. 518)
BELANGRIJK
U dient de wielbouten aan te halen met 140
Nm. Als u ze te strak of niet strak genoeg
aanhaalt, kan de boutverbinding beschadigd
raken.
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd
zijn door Volvo en deel uitmaken van de originele
accessoires van Volvo.
Controleer met een momentsleutel het aanhaalkoppel van de wielbouten.
5.
Plaats de kunststof doppen terug op de wielbouten.
N.B.
•
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
Gebruik geen smeermiddel op de draadwindingen van de wielbouten.
Afsluitbare wielbouten*
In het blok schuimrubber onder de vloer in de
bagageruimte is ruimte om de dop voor de
afsluitbare wielbouten in op te bergen.
Gerelateerde informatie
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 514)
* Optie/accessoire. 517
WIELEN EN BANDEN
Reservewiel*
Het reservewiel van het type Temporary spare is
te gebruiken voor tijdelijke vervanging van een
standaardwiel met een lekke band.
Het reservewiel is kleiner dan het gewone wiel.
Dit heeft gevolgen voor de bodemspeling van de
auto. Wees voorzichtig bij hoge trottoirbanden en
reinig de auto niet in een autowasstraat.
Lekke band plaatsen
1.
Leg de stukken gereedschap terug in het
blok schuimrubber en til het schuimrubber
terug in de auto.
•
Neem de bandenspanning in acht die de
fabrikant van het reservewiel adviseert.
2.
•
Bij vierwielaangedreven auto's is de achterwielaandrijving uit te schakelen.
Zet het blok schuimrubber vast met de
bevestigingsbout en klap daarna de laadvloer
omlaag.
•
3.
Leg de lekke band in de bagageruimte.
Als het reservewiel op de vooras zit, kunt u
geen sneeuwkettingen omleggen.
Gerelateerde informatie
•
Het reservewiel mag niet worden gerepareerd.
BELANGRIJK
De afbeelding is schematisch – de vorm van het blok
schuimrubber kan verschillen afhankelijk van het model.
Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag in
de ruimte voor het reservewiel. Dezelfde doorloopbout waarmee het blok schuimrubber vastzit,
houdt ook het reservewiel in positie. Het blok
schuimrubber bevat al het gereedschap voor het
verwisselen van banden, zie het artikel "Gereedschapsset".
De rijeigenschappen van de auto kunnen zich wijzigen bij het gebruik van een compact reservewiel. Vervang het reservewiel dan ook zo spoedig
mogelijk weer door een standaardwiel.
518
•
Rijd met een reservewiel op de auto nooit
sneller dan 80 km/h (50 mph).
•
Rijd nooit met de auto, als deze is voorzien van meer dan één reservewiel van
het type "Temporary Spare".
•
•
•
•
Wielen demonteren (p. 514)
Wiel monteren (p. 516)
Gereedschapsset (p. 520)
Krik* (p. 521)
Reservewiel tevoorschijn halen
1.
Pak vloer in de bagageruimte aan de achterzijde beet en klap deze naar voren toe
omhoog.
2.
Draai de bevestigingsbout los.
3.
Til het blok schuimrubber met het gereedschap erin uit de auto.
4.
Til het reservewiel uit de auto.
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Winterwielen
Profieldiepte
Winterwielen zijn aangepast voor winterse
omstandigheden.
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van de
motorvariant. Gebruik altijd het juiste type winterbanden op alle vier de wielen.
N.B.
Informeer bij een Volvo-dealer naar de
geschiktste velgen en banden.
Tips bij het monteren van winterbanden
Noteer bij het vervangen van de zomerbanden
door winterbanden of andersom op de banden
aan welke kant ze zaten: bijvoorbeeld L voor links,
R voor rechts.
Banden met “spikes”
WAARSCHUWING
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of
vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen. Alleen enkelzijdige sneeuwkettingen zijn toegestaan.
Sneeuwkettingen
Volvo adviseert u om bij twijfel over het juiste
type sneeuwketting contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde
sneeuwketting kan ernstige schade aan de
auto veroorzaken en aanleiding geven tot een
ongeluk.
Volvo adviseert om geen sneeuwkettingen te
gebruiken bij bandenmaten van meer dan
18 inch.
De montage-instructies worden bij originele
sneeuwkettingen van Volvo meegeleverd in de
verpakking.
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor modellen met voorwielaandrijving). Rijd met sneeuwkettingen nooit sneller dan 50 km/h (30 mph). Rijd
evenmin op sneeuwvrije wegen, omdat zowel de
sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten.
Gerelateerde informatie
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 514)
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat de
“spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo gaan
de banden en vooral de “spikes” langer mee.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het gebruik
van banden met spikes verschillen per land.
519
WIELEN EN BANDEN
Gereedschapsset
In de bagageruimte van de auto ligt gereedschap dat bijvoorbeeld bij slepen of bij het verwisselen van een wiel kan worden gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 514)
Krik* (p. 521)
Gevarendriehoek (p. 520)
EHBO-set (p. 522)
Gevarendriehoek
Gebruik de gevarendriehoek om medeweggebruikers te waarschuwen, als u onderweg met
pech stil komt te staan.
Activeer ook de alarmlichten.
Opbergmogelijkheid
De gevarendriehoek zit achter het binnenpaneel
op de achterklep.
Gevarendriehoek opzetten
In het blok schuimrubber onder de vloer in de
bagageruimte ligt het sleepoog van de auto, een
noodreparatieset voor banden, gereedschap om
de kunststof doppen van de wielbouten te verwijderen en de dop voor de afsluitbare wielbouten.
Bij een auto met reservewiel* treft u ook een
krik* aan, een wielsleutel* en een verpakking*
met wegwerphandschoenen plus een opbergzak
voor de lekke band.
Geldt voor Bi-Fuel*-model
De gereedschapsset zit achter het zijluik links in
de bagageruimte.
520
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Krik*
Gebruik de krik om de auto op te heffen om bijvoorbeeld een wiel te verwisselen.
Gebruik alleen de originele krik bij vervangen
door het reservewiel of bij wisselen tussen
zomer- en winterbanden. Houd de schroef van de
krik altijd goed ingevet.
Haal het binnenpaneel op de achterklep los
door eerst de twee draaiknoppen een kwartslag te draaien en vervolgens het paneel los
te haken. Leg het paneel opzij.
Open de borging en verwijder de houder.
Haal de gevarendriehoek uit de houder, klap
de gevarendriehoek uit en zet de uiteinden in
elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek
uit.
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op om
achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
Zorg er na gebruik voor dat de gevarendriehoek
en de houder goed vastzitten in hun opbergruimte en dat de klep helemaal dichtstaat.
Gerelateerde informatie
•
•
Gereedschapsset (p. 520)
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor
bestemde plaats in de bagageruimte wanneer
u ze niet nodig hebt.
Geldt voor auto's met niveauregeling*
Bij een auto met luchtvering moet u de luchtvering uitschakelen, voordat u de auto met de krik
opneemt.
Schakel de luchtvering uit via het middendisplay:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Niveauregeling uitschakelen.
Ophanging .
Gerelateerde informatie
•
•
Gereedschapsset (p. 520)
Auto opnemen (p. 533)
De krik past alleen als deze tot in de juiste stand
omlaaggedraaid wordt.
N.B.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met een
krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden
opgekrikt of voor langere tijd zoals bij het
onderling roteren van de banden wordt het
gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg
in dat geval de gebruiksaanwijzing van de
desbetreffende krik.
Alarmlichten (p. 149)
* Optie/accessoire. 521
WIELEN EN BANDEN
EHBO-set
Maataanduiding voor wielen
Maataanduiding voor banden
De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen
van eerste hulp.
Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals in
de onderstaande tabel.
Aanduidingen voor de afmetingen, lastindex en
snelheidsklasse van de banden.
Bewaar de EHBO-set in de ruimte rechts in de
bagageruimte.
Alle wielen hebben een bepaalde maataanduiding, bijvoorbeeld: 8,5Jx19x47,5.
De typegoedkeuring van de auto geldt in combinatie met bepaalde wielen en banden.
Gerelateerde informatie
•
Gereedschapsset (p. 520)
8,5
Velgbreedte in inch
Maataanduiding
J
Profiel velgrand
Alle banden hebben een bepaalde maataanduiding, bijvoorbeeld: 255/40 R19 100 W.
19
Velgdiameter van de band
47,5
Bolling in mm (afstand tussen de verticale aslijn door het wiel en het contactvlak met de naaf)
De typegoedkeuring van de auto geldt in combinatie met bepaalde wielen en banden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
255
Breedte van de band (mm)
40
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
19
Velgdiameter van de band
100
Aanduiding van het draagvermogen van
de band, lastindex (LI)
W
Aanduiding van de snelheidslimiet van
de band, snelheidsklasse (SS). (In het
gegeven geval 270 km/h (168 mph).)
Banden (p. 500)
Maataanduiding voor banden (p. 522)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 596)
Lastindex
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen,
wat wordt aangeduid met de lastindex (LI). Het
gewicht van de auto bepaalt het draagvermogen
van de banden. De toelaatbare minimumindex
staat in de lastindextabel.
522
WIELEN EN BANDEN
Snelheidsklasse
Elke band is berekend op een bepaalde maximumsnelheid. De snelheidsklasse, SS (Speed
Symbol), van de banden moet minimaal overeenkomen met de topsnelheid van de auto. In onderstaande tabel staat welke toelaatbare maximumsnelheid voor de verschillende snelheidsklassen
(SS) geldt. De enige uitzondering hierop vormen
winterbanden3, waarvoor een lagere snelheidsklasse gebruikt mag worden. Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor klasse Q geldt bijvoorbeeld een
maximumsnelheid van 160 km/h (100 mph).) De
gesteldheid van het wegdek is bepalend voor de
maximumsnelheid en niet de snelheidsklasse op
de banden.
N.B.
In de tabel staat de maximaal toegestane
snelheid.
3
Q
160 km/h (100 mph) (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h (118 mph)
H
210 km/h (130 mph)
V
240 km/h (149 mph)
W
270 km/h (168 mph)
Y
300 km/h (186 mph)
WAARSCHUWING
De minimaal toelaatbare lastindex (LI) en de
snelheidsklasse (SS) van de banden op auto's
met de verschillende motorvarianten vindt u in
de tabel "Lastindex en snelheidsklasse". Bij
gebruik van banden met een te lage lastindex
of snelheidsklasse kunnen de banden oververhit en beschadigd raken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden (p. 500)
Maataanduiding voor wielen (p. 522)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 596)
•
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 599)
•
Lastindex en snelheidsklasse (p. 598)
Onder winterbanden worden zowel banden met als zonder "spikes" verstaan.
523
ONDERHOUD EN SERVICE
ONDERHOUD EN SERVICE
Serviceprogramma van Volvo
Autostatus
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die
omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo.
De algehele status van de auto kan worden
weergegeven op het middendisplay, terwijl ook
afspraken voor service kunnen worden gemaakt.
Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen beschikken
over het personeel, het speciale gereedschap en
de servicehandboeken waardoor zij u een zo
hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Om de garantie van Volvo te laten gelden,
moet u het Service- en garantieboekje controleren en volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
1
2
526
Onderhoud aan klimaatregeling (p. 541)
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie (p. 526)
De app Auto status start u
vanaf het appscherm op het
middendisplay. De app heeft
drie tabs:
• Berichten - opgeslagen statusmeldingen
• Status - controleren van bandenspanning en
motoroliepeil
• Afspraken - afspraken maken voor servicebeurten en reparatie.
Gerelateerde informatie
•
Meldingen opgeslagen vanuit het bestuurders- en middendisplay hanteren (p. 115)
•
Controleer de bandenspanning met het bandenspanningscontrolesysteem*. (p. 505)
•
•
Afspraak maken voor servicebeurt
en reparatie1
Informatie over geplande afspraken voor service
en reparatie bekijken vanuit een Connected Car.
De informatie wordt verwerkt in de app Auto
status, die u opent vanaf het appscherm op het
middendisplay.
Deze dienst vormt voor bepaalde markten een
handige manier om rechtstreeks vanuit de auto
een afspraak voor service of reparatie te maken.
De autogegevens worden doorgestuurd naar uw
dealer ter voorbereiding op het werkplaatsbezoek. U krijgt van de dealer dan een boekingsvoorstel. Op bepaalde markten herinnert het systeem u tijdig aan geplande afspraken en het navigatiesysteem2 kan bovendien in routebegeleiding
naar de werkplaats voorzien. U kunt in de auto
ook beschikken over informatie over uw dealer.
Ook kunt u op elk gewenst moment contact
opnemen met uw werkplaats.
Motorolie controleren en bijvullen (p. 538)
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie (p. 526)
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor Sensus Navigation*.
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Voordat de dienst te gebruiken is
Volvo ID
• Maak een Volvo ID aan, zie het artikel "Volvo
ID".
•
Registreer de Volvo ID voor de auto, zie het
artikel "Volvo ID". Als er al een Volvo ID is,
gebruikt u hetzelfde e-mailadres als bij het
aanmaken van het Volvo ID.
Ander contactadres
Als u een ander e-mailadres wilt opgeven, kunt u
dit doen door contact op te nemen met een
Volvo-dealer.
Volvo-dealer kiezen
Kies de Volvo-dealer waar u contact mee wilt
opnemen voor service en reparaties door naar
www.volvocars.com te gaan en daar verder te
navigeren naar My Volvo.
Voorwaarden voor het maken van afspraken
vanuit de auto
Om afspraakinformatie te kunnen uitwisselen
vanuit de auto moet de auto een internetverbinding hebben, zie het artikel "Connected Car".
aantal uren dat de motor gedraaid heeft of het
aantal gereden kilometers sinds de laatste servicebeurt.
U kunt een werkplaatsbezoek ook later inplannen
via de webportal My Volvo. Om te zorgen dat uw
dealer de laatste informatie over uw auto krijgt,
kunt u de autogegevens doorsturen. Zie het artikel "Autogegevens sturen" hieronder.
Connected Service Booking
Vul een boekingsaanvraag in, wanneer u dat wilt
of wanneer op het bestuurdersdisplay en boven
op het middendisplay de melding verschijnt dat
service of reparatie vereist is.
7.
Open de app Auto status vanuit het appscherm op het middendisplay.
Dienst gebruiken
2.
Druk op de knop Afspraken.
Wanneer het tijd is voor service en in sommige
gevallen ook wanneer de auto aan reparatie toe
is, verschijnt een melding op het bestuurdersdisplay en op het middendisplay. Het tijdstip voor
service wordt bepaald door de verstreken tijd, het
3.
Druk op de knop Afspraak aanvragen.
4.
Zorg ervoor dat u het juiste Volvo-id invult.
5.
Zorg ervoor dat u de gewenste Dealer invult.
Het tijdsbestek kan per markt verschillen.
Geef informatie voor de werkplaats aan in
het veld Informatie voor de werkplaats,
bijvoorbeeld of er iets is dat u tijdens het
bezoek aan de werkplaats wilt laten doen of
andere belangrijke informatie voor uw werkplaats.
U kunt ook op de knop drukken en uw gegevens dicteren. De gedicteerde gegevens verschijnen dan in het informatieveld van de
boekingsaanvraag.
Boekingsaanvraag invullen en versturen
1.
3
6.
Druk op de knop Afspraakverzoek
verzenden.
> U krijgt binnen enkele dagen een boekingsvoorstel3. U krijgt dezelfde informatie
ook via e-mail toegezonden en de informatie is ook te bekijken op My Volvo.
Als u de boekingsaanvraag hebt verstuurd, verdwijnt voor bepaalde markten
de melding dat de auto service nodig
heeft van het bestuurdersdisplay.
8.
Druk op de knop Verzoek annuleren als u
de aanvraag wilt annuleren.
}}
527
ONDERHOUD EN SERVICE
||
De boekingsaanvraag bevat autogegevens wanneer deze via uw internetverbinding vanaf de auto
naar de werkplaats wordt verzonden. Met deze
informatie kan de werkplaats de aanvraag
gemakkelijker inplannen.
Voorstel voor afspraak accepteren
De auto haalt het boekingsvoorstel op via uw
internetverbinding wanneer het beschikbaar is.
Wanneer de auto een boekingsvoorstel heeft
ontvangen, verschijnt een melding boven aan het
middendisplay.
1.
Druk op de melding.
2.
Als het voorstel u schikt, drukt u op de knop
Accepteren. Zo niet, druk dan op knop
Nieuw voorstel of knop Afwijzen.
Bij acceptatie van een boekingsvoorstel wordt de
reactie via uw internetverbinding naar de werkplaats gestuurd.
Autogegevens sturen
U kunt op elk gewenst moment autogegevens
vanuit de auto verzenden, bijvoorbeeld als u
rechtstreeks via de webportal My Volvo een
afspraak bij de werkplaats maakt. Uw werkplaats
beschikt dan over betere uitgangsinformatie.
De autogegevens die verstuurd worden zijn de
laatst opgeslagen gegevens (de vorige keer dat
de auto was ingeschakeld).
2
4
528
1.
Open de app Auto status vanuit het appscherm op het middendisplay.
2.
Druk op de knop Afspraken.
3.
Druk op de knop Autodata verzenden.
> Boven aan het middendisplay verschijnt
een melding dat er autogegevens worden
verzonden. U kunt de gegevensoverdracht
annuleren door op het kruisje in de activiteitsindicator te drukken.
De autogegevens worden verzonden via
uw internetverbinding.
Zie werkplaatsgegevens
1.
Open de app Auto status vanuit het appscherm op het middendisplay.
2.
Druk op de knop Afspraken.
3.
Druk op de knop Werkplaatsinformatie.
> Er wordt een pop-upvenster geopend met
informatie over uw dealer.
4.
Bel desgewenst uw dealer of druk op het
adres of de gps-coördinaten voor routebegeleiding naar de werkplaats2.
Afspraakinformatie en autogegevens
Bij het maken van een afspraak voor een servicebeurt of het verzenden van autogegevens vanuit
uw auto worden boekingsinformatie en autogegevens verzonden via uw internetverbinding. Aan
de hand van de autogegevens kan de werkplaats
zich beter voorbereiden op uw bezoek.
De autogegevens bestaan uit gegevens op de
volgende gebieden:
•
•
•
•
•
•
•
•
servicebehoefte
tijd sinds laatste servicebeurt
functiestatus
vloeistofpeilen
kilometerstand
identificatienummer van de auto (VIN4)
softwareversie van de auto
diagnosegegevens van de auto.
Geldt voor Sensus Navigation*.
Vehicle Identification Number.
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Gerelateerde informatie
•
•
•
Volvo ID (p. 24)
Connected Car* (p. 481)
Autostatus (p. 526)
Inspectie en onderhoud van het
autogassysteem*5
Het autogassysteem moet regelmatig worden
geïnspecteerd door een erkende werkplaats.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Externe updates
Meerdere systemen in de auto kunnen worden
bijgewerkt vanaf het middendisplay bij een Connected Car.
De app Download Center
start u vanaf het appscherm op
het middendisplay. Met de app
kunt u:
WAARSCHUWING
Het is samengeperst onder een hoge druk.
Service en reparatie aan het systeem mogen
uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
Probeer de CNG-installatie en/of de bijbehorende onderdelen onder geen beding te
demonteren of aan te passen – er bestaat
anders groot gevaar voor lichamelijk letsel.
•
•
•
systeemsoftware zoeken en bijwerken
kaartgegevens bijwerken voor Sensus
Navigation*
apps downloaden, bijwerken en verwijderen.
Gerelateerde informatie
•
•
5
Systeemupdates (p. 530)
Apps downloaden, bijwerken of verwijderen
(p. 487)
Geldt voor een Bi-Fuel-model.
* Optie/accessoire. 529
ONDERHOUD EN SERVICE
Systeemupdates
Systeemupdates hebben betrekking op die
delen van de auto die te maken hebben met de
internetverbinding en infotainment. Als er updates van systeemsoftwareproducten beschikbaar
zijn, zijn de updates allemaal tegelijk of één voor
één uit te voeren.
Systeemupdates zijn te hanteren via de app Download
Center op het applicatiescherm van het middendisplay.
Bij een druk op de knop verschijnt een downloadapplicatie
op het onderste deelscherm
van het homescherm. Als er sinds het laatste
gebruik van het infotainmentsysteem geen controle op beschikbare updates is verricht, gaat de
controle alsnog van start. Er vindt geen controle
plaats tijdens het installeren van software. Een
pictogram op de knop Systeem-updates van de
downloadapplicatie geeft aan hoeveel updates er
beschikbaar zijn. Bij een druk op de knop verschijnt een lijst met de updates die u in de auto
kunt installeren. Ga voor meer informatie en antwoorden op veelgestelde vragen over de werking
en voor het downloaden van bepaalde systeemupdates naar support.volvocars.com.
Om systeemupdates te kunnen verrichten moet
de auto een internetverbinding hebben, zie het
artikel "Connected Car".
530
Controleren op beschikbare software-updates is
geactiveerd bij aflevering vanuit de fabriek.
Afzonderlijk systeemsoftwareproduct
bijwerken
–
N.B.
Het downloaden van data kan van invloed zijn
op andere diensten die gebruik maken van
gegevensuitwisseling, zoals de internetradio.
Als u deze invloed op andere diensten als
hinderlijk ervaart, kunt u het downloaden
annuleren. Het is ook mogelijk om andere
diensten te annuleren of tijdelijk te onderbreken.
N.B.
Een update kan worden onderbroken als u
het contact uitzet en de auto verlaat.
De update hoeft echter niet voltooid te zijn
voordat u de auto verlaat, omdat de update
wordt vervolgd als u de auto de volgende keer
gebruikt.
Alle systeemsoftwareproducten
bijwerken
–
Kies Alles installeren onder aan de lijst.
Als u geen lijst wenst te zien, kunt u ook Alles
installeren kiezen bij de knop Systeemupdates.
Kies Installeren voor het gewenste softwareproduct.
Downloaden annuleren
–
Druk op het kruisje in de activiteitsindicator
die bij aanvang van het downloaden de knop
Installeren verving.
Let erop dat alleen de download te annuleren is,
zodat u een eventuele installatiefase niet meer
kunt annuleren zodra deze van start gegaan is.
Op de achtergrond controleren op
beschikbare software-updates
Deze functie kan via het middendisplay worden
gedeactiveerd:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Systeem
3.
Deselecteer Achtergrondcontroles op
software-updates.
Download Center.
Als er een update beschikbaar is, verschijnt de
melding Nieuwe sofwareupdates
beschikbaar op de statusbalk van het middendisplay. Bij een druk op de melding verschijnt een
downloadapplicatie op het onderste deelscherm
van het homescherm. Na het opstarten van de
downloadapplicatie geeft een pictogram op de
knop Systeem-updates aan hoeveel updates er
beschikbaar zijn.
ONDERHOUD EN SERVICE
Gerelateerde informatie
•
•
•
Connected Car* (p. 481)
Apps downloaden, bijwerken of verwijderen
(p. 487)
Externe updates (p. 529)
Gegevensoverdracht tussen auto en
werkplaats6
De vereiste tijd voor een bezoek aan een Volvowerkplaats is te bekorten als storingsdiagnosegegevens worden overgedragen zodra de auto
stopt bij de werkplaats.
De overdracht verloopt het eenvoudigst als u de
optie Automatisch verbinden zodra ik
aankom selecteert op het instellingsscherm van
het middendisplay.
Als de auto afremt, gaat de auto zodra de snelheid eenmaal laag genoeg is op zoek naar een
wifi-netwerk. Als de auto een erkend Volvo-netwerk (bij een werkplaats) vindt, verschijnt er een
melding of verschijnt een pop-upvenster op het
middendisplay (geldt niet voor een handmatige
verbinding, zie het artikel "Handmatige verbinding
met werkplaats" hieronder).
Automatische verbinding met
werkplaats
N.B.
Om te voorkomen dat de bestuurder wordt
gestoord door ongewenste verzoeken om verbinding (bijvoorbeeld als de auto vaak wordt
geparkeerd in de buurt van een werkplaats
met een erkend Volvo-netwerk), wordt de
manier van verbinden omgezet in handmatig
verbinden als de bestuurder een verzoek om
verbinden in een tijdsbestek van 5 dagen 2
keer afwijst.
Zonder bevestiging van de bestuurder
Dit alternatief is de eenvoudigste manier om storingsdiagnosegegevens over te dragen. U hoeft
de verbinding met de auto niet te bevestigen.
Als de auto bij de werkplaats tot stilstand brengt
en afzet met de startknop, verschijnt er een melding boven aan het middendisplay. De auto wordt
automatisch verbonden zodra u het bestuurdersportier opent, op voorwaarde dat u niet op knop
Annuleren van de melding drukt.
6
Deze functie zal geleidelijk worden ingevoerd, al naar gelang de servicewerkplaatsen hun dienstenaanbod uitbouwen.
}}
* Optie/accessoire. 531
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Met bevestiging van de bestuurder
Dit alternatief houdt in dat u de verbinding met
de auto moet bevestigen.
Als de auto bij de werkplaats tot stilstand brengt
en afzet met de startknop, wordt er een popupvenster geopend boven aan het middendisplay.
Als u op de knop Verbinden in het pop-upvenster tikt, zal de auto bij het openen van het
bestuurdersportier automatisch verbinding
maken. Als u niets doet of op knop Annuleer van
het pop-upvenster drukt, komt er geen verbinding
tot stand.
Handmatige verbinding met werkplaats
De onderhoudsmonteur zorgt ervoor dat handmatig verbinding gemaakt wordt.
Manier van verbinden wijzigen
De manier om de auto te verbinden is te wijzigen
op het instellingsscherm van het middendisplay.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
servicenetwerken.
3.
Kies Automatisch verbinden zodra ik
aankom, Eerst vragen voor verbinden of
Nooit verbinden en nooit vragen (handmatig verbinden).
Volvo-
Gerelateerde informatie
•
•
532
Connected Car* (p. 481)
Instellingsscherm (p. 175)
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Auto opnemen
Bij het opnemen van de auto is het belangrijk
dat u de krik of werkplaatskrik/garagekrik onder
de voorziene steunpunten in het onderstel van
de auto aanbrengt.
Voor auto's met niveauregeling* geldt dat als de
auto is uitgerust met luchtvering deze moet worden uitgeschakeld voordat de auto opgenomen
wordt. Schakel deze functie uit via het middendisplay:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Niveauregeling uitschakelen.
Ophanging .
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken
die bij de auto hoort. Volg bij gebruik van een
andere krik dan door Volvo geadviseerd de
aanwijzingen die bij deze krik werden geleverd.
}}
* Optie/accessoire. 533
ONDERHOUD EN SERVICE
||
De driehoeken in de kunststof afdekking wijzen aan waar de kriksteunpunten/hefpunten (rood gemarkeerd) zitten.
Als u de auto opheft met een garagekrik, moet u
de krik onder een van de vier hefpunten plaatsen.
Let erop dat u de garagekrik dusdanig aanbrengt,
dat de auto er niet van af kan glijden. Let erop
dat de krikschotel is voorzien van een rubberen
bescherming, zodat de auto stilstaat en niet
beschadigt. Maak altijd gebruik van steunbokken
of vergelijkbare hulpmiddelen.
Gerelateerde informatie
•
•
534
Bij het verwisselen van wielen (p. 514)
Krik* (p. 521)
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Motorkap openen en sluiten
Draai de hendel onder de kap linksom om de
kap los te maken uit de borghaak van de
motorkapvergrendeling en breng de kap
omhoog.
De motorkap opent u met behulp van een hendel in het interieur en een hendel onder de kap.
Motorkap openen
Waarschuwingen - motorkap niet gesloten
Als de kap los is gemaakt, gaan het
waarschuwingslampje en de grafische
voorstelling op het bestuurdersdisplay
branden in combinatie met een
geluidssignaal. Als de auto in beweging komt,
klinkt er meerdere keren een geluidssignaal.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Let op dat de sluitroute
onder de motorkap vrij is. Anders bestaat er
gevaar voor persoonlijk letsel.
WAARSCHUWING
Controleer of de motorkap bij sluiten goed
vergrendelt. De motorkap moet aan weerszijden hoorbaar ingrijpen.
Zie voor meer informatie over de grafische voorstelling artikel "Portier- en gordelwaarschuwing".
N.B.
Trek aan de hendel bij de pedalen om de kap
te openen vanuit de volledig gesloten positie.
Als het waarschuwingssymbool brandt of het
waarschuwingssymbool klinkt, ook al is de
kap goed dicht, ga dan naar een werkplaats geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Motorkap sluiten
1.
Druk de motorkap omlaag tot deze uit zichzelf verder zakt.
2.
Als de motorkap tegen de motorkapvergrendeling aan is gekomen, drukt u op de kap om
deze volledig te sluiten.
}}
535
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Overzicht motorruimte
WAARSCHUWING
Het overzicht laat een aantal servicespecifieke
componenten zien.
Vergeet niet dat de koelventilator (vóór in de
motorruimte, achter de radiateur) tot enige tijd
na het afzetten van de motor automatisch kan
aanslaan.
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Als de motor warm
is, bestaat er brandgevaar.
WAARSCHUWING
Motorkap volledig gesloten.
Het ontstekingssysteem werkt met een zeer
hoge en levensgevaarlijke spanning. Houd het
elektrische systeem van de auto altijd in contactslotstand 0 bij werkzaamheden in de
motorruimte.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met geopende motorkap!
Mocht u tijdens het rijden merken dat de
motorkap niet helemaal dicht is, stop dan
onmiddellijk en sluit de kap goed.
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht motorruimte (p. 536)
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 65)
Afhankelijk van model en motortype kan de motorruimte
er anders uitzien.
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(zit aan de bestuurderszijde)
Vulpijp voor sproeiervloeistof7
Relais- en zekeringenhouder
Luchtfilter
Vulpijp voor motorolie
7
536
Vul regelmatig sproeiervloeistof bij, tijdens het tanken bijvoorbeeld.
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer het
elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat of wanneer de motor warm
is.
Expansiereservoir voor koelsysteem
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Motorkap openen en sluiten (p. 535)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 551)
Koelvloeistof bijvullen (p. 539)
Zekeringen in motorruimte (p. 558)
Motorolie controleren en bijvullen (p. 538)
Contactslotstanden (p. 397)
ONDERHOUD EN SERVICE
Motorolie
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken.
Volvo adviseert:
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De
oliesoort werd met grote zorg geselecteerd
lettend op de levensduur van de motor, de
startgewilligheid, het brandstofverbruik en de
milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit
en dat zowel bij het bijvullen als bij het verversen van olie. Een negatieve invloed op de
levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact is
anders niet uitgesloten.
Indien u geen motorolie van de voorgeschreven kwaliteit en viscositeit gebruikt, kunnen
aan de motor gerelateerde onderdelen
beschadigd raken. Volvo Cars wijst garantieaanspraken voor dit type schade af.
waarschuwingssymbool voor een lage oliedruk
op het bestuurdersdisplay. Bij varianten
met een olieniveausensor wordt u geïnformeerd
via een waarschuwingssymbool
op het
bestuurdersdisplay en met displayteksten.
Bepaalde varianten zijn voorzien van allebei.
Neem voor meer informatie contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Houd voor het verversen van de motorolie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan die
staan aangegeven in het Service- en garantieboekje.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken met
een hogere kwaliteit dan aangegeven. Voor ritten
onder ongunstige omstandigheden adviseert
Volvo een olie van een hogere kwaliteit dan de
aangegeven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Motorolie controleren en bijvullen (p. 538)
Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie (p. 589)
Specificaties van de motorolie (p. 587)
Volvo adviseert de olie in een erkende Volvowerkplaats te laten verversen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag/hoog oliepeil of een
lage oliedruk. Bij motorvarianten met een oliedruksensor wordt gebruikt gemaakt van het
537
ONDERHOUD EN SERVICE
Motorolie controleren en bijvullen
Een elektronische oliepeilsensor detecteert het
oliepeil.
BELANGRIJK
Verschijnt dit symbool in combinatie met een melding over een
gering oliepeil (bijvoorbeeld
Motoroliepeil laag 1 liter
bijvullen), vul dan niet meer bij dan aangegeven (bijvoorbeeld 1 liter).
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
Oliepeil controleren
Vulpijp8.
In sommige gevallen moet olie worden bijgevuld
tussen de servicebeurten door.
Aanpassing van het motoroliepeil is niet nodig,
voordat er een displaytekst op het bestuurdersdisplay verschijnt.
WAARSCHUWING
Verschijnt dit symbool in combinatie
met de melding Motoroliepeil
Service vereist, bezoek dan een
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Het oliepeil is
mogelijk te hoog.
8
538
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok.
Grafische weergave van het oliepeil op het middendisplay.
Wanneer de motor afslaat, kunt u het middendisplay gebruiken om het oliepeil te laten controleren door de elektronische oliepeilsensor.
N.B.
1.
Open de app Auto status vanuit het appscherm op het middendisplay.
2.
Druk op de knop Status om het oliepeil
weer te geven.
Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het
even voordat het systeem wijzigingen in het
oliepeil kan waarnemen. De auto moet
ca. 30 km hebben gereden en vervolgens 5
minuten op een vlakke ondergrond hebben
stilgestaan met de motor afgezet, voordat het
weergegeven oliepeil correct is.
ONDERHOUD EN SERVICE
N.B.
Als niet aan de gestelde voorwaarden voor
meting van het oliepeil is voldaan (verstreken
tijd na motoruitschakeling, hellingshoek van
de auto, buitentemperatuur e.d.), zal de melding Geen waarde beschikbaar op het
middendisplay verschijnen. Dit betekent niet
dat een van de autosystemen een storing vertoont.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Motorolie (p. 537)
Specificaties van de motorolie (p. 587)
Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie (p. 589)
Contactslotstanden (p. 397)
Koelvloeistof bijvullen
De koelvloeistof koelt de verbrandingsmotor af
tot de juiste bedrijfstemperatuur. De warmte die
de motor overdraagt op de koelvloeistof is te
benutten voor verwarming van de passagiersruimte.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Vul
het reservoir nooit alleen met schoon water. Het
gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer
de koelvloeistofconcentratie te laag is als wanneer deze te hoog is.
WAARSCHUWING
Expansiereservoir voor koelsysteem, auto met het stuur
links.
De koelvloeistof kan zeer heet zijn. Als er
moet worden bijgevuld terwijl de motor warm
is, moet u de dop voorzichtig van het expansievat draaien zodat de overdruk verdwijnt.
Autostatus (p. 526)
}}
539
ONDERHOUD EN SERVICE
||
startpoging motorschade te voorkomen door een
lek in het koelsysteem.
BELANGRIJK
Draai de dop op de kunststof afdekking los.
Draai de dop op het expansiereservoir los en
vul koelvloeistof bij. De koelvloeistof mag niet
hoger staan dan de gele MAX-markering
binnen in het expansiereservoir.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Pak de handgreep van de klep beet en til/
werk de klep los van de kunststof afdekking.
•
Hoge concentraties chloor, chloriden en
andere zoutverbindingen kunnen aanleiding geven tot corrosie in het koelsysteem.
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen volgens de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor 50 %
uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij twijfel
over de waterkwaliteit altijd een kant-enklare koelvloeistof volgens de aanbevelingen van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander soort
koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd, dient u het
koelsysteem schoon te spoelen met leidingwater van goede kwaliteit of met
kant-en-klare koelvloeistof.
•
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. Als dat niet het
geval is, kunnen er hoge temperaturen
optreden met gevaar voor beschadiging
(barsten) van de cilinderkop.
Draai de dop op het expansiereservoir los en
vul koelvloeistof bij. De koelvloeistof mag niet
hoger staan dan de gele MAX-markering
binnen in het expansiereservoir.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Expansiereservoir voor koelsysteem, auto met het stuur
rechts.
540
Als er een plasje koelvloeistof onder de auto ontstaat, als er witte rook/damp uit de uitlaatpijp
komt of als u meer dan 2 liter koelvloeistof moet
bijvullen, bel dan een takelwagen om bij een
ONDERHOUD EN SERVICE
Gerelateerde informatie
•
Specificaties van de koelvloeistof (p. 590)
Onderhoud aan klimaatregeling
Service en reparatie aan het aircosysteem
mogen uitsluitend door een erkende werkplaats
worden uitgevoerd.
Gerelateerde informatie
•
Serviceprogramma van Volvo (p. 526)
Storingen opsporen en verhelpen
De airconditioning bevat een fluorescerend traceermiddel. Bij zoeken naar lekken moet ultraviolet licht worden gebruikt.
Volvo adviseert u om contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
Auto's met koudemiddel R134a
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk. Service en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door
een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
Auto's met koudemiddel R1234yf
WAARSCHUWING
In de airco-installatie zit koudemiddel
R1234yf onder druk. Conform de SAE-norm
J2845 (“Technician Training for Safe Service
and Containment of Refrigerants Used in
Mobile A/C System”) mogen service en reparatie aan het koudemiddelsysteem alleen worden uitgevoerd door een daartoe bekwaam en
bevoegd technicus om de veiligheid van het
systeem te garanderen.
541
ONDERHOUD EN SERVICE
Lampen vervangen
U kunt een gloeilamp in de halogeenkoplampen,
achterlichten en het mistachterlicht zelf vervangen.
Een gloeilamp in halogeenkoplampen is zonder
hulp van een werkplaats te vervangen, maar voordat u een lamp kunt vervangen moet u eerst de
kunststof afdekking op de koplamp verwijderen.
N.B.
Aandachtspunten bij het terugplaatsen van de
afdekking:
•
U moet de pen van de clip helemaal
terugduwen alvorens de clip terug te
plaatsen in de afdekking.
•
Bij het terugplaatsen van de afdekking
moet u de pen indrukken, tot het eindvlak
gelijk ligt met het clipoppervlak.
De gloeilampen voor de achteruitrijlichten en het
mistachterlicht zijn te vervangen zonder hulp van
een werkplaats.
Neem contact op met een werkplaats9, als
andere lampen dan de gloeilampen in de halogeenkoplampen, achteruitrijlichten of het mistachterlicht defect raken. Bij een storing aan
led10-lampen wordt in de meeste gevallen de
hele lampeenheid vervangen.
–
Duw de pennen in de vier clips van de kunststof afdekking met een schroevendraaier of
iets dergelijks omlaag en verwijder de afdekking.
9 Geadviseerd wordt
10 Lichtdiode (Light
542
een erkende Volvo-werkplaats.
Emitting Diode)
WAARSCHUWING
Bij het vervangen van een lamp moet het
elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0 staan.
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt
voor een laagje op de reflector die dan kapot
kan gaan.
N.B.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de
kapotte gloeilamp is vervangen, wordt geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen
en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit
is een natuurlijk verschijnsel en alle externe
verlichting is erop gebouwd om dit zoveel
mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt
normaal uit het lamphuis, wanneer de lamp
enige tijd brandt.
ONDERHOUD EN SERVICE
Koplampen (auto met
halogeenkoplampen)
Lampen achterzijde
•
•
•
Dagrijlichtlamp/stadslichtlamp vóór vervangen (p. 545)
Richtingaanwijzer vóór vervangen (p. 546)
Gloeilamp achteruitrijlicht vervangen
(p. 546)
•
Gloeilamp mistachterlicht vervangen
(p. 547)
•
•
Lampspecificaties (p. 548)
Contactslotstanden (p. 397)
Achterlicht (led)
Dimlicht
Achterlicht (led)
Groot licht
Mistachterlicht
Dagrijlicht/stadslicht
Achteruitrijlicht
Richtingaanwijzer
Richtingaanwijzer11
Mistlampen voor/bochtverlichting* (LED10)
Remlicht (led)
Remlicht - derde (led)
Gerelateerde informatie
•
•
10
11
Dimlichtlamp vervangen (p. 544)
Grootlichtlamp vervangen (p. 544)
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
Neem voor vervanging contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire. 543
ONDERHOUD EN SERVICE
Dimlichtlamp vervangen
U kunt de dimlichtlamp in de halogeenkoplamp
zelf vervangen.
Voordat u de lamp kunt vervangen, moet u eerst
de kunststof afdekking van het lamphuis tillen, zie
het artikel "Lampen vervangen".
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt
voor een laagje op de reflector die dan kapot
kan gaan.
544
3.
4.
Haal de gloeilamp los door deze iets omhoog
te duwen en naar buiten toe te trekken.
Plaats een nieuwe gloeilamp in de lampvoet.
De paspen van de gloeilamp moet recht
omhoogwijzen.
5.
Duw de connector vast.
6.
Plaats de rubberen afdekking terug.
Gerelateerde informatie
•
•
Lampen vervangen (p. 542)
Lampspecificaties (p. 548)
Grootlichtlamp vervangen
U kunt de grootlichtlamp in de halogeenkoplamp
zelf vervangen.
Voordat u de lamp kunt vervangen, moet u eerst
de kunststof afdekking van het lamphuis tillen, zie
het artikel "Lampen vervangen".
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt
voor een laagje op de reflector die dan kapot
kan gaan.
Linker koplamp.
Linker koplamp.
1.
Haal de rubberen afdekking van de dimlichtlamp los.
1.
2.
Koppel de connector van de gloeilamp los.
Haal de rubberen afdekking van de grootlichtlamp los.
ONDERHOUD EN SERVICE
2.
3.
Haal de gloeilamp los door de lamphouder
omhoog te kantelen en vervolgens recht naar
buiten te trekken.
Steek een schroevendraaier tussen de borgnok en de kunststof behuizing en werk de
borgnok voorzichtig los.
4.
Koppel de connector van de gloeilamp los.
5.
Vervang de gloeilamp.
6.
Plaats de gloeilamp in de lampvoet aan en
kantel deze omlaag.
7.
Plaats de rubberen afdekking terug.
Dagrijlichtlamp/stadslichtlamp vóór
vervangen
U kunt de dagrijlichtlamp/stadslichtlamp in de
halogeenkoplamp zelf vervangen.
Voordat u de lamp kunt vervangen, moet u eerst
de kunststof afdekking van het lamphuis tillen, zie
het artikel "Lampen vervangen".
2.
Trek de lamphouder van de dagrijlichtlamp/
stadslichtlamp recht naar buiten.
3.
Trek de gloeilamp recht naar buiten toe los.
Lampen vervangen (p. 542)
4.
Vervang de gloeilamp.
Lampspecificaties (p. 548)
5.
Plaats de lamphouder in de lampvoet en druk
deze in positie.
6.
Als u de grootlichtlamp hebt losgenomen,
plaatst u deze in de lampvoet en kantelt hem
omlaag.
7.
Plaats de rubberen afdekking terug.
Gerelateerde informatie
•
•
N.B.
De gloeilamp voor het dagrijlicht/parkeerlicht
vóór is gemakkelijker te bereiken, als u de
gloeilamp voor het groot licht losneemt. De
grootlichtlamp is schuin boven de stadslichtlamp/parkeerlichtlamp gemonteerd. Haal de
grootlichtlamp los door de lamphouder
omhoog te kantelen en vervolgens recht naar
buiten te trekken.
Linker koplamp.
1.
Haal de rubberen afdekking van de dagrijlichtlamp/stadslichtlamp los.
Gerelateerde informatie
•
•
Lampen vervangen (p. 542)
Lampspecificaties (p. 548)
545
ONDERHOUD EN SERVICE
Richtingaanwijzer vóór vervangen
U kunt de richtingaanwijzer in de halogeenkoplamp zelf vervangen.
Voordat u de lamp kunt vervangen, moet u eerst
de kunststof afdekking van het lamphuis tillen, zie
het artikel "Lampen vervangen".
Gerelateerde informatie
•
•
Lampen vervangen (p. 542)
Lampspecificaties (p. 548)
Gloeilamp achteruitrijlicht
vervangen
De gloeilampen voor de achteruitrijlichten zitten
achter het binnenpaneel op de kofferklep.
1.
Linker koplamp.
546
1.
Neem de rubberen afdekking voor de richtingaanwijzerlamp los van het koplamphuis.
2.
Duw de borghaken bijeen en trek de lamphouder recht naar buiten.
3.
Vervang de lamphouder met de gloeilamp.
4.
Plaats de lamphouder in de lampvoet en druk
deze in positie.
5.
Plaats de rubberen afdekking terug.
Haal het binnenpaneel van de achterklep los
door eerst de twee draaiknoppen een kwartslag linksom te draaien en het binnenpaneel
vervolgens los te haken. Leg het binnenpaneel opzij.
ONDERHOUD EN SERVICE
Gloeilamp mistachterlicht
vervangen
De lamp voor het mistachterlicht zit achter een
klepje in het achterkleppaneel.
Bij een auto met het stuur links zit het mistachterlicht aan de linkerzijde en bij een auto met het
stuur rechts aan de rechterzijde.
De gloeilamp van het mistachterlicht is als volgt
te vervangen:
Lamphuis aan de linkerzijde.
Lamphuis aan de linkerzijde.
2.
Neem de lamphouder los door deze linksom
te draaien en naar buiten te trekken.
2.
3.
Haal de kapotte gloeilamp los door deze in
te duwen en linksom te draaien.
Neem de lamphouder los door deze een
kwartslag linksom te draaien en naar buiten
te trekken.
3.
Haal de kapotte gloeilamp uit de lamphouder
door de gloeilamp naar binnen te duwen en
linksom te draaien.
4.
Plaats een nieuwe gloeilamp door deze in de
houder te duwen en rechtsom te draaien.
5.
Veeg eventueel vuil, vet en vocht van het
gloeilampglas.
6.
Zet de lamphouder vast door deze een
kwartslag rechtsom te draaien.
7.
Plaats het paneel terug en vergrendel het
door de draaiknoppen een kwartslag
rechtsom te draaien.
4.
Plaats een nieuwe gloeilamp door deze in de
houder te duwen en rechtsom te draaien.
5.
Zet de lamphouder vast door deze rechtsom
te draaien.
6.
Haak het binnenpaneel vast en draai de
draaiknoppen een kwartslag rechtsom.
Gerelateerde informatie
•
•
Lampen vervangen (p. 542)
Lampspecificaties (p. 548)
Binnenpaneel van de achterklep.
1.
Haal het binnenpaneel van de achterklep los
door eerst de twee draaiknoppen een kwartslag linksom te draaien. Haak vervolgens het
paneel los en leg het opzij.
}}
547
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Gerelateerde informatie
•
•
Lampen vervangen (p. 542)
Lampspecificaties (p. 548)
Lampspecificaties
Wisserbladen in servicestand
De specificaties gelden voor de gloeilampen in
de halogeenkoplampen, de achteruitrijlichten en
het mistachterlicht. Neem contact op met een
werkplaats12, als een van de andere lampen
defect raakt.
Om de wisserbladen van de voorruit te kunnen
vervangen en dergelijke moet u deze eerst in de
servicestand zetten.
Functie
WA
Type
Dimlicht
55
H7
Groot licht
65
H9
Richtingaanwijzers voorzijde
24
PY24W
Dagrijlicht/stadslicht voor
21/5
W21/5W
Achteruitrijlicht
21
H21W LL
Mistachterlicht
21
H21W LL
A
Watt
Gerelateerde informatie
•
Lampen vervangen (p. 542)
Wisserbladen in servicestand.
De wisserbladen dienen in de servicestand te
staan om ze te kunnen vervangen, reinigen of
optillen (bijvoorbeeld om ijs van de voorruit te
krabben).
BELANGRIJK
Voordat de wisserbladen in de servicestand
worden gezet, moet u controleren of ze niet
vastgevroren zijn.
12
548
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
ONDERHOUD EN SERVICE
Servicestand activeren
Activering van de servicestand is mogelijk als de
auto stilstaat en de ruitenwissers niet zijn ingeschakeld. De servicestand is op twee manieren te
activeren via het middendisplay:
Via het functiescherm
Druk op de knop
Servicestand ruitenwisser.
Het controlelampje in de knop
brandt als de servicestand
geactiveerd is. Bij activering
gaan de wissers recht omhoog
staan.
Via 'Instellingen'
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Servicestand ruitenwisser.
> De wisserarmen bewegen omhoog en
gaan verticaal staan.
Via 'Instellingen'
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Deselecteer Servicestand ruitenwisser
om de servicestand te deactiveren.
De wisserarmen verlaten de servicestand ook in
de volgende gevallen:
•
•
•
•
Wisserbladen voorruit vervangen
U activeert de ruitenwissers van de voorruit.
U activeert de ruitensproeiers van de voorruit.
U activeert de regensensor.
U rijdt weg met de auto.
Als de wisserarmen in de servicestand van de
voorruit af zijn gehaald, moet u ze tegen de
voorruit terugklappen alvorens de wissers, de
sproeiers of de regensensor te activeren of
alvorens weg te rijden. Dit om lakschade aan
de motorkap tegen te gaan.
Servicestand deactiveren
Via het functiescherm
Druk op de knop
Servicestand ruitenwisser
op het middendisplay. Het controlelampje in de knop dooft als
de servicestand gedeactiveerd
is.
De wisserbladen vegen neerslag van de voor- en
achterruit. In combinatie met sproeiervloeistof
reinigen ze de ruiten voor een goed zicht tijdens
het rijden. De wisserbladen van de ruitenwissers
van voor- en achterruit zijn te vervangen.
BELANGRIJK
Ruitenwisser.
De servicestand is op twee manieren te deactiveren via het middendisplay:
Ruitenwisser.
Wisserbladen vervangen
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Wisserbladen vervangen (p. 549)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 551)
Overzicht van het middendisplay (p. 34)
Ruiten- en koplampsproeiers (p. 155)
}}
549
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Wisserbladen achterruit vervangen
Klap de wisserarm omhoog als deze in de
servicestand staat. Druk op de knop die op
de wisserbladhouder zit en trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar binnen dat u een klik hoort.
Controleer of het blad goed vastzit.
4.
Klap de wisserarm terug op de voorruit.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
N.B.
De wisserbladen hebben een verschillende
lengte. Het blad aan de bestuurderskant is
langer dan dat aan de passagierskant.
1.
Klap de wisserarm uit.
2.
Pak het wisserblad aan de binnenkant (bij de
pijl) beet.
3.
Draai het wisserblad linksom om de aanslag
op de wisserarm als hefboom te gebruiken
zodat het wisserblad gemakkelijker loskomt.
4.
Druk het nieuwe wisserblad vast, u moet een
klik horen. Controleer of het goed vastzit.
5.
Klap de wisserarm terug.
BELANGRIJK
Controleer de bladen regelmatig. Verwaarloosd onderhoud verkort de levensduur van
de bladen.
550
ONDERHOUD EN SERVICE
Gerelateerde informatie
•
•
Wisserbladen in servicestand (p. 548)
Exterieur reinigen (p. 570)
Vulopening voor sproeiervloeistof
Om de koplampen en de voor- en achterruit
schoon te houden wordt sproeiervloeistof
gebruikt. Bij temperaturen onder het vriespunt
moet sproeiervloeistof met antivries worden
gebruikt.
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij koud weer
en onder het vriespunt.
BELANGRIJK
Gebruik originele sproeiervloeistof van Volvo
of een vergelijkbaar product met de aanbevolen pH-waarde tussen 6 en 8 (gebruiksklaar
mengsel, d.w.z. gelijke delen/1:1 bij neutraal
water).
BELANGRIJK
Gebruik bij temperaturen onder nul sproeiervloeistof met antivries, zodat de vloeistof niet
vastvriest in pomp, reservoir en slangen.
Hoeveelheid:
Het sproeiervloeistofreservoir is bij te vullen via
de opening met de blauwe dop.
N.B.
Wanneer er nog zo’n 1 liter sproeiervloeistof
in het reservoir zit, verschijnt op het bestuurdersdisplay de melding Sproeiervloeistof
Niveau laag, bijvullen samen met het symbool
.
•
•
Auto's met koplampsproeiers: 5,5 liter.
Auto's zonder koplampsproeiers: 3,5 liter.
Gerelateerde informatie
•
•
Ruiten- en koplampsproeiers (p. 155)
Motorkap openen en sluiten (p. 535)
551
ONDERHOUD EN SERVICE
Startaccu
Het elektrische systeem is enkelpolig en
gebruikt het chassis en het motorblok als geleiders.
De startaccu dient voor inschakeling van het
elektrische systeem en aandrijving van de startmotor en andere uitrusting in de auto.
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van een startkabel, kan volstaan om de
accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat
ernstige chemische brandwonden kan
veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw
huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
Laat de hulpaccu vervangen in een werkplaats13.
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar.
De startaccu is een AGM-accu van 12 V die speciaal ontwikkeld is met het oog op de CO2-verlagende systemen Start/Stop en regeneratief
laden en de werking van uiteenlopende autosystemen ondersteunt.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal startpogingen, de weersomstandigheden en dergelijke zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
•
Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor draait.
•
Controleer of de kabels van de startaccu op
de juiste manier zijn aangesloten en stevig
vastzitten.
13
552
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Bij het aansluiten van een externe startaccu of
acculader worden de laadpunten van de accu in
de motorruimte gebruikt. De accupolen op de
startaccu van de auto in de bagageruimte mogen
niet worden gebruikt.
Bij opladen wordt zowel de startaccu als de hulpaccu opgeladen.
Positief laadpunt
Negatief laadpunt
BELANGRIJK
Gebruik voor het opladen van de startaccu of
de hulpaccu alleen een moderne acculader
met laadspanningsregeling. Maak geen
gebruik van een eventuele snellaadfunctie,
omdat de accu daarbij beschadigd kan raken.
ONDERHOUD EN SERVICE
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt na aansluiting van een externe startaccu of acculader de energiebesparingsfunctie voor het
infotainmentsysteem mogelijk tijdelijk uit
en/of verschijnt er tijdelijk geen displaytekst
over de ladingstoestand van de startaccu op
het bestuurdersdisplay:
•
Gebruik de minpool van de startaccu in
de auto nooit voor aansluiting van een
externe startaccu of acculader – alleen
het negatieve laadpunt van de auto
mag als massapunt dienen.
N.B.
Als de startaccu vaak ontladen wordt, heeft
dat een negatief effect op zijn levensduur.
De levensduur van de startaccu hangt af van
meerdere factoren, waaronder de rijomstandigheden en het klimaat. De startcapaciteit
van de accu daalt in de loop van de tijd geleidelijk en daarom moet de accu worden opgeladen als de auto langere tijd niet wordt
gebruikt of als er alleen korte ritten mee worden gemaakt. Extreme kou beperkt de startcapaciteit ook.
Om de startaccu in een goede conditie te
houden wordt geadviseerd om minimaal 15
minuten per week te rijden of de accu aan te
sluiten op een acculader met automatische
druppellading.
De startaccu zit in de bagageruimte.
In de volgende tabel staan de specificaties van
de startaccu.
Accu
H7 AGM
Een startaccu die constant volledig opgeladen wordt gehouden, heeft een maximale
levensduur.
Spanning (V)
KoudestartvermogenA
12
-
CCAB (A)
Afmetingen , l×b×h (mm)
Capaciteit (Ah)
A
B
800
315×175×190
80
Volgens EN-norm.
Cold Cranking Amperes.
}}
553
ONDERHOUD EN SERVICE
||
BELANGRIJK
Let op dat de spanband altijd goed strak zit.
•
Starthulp met andere accu (p. 400)
Symbolen op de accu's
Op de accu's zitten symbolen die informatie verstrekken en waarschuwen.
Volvo adviseert om accu's altijd te laten vervangen door een erkende Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Draag een veiligheidsbril.
Bij het vervangen van een start- of hulpaccu
of moet u een accu van het type AGM14 monteren.
BELANGRIJK
Bij vervanging van de startaccu moet u erop
letten dat u een accu met hetzelfde koudestartvermogen en van hetzelfde type gebruikt
als de originele accu (zie de sticker op de
accu).
Zie voor meer informatie de
gebruikershandleiding die
bij de auto hoort.
Bewaar accu's buiten het
bereik van kinderen.
N.B.
De grootte van de startaccubehuizing dient
overeen te komen met de afmetingen van de
originele accu.
Gerelateerde informatie
•
•
14
554
Symbolen op de accu's (p. 554)
Hulpaccu (p. 555)
Absorbed Glass Mat.
De accu bevat een bijtend
zuur.
ONDERHOUD EN SERVICE
Hulpaccu
Vermijd vonken en open
vuur.
Afmetingen , l×b×h (mm)
Auto's met Start/Stop-systeem hebben behalve
de startaccu ook een hulpaccu.
Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien van
twee 12V-accu's – één extra krachtige startaccu
en een hulpaccu die gebruikt wordt voor de startprocedure middels het Start/Stop-systeem.
Explosiegevaar.
Capaciteit (Ah)
A
B
150×90×130
10
Volgens EN-norm.
Cold Cranking Amperes.
BELANGRIJK
Bij het vervangen van een start- of hulpaccu
of moet u een accu van het type AGM15 monteren.
N.B.
•
Hoe hoger de stroomafname in de auto
(extra koeling/verwarming e.d.), hoe meer
de accu’s moeten worden bijgeladen =
hoe hoger het brandstofverbruik.
•
Wanneer de capaciteit van de startaccu
tot onder de ondergrens is gedaald,
wordt het Start/Stop-systeem uitgeschakeld.
Bestemd voor inzameling.
N.B.
Een uitgediende start- of steunaccu moet op
een milieuvriendelijke manier worden gerecycled - deze bevat namelijk lood.
Gerelateerde informatie
•
•
15
Startaccu (p. 552)
Hulpaccu (p. 555)
Absorbed Glass Mat.
De hulpaccu zit in een bak naast de veerpootbevestiging.
In de volgende tabel staan de specificaties van
de hulpaccu.
Spanning (V)
KoudestartvermogenA
(A)
12
-
CCAB
Een tijdelijke functiebeperking van het
Start/Stop-systeem op grond van een hoge
stroomafname houdt het volgende in:
170
}}
555
ONDERHOUD EN SERVICE
||
•
Auto-start motor16 werkt zonder dat u de
koppeling bedient (handmatige versnellingsbak).
•
N.B.
Als de startaccu zo ontladen is dat de elektrische standaardsystemen van de auto's zijn
uitgeschakeld en u start de motor vervolgens
met een externe accu of acculader, dan blijft
het Start/Stop-systeem actief. Als het
Start/Stop-systeem kort een automatische
motorstop verricht, is de kans groot dat een
volgende automatische motorstart mislukt
door onvoldoende capaciteit van de startaccu,
omdat de accu niet genoeg is opgeladen.
De motor start automatisch zonder dat u uw
voet van het rempedaal haalt (automatische
versnellingsbak).
De hulpaccu vergt doorgaans niet meer service
dan de normale startaccu. Neem bij vragen of
problemen contact op met een werkplaats geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Als de auto starthulp heeft gekregen of de
accu onvoldoende is opgeladen met een
acculader, wordt geadviseerd het Start/Stopsysteem uit te schakelen totdat de startaccu
voldoende bijgeladen is door de auto. Bij een
buitentemperatuur van +15 °C moet de accu
ten minste 1 uur lang door de auto worden
opgeladen. Bij lagere buitentemperaturen kan
de laadduur toenemen tot zo'n 3–4 uur.
Geadviseerd wordt de accu op te laden met
een externe acculader.
Bij het negeren van het volgende valt het
Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader:
•
Gebruik de minpool van de startaccu in
de auto nooit voor aansluiting van een
externe startaccu of acculader – alleen
het negatieve laadpunt van de auto
mag als massapunt dienen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
16
556
Auto-start is alleen mogelijk, als de schakelhendel in de neutraal staat.
Startaccu (p. 552)
Start/Stop (p. 408)
Starthulp met andere accu (p. 400)
Symbolen op de accu's (p. 554)
Zekeringen
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door enkele zekeringen beschermd.
Als een van de elektrische onderdelen of functies
niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende
zekering overbelast werd en daardoor gesmolten
is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt,
betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een
storing vertoont. Volvo adviseert u om dan voor
controle contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Positie van relais- en
zekeringenhouders
ONDERHOUD EN SERVICE
Positie van de relais- en zekeringenhouders bij
auto's met het stuur links – bij auto's met het
stuur rechts zit de relais- en zekeringenhouder
onder het dashboardkastje aan de andere kant
van de auto.
Motorruimte
Onder dashboardkastje
Vervangen
Bagageruimte
Gerelateerde informatie
•
Zekering vervangen
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door enkele zekeringen beschermd.
1.
Zoek in de zekeringentabel op waar de zekering zit.
2.
Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3.
Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
Zekering vervangen (p. 557)
WAARSCHUWING
Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een
zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit kan
aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot brand leiden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Zekeringen (p. 556)
Zekeringen in motorruimte (p. 558)
Zekeringen onder dashboardkastje
(p. 563)
Zekeringen in bagageruimte (p. 567)
557
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen in motorruimte
De zekeringen in de motorruimte beschermen
onder meer de motor- en remfuncties.
558
ONDERHOUD EN SERVICE
Geldt voor een Bi-Fuel-model*B
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
In de relais- en zekeringhouder is tevens plaats
voor enkele reservezekeringen.
Posities
Aan de binnenkant van het deksel zit een sticker
met de positie van de verschillende zekeringen.
}}
* Optie/accessoire. 559
ONDERHOUD EN SERVICE
||
•
De zekeringen 18–30, 35–37, 46–54 en
55–70 zijn van het type "Micro".
•
De zekeringen 31–34, 38–45 en 71–78 zijn
van het type "MCASE" en moeten door een
werkplaats worden vervangen17.
Functie
560
AA
Functie
AA
-
-
-
-
-
-
15
-
-
Linker koplamp, bepaalde ledCvarianten
15
-
-
-
-
Rechter koplamp, bepaalde
ledC-varianten
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Shunt
-
-
-
-
Elektrische voorruitverwarming*
links
-
-
-
Elektrische voorruitverwarming*
links
40
-
-
-
-
Koplampsproeiers*
25
-
-
-
-
Ruitenwissers
25
-
-
USB-aansluiting in tunnelconsole, voorin*
5
-
-
-
15
-
-
12V-aansluiting in tunnelconsole, voorin
-
-
12V-aansluiting in tunnelconsole, in de voetenruimte voor de
tweede zitrij
15
12V-aansluiting in bagageruimte*
15
Verwarming van lambdasonde*B;
regeleenheid voor autogas*B
17
AA
Functie
15*B
-
-
Claxon
20
Sirene alarmsysteem*
5
Regeleenheid voor remsysteem
(kleppen, parkeerrem)
40
Ruitenwissers
30
Achterruitensproeier
25
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Functie
AA
Functie
AA
Functie
AA
Elektrische voorruitverwarming*
rechts
40
Airbags
5
Vacuümregelaars; klep; Power
Pulse-klep (diesel)
7,5
Standverwarming*
20
Regeleenheid voor remsysteem
(ABS-pomp)
40
-
-
Elektrische voorruitverwarming*
rechts
Shunt
Voeding bij ingeschakeld contact: Motorregeleenheid; transmissiecomponenten; elektrische
stuurbekrachtiging; centrale
elektronicamodule; regeleenheid
remsysteem
5
-
-
Rechter koplamp
7,5
Rechter koplamp, bepaalde
ledC-varianten
15
-
-
-
-
Regeleenheid voor accu-inschakeling
5
Linker koplamp
Linker koplamp, bepaalde
varianten
7,5
ledC-
15
Gaspedaalsensor
5
Regeleenheid transmissie
15
Motorregeleenheid
5
-
-
-
-
-
Regeleenheid spoilerafsluiting;
regeleenheid radiateurafsluiting;
relaiswikkelingen voor Power
Pulse (diesel)
5
-
-
Lambdasonde, voor; lambdasonde, achter (benzine)
15
15
-
Magneetklep voor motoroliepomp; magneetkoppeling A/C;
middelste lambdasonde (benzine), achterste lambdasonde
(diesel)
-
-
Motorregeleenheid; actuator;
smoorklepeenheid; EGR-klep
(diesel); positiesensor voor turbo
(diesel); klep voor turbocompressor (benzine)
20
Magneetkleppen (benzine); klep;
thermostaat voor motorkoelsysteem (benzine); koelpomp voor
EGR (diesel); regeleenheid
gloeibougies (diesel)
10
-
Motorregeleenheid
20
Bobines (benzine); bougies
(benzine)
15
Regeleenheid voor autogas*B
Brandstoffilterverwarming (diesel)
-
15*B
30
}}
* Optie/accessoire. 561
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Functie
A
B
C
-
-
-
-
-
-
-
-
Startmotor
Shunt
Startmotor
40
Ampère
Geldt voor een Bi-Fuel-model.
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
Gerelateerde informatie
562
AA
•
•
Zekering vervangen (p. 557)
•
Zekeringen in bagageruimte (p. 567)
Zekeringen onder dashboardkastje
(p. 563)
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen onder dashboardkastje
De zekeringen onder het dashboardkastje
beschermen onder meer 230 V-aansluitingen,
displays en portiermodules.
}}
563
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
564
In de relais- en zekeringenhouder in de
motorruimte is tevens plaats voor enkele reservezekeringen.
ONDERHOUD EN SERVICE
Posities
•
De zekeringen 1, 3-21, 23-36, 39-53 en
55-59 zijn van het type "Micro".
•
De zekeringen 2, 22, 37-38 en 54 zijn van
het type "MCase" en moet u laten vervangen
in een werkplaats18.
Functie
230V-aansluiting in tunnelconsole,
in de voetenruimte voor de achterbank*
18
Functie
AA
Functie
AA
Module voor startknop en voor
bediening, parkeerrem
5
7,5
Module voor elektrische stuurverwarming*
15
AA
-
-
-
-
-
Knopverlichting; interieurverlichting;
dimfunctie van achteruitkijkspiegel*; gecombineerde regen- en
lichtsensor*; knoppenset in tunnelconsole, in voetenruimte voor achterbank*; elektrisch bedienbare
voorstoelen*; bedieningspanelen
op achterportieren
30
-
-
Regeleenheid voor rijhulpsystemen
5
-
-
Panoramadak met zonnescherm*
20
-
-
Regeleenheid voor klimaatregeling
10
Head-updisplay*
5
Bewegingsmelder*
5
Stuurslot
7,5
Interieurverlichting
5
Mediaspeler
5
Diagnoseaansluiting OBDII
10
-
-
Bestuurdersdisplay
5
Middendisplay
5
5
Knoppenset op middenconsole
5
40
Zonnesensor
5
Ventilatormodule voor klimaatregeling voorin
Display op plafondconsole (gordelwaarschuwing/indicatie voor passagiersairbag voorin)
-
-
Vochtsensor
5
Portiermodule in portier rechtsachter
20
Zekeringen in bagageruimte
10
-
-
-
-
Stuurwieleenheid
5
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
-
-
}}
* Optie/accessoire. 565
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Functie
AA
Functie
AA
Regeleenheid voor Connected Car;
regeleenheid voor telematica
5
Portiermodule in portier linksvoor
20
Portiermodule in portier linksachter
20
Regeleenheid voor wielophanging
(actieve chassisregeling)*
20
Regeleenheid audio (versterker)
(bepaalde varianten)
40
-
-
-
Module voor multibandantenne
5
Modules voor stoelcomfort (massagefunctie) voorin*
5
-
-
Regeleenheid Sensus
10
-
-
-
-
Portiermodule in portier rechtsvoor
20
-
-
Achterruitwisser
15
Tv* (bepaalde markten)
5
Regeleenheid voor brandstofpomp
15
Hoofdzekering voor zekeringen 53
en 58
15
-
-
-
-
A
Verwarming voorstoel bestuurderszijde
15
Verwarming voorstoel passagierszijde
15
Koelvloeistofpomp
10
-
566
-
Ampère
Gerelateerde informatie
•
•
•
Zekering vervangen (p. 557)
Zekeringen in motorruimte (p. 558)
Zekeringen in bagageruimte (p. 567)
-
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen in bagageruimte
De zekeringen in de bagageruimte beschermen
onder meer elektrisch bedienbare stoelen*, airbags en gordelspanners.
}}
* Optie/accessoire. 567
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Het kastje zit aan de rechterzijde.
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
568
In de relais- en zekeringenhouder in de
motorruimte is tevens plaats voor enkele reservezekeringen.
ONDERHOUD EN SERVICE
Posities
•
De zekeringen 13-17 en 21-36 zijn van het
type "Micro".
•
De zekeringen 1-12, 18-20 en 37 zijn van
het type "MCase" en moet u laten vervangen
in een werkplaats19.
Functie
AA
Elektrische achterruitverwarming
30
Compressor voor luchtvering*
40
Vergrendelmotor voor rugleuning
rechtsachter
15
Vergrendelmotor voor rugleuning
linksachter
15
AA
Functie
AA
Module voor gordelspanners rechts
40
5
Interne relaisspoelen
5
Regeleenheid voor airbags en gordelspanners
-
-
-
-
Detectiemodule schopbeweging*
(om de elektrisch bedienbare achterklep te openen)
5
-
-
-
-
Regeleenheid trekhaak*
25
Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel*
20
Module voor gordelspanners links
40
5
-
-
Parkeercamera*
-
-
-
-
25
-
-
Elektrisch bedienbare passagiersstoel voor*
20
-
-
-
-
Regeleenheid trekhaak*
40
Elektrische achterklepbediening*
19
-
Functie
Stoelverwarming linksachter*
-
-
Blind Spot Information (BLIS)*
5
-
-
Modules voor gordelspanners
5
Actuator voor uitlaatgassen (benzine, bepaalde motorvarianten)
5
-
-
Regeleenheid AWD*
15
Stoelverwarming rechtsachter*
15
A
15
-
Ampère
Gerelateerde informatie
•
•
•
Zekering vervangen (p. 557)
Zekeringen onder dashboardkastje (p. 563)
Zekeringen in motorruimte (p. 558)
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire. 569
ONDERHOUD EN SERVICE
Exterieur reinigen
Was de auto zodra deze vuil geworden is. De
auto is dan gemakkelijker te reinigen, omdat het
vuil nog niet is aangekoekt. Zo beperkt u tevens
de kans op krassen en houdt u de auto langer
mooi. Zorg dat de auto op een spoelvloer met
olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
Met de hand wassen
•
•
•
570
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die
de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. Gebruik bijvoorbeeld een zachte tissue of een spons die u goed nat hebt
gemaakt. U wordt geadviseerd een dergelijke
verkleuring te laten herstellen door een
erkende Volvo-werkplaats.
Spoel het onderstel af.
Spoel de hele auto af totdat al het losse vuil
is verwijderd om het risico van waskrassen te
beperken. Spuit niet rechtstreeks in de richting van de sloten.
•
Gebruik zo nodig een koudontvetter voor
hardnekkig vuil. Let erop dat de oppervlakken
dan niet door de zon opgewarmd mogen zijn.
•
Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
•
Reinig de wisserbladen met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
•
Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker. Door water-
druppels niet in felle zon te laten opdrogen,
verkleint u het risico van watervlekken die
moeten worden weggepoetst.
even goed bij. Voor het beste resultaat wordt
geadviseerd om de auto met de hand te wassen
of een bezoek aan de automatische wasstraat te
combineren met een handmatige wasbeurt.
WAARSCHUWING
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is, bestaat
er brandgevaar.
N.B.
De eerste maanden mag de auto alleen met
de hand worden gewassen. De reden hiervoor
is dat de lak gevoeliger is als deze nieuw is.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken slechter. Maak ze
regelmatig schoon, bijvoorbeeld als u tankt.
Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen,
maar water en een niet krassende spons.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen
en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit
is een natuurlijk verschijnsel en alle externe
verlichting is erop gebouwd om dit zoveel
mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt
normaal uit het lamphuis, wanneer de lamp
enige tijd brandt.
Automatische wasstraat
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken, maar
de borstels van de wasstraat kunnen niet overal
BELANGRIJK
Deactiveer alvorens de auto een wasstraat in
te rijden de automatische rem bij stilstand
(Auto Hold) en de automatische activering
van de parkeerrem. Als u deze functies niet
deactiveert, zal het remsysteem bij stilstand
blokkeren zodat de auto niet kan rijden.
Voor automatische wasstraten waar de auto
wordt voortgetrokken geldt het volgende:
1.
Rijd de automatische wasstraat binnen.
2.
Deactiveer de automatische rem bij stilstand
(Auto Hold) met de schakelaar op de tunnelconsole.
3.
Deactiveer de automatische activering van de
parkeerrem via het middendisplay.
4.
Zet de keuzehendel in de stand N.
ONDERHOUD EN SERVICE
5.
Zet de motor af door de startknop op de tunnelconsole naar STOP te draaien. Houd de
knop minstens 4 seconden in de stand
STOP vast.
> De auto is klaar voor de automatische
wasstraat.
BELANGRIJK
Het systeem schakelt automatisch naar stand
P als bovenstaande stappen niet in acht worden genomen. In stand P zijn de wielen
geblokkeerd, wat ze niet moeten zijn bij wassen in een wasstraat.
Hogedrukreinigers
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de spuitkop op minstens 30 cm afstand van de auto
houdt. Spuit niet rechtstreeks in de richting van
de sloten.
Remmen testen
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal, als
u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder
aflegt. Door de wrijving worden de remblokken
warm, zodat het vocht verdampt. Doe hetzelfde bij
zeer vochtig of koud weer.
WAARSCHUWING
Test de rem na het wassen altijd, ook de parkeerrem, zodat vocht en corrosie de remvoering niet aantasten en de remmen verslechteren.
kent dat u de genoemde onderdelen alleen dient
te wassen met een reinigingsmiddel met een pH
tussen 3,5 en 11,5. Dit om verkleuring tegen te
gaan.
Wisserbladen
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs en dergelijke op de voorruit
gaan wisserbladen minder lang mee.
Zet de wisserbladen bij het reinigen in de servicestand.
N.B.
Reinig de wisserbladen en voorruit regelmatig
met een lauw sopje of autoshampoo. Gebruik
geen sterke oplosmiddelen.
Onderdelen die moeten worden schoongemaakt met
een reinigingsmiddel met een pH tussen 3,5 en 11,5.
Kunststof en rubber sieronderdelen
exterieur
Voor het reinigen en verzorgen van gekleurde
kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende strips, wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel te gebruiken
dat bij de Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg
bij het gebruik van dit reinigingsmiddel de
gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
De sierlijsten rond de portierruiten, de dakrails
van de auto en de portierframes bij de ruiten* zijn
gemaakt van geanodiseerd aluminium, wat bete-
}}
* Optie/accessoire. 571
ONDERHOUD EN SERVICE
||
BELANGRIJK
Waxen en polijsten van kunststof en rubber
onderdelen is niet toegestaan.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber onderdelen mag u, als dat
nodig is, alleen licht wrijven. Gebruik een
zachte spons.
Bij het polijsten van glanzende strips kan de
glanzende oppervlaktelaag wegslijten of
beschadigd raken.
Gebruik geen poetsmiddelen met een schurende werking.
BELANGRIJK
Was de auto bij voorkeur niet met reinigingsmiddelen met een pH lager dan 3,5 of hoger
dan 11,5. Geanodiseerde onderdelen van aluminium zoals de dakrails en de sierlijsten rond
de zijruiten kunnen anders verkleuren.
Gebruik nooit metaalpolijstpasta op onderdelen van geanodiseerd aluminium om verkleuring en schade aan de finish tegen te gaan.
Velgen
Gebruik alleen de velgreinigingsmiddelen die
Volvo adviseert.
Sterke velgreinigingsmiddelen kunnen het oppervlak beschadigen en vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
572
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Poetsen en in de was zetten (p. 572)
Wisserbladen in servicestand (p. 548)
Automatische rem bij stilstand (p. 424)
Parkeerrem gebruiken (p. 421)
Schakelstanden van automatische versnellingsbak (p. 402)
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden. U hoeft een nieuwe auto pas
na een jaar te poetsen. In de was zetten kunt u
eerder doen. Zorg dat de auto bij het poetsen of
in de was zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat
u begint te poetsen of de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met een teerverwijderaar of terpentine. U kunt hardnekkige vlekken
met een speciaal voor autolak bestemde, fijne
schuurpasta ("rubbing compound") verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op. Veel
preparaten bevatten zowel poetsmiddel als was.
ONDERHOUD EN SERVICE
Roestwering
Interieur reinigen
Waxen en polijsten van kunststof en rubber
onderdelen is niet toegestaan.
De auto heeft een efficiënte bescherming tegen
corrosie.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber onderdelen mag u, als dat
nodig is, alleen licht wrijven. Gebruik een
zachte spons.
Voor de carrosserie bestaat de corrosiebescherming uit moderne metallische, beschermende
lagen op de plaat, een hoogkwalitatief lakproces,
tegen corrosie beschermde en minimale plaatoverlappingen, evenals afschermende kunststof
componenten, slijtagebescherming en aanvullende roestwerende vloeistof op kwetsbare plaatsen. Deze combinatie garandeert dat de carrosserie langdurig gevrijwaard blijft van corrosieproblemen. In het chassis zijn de kwetsbare delen
van de wielophanging uitgevoerd in corrosiebestendig aluminiummateriaal.
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Reinig het interieur regelmatig en
behandel vlekken meteen voor het beste resultaat. Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
BELANGRIJK
Bij het polijsten van glanzende strips kan de
glanzende oppervlaktelaag wegslijten of
beschadigd raken.
Gebruik geen poetsmiddelen met een schurende werking.
BELANGRIJK
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling,
bescherming, glansverzegeling e.d. kunnen
lakschade veroorzaken. Lakschade als gevolg
van dergelijke behandelingen valt niet onder
de Volvo-garantie.
Gerelateerde informatie
•
•
Exterieur reinigen (p. 570)
Lakschade (p. 575)
Controleren en onderhouden
De corrosiebescherming van de auto hoeft normaal gesproken niet onderhouden te worden,
maar door de auto schoon te houden, verkleint u
de risico's op roestvorming nog verder. Sterk
alkalische of zure reinigingsvloeistoffen moeten
op glanzende sieronderdelen te allen tijde worden vermeden. Repareer eventuele steenslagplekken zo snel mogelijk na constatering.
BELANGRIJK
•
Sommige geverfde kledingstukken (zoals
spijkerbroeken en suède kleding) kunnen
afgeven en voor verkleuring van de bekleding zorgen. In dat geval is het belangrijk
om de verkleurde delen van de bekleding
zo spoedig mogelijk te reinigen en te verzorgen.
•
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen zoals
sproeiervloeistof, wasbenzine of terpentine voor het reinigen van het interieur,
omdat zowel de bekleding als de overige
interieuronderdelen daarbij beschadigd
kunnen raken.
•
Spuit reinigingsmiddelen nooit rechtstreeks op componenten met elektrische
knoppen of bedieningselementen. Maak
ze in plaats daarvan schoon met een
doek die u met het reinigingsmiddel
bevochtigd hebt.
•
Scherpe voorwerpen en klittenbandsluitingen kunnen de stoffen bekleding van
de auto beschadigen.
Gerelateerde informatie
•
•
Exterieur reinigen (p. 570)
Lakschade (p. 575)
}}
573
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Stoffen bekleding en plafondbekleding
Vermijd schrapen of wrijven bij een vlek om
schade aan de bekleding tegen te gaan. Gebruik
nooit sterke vlekkenmiddelen om verkleuring van
de bekleding tegen te gaan.
Leren bekleding*
De leren bekleding van Volvo is behandeld om de
bekleding in oorspronkelijke staat te bewaren.
Leren bekleding is een natuurproduct dat na verloop van tijd een mooi patina krijgt. Voor het
behoud van de eigenschappen en kleur van het
leer is regelmatige reiniging en verzorging vereist.
Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct, Volvo Leather Care Kit/Wipes, waarmee u
leren bekleding kunt reinigen en de beschermende laag kunt herstellen, mits u de instructies
opvolgt.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo de
beschermende crème een- à viermaal per jaar (zo
nodig vaker) op te brengen. U kunt de Volvo Leather Care Kit/Wipes kopen bij Volvo-dealers.
Leren stuurwiel
Leer moet kunnen ademen. Dek het leren stuurwiel nooit af met kunststof bescherming. Reinigen het leren stuurwiel bij voorkeur met Volvo
Leather Care Kit/Wipes.
Leren paneel*
Leer moet kunnen ademen. Dek het leer aan de
bovenkant van het dashboard of bij het portierpa-
574
neel nooit af. Voor het reinigen van leren panelen
adviseren wij Volvo Leather Care Kit/Wipes.
WAARSCHUWING
Gebruik voor alle zitplaatsen slechts één
inlegmat tegelijk en controleer alvorens weg
te rijden of de mat voor de bestuurdersstoel
goed in de bevestigingsklemmen op de vloer
vastzit om te voorkomen dat deze kan gaan
glijden en achter of onder de pedalen blijft
haken.
Interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken geadviseerd,
die verkrijgbaar zijn bij een erkende Volvo-werkplaats.
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit
sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordels
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel en
in het bijzonder het textielreinigingsmiddel dat bij
erkende Volvo-dealers verkrijgbaar is. Zorg dat de
gordel droog is, voordat deze weer wordt opgerold.
Voor vlekken op de vloermat wordt geadviseerd
het speciale reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken nadat u hebt gestofzuigd. U
dient vloermatten te reinigen met de door de
Volvo-dealer geadviseerde producten.
Gerelateerde informatie
•
Middendisplay reinigen (p. 575)
Inlegmatten en vloermat
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart schoon te
kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en
stof te verwijderen. Elk van beide inlegmatten zit
met pennen vast.
Verwijder de inlegmat door de inlegmat bij elk
van beide pennen vast te pakken en recht
omhoog te tillen.
Breng de inlegmat aan door deze bij beide pennen vast te drukken.
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Middendisplay reinigen
BELANGRIJK
Vuil, vlekken en vettige vingerafdrukken kunnen
ertoe leiden dat het middendisplay minder goed
werkt en minder goed af te lezen is. Reinig het
scherm regelmatig met een microvezeldoek.
De microvezeldoek moet bij het schoonmaken van het middendisplay vrij van zand en
vuil zijn.
BELANGRIJK
Breng alleen lichte druk aan op het scherm
bij het reinigen van het middendisplay. Bij te
hard drukken kan het scherm beschadigd
raken.
Lakschade
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. De meest voorkomende soorten lakschade zijn bijvoorbeeld
steenslagplekken, krassen en plekjes op de
spatbordranden, portieren en bumpers.
Kleurcode
De sticker voor kleurcode zit op de portierstijl en
wordt bij het openen van het rechter achterportier
zichtbaar.
BELANGRIJK
Spuit geen vloeistoffen of bijtende chemicaliën rechtstreeks op het middendisplay.
Gebruik geen ruitenreiniger, reinigingsmiddelen, sprays, oplosmiddelen, alcoholen, ammonia-oplossingen of schuren reinigingsmiddelen.
Homeknop voor middendisplay.
1.
Schakel het middendisplay uit door lang op
de homeknop te drukken.
2.
Neem het scherm af met de meegeleverde
microvezeldoek of gebruik een andere microvezeldoek van vergelijkbare kwaliteit. Neem
het scherm in kleine cirkelende bewegingen
af met een schone en droge microvezeldoek.
U kunt de microvezeldoek zo nodig licht
bevochtigen met schoon water.
3.
Activeer het display door kort op de homeknop te drukken.
Gebruikt nooit schurende poetsdoeken,
papieren handdoeken of zijdepapier omdat dit
aanleiding kan geven tot krassen op het middendisplay.
Kleurcode exterieur
Gerelateerde informatie
Eventuele secundaire kleurcode exterieur
Interieur reinigen (p. 573)
Het is belangrijk dat u de juiste kleur gebruikt.
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 34)
Geringe lakschade herstellen
Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct herstellen.
}}
575
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Eventueel benodigde materialen
• Grondlak (primer)20 - voor met kunststof
beklede bumpers en dergelijke zijn er spuitbussen met speciale hechtprimer verkrijgbaar.
•
basislak en heldere lak – verkrijgbaar in
spuitbussen of als bijwerkpen/-stift21.
•
•
Afplaktape.
Lakschade herstellen
Lakschade herstellen (p. 576)
Roer de grondlak (primer) goed door en
breng deze met een fijn kwastje, een lucifer
of iets dergelijks aan. Werk als de grondlak
droog is af met basislak en heldere lak.
Roestwering (p. 573)
N.B.
Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van de
lak af om eventuele lakresten te verwijderen.
Als de beschadiging tot op het metaal (plaat)
zit, moet een grondlak (primer) worden
gebruikt. Bij beschadiging van een kunststof
oppervlak moet voor een optimaal resultaat
een hechtprimer worden gebruikt - spuit wat
primer in de dop van de spuitbus en strijk
dun op.
576
3.
Bijwerkpennen en spuitbussen zijn verkrijgbaar
bij de Volvo-dealer.
Typeaanduidingen (p. 578)
1.
20
21
Vóór het lakken kunt u zo nodig (bij ongelijkmatige randen bijvoorbeeld) plaatselijk licht
schuren met zeer fijn schuurlinnen. Maak het
oppervlak goed schoon en laat drogen.
Krassen kunt u op de hierboven beschreven
manier herstellen, maar dek ter bescherming de
onbeschadigde lak rond de kras af.
fijn schuurlinnen20.
Gerelateerde informatie
•
•
•
2.
Bij reparatie van lakschade moet de auto schoon
en droog zijn en warmer zijn dan 15 °C.
Eventueel.
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen/-stift werden geleverd.
Als de steenslag niet tot het metalen oppervlak (blanke plaat) is doorgedrongen en er
nog steeds een intacte laklaag aanwezig is,
moet u de basislak en heldere lak direct aanbrengen nadat u het oppervlak hebt gereinigd.
Gerelateerde informatie
•
•
Lakschade (p. 575)
Exterieur reinigen (p. 570)
SPECIFICATIES
SPECIFICATIES
Typeaanduidingen
Typeaanduiding, chassisnummer en dergelijke
(autospecifieke informatie) staan aangegeven op
stickers in de auto.
Positie van stickers en plaatjes
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen of
accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om
de typeaanduiding, het chassisnummer en het
motornummer bij de hand te hebben.
578
SPECIFICATIES
Sticker voor typeaanduiding, chassisnummer,
maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcode voor
lakwerk en typegoedkeuringsnummer. De sticker
zit op de portierstijl en wordt bij het openen van
het rechter achterportier zichtbaar.
Sticker A/C-systeem voor auto's met het
koudemiddel R134a.
Sticker voor standverwarming.
Sticker voor motorcode en serienummer van
de motor.
Sticker voor motorolie.
Sticker A/C-systeem voor auto's met het
koudemiddel R1234yf.
}}
579
SPECIFICATIES
||
N.B.
Sticker voor typeaanduiding en serienummer
van de versnellingsbak.
De in de gebruikershandleiding afgebeelde
stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw auto
aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn alleen
bedoeld om aan te geven hoe de stickers er
in grote lijnen uitzien en waar ze ongeveer zitten. Op de stickers van de auto vindt u de
informatie die op uw auto van toepassing is.
Gerelateerde informatie
•
Sticker voor het identificatienummer van de
auto – VIN (Vehicle Identification Number).
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
580
Specificaties van de airconditioning
(p. 591)
SPECIFICATIES
Maten
In de tabel ziet u de maten van de auto wat de
lengte, hoogte en dergelijke betreft.
A
Maten
mm
Wielbasis
2941
Maten
G
Spoorbreedte vooras
mm
1628A
Maten
H
Spoorbreedte achteras
mm
1629A
B
Lengte
4936
1618B
C
Laadlengte, vloer, achterbank
neergeklapt
1988
1617C
1618C
1623D
1624D
D
Laadlengte, vloer
1153
E
Hoogte
1475
F
Laadhoogte
704
I
Laadbreedte, vloer
J
Breedte
1619B
1130
1879E
1890F
}}
581
SPECIFICATIES
||
A
B
C
D
E
F
582
Maten
mm
K
Breedte incl. buitenspiegels
2019
L
Breedte incl. ingeklapte buitenspiegels
1895
Geldt voor wielen van 17/18 inch.
Geldt voor wielen van 19 inch.
Geldt voor wielen van 20 inch.
Geldt voor wielen van 21 inch.
Carrosseriebreedte
Bij de portierlijsten.
SPECIFICATIES
Gewichten
Het maximale totaalgewicht staat aangegeven
op een sticker in de auto.
Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het
gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90% gevuld is en dat van de resterende oliën/vloeistoffen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (bij
gebruik van een aanhanger) zijn van invloed op
het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het
rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht –
rijklaar gewicht.
N.B.
Het gedocumenteerde rijklare gewicht geldt
voor een auto in de basisuitvoering, dus een
auto zonder extra uitrusting of opties. Dat
houdt in dat voor elke optie die wordt toegevoegd, de laadcapaciteit van de auto afneemt
met het gewicht van de optie.
Voorbeelden van opties die de laadcapaciteit
verminderen zijn de onderdelen voor de verschillende uitvoeringen (zoals Kinetic/
Momentum/Summum) en andere opties
zoals: trekhaak, lastdrager, dakbox, audiosysteem, verstralers, gps-navigatie, verwarming
op brandstof, veiligheidsrek, matten, bagagerolhoes, elektrisch bedienbare stoelen et
cetera.
De sticker zit op de portierstijl en wordt bij het openen
van het rechter achterportier zichtbaar.
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
De auto wegen is een betrouwbare methode
om na te gaan wat het rijklare gewicht van uw
auto is.
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
WAARSCHUWING
Het rijgedrag van de auto verandert door hoe
zwaar de auto beladen is en hoe de lading is
geplaatst.
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 100 kg.
Gerelateerde informatie
•
•
Typeaanduidingen (p. 578)
Trekgewicht en kogeldruk (p. 584)
583
SPECIFICATIES
Trekgewicht en kogeldruk
Max. gewicht geremde aanhanger
Het trekgewicht en de kogeldruk voor het rijden
met een aanhanger staan in de tabellen.
N.B.
Voor aanhangers/caravans zwaarder dan
1800 kg wordt een trillingsdemper op de
trekhaak geadviseerd.
584
Motor
MotorcodeA
Versnellingsbak
T5/Bi-Fuel
B4204T23
Automaat
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
1800
110
1800B
110
T6 AWD
B4204T27
Automaat
D3
D4204T9
Handgeschakelde
1800
110
D3
D4204T9
Automaat
1800
110
D3 AWD
D4204T4
Automaat
D4
D4204T14
Handgeschakelde
1800
110
D4
D4204T14
Automaat
1800
110
2200C
1800B
2200C
110
SPECIFICATIES
Motor
MotorcodeA
Versnellingsbak
D4 AWD
D4204T14
Automaat
D5 AWD
D4204T23
Automaat
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
1800B
110
2200C
1800B
110
2200C
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor.
Geldt voor auto's zonder verhoogd trekgewicht.
Geldt voor auto's met verhoogd trekgewicht.
A
B
C
BELANGRIJK
Bij ritten met een aanhanger achter de auto
is het toegestaan het totale gewicht van de
auto (inclusief het trekgewicht) tot 100 kg te
overschrijden, op voorwaarde dat er maximaal
100 km/h (62 mph) wordt gereden. Neem
echter altijd de landelijke wetgeving in acht
ten aanzien van bijvoorbeeld de snelheid van
de combinatie van auto plus aanhanger.
Max. gewicht ongeremde aanhanger
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
750
Gerelateerde informatie
•
•
Typeaanduidingen (p. 578)
Gewichten (p. 583)
•
•
50
Rijden met aanhanger (p. 440)
Aanhangerstabilisering* (p. 443)
* Optie/accessoire. 585
SPECIFICATIES
Motorspecificaties
N.B.
De motorspecificaties (vermogen et cetera.) voor
de verschillende motoralternatieven staan in de
tabel.
Vermogen
Vermogen
Koppel
(kW bij omw/min)
(pk bij omw/min)
(Nm bij omw/min)
187/5500
254/5500
350/1500–4800
4
B4204T27
235/5700
320/5700
400/2200–5400
4
D3
D4204T9
110/3750
150/3750
320/1750–3000
4
D3 AWD
D4204T4
110/4250
150/4250
350/1500-2500
4
D4 / D4 AWD
D4204T14
140/4250
190/4250
400/1750–2500
4
D5 AWD
D4204T23
173/4000
235/4000
480/1750-2250
4
Motor
MotorcodeA
T5/Bi-Fuel
B4204T23
T6 AWD
A
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor.
Gerelateerde informatie
•
•
•
586
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
Typeaanduidingen (p. 578)
Specificaties van de motorolie (p. 587)
Specificaties van de koelvloeistof (p. 590)
Aantal cilinders
SPECIFICATIES
Specificaties van de motorolie
De motoroliekwaliteit en de te hanteren hoeveelheden voor de verschillende motoralternatieven
staan in de tabel.
Volvo adviseert:
Motor
MotorcodeA
Oliekwaliteit
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
A
T5/Bi-Fuel
B4204T23
Castrol Edge Professional V 0W-20 of VCC RBS0-2AE 0W-20
ca. 5,9
T6 AWD
B4204T27
D3
D4204T9
D3 AWD
D4204T4
ca. 5,2
D4 / D4 AWD
D4204T14
ca. 5,2
D5 AWD
D4204T23
ca. 5,2
ca. 5,9
Castrol Edge Professional V 0W-20 of VCC RBS0-2AE 0W-20
ca. 5,2
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor.
}}
587
SPECIFICATIES
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
588
Typeaanduidingen (p. 578)
Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie (p. 589)
Motorolie controleren en bijvullen (p. 538)
Motorolie (p. 537)
SPECIFICATIES
Ongunstige rijomstandigheden voor
motorolie
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De
oliesoort werd met grote zorg geselecteerd
lettend op de levensduur van de motor, de
startgewilligheid, het brandstofverbruik en de
milieu-impact.
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden van
ongunstige rijomstandigheden.
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
•
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit
en dat zowel bij het bijvullen als bij het verversen van olie. Een negatieve invloed op de
levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact is
anders niet uitgesloten.
op hoge snelheden
bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C.
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere ritten
bij lage temperaturen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige
rijomstandigheden. Ze bieden de motor extra
bescherming.
Indien u geen motorolie van de voorgeschreven kwaliteit en viscositeit gebruikt, kunnen
aan de motor gerelateerde onderdelen
beschadigd raken. Volvo Cars wijst garantieaanspraken voor dit type schade af.
Volvo adviseert:
Volvo adviseert de olie in een erkende Volvowerkplaats te laten verversen.
Gerelateerde informatie
•
•
Specificaties van de motorolie (p. 587)
Motorolie (p. 537)
589
SPECIFICATIES
Specificaties van de koelvloeistof
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 %
water1, zie verpakking.
Specificaties van de
versnellingsbakolie
Specificaties van de remvloeistof
De voorgeschreven transmissieolie voor de verschillende versnellingsbakopties staat in de
tabel.
Handgeschakelde versnellingsbak
Voorgeschreven versnellingsbakolie:
BOT 350M3
Automatische versnellingsbak
Voorgeschreven versnellingsbakolie:
AW1
N.B.
In normale rijomstandigheden hoeft de transmissie-olie niet te worden ververst.
1
590
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
Remvloeistof is de naam van het middel in een
hydraulisch remsysteem, dat wordt gebruikt om
druk over te brengen vanuit bijvoorbeeld een
rempedaal via een hoofdremcilinder naar een of
meerdere hulpcilinders die op hun beurt een
mechanische rem bedienen.
Voorgeschreven kwaliteit: Volvo Original
DOT 4 klasse 6 of een vergelijkbare kwaliteit.
N.B.
Geadviseerd wordt remvloeistof te laten verversen of bijvullen door een erkende Volvowerkplaats.
SPECIFICATIES
Brandstoftank - inhoud
Specificaties van de airconditioning
De inhoud van de brandstof voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel.
De klimaatregeling van de auto maakt, afhankelijk van de markt, gebruik van het koudemiddel
R1234yf of R134a. Op een sticker aan de binnenkant van de motorkap staat aangegeven,
welk koudemiddel er in de klimaatregeling van
de auto zit.
Motor
Hoeveelheid (liter)
AWD
ca. 60
Overige motoren
ca. 55
Autogastank (CNG) – betreft Bi-Fuel
Tankinhoud
ca. 18 kg
N.B.
Sticker voor R1234yf
In de onderstaande tabellen ziet u welke kwaliteit
vloeistoffen en smeermiddelen er in het aircosysteem zitten en in welke hoeveelheden.
A/C-sticker
Sticker voor R134a
Daar de geleverde gasdruk per tankstation
kan verschillen, bestaan er verschillen in het
bij te vullen gashoeveelheid.
Gerelateerde informatie
•
Tankvulklep openen/sluiten en tanken
(p. 429)
}}
591
SPECIFICATIES
||
Toelichting symbolen R1234yf
Symbool
Betekenis
Voorzichtigheid betrachten
Mobiele airco (MAC)
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk. Service en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend worden
uitgevoerd door een erkende werkplaats.
650 g
Voorgeschreven kwaliteit
R1234yf
Type smeermiddel
WAARSCHUWING
Brandbaar koudemiddel
Koudemiddel
Auto's met koudemiddel R134a
Gewicht
700 g
592
Voorgeschreven kwaliteit
R134a
BELANGRIJK
Het is niet toegestaan de aircocondensor te
repareren of te vervangen door een gebruikte
condensor. De nieuwe condensor moet conform de SAE-norm J2842 zijn gekeurd en
gemerkt.
Auto's met koudemiddel R1234yf
Gewicht
Onderhoud aan de mobiele airco
(MAC) is voorbehouden aan een
bevoegd onderhoudsmonteur
Verdamper
In de airco-installatie zit koudemiddel
R1234yf onder druk. Conform de SAE-norm
J2845 (“Technician Training for Safe Service
and Containment of Refrigerants Used in
Mobile A/C System”) mogen service en reparatie aan het koudemiddelsysteem alleen worden uitgevoerd door een daartoe bekwaam en
bevoegd technicus om de veiligheid van het
systeem te garanderen.
Compressorolie
Hoeveelheid
60 ml
Voorgeschreven kwaliteit
PAG SP-A2
Gerelateerde informatie
•
•
Onderhoud aan klimaatregeling (p. 541)
Typeaanduidingen (p. 578)
SPECIFICATIES
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
Stadsverkeer
handgeschakelde versnellingsbak
Het brandstofverbruik voor een auto wordt
gemeten in liter per 100 km en de CO2-uitstoot
in gram CO2 per km.
Snelwegrit
Automatische versnellingsbak
Combinatierit
Uitleg
N.B.
gram CO2/km
Als de gegevens over brandstofverbruik en
emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement.
liter/100 km
T5 (B4204T23)
204
9,0
126
5,6
154
6,8
T6 AWD (B4204T27)
220
9,6
140
6,1
169
7,4
D3A (D4204T9)
142
5,4
106
4,0
119
4,5
D3B (D4204T9)
139
5,3
103
3,9
116
4,4
D3A (D4204T9)
137
5,2
109
4,1
119
4,5
D3B (D4204T9)
135
5,2
105
4,0
116
4,4
}}
593
SPECIFICATIES
||
A
B
D3 AWD (D4204T4)
149
5,7
116
4,4
128
4,9
D4 (D4204T14)
142
5,4
106
4,0
119
4,5
D4 (D4204T14)
139
5,2
108
4,1
119
4,5
D4 AWD (D4204T14)
149
5,7
116
4,4
128
4,9
D5 AWD (D4204T23)
150
5,7
117
4,5
129
4,9
Geldt niet voor de variant met een geringe emissie.
Geldt alleen voor de variant met een geringe emissie.
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in de
bovenstaande tabel zijn gebaseerd op speciale
EU-rijcycli (zie onder), die gelden voor een auto
met rijklaar gewicht in standaarduitvoering zonder
extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting
neemt het autogewicht toe. Dit alsook de mate
van belading van de auto zorgt voor een verhoging van het brandstofverbruik en de uitstoot van
kooldioxide.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor een
verhoogd brandstofverbruik ten opzichte van de
tabelwaarden. Daarbij valt te denken aan factoren
als:
594
•
•
•
Of de auto wordt uitgerust met extra accessoires die het gewicht van de auto verhogen.
Uw rijstijl.
De grotere rolweerstand als u kiest voor
andere wielen dan de standaardwielen op de
basisuitvoering van het model.
•
De grotere luchtweerstand bij hogere snelheden.
•
De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de
staat van de auto.
Een combinatie van de hier genoemde voorbeelden kan ook een aanzienlijk hoger verbruik opleveren.
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik
mogelijk bij een vergelijking met de EU-rijcycli
(zie onder) die gehanteerd worden bij certificering van de auto en waarop de verbruikscijfers in
de tabel gebaseerd zijn. Raadpleeg voor meer
informatie de richtlijnen waar eerder aan gerefereerd werd.
SPECIFICATIES
N.B.
Extreme weersomstandigheden, een aangekoppelde aanhanger/caravan of ritten op
grote hoogte zijn, in combinatie met de
brandstofkwaliteit, factoren die het brandstofverbruik aanzienlijk kunnen doen toenemen.
EU-rijcycli
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu ("EU-rijcycli"), alles conform EU
Regulation no 692/2008, 715/2007 (Euro 5 /
Euro 6) alsmede UN ECE Regulation no 101.
Aangezien de rijcycli ook worden gebruikt in het
kader van de kwaliteitscontrole worden er hoge
eisen gesteld aan de herhaalbaarheid van de
tests. Daarom worden de tests zorgvuldig gecontroleerd en alleen uitgevoerd voor de basisfuncties van de auto (bijvoorbeeld met gedeactiveerde airconditioning, radio et cetera). Als
gevolg hiervan zijn de resultaten van de officiële
cijfers niet vanzelfsprekend representatief voor
wat klanten ervaren bij daadwerkelijk gebruik van
de auto.
Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli "Stadsverkeer" en "Snelwegrit":
•
Stadsverkeer - De meting begint met een
koude start van de motor. Het betreft hier
een gesimuleerde rit.
•
Snelwegrit - de auto moet optrekken en
afremmen bij snelheden van 0–120 km/h
(0–75 mph). Het betreft hier een gesimuleerde rit.
De officiële waarde voor combinatierit, die in de
tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een
combinatie van de rijcycli "Stadsverkeer" en
"Snelwegrit".
Om de kooldioxide-emissie (CO2-uitstoot) tijdens
de twee rijcycli te berekenen worden de uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens
geanalyseerd en leiden tot de gespecificeerde
waarde voor de CO2-uitstoot.
Specificaties CNG
Typeaanduiding
Bi-Fuel
Vermogen, CNG
Het vermogen is vergelijkbaar met dat van een benzinemodel.
Emissienorm
Euro 6
N.B.
•
Er zijn vele uiteenlopende gaskwaliteiten
verkrijgbaar, ook gassoorten met een
lagere energie-inhoud en een kleinere
actieradius.
•
De bovenstaande brandstofverbruikswaarden gelden bij combinatieritten. Bij
stadsritten of snelwegritten op hoge
snelheden valt het verbruik iets hoger uit
en bij rustig ritten over secundaire wegen
iets lager.
CO2-emissie en brandstofverbruik
(autogas - CNG) - voor Bi-Fuel
Methaan
120
gram CO2/km
Groen gas
43
gram CO2/km
Combinatierit
kg/100 km
4,5
Gerelateerde informatie
•
•
•
Typeaanduidingen (p. 578)
Gewichten (p. 583)
Zuinig rijden (p. 436)
595
SPECIFICATIES
Goedgekeurde wiel- en
bandenmaten
In bepaalde landen staan niet alle goedgekeurde
maten aangegeven op de typegoedkeuring of
Motor
A
B
C
D
596
✓ = Goedgekeurd
andere autopapieren. In de onderstaande tabel
staan alle goedgekeurde velg- en bandcombinaties.
handb./
225/55R17A
245/45R18
255/40R19
255/35R20
245/35R21B
autom.
8x17x42
8x18x42
8,5x19x47
8,5x20x47,5
8,5x21x44,5
T5/Bi-Fuel (B4204T23)
autom.
✓
✓
✓
✓
✓
T6 AWD (B4204T27)
autom.
-
✓
✓
✓
✓
D3C
(D4204T9)
handb.
-
✓
-
-
-
D3D (D4204T9)
handb.
✓
✓
✓
✓
✓
D3C (D4204T9)
autom.
-
✓
-
-
-
D3D (D4204T9)
autom.
✓
✓
✓
✓
✓
D3 AWD (D4204T4)
autom.
✓
✓
✓
✓
✓
D4 (D4204T14)
handb.
✓
✓
✓
✓
✓
D4 (D4204T14)
autom.
✓
✓
✓
✓
✓
D4 AWD (D4204T14)
autom.
✓
✓
✓
✓
✓
D5 AWD (D4204T23)
autom.
✓
✓
✓
✓
✓
225/55 R17 is niet goedgekeurd voor auto's met actieve schokdemperregeling (Four-C)* of 18 inch remschijven. Informeer bij de Volvo-dealer naar de uitrusting van uw auto.
Auto's gebouwd met standaardchassis moeten worden geüpdatet met begrenzer voor de voorste wielophanging. Informeer bij de Volvo-dealer naar de uitrusting van uw auto.
Geldt alleen voor de variant met een geringe emissie.
Geldt niet voor de variant met een geringe emissie.
* Optie/accessoire.
SPECIFICATIES
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Lastindex en snelheidsklasse (p. 598)
Typeaanduidingen (p. 578)
Maataanduiding voor banden (p. 522)
Maataanduiding voor wielen (p. 522)
597
SPECIFICATIES
Lastindex en snelheidsklasse
In de onderstaande tabel staan de minimaal toelaatbare lastindex (LI) en snelheidsklasse (SS).
Motor
handb./
Minimaal toelaatbare lastindex (LI)A
Minimaal toelaatbare snelheidsklasse (SS)B
autom.
T5/Bi-Fuel
B4204T23
autom.
96
V
T6 AWD
B4204T27
autom.
96
W
D3
D4204T9
handb.
96
H
D3
D4204T9
autom.
96
H
D3 AWD
D4204T4
autom.
96
H
D4
D4204T14
handb.
96
V
D4
D4204T14
autom.
96
V
D4 AWD
D4204T14
autom.
96
V
D5 AWD
D4204T23
autom.
96
V
A
B
De lastindex van de band dient groter dan of minimaal gelijk te zijn aan de tabelwaarde.
De snelheidsklasse van de band dient groter dan of minimaal gelijk te zijn aan de tabelwaarde.
Gerelateerde informatie
598
•
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 596)
•
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 599)
•
•
Typeaanduidingen (p. 578)
Maataanduiding voor banden (p. 522)
•
Maataanduiding voor wielen (p. 522)
SPECIFICATIES
Goedgekeurde
bandenspanningswaarden
De goedgekeurde bandenspanningen voor de
verschillende motoralternatieven staan in de
tabel.
Motor
Bandenmaat
N.B.
Alle motoren, banden of combinaties daarvan
zijn niet altijd beschikbaar op alle markten.
Snelheid
(km/h)
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
0 - 160C
230
230
260
260
260
160+D
260
260
270
270
-
255/35 R20
0 – 160C
240
240
260
260
260
245/35 R21
160+D
300
300
310
310
-
max. 80E
420
420
420
420
-
245/45 R18
255/40 R19
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
C
D
E
Max. belading
(kPa)B
225/55 R17
Alle motoren
Belading, 1–3 inzittenden
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
0 - 100 mph
100+ mph
max. 50 mph
Gerelateerde informatie
•
•
•
Typeaanduidingen (p. 578)
Bandenspanning controleren (p. 502)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 596)
599
ALFABETISCH REGISTER
Temperatuur
Ventilator
1, 2, 3 ...
4WD
417
A
Aandrijflijn
Versnellingsbak
Aanhanger
kabel
pendelbeweging
rijden met een aanhanger
402
443
441
443
440, 442
Aanrijding
58, 61, 66, 72
Aansteker
230
ABS
antiblokkeerremsysteem
418
AC (Airconditioning)
196
ACC - Adaptieve cruisecontrol
301, 310
Accessoires en extra uitrusting
23
Accu
starten met hulpaccu
Achterbank
elektrische verwarming
hoofdsteun
Klimaat
ruggedeelten omklappen
ALFABETISCH REGISTER
400
133
210
133
193, 194
135
Achterklep
elektrisch bediend
vergrendelen/ontgrendelen
196
199
262, 265
256, 258
Achterportier
zonnescherm
158
Achterruit
elektrische verwarming
Sproeier
Wisser
201
156
156
Achteruitkijkspiegel
autodimfunctie
160
161
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Kompas
161, 162
Actieve parkeerhulp
bediening
Beperkingen
functie
Symbolen en meldingen
386
387
390
386
393
Adaptieve bochtverlichting
146
Adaptieve cruisecontrol
functie
inhalen
Radarsensor
snelheid instellen
stand-bystand
Storingzoeken
301, 310
301
309
328
304, 305
307
311
tijdelijk deactiveren
van cruisecontrolfunctie wisselen
volgtijd instellen
307
312
306
Afdekking
bagageruimte
236
Afdichtmiddel
508
Afsluitbare wielbouten
517
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie
526
Afstandsbediening HomeLink®
programmeerbaar
Airbag
Activeren/deactiveren
bestuurderszijde
passagierszijde
Airconditioning
167
66
69
67
67, 69
196
Airconditioning, vloeistof
hoeveelheid en kwaliteit
591
alarm
beperkt alarmniveau
deactiveren
272
272
274
Alarm
automatische herinschakeling
274
Alarmlichten
149
Alcoholslot
396
All Wheel Drive (vierwielaandrijving)
417
Android Auto
470
601
ALFABETISCH REGISTER
Antenne
positie
248
Antislipregeling
283
Antispin
283
Apple CarPlay
467, 468
424
420
Autoverzorging
Leren bekleding
570
574
Automatische schakelblokkering deactiveren
406
AUX
contact voor aansluiting van media
464
Automatische snelheidsbegrenzer
291
AWD, vierwielaandrijving
417
Applicatiemanager
529
Applicaties
Instellingen
Automatische stop van motor
autostop
408
184
Approach-verlichting
153
Automatische versnellingsbak
aanhanger
402
442
Automatische wasstraat
570
Automatisch geregeld klimaat
195
143
Apps
450
downloaden, updaten en deïnstalleren 487
Asbak
230
Automatisch groot licht
Audio en media
450
Auto met internetaansluiting
afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie
Audio-instellingen
Displaymelding
media
media spelen
Telefoon
Autoberging
Autofuncties
op middendisplay
Autogas
Autogastank (CNG)
inhoud
602
Automatische rem
na een aanrijding
451, 481
479
465
459
480
447
48
104, 529
591
Autogordel, zie Veiligheidsgordel
61
Automatische hervergrendeling
251
526
Auto met internetverbinding
afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie
auto verbinden
geen of een slechte verbinding
481
526
482
485
Automodem
auto aansluiten op internet
Instellingen
482
486
Auto opnemen
533
Autostatus
Bandenspanning
526
505
Autovakantie
427
B
Bagageafdekking
236
Bagagerek
240
Bagageruimte
bagagenet
bevestigingspunten
elektrische aansluiting
Verlichting
233
239
234
226
151
Banden
band afdichten
bandenspanningscontrole
demonteren
draairichting
maten
monteren
opbergen
profieldiepte
slijtage-indicator
spanning
specificaties
Winterbanden
500
508
503
514
501
596
516
500
519
502
502, 599
596, 598, 599
519
ALFABETISCH REGISTER
Bandenmaat
514, 522
Banden oppompen
513
Bandenspanningscontrole
Kalibreren
lage bandenspanning
503
507
506
Bandenspanningstabel
502
Batt. sleutel bijna leeg
266
Batterij
Hulponderhoud
StartSymbolen op de accu
Waarschuwingssymbolen
555
552
552
554
554
Bedrijfsrem
Beglazing
418, 419
33
Behoud van klimaatcomfort
start/uitschakelen
213
218
Bekleding
573
Benzinekwaliteit
433
Bergen
447
Bestuurdersdisplay
applicatiemenu
Meldingen
110
112
Bestuurdersprestatie
174
Bestuurdersprofiel
bewerken
179, 181, 182, 183
181
importeren/exporteren vanuit/naar
USB
kiezen
183
180
Beveiliging tegen overbelasting, panoramadak
167
Bi-Fuel
inleiding
Schakelaar
BLIS
159
160
201
160
159
Buitentemperatuurmeter
103
55
431
352, 353, 354
Bluetooth
aansluiten
auto aansluiten op internet
Instellingen
Telefoon
463
482
481
474
Bochtverlichting
147
Boordcomputer
171, 172, 174
Botsing, zie Aanrijding
Buitenspiegels
autodimfunctie
elektrische verwarming
elektrisch inklapbaar
resetten
58
C
Camerasensor
348
Cd-speler
463
Centrale vergrendeling
City Safety™
253
341, 344, 345, 347, 348, 350
Claxon
136
Clean Zone Interior Package
191
CO2-uitstoot
593
432, 433, 434
433, 434
593
Collision Warning
Radarsensor
voetgangersdetectie
341
328
345
Brandstofdampen
432
Brandstofgebrek
dieselolie
Compact reservewiel
compact reservewiel
518
518
435
Brandstoftank
inhoud
Condens
Condens in koplamp
570
591
Condens in koplamp
570
Brandstof tanken
429
Buitenmaten
581
Connected Car
systeemupdates
530
Brandstof
aanduiding
brandstofverbruik
603
ALFABETISCH REGISTER
Contactslotstand
397
Controlesymbolen
99
Corner Traction Control
283
456
Elektrische aansluiting
Dimlicht
142
Elektrische achterklepbediening
Displaymeldingen
hanteren
opgeslagen
112
114
115
Elektrische parkeerrem
lage accuspanning
Cruisecontrol
snelheid instellen
tijdelijk deactiveren
uitschakelen
294
294, 295
296
297
Distance Alert
Beperkingen
CTA
355, 356
Doorsteekluik
236
Doorwaaddiepte
Draairichting
CZIP (Clean Zone Interior Package)
604
Digitale radio (DAB)
191
D
Drive-E
Milieubeleid
DAB-radio
456
Dagrijlicht
142
Driver Alert Control
bediening
Dagteller op nul stellen
172
Dagtellers
171
Dakbelasting, max. gewicht
583
Dashboardkastje
231
Data
opnemen
overdracht tussen auto en werkplaats
22
531
421
423
Elektrische stoelbediening
127, 129
425
Elektrische verwarming
Ruiten
Stoelen en achterbank
stuurwiel
201
210
213
501
Elektrisch inklapbare buitenspiegels
160
Elektrisch systeem
552
Elektronische startblokkering
270
Ethanolgehalte
max. 10 volumeprocent
433
Etiketten
578
Extra verwarming (Hulpverwarming)
222
298, 299
300
26
363
364
E
ECO-bandenspanning
226
262, 265
502, 599
F
ECO-stand
414
Eerste hulp
522
Fietserdetectie
EHBO-kit
522
Flitskast
361
Elektrisch bedienbare ruiten
resetten
156
158
Follow Me Home-verlichting
153
Four-C
416
Foutmeldingen
Adaptieve cruisecontrol
zie Meldingen en symbolen
Diagnoseaansluiting
23
Diesel
brandstofgebrek
435
Elektrisch bedienbare zijruiten resetten
158
Dieselolie
434
Elektrisch bediend panoramadak
163
345
313
313, 327
ALFABETISCH REGISTER
Foutmeldingen BLIS
FSC, milieulabel
358
33
Gordelwaarschuwing
65
In de was zetten
572
Gracenote®
461
Inflatable Curtain
72
Groot licht
143
Informatiedisplay
94, 98
G
Gastank
inhoud
Gebruikershandleiding
milieulabel
op middendisplay
H
591
19
33
15, 16
Gebruikershandleiding in de mobiel
18
Gebruikersinformatie
14
Geïntegreerde stoelverhoger
inklappen
uitklappen
86
88
86
Gelaagd glas
33
Gereedschap
Gevarendriehoek
444, 520
520
Gewichten
rijklaar gewicht
583
Gladde wegen
428
Gladheid
428
Glazen
gelaagd/versterkt
gloeilampen, specificaties
Gordelspanners
33
548
62
Infotainment (Audio en media)
450
Inklapbare trekhaak
437
Inparkeerhulp - PAP
386
175
176
175
179
178
185
handgeschakelde versnellingsbak
404
Hefgereedschap
521
Hellingrem
Hill Start Assist (HSA)
424
Instellingen
Categorieën
Instellingenscherm
Resetten
Systeeminstellingen
Hill Start Assist
424
Instellingen herstellen
Hoge motortemperatuur
426
HomeLink®
167
Instrumenten, schakelaars en bediening
Hoofdsteun
133
Hoogte lichtbundel koplampen aanpassen
140
Houder voor boodschappentassen
235
Hulpaccu
555
Hulpverwarming
222
I
IAQS (Interior Air Quality System)
IC (Inflatable Curtain)
191
72
90, 91
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links
auto met stuur rechts
90
91
Instrumentenpaneel
instellingen
94
98
IntelliSafe
rijhulp
Interieur
aansteker
asbak
elektrische aansluiting
tunnelconsole
Zonneklep
29
224
230
230
226
225
232
605
ALFABETISCH REGISTER
Interieurluchtfilter
191
Interieurverlichting
automatische functie
150
150
Interieurverwarming (Standverwarming)
221
81
78
75
79
85
82
Interior Air Quality System
191
Internet, zie Auto met internetverbinding
481
Kleurcode, lak
575
Intervalfunctie wisser
154
iPod®, aansluiting
464
Klimaat
automatische regeling
gevoelstemperatuur
parkeerplaats
sensoren
spraakherkenning
temperatuurregeling
ventilatieregeling
zones
188
195
189
213
189
124
196
199
188
iTPMS - Indirect Tyre Pressure Monitoring
System
503, 505, 506, 507
K
Kachel
hulpverwarming
Standverwarming
220
222
221
Katalysator
Bergen
446
Keuzehendelblokkering
406
Key tag
244
Kilometerstand
171
Kinderslot
270
Kinderveiligheid
Kinderveiligheidszitje
Bovenste bevestigingspunten
geïntegreerde stoelverhoger
606
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten
onderste bevestigingspunten
plaatsen/monteren
plaatsingstabel
tabel voor i-Size
tabel voor ISOFIX
74
74, 75
77
86
Klimaatregeling
Achterbank
middendisplay
reparatie
Klok, instellen
188, 192
194
193
541
103
Krik
521
L
Laag oliepeil
538
Lading vervoeren
algemene informatie
bagageruimte
lange lading
verankeringsogen
233
233
234
234
Lage accuspanning
Startaccu
427
Lak
kleurcode
lakschade en herstel ervan
575
575, 576
Lampen
Lane Keeping Aid - LKA
542
366, 368, 369
Lasthaken
235
Lastindex
522
Lekke band
508
Koelsysteem
oververhitting
426
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften
574
Koelvloeistof
590
Licentieovereenkomst
488
Koelvloeistof, bijvullen
539
Lichtbundel, aanpassen
147
Kompas
kalibreren
161
162
Lichtbundel aanpassen
147
Koudemiddel
541
ALFABETISCH REGISTER
Lichtbundel koplampen
aanpassen
hoogteregeling
Lichtbundel koplampen aanpassen
LKA - Lane Keeping Aid
Loopvlak
Luchtkwaliteit
allergie en astma
interieurluchtfilter
Luchtrecirculatie
Luchtverdeling
blaasmonden
ontdooien
recirculatie
tabel met alternatieven
wijzigen
Luchtzak, zie Airbag
147
140
Mediaspeler
compatibele bestandsformaten
spraakherkenning
458
472
123
147
Meldingen BLIS
358
Meldingen en symbolen
Adaptieve cruisecontrol
Collision Warning with Auto Brake
Motorolie, bijvullen
538
313
350
Motoroliepeil controleren
538
Motorremregeling
283
Metr., Imper., VS
103
Middenconsole
225
Motorruimte
koelvloeistof
Motorolie
overzicht
539
537
536
Motorspecificaties
586
Motor starten
398
Motor uitzetten
400
366, 368, 369
502
190, 191
191
191
204
204
204, 206
201
204
208
205
66
M
Make-upspiegel
verlichting
151
Maten
Trekhaak
581
439
Max. dakbelasting
583
Middendisplay
bediening
instellingen wijzigen
klimaatregeling
Meldingen
overzicht
Reinigen
symbolen op statusbalk
37, 41
46
193
112
34
575
46
Motorolie
filter
kwaliteit en hoeveelheid
ongunstige rijomstandigheden
N
Mistverlichting
achter
Voor
148
147
Net
bagageruimte
Mobiele telefoon, zie Telefoon
475
Niveauregeling
Motor
oververhitting
Start/Stop
starten
uitschakelen
426
408
398
400
Motor afzetten
400
Motorkap, openen
535
537, 589
537
587
589
Noodreparatieset banden
Noodreparatieset voor banden
afdichtmiddel
band oppompen
overzicht
positie
239
416
508, 513
509
508
513
509
508
607
ALFABETISCH REGISTER
resultaat controleren
uitvoering
Nooduitrusting
EHBO-kit
gevarendriehoek
509
509
PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch) 69
522
520
O
octaangetal
Olie, zie ook Motorolie
433
587, 589
Panoramadak
beveiliging tegen overbelasting
openen en sluiten
Ventilatiestand
zonnescherm
167
164
166
163
PAP - Actieve parkeerhulp
386
Park Assist
functie
374, 376, 378
374, 376
379, 381, 384
383
Ondergelopen weg
425
Onderhoud
roestwering
Parkeerhulpcamera
Instellingen
573
Ontdooien
201
Parkeerklimaat
Symbolen en meldingen
Ontgrendelen
met sleutelblad
van de buitenzijde
260
249
Op afstand bediende startblokkering
270
Opbergmogelijkheden
dashboardkastje
tunnelconsole
224
231
225
Opblaasgordijn
Optie/accessoire
Oververhitting
608
Positie buitenspiegels herstellen
P
72
19
426, 442
213
219
Parkeerrem
421, 423
Partikelfilter
435
Passenger Airbag Cut Off Switch
69
Pedestrian Protection System
61
Peilstok, elektronisch
538
Persoonlijke rijmodus
412
Pilot Assist
inhalen
315, 318, 320, 321, 322,
324, 325, 327
309
pincode
486
Poetsen
572
159
PPS (Pedestrian Protection System)
Preconditioning
start/uitschakelen
timer
61
213
214
215
Profieldiepte
502, 519
Q
Queue Assist
315, 320, 327
R
Radarsensor
Beperkingen
301
330
Radio
DAB
Instellingen
spraakherkenning
vervangen en radiozender zoeken
452
456
457
123
452
Red Key
247
Regeneratie
435
Regensensor
154
Reinigen
Automatische wasstraat
bekleding
570
573
ALFABETISCH REGISTER
middendisplay
Stoffen bekleding
veiligheidsgordels
Velgen
wasstraat
575
573
574
572
570
Rijden
koelsysteem
met een aanhanger
426
440
Rijden met een aanhanger
kogeldruk
trekgewicht
584
584
Safety mode
start/verplaatsen
428
Schakelindicatie (GSI)
405
Schakelindicator
405
Schakelstanden
Automatische versnellingsbak
402
sensoren
Klimaat
Luchtkwaliteit
189
191
S
Safelock-functie
deactiveren
255
255
72
73
Remfuncties
417
Remhulp
na een aanrijding
420
Rijeigenschappen aanpassen
Remlichten
148
Rijklaar gewicht
583
Rijmodus
412
Ritstatistiek
174
Roestwering
573
Roetfilter dieselmotor
435
Roll Stability Control
282
Sensus
aansluiting en entertainment
RSC-systeem (Roll Stability Control)
282
Serviceprogramma
Rijden tijdens de winter
Remmen
antiblokkeerremsysteem, ABS
automatisch bij stilstand
noodremlichten
parkeerrem
remkrachtverhoging, BAS
Remlichten
remsysteem
418
418
424
419
421, 423
420
148
417
Remvloeistof
kwaliteit
590
Resetten dagteller
172
Richtingaanwijzer
149
Richtingaanwijzers
149
Rijadviezen
427
Rijbaanassistent
bediening
315, 320, 327
368
Rugleuning
achterbank, omklappen
stoel voorin, verstellen
282, 412
135
126, 127, 129
548
Sfeerverlichting
151
Side Impact Protection System
158
SIM-kaart
Ruitenwisser voor
Regensensor
153
154
SIPS-airbag
371, 373
526
Servicestand
Ruit
rolgordijn
Run-off Road Protection
30
71, 72
486
71
SIPS-airbag (Side Impact Protection System)
71, 72
Sleepoog
444
Slepen
446
Sleutel
182, 244, 247, 252
609
ALFABETISCH REGISTER
Slijtage-indicator
Snelheidsbegrenzer
beknopte bedieningsinstructies
tijdelijk deactiveren
uitschakelen
Snelheidsklassen, banden
Spiegel
achteruitkijk-
522
160
Spiegels
buiten-
15