Volvo | V90 Twin Engine | Gebruikershandleiding | Volvo V90 Twin Engine 2020 Early Gebruikershandleiding

Volvo V90 Twin Engine 2020 Early Gebruikershandleiding
V90
TWIN ENGINE
G E BR U IKE R S H ANDL E IDING
VÄLKOMMEN!
We hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij
het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers
vooropgestaan. Volvo streeft ernaar auto's te bouwen die tot de veiligste ter wereld behoren. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle
geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw Volvo te hebben, adviseren we u om
de instructies en de onderhoudsinformatie in deze gebruikershand-
leiding door te nemen. De gebruikershandleiding is tevens beschikbaar als mobiele app (Volvo Manual) en op de supportsite van Volvo
Cars (support.volvocars.com).
We adviseren bovendien iedereen om in deze auto en andere auto's
de veiligheidsgordel te dragen. Rijd niet wanneer u onder de invloed
bent van alcohol of medicijnen – of als u rijvermogen om wat voor
reden dan ook beperkt is.
INHOUD
INFORMATIE VOOR DE
EIGENAAR
2
UW VOLVO
VEILIGHEID
Volvo ID
28
Veiligheid
44
28
Veiligheid tijdens de zwangerschap
45
45
Bedieningsinformatie
18
Volvo ID aanmaken en registreren
Gebruikershandleiding op middendisplay
19
Drive-E - schoner rijplezier
30
Whiplash Protection System
Navigeren in de gebruikershandleiding op het middendisplay
21
IntelliSafe – rijhulp en veiligheid
33
Pedestrian Protection System
47
34
Veiligheidsgordels
48
Gebruikershandleiding op mobiele
apparaten
23
Sensus – connectiviteit en entertainment
Software-updates
37
Veiligheidsgordel omdoen en losmaken
48
Supportsite van Volvo Cars
23
Vastlegging van gegevens
37
Gordelspanners
50
Gebruikershandleiding doornemen
24
Servicevoorwaarden
38
Elektrische gordelspanner resetten
51
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding
26
Privacybeleid voor klanten
38
Portier- en gordelwaarschuwing
52
Belangrijke informatie over accessoires en extra uitrusting
39
Airbags
53
Installatie van accessoires
39
Bestuurdersairbags
54
Uitrusting aansluiten op de diagnoseaansluiting van de auto
40
Passagiersairbag
55
57
VIN van de auto tonen
41
Passagiersairbag* activeren en
deactiveren
Afleiding van de bestuurder
41
Zijairbags
59
Opblaasgordijnen
60
Safety Mode
61
Auto in Safety Mode starten en
verplaatsen
61
Kinderveiligheid
62
Kinderzitje
63
Bovenste bevestigingspunten
voor kinderzitjes
64
Onderste bevestigingspunten
voor kinderzitjes
65
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten
voor kinderzitjes
65
Positie van kinderzitje
66
Kinderzitje monteren
67
Plaatsingstabel voor kinderzitjes
die de veiligheidsgordel in de auto
gebruiken
69
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
71
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
72
Geïntegreerd kinderzitje*
76
Zitkussen van geïntegreerd kinderzitje* uitklappen
77
Zitkussen van geïntegreerd kinderzitje* inklappen
78
Instrumenten en bediening bij een
auto met het stuur links
82
Melding op bestuurdersdisplay
109
Instrumenten en bediening bij een
auto met het stuur rechts
83
Melding op bestuurdersdisplay
hanteren
110
Bestuurdersdisplay
86
Opgeslagen bestuurdersdisplaymeldingen hanteren
111
Instellingen voor bestuurdersdisplay
88
Overzicht van het middendisplay
113
Brandstofmeter
89
Middendisplay hanteren
115
Hybridemeter
89
118
Hybridemeter
90
Middendisplay activeren en deactiveren
Boordcomputer
91
Navigeren in schermen op het
middendisplay
118
Ritstatistieken tonen op het
bestuurdersdisplay
93
Deelschermen op middendisplay
hanteren
122
Dagteller resetten
94
Functiescherm op het middendisplay
Verbruiksinfo weergeven op het
middendisplay
125
94
Apps en knoppen op middendisplay verplaatsen
127
Instellingen voor verbruiksinfo
95
Datum en tijd
Symbolen op de statusbalk van
het middendisplay
127
96
Buitentemperatuurmeter
96
Toetsenbord op middendisplay
129
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
97
Taal wijzigen voor toetsenbord
van middendisplay
133
Waarschuwingssymbolen op
bestuurdersdisplay
99
Handmatig tekens, letters of
woorden invoeren op middendisplay
133
Licentieovereenkomst voor
bestuurdersdisplay
101
Opzet van middendisplay aanpassen
135
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
135
107
Appmenu op bestuurdersdisplay
hanteren
108
Volume van systeemgeluid uitschakelen of aanpassen op middendisplay
Systeemeenheden wijzigen
136
3
VERLICHTING
4
Systeemtaal wijzigen
136
Stembediening gebruiken
151
Verlichtingsbediening
158
Instellingen wijzigingen op het
hoofdscherm van het middendisplay
136
Stembediening telefoon
153
159
Contextuele instellingen openen
op het middendisplay
137
Stembediening radio en media
154
Verlichtingsfuncties aanpassen via
het middendisplay
Instellingen voor stembediening
154
Stadslichten voor/achterlichten
160
Gebruikersgegevens resetten bij
doorverkoop
138
Dagrijlicht
160
Dimlicht
161
162
Instellingen resetten op middendisplay
138
Groot licht gebruiken
Automatisch groot licht
162
Tabel met instellingen op middendisplay
139
Richtingaanwijzers gebruiken
164
Bestuurdersprofielen
140
Actieve bochtverlichting*
165
Bestuurdersprofiel kiezen
141
Mistachterlicht
165
Naam van bestuurdersprofiel wijzigen
142
Remlichten
166
Bestuurdersprofiel beveiligen
142
Noodremlichten
166
Transpondersleutel koppelen aan
bestuurdersprofiel
143
Alarmlichten
167
167
Instellingen resetten in bestuurdersprofielen
144
Follow Me Home-verlichting
gebruiken
Approach-verlichting
168
168
170
Melding op het middendisplay
145
Interieurverlichting
Meldingen op middendisplay hanteren
145
Interieurverlichting aanpassen
Opgeslagen middendisplaymeldingen hanteren
146
Head-updisplay*
147
Head-updisplay* activeren en
deactiveren
148
Instellingen voor head-updisplay*
149
Stembediening
150
RUITEN, GLASWERK EN
SPIEGELS
STOELEN EN STUURWIEL
Ruiten, lampglazen en spiegels
174
Inklembeveiliging op ruiten en
zonneschermen
174
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
175
Elektrisch bedienbare ruiten
175
Elektrisch bedienbare ruiten
176
Zonnescherm gebruiken*
177
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
178
KLIMAAT
Handmatig bediende voorstoel
194
Klimaatregeling
212
Elektrisch bedienbare* voorstoel
195
Klimaatzones
212
Elektrisch bedienbare* voorstoel
verstellen
195
Klimaatsensoren
212
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels en head-updisplay*
196
Gevoelstemperatuur
213
Stembediening klimaat
213
Luchtkwaliteit
214
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels en head-updisplay
gebruiken*
197
Instellingen voor massagefunctie*
van voorstoel
198
Clean Zone*
215
Clean Zone Interior Package*
216
Interior Air Quality System*
216
199
Luchtkwaliteitssensor* activeren
en deactiveren
217
Verlengbaar zitkussen* voorstoel
verstellen
200
Interieurfilter
217
183
Zijsteunen* voorstoel verstellen
Automatische sluiting van zonnescherm van panoramadak*
185
Wisserbladen en sproeiervloeistof
Voorruitwissers gebruiken
Dimfunctie van spiegels aanpassen
179
Buitenspiegels kantelen
180
Panoramadak*
Instellingen voor massagefunctie*
voorstoel aanpassen
181
Panoramadak* bedienen
Luchtverdeling
217
201
Luchtverdeling aanpassen
Lendensteun* voorstoel verstellen
218
202
203
Blaasmonden openen, sluiten en
richten
219
186
Passagiersstoel verstellen vanaf
bestuurdersstoel*
186
Tabel met luchtverdelingsstanden
Rugleuning achterbank omklappen
220
Regensensor gebruiken
204
187
Klimaatregelingsbediening
Hoofdsteunen achterbank verstellen
223
Geheugenfunctie van regensensor
gebruiken
206
188
Bedieningselementen op stuurwiel en claxon
224
207
Elektrische voorstoelverwarming*
activeren en deactiveren
Voorruit- en koplampsproeiers
gebruiken
189
Stuurslot
Achterruitwisser en -sproeier
190
Stuurwiel verstellen
208
Automatische inschakeling van
elektrische stoelverwarming
voorin* activeren en deactiveren
225
208
191
Elektrische stoelverwarming achter* activeren en deactiveren
226
Automatische activering achterruitwisser bij achteruitrijden
Stoelventilatie voor* activeren en
deactiveren
226
5
Elektrische stuurverwarming*
activeren en deactiveren
227
Automatische inschakeling van
elektrische stuurverwarming* activeren en deactiveren
228
Automatische klimaatregeling
activeren
228
236
Preconditioning
237
Preconditioning in- en uitschakelen
237
SLEUTELS,
VERGRENDELINGEN EN
ALARM
Vergrendelingsindicatie
252
253
Timerinstelling voor preconditioning
239
Timerinstelling voor preconditioning toevoegen en bewerken
Instelling voor vergrendelingsbevestiging
239
een transpondersleutel
254
256
Luchtrecirculatie activeren en
deactiveren
229
Timerinstelling voor preconditioning activeren en deactiveren
241
Vergrendelen en ontgrendelen
met transpondersleutel
Timerinstelling voor luchtrecirculatie activeren en deactiveren
229
Timerinstelling voor preconditioning verwijderen
241
Instellingen voor ontgrendeling op
afstand en van de binnenzijde
257
Maximale ontwaseming activeren
en deactiveren
230
Klimaatcomfort bij parkeren
242
258
Elektrische voorruitverwarming*
activeren en deactiveren
231
Klimaatcomfort tijdens het parkeren inschakelen en uitschakelen
Achterklep ontgrendelen met
transpondersleutel
242
Bereik transpondersleutel
259
232
Symbolen en meldingen voor parkeerklimaat
244
260
Automatische inschakeling van
elektrische voorruitverwarming*
activeren en deactiveren
Batterij in transpondersleutel vervangen
Verwarming
246
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en
deactiveren
232
Automatische inschakeling van
elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en
deactiveren
233
Ventilatorstand voorin regelen
233
Temperatuur voorin regelen
6
Parkeerklimaat
234
Temperatuur synchroniseren
235
Airconditioning activeren en deactiveren
236
Meer transpondersleutels nabestellen
263
Red Key – transpondersleutel met
beperkte functionaliteit*
263
Standverwarming
247
Extra verwarming
248
Automatische inschakeling van
extra verwarming activeren en
deactiveren
Instellingen voor Red Key*
249
264
Afneembaar sleutelblad
265
Vergrendelen en ontgrendelen
met afneembaar sleutelblad
267
Elektronische startblokkering
268
Typegoedkeuring voor transpondersleutels
270
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige zones*
279
Passief vergrendelen en ontgrendelen* 280
Instellingen voor passieve ontgrendeling*
281
Achterklep passief ontgrendelen*
BESTUURDERSONDERSTEUNI
NG
Rijhulpsystemen
300
281
Snelheidsafhankelijke stuurkracht
300
Locatie antennes voor start- en
vergrendelingssysteem
282
Elektronische stabiliteitsregeling
301
Vergrendelen en ontgrendelen van
de binnenzijde van de auto
283
Elektronische stabiliteitsregeling
in de Sportstand
302
Achterklep ontgrendelen vanaf de
binnenzijde
284
Sportstand van elektronische stabiliteitsregeling activeren of deactiveren
303
Kinderslot activeren en deactiveren
285
286
Symbolen en meldingen voor
elektronische stabiliteitsregeling
304
Automatische vergrendeling bij
het wegrijden
Connected Safety
305
Elektrisch bedienbare achterklep*
openen en sluiten
287
Connected Safety activeren of
deactiveren
306
Maximale openingshoek voor
elektrische achterklepbediening*
programmeren
290
Achterklep openen en sluiten met
een schopbeweging*
Automatische snelheidsbegrenzer
314
Automatische snelheidsbegrenzer
activeren of deactiveren
315
Tolerantie voor de automatische
snelheidsbegrenzer wijzigen
316
Beperkingen van de automatische
snelheidsbegrenzer
317
Cruisecontrol
317
Cruisecontrol kiezen en activeren
318
Cruisecontrol deactiveren
319
Stand-bystand voor cruisecontrol
320
Adaptieve cruisecontrol*
320
Bediening en displayweergave
met betrekking tot adaptieve
cruisecontrol*
322
Adaptieve cruisecontrol* kiezen en
activeren
323
Beperkingen van Connected Safety
307
Afstandswaarschuwing*
308
290
Afstandswaarschuwing activeren
of deactiveren
309
Adaptieve cruisecontrol* deactiveren
324
Privacy locking
292
309
292
Stand-bystand voor adaptieve
cruisecontrol*
325
Privacy locking activeren en deactiveren
Beperkingen van afstandswaarschuwing
Snelheidsbegrenzer
310
294
311
Alarm* activeren en deactiveren
295
Snelheidsbegrenzer kiezen en
activeren
Beperkingen van adaptieve cruisecontrol*
326
Alarm*
296
312
Safelock-functie*
297
Snelheidsbegrenzer tijdelijk deactiveren
313
Wisselen tussen cruisecontrol en
adaptieve cruisecontrol* op het
middendisplay
327
Verlaagde guard*
Snelheidsbegrenzer deactiveren
297
Beperkingen van de snelheidsbegrenzer
313
Symbolen en meldingen voor
adaptieve cruisecontrol*
328
Safelock-functie* tijdelijk deactiveren
Pilot Assist*
330
7
8
Bediening en displayweergave
met betrekking tot Pilot Assist*
332
Pilot Assist* kiezen en activeren
333
Pilot Assist* deactiveren
335
Stand-bystand voor Pilot Assist*
335
Tijdelijke uitschakeling van stuurhulp met Pilot Assist*
336
Beperkingen van Pilot Assist*
337
Symbolen en meldingen voor
Pilot Assist*
339
Waarschuwing rijhulpsystemen bij
een dreigende botsing
340
Van doelvoertuig veranderen met
rijhulpsystemen
Typegoedkeuring voor radarsensor
350
Beperkingen van BLIS
382
Camera
358
Meldingen voor BLIS
383
Beperkingen van de gecombineerde camera en radarsensor
359
Cross Traffic Alert*
384
Aanbevolen onderhoud van de
gecombineerde camera en radarsensor
364
Cross Traffic Alert* activeren of
deactiveren
385
Beperkingen van Cross Traffic Alert*
385
365
Meldingen voor Cross Traffic Alert*
387
388
City Safety™
366
Verkeersbordinformatie*
Waarschuwingsafstand instellen
voor City Safety
368
Verkeersbordinformatie* activeren
of deactiveren
389
Obstakeldetectie met City Safety
369
389
341
City Safety bij kruisend verkeer
372
Displayweergave voor verkeersbordinformatie*
342
372
Verkeersbordinformatie en Sensus
Navigation*
392
Vastgelegde snelheid instellen
voor rijhulpsystemen
Beperkingen van City Safety bij
kruisend verkeer
343
373
Waarschuwing voor snelheidsbeperkingen en flitspalen van verkeersbordinformatie*
392
Tijdsverschil ten opzichte van
voorliggers instellen
City Safety met stuurhulp bij een
uitwijkmanoeuvre
Automatische remfunctie van rijhulpsystemen
344
Automatische remfunctie bij
onmogelijke uitwijkmanoeuvre
met City Safety
374
Waarschuwingen van de verkeersbordinformatie* activeren of
deactiveren
393
Rijmodus voor rijhulp
345
City Safety remt voor tegenliggers
374
346
Beperkingen van City Safety
375
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
394
Bochtassistent*
Bochtassistent* activeren of deactiveren
347
Meldingen voor City Safety
378
Driver Alert Control
395
347
Rear Collision Warning*
379
396
Beperkingen van de bochtassistent*
Driver Alert Control activeren of
deactiveren
Inhaalassistent
348
Beperkingen van Rear Collision
Warning*
379
397
Inhaalassistent gebruiken
348
BLIS*
380
Begeleiding naar parkeerplaats
kiezen bij waarschuwing van
Driver Alert Control
Radarsensor
349
BLIS activeren of deactiveren
381
Beperkingen van Driver Alert Control
397
Deelfuncties van City Safety
HYBRIDE-INFORMATIE
Rijbaanassistent
398
Parkeerhulpcamera*
417
Rijbaanassistent activeren of
deactiveren
400
Positie en gezichtsveld van de
parkeerhulpcamera's*
418
Assistentie-opties voor rijbaanassistent kiezen
400
Beperkingen van rijbaanassistent
400
Symbolen en meldingen voor rijbaanassistent
402
Displayweergave voor rijbaanassistent
404
Stuurhulp bij botsgevaar
405
Stuurhulp bij dreigende botsing
activeren of deactiveren
406
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
406
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
407
Stuurhulp bij dreigende staartbotsing*
408
Beperkingen van de stuurhulp bij
een dreigende botsing
409
Symbolen en meldingen voor de
stuurhulp bij botsgevaar
410
Parkeerhulp*
411
Parkeerhulp aan voorzijde, achterzijde en zijkanten*
412
Parkeerhulp* activeren of deactiveren
413
Beperkingen van parkeerhulp
414
Symbolen en meldingen voor parkeerhulp
416
Algemene informatie over Twin
Engine
436
Hybride-accu opladen
437
439
439
Hulplijnen voor parkeerhulpcamera*
420
Laadstroom
Sensorveld voor parkeerhulp
422
Laadkabel
Parkeerhulpcamera activeren
423
Aardlekschakelaar in de laadkabel
441
Symbolen en meldingen voor de
parkeerhulpcamera
425
Temperatuurcontrole van de laadkabel
442
Actieve parkeerhulp*
426
Klep van laadaansluiting openen
en sluiten
443
Parkeervarianten bij actieve parkeerhulp*
427
Oplading van hybride-accu starten
443
Actieve parkeerhulp* gebruiken
428
Laadstatus in laadaansluiting op auto
446
Fileparkeervak verlaten met
actieve parkeerhulp*
430
Laadstatus op regeleenheid laadkabel
447
450
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp*
431
Laadstatus op bestuurdersdisplay
van auto
Meldingen voor Actieve parkeerhulp*
433
Oplading van hybride-accu beëindigen
452
Symbolen en meldingen voor
Twin Engine op bestuurdersdisplay
454
Langdurige stalling van auto met
hybride-accu
456
9
STARTEN EN RIJDEN
10
Motor starten
458
Auto afzetten
460
Contactslotstanden
460
Contactslotstand kiezen
462
Alcoholslot*
462
Alcoholslot* omzeilen
463
Voordat een motor met alcoholslot
wordt gestart*
464
Remsystemen
464
Rempedaal
464
Rembekrachtiging
466
Automatisch remmen na een aanrijding
472
Versnellingsbak
473
Automatische versnellingsbak
473
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak
474
Schakelen met stuurpaddles*
476
Schakelblokkering
478
Kickdownfunctie
478
Schakelindicator
479
Vierwielaandrijving
479
Aandrijving
480
Verbrandingsmotor van de Twin
Engine starten en afzetten
481
Doorwaaddiepte
494
Tankvulklep openen en sluiten
495
Brandstof tanken
496
Hanteren van brandstof
498
Benzine
498
Benzineroetfilter
499
Oververhitting van motor en aandrijving
500
Overbelasting van de startaccu
501
Starthulp met andere accu
502
Trekhaak*
504
Specificaties van de trekhaak*
504
In- en uitklapbare trekhaak*
505
Remmen op natte rijbanen
466
Remmen op gepekelde rijbanen
467
Onderhoud van het remsysteem
467
Parkeerrem
467
Rijmodus wijzigen
Parkeerrem activeren en deactiveren
485
468
Instelling voor automatische activering van de parkeerrem
486
469
Stroomverdeling bij hybride-aandrijving op basis van kaartgegevens*
Op trekhaak gemonteerde fietsdrager*
511
Niveauregeling* en schokdemping
Op een helling parkeren
487
470
Slepen
512
Instellingen voor niveauregeling*
Bij een storing in de parkeerrem
489
470
Sleepoog monteren en demonteren
513
Zuinig rijden
Automatische rem bij stilstand
489
471
Bergen
514
Automatische rem bij stilstand
activeren en deactiveren
491
471
Factoren die van invloed zijn op de
actieradius bij ritten op stroom
HomeLink®*
515
Hold en Charge-functie
516
Hulp tijdens het wegrijden op een
helling
492
HomeLink®* programmeren
472
Voorbereidingen voor een lange rit
493
HomeLink®* gebruiken
518
Rijden tijdens de winter
493
Rijmodi
481
Rijden met aanhangwagen
507
Aanhangwagenstabilisering*
509
Aanhangwagenverlichting controleren
510
Typegoedkeuring voor
HomeLink®*
518
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Kompas*
519
Audio, media en internet
522
Video afspelen
539
Kompas* activeren en deactiveren
519
Audio-instellingen
522
DivX® weergeven
539
Kompas kalibreren*
519
Geluidservaring*
523
Instellingen voor video
540
Apps
524
Media via Bluetooth®
540
Apps downloaden
525
Eenheid aansluiten via Bluetooth®
540
Apps bijwerken
526
Media AUX/USB-poort
541
Apps verwijderen
527
Eenheid aansluiten via USB-poort
541
Radio
527
542
Radio starten
528
Technische specificaties voor USBeenheden
Van radioband en radiozender wisselen 528
Compatibele formaten voor media
542
543
Radiokanaal zoeken
529
Apple® CarPlay®*
Radiokanalen opslaan in de app
Radiofavorieten
530
Apple® CarPlay®* gebruiken
Instellingen voor radio
531
Instellingen voor
Apple®
CarPlay®*
544
546
RDS-radio
532
Tips voor het gebruik van Apple®
CarPlay®*
Digitale radio*
533
Android Auto*
547
Schakelen tussen de radiobanden
FM en digitale radio*
533
Android Auto* gebruiken
548
Mediaspeler
534
546
Instellingen voor Android Auto*
549
550
Media afspelen
534
Tips voor het gebruik van Android
Auto*
Media regelen en van media wisselen
536
Telefoon
550
Media zoeken
537
551
Gracenote®
538
Telefoon eerste keer verbinden met
de auto via Bluetooth
Cd-speler*
538
Telefoon automatisch verbinden
met de auto via Bluetooth
553
Video
539
11
VOLVO ON CALL
12
Telefoon handmatig verbinden met
de auto via Bluetooth
554
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling
567
Telefoon met Bluetooth-verbinding
loskoppelen
554
Gegevensuitwisseling activeren en
deactiveren
567
Andere telefoon met Bluetoothverbinding kiezen
555
Gegevensuitwisseling voor diensten
568
Bluetooth-eenheden verwijderen
555
Vrije geheugenruimte op harde schijf
569
Telefoonfuncties
555
Licentieovereenkomst voor audio
en media
570
Berichtfuncties
557
Instellingen voor tekstbericht
558
Telefoonboekfuncties
558
Instellingen voor telefoon
559
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
559
Auto met actieve internetverbinding*
560
Internetverbinding voor de auto
maken via een telefoon met Bluetooth-verbinding
561
Internetverbinding voor de auto
maken via een telefoon (Wi-Fi)
562
Internetverbinding voor de auto
maken via automodem (simkaart)
563
Instellingen voor automodem*
564
Internetverbinding van auto delen
via Wi-Fi-hotspot
564
Geen internetverbinding of een
slechte verbinding
565
Wi-Fi-netwerk verwijderen
566
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi
566
Het laden van uw auto plannen en
inroosteren met de Volvo On Call*-app
582
WIELEN EN BANDEN
Banden
584
Noodreparatieset voor banden
605
Maataanduiding voor banden
586
606
Maataanduiding voor wielen
587
Noodreparatieset voor banden
gebruiken
LAADMOGELIJKHEDEN,
OPBERGMOGELIJKHEDEN EN
INTERIEUR
De draairichting van de banden.
587
Band oppompen met compressor
uit reparatieset voor banden
610
Tunnelconsole
615
Stroomaansluitingen
616
Elektrische aansluitingen gebruiken
618
Dashboardkastje gebruiken
620
Slijtage-indicator van banden
588
Bandenspanning controleren
588
Bandenspanning aanpassen
589
Aanbevolen bandenspanning
590
Auto-interieur
614
Zonnekleppen
621
Bagageruimte
622
Adviezen voor het vervoer van bagage
622
Lading vervoeren op het dak en op
lastdragers
623
Draagtashouders
624
Verankeringsogen
625
Doorsteekluik in achterbank
625
Bagagerolhoes* monteren en
demonteren
625
Bandenspanningscontrolesysteem*
591
De nieuwe bandenspanning
opslaan in het controlesysteem*
593
Bandenspanningsstatus op het
middendisplay* bekijken
594
Maatregel bij een waarschuwing
voor een lage bandenspanning
595
Bij het verwisselen van wielen
596
Gereedschapsset
596
Krik*
597
Bagagerolhoes hanteren*
626
Wielbouten
597
Veiligheidsrek* monteren en
demonteren
628
Bagagenet monteren en demonteren*
630
EHBO-set*
631
Gevarendriehoek
632
Wielen demonteren
598
Wiel monteren
600
Reservewiel*
602
Reservewiel gebruiken
603
Winterbanden
603
Sneeuwkettingen
604
13
ONDERHOUD EN SERVICE
Serviceprogramma van Volvo
634
Gegevensoverdracht tussen auto
en werkplaats via wifi
634
657
Zekering vervangen
658
659
Download Center
635
Zekeringen in motorruimte
Systeemupdates hanteren via
Download Center
635
Zekeringen onder dashboardkastje
666
Zekeringen in bagageruimte
671
Interieur reinigen
676
Middendisplay reinigen
Autostatus
636
Afspraak maken voor servicebeurt
en reparatie
637
Autogegevens naar de werkplaats
sturen
638
Auto opnemen
639
Onderhoud aan klimaatregeling
641
Head-updisplay bij vervanging van
de voorruit*
641
691
Head-updisplay* reinigen
678
Vulopening voor sproeiervloeistof
692
Textielbekleding en hemelbekleding reinigen
678
Veiligheidsgordels reinigen
678
Vloermatten en inlegmatten reinigen
679
Leren bekleding reinigen*
679
680
680
Motorolie
645
Motorolie controleren en bijvullen
646
Exterieur reinigen
681
Startaccu
Hybride-accu
651
655
Symbolen op de accu's
656
Accu's recyclen
656
689
Wisserbladen in de servicestand
zetten
Interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout reinigen
650
688
Kleurcodes
677
Leren stuurwiel reinigen
650
Geringe lakschade herstellen
689
642
Gloeilamp achteruitrijlicht vervangen
688
690
643
647
687
Autolak
Wisserblad voorruit vervangen
Overzicht motorruimte
Lampen vervangen
Roestwering
Wisserbladen achterruit vervangen
Motorkap openen en sluiten
Koelvloeistof bijvullen
14
Zekeringen en relais- en zekeringenhouders
Poetsen en in de was zetten
681
Met de hand wassen
682
Automatische wasstraat
684
Hogedrukreinigers
685
Wisserbladen reinigen
685
Kunststof en rubber sieronderdelen exterieur reinigen
686
Velgen reinigen
687
SPECIFICATIES
ALFABETISCH REGISTER
Typeaanduidingen
696
Maten
699
Gewichten
701
Trekgewichten en kogeldruk
702
Motorspecificaties
704
Specificaties van de motorolie
705
Ongunstige rijomstandigheden
voor motorolie
706
Specificaties van de koelvloeistof
707
Specificaties van de versnellingsbakolie
707
Specificaties van de remvloeistof
708
Brandstoftank – inhoud
708
Specificaties van de airconditioning
708
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
710
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
713
Minimaal toelaatbare lastindex en
snelheidsklassen voor banden
714
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
715
Alfabetisch register
717
15
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Bedieningsinformatie
Beeldscherm van de auto1
Gebruikersinformatie is beschikbaar in verschillende productformaten, zowel digitaal
als in drukvorm. De gebruikershandleiding is
te raadplegen via het middendisplay van de
auto, via de mobiele app en op de supportsite
van Volvo Cars. In het dashboardkastje ligt
een Quick Guide en een supplement bij de
gebruikershandleiding met onder meer informatie over zekeringen en specificaties. U
kunt een gebruikershandleiding in drukvorm
bestellen.
Open op het middendisplay
het hoofdscherm en tik op
Handleiding. Hier hebt u de
mogelijkheid tot visuele navigatie aan de hand van afbeeldingen van het auto-exterieur
en -interieur. De informatie is
doorzoekbaar en ook beschikbaar in een indeling in categorieën.
Mobiele app
Zoek op App Store of Google
Play naar “Volvo Manual”,
download de app naar uw
smartphone of tablet en kies
uw model. De app bevat
instructievideo's en biedt de
mogelijkheid tot visuele navigatie aan de hand van afbeeldingen van het
auto-exterieur en -interieur. De inhoud is doorzoekbaar en de navigatie tussen de verschillende artikelen verloopt eenvoudig.
Supportsite van Volvo Cars
Bezoek
support.volvocars.com en
kies uw land. Hier vindt u
gebruikershandleidingen
online en in PDF-formaat. Op
de supportsite van Volvo Cars
vindt u tevens instructievideo's en meer informatie over het gebruik en het
bezit van uw Volvo. De site is beschikbaar
voor de meeste markten.
Informatie in drukvorm
In het dashboardkastje ligt
een supplement bij de gebruikershandleiding1 met informatie over zekeringen en
specificaties plus een overzicht van belangrijke en nuttige informatie.
Ook in drukvorm beschikbaar is een Quick
Guide met beknopte informatie over de
meeste gebruikte autofuncties om aan de slag
te kunnen.
Afhankelijk van het gekozen uitrustingsniveau,
de markt en dergelijke liggen er aanvullende
documenten met gebruikersinformatie in drukvorm in de auto.
1
18
Op markten zonder gebruikershandleiding op het middendisplay wordt een volledige gebruikershandleiding in drukvorm verstrekt.
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Het is mogelijk een gedrukt exemplaar van de
gebruikershandleiding en het bijbehorende
supplement te bestellen. Neem voor bestelling
contact op met een Volvo-dealer.
BELANGRIJK
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op veilig wijze bestuurt en
dat u de geldende wetgeving en voorschriften in acht neemt. Het is ook belangrijk dat u de auto volgens Volvo's adviezen
in de gebruikershandleiding onderhoudt en
bedient.
Bij afwijkingen in de informatie op het middendisplay en in de gedrukte informatie,
geldt altijd de informatie in drukvorm.
Gerelateerde informatie
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 19)
•
Gebruikershandleiding op mobiele apparaten (p. 23)
•
•
Supportsite van Volvo Cars (p. 23)
Gebruikershandleiding doornemen
(p. 24)
Gebruikershandleiding op
middendisplay
Via het middendisplay van de auto kunt u de
gebruikershandleiding in digitale2 vorm raadplegen.
De digitale gebruikershandleiding is te raadplegen via het hoofdscherm en in bepaalde
gevallen is ook de contextuele gebruikershandleiding te raadplegen via het hoofdscherm.
N.B.
De digitale gebruikershandleiding is tijdens
het rijden niet beschikbaar.
N.B.
Wanneer u de taal in het middendisplay
verandert, kan dat betekenen dat bepaalde
informatie voor de eigenaar niet overeenkomt met landelijke of plaatselijke wet- en
regelgeving. Stel geen taal in die u niet
begrijpt, omdat het dan lastig wordt om te
navigeren in de menustructuur op het
scherm.
2 Geldt
voor de meeste markten.
}}
19
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
||
Gebruikershandleiding
Contextuele gebruikershandleiding
Het hoofdscherm met de knop voor de gebruikershandleiding.
Hoofdscherm met de knop voor de contextuele
gebruikershandleiding.
Om de gebruikershandleiding te openen –
sleep het hoofdscherm op het middendisplay
omlaag en tik op Handleiding.
De contextuele gebruikershandleiding is een
snelkoppeling naar het artikel in de gebruikershandleiding met een beschrijving van de op
het scherm getoonde actieve functie. Wanneer een contextuele gebruikershandleiding
beschikbaar is, verschijnt deze rechts van
Handleiding in het hoofdscherm.
De informatie in de gebruikershandleiding is
rechtstreeks te raadplegen via de startpagina
van de gebruikershandleiding of via het hoofdmenu.
Tik eenmaal op de contextuele gebruikershandleiding om het artikel van de gebruikershandleiding te openen dat verband houdt met
de getoonde inhoud op het display. Tik bijv. op
Handleiding Navigatie om een artikel te openen dat verband houdt met de navigatie.
Dit geldt alleen voor bepaalde apps in de auto.
Voor gedownloade boordapps van derden zijn
bijv. geen appspecifieke artikelen beschikbaar.
20
Gerelateerde informatie
•
Navigeren in de gebruikershandleiding op
het middendisplay (p. 21)
•
Navigeren in schermen op het middendisplay (p. 118)
•
Apps downloaden (p. 525)
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Navigeren in de
gebruikershandleiding op het
middendisplay
De digitale gebruikershandleiding is te bereiken via het hoofdscherm van het middendisplay in de auto. De inhoud is doorzoekbaar en
de navigatie tussen de verschillende artikelen
verloopt eenvoudig.
Menu openen op het hoofdmenu
–
Tik op
in de bovenste lijst in de
gebruikershandleiding.
> Er wordt een menu geopend met verschillende opties voor het vinden van
informatie:
Startpagina
Tik op het symbool om terug
te gaan naar de startpagina
van de gebruikershandleiding.
Quick Guide
Tik op het symbool om een
pagina te openen met koppelingen naar enkele artikelen
die u moet doornemen om
kennis te maken met gebruikelijke autofuncties. De artikelen zijn ook via categorieën
bereikbaar, maar zijn voor het gemak hier
opgesomd. Tik op een artikel om het in zijn
geheel te lezen.
Categorieën
De artikelen van de gebruikershandleiding zijn geordend naar hoofdcategorieën
en subcategorieën. Hetzelfde
artikel kan in meerdere categorieën voorkomen zodat het
gemakkelijker te vinden is.
De gebruikershandleiding is vanuit het hoofdscherm
te openen.
–
Om de gebruikershandleiding te openen –
sleep het hoofdscherm op het middendisplay omlaag en tik op Handleiding.
U kunt op verschillende manieren informatie
vinden in de gebruikershandleiding. De menuopties zijn te bereiken via de startpagina van
de gebruikershandleiding en via het hoofdmenu.
1.
Tik op Categorieën.
> De hoofdcategorieën staan in een lijst.
2. Tik op een hoofdcategorie ( ).
> Er verschijnt een lijst met subcategorieën ( ) en artikelen ( ).
3. Tik op een artikel om het te openen.
Tik op de pijl-links om een stap terug te doen.
}}
21
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
||
Hotspots voor exterieur en interieur
Overzichtsbeelden (exterieur
en interieur) van de auto.
Diverse delen zijn voorzien
van hotspots waarmee u naar
artikelen over het desbetreffende deel van de auto gaat.
1.
Tik op Exterieur of Interieur.
> Er verschijnen afbeeldingen van exterieur of interieur met hotspots. De hotspots leiden naar artikelen over het desbetreffende deel van de auto. Veeg
horizontaal over het scherm om van de
ene naar de andere afbeelding te navigeren.
2. Tik op een hotspot.
> De titel van een artikel op dit terrein
verschijnt.
3. Tik op de titel om het artikel te openen.
Tik op de pijl-links om een stap terug te doen.
22
Favorieten
Tik op het symbool om de
artikelen te openen die als
favorieten zijn opgeslagen.
Tik op een artikel om het in
zijn geheel te lezen.
Artikelen als favoriet opslaan of
verwijderen
Sla een artikel op als favoriet door in een
geopend artikel op
geheel rechtsboven te
drukken. De ster wordt gevuld wanneer een
artikel is opgeslagen als favoriet: .
Om een artikel te verwijderen uit de favoriete
artikelen, kunt u vanuit het geopende artikel
opnieuw op de ster drukken.
Video
Tik op het symbool om naar
de pagina te gaan met korte
instructievideo's voor verschillende autofuncties.
Informatie
Tik op het symbool voor informatie over de versie van de
gebruikershandleiding in de
auto en andere praktische
informatie.
Zoekfunctie gebruiken op het
hoofdmenu
1.
op het hoofdmenu van de
Tik op
gebruikershandleiding. Onder aan het
scherm verschijnt een toetsenbord.
2. Voer een zoekterm in, bijv. "veiligheidsgordel".
> Er verschijnen suggesties voor artikelen
en categorieën naarmate u letters
invoert.
3. Druk op het artikel dat of de categorie om
het of deze te openen.
Gerelateerde informatie
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 19)
•
•
Toetsenbord op middendisplay (p. 129)
Gebruikershandleiding doornemen
(p. 24)
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Gebruikershandleiding op mobiele
apparaten
De gebruikershandleiding is beschikbaar als
mobiele app3 en is verkrijgbaar via zowel App
Store als Google Play. De app is aangepast
voor zowel smartphones als tablets.
artikelen over de desbetreffende gebieden. De
inhoud is doorzoekbaar en de navigatie tussen
de verschillende artikelen verloopt eenvoudig.
Supportsite van Volvo Cars
Op de web- en supportsite van Volvo Cars
staat meer informatie over uw auto.
Support op internet
Ga naar support.volvocars.com om deze
pagina te bezoeken. De supportpagina is
beschikbaar voor de meeste markten.
Hier vindt u support voor zaken die bijv. te
maken hebben met online diensten en functies, Volvo On Call*, het navigatiesysteem* en
apps. Video's en stapsgewijze instructies verklaren verschillende procedures, bijv. hoe de
auto via een mobiele telefoon te verbonden is
met internet.
Te downloaden informatie
De gebruikershandleiding is
als mobiele app te downloaden via App Store of Google
Play. De QR-code hiernaast
leidt rechtstreeks naar de
app. Of zoek anders naar
"Volvo manual" in App Store
of Google Play.
De app bevat video's alsook afbeeldingen van
exterieur en interieur waarop verschillende
delen van de auto staan aangegeven met
zogenoemde hotspots, die verder leiden naar
3 Voor
Kaarten
Voor auto's met Sensus Navigation zijn via de
supportsite kaarten te downloaden.
De mobiele app is verkrijgbaar via zowel App Store
als Google Play.
Gerelateerde informatie
•
Gebruikershandleiding doornemen
(p. 24)
Gebruikershandleidingen in pdf-vorm
Er zijn gebruikershandleidingen in pdf-formaat
te downloaden. Download de gewenste
gebruikershandleiding door een model en
modeljaar te kiezen.
Contact
Op de supportpagina staan de contactgegevens van de klantenservice en de dichtstbijzijnde Volvo-dealers.
}}
bepaalde mobiele apparaten.
* Optie/accessoire.
23
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
||
Aanmelden op de website van Volvo
Cars
Registreert uw eigen Volvo ID en meld u aan
op www.volvocars.com. Zodra u bent aangemeld, kunt u bijvoorbeeld een overzicht krijgen
van service, contracten en garanties. U vindt
hier ook informatie over model-specifieke
accessoires en softwareproducten voor uw
Volvo.
Gerelateerde informatie
•
Volvo ID (p. 28)
Gebruikershandleiding doornemen
Neem de gebruikershandleiding voor aanvang van de eerste rit door om vertrouwd te
raken met uw nieuwe auto.
Het doornemen van de gebruikershandleiding
is een manier om vertrouwd te raken met
nieuwe functies, tips te krijgen voor hoe u de
auto in verschillende situaties moet bedienen
en te leren hoe u gebruik kunt maken van alle
mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook
aandacht aan de veiligheidsinstructies in de
gebruikershandleiding.
De gebruikershandleiding dient alleen om uitleg te geven bij alle beschikbare functies,
opties en accessoires voor een Volvo. De
handleiding is dan ook geen garantie dat alle
beschreven functies en opties ook op alle
auto's aanwezig zijn. Bepaalde termen kunnen
verschillen van de terminologie die in verkoop-, marketing- en reclamematerialen wordt
gebezigd.
Er vindt voortdurend productontwikkeling
plaats ter verbetering van ons product. Aanpassingen kunnen ertoe leiden dat de gegevens, beschrijvingen en illustraties in de
gebruikershandleiding afwijken van de werkelijke uitrusting op uw auto. We behouden ons
het recht voor om zonder voorafgaande mededeling wijzigingen aan te brengen.
noodzakelijke informatie over hoe en waar u
professionele hulp kunt krijgen.
© Volvo Car Corporation
Opties/accessoires
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in de gebruikershandleiding ook de opties
(van fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
Alle op het moment van publicatie bekende
soorten opties/accessoires zijn gemarkeerd
met een asterisk: *.
De uitrusting die in de gebruikershandleiding
wordt beschreven is niet op alle auto's aanwezig – welke uitrusting aanwezig is hangt af
van de verschillende behoeften op de diverse
markten en de landelijke en/of regionale weten regelgeving.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven informatie
over kans op letsel.
Laat dit boekje altijd in de auto liggen –
anders ontbreekt bij eventuele problemen de
24
* Optie/accessoire.
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
BELANGRIJK
Belangrijk-teksten geven informatie over
kans op materiële schade.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Zwarte ISO-symbolen in een geel waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met
mogelijk dodelijke afloop.
Informatie
Gevaar voor materiële schade
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een duidelijke manier over te dragen. De stickers in de
auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/
afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
Gevaar voor lichamelijk letsel
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/
afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en tekstveld. Worden gebruikt om te
attenderen op een risico dat, bij het negeren
van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
De in de gebruikershandleiding afgebeelde
stickers hoeven niet per definitie overeen
te komen met de stickers die in of op uw
auto aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn
alleen bedoeld om aan te geven hoe de
stickers er in grote lijnen uitzien en waar u
ze ongeveer kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto vindt u de informatie die
op uw auto van toepassing is.
Afbeeldingen en videoclips
De afbeeldingen en videoclips in de gebruikershandleiding zijn soms schematisch en
bedoeld om een overzicht of voorbeeld van
}}
25
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
||
een bepaalde functie te geven. Ze kunnen dan
ook afwijken van uw uitvoering van de auto,
afhankelijk van het uitrustingsniveau en de
markt.
Gerelateerde informatie
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 19)
•
Gebruikershandleiding op mobiele apparaten (p. 23)
•
Supportsite van Volvo Cars (p. 23)
Milieu-aspecten van de
gebruikershandleiding
De gebruikershandleiding is gedrukt op
papier waarvoor de grondstoffen afkomstig
zijn uit gecontroleerde bossen.
Het Forest Stewardship Council (FSC)®-symbool geeft aan dat de papiervezels waarvan
een gebruikershandleiding in drukvorm
gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen.
Gerelateerde informatie
•
26
Drive-E - schoner rijplezier (p. 30)
UW VOLVO
UW VOLVO
Volvo ID
N.B.
Volvo ID is een persoonlijke ID waarmee u
gebruikmakend van één gebruikersnaam en
wachtwoord toegang krijgt tot diverse diensten.
Bij wijziging van een gebruikersnaam/
wachtwoord voor een bepaalde dienst
(zoals Volvo On Call) geldt deze wijziging
ook automatisch voor de overige diensten.
N.B.
Het dienstenaanbod kan in de loop der tijd
aangepast worden en hangt af van het uitrustingsniveau en de markt.
Voorbeelden van diensten:
•
•
•
De Volvo On Call-app* – controleer de
auto via uw telefoon. Zo is het bijv. mogelijk om het brandstofpeil te controleren,
het dichtstbijzijnde tankstation te tonen
en de auto op afstand te vergrendelen.
Send to Car – stuur adressen van kaartdiensten op internet rechtstreeks naar de
auto.
Onderhoud en reparatie reserveren – registreer een werkplaats/dealer op
volvocars.com om rechtstreeks vanuit de
auto een afspraak te maken.
De Volvo ID wordt rechtstreeks vanuit de auto,
via volvocars.com of deVolvo On Call-app aangemaakt1.
Wanneer een Volvo ID is aangemaakt komen
meer diensten beschikbaar. Er zijn meerdere
Volvo ID's aan dezelfde auto te koppelen en
het is ook mogelijk om één Volvo ID aan meerdere auto's te koppelen.
Gerelateerde informatie
•
Volvo ID aanmaken en registreren
(p. 28)
•
Afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie (p. 637)
Volvo ID aanmaken en registreren
Een Volvo ID is op verschillende manieren
aan te maken. Als u een Volvo ID registreert
op volvocars.com of via de Volvo On Callapp2, moet de Volvo ID ook worden gekoppeld aan de auto om de verschillende
Volvo ID-diensten te kunnen gebruiken.
Volvo ID registreren via de app Volvo ID
1. Download de app Volvo ID via Download
Center op het appscherm van het middendisplay.
2. Start de app en registreer een persoonlijk
e-mailadres.
3. Volg de instructies op die automatisch
verstuurd worden naar het opgegeven emailadres.
> Er is daarmee een Volvo ID aangemaakt en het ID staat automatisch
geregistreerd voor de auto. De
Volvo ID-diensten kunnen nu gebruikt
worden.
1 Voor mensen met Volvo On Call*.
2 Geldt alleen voor bepaalde markten.
28
* Optie/accessoire.
UW VOLVO
Volvo ID registreren op website van Volvo
Cars
1. Surf naar www.volvocars.com en meld u
aan3 via het icoontje rechts bovenaan.
Kies Volvo ID aanmaken.
6. Er wordt een e-mail gestuurd naar het
aangegeven adres. Bevestig dat het adres
correct is.
> Nu kunt u de Volvo ID gebruiken.
2. Geef een persoonlijk e-mailadres op.
Als de Volvo ID werd aangemaakt op internet
of met de Volvo On Call-app, registreer deze
dan voor de auto:
3. Volg de instructies op die automatisch
verstuurd worden naar het opgegeven emailadres.
> Er is daarmee een Volvo ID aangemaakt. Lees hieronder over hoe u het
ID registreert voor de auto.
Volvo ID registreren via de Volvo On Callapp4
1. Download de nieuwste versie van de
Volvo On Call-app naar de telefoon, via bijvoorbeeld AppStore, Windows Phone of
Google Play.
2. Kies voor het aanmaken van een Volvo ID.
3. De website voor het aanmaken van een
Volvo ID wordt geopend. Vul de
gevraagde informatie in.
4. Vink het vakje aan om akkoord te gaan
met de voorwaarden.
5. Druk op de knop om uw Volvo ID aan te
maken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Uw Volvo ID voor de auto registreren
1.
•
Volvo ID (p. 28)
Apps downloaden (p. 525)
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 635)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
Download de app Volvo ID vanaf
Download Center op het appscherm van
het middendisplay, als dat nog niet is
gebeurd.
N.B.
Om apps te kunnen downloaden moet de
auto verbinding hebben met internet.
2. Start de app en vul uw Volvo ID/mailadres
in.
3. Volg de instructies op, die automatisch
naar het e-mailadres worden gestuurd dat
aan uw Volvo ID is gekoppeld.
> Uw Volvo ID is daarmee voor de auto
geregistreerd. De Volvo ID-diensten
kunnen nu gebruikt worden.
3 Beschikbaar op bepaalde markten.
4 Auto's met Volvo On Call*.
* Optie/accessoire.
29
UW VOLVO
Drive-E - schoner rijplezier
Volvo Car Corporation werkt voortdurend aan
de ontwikkeling van veiliger en effectievere
Milieuzorg is een van de kernwaarden van
Volvo Cars die van invloed is op alle activiteiten. De milieu-activiteiten gaan uit van de volledige levensduur van de auto en houden rekening met de milieu-effecten, van ontwikkeling
tot sloop en recycling. Volvo Cars hanteert het
uitgangspunt dat de milieu-effecten van
nieuwe producten geringer moeten zijn dan
die van de producten waarvoor ze in de plaats
komen.
Een van de resultaten van de inspanningen
van Volvo op milieugebied is de ontwikkeling
van de Drive-E-aandrijflijnen, die effectiever
30
producten en oplossingen om de milieueffecten te beperken.
werken en minder vervuilend zijn. Ook het persoonlijke milieu heeft de volle aandacht van
Volvo - de lucht in een Volvo is door de klimaatregeling bijvoorbeeld schoner dan de
lucht buiten.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieu-eisen. Alle productie-eenheden van
Volvo hebben een ISO 14001-certificaat, wat
een systematische benadering van de milieuaspecten van de productie betekent om voortdurend verbeteringen aan te brengen en de
milieu-effecten te beperken. Dit ISO-certificaat betekent ook dat de geldende wettelijke
bepalingen en voorschriften op milieugebied
wordt nageleefd. Volvo eist ook van de
samenwerkingspartners dat ze aan deze normen voldoen.
Brandstofverbruik
Omdat de milieu-effecten van auto's voor een
groot deel toe te schrijven zijn aan het gebruik
ervan richt Volvo Cars zich op het beperken
van het brandstofverbruik, de uitstoot van
kooldioxide en andere verontreinigende stoffen. De auto's van Volvo zijn concurrerend in
hun klasse wat het brandstofverbruik betreft.
Een lager brandstofverbruik levert over het
UW VOLVO
algemeen een geringere uitstoot van het
broeikasgas kooldioxide op.
Bijdragen aan een schoner milieu
Een zuinige auto levert niet alleen een beperking van de milieu-effecten op, maar betekent
ook lagere kosten voor de eigenaar van de
auto. Als bestuurder kunt u eenvoudig brandstof en geld besparen en zo een bijdrage leveren aan een schoner milieu. Hier volgen enkele
tips en adviezen:
•
•
Plan een effectieve gemiddelde snelheid.
Snelheden boven zo'n 80 km/h (50 mph)
en onder zo'n 50 km/h (30 mph) zorgen
voor een hoger energieverbruik.
Neem de intervallen voor onderhoud en
service aan de auto in acht die in het Service- en garantieboekje geadviseerd worden.
•
Voorkom stationair draaien - zet de motor
af wanneer u langere tijd stilstaat. Houdt u
zich aan de plaatselijke voorschriften.
•
Rijd anticiperend - bij onnodig vaak stoppen en optrekken en een ongelijkmatige
snelheid stijgt het brandstofverbruik.
•
Gebruik preconditioning – dat kan de
actieradius van de hybride-accu verbeteren en vermindert het stroomverbruik tijdens het rijden.
Let er tevens op dat u afvalstoffen die schadelijk zijn voor het milieu, zoals accu's en olie, op
een milieuvriendelijke manier afvoert. Neem
contact op met een werkplaats bij twijfel over
de juiste manier van verwerken van dergelijk
afval - geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
"Schoon aan binnen- en buitenkant" - een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Een luchtfilter helpt voorkomen dat stofdeeltjes en pollen via de luchtinlaatopening de
passagiersruimte binnendringen.
Het luchtkwaliteitssysteem IAQS* (Interior Air
Quality System) zorgt ervoor dat de lucht die
de passagiersruimte binnenkomt, schoner is
dan de lucht buiten in het verkeer.
Het systeem ontdoet de lucht in de passagiersruimte van verontreinigingen in de vorm
van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon. Als de Air Quality
Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht meet, wordt
de luchtinlaat afgesloten waarna de lucht in de
passagiersruimte wordt gerecirculeerd. Iets
dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld
druk verkeer, files of tunnels.
Het IAQS is onderdeel van het CZIP (Clean
Zone Interior Package)* dat voorzien is van
een speciale ventilatorfunctie die aanslaat,
wanneer de auto via de transpondersleutel
wordt ontgrendeld.
Interieur
De gebruikte materialen voor het interieur van
een Volvo zijn zorgvuldig geselecteerd en uitvoerig getest op comfort en hypoallergeniteit.
Bepaalde afwerkingsdetails zijn handmatig
aangebracht: zo is de stuurwielbekleding met
de hand genaaid. Het interieur is getest op de
afwezigheid van sterke geuren of stoffen die
klachten kunnen geven bij hoge temperaturen
of direct zonlicht.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur
en een laag brandstofverbruik. U draagt zo
tevens bij aan een schoner milieu. Wanneer u
de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van Volvo's systeem. Volvo stelt duidelijke milieu-eisen aan
de outillage van de werkplaatsen om te voorkomen dat er schadelijke stoffen in het milieu
vrijkomen. Het werkplaatspersoneel beschikt
over de kennis en het gereedschap om optimale milieuzorg te garanderen.
}}
* Optie/accessoire.
31
UW VOLVO
||
Recycling
Omdat Volvo werkt vanuit een levensduurperspectief is het ook belangrijk dat autowrakken
op milieuvriendelijke wijze worden gerecycled.
De auto is nagenoeg geheel te recyclen. De
laatste eigenaar van de auto wordt daarom
verzocht contact op te nemen met een dealer
voor de locatie van een gecertificeerd/erkend
recyclingbedrijf.
Gerelateerde informatie
32
•
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
(p. 710)
•
•
Zuinig rijden (p. 489)
•
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 26)
•
Luchtkwaliteit (p. 214)
Preconditioning in- en uitschakelen
(p. 237)
UW VOLVO
IntelliSafe – rijhulp en veiligheid
IntelliSafe is het rijveiligheidsconcept van
Volvo Cars. IntelliSafe omvat enkele systemen5 die de rijveiligheid verhogen, schade/
letsel voorkomen en inzittenden en medeweggebruikers beschermen.
WAARSCHUWING
De systemen zijn aanvullende hulpmiddelen – ze werken niet in alle situaties.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften
houdt.
Ondersteuning
IntelliSafe heeft de volgende functies die de
rijveiligheid verhogen.
•
•
•
•
•
•
•
•
Automatisch groot licht
Tunneldetectie
Pilot Assist
*Cross Traffic Alert
*Blind Spot Information
Parkeerhulp*
Actieve parkeerhulp*
Parkeerhulpcamera*
5 Sommige systemen
6 All Wheel Drive
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Verkeersbordinformatie*
•
Elektronische stabiliteitsregeling
N.B.
Roll Stability Control
Lees de artikelen over de afzonderlijke systemen door voor een goed inzicht in de
werking en om kennis te nemen van
belangrijke waarschuwingen.
Snelheidsbegrenzer*
Cruisecontrol
Adaptieve cruisecontrol*
Rear Collision Warning
Driver Alert Control
Vierwielaandrijving6
Voorkomen
IntelliSafe heeft de volgende functies om een
ongeluk te voorkomen.
Airbags
Gerelateerde informatie
•
•
•
Automatisch groot licht (p. 162)
Veiligheid (p. 44)
Rijhulpsystemen (p. 300)
• City Safety
• Afstandswaarschuwing*
• Rijbaanassistent
• Botsingspreventie
Beschermen
IntelliSafe heeft de volgende onderling samenwerkende functies om u en eventuele passagiers in bepaalde ongelukssituaties te
beschermen.
•
•
•
Whiplash Protection System
Pedestrian Protection System
Veiligheidsgordels met gordelspanners
zijn standaard gemonteerd, terwijl andere optioneel zijn. Welke dat precies zijn, hangt van de markt, het modeljaar en het automodel af.
* Optie/accessoire.
33
UW VOLVO
Sensus – connectiviteit en
entertainment
Sensus biedt u de mogelijkheid om diverse
apps te gebruiken en een Wi-Fi-hotspot van
uw auto te maken.
Dit is Sensus
Sensus biedt een intelligente bedieningsinterface en contact met de digitale wereld. Dankzij de intuïtieve navigatiestructuur kunt u altijd
toegang krijgen tot hulp, informatie en entertainment, zonder te worden afgeleid.
verschijnt, hangt af van hoe belangrijk de
informatie is voor u als bestuurder.
Sensus omvat alle oplossingen in de auto die
verband houden met entertainment, connectiviteit, navigatie* en de bedieningsinterface
tussen bestuurder en auto. Sensus maakt
communicatie mogelijk tussen u, uw auto en
de omgeving.
Informatie waar en wanneer u die
nodig hebt
Op de verschillende displays in de auto staat
altijd relevante informatie. Waar de informatie
34
* Optie/accessoire.
UW VOLVO
Waar welke informatie verschijnt, hangt af van hoe belangrijk de informatie is.
Head-updisplay*
Op het head-updisplay verschijnt het gekozen
type informatie dat onmiddellijke actie van u
vereist. Het kan bijv. gaan om verkeersinfor-
matie en informatie over snelheid en navigatie*. Ook informatie over verkeersborden en
telefoonoproepen verschijnen op het headupdisplay. Dergelijke informatie is te hanteren
met de rechter stuurknoppenset en vanaf het
middendisplay.
Bestuurdersdisplay
Het bestuurdersdisplay geeft informatie over
onder meer snelheid en bijv. telefoonoproepen
of informatie over het afgespeelde nummer.
* Optie/accessoire.
}}
35
UW VOLVO
||
Het is te bedienen met de twee knoppensets
op het stuurwiel.
Middendisplay
Stembediening
Als bestuurder kunt u de
stembediening gebruiken om
uw handen aan het stuur te
kunnen houden. Het systeem
begrijpt bepaalde stemcommando's. Gebruik de stembediening om bijvoorbeeld een
track af te spelen, iemand te bellen, de verwarming hoger te zetten of een sms-bericht te
laten voorlezen.
Gerelateerde informatie
Een groot aantal van de primaire functies van
de auto wordt aangestuurd vanaf het middendisplay, een touchscreen dat reageert bij aanraking. Dit houdt een beperking in van het
aantal fysieke knoppen en bedieningselementen in de auto. Het display is met of zonder
handschoenen aan te bedienen.
•
•
•
•
•
•
Head-updisplay* (p. 147)
Bestuurdersdisplay (p. 86)
Overzicht van het middendisplay (p. 113)
Stembediening (p. 150)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
Internetverbinding van auto delen via
Wi-Fi-hotspot (p. 564)
Vanaf het middendisplay zijn bijv. de klimaatregeling, het infotainmentsysteem en de stoelverstelling* te bedienen. De functies van het
middendisplay zijn door de bestuurder of een
eventuele passagier te bedienen.
36
* Optie/accessoire.
UW VOLVO
Software-updates
Vastlegging van gegevens
Om ervoor te zorgen dat u als Volvo-bezitter
uw auto ten volle kunt benutten blijven we de
autosystemen en beschikbare diensten verder ontwikkelen.
U kunt van tijd tot tijd terecht bij de erkende
Volvo-dealer om de software van uw Volvo bij
te werken. Met deze nieuwste softwareupdate kunt u beschikbare verbeteringen
benutten, inclusief die van de eerdere software-updates.
In het kader van de veiligheids- en kwaliteitsinspanningen van Volvo wordt bepaalde
informatie over de werking, de functionaliteit
en bijna-aanrijdingen door de auto vastgelegd.
Deze auto is uitgerust met een “Event Data
Recorder” (EDR). Het belangrijkste doel daarvan is het vastleggen en opnemen van gegevens bij verkeersongevallen of op aanrijdingen
lijkende situaties, zoals wanneer de airbag
wordt geactiveerd of als de auto een wegversperring raakt. De gegevens worden geregistreerd om meer inzicht te krijgen in hoe de
systemen van de auto in dit soort situaties
werken. De EDR is zodanig vormgegeven dat
deze gedurende een korte tijd gegevens vastlegt die verband houden met de autodynamiek
en de veiligheidssystemen, normaal gesproken
30 seconden of korter.
Breng voor meer informatie over de beschikbare updates en antwoorden op veelgestelde
vragen een bezoek aan
support.volvocars.com.
N.B.
De functionaliteit na de update kan variëren afhankelijk van markt, model, modeljaar en optie.
Gerelateerde informatie
De EDR in deze auto is zodanig geconstrueerd
dat deze bij verkeersongevallen of bijna-ongelukken gegevens vastlegt die verband houden
met het volgende:
•
Sensus – connectiviteit en entertainment
(p. 34)
•
•
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 635)
Hoe de verschillende systemen in de auto
werkten;
•
In hoeverre de veiligheidsgordels van
bestuurder en passagiers vastzaten;
•
Het gebruik door de bestuurder van het
gas- of rempedaal;
•
Met welke snelheid de auto reed.
Dit kan helpen bij het verkrijgen van inzicht in
de omstandigheden waarin bepaalde verkeersongevallen en schades ontstaan. De EDR
legt alleen gegevens vast, als er sprake is van
een niet-alledaagse aanrijdingssituatie – bij
normale rijomstandigheden registreert de EDR
geen gegevens. Ook registreert het systeem
nooit wie de auto bestuurt of wat de geografische positie is voor de aanrijding of bijna-aanrijding. Andere partijen, zoals de politie, kunnen echter gebruikmaken van de vastgelegde
gegevens in combinatie met het type persoonlijk identificeerbare informatie dat bij een verkeersongeval routinematig wordt verzameld.
Om de geregistreerde gegevens te kunnen
interpreteren zijn speciale apparatuur en toegang tot de auto of de EDR vereist.
De auto is naast de EDR ook uitgerust met
een aantal computers, die tot taak hebben de
werking van de auto continu te controleren en
bewaken. Deze kunnen in normale rijomstandigheden gegevens vastleggen, maar vooral
wanneer deze een fout registreren die betrekking heeft op de bediening en werking van de
auto of bij activering van de actieve rijhulp
(zoals City Safety en de automatische remfunctie).
Een deel van de vastgelegde gegevens heeft
de monteur nodig om service en onderhoud te
kunnen verrichten met als doel eventuele storingen die in de auto zijn opgetreden te diagnosticeren en verhelpen. De geregistreerde
}}
37
UW VOLVO
informatie heeft Volvo ook nodig om te kunnen voldoen aan de juridische eisen conform
de wet- en regelgeving. De in de auto geregistreerde informatie is opgeslagen in de computers totdat de auto een servicebeurt krijgt of
wordt gerepareerd.
Naast het bovenstaande kan de geregistreerde informatie ook in een samengestelde
vorm worden gebruikt voor verzekerings- en
productontwikkelingsdoeleinden om de veiligheid en kwaliteit van Volvo's te verbeteren.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet
zonder de toestemming van de eigenaar van
de auto vrijgeven aan derden. Vanwege nationale wet- en regelgeving kan Volvo echter
worden gedwongen om dit type informatie te
verstrekken aan de politie of andere autoriteiten die het wettelijke recht hebben om hiertoe
toegang te krijgen. Om de door vastgelegde
gegevens te kunnen uitlezen en interpreteren
is speciale technische apparatuur vereist die
alleen beschikbaar is bij Volvo en de werkplaatsen die een contract hebben met Volvo.
Volvo ziet erop toe dat de gegevens, die in verband met reparatie en onderhoud worden
doorgegeven aan Volvo, zorgvuldig worden
opgeslagen en gehanteerd en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving
worden gebruikt. Neem voor meer informatie
contact op met een Volvo-dealer.
38
Servicevoorwaarden
Privacybeleid voor klanten
Volvo biedt diensten om de rijveiligheid en
het rijcomfort van uw auto te helpen verhogen.
Deze diensten variëren van hulp in noodsituaties tot navigatie en diverse infotainmentdiensten.
Volvo respecteert de persoonlijke integriteit
van alle bezoekers van zijn websites.
Het privacybeleid geldt voor de verwerking
van klant- en persoonsgegevens. Het doel is
om huidige, voormalige en potentiële klanten
een algemeen inzicht te geven in:
Het is belangrijk dat u voor het gebruik van de
diensten de supportinformatie over voorwaarden op www.volvocars.com doorneemt.
•
de omstandigheden waarin we uw persoonsgegevens verzamelen en gebruiken;
•
de soorten persoonsgegevens die we verzamelen;
•
de redenen waarom we uw persoonsgegevens verzamelen;
•
de manier waarop we met uw persoonsgegevens omgaan.
Gerelateerde informatie
•
Privacybeleid voor klanten (p. 38)
Zie de supportinformatie op
www.volvocars.com voor meer informatie
over de policy.
Gerelateerde informatie
•
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 567)
•
•
Servicevoorwaarden (p. 38)
Vastlegging van gegevens (p. 37)
UW VOLVO
Belangrijke informatie over
accessoires en extra uitrusting
WAARSCHUWING
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op een veilige wijze gebruikt
en dat u zich aan de geldende wet- en
regelgeving houdt.
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires en extra uitrusting kan een nadelige invloed hebben op de werking van de
elektronische systemen van de auto.
We adviseren Volvo-bezitters om uitsluitend
door Volvo goedgekeurde originele accessoires te installeren en om deze accessoires uitsluitend te laten installeren door daarvoor
opgeleide en gediplomeerde onderhoudstechnici van Volvo. Sommige accessoires werken
alleen nadat de vereiste software in het computersysteem van de auto is geïnstalleerd.
De uitrusting die in de gebruikershandleiding
wordt beschreven is niet op alle auto's aanwezig – welke uitrusting aanwezig is hangt af
van de verschillende behoeften op de diverse
markten en de landelijke en/of regionale weten regelgeving.
Optionele apparatuur of accessoires die in
deze handleiding worden beschreven, zijn
aangeduid met een sterretje. Neem bij twijfel
over de standaarduitrusting of opties/accessoires contact op met een Volvo-dealer.
Het is ook belangrijk dat voor onderhoud
en service van de auto de aanbevelingen
van Volvo worden aangehouden in lijn met
de gebruikersinformatie en het service- en
garantieboekje.
Als de informatie in de auto afwijkt van de
gedrukte gebruikershandleiding moet altijd
de gedrukte informatie worden aangehouden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Installatie van accessoires (p. 39)
Uitrusting aansluiten op de diagnoseaansluiting van de auto (p. 40)
Gebruikershandleiding doornemen (p. 24)
Installatie van accessoires
We adviseren Volvo-bezitters om uitsluitend
door Volvo goedgekeurde originele accessoires te installeren en om deze accessoires uitsluitend te laten installeren door daarvoor
opgeleide en gediplomeerde onderhoudstechnici van Volvo. Sommige accessoires
werken alleen nadat de vereiste software in
het computersysteem van de auto is geïnstalleerd.
• Originele accessoires van Volvo worden
getest om te zorgen dat ze goed samenwerken met de autosystemen voor prestaties, veiligheid en emissiebeheersing.
Bovendien weet een geschoolde en
gekwalificeerde onderhoudsmonteur van
Volvo waar accessoires al dan niet veilig in
uw Volvo mogen worden geïnstalleerd.
Vraag altijd een geschoolde en gekwalificeerde onderhoudsmonteur van Volvo om
advies voordat u accessoires in of op uw
auto installeert.
•
Van accessoires die niet zijn goedgekeurd
door Volvo is mogelijk niet speciaal getest
of ze geschikt zijn voor gebruik in uw auto.
•
Sommige prestatie- of veiligheidssystemen van de auto kunnen nadelig worden
beïnvloed als u accessoires installeert die
niet door Volvo zijn getest, of als u iemand
}}
39
UW VOLVO
||
•
die geen ervaring heeft van de auto accessoires laat installeren.
Uitrusting aansluiten op de
diagnoseaansluiting van de auto
Schade veroorzaakt door accessoires die
op een niet goedgekeurde of niet correcte
manier zijn geïnstalleerd, worden mogelijk
niet gedekt door de garantie op de nieuwe
auto. Meer informatie over de garantie
vindt u in het service- en garantieboekje.
Volvo wijst elke vorm van aansprakelijkheid af voor sterfgevallen, persoonlijk letsel of kosten die kunnen ontstaan als
gevolg van de installatie van niet-originele
accessoires.
Een verkeerde aansluiting en montage van
software kan een nadelige invloed hebben op
de werking van de elektronische systemen
van de auto.
We adviseren Volvo-bezitters om uitsluitend
door Volvo goedgekeurde originele accessoires te installeren en om deze accessoires uitsluitend te laten installeren door daarvoor
opgeleide en gediplomeerde onderhoudstechnici van Volvo. Sommige accessoires werken
alleen nadat de vereiste software in het computersysteem van de auto is geïnstalleerd.
Gerelateerde informatie
•
Belangrijke informatie over accessoires en
extra uitrusting (p. 39)
Diagnoseaansluiting (On-board Diagnostic-aansluiting, OBDII) onder het instrumentenpaneel aan de
bestuurderszijde.
40
N.B.
Volvo Cars aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de gevolgen indien niet-goedgekeurde apparatuur wordt aangesloten op
de On-board Diagnostic-aansluiting
(OBDII). Deze aansluiting mag uitsluitend
worden gebruikt door opgeleide en gekwalificeerde Volvo-servicemonteurs.
Gerelateerde informatie
•
Belangrijke informatie over accessoires en
extra uitrusting (p. 39)
UW VOLVO
VIN van de auto tonen
Afleiding van de bestuurder
Bij contact met een Volvo-dealer in het kader
van bijv. een Volvo On Call-abonnement hebt
u het voertuigidentificatienummer (VIN7) van
de auto nodig.
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm
op het middendisplay.
Het is uw verantwoordelijkheid als bestuurder om uw eigen veiligheid en de veiligheid
van inzittenden en andere weggebruikers op
alle mogelijke manieren te waarborgen. Tot
deze verantwoordelijkheid behoort het ontwijken van afleidingen, zodat u zich bijvoorbeeld niet moet bezighouden met zaken die
niet direct verband houden met de besturing
van de auto in het verkeer.
Uw nieuwe Volvo is, of kan zijn uitgerust met
een inhoudelijk rijke entertainment- en communicatiesystemen. Dat kan een mobiele telefoon met handsfree zijn, een navigatiesysteem
en/of een geluidsinstallatie met vele functies.
U hebt wellicht ook andere draagbare elektronische apparaten voor uw eigen gemak. Mits
correct en veilig gebruikt, kunnen ze uw rijervaring verrijken. Maar bij verkeerd gebruik,
kunnen ze een bron van afleiding zijn.
2. Ga verder naar Systeem
Systeeminformatie Vehicle
Identification Number.
> Het voertuigidentificatienummer van de
auto verschijnt.
Het VIN is ook te achterhalen wanneer u door
de voorruit van de auto op het instrumentenpaneel kijkt of wanneer u de eerste pagina van
het Service- en garantieboekje of het kentekenbewijs van de auto raadpleegt.
Het VIN staat bij alle modellen op dezelfde plek.
Voor al deze systemen willen we, als blijk van
Volvo's toewijding aan uw veiligheid, de volgende waarschuwing met u delen. Gebruik
dergelijke apparaten of functies in de auto
nooit zodanig dat u wordt afgeleid van uw
taak om veilig te rijden. Als u wordt afgeleid
kan dit ernstige ongelukken veroorzaken. Los
van deze algemene waarschuwing, willen we
u graag de volgende adviezen geven voor
7
Vehicle Identification Number
}}
41
UW VOLVO
||
enkele nieuwe functies waarmee de auto kan
zijn uitgerust:
WAARSCHUWING
•
Gebruik tijdens het rijden nooit een
handheld mobiele telefoon. In bepaalde
gebieden is het voor de bestuurder verboden om een mobiele telefoon te
gebruiken wanneer de auto rijdt.
•
Als de auto is voorzien van een navigatiesysteem, mag u alleen instellingen
verrichten en wijzigingen aanbrengen
in het reisplan wanneer de auto geparkeerd staat.
•
Programmeer het audiosysteem nooit
wanneer de auto rijdt. Programmeer de
voorinstellingen van de radio terwijl de
auto geparkeerd staat en gebruik de
geprogrammeerde voorinstellingen om
de radio sneller en eenvoudiger te
bedienen.
•
Gebruik nooit laptops of tablets wanneer de auto rijdt.
Gerelateerde informatie
•
42
Audio, media en internet (p. 522)
VEILIGHEID
VEILIGHEID
Veiligheid
De auto is voorzien van diverse veiligheidssystemen die samenwerken om u en uw
medepassagiers te beschermen bij een ongeluk.
De auto is uitgerust met een aantal sensoren
die bij een ongeval reageren en bepaalde veiligheidssystemen activeren, zoals verschillende soorten airbags en de gordelspanners
van de veiligheidsgordels. Afhankelijk van de
specifieke ongevalssituatie, zoals aanrijdingen
onder verschillende hoeken, over de kop slaan
of van de weg raken, reageren de systemen op
verschillende manieren om zo een goede
bescherming te bieden.
Daarnaast zijn er mechanische veiligheidssystemen zoals het Whiplash Protection System.
De auto is bovendien zodanig gebouwd dat
een groot deel van de kracht bij een aanrijding
wordt verdeeld over de balken, de stijlen, de
vloer, het dak en andere carrosseriedelen.
Na een ongeval kan de Safety Mode van de
auto worden geactiveerd, als er een belangrijke functie in de auto beschadigd is geraakt.
44
Waarschuwingssymbool op
bestuurdersdisplay
Het waarschuwingssymbool op het
bestuurdersdisplay gaat branden,
wanneer u het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand II
zet. Het symbool dooft na ongeveer 6 seconden, als blijkt dat de veiligheidssystemen van
de auto in orde zijn.
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingssymbool blijft branden of tijdens het rijden gaat branden en
het bericht SRS airbag Service urgent
Rijd naar werkplaats op het bestuurdersdisplay verschijnt, is dit een teken dat een
gedeelte van een veiligheidssysteem niet
naar behoren werkt. Volvo adviseert u om
zo spoedig mogelijk contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de verschillende veiligheidssystemen van de auto aan
en probeer deze nooit zelf te repareren.
Een verkeerde ingreep in een systeem kan
tot een onjuiste werking leiden met ernstig
letsel als gevolg. Volvo adviseert u om contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
Als het specifieke waarschuwingssymbool defect is, gaat in plaats
daarvan het algemene waarschuwingssymbool branden en het
bestuurdersdisplay geeft dezelfde melding
weer.
Gerelateerde informatie
•
Veiligheid tijdens de zwangerschap
(p. 45)
•
•
•
•
•
•
Veiligheidsgordels (p. 48)
Airbags (p. 53)
Whiplash Protection System (p. 45)
Pedestrian Protection System (p. 47)
Safety Mode (p. 61)
Kinderveiligheid (p. 62)
VEILIGHEID
Veiligheid tijdens de
zwangerschap
Het is belangrijk dat zwangere passagiers
hun veiligheidsgordel op de juiste manier dragen en dat een zwangere bestuurder haar zithouding aanpast.
Veiligheidsgordel
Zithouding
Whiplash Protection System
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuurwiel dusdanig verstellen dat ze de auto volledig onder controle hebben (wat inhoudt dat ze
met gemak bij het stuur en de pedalen moeten
kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te
houden.
Het Whiplash Protection System (WHIPS) is
een beveiliging die het risico van letsel door
whiplash vermindert.. Het systeem bestaat
uit energieabsorberende rugleuningen plus
zitkussens en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen.
WHIPS wordt geactiveerd bij een aanrijding
van achteren, afhankelijk van de hoek waaronder en de snelheid waarmee het achteropkomende voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
De veiligheidsgordel moet strak langs de
schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten en
tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens gedraaid zit.
Veiligheid (p. 44)
Veiligheidsgordels (p. 48)
Handmatig bediende voorstoel (p. 194)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 195)
Bij activering van het WHIPS klappen de rugleuningen van de voorstoelen naar achteren en
de zittingen omlaag, zodat de zithouding van
de bestuurder en de passagier op de voorstoelen verandert. De beweging helpt om een
gedeelte van de krachten te absorberen, die
whiplash-letsel kunnen veroorzaken.
WAARSCHUWING
WHIPS vormt een aanvulling op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel
altijd.
}}
* Optie/accessoire.
45
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoelen
of WHIPS aan en probeer deze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u om contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als de voorstoelen aan grote krachten hebben blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de stoelen vervangen. De
stoelen kunnen een deel van hun beschermende eigenschappen hebben verloren,
zelfs als ze ogenschijnlijk niet zijn beschadigd.
WAARSCHUWING
Plaats dozen e.d. niet dusdanig, dat deze
vastgeklemd zitten tussen het zitgedeelte
van de achterbank en de rugleuning van de
voorstoelen.
Als er op de achterbank een rugleuning
omlaag is geklapt, moet een eventuele
lading worden vastgezet om te voorkomen
dat deze bij een aanrijding tegen de rugleuning van de voorstoel aan kan glijden.
WHIPS en kinderzitjes
WHIPS beïnvloedt de beschermende werking
van kinderzitje en/of verhogingskussen niet
negatief.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Veiligheid (p. 44)
Handmatig bediende voorstoel (p. 194)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 195)
Rear Collision Warning* (p. 379)
WAARSCHUWING
Als een rugleuning op de achterbank is
omgeklapt of als er op de achterbank een
achterstevoren geplaatst kinderzitje wordt
gebruikt, moet de bijbehorende voorstoel
naar voren worden geklapt, zodat deze
geen contact heeft met de omgeklapte
rugleuning of het kinderzitje.
Zithouding
Voor een goede bescherming door het WHIPS
moeten bestuurder en voorpassagier de juiste
zithouding innemen en erop toezien dat het
systeem niet wordt gehinderd.
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter of onder
de voorstoelen of op de achterbank achter de
bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPS kunnen hinderen.
46
Stel voordat u wegrijdt de juiste zithouding in
voor de voorstoel.
U en een eventuele voorpassagier moeten
zoveel mogelijk in het midden van de stoel
plaatsnemen en de afstand tussen hoofd en
hoofdsteun zo klein mogelijk houden.
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Pedestrian Protection System
Pedestrian Protection System (PPS) is een
systeem dat bij bepaalde frontale botsingen
met een voetganger de impact kan beperken
waarmee de voetganger de auto raakt.
Bij bepaalde frontale botsingen met een voetganger reageren sensoren aan de voorkant
van de auto, zodat het systeem wordt geactiveerd.
Bij activering van het PPS gebeurt het volgende:
•
•
Het achterste gedeelte van de motorkap
komt omhoog.
er wordt automatisch alarm geslagen via
Volvo On Call*.
De sensoren zijn actief bij een snelheid van
zo'n 25–50 km/h (15–30 mph).
De sensoren zijn berekend op detectie van een
botsing met zaken die eigenschappen hebben
vergelijkbaar met menselijke benen.
N.B.
Er zijn mogelijk zaken in het verkeersmilieu
aanwezig waardoor de sensoren onterecht
het signaal krijgen dat er een voetganger
wordt aangereden. Bij een botsing met iets
dergelijks wordt het systeem mogelijk
geactiveerd.
WAARSCHUWING
Monteer geen accessoires op de voorkant
van de auto en breng evenmin wijzigingen
in dit gebied aan. Een onjuiste ingreep in
het front kan tot een foutieve werking van
het systeem leiden waardoor ernstig letsel
en materiële schade aan de auto kan ontstaan.
Volvo adviseert om originele wisserarmen
te gebruiken en deze alleen door originele
onderdelen te vervangen.
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
PPS is geactiveerd of er is een
fout opgetreden in het systeem.
Volg het gegeven advies op.
Gerelateerde informatie
•
Veiligheid (p. 44)
WAARSCHUWING
Verricht nooit zelf aanpassingen of reparaties van het systeem. Volvo adviseert u om
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats. Onoordeelkundige werkzaamheden aan het systeem kunnen aanleiding geven tot een verkeerde werking
met ernstig letsel als mogelijk gevolg.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats bij schade
aan het front van de auto om er zeker van
te zijn dat het systeem intact is.
* Optie/accessoire.
47
VEILIGHEID
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWING
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als
de veiligheidsgordel niet wordt gedragen.
Voor een goede bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel
goed tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf
te repareren. Volvo adviseert u om contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook
als deze versleten of beschadigd is. De
nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld voor montage op
dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
Denk eraan geen clips te gebruiken of de
gordel vast te maken rond haken of andere
delen van het interieur, omdat de veiligheidsgordel daardoor niet goed aansluit.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of verkeerd wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed zijn op het effect van de
airbag.
48
Gerelateerde informatie
Veiligheid (p. 44)
•
•
•
Gordelspanners (p. 50)
•
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 52)
Veiligheidsgordel omdoen en losmaken
(p. 48)
Veiligheidsgordel omdoen en
losmaken
Let erop dat alle passagiers hun veiligheidsgordel om hebben voordat u gaat rijden.
Veiligheidsgordel omdoen
1.
Rol de gordel langzaam af. Zorg dat er
geen slag in zit en let erop dat hij niet is
beschadigd.
N.B.
De veiligheidsgordel is voorzien van een
gordeloprolmechanisme dat in de volgende
situaties wordt vergrendeld:
•
•
•
•
als de gordel te snel wordt afgerold.
wanneer u remt of optrekt.
als de auto sterk overhelt.
bij het rijden in bochten.
VEILIGHEID
2. Zet de gordel vast door de borglip in de
bijbehorende gordelsluiting te steken.
> Een duidelijke "klik" geeft aan dat de
gordel vastzit.
3. Voorin kunt u de gordel hoger of lager zetten.
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de gordelsluiting aan de juiste
zijde. De veiligheidsgordels en de gordelsluiting werken anders mogelijk niet naar
behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat
gevaar voor ernstige verwondingen.
De gordel moet over de schouder lopen (en niet over
de bovenarm).
Druk de gordelbevestiging in elkaar en zet
de gordel hoger of lager.
4. Span de heupgordel over de heupen door
de diagonale schoudergordel in de richting
van de schouder omhoog te trekken.
Zet de gordel zo hoog mogelijk zonder dat
de gordel daarbij langs de nek schuurt.
De heupgordel moet laag zitten (niet over de buik).
}}
49
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bedoeld voor
slechts één persoon.
WAARSCHUWING
Denk eraan geen clips te gebruiken of de
gordel vast te maken rond haken of andere
delen van het interieur, omdat de veiligheidsgordel daardoor niet goed aansluit.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordels nooit beschadigen en
geen vreemde voorwerpen aanbrengen in
de gordelsluiting. De veiligheidsgordels en
de gordelsluiting werken anders mogelijk
niet naar behoren tijdens een aanrijding. Er
bestaat gevaar voor ernstige verwondingen.
Veiligheidsgordel losmaken
1.
Druk op de rode knop van de gordelsluiting en laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen trekken.
2. Als de gordel niet volledig wordt opgerold,
moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
Gerelateerde informatie
•
•
50
Veiligheidsgordels (p. 48)
Gordelspanners (p. 50)
•
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 52)
Gordelspanners
De auto is voorzien van standaardgordelspanners en elektrische gordelspanners die de
veiligheidsgordels in kritieke situaties en bij
aanrijdingen kunnen aanspannen.
Standaardgordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met een
standaardgordelspanner.
De gordelspanner spant de veiligheidsgordel
bij een voldoende krachtige botsing om de
inzittende efficiënter te kunnen opvangen.
Elektrische gordelspanners
De gordelspanners voor bestuurder en passagier op de voorstoel zijn uitgerust met een
elektrische gordelspanner.
De gordelspanner werkt samen met en is te
activeren door de rijhulpsystemen City Safety
en Rear Collision Warning. In kritieke situaties,
zoals bij een noodstop, van de weg raken (bijvoorbeeld wanneer de auto in een greppel
belandt, van de grond komt of tegen een
obstakel in het terrein botst), slippen of gevaar
voor een botsing, wordt de veiligheidsgordel
mogelijk aangespannen door de elektromotor
van de gordelspanner.
De elektrische gordelspanner helpt bij het
positioneren van de inzittende, wat het risico
reduceert dat deze tegen het interieur van de
auto wordt geworpen en het effect van veilig-
VEILIGHEID
heidssystemen (zoals de airbags van de auto)
verbetert.
Wanneer de kritieke situatie voorbij is, worden
de gordel en de elektrische gordelspanner
automatisch gereset. Ze zijn echter ook handmatig te resetten.
BELANGRIJK
Als de passagiersairbag wordt gedeactiveerd, wordt ook de elektrische gordelspanner aan de passagierskant gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Veiligheidsgordels (p. 48)
Veiligheidsgordel omdoen en losmaken
(p. 48)
•
Elektrische gordelspanner resetten
(p. 51)
•
Passagiersairbag* activeren en deactiveren (p. 57)
•
•
City Safety™ (p. 365)
Rear Collision Warning* (p. 379)
Elektrische gordelspanner resetten
De elektrische gordelspanner is dusdanig
geconstrueerd dat deze automatisch wordt
gereset, maar als de gordel desondanks aangespannen blijft is deze ook handmatig te
resetten.
1. Parkeer de auto op een veilige plek.
2. Neem de veiligheidsgordel af en doe deze
vervolgens weer om.
> De gordel en de elektrische gordelspanner worden gereset.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf
te repareren. Volvo adviseert u om contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook
als deze versleten of beschadigd is. De
nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld voor montage op
dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf
te repareren. Volvo adviseert u om contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook
als deze versleten of beschadigd is. De
nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld voor montage op
dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
}}
* Optie/accessoire.
51
VEILIGHEID
||
Gerelateerde informatie
•
•
Gordelspanners (p. 50)
Veiligheidsgordels (p. 48)
Portier- en gordelwaarschuwing
Het systeem herinnert inzittenden eraan om
de veiligheidsgordel om te doen en waarschuwt ook als een portier, de motorkap of
de kofferklep/achterklep niet goed dichtstaat.
U kunt de grafische voorstelling resetten door
een druk op de O-knop van de rechter knoppengroep op het stuurwiel.
Gordelwaarschuwing
Grafische voorstelling op
bestuurdersdisplay
Visueel signaal op plafondconsole.
Grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay met
verschillende soorten waarschuwingen. De waarschuwingskleur voor portier en achterklep is afhankelijk van de rijsnelheid.
De grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay geeft de zitplaatsen weer waarvan de
veiligheidsgordel wel of juist niet in gebruik is.
In dezelfde grafische voorstelling wordt ook
aangegeven of de motorkap, de achterklep, de
tankvulklep of een portier openstaat.
52
De visuele signalen worden verstrekt via de
plafondconsole en het waarschuwingssymbool op het bestuurdersdisplay.
Het geluidssignaal is afhankelijk van de snelheid, de rijtijd en de afgelegde afstand.
De grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay geeft de gordelstatus voor bestuurder
en passagiers aan wanneer een gordel wordt
om- of afgedaan.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
VEILIGHEID
Bij een rijsnelheid hoger dan zo'n 10
km/h (6 mph) gaat het waarschuwingssymbool op het bestuurdersdisplay branden.
Voorstoel
Er worden visuele en akoestische signalen
afgegeven, wanneer u en een eventuele voorpassagier niet in de gordel zitten.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor
de achterbank is tweeledig:
•
•
Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. Bij
gebruik van de veiligheidsgordels verschijnt een grafische voorstelling op het
bestuurdersdisplay.
Met visuele en akoestische signalen
ervoor waarschuwen dat een van de veiligheidsgordel achterin tijdens het rijden
werd losgenomen. De herinnering verdwijnt zodra de veiligheidsgordel weer is
vastgemaakt.
Waarschuwing voor portier, motorkap,
achterklep en tankvulklep
Als de motorkap, de achterklep, de tankvulklep of een van de portieren niet goed dichtstaan, geeft de grafische voorstelling op het
bestuurdersdisplay aan wat openstaat. Breng
de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en
sluit het onderdeel dat aanleiding gaf tot de
waarschuwing.
Bij een rijsnelheid tot 10 km/h (6
mph) gaat het informatiesymbool op
het bestuurdersdisplay branden.
Gerelateerde informatie
•
•
Veiligheidsgordels (p. 48)
Veiligheidsgordel omdoen en losmaken
(p. 48)
Airbags
De auto is voorzien van airbags en opblaasgordijnen aan bestuurders- en passagierszijde.
N.B.
De sensoren reageren verschillend, afhankelijk van het verloop van de botsing en of
er al dan niet een veiligheidsgordel wordt
gebruikt. Geldt voor alle gordelposities.
Er kunnen dus ongelukken ontstaan als
slechts één (of geen) van de airbags wordt
geactiveerd. De sensoren registreren de
kracht waaraan de auto bij de botsing
blootstaat en blazen op basis daarvan
geen, een of meer airbags op.
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de
kabels loskoppelen van de startaccu. Probeer de auto niet te starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden.
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
de auto te laten wegslepen naar een
erkende Volvo-werkplaats.
}}
53
VEILIGHEID
||
Opgeblazen airbags
Wanneer een van de airbags is opgeblazen,
wordt het volgende geadviseerd:
•
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen airbags.
•
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
•
Neem altijd contact op met een arts.
•
Opblaasgordijnen (p. 60)
Bestuurdersairbags
Als aanvulling op de veiligheidsgordel is de
auto voorzien van een stuurairbag en een
knie-airbag1 aan de bestuurderszijde.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Dat kan
het besturen van de auto bemoeilijken. Ook
andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. De rook en stof die bij het
opblazen van de airbags worden gevormd,
kunnen bij een intensieve blootstelling irritaties aan de huid en ogen/letsel veroorzaken. Bij last met koud water wassen. Het
snelle opblazen kan ook, in combinatie met
het materiaal van de airbag, voor wrijvingsen brandwonden op de huid zorgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
54
Veiligheid (p. 44)
Bestuurdersairbags (p. 54)
Passagiersairbag (p. 55)
Zijairbags (p. 59)
De stuurairbag en knie-airbag1 voorin aan de bestuurderszijde.
Bij een frontale botsing helpen de airbags
voorkomen dat de bestuurder letsel aan hoofd,
nek, gezicht en borstkas oploopt of gewond
raakt aan knieën en benen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren van de airbags activeren. De airbags
vangen de klap van de aanrijding op voor de
inzittende. De airbags lopen vervolgens weer
leeg. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van
VEILIGHEID
de airbag, neemt enkele tienden van een
seconde in beslag.
WAARSCHUWING
Plaats of bevestig geen voorwerpen vóór of
op het paneel waar de knie-airbag
geplaatst is.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd
wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van
invloed zijn op het effect van de airbag.
Om geen letsel op te lopen wanneer de airbag wordt opgeblazen, moet de passagier
zo rechtop mogelijk zitten met de voeten
op de vloer en de rug tegen de rugleuning.
Passagiersairbag
Als aanvulling op de veiligheidsgordel is de
auto voorzien van airbags aan de passagierszijde voorin.
Gerelateerde informatie
•
•
Airbags (p. 53)
Passagiersairbag (p. 55)
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in het airbagsysteem kan tot een onjuiste werking leiden met ernstig letsel als gevolg.
Positie van de stuurairbag
De airbag zit opgevouwen in het midden van
het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift AIRBAG.
Positie van de knie-airbag1
De airbag zit opgevouwen onder in het dashboard aan de bestuurderszijde. Het paneel is
voorzien van het opschrift AIRBAG.
1
Alleen op bepaalde markten is de auto uitgerust met een knie-airbag.
Airbag voor de voorstoel aan passagierszijde.
Bij een frontale botsing helpt de airbag voorkomen dat de passagier letsel aan hoofd, nek,
gezicht en borstkas oploopt of gewond raakt
aan knieën en benen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren van de airbag activeren. De airbags
vangen de klap van de aanrijding op voor de
inzittende. De airbags lopen vervolgens weer
leeg. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van
}}
55
VEILIGHEID
||
de airbag, neemt enkele tienden van een
seconde in beslag.
Sticker voor passagiersairbag
WAARSCHUWING
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel
zitten of staan.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag geactiveerd is.
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd
wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van
invloed zijn op het effect van de airbag.
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin
plaatsnemen, als de passagiersairbag
gedeactiveerd is.
Om geen letsel op te lopen wanneer de airbag wordt opgeblazen, moet de passagier
zo rechtop mogelijk zitten met de voeten
op de vloer en de rug tegen de rugleuning.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in het airbagsysteem kan tot een onjuiste werking leiden met ernstig letsel als gevolg.
Positie van de airbag aan
passagierszijde
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan aanleiding geven tot
levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag is aangebracht als hierboven.
WAARSCHUWING
Als de auto niet is uitgerust met een schakelaar voor activering/deactivering van de
passagiersairbag (PACOS), is de passagiersairbag altijd geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Airbags (p. 53)
Bestuurdersairbags (p. 54)
Passagiersairbag* activeren en deactiveren (p. 57)
De airbag zit opgevouwen in een ruimte boven
het dashboardkastje. Het paneel is voorzien
van het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen vóór of bovenop
het dashboard op de plek waar de airbag
voor de passagiersstoel zit.
56
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Passagiersairbag* activeren en
deactiveren
De passagiersairbag is te deactiveren als de
auto is voorzien van een speciale schakelaar,
Passenger Airbag Cut Off Switch (PACOS).
De PACOS-schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag zit aan de passagierszijde aan de zijkant van het dashboard
en u kunt erbij door het portier aan die kant te
openen.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat.
geplaatst kinderzitje kunnen veilig op de
passagiersstoel zitten.
Passagiersairbag activeren
WAARSCHUWING
Als de auto niet is uitgerust met een schakelaar voor activering/deactivering van de
passagiersairbag (PACOS), is de passagiersairbag altijd geactiveerd.
Trek de schakelaar naar buiten en draai
deze vanuit OFF naar ON.
> Op het bestuurdersdisplay verschijnt de
melding Passagiersairbag aan Graag
bevestigen.
N.B.
ON – De airbag is geactiveerd en alle passagiers (kinderen en volwassenen) kunnen
veilig in de rijrichting op de passagiersstoel zitten.
Als u de passagiersairbag hebt geactiveerd/gedeactiveerd met de auto in contactslotstand I of lager en het contactslot
vervolgens in stand II zet, verschijnt na ca.
6 seconden een melding op het bestuurdersdisplay in combinatie met de volgende
indicatie op de plafondconsole.
OFF – De airbag is gedeactiveerd en kinderen in een tegen de rijrichting in
}}
* Optie/accessoire.
57
VEILIGHEID
||
2. Bevestig de melding door de O-knop van
de rechter stuurknoppenset in te drukken.
> Een displaytekst en een waarschuwingssymbool op de plafondconsole
geven aan dat de passagiersairbag
geactiveerd is.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de airbag aan
die kant geactiveerd is.
De passagiersairbag moet altijd zijn geactiveerd, wanneer er passagiers (kinderen of
volwassenen) op de passagiersstoel voorin
zitten.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan aanleiding geven tot
levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
58
Passagiersairbag deactiveren
Trek de schakelaar naar buiten en draai
deze vanuit ON naar OFF.
> Op het bestuurdersdisplay verschijnt de
melding Passagiersairbag uit Graag
bevestigen.
N.B.
Als u de passagiersairbag hebt geactiveerd/gedeactiveerd met de auto in contactslotstand I of lager en het contactslot
vervolgens in stand II zet, verschijnt na ca.
6 seconden een melding op het bestuurdersdisplay in combinatie met de volgende
indicatie op de plafondconsole.
2. Bevestig de melding door de O-knop van
de rechter stuurknoppenset in te drukken.
> Een displaytekst en een brandend
lampje op de plafondconsole geven aan
dat de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
WAARSCHUWING
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin
plaatsnemen, wanneer de airbag aan die
kant gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbeveling kan aanleiding geven tot
levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
VEILIGHEID
BELANGRIJK
Als de passagiersairbag wordt gedeactiveerd, wordt ook de elektrische gordelspanner aan de passagierskant gedeactiveerd.
Zijairbags
WAARSCHUWING
De zijairbags aan bestuurders- en passagierszijde dienen ter bescherming van borstkas en
heupen bij een aanrijding.
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in de zij-airbags kan tot een onjuiste werking leiden
met ernstig letsel als gevolg.
Gerelateerde informatie
•
•
WAARSCHUWING
Gordelspanners (p. 50)
Plaats geen voorwerpen in het gebied tussen de buitenzijde van de stoel en het portierpaneel, aangezien dit gebied door de
zijairbag kan worden beïnvloed.
Kinderzitje (p. 63)
Volvo adviseert om uitsluitend door Volvo
goedgekeurde overtrekbekleding te gebruiken. Andere bekleding kan de werking van
de zijairbags hinderen.
De SIPS-airbags zijn in de buitenste rugframes van de voorstoelen gemonteerd en dragen bij tot het beschermen van de bestuurder
en de passagier in de voorstoelen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags worden
vervolgens opgeblazen tussen de inzittende
en het portierpaneel. De airbags lopen vervolgens weer leeg. De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen opgeblazen aan de
kant van de aanrijding.
WAARSCHUWING
De zijairbag vormt een aanvulling op de
veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Zijairbags en kinderzitjes
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of verhogingskussen niet negatief.
Gerelateerde informatie
•
Airbags (p. 53)
59
VEILIGHEID
Opblaasgordijnen
De gordijnairbags, Inflatable Curtain (IC) helpen voorkomen dat bestuurder en eventuele
passagiers bij een botsing met hun hoofd
tegen de binnenkant van de auto stoten.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in het systeem van het opblaasgordijn kan tot een
onjuiste werking leiden met ernstig letsel
als gevolg.
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haken zijn
alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Het opblaasgordijn is langs de beide kanten
van de hemelbekleding gemonteerd en
beschermt bestuurder en passagiers op de
buitenste stoelen van de auto. De panelen zijn
voorzien van het opschrift IC AIRBAG.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de gordijnairbags activeren.
60
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo
adviseert om alleen originele Volvo-onderdelen, bestemd voor montage op deze
plaatsen, te gebruiken.
WAARSCHUWING
Houd 10 cm (4 inch) afstand aan tussen de
bagage en de zijruiten, als u de bagage
opstapelt tot boven de portierruiten.
Anders kan de beschermende werking van
de opblaasgordijnen, die in de plafondbekleding zijn weggewerkt, uitblijven.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Gerelateerde informatie
•
Airbags (p. 53)
VEILIGHEID
Safety Mode
WAARSCHUWING
Safety Mode is een veiligheidsfunctie die in
werking treedt, wanneer tijdens een aanrijding mogelijk belangrijke onderdelen zijn
beschadigd zoals de brandstofleidingen, de
sensoren voor de veiligheidssystemen of het
remsysteem.
Als de auto een aanrijding heeft gehad, kan de
tekst Safety mode Zie handleiding worden
weergegeven op het bestuurdersdisplay in
combinatie met het waarschuwingslampje als
het display niet beschadigd is geraakt en het
elektrische systeem van de auto nog functioneert. De melding betekent dat de functionaliteit van de auto is verminderd.
Probeer nooit zelf de auto te repareren of
de elektronische onderdelen te resetten
nadat de auto in de Safety Mode heeft
gestaan. Dit kan aanleiding geven tot letsel
of een slechte functie van de auto. Volvo
adviseert u de auto altijd in een erkende
Volvo-werkplaats te laten controleren en
naar Normal Mode te laten resetten nadat
de melding Safety mode Zie handleiding
is verschenen.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de Safety mode staat. De
auto moet op een bergingsvoertuig worden
afgevoerd. Volvo adviseert u hem te laten
afvoeren naar een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt terwijl de melding Safety mode Zie
handleiding verschijnt. Verlaat de auto
onmiddellijk.
Als de auto in de veiligheidsmodus staat kan
het systeem worden gereset om de auto te
starten en over een korte afstand te verplaatsen. bijv. als de auto op een plaats staat waar
de verkeersveiligheid in gevaar komt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Veiligheid (p. 44)
Auto in Safety Mode starten en verplaatsen (p. 61)
Bergen (p. 514)
Auto in Safety Mode starten en
verplaatsen
Als de auto in de veiligheidsmodus staat kan
het systeem worden gereset om de auto te
starten en over een korte afstand te verplaatsen. bijv. als de auto op een plaats staat waar
de verkeersveiligheid in gevaar komt.
Auto in Safety Mode starten
1.
Onderzoek de auto op beschadigingen en
of er geen brandstof uit de auto is gelekt.
Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
Bij minder ernstige schade en als er
geconstateerd is dat geen sprake is van
brandstoflekkage, kan er een startpoging
worden gedaan.
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt terwijl de melding Safety mode Zie
handleiding verschijnt. Verlaat de auto
onmiddellijk.
2. Zet de auto uit.
}}
61
VEILIGHEID
||
3. Probeer vervolgens de auto te starten.
> De auto-elektronica verricht een systeemcontrole en probeert vervolgens
de normale modus te activeren. Op het
bestuurdersdisplay verschijnt ondertussen de melding Motor starten
Systeemcontrole, wachten. Dit kan
een minuutje duren.
Auto in Safety Mode verrijden
Kinderveiligheid
1.
4. Wanneer de melding Motor starten
Systeemcontrole, wachten van het
bestuurdersdisplay verdwijnt, kunt u de
auto opnieuw proberen te starten.
2. Verrijd de auto niet verder dan nodig.
Kinderen in rijdende auto's moeten altijd veilig zitten.
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten (kinderzitjes en bevestigingsmaterialen)
die speciaal voor uw auto zijn ontwikkeld. Met
kinderveiligheidsproducten van Volvo schept u
goede voorwaarden voor een veilig vervoer
van kinderen in de auto. U weet bovendien
zeker dat de producten passen en eenvoudig
in het gebruik zijn.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de Safety mode staat. De
auto moet op een bergingsvoertuig worden
afgevoerd. Volvo adviseert u hem te laten
afvoeren naar een erkende Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Als de melding Safety mode Zie
handleiding nog steeds op het display
staat, mag u niet met de auto rijden en
deze evenmin verslepen. U moet de auto
dan laten bergen. Verborgen schade kan
de auto tijdens het rijden onbestuurbaar
maken, zelfs als het lijkt dat u nog met de
auto kunt rijden.
62
Als de melding Normal mode The car is
now in normal mode op het bestuurdersdisplay wordt getoond nadat een startpoging gedaan is, kan de auto voorzichtig
worden verplaatst, bijv. als hij op een
plaats staat waar de verkeersveiligheid in
gevaar gebracht wordt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Safety Mode (p. 61)
Motor starten (p. 458)
Bergen (p. 514)
Het gewicht en de lengte van het kind zijn
bepalend voor de te gebruiken producten.
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van
3–4 jaar) en daarna tot een lengte van 1,40 m
(4 voet 7 inch) op/in een verhogingskussen of
een in de rijrichting geplaatst kinderzitje.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het te
gebruiken type kinderzitje voor kinderen in
verschillende leeftijdscategorieën en
gewichtsklassen verschillen van land tot
land. Ga na wat er in uw land geldt.
VEILIGHEID
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten
is het belangrijk om de bijgeleverde montagevoorschriften door te nemen.
Neem bij onduidelijkheden over de montage van kinderveiligheidsproducten contact op met de producent.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Veiligheid (p. 44)
Kinderzitje (p. 63)
Kinderslot activeren en deactiveren
(p. 285)
Kinderzitje
N.B.
Als u kinderen in de auto vervoert, moet u
altijd een adequate kinderbescherming
gebruiken.
Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen
zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de juiste
plaats aanbrengt, monteert en op de juiste
wijze gebruikt.
Raadpleeg voor de juiste montage de montage-instructies bij het kinderzitje.
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten
is het belangrijk om de bijgeleverde montagevoorschriften door te nemen.
Neem bij onduidelijkheden over de montage van kinderveiligheidsproducten contact op met de producent.
N.B.
Laat een kinderzitje nooit los in de auto liggen. Bevestig het altijd volgens de instructies voor het kinderzitje, ook als u het niet
gebruikt.
Het voor langere tijd monteren en gebruiken van het kinderzitje kan leiden tot slijtage aan het interieur van de auto. Volvo
adviseert om gebruik te maken van het
accessoire trappelbescherming om het
interieur van de auto te beschermen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Kinderveiligheid (p. 62)
Geïntegreerd kinderzitje* (p. 76)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 64)
•
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 65)
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor
kinderzitjes (p. 65)
•
•
Positie van kinderzitje (p. 66)
Passagiersairbag* activeren en deactiveren (p. 57)
* Optie/accessoire.
63
VEILIGHEID
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
WAARSCHUWING
Haal de bovenste bevestigingsband van
het kinderzitje door de opening in de ene
poot van de hoofdsteun, voordat u de band
aan het bevestigingspunt vastzet. Volg, als
dit niet mogelijk is, de aanbevelingen van
de producent van het kinderzitje op.
De auto is voorzien van bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes op de buitenste
zitplaatsen van de achterbank.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting
gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen.
N.B.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de bovenste bevestigingspunten vastzet.
Klap de hoofdsteunen omlaag om het
monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen bij auto’s met neerklapbare
hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen.
Positie van de bevestigingspunten
N.B.
Bij auto’s met een bagagerolhoes over de
bagageruimte moet u de bagagerolhoes
verwijderen voordat het kinderzitje in de
bevestigingspunten kan worden gemonteerd.
Gerelateerde informatie
Symbolen achter op de rugleuningen geven de positie van de bevestigingspunten aan.
De bevestigingspunten zitten aan de achterzijde van de buitenste zitplaatsen op de achterbank.
64
•
•
•
Kinderzitje (p. 63)
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 65)
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor
kinderzitjes (p. 65)
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de
veiligheidsgordel in de auto gebruiken
(p. 69)
VEILIGHEID
Onderste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
De auto is voorzien van onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes voorin* en achterin.
De onderste bevestigingspunten zijn bedoeld
voor gebruik in combinatie met bepaalde
tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes.
De bevestigingspunten voorin zijn alleen
gemonteerd als de auto is voorzien van een
schakelaar voor het activeren/deactiveren van
de passagiersairbag*.
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten
voor kinderzitjes
De auto is voorzien van i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes op de achterbank.
i-Size/ISOFIX2 is een bevestigingssysteem
voor kinderzitjes dat gebaseerd is op een
internationale norm.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de onderste bevestigingspunten vastzet.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten
vastzet.
Positie van de bevestigingspunten
Positie van de bevestigingspunten
De positie van de bevestigingspunten achterin.
De bevestigingspunten achterin zitten op de
achterste uiteinden van de vloerrails voor de
voorstoelen.
Gerelateerde informatie
•
•
De positie van de bevestigingspunten voorin.
De bevestigingspunten voorin zitten aan de
zijkanten van de beenruimte voor de passagiersstoel.
2 Naam
Kinderzitje (p. 63)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 64)
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor
kinderzitjes (p. 65)
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de
veiligheidsgordel in de auto gebruiken
(p. 69)
Symbolen2 achter op de rugbekleding geven de positie van de bevestigingspunten aan.
De bevestigingspunten voor het i-Size/
ISOFIX-systeem zitten achter afdekkingen
}}
en symbool verschillen per markt.
* Optie/accessoire.
65
VEILIGHEID
||
onder in de rugleuningen van de achterbank,
op de beide buitenste zitplaatsen.
Klap de afdekkingen omhoog om bij de bevestigingspunten te komen.
Gerelateerde informatie
•
•
Positie van kinderzitje
Het is belangrijk om het kinderzitje op de
juiste stoel in de auto te plaatsen. De positie
hangt onder meer af van het type kinderzitje
en van de vraag of de passagiersairbag is
ingeschakeld.
De wettelijke bepalingen voor hoe een kind
in de auto moet worden geplaatst, verschillen per land. Stel u op de hoogte van wat
van toepassing is.
Kinderzitje (p. 63)
WAARSCHUWING
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 64)
•
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 65)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 71)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 72)
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel
zitten of staan.
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag geactiveerd is.
Tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
Plaats tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes op de achterbank, als de passagiersairbag geactiveerd is. Als de airbag wordt opgeblazen, kan een kind op de passagiersstoel
ernstig letsel oplopen.
Als de passagiersairbag gedeactiveerd is, kunt
u een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin zetten.
66
N.B.
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin
plaatsnemen, als de passagiersairbag
gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan aanleiding geven tot
levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
VEILIGHEID
Sticker voor passagiersairbag
Kinderzitje monteren
Bij de montage en het gebruik van een kinderzitje dient u op enkele dingen te letten.
Het hangt van de plaats van het kinderzitje af
welke dingen dat precies zijn.
WAARSCHUWING
Comfortkussens/kinderzitjes met stalen
beugels of andere constructies die tegen
de openingsknop van de gordelsluiting aan
kunnen liggen, mogen niet worden
gebruikt aangezien ze ervoor kunnen zorgen dat de veiligheidsgordel per ongeluk
open gaat.
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag is aangebracht als hierboven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Kinderzitje (p. 63)
Kinderzitje monteren (p. 67)
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de
veiligheidsgordel in de auto gebruiken
(p. 69)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 71)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 72)
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje niet vast aan de hendel waarmee u de
voorstoel in de lengterichting verstelt of
aan de veren, rails of balken onder de stoel.
Scherpe randen kunnen de bevestigingsbanden beschadigen.
Laat het bovengedeelte van het kinderzitje
niet tegen de voorruit leunen.
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten
is het belangrijk om de bijgeleverde montagevoorschriften door te nemen.
Neem bij onduidelijkheden over de montage van kinderveiligheidsproducten contact op met de producent.
N.B.
Laat een kinderzitje nooit los in de auto liggen. Bevestig het altijd volgens de instructies voor het kinderzitje, ook als u het niet
gebruikt.
N.B.
Het voor langere tijd monteren en gebruiken van het kinderzitje kan leiden tot slijtage aan het interieur van de auto. Volvo
adviseert om gebruik te maken van het
accessoire trappelbescherming om het
interieur van de auto te beschermen.
}}
67
VEILIGHEID
||
Op voorstoel monteren
•
Controleer bij montage van tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes of de
passagiersairbag gedeactiveerd is.
•
Controleer bij montage van in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes of de passagiersairbag geactiveerd is.
•
Gebruik alleen door Volvo geadviseerde
kinderzitjes met een universele of semiuniversele goedkeuring waarbij uw auto
op de lijst van compatibele auto's staat.
•
ISOFIX-kinderzitjes zijn alleen te monteren, wanneer de auto is uitgerust met een
ISOFIX-console3 (accessoire).
•
Als het kinderzitje voorzien is van onderste
bevestigingsbanden, adviseert Volvo u om
deze aan de onderste bevestigingspunten
vast te zetten3.
•
Als het kinderzitje met steunbenen is uitgerust, moet het steunbeen/moeten de
steunbenen altijd rechtstreeks op de vloer
worden geplaatst. Plaats steunbenen
nooit op een voetensteun of een ander
voorwerp.
•
Om de montage van kinderzitjes te vereenvoudigen kunt u gebruikmaken van
een ISOFIX-geleider.
3 Het aanbod aan accessoires
4 Verschilt per markt.
68
verschilt per markt.
Op achterbank monteren
•
Gebruik alleen door Volvo geadviseerde
kinderzitjes met een universele of semiuniversele goedkeuring waarbij uw auto
op de lijst van compatibele auto's staat.
•
Het is niet toegestaan om kinderzitjes met
steunbenen op de middelste zitplaats te
monteren.
•
De buitenste zitplaatsen zijn uitgerust met
ISOFIX-systeem en goedgekeurd voor iSize4.
•
De buitenste zitplaatsen zijn uitgerust met
bevestigingspunten bovenaan. Volvo adviseert u om de bovenste bevestigingsbanden door de hoofdsteunopening te halen
alvorens ze vast te zetten aan de bevestigingspunten. Volg de adviezen van de producent van het kinderzitje op, als dit niet
mogelijk is.
•
•
Verstel na het vastzetten van eventuele
onderste bevestigingsbanden van een kinderzitje in de onderste bevestigingspunten
de desbetreffende stoel niet meer. Vergeet
niet om bij het demonteren van een kinderzitje ook altijd eventuele onderste
bevestigingsbanden te verwijderen.
Als het kinderzitje met steunbenen is uitgerust, moet het steunbeen/moeten de
steunbenen altijd rechtstreeks op de vloer
worden geplaatst. Plaats steunbenen
nooit op een voetensteun of een ander
voorwerp.
Bij het monteren van een babyzitje op de achterbank
raadt Volvo aan om een afstand van minimaal
50 mm (2 inch) aan te houden van de voorkant van
het babyzitje tot de achterkant van de stoel ervoor.
Gerelateerde informatie
•
•
Positie van kinderzitje (p. 66)
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de
veiligheidsgordel in de auto gebruiken
(p. 69)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 71)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 72)
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor kinderzitjes
die de veiligheidsgordel in de auto
gebruiken
zitplaatsen en voor de desbetreffende
gewichtsgroepen.
N.B.
Neem alvorens een kinderzitje in de auto te
monteren altijd het hoofdstuk over de
montage van kinderzitjes in de gebruikershandleiding door.
De tabel geeft aanbevelingen voor de te
gebruiken kinderzitjes op de verschillende
Gewicht
Groep 0
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
Groep 1
9–18 kg
Groep 2
15–25 kg
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag, alleen tegen de
rijrichting in geplaatste kinderzitjes)A
Voorstoel (met geactiveerde
airbag, alleen in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)A
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
UB, C
X
UC
UC
UB, C
X
UC
UC
LD
UFB, E
U, LD
U
LD
UFB
UF, G, B*, H, LD
UF
}}
* Optie/accessoire.
69
VEILIGHEID
||
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag, alleen tegen de
rijrichting in geplaatste kinderzitjes)A
Voorstoel (met geactiveerde
airbag, alleen in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)A
Buitenste zitplaats achterbank
X
UFB
UG, I, B*, H
Groep 3
22–36 kg
Middelste zitplaats achterbank
UI
U: Geschikt voor kinderzitjes met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes met universele goedkeuring.
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of
semi-universeel zijn.
B: een geïntegreerd kinderzitje dat goedgekeurd is voor vervoer van kinderen in de betrokken gewichtsgroep.
X: deze plaats is niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsgroep.
A
B
C
D
E
F
G
H
I
Bij montage van kinderzitjes dient het verlengbare zitkussen altijd te zijn ingeschoven.
Zet de rugleuning beter rechtop.
Volvo adviseert: Volvo-babyzitje (typegoedkeuring E1 04301146).
Volvo adviseert: Tegen de rijrichting in geplaatst omkeerbaar Volvo-zitje (typegoedkeuring E5 04192); tegen de rijrichting in geplaatste Volvo-kinderzitje (typegoedkeuring E5 04212).
Voor kinderen in deze gewichtsgroep adviseert Volvo een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje.
Volvo adviseert: in de rijrichting geplaatst omkeerbaar Volvo-zitje (typegoedkeuring E5 04191); verhogingskussen met of zonder rugleuning (typegoedkeuring E5 04216); Volvo-kinderzitje met rugleuning (typegoedkeuring E1 04301169); Volvo-kinderzitje (typegoedkeuring E1 04301312).
Volvo adviseert: Römer KidFix XP (typegoedkeuring E1 04301312).
Volvo adviseert: geïntegreerd kinderzitje (typegoedkeuring E5 04220).
Volvo adviseert: verhogingskussen met of zonder rugleuning (typegoedkeuring E5 04216); Volvo-kinderzitje met rugleuning (typegoedkeuring E1 04301169).
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag geactiveerd is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
70
•
Veiligheidsgordels (p. 48)
Positie van kinderzitje (p. 66)
Kinderzitje monteren (p. 67)
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 71)
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 72)
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor i-Sizekinderzitjes
De tabel geeft aanbevelingen voor de te
gebruiken i-Size-kinderzitjes op de verschil-
lende zitplaatsen en voor de desbetreffende
gewichtsgroepen.
Het kinderzitje moet zijn goedgekeurd conform UN Reg R129.
N.B.
Neem alvorens een kinderzitje in de auto te
monteren altijd het hoofdstuk over de
montage van kinderzitjes in de gebruikershandleiding door.
Type kinderzitje
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag, alleen tegen de
rijrichting in geplaatste kinderzitjes)
Voorstoel (met geactiveerde
airbag, alleen in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
i-Size-kinderzitje
X
X
i-UA
X
i-U: Geschikt voor i-Size-kinderzitje met "universele" goedkeuring dat in of tegen de rijrichting in geplaatst is.
X: Niet geschikt voor kinderzitjes met universele goedkeuring.
A
Volvo beveelt aan dat kinderen zo lang mogelijk in een tegen de rijrichting geplaatst kinderzitje zitten, minimaal tot een leeftijd van 3-4 jaar.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Positie van kinderzitje (p. 66)
Kinderzitje monteren (p. 67)
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de
veiligheidsgordel in de auto gebruiken
(p. 69)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 72)
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor
kinderzitjes (p. 65)
71
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor ISOFIXkinderzitjes
De tabel geeft aanbevelingen voor de te
gebruiken ISOFIX-kinderzitjes op de verschil-
Gewicht
Groep 0
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
72
AfmetingscategorieA
lende zitplaatsen en voor de desbetreffende
gewichtsgroepen.
Het kinderzitje moet zijn goedgekeurd conform UN Reg R44 en de producent van het
zitje moet het desbetreffende automodel op
de lijst met compatibele auto's vermelden.
Type kinderzitje
E
Tegen rijrichting in
geplaatst babyzitje
E
Tegen rijrichting in
geplaatst babyzitje
C
Tegen rijrichting in
geplaatst kinderzitje
D
Tegen rijrichting in
geplaatst kinderzitje
N.B.
Neem alvorens een kinderzitje in de auto te
monteren altijd het hoofdstuk over de
montage van kinderzitjes in de gebruikershandleiding door.
Voorstoel (met
gedeactiveerde airbag, alleen tegen
de rijrichting in
geplaatste kinderzitjes)B,C
Voorstoel (met
geactiveerde airbag, alleen in de rijrichting geplaatste
kinderzitjes)B, C
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
ILB, D, XE
X
ILD
X
ILB, D, F, XE
X
ILD
X
VEILIGHEID
Gewicht
Groep 1
9–18 kg
AfmetingscategorieA
Type kinderzitje
A
In rijrichting geplaatst kinderzitje
B
In rijrichting geplaatst kinderzitje
B1
In rijrichting geplaatst kinderzitje
C
Tegen rijrichting in
geplaatst kinderzitje
D
Tegen rijrichting in
geplaatst kinderzitje
Voorstoel (met
gedeactiveerde airbag, alleen tegen
de rijrichting in
geplaatste kinderzitjes)B,C
Voorstoel (met
geactiveerde airbag, alleen in de rijrichting geplaatste
kinderzitjes)B, C
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
X
ILB, F, G, XE
ILG, IUFG
X
ILB, F, XE
X
ILH
X
}}
73
VEILIGHEID
||
Gewicht
AfmetingscategorieA
Type kinderzitje
Voorstoel (met
gedeactiveerde airbag, alleen tegen
de rijrichting in
geplaatste kinderzitjes)B,C
Voorstoel (met
geactiveerde airbag, alleen in de rijrichting geplaatste
kinderzitjes)B, C
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
IL: Geschikt voor bepaalde ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of semi-universeel zijn.
IUF: Geschikt voor in de rijrichting geplaatste ISOFIX-kinderzitjes met een universele goedkeuring voor gebruik voor kinderen in de betrokken
gewichtsgroep.
X: Niet geschikt voor ISOFIX-kinderzitjes.
A
B
C
D
E
F
G
H
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-systeem zijn er afmetingscategorieën om te helpen bij het kiezen van het juiste type kinderzitje. De afmetingscategorie staat aangegeven op het etiket van het
kinderzitje.
Geschikt voor montage van ISOFIX-kinderzitjes met semi-universele goedkeuring (IL), als de auto is uitgerust met een ISOFIX-console (accessoire) (het aanbod aan accessoires verschilt per markt).
Op deze positie ontbreken de bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes.
Bij montage van kinderzitjes dient het verlengbare zitkussen altijd te zijn ingeschoven.
Volvo adviseert: Volvo-babyzitje bevestigd met ISOFIX-systeem (typegoedkeuring E1 04301146).
Geldt bij een auto zonder ISOFIX-console.
Stel de rugleuning zo in dat de hoofdsteun het kinderzitje niet raakt.
Voor kinderen in deze gewichtsgroep adviseert Volvo een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje.
Volvo adviseert: BeSafe iZi Kid X3 ISOfix (typegoedkeuring E5 04200).
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag geactiveerd is.
N.B.
N.B.
Als een i-Size/ISOFIX-kinderzitje geen
afmetingscategorie heeft, moet het automodel op de voertuiglijst van het kinderzitje staan.
Volvo raadt u aan om contact op te nemen
met een erkende Volvo-dealer voor informatie over de i-Size/ISOFIX-kinderzitjes
van Volvo.
Gerelateerde informatie
•
•
74
Positie van kinderzitje (p. 66)
Kinderzitje monteren (p. 67)
VEILIGHEID
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de
veiligheidsgordel in de auto gebruiken
(p. 69)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 71)
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor
kinderzitjes (p. 65)
75
VEILIGHEID
Geïntegreerd kinderzitje*
Op de geïntegreerde kinderzitjes op de buitenste zitplaatsen van de achterbank kunnen
kinderen comfortabel en veilig meerijden.
De kinderzitjes zijn speciaal ontworpen om
kinderen optimale bescherming te bieden. De
zitkussens zijn afhankelijk van het gewicht van
het kind omhoog te klappen in twee standen.
Het kinderzitje is goedgekeurd voor kinderen
met een gewicht van 15–36 kg (33–80 lbs)
en een lengte van minimaal 95 cm (37 inch).
Goede positie: de gordel loopt midden over de
schouder.
Zorg alvorens weg te rijden dat:
76
•
het zitkussen omhooggeklapt staat in de
stand die zich leent voor het gewicht van
het kind
•
het zitkussen vergrendeld is
•
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens slap
hangt of verdraaid is;
•
de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt
•
de heupgordel laag over het bekken loopt,
zodat deze maximale bescherming biedt.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert om de reparatie of vervanging van het geïntegreerde kinderzitje
alleen te laten uitvoeren door een erkende
Volvo-werkplaats. Het kinderzitje mag niet
worden aangepast of van extra's worden
voorzien. Als een geïntegreerd kinderzitje is
blootgesteld aan een zware belasting, bijvoorbeeld bij een aanrijding, moet het zitgedeelte, de veiligheidsgordel, de rugleuning of eventueel het hele zitje worden vervangen. Ook als het kinderzitje niet
beschadigd lijkt te zijn, kunnen de veiligheidsfuncties van het zitje voor een deel
verloren zijn gegaan. Dit geldt ook als het
zitgedeelte omlaag was geklapt bij een
aanrijding of iets dergelijks. Het zitgedeelte
moet ook worden vervangen als het sterk
versleten is.
WAARSCHUWING
Bij het negeren van de instructies voor het
geïntegreerde kinderzitje kan het kind in
geval van een ongeluk ernstig letsel oplopen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Kinderzitje (p. 63)
Zitkussen van geïntegreerd kinderzitje*
uitklappen (p. 77)
Zitkussen van geïntegreerd kinderzitje*
inklappen (p. 78)
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Zitkussen van geïntegreerd
kinderzitje* uitklappen
Als het geïntegreerde kinderzitje gebruikt
wordt, moet het zitkussen worden opgeklapt.
Het geïntegreerde kinderzitje is in twee standen omhoog te klappen. Welke stand u moet
gebruiken hangt af van het gewicht van het te
vervoeren kind.
Onderste
stand
Gewicht
22–36 kg
(50–80 lbs)
Bovenste
stand
15–25 kg (33–
55 lbs)
Onderste stand:
Duw het zitkussen naar achteren om het
te vergrendelen.
Bovenste stand, met de onderste stand als
uitgangspunt:
Til het zitkussen aan de voorkant op en
duw het achteruit tegen de rugleuning aan
om het te vergrendelen.
WAARSCHUWING
Bij het negeren van de instructies voor het
geïntegreerde kinderzitje kan het kind in
geval van een ongeluk ernstig letsel oplopen.
N.B.
Trek de handgreep naar voren en omhoog
om het zitkussen vrij te geven.
Druk op de knop om het zitkussen los te
maken.
Het zitgedeelte is vanuit de bovenste stand
niet in één keer in de onderste stand te zetten. U moet het zitgedeelte vanuit de
bovenste stand eerst helemaal tot op de
achterbank omlaag klappen en vervolgens
tot in de onderste stand omhoog klappen.
}}
* Optie/accessoire.
77
VEILIGHEID
||
Gerelateerde informatie
•
•
Geïntegreerd kinderzitje* (p. 76)
Zitkussen van geïntegreerd kinderzitje*
inklappen (p. 78)
Zitkussen van geïntegreerd
kinderzitje* inklappen
Als het geïntegreerde kinderzitje niet gebruikt
wordt, moet het zitkussen in de achterbank
worden geklapt.
N.B.
Het zitgedeelte is vanuit de bovenste stand
niet in één keer in de onderste stand te zetten. U moet het zitgedeelte vanuit de
bovenste stand eerst helemaal tot op de
achterbank omlaag klappen en vervolgens
tot in de onderste stand omhoog klappen.
Duw het zitkussen met uw hand omlaag
om het te vergrendelen.
BELANGRIJK
Controleer vóór het omlaag klappen of er
geen losse voorwerpen (bijvoorbeeld
speelgoed) zijn achtergebleven in de
ruimte onder het zitgedeelte van het kinderzitje.
N.B.
Trek de handgreep naar voren om het zitkussen vrij te geven.
78
Bij het inklappen van rugleuningen achter
moet eerst het zitgedeelte van het kinderzitje worden neergeklapt.
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Gerelateerde informatie
•
•
Geïntegreerd kinderzitje* (p. 76)
Zitkussen van geïntegreerd kinderzitje*
uitklappen (p. 77)
* Optie/accessoire.
79
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Instrumenten en bediening bij een
auto met het stuur links
In de overzichten wordt aangegeven waar
displays en bedieningselementen dicht bij de
bestuurder zitten.
Stuurwiel en instrumentenpaneel
Claxon
Midden- en tunnelconsole
Linker knoppenset op het stuur
Motorkap openen
Displayverlichting, achterklep ontgrendelen/openen* / vergrendelen/sluiten*,
koplamphoogteregeling van halogeenkoplampen
Plafondconsole
Middendisplay
Alarmlichten, ontwaseming, media
Schakelhendel/keuzehendel
Startknop
Stadslicht, dagrijlicht, dimlicht, groot licht,
richtingaanwijzers, mistachterlicht, op nul
zetten van dagtellers
Rijmodusknop
Parkeerrem
Stuurpaddles om handmatig te schakelen
met een automatische versnellingsbak*
Leeslampjes en interieurverlichting voorin
Head-updisplay*
Panoramadak*
Bestuurdersdisplay
Display in plafondconsole, ON CALLknop*
Wissers en sproeiers, regensensor*
Rechter stuurknoppenset
Automatische rem bij stilstand
Handmatige dimfunctie van achteruitkijkspiegel
Stuurwielafstelling
82
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Bestuurdersportier
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 113)
Versnellingsbak (p. 473)
Instrumenten en bediening bij een
auto met het stuur rechts
In de overzichten wordt aangegeven waar
displays en bedieningselementen dicht bij de
bestuurder zitten.
Geheugens voor instellingen van elektrisch bedienbare voorstoel*, buitenspiegels en head-updisplay*
Centrale vergrendeling
Elektrisch bedienbare ruiten, buitenspiegels, elektrisch kinderslot*
Instelling van voorstoel
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 194)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 195)
Stuurwiel verstellen (p. 208)
Verlichtingsbediening (p. 158)
Motor starten (p. 458)
Bestuurdersdisplay (p. 86)
}}
* Optie/accessoire.
83
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Stuurwiel en instrumentenpaneel
Claxon
Midden- en tunnelconsole
Stuurwielafstelling
Linker knoppenset op het stuur
Plafondconsole
Stadslicht, dagrijlicht, dimlicht, groot licht,
richtingaanwijzers, mistachterlicht, op nul
zetten van dagtellers
Middendisplay
Stuurpaddles om handmatig te schakelen
met een automatische versnellingsbak*
Schakelhendel/keuzehendel
Alarmlichten, ontwaseming, media
Head-updisplay*
Leeslampjes en interieurverlichting voorin
Startknop
Bestuurdersdisplay
Panoramadak*
Rijmodusknop
Wissers en sproeiers, regensensor*
Display in plafondconsole, ON CALLknop*
Parkeerrem
Rechter stuurknoppenset
Displayverlichting, achterklep ontgrendelen/openen* / vergrendelen/sluiten*,
koplamphoogteregeling van halogeenkoplampen
Automatische rem bij stilstand
Handmatige dimfunctie van achteruitkijkspiegel
Motorkap openen
84
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Bestuurdersportier
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 113)
Versnellingsbak (p. 473)
Geheugens voor instellingen van elektrisch bedienbare voorstoel*, buitenspiegels en head-updisplay*
Centrale vergrendeling
Elektrisch bedienbare ruiten, buitenspiegels, elektrisch kinderslot*
Instelling van voorstoel
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 194)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 195)
Stuurwiel verstellen (p. 208)
Verlichtingsbediening (p. 158)
Motor starten (p. 458)
Bestuurdersdisplay (p. 86)
* Optie/accessoire.
85
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Bestuurdersdisplay
Het bestuurdersdisplay wordt geactiveerd
zodra er een portier wordt geopend, d.w.z. in
contactslotstand 0. Het bestuurdersdisplay
dooft, als het enige tijd niet wordt gebruikt.
Om het weer te activeren moet u het volgende
doen:
•
•
Open een van de portieren.
•
Het bestuurdersdisplay geeft informatie weer
over de auto en het rijden.
Van het bestuurdersdisplay maken deel uit
meters, indicatoren en controle- en waarschuwingssymbolen. Wat er op het bestuurdersdisplay wordt weergegeven, hangt af van de
uitrusting, instellingen en de op dat moment
actieve functies van de auto.
Bedien het rempedaal.
Activeer contactslotstand I.
WAARSCHUWING
Maak geen gebruik van de auto, als het
bestuurdersdisplay na de activering/start
dooft of niet oplicht of als het bestuurdersdisplay of delen ervan onleesbaar zijn.
Bezoek onmiddellijk een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Bij storingen in het bestuurdersdisplay kan
mogelijk geen informatie over het remsysteem, de airbags of andere veiligheidssystemen worden weergegeven. U kunt de
status van de autosystemen dan niet controleren en evenmin waarschuwingen en
informatie ontvangen.
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk
van het model afwijkingen mogelijk zijn.
Positie op het bestuurdersdisplay:
86
Links
In het midden
Rechts
Snelheidsmeter
Controle- en waarschuwingssymbolen
Toerenteller/hybridemeterA
Dagtellers
Buitentemperatuurmeter
Schakelindicator
KilometertellerB
Klok
Rijmodus
Informatie over cruisecontrol en
snelheidsbegrenzer
Meldingen, in bepaalde gevallen met grafische voorstellingen
Brandstofmeter
Verkeersbordinformatie*
Informatie over portieren en gordels
Hybridemeter
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
A
B
Links
In het midden
Rechts
-
Laadstatus
Actieradius op tank
-
Mediaspeler
Actieradius op accu
-
Navigatiekaart*
Momentaan brandstofverbruik
-
Telefoon
Appmenu (te activeren met de stuurknoppenset)
-
Stembediening
-
Afhankelijk van de gekozen rijmodus.
Gecumuleerde afstand.
Dynamisch symbool
Gerelateerde informatie
Het dynamische symbool in
zijn basisvorm.
In het midden van het bestuurdersdisplay
staat een dynamisch symbool dat er afhankelijk van het type melding anders uitziet. Een
amberkleurige of rode aanduiding rond het
symbool geeft de ernstigheidsgraad van controle- en waarschuwingsmeldingen aan.
Voorbeeld van controlesymbool.
Aan de hand van een animatie is de basisvorm
te wijzigen in een grafische voorstelling om de
locatie van het probleem aan te geven of om
informatie te verduidelijken.
•
Instellingen voor bestuurdersdisplay
(p. 88)
•
Waarschuwingssymbolen op bestuurdersdisplay (p. 99)
•
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
(p. 97)
•
•
•
Boordcomputer (p. 91)
•
Rijmodi (p. 481)
Melding op bestuurdersdisplay (p. 109)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 108)
* Optie/accessoire.
87
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Instellingen voor
bestuurdersdisplay
Instellingen voor de weergave-opties van het
bestuurdersdisplay zijn te verrichten via het
applicatiemenu van het bestuurdersdisplay
en via het instellingsmenu van het middendisplay.
Instellingen via appmenu van
bestuurdersdisplay
•
navigatiesysteem*.
Instellingen via middendisplay
Informatietype kiezen
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Tik op My Car Displays
bestuurdersscherm.
Informatie
3. Kies wat er op de achtergrond moet verschijnen:
• Geen info in achtergrond tonen
• Info huidige gespeelde media tonen
• Navigatie ook tonen zonder
ingestelde route
2. Tik op Systeem Systeemtalen en eenheden Systeemtaal om een taal te
kiezen.
> Een wijziging werkt door op de taal op
alle niveaus.
De instellingen zijn persoonlijk en worden
automatisch opgeslagen onder het actieve
gebruikersprofiel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 86)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 108)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm van het middendisplay (p. 136)
Thema kiezen
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Tik op My Car
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk
van het model afwijkingen mogelijk zijn.
Het appmenu is te openen en te regelen via de
rechter stuurknoppenset.
In het appmenu is te kiezen welke informatie
op het bestuurdersdisplay moet verschijnen
•
•
•
88
boordcomputer
mediaspeler
telefoon
Displays
Toon skins
3. Kies thema (uiterlijk) van het bestuurdersdisplay:
•
•
•
•
Glass
Minimalistic
Performance
Chrome Rings
Taal kiezen
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Brandstofmeter
Hybridemeter
De brandstofmeter op het bestuurdersdisplay
geeft het brandstofpeil in de tank aan.
In de rijmodi Hybrid en Pure verschijnt een
hybridemeter op het bestuurdersdisplay die u
kunt gebruiken om zuiniger te rijden.
Geeft het vermogensniveau aan
waarbij de verbrandingsmotor aanslaat. Een gevuld symbool betekent
dat de verbrandingsmotor wordt
gebruikt.
Geeft het vermogensniveau aan
waarbij de verbrandingsmotor aanslaat. Een niet-gevuld symbool betekent dat de verbrandingsmotor niet
wordt gebruikt.
Indicatie die aangeeft dat de
hybride-accu wordt opgeladen, zoals
bij lichte druk op het rempedaal.
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk
van het model afwijkingen mogelijk zijn.
Het beige gebied van de brandstofmeter geeft
het brandstofpeil in de tank aan.
Wanneer het brandstofpeil gering is en u moet
bijtanken, gaat het amberkleurige tanksymbool branden. De boordcomputer geeft ook de
resterende actieradius op de tank aan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 86)
Hybridemeter (p. 90)
Brandstof tanken (p. 496)
Brandstoftank – inhoud (p. 708)
Gewenst vermogen
De hybridemeter geeft op uiteenlopende
manieren het verband aan tussen het benutte
en het beschikbare vermogen van de elektromotor.
Symbolen op de hybridemeter
Geeft het beschikbare vermogen van
de elektromotor. Een gevuld symbool betekent dat de elektromotor
wordt gebruikt.
De wijzer van de hybridemeter geeft het door
u gewenste motorvermogen aan op basis van
de stand van het gaspedaal. Hoe groter de uitslag op de schaal, hoe groter het gewenste
vermogen in de actuele versnelling. De markering tussen de bliksemschicht en de druppel
geeft het punt aan waarop de verbrandingsmotor wordt gestart.
Een niet-gevuld symbool betekent
dat de elektromotor niet wordt
gebruikt.
}}
89
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Hybridemeter
Bijvoorbeeld:
De hybridemeter geeft de resterende hoeveelheid stroom in de hybride-accu aan.
De auto is gestart maar staat stil, geen vermogensbehoefte.
De auto genereert stroom voor de accu en de accu
wordt opgeladen bij lichte druk op het rempedaal of
bij het afremmen op de motor op een aflopende helling.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
De elektromotor is niet in staat het gevraagde motorvermogen te leveren, zodat de verbrandingsmotor
aanslaat.
90
Rijmodi (p. 481)
Bestuurdersdisplay (p. 86)
Rempedaal (p. 464)
Verbrandingsmotor van de Twin Engine
starten en afzetten (p. 481)
De stroom in de hybride-accu wordt niet
alleen gebruikt voor de elektromotor, maar ook
voor koeling of verwarming van de auto. De
boordcomputer geeft een schatting van de
actieradius op de resterende hoeveelheid
stroom in de hybride-accu.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Symbolen op de hybridemeter
Boordcomputer
De boordcomputer van de auto registreert
waarden zoals afgelegde afstand, brandstofverbruik en gemiddelde snelheid tijdens het
rijden.
Om eenvoudiger zuinig te kunnen rijden, worden het momentane en het gemiddelde brandstofverbruik geregistreerd. De boordcomputerinformatie is weer te geven op het bestuurdersdisplay.
Actieradius op accu
Toerist (alternatieve snelheidsmeter)
Eenheden voor afstand, snelheid en dergelijk
zijn te wijzigen via de systeeminstellingen op
het middendisplay.
Dagtellers
Er zijn twee dagtellers, TM en TA.
TM kan handmatig op nul worden gezet en TA
wordt automatisch op nul gezet als de auto
minimaal vier uur niet wordt gebruikt.
•
•
•
•
Gerelateerde informatie
Bestuurdersdisplay (p. 86)
Hybride-accu opladen (p. 437)
Hold en Charge-functie (p. 492)
Actieradius op tank
Tijdens de rit wordt informatie geregistreerd
over:
Het symbool
op de hybridemeter geeft
aan dat de functie Hold is geactiveerd, terwijl
het symbool
aangeeft dat het systeem
Charge is geactiveerd.
•
•
•
•
•
•
Voorbeeld van boordcomputerinformatie op het
bestuurdersdisplay. De afbeelding is schematisch,
zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
De volgende meters maken deel uit van de
boordcomputer:
•
•
•
Dagtellers
Kilometerteller
Momentaan brandstofverbruik
Afstand
Rijtijd
Gemiddelde snelheid
Gemiddeld brandstofverbruik
De waarden zijn berekend op basis van de
waarden sinds de laatste reset.
Kilometerteller
De kilometerteller registreert de totale afgelegde afstand van de auto. Deze waarde is niet
op nul te zetten.
Momentaan brandstofverbruik
Deze meter geeft het actuele brandstofverbruik van de auto aan. De waarde wordt zowat
iedere seconde bijgewerkt.
}}
91
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Actieradius op tank
De boordcomputer berekent de
actieradius op basis van de resterende hoeveelheid brandstof in de
tank.
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km (20 mijl) en de resterende hoeveelheid brandstof.
Als de meter "----" aangeeft, is er te weinig
brandstof over om de actieradius te kunnen
berekenen. Tank zo spoedig mogelijk.
N.B.
Er is een bepaalde afwijking mogelijk, als u
van rijstijl verandert.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een langere actieradius.
Actieradius op accu
Naast dit symbool staat de afstand
die bij benadering kan worden afgelegd op de resterende hoeveelheid
stroom in de hybride-accu.
De berekende waarde is gebaseerd op het
gemiddelde verbruik bij een normaal beladen
auto, tijdens een normale rit en rekening houdend met de vraag of de airconditioning (A/C)
wel of niet aanstaat. Bij overschakeling van de
92
rijmodus Hybrid op Pure of andersom neemt
de berekende actieradius mogelijk toe, omdat
de Pure-modus gereduceerde klimaatinstellingen (ECO-klimaat) hanteert.
Wanneer de meter "----" aangeeft, zijn geen
garanties meer te geven voor de actieradius
op de accu.
N.B.
Er is een bepaalde afwijking mogelijk, als u
van rijstijl verandert.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een langere actieradius.
Startwaarde bij een volledig opgeladen
hybride-accu
Omdat het lastig is om een betrouwbare voorspelling te doen van het rijgedrag en de factoren die van invloed zijn op de actieradius op de
accu, heeft Volvo ervoor gekozen om een
startwaarde te hanteren bij een volledig opgeladen auto. De startwaarde bestaat uit een
"tot-waarde" in plaats van een prognose van
de actieradius op de accu. Het verschil in de
startwaarde tussen Hybrid en Pure is te verklaren door het gegeven dat de auto in de rijmodus Pure niet alleen meer stroom van de
hybride-accu kan afnemen, maar ook overschakelt op het ECO-klimaat.
Actieradius op accu
Voor een zo groot mogelijke actieradius op de
accu moet u het stroomverbruik zo laag
mogelijk houden. Hoe meer verbruikers (stereo, elektrische ruit-/buitenspiegel-/stoelverwarming, koelfunctie klimaatregeling en dergelijke) er zijn ingeschakeld, hoe korter de
actieradius.
N.B.
Naast een hoog stroomverbruik in het interieur kunnen ook snelle acceleraties en
remmanoeuvres, hoge snelheden, zware
ladingen, geringe buitentemperaturen en
oplopende hellingen de actieradius beperken.
Toerist (alternatieve snelheidsmeter)
De alternatieve digitale snelheidsmeter vereenvoudigt het rijden in landen waar verkeersborden met de voorgeschreven snelheden een
andere eenheid hebben dan wat de instrumenten van de auto laten zien.
De digitale snelheid wordt dan weergegeven
in de eenheid die de analoge snelheidsmeter
juist niet geeft. Is de analoge snelheidsmeter
ingesteld op mph, dan wordt de snelheid op
de boordcomputermeter weergegeven in
km/h en omgekeerd.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Gerelateerde informatie
•
Ritstatistieken tonen op het bestuurdersdisplay (p. 93)
•
•
Dagteller resetten (p. 94)
•
•
Verbruiksinfo weergeven op het middendisplay (p. 94)
Bestuurdersdisplay (p. 86)
Systeemeenheden wijzigen (p. 136)
Ritstatistieken tonen op het
bestuurdersdisplay
De door de boordcomputer geregistreerde en
berekende waarden kunnen worden weergegeven op het bestuurdersdisplay.
De waarden worden opgeslagen in een boordcomputerapp. Via het appmenu kunt u die
informatie kiezen die op het bestuurdersdisplay moeten worden weergegeven.
1.
Open het appmenu op het bestuurdersdisplay door op (1) te drukken.
(Het appmenu is niet te openen als er nog
een onbevestigde melding op het bestuurdersdisplay staat. U moet de melding
eerst bevestigen met een druk op de knop
O (4) voordat het appmenu te openen is.)
2. Navigeer naar de boordcomputerapp door
met (2) naar links of rechts te vegen.
> Op de bovenste vier menuregels staan
de gemeten waarden voor dagteller
TM. Op de vier menuregels eronder
staan de gemeten waarden voor dagteller TA. Blader omhoog of omlaag in
de lijst met (3).
Open het appmenu1 en blader erin met de rechter
stuurknoppenset.
Appmenu
Links/rechts
Omhoog/omlaag
Bevestigen
1
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
}}
93
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
3. Blader verder omlaag naar de alternatievenknoppen om te kiezen welke informatie op het bestuurdersdisplay moet worden weergegeven:
•
•
•
•
•
•
Dagteller resetten
Reset de dagteller met de linker stuurhendel.
De verbruiksinfo van de boordcomputer verschijnt in grafische vorm op het middendisplay en biedt u het overzicht waarmee u eenvoudig zuiniger kunt rijden.
Open de app Bestuurder
prestaties op het appscherm
om de verbruiksinfo weer te
geven.
Kilometerteller
Actieradius op tank
Actieradius op accu
Toerist (alternatieve snelheidsmeter)
Afgelegde afstand voor dagteller TM,
TA of geen weergave van afgelegde
afstand
Momentaan brandstofverbruik, gemiddeld verbruik voor TM of TA of geen
weergave van het brandstofverbruik
–
Selecteer of deselecteer een optie met de
knop O (4). De wijziging gaat meteen in.
Gerelateerde informatie
•
•
Boordcomputer (p. 91)
Reset alle informatie van de dagteller TM
(dat wil zeggen actieradius, gemiddeld
verbruik, gemiddelde snelheid en rijtijd)
door de RESET-knop op de linker stuurhendel lang in te drukken.
Bij kort indrukken van de RESET-knop
reset u alleen de actieradius.
Dagteller resetten (p. 94)
Dagteller TA heeft alleen een automatische
resetfunctie die start, wanneer de auto vier uur
lang niet wordt gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
94
Verbruiksinfo weergeven op het
middendisplay
Boordcomputer (p. 91)
Elke staaf in het diagram
staat voor een afstand van 1,
10 of 100 km (of miles). Tijdens het rijden
worden de staven van rechts naar links aangevuld. De staaf uiterst rechts geeft de waarde
voor de actuele etappe aan.
Het gemiddelde brandstofverbruik en de
totale rijtijd zijn bepaald op basis van de verbruiksinfo sinds de laatste nulstelling.
Het brandstofverbruik en stroomverbruik worden elk afzonderlijk weergegeven. Het aangegeven stroomverbruik is het nettoverbruik, dat
wil zeggen de afgenomen stroom verminderd
met de teruggewonnen energie tijdens het
remmen.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Instellingen voor verbruiksinfo
Gerelateerde informatie
De instellingen voor verbruiksinfo zijn op nul
te stellen of aan te passen.
1. Open de app Bestuurder prestaties op
het appscherm om de verbruiksinfo weer
te geven.
•
Verbruiksinfo weergeven op het middendisplay (p. 94)
•
•
Boordcomputer (p. 91)
Dagteller resetten (p. 94)
Verbruiksinfo van de boordcomputer2.
2. Tik op Voorkeur om
N.B.
Bij ritten op stroom met de extra verwarming3 ingeschakeld kan het in de rijstatistieken vermelde brandstofverbruik stijgen.
•
de schaalverdeling te wijzigen. Kies een
resolutie van 1, 10 of 100 km/miles
voor de staaf.
•
de verbruiksinfo na afloop van een rit op
nul te zetten. Wanneer de auto meer
dan 4 uur stilgestaan heeft.
•
de gegevens over de actuele rit op nul
te zetten.
Gerelateerde informatie
•
•
Instellingen voor verbruiksinfo (p. 95)
Boordcomputer (p. 91)
Verbruiksinfo, berekend gemiddeld verbruik en totale rijtijd worden altijd gelijktijdig op nul gezet.
Eenheden voor afstand, snelheid en dergelijk
zijn te wijzigen via de systeeminstellingen op
het middendisplay.
2 De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk
3 Geldt voor een verwarming op brandstof.
van het model afwijkingen mogelijk zijn.
95
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Datum en tijd
De klok is zichtbaar op zowel bestuurdersals middendisplay.
Positie van de klok
Automatische tijd voor auto's met gps
Bij een auto met navigatiesysteem kunt u
Automatische tijd kiezen. De tijdzone wordt
dan automatisch ingesteld aan de hand van
waar de auto zich bevindt. Voor een bepaald
type navigatiesysteem moet ook de huidige
locatie (land) worden ingesteld om de juiste
tijdzone te krijgen. Als Automatische tijd niet
is gekozen, stelt u tijd en datum met de pijlen
omhoog of omlaag op het touchscreen.
Buitentemperatuurmeter
De buitentemperatuurmeter staat aangegeven op het bestuurdersdisplay.
Een sensor registreert de temperatuur buiten
de auto.
Zomertijd
In sommige landen is met Automatische
zomertijd de automatische instelling van de
zomertijd te selecteren. In de overige landen
valt de instelling Zomertijd handmatig te
selecteren.
In sommige situaties kan de klok op het
bestuurdersdisplay schuilgaan achter meldingen en informatie.
Op het middendisplay zit de klok rechts
bovenaan op de statusbalk.
Instellingen voor datum en tijd
–
Kies Instellingen Systeem Datum
en tijd op het hoofdscherm van het middendisplay om de instellingen voor tijd- en
datumformaat te wijzigen.
Stel de datum en tijd in door op de pijlomhoog of pijl-omlaag op het touchscreen
te tikken.
96
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 86)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm van het middendisplay (p. 136)
Als de auto geparkeerd heeft gestaan, is het
mogelijk dat de meter een te hoge temperatuur aangeeft.
Wanneer de buitentemperatuur in
het gebied –5 °C tot +2 °C (23 °F
tot 36 °F) ligt, brandt er ook een
sneeuwvloksymbool op het bestuurdersdisplay om te wijzen op het gevaar voor
gladheid.
Het symbool gaat ook tijdelijk branden op het
head-updisplay*, als de auto daarmee is uitgerust.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Wijzig de eenheid voor o.a. de temperatuurmeter via systeeminstellingen in het hoofdscherm op het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 86)
Systeemeenheden wijzigen (p. 136)
Controlesymbolen op
bestuurdersdisplay
De controlesymbolen attenderen u erop dat
de bijbehorende functies ingeschakeld zijn,
de desbetreffende systemen actief zijn of dat
er storingen of gebreken zijn opgetreden.
Symbool
Betekenis
Informatie, lees displaymelding
Bij een afwijking in een van de
autosystemen gaat het informatiesymbool branden op het
bestuurdersdisplay en verschijnt er een displaytekst. Het
informatiesymbool kan ook
gaan branden in combinatie
met andere symbolen.
Storing in remsysteem
Het symbool brandt bij een storing in de parkeerrem.
Storing in ABS
Als het symbool brandt, is het
systeem defect. Het normale
remsysteem van de auto werkt
dan nog wel, zij het zonder
ABS-regeling.
Symbool
Betekenis
Automatische rem aan
Het symbool brandt, wanneer
de functie actief is en de
bedrijfsrem of parkeerrem
ingrijpen. De rem zorgt dat de
auto stil blijft staan, nadat deze
tot stilstand is gekomen.
Bandenspanningssysteem
Het symbool brandt bij een te
lage bandenspanning. Bij een
storing in het bandenspanningssysteem gaat het symbool
eerst ca. 1 minuut knipperen en
vervolgens permanent branden.
Dit kan komen doordat het systeem niet als beoogd een lage
bandenspanning kan registreren of daarvoor waarschuwen.
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan na een
motorstart het symbool gaan
branden. Rijd voor een controle
naar een werkplaats. Volvo
adviseert u contact op te
nemen met een erkende Volvowerkplaats.
}}
97
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Symbool
Betekenis
Richtingaanwijzer links en
rechts
Het symbool knippert bij
gebruik van de richtingaanwijzers.
Stadslichten voor/achterlichten
Het symbool brandt, wanneer
de stadslichten zijn ingeschakeld.
Fout in het koplampsysteem
Het symbool brandt, als er een
storing is opgetreden in het
ABL (Active Bending Lights) of
als er een andere storing is
opgetreden in het koplampsysteem.
98
Symbool
Betekenis
Symbool
Betekenis
Automatisch groot licht uit
Mistlampen aan
Het symbool brandt met wit
licht als het automatisch groot
licht uit is.
Het symbool brandt, wanneer
de mistlampen voor zijn ingeschakeld.
Groot licht aan
Mistachterlicht aan
Het symbool brandt, wanneer u
het groot licht voert of grootlichtsignalen geeft.
Het symbool brandt, wanneer
het mistachterlicht is ingeschakeld.
Automatisch groot licht aan
Regensensor aan
Het symbool brandt met blauw
licht als het automatisch groot
licht aan is. Stadslichten zijn
ingeschakeld.
Dit symbool brandt, wanneer
de regensensor aanstaat.
Automatisch groot licht uit
Het symbool brandt met wit
licht als het automatisch groot
licht uit is. Stadslichten zijn
ingeschakeld.
Automatisch groot licht aan
Groot licht aan
Het symbool brandt met blauw
licht als het automatisch groot
licht aan is.
Het symbool brandt, wanneer
het groot licht en de stadslichten zijn ingeschakeld.
Preconditioning aan
Het symbool brandt, wanneer
de motor- en interieurverwarming/airconditioning voor preconditioning van de auto zorgen.
Stabiliteitsregeling
Het knipperende symbool geeft
aan dat de stabiliteitsregeling
werkt. Als het symbool continu
brandt is er sprake van een storing in het systeem.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Symbool
Betekenis
Symbool
Betekenis
Stabiliteitsregeling, Sportstand
Rijbaanassistent en regensensor
Het symbool brandt, wanneer
de Sport-stand is geactiveerd.
De Sport-stand maakt een
actievere rijervaring mogelijk.
Het systeem registreert dan of
de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook het bochtenwerk
aan te merken zijn als sportiever dan normaal, waarna het
systeem toestaat dat de achtertrein een gecontroleerde vorm
van slippen vertoont voordat
het ingrijpt en de auto stabiliseert.
Wit symbool: Rijbaanassistent
aan en wegbelijning is waargenomen. De regensensor is aan.
Grijs symbool: Rijbaanassistent
aan en wegbelijning is niet
waargenomen. De regensensor
is aan.
Beperkte prestatie
Bij een tijdelijke storing in de
aandrijflijn kan de auto de zogenoemde Limp Home-stand met
een lager motorvermogen innemen om schade aan de aandrijflijn tegen te gaan.
Rijbaanassistent
Wit symbool: Rijbaanassistent
aan en wegbelijning is waargenomen.
Grijs symbool: Rijbaanassistent
aan en wegbelijning is niet
waargenomen.
Amberkleurig symbool: Rijbaanassistent waarschuwt/grijpt
in.
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 86)
Waarschuwingssymbolen op bestuurdersdisplay (p. 99)
Waarschuwingssymbolen op
bestuurdersdisplay
De waarschuwingssymbolen attenderen u
erop dat belangrijke functies zijn ingeschakeld of dat er ernstige storingen of gebreken
zijn opgetreden.
Symbool
Betekenis
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat branden, wanneer er
een storing is geregistreerd die
van invloed kan zijn op de veiligheid of de rijeigenschappen
van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende tekstmelding op het bestuurdersdisplay. Het waarschuwingssymbool kan ook gaan branden in
combinatie met andere symbolen.
Gordelwaarschuwing
Het symbool brandt of knippert
als u of de voorpassagier geen
veiligheidsgordel draagt of als
iemand op de achterbank de
gordel heeft losgenomen.
}}
99
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Symbool
Betekenis
Betekenis
Symbool
Betekenis
Airbags
Lage oliedruk
Systeemstoring
Als het symbool tijdens het rijden oplicht of blijft branden, is
er een storing geregistreerd in
een van de veiligheidssystemen
van de auto. Lees de melding
op het bestuurdersdisplay.
Volvo adviseert u contact op te
nemen met een erkende Volvowerkplaats.
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de
motorolie te laag. Zet de motor
onmiddellijk af en controleer
het motoroliepeil. Vul zo nodig
olie bij. Als het lampje oplicht
terwijl het oliepeil in orde is,
moet u contact opnemen met
een werkplaats. Volvo adviseert
u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Het lampje gaat tijdens het rijden branden, als er sprake is
van een storing in de aandrijving. Er verschijnt tegelijkertijd
een verklarende tekstmelding
op het bestuurdersdisplay.
Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het
remvloeistofpeil mogelijk te
laag. Bezoek de dichtstbijzijnde
erkende werkplaats om het
remvloeistofpeil te laten controleren en aanpassen.
Parkeerrem aangezet
Het lampje brandt continu,
wanneer u de parkeerrem hebt
aangezet.
Een knipperend symbool houdt
in dat er een storing is opgetreden. Lees de melding op het
bestuurdersdisplay.
100
Symbool
Hoge motortemperatuur
Het lampje gaat tijdens het rijden branden als de motor een
te hoge temperatuur heeft. Er
verschijnt tegelijkertijd een verklarende tekstmelding op het
bestuurdersdisplay.
Dynamo laadt niet bij
Het lampje gaat tijdens het rijden branden, als er sprake is
van een storing in het elektrisch
systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Dreigende botsing
City Safety geeft een waarschuwing bij een dreigende botsing
met andere voertuigen, voetgangers, fietsers en grotere dieren.
Gerelateerde informatie
•
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
(p. 97)
•
Bestuurdersdisplay (p. 86)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Licentieovereenkomst voor
bestuurdersdisplay
Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen
te verrichten of het recht om gebruik te
maken van een product waar een andere
rechtspersoon octrooi of eigendomsrechten
op heeft, onder de voorwaarden vervat in de
overeenkomst. Hier volgt een Engelse versie
van de overeenkomst tussen Volvo en producenten of ontwikkelaars.
Boost Software License 1.0
Permission is hereby granted, free of charge,
to any person or organization obtaining a copy
of the software and accompanying
documentation covered by this license (the
"Software") to use, reproduce, display,
distribute, execute, and transmit the Software,
and to prepare derivative works of the
Software, and to permit third-parties to whom
the Software is furnished to do so, all subject
to the following: The copyright notices in the
Software and this entire statement, including
the above license grant, this restriction and
the following disclaimer, must be included in
all copies of the Software, in whole or in part,
and all derivative works of the Software,
unless such copies or derivative works are
solely in the form of machine-executable
object code generated by a source language
processor.
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT
NOT LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE, TITLE AND NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL THE
COPYRIGHT HOLDERS OR ANYONE
DISTRIBUTING THE SOFTWARE BE LIABLE
FOR ANY DAMAGES OR OTHER LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, TORT OR
OTHERWISE, ARISING FROM, OUT OF OR
IN CONNECTION WITH THE SOFTWARE OR
THE USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE.
BSD 4-clause "Original" or "Old" License
Copyright (c) 1982, 1986, 1990, 1991, 1993
The Regents of the University of California. All
rights reserved.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are
permitted provided that the following
conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer.
2. Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this
list of conditions and the following
disclaimer in the documentation and/or
other materials provided with the
distribution.
3. All advertising materials mentioning
features or use of this software must
display the following acknowledgement:
This product includes software developed
by the University of California, Berkeley
and its contributors.
4. Neither the name of the University nor the
names of its contributors may be used to
endorse or promote products derived from
this software without specific prior written
permission.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE
REGENTS AND CONTRIBUTORS ``AS IS''
AND ANY EXPRESS OR IMPLIED
WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT
LIMITED TO, THE IMPLIED WARRANTIES
OF MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR
A PARTICULAR PURPOSE ARE
DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE
REGENTS OR CONTRIBUTORS BE LIABLE
FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL,
SPECIAL, EXEMPLARY, OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING,
BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF
SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS
OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS
INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND
ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER
IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT
(INCLUDING NEGLIGENCE OR
}}
101
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT
OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
BSD 3-clause "New" or "Revised" License
Copyright (c) 2011-2014, Yann Collet.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are
permitted provided that the following
conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer.
2. Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this
list of conditions and the following
disclaimer in the documentation and/or
other materials provided with the
distribution.
3. Neither the name of the organisation nor
the names of its contributors may be used
to endorse or promote products derive
from this software without specific prior
written permission.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE
COPYRIGHT HOLDERS AND
CONTRIBUTORS "AS IS" AND ANY
EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
102
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED.
IN NO EVENT SHALL THE COPYRIGHT
HOLDER OR CONTRIBUTORS BE LIABLE
FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL,
SPECIAL, EXEMPLARY, OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING,
BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF
SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS
OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS
INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND
ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER
IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT
(INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT
OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
BSD 2-clause “Simplified” license
Copyright (c) <YEAR>, <OWNER> All rights
reserved.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are
permitted provided that the following
conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer.
2. Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this
list of conditions and the following
disclaimer in the documentation and/or
other materials provided with the
distribution.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE
COPYRIGHT HOLDERS AND
CONTRIBUTORS "AS IS" AND ANY
EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED.
IN NO EVENT SHALL THE COPYRIGHT
OWNER OR CONTRIBUTORS BE LIABLE
FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL,
SPECIAL, EXEMPLARY, OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING,
BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF
SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS
OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS
INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND
ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER
IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT
(INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT
OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
The views and conclusions contained in the
software and documentation are those of the
authors and should not be interpreted as
representing official policies, either expressed
or implied, of the FreeBSD Project.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
FreeType Project License
1. 1 Copyright 1996-1999 by David Turner,
Robert Wilhelm, and Werner Lemberg
Introduction The FreeType Project is
distributed in several archive packages;
some of them may contain, in addition to
the FreeType font engine, various tools
and contributions which rely on, or relate
to, the FreeType Project. This license
applies to all files found in such packages,
and which do not fall under their own
explicit license. The license affects thus
the FreeType font engine, the test
programs, documentation and makefiles,
at the very least. This license was inspired
by the BSD, Artistic, and IJG
(Independent JPEG Group) licenses,
which all encourage inclusion and use of
free software in commercial and freeware
products alike. As a consequence, its main
points are that: o We don't promise that
this software works. However, we are be
interested in any kind of bug reports. (`as
is' distribution) o You can use this
software for whatever you want, in parts
or full form, without having to pay us.
(`royalty-free' usage) o You may not
pretend that you wrote this software. If
you use it, or only parts of it, in a program,
you must acknowledge somewhere in
your documentation that you've used the
FreeType code. (`credits') We specifically
permit and encourage the inclusion of this
software, with or without modifications, in
commercial products, provided that all
warranty or liability claims are assumed by
the product vendor. Legal Terms 0.
Definitions Throughout this license, the
terms `package', `FreeType Project', and
`FreeType archive' refer to the set of files
originally distributed by the authors (David
Turner, Robert Wilhelm, and Werner
Lemberg) as the `FreeType project', be
they named as alpha, beta or final release.
`You' refers to the licensee, or person
using the project, where `using' is a
generic term including compiling the
project's source code as well as linking it
to form a `program' or `executable'. This
program is referred to as `a program using
the FreeType engine'. This license applies
to all files distributed in the original
FreeType archive, including all source
code, binaries and documentation, unless
otherwise stated in the file in its original,
unmodified form as distributed in the
original archive. If you are unsure whether
or not a particular file is covered by this
license, you must contact us to verify this.
The FreeType project is copyright (C)
1996-1999 by David Turner, Robert
Wilhelm, and Werner Lemberg. All rights
reserved except as specified below. 1. No
Warranty THE FREETYPE ARCHIVE IS
PROVIDED `AS IS' WITHOUT
WARRANTY OF ANY KIND, EITHER
EXPRESSED OR IMPLIED, INCLUDING,
BUT NOT LIMITED TO, WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR
A PARTICULAR PURPOSE. IN NO EVENT
WILL ANY OF THE AUTHORS OR
COPYRIGHT HOLDERS BE LIABLE FOR
ANY DAMAGES CAUSED BY THE USE
OR THE INABILITY TO USE, OF THE
FREETYPE PROJECT. As you have not
signed this license, you are not required to
accept it. However, as the FreeType
project is copyrighted material, only this
license, or another one contracted with
the authors, grants you the right to use,
distribute, and modify it. Therefore, by
using, distributing, or modifying the
FreeType project, you indicate that you
understand and accept all the terms of
this license.
2. Redistribution Redistribution and use in
source and binary forms, with or without
modification, are permitted provided that
the following conditions are met: o
Redistribution of source code must retain
this license file (`licence.txt') unaltered;
any additions, deletions or changes to the
original files must be clearly indicated in
accompanying documentation. The
copyright notices of the unaltered, original
files must be preserved in all copies of
source files. o Redistribution in binary
form must provide a disclaimer that states
that the software is based in part of the
}}
103
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
work of the FreeType Team, in the
distribution documentation. We also
encourage you to put an URL to the
FreeType web page in your
documentation, though this isn't
mandatory. These conditions apply to any
software derived from or based on the
FreeType code, not just the unmodified
files. If you use our work, you must
acknowledge us. However, no fee need be
paid to us.
3. Advertising The names of FreeType's
authors and contributors may not be used
to endorse or promote products derived
from this software without specific prior
written permission. We suggest, but do
not require, that you use one or more of
the following phrases to refer to this
software in your documentation or
advertising materials: `FreeType Project',
`FreeType Engine', `FreeType library', or
`FreeType Distribution'.
4. Contacts There are two mailing lists
related to FreeType: o
freetype@freetype.org Discusses general
use and applications of FreeType, as well
as future and wanted additions to the
library and distribution. If you are looking
for support, start in this list if you haven't
found anything to help you in the
documentation. o devel@freetype.org
Discusses bugs, as well as engine
internals, design issues, specific licenses,
104
porting, etc. o http://www.freetype.org
Holds the current FreeType web page,
which will allow you to download our
latest development version and read
online documentation. You can also
contact us individually at: David Turner
<david.turner@freetype.org> Robert
Wilhelm <robert.wilhelm@freetype.org>
Werner Lemberg
<werner.lemberg@freetype.org>
Libpng License
This copy of the libpng notices is provided for
your convenience. In case of any discrepancy
between this copy and the notices in the file
png.h that is included in the libpng
distribution, the latter shall prevail.
COPYRIGHT NOTICE, DISCLAIMER, and
LICENSE:
and with the following additions to the
disclaimer:
There is no warranty against interference with
your enjoyment of the library or against
infringement. There is no warranty that our
efforts or the library will fulfill any of your
particular purposes or needs. This library is
provided with all faults, and the entire risk of
satisfactory quality, performance, accuracy,
and effort is with the user.
libpng versions 0.97, January 1998, through
1.0.6, March 20, 2000, are Copyright (c)
1998, 1999 Glenn Randers-Pehrson, and are
distributed according to the same disclaimer
and license as libpng-0.96, with the following
individuals added to the list of Contributing
Authors:
Tom Lane
If you modify libpng you may insert additional
notices immediately following this sentence.
Glenn Randers-Pehrson
libpng versions 1.0.7, July 1, 2000, through
1.0.13, April 15, 2002, are Copyright (c)
2000-2002 Glenn Randers-Pehrson and are
distributed according to the same disclaimer
and license as libpng-1.0.6 with the following
individuals added to the list of Contributing
Authors
libpng versions 0.89, June 1996, through
0.96, May 1997, are Copyright (c) 1996, 1997
Andreas Dilger Distributed according to the
same disclaimer and license as libpng-0.88,
with the following individuals added to the list
of Contributing Authors:
Willem van Schaik
Simon-Pierre Cadieux
John Bowler
Eric S. Raymond
Kevin Bracey
Gilles Vollant
Sam Bushell
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Magnus Holmgren
Greg Roelofs
Tom Tanner
libpng versions 0.5, May 1995, through 0.88,
January 1996, are Copyright (c) 1995, 1996
Guy Eric Schalnat, Group 42, Inc.
portions hereof, for any purpose, without fee,
subject to the following restrictions:
1.
The origin of this source code must not be
misrepresented.
2. Altered versions must be plainly marked
as such and must not be misrepresented
as being the original source.
For the purposes of this copyright and license,
"Contributing Authors" is defined as the
following set of individuals:
3. This Copyright notice may not be removed
or altered from any source or altered
source distribution.
Andreas Dilger
The Contributing Authors and Group 42, Inc.
specifically permit, without fee, and encourage
the use of this source code as a component to
supporting the PNG file format in commercial
products. If you use this source code in a
product, acknowledgment is not required but
would be appreciated.
Dave Martindale
Guy Eric Schalnat
Paul Schmidt
Tim Wegner
The PNG Reference Library is supplied "AS
IS". The Contributing Authors and Group 42,
Inc. disclaim all warranties, expressed or
implied, including, without limitation, the
warranties of merchantability and of fitness for
any purpose. The Contributing Authors and
Group 42, Inc. assume no liability for direct,
indirect, incidental, special, exemplary, or
consequential damages, which may result
from the use of the PNG Reference Library,
even if advised of the possibility of such
damage.
Permission is hereby granted to use, copy,
modify, and distribute this source code, or
Glenn Randers-Pehrson randeg@alum.rpi.edu
April 15, 2002
A "png_get_copyright" function is available,
for convenient use in "about" boxes and the
like:
printf("%s",png_get_copyright(NULL));
Also, the PNG logo (in PNG format, of course)
is supplied in the files "pngbar.png" and
"pngbar.jpg (88x31) and "pngnow.png"
(98x31).
Libpng is OSI Certified Open Source
Software. OSI Certified Open Source is a
certification mark of the Open Source
Initiative.
}}
105
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
MIT License
Copyright (c) <year> <copyright holders>
Permission is hereby granted, free of charge,
to any person obtaining a copy of this
software and associated documentation files
(the "Software"), to deal in the Software
without restriction, including without
limitation the rights to use, copy, modify,
merge, publish, distribute, sublicense, and/or
sell copies of the Software, and to permit
persons to whom the Software is furnished to
do so, subject to the following conditions:
The above copyright notice and this
permission notice shall be included in all
copies or substantial portions of the Software.
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT
NOT LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
THE AUTHORS OR COPYRIGHT HOLDERS
BE LIABLE FOR ANY CLAIM, DAMAGES OR
OTHER LIABILITY, WHETHER IN AN ACTION
OF CONTRACT, TORT OR OTHERWISE,
ARISING FROM, OUT OF OR IN
CONNECTION WITH THE SOFTWARE OR
THE USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE.
106
zlib License
The zlib/libpng License Copyright (c) <year>
<copyright holders>
This software is provided 'as-is', without any
express or implied warranty. In no event will
the authors be held liable for any damages
arising from the use of this software.
Permission is granted to anyone to use this
software for any purpose, including
commercial applications, and to alter it and
redistribute it freely, subject to the following
restrictions:
1.
The origin of this software must not be
misrepresented; you must not claim that
you wrote the original software. If you use
this software in a product, an
acknowledgment in the product
documentation would be appreciated but
is not required.
Permission is hereby granted, free of charge,
to any person obtaining a copy of this
software and associated documentation files
(the "Software"), to deal in the Software
without restriction, including without
limitation the rights to use, copy, modify,
merge, publish, distribute, sublicense, and/or
sell copies of the Software, and to permit
persons to whom the Software is furnished to
do so, subject to the following conditions: The
above copyright notice including the dates of
first publication and either this permission
notice or a reference to http://oss.sgi.com/
projects/FreeB/ shall be included in all copies
or substantial portions of the Software.
SGI Free Software B License Version 2.0.
SGI FREE SOFTWARE LICENSE B (Version
2.0, Sept. 18, 2008)
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT
NOT LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
SILICON GRAPHICS, INC. BE LIABLE FOR
ANY CLAIM, DAMAGES OR OTHER
LIABILITY, WHETHER IN AN ACTION OF
CONTRACT, TORT OR OTHERWISE,
ARISING FROM, OUT OF OR IN
CONNECTION WITH THE SOFTWARE OR
THE USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE.
Copyright (C) [dates of first publication]
Silicon Graphics, Inc. All Rights Reserved.
Except as contained in this notice, the name of
Silicon Graphics, Inc. shall not be used in
2. Altered source versions must be plainly
marked as such, and must not be
misrepresented as being the original
software.
3. This notice may not be removed or altered
from any source distribution.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
advertising or otherwise to promote the sale,
use or other dealings in this Software without
prior written authorization from Silicon
Graphics, Inc.
Gerelateerde informatie
•
Bestuurdersdisplay (p. 86)
Applicatiemenu op
bestuurdersdisplay
Via het applicatiemenu (appmenu) van het
bestuurdersdisplay krijgt u snel toegang tot
de meest gebruikte functies voor bepaalde
apps.
App
Functies
Boordcomputer
Dagteller kiezen, kiezen wat
op het bestuurdersdisplay
moet worden weergegeven
en dergelijke.
Mediaspeler
Actieve bron voor mediaspeler kiezen.
Telefoon
Contact in de gesprekslijst
bellen.
Navigatie
Begeleiding naar de bestemming e.d.
Gerelateerde informatie
De afbeelding is schematisch.
Het appmenu op het bestuurdersdisplay is te
gebruiken in plaats van het middendisplay en
navigatie is mogelijk via de rechter stuurknoppenset. Dankzij het appmenu kunt u eenvoudiger van app of appfunctie wisselen zonder
daarvoor uw handen van het stuur te hoeven
nemen.
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 86)
Overzicht van het middendisplay (p. 113)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 108)
Functies van het appmenu
U hebt toegang tot uiteenlopende functies via
verschillende apps. Vanuit het appmenu zijn
de volgende apps en de bijbehorende appfuncties te regelen:
107
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Appmenu op bestuurdersdisplay
hanteren
Appmenu openen/sluiten
–
Het applicatiemenu (appmenu) op het
bestuurdersdisplay is te gebruiken via de
rechter stuurknoppenset.
Druk op Openen/sluiten (1).
> Het appmenu wordt geopend/gesloten.
N.B.
Het appmenu is niet te openen als er nog
een onbevestigde melding op het bestuurdersdisplay staat. U moet de melding eerst
bevestigen voordat het appmenu te openen is.
Het appmenu wordt na een periode van inactiviteit automatisch gesloten of na bepaalde
keuzes.
Navigeren en kiezen in appmenu
Appmenu en rechter stuurknoppenset. De afbeelding
is schematisch.
Openen/sluiten
Links/rechts
Omhoog/omlaag
Bevestigen
1.
Wissel van app door op links of rechts (2)
te drukken.
> In het appmenu verschijnen de functies
voor de vorige/volgende app.
2. Blader door de functies voor de gekozen
app door op omhoog of omlaag (3) te
drukken.
3. Bevestig de actuele functie of markeer uw
keuze door op bevestigen (4) te drukken.
> De desbetreffende functie wordt geactiveerd, waarna in bepaalde gevallen
het appmenu wordt gesloten.
Als het appmenu weer opent, verschijnen
direct de functies voor de laatst gekozen app.
108
Gerelateerde informatie
•
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
(p. 107)
•
Melding op bestuurdersdisplay (p. 109)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Melding op bestuurdersdisplay
Op het bestuurdersdisplay kunnen in uiteenlopende situaties meldingen verschijnen om u
te informeren of helpen.
opent vanuit het appscherm op het middendisplay.
De meldingen kunnen er verschillende uitzien
en worden mogelijk gecombineerd met grafische voorstellingen, symbolen en knoppen om
de desbetreffende melding bijvoorbeeld te
bevestigen of in te stemmen met een bepaald
verzoek.
Servicemeldingen
Hier volgt een greep uit de belangrijke servicemeldingen en hun betekenis.
Melding
Stop
veiligA
Voorbeeld van een melding op het bestuurdersdisplay. De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
Voorbeeld van een melding op het bestuurdersdisplay.
Op het bestuurdersdisplay verschijnen meldingen die voor u als bestuurder belangrijk zijn.
Afhankelijk van de andere informatie die op dit
moment wordt weergegeven, kan de positie
van de meldingen op het bestuurdersdisplay
variëren. De meldingen verdwijnen na enige
tijd automatisch of na eventuele bevestiging/
reactie van het bestuurdersdisplay. Als een
melding moet worden opgeslagen, wordt
deze bewaard in de app Auto status, die
Melding
Betekenis
Service vereistA
Bezoek een werkplaatsB
om de auto zo spoedig
mogelijk te laten controleren.
Normaal
onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een
werkplaatsB. Verschijnt
geruime tijd vóór het
geprogrammeerde tijdstip
voor de volgende servicebeurt.
Bespreek tijd
voor onderhoud
Betekenis
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade – bezoek
een werkplaatsB.
Zet de motor
afA
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade – bezoek
een werkplaatsB.
Service
urgent Rijd
naar werkplaatsA
Bezoek een werkplaatsB
om de auto onmiddellijk te
laten controleren.
Normaal
onderhoud
Onderhoud
nodig
Normaal
onderhoud
Onderhoudstermijn verstreken
Tijdelijk uitA
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een
werkplaatsB. Verschijnt op
het geprogrammeerde
tijdstip voor de volgende
servicebeurt.
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een
werkplaatsB. Verschijnt
wanneer het geprogrammeerde tijdstip voor een
servicebeurt is overschreden.
De bijbehorende functie is
tijdelijk uitgeschakeld en
wordt na enige tijd rijden
of de volgende keer dat u
}}
109
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Melding
Betekenis
de motor start automatisch opnieuw ingeschakeld.
A
B
Melding op bestuurdersdisplay
hanteren
Nieuwe melding hanteren
Voor meldingen met knoppen:
Meldingen op het bestuurdersdisplay zijn te
hanteren via de rechter stuurknoppenset.
1.
2. Bevestig uw keuze door te drukken op
bevestigen (2).
> De melding verdwijnt van het bestuurdersdisplay.
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over
de locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Melding op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 110)
•
Opgeslagen bestuurdersdisplaymeldingen
hanteren (p. 111)
•
Melding op het middendisplay (p. 145)
Voor meldingen zonder knoppen:
–
Voorbeeld van een melding op het bestuurdersdisplay en de rechter stuurknoppenset. De afbeelding is
schematisch, zodat er afhankelijk van het model
afwijkingen mogelijk zijn.
Links/rechts
Bevestigen
Bepaalde meldingen op het bestuurdersdisplay worden gecombineerd met een of meer
knoppen om de desbetreffende meldingen bijvoorbeeld te bevestigen of in te stemmen met
een bepaald verzoek.
110
Wissel van knop door op links of rechts (1)
te drukken.
Sluit de melding door op bevestigen (2) te
drukken of doe niets, waarna de melding
enige tijd later automatisch verdwijnt.
> De melding verdwijnt van het bestuurdersdisplay.
Als een melding moet worden opgeslagen,
wordt deze bewaard in de app Auto status,
die opent vanuit het appscherm op het middendisplay. In verband hiermee verschijnt de
melding Autobericht opgesl. in app
Autostatus op het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Melding op bestuurdersdisplay (p. 109)
Opgeslagen bestuurdersdisplaymeldingen
hanteren (p. 111)
Melding op het middendisplay (p. 145)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Opgeslagen
bestuurdersdisplaymeldingen
hanteren
Meldingen die zijn opgeslagen vanuit het
bestuurders- en middendisplay worden in
beide gevallen gehanteerd in het middendisplay.
Opgeslagen melding lezen
Lees de opgeslagen melding direct:
–
Druk op de knop rechts van de melding
Autobericht opgesl. in app Autostatus
in het middendisplay.
> De opgeslagen melding verschijnt in de
app Auto status.
Onderhoud reserveren voor een opgeslagen
melding:
–
Lees de opgeslagen melding achteraf:
1.
Open de app Auto status vanuit het appscherm op het middendisplay.
> De app start in het onderste deelscherm van het homescherm.
2. Kies het tabblad Berichten in de app.
> Er verschijnt een lijst met opgeslagen
meldingen.
Opgeslagen meldingen zijn te bekijken in de app
Auto status.
Meldingen die op het
bestuurdersdisplay zijn weergegeven en die opgeslagen
moeten worden, worden
bewaard in de app Auto
status op het middendisplay.
In verband hiermee verschijnt
de melding Autobericht opgesl. in app
Autostatus op het middendisplay.
4 Afhankelijk
Druk in de uitgevouwen stand van de melding op Afspraak aanvragenBel voor
een afspraak4 om hulp te krijgen bij het
reserveren van onderhoud.
> Met Afspraak aanvragen: Het tabblad
Afspraken gaat open in de app en u
krijgt een vraag voorgelegd over het
reserveren van onderhoud en reparatie.
Met Bel voor een afspraak: De telefoonapp wordt gestart en deze belt een
onderhoudscentrum om service en
reparatie te reserveren.
Lees de gebruikershandleiding voor de opgeslagen melding:
3. Tik op een melding om deze uit te vouwen/minimaliseren.
> Er verschijnt meer informatie over de
melding in de lijst en de afbeelding
links in de app geeft informatie in grafische vorm over de melding.
–
Een opgeslagen melding hanteren
Bepaalde meldingen hebben in uitgevouwen
vorm twee knoppen, nl. om onderhoud te
reserveren of de gebruikershandleiding te
lezen.
Meldingen opgeslagen in de app worden
automatisch gewist telkens bij het starten van
de motor.
van de markt. Er moet ook een Volvo ID zijn geregistreerd en een voorkeurswerkplaats zijn gekozen.
Druk in de uitgevouwen stand van de melding op Handleiding om in de gebruikershandleiding over de melding te lezen.
> De gebruikershandleiding gaat open op
het middendisplay en deze geeft informatie die aan de melding is gekoppeld.
}}
111
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
112
Melding op bestuurdersdisplay (p. 109)
Melding op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 110)
Melding op het middendisplay (p. 145)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Overzicht van het middendisplay
Vanaf het middendisplay zijn tal van autofuncties te regelen. Hier volgt een beschrij-
ving van het middendisplay en de mogelijkheden ervan.
Drie van de basisschermen van het middendisplay. Veeg naar rechts of naar links om het functie- of appscherm te openen5.
}}
113
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Functiescherm – autofuncties die met één
druk te activeren of deactiveren zijn. Sommige functies zijn ook zogenoemde triggerfuncties, die vensters met instelmogelijkheden openen. Bijvoorbeeld Camera.
Instellingen voor het head-updisplay* zijn
ook te verrichten vanuit het functiescherm, maar aanpassingen verricht u met
de rechter stuurknoppenset.
gebruikershandleiding (bijv. Handleiding
Navigatie) via het hoofdscherm te bereiken.
Navigatie – voert naar de kaartnavigatie,
aan de hand van bijvoorbeeld Sensus
Navigation*. Druk op het deelscherm om
het uit te vouwen.
Media – laatst gebruikte apps die verband
houden met media. Druk op het scherm
om het uit te vouwen.
Homescherm – het eerste scherm dat verschijnt bij het inschakelen van display.
Telefoon – van hieruit hebt u toegang tot
de telefoon. Druk op het scherm om het
uit te vouwen.
Het applicatiescherm (appscherm) – apps
die zijn gedownload (apps van derden)
maar ook apps voor ingebouwde functies,
bijvoorbeeld FM-radio. Tik op een apppictogram om de app te openen.
Het extra deelscherm – laatst gebruikte
apps of autosystemen die niet thuishoren
in een van de overige deelschermen. Druk
op het scherm om het uit te vouwen.
Statusbalk – boven aan het scherm staan
de activiteiten in de auto. Links op de statusbalk verschijnen netwerk- en aansluitingsgegevens en rechts verschijnen
mediaspecifieke informatie en een klok
plus een aanduiding van lopende achtergrondactiviteiten.
Hoofdscherm – sleep het tabblad omlaag
om het hoofdscherm te openen. Van hieruit zijn Instellingen, Handleiding, Profiel
alsook de opgeslagen berichten van de
auto te openen. In bepaalde gevallen zijn
ook contextuele instellingen (bijv.
Navigatie Instellingen) en de contextuele
5 Bij
114
Klimaatveld – informatie en rechtstreekse
interactie voor bijvoorbeeld het instellen
van temperatuur en stoelverwarming*. Tik
op het symbool in het midden van het klimaatveld om het klimaatscherm met meer
klimaatinstellingen te openen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Functiescherm op het middendisplay
(p. 125)
•
•
Apps (p. 524)
•
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm van het middendisplay (p. 136)
•
Contextuele instellingen openen op het
middendisplay (p. 137)
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 19)
•
•
•
•
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 127)
Mediaspeler (p. 534)
Telefoon (p. 550)
Klimaatregelingsbediening (p. 223)
Volume van systeemgeluid uitschakelen of
aanpassen op middendisplay (p. 135)
•
Opzet van middendisplay aanpassen
(p. 135)
•
•
•
•
Systeemtaal wijzigen (p. 136)
Systeemeenheden wijzigen (p. 136)
Middendisplay reinigen (p. 677)
Melding op het middendisplay (p. 145)
Middendisplay hanteren (p. 115)
Navigeren in schermen op het middendisplay (p. 118)
een auto met het stuur rechts zijn de schermen onderling van plaats gewisseld.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Middendisplay hanteren
Veel autofuncties zijn te bedienen en regelen
vanaf het middendisplay. Het middendisplay
is een touchscreen dat op aanraking reageert.
Touchscreenfunctie middendisplay
gebruiken
De schermreacties hangen af van de vraag of
u erop drukt of slepende of vegende bewegingen maakt. U kunt bijv. van het ene naar het
andere scherm bladeren, objecten markeren,
scrollen in een lijst en apps verplaatsen door
Methode
het scherm op verschillende manieren aan te
raken.
Dankzij IR-stralen vlak boven het schermoppervlak kan het scherm ook vingers op korte
afstand vóór het scherm registreren. Deze
technologie maakt het mogelijk om het
scherm ook te gebruiken als u handschoenen
aan hebt.
Het display is gelijktijdig door twee mensen te
bedienen, bijv. om het klimaat aan de bestuurders- en passagierszijde in te stellen.
BELANGRIJK
Raak het scherm niet met scherpe voorwerpen aan om krassen te voorkomen.
In de onderstaande tabel worden de verschillende methoden voor schermbediening toegelicht:
Uitvoering
Resultaat
Eenmaal indrukken.
Een object markeren, een keuze bevestigen of een functie activeren.
Tweemaal snel drukken.
Inzoomen op een digitaal object, zoals de kaart.
Eenmaal drukken en vasthouden.
Een object beetpakken. Is te gebruiken om apps of kaartpunten op de kaart te verplaatsen. Houd de
vinger(s) op het scherm gedrukt, terwijl u het object naar de gewenste locatie sleept.
Eenmaal drukken met
twee vingers.
Uitzoomen van een digitaal object, zoals de kaart.
}}
115
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Methode
Uitvoering
Resultaat
Vegen
Wisselen tussen schermen, bladeren in een lijst, tekst of scherm. Ingedrukt houden en verslepen om
apps of kaartpunten op de kaart te verplaatsen. Horizontaal of verticaal over het scherm slepen.
Snel vegen/slepen
Wisselen tussen schermen, bladeren in een lijst, tekst of scherm. Horizontaal of verticaal over het
scherm slepen.
Let erop dat het hoofdscherm mogelijk wordt geopend bij aanraking van het bovenste deel van het
scherm.
116
Spreiden
Inzoomen.
Knijpen
Uitzoomen.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Terugkeren naar homescherm vanuit
een ander scherm
•
het bedieningselement naar de gewenste
temperatuur te slepen,
1.
•
op + of − te drukken om de temperatuur in
stapjes te verhogen of te verlagen, of
•
op de gewenste temperatuur op het
bedieningselement te drukken.
Druk kort op de homeknop onder het middendisplay.
> De laatst geactiveerde stand voor het
homescherm verschijnt.
2. Druk opnieuw kort op de homeknop.
> Alle deelschermen van het homescherm worden in de standaardstand
gezet.
N.B.
In het homescherm van de standaardstand
– druk kort op de homeknop. Op het
scherm verschijnt een animatie die uitlegt
hoe u de verschillende tegels kunt openen.
Gerelateerde informatie
De bladerindicator verschijnt op het middendisplay,
wanneer u omhoog of omlaag kunt bladeren.
•
Middendisplay activeren en deactiveren
(p. 118)
•
Apps en knoppen op middendisplay verplaatsen (p. 127)
•
Toetsenbord op middendisplay (p. 129)
Bediening op middendisplay
gebruiken
Door een lijst, artikel of scherm
bladeren
Wanneer een bladerindicator zichtbaar is op
het scherm, kunt u omhoog- of omlaagbladeren. Veeg op een willekeurige plaats op het
scherm omhoog of omlaag.
Temperatuurbediening.
Tal van autosystemen gebruiken bedieningselementen. Regel bijv. de temperatuur door:
117
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Middendisplay activeren en
deactiveren
1.
Het middendisplay is te dimmen en te activeren met de homeknop onder het display.
Houd de fysieke homeknop onder het display langere tijd ingedrukt.
> Het display dooft, met uitzondering van
het klimaatveld dat nog steeds zichtbaar is. Alle functies die aan het scherm
gekoppeld zijn blijven werken.
2. Display opnieuw inschakelen – kort op de
homeknop drukken.
> U ziet dan weer hetzelfde als toen het
scherm werd uitgeschakeld.
N.B.
Het scherm kan niet worden uitgezet als er
een bepaald commando op het scherm
staat.
Homeknop voor middendisplay.
Bij bediening van de homeknop wordt het
scherm gedimd en reageert het touchscreen
niet langer op aanraking. Het klimaatveld blijft
nog steeds zichtbaar. Alle functies die aan het
scherm gekoppeld zijn, zoals klimaat, geluid,
routebegeleiding* en apps blijven werken. Dim
het middendisplay bijvoorbeeld om het
scherm te reinigen. Het middendisplay is bijvoorbeeld ook te dimmen om niet gestoord te
worden tijdens het rijden.
N.B.
Het middendisplay wordt automatisch uitgeschakeld als de motor uit is en het
bestuurdersportier wordt geopend.
Gerelateerde informatie
•
•
•
118
Middendisplay reinigen (p. 677)
Opzet van middendisplay aanpassen
(p. 135)
Overzicht van het middendisplay (p. 113)
Navigeren in schermen op het
middendisplay
Het middendisplay heeft vijf verschillende
basisschermen: homescherm, hoofdscherm,
klimaatscherm, applicatiescherm (appscherm) en functiescherm. Bij het openen
van het bestuurdersportier wordt het display
automatisch ingeschakeld.
Homescherm
Het homescherm is het scherm dat verschijnt
bij het inschakelen van het display. Het
bestaat uit vier deelschermen: Navigatie,
Media, Telefoon en een extra deelscherm.
Een app of autofunctie die gekozen wordt
vanuit het app- of functiescherm, start in het
desbetreffende deelscherm op het hoofdscherm FM-radio start bijvoorbeeld in het
deelscherm voor Media.
Het extra deelscherm toont de laatst gebruikte
app of autofunctie die niet thuishoort in een
van de overige drie schermen.
De deelschermen bevatten beknopte informatie over de desbetreffende apps.
N.B.
Bij het starten van de auto verschijnt in de
deelschermen van het homescherm informatie over de actuele stand van de apps in
het desbetreffende deelscherm.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
N.B.
In het homescherm van de standaardstand
– druk kort op de homeknop. Op het
scherm verschijnt een animatie die uitlegt
hoe u de verschillende tegels kunt openen.
Statusbalk
Boven aan het scherm staan de activiteiten in
de auto. Links op de statusbalk verschijnen
netwerk- en aansluitingsgegevens en rechts
verschijnen mediaspecifieke gegevens, klok
alsook een aanduiding dat er achtergrondactiviteiten gaande zijn.
Hoofdscherm
boven naar beneden over het scherm te slepen/vegen.
Het hoofdscherm biedt altijd toegang tot:
• Instellingen
• Handleiding
• Profiel
• De opgeslagen berichten van de auto.
Het hoofdscherm biedt soms toegang tot:
•
Contextuele instelling (bijv. Navigatie
Instellingen). Wijzig instellingen rechtstreeks in het hoofdscherm wanneer een
app (zoals navigatie) actief is.
•
Contextuele gebruikershandleiding (bijv.
Handleiding Navigatie). Open rechtstreeks vanuit het hoofdscherm het artikel
in de digitale gebruikershandleiding dat
verband houdt met hetgeen op het
scherm verschijnt.
Hoofdscherm verlaten – tik op een punt buiten het hoofdscherm, op de homeknop of
onder aan het hoofdscherm en sleep het
omhoog. Het onderliggende scherm wordt
dan weer zichtbaar zodat u het kunt gebruiken.
N.B.
Het hoofdscherm is niet beschikbaar tijdens het starten/uitschakelen of als er een
displaytekst op het scherm staat. Dat is
evenmin het geval als het klimaatscherm
wordt weergegeven.
Klimaatscherm
Onder aan het display is altijd het klimaatveld
zichtbaar. Daar zijn rechtstreeks de meest
gebruikte klimaatinstellingen te verrichten,
zoals het instellen van de temperatuur en de
stoelverwarming*.
Tik op het symbool midden in het klimaatveld om het klimaatscherm te
openen en om toegang te krijgen tot
meer klimaatinstellingen.
Tik op het symbool om het klimaatscherm te sluiten en terug te gaan
naar het eerdere scherm.
Hoofdscherm omlaaggesleept.
Midden op de statusbalk boven aan het display vindt u een tab. Open het hoofdscherm
door op het tabblad te klikken of door van
}}
* Optie/accessoire. 119
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Applicatiescherm
scherm, zoals het aantal ongelezen smsberichten voor Berichten.
Functiescherm
Tik op een app om deze te openen. De app
wordt vervolgens in het desbetreffende deelscherm geopend, bijvoorbeeld Media.
Afhankelijk van het aantal apps kunt u omlaagbladeren in het appscherm. U doet dat door
van onder naar boven te vegen/slepen.
Ga terug naar het homescherm door van links
naar rechts6 over het display te vegen of door
op de homeknop te drukken.
Applicatiescherm met de apps van de auto.
links6
Veeg van rechts naar
over het display
om vanuit het homescherm het applicatiescherm (appscherm) te openen. Hier liggen
apps die zijn gedownload (apps van derden)
maar ook apps voor ingebouwde functies, bijvoorbeeld FM-radio. Bepaalde apps tonen
beknopte informatie rechtstreeks op het app-
6 Geldt
120
Functiescherm met knoppen voor uiteenlopende
autofuncties.
Veeg van links naar rechts6 over het display
om vanuit het homescherm het functiescherm
te openen. Van daaruit kunt u verschillende
autofuncties activeren of deactiveren, bijv.
BLIS*, Lane Keeping Aid* en Parkeerhulp*.
voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Afhankelijk van het aantal functies kunt u ook
omlaagbladeren in het scherm. U doet dat
door van onder naar boven te vegen/slepen.
•
Functiescherm op het middendisplay
(p. 125)
•
Overzicht van het middendisplay (p. 113)
In tegenstelling tot het appscherm waar bij
een tik op een app de bijbehorende app wordt
geopend, wordt bij een tik op een functieknop
in het functiescherm alleen de desbetreffende
functie geactiveerd of gedeactiveerd.
Bepaalde functies, de triggerfuncties, openen
door erop te drukken in een eigen venster.
Ga terug naar het homescherm door van
rechts naar links6 over het display te vegen of
door op de homeknop te drukken.
Gerelateerde informatie
•
Deelschermen op middendisplay hanteren
(p. 122)
•
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 127)
•
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm van het middendisplay (p. 136)
•
Contextuele instellingen openen op het
middendisplay (p. 137)
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 19)
•
•
•
Bestuurdersprofielen (p. 140)
Klimaatregelingsbediening (p. 223)
Apps (p. 524)
6 Geldt
voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
121
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Deelschermen op middendisplay
hanteren
Het homescherm bestaat uit vier deelschermen: Navigatie, Media, Telefoon en een
122
extra deelscherm. Deze schermen zijn uit te
vouwen.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Een deelscherm uitvouwen vanuit standaardstand
Standaardstand en uitgevouwen stand van het deelscherm van het middendisplay.
}}
123
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Deelscherm uitvouwen:
–
Voor de deelschermen Navigatie, Media
en Telefoon: Tik op een willekeurige
plaats op het deelscherm. Bij het uitvouwen van een deelscherm verdwijnt het
extra deelscherm op het homescherm tijdelijk naar de achtergrond. De andere
twee deelschermen worden ingeklapt en
tonen slechts bepaalde informatie. Na een
tik op het extra deelscherm worden de
andere drie deelschermen ingeklapt en
tonen slechts bepaalde informatie.
Deelscherm maximaliseren of
minimaliseren
Het extra deelscherm7 en het deelscherm voor
Navigatie zijn te maximaliseren tot volledig
scherm voor nog meer informatie en aanvullende instelmogelijkheden.
Als er een deelscherm is geopend als volledig
scherm, verschijnt er geen informatie van de
overige deelschermen.
In het uitgevouwen scherm zijn de basisfuncties van de desbetreffende app toegankelijk.
Uitgevouwen deelscherm sluiten:
–
Het deelscherm kan op drie verschillende
manieren worden gesloten:
•
7
124
Tik op het bovenste deel van het uitgevouwen deelscherm.
•
Tik op een ander deelscherm (om dit in
uitgevouwen stand te openen).
•
Druk kort op de fysieke homeknop
onder het middendisplay.
Geldt niet voor alle apps of autofuncties die via het extra deelscherm te openen zijn.
Om de app vanuit uitgevouwen stand te maximaliseren
– tik op het symbool.
Tik op het symbool om terug
te gaan naar de uitgevouwen
stand of druk op de homeknop onder aan het display.
Homeknop voor middendisplay.
U kunt altijd teruggaan naar het homescherm
door op de homeknop te drukken. Om vanuit
de uitgevouwen stand terug te gaan naar de
standaardweergave van het homescherm –
druk tweemaal op de homeknop.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Middendisplay hanteren (p. 115)
Middendisplay activeren en deactiveren
(p. 118)
Navigeren in schermen op het middendisplay (p. 118)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Functiescherm op het
middendisplay
In het functiescherm, een van de basisschermen van het middendisplay, liggen alle knop-
pen voor autofuncties. Navigeer vanuit het
homescherm naar het functiescherm door
van links naar rechts over het display te
vegen.8.
Verschillende soorten knoppen
Er zijn drie verschillende soorten knoppen
voor autofuncties, zie hieronder:
Soort knop
Eigenschap
Bijbehorende autofunctie
Functieknoppen
Hebben een Aan/Uit-stand.
De meeste knoppen in het functiescherm zijn functieknoppen.
Bij een geactiveerde functie brandt een led-lampje links van de knopicoon. Druk op de
knop om de bijbehorende functie te activeren/deactiveren.
Triggerknoppen
Hebben geen Aan/Uit-stand.
Bij het gebruik van een triggerknop wordt een venster voor de desbetreffende functie
geopend. Bijvoorbeeld een venster voor stoelverstelling.
Parkeerknoppen
Hebben een Aan/Uit-stand en een aftaststand.
Lijken op functieknoppen maar hebben een extra stand voor het aftasten van parkeerruimte.
8 Geldt
voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
• Camera
• Hfdsteun omlaag
• Head-up display afstellen
• Inparkeren
• Uitparkeren
}}
125
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Verschillende standen van de knoppen
Wanneer het groene led-lampje brandt van
een functie- of parkeerknop, is de desbetreffende functie geactiveerd. Bij het activeren
van functies verschijnt voor sommige functies
een extra tekst over wat deze inhouden. De
tekst blijft een paar seconden staan, waarna
de knop met het brandende led-lampje verschijnt.
Voor Lane Keeping Aid verschijnt bijvoorbeeld de tekst Werkt alleen bij bepaalde
snelheden bij het indrukken van de knop.
Bij eenmaal kort indrukken van de knop activeert of deactiveert u de functie.
Het systeem is gedeactiveerd, wanneer het
led-lampje is gedoofd.
Wanneer er in de rechter bovenhoek van de
knop een gevarendriehoekje verschijnt, is er
sprake van een fout.
Gerelateerde informatie
•
•
126
Middendisplay hanteren (p. 115)
Navigeren in schermen op het middendisplay (p. 118)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Apps en knoppen op
middendisplay verplaatsen
N.B.
Verberg de apps die u zelden of nooit
gebruikt door ze helemaal onderaan te
plaatsen, buiten het zichtveld. Op die
manier kunt u makkelijker de apps vinden
die u vaker gebruikt.
De apps en de knoppen voor autofuncties op
het app- en functiescherm zijn te verplaatsen
en naar wens anders te organiseren.
1. Veeg van rechts naar links9 om het appscherm te openen of van links naar rechts9
om het functiescherm te openen.
N.B.
2. Blijf op een app of knop drukken.
> De app of knop verandert van grootte
en wordt transparant. U kunt de app/
knop vervolgens verplaatsen.
Apps en autofunctieknoppen kunnen niet
worden bewaard op plaatsen die al bezet
zijn.
3. Sleep de app of knop naar een lege plek
op het scherm.
Gerelateerde informatie
Het maximale aantal regels voor apps of knoppen is 48. Om een app of knop tot buiten het
zichtbare schermgedeelte te verplaatsen moet
u deze naar de onderkant van het scherm slepen. Er worden dan automatisch nieuwe
regels voor de app of knop toegevoegd.
•
Functiescherm op het middendisplay
(p. 125)
•
•
Apps (p. 524)
Middendisplay hanteren (p. 115)
Het is dan ook mogelijk om een app of knop
verder naar onderen te verplaatsen, zodat
deze in de normale schermstand niet zichtbaar
is.
Veeg over het scherm om omhoog of omlaag
te bladeren.
9 Geldt
voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
Symbolen op de statusbalk van het
middendisplay
Overzicht van de symbolen die mogelijk op
de statusbalk van het middendisplay verschijnen.
De statusbalk geeft de lopende activiteiten en
in bepaalde gevallen hun status aan. Omdat
de ruimte in het veld beperkt is, worden niet
voortdurend alle symbolen weergegeven.
Symbool
Betekenis
Internetverbinding.
Roaming geactiveerd.
Signaalsterkte in netwerk voor
mobiele telefonie.
Bluetooth-apparaat aangesloten.
Bluetooth geactiveerd maar
geen eenheid aangesloten.
Er wordt informatie van en naar
het gps gestuurd.
Aangesloten op Wi-Fi-netwerk.
}}
127
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Symbool
Betekenis
'Internet sharing' geactiveerd
(Wi-Fi-hotspot). De auto deelt
dus de beschikbare verbinding.
Gerelateerde informatie
•
Navigeren in schermen op het middendisplay (p. 118)
•
•
Melding op het middendisplay (p. 145)
Automodem geactiveerd.
Internet delen via USB actief.
Proces gaande.
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
•
Eenheid aansluiten via USB-poort
(p. 541)
•
•
Telefoon (p. 550)
Datum en tijd (p. 96)
Timer voor preconditioning
actief.
Weergave audiobron gestart.
Weergave audiobron gestopt.
Telefoongesprek gaande.
Weergave audiobron onderdrukt.
Er komt nieuws binnen via een
radiokanaal.
Verkeersinformatie mogelijk.
Klok.
128
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Toetsenbord op middendisplay
Met het toetsenbord van het middendisplay
kunt u met toetsen tekst invoeren op het
scherm, maar ook handmatig door letters en
tekens "in te tekenen" op het scherm.
Met het toetsenbord kunnen tekens, letters en
cijfers worden ingevoerd, bijv. om sms-berichten vanuit de auto op te stellen, wachtwoorden in te vullen en naar artikelen te zoeken in
de digitale gebruikershandleiding.
Het toetsenbord verschijnt alleen als het
mogelijk is om op het scherm te schrijven.
}}
129
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
De afbeelding laat een overzicht zien van een aantal van de knoppen die op het toetsenbord kunnen verschijnen. De opzet wisselt, al naar gelang de taalinstellingen en in
welk verband het toetsenbord wordt gebruikt.
130
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Regel met suggesties voor woorden of
tekens10. De voorgestelde woorden worden aangepast naarmate er nieuwe letters
worden ingetypt. Blader door de suggesties door op de pijlen naar links en naar
rechts te drukken. Tik op een suggestie
om deze te selecteren. Let erop dat deze
functie niet door alle taalopties wordt
ondersteund. De regel is dan niet zichtbaar op het toetsenbord.
Afhankelijk van de voor het toetsenbord
gekozen taal (zie punt 7) worden de
beschikbare tekens aangepast. Tik op een
teken om dit in te voeren.
Afhankelijk van de situatie waarin u het
toetsenbord gebruikt, heeft de knop een
andere functie – @ (bij invoer van een emailadres) of nieuwe regel (bij normale
tekstinvoer).
Verbergt het toetsenbord. Als dat niet
mogelijk is, verschijnt de knop niet.
Wordt gebruikt om met hoofdletters te
schrijven. Druk eenmaal om een hoofdletter te schrijven en dan verder te gaan met
kleine letters. Door nogmaals te drukken
worden alle letters hoofdletters. Als u nog
eens drukt, wordt het toetsenbord weer
ingesteld op kleine letters. In deze stand
wordt de eerste letter na een punt, uitroepteken of vraagteken als hoofdletter
10
Geldt voor Aziatische talen.
geschreven. Dit geldt ook voor de eerste
letter in het tekstveld. In tekstvelden die
bestemd zijn voor namen of adressen
begint automatisch elk woord met een
hoofdletter. In tekstvelden waar wachtwoorden, webadressen of e-mailadressen
moeten worden ingevuld, worden alle letters juist klein, tenzij anderszins actief met
de knop wordt ingesteld.
Cijferinvoer. Het toetsenbord (2) laat dan
cijfers zien. Druk op
, dat in de cijfer, om
stand verschijnt in plaats van
terug te keren naar het toetsenbord met
letters, of op
om het toetsenbord
met speciale tekens te zien.
Houd de knop ingedrukt om meerdere
tekens in sneller tempo te verwijderen.
Vervangt de toetsenbordstand om in
plaats daarvan handmatig letters en
tekens in te voeren.
Bij eenmaal indrukken van de bevestigingsknop boven het toetsenbord (niet zichtbaar op
de afbeelding) bevestigt u de ingevoerde
tekst. De knop ziet er verschillend uit, al naar
gelang de context.
Varianten van een letter of een teken
Wijzigt de taal voor de tekstinvoer, bijvoorbeeld EN. Tekens die kunnen worden
ingevoerd alsook suggesties voor woorden (1) veranderen al naar gelang de gekozen taal. Om op het toetsenbord van taal
te kunnen wisselen, moeten de talen eerst
onder Instellingen worden toegevoegd.
Spatie.
Maakt tekstinvoer ongedaan. Bij kort
indrukken verwijdert u één teken tegelijk.
U kunt varianten van een letter of teken invoeren, bijv. é of è, door op de letter of het teken
te blijven tikken. Er verschijnt een venster met
mogelijke varianten van de letter/het teken.
Tik op de gewenste variant. Als u geen van de
}}
131
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
varianten selecteert, wordt het oorspronkelijk
gekozen letter of teken ingevoerd.
Gerelateerde informatie
132
•
Taal wijzigen voor toetsenbord van middendisplay (p. 133)
•
Handmatig tekens, letters of woorden
invoeren op middendisplay (p. 133)
•
•
Middendisplay hanteren (p. 115)
Berichtfuncties (p. 557)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Taal wijzigen voor toetsenbord van
middendisplay
Op het toetsenbord wisselen tussen
verschillende talen
Wanneer u in Instellingen
verschillende talen hebt geselecteerd, gebruikt u knop op
het toetsenbord om te wisselen tussen de talen.
Om op het toetsenbord tussen de verschillende talen te kunnen wisselen, moeten de
talen eerst onder Instellingen worden toegevoegd.
Taal toevoegen of verwijderen in
instellingen
Het toetsenbord is automatisch ingesteld op
dezelfde taal als de systeemtaal. De taal voor
het toetsenbord kan handmatig worden aangepast zonder dat dit gevolgen heeft voor de
systeemtaal.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2. Druk op Systeem Systeemtalen en eenheden Toetsenbordindelingen.
3. Kies een of meer talen in de lijst.
> Nu kunt u direct op het toetsenbord
schakelen tussen de geselecteerde
talen om tekst in te voeren.
Als u onder Instellingen niet actief een taal
hebt gekozen, hanteert het toetsenbord
dezelfde taal als de systeemtaal van de auto.
Om de taal op het toetsenbord te wijzigen met
weergave van de lijst:
1.
Druk lang op de knop.
> Er verschijnt een lijst.
Handmatig tekens, letters of
woorden invoeren op
middendisplay
Het toetsenbord van het middendisplay biedt
u de mogelijkheid om tekens, letters en
woorden in te voeren door ze met de hand op
het scherm te "tekenen".
Tik op de desbetreffende
knop van het toetsenbord om
te wisselen tussen het invoeren met behulp van het toetsenbord en het handmatig
tekenen van letters en tekens.
2. Kies de gewenste taal. Als er onder
Instellingen meer dan vier talen zijn geselecteerd, is het mogelijk om op het toetsenbord door de lijst te bladeren.
> Het toetsenbord wordt aangepast aan
de gekozen taal en er worden andere
suggesties voor woorden gegeven.
Om de taal op het toetsenbord te wijzigen
zonder weergave van de lijst:
–
Druk de knop kortstondig in.
> Het toetsenbord wordt aangepast aan
de volgende taal in de lijst, maar zonder
de lijst zelf te tonen.
Gerelateerde informatie
•
•
Systeemtaal wijzigen (p. 136)
Toetsenbord op middendisplay (p. 129)
Ruimte om tekens/letters/woorden/
woorddelen te tekenen.
Tekstveld waar suggesties voor tekens of
woorden11 verschijnen naargelang u deze
op het scherm (1) tekent.
}}
133
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Suggesties voor tekens/letters/woorden/
woorddelen. U kunt bladeren in de lijst.
Spatie. U kunt ook een spatie invoeren
door een verbindingsstreepje (-) te tekenen in het tekstveld voor handgeschreven
letters (1). Zie de onderstaande rubriek
"Spatie invoeren in het vrije veld bij handgeschreven tekst".
Tekstinvoer ongedaan maken. Kort indrukken om één teken/letter per keer te verwijderen. Wacht even voordat u opnieuw
drukt om het volgende teken of de volgende letter te verwijderen et cetera.
Teruggaan naar het toetsenbord met
gewone tekeninvoer.
Tekens/letters/woorden handmatig
invoeren
1. Schrijf een teken, een letter, een woord of
delen van een woord in de ruimte voor
handgeschreven letters (1). Schrijf de letters of delen van het woord over elkaar
heen of achter elkaar op één lijn.
> Er verschijnt een aantal suggesties voor
tekens, letters of woorden (3). Het
meest waarschijnlijke staat bovenaan in
de lijst.
BELANGRIJK
Raak het scherm niet met scherpe voorwerpen aan om krassen te voorkomen.
Geluid bij invoer in-/uitschakelen.
Toetsenbord verbergen. Als dat niet
mogelijk is, verschijnt de knop niet.
Taal voor tekstinvoer wijzigen.
11
12
134
2. Voer het teken/de letter/het woord in door
heel even te wachten.
> Het teken/de letter/het woord boven
aan de lijst wordt ingevoerd. U kunt ook
een ander teken kiezen dat wat er
boven aan de lijst verschijnt. Druk op
het teken, de letter of het woord dat u
zoekt in de lijst.
Geldt voor bepaalde systeemtalen.
Veeg bij een Arabisch toetsenbord in tegengestelde richting. Wanneer u van rechts naar links veegt, voegt u een spatie in.
Tekens/letters verwijderen/wijzigen die
handmatig zijn ingevoerd
Wis de tekens in het tekstveld (2) door over het veld
voor handgeschreven tekst (1) te vegen.
–
Om tekens/letters te wijzigen zijn er
meerdere alternatieven:
•
Druk in de lijst (3) op de letter die of het
woord dat u eigenlijk bedoelde.
•
Druk op de knop voor het ongedaan
maken van tekstinvoer (5) om de letter
te verwijderen en begin opnieuw.
•
Veeg horizontaal van rechts naar links12
over de ruimte voor handgeschreven
letters (1). Verwijder meerdere letters
door meerdere keren over de ruimte te
vegen.
•
Eenmaal drukken op het kruisje in het
tekstveld (2) neemt alle ingevoerde
tekst weg.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Van regel wisselen in het vrije veld met
handgeschreven tekst
Opzet van middendisplay
aanpassen
U kunt de opzet van het middendisplay aanpassen door een thema te kiezen.
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2. Tik op My Car
Displays
Toon skins.
3. Kies vervolgens een thema, bijv.
Minimalistic of Chrome Rings.
Wissel handmatig van regel door bovenstaand teken
in te tekenen in het veld voor handgeschreven
tekst13.
Spatie invoeren in het vrije veld bij
handgeschreven tekst
Als aanvulling hierop is het mogelijk om te kiezen tussen Normaal en Helder. Bij Normaal
is de achtergrond op het scherm donker en
zijn de teksten licht. Dit is de standaardinstelling voor alle thema's. Desgewenst kan een
lichte variant worden gekozen, waarbij de
opzet zo wordt gewijzigd dat de achtergrond
licht wordt en de teksten donker. Deze instelling is bijv. handig bij fel daglicht.
De mogelijkheden zijn altijd beschikbaar voor
de gebruiker en zijn niet afhankelijk van de
verlichting eromheen.
Volume van systeemgeluid
uitschakelen of aanpassen op
middendisplay
Het volume van het systeemgeluid is op het
middendisplay te wijzigen of uit te schakelen.
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm
op het middendisplay.
2. Druk op Geluid
Systeemvolumes.
3. Verschuif de bediening onder
Aanraakgeluiden om het geluid voor het
aantikken van het scherm te wijzigen/uit
te zetten. Schuif de bediening naar het
gewenste geluidsniveau.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 113)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm van het middendisplay (p. 136)
Audio-instellingen (p. 522)
Gerelateerde informatie
•
Voer een spatie in door van links naar rechts een
streepje te tekenen14.
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm van het middendisplay (p. 136)
•
Gerelateerde informatie
Middendisplay activeren en deactiveren
(p. 118)
•
Middendisplay reinigen (p. 677)
•
13
14
Toetsenbord op middendisplay (p. 129)
Voor Arabisch toetsenbord - schrijf hetzelfde teken, maar dan gespiegeld.
Schrijf bij een Arabisch toetsenbord hetzelfde teken, maar dan van rechts naar links.
135
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Systeemeenheden wijzigen
Systeemtaal wijzigen
Instellingen voor de eenheden verricht u in
het menu Instellingen van het middendisplay.
1. Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
Instellingen voor de taal verricht u in het
menu Instellingen van het middendisplay.
N.B.
Wanneer u de taal in het middendisplay
verandert, kan dat betekenen dat bepaalde
informatie voor de eigenaar niet overeenkomt met landelijke of plaatselijke wet- en
regelgeving. Stel geen taal in die u niet
begrijpt, omdat het dan lastig wordt om te
navigeren in de menustructuur op het
scherm.
2. Ga verder naar Systeem Systeemtalen
en -eenheden Meeteenheden.
3. Kies een standaardeenheid:
• Metr. – kilometer, liter en graden Celsius.
Instellingen wijzigingen op het
hoofdscherm van het
middendisplay
Via het middendisplay kunt u instellingen en
informatie wijzigen voor tal van autofuncties.
1. Open het hoofdscherm door op het tabblad bovenaan te klikken of door van
boven naar beneden over het scherm te
slepen/vegen.
2. Tik op Instellingen om het instellingsmenu te openen.
• Imper. – miles, gallons en graden Celsius.
1.
• VS – miles, gallons en graden Fahrenheit.
> De eenheden op het bestuurdersdisplay, het middendisplay en het headupdisplay worden gewijzigd.
•
2. Ga verder naar Systeem
en -eenheden.
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm van het middendisplay (p. 136)
Systeemtaal wijzigen (p. 136)
Gerelateerde informatie
Overzicht van het middendisplay (p. 113)
•
•
•
136
Systeemtalen
3. Kies Systeemtaal. Talen met ondersteuning van stembediening hebben een stembedieningssymbool.
> De taal op het bestuurdersdisplay, het
middendisplay en het head-updisplay
wordt gewijzigd.
Gerelateerde informatie
•
•
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
Overzicht van het middendisplay (p. 113)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm van het middendisplay (p. 136)
Systeemeenheden wijzigen (p. 136)
Het hoofdscherm met de knop voor Instellingen.
3. Tik op een van de categorieën en subcategorieën om naar de gewenste instelling te
bladeren.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
4. Wijzig een of meer instellingen. De manier
van wijzigen hangt van het type instelling
af.
> De wijzigingen worden onmiddellijk
opgeslagen.
Contextuele instellingen openen
op het middendisplay
1.
Via de contextuele instellingen zijn rechtstreeks vanuit het topscherm op het middendisplay instellingen te wijzigen voor de
meeste standaardapps van de auto.
2. Tik op Navigatie Instellingen.
> Er wordt een pagina voor navigatieinstellingen geopend.
Open het hoofdscherm wanneer een app
uitgevouwen is, bijv. Navigatie.
3. Wijzig de instellingen naar wens en bevestig uw keuze(s).
Tik op Sluiten of op de fysieke homeknop op
het middendisplay om het instellingsscherm te
sluiten.
De meeste basisapps van de auto bieden deze
contextuele instelmogelijkheid, maar niet allemaal.
Apps van derden
Een subcategorie in het instellingsscherm met verschillende soorten instellingen, heeft een meerkeuzeknop en keuzerondjes.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 113)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 138)
Tabel met instellingen op middendisplay
(p. 139)
Hoofdscherm met de knop voor contextuele instellingen.
Contextuele instellingen zijn snelkoppelingen
naar specifieke instellingen die verband houden met de op het scherm getoonde actieve
functie. De standaardapps van de auto, zoals
FM-radio en USB, maken deel uit van Sensus
en behoren tot de geïntegreerde autofuncties.
De instellingen voor deze apps zijn rechtstreeks te wijzigen via de contextuele instellingen in het hoofdscherm.
Wanneer contextuele instellingen beschikbaar
zijn:
Apps van derden zoals Volvo-id zijn bij aflevering van de auto niet voorgeïnstalleerd en
moeten naderhand worden gedownload. Bij
dergelijke apps van derden verricht u eventuele instellingen altijd in de desbetreffende
apps en niet vanuit het hoofdscherm.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm van het middendisplay (p. 136)
Overzicht van het middendisplay (p. 113)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 138)
Apps downloaden (p. 525)
137
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Gebruikersgegevens resetten bij
doorverkoop
Instellingen resetten op
middendisplay
3. Kies het gewenste type reset.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
Bij doorverkoop moeten gebruikersgegevens
en systeeminstellingen worden gereset naar
de fabrieksinstellingen.
De instellingen van de auto kunnen op verschillende niveaus gereset worden. Reset bij
doorverkoop alle gebruikersgegevens en herstel de fabrieksinstellingen voor de systeeminstellingen. Bij verkoop van de auto is het ook
belangrijk om de doorverkoop te registreren in
Volvo On Call* te wijzigen.
U kunt de fabrieksinstellingen herstellen voor
alle instellingen die zijn verricht in het instellingsmenu van het middendisplay.
4. Druk op OK om de reset te bevestigen.
Gerelateerde informatie
• Persoonlijke instellingen resetten - wist
•
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 138)
•
Instellingen resetten in bestuurdersprofielen (p. 144)
Voor de optie Persoonlijke instellingen
resetten wordt de reset bevestigd door
op Resetten voor het actieve profiel of
Resetten voor alle profielen te drukken.
> De geselecteerde instellingen worden
gereset.
Twee soorten resets
Er zijn twee soorten resets voor de instellingen in het instellingsmenu:
• Fabrieksreset - wist alle gegevens en
bestanden en herstelt de standaardwaarden voor alle instellingen.
persoonlijke gegevens en herstelt de standaardwaarden voor alle persoonlijke
instellingen.
Instellingen resetten
Gerelateerde informatie
•
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 113)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm van het middendisplay (p. 136)
Tabel met instellingen op middendisplay
(p. 139)
Doe het volgende om de instellingen te resetten.
N.B.
Fabrieksreset is alleen mogelijk, wanneer
de auto stilstaat.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2. Ga verder naar Systeem
Fabrieksreset.
138
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Tabel met instellingen op
middendisplay
Het instellingsmenu van het middendisplay
heeft een aantal hoofdcategorieën en subcategorieën waarin instellingen en informatie
voor tal van functies van de auto zijn verzameld.
Er zijn zeven hoofdcategorieën: My Car,
Geluid, Navigatie, Media, Communicatie,
Klimaat en Systeem.
Elke categorie omvat op zijn beurt een aantal
subcategorieën en instelmogelijkheden. In de
onderstaande tabellen wordt het eerste niveau
van subcategorieën weergegeven. De instelmogelijkheden voor een functie of terrein worden uitvoeriger beschreven in de desbetreffende artikelen van de gebruikershandleiding.
Sommige instellingen zijn persoonlijk, wat
inhoudt dat ze opgeslagen kunnen worden
voor een Bestuurdersprofielen. Andere zijn
algemeen zijn, wat betekent dat ze niet zijn
gekoppeld aan een bestuurdersprofiel.
My Car
Subcategorie
Subcategorie
Subcategorie
Spiegels en Comfort
TV*
Vergrendeling
Video
Parkeerrem en vering
Communicatie
Ruitenwisser voorruit
Subcategorie
Audio
Telefoon
Subcategorie
Tekstberichten
Toon
Android Auto*
Balans
Apple CarPlay*
Systeemvolumes
Bluetooth-apparaten
Navigatie
Wi-Fi
Subcategorie
Wi-Fi hotspot auto
Kaart
Internet via automodem*
Route en begeleiding
Volvo On Call*
Verkeer
Volvo-servicenetwerken
Media
Displays
Subcategorie
IntelliSafe
AM/FM-radio
Rijvoorkeuren/Individuele rijmodus*
DAB*
Lampen en verlichting
Gracenote®
Klimaatregeling
De hoofdcategorie Klimaat heeft geen subcategorieën.
}}
* Optie/accessoire. 139
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Systeem
Subcategorie
Bestuurdersprofiel
Datum en tijd
Systeemtalen en -eenheden
Privacy en gegevens
Toetsenbordindelingen
Stembediening*
Fabrieksreset
Systeeminformatie
Gerelateerde informatie
•
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 113)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm van het middendisplay (p. 136)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 138)
Bestuurdersprofielen
Tal van auto-instellingen zijn naar wens aan
te passen en op te slaan in een of meer
bestuurdersprofielen.
De persoonlijke instellingen worden automatisch in het actieve bestuurdersprofiel opgeslagen. Elke sleutel is te koppelen aan een
bestuurdersprofiel. Bij gebruik van een sleutel
waaraan een bestuurdersprofiel is gekoppeld,
wordt de auto aangepast volgens de instellingen van dat specifieke bestuurdersprofiel.
Welke instellingen worden
opgeslagen in bestuurdersprofielen?
Veel auto-instellingen worden automatisch
opgeslagen in het actieve bestuurdersprofiel
op voorwaarde dat het niet vergrendeld is. De
verrichte auto-instellingen zijn hetzij persoonlijk, hetzij algemeen. Het zijn de persoonlijke
instellingen die in bestuurdersprofielen worden opgeslagen.
Instellingen die zijn op te slaan in een bestuurdersprofiel zijn onder meer schermweergaven,
spiegels, voorstoelen, navigatie*, audio- en
mediasysteem, taal en stembediening.
Bepaalde instellingen, de zogenoemde algemene instellingen, zijn te wijzigen, maar worden niet opgeslagen in een specifiek bestuurdersprofiel. Wijzigen van de algemene instellingen is van invloed op alle profielen.
140
Algemene instellingen
De algemene instellingen en de parameters
wijzigen niet als het ene bestuurdersprofiel
wordt verruild voor een ander. Ze blijven gelijk,
ongeacht welk bestuurdersprofiel actief is.
De instellingen van de toetsenbordindeling zijn
voorbeelden van algemene instellingen. Als u
bestuurdersprofiel X gebruikt om meer talen
aan het toetsenbord toe te voegen, blijven
deze opgeslagen en kunt u ook bij gebruik van
bestuurdersprofiel Y van taal wissen. De
instellingen van de toetsenbordindeling worden niet opgeslagen onder een specifiek
bestuurdersprofiel – deze instellingen zijn
algemeen.
Persoonlijke instellingen
Als bestuurdersprofiel X is gebruikt om bijvoorbeeld de lichtsterkte op het middendisplay in te stellen, wordt bestuurdersprofiel Y
niet door deze instelling beïnvloed. Deze is
opgeslagen voor bestuurdersprofiel X – de
instelling van de lichtsterkte is een persoonlijke instelling.
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersprofiel kiezen (p. 141)
Naam van bestuurdersprofiel wijzigen
(p. 142)
•
Transpondersleutel koppelen aan bestuurdersprofiel (p. 143)
•
Bestuurdersprofiel beveiligen (p. 142)
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
•
•
Instellingen resetten in bestuurdersprofielen (p. 144)
Tabel met instellingen op middendisplay
(p. 139)
Bestuurdersprofiel kiezen
Bij het inschakelen van het middendisplay
verschijnt boven aan het display het gekozen
bestuurdersprofiel. Bij ontgrendeling van de
auto wordt automatisch het laatst gebruikte
bestuurdersprofiel gekozen. Na ontgrendeling van de auto kunt u een ander bestuurdersprofiel kiezen. Als de transpondersleutel
echter aan een ander bestuurdersprofiel is
gekoppeld, wordt bij het starten het desbetreffende profiel gekozen.
U kunt op twee manieren van bestuurdersprofiel veranderen.
Alternatief 1:
1.
Druk tijdens het inschakelen van het middendisplay op de naam van het bestuurdersprofiel dat boven aan het middendisplay staat.
> Er verschijnt een lijst met de te kiezen
bestuurdersprofielen.
2. Kies het gewenste bestuurdersprofiel.
3. Tik op Bevestig.
> Het bestuurdersprofiel is gekozen,
waarna het systeem de instellingen van
het nieuwe bestuurdersprofiel laadt.
Alternatief 2:
1.
2. Tik op Profiel.
> Dezelfde lijst als die voor alternatief 1
verschijnt.
3. Kies het gewenste bestuurdersprofiel.
4. Tik op Bevestig.
> Het bestuurdersprofiel is gekozen,
waarna het systeem de instellingen van
het nieuwe bestuurdersprofiel laadt.
Alternatief 3:
1.
Sleep het hoofdscherm van het middendisplay open.
2. Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
3. Tik op Systeem Bestuurdersprofielen.
> Er verschijnt een lijst met de te kiezen
bestuurdersprofielen.
4. Kies het gewenste bestuurdersprofiel.
> Het bestuurdersprofiel is gekozen,
waarna het systeem de instellingen van
het nieuwe bestuurdersprofiel laadt.
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersprofielen (p. 140)
Navigeren in schermen op het middendisplay (p. 118)
Sleep het hoofdscherm van het middendisplay open.
}}
141
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
•
•
Naam van bestuurdersprofiel wijzigen
(p. 142)
Naam van bestuurdersprofiel
wijzigen
Transpondersleutel koppelen aan bestuurdersprofiel (p. 143)
U kunt de verschillende bestuurdersprofielen
die in de auto worden gebruikt een andere
naam geven.
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm
op het middendisplay.
Bestuurdersprofiel beveiligen
In sommige gevallen wilt u liever niet dat de
verschillende auto-instellingen worden opgeslagen onder het actieve bestuurdersprofiel.
Voor dergelijke gevallen kunt u het bestuurdersprofiel beveiligen.
N.B.
2. Druk op Systeem
Bestuurdersprofielen.
3. Kies Profiel bewerken.
> Er verschijnt een menu waarin het profiel kan worden bewerkt.
Om een bestuurdersprofiel te beveiligen:
4. Druk op het vakje Profielnaam.
> Er verschijnt een toetsenbord, waarna u
de naam kunt wijzigen. Druk op
om het toetsenbord te sluiten.
2. Tik op Systeem
5. Sla de naamswijziging op door te tikken
op Terug of Sluiten.
> De naam is daarmee gewijzigd.
N.B.
Een profielnaam kan niet beginnen met
een spatie, omdat de profielnaam dan niet
wordt opgeslagen.
Gerelateerde informatie
•
•
142
Een bestuurdersprofiel is alleen te vergrendelen wanneer de auto stilstaat.
Bestuurdersprofiel kiezen (p. 141)
Toetsenbord op middendisplay (p. 129)
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
Bestuurdersprofielen.
3. Kies Profiel bewerken.
> Er verschijnt een menu waarin het profiel kan worden bewerkt.
4. Kies Profiel beveiligen om het profiel te
beveiligen.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
5. Sla de optie om het profiel te beveiligen
op door te tikken op Terug/Sluiten.
> Wanneer het profiel beveiligd is, worden eventuele nieuwe auto-instellingen
niet automatisch opgeslagen in het profiel. U moet de wijzigingen in plaats
daarvan handmatig opslaan onder
Instellingen Systeem
Bestuurdersprofielen Profiel
bewerken door te tikken op Huidige
instellingen opslaan naar profiel.
Wanneer het profiel echter niet beveiligd is, worden eventuele nieuwe instellingen wel automatisch opgeslagen in
het profiel.
Gerelateerde informatie
•
Bestuurdersprofielen (p. 140)
Transpondersleutel koppelen aan
bestuurdersprofiel
U kunt uw sleutel koppelen aan een bestuurdersprofiel. Op die manier wordt telkens
automatisch het bestuurdersprofiel met alle
bijbehorende instellingen geselecteerd als de
auto wordt gebruikt met die specifieke transpondersleutel.
De eerste keer dat de transpondersleutel
wordt gebruikt, is deze nog niet gekoppeld
aan een specifiek bestuurdersprofiel. Bij het
starten van de auto wordt automatisch het
profiel Gast geactiveerd.
Het is mogelijk om handmatig een bestuurdersprofiel te kiezen zonder dit aan de sleutel te
koppelen. Bij ontgrendeling van de auto wordt
het laatst gehanteerde bestuurdersprofiel
geactiveerd. Als de sleutel eenmaal gekoppeld
is aan een bestuurdersprofiel, hoeft u bij
gebruik van deze sleutel geen bestuurdersprofiel meer te kiezen.
Kies eerst het profiel dat u aan de sleutel wilt
koppelen, voor zover het te koppelen profiel
niet al actief is. Het actieve profiel is vervolgens aan de sleutel te koppelen.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2. Tik op Systeem
Bestuurdersprofielen.
3. Markeer het gewenste profiel. Op het display verschijnt het startscherm opnieuw.
Het profiel Gast kan niet aan een sleutel
worden gekoppeld.
4. Open het hoofdscherm weer en tik op
Instellingen Systeem
Bestuurdersprofielen Profiel
bewerken.
Transpondersleutel koppelen aan een
bestuurdersprofiel
N.B.
Een transpondersleutel is alleen aan een
bestuurdersprofiel te koppelen wanneer de
auto stilstaat.
}}
143
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
5. Kies Sleutel koppelen om het profiel aan
de sleutel te koppelen. Het is niet mogelijk
om een bestuurdersprofiel te koppelen aan
een andere sleutel dan de momenteel in de
auto gebruikte sleutel. Als er meerdere
sleutels in de auto zijn, verschijnt de tekst
Meer dan één sleutel gevonden, pak de
sleutel die u met de back-uplezer wilt
verbinden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bestuurdersprofielen (p. 140)
Naam van bestuurdersprofiel wijzigen
(p. 142)
een transpondersleutel (p. 254)
Instellingen resetten in
bestuurdersprofielen
Instellingen die zijn opgeslagen onder een of
meer bestuurdersprofielen zijn te herstellen,
als de auto stilstaat.
N.B.
Fabrieksreset is alleen mogelijk, wanneer
de auto stilstaat.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2. Druk op Systeem Fabrieksreset
Persoonlijke instellingen resetten.
3. Kies een van de opties Resetten voor het
actieve profiel, Resetten voor alle
profielen of Annuleren.
Gerelateerde informatie
•
•
Positie back-uplezer in de tunnelconsole.
> Als de tekst Profiel gekoppeld aan
sleutel verschijnt, zijn de sleutel en het
bestuurdersprofiel aan elkaar gekoppeld.
6. Tik op OK.
> De huidige sleutel is daarmee gekoppeld aan het bestuurdersprofiel en blijft
gekoppeld zolang het hokje voor
Sleutel koppelen is aangevinkt.
144
Bestuurdersprofielen (p. 140)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 138)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Melding op het middendisplay
Op het middendisplay kunnen in uiteenlopende situaties meldingen verschijnen om u
te informeren of helpen.
bijvoorbeeld een systeem dat aan de melding
is gekoppeld, te activeren/deactiveren.
Meldingen op middendisplay
hanteren
Pop-upmeldingen
In bepaalde gevallen verschijnen pop-upmeldingen. Pop-upmeldingen zijn belangrijker dan
meldingen op de statusbalk en verdwijnen
alleen na bevestiging/actie.
Meldingen op het middendisplay zijn te hanteren via de schermen op het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
Meldingen op middendisplay hanteren
(p. 145)
•
Opgeslagen middendisplaymeldingen
hanteren (p. 146)
•
Melding op bestuurdersdisplay (p. 109)
Voorbeeld van een melding op het hoofdscherm van
het middendisplay.
Voorbeeld van een melding op het hoofdscherm van
het middendisplay.
Op het middendisplay verschijnen meldingen
die voor u als bestuurder minder belangrijk
zijn.
Bepaalde meldingen op het middendisplay
hebben een knop (of meerdere knoppen in
pop-upmeldingen) om bijvoorbeeld een functie te activeren/deactiveren die aan de melding gekoppeld is.
De meeste meldingen verschijnen boven de
statusbalk van het middendisplay. De meldingen verdwijnen na enige tijd automatisch of na
eventuele reactie uit de statusbalk. Als een
melding moet worden opgeslagen, wordt
deze bewaard op het hoofdscherm van het
middendisplay.
De meldingen kunnen er verschillend uitzien
en worden mogelijk gecombineerd met grafische voorstellingen, symbolen of een knop om
}}
145
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Nieuwe melding hanteren
Voor meldingen met knoppen:
–
Druk op de knop om de maatregel uit te
voeren of laat de melding automatisch na
een poosje gesloten worden.
> De melding verdwijnt van de statusbalk.
Opgeslagen
middendisplaymeldingen hanteren
Meldingen die zijn opgeslagen vanuit het
bestuurders- en middendisplay worden in
beide gevallen gehanteerd in het middendisplay.
Een opgeslagen melding hanteren
Bepaalde meldingen hebben een knop om bijvoorbeeld een functie te activeren/deactiveren
die aan de melding is gekoppeld.
Voor meldingen zonder knoppen:
–
Sluit de melding door erop te drukken of
doe niets, waarna de melding enige tijd
later automatisch verdwijnt.
> De melding verdwijnt van de statusbalk.
–
•
•
•
Melding op het middendisplay (p. 145)
Opgeslagen middendisplaymeldingen
hanteren (p. 146)
Melding op bestuurdersdisplay (p. 109)
Gerelateerde informatie
Voorbeeld van opgeslagen meldingen en beschikbare
opties in het hoofdscherm.
•
•
Meldingen die op het middendisplay zijn
weergegeven en die opgeslagen moeten worden, worden bewaard in het hoofdscherm van
het middendisplay.
•
Opgeslagen melding lezen
1. Open het hoofdscherm op het middendisplay.
> Er verschijnt een lijst met opgeslagen
meldingen. Meldingen met een pijlrechts kunnen worden uitgevouwen.
146
Druk op de knop om de maatregel uit te
voeren.
Opgeslagen meldingen in het hoofdscherm
worden automatisch gewist als de auto wordt
uitgezet.
Als een melding moet worden opgeslagen,
wordt deze bewaard op het hoofdscherm van
het middendisplay.
Gerelateerde informatie
2. Tik op een melding om deze uit te vouwen/minimaliseren.
> Er verschijnt meer informatie over de
melding in de lijst en de afbeelding
links in de app geeft informatie in grafische vorm over de melding.
Melding op het middendisplay (p. 145)
Meldingen op middendisplay hanteren
(p. 145)
Melding op bestuurdersdisplay (p. 109)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Head-updisplay*
Het head-updisplay is een aanvulling op het
bestuurdersdisplay van de auto en projecteert
informatie van het bestuurdersdisplay op de
voorruit. Het geprojecteerde beeld is alleen
vanuit de positie van de bestuurder zichtbaar.
N.B.
U kunt de informatie op het head-updisplay
mogelijk minder goed zien bij
•
gebruik van een polariserende zonnebril
•
een zithouding waarbij u niet goed in
het midden van de stoel zit
•
voorwerpen op het dekglas van de displaymodule
•
ongunstige lichtomstandigheden,
Voorbeelden van wat op het display kan verschijnen.
BELANGRIJK
Het head-updisplay projecteert waarschuwingen en informatie met betrekking tot snelheid,
cruisecontrolfuncties, navigatie en dergelijke
binnen het gezichtsveld van de bestuurder.
Ook verkeersbordinformatie en gegevens over
telefoonoproepen kunnen op het head-updisplay verschijnen.
De displaymodule die de informatie projecteert zit in het dashboard. Leg geen
voorwerpen op het dekglas en zorg dat er
evenmin voorwerpen op kunnen vallen om
schade aan het dekglas van de displaymodule te voorkomen.
Snelheid
Cruisecontrol
Navigatie
Verkeersborden
Bepaalde symbolen kunnen korte tijd op het
head-updisplay verschijnen, zoals:
Licht het waarschuwingssymbool op
– lees de waarschuwingsmelding op
het bestuurdersdisplay.
Licht het informatiesymbool – lees
de melding op het bestuurdersdisplay.
}}
* Optie/accessoire. 147
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Het sneeuwvloksymbool gaat branden bij gevaar voor gladheid.
N.B.
Bij bepaalde afwijkingen in de lichtbreking
kan het gebruik van het head-updisplay
aanleiding geven tot hoofdpijn en vermoeide ogen.
City Safety op head-updisplay
Bij een botswaarschuwing wordt de informatie op het head-updisplay vervangen door een
waarschuwingssymbool voor City Safety.
Deze grafische voorstelling verschijnt ook als
het head-updisplay is uitgeschakeld
Gerelateerde informatie
•
Head-updisplay* activeren en deactiveren
(p. 148)
•
•
Head-updisplay* reinigen (p. 678)
Head-updisplay bij vervanging van de
voorruit* (p. 641)
Head-updisplay* activeren en
deactiveren
Het head-updisplay is na het starten van de
auto te activeren en deactiveren.
Tik op de knop Head-up
display op het functiescherm
van het middendisplay. Een
brandend lampje in de knop
geeft aan dat de functie
geactiveerd is.
Gerelateerde informatie
•
•
Instellingen voor head-updisplay* (p. 149)
Head-updisplay* (p. 147)
Het waarschuwingssymbool voor City Safety knippert om uw aandacht te trekken bij een dreigende
botsing.
148
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Instellingen voor head-updisplay*
Lichtsterkte en hoogte aanpassen
Pas de instellingen aan voor de weergave van
het head-updisplay op de voorruit.
De instellingen zijn te verrichten wanneer de
auto is gestart en er een beeld op de binnenkant van de voorruit wordt geprojecteerd.
Weergave-opties kiezen
Kies welke functies op het head-updisplay
moeten verschijnen.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Tik op My Car Displays
head-up display.
Opties
Positie verlagen
Bevestigen
1.
Tik op de knop Head-up display
afstellen op het functiescherm van het
middendisplay.
2. Pas de lichtsterkte en hoogte van de
geprojecteerde afbeelding in uw blikveld
aan met behulp van de rechter stuurknoppenset.
De lichtsterkte van de grafische voorstellingen
wordt automatisch afgestemd op de heersende lichtomstandigheden. De lichtsterkte
van het head-updisplay hangt tevens af van de
gehanteerde lichtsterkte voor de overige displays in de auto.
De hoogte is op te slaan in de geheugenfunctie van de elektrisch bedienbare voorstoel*
met behulp van de knoppenset op het
bestuurdersportier.
3. Kies een of meer functies:
•
•
•
•
Toon navigatie
Toon Road Sign Information
Toon rijhulp
Toon telefoon
De instelling wordt als persoonlijke instelling
opgeslagen in het bestuurdersprofiel.
Lichtsterkte verlagen
Lichtsterkte verhogen
Positie verhogen
}}
* Optie/accessoire. 149
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Horizontale stand kalibreren
Stembediening
De horizontale stand van het head-updisplay
moet mogelijk gekalibreerd worden bij het vervangen van de voorruit of de displayeenheid.
Kalibreren houdt in dat de geprojecteerde
afbeelding linksom of rechtsom wordt
gedraaid.
Stembediening15 maakt het mogelijk om
autofuncties, zoals klimaatsysteem, radio of
via Bluetooth aangesloten telefoon met stemcommando's te bedienen. In auto's met
Sensus Navigation* kan ook het navigatiesysteem met de stem worden bediend.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Wat is stembediening?
2. Kies My Car Displays Opties headup display Head-up display
kalibreren.
Linksom draaien
3. Kalibreer de horizontale stand van de
afbeelding met de rechter stuurknoppenset.
Rechtsom draaien
Bevestigen
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
15
150
Head-updisplay* (p. 147)
Head-updisplay* activeren en deactiveren
(p. 148)
Bestuurdersprofielen (p. 140)
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay* (p. 196)
Stembediening is een systeem dat het gebruik
van verschillende commando's in uw auto vereenvoudigt. Het werkt in principe als een willekeurige applicatie waarin u gegevens in een
bepaalde volgorde invoert om een taak uit te
voeren, maar in plaats van een toetsenbord
gebruikt u stemcommando's. Daarom kan het
een goed idee zijn om u te verdiepen in hoe en
in welke volgorde de stemcommando's moeten worden ingesproken voor het gewenste
resultaat.
Met het stembedieningssysteem kunt u
bepaalde infotainment- en klimaatfuncties
bedienen met stemcommando's. Het systeem
kan antwoorden met spraak en het tonen van
informatie op het bestuurdersdisplay.
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
WAARSCHUWING
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en de geldende verkeersregels in acht neemt.
Microfoon van de stembediening
Systeemupdate
Het systeem voor stembediening wordt voortdurend verder verbeterd. Wij raden aan om
altijd de meest recente versie te hebben geïnstalleerd.
Download updates van
support.volvocars.com.
•
•
Stembediening klimaat (p. 213)
Instellingen voor stembediening (p. 154)
Stembediening gebruiken
Stembediening starten16
Om commando's via het
stembedieningssysteem te
geven, voert u een "dialoog"
met het systeem. Druk op de
stuurknop voor stembediening
om de werking te
activeren en een dialoog met
stemcommando's te starten. Nadat u op de
knop hebt gedrukt, hoort u een pieptoon en
verschijnt het stembedieningssymbool op het
bestuurdersdisplay.
Dit is om aan te geven dat het systeem luistert
en u kunt nu commando's inspreken. Zodra u
begint te praten, wordt het systeem getraind
in het herkennen en verstaan van uw stem. Dit
duurt enkele seconden en gaat automatisch
en u hoeft dus niet handmatig een stemtraining te starten.
Aandachtspunten:
•
Spreek met een normale stem in een normaal tempo.
•
Wacht met spreken, totdat het systeem
klaar is met antwoorden (zolang het sys-
Gerelateerde informatie
•
•
•
Stembediening gebruiken (p. 151)
Stembediening telefoon (p. 153)
Stembediening radio en media (p. 154)
}}
151
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
teem antwoordt, werkt de stembediening
namelijk niet).
Vermijd achtergrondgeluiden in het interieur door portieren, ruiten en panoramadak* dicht te houden.
De stembediening wordt ook afgebroken als u
tijdens een dialoog niet antwoordt. Eerst
vraagt het systeem drie keer om een antwoord
en als u niet antwoordt, wordt de stembediening automatisch afgebroken.
Over het algemeen werkt het systeem zo, dat
het luistert naar het basiscommando dat
gevolgd wordt door specifiekere commando's
om aan te geven wat u precies wilt dat het
systeem doet.
Om de communicatie te versnellen en de systeemaanmoedigingen over te slaan, drukt u op
. Dan
de stuurknop voor stembediening
onderbreekt u de systeemstem en kunt u het
volgende commando geven.
Cijfers
Geef de cijfercommando's aan, afhankelijk van
welke functie moet worden aangestuurd:
Voorbeelden van stembediening
•
Telefoonnummers en postcodes moet u
apart en cijfer voor cijfer zeggen, bijvoorbeeld "nul, drie, een, twee, twee, vier, vier,
drie" (03122443).
•
Huisnummers kunt u apart of in een
groep zeggen, bijvoorbeeld "twee, twee"
of "tweeëntwintig" (22). Bij Engels en
Nederlands kunt u meerdere groepen achter elkaar zeggen, bijvoorbeeld "tweeëntwintig, tweeëntwintig" (22 22). Bij Engels
kunt u ook dubbel of drievoudig gebruiken, bijvoorbeeld "dubbel nul" (00). U
kunt nummers aangeven binnen het interval 0–2300.
•
Frequenties kunt u als volgt zeggen:
"achtennegentig komma acht" (98,8) en
"honderdvier komma twee" (104,2).
•
Om het volume van de systeemreacties te wijzigen kunt u tijdens de stemsynthese aan de
volumeknop draaien. Tijdens de stembediening kunt u gebruikmaken van andere knoppen. Alle andere vormen van geluidsweergave
worden tijdens de systeemdialoog onderdrukt,
zodat u geen functies kunt bedienen die te
maken hebben met de geluidsweergave.
Stembediening afbreken
De stembediening kan op verschillende
manieren worden afgebroken:
•
•
16
17
152
Druk kort op
en zeg "Annuleer".
Druk lang op de stuurknop voor stembediening
totdat u twee pieptonen
hoort. Dit beëindigt de stembediening,
zelfs wanneer het systeem spreekt.
1.
Druk op
•
Commando's voor specifieke functies, zoals
de telefoon en de radio, staan beschreven in
de desbetreffende artikelen.
.
2. Zeg "Bel [Voornaam] [Achternaam]
[nummercategorie]", bijv. "Bel Robyn
Smith Mobiel".
> Het systeem belt het gekozen contact
uit het telefoonboek. Als er meerdere
telefoonnummers (zoals thuis, mobiel,
werk) voor het contact bestaan, moet u
ook de juiste categorie noemen.
Commando's/zinnen
De volgende commando's zijn meestal te
gebruiken, ongeacht situatie:
•
"Herhaal" – de laatst gegeven steminstructie van de actieve dialoog herhalen.
•
"Annuleer" – de dialoog annuleren.17
"Help" – een hulpdialoog starten. Het
systeem antwoordt met commando's die
in de actuele situatie gebruikt kunnen worden, een vraag of een voorbeeld.
Geldt voor bepaalde markten.
Let erop dat u hiermee alleen de dialoog beëindigt, wanneer het systeem niet spreekt. Om dit te doen moet u lang op
drukken totdat u twee pieptonen hoort.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Snelheid en herhalingsstand
De spreeksnelheid is aan te passen, als het
systeem te snel spreekt.
U kunt de herhalingsstand inschakelen om het
systeem het commando te laten herhalen dat
u hebt gegeven.
Om de snelheid aan te passen of de herhalingsstand te activeren/deactiveren:
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2. Tik op Systeem
kies instellingen.
Stembediening en
• Stemcommando herhalen
• Spreeksnelheid
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
18
19
Stembediening telefoon18
Bel naar een contact, laat berichten voorlezen
of dicteer korte berichten met de stemcommando's voor een telefoon met Bluetoothaansluiting.
Om een contactpersoon in het telefoonboek
aan te geven moet het stemcommando contactgegevens bevatten die in het telefoonboek
staan. Als er voor een contactpersoon, bijvoorbeeld Robyn Smith, meerdere telefoonnummers in het telefoonboek staan, kunt u ook de
nummercategorie aangeven, bijvoorbeeld
Thuis of Mobiel: "Bel Robyn Smith Mobiel".
Druk op
mando's:
•
"Bel [contact]" – hiermee belt u de gekozen contactpersoon uit het telefoonboek.
•
"Bel [telefoonnummer]" – hiermee belt
u een telefoonnummer.
•
"Recente gesprekken" – hiermee geeft u
de gesprekslijst weer.
•
"Lees bericht" – hiermee laat u een
bericht voorlezen. Als er meerdere berichten zijn – geef aan welk bericht moet worden voorgelezen.
•
"Bericht aan [contact]" – de gebruiker
wordt gevraagd om een kort bericht
hardop te zeggen. Vervolgens wordt het
Stembediening (p. 150)
Stembediening telefoon (p. 153)
Stembediening radio en media (p. 154)
Stembediening klimaat (p. 213)
Instellingen voor stembediening (p. 154)
en zeg een van de volgende com-
bericht voorgelezen en kan de bestuurder
ervoor kiezen om het bericht te versturen19 of het bericht opnieuw aan te maken.
Voor deze functie moet de auto verbinding
hebben met internet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Stembediening (p. 150)
Stembediening gebruiken (p. 151)
Stembediening radio en media (p. 154)
Stembediening klimaat (p. 213)
Instellingen voor stembediening (p. 154)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
Geldt voor bepaalde markten.
Slechts bepaalde telefoons kunnen berichten verzenden via de auto. Ga voor informatie over compatibele telefoons naar support.volvocars.com.
* Optie/accessoire. 153
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Stembediening radio en media20
Hier volgen commando's voor stembediening
van radio en mediaspeler.
Druk op
en zeg een van de volgende commando's:
•
•
"Speel [artiest]" – muziek afspelen van
gekozen artiest.
•
"Speel [tracknaam]" – gekozen track
afspelen.
•
"Speel [tracknaam] van [album]" –
gekozen track van gekozen album afspelen.
•
"Speel [Tv-zendernaam]" – gekozen tvzender*21 starten.
•
"Speel [radiokanaal]" – gekozen radiokanaal starten.
•
"Stem af op [frequentie]" – gekozen
radiofrequentie starten op actieve radioband. Als op dat moment geen radiobron
actief is, wordt standaard de FM-band
ingeschakeld.
•
20
21
154
"Media" – start een dialoog voor media
en radio en geeft voorbeelden van commando's weer.
"Stem af op [frequentie]
[frequentieband]" – gekozen radiofrequentie starten op gekozen radioband.
•
•
•
•
•
•
•
•
"Radio" – FM-radio starten.
Instellingen voor stembediening22
"FM Radio" – FM-radio starten.
Hier kiest u de instellingen voor de stembediening.
•
"Vergelijkbare muziek" – muziek op via
de USB-poort aangesloten eenheden spelen die op de weergegeven muziek lijkt.
"DAB" – DAB-radio* starten.
"Tv" – tv*21-weergave starten.
"CD" – cd*-weergave starten.
"USB" – USB-weergave starten.
"iPod" – iPod-weergave starten.
"Bluetooth" – weergave vanaf een
mediabron met Bluetooth-verbinding starten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Stembediening (p. 150)
Stembediening gebruiken (p. 151)
Stembediening telefoon (p. 153)
Stembediening klimaat (p. 213)
Instellingen voor stembediening (p. 154)
Instellingen Systeem
Stembediening
U kunt instellingen verrichten ten aanzien van
het volgende:
• Stemcommando herhalen
• Geslacht
• Spreeksnelheid
Audio-instellingen
Kies audio-instellingen onder:
Instellingen Geluid
Stembediening
Systeemvolumes
Taalinstellingen
Stembediening is niet voor alle talen mogelijk.
De beschikbare talen voor stembediening zijn
in de talenlijst aangegeven met een pictogram,
.
Een eventuele taalwijziging geldt ook voor de
menu-, display- en hulpteksten.
Instellingen Systeem Systeemtalen
en -eenheden Systeemtaal
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
22
Stembediening (p. 150)
Stembediening gebruiken (p. 151)
Stembediening telefoon (p. 153)
Stembediening klimaat (p. 213)
Stembediening radio en media (p. 154)
Audio-instellingen (p. 522)
Systeemtaal wijzigen (p. 136)
Geldt voor bepaalde markten.
155
VERLICHTING
VERLICHTING
Verlichtingsbediening
Met de verschillende knoppen op het bedieningspaneel voor de verlichting kunt u de buiten- en binnenverlichting regelen. Met de linker stuurhendel kunt u de buitenverlichting
inschakelen en aanpassen. Met het duimwiel
voor de verlichting op het instrumentenpaneel kunt u de sterkte van de interieurverlichting aanpassen.
Buitenverlichting
Stand
Betekenis
Stand
Dagrijlicht.
Betekenis
Dagrijlicht en stadslichten voor/
achterlichten bij daglicht.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dimlicht en stadslichten voor/
achterlichten bij weinig daglicht
of donker of wanneer de mistlampen voor* en/of het mistachterlicht geactiveerd zijn.
Dagrijlicht en stadslichten voor/
achterlichten.
Stadslichten voor/achterlichten,
wanneer de auto geparkeerd
staat.A
Grootlichtsignalering mogelijk.
Het automatisch groot licht is te
activeren.
Dimlicht en stadslichten voor/
achterlichten.
U kunt het groot licht inschakelen, wanneer u het dimlicht voert.
Groot licht is te activeren.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Automatisch groot licht aan/uit.
A
Als u bij een ingeschakelde en stilstaande auto de draairing
vanuit een willekeurige andere stand naar de stand
draait, branden de stadslichten voor/achterlichten in plaats
van andere verlichting.
Draairing op linker stuurhendel.
Wanneer het elektrische systeem van de auto
in contactslotstand II staat, gelden de volgende functies in de verschillende standen van
de draairing:
158
Volvo adviseert om stand
te gebruiken
als er met de auto wordt gereden.
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
WAARSCHUWING
Het verlichtingssysteem van de auto kan
niet in elke situatie bepalen of het daglicht
te zwak of sterk genoeg is, bijv. bij mist en
regen.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op
de heersende omstandigheden en de geldende verkeerswetgeving.
Duimwielen op dashboard
•
•
•
•
•
•
•
•
Richtingaanwijzers gebruiken (p. 164)
Groot licht gebruiken (p. 162)
Dimlicht (p. 161)
Mistachterlicht (p. 165)
Actieve bochtverlichting* (p. 165)
Remlichten (p. 166)
Noodremlichten (p. 166)
Alarmlichten (p. 167)
Verlichtingsfuncties aanpassen via
het middendisplay
Via het middendisplay zijn meerdere verlichtingsfuncties te activeren en aan te passen.
Bijvoorbeeld het automatisch groot licht, de
Follow Me Home-verlichting en de Approachverlichting.
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Tik op My Car
Lampen en verlichting.
3. Kies Autoverlichting of
Interieurverlichting gevolgd door de
functie die u wenst aan te passen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Het duimwiel (links) voor het aanpassen van de lichtsterkte van de interieurverlichting.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verlichtingsfuncties aanpassen via het
middendisplay (p. 159)
Verlichtingsbediening (p. 158)
Automatisch groot licht (p. 162)
Follow Me Home-verlichting gebruiken
(p. 167)
•
•
•
Approach-verlichting (p. 168)
•
Functiescherm op het middendisplay
(p. 125)
Richtingaanwijzers gebruiken (p. 164)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm van het middendisplay (p. 136)
Interieurverlichting (p. 168)
Stadslichten voor/achterlichten (p. 160)
* Optie/accessoire. 159
VERLICHTING
Stadslichten voor/achterlichten
De stadslichten voor/achterlichten zijn te
gebruiken om zichtbaar te blijven voor medeweggebruikers als de auto stilstaat of geparkeerd staat. Stadslichten voor/achterlichten
zijn in te schakelen via de draairing van de
stuurhendel.
De draairing van de stuurhendel in de stand voor
stadslichten voor/achterlichten.
Zet de draairing in stand
– de stadslichten voor/achterlichten gaan branden (ook de
kentekenverlichting wordt ingeschakeld).
Als het elektrische systeem van de auto in
contactslotstand II staat, brandt het dagrijlicht
in plaats van de stadslichten vóór. Wanneer de
draairing in deze stand staat, branden de
stadslichten voor en de achterlichten ongeacht de contactslotstand van het elektrische
systeem van de auto.
160
Als u bij een ingeschakelde en stilstaande auto
de draairing vanuit een willekeurige andere
stand naar de stand voor de stadslichten voor/
draait, branden de stadsachterlichten
lichten voor/achterlichten in plaats van andere
verlichting.
Wanneer u meer dan 30 seconden op een
snelheid van maximaal 10 km/h (zo'n 6 mph)
rijdt of als de rijsnelheid oploopt tot boven
10 km/h (zo'n 6 mph), gaat de dagrijverlichting branden. U dient dan over te schakelen op
.
een andere stand dan
Dagrijlicht
De auto heeft sensoren die de lichtomstandigheden rondom registreren. Wanneer de
,
draairing van de stuurhendel in stand
of
staat terwijl het elektrische
systeem van de auto in contactslotstand II
staat, brandt het dagrijlicht. In de stand
schakelen de koplampen automatisch over
op het dimlicht bij weinig daglicht of in het
donker.
Als het buiten donker is en de achterklep
wordt geopend, gaan de achterlichten branden (als ze al niet zijn ingeschakeld) om het
achteropkomende verkeer te waarschuwen.
Dat gebeurt altijd, ongeacht de stand van de
draairing of de contactslotstand van het elektrische systeem van de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
Verlichtingsbediening (p. 158)
Contactslotstanden (p. 460)
De draairing van de stuurhendel in stand AUTO.
Wanneer de draairing van de stuurhendel in
stand
staat, brandt het dagrijlicht (DRL1)
wanneer de auto overdag rijdt. De auto schakelt automatisch over van dagrijlicht op dimlicht bij een zwakke verlichting overdag of in
het donker. Overschakeling op dimlicht vindt
ook automatisch plaats, als u de mistlampen
voor */mistachterlichten activeert.
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
WAARSCHUWING
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet
in alle gevallen kan bepalen wanneer de
omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is bij mist en regen bijvoorbeeld.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op
de heersende omstandigheden en de geldende verkeerswetgeving.
Dimlicht
Tijdens ritten met de draairing van de stuurwordt het dimlicht
hendel in stand
automatisch geactiveerd bij een zwakke verlichting overdag of in het donker, wanneer
het elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat.
Let erop dat de tunneldetectie alleen werkt,
als de linker stuurhendel in stand
gedraaid is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
Tunneldetectie
De auto detecteert dat hij een tunnel inrijdt en
schakelt dan over van dagrijlicht op dimlicht.
Verlichtingsbediening (p. 158)
Verlichtingsbediening (p. 158)
Contactslotstanden (p. 460)
Dagrijlicht (p. 160)
Contactslotstanden (p. 460)
Dimlicht (p. 161)
De draairing van de stuurhendel in stand AUTO.
Met de draairing op de stuurhendel in stand
wordt het dimlicht ook automatisch
geactiveerd, als u het mistachterlicht inschakelt.
Met de draairing van de stuurhendel in stand
brandt altijd het dimlicht, wanneer het
elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat.
1
Daytime Running Lights
161
VERLICHTING
Groot licht gebruiken
Het groot licht is te bedienen met de linker
stuurhendel. Het groot licht is de felste verlichtingsfunctie op de auto en dient tijdens
ritten in het donker te worden gebruikt om
het zicht te verbeteren, zolang u tegenliggers
niet verblindt.
2 of
. Activeer het groot licht
door de stuurhendel naar voren te duwen.
U kunt de functie deactiveren door de
stuurhendel naar achteren te halen.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
het symbool
op het bestuurdersdisplay.
Automatisch groot licht
Automatisch groot licht is een systeem dat
met een camerasensor boven aan de voorruit
de koplampen van tegenliggers of de achterlichten van voorliggers registreert en automatisch overschakelt van groot licht naar dimlicht.
Gerelateerde informatie
•
•
Stuurhendel met draairing.
Grootlichtsignalen
Haal de stuurhendel naar achteren, naar
de stand voor grootlichtsignalen. Het
groot licht brandt totdat u de hendel loslaat.
Groot licht
Het groot licht is te activeren met de
draairing van de stuurhendel in stand
2 Wanneer
162
het dimlicht brandt.
Verlichtingsbediening (p. 158)
Automatisch groot licht (p. 162)
Het symbool
licht.
staat voor automatisch groot
Het systeem kan starten bij ritten in het donker, wanneer de auto een rijsnelheid heeft van
zo'n 20 km/h (12 mph) of hoger. Het systeem
kan ook rekening houden met de straatverlichting. Wanneer de camerasensor niet langer de
verlichting van een tegenligger of voorligger
registreert, wordt na enkele seconden het
groot licht weer ingeschakeld.
VERLICHTING
Automatisch groot licht activeren
Als dit symbool samen met de melding Actief grootlicht Tijdelijk niet
beschikbaar op het bestuurdersdisplay verschijnt, moet u handmatig
overschakelen tussen groot licht en dimlicht.
dooft, wanneer deze melHet symbool
ding verschijnt.
Het automatisch groot licht is te activeren en
deactiveren door de draairing op de linker
te draaien.
stuurhendel naar de stand
De draairing veert automatisch terug naar de
stand
. Wanneer automatisch groot licht
op het
geactiveerd is, licht het symbool
bestuurdersdisplay wit op. Wanneer het groot
licht ontstoken is, brandt het symbool blauw.
Deactiveren van automatisch groot licht wanneer het groot licht aanstaat, leidt ertoe dat er
direct wordt overgeschakeld op dimlicht.
Adaptief vermogen
Bij auto's met led3-koplampen* heeft het automatisch groot licht een adaptief vermogen4. In
tegenstelling tot wat er gebeurt bij de standaarddimfunctie blijft dat deel van de lichtbundel dat naast tegen- of voorliggers valt op
grootlichtsterkte branden – alleen dat deel van
de lichtbundel dat rechtstreeks op de tegenliggers/voorliggers gericht is, wordt gedimd.
Hetzelfde geldt als dit symbool
samen met de melding
Voorruitsensor Sensor afgedekt,
zie handleiding verschijnt.
Adaptief vermogen: Dimlicht recht vooruit in de richting van tegenliggers, maar groot licht aan weerszijden van de tegenliggers.
Bij gedeeltelijk groot licht, dat wil zeggen
zodra de lichtbundel iets sterker brandt dan
het geval is bij dimlicht, brandt het symbool
op het bestuurdersdisplay blauw.
Beperkingen van het automatisch
groot licht
De camerasensor waar de functie gebruik van
maakt kent beperkingen.
Automatisch groot licht is mogelijk tijdelijk
niet beschikbaar, zoals in dichte mist of bij
zware regenval. Wanneer automatisch groot
licht weer beschikbaar is of als de voorruitsensoren niet langer geblokkeerd zijn, verdwijnt
brande melding en gaat het symbool
den.
WAARSCHUWING
Actief groot licht is een systeem dat u helpt
om in ongunstige omstandigheden de optimale verlichting te kiezen.
Als bestuurder bent u echter altijd verplicht
om handmatig te wisselen tussen groot
licht en dimlicht, als dat gezien de verkeerssituatie en/of weersgesteldheid vereist is.
3 Lichtdiode (Light Emitting Diode)
4 Afhankelijk van het uitrustingsniveau
van de auto.
}}
* Optie/accessoire. 163
VERLICHTING
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verlichtingsbediening (p. 158)
Groot licht gebruiken (p. 162)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
Richtingaanwijzers gebruiken
N.B.
De richtingaanwijzers van de auto zijn te
bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven
knipperen, afhankelijk van hoe ver u de hendel omhoog of omlaag beweegt.
•
Deze reeks automatische knipperingen
is te onderbreken door de stuurhendel
onmiddellijk in tegengestelde richting
te bewegen.
•
Als het richtingaanwijzersymbool op
het bestuurdersdisplay sneller knippert
dan normaal – zie de melding op het
bestuurdersdisplay.
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eindstand.
Richtingaanwijzer.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eerste stand en laat de hendel vervolgens los. De richtingaanwijzers lichten
driemaal op. Als u de functie via het middendisplay deactiveert, lichten de lampen
eenmaal op.
164
De hendel blijft in deze stand staan en is handmatig in de uitgangspositie terug te zetten of
veert automatisch terug bij het terugdraaien
van het stuurwiel.
Gerelateerde informatie
•
•
Alarmlichten (p. 167)
Verlichtingsfuncties aanpassen via het
middendisplay (p. 159)
VERLICHTING
Actieve bochtverlichting*
De actieve bochtverlichting is ontwikkeld om
in bochten en op kruisingen extra verlichting
te bieden. Een auto met led5-koplampen* kan
afhankelijk van het uitrustingsniveau van de
auto zijn uitgerust met actieve bochtverlichting.
hetzelfde middendisplay een verklarende
tekst.
De functie is alleen actief bij weinig daglicht of
in het donker en alleen, wanneer de auto rijdt
of het dimlicht is ontstoken.
Functie deactiveren/activeren
Mistachterlicht
Omdat het mistachterlicht veel feller brandt
dan de standaardachterlichten, moet u de
verlichtingsfunctie alleen gebruiken bij een
beperkt zicht door mist, sneeuw, rook of stof
zodat achterliggers uw auto tijdig kunnen
waarnemen.
U kunt de functie die bij aflevering vanuit de
fabriek geactiveerd is via het functiescherm op
het middendisplay deactiveren/activeren:
Druk op de knop Actieve
bochtverlichting.
Gerelateerde informatie
•
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
De actieve bochtverlichting beweegt met het
stuur mee voor extra verlichting in bochten en
op kruisingen en kan op die manier uw zicht
verbeteren.
De functie wordt automatisch ingeschakeld bij
het starten van de motor. Wanneer de functie
een storing vertoont, brandt het symbool
op het middendisplay en verschijnt op
5 Lichtdiode
(Light Emitting Diode)
Verlichtingsfuncties aanpassen via het
middendisplay (p. 159)
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht bestaat uit een lamp achter op de auto, aan de bestuurderszijde.
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen,
wanneer het contactslot in stand II staat en de
of
draairing van de stuurhendel in stand
staat.
Druk op de knop om het mistachterlicht in/uit
te schakelen. Het symbool
brandt op
}}
* Optie/accessoire. 165
VERLICHTING
||
het bestuurdersdisplay, wanneer het mistachterlicht brandt.
De mistachterlichten doven automatisch,
wanneer u de auto uitschakelt of wanneer u
de draairing op de stuurhendel naar stand
of
draait.
N.B.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistachterlicht verschillen per land.
Gerelateerde informatie
•
•
Verlichtingsbediening (p. 158)
Contactslotstanden (p. 460)
Remlichten
Noodremlichten
De remlichten gaan automatisch branden,
wanneer u remt.
De remlichten gaan branden wanneer het
rempedaal wordt ingedrukt en wanneer de
auto automatisch wordt geremd door een rijhulpsysteem.
De noodremlichten worden geactiveerd om
achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Noodremlichten (p. 166)
Remsystemen (p. 464)
Rijhulpsystemen (p. 300)
Daarbij knipperen de remlichten in plaats van
dat ze continu branden, zoals bij normaal
remmen.
De noodremlichten worden geactiveerd bij
krachtig remmen of als het ABS-systeem
wordt geactiveerd bij hoge snelheden.
Nadat u afremt tot een geringe snelheid en het
rempedaal loslaat, gaat het remlicht weer op
de normale wijze constant branden
Tegelijkertijd worden de alarmlichten van de
auto geactiveerd. Deze blijven knipperen totdat de bestuurder weer versnelt naar een
hogere snelheid of de alarmlichten van de auto
uitschakelt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
166
Remlichten (p. 166)
Rempedaal (p. 464)
Alarmlichten (p. 167)
VERLICHTING
Alarmlichten
De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers
gelijktijdig knipperen. De functie is te gebruiken om te waarschuwen voor gevaarlijke verkeerssituaties.
N.B.
De regels voor het gebruik van alarmlichten
kunnen per land variëren.
Noodremlichten (p. 166)
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow Me Home-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto.
Om de functie in te schakelen:
Richtingaanwijzers gebruiken (p. 164)
1.
Gerelateerde informatie
•
•
Follow Me Home-verlichting
gebruiken
Zet de auto uit.
2. Duw de linker stuurhendel naar voren richting het dashboard en laat los.
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren.
De alarmlichten worden automatisch geactiveerd als er zo sterk met de auto wordt
geremd dat de noodremlichten worden geactiveerd en de snelheid laag is. Nadat de noodremlichten zijn opgehouden met knipperen,
gaan de alarmlichten knipperen en de alarmlichten worden automatisch gedeactiveerd,
wanneer u weer wegrijdt of de desbetreffende
knop indrukt.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
> Er gaat een symbool op het bestuurdersdisplay branden om aan te geven
dat de functie geactiveerd is en de buitenverlichting licht op: stadslichten
voor/achterlichten, koplampen, kentekenplaatverlichting en buitengreepverlichting*.
De duur van de Follow Me Home-verlichting
kan worden ingesteld via het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
Verlichtingsfuncties aanpassen via het
middendisplay (p. 159)
•
Approach-verlichting (p. 168)
* Optie/accessoire. 167
VERLICHTING
Approach-verlichting
Interieurverlichting
De Approach-verlichting wordt geactiveerd
als de auto wordt ontgrendeld en wordt
gebruikt om de verlichting van de auto op
afstand in te schakelen.
De functie wordt geactiveerd wanneer u de
transpondersleutel gebruikt voor ontgrendeling. Bij daglicht gaan de stadslichten voor/
achterlichten, plafondverlichting, vloerverlichting en kofferbak-/bagageruimteverlichting
branden. Bij weinig daglicht of in het donker
gaan de kentekenplaatverlichting en de buitengreepverlichting* branden met de omlaaggerichte lampjes.
Het interieur is voorzien van verschillende
soorten verlichting, zoals de interieurverlichting, de instelbare sierverlichting en de leeslampjes.
Alle verlichting in het interieur is handmatig in
en uit te schakelen binnen 5 minuten nadat:
•
de auto is afgezet en het elektrische systeem in contactslotstand 0 staat
•
de auto ontgrendeld, maar nog niet
gestart is.
Plafondverlichting voorin
Automatische bediening voor interieurverlichting
Leeslampje rechterzijde
Leeslampjes
De leeslampjes links of rechts doet u aan of uit
door kort op de bijbehorende knop op de plafondconsole te drukken. De lichtsterkte is aan
te passen door de knop ingedrukt te houden.
Interieurverlichting
De vloerverlichting en plafondverlichting zijn in
en uit te schakelen door de bijbehorende knop
op de plafondconsole kort in te drukken.
De verlichting blijft ca. 2 minuten branden als
er geen portier wordt geopend. Als er tijdens
de activeringstijd een portier wordt geopend,
zal de inschakelduur van de binnenverlichting
en de buitengreepverlichting* worden verlengd.
De functie is te activeren en deactiveren via
het middendisplay.
Gerelateerde informatie
168
•
Verlichtingsfuncties aanpassen via het
middendisplay (p. 159)
•
Follow Me Home-verlichting gebruiken
(p. 167)
•
een transpondersleutel (p. 254)
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes en interieurverlichting voorin.
Leeslampje linkerzijde
Interieurverlichting
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
Verlichting dashboardkastje
Automatische bediening voor
interieurverlichting
De automatische verlichting is te activeren
door de AUTO-knop op de plafondconsole
kort in te drukken. Met de automatische verlichting geactiveerd brandt het led-lampje in
de knop en de interieurverlichting gaat branden en dooft zoals hieronder vermeld.
De verlichting in het dashboardkastje wordt
in- en uitgeschakeld bij het openen en sluiten
van de klep van het kastje.
Spiegelverlichting zonneklep*
De verlichting van de spiegel in de zonneklep
wordt bij het openen en sluiten van het spiegelklepje in- en uitgeschakeld.
De interieurverlichting gaat branden, wanneer:
•
•
•
Grondverlichting*
de auto wordt ontgrendeld
de auto wordt afgezet
een zijportier wordt geopend.
Leeslampjes boven de achterbank.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
•
•
•
•
De grondverlichting wordt in- of uitgeschakeld
bij het openen of sluiten van het desbetreffende portier.
Dorpelverlichting
De dorpelverlichting wordt in- of uitgeschakeld bij het openen of sluiten van een portier.
de auto wordt vergrendeld
de auto wordt gestart
een zijportier wordt gesloten.
Bagageruimteverlichting
een zijportier ca. 2 minuten heeft opengestaan.
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen en sluiten van de achterklep automatisch
in- of uitgeschakeld.
Plafondverlichting achterin
Sierverlichting
In het achterste deel van de auto zitten leeslampjes, die ook als interieurverlichting dienen.
Een auto met panoramadak* is voorzien van twee
lampjes: aan beide zijden van het plafond één.
De leeslampjes zijn in en uit te schakelen met
een korte druk op de knop van het lampje. De
lichtsterkte is aan te passen door de knop
ingedrukt te houden.
De omringende sierverlichting gaat branden
bij het openen van de portieren en dooft bij het
vergrendelen van de auto. De sterkte van de
sierverlichting is aan te passen op het middendisplay en tevens fijn af te stemmen met het
duimwiel op het instrumentenpaneel.
}}
* Optie/accessoire. 169
VERLICHTING
||
Sfeerverlichting*
Interieurverlichting aanpassen
De auto is uitgerust met led-verlichting waarvan de kleur te wijzigen is. Deze verlichting
brandt, wanneer de auto is ingeschakeld. De
sterkte van de sfeerverlichting is aan te passen
op het middendisplay en tevens fijn af te stellen met het duimwiel op het dashboard.
Afhankelijk van de contactslotstand gaat de
interieurverlichting op een bepaalde manier
branden. De verlichting in het interieur is aan
te passen met een duimwiel op het dashboard en bepaalde verlichtingsfuncties zijn
ook via het middendisplay aan te passen.
Met het duimwiel op het
instrumentenpaneel links van
het stuurwiel regelt u de
sterkte van de displayverlichting, de verlichting van de
bedieningselementen, de
omringende sierverlichting en
de sfeerverlichting*.
Verlichting in portiervakken
De verlichting in de opbergvakken van portieren gaat branden bij het openen van de portieren en dooft bij het vergrendelen van de auto.
De lichtsterkte is fijn af te stellen met behulp
van het duimwiel op het dashboard.
Verlichting in voorste bekerhouder van
tunnelconsole
Omringende sierverlichting aanpassen
De verlichting van de bekerhouder voorin gaat
branden bij ontgrendeling van de auto en
dooft bij vergrendeling. De lichtsterkte is fijn af
te stellen met behulp van het duimwiel op het
dashboard.
2. Tik op My Car Lampen en verlichting
Interieurverlichting.
Gerelateerde informatie
3. Kies uit de volgende instellingen:
•
•
•
•
Interieurverlichting aanpassen (p. 170)
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
•
Kies onder Intensiteit omgevingslicht
uit Uit, Laag en Hoog.
•
Kies onder Niveau omgevingslicht uit
Verm. en Vol.
Verlichtingsbediening (p. 158)
Contactslotstanden (p. 460)
Auto-interieur (p. 614)
is. Deze verlichting brandt, wanneer de auto is
ingeschakeld.
Verlichtingssterkte wijzigen
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Tik op My Car Lampen en verlichting
Interieurverlichting
Stemmingsverlichting interieur.
3. Kies onder Intensiteit sfeerverlichting
uit Uit, Laag en Hoog.
Verlichtingskleur wijzigen
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Tik op My Car Lampen en verlichting
Interieurverlichting
Stemmingsverlichting interieur.
3. Kies uit Op temperatuur en Op kleur om
de kleur van de verlichting te wijzigen.
Bij de keuze Op temperatuur verandert
de verlichting afhankelijk van de ingestelde interieurtemperatuur.
Bij de keuze Op kleur kan de subcategorie Themakleuren worden gebruikt voor
verdere aanpassing.
Sfeerverlichting aanpassen*
De auto is uitgerust met een aantal leds waarmee de kleur van de verlichting te veranderen
170
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
Gerelateerde informatie
•
•
•
Interieurverlichting (p. 168)
Verlichtingsfuncties aanpassen via het
middendisplay (p. 159)
Contactslotstanden (p. 460)
171
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Ruiten, lampglazen en spiegels
De auto heeft meerdere verschillende ruiten,
lampglazen en spiegels. Enkele ruiten van de
auto zijn verstevigd met gelaagd glas.
De voorruit is voorzien van gelaagd glas en
voor bepaalde delen van de rest van de beglazing vormt gelaagd glas een optie. Gelaagd
glas is verstevigd, voor een verbeterde
inbraakbeveiliging en geluidsisolatie van het
interieur.
•
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 189)
Inklembeveiliging op ruiten en
zonneschermen
•
Elektrische voorruitverwarming* activeren
en deactiveren (p. 231)
•
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren
(p. 232)
Alle elektrisch bedienbare ruiten en zonneschermen* zijn voorzien van inklembeveiliging die wordt geactiveerd als de ruiten of
zonneschermen tijdens het openen of sluiten
worden gehinderd.
Bij blokkering komt de ruit/het zonnescherm
tot stilstand, waarna deze/dit wordt geopend
tot op zo'n 50 mm (2 inch) van de geblokkeerde stand (of tot de maximale ventilatiestand).
Ook het panoramadak* is voorzien van
gelaagd glas.
Dit symbool staat op beglazing bestaande uit
gelaagd glas1
Gerelateerde informatie
•
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 174)
•
•
•
Panoramadak* (p. 181)
•
•
•
1
174
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 175)
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
(p. 178)
Het is mogelijk om de inklembeveiliging op te
heffen, wanneer de sluitfunctie is afgebroken
zoals bij ijsvorming, door de knop in een
bepaalde stand te drukken en vast te houden.
Bij problemen met de inklembeveiliging kunt u
een resetprocedure proberen.
WAARSCHUWING
Als de startaccu losgekoppeld is geweest,
werkt de automatische openings-/sluitingsfunctie pas weer naar behoren nadat
deze is gereset. Resetten is nodig om de
inklembeveiliging te laten werken.
Zonnescherm gebruiken* (p. 177)
Head-updisplay* (p. 147)
Voorruitwissers gebruiken (p. 186)
Geldt niet voor de voorruit en het panoramadak*, die altijd van gelaagd glas zijn en daarom dit symbool niet hebben.
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Gerelateerde informatie
•
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
(p. 175)
•
•
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 176)
Zonnescherm gebruiken* (p. 177)
Resetprocedure voor de
inklembeveiliging
Als er problemen mochten ontstaan met de
elektrische bedienbare ruiten kunt u een
resetprocedure proberen.
WAARSCHUWING
Panoramadak* bedienen (p. 183)
Elektrisch bedienbare ruiten
Elk portier heeft een bedieningspaneel voor
de elektrisch bedienbare ruiten. Het bestuurdersportier heeft bedieningsknoppen waarmee alle ruiten en ook de kindersloten te
bedienen zijn.
Als de startaccu losgekoppeld is geweest,
werkt de automatische openings-/sluitingsfunctie pas weer naar behoren nadat
deze is gereset. Resetten is nodig om de
inklembeveiliging te laten werken.
Neem bij aanhoudende problemen of bij problemen met het panoramadak contact op met
een werkplaats2.
Elektrisch bedienbare ruit resetten
1. Zorg dat de ruit dichtstaat.
2. Druk de knop in de handmatige stand vervolgens 3 keer omhoog naar de stand voor
sluiten.
> Het systeem wordt automatisch gereset.
Gerelateerde informatie
2 Geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
•
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 174)
•
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 176)
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot* dat de bedieningsknoppen op de achterportieren deactiveert
om te voorkomen dat portieren en ruiten
van de binnenzijde te openen zijn.
Bedieningsknoppen voor achterste zijruiten.
Bedieningsknoppen voor voorste zijruiten.
Zonnescherm gebruiken* (p. 177)
}}
* Optie/accessoire. 175
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
||
WAARSCHUWING
•
•
Let altijd op bij bediening van ruiten.
•
Laat kinderen nooit alleen achter in de
auto.
•
Onderbreek altijd de stroom voor de
ruitbediening door het elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0
te zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door bewegende
delen.
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door bewegende
delen.
•
Laat kinderen niet met de bedieningselementen spelen.
Steek geen voorwerpen of lichaamsdelen via de ruiten naar buiten, ook al is
het elektrische systeem van de auto
volledig uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
176
Elektrisch bedienbare ruiten
Via het bedieningspaneel op het bestuurdersportier zijn alle ruiten te bedienen – via het
bedieningspaneel op de overige portieren is
alleen de ruit in het desbetreffende portier te
bedienen.
De elektrisch bedienbare ruiten zijn voorzien
van een inklembeveiliging. Bij problemen met
de inklembeveiliging kunt u een resetprocedure proberen.
•
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 176)
•
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
(p. 175)
WAARSCHUWING
•
•
Let altijd op bij bediening van ruiten.
•
Laat kinderen nooit alleen achter in de
auto.
•
Onderbreek altijd de stroom voor de
ruitbediening door het elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0
te zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
•
Steek geen voorwerpen of lichaamsdelen via de ruiten naar buiten, ook al is
het elektrische systeem van de auto
volledig uitgeschakeld.
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 174)
Laat kinderen niet met de bedieningselementen spelen.
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare ruiten.
Handmatige bediening. Trek voorzichtig
een van de bedieningsknoppen omhoog of
duw er een omlaag. De elektrisch bedienbare ruiten komen steeds verder omhoog
of omlaag zolang u de bedieningsknop
bedient.
Automatische bediening. Trek een van de
bedieningsknoppen omhoog of duw er
een omlaag en laat deze vervolgens los.
De desbetreffende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
Voor het gebruik van de elektrisch bedienbare
ruiten moet de contactslotstand I of II zijn. Bij
uitschakeling van de auto zijn de elektrisch
bedienbare ruiten nadat het contact is uitgeschakeld nog enkele minuten te bedienen,
maar niet nadat een portier is geopend. Bediening is alleen mogelijk via één knop tegelijk.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Bediening is tevens mogelijk met behulp van
de transpondersleutel of passieve opening* via
de portiergreep.
WAARSCHUWING
Let erop dat kinderen of andere inzittenden
niet bekneld raken, wanneer u alle ruiten
tegelijkertijd sluit via de transpondersleutel
of de functie passief openen* met de portiergreep.
Gerelateerde informatie
•
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 175)
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 174)
•
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
(p. 175)
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 280)
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 256)
Zonnescherm gebruiken*
De zonneschermen zijn geïntegreerd in de
beide achterportieren.
Achterportier – handmatig bediend
N.B.
Om het pulserende windgeluid te verminderen als de beide achterruiten open staan,
kunt u de voorste ruiten ook een stukje
openen.
N.B.
Bij snelheden hoger dan zo'n 180 km/h
(112 mph) zijn de zijruiten niet te openen,
maar wel te sluiten.
Als bestuurder bent u altijd gehouden aan
de geldende verkeersregels.
De afbeelding is schematisch, zodat de uitvoering
kan variëren.
Haak met bijbehorende vergrendeling
–
Trek het zonnescherm omhoog en haak
het vast aan de haak boven aan de ruitopening.
Ook bij gebruik van het zonnescherm kan de
zijruit worden geopend en gesloten.
N.B.
De ruiten zijn bij lage temperaturen mogelijk niet te bedienen.
}}
* Optie/accessoire. 177
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
||
Achteruitkijkspiegel en
buitenspiegels
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay* (p. 196)
De achteruitkijkspiegel en de buitenspiegels
dienen om u een beter zicht naar achteren te
geven.
•
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
(p. 175)
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren
(p. 232)
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 175)
Achteruitkijkspiegel
Gerelateerde informatie
•
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 174)
•
•
De achteruitkijkspiegel is te verstellen door
deze handmatig in een bepaalde stand te kantelen. De achteruitkijkspiegel is uitgerust met
HomeLink*, autodimfunctie* en kompas*.
Buitenspiegels
WAARSCHUWING
Beide spiegels zijn gebogen voor optimaal
zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Stel de stand van de buitenspiegels bij met
het hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier. U beschikt tevens over
meerdere automatische instellingen die te
koppelen zijn aan de geheugenfunctie van de
elektrisch bedienbare bestuurdersstoel*.
Gerelateerde informatie
178
HomeLink®* (p. 515)
•
•
•
Kompas* (p. 519)
•
Buitenspiegels kantelen (p. 180)
Dimfunctie van spiegels aanpassen
(p. 179)
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Dimfunctie van spiegels aanpassen
Autodimfunctie*
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties in de spiegels veroorzaken en u verblinden. Activeer de dimstand, wanneer u de verlichting van achterliggers als hinderlijk
ervaart.
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, worden de achteruitkijkspiegel en buitenspiegels automatisch gedimd. De autodimfunctie is tijdens het rijden altijd actief,
behalve bij inschakeling van de achteruitversnelling.
Handmatige dimfunctie
De achteruitkijkspiegel is te dimmen met een
knopje aan de onderzijde van de spiegel.
licht, terwijl de sensor aan de achterkant de
koplampen van achterliggers registreert.
De buitenspiegels zijn alleen uitgerust met
autodimfunctie als ook de achteruitkijkspiegel
is voorzien van iets dergelijks.
N.B.
Als de sensoren door bijvoorbeeld parkeervergunningen, transponders, zonnekleppen
of voorwerpen op de achterbank of in de
bagageruimte dusdanig worden gehinderd
dat er geen licht op de sensoren valt, gelden er beperkingen voor de autodimfunctie
van de achteruitkijkspiegel en buitenspiegels.
N.B.
Bij aanpassing van het gevoeligheidsniveau
van de autodimfunctie is de wijziging pas
na enige tijd te merken.
De gevoeligheid van de dimfunctie is van
invloed op zowel de achteruitkijkspiegel als de
buitenspiegels.
Om de gevoeligheid van de dimfunctie te wijzigen:
1.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Hendeltje voor handmatige dimfunctie.
2. Tik op My Car
Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
3. Kies onder Binnenspiegel automatisch
dimmen voor Normaal, Donker of Licht.
2. Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje naar de voorruit toe te duwen.
Bij een spiegel met autodimfunctie ontbreekt
het hendeltje voor handmatig dimmen.
Gerelateerde informatie
•
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
(p. 178)
•
Buitenspiegels kantelen (p. 180)
Spiegels en Comfort.
De achteruitkijkspiegel is voorzien van twee
sensoren (één aan de voorkant en één aan de
achterkant) die samenwerken om hinderlijke
lichtinval te identificeren en te verhelpen. De
sensor aan de voorkant registreert omgevings-
* Optie/accessoire. 179
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Buitenspiegels kantelen
Voor optimaal zicht naar achteren moet u de
buitenspiegels verstellen. U beschikt over
meerdere automatische instellingen die
tevens te koppelen zijn aan de geheugenfunctie van de elektrisch bedienbare bestuurdersstoel*.
Bedieningsknoppen voor
buitenspiegels gebruiken
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje in het midden.
3. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt.
1.
Druk de knoppen L en R tegelijkertijd in.
2. Laat ze na ongeveer 1 seconde los. De
spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn ingeklapt.
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
In neutrale stand terugzetten
Bedieningsknoppen voor buitenspiegels.
Stel de stand van de buitenspiegels bij met
het hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier. Het contact moet in de
contactslot I of hoger staan.
1.
Druk op de knop L voor de buitenspiegel
links of op R voor de buitenspiegel rechts.
Het lampje in de knop brandt.
3 Alleen
180
Spiegels die uit positie zijn geraakt door
invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de neutrale stand worden teruggezet
voordat het elektrisch in- en uitklappen* weer
naar behoren werkt.
1.
Klap de spiegels in door de knoppen L en
R tegelijkertijd in te drukken.
2. Klap ze weer uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken.
Kantelen bij parkeren3
De buitenspiegels zijn omlaag te kantelen
zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de
kant van de weg kunt zien.
–
Schakel de achteruitversnelling in en druk
op de knop L of R.
Let erop dat u de knop mogelijk 2 keer moet
indrukken, als de kantelfunctie al was geactiveerd. Wanneer de buitenspiegel omlaaggekanteld is, knippert de knop. Wanneer u de
auto uit de achteruitversnelling haalt, keert de
buitenspiegel zo'n 3 seconden later automatisch terug naar de oorspronkelijke stand (die
de spiegel na zo'n 8 seconden bereikt).
Automatisch kantelen bij parkeren3
Dankzij deze instelling kantelen de buitenspiegels automatisch omlaag bij inschakeling van
de achteruitversnelling. De omlaaggekantelde
stand is vooraf ingesteld en valt niet aan te
passen.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugenknoppen*.
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
2. Tik op My Car
Spiegels en Comfort.
3. Kies onder Buitenspiegel kantelen bij
achteruit voor Uit, Bestuurder,
Passagier of Beide om te activeren/deactiveren en om te kiezen welke buitenspiegel moet worden gekanteld.
Het is mogelijk om de buitenspiegel direct
terug te laten keren in de oorspronkelijke
stand door 2 keer op de knop L of R te drukken.
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay* (p. 196)
•
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren
(p. 232)
Panoramadak*
Het panoramadak is verdeeld in twee glassegmenten. Het voorste kan aan de achterkant verticaal (ventilatiestand) of horizontaal
(open stand) worden geopend. Het achterste
is een vast dakglas.
Het panoramadak is voorzien van een windscherm alsook een zonnescherm, dat
gemaakt is van geperforeerd textiel en onder
het glazen dak zit, voor extra bescherming
tegen bijvoorbeeld fel zonlicht.
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen*
Het is mogelijk de buitenspiegels automatisch
in of uit te laten klappen bij het vergrendelen/
ontgrendelen van de auto vanaf de transpondersleutel. Als de spiegels handmatig zijn
ingeklapt, moeten ze ook weer handmatig
worden uitgeklapt.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Tik op My Car
Spiegels en Comfort.
3. Kies Spiegel inklappen bij vergrendelen
om te activeren/deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
(p. 178)
•
Dimfunctie van spiegels aanpassen
(p. 179)
Het panoramadak en het zonnescherm zijn te
bedienen met een bedieningsknop aan het
plafond.
Om het panoramadak en het zonnescherm te
kunnen bedienen moet het elektrische systeem van de auto in contactslotstand I of II
staan.
}}
* Optie/accessoire. 181
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
||
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door bewegende
delen.
•
•
•
Let altijd op bij bediening van ruiten.
Laat kinderen niet met de bedieningselementen spelen.
•
Laat kinderen nooit alleen achter in de
auto.
•
Onderbreek altijd de stroom voor de
ruitbediening door het elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0
te zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
•
Steek geen voorwerpen of lichaamsdelen via de ruiten naar buiten, ook al is
het elektrische systeem van de auto
volledig uitgeschakeld.
•
Verwijder sneeuw en ijs van het panoramadak alvorens het te openen. Wees
voorzichtig om krassen op oppervlakken of schade aan lijsten tegen te
gaan.
•
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 174)
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 280)
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 256)
Bedien het panoramadak niet, als het
vastgevroren is.
Windscherm
BELANGRIJK
•
•
Open het panoramadak niet, wanneer
lastdragers zijn gemonteerd.
Leg geen zware voorwerpen boven op
het panoramadak.
Bij het panoramadak hoort een windscherm
dat opgeklapt wordt bij een geopend panoramadak.
Gerelateerde informatie
•
•
182
Panoramadak* bedienen (p. 183)
Automatische sluiting van zonnescherm
van panoramadak* (p. 185)
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Panoramadak* bedienen
Het panoramadak en het zonnescherm zijn te
bedienen met een bedieningsknop aan het
plafond en zijn allebei voorzien van een
inklembeveiliging.
BELANGRIJK
•
Open het panoramadak niet, wanneer
lastdragers zijn gemonteerd.
•
Leg geen zware voorwerpen boven op
het panoramadak.
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door bewegende
delen.
•
•
Let altijd op bij bediening van ruiten.
•
Laat kinderen nooit alleen achter in de
auto.
•
Onderbreek altijd de stroom voor de
ruitbediening door het elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0
te zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
•
4 De
BELANGRIJK
•
Laat kinderen niet met de bedieningselementen spelen.
Steek geen voorwerpen of lichaamsdelen via de ruiten naar buiten, ook al is
het elektrische systeem van de auto
volledig uitgeschakeld.
WAARSCHUWING
Let erop dat kinderen of andere inzittenden
niet bekneld raken, wanneer u alle ruiten
tegelijkertijd sluit via de transpondersleutel
of de functie passief openen* met de portiergreep.
•
Verwijder sneeuw en ijs van het panoramadak alvorens het te openen. Wees
voorzichtig om krassen op oppervlakken of schade aan lijsten tegen te
gaan.
Bedien het panoramadak niet, als het
vastgevroren is.
Om het panoramadak en het zonnescherm te
kunnen bedienen moet het elektrische systeem van de auto in contactslotstand I of II
staan.
Bediening is tevens mogelijk met behulp van
de transpondersleutel of passieve opening* via
de portiergreep.
BELANGRIJK
Controleer of het panoramadak bij sluiten
goed vergrendelt.
Het dak komt tot stilstand, als u bij handmatige bediening de bedieningsknop loslaat of
als het glas de comfortstand4 heeft bereikt of
maximaal geopend of gesloten is. De beweging van het panoramadak en het zonnescherm wordt eveneens onderbroken, als u
een tegengesteld commando geeft met de
bedieningsknop aan het plafond.
Het panoramadak en het zonnescherm zijn
ook voorzien van een inklembeveiliging. Bij
problemen met de inklembeveiliging kunt u
een resetprocedure proberen.
comfortstand is een stand waarbij het dak zover geopend is dat rijwind- en resonantiegeluiden op een aangenaam laag niveau liggen.
}}
* Optie/accessoire. 183
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
||
N.B.
Bij handmatige opening is het panoramadak pas te openen, wanneer het zonnescherm volledig geopend is. Bij de omgekeerde procedure moet het panoramadak
eerst volledig dichtstaan, voordat het zonnescherm helemaal kan worden gesloten.
N.B.
De ruiten zijn bij lage temperaturen mogelijk niet te bedienen.
Bij activering van de ventilatiestand wordt het
voorste glassegment aan de achterzijde opengekanteld. Als het zonnescherm helemaal
dichtstaat bij activering van de ventilatiestand,
wordt het automatisch zo'n 50 mm (2 inch)
geopend.
Het zonnescherm beweegt automatisch mee,
als u het panoramadak vanuit de ventilatiestand sluit.
Panoramadak volledig openen en
sluiten via bediening aan plafond
Bediening, stand voor handmatige bediening
Open het dak door de bedieningsknop
eenmaal omhoog te duwen.
Sluit het dak door de bedieningsknop eenmaal omlaag te duwen.
184
2. Panoramadak openen tot in comfortstand
– duw de bedieningsknop een tweede
maal naar achteren naar de stand voor
handmatig openen.
3. Panoramadak maximaal openen – duw de
bedieningsknop een derde maal naar achteren naar de stand voor handmatig openen.
Sluit het dak door de voorgaande procedure in
omgekeerde volgorde te doorlopen – duw de
bedieningsknop nu echter vooruit/omlaag naar
de stand voor handmatig sluiten.
Openen en sluiten, ventilatiestand
Ventilatiestand, achterkant verticaal opengekanteld.
Handmatige bediening
1. Zonnescherm openen – duw de bedieningsknop achteruit naar de stand voor
handmatig openen.
Bediening, stand voor automatische
bediening
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Volautomatische bediening
1. Zonnescherm helemaal openen – duw de
bedieningsknop naar achteren naar de
stand voor automatisch openen en laat de
knop weer los.
2. Panoramadak openen tot in comfortstand
– duw de bedieningsknop een tweede
maal naar achteren naar de stand voor
automatisch openen en laat de knop weer
los.
3. Panoramadak maximaal openen – duw de
bedieningsknop een derde maal naar achteren naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
Gerelateerde informatie
•
•
Panoramadak* (p. 181)
Automatische sluiting van zonnescherm
van panoramadak* (p. 185)
•
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 174)
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 280)
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 256)
Automatische sluiting van
zonnescherm van panoramadak*
Dankzij deze functie sluit het zonnescherm
als de auto bij warm weer geparkeerd staat
automatisch 15 minuten na vergrendeling. Dit
gebeurt om de interieurtemperatuur te verlagen en de autobekleding te beschermen
tegen verkleuring door de zon.
U kunt de functie die bij aflevering vanuit de
fabriek gedeactiveerd is via het middendisplay
activeren of deactiveren.
1.
2. Tik op My Car
Sluit het dak door de voorgaande procedure in
omgekeerde volgorde te doorlopen – duw de
bedieningsknop nu echter vooruit/omlaag naar
de stand voor automatisch sluiten.
–
Openen – duw de bedieningsknop tweemaal naar achteren naar de stand voor
automatisch openen en laat de knop weer
los.
Sluiten – duw de bedieningsknop tweemaal naar voren/onderen naar de stand
voor automatisch openen en laat de knop
weer los.
Vergrendeling.
Kies Zonnescherm automatisch sluiten
om te activeren/deactiveren.
N.B.
Volautomatische bediening – snel openen
of sluiten
Het panoramadak en het zonnescherm zijn
tegelijkertijd te openen of sluiten:
–
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Ook het zonnescherm sluit, wanneer alle
ruiten worden gesloten via de transpondersleutel of bij passief openen* via de portiergreep.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Panoramadak* (p. 181)
Panoramadak* bedienen (p. 183)
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 174)
}}
* Optie/accessoire. 185
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
•
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 280)
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 256)
Wisserbladen en sproeiervloeistof
Voorruitwissers gebruiken
De wissers en de sproeiervloeistof hebben tot
taak om het zicht en de reikwijdte van de
koplampen te verbeteren.
De sproeikoppen* worden bij vorst automatisch verwarmd om te voorkomen dat de
sproeiervloeistof bevriest.
De voorruitwissers hebben tot taak om de
voorruit te reinigen. Met de rechter stuurhendel zijn verschillende instellingen voor de ruitenwissers mogelijk.
Wanneer er nog zo'n 1 liter (1 qt) sproeiervloeistof in het reservoir zit, verschijnt er een melding op het display dat er sproeiervloeistof
moet worden bijgevuld.
Gerelateerde informatie
•
•
186
Regensensor gebruiken (p. 187)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 189)
•
Automatische activering achterruitwisser
bij achteruitrijden (p. 191)
•
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken (p. 188)
•
•
Achterruitwisser en -sproeier (p. 190)
•
Wisserbladen in de servicestand zetten
(p. 691)
•
•
Wisserblad voorruit vervangen (p. 690)
•
Voorruitwissers gebruiken (p. 186)
Vulopening voor sproeiervloeistof
(p. 692)
Wisserbladen achterruit vervangen
(p. 689)
Rechter stuurhendel.
Het duimwiel is te gebruiken om de
gevoeligheid van de regensensor en de
wissnelheid in te stellen.
Enkele slag
Haal de hendel omlaag en laat deze
weer los om de wissers een enkele
wisslag te laten maken.
Voorruitwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de
voorruitwissers uit te schakelen.
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Intervalstand
Beweeg de hendel omhoog voor de
intervalstand van de wissers. Met het
duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd.
Ononderbroken wissen
Haal de hendel omhoog om de wissers
op normale snelheid te laten wissen.
Haal de hendel nog eens omhoog om
de wissers op hoge snelheid te laten
wissen.
•
Automatische activering achterruitwisser
bij achteruitrijden (p. 191)
•
•
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 186)
•
•
•
Achterruitwisser en -sproeier (p. 190)
•
•
Wisserblad voorruit vervangen (p. 690)
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken (p. 188)
Regensensor gebruiken
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de voorruitwissers in. De gevoeligheid van de
regensensor is af te stellen met het duimwiel
op de rechter stuurhendel.
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 692)
Wisserbladen in de servicestand zetten
(p. 691)
Wisserbladen achterruit vervangen
(p. 689)
BELANGRIJK
Controleer voordat u de wissers activeert
of de wisserbladen niet zijn vastgevroren
en of eventuele sneeuw- en ijsresten op
voor- en achterruit zijn verwijderd.
BELANGRIJK
Gebruik voldoende sproeiervloeistof als de
wissers de voorruit schoonmaken. De voorruit moet nat zijn als de ruitenwissers werken.
Gerelateerde informatie
•
•
Regensensor gebruiken (p. 187)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 189)
Rechter stuurhendel.
Regensensorknop
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers
Wanneer de regensensor actief is, verschijnt
op het
het regensensorsymbool
bestuurdersdisplay.
Regensensor activeren
Om de regensensor te kunnen activeren motor
de motor draaien of in contactslotstand I of II
staan en de ruitenwisserhendel in stand 0 of
die voor een enkele wisslag.
}}
187
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
||
Activeer de regensensor door op de regensente drukken.
sorknop
BELANGRIJK
In de wasstraat kunnen de ruitenwissers
van de voorruit starten en beschadigd
raken. Schakel de regensensor uit, terwijl
de auto rijdt of wanneer het elektrische
systeem van de auto in contactslotstand I
of II staat. Het symbool op het bestuurdersdisplay dooft.
Haal de hendel omlaag om de wissers een
extra wisslag te laten maken.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid. De wissers maken een extra
slag, als u het duimwiel omhoogdraait.
Regensensor deactiveren
Deactiveer de regensensor met een druk op
de regensensorknop
of haal de hendel
omhoog voor een ander wisprogramma.
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer het elektrische systeem in
contactslotstand 0 staat of wanneer de motor
is afgezet.
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de wisserarmen in de servicestand zet. De regensensor wordt opnieuw
geactiveerd, wanneer de wisserarmen niet
meer in de servicestand staan.
188
Gerelateerde informatie
Geheugenfunctie van regensensor
gebruiken
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de voorruitwissers in.
Geheugenfunctie activeren/
deactiveren
U kunt de geheugenfunctie voor de regensensor activeren, zodat u iedere keer dat u de
auto start de regensensorknop niet hoeft in te
drukken:
•
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 189)
•
Automatische activering achterruitwisser
bij achteruitrijden (p. 191)
•
•
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 186)
•
•
Achterruitwisser en -sproeier (p. 190)
Gerelateerde informatie
Vulopening voor sproeiervloeistof
(p. 692)
•
•
•
Wisserbladen in de servicestand zetten
(p. 691)
•
•
•
Wisserblad voorruit vervangen (p. 690)
Automatische activering achterruitwisser
bij achteruitrijden (p. 191)
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 186)
•
Voorruitwissers gebruiken (p. 186)
•
•
•
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken (p. 188)
Wisserbladen achterruit vervangen
(p. 689)
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Tik op My Car
Ruitenwisser.
3. Kies Geheugen regensensor om de
geheugenfunctie te activeren/deactiveren.
Regensensor gebruiken (p. 187)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 189)
Achterruitwisser en -sproeier (p. 190)
Vulopening voor sproeiervloeistof
(p. 692)
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
•
Wisserbladen in de servicestand zetten
(p. 691)
Voorruit- en koplampsproeiers
gebruiken
•
•
Wisserblad voorruit vervangen (p. 690)
•
Voorruitwissers gebruiken (p. 186)
De voorruit- en koplampsproeiers hebben tot
taak om de voorruit en koplampen te reinigen. Via de rechter stuurhendel zijn de voorruit- en koplampsproeiers te starten.
Wisserbladen achterruit vervangen
(p. 689)
Ruiten- en koplampsproeiers starten
BELANGRIJK
Activeer de sproeiers niet bij bevriezing of
bij een leeg sproeiervloeistofreservoir,
omdat de pomp anders schade kan oplopen.
Koplampsproeiers*
Om vloeistof te besparen worden ingeschakelde koplampen automatisch volgens
bepaalde patronen gesproeid.
Gereduceerde sproeifunctie
Sproeifunctie, rechter stuurhendel.
–
U activeert de voorruit- en koplampsproeiers door de rechter stuurhendel naar het
stuurwiel toe te trekken.
> Nadat u de hendel hebt losgelaten
maken de voorruitwissers nog enkele
slagen.
Wanneer er nog ca. 1 liter (1 qt) sproeiervloeistof in het reservoir zit en op het bestuurdersdisplay de melding Sproeiervloeistof Niveau
laag, bijvullen verschijnt in combinatie met
het symbool
, worden de koplampen niet
langer schoongesproeid. Dit omdat de sproeifunctie van de voorruit en een goed zicht door
de voorruit de voorrang hebben. De koplampen worden alleen schoongesproeid als het
groot licht of dimlicht is ingeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
Regensensor gebruiken (p. 187)
Automatische activering achterruitwisser
bij achteruitrijden (p. 191)
•
•
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 186)
•
Achterruitwisser en -sproeier (p. 190)
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken (p. 188)
}}
* Optie/accessoire. 189
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
•
Vulopening voor sproeiervloeistof
(p. 692)
Achterruitwisser en -sproeier
•
Wisserbladen in de servicestand zetten
(p. 691)
•
•
Wisserblad voorruit vervangen (p. 690)
De achterruitwisser en -sproeiers hebben tot
taak om de achterruit te reinigen. Via de rechter stuurhendel is de reiniging te starten en
zijn instellingen te verrichten.
Wisserbladen achterruit vervangen
(p. 689)
Achterruitwisser en -sproeier
activeren
•
Voorruitwissers gebruiken (p. 186)
N.B.
De motor van de achterruitwisser is beveiligd tegen oververhitting zodat deze wordt
uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een bepaalde
afkoelperiode.
Selecteer
voor de intervalstand van
de achterruitwisser.
–
Selecteer
voor een continue wissnelheid van de achterruitwisser.
Duw de rechter stuurhendel naar voren
om de achterruit schoon te sproeien en te
wissen.
Gerelateerde informatie
•
•
190
Regensensor gebruiken (p. 187)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 189)
•
Automatische activering achterruitwisser
bij achteruitrijden (p. 191)
•
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken (p. 188)
•
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 186)
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
•
Vulopening voor sproeiervloeistof
(p. 692)
Automatische activering
achterruitwisser bij achteruitrijden
•
Wisserbladen achterruit vervangen
(p. 689)
•
Wisserbladen in de servicestand zetten
(p. 691)
•
Voorruitwissers gebruiken (p. 186)
•
•
Wisserblad voorruit vervangen (p. 690)
•
Voorruitwissers gebruiken (p. 186)
Als u de achteruitversnelling inschakelt terwijl
de voorruitwissers actief zijn, zal de achterruitwisser starten. Bij het inschakelen van
een andere versnelling valt de ruitenwisser op
de achterklep stil.
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Wisserbladen achterruit vervangen
(p. 689)
2. Tik op My Car
Ruitenwisser.
3. Selecteer Automatisch wissen achter
om wissen bij achteruitrijden te activeren/
deactiveren.
Als de achterruitwisser echter al op continue
snelheid werkt, vindt er geen wijziging plaats.
Gerelateerde informatie
•
•
Regensensor gebruiken (p. 187)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 189)
•
•
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 186)
•
•
•
Achterruitwisser en -sproeier (p. 190)
•
Wisserblad voorruit vervangen (p. 690)
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken (p. 188)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 692)
Wisserbladen in de servicestand zetten
(p. 691)
191
STOELEN EN STUURWIEL
STOELEN EN STUURWIEL
Handmatig bediende voorstoel
Pas de lendensteun* aan door op de knop
omhoog/omlaag/vooruit/achteruit2 te
drukken.
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen verschillende verstelmogelijkheden.
Zet de hele stoel hoger/lager door de
handgreep omhoog/omlaag te bewegen.
Pas de hellingshoek van de rugleuning aan
door aan de knop te draaien.
•
Instellingen voor massagefunctie* van
voorstoel (p. 198)
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 201)
•
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 203)
Lendensteun* voorstoel verstellen
(p. 202)
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het
rijden. Controleer of de stoel vergrendeld
staat om letsel te voorkomen bij hard
afremmen of een aanrijding.
Zet de voorkant van de zitting hoger/
lager* door deze omhoog/omlaag te pompen.1
Wijzig de zitlengte* door de hendel
omhoog te trekken en de zitting met de
hand vooruit/achteruit te bewegen.
Zet de stoel vooruit/achteruit door de
handgreep omhoog te tillen en de juiste
afstand tot het stuurwiel en de pedalen in
te stellen. Controleer of de stoel na het
verstellen in de nieuwe stand geblokkeerd
staat.
1 Geldt
2 Geldt
194
Gerelateerde informatie
•
•
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 195)
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay* (p. 196)
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels en head-updisplay gebruiken*
(p. 197)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel aanpassen (p. 199)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen (p. 200)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 195)
alleen voor de bestuurdersstoel.
voor een lendensteun met vierwegverstelling*. Een lendensteun met tweewegverstelling* is vooruit/achteruit te verstellen.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
Elektrisch bedienbare* voorstoel
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen verschillende verstelmogelijkheden.
De elektrisch bedienbare stoel is naar voren/
achteren en hoger/lager te zetten. De voorkant van de zitting is te verhogen/verlagen en
in de lengte* te verstellen en de hellingshoek
van de rugleuning is te wijzigen. De lendensteun* is hoger/lager en naar voren/achteren
te zetten3.
De stoel is te verstellen wanneer de motor
draait en tot enige tijd na het sluiten van het
portier, wanneer de motor niet draait. Dat kan
ook nog enige tijd na het afzetten van de
motor.
BELANGRIJK
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay* (p. 196)
Elektrisch bedienbare* voorstoel
verstellen
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels en head-updisplay gebruiken*
(p. 197)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel aanpassen (p. 199)
Stel de gewenste zitpositie in met de handgreep op het zitkussen van de voorstoel. Voor
verstelling van de verschillende comfortfuncties kunt u de multifunctionele bediening4
omhoog-/omlaagdraaien.
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen (p. 200)
•
Instellingen voor massagefunctie* van
voorstoel (p. 198)
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 201)
•
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 203)
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien van een beveiliging tegen overbelasting, die geactiveerd wordt als een van de
stoelen door een obstakel wordt geblokkeerd. Als dat het geval is, neemt u het
obstakel weg en bedient u de stoel
opnieuw.
Lendensteun* voorstoel verstellen
(p. 202)
Afgebeeld zijn de bedieningen bij een auto met een
lendensteun met vierwegverstelling*. Bij auto's met
een lendensteun met tweewegverstelling* ontbreekt
de draaibare multifunctionele bediening.
Draai bij auto's met een lendensteun met
vierwiegverstelling* de multifunctionele
bediening4 omhoog/omlaag om de verschillende comfortfuncties in te stellen.
Gebruik bij auto's met een lendensteun
met tweewegverstelling* de ronde knop
Gerelateerde informatie
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 194)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 195)
3 Geldt voor een lendensteun met vierwegverstelling*. Een lendensteun
4 Niet aanwezig bij auto's met lendensteun met tweewegverstelling*.
met tweewegverstelling* is vooruit/achteruit te verstellen.
}}
* Optie/accessoire. 195
STOELEN EN STUURWIEL
||
om de lendensteun naar voren/achteren te
zetten.
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen (p. 200)
Stand opslaan voor stoel,
buitenspiegels en head-updisplay*
Zet de voorkant van de zitting hoger/lager
door de handgreep omhoog/omlaag te
bewegen.
•
Instellingen voor massagefunctie* van
voorstoel (p. 198)
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 201)
•
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 203)
De standen van de elektrisch bedienbare*
stoel, buitenspiegels en het head-updisplay*
zijn op te slaan onder de geheugenknoppen.
Sla twee verschillende standen op voor de
elektrisch bedienbare* stoel, de buitenspiegels
en het head-updisplay* via de geheugenknoppen. De knoppen zitten aan de binnenzijde van
een van de voorportieren of beide*.
Zet de hele stoel hoger/lager door de
handgreep omhoog/omlaag te bewegen.
Zet de hele stoel naar voren/achteren door
de handgreep naar voren/achteren te
bewegen.
Lendensteun* voorstoel verstellen
(p. 202)
Pas de hellingshoek van de rugleuning aan
door de handgreep naar voren/achteren te
bewegen.
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
De rugleuningen van de voorstoelen zijn niet
helemaal neer te klappen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
196
Handmatig bediende voorstoel (p. 194)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 195)
Knop M voor vastlegging van de instellingsset.
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay* (p. 196)
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels en head-updisplay gebruiken*
(p. 197)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel aanpassen (p. 199)
Geheugenknop.
Geheugenknop.
Stand opslaan
1.
Zet de stoel, buitenspiegels en het headupdisplay in de gewenste stand.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
2. Houd de M-knop ingedrukt. Het controlelampje in de knop brandt.
•
Instellingen voor massagefunctie* van
voorstoel (p. 198)
3. Druk binnen drie seconden op een van de
knoppen 1 of 2 en houd deze ingedrukt.
> Wanneer de stand is opgeslagen onder
de geheugenknop van uw keuze, klinkt
er een geluidssignaal en dooft het controlelampje in de knop M.
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 201)
•
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 203)
•
•
Buitenspiegels kantelen (p. 180)
Als u niet binnen drie seconden een van de
geheugenknoppen indrukt, dooft het controlelampje in de knop M en worden de standen
niet vastgelegd.
Lendensteun* voorstoel verstellen
(p. 202)
Opgeslagen stand voor stoel,
buitenspiegels en head-updisplay
gebruiken*
Als de standen voor de elektrisch bedienbare*
stoel, de buitenspiegels en het head-updisplay* zijn opgeslagen, zijn deze te activeren
via de geheugenknoppen.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Instellingen voor head-updisplay* (p. 149)
U moet de stoel, de buitenspiegels of het
head-updisplay opnieuw verstellen voordat u
een nieuwe stand in een geheugen kunt
opslaan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 194)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 195)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 195)
De vastgelegde standen zijn altijd op te roepen, of het voorportier nu open- of dichtstaat:
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels en head-updisplay gebruiken*
(p. 197)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel aanpassen (p. 199)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen (p. 200)
Geopend voorportier
– Druk eenmaal kort op een van de geheugenknoppen 1 ( ) of 2 ( ). De elektrisch
bedienbare stoel, de buitenspiegels en het
head-updisplay komen in bewegen en
nemen de standen in die onder de ingedrukte geheugenknop zijn vastgelegd.
}}
* Optie/accessoire. 197
STOELEN EN STUURWIEL
||
Gesloten voorportier
– Houd een van de geheugenknoppen 1 ( )
of 2 ( ) ingedrukt, totdat de stoel, de buitenspiegels en het head-updisplay de
standen innemen die onder de desbetreffende geheugenknop zijn vastgelegd.
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay* (p. 196)
Instellingen voor massagefunctie*
van voorstoel
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel aanpassen (p. 199)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen (p. 200)
Bij het loslaten van de geheugenknop komen
de stoel, de buitenspiegels en de head-updisplay tot stilstand.
•
Instellingen voor massagefunctie* van
voorstoel (p. 198)
Voor verstelling kunt u zowel de multifunctionele bediening op de zijkant van de stoel als
het middendisplay gebruiken. De verschillende instellingen verschijnen op het middendisplay.
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 201)
•
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 203)
WAARSCHUWING
•
•
•
•
Omdat de voorstoelen ook bij een uitgeschakeld contact te verstellen zijn,
moet u kinderen nooit alleen in de auto
achterlaten.
De beweging van de stoel is op ieder
moment te stoppen door bediening
van een van de andere knoppen voor
stoelverstelling.
Verstel de stoel nooit tijdens het rijden.
Zorg dat er bij het verstellen niets
onder de stoelen ligt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
198
Handmatig bediende voorstoel (p. 194)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 195)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 195)
•
•
Lendensteun* voorstoel verstellen
(p. 202)
Buitenspiegels kantelen (p. 180)
Instellingen voor head-updisplay* (p. 149)
Multifunctionele bediening, op de zijkant van het zitkussen van de stoel.
Instellingen voor massagefunctie
Voor de massagefunctie hebt u de keuze uit
de volgende instellingen:
• Aan/Uit: kies Aan/Uit om de massagefunctie in/uit te schakelen.
• Programma 1–5: Er zijn 5 vooraf ingestelde massageprogramma's. Kies uit
Golf, Loop, Geavanc., Lenden en
Schouder.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
• Intensiteit: kies uit Laag, Normaal en
•
Lendensteun* voorstoel verstellen
(p. 202)
Instellingen voor massagefunctie*
voorstoel aanpassen
•
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 203)
Voor verstelling kunt u zowel de multifunctionele bediening op de stoel als het middendisplay gebruiken. De verschillende instellingen
verschijnen op het middendisplay.
Hoog.
• Snelheid: kies uit Langzaam, Normaal
en Snel.
Massagefunctie herstarten
De massagefunctie wordt na 20 minuten
automatisch uitgeschakeld. De functie is
handmatig te herstarten.
–
Tik op Hrstart op het middendisplay om
de gekozen massagefunctie te herstarten.
> De massagefunctie start opnieuw.
Wanneer u niets doet, verschijnt de
melding op het hoofdscherm.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Instellingen voor massagefunctie
voorstoel aanpassen
De voorstoel is voorzien van een rugleuning
met massagefunctie. De massagefunctie die
gebruikmaakt van luchtkussens heeft verschillende instellingen.
De massagefunctie is alleen te activeren wanneer de motor van de auto is ingeschakeld.
Handmatig bediende voorstoel (p. 194)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 195)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 195)
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay* (p. 196)
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels en head-updisplay gebruiken* (p. 197)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel aanpassen (p. 199)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen (p. 200)
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 201)
1.
Activeer de multifunctionele bediening
omhoog/omlaag te
door de knop
draaien. Het stoelverstellingsscherm verschijnt op het middendisplay.
}}
* Optie/accessoire. 199
STOELEN EN STUURWIEL
||
2. Kies Massage op het stoelverstellingsscherm.
3. Om een van de verschillende massagefuncties te activeren maakt u een keuze op
het middendisplay of beweegt u de cursor
omhoog/omlaag met de knop omhoog
/ omlaag
van de multifunctionele
bediening. Wijzig de instelling van de
gekozen functie rechtstreeks op het middendisplay via de pijlen of via de knop
/ achteruit
van de multifuncvooruit
tionele bediening.
•
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 203)
Verlengbaar zitkussen* voorstoel
verstellen
Afhankelijk van het gekozen uitrustingsniveau
is het verlengbare zitkussen te verstellen met
de multifunctionele bediening* aan de zijkant
van het zitkussen of handmatig met een hendel aan de voorzijde van het zitkussen.
Verlengbaar zitkussen verstellen met
de multifunctionele bediening
Gerelateerde informatie
•
•
•
200
Handmatig bediende voorstoel (p. 194)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 195)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 195)
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay* (p. 196)
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels en head-updisplay gebruiken* (p. 197)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen (p. 200)
•
Instellingen voor massagefunctie* van
voorstoel (p. 198)
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 201)
De multifunctionele bediening, op de zijkant van het
zitkussen.
1.
Activeer de multifunctionele bediening
omhoog/omlaag te
door de knop
draaien. Het stoelverstellingsscherm verschijnt op het middendisplay.
Lendensteun* voorstoel verstellen
(p. 202)
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
2. Kies Kussenverl. op het stoelverstellingsscherm.
Handmatig bediende voorstoel (p. 194)
•
Druk op de voorkant van de vierwegom het zitkussen te verlengen.
knop
•
•
•
•
Druk op de achterkant van de vierwegknop
om het zitkussen te verkorten.
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay* (p. 196)
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels en head-updisplay gebruiken* (p. 197)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel aanpassen (p. 199)
•
Instellingen voor massagefunctie* van
voorstoel (p. 198)
•
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 201)
Verlengbaar zitkussen handmatig
verstellen
Handgreep voor verstelling van het zitkussen.
1.
Gerelateerde informatie
Pak de handgreep
aan de voorkant van
de stoel beet en trek deze omhoog.
2. Pas de lengte van het zitkussen aan.
3. Laat de handgreep los en zorg dat het
kussen in een vergrendelde stand staat.
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 195)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 195)
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 202)
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 203)
Zijsteunen* voorstoel verstellen
Verhoog het comfort van de voorstoelen door
de zijsteunen van de rugleuningen te verstellen.
Multifunctionele bediening, op de zijkant van het zitkussen van de stoel.
De zijsteunen van de rugleuning zijn te verstellen voor steun in de zij. Voor verstelling kunt u
zowel de multifunctionele bediening op de
stoel als het middendisplay gebruiken. De verschillende instellingen verschijnen op het middendisplay.
Zo verstelt u de zijsteun:
1.
Activeer de multifunctionele bediening
door deze omhoog/omlaag
te draaien.
Het stoelverstellingsscherm verschijnt op
het middendisplay.
}}
* Optie/accessoire. 201
STOELEN EN STUURWIEL
||
2. Kies Zijsteunen op het stoelverstellingsscherm.
•
Druk op de voorkant van de vierwegknop voor meer zijsteun .
•
Druk op de achterkant van de vierwegknop voor minder zijsteun .
Lendensteun* voorstoel verstellen
De lendensteun is te verstellen met behulp
van de bediening aan de zijkant van de zitting.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 194)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 195)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 195)
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay* (p. 196)
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels en head-updisplay gebruiken* (p. 197)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel aanpassen (p. 199)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen (p. 200)
•
Instellingen voor massagefunctie* van
voorstoel (p. 198)
•
Lendensteun* voorstoel verstellen
(p. 202)
•
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 203)
Lendensteun verstellen bij een auto
met een lendensteun met
vierwegverstelling
Multifunctionele bediening, bij auto's met een lendensteun met vierwegverstelling*.
1.
De bediening bij auto's met een lendensteun met
tweewegverstelling*.
202
De lendensteun is te verstellen met de multifunctionele bediening (bij auto's met een lendensteun met vierwegverstelling*) of met de
ronde knop (bij auto's met een lendensteun
met tweewegverstelling*). De bediening zit op
de zijkant van het zitkussen van de stoel.
Afhankelijk van het gekozen uitrustingsniveau
is de lendensteun vooruit/achteruit en
omhoog/omlaag (lendensteun met vierwegverstelling) of vooruit/achteruit (lendensteun
met tweewegverstelling) te zetten.
Activeer de multifunctionele bediening
door de knop
omhoog/omlaag te
draaien. Het stoelverstellingsscherm verschijnt op het middendisplay.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
2. Kies Lenden op het stoelverstellingsscherm.
•
Druk de ronde knop omhoog /
om de lendensteun hoger/
omlaag
lager te zetten.
•
Druk op de voorkant
van de knop
voor meer lendensteun.
•
Druk op de achterkant
van de knop
voor minder lendensteun.
Lendensteun verstellen bij een auto
met een lendensteun met
tweewegverstelling
Gerelateerde informatie
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 194)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 195)
Passagiersstoel verstellen vanaf
bestuurdersstoel*
De voorste passagiersstoel is vanaf de
bestuurdersstoel te verstellen.
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 195)
Functie activeren
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay* (p. 196)
De functie is te activeren via het functiescherm op het middendisplay:
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels en head-updisplay gebruiken* (p. 197)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel aanpassen (p. 199)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen (p. 200)
•
Instellingen voor massagefunctie* van
voorstoel (p. 198)
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 201)
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 203)
Druk op de knop
Passagierstoel aanpassen
om te activeren.
Passagiersstoel verstellen
Na activering van de functie hebt u 10 seconden de tijd om de passagiersstoel te verstellen. Als gedurende deze periode geen verstelling plaatsvindt, wordt de functie gedeactiveerd.
U verstelt de bestuurdersstoel met de handgrepen op de bestuurdersstoel:
1.
Druk op de voorkant
van de ronde
knop voor meer lendensteun.
van de ronde
2. Druk op de achterkant
knop voor minder lendensteun.
}}
* Optie/accessoire. 203
STOELEN EN STUURWIEL
||
Hele passagiersstoel naar voren/achteren
zetten door de handgreep naar voren/
achteren te bewegen.
Hellingshoek van de rugleuning van de
passagiersstoel aanpassen door de handgreep naar voren/achteren te bewegen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
204
Handmatig bediende voorstoel (p. 194)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 195)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 195)
•
Stand opslaan voor stoel, buitenspiegels
en head-updisplay* (p. 196)
•
Opgeslagen stand voor stoel, buitenspiegels en head-updisplay gebruiken* (p. 197)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel aanpassen (p. 199)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen (p. 200)
•
Instellingen voor massagefunctie* van
voorstoel (p. 198)
•
•
Zijsteunen* voorstoel verstellen (p. 201)
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 202)
Rugleuning achterbank omklappen
De rugleuning van de achterbank is in twee
ongelijke delen verdeeld. De twee delen zijn
ieder apart om te klappen.
WAARSCHUWING
•
Verstel de stoel vóór vertrek en zorg
dat deze vaststaat. Wees voorzichtig
bij het verstellen van de stoel. Een
ongecontroleerde of onvoorzichtige
verstelling kan tot beknellingsletsel leiden.
•
Zet lange voorwerpen tijdens het vervoer altijd goed vast om schade/letsel
te voorkomen bij abrupte remmanoeuvres.
•
Zet altijd de motor af en activeer de
parkeerrem bij het in- en uitladen van
de auto.
•
Zet bij auto's met automatische transmissie de keuzehendel in de stand P
om te voorkomen dat u de keuzehendel per ongeluk verzet.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de
achterbank bevinden. De veiligheidsgordels mogen evenmin zijn ingestoken.
Schade aan de bekleding van de achterbank is anders namelijk niet uitgesloten.
Rugleuning omklappen
Rugleuning rechtop zetten
De achterbank is alleen om te klappen, wanneer de auto stilstaat en minstens een van de
achterportieren openstaat.
U zet de rugleuning handmatig weer rechtop:
3. Zet de hoofdsteunen handmatig rechtop.
4. Pas de stand van de hoofdsteun op de
middelste zitplaats zo nodig aan.
Het zitgedeelte van het geïntegreerde kinderzitje* moet omlaag worden geklapt
voordat de rugleuning van de achterbank
wordt neergeklapt.
Het doorsteekluik in de achterbank moet
dichtstaan alvorens de rugleuning neer te
klappen.
N.B.
U moet mogelijk de voorstoelen naar voren
zetten en/of de rugleuningen rechtop zetten om de ruggedeelten van de achterbank
volledig naar voren te kunnen klappen.
Klap de rugleuning omhoog/naar achteren.
2. Druk de rugleuning verder totdat deze vergrendelt.
BELANGRIJK
Klap de middenarmsteun* op alvorens de
rugleuning van de achterbank neer te klappen.
1.
WAARSCHUWING
Als de rugleuning is teruggeklapt, mag de
rode indicatie niet langer zichtbaar zijn. Als
deze toch zichtbaar is, is de rugleuning niet
vergrendeld.
Zorg dat er zich geen mensen of voorwerpen
op de achterbank bevinden.
Klap de middelste hoofsteun handmatig
om.
Trek de handgreep op de linker of rechter
rugleuning van de achterbank naar voren
om de linker of rechter rugleuning van de
achterbank om te klappen.
WAARSCHUWING
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop
zetten goed vergrendeld zijn.
Bij vervoer van achterpassagiers moeten
de hoofdsteunen op de buitenste zitplaatsen altijd omhoog staan.
3. De rugleuning wordt ontgrendeld en moet
handmatig worden omgeklapt tot in horizontale stand.
}}
* Optie/accessoire. 205
STOELEN EN STUURWIEL
||
Gerelateerde informatie
•
Hoofdsteunen achterbank verstellen
(p. 206)
•
•
Privacy locking (p. 292)
Privacy locking activeren en deactiveren
(p. 292)
Hoofdsteunen achterbank
verstellen
Stel de hoofdsteun van de middelste zitplaats
af aan de hand van de lengte van de passagier. Klap de hoofdsteun* van de buitenste
zitplaatsen omlaag voor een beter zicht naar
achteren.
Hoofdsteun van middelste zitplaats
verstellen
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de knop (zie afbeelding) indrukken terwijl u de
hoofdsteun voorzichtig omlaagduwt.
WAARSCHUWING
De hoofdsteun voor de middelste zitplaats is
af te stemmen op de lengte van de passagier,
zodat de hoofdsteun zo mogelijk het hele achterhoofd bedekt. Trek de hoofdsteun handmatig zo ver omhoog als nodig is.
De hoofdsteun van de middelste zitplaats
moet in de onderste stand staan, wanneer
de middelste zitplaats niet in gebruik is.
Wanneer de middelste zitplaats wel wordt
gebruikt, moet de hoofdsteun goed op de
lengte van de passagier zijn afgesteld,
zodat deze zo mogelijk diens hele achterhoofd afdekt.
Hoofdsteunen van buitenste
zitplaatsen achterbank omklappen via
middendisplay*
De buitenste hoofdsteunen zijn om te klappen
via het functiescherm van het middendisplay.
206
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
De hoofdsteunen zijn om te klappen in de contactslotstand 0.
Hoofdsteunen van buitenste
zitplaatsen achterbank omklappen via
handgreep
Bij een auto met een elektrisch omklapbare*
achterbank zijn de buitenste hoofdsteunen om
te klappen via de handgreep boven op de rugleuning van de achterbank, zie afbeelding .
Denk eraan dat bij deze methode ook de rugleuning neerklapt. Als alleen de hoofdsteunen
moeten omklappen, bijv. om het zicht te verbeteren, doet u dit via het middendisplay*. Bij
een auto zonder elektrisch neerklapbare achterbank zitten de hoofdsteunen vast.
Druk op de knop Hfdsteun
omlaag om omklappen te
activeren/deactiveren.
Bedieningselementen op stuurwiel
en claxon
Op het stuurwiel zitten de claxon en bedieningselementen voor o.m. rijhulpsystemen en
stembediening.
Knoppensets en paddles* op stuurwiel.
Bediening voor rijhulp5
Paddle* voor handmatig schakelen bij een
automatische versnellingsbak.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig
rechtop totdat deze hoorbaar vastklikt.
Bediening voor stembediening plus
menu-, meldings- en telefoonfuncties.
WAARSCHUWING
Klap de buitenste hoofdsteunen niet om,
als er passagiers op de achterbank zitten.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop
zetten in de vergrendelde stand staan.
Gerelateerde informatie
•
Rugleuning achterbank omklappen
(p. 204)
}}
* Optie/accessoire. 207
STOELEN EN STUURWIEL
||
Claxon
Stuurslot
Stuurwiel verstellen
Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals
bij gebruik van de auto door onbevoegden. Er
is mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar, wanneer u het stuurslot inschakelt
of opheft.
Het stuurwiel is in verschillende standen te
zetten.
Stuurslot activeren
De claxon zit in het midden van het stuurwiel.
Wanneer u de auto van de buitenzijde vergrendelt en de motor is uitgeschakeld, wordt
het stuurslot geactiveerd. Als u de auto onvergrendeld achterlaat, wordt na verloop van
korte tijd automatisch het stuurslot geactiveerd.
Gerelateerde informatie
Stuurslot opheffen
•
•
Stuurslot (p. 208)
Stuurwiel verstellen (p. 208)
Wanneer u de auto van de buitenzijde ontgrendelt, wordt het stuurslot gedeactiveerd.
Als u de auto onvergrendeld achterlaat, wordt
het stuurslot na verloop van korte tijd automatisch geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
Bedieningselementen op stuurwiel en claxon (p. 207)
•
Stuurwiel verstellen (p. 208)
Het stuurwiel is in diepte en hoogte te verstellen.
Hoe de stuurverstelling in zijn werk gaat hangt
af van de vraag of de auto wel of niet is uitgerust met een knie-airbag6.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel vóór vertrek in en zet
deze vast. Het stuur mag tijdens het rijden
nooit worden ingesteld.
Bij auto's met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging is de vereiste stuurkracht in te
stellen. De mate van stuurbekrachtiging wordt
5 Snelheidsbegrenzer, Cruisecontrol, Adaptieve cruisecontrol*, Afstandswaarschuwing*
6 Alleen op bepaalde markten is de auto uitgerust met een knie-airbag.
208
en Pilot Assist.
STOELEN EN STUURWIEL
afgestemd op de rijsnelheid om u een beter
weggevoel te geven.
Stuurwiel verstellen bij een auto zonder
knie-airbag
Stuurwiel verstellen bij een auto met knieairbag
Hendel voor verstelling van het stuurwiel.
1.
Hendel voor verstelling van het stuurwiel.
Trek de hendel naar achteren om het
stuurwiel te ontgrendelen.
Beweeg de hendel naar voren om het
stuurwiel te ontkoppelen.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
3. Duw de hendel terug naar voren om het
stuurwiel te vergrendelen. Als dit moeite
kost, kunt u lichtjes op het stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
1.
3. Trek de hendel naar achteren om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Stuurslot (p. 208)
Bedieningselementen op stuurwiel en claxon (p. 207)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 195)
* Optie/accessoire. 209
KLIMAAT
KLIMAAT
Klimaatregeling
Klimaatzones
Klimaatsensoren
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt
ervoor dat de lucht in het interieur gekoeld,
verwarmd of van vocht ontdaan wordt.
Alle klimaatfuncties zijn te bedienen via het
middendisplay en de fysieke knoppen op de
middenconsole.
Afhankelijk van het aantal klimaatzones van
de auto kunt u verschillende temperaturen
instellen voor verschillende delen van het
interieur.
De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren voor de regeling van het autoklimaat.
Positie van de sensoren
Klimaatregeling met 2 zones
Bepaalde functies voor de achterbank zijn ook
te bedienen via de klimaatregelingsknoppen*
achter op de tunnelconsole.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Klimaatzones (p. 212)
Klimaatsensoren (p. 212)
Gevoelstemperatuur (p. 213)
Stembediening klimaat (p. 213)
Parkeerklimaat (p. 236)
Verwarming (p. 246)
Zonnesensor – boven op het dashboard.
Klimaatzones bij klimaatregeling met 2 zones.
Luchtverdeling (p. 217)
Bij klimaatregeling met 2 zones zijn de interieurtemperaturen voor de linker en rechter
zone elk apart in te stellen.
Klimaatregelingsbediening (p. 223)
Gerelateerde informatie
Luchtkwaliteit (p. 214)
•
Klimaatregeling (p. 212)
Vochtsensor – in de voetafdekking van de
achteruitkijkspiegel.
Buitentemperatuursensor – in de rechter
buitenspiegel.
Binnentemperatuursensor – bij de fysieke
knoppen op de middenconsole.
N.B.
Bedek of blokkeer de sensoren niet met
kledingstukken of andere voorwerpen.
212
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Bij het Interior Air Quality System* is er ook
een luchtkwaliteitssensor, die in de luchtinlaat
van de klimaatregeling zit.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregeling (p. 212)
Interior Air Quality System* (p. 216)
Gevoelstemperatuur
Stembediening klimaat1
De klimaatregeling regelt het autoklimaat op
basis van de gevoelstemperatuur en niet de
werkelijke temperatuur.
De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen met de gevoelstemperatuur op basis van
de heersende omstandigheden in en rond de
auto wat buitentemperatuur, luchtsnelheid,
luchtvochtigheidsgraad, ingestraalde warmte
en dergelijke betreft.
Opdrachten voor klimaatregeling met stembediening om bijvoorbeeld de temperatuur te
wijzigen, elektrische stoelverwarming* te
activeren of de ventilatorstand te wijzigen.
Druk op
en zeg een van de volgende commando's:
Het systeem beschikt over een zonnesensor
die de stand van de zon registreert. Daardoor
kan de temperatuur van de lucht uit de blaasmonden links en rechts afwijken, ondanks dat
de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
Gerelateerde informatie
•
1
Geldt voor bepaalde markten.
•
"Klimaatregeling" – start een dialoog
voor klimaatregeling en geeft voorbeelden
van commando's weer.
•
"Stel temperatuur in op X graden" –
stelt de gewenste temperatuur in.
•
"Verhoog temperatuur" / "Verlaag
temperatuur" – verhoogt/verlaagt de
ingestelde temperatuur met één stap.
•
"Synchroniseer temperatuur" – synchroniseert de temperatuur voor alle klimaatzones in de auto met de voor de
bestuurderszone ingestelde temperatuur.
•
"Lucht op voeten" / "Lucht op lichaam"
– opent de gewenste blaasmond.
•
"Lucht op voeten uit" / "Lucht op
lichaam uit" – sluit de gewenste blaasmond.
•
"Zet ventilator op max." / "Schakel
ventilator uit" – verandert de ventilatorstand naar Max/Off.
Klimaatregeling (p. 212)
}}
* Optie/accessoire. 213
KLIMAAT
||
•
•
"Schakel auto-klimaat in" – activeert de
automatische klimaatregeling.
•
"Airconditioning aan" /
"Airconditioning uit" – activeert/deactiveert de airconditioning.
activeert/deactiveert elektrische stuurverwarming*.
•
•
•
"Recirculatie aan" / "Recirculatie uit" –
activeert/deactiveert de luchtrecirculatie.
•
"Schakel ruitontdooiing in" / "Schakel
ruitontdooiing uit" – activeert/deactiveert ontwaseming van ruiten en buitenspiegels.
•
•
"Schakel max. ruitontdooiing in" /
"Schakel max. ruitontdooiing uit" –
activeert/deactiveert maximale ontwaseming.
•
•
"Schakel elektrische ruitverwarming
in" / "Schakel elektrische
ruitverwarming uit" – activeert/deactiveert elektrische voorruitverwarming*.
•
•
214
"Verhoog ventilatorsnelheid" / "Verlaag
ventilatorsnelheid" – verhoogt/verlaagt
de ingestelde ventilatorstand met één
stap.
"Schakel achterruitverwarming in" /
"Schakel achterruitverwarming uit" –
activeert/deactiveert elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming.
"Schakel stuurwielverwarming in" /
"Schakel stuurwielverwarming uit" –
•
"Verhoog stuurwielverwarming" /
"Verlaag stuurwielverwarming" – verhoogt/verlaagt ingesteld niveau voor de
elektrische stuurverwarming* met één
stap.
"Schakel stoelverwarming in" /
"Schakel stoelverwarming uit" – activeert/deactiveert elektrische stoelverwarming*.
"Verhoog stoelverwarming" / "Verlaag
stoelverwarming" – verhoogt/verlaagt
ingesteld niveau voor de elektrische stoelverwarming* met één stap.
"Schakel stoelventilatie in" / "Schakel
stoelventilatie uit" – activeert/deactiveert stoelventilatie*.
"Verhoog stoelventilatie" / "Verlaag
stoelventilatie" – verhoogt/verlaagt ingesteld niveau voor de stoelventilatie* met
één stap.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Klimaatregeling (p. 212)
Luchtkwaliteit
De gekozen interieurmaterialen en het luchtreinigingssysteem zorgen voor een hoge
luchtkwaliteit in de auto.
Materiaal in de passagiersruimte
Het interieur werd dusdanig vormgegeven dat
het gerieflijk en comfortabel is – ook voor
mensen met contactallergieën of astma.
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is.
De vloerbekleding in zowel de passagiersruimte als de bagageruimte is eenvoudig te
verwijderen en schoon te maken.
Gebruik de door Volvo geadviseerde schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten
voor het reinigen van het interieur.
Luchtreinigingssysteem
Naast het interieurfilter is de auto uitgerust
met andere luchtreinigingssystemen die u helpen om een goede luchtkwaliteit in het interieur te behouden.
Stembediening (p. 150)
Gerelateerde informatie
Stembediening gebruiken (p. 151)
•
•
•
Instellingen voor stembediening (p. 154)
Klimaatregeling (p. 212)
Clean Zone* (p. 215)
Clean Zone Interior Package* (p. 216)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
•
•
Interior Air Quality System* (p. 216)
Clean Zone*
Interieurfilter (p. 217)
Clean Zone controleert en geeft aan of wel of
niet is voldaan aan alle voorwaarden voor een
goede luchtkwaliteit in het interieur.
•
De luchtrecirculatie is gedeactiveerd.
N.B.
Clean Zone geeft niet per se aan dat de
luchtkwaliteit goed is, maar duidt er alleen
op dat is voldaan aan de voorwaarden voor
een goede luchtkwaliteit.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Luchtkwaliteit (p. 214)
Clean Zone Interior Package* (p. 216)
Interior Air Quality System* (p. 216)
Interieurfilter (p. 217)
De indicator staat in het klimaatveld op
het middendisplay.
De indicator staat in het klimaatveld, wanneer het klimaatscherm niet geopend is.
Als niet is voldaan aan de voorwaarden, verschijnt de tekst Clean Zone in het wit. Wanneer is voldaan aan alle voorwaarden, verandert de kleur van de tekst in blauw.
Voorwaarden waaraan moet zijn voldaan:
•
•
•
Alle portieren en de achterklep staan dicht.
•
De interieurventilator is geactiveerd.
Alle zijruiten en panoramadak* staan dicht.
Het luchtkwaliteitssysteem Interior Air
Quality System* is geactiveerd.
* Optie/accessoire. 215
KLIMAAT
Clean Zone Interior Package*
Interior Air Quality System*
Gerelateerde informatie
Clean Zone Interior Package (CZIP) omvat
een aantal aanpassingen om stoffen die aanleiding kunnen geven tot allergieën en/of
astma uit het interieur te weren.
Het volgende is inbegrepen:
Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet de binnenkomende lucht van gassen en
stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te
beperken.
IAQS maakt deel uit van Clean Zone Interior
Package (CZIP) en ontdoet de lucht in de passagiersruimte van verontreinigingen in de
vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon.
•
Luchtkwaliteitssensor* activeren en deactiveren (p. 217)
•
•
•
•
Luchtkwaliteit (p. 214)
•
•
Een geavanceerde ventilatorfunctie die
aanslaat, wanneer de auto via de transpondersleutel wordt ontgrendeld. De ventilator vult het interieur op die manier met
verse lucht. De functie start als dat nodig
is en stopt na bij het openen van een van
de portieren. Bij inactiviteit wordt de functie na enige tijd automatisch beëindigd.
De tijd dat de ventilatorfunctie werkt zal
langzaam maar zeker korter worden, totdat de auto 4 jaar oud is.
Het volautomatische luchtkwaliteitssysteem Interior Air Quality System (IAQS).
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
216
Luchtkwaliteit (p. 214)
Clean Zone* (p. 215)
Interior Air Quality System* (p. 216)
Interieurfilter (p. 217)
Clean Zone* (p. 215)
Clean Zone Interior Package* (p. 216)
Interieurfilter (p. 217)
Als de luchtkwaliteitssensor van het systeem
registreert dat de buitenlucht vervuild is,
wordt de luchtinlaat gesloten en de luchtrecirculatie geactiveerd.
N.B.
Voor de beste lucht in het interieur moet de
luchtkwaliteitssensor altijd zijn ingeschakeld.
In een koud klimaat is de recirculatie
beperkt om het beslaan van de ruiten te
voorkomen.
Schakel bij condens de elektrische verwarming van de voorruit, zijruiten en achterruiten in.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Luchtkwaliteitssensor* activeren
en deactiveren
De luchtkwaliteitssensor maakt deel uit van
de volautomatische luchtkwaliteitsregeling
Interior Air Quality System (IAQS).
U kunt de luchtkwaliteitssensor desgewenst
activeren/deactiveren.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm
op het middendisplay.
2. Druk op Klimaat.
Interieurfilter
Luchtverdeling
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt wordt gereinigd door een filter.
De klimaatregeling verdeelt de binnenkomende lucht over uiteenlopende blaasmonden verspreid over het interieur.
Interieurfilter vervangen
Om een goed interieurklimaat te kunnen handhaven moet u het filter op gezette tijden vervangen. Raadpleeg het Serviceprogramma
van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden
moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
3. Kies Luchtkwaliteitssensor om de luchtkwaliteitssensor te activeren/deactiveren.
N.B.
Er zijn verschillende soorten interieurfilters.
Let erop dat het juiste filter wordt gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
Interior Air Quality System* (p. 216)
Automatische en handmatige
luchtverdeling
Wanneer u de automatische klimaatregeling
hebt geactiveerd, verloopt de luchtverdeling
automatisch. De luchtverdeling is zo nodig
handmatig bij te regelen.
Verstelbare blaasmonden
Sommige blaasmonden in de auto zijn instelbaar, wat betekent dat u ze kunt openen/sluiten en de uitstroomrichting kunt wijzigen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Luchtkwaliteit (p. 214)
Clean Zone* (p. 215)
Clean Zone Interior Package* (p. 216)
Interior Air Quality System* (p. 216)
Positie van verstelbare blaasmonden in interieur.
Vier in het dashboard en twee in de portierstijlen (aan weerszijden één) tussen
voor- en achterportier.
}}
* Optie/accessoire. 217
KLIMAAT
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Klimaatregeling (p. 212)
Luchtverdeling aanpassen (p. 218)
Luchtverdeling aanpassen
De luchtverdeling is desgewenst handmatig
te wijzigen.
Blaasmonden openen, sluiten en richten
(p. 219)
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 220)
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden
van het klimaatveld te tikken.
Luchtverdelingsknoppen op klimaatscherm.
Luchtverdeling - ontwasemingsopeningen
voorruit
Luchtverdeling - blaasmonden dashboard
en middenconsole
Luchtverdeling - blaasmonden vloer
2. Druk op een of meer luchtverdelingsknoppen om de desbetreffende blaasmond(en)
te openen/sluiten.
> De luchtverdeling wordt gewijzigd,
waarna de knoppen gaan branden/
doven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
218
Luchtverdeling (p. 217)
Blaasmonden openen, sluiten en richten
(p. 219)
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 220)
KLIMAAT
Blaasmonden openen, sluiten en
richten
Sommige blaasmonden in het interieur zijn
apart te openen, sluiten en richten.
Als u de buitenste blaasmonden op de zijruiten richt kunt u condens voorkomen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Luchtverdeling (p. 217)
Luchtverdeling aanpassen (p. 218)
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 220)
Als u de buitenste blaasmonden in de auto
naar binnen richt, creëert u een warm en comfortabel autoklimaat.
Blaasmonden openen en sluiten
Blaasmonden op het instrumentenpaneel:
–
Draai aan de draaiknop in het midden van
de blaasmond om de luchtaanvoer uit de
blaasmond te openen/sluiten.
Wanneer de markering op de draaiknop
verticaal staat, is de luchtaanvoer het
grootst.
Blaasmonden op de portierstijlen:
–
Draai aan het duimwiel onder de blaasmond om de luchtaanvoer uit de blaasmond te openen/sluiten.
De luchtaanvoer neemt toe naarmate er
meer van de witte lijnen op het duimwiel
zichtbaar zijn.
Blaasmonden richten
–
Haal het hendeltje in het midden van de
blaasmond overdwars of omhoog-omlaag
om de luchtaanvoer uit de blaasmond te
richten.
219
KLIMAAT
Tabel met luchtverdelingsstanden
De luchtverdeling is desgewenst handmatig
te wijzigen. De volgende standen zijn in te
stellen.
Luchtverdeling
Doel
Bij deactivering van alle luchtverdelingsknoppen in de handmatige stand schakelt de klimaatregeling weer over op automatische
klimaatregeling.
220
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen. Er komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Gaat condens- en ijsvorming tegen (om dat
te realiseren mag de ventilatorstand niet te
laag zijn).
De meeste lucht komt uit de blaasmonden in het dashboard. Er komt een
bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende koeling bij warm weer.
De meeste lucht komt uit de blaasmonden bij de vloer. Er komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor verwarming of koeling van de voetenruimte.
KLIMAAT
Luchtverdeling
Doel
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen en blaasmonden in het
dashboard. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort bij warm en droog
weer.
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen en de blaasmonden bij de
vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort en ontwaseming bij
koud en vochtig weer.
De meeste lucht komt uit de blaasmonden in het dashboard en de blaasmonden
bij de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen, de blaasmonden in het
dashboard en de blaasmonden bij de vloer.
Voor een gebalanceerd comfort in het interieur.
}}
221
KLIMAAT
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
222
Luchtverdeling (p. 217)
Blaasmonden openen, sluiten en richten
(p. 219)
Luchtverdeling aanpassen (p. 218)
KLIMAAT
Klimaatregelingsbediening
Hoofdklimaat
Op het tabblad Klimaat hoofdinstelling kunt
u behalve de klimaatfuncties in het klimaatveld
ook de hoofdklimaatfuncties regelen.
De klimaatregelingsfuncties zijn te bedienen
via de fysieke knoppen op de middenconsole,
het middendisplay en de klimaatregelingsbediening achter op de tunnelconsole*.
Fysieke knoppen op middenconsole
Temperatuurregeling voor bestuurders- en
passagierszone.
Bediening voor elektrische stoelverwarming* en -ventilatie* voorin plus elektrische stuurverwarming*.
Knop voor elektrische achterruitverwarming* en maximale ontwaseming.
Knop voor elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming.
Klimaatveld op middendisplay
Via het klimaatveld zijn de meest voorkomende klimaatfuncties te regelen.
Knop voor toegang tot het klimaatscherm.
De grafische voorstelling op de knop geeft
de geactiveerde klimaatinstellingen weer.
Klimaatveld op middendisplay
Het klimaatscherm is te openen door
op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
Afhankelijk van het uitrustingsniveau
is het klimaatscherm opgesplitst in meerdere
tabbladen. U kunt van tabblad wisselen door
naar links/rechts te vegen of op de desbetreffende rubriek te drukken.
Max, Elektrisch, Achter – Bediening
voor ontwaseming van ruiten en buitenspiegels.
AC – Bediening voor airconditioning.
Recirc. – Bediening voor luchtrecirculatie.
}}
* Optie/accessoire. 223
KLIMAAT
||
Bediening voor luchtverdeling.
Ventilatorbediening.
•
Maximale ontwaseming activeren en
deactiveren (p. 230)
Elektrische voorstoelverwarming*
activeren en deactiveren
•
Elektrische voorruitverwarming* activeren
en deactiveren (p. 231)
•
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren
(p. 232)
De stoelverwarming is te activeren om het
comfort voor bestuurder en inzittenden te
verhogen, wanneer het koud is.
AUTO – Automatische klimaatregeling.
Parkeerklimaat
Op het tabblad Parkeerklimaat is het parkeerklimaat van de auto te regelen.
Klimaatregelingsbediening achter op
de tunnelconsole*
Als de auto is uitgerust met elektrische achterbankverwarming*, zitten er achter op de tunnelconsole fysieke bedieningsknoppen voor de
functie.
Gerelateerde informatie
224
•
•
Klimaatregeling (p. 212)
•
Elektrische stoelverwarming achter* activeren en deactiveren (p. 226)
•
Stoelventilatie voor* activeren en deactiveren (p. 226)
•
Elektrische stuurverwarming* activeren en
deactiveren (p. 227)
•
Automatische klimaatregeling activeren
(p. 228)
•
Luchtrecirculatie activeren en deactiveren
(p. 229)
Elektrische voorstoelverwarming* activeren en deactiveren (p. 224)
•
•
•
Ventilatorstand voorin regelen (p. 233)
Temperatuur synchroniseren (p. 235)
Airconditioning activeren en deactiveren
(p. 236)
1.
Druk op de stuur-/stoelknop voor de linker
of rechter zone in het klimaatveld op het
middendisplay om de bediening voor de
stoelen en het stuurwiel te openen.
Als de auto niet is uitgerust met elektrische stoelventilatie of elektrische stuurverwarming (voor de bestuurder) staat de
knop voor stoelverwarming direct in het
klimaatveld.
2. Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stoelverwarming om de vier
standen te doorlopen: Uit, Hoog,
Gemiddeld en Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de
knop de ingestelde stand aan.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet
worden gebruikt door personen die niet
goed kunnen voelen dat de temperatuur
toeneemt of die om een andere reden
moeilijkheden hebben om de elektrisch
verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen
dan namelijk brandwonden ontstaan.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 223)
Automatische inschakeling van elektrische
stoelverwarming voorin* activeren en
deactiveren (p. 225)
Automatische inschakeling van
elektrische stoelverwarming
voorin* activeren en deactiveren
De stoelverwarming is te activeren om het
comfort voor bestuurder en inzittenden te
verhogen, wanneer het koud is.
U kunt instellen of de automatische inschakeling van elektrische stoel-/achterbankverwarming bij het starten van de motor al dan niet
geactiveerd moet zijn. Met automatische
inschakeling geactiveerd zal de elektrische
verwarming starten bij een lage omgevingstemperatuur.
1.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 223)
Elektrische voorstoelverwarming* activeren en deactiveren (p. 224)
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Tik op Klimaat.
3. Kies Niveau aut. verwarming
bestuurdersstoel en Niveau aut.
verwarming passagiersstoel om automatische inschakeling van de elektrische
verwarming van de bestuurdersstoel en
passagiersstoel te activeren/deactiveren.
> Er verschijnt een "A" bij de desbetreffende knoppen voor de elektrische verwarming van de voorstoelen, wanneer
de automatische start is geactiveerd.
4. Kies na activering van de functie uit de
niveaus Laag, Gemiddeld of Hoog.
* Optie/accessoire. 225
KLIMAAT
Elektrische stoelverwarming
achter* activeren en deactiveren
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet
worden gebruikt door personen die niet
goed kunnen voelen dat de temperatuur
toeneemt of die om een andere reden
moeilijkheden hebben om de elektrisch
verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen
dan namelijk brandwonden ontstaan.
De stoelverwarming is te activeren om het
comfort voor bestuurder en inzittenden te
verhogen, wanneer het koud is.
Elektrische stoelverwarming achterin
activeren en deactiveren vanaf de
achterstoelen
Gerelateerde informatie
•
Stoelventilatie voor* activeren en
deactiveren
De stoelventilatie is in te schakelen voor bijvoorbeeld een groter comfort bij warm weer.
Het ventilatiesysteem bestaat uit ventilatoren
in de zittingen en de rugleuningen die lucht
door de bekleding heen aanzuigen. Naarmate
de lucht in het interieur kouder is, neemt het
koelingseffect toe. Het systeem is te activeren,
wanneer de motor loopt.
Klimaatregelingsbediening (p. 223)
1.
Knoppen voor elektrische achterbankverwarming
achter op tunnelconsole.
–
226
Druk meerdere keren op de fysieke knoppen voor de elektrische achterbankverwarming achter op de tunnelconsole om de
vier standen te doorlopen: Uit, Hoog,
Gemiddeld en Laag.
> Na wijziging van de stand geven de
ledjes in de knop de ingestelde stand
aan.
Druk op de stuur-/stoelknop voor de linker
of rechter zone in het klimaatveld op het
middendisplay om de bediening voor de
stoelen en het stuurwiel te openen.
Als de auto niet is uitgerust met elektrische stoelverwarming of elektrische stuurverwarming (voor de bestuurder) staat de
knop voor stoelventilatie direct in het klimaatveld.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Elektrische stuurverwarming*
activeren en deactiveren
2. Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stoelventilatie om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld
en Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de
knop de ingestelde stand aan.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 223)
De stuurverwarming is te activeren om het
stuurcomfort te verhogen, wanneer het koud
is.
1.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 223)
Automatische inschakeling van elektrische
stuurverwarming* activeren en deactiveren (p. 228)
Druk op de stuur-/stoelknop voor de
bestuurderszone in het klimaatveld op het
middendisplay om de bediening voor de
stoelen en het stuurwiel te openen.
Als de auto niet is uitgerust met elektrische stoelverwarming of stoelventilatie
staat de knop voor elektrische stuurverwarming direct in het klimaatveld.
2. Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stuurverwarming om de vier
standen te doorlopen: Uit, Hoog,
Gemiddeld en Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de
knop de ingestelde stand aan.
* Optie/accessoire. 227
KLIMAAT
Automatische inschakeling van
elektrische stuurverwarming*
activeren en deactiveren
De stuurverwarming is te activeren om het
stuurcomfort te verhogen, wanneer het koud
is.
U kunt instellen of de automatische inschakeling van elektrische stuurverwarming bij het
starten van de motor al dan niet geactiveerd
moet zijn. Met automatische inschakeling
geactiveerd zal de elektrische verwarming
starten bij een lage omgevingstemperatuur.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Automatische klimaatregeling
activeren
4. Kies na activering van de functie uit de
niveaus Laag, Gemiddeld of Hoog.
Het is mogelijk om de temperatuur en de
ventilatorstand te wijzigen zonder deactivering van de automatische klimaatregeling. De automatische klimaatregeling
wordt gedeactiveerd wanneer de luchtverdeling handmatig wordt gewijzigd of wanneer max. ontwaseming wordt geactiveerd.
Bij automatische klimaatregeling worden
meerdere klimaatfuncties automatisch geregeld.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden
van het klimaatveld te tikken.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 223)
2. Druk kort of lang op AUTO Klimaat/>
•
2. Tik op Klimaat.
3. Kies Niveau automatische
stuurwielverwarming om automatische
inschakeling van elektrische stuurverwarming te activeren/deactiveren.
> Er verschijnt een "A" bij de desbetreffende knop voor de elektrische stuurverwarming, wanneer de automatische
start is geactiveerd.
N.B.
Kort drukken - de luchtrecirculatie, airconditioning en luchtverdeling worden
automatisch geregeld.
Lang drukken - de luchtrecirculatie, airconditioning en luchtverdeling worden
automatisch geregeld, de temperatuur
en het ventilatorniveau worden gewijzigd in de standaardinstellingen: 22 °C
(72 °F) en niveau 3.
> De automatische klimaatregeling wordt
geactiveerd en de knop gaat branden.
•
Gerelateerde informatie
•
228
Elektrische stuurverwarming* activeren en
deactiveren (p. 227)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Luchtrecirculatie activeren en
deactiveren
De luchtrecirculatie houdt vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten door recirculatie
van de lucht in het interieur.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden
van het klimaatveld te tikken.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 223)
Timerinstelling voor luchtrecirculatie activeren en deactiveren (p. 229)
Timerinstelling voor
luchtrecirculatie activeren en
deactiveren
De luchtrecirculatie houdt vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten door recirculatie
van de lucht in het interieur.
U kunt instellen of een timer voor de luchtrecirculatie geactiveerd of gedeactiveerd moet
zijn. Met de timer geactiveerd wordt de luchtrecirculatie automatisch na 20 minuten uitgeschakeld.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm
op het middendisplay.
2. Druk op Klimaat.
2. Tik op Recirc..
> De luchtrecirculatie wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/dooft.
BELANGRIJK
3. Kies Recirculatietimer om de timer voor
de luchtrecirculatie te activeren/deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
Luchtrecirculatie activeren en deactiveren
(p. 229)
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
beslaat mogelijk de binnenzijde van de ruiten.
N.B.
De luchtrecirculatie is niet te activeren,
wanneer u de maximale ontwaseming hebt
ingeschakeld.
229
KLIMAAT
Maximale ontwaseming activeren
en deactiveren
Auto's met elektrische voorruitverwarming:
–
U kunt de maximale ontwaseming gebruiken
om de ruiten snel te ontwasemen en ontdooien.
Bij maximale ontwaseming worden de automatische klimaatregeling en de luchtrecirculatie gedeactiveerd, wordt de airconditioning
geactiveerd, de ventilatorstand gewijzigd in 5
en de temperatuur in HI.
N.B.
Het geluidsniveau neemt toe wanneer de
ventilatorstand wordt gewijzigd in 5.
Met elektrische voorruitverwarming* is de
maximale ontwaseming alleen individueel te
activeren vanuit het klimaatscherm op het
middendisplay.
Fysieke knop op de middenconsole.
Auto's zonder elektrische voorruitverwarming:
•
Elektrische voorruitverwarming en
maximale ontwaseming geactiveerd
N.B.
Druk op de knop.
> De maximale ontwaseming wordt
geactiveerd/gedeactiveerd en de knop
gaat branden/dooft.
Wanneer u de elektrische achterruitverwarming deactiveert door de knop tweemaal
snel in te drukken, wordt de maximale ontwaseming met enige vertraging ingeschakeld om een tijdelijke verhoging van de
ventilatorstand tegen te gaan.
Maximale ontwaseming activeren en
deactiveren vanaf middendisplay
1.
230
elektrische voorruitverwarming geactiveerd
Gedeactiveerd.
> De elektrische voorruitverwarming en
maximale ontwaseming worden geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
Maximale ontwaseming activeren en
deactiveren vanaf middenconsole
Op de middenconsole zit een fysieke knop
waarmee u rechtstreeks toegang hebt tot
maximale ontwaseming.
•
•
–
Bij deactivering van de maximale ontwaseming hervat de klimaatregeling de eerder verrichte instellingen.
Druk meerdere keren op de knop om de
drie standen te doorlopen:
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden
van het klimaatveld te tikken.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Elektrische voorruitverwarming*
activeren en deactiveren
2. Druk op Max.
> De maximale ontwaseming wordt
geactiveerd/gedeactiveerd en de knop
gaat branden/dooft.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 223)
–
De elektrische voorruitverwarming dient om
de voorruit snel van condens en ijs te ontdoen.
Elektrische voorruitverwarming
activeren en deactiveren vanaf
middenconsole
Druk meerdere keren op de knop om de
drie standen te doorlopen:
•
elektrische voorruitverwarming geactiveerd
•
Elektrische voorruitverwarming en
maximale ontwaseming geactiveerd
Gedeactiveerd.
> De elektrische voorruitverwarming en
maximale ontwaseming worden geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
•
Op de middenconsole zit een fysieke knop
waarmee u de elektrische voorruitverwarming
direct kunt bedienen.
Elektrische voorruitverwarming
activeren en deactiveren vanaf
middendisplay
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden
van het klimaatveld te tikken.
Fysieke knop op de middenconsole.
2. Druk op Elektrisch.
> De elektrische voorruitverwarming
wordt geactiveerd/gedeactiveerd en de
knop gaat branden/dooft.
}}
* Optie/accessoire. 231
KLIMAAT
||
N.B.
Aan de beide uiteinden van de voorruit zitten driehoekige gebieden zonder elektrische verwarming, zodat het ontdooien
daar mogelijk langer duurt.
N.B.
De elektrische voorruitverwarming kan de
prestaties van transponders en andere
communicatie-apparatuur beïnvloeden.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 223)
Automatische inschakeling van elektrische
voorruitverwarming* activeren en deactiveren (p. 232)
Automatische inschakeling van
elektrische voorruitverwarming*
activeren en deactiveren
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
activeren en deactiveren
De elektrische voorruitverwarming dient om
de voorruit snel van condens en ijs te ontdoen.
U kunt instellen of de automatische inschakeling van elektrische voorruitverwarming bij het
starten van de motor al dan niet geactiveerd
moet zijn. Met automatische inschakeling
geactiveerd zal de elektrische verwarming
starten, wanneer er gevaar bestaat voor ijsvorming of condens op de ruit. De elektrische verwarming wordt automatisch uitgeschakeld,
wanneer de ruit warm genoeg is en het ijs of
de condens is verdwenen.
De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming dient om de ruiten en buitenspiegels snel van condens en ijs te ontdoen.
1.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming activeren en
deactiveren vanaf middenconsole
Op de middenconsole zit een fysieke knop
waarmee u de elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming direct kunt bedienen.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Druk op Klimaat.
3. Kies Automatische voorruitverwarming
om automatische inschakeling van elektrische voorruitverwarming te activeren/
deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
232
Elektrische voorruitverwarming* activeren
en deactiveren (p. 231)
Fysieke knop op de middenconsole.
–
Druk op de knop.
> De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming worden geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming activeren en
deactiveren vanaf middendisplay
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden
van het klimaatveld te tikken.
2. Druk op Achter.
> De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming worden geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 223)
Automatische inschakeling van elektrische
achterruit- en buitenspiegelverwarming
activeren en deactiveren (p. 233)
Automatische inschakeling van
elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
activeren en deactiveren
De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming dient om de ruiten en buitenspiegels snel van condens en ijs te ontdoen.
U kunt instellen of de automatische inschakeling van elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming bij het starten van de motor al
dan niet geactiveerd moet zijn. Met automatische inschakeling geactiveerd zal de elektrische verwarming starten, wanneer er gevaar
bestaat voor ijsvorming of condens op de ruit.
De elektrische verwarming wordt automatisch
uitgeschakeld, wanneer de ruit warm genoeg
is en het ijs of de condens is verdwenen.
1.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden
van het klimaatveld te tikken.
2. Druk op Klimaat.
3. Kies Automatische
achterruitverwarming om automatische
inschakeling van elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming te activeren/
deactiveren.
•
2-zoneregeling ook achterin.
De ventilator is in te stellen op diverse automatisch geregelde ventilatorstanden voor de
voorstoelen.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Gerelateerde informatie
2 Bij
Ventilatorstand voorin2 regelen
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren
(p. 232)
Ventilatorstandknoppen op klimaatscherm.
2. Druk op de gewenste ventilatorstand: Off,
1-5 of Max.
> De ventilatorstand wordt aangepast,
waarna de knop voor de gekozen stand
gaat branden.
}}
233
KLIMAAT
||
BELANGRIJK
Als de ventilator volledig uitstaat, start de
airconditioning niet, waardoor er mogelijk
condens aan de binnenkant van de ruiten
optreedt.
Temperatuur voorin3 regelen
De temperatuur voor de klimaatzones voorin
is in te stellen op het gewenste aantal graden.
N.B.
De klimaatregeling past de luchtstroom zo
nodig automatisch aan, wat betekent dat
de ventilatorsnelheid kan veranderen
ondanks dat de ventilatorstand ongewijzigd is.
Temperatuurbediening.
2. Regel de temperatuur door:
•
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 223)
Temperatuurknoppen in het klimaatveld.
1.
Druk op de temperatuurknop voor de linker of rechter zone in het klimaatveld op
het middendisplay om de bediening te
openen.
de bediening naar de gewenste temperatuur te slepen, of
op +/− te drukken om de temperatuur
in stapjes te verhogen/verlagen.
> De temperatuur wordt aangepast,
waarna de knop de ingestelde temperatuur aangeeft.
•
N.B.
Het is niet mogelijk om het opwarmen/
afkoelen te versnellen door een hogere/
lagere temperatuur te kiezen dan die
eigenlijk gewenst is.
3 Bij
234
2-zoneregeling ook achterin.
KLIMAAT
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 223)
Temperatuur synchroniseren
De temperatuur in de verschillende klimaatzones van de auto is te synchroniseren met
de ingestelde temperatuur voor de bestuurderszijde.
wanneer u de temperatuurinstelling in een
andere klimaatzone dan de bestuurderszone
wijzigt.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 223)
Synchronisatieknop op temperatuurregeling bestuurderszone.
1.
Druk op de temperatuurknop voor de
bestuurderszone in het klimaatveld op het
middendisplay om de regeling te openen.
2. Druk op Temperatuur synchroniseren .
> De temperatuurinstelling voor alle klimaatzones van de auto wordt gesynchroniseerd met de ingestelde temperatuur voor de bestuurderszone en
naast de temperatuurknop staat het
synchronisatiesymbool.
De synchronisatie stopt wanneer u nogmaals
op Temperatuur synchroniseren drukt of
235
KLIMAAT
Airconditioning activeren en
deactiveren
De airconditioning koelt en droogt zo nodig
de binnenkomende lucht.
Bij een actieve airconditioning bepaalt de klimaatregeling op basis van de behoefte automatisch de tijdstippen voor in- en uitschakeling.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden
van het klimaatveld te tikken.
2. Tik op AC.
> De airconditioning wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/dooft.
N.B.
Het is niet mogelijk de airconditioning te
activeren, wanneer de ventilatorknop in
stand Off staat.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 223)
Parkeerklimaat
Parkeerklimaat is een verzamelnaam voor
verschillende functies die het klimaat in de
passagiersruimte van een geparkeerde auto
verbeteren, waaronder de preconditioning.
Functies die tot het parkeerklimaat
behoren zijn te regelen via tabblad
Parkeerklimaat op het klimaatscherm op het middendisplay. Het
klimaatscherm is te openen door op het symbool in het midden van het klimaatveld te tikken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Klimaatregeling (p. 212)
Preconditioning (p. 237)
Klimaatcomfort bij parkeren (p. 242)
Symbolen en meldingen voor parkeerklimaat (p. 244)
N.B.
Sluit alle zijramen en het panoramadak*,
zodat de airconditioning zo goed mogelijk
werkt.
236
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Preconditioning
N.B.
Preconditioning is een klimaatfunctie die,
indien mogelijk, probeert om vóór vertrek de
comforttemperatuur in het interieur te bereiken.
Preconditioning is alleen beschikbaar als
de auto is aangesloten op een stroomaansluiting4. Bij gebruik van een laadpaal met
een timerfunctie werkt de preconditioning
mogelijk niet.
Preconditioning is direct in te schakelen of via
een timer te programmeren.
Als de auto niet is aangesloten op een
stopcontact, is het bij warm weer toch
mogelijk om het interieur kortstondig te
koelen door de preconditioning direct te
starten.
De functie maakt afhankelijk van de situatie
gebruik van uiteenlopende systemen:
•
•
De standverwarming warmt bij koud weer
het interieur op tot de comforttemperatuur.
De elektrische stuurverwarming* en elektrische stoelverwarming* voor bestuurder
en passagier zijn naar wens te activeren.
•
De elektrische verwarming van voorruit,
achterruit en buitenspiegels wordt automatisch geactiveerd, wanneer dat nodig
is.
Bij preconditioning in warm weer kan er een
plasje water onder de auto ontstaan afkomstig
van de airco. Dit is normaal.
4 Geldt
voor een elektrische verwarming.
Preconditioning verwarmt of koelt het interieur vóór het rijden, indien mogelijk. De functie is vanaf het middendisplay of een mobiele
telefoon direct in te schakelen.
In- en uitschakelen vanuit de auto
1.
De airconditioning zorgt bij warm weer
voor afkoeling van het interieur naar de
comforttemperatuur.
•
Preconditioning in- en
uitschakelen
N.B.
Bij preconditioning van het interieur gaat
het erom de auto te verwarmen tot een
behaaglijke temperatuur te brengen en tot
de op de klimaatregeling ingestelde temperatuur.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerklimaat (p. 236)
Preconditioning in- en uitschakelen
(p. 237)
Timerinstelling voor preconditioning
(p. 239)
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden
van het klimaatveld te tikken.
2. Kies het tabblad Parkeerklimaat.
3. Geef aan of bij activering van de preconditioning ook de elektrische stoel- en stuurverwarming moeten worden ingeschakeld
door de desbetreffende vakjes aan/uit te
vinken.
4. Tik op Preconditioning.
> De preconditioning wordt ingeschakeld/uitgeschakeld en de knop gaat
branden/dooft.
}}
* Optie/accessoire. 237
KLIMAAT
||
N.B.
WAARSCHUWING
Preconditioning is alleen beschikbaar als
de auto is aangesloten op een stroomaansluiting5. Bij gebruik van een laadpaal met
een timerfunctie werkt de preconditioning
mogelijk niet.
Maak geen gebruik van de preconditioning6:
Als de auto niet is aangesloten op een
stopcontact, is het bij warm weer toch
mogelijk om het interieur kortstondig te
koelen door de preconditioning direct te
starten.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof, gassen, hoog gras, zaagsel en
dergelijke kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat van de verwarming is geblokkeerd.
Een pak sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan bijvoorbeeld de afvoer van de
verwarming onmogelijk maken.
N.B.
Houd de portieren en ruiten van de auto
dicht bij het gebruik van de preconditioning.
•
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden uitlaatgassen geproduceerd.
Preconditioning van het interieur is ook mogelijk via de afstandsstart auto (Engine Remote
Start – ERS)7 via de Volvo On Call-app*.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerklimaat (p. 236)
Preconditioning (p. 237)
Timerinstelling voor preconditioning
(p. 239)
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
Via de app starten*
Via een apparaat met de Volvo On Call-app* is
het mogelijk de preconditioning in te schakelen én informatie te krijgen over de gekozen
instellingen. Middels preconditioning is het
interieur vóór het wegrijden tot een comfortabele temperatuur te verwarmen of koelen
(gebruikmakend van de airconditioning).
5 Geldt voor een elektrische verwarming.
6 Geldt voor een verwarming op brandstof.
7 Bepaalde markten.
238
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Timerinstelling voor
preconditioning
•
Timerinstelling voor preconditioning activeren en deactiveren (p. 241)
U kunt de timer dusdanig instellen dat de
preconditioning gereed is op een bepaald
tijdstip.
De timer kan tot 8 verschillende instellingen
hanteren voor:
•
Timerinstelling voor preconditioning verwijderen (p. 241)
•
•
Timerinstelling voor
preconditioning toevoegen en
bewerken
De timer voor preconditioning kan tot 8 verschillende tijdstippen hanteren.
Tijdstip toevoegen
een tijdstip op een bepaalde datum
een tijdstip op een of meer dagen van de
week, voor eenmalige of terugkerende
activering.
N.B.
Preconditioning is alleen beschikbaar als
de auto is aangesloten op een stroomaansluiting8. Bij gebruik van een laadpaal met
een timerfunctie werkt de preconditioning
mogelijk niet.
Als de auto niet is aangesloten op een
stopcontact, is het bij warm weer toch
mogelijk om het interieur kortstondig te
koelen door de preconditioning direct te
starten.
De knop voor tijdstip toevoegen op het tabblad
Parkeerklimaat op het klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2. Kies het tabblad Parkeerklimaat.
Gerelateerde informatie
•
•
Preconditioning (p. 237)
Timerinstelling voor preconditioning toevoegen en bewerken (p. 239)
8 Geldt
voor een elektrische verwarming.
}}
239
KLIMAAT
||
3. Tik op Timer toevoegen.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
N.B.
7. Tik op Bevestig om het ingestelde tijdstip
toe te voegen.
> Het ingestelde tijdstip wordt toegevoegd aan de lijst en geactiveerd.
Het is niet mogelijk om meer tijdstippen te
programmeren, als er al 8 timerinstellingen
bestaan. Om een nieuw tijdstip te kunnen
toevoegen moet u eerst een ouder tijdstip
verwijderen.
WAARSCHUWING
Maak geen gebruik van de preconditioning9:
•
4. Tik op Datum om een tijdstip in te stellen
voor een bepaalde datum.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof, gassen, hoog gras, zaagsel en
dergelijke kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat van de verwarming is geblokkeerd.
Een pak sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan bijvoorbeeld de afvoer van de
verwarming onmogelijk maken.
Tik op Dagen om een tijdstip in te stellen
voor een of meer dagen van de week.
Met Dagen: Activeer/deactiveer de repeteerfunctie door het vakje voor Wekelijks
herhalen aan/uit te vinken.
5. Met Datum: Kies een datum voor de preconditioning door met de pijltoetsen in de
datumlijst te bladeren.
Met Dagen: Kies een dag van de week
voor de preconditioning door op de knoppen voor de dagen van de week te drukken.
6. Stel het tijdstip in dat de preconditioning
moet zijn afgerond door te bladeren met
de pijltoetsen op de klok.
9 Geldt
240
voor een verwarming op brandstof.
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden uitlaatgassen geproduceerd.
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
Timerinstelling bewerken
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2. Kies het tabblad Parkeerklimaat.
3. Tik op het tijdstip dat u wilt wijzigen.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
4. Bewerk het tijdstip op dezelfde manier als
bij "Tijdstip toevoegen" hierboven.
Gerelateerde informatie
•
•
Preconditioning (p. 237)
Timerinstelling voor preconditioning
(p. 239)
•
Timerinstelling voor preconditioning activeren en deactiveren (p. 241)
•
Timerinstelling voor preconditioning verwijderen (p. 241)
KLIMAAT
Timerinstelling voor
preconditioning activeren en
deactiveren
WAARSCHUWING
Maak geen gebruik van de preconditioning10:
Zo nodig kunt u een timertijdstip voor de preconditioning activeren of deactiveren.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2. Kies het tabblad Parkeerklimaat.
3. Activeer/deactiveer een tijdstip door op de
timerknop rechts van het desbetreffende
tijdstip te drukken.
> Het ingestelde tijdstip wordt geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
10
Geldt voor een verwarming op brandstof.
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof, gassen, hoog gras, zaagsel en
dergelijke kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat van de verwarming is geblokkeerd.
Een pak sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan bijvoorbeeld de afvoer van de
verwarming onmogelijk maken.
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
Timerknoppen op het tabblad Parkeerklimaat op klimaatscherm.
1.
•
Gerelateerde informatie
•
•
Preconditioning (p. 237)
Timerinstelling voor preconditioning
(p. 239)
•
Timerinstelling voor preconditioning toevoegen en bewerken (p. 239)
•
Timerinstelling voor preconditioning verwijderen (p. 241)
Timerinstelling voor
preconditioning verwijderen
Een timerinstelling voor de preconditioning
die u niet langer nodig hebt kunt u verwijderen.
De knop voor lijst bewerken/timerinstelling verwijderen op het tabblad Parkeerklimaat op het klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2. Kies het tabblad Parkeerklimaat.
3. Tik op Lijst bewerken.
4. Druk op het verwijderingspictogram
rechts in de lijst.
> Het pictogram verandert in de tekst
Wis.
}}
241
KLIMAAT
||
5. Druk ter bevestiging op Wis.
> Het ingestelde tijdstip wordt uit de lijst
verwijderd.
Gerelateerde informatie
•
•
Preconditioning (p. 237)
Timerinstelling voor preconditioning
(p. 239)
•
Timerinstelling voor preconditioning toevoegen en bewerken (p. 239)
•
Timerinstelling voor preconditioning activeren en deactiveren (p. 241)
Klimaatcomfort bij parkeren
Het interieurklimaat van de auto is tijdens het
parkeren nog enige tijd te handhaven, bijvoorbeeld als u of een of meer inzittenden na
uitschakeling van de motor in de auto willen
blijven zitten en het klimaatcomfort wensen
te handhaven.
Handhaving klimaatcomfort is alleen direct in
te schakelen.
De functie maakt afhankelijk van de situatie
gebruik van uiteenlopende systemen:
•
Bij koud weer wordt het interieur met de
restwarmte van de motor opgewarmd tot
de comforttemperatuur.
•
De ventilator koelt bij warm weer het interieur door lucht van buiten naar binnen te
blazen.
N.B.
Handhaving klimaatcomfort wordt uitgeschakeld als de auto van buitenaf wordt
vergrendeld om niet onnodig restwarmte
te gebruiken. De functie dient om het klimaatcomfort te behouden, wanneer u
en/of passagiers in de auto achterblijven.
Gerelateerde informatie
•
•
242
Parkeerklimaat (p. 236)
Klimaatcomfort tijdens het parkeren
inschakelen en uitschakelen (p. 242)
Klimaatcomfort tijdens het
parkeren inschakelen en
uitschakelen
Bij handhaving van het klimaatcomfort wordt
na afloop van een rit het interieurklimaat nog
enige tijd geregeld. De functie is vanaf het
middendisplay direct in te schakelen.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden
van het klimaatveld te tikken.
2. Kies het tabblad Parkeerklimaat.
3. Tik op Handhaaf klimaatcomfort.
> Handhaving klimaatcomfort wordt
ingeschakeld/uitgeschakeld en de knop
gaat branden/dooft.
N.B.
Het is niet mogelijk om de functie voor
handhaving van het klimaatcomfort te starten, als de restwarmte in de motor niet volstaat om het interieurklimaat op peil te
houden of als de buitentemperatuur hoger
is dan zo'n 20 °C (68 °F).
KLIMAAT
N.B.
Handhaving klimaatcomfort wordt uitgeschakeld als de auto van buitenaf wordt
vergrendeld om niet onnodig restwarmte
te gebruiken. De functie dient om het klimaatcomfort te behouden, wanneer u
en/of passagiers in de auto achterblijven.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatcomfort bij parkeren (p. 242)
243
KLIMAAT
Symbolen en meldingen voor
parkeerklimaat
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele
symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van het parkeerklimaat.
Symbool
Meldingen ten aanzien van het parkeerklimaat
zijn ook weer te geven op een eenheid met de
Volvo On Call*-app.
Melding
Betekenis
Parkeerklimaat
Parkeerklimaat is defect. Bezoek een werkplaatsA om de werking zo spoedig mogelijk te
laten controleren.
Service vereist
Parkeerklimaat
Tijdelijk niet beschikbaar
Parkeerklimaat
Niet beschikbaar, te laag brandstofniveauB
Parkeerklimaat
Niet beschikbaar Laadniveau te laag
11
244
Bij een actieve standverwarming
brandt dit symbool op het bestuurdersdisplay11.
Parkeerklimaat is tijdelijk defect. Als het probleem aanhoudt, neem dan contact op met
een werkplaatsA op het systeem te laten controleren.
Het parkeerklimaat is niet te activeren wanneer het brandstofpeil te gering is voor inschakeling van de standverwarming. Vul de brandstoftank bij.
Het parkeerklimaat is niet te activeren, wanneer de ladingsgraad van de hybride-accu te
gering is voor inschakeling van de standverwarming. Start de motor.
Geldt voor verwarming op brandstof.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Symbool
Melding
Betekenis
Parkeerklimaat
Het parkeerklimaat is niet te activeren, als de laadkabel niet is aangesloten. Sluit de laadkabel aan.
Niet beschikbaar, niet verbonden met
stroomnetC
Parkeerklimaat
Beperkt beschikbaar. Laadniveau te
laag
A
B
C
De inschakelduur van het parkeerklimaat is beperkt, omdat de ladingsgraad van de
hybride-accu te laag is. Start de motor.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Geldt voor verwarming op brandstof.
Geldt voor verwarming op stroom.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerklimaat (p. 236)
245
KLIMAAT
Verwarming
Accu en opladen
De verwarming heeft twee deelfuncties die in
verschillende situaties helpen om het interieur of de motor te verwarmen.
De verwarming wordt aangedreven door de
hybride-accu van de auto. Als de ladingsgraad
van de hybride-accu te laag is, wordt de verwarming automatisch uitgeschakeld en geeft
het bestuurdersdisplay een melding weer.
De verwarming heeft twee deelfuncties:
•
•
Standverwarming – verwarmt zo nodig
het interieur bij geactiveerde preconditioning.
Extra verwarming – verwarmt zo nodig
het interieur en de motor tijdens het rijden.
Afhankelijk van de markt wordt een verwarming op brandstof of een elektrische verwarming gebruikt12.
N.B.
Zorg ervoor dat het laadpercentage van de
accu hoog genoeg is als de verwarming
moet worden gebruikt.
Brandstof en tanken14
De verwarming is op de wielkast rechtsvoor
gemonteerd.
N.B.
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval dat u de verwarming nodig hebt.
Gemorste brandstof kan vlam vatten.
Schakel voordat u gaat tanken de verwarming op brandstof uit.
Wanneer de verwarming actief13 is, kan er
rook uit de wielkast rechtsvoor komen.
Ook is er wellicht een dof geluid hoorbaar.
Achter in de auto is ook een tikkend geluid
vanuit de brandstofpomp waar te nemen.
Dit is volkomen normaal.
Controleer op het informatiedisplay of de verwarming is uitgeschakeld; wanneer de standverwarming actief is, brandt het bijbehorende symbool op het informatiedisplay.
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
De verwarming maakt gebruik van brandstof
uit de normale brandstoftank van de auto.
246
Als het brandstofpeil in de tank te laag is,
wordt de verwarming automatisch uitgeschakeld en geeft het bestuurdersdisplay een melding weer.
WAARSCHUWING
N.B.
12
13
14
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de verwarming altijd voldoende brandstof.
Een erkende Volvo-dealer heeft informatie over welke markten welke verwarming gebruiken.
Geldt voor een verwarming op brandstof.
Geldt voor verwarming op brandstof.
KLIMAAT
Gerelateerde informatie
•
•
•
Klimaatregeling (p. 212)
Standverwarming (p. 247)
Extra verwarming (p. 248)
Standverwarming
De standverwarming verwarmt indien nodig
het interieur bij geactiveerde preconditioning.
De standverwarming is een van twee deelfuncties van de verwarming van de auto. De
verwarming is op de wielkast rechtsvoor
gemonteerd.
Wanneer dit symbool brandt op het
bestuurdersdisplay, is de standverwarming mogelijk actief15.
ingeschakeld, maar nooit langer dan 40 minuten.
N.B.
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval dat u de
standverwarming nodig hebt17.
Zorg dat de ladingsgraad van de hybrideaccu hoog genoeg is, als de parkeerverwarming moet worden gebruikt.
N.B.
Wanneer de verwarming actief16 is, kan er
rook uit de wielkast rechtsvoor komen.
Ook is er wellicht een dof geluid hoorbaar.
Achter in de auto is ook een tikkend geluid
vanuit de brandstofpomp waar te nemen.
Dit is volkomen normaal.
De standverwarming start automatisch, als de
preconditioning van de auto actief is en het
interieur moet worden verwarmd.
Afhankelijk van factoren als accuniveau, temperatuur passagiersruimte en omgevingstemperatuur is de verwarmer verschillend lang
15
16
17
Geldt voor verwarming op brandstof.
Geldt voor een verwarming op brandstof.
Geldt voor een verwarming op brandstof.
}}
247
KLIMAAT
||
WAARSCHUWING
Maak geen gebruik van de preconditioning18:
•
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof, gassen, hoog gras, zaagsel en
dergelijke kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat van de verwarming is geblokkeerd.
Een pak sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan bijvoorbeeld de afvoer van de
verwarming onmogelijk maken.
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
WAARSCHUWING
Als u brandstof ruikt, abnormaal veel rook
of zwarte rook ziet of ongebruikelijke geluiden vanuit de standverwarming waarneemt, moet u de verwarming19 uitschakelen en zo mogelijk de zekering van de
standverwarming verwijderen. Volvo adviseert u om voor reparatie contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
18
19
20
248
Geldt voor een verwarming op brandstof.
Geldt voor een verwarming op brandstof.
Geldt voor een verwarming op brandstof.
Gerelateerde informatie
•
•
Verwarming (p. 246)
Extra verwarming (p. 248)
Extra verwarming
De extra verwarming helpt bij het verwarmen
van de passagiersruimte en de motor tijdens
het rijden.
De extra verwarming is een van twee deelfuncties van de verwarming van de auto. De
verwarming is op de wielkast rechtsvoor
gemonteerd.
N.B.
Wanneer de verwarming actief20 is, kan er
rook uit de wielkast rechtsvoor komen.
Ook is er wellicht een dof geluid hoorbaar.
Achter in de auto is ook een tikkend geluid
vanuit de brandstofpomp waar te nemen.
Dit is volkomen normaal.
De extra verwarming start en wordt automatisch aangestuurd als tijdens het rijden verwarming nodig is.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer de auto wordt uitgeschakeld.
N.B.
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval dat u de
extra verwarming nodig hebt21.
KLIMAAT
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verwarming (p. 246)
Standverwarming (p. 247)
Automatische inschakeling van extra verwarming activeren en deactiveren
(p. 249)
Automatische inschakeling van
extra verwarming activeren en
deactiveren
Gerelateerde informatie
•
Extra verwarming (p. 248)
De extra verwarming helpt bij het verwarmen
van de passagiersruimte en de motor tijdens
het rijden.
U kunt de automatische inschakeling van de
extra verwarming desgewenst activeren/deactiveren.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Tik op Klimaat.
3. Kies Extra verwarming voor activeren/
deactiveren automatische inschakeling
van extra verwarming.
N.B.
Volvo adviseert u om de automatische start
van de extra verwarming uit te schakelen
tijdens korte ritten22.
N.B.
Als de automatische start van de extra verwarming wordt gedeactiveerd, kan dat tot
minder comfort in het interieur leiden,
omdat de klimaatregeling bij elektrische
aandrijving dan een verwarmingsbron mist.
21
22
Geldt voor een verwarming op brandstof.
Geldt voor een verwarming op brandstof.
249
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Vergrendelingsindicatie
De alarmlichten knipperen bij vergrendeling
of ontgrendeling van de auto.
Vergrendelings- en alarmindicatie op
het dashboard
Led in vergrendelingsknoppen
De vergrendelings- en alarmindicatie laat de
status van het vergrendelingssysteem zien:
Vergrendelingsknoppen met led in voorportier.
Voorportier
Indicatie exterieur
Vergrendeling
•
Bij vergrendeling knipperen de alarmlichten van de auto eenmaal en daarnaast
worden de buitenspiegels ingeklapt1.
Ontgrendelen
•
Bij ontgrendeling knipperen de alarmlichten van de auto tweemaal en daarnaast
worden de buitenspiegels uitgeklapt1.
Om aan te geven dat de auto vergrendeld is,
moeten alle portieren, de achterklep en de
motorkap dichtstaan. Als er wordt vergrendeld
terwijl alleen het bestuurdersportier dichtstaat2, vindt er vergrendeling plaats maar de
alarmlichten geven pas aan dat er vergrendeling heeft plaatsgevonden nadat alle portieren,
de achterklep en de motorkap dichtstaan.
•
Eenmaal lang knipperen betekent dat er
wordt vergrendeld.
•
Snel knipperen betekent dat de auto is
vergrendeld.
•
Snel knipperen na uitschakeling van het
alarm* geeft aan dat het alarm is afgegaan.
Als de led in de desbetreffende vergrendelingsknop van de voorportieren brandt, betekent dit dat alle portieren zijn vergrendeld. Als
er een portier wordt geopend, gaat het lampje
in beide portieren uit.
1 Alleen een auto met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
2 Geldt niet voor auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling*.
252
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Achterportier*
Instelling voor
vergrendelingsbevestiging
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelingsindicatie (p. 252)
In het instellingsmenu van het middendisplay
kunt u verschillende alternatieven kiezen voor
de wijze waarop de auto bevestigt dat er is
vergrendeld en ontgrendeld.
Om de instelling voor vergrendelingsbevestiging te wijzigen:
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Tik op My Car
Vergrendelingsknop met controlelampje in achterportier.
Als de led in de desbetreffende vergrendelingsknop van de portieren brandt, betekent
dit dat het desbetreffende portier is vergrendeld. Als er een portier wordt ontgrendeld,
gaat het bijbehorende lampje uit terwijl de
overige lampjes blijven branden.
Overige indicaties
Ook de Follow Me Home-verlichting en de
Approach-verlichting worden mogelijk geactiveerd bij vergrendeling en ontgrendeling.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Instelling voor vergrendelingsbevestiging
(p. 253)
Approach-verlichting (p. 168)
Follow Me Home-verlichting gebruiken
(p. 167)
Vergrendeling.
3. Tik op Visuele vergrendelingsfeedback
om de situaties te kiezen waarin de auto
een duidelijke bevestiging moet geven:
• Vergrend.
• Ontgrendel
• Beide
Of schakel de functie uit door Uit te markeren.
Om de instelling voor de inklapbare buitenspiegels* bij vergrendeling te wijzigen:
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Tik op My Car
Spiegels en Comfort.
3. Kies Spiegel inklappen bij vergrendelen
om de functie te activeren of te deactiveren.
* Optie/accessoire. 253
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
een transpondersleutel
Met de transpondersleutel zijn de portieren
en de achterklep te vergrendelen en ontgrendelen. De transpondersleutel moet in de auto
aanwezig zijn om deze te kunnen starten.
kleinere en lichtere transpondersleutel zonder
knoppen (Key Tag) geleverd.
ontgrendeld en wordt het alarm gedeactiveerd.
De transpondersleutels zijn te koppelen aan
verschillende bestuurdersprofielen om persoonlijke instellingen voor de auto op te slaan.
Bij lang indrukken worden alle ruiten tegelijkertijd gesloten. Deze doorluchtfunctie is
onder te meer te gebruiken om de auto bij
warm weer snel te luchten.
Knoppen op transpondersleutel
Transpondersleutel3 of transpondersleutel zonder
knoppen (Key Tag)*.
U gebruikt de transpondersleutel niet actief bij
het starten, omdat een auto in standaarduitvoering is uitgerust met ondersteuning voor
passief starten (Passive Start). Het is voldoende als de sleutel zich voor in het interieur
bevindt.
Bij auto's met passieve vergrendeling en ontgrendeling (Passive Entry)* is de auto altijd te
starten, ongeacht waar de sleutel zich in de
auto bevindt. In dat geval wordt ook een wat
3 De
254
De transpondersleutel heeft vier knoppen - een aan
de linker- en drie aan de rechterzijde.
Vergrendelen – Bij eenmaal indrukken
worden alle portieren, de achterklep en de
tankvulklep vergrendeld en wordt het
alarm* geactiveerd.
Bij lang indrukken worden alle ruiten en
het panoramadak* tegelijkertijd gesloten.
Achterklep – Ontgrendelt alleen de achterklep en deactiveert de alarmfunctie
voor de achterklep. Bij auto's met elektrische achterklepbediening* is de achterklep automatisch te openen bij lang
indrukken. De achterklep is in het gegeven
geval ook te sluiten door lang indrukken –
er klinken waarschuwingssignalen.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de knop ten minste 3 seconden lang
ingedrukt houdt of tweemaal achtereen
binnen 3 seconden indrukt, worden de
richtingaanwijzers, de interieurverlichting
en de claxon geactiveerd. U kunt deze
functie met dezelfde toets weer uitschakelen, als de functie minimaal 5 seconden
actief geweest is. Anders wordt deze
functie na zo'n 3 minuten automatisch uitgeschakeld.
Ontgrendelen – Bij eenmaal indrukken
worden alle portieren en de achterklep
afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
WAARSCHUWING
Als iemand in de auto achterblijft, moet u
bij het verlaten van de auto altijd de elektrisch bedienbare ruiten en het panoramadak* stroomloos maken door de transpondersleutel mee te nemen.
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met
de transpondersleutel nog in de auto.
•
•
Wanneer u de auto vergrendelt en het
alarm inschakelt met een geldige
transpondersleutel, wordt een eventuele andere transpondersleutel of een
transpondersleutel zonder knoppen in
de auto gedeactiveerd. Ook de "Safelock-functie" wordt gedeactiveerd. De
gedeactiveerde sleutel wordt opnieuw
geactiveerd bij ontgrendeling van de
auto.
En Red Key die in de auto blijft liggen
wordt ook gedeactiveerd, wanneer u
de auto vergrendelt via Volvo On Call.
De sleutel wordt opnieuw geactiveerd
bij ontgrendeling van de auto via Volvo
On Call of bij het indrukken van de ontgrendelingsknop op een andere geldige sleutel.
Transpondersleutel zonder knoppen
(Key Tag)*
De transpondersleutel zonder knoppen die bij
een auto met passieve vergrendeling en ontgrendeling wordt geleverd, werkt op dezelfde
manier als de reguliere transpondersleutel wat
de passieve vergrendeling en ontgrendeling
betreft. De sleutel is waterdicht tot een diepte
van zo'n 10 meter (30 feet) gedurende 60
minuten. De sleutel heeft echter geen uitneembare sleutelblad en de batterij is niet te
vervangen.
Red Key transpondersleutel met
beperkte functionaliteit*
Bij een auto met een Red Key zijn beperkingen in te stellen voor bepaalde eigenschappen
van de auto, bijv. de maximale rijsnelheid en
het maximale volume voor het luidsprekersysteem. Een sleutel voor autobezitters die ervoor
willen zorgen dat eventuele gastbestuurders
op een verantwoorde manier in de auto rijden.
N.B.
Bewaar de transpondersleutel niet te dicht
in de buurt van metalen voorwerpen of
elektronische apparaten zoals mobiele
telefoons, tablets, laptops of laders – op
een afstand kleiner dan 10-15 cm
(4-6 inch).
Als er toch storingen mochten optreden,
gebruikt u het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel om de auto te ontgrendelen en u plaatst de sleutel vervolgens in de
back-uplezer in de bekerhouder om het alarmsysteem van de auto te deactiveren en de auto
te kunnen starten.
N.B.
Zorg ervoor dat er geen andere autosleutels, metalen voorwerpen of elektronische
apparaten (zoals mobiele telefoons,
tablets, laptops of laders) in de bekerhouder liggen, wanneer u de transpondersleutel in de bekerhouder plaatst. Als er zich
meerdere sleutels in de bekerhouder bevinden, kunnen deze elkaar storen.
Storingen
De passieve startfunctie van de transpondersleutel en de optie passief vergrendelen en
ontgrendelen* ondervinden mogelijk storingen
door elektromagnetische velden en afschermingen.
Gerelateerde informatie
•
•
Motor starten (p. 458)
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 256)
}}
* Optie/accessoire. 255
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
•
•
Bereik transpondersleutel (p. 259)
•
•
•
Afneembaar sleutelblad (p. 265)
Batterij in transpondersleutel vervangen
(p. 260)
Elektronische startblokkering (p. 268)
Transpondersleutel koppelen aan bestuurdersprofiel (p. 143)
Vergrendelen en ontgrendelen met
transpondersleutel
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met
de transpondersleutel nog in de auto.
Met de knoppen op de transpondersleutel
kunt u alle portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendelen en ontgrendelen.
Wanneer u de auto vergrendelt en het
alarm inschakelt met een geldige
transpondersleutel, wordt een eventuele andere transpondersleutel of een
transpondersleutel zonder knoppen in
de auto gedeactiveerd. Ook de "Safelock-functie" wordt gedeactiveerd. De
gedeactiveerde sleutel wordt opnieuw
geactiveerd bij ontgrendeling van de
auto.
•
En Red Key die in de auto blijft liggen
wordt ook gedeactiveerd, wanneer u
de auto vergrendelt via Volvo On Call.
De sleutel wordt opnieuw geactiveerd
bij ontgrendeling van de auto via Volvo
On Call of bij het indrukken van de ontgrendelingsknop op een andere geldige sleutel.
Vergrendelen met transpondersleutel
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk
van het model afwijkingen mogelijk zijn.
–
Druk voor vergrendeling van de auto op de
-knop van de transpondersleutel.
Vergrendeling is alleen mogelijk, als alle portieren en de achterklep dichtstaan.
256
•
Ontgrendelen met transpondersleutel
–
Druk voor ontgrendeling van de auto op
de -knop van de transpondersleutel.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na ontgrendeling
van de buitenzijde met de transpondersleutel
opent, worden deze automatisch weer vergrendeld. Deze functie beperkt de kans dat u
de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan.
Wanneer de transpondersleutel niet
werkt
•
Vergrendelen en ontgrendelen met
afneembaar sleutelblad (p. 267)
Instellingen voor ontgrendeling op
afstand en van de binnenzijde
U kunt verschillende procedures voor externe
ontgrendeling kiezen.
Om de instelling te wijzigen:
1.
2. Tik op My Car Vergrendeling Op
afstand en van binnenuit ontgrendelen.
3. Kies een alternatief:
N.B.
• Alle portieren – ontgrendelt alle portieren tegelijkertijd.
Ga altijd dichter bij de auto staan en probeer dan opnieuw te ontgrendelen.
Als vergrendelen of ontgrendelen via de transpondersleutel niet mogelijk is, is de batterij
mogelijk leeg – vergrendel of ontgrendel het
bestuurdersportier dan met het afneembare
sleutelblad.
Gerelateerde informatie
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
•
Een portier – ontgrendelt alleen het
bestuurdersportier. Om alle portieren te
ontgrendelen moet u de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel
tweemaal indrukken.
De instellingen die u hier verricht zijn ook van
invloed op de centrale vergrendeling via de
openingsgreep aan de binnenzijde.
Gerelateerde informatie
Instellingen voor ontgrendeling op afstand
en van de binnenzijde (p. 257)
•
•
Achterklep ontgrendelen met transpondersleutel (p. 258)
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 256)
•
•
•
een transpondersleutel (p. 254)
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 283)
•
Batterij in transpondersleutel vervangen
(p. 260)
257
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Achterklep ontgrendelen met
transpondersleutel
Met een knop op de transpondersleutel is het
mogelijk alleen de achterklep te ontgrendelen.
1.
op de transponderDruk op de knop
sleutel.
> De achterklep wordt ontgrendeld maar
blijft dichtstaan.
De zijportieren blijven vergrendeld en
het alarm op de portieren blijft actief*.
De vergrendelings- en alarmindicatie op
het dashboard dooft om aan te geven
dat niet alle delen van de auto zijn vergrendeld.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 256)
•
Elektrisch bedienbare achterklep* openen
en sluiten (p. 287)
Raak het met rubber beklede drukplatje onder aan de handgreep van de achterklep voorzichtig aan om de achterklep te openen. Als de achterklep niet
binnen 2 minuten na ontgrendeling
wordt geopend, wordt de klep weer
vergrendeld en het alarm opnieuw
geactiveerd.
2. Met de optie elektrische achterklepbediening* Druk lang (zo'n 1,5 seconde) op de knop
van de transpondersleutel
> De achterklep wordt ontgrendeld en
geopend, terwijl de zijportieren vergrendeld blijven en het alarm op de portieren actief blijft.
258
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Bereik transpondersleutel
Voor een goede werking van de transpondersleutel moet de sleutel zich binnen een
bepaalde afstand van de auto bevinden.
Bij handmatig gebruik
De transpondersleutelfuncties voor bijvoorbeeld vergrendeling en ontgrendeling die worof
den geactiveerd bij het indrukken van
, werken binnen een straal van zo'n
20 meter (65 voet) rond de auto.
Als de auto niet reageert bij bediening van een
knop – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
Bij passief* gebruik
Voor passieve vergrendeling/ontgrendeling
moet een transpondersleutel of de transpondersleutel zonder knoppen Key Tag zich binnen een straal van zo'n 1,5 meter (5 voet) rond
de zijkanten of zo'n 1 meter (3 voet) rond de
achterklep van de auto bevinden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
een transpondersleutel (p. 254)
Locatie antennes voor start- en vergrendelingssysteem (p. 282)
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en
aanraakgevoelige zones* (p. 279)
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de transpondersleutelfuncties door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d. Het is altijd
mogelijk de auto te vergrendelen/ontgrendelen met het sleutelblad.
Bij verwijdering van de
transpondersleutel uit de auto
Als de transpondersleutel bij een
draaiende motor uit de auto wordt
verwijderd, verschijnt de waarschuwingsmelding Sleutel niet
gevonden Uit auto verwijderd op het
bestuurdersdisplay en klinkt er als het laatste
portier wordt gesloten ter herinnering ook een
geluidssignaal.
Het gemarkeerde gebied op de afbeelding geeft het
bereik van de systeemantennes aan.
De melding verdwijnt wanneer u, nadat de
transpondersleutel weer in de auto aanwezig
is, op de knop O van de rechter stuurknoppenset drukt of wanneer u het laatste portier weer
sluit.
* Optie/accessoire. 259
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Batterij in transpondersleutel
vervangen
Vervang de batterij in de transpondersleutel
wanneer deze leeg is.
N.B.
Alle accu's hebben een beperkte levensduur en moeten uiteindelijk worden vervangen (geldt niet voor Key Tag). De levensduur van de accu hangt af van het feit hoe
vaak de auto/sleutel wordt gebruikt.
U moet de batterij in de transpondersleutel
vervangen in de volgende gevallen
260
•
het informatiesymbool gaat branden en de
melding Batt. sleutel bijna leeg op het
bestuurdersdisplay verschijnt
•
de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van
20 meter (65 voet) rond de auto bevindt.
4 Bij
auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling*.
N.B.
Sleutel openen en batterij vervangen
Ga altijd dichter bij de auto staan en probeer dan opnieuw te ontgrendelen.
De batterij in de transpondersleutel zonder
knoppen4 (Key Tag) kan niet worden vervangen - een nieuwe sleutel is te bestellen bij een
erkende Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Lever een uitgediende Key Tag in bij een
erkende Volvo-werkplaats. De sleutel moet
uit de auto worden gewist, omdat die nog
steeds kan worden gebruikt om de auto te
starten met back-upstart.
Houd de transpondersleutel met de
voorzijde zichtbaar en het logo van Volvo
naar de juiste kant. Schuif de knop bij de
sleutelring aan de onderkant naar rechts.
Schuif de behuizing aan de voorkant een
paar millimeter omhoog.
De behuizing komt los en is van de
sleutel te nemen.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Keer de sleutel om, beweeg de knop
opzij en schuif de behuizing van de achterkant enkele millimeters omhoog.
De behuizing komt los en is van de
sleutel te nemen.
Gebruik bijvoorbeeld een schroevendraaier om het batterijklepje linksom te
kunnen draaien, zodat deze markering uitkomt bij de tekst OPEN.
Verwijder voorzichtig het batterijklepje
door bijvoorbeeld uw nagel in de uitsparing te drukken.
Werk het batterijklepje vervolgens naar
boven toe los.
De +-kant van de batterij wijst naar boven.
Wrik vervolgens de batterij voorzichtig los
zoals op de afbeelding.
BELANGRIJK
Raak nieuwe accu's en hun contactvlakken
niet met uw vingers aan, aangezien de
werking hierdoor verslechtert.
}}
261
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
N.B.
Volvo adviseert u om batterijen voor de
transpondersleutel te gebruiken die voldoen aan UN Manual of Test and Criteria,
Part III, sub-section 38.3. Voor batterijen
die in de fabriek zijn geplaatst of in een
erkende Volvo-werkplaats zijn vervangen is
dit het geval.
Plaats een nieuwe batterij met de pluszijde (+) omhoog. Vermijd de batterijcontacten van de transpondersleutel met uw
vingers aan te raken.
Plaats de behuizing aan de achterkant
terug en druk die omlaag totdat u een klik
hoort.
Schuif daarna de behuizing terug.
> Nog een klik geeft aan dat de behuizing
weer in positie vastzit.
Plaats de batterij met de kant omlaag
in de houder. Schuif de batterij daarna
naar voren, zodat deze vast komt te zitten
onder de twee kunststof pallen.
Druk de batterij vervolgens omlaag,
zodat deze vast komt te zitten onder de
bovenste zwarte kunststof pal.
N.B.
Gebruik batterijen met de aanduiding
CR2032, 3 V.
262
Plaats het batterijklepje terug en draai de
markering rechtsom terug naar de tekst
CLOSE.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Keer de transpondersleutel om en
plaats de behuizing aan de voorkant terug
door deze omlaag te drukken totdat u een
klik hoort.
Schuif daarna de behuizing terug.
> Nog een klik geeft aan dat de behuizing
in positie zit.
BELANGRIJK
Let erop dat lege batterijen op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt.
•
•
Red Key – transpondersleutel met
beperkte functionaliteit*
Bij de auto worden twee transpondersleutels
geleverd. Bij een auto met passieve vergrendeling/ontgrendeling* wordt een transpondersleutel zonder knoppen geleverd. Er zijn
meer sleutels bij te stellen.
Voor dezelfde auto kunnen maximaal twaalf
sleutels worden geprogrammeerd en gebruikt.
Bij nabestellen worden er meer bestuurdersprofielen toegevoegd – één per nieuwe transpondersleutel. Dit geldt ook voor de transpondersleutel zonder knoppen.
Dankzij een Red Key kan de autobezitter
beperkingen instellen voor bepaalde eigenschappen van de auto. Dergelijke beperkingen moeten ervoor zorgen dat de auto op veilige wijze wordt bestuurd, zoals bij het uitlenen.
Zoekgeraakte transpondersleutel
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u
een nieuwe bestellen bij een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Neem de resterende transpondersleutels mee naar de werkplaats. Ter preventie van
diefstal moet de code van de zoekgeraakte
sleutel uit het systeem worden gewist.
Motor starten (p. 458)
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren via de bestuurdersprofielen op het hoofdscherm van het
middendisplay: kies Instellingen Systeem
Bestuurdersprofielen.
een transpondersleutel (p. 254)
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
•
Meer transpondersleutels
nabestellen
Vergrendelen en ontgrendelen met
afneembaar sleutelblad (p. 267)
•
een transpondersleutel (p. 254)
Voor een Red Key kunt u de maximale rijsnelheid programmeren, snelheidswaarschuwingen instellen en beperkingen instellen voor het
maximale volume van het audiosysteem.
Bovendien zijn bepaalde rijhulpsystemen van
de auto altijd actief. De functies van deze sleutel zijn verder gelijk aan die van een standaardtranspondersleutel.
De beperkte functionaliteit dient uit voorzorg
om het risico van ongelukken te beperken,
zodat u zich minder zorgen hoeft te maken bij
}}
* Optie/accessoire. 263
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
het afgeven van uw auto aan bijvoorbeeld
jonge bestuurders en parkeer- of hotelbedienden.
Red Key- bestuurdersprofiel
Een Red Key is gekoppeld aan een bepaald
Red Key-bestuurdersprofiel en wanneer dit
profiel actief is, zijn de sleutelinstellingen niet
te wijzigen. Het is evenmin mogelijk om over
te schakelen op een ander bestuurdersprofiel,
want daarvoor hebt u een standaardtranspondersleutel nodig.
Het Red Key-bestuurdersprofiel wordt geactiveerd, wanneer u de auto ontgrendelt via een
Red Key zonder dat er een standaardtranspondersleutel in de buurt is.
N.B.
Na het wisselen van bestuurder moet u
voor activering van een nieuw bestuurdersprofiel de auto eerst vergrendelen en weer
ontgrendelen.
Red Key bestellen
U kunt een of meer Red Key bestellen bij een
Volvo-dealer. Er zijn in totaal elf transpondersleutels met beperkte functionaliteit te programmeren en te gebruiken voor één en
dezelfde auto – er moet minstens één transpondersleutel in standaarduitvoering aan de
auto zijn gekoppeld.
264
Gerelateerde informatie
•
•
Instellingen voor Red Key* (p. 264)
een transpondersleutel (p. 254)
Instellingen voor Red Key*
De bezitter van een standaardtranspondersleutel kan de instellingen voor een Red Key
wijzigen. Bepaalde rijhulpsystemen zijn echter altijd actief.
Om de instelling te wijzigen:
1.
Vergrendel de auto met de standaardtranspondersleutel.
2. Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
3. Tik op Systeem Bestuurdersprofielen
Rode sleutel.
> De volgende instellingen zijn mogelijk:
• Stel interval Adaptive Cruise
Control in*
• Beperkt maximum volume
• Maximum snelheid
• Waarschuwing max. snelheid
Gedetailleerde informatie en
instellingen bij het eerste gebruik
Stel interval Adaptive Cruise Control in
Interval instellen (1 is kortste en 5 is
langste interval).
Bij het eerste gebruik is de instelling 5.0.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Beperkt maximum volume
Lager maximum volume voor
mediabronnen.
Bij het eerste gebruik staat de functie "Aan".
Maximum snelheid
Maximum snelheid inst. voor sleutel.
Bij het eerste gebruik staat de functie "Aan"
en is de snelheid 120 km (75 mph).
•
Instelinterval: 50-250 km/h
(30-160 mph)
•
Stapgrootte: 1 km/h (1 mph)
Symbool voor snelheidsbegrenzing.
Waarschuwing max. snelheid
Waarsch. als auto ingest. waarden
overschrijdt.
Bij het eerste gebruik staat de functie "Aan"
en worden de snelheidswaarden 50, 70 en
90 km (30, 45 en 55 mph) gehanteerd.
•
•
•
Instelinterval: 0-250 km/h (0-160 mph)
•
•
•
•
•
•
Blind Spot Information (BLIS)*
Afneembaar sleutelblad
Rijbaanassistent (LKA)*
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad, waarmee u een aantal
functies kunt activeren en bepaalde handelingen kunt uitvoeren.
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Afstandswaarschuwing*
City Safety
Driver Alert Control (DAC)*
Verkeersbordinformatie*
Gerelateerde informatie
•
Red Key – transpondersleutel met
beperkte functionaliteit* (p. 263)
Toepassingsgebieden van het
sleutelblad
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om
•
het linker voorportier5 handmatig te openen, als de centrale vergrendeling niet te
bedienen is vanaf de transpondersleutel
•
alle portieren in noodgevallen te vergrendelen
•
het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren en deactiveren.
De transpondersleutel zonder knoppen6 heeft
geen afneembaar sleutelblad. Gebruik zo
nodig het afneembare sleutelblad van de standaardtranspondersleutel.
Stapgrootte: 1 km/h (1 mph)
Maximumaantal gelijktijdige waarschuwingen: 6
Rijhulpsystemen
De volgende rijhulpsystemen zijn altijd actief
voor gebruikers met een Red Key:
}}
* Optie/accessoire. 265
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Sleutelblad verwijderen
Houd de transpondersleutel met de
voorzijde zichtbaar en het logo van Volvo
naar de juiste kant. Schuif de knop bij de
sleutelring aan de onderkant naar rechts.
Schuif de behuizing aan de voorkant een
paar millimeter omhoog.
Zet het sleutelblad na gebruik op de daarvoor bestemde plaats terug in de transpondersleutel.
Verwijder het sleutelblad door het
omhoog te kantelen.
Plaats de behuizing terug door deze
omlaag te drukken totdat u een klik hoort.
Schuif daarna de behuizing terug.
> Nog een klik geeft aan dat de behuizing
in positie zit.
De behuizing komt los en is van de
sleutel te nemen.
Gerelateerde informatie
5 Dit geldt ongeacht of het stuur van de auto aan de linker6 Bij auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling*.
266
of de rechterzijde zit.
•
Vergrendelen en ontgrendelen met
afneembaar sleutelblad (p. 267)
•
een transpondersleutel (p. 254)
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Vergrendelen en ontgrendelen met
afneembaar sleutelblad
5. Trek de handgreep naar buiten.
> Het portier wordt ontgrendeld.
Het afneembare sleutelblad is onder meer te
gebruiken om de auto van de buitenzijde te
ontgrendelen – als bijvoorbeeld de batterij in
de transpondersleutel leeg is.
Het vergrendelen gaat op dezelfde manier.
Daarbij wordt dan bij stap (3) 45 graden
linksom gedraaid in plaats van rechtsom.
Ontgrendelen
Alarm uitschakelen en auto starten*
N.B.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendelt en vervolgens opent, gaat het
alarm af.
7
Dit geldt ongeacht of het stuur van de auto links of rechts zit.
U kunt de auto ook vergrendelen met het
afneembare sleutelblad van de transpondersleutel: bij stroomuitval bijvoorbeeld of als de
batterij in de transpondersleutel leeg is.
Het linker voorportier is te vergrendelen met
de bijbehorende slotcilinder en het afneembare sleutelblad.
De portieren zijn echter nog steeds vanaf de
binnenzijde te openen.
Plaats de sleutel in de slotcilinder.
Draai de sleutel 45 graden terug naar de
beginstand. Neem de sleutel uit de slotcilinder en laat de handgreep los, zodat de
achterkant van de handgreep weer tegen
de auto aan veert.
Vergrendelen
De overige portieren hebben geen slotcilinders, maar zijn voorzien van een vergrendeling
op de zijkant van het portier die moet worden
ingedrukt met het sleutelblad, waarna het portier mechanisch is vergrendeld en niet meer
van de buitenzijde kan worden geopend.
Trek de voorste portiergreep links naar
buiten7 totdat deze niet verder kan. De
slotcilinder komt dan tevoorschijn.
Draai 45 graden rechtsom. Het sleutelblad
wijst dan recht omlaag.
2. Draai de startknop vervolgens rechtsom
en laat de knop weer los.
> Het alarmsignaal valt stil en het alarm
wordt uitgeschakeld.
Positie back-uplezer in bekerhouder.
Schakel het alarm uit door:
1.
Plaats de transpondersleutel op het sleutelsymbool in de back-uplezer onder in de
bekerhouder van de tunnelconsole.
}}
* Optie/accessoire. 267
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
N.B.
•
De vergrendeling van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet alle portieren.
•
Een handmatig vergrendeld achterportier waarvan ook het mechanische kinderslot geactiveerd is, kan niet van de
binnenzijde noch van de buitenzijde
worden geopend. Een achterportier
dat op die manier is vergrendeld, kan
alleen worden ontgrendeld met een
transpondersleutel of de knop van de
centrale vergrendeling.
Portier handmatig vergrendelen. Niet te verwarren
met het kinderslot.
–
Verwijder het afneembare sleutelblad uit
de transpondersleutel. Steek het sleutelblad in de vergrendelopening en druk de
sleutel er helemaal in, ca. 12 mm (0,5
inch).
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde
als vanaf de binnenzijde te openen.
Het portier is niet vanaf de buitenzijde te
openen. Om terug te keren naar stand A
moet de binnengreep van het portier worden geopend.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Motor starten (p. 458)
Afneembaar sleutelblad (p. 265)
Alarm* activeren en deactiveren (p. 295)
Batterij in transpondersleutel vervangen
(p. 260)
een transpondersleutel (p. 254)
De portieren zijn ook te ontgrendelen met de
ontgrendelingsknop op de transpondersleutel
of de knop voor centrale vergrendeling op het
bestuurdersportier.
8 Alleen
268
Elektronische startblokkering
De elektronische startblokkering is een antidiefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de auto kunnen starten.
De auto kan alleen worden gestart met de
juiste transpondersleutel.
De volgende foutmelding op het bestuurdersdisplay houdt verband met de elektronische
startblokkering:
Symbool
Melding
Betekenis
Sleutel
niet
gevonden
Fout bij het uitlezen van de transpondersleutel tijdens het starten –
plaats de sleutel
op het sleutelsymbool in de bekerhouder en probeer
het opnieuw.
Zie handleiding
Op afstand bediende startblokkering
met opsporingssysteem8
De auto is uitgerust met een systeem waarmee het mogelijk is om de auto op te sporen
en te lokaliseren alsmede op afstand de startblokkering te activeren zodat de motor niet
meer te starten is. Neem contact op met de
bepaalde markten en uitsluitend in combinatie met Volvo On Call.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
dichtstbijzijnde Volvo-dealer voor meer informatie over het systeem en hulp bij de activering ervan.
De volgende foutmelding op het bestuurdersdisplay houdt verband met de op afstand
bediende startblokkering met opsporingssysteem:
Symbool
Melding
Betekenis
Immobilisatie op
afst.
De op afstand
bediende startblokkering met
opsporingssysteem is geactiveerd. De auto is
niet te starten.
Neem contact op
met de Volvo On
Call-helpdesk.
Auto kan
niet worden
gestart
Gerelateerde informatie
•
•
een transpondersleutel (p. 254)
Meer transpondersleutels nabestellen
(p. 263)
269
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Typegoedkeuring voor
transpondersleutels
De typegoedkeuring voor de transpondersleutels van de auto staan in de volgende
tabellen.
Voor gedetailleerde informatie over typegoedkeuring gaat u naar
www.volvocars.com.
Passief starten (Passive Start) en
passieve vergrendeling/ontgrendeling
(Passive Entry*)
CEM-markering voor transpondersleutels. Zie de volgende tabellen voor aanvullende typegoedkeuringsnummers.
Land/regio
Typegoedkeuring
Europa
Delphi Deutschland GmbH, 42367 Wuppertal, verklaart bij dezen dat de
VO3-134TRX in overeenstemming is met de essentiële eisen en overige
toepasselijke bepalingen van de Richtlijn 2014/53/EU (RED).
De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring is te vinden op
support.volvocars.com.
270
Jordanië
TRC/LPD/2014/250
Servië
P1614120100
Argentinië
CNC ID: C-14771
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Brazilië
MT-3245/2015
Indonesië
Nomor: 38301/SDPPI/2015
Maleisië
RAAT/37A/1215/S(15-5198)
Mexico
IFETEL: RLVDEVO15-0396
Rusland
Verenigde Arabische
Emiraten
ER37847/15
DA0062437/11
}}
271
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Land/regio
Typegoedkeuring
Namibië
TA-2016-02
Zuid-Afrika
TA-2014-1868
een transpondersleutel
Land/regio
Typegoedkeuring
Europa
Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG verklaart bij dezen dat de radioapparatuur van het type HUF8423 in overeenstemming is met de Richtlijn
2014/53/EU.
De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring is te vinden op
support.volvocars.com.
Frequentieband: 433,92 MHz
Uitgezonden maximaal radiofrequent vermogen: 10 mW
Producent: Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG, Steeger Str. 17, 42551 Velbert, Duitsland
Jordanië
272
TRC/LPD/2015/104
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Marokko
AGREE PAR L'ANRT MAROC
Numéro d’agrément: MR 10668 ANRT 2015
Date d’agrément: 24/07/2015
Mexico
IFETEL
Marca: HUF
Modelo (s): HUF8423
NOM-121-SCT1-2009
La operación de este equipo está sujeta a las siguientes dos condiciones: (1) es
posible que este equipo o dispositivo no cause interferencia perjudicial y (2)
este equipo o dispositivo debe aceptar cualquier interferencia, incluyendo la
que pueda causar su operación no deseada.
Namibië
TA-2015-102
}}
273
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Land/regio
Oman
Servië
274
Typegoedkeuring
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Zuid-Afrika
TA-2015-432
Verenigde Arabische Emiraten
Key Tag
Land/regio
Typegoedkeuring
Europa
Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG verklaart bij dezen dat de radioapparatuur van het type HUF8432 in overeenstemming is met de Richtlijn
2014/53/EU.
De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring is te vinden op
support.volvocars.com.
Frequentieband: 433,92 MHz
Uitgezonden maximaal radiofrequent vermogen: 10 mW
Producent: Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG, Steeger Str. 17, 42551 Velbert, Duitsland
Jordanië
TRC/LPD/2015/107
}}
275
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Land/regio
Typegoedkeuring
Marokko
AGREE PAR L'ANRT MAROC
Numéro d’agrément: MR 10667 ANRT 2015
Date d’agrément: 24/07/2015
Mexico
IFETEL
Marca: HUF
Modelo (s): HUF8432
NOM-121-SCT1-2009
La operación de este equipo está sujeta a las siguientes dos condiciones: (1) es
posible que este equipo o dispositivo no cause interferencia perjudicial y (2)
este equipo o dispositivo debe aceptar cualquier interferencia, incluyendo la
que pueda causar su operación no deseada.
Namibië
276
TA-2015-103
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Oman
Servië
}}
277
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Land/regio
Typegoedkeuring
Zuid-Afrika
TA-2015-414
Verenigde Arabische Emiraten
Gerelateerde informatie
•
278
een transpondersleutel (p. 254)
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Keyless vergrendeling/
ontgrendeling en aanraakgevoelige
zones*
Dankzij de passieve vergrendeling en ontgrendeling hoeft u de transpondersleutel
alleen in een binnenzak of tas bij u te dragen.
De auto wordt vergrendeld of ontgrendeld via
een aanraakgevoelige zone op de portiergreep.
N.B.
Het is belangrijk dat u slechts één aanraakgevoelig vlak tegelijk aanraakt. Als u de
handgreep beetpakt terwijl u het slotoppervlak aanraakt, bestaat het risico van
dubbele commando's. Dat betekent dat de
verlangde activiteit (vergrendelen/ontgrendelen) niet of met vertraging zal plaatsvinden.
Gerelateerde informatie
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 280)
•
Achterklep passief ontgrendelen* (p. 281)
Aanraakgevoelige zones
Portiergrepen
Aan de buitenkant van de portiergrepen zit
een verdieping voor vergrendeling en aan de
binnenkant een aanraakgevoelige zone voor
ontgrendeling.
Aanraakgevoelige holte voor vergrendeling
Aanraakgevoelige zone voor ontgrendeling
Handgreep van de achterklep
De handgreep van de achterklep heeft een
met rubber bekleed drukplaatje, dat alleen
voor ontgrendeling dient.
N.B.
Let erop dat het systeem kan worden
geactiveerd bij het wassen van de auto als
de transpondersleutel binnen bereik is.
* Optie/accessoire. 279
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Passief vergrendelen en
ontgrendelen*
Bij een auto met passieve vergrendeling en
ontgrendeling hoeft u voor het ontgrendelen
van de auto alleen op de aanraakgevoelige
zone van de handgreep van het portier te
drukken.
N.B.
Vergrendeling en ontgrendeling zijn alleen
mogelijk wanneer een van de transpondersleutels van de auto zich binnen bereik
bevindt.
N.B.
Let erop dat het systeem kan worden
geactiveerd bij het wassen van de auto als
de transpondersleutel binnen bereik is.
Passief vergrendelen
Alle portieren en de achterklep moeten dichtstaan om de auto te vergrendelen via de handgrepen van de zijportieren.
–
Aanraakgevoelige zone voor ontgrendeling
280
–
Pak een portiergreep beet of druk voor
ontgrendeling lichtjes op het met rubber
beklede drukplaatje aan de onderzijde van
de handgreep van de achterklep.
> De vergrendelingsindicatie op het dashboard bevestigt dat de auto is ontgrendeld door te stoppen met knipperen.
Raak na het sluiten van het portier het
gemarkeerde gebied aan de achter- en
buitenkant van een de portiergrepen aan.
Of druk op de knop
aan de onderzijde
van de achterklep voordat u de klep sluit.
> De vergrendelingsindicatie op het dashboard bevestigt door te gaan knipperen
dat er vergrendeling heeft plaatsgevonden.
Om alle zijruiten en het panoramadak* tegelijkertijd te sluiten moet u uw vinger in de aanraakgevoelige holte aan de buitenkant van de
portiergreep houden totdat de zijruiten en het
panoramadak dichtstaan.
Aanraakgevoelige holte voor vergrendeling
Passief ontgrendelen
Het met rubber beklede drukplaatje op de achterklep
is alleen te gebruiken voor ontgrendeling.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na ontgrendeling
van de buitenzijde met de transpondersleutel
opent, worden deze automatisch weer vergrendeld. Deze functie beperkt de kans dat u
de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Gerelateerde informatie
•
Instellingen voor passieve ontgrendeling*
(p. 281)
•
•
Achterklep passief ontgrendelen* (p. 281)
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en
aanraakgevoelige zones* (p. 279)
Instellingen voor passieve
ontgrendeling*
U kunt verschillende procedures voor passieve ontgrendeling kiezen.
Om de instelling te wijzigen:
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Tik op My Car Vergrendeling
Sleutelloos ontgrendelen
3. Kies een alternatief:
Achterklep passief ontgrendelen*
Bij een auto met passieve vergrendeling en
ontgrendeling hoeft u voor het ontgrendelen
van de achterklep alleen op de aanraakgevoelige zone van de handgreep van de achterklep
te drukken.
N.B.
Ontgrendeling is alleen mogelijk wanneer
een van de transpondersleutels van de
auto zich binnen bereik achter de auto
bevindt.
• Alle portieren – ontgrendelt alle portieren tegelijkertijd.
• Een portier – ontgrendelt het gekozen
portier.
Gerelateerde informatie
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 280)
•
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en
aanraakgevoelige zones* (p. 279)
De achterklep wordt dichtgehouden door een
elektrische vergrendeling.
}}
* Optie/accessoire. 281
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Om te openen:
Gerelateerde informatie
1.
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 280)
•
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en
aanraakgevoelige zones* (p. 279)
•
•
Bereik transpondersleutel (p. 259)
Druk lichtjes op het met rubber beklede
drukplaatje onder op de handgreep van de
achterklep.
> De vergrendeling wordt ontkoppeld.
2. Til de buitenste handgreep helemaal
omhoog om de achterklep te openen.
Locatie antennes voor start- en
vergrendelingssysteem
In de auto zijn een antenne voor het startsysteem en antennes voor de passieve vergrendeling* geïntegreerd.
Achterklep openen en sluiten met een
schopbeweging* (p. 290)
BELANGRIJK
•
De achterklep is met heel weinig kracht
te ontgrendelen – druk gewoon lichtjes
op het met rubber beklede plaatje.
•
Breng geen druk aan op het met rubber
beklede plaatje bij het openen van de
achterklep – maar til de handgreep op.
Bij te veel druk kan de elektrische schakelaar in het met rubber beklede plaatje
beschadigd raken.
De achterklep is ook handsfree te ontgrendelen met een schopbeweging onder de achterbumper, zie het desbetreffende gedeelte.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Via
de bagageruimte kunnen er giftige uitlaatgassen in de auto worden gezogen.
9 Alleen
282
Antennelocaties:
Onder de bekerhouder voor in de tunnelconsole
Voor aan de bovenkant van het linker achterportier9
Voor aan de bovenkant van het rechter
achterportier9
In de bagageruimte9
bij auto's met passieve vergrendeling en ontgrendeling*.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
WAARSCHUWING
Personen met een pacemaker mogen niet
dichter dan 22 cm (9 inch) bij de antennes
van het Keyless-systeem komen. Hierdoor
voorkomt u storingen tussen de pacemaker
en het Keyless-systeem.
Vergrendelen en ontgrendelen van
de binnenzijde van de auto
Alternatieve ontgrendelingsmethode
De portieren en de achterklep zijn te vergrendelen en ontgrendelen met de knop voor centrale vergrendeling op de voorportieren.
Centrale vergrendeling
Gerelateerde informatie
•
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en
aanraakgevoelige zones* (p. 279)
•
Bereik transpondersleutel (p. 259)
Openingsgreep voor alternatieve ontgrendeling op
zijportier10.
–
Knop voor vergrendeling en ontgrendeling op voorportier met controlelampje.
Ontgrendelen met de knop op het
voorportier
–
10
Druk op de knop
om alle portieren en
achterklep te ontgrendelen.
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
Trek een van de openingsgrepen van de
zijportieren naar buiten en laat los.
> Afhankelijk van de instellingen voor de
transpondersleutel zullen ofwel alle
portieren ontgrendeld ofwel alleen het
aangegeven portier ontgrendeld en
geopend worden.
Druk om deze instelling aan te passen
op Instellingen My Car
Vergrendeling Op afstand en van
binnenuit ontgrendelen in het hoofdscherm van het middendisplay.
}}
* Optie/accessoire. 283
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Vergrendelen met de knop op het
voorportier
–
Druk op de knop
– beide voorportieren
moeten dichtstaan.
> Alle portieren en de achterklep zijn vergrendeld.
Vergrendelen met de knop op het
achterportier*
Gerelateerde informatie
•
Instellingen voor ontgrendeling op afstand
en van de binnenzijde (p. 257)
•
Achterklep ontgrendelen vanaf de binnenzijde (p. 284)
•
Kinderslot activeren en deactiveren
(p. 285)
Achterklep ontgrendelen vanaf de
binnenzijde
De achterklep is van de binnenzijde te ontgrendelen met de knop op het instrumentenpaneel.
–
Knop voor vergrendelen in achterportier met led.
Met de vergrendelingsknoppen op de achterportieren zijn de desbetreffende achterportier
te vergrendelen.
Met de optie elektrische achterklepbediening* :
Achterportier ontgrendelen
–
–
11
284
Druk kort op knop
op het dashboard.
> De achterklep is van de buitenzijde te
ontgrendelen en te openen door het
met rubber beklede drukplaatje vast te
pakken.
Trek aan de openingsgreep.
> Het achterportier wordt ontgrendeld en
geopend11.
Druk lang op de knop
op het dashboard.
> De achterklep wordt geopend.
Op voorwaarde dat het kinderslot niet is geactiveerd.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 283)
•
Elektrisch bedienbare achterklep* openen
en sluiten (p. 287)
Kinderslot activeren en
deactiveren
N.B.
Het kinderslot voorkomt dat de achterportieren vanaf de binnenzijde kunnen worden
geopend.
Het kinderslot is van het mechanische of elektrische* type.
Mechanisch kinderslot activeren en
deactiveren
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
•
Op auto’s met een elektrisch kinderslot
zit geen handmatig kinderslot.
Elektrisch* kinderslot activeren en
deactiveren
Het elektrische kinderslot is in alle contactslotstanden anders dan 0 te activeren en deactiveren en dat binnen 2 minuten na het afzetten
van de auto, op voorwaarde dat er geen portier wordt geopend.
Mechanisch kinderslot. Niet te verwarren met de
mechanische portiervergrendeling.
–
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de
cilinder te verdraaien.
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde
als vanaf de binnenzijde te openen.
Knop voor elektrische activering en deactivering.
1.
Start de auto of kies een contactslotstand
anders dan 0.
}}
* Optie/accessoire. 285
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
2. Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het bestuurdersdisplay staat de
melding Kinderslot achter
Geactiveerd en het lampje in de knop
brandt – het slot is geactiveerd.
Symbool
Wanneer het elektrische kinderslot actief is,
zijn de achterste
•
•
zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel
op het bestuurdersportier te bedienen
portieren niet van de binnenkant te openen.
Om het slot uit te zetten:
–
Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het bestuurdersdisplay staat de
melding Kinderslot achter
Gedeactiveerd en het lampje in de
knop dooft – het slot is geïnactiveerd.
Wanneer u de auto uitschakelt wordt de
actuele instelling vastgelegd – als het kinderslot geactiveerd was tijdens het uitschakelen
van de auto, dan is de functie de volgende
keer dat u de auto start eveneens actief.
286
Automatische vergrendeling bij het
wegrijden
Melding
Betekenis
Kinderslot
achter Geactiveerd
Het kinderslot
is geactiveerd.
Bij het wegrijden worden de portieren en de
achterklep automatisch vergrendeld.
Om deze instelling te wijzigen:
Kinderslot
achter
Gedeactiveerd
Het kinderslot
is gedeactiveerd.
1.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 283)
•
Afneembaar sleutelblad (p. 265)
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Tik op My Car
Vergrendeling.
3. Selecteer Aut. portiervergrendeling
tijdens rijden om de functie te deactiveren of activeren.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 283)
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Elektrisch bedienbare achterklep*
openen en sluiten
Functie die het mogelijk maakt om de achterklep met één druk op een knop te openen en
te sluiten.
Openen
Open de elektrisch bediende achterklep op
een van de volgende manieren:
–
–
–
Schopbeweging* onder de achterbumper.
Sluiten
Sluit12 de elektrisch bediende achterklep op
een van de volgende manieren:
Druk knop
op de transpondersleutel
langdurig in. Houd de knop ingedrukt totdat de achterklep een stukje openveert.
–
12
Druk knop
op het instrumentenpaneel
langdurig in. Houd de knop ingedrukt totdat de achterklep een stukje openveert.
Druk lichtjes op handgreep van de achterklep.
Een auto die is uitgerust met passieve vergrendeling en ontgrendeling* heeft een knop voor sluiten plus een knop voor sluiten en vergrendelen.
}}
* Optie/accessoire. 287
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Druk op de knop
aan de onderzijde
van de achterklep om deze te sluiten.
> De achterklep sluit automatisch maar
wordt niet vergrendeld.
–
–
Druk lang op de knop
op de transpondersleutel.
> De achterklep sluit automatisch en er
klinkt een signaal – de achterklep blijft
onvergrendeld staan.
–
Druk lang op de knop
op het dashboard.
> De achterklep sluit automatisch en er
klinkt een signaal – de achterklep blijft
onvergrendeld staan.
–
Schopbeweging* onder de achterbumper.
> De achterklep sluit automatisch en er
klinkt een signaal – de achterklep blijft
onvergrendeld staan.
Sluiten en vergrendelen
Druk op de knop
op de onderkant van
de achterklep om de klep te sluiten en
tegelijkertijd zowel de portieren als de
achterklep te vergrendelen12 (voor vergrendelen moeten alle portieren zijn gesloten).
> De achterklep sluit automatisch – de
achterklep en de portieren vergrendelen
automatisch en het alarm* wordt ingeschakeld.
–
N.B.
•
De knop is 24 uur actief nadat de klep is
opengelaten. Daarna moet u de klep
handmatig sluiten.
•
Als de tankvulklep meer dan 30 minuten
open heeft gestaan, zal deze langzamer
worden gesloten.
N.B.
•
12
288
Vergrendeling en ontgrendeling zijn
alleen mogelijk wanneer een van de
Een auto die is uitgerust met passieve vergrendeling en ontgrendeling* heeft een knop voor sluiten plus een knop voor sluiten en vergrendelen.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
transpondersleutels van de auto zich
binnen bereik bevindt.
•
Bij passief* vergrendelen of sluiten klinken er drie signalen, als de sleutel niet
dicht genoeg bij de achterklep wordt
waargenomen.
BELANGRIJK
Bij handmatige bediening van de achterklep is het zaak de klep langzaam te openen of sluiten. Duw de achterklep niet met
kracht open of dicht, als de achterklep
weerstand biedt. De achterklep kan
beschadigd worden en defect raken.
Openen of sluiten onderbreken
Onderbreek de opening of sluiting op een van
de volgende manieren:
•
•
•
•
•
Druk op de knop op het dashboard.
Druk op de knop op de transpondersleutel.
Druk op de sluitingsknop aan de onderzijde van de achterklep.
Druk op het met rubber beklede drukplatje onder de buitenhandgreep.
Met een schopbeweging*.
De achterklepbeweging wordt onderbroken en
de achterklep komt tot stilstand. De achterklep is daarna handmatig te bedienen.
Als de achterklep stopt in de buurt van de
gesloten stand, zal de achterklep bij een volgende handsfree activering worden geopend.
Voorgespannen veren
Inklembeveiliging
Als de achterklep tijdens het openen of sluiten
in zekere mate wordt gehinderd door een
obstakel treedt de inklembeveiliging in werking.
•
Bij openen – de beweging wordt onderbroken, de achterklepbeweging stopt en
er klinkt een lang signaal.
•
Bij sluiten – de beweging wordt onderbroken, de achterklepbeweging stopt, er
klinkt een lang signaal en de achterklep
keert terug naar de geprogrammeerde
maximale openingshoek.
De voorgespannen veren voor de elektrische achterklepbediening.
WAARSCHUWING
Open de voorgespannen veren van de elektrische achterklepbediening niet. De veren
zijn sterk voorgespannen en kunnen bij
opening letsel toebrengen.
WAARSCHUWING
Let op het gevaar voor beknelling tijdens
het openen/sluiten.
Controleer voor het openen of sluiten of er
niemand in de buurt van de achterklep
staat, omdat beknellingsletsel ernstige
gevolgen kan hebben.
Let altijd op bij bediening van de kofferklep.
Gerelateerde informatie
•
Maximale openingshoek voor elektrische
achterklepbediening* programmeren
(p. 290)
•
Achterklep openen en sluiten met een
schopbeweging* (p. 290)
•
Bereik transpondersleutel (p. 259)
* Optie/accessoire. 289
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Maximale openingshoek voor
elektrische achterklepbediening*
programmeren
N.B.
•
Stem de openingshoek van de achterklep af
op de dakhoogte.
De maximale openingshoek instellen:
1.
Achterklep openen; stopzetten in de
gewenste openingspositie.
N.B.
Het is niet mogelijk een openingsstand te
programmeren waarbij de achterklep voor
minder dan de helft geopend is.
aan de onderzijde van
2. Druk de knop
de achterklep ten minste 3 seconden in.
> Er klinken twee korte signalen en de
desbetreffende stand is daarmee opgeslagen.
Resetten van de maximale openingshoek:
–
290
Beweeg de achterklep handmatig naar de
hoogst mogelijke stand – druk de knop
op de achterklep ten minste
3 seconden in.
> Er klinken twee signalen en de opgeslagen stand is daarmee gewist. De achterklep opent voortaan tot in de maximale stand.
Om oververhitting tegen te gaan wordt
het systeem na langdurig en continu
gebruik automatisch even uitgeschakeld. Ca. 2 minuten later is het
opnieuw klaar voor gebruik.
Gerelateerde informatie
•
Elektrisch bedienbare achterklep* openen
en sluiten (p. 287)
Achterklep openen en sluiten met
een schopbeweging*
Een handige functie wanneer u de handen vol
hebt, omdat u de achterklep kunt openen en
sluiten met een schopbeweging onder de
achterbumper.
Bij een auto met passieve vergrendeling en
ontgrendeling* is de achterklep te ontgrendelen met een schopbeweging.
De functie voor het openen en sluiten van de
achterklep is alleen beschikbaar in combinatie
met elektrische achterklepbediening*.
N.B.
De handsfree achterklep is verkrijgbaar in
twee uitvoeringen:
•
een uitvoering die te openen en sluiten
is met een gerichte schopbeweging
•
een uitvoering die alleen te ontgrendelen is met een gerichte schopbeweging
(achterklep moet handmatig worden
geopend)
Let erop dat voor handsfree openen en
sluiten de elektrische achterklepbediening*
vereist is.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Openen en sluiten met een
schopbeweging
Houd uw voet tijdens de schopbeweging niet
onder de auto, aangezien de activering hierdoor kan mislukken.
Handsfree openen of sluiten onderbreken
– Maak tijdens het openen of sluiten van de
achterklep een langzame voorwaartse
schopbeweging om de beweging van de
achterklep te onderbreken.
Om het openen of sluiten van de achterklep te
onderbreken hoeft de transpondersleutel niet
in de buurt van de auto te zijn.
De sensor zit even links van het midden van de achterbumper.
Openen en sluiten zijn alleen mogelijk, wanneer een van de transpondersleutels van de
auto zich binnen een straal van ca. 1 meter
(3 voet) rond de achterzijde van de auto
bevindt. Dit geldt ook bij een ontgrendelde
auto om onbedoelde voetbediening zoals bij
een wasbeurt van de auto te voorkomen.
Schopbeweging binnen het activeringsbereik van de
sensor.
–
Maak een langzame, naar voren gerichte
schopbeweging onder het linker gedeelte
van de achterbumper. Doe daarna een
stap terug. U mag de bumper daarbij niet
aanraken.
> Bij activering van de openings- of sluitingsfunctie klinkt een kort geluidssignaal – de achterklep wordt geopend/
gesloten.
Als de sensor meerdere schopbewegingen
waarneemt zonder dat er een goedgekeurde
transpondersleutel achter de auto wordt waargenomen, is de achterklep pas na enige vertraging te openen.
Als de achterklep stopt in de buurt van de
gesloten stand, zal de achterklep bij een volgende handsfree activering worden geopend.
N.B.
Als de achterbumper bedekt is met een
dikke laag ijs, sneeuw, vuil en dergelijke,
werkt het systeem mogelijk niet of slechts
in beperkte mate. Zorg daarom dat u het
gebied schoonhoudt.
N.B.
Bedenk dat het systeem kan worden geactiveerd tijdens het wassen van de auto en
dergelijke als de transpondersleutel zich
binnen bereik bevindt.
}}
291
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Gerelateerde informatie
•
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en
aanraakgevoelige zones* (p. 279)
•
Elektrisch bedienbare achterklep* openen
en sluiten (p. 287)
•
Bereik transpondersleutel (p. 259)
Privacy locking
De achterklep is te vergrendelen via de functie Privacy locking die voorkomt dat het
genoemde onderdeel kan worden geopend,
bijvoorbeeld als u de auto afgeeft voor service, bij een hotel en dergelijke.
De functieknop voor Privacy
locking staat op het functiescherm van het middendisplay. Afhankelijk van de status van de functie verschijnt
Private Locking
ontgrendeld of Private
Locking vergrendeld.
Gerelateerde informatie
•
Privacy locking activeren en deactiveren
(p. 292)
Privacy locking activeren en
deactiveren
Privacy locking is te activeren met de functieknop op het middendisplay en de gekozen
pincode.
N.B.
Om de functie Privacy locking te kunnen
activeren, moet de auto minimaal in contactslotstand I staan.
Privacy locking gebruikt twee codes:
•
Bij het eerste gebruik van de functie wordt
een hoofdcode aangemaakt.
•
Bij iedere volgende activering kiest u een
nieuwe pincode.
Hoofdcode invoeren bij het eerste
gebruik
Bij het eerste gebruik van de Privacy locking
moet u een hoofdcode kiezen. De code is vervolgens te gebruiken om de Privacy locking te
deactiveren, als u de ingestelde pincode bent
vergeten. De hoofdcode is te beschouwen als
een pukcode voor alle pincodes die zijn ingesteld voor de Privacy locking.
Bewaar de hoofdcode goed.
292
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Om een hoofdcode in te stellen:
1.
Tik op de knop Privacy locking in het functiescherm.
2. Voer de code in die na vergrendeling moet
worden gebruikt om de achterklep te ontgrendelen en tik op Bevestig.
> De achterklep wordt vergrendeld. De
vergrendeling wordt bevestigd met een
groene indicatie bij de knop in het functiescherm.
Privacy locking deactiveren
> Er verschijnt een pop-upvenster.
1.
Tik op de knop Privacy locking in het functiescherm.
2. Geef de gewenste hoofdcode aan en tik
op Bevestig.
> De hoofdcode is opgeslagen. De functie Privacy locking is daarmee klaar
voor activering.
Privacy locking activeren
1.
Tik op de knop Privacy locking in het functiescherm.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
Als u de auto ontgrendelt via Volvo On Call* of
de Volvo On Call-appen, wordt de Privacy locking automatisch gedeactiveerd.
Hoofdcode vergeten
Als u ook de hoofdcode bent vergeten, neem
dan contact op met een erkende Volvo-dealer
voor hulp bij het deactiveren van de Privacy
locking.
Gerelateerde informatie
•
Privacy locking (p. 292)
> Er verschijnt een pop-upvenster.
2. Geef de ingestelde ontgrendelingscode
aan en tik op Bevestig.
> De achterklep wordt ontgrendeld. De
ontgrendeling wordt bevestigd doordat
de groene indicatie bij de knop in het
functiescherm dooft.
Pincode vergeten
Als u de pincode bent vergeten of meer dan
driemaal achtereen de verkeerde pincode hebt
ingevoerd, kunt u de hoofdcode gebruiken
voor deactivering van de Privacy locking.
* Optie/accessoire. 293
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Alarm*
Alarmindicatie
Het alarm waarschuwt met akoestische en
visuele signalen als iemand zonder een geldige transpondersleutel inbreekt in de auto of
de startaccu of de alarmsirene manipuleert.
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
•
een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend13
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is)
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto's met een hellingssensor*)
•
een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
•
de sirene wordt losgekoppeld.
De bewegingsmelder laat het alarm afgaan bij
bewegingen in de passagiersruimte – ook
eventuele luchtstromen worden geregistreerd.
Het alarm kan dan ook afgaan, als u de auto
met een ruit of panoramadak* open laat staan
of als u de interieurverwarming gebruikt.
Om dat te voorkomen:
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
•
•
De led is uit – het alarm is uitgeschakeld.
•
De led knippert maximaal 30 seconden
lang snel vanaf het moment van uitschakelen van het alarm tot aan het moment
dat contactslotstand I wordt ingeschakeld
– het alarm is afgegaan.
Alarmsignalen
Wanneer het alarm afgaat, gebeurt het volgende:
•
Er klinkt een sirene, totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
30 seconden automatisch uit.
•
De alarmlichten knipperen totdat u het
alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan ze
na vijf minuten automatisch uit.
Als de oorzaak van het getriggerde alarm niet
wordt weggenomen, wordt de alarmcyclus tot
maximaal 10 keer13 herhaald.
13
294
probeert te stelen of de auto probeert weg te
slepen.
De led licht om de twee seconden eenmaal op – het alarm is ingeschakeld.
•
Sluit bij het verlaten van de auto de ruiten
en het panoramadak.
•
Bij gebruik van de interieurverwarming of
standverwarming dient u de blaasmonden
dusdanig af te stellen dat deze niet
omhoogwijzen.
U kunt ook een gereduceerd alarmniveau (Verlaagde guard) instellen om de bewegingsmelder en hellingssensor tijdelijk uit te schakelen.
Schakel de bewegingsmelder en hellingssensor uit bij het gebruik van een veerverbinding
of autotrein, omdat het alarm kan afgaan door
de bewegingen van de auto.
Bewegingsmelder en hellingssensor*
De bewegingsmelder en hellingssensor reageren op bewegingen in de auto, als iemand een
ruit intikt of als iemand de wielen van de auto
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Bij een storing in het alarmsysteem
Alarm* activeren en deactiveren
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnen het
symbool en de melding Storing
alarmsysteem Service vereist op
het bestuurdersdisplay. Neem dan contact op
met een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Bij vergrendeling van de auto wordt het
alarmsysteem geactiveerd.
N.B.
Probeer niet zelf de onderdelen van het
alarmsysteem te repareren of te wijzigen.
Dergelijke pogingen kunnen van invloed
zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
14
Alarm* activeren en deactiveren (p. 295)
Verlaagde guard* (p. 296)
Alarm activeren
Vergrendel de auto en activeer het alarmsysteem van de auto door
•
op de vergrendelingsknop op de transpondersleutel te drukken
•
het gemarkeerde gebied op de buitenportiergrepen of de met rubber beklede drukplaat14 op de achterklep aan te raken.
Bij een auto met passieve vergrendeling/
ontgrendeling* en elektrische achterklepbediening* kunt u ook gebruikmaken van de knop
aan de onderzijde van de achterklep om
de auto te vergrendelen en het alarmsysteem
in te schakelen.
Het rode ledje op het instrumentenpaneel knippert
eenmaal per twee seconden wanneer de auto vergrendeld en het alarmsysteem geactiveerd is.
Alarm deactiveren
Ontgrendel de auto en deactiveer het alarmsysteem van de auto door
•
op de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te drukken
•
een van de portiergrepen beet te pakken
of lichtjes op het met rubber beklede drukplaatje14 op de achterklep te drukken.
Safelock-functie* (p. 297)
Geldt voor een auto met passieve vergrendeling en ontgrendeling*.
}}
* Optie/accessoire. 295
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Alarm deactiveren zonder een werkende
transpondersleutel
Ook als de transpondersleutel niet werkt, bijvoorbeeld als de batterij leeg is, kan de auto
worden ontgrendeld en kan het alarmsysteem
worden gedeactiveerd.
1.
Open het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad.
> Het alarm gaat af.
Automatische activering en
heractivering van het alarm
De automatische heractivering van het alarm
voorkomt dat u de auto verlaat zonder het
alarmsysteem uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na uitschakeling
van het alarm opent wanneer de auto met de
transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) is, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto wordt
bovendien opnieuw vergrendeld.
Verlaagde guard*
Een verlaagde guard houdt in dat de bewegingsmelder en hellingssensor tijdelijk worden uitgeschakeld.
Schakel de bewegingsmelder en hellingssensor uit om onbedoelde activering van het
alarm tegen te gaan – als u bijvoorbeeld een
hond in een vergrendelde auto achterlaat of
een autotrein of veerverbinding gebruikt.
Tik op de knop Minder
bescherming op het functiescherm van het middendisplay om de bewegingsmelder
en hellingssensor de volgende keer dat u de auto vergrendelt uit te schakelen.
Op bepaalde markten vindt automatische activering van het alarm plaats, als u na het openen en sluiten van het bestuurdersportier vergeet te vergrendelen.
Om deze instelling te wijzigen:
Positie back-uplezer in bekerhouder.
2. Plaats de transpondersleutel op het sleutelsymbool in de back-uplezer, die in de
bekerhouder van de tunnelconsole zit.
3. Draai de startknop rechtsom en laat de
knop los.
> Het alarm wordt uitgeschakeld.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Tik op My Car
Vergrendeling.
3. Kies Passief alarm uitschakelen om de
functie tijdelijk te deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
Tegelijkertijd wordt de Safelock-functie
gedeactiveerd, zodat ontgrendeling van de
binnenzijde mogelijk is.
Als u de auto ontgrendelt en weer vergrendelt,
moet u de Verlaagde guard opnieuw activeren.
Gerelateerde informatie
•
•
Alarm* (p. 294)
Safelock-functie* (p. 297)
Alarm* (p. 294)
Geactiveerd alarm uitschakelen
–
296
Druk op de ontgrendelingsknop op de
transpondersleutel of zet de auto in contactslotstand I door de startknop
rechtsom te draaien en weer los te laten.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Safelock-functie*
Na activering van de Safelock-functie worden
bij vergrendeling van de buitenzijde alle openingsgrepen mechanisch losgekoppeld,
zodat de portieren niet meer van de binnenzijde te openen zijn.
De Safelock-functie wordt geactiveerd via de
transpondersleutel en bij passieve vergrendeling* en wordt na vergrendeling van de portieren met een vertraging van zo'n 10 seconden
ingeschakeld. Als er binnen deze vertragingsperiode een van de portieren wordt geopend,
wordt de functie geannuleerd en het alarm
gedeactiveerd.
De auto is alleen te ontgrendelen via de transpondersleutel, passieve ontgrendeling* of met
de Volvo On Call*-app , wanneer de Safelockfunctie geactiveerd is.
Het linker voorportier is ook te ontgrendelen
met het afneembare sleutelblad. Bij ontgrendeling van de auto met het afneembare sleutelblad gaat het alarm af.
N.B.
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd bij vergrendeling van de auto.
•
Als iemand de auto van de buitenzijde
probeert te openen, gaat het alarm af.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de functie te deactiveren, om te voorkomen
dat u iemand opsluit.
Gerelateerde informatie
•
Safelock-functie* tijdelijk deactiveren
(p. 297)
•
Alarm* (p. 294)
Safelock-functie* tijdelijk
deactiveren
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, dient u de Safelock-functie te deactiveren. De auto is dan vanaf de binnenzijde te
ontgrendelen.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de functie te deactiveren, om te voorkomen
dat u iemand opsluit.
Druk op de knop Minder
bescherming op het functiescherm van het middendisplay om de Safelock-functie
tijdelijk uit te schakelen.
Dit betekent ook dat de bewegingsmelders en
hellingssensoren* van het alarm worden uitgeschakeld.
Op het middendisplay verschijnt vervolgens
Minder bescherming, waarna bij de volgende vergrendeling van de auto de Safelockfunctie tijdelijk wordt uitgeschakeld.
Bij reguliere vergrendeling worden de stroomaansluitingen direct gedeactiveerd, maar bij
een tijdelijk gedeactiveerde Safelock-functie
zijn ze na vergrendeling maximaal 10 minuten
actief.
}}
* Optie/accessoire. 297
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Als de auto wordt ontgrendeld en weer wordt
vergrendeld, moet de Safelock-functie weer
worden gedeactiveerd.
De volgende keer dat u de motor start, wordt
het systeem gereset.
Gerelateerde informatie
•
•
298
Safelock-functie* (p. 297)
Alarm* (p. 294)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijhulpsystemen
De auto is voorzien van verschillende rijhulpsystemen die u in verschillende situaties
actief of passief kunnen helpen.
Zo kunnen de systemen u bijvoorbeeld helpen
bij:
•
•
het aanhouden van een bepaalde snelheid
•
het voorkomen van een aanrijding door u
te waarschuwen en de auto te laten remmen
•
het aanhouden van een bepaald tijdsverschil ten opzichte van voorliggers
het parkeren.
Sommige systemen zijn standaard gemonteerd, terwijl andere optioneel zijn – welke dat
zijn hangt van de markt af.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
300
IntelliSafe – rijhulp en veiligheid (p. 33)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht
(p. 300)
Bochtassistent* (p. 346)
Elektronische stabiliteitsregeling (p. 301)
Connected Safety (p. 305)
Snelheidsbegrenzer (p. 310)
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht
Pilot Assist* (p. 330)
De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
zorgt ervoor dat de stuurbekrachtiging
afneemt naarmate de rijsnelheid oploopt, om
u een beter weggevoel te kunnen geven.
Op snelwegen stuurt de auto stugger. Bij het
parkeren en op lage snelheden is de auto lichter en met minder moeite te besturen.
Radarsensor (p. 349)
Camera (p. 358)
City Safety™ (p. 365)
Rear Collision Warning* (p. 379)
BLIS* (p. 380)
Cross Traffic Alert* (p. 384)
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
Driver Alert Control (p. 395)
Rijbaanassistent (p. 398)
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 405)
Parkeerhulp* (p. 411)
Parkeerhulpcamera* (p. 417)
Actieve parkeerhulp* (p. 426)
N.B.
In zeldzame gevallen kan de
stuurbekrachtiging te warm worden zodat deze tijdelijk moet
worden gekoeld – gedurende die
periode werkt de stuurbekrachtiging met
een gereduceerd vermogen en het draaien
aan het stuurwiel kan dan wat zwaarder
gaan. Dan verschijnt de melding
Stuurbekrachtiging Hulp tijdelijk
beperkt in combinatie met het nevenstaande symbool op het bestuurdersdisplay.
Zolang de stuurbekrachtiging met een
beperkt vermogen werkt zijn de rijhulpsystemen en systemen met stuurhulp niet
beschikbaar.
Automatische snelheidsbegrenzer
(p. 314)
Afstandswaarschuwing* (p. 308)
Cruisecontrol (p. 317)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Elektronische stabiliteitsregeling
WAARSCHUWING
Als de temperatuur te hoog oploopt, moet
de bekrachtiging mogelijk helemaal worden uitgeschakeld. In een dergelijk geval
verschijnt de melding Storing
stuurbekracht. Stop veilig op het
bestuurdersdisplay in combinatie met een
symbool.
De elektronische stabiliteitsregeling (ESC1)
helpt u voorkomen dat de wielen doorslippen
en verbetert de tractie van de auto.
Wanneer de regeling ingrijpt,
verschijnt dit symbool op het
bestuurdersdisplay.
Bij gebruik van de rijmodus INDIVIDUAL is het
stuurkrachtniveau aan te passen.
Een ingreep van de regeling
is mogelijk waarneembaar in
de vorm van onderbroken
geluiden en bij het geven van gas kan de auto
mogelijk langzamer optrekken dan verwacht.
1.
De regeling omvat de volgende deelfuncties:
Stuurkrachtniveau wijzigen*
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Kies My Car
Rijmodi
Stuurkracht.
De instelling van het stuurkrachtniveau is
alleen beschikbaar, als de auto stilstaat of op
lage snelheid rechtuit rijdt.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
Rijmodi (p. 481)
•
•
•
•
Stabiliteitsregeling2
Antispin- en tractieregeling
Motorremregeling
Aanhangwagenstabilisering
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
Stabiliteitsregeling2
Deze regeling controleert de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
1 Electronic Stability Control
2 Ook wel antislipregeling genoemd.
}}
* Optie/accessoire. 301
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Antispin- en tractieregeling
N.B.
De regeling is actief op lage snelheden en
remt de aandrijfwielen die doorslippen om een
groter aandeel van de aandrijfkracht op een
slippend aandrijfwiel over te brengen op een
aandrijfwiel dat niet slipt.
De regeling kan tevens voorkomen dat de aangedreven wielen tijdens het optrekken doorslippen ten opzichte van de ondergrond.
Motorremregeling
De motorremregeling (EDC3) kan ongewenste
blokkering van de wielen voorkomen, zoals na
terugschakeling of bij gladheid tijdens het
afremmen op de motor in een lage versnelling.
De aanhangwagenstabilisering wordt
gedeactiveerd als u ESC-sportmodus
activeert.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
•
Symbolen en meldingen voor elektronische stabiliteitsregeling (p. 304)
•
Aanhangwagenstabilisering* (p. 509)
Sportstand van elektronische stabiliteitsregeling activeren of deactiveren (p. 303)
Een van de gevolgen van ongewenste blokkering van de wielen is dat u de auto moeilijk
onder controle kunt houden.
Aanhangwagenstabilisering*4
Aanhangwagenstabilisering (TSA5) heeft tot
taak een auto met aanhangwagen te stabiliseren, wanneer de combinatie slingerneigingen
vertoont.
3 Engine Drag Control
4 Aanhangwagenstabilisering
5 Trailer Stability Assist
6 Electronic Stability Control
7 Trailer Stability Assist
302
Elektronische stabiliteitsregeling
in de Sportstand
De stabiliteitsregeling (ESC6) is altijd geactiveerd – uitschakelen is niet mogelijk. U kunt
echter voor ESC-sportmodus kiezen voor
een actievere rijervaring.
Wanneer de deelfunctie ESC-sportmodus is
gekozen worden ingrepen van de regeling
gereduceerd, zodat de auto een hogere mate
van slip kan vertonen en u meer controle over
de auto hebt dan normaal.
Het kiezen van ESC-sportmodus is te
beschouwen als het uitschakelen van de functie, hoewel de functie u in veel gevallen blijft
helpen.
N.B.
Wanneer ESC-sportmodus is gekozen,
staat de aanhangwagenstabilisering (TSA7)
uit.
De ESC-sportmodus maakt een betere aandrijving mogelijk, zelfs als de auto is blijven
steken of over een zachte ondergrond rijdt –
zoals zand of een dikke laag sneeuw.
is inbegrepen bij installatie van een originele trekhaak van Volvo.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
•
•
Elektronische stabiliteitsregeling (p. 301)
Sportstand van elektronische stabiliteitsregeling activeren of deactiveren (p. 303)
Aanhangwagenstabilisering* (p. 509)
Sportstand van elektronische
stabiliteitsregeling activeren of
deactiveren
De stabiliteitsregeling (ESC8) is altijd geactiveerd – uitschakelen is niet mogelijk. U kunt
echter de Sportstand kiezen voor een actievere rijervaring.
Activeer of deactiveer de
functie met deze knop in het
functiescherm van het middendisplay.
•
GROENE knopindicatie – de functie is
geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is
gedeactiveerd.
•
•
•
•
Snelheidsbegrenzer
Cruisecontrol
Adaptieve cruisecontrol*
Pilot Assist*
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling in de
Sportstand (p. 302)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (p. 301)
Wanneer de ESC-sportmodus
actief is, brandt dit symbool op het
bestuurdersdisplay continu totdat de
functie wordt gedeactiveerd of totdat de motor wordt afgezet. Een volgende
keer dat de motor wordt gestart is de normale
stand de regeling weer van kracht.
De deelfunctie ESC-sportmodus is niet te
kiezen wanneer een van de volgende functies
is geactiveerd:
8 Electronic
Stability Control
* Optie/accessoire. 303
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
elektronische stabiliteitsregeling
elektronische stabiliteitsregeling (ESC9). Hier
volgen enkele voorbeelden.
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele
symbolen en meldingen verschijnen voor de
Symbool
Melding
Betekenis
Brandt zo'n 2 seconden lang continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
Knippert.
Het systeem grijpt in.
Brandt continu.
De Sportstand is geactiveerd. NB In deze stand staat het systeem niet helemaal uit, maar er gelden bepaalde beperkingen.
ESC
Wegens een te hoge temperatuur van de remmen gelden er tijdelijk beperkingen voor het systeem. De regeling wordt automatisch opnieuw ingeschakeld wanneer de remmen voldoende zijn
afgekoeld.
Tijdelijk uit
ESC
Service vereist
U kunt meldingen verwijderen door kort te
-knop in het midden van de
drukken op de
rechter stuurknoppenset.
9 Electronic
304
Stability Control
Het systeem is defect. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start
deze opnieuw.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (p. 301)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Connected Safety10
Connected Safety wisselt gegevens uit tussen uw auto en andere voertuigen via internet11. Het systeem dient u om u te wijzen op
een eventuele gevaarlijke verkeerssituatie
later op de actuele weg.
Connected Safety kan u waarschuwen als een
ander voertuig later op de actuele weg zijn
alarmlichten heeft geactiveerd of gladheid
heeft gedetecteerd. Informatie over gladheid
wordt ook verstrekt, als het uw eigen auto is
die gladheid detecteert.
Connected Safety kan u van dienst zijn met
het volgende:
•
Waarschuwing voor het gebruik van
alarmlichten
•
Waarschuwing voor gladheid
Als uw eigen auto gladheid detecteert, krijgt
niet alleen u die informatie te zien maar ook de
bestuurders van de overige voertuigen op de
weg worden via internet gewaarschuwd.
Bij auto's met een head-updisplay verschijnen
de waarschuwingssymbolen voor Connected
Safety ook op dit display.
10
11
N.B.
De Connected Safety-communicatie tussen voertuigen werkt alleen voor voertuigen die zijn uitgerust met en het systeem
geactiveerd hebben.
Waarschuwing voor het gebruik van
alarmlichten
Wanneer u de alarmlichten van uw auto activeert, kunnen naderende voertuigen daarover
bericht krijgen.
Bij een waarschuwing voor
gladheid verschijnt het
nevenstaande symbool op
het instrumentenpaneel –
zowel in uw eigen auto als in
naderende voertuigen die de
waarschuwing voor gladheid
via Connected Safety hebben ontvangen.
Wanneer de naderende voertuigen dicht in de
buurt zijn van het gladde weggedeelte, wordt
het symbool op dubbele grootte weergegeven
op het instrumentenpaneel.
Wanneer u een voorligger
met ingeschakelde alarmlichten nadert, verschijnt dit symbool op het instrumentenpaneel.
Wanneer u de voorligger met ingeschakelde
alarmlichten dichter nadert, wordt het symbool op dubbele grootte weergegeven.
Waarschuwing voor gladheid
Als uw auto een verslechtering detecteert in
de frictie tussen de banden en het wegdek,
wordt deze informatie verzonden naar nadere
voertuigen.
Niet op alle markten beschikbaar.
Bij gebruik van internet vindt gegevensuitwisseling (dataverkeer) plaats, waarvoor mogelijk extra kosten in rekening worden gebracht.
}}
305
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
•
Beperkingen van Connected Safety
(p. 307)
12
306
Connected Safety activeren of deactiveren
(p. 306)
Connected Safety activeren of
deactiveren
Connected Safety kan alleen informatie over
de wegomstandigheden delen met andere
weggebruikers, als de functie is geactiveerd.
Wie dergelijke informatie niet wenst te delen
kan de functie deactiveren.
Activeer of deactiveer de
functie met deze knop in het
functiescherm van het middendisplay.
•
GROENE knopindicatie – de functie is
geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is
gedeactiveerd.
Bij activering verschijnen enkele vensters met
voorwaarden waarmee u akkoord moet gaan
voordat een internetverbinding12 kan worden
gemaakt. Het gaat er daarbij bijv. om dat u
ermee akkoord gaat dat de auto gegevens verstuurd via uw mobiele telefoon.
Wanneer een internetverbinding ontbreekt,
krijgt u alleen een waarschuwing voor gladheid als uw auto zelf gladheid detecteert. Voor
optimale werking van Connected Safety moet
uw auto een internetverbinding hebben.
Bij gebruik van internet vindt gegevensuitwisseling (dataverkeer) plaats, waarvoor mogelijk extra kosten in rekening worden gebracht.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
•
Connected Safety (p. 305)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
•
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 567)
•
Beperkingen van Connected Safety
(p. 307)
Beperkingen van Connected
Safety
WAARSCHUWING
Alle voertuigen in een bepaald gebied krijgen
niet altijd alle informatie over voertuigen met
ingeschakelde alarmlichten of voertuigen die
gladheid hebben gedetecteerd.
De oorzaak kan bijv. zijn:
•
Geen internetverbinding of een slechte
internetverbinding.
•
De manoeuvres (stuurbeweging, acceleratie of remmanoeuvre) van het voertuig op
een glad weggedeelte zijn dermate klein
dat geen frictie tussen de banden en het
wegdek te detecteren zijn.
•
Het systeem is niet ingeschakeld bij het
voertuig dat gladheid heeft gedetecteerd
of de alarmlichten heeft ingeschakeld.
•
Het voertuig dat gladheid heeft gedetecteerd of de alarmlichten heeft ingeschakeld is niet uitgerust met het systeem.
•
De gps- of satellietnavigatie vertoont storingen of is uitgevallen.
•
De gladheidsdetectie of de activering van
de alarmlichten vond plaats op een weg,
die niet voorkomt in de database van
Volvo Cars.
•
Connected Safety is niet op alle markten
uitgebouwd en heeft niet overal dekking een Volvo-dealer kan informatie over de
actuele gebieden verstrekken.
•
Het systeem kan in bepaalde omstandigheden onterecht waarschuwen voor
gladheid.
•
Het systeem kan niet altijd andere
voertuigen met ingeschakelde alarmlichten ontdekken of alle gladde weggedeelten detecteren.
Gerelateerde informatie
•
•
Connected Safety (p. 305)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
* Optie/accessoire. 307
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Afstandswaarschuwing*13
De afstandswaarschuwing kan de bestuurder
erop helpen attenderen dat het tijdsverschil
ten opzichte van voorliggers te gering is. De
auto moet zijn uitgerust met een head-updisplay* om afstandswaarschuwingen te kunnen
geven.
alleen op voorliggers die in dezelfde richting
rijden. Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen
afstandsinformatie gegeven.
WAARSCHUWING
N.B.
Bij een auto met head-updisplay verschijnt er
een symbool op de voorruit, zolang het tijdsverschil ten opzichte van de voorligger kleiner
is dan de ingestelde waarde. Daarvoor moet
echter Toon rijhulp zijn geactiveerd via de
instellingen in het menusysteem van de auto.
De afstandswaarschuwing is actief bij snelheden hoger dan 30 km/h (20 mph) en reageert
13
308
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
N.B.
In de felle zon, bij lichtschitteringen,
extreme contrastverschillen en het gebruik
van een zonnebril of als u niet recht vooruit
kijkt, zijn de op de voorruit geprojecteerde
waarschuwingssignalen soms moeilijk te
ontdekken.
De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld
zolang de adaptieve cruisecontrol* of Pilot
Assist* actief is.
Symbool voor afstandswaarschuwing op een voorruit
met head-updisplay.
•
WAARSCHUWING
Distance Alert geeft alleen een waarschuwing als het tijdsverschil ten opzichte van
voorliggers korter is dan de ingestelde
waarde en past uw rijsnelheid dan ook niet
aan.
Gerelateerde informatie
•
•
EHBO-set* (p. 631)
•
Beperkingen van afstandswaarschuwing
(p. 309)
Afstandswaarschuwing activeren of deactiveren (p. 309)
Distance Alert
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
Tijdsverschil ten opzichte van voorliggers
instellen (p. 343)
Afstandswaarschuwing14 activeren
of deactiveren
Beperkingen van
afstandswaarschuwing15
•
Waarschuwing rijhulpsystemen bij een
dreigende botsing (p. 340)
•
Head-updisplay* (p. 147)
De afstandswaarschuwing is uit te schakelen.
De afstandswaarschuwing is alleen beschikbaar bij auto's die informatie op de voorruit
kunnen projecteren via een zogenoemd headupdisplay*.
Activeer of deactiveer de
functie met deze knop in het
functiescherm van het middendisplay.
In bepaalde situaties gelden mogelijk beperkingen voor de werking van de afstandswaarschuwing. De afstandswaarschuwing is
alleen beschikbaar bij auto's die informatie op
de voorruit kunnen projecteren via een zogenoemd head-updisplay*.
•
GROENE knopindicatie – de functie is
geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is
gedeactiveerd.
De afstandswaarschuwing wordt na elke
motorstart automatisch geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
14
15
Distance Alert
Distance Alert
Afstandswaarschuwing* (p. 308)
Beperkingen van afstandswaarschuwing
(p. 309)
WAARSCHUWING
•
Voorliggers met geringe afmetingen,
zoals motorfietsen, zijn soms moeilijk
te ontdekken, wat kan betekenen dat
het geprojecteerde waarschuwingslampje pas bij kleinere tijdsverschillen
oplicht of helemaal niet gaat branden.
•
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk
dat het lampje door beperkingen in het
bereik van de radarsensor bij een kleiner tijdsverschil oplicht.
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
}}
* Optie/accessoire. 309
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Afstandswaarschuwing* (p. 308)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
Head-updisplay* (p. 147)
Snelheidsbegrenzer
Een snelheidsbegrenzer (SL16) is te vergelijken met een omgedraaide cruisecontrol – u
regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl
de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per
ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde maximumsnelheid overschrijdt.
: Vanuit de actieve stand – deactiveert de snelheidsbegrenzer/zet deze
stand-by
: Verlaagt de opgeslagen maximumsnelheid
Markering voor opgeslagen maximumsnelheid
Actuele rijsnelheid
Opgeslagen maximumsnelheid
Knoppen en symbolen voor de functie.
: Activeert de snelheidsbegrenzer vanuit de stand-bystand en hervat de opgeslagen maximumsnelheid
: Verhoogt de opgeslagen maximumsnelheid
: Vanuit de stand-bystand – activeert
de snelheidsbegrenzer en slaat de actuele
snelheid op
16
310
Speed Limiter
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
•
Snelheidsbegrenzer kiezen en activeren
(p. 311)
•
Snelheidsbegrenzer deactiveren (p. 312)
Beperkingen van de snelheidsbegrenzer
(p. 313)
•
Snelheidsbegrenzer tijdelijk deactiveren
(p. 313)
Snelheidsbegrenzer kiezen en
activeren
•
Vastgelegde snelheid instellen voor rijhulpsystemen (p. 342)
•
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 314)
Om de snelheid te kunnen regelen moet u
eerst de snelheidsbegrenzer (SL17) kiezen en
activeren.
Activering van de snelheidsbegrenzer is pas
mogelijk nadat de motor is gestart. De laagst
mogelijke maximumsnelheid die u kunt
opslaan is 30 km/h (20 mph).
1.
Druk op de ◀ (1) of ▶ (3) om te bladeren
naar het symbool voor de snelheidsbe(4).
grenzer
> Het symbool is grijs – de snelheidsbegrenzer staat stand-by.
}}
311
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
2. Wanneer de snelheidsbegrenzer is gekozen, moet u voor activering op de stuur(2) drukken.
knop
> Het symbool is wit – de snelheidsbegrenzer wordt gestart en de actuele
snelheid wordt vastgelegd als maximumsnelheid.
Snelheidsbegrenzer deactiveren
De snelheidsbegrenzer
ren en uit te schakelen.
(SL18)
is te deactive-
Snelheidsbegrenzer (p. 310)
Snelheidsbegrenzer deactiveren (p. 312)
Snelheidsbegrenzer tijdelijk deactiveren
(p. 313)
1.
Druk op de stuurknop
(2).
> Het symbool en de aanduidingen worden grijs van kleur – de snelheidsbegrenzer wordt stand-by gezet, waarna
u de ingestelde maximumsnelheid kunt
overschrijden.
2. Druk op de stuurknop ◀ (1) of ▶ (3) om
naar een andere functie te gaan.
> De snelheidsbegrenzer-markering (4)
en het symbool op het bestuurdersdisplay doven – de opgeslagen maximumsnelheid is daarmee gewist.
17
18
312
Speed Limiter
Speed Limiter
•
•
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
Gerelateerde informatie
Snelheidsbegrenzer (p. 310)
Snelheidsbegrenzer kiezen en activeren
(p. 311)
Snelheidsbegrenzer tijdelijk deactiveren
(p. 313)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsbegrenzer tijdelijk
deactiveren
De snelheidsbegrenzer (SL19) is tijdelijk te
deactiveren en stand-by te zetten.
Tijdelijk deactiveren met het
gaspedaal
De ingestelde maximumsnelheid is tijdelijk te
deactiveren en te overschrijden met het gaspedaal zonder dat de snelheidsbegrenzer
daarvoor eerst stand-by moet worden gezet –
om bijvoorbeeld snel te kunnen optrekken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Snelheidsbegrenzer (p. 310)
Snelheidsbegrenzer kiezen en activeren
(p. 311)
Snelheidsbegrenzer deactiveren (p. 312)
Beperkingen van de
snelheidsbegrenzer
Er gelden enkele algemene beperkingen voor
de snelheidsbegrenzer (SL20).
Op steile aflopende hellingen volstaat de remwerking van de snelheidsbegrenzer (SL21)
mogelijk niet, zodat de opgeslagen maximumsnelheid mogelijk wordt overschreden. In dat
geval wordt u hierop attent gemaakt met de
melding Snelheidsgrens overschreden op
het bestuurdersdisplay.
N.B.
Doe in dat geval het volgende:
1.
Trap het gaspedaal helemaal in en laat het
pedaal weer los bij het bereiken van de
gewenste snelheid om de acceleratie te
beëindigen.
> De snelheidsbegrenzer is in dat geval
nog steeds geactiveerd, zodat het symbool op het bestuurdersdisplay WIT van
kleur is.
Er verschijnen tekstmeldingen over overschrijding van de maximumsnelheid, als de
snelheid met minimaal 3 km/h
(zo'n 2 mph) is overschreden.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer (p. 310)
2. Haal uw voet van het gaspedaal, wanneer
de tijdelijke acceleratie voltooid is.
> De auto wordt vervolgens automatisch
afgeremd op de motor tot een snelheid
onder de laatst opgeslagen maximumsnelheid.
19
20
21
Speed Limiter
Speed Limiter
Speed Limiter
313
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Automatische snelheidsbegrenzer
(ASL22)
De automatische snelheidsbegrenzer
helpt u om de maximumsnelheid van de auto
af te stemmen op de op verkeersborden aangegeven maximumsnelheid.
U kunt overschakelen van de snelheidsbegrenzer (SL23) op de automatische snelheidsbegrenzer (ASL).
De automatische snelheidsbegrenzer gebruikt
de snelheidsinformatie van de verkeersbordinformatie* (RSI24) om de maximumsnelheid van
de auto automatisch aan te passen.
WAARSCHUWING
Ook als u zelf het snelheidsbord duidelijk
kunt waarnemen, geeft de verkeersbordinformatie* (RSI) van ASL mogelijk de verkeerde snelheid aan – u moet in dat geval
zelf ingrijpen en afremmen naar een passende snelheid.
22
23
24
314
WAARSCHUWING
•
•
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Is SL of ASL actief?
Symbolen op het bestuurdersdisplay geven
aan welke snelheidsbegrenzer actief is:
Symbool
ASL
✓
✓
A
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
SL
✓
Bordsymbool na "70" = ASL is
geactiveerd.
A
WIT symbool: De functie is actief, GRIJS symbool: Standbystand.
Automatic Speed Limiter
Speed Limiter
Road Sign Information
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
ASL-symbool
Het bordsymbool (naast de opgeslagen snelheid "70", in het midden van
de snelheidsmeter) kan drie kleuren
hebben met de volgende betekenissen:
Kleur van
het bordsymbool
Betekenis
Groengeel
ASL is actief
Grijs
Oranje
Als aanvulling op de snelheidsbegrenzer
(SL25) is de automatische snelheidsbegrenzer
(ASL26) te activeren en deactiveren.
Automatische snelheidsbegrenzer
activeren
Activeer of deactiveer de
functie met deze knop in het
functiescherm van het middendisplay.
ASL staat stand-by
ASL staat tijdelijk stand-by
– bijvoorbeeld omdat een
verkeersbord niet kon worden herkend.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
•
Tolerantie voor de automatische snelheidsbegrenzer wijzigen (p. 316)
•
Beperkingen van de automatische snelheidsbegrenzer (p. 317)
•
•
Snelheidsbegrenzer (p. 310)
25
26
Automatische snelheidsbegrenzer
activeren of deactiveren
Automatische snelheidsbegrenzer activeren of deactiveren (p. 315)
1.
> GROENE knopindicatie – de functie is
geactiveerd en in het midden van de
snelheidsmeter op het bestuurdersdisplay staat een verkeersbordsymbool.
N.B.
•
Als de automatische snelheidsbegrenzer geactiveerd is, verschijnt verkeersbordinformatie* op het bestuurdersdisplay, ook al is RSI27 niet ingeschakeld.
•
Om de verkeersbordinformatie van het
bestuurdersdisplay te halen moet u
zowel de automatische snelheidsbegrenzer als de RSI deactiveren.
•
Wanneer de automatische snelheidsbegrenzer geactiveerd en de RSI
gedeactiveerd is, geeft de RSI geen
waarschuwingen. Om waarschuwingen te kunnen krijgen moet u tevens
de RSI activeren.
.
2. Druk op de stuurknop
> ASL wordt met de actuele rijsnelheid
geactiveerd.
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
Speed Limiter
Automatic Speed Limiter
}}
* Optie/accessoire. 315
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Automatische snelheidsbegrenzer
deactiveren
Tolerantie voor de automatische
snelheidsbegrenzer wijzigen
Om de automatische snelheidsbegrenzer te
deactiveren:
De automatische snelheidsbegrenzer (ASL28)
is in te stellen op verschillende tolerantieniveaus. De tolerantie is op dezelfde manier
aan te passen als bij het instellen van de snelheid voor de snelheidsbegrenzer.
Als de auto bijvoorbeeld de aangegeven maximumsnelheid van 70 km/h (43 mph) aanhoudt, kunt u ervoor kiezen om een snelheid
van 75 km/h (47 mph) aan te houden.
Druk op de knop op het functiescherm.
> GRIJZE knopindicatie – de ASL wordt
uitgeschakeld en SL wordt geactiveerd.
–
WAARSCHUWING
De auto houdt niet langer de op de borden
aangegeven maximumsnelheid aan na
overschakeling van ASL op SL – de auto
houdt dan alleen de opgeslagen maximumsnelheid aan.
–
Druk op de stuurknop
(1) totdat
70 km/h (43 mph) in het midden van de
snelheidsmeter (2) is gewijzigd in 75 km/h
(47 mph).
> De auto hanteert vervolgens de gekozen tolerantie van 5 km/h (4 mph)
zolang de gepasseerde borden
70 km/h (43 mph) aangeven.
Deze tolerantie geldt totdat u een verkeersbord met een lagere of hogere snelheid passeert – de auto hanteert dan de nieuwe aangegeven maximumsnelheid en de tolerantie
wordt uit het geheugen gewist.
N.B.
De grootst mogelijke marge die u kunt kiezen is +/- 10 km/h (5 mph).
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
27
28
316
Snelheidsbegrenzer (p. 310)
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 314)
Gerelateerde informatie
Beperkingen van de automatische snelheidsbegrenzer (p. 317)
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
•
•
Knoppen en symbolen voor de functie.
•
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 314)
Beperkingen van de automatische snelheidsbegrenzer (p. 317)
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
Road Sign Information – RSI
Automatic Speed Limiter
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van de automatische
snelheidsbegrenzer
De automatische snelheidsbegrenzing
(ASL29) vindt plaats op basis van snelheidsinformatie afkomstig van de verkeersbordinformatie* (RSI30) – niet op basis van de verkeersborden met maximumsnelheden die de
auto passeert.
Als de verkeersbordinformatie de snelheidsinformatie niet kan interpreteren en doorgeven
aan de rijhulpsystemen, gaat de automatische
snelheidsbegrenzer stand-by staan en wordt
overgeschakeld op de standaardsnelheidsbegrenzer. In dergelijke gevallen moet u zelf
ingrijpen en afremmen tot de juiste snelheid.
Cruisecontrol
: Vanuit de actieve stand – deactiveert de cruisecontrol/zet deze stand-by
Overzicht
Aanduiding voor opgeslagen snelheid
•
•
•
Snelheidsbegrenzer (p. 310)
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 314)
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
: Verlaagt de opgeslagen snelheid
Actuele rijsnelheid
Opgeslagen snelheid
N.B.
Bij een auto met adaptieve cruisecontrol*
(ACC32) kunt u wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve cruisecontrol.
De automatische snelheidsbegrenzer wordt
opnieuw geactiveerd, wanneer de verkeersbordinformatie weer snelheidsinformatie kan
interpreteren en doorgeven.
Gerelateerde informatie
: Vanuit de stand-bystand – activeert
de cruisecontrol en slaat de actuele snelheid op
De cruisecontrol (CC31) helpt u een gelijkmatige snelheid aan te houden, wat voor een
comfortabeler rijervaring kan zorgen tijdens
lange ritten op snelwegen en lange, rechte
hoofdwegen met een gelijkmatige doorstroom.
Knoppen en symbolen voor de functie.
: Activeert de cruisecontrol vanuit de
stand-bystand en hervat de opgeslagen
snelheid
: Verhoogt de opgeslagen snelheid
29
30
31
32
Automatic Speed Limiter
Road Sign Information – RSI
Cruise Control
Adaptive Cruise Control
}}
* Optie/accessoire. 317
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
•
•
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
Motorrem gebruiken in plaats van
bedrijfsrem
laten dempen. U kunt de bedrijfsremingreep
van de cruisecontrol dan tijdelijk uitschakelen.
Doe in dat geval het volgende:
–
Druk het gaspedaal tot ongeveer halverwege in en laat het pedaal weer los.
> De cruisecontrol schakelt de automatische remingreep uit en remt vervolgens
alleen op de motor af.
Cruisecontrol kiezen en activeren
Om de snelheid te kunnen regelen moet u
eerst de cruisecontrol (CC33) kiezen en activeren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
Cruisecontrol kiezen en activeren (p. 318)
Cruisecontrol deactiveren (p. 319)
Stand-bystand voor cruisecontrol (p. 320)
Vastgelegde snelheid instellen voor rijhulpsystemen (p. 342)
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve cruisecontrol* op het middendisplay
(p. 327)
Voor het starten van de cruisecontrol vanuit de
stand-bystand moet de actuele snelheid
30 km/h (20 mph) of hoger zijn.
1.
Druk op de ◀ (1) of ▶ (3) om te bladeren
naar het symbool voor cruisecontrol
(4).
> Het symbool is grijs – de cruisecontrol
staat stand-by.
De cruisecontrol regelt de snelheid met een
gereduceerde remingreep vanuit de bedrijfsrem. Op een aflopende helling kan het soms
wenselijk zijn om iets sneller weg te rollen en
alleen de motorrem de snelheidstoename te
318
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
2. Wanneer de cruisecontrol is gekozen,
moet u voor activering op de stuurknop
(2) drukken.
> Het symbool is wit – de cruisecontrol
wordt gestart en de actuele snelheid
wordt vastgelegd als maximumsnelheid. De laagst mogelijke snelheid die u
kunt opslaan is 30 km/h (20 mph).
Cruisecontrol deactiveren
De cruisecontrol
uit te schakelen.
(CC34)
is te deactiveren en
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Cruisecontrol (p. 317)
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve cruisecontrol* op het middendisplay
(p. 327)
Cruisecontrol kiezen en activeren (p. 318)
Stand-bystand voor cruisecontrol (p. 320)
Laatst opgeslagen snelheid van
cruisecontrol hervatten
Wanneer de cruisecontrol is gekozen,
moet u voor activering op de stuurknop
drukken.
> De cruisecontrolaanduidingen op het
bestuurdersdisplay verkleuren van
GRIJS naar WIT en de laatst opgeslagen snelheid wordt hervat.
–
WAARSCHUWING
Wanneer u de snelheid weer hervat met de
, kan er een markante snelstuurknop
heidstoename volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
33
34
Cruisecontrol (p. 317)
1.
(2).
Druk op de stuurknop
> Het symbool en de aanduidingen worden grijs – de cruisecontrol gaat standby.
2. Druk op de stuurknop ◀ (1) of ▶ (3) om
naar een andere functie te gaan.
> De cruisecontrol-markering (4) en het
symbool op het bestuurdersdisplay
doven – de opgeslagen maximumsnelheid is daarmee gewist.
Cruisecontrol deactiveren (p. 319)
Stand-bystand voor cruisecontrol (p. 320)
Cruise Control
Cruise Control
* Optie/accessoire. 319
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Stand-bystand voor cruisecontrol
(CC35)
De cruisecontrol
is te deactiveren en
stand-by te zetten. Dit kan gebeuren door
actief ingrijpen van u of automatisch.
De stand-bystand houdt in dat de functie
geselecteerd is op het bestuurdersdisplay,
maar niet is geactiveerd. De cruisecontrol
regelt dan niet de snelheid.
Stand-by vanwege ingreep van
bestuurder
De cruisecontrol wordt gedeactiveerd en in de
stand-bystand gezet in één van de volgende
gevallen.
•
•
•
•
U zet de schakelhendel in stand N.
Het koppelingspedaal wordt langer dan
1 minuut ingetrapt.
De automatische stand-by is mogelijk in de
volgende gevallen:
•
•
•
•
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
het motortoerental is te laag/hoog
de remtemperatuur wordt te hoog
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph).
Adaptieve cruisecontrol*36
De adaptieve cruisecontrol (ACC37) helpt u
om een gelijkmatige snelheid en een bepaald
tijdsverschil ten opzichte van de voorligger
aan te houden.
De adaptieve cruisecontrol kan u een comfortabeler rijervaring bieden tijdens lange ritten
op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen
met een gelijkmatige doorstroom.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te
passen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Cruisecontrol (p. 317)
Cruisecontrol kiezen en activeren (p. 318)
Cruisecontrol deactiveren (p. 319)
U houdt langer dan 1 minuut een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te
passen.
De gecombineerde camera en radarsensor meet de
afstand tot voorliggers.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst
opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal
loslaat.
U kiest de gewenste snelheid en het aan te
houden tijdsverschil ten opzichte van voorliggers. Als de gecombineerde camera en radarsensor een voorligger registreert die langzamer rijdt dan u, wordt het tijdsverschil auto-
35
36
37
320
U bedient het rempedaal.
Automatische stand-bystand
Cruise Control
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
matisch aangepast. Wanneer de weg voor u
weer vrij is, hervat de auto de ingestelde snelheid.
Als de functie bochtassistent* geactiveerd is,
kan dat ook van invloed zijn op de snelheid
van de auto.
WAARSCHUWING
•
•
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
De adaptieve cruisecontrol regelt de snelheid
door de stand van de gasklep aan te passen
en zo nodig af te remmen. Het is normaal dat
de remmen zwakke geluiden produceren,
wanneer ze worden gebruikt bij het aanpassen
van de snelheid.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In
situaties waarin krachtig moet worden
geremd moet u dan ook zelf te remmen. Dit is
bijvoorbeeld het geval bij grote snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig remt.
Door beperkingen van de radarsensor is het
mogelijk dat er onverwacht of helemaal niet
wordt geremd.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar het
door u ingestelde tijdsverschil ten opzichte
van voorliggers in dezelfde rijstrook aan te
houden. Als de radarsensor geen voorligger
registreert, houdt de auto in plaats daarvan de
snelheid aan die op de cruisecontrol werd
ingesteld. Dit gebeurt ook als de snelheid van
de voorligger toeneemt en de ingestelde snelheid overschrijdt.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
•
Adaptieve cruisecontrol* kiezen en activeren (p. 323)
•
Beperkingen van adaptieve cruisecontrol*
(p. 326)
•
Symbolen en meldingen voor adaptieve
cruisecontrol* (p. 328)
•
Waarschuwing rijhulpsystemen bij een
dreigende botsing (p. 340)
•
Tijdsverschil ten opzichte van voorliggers
instellen (p. 343)
•
Vastgelegde snelheid instellen voor rijhulpsystemen (p. 342)
•
Automatische remfunctie van rijhulpsystemen (p. 344)
•
Van doelvoertuig veranderen met rijhulpsystemen (p. 341)
•
Inhaalassistent (p. 348)
Bediening en displayweergave met
betrekking tot adaptieve cruisecontrol*
(p. 322)
BELANGRIJK
Laat het onderhoud aan rijhulpcomponenten over aan een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire. 321
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Bediening en displayweergave met
betrekking tot adaptieve
cruisecontrol*38
Een overzicht van de bediening van de adaptieve cruisecontrol (ACC39) via de stuurknoppenset links op het stuurwiel en de displayweergave van de functie.
Vergroot het tijdsverschil ten opzichte van
de voorligger
Verkleint het tijdsverschil ten opzichte van
de voorligger
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Beperkingen van adaptieve cruisecontrol*
(p. 326)
Doelvoertuigindicatie: de functie heeft een
doelvoertuig ontdekt en volgt deze met
een vooraf gekozen tijdsverschil
Symbool voor tijdsverschil ten opzichte
van voorligger
Bestuurdersdisplay
: Vanuit de stand-bystand – activeert
en slaat de actuele snelheid op
: Vanuit de actieve stand – deactiveert zet deze stand-by
: Activeert de functie vanuit de standbystand en hervat de opgeslagen snelheid
: Verhoogt de opgeslagen snelheid
Snelheidsaanduidingen.
Opgeslagen snelheid
Snelheid van de voorligger.
Actuele snelheid van uw auto.
: Verlaagt de opgeslagen snelheid
38
39
322
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol*40 kiezen
en activeren
De adaptieve cruisecontrol (ACC41) moet, om
de snelheid en het tijdsverschil te kunnen
regelen, eerst gekozen en vervolgens geactiveerd worden.
•
1.
Voor auto's met een handgeschakelde versnellingsbak: De snelheid moet minimaal
30 km/h (20 mph) bedragen.
Druk op de stuurknop ◀ (2) of ▶ (3) om te
bladeren naar het symbool voor adaptieve
cruisecontrol
(4).
> Het symbool is grijs – de adaptieve
cruisecontrol staat stand-by.
WAARSCHUWING
Wanneer u de snelheid weer hervat met de
stuurknop
, kan er een markante snelheidstoename volgen.
Bijkomende aanduidingen op het
bestuurdersdisplay
Alleen als het afstandssymbool twee voertuigen aangeeft, regelt ACC het tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger.
2. Wanneer de snelheidsbegrenzer is gekozen, moet u voor activering op de stuur(1) drukken.
knop
> Het symbool is wit – de snelheidsbegrenzer wordt gestart en de actuele
snelheid wordt vastgelegd als maximumsnelheid.
Om de functie te kunnen starten, is het volgende vereist:
•
•
40
41
U moet de veiligheidsgordel om hebben
en het bestuurdersportier moet dichtstaan.
Er moet binnen een redelijke afstand een
voorligger (doelvoertuig) aanwezig zijn of
de actuele snelheid moet minimaal
15 km/h (9 mph) zijn.
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
Adaptive Cruise Control
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd.
De hogere snelheid is de
opgeslagen snelheid en de
lagere snelheid is de snelheid
van de voorligger (het doel-
Laatst opgeslagen snelheid van
adaptieve cruisecontrol hervatten
–
Wanneer de adaptieve cruisecontrol is
gekozen, moet u voor activering op de
drukken.
stuurknop
> De cruisecontrolaanduidingen op het
bestuurdersdisplay verkleuren van
GRIJS naar WIT en de laatst opgeslagen snelheid wordt hervat.
voertuig).
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Adaptieve cruisecontrol* deactiveren
(p. 324)
}}
* Optie/accessoire. 323
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve cruisecontrol* op het middendisplay
(p. 327)
•
Beperkingen van adaptieve cruisecontrol*
(p. 326)
Adaptieve cruisecontrol*42
deactiveren
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol (ACC43) is te
deactiveren en uit te schakelen.
•
Wanneer de adaptieve cruisecontrol
stand-by staat moet u actief ingrijpen
en zelf de snelheid en afstand aanpassen ten opzichte van voorliggers.
•
Wanneer de adaptieve cruisecontrol
stand-by staat en de auto een voorligger te dicht nadert, kunt u echter een
waarschuwing krijgen voor de te kleine
afstand van de afstandswaarschuwing*.
Gerelateerde informatie
•
•
1.
Druk op de stuurknop
(2).
> Het symbool en de aanduidingen worden grijs – de adaptieve cruisecontrol
gaat stand-by. Ook de aanduiding voor
het tijdsverschil en een eventueel symbool voor het doelvoertuig doven.
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Adaptieve cruisecontrol* kiezen en activeren (p. 323)
•
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve cruisecontrol* op het middendisplay
(p. 327)
•
Beperkingen van adaptieve cruisecontrol*
(p. 326)
2. Druk op de stuurknop ◀ (1) of ▶ (3) om
naar een andere functie te gaan.
> De adaptieve cruisecontrol-markering
(4) en het symbool op het bestuurdersdisplay doven – de opgeslagen maximumsnelheid is daarmee gewist.
42
43
324
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Stand-bystand voor adaptieve
cruisecontrol*44
De adaptieve cruisecontrol (ACC45) kan worden gedeactiveerd en in de stand-bystand
blijven. Dit kan gebeuren door actief ingrijpen
van u of automatisch.
De stand-bystand houdt in dat de functie
geselecteerd is op het bestuurdersdisplay,
maar niet is geactiveerd. De adaptieve cruisecontrol regelt dan niet de snelheid of de
afstand ten opzichte van de voorligger.
Stand-by vanwege ingreep van
bestuurder
De adaptieve cruisecontrol wordt gedeactiveerd en in de stand-bystand gezet in één van
de volgende gevallen.
•
•
•
U bedient het rempedaal.
•
U bedient het koppelingspedaal langer
dan zo'n 1 minuut – geldt voor auto's met
een handgeschakelde versnellingsbak.
U zet de schakelhendel in stand N.
U houdt langer dan 1 minuut een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst
44
45
46
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
Adaptive Cruise Control
Electronic Stability Control
opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal
loslaat.
WAARSCHUWING
Wanneer de auto automatisch stand-by
staat, wordt u gewaarschuwd met een
geluidssignaal en een melding op het
bestuurdersdisplay.
WAARSCHUWING
•
•
Wanneer de adaptieve cruisecontrol
stand-by staat moet u actief ingrijpen
en zelf de snelheid en afstand aanpassen ten opzichte van voorliggers.
Wanneer de adaptieve cruisecontrol
stand-by staat en de auto een voorligger te dicht nadert, kunt u echter een
waarschuwing krijgen voor de te kleine
afstand van de afstandswaarschuwing*.
Automatische stand-bystand
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen, zoals de stabiliteitsregeling/
antislipregeling (ESC46). Als een van deze
andere systemen niet meer werkt, wordt de
adaptieve cruisecontrol automatisch gedeactiveerd.
•
Als bestuurder moet u dan zelf de snelheid aanpassen, zo nodig remmen en
een veilige afstand houden tot voorliggers.
De automatische stand-by is mogelijk in de
volgende gevallen:
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en
ACC kan niet registreren of de voorligger
een stilstaand voertuig is of een object,
zoals een verkeersdrempel.
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en
de voorligger slaat af, zodat ACC geen
voorligger meer heeft om te volgen.
•
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph) – geldt alleen voor auto's met
een handgeschakelde versnellingsbak.
•
•
•
u opent het bestuurdersportier.
u doet de veiligheidsgordel af.
het motortoerental is te laag/hoog.
}}
* Optie/accessoire. 325
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
•
een of meer wielen verliezen hun grip op
het wegdek.
Beperkingen van adaptieve
cruisecontrol*47
•
de remmen hebben een hoge temperatuur.
De adaptieve cruisecontrol (ACC48) kent
mogelijk beperkingen in bepaalde situaties.
•
•
de parkeerrem wordt geactiveerd.
de gecombineerde camera en radarsensor
wordt afgedekt door sneeuw of zware
regenval (blokkering cameralens/radarsignalen).
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Adaptieve cruisecontrol* kiezen en activeren (p. 323)
•
Adaptieve cruisecontrol* deactiveren
(p. 324)
•
Beperkingen van adaptieve cruisecontrol*
(p. 326)
WAARSCHUWING
•
Dit is geen systeem dat botsingen
voorkomt. Als bestuurder bent u er
altijd verantwoordelijk voor om in te
grijpen, mocht het systeem een voorliggers niet ontdekken.
•
De functie reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d.
Lage aanhangers, tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
•
Gebruik de functie niet in lastige situaties zoals in stadsverkeer, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of
sneeuwval of slecht zicht en evenmin
op weggedeelten met veel water of
natte sneeuw, op bochtige wegen of
op uit- en opritten.
Steile wegen en/of zware belading
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in eerste instantie bestemd is voor gebruik tijdens
ritten op vlakke weggedeelten. Het systeem
heeft mogelijk moeite om de juiste afstand ten
opzichte van voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen – blijf dan extra
alert en rem zo nodig zelf.
Maak geen gebruik van de adaptieve cruisecontrol, als de auto zwaar beladen is of wanneer er een aanhangwagen achter de auto
hangt.
Overig
Rijmodus Off Road kan niet worden gekozen
als de adaptieve cruisecontrol is geactiveerd.
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
47
48
326
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
•
49
50
51
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
Wisselen tussen cruisecontrol en
adaptieve cruisecontrol*49 op het
middendisplay
Wanneer de standaardcruisecontrol (CC50) is
gekozen op het bestuurdersdisplay, kunt u
overschakelen op de adaptieve cruisecontrol
(ACC51) via het functiescherm van het middendisplay.
Activeer of deactiveer de
functie met deze knop in het
functiescherm van het middendisplay.
•
GROENE knopindicatie – de adaptieve
cruisecontrol is gedeactiveerd en de standaardcruisecontrol staat stand-by.
•
GRIJZE knopindicatie – de standaardcruisecontrol is gedeactiveerd en de adaptieve
cruisecontrol staat stand-by.
Het symbool op het bestuurdersdisplay geeft
aan welke cruisecontrol actief is:
Cruisecontrol
(CC)
Adaptieve cruisecontrol (ACC)
A
A
A
WIT symbool: De functie is actief, GRIJS symbool: Standby zetten
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Cruisecontrol (p. 317)
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
Cruise Control
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire. 327
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
adaptieve cruisecontrol*52
Op het bestuurdersdisplay en/of head-updisplay* kunnen enkele symbolen en meldingen
verschijnen voor de adaptieve cruisecontrol
(ACC53).
Op de onderstaande voorbeeldafbeeldingen
informeert de verkeersbordinformatie* (RSI54)
u dat de maximumsnelheid 130 km/h
(80 mph) bedraagt.
Op de voorgaande afbeelding ziet u dat de
adaptieve cruisecontrol is ingesteld op het
aanhouden van een snelheid van 110 km/h
(68 mph) en dat er geen voorliggers zijn die
het systeem kan volgen.
Op de voorgaande afbeelding ziet u dat de
adaptieve cruisecontrol is ingesteld op het
aanhouden van een snelheid van 110 km/h
(68 mph) en dat het systeem een voorligger
volgt die op dezelfde snelheid rijdt.
52
53
54
328
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
Adaptive Cruise Control
Road Sign Information
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbool
Melding
Betekenis
Het symbool is WIT.
De auto houdt de opgeslagen snelheid aan.
Adaptive Cruise Contr.
De adaptieve cruisecontrol staat stand-by.
Niet beschikbaar
Het symbool is GRIJS.
Adaptive Cruise Contr.
Service vereist
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
Het symbool is GRIJS.
Voorruitsensor
Reinig de voorruit vóór de sensoren van de gecombineerde camera en radarsensor.
Sensor afgedekt, zie handleiding
U kunt meldingen verwijderen door kort te
drukken op de
-knop in het midden van de
rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
* Optie/accessoire. 329
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Pilot Assist*55
Pilot Assist kan u helpen om tussen de zijmarkeringen van de rijbaan te blijven rijden
dankzij stuurhulp, een constante snelheid aan
te houden en een vooraf geselecteerd tijdsverschil ten opzichte van voorliggers.
Pilot Assist werkt als volgt
Pilot Assist is voornamelijk bestemd voor
gebruik op snelwegen, hoofdwegen en dergelijke om u een comfortabeler en meer ontspannen rijervaring te bieden.
U kiest de gewenste snelheid en het aan te
houden tijdsverschil ten opzichte van voorliggers. Pilot Assist registreert de afstand tot de
voorligger en de zijmarkeringen van de rijstrook op de weg via de gecombineerde camera
en radarsensor. Het vooraf ingestelde tijdsverschil wordt aangehouden via automatische
aanpassing van de snelheid, terwijl de stuurassistentie helpt om de auto binnen de rijstrookmarkeringen te houden.
Als de functie bochtassistent* geactiveerd is,
kan dat ook van invloed zijn op de snelheid
van de auto.
Pilot Assist-stuurassistentie wordt gebaseerd
op een combinatie van het traject dat de voorligger aflegt en de zijmarkeringen van de rijbaan. U kunt op elk gewenst moment het
stuuradvies van Pilot Assist negeren en in een
andere richting sturen, bijvoorbeeld om van
rijstrook te wisselen of om obstakels op de
weg te omzeilen.
De gecombineerde camera en radarsensor meet de
afstand tot voorliggers en detecteert zijmarkeringen.
Gecombineerde camera en radarsensor
Afstandssensor
Zijmarkeringssensor
55
330
Bij tijdelijke deactivering zal het stuur licht trillen om u te wijzen op de verandering.
WAARSCHUWING
De stuurhulp van Pilot Assist wordt automatisch en zonder waarschuwing vooraf
uit- en weer ingeschakeld.
De kleur van het stuursymbool geeft de actuele status
van de stuurhulp aan:
• een GROEN stuur geeft aan
dat de stuurhulp actief is
• een GRIJS stuur (zoals
afgebeeld) geeft aan dat de stuurhulp niet
actief is.
Als Pilot Assist de rijbaan niet goed kan detecteren, bijvoorbeeld als de gecombineerde
camera en radarsensor de zijmarkeringen van
de rijbaan niet kan zien, schakelt Pilot Assist
de stuurhulp tijdelijk uit, maar de stuurhulp
wordt weer ingeschakeld zodra de rijbaan
weer wordt gedetecteerd – de snelheids- en
afstandsregelingen blijven echter geactiveerd.
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
krachtig moet worden geremd moet u dan ook
zelf te remmen. Dit is bijvoorbeeld het geval
bij grote snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig remt. Door beperkingen van de
gecombineerde camera en radarsensor is het
mogelijk dat er onverwacht of helemaal niet
wordt geremd.
Pilot Assist streeft ernaar het door u ingestelde tijdsverschil ten opzichte van voorliggers in dezelfde rijstrook aan te houden. Als de
radarsensor geen voorligger registreert, houdt
de auto in plaats daarvan de snelheid aan die
op de cruisecontrol werd ingesteld. Dit
gebeurt ook als de snelheid van de voorligger
toeneemt en de ingestelde snelheid overschrijdt.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud aan rijhulpcomponenten over aan een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
In bochten en bij wegsplitsingen
Pilot Assist regelt de snelheid door de stand
van de gasklep aan te passen en zo nodig af te
remmen. Het is normaal dat de remmen
zwakke geluiden produceren, wanneer ze
worden gebruikt bij het aanpassen van de
snelheid.
Pilot Assist probeert de snelheid op een soepele manier te regelen. In situaties waarin
Pilot Assist werkt samen met de bestuurder
zodat u de stuurhulp van Pilot Assist niet moet
afwachten maar altijd klaar moet staan om de
besturing over te nemen, vooral in bochten.
•
gewenste rijrichting kenbaar te maken aan
Pilot Assist.
Pilot Assist probeert altijd om de auto
in het midden van de rijstrook te
houden
Wanneer Pilot Assist helpt bij het sturen, probeert de functie altijd om de auto midden tussen de rijstrookmarkeringen te brengen en het
wordt daarom aanbevolen om de auto zelf een
goede positie te laten zoeken, om op deze
manier een zo soepel mogelijke rijervaring
mogelijk te maken. Als bestuurder controleert
u of de auto op een veilige manier in de rijstrook gebracht wordt en u kunt de positie dus
altijd aanpassen door de besturing zelf verder
over te nemen.
•
Mocht Pilot Assist de auto niet op een correcte manier naar de rijstrook brengen,
dan adviseren we om Pilot Assist uit te
zetten of over te schakelen op de adaptieve cruisecontrol*.
Handen aan het stuur
Een voorwaarde voor de werking van Pilot
Assist is dat u uw handen aan het stuur houdt.
Als de auto een afslag of splitsing van de
rijstrook nadert, dient u in de richting van
de gewenste rijstrook te sturen om de
}}
* Optie/accessoire. 331
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Als Pilot Assist detecteert dat
u uw handen niet aan het
stuurwiel houdt, krijgt u na
enige tijd het verzoek tot
actieve besturing van de
auto, in de vorm van een
symbool en een displaytekst.
Als het systeem enige seconden later detecteert dat u uw handen nog steeds niet aan het
stuur hebt, wordt het verzoek tot actieve
besturing van de auto herhaald. Dit maal in
combinatie met een akoestisch waarschuwingssignaal.
Als Pilot Assist na nog eens enkele seconden
nog steeds niet kan registreren dat u uw handen aan het stuur hebt, wordt het volume van
het waarschuwingssignaal verhoogd en de
stuurfunctie uitgeschakeld. Vervolgens moet u
Pilot Assist opnieuw starten met de stuurknop
.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
56
332
Rijhulpsystemen (p. 300)
Pilot Assist* kiezen en activeren (p. 333)
•
Vastgelegde snelheid instellen voor rijhulpsystemen (p. 342)
Bediening en displayweergave met
betrekking tot Pilot Assist*56
•
Tijdsverschil ten opzichte van voorliggers
instellen (p. 343)
•
Van doelvoertuig veranderen met rijhulpsystemen (p. 341)
Een overzicht van de bediening van de Pilot
Assist via de stuurknoppenset links op het
stuurwiel en de displayweergave van de functie.
•
Waarschuwing rijhulpsystemen bij een
dreigende botsing (p. 340)
•
Automatische remfunctie van rijhulpsystemen (p. 344)
•
Inhaalassistent (p. 348)
Bediening
Knoppen en symbolen voor de functie.
▶: Schakelt over van adaptieve cruisecontrol* naar Pilot Assist
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 337)
: Vanuit de stand-bystand – activeert
Pilot Assist en slaat de actuele snelheid op
Bediening en displayweergave met
betrekking tot Pilot Assist* (p. 332)
: Vanuit de actieve stand – deactiveert Pilot Assist zet deze stand-by
Symbolen en meldingen voor Pilot Assist*
(p. 339)
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
: Activeert Pilot Assist vanuit de standbystand en hervat de opgeslagen snelheid
en het opgeslagen tijdsverschil
Bestuurdersdisplay
Pilot Assist*57 kiezen en activeren
De Pilot Assist moet, om de snelheid en het
tijdsverschil te kunnen regelen en stuurhulp
te kunnen bieden, eerst gekozen en vervolgens geactiveerd worden.
: Verhoogt de opgeslagen snelheid
: Verlaagt de opgeslagen snelheid
Vergroot het tijdsverschil ten opzichte van
de voorligger
Verkleint het tijdsverschil ten opzichte van
de voorligger
◀: Schakelt over van Pilot Assist op adaptieve cruisecontrol
Functiesymbool
Snelheidsaanduidingen.
Opgeslagen snelheid
Symbolen voor het doelvoertuig
Snelheid van de voorligger
Symbool voor tijdsverschil ten opzichte
van voorligger
Symbool voor geactiveerde/gedeactiveerde stuurhulp
57
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
Actuele snelheid van uw auto
Gerelateerde informatie
•
Pilot Assist* (p. 330)
Om Pilot Assist te kunnen starten, is het volgende vereist:
•
U moet de veiligheidsgordel om hebben
en het bestuurdersportier moet dichtstaan.
•
Er moet binnen een redelijke afstand een
voorligger (doelvoertuig) aanwezig zijn of
}}
* Optie/accessoire. 333
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
de actuele snelheid moet minimaal
15 km/h (9 mph) zijn.
•
1.
Voor auto's met een handgeschakelde versnellingsbak: De snelheid moet minimaal
30 km/h (20 mph) bedragen.
Druk op de ◀ (1) of ▶ (3) om te bladeren
(4).
naar het symbool voor Pilot Assist
> Het symbool is grijs – de Pilot Assist
staat stand-by.
2. Wanneer de Pilot Assist is gekozen, moet
u voor activering op de stuurknop
(2)
drukken.
> Het symbool is wit – de Pilot Assist
wordt gestart en de actuele snelheid
wordt vastgelegd als maximumsnelheid.
Laatst opgeslagen snelheid van Pilot
Assist hervatten
–
Wanneer de Pilot Assist is gekozen, moet
u voor activering op de stuurknop
drukken.
> De cruisecontrolaanduidingen op het
bestuurdersdisplay verkleuren van
GRIJS naar WIT en de laatst opgeslagen snelheid wordt hervat.
WAARSCHUWING
Wanneer u de snelheid weer hervat met de
stuurknop
, kan er een markante snelheidstoename volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Pilot Assist* (p. 330)
Pilot Assist* deactiveren (p. 335)
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 337)
N.B.
Let op: de hulpfunctie Pilot Assist werkt
alleen als u de handen aan het stuur hebt.
Bijkomende aanduidingen op het
bestuurdersdisplay
Alleen wanneer het afstandssymbool een auto (1) boven
het stuursymbool aangeeft,
regelt Pilot Assist het tijdsverschil en opzichte van voorliggers.
Alleen wanneer de kleur van het stuursymbool
(2) verandert van GRIJS in GROEN, is de
stuurhulp van Pilot Assist actief.
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd.
De hogere snelheid is de
opgeslagen snelheid en de
lagere snelheid is de snelheid
van de voorligger (het doelvoertuig).
334
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Pilot Assist*58 deactiveren
WAARSCHUWING
De Pilot Assist is te deactiveren en uit te
schakelen.
•
Wanneer Pilot Assist stand-by staat
moet u actief ingrijpen alsook zelf sturen en uw snelheid en afstand aanpassen ten opzichte van voorliggers.
•
Wanneer Pilot Assist stand-by staat en
de auto een voorligger te dicht nadert,
krijgt u echter een waarschuwing voor
de te kleine afstand van de afstandswaarschuwing*.
Gerelateerde informatie
•
•
1.
(2).
Druk op de stuurknop
> Het symbool en de aanduidingen worden grijs - de Pilot Assist gaat stand-by.
Ook de aanduiding voor het tijdsverschil en een eventueel symbool voor
het doelvoertuig doven.
2. Druk op de stuurknop ◀ (1) of ▶ (3) om
naar een andere functie te gaan.
> De Pilot Assist-markering (4) en het
symbool op het bestuurdersdisplay
doven – de opgeslagen maximumsnelheid is daarmee gewist.
58
59
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Adaptieve cruisecontrol* kiezen en activeren (p. 323)
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve cruisecontrol* op het middendisplay
(p. 327)
Stand-bystand voor Pilot Assist*59
Pilot Assist is te deactiveren en stand-by te
zetten. Dit kan gebeuren door actief ingrijpen
van u of automatisch.
De stand-bystand houdt in dat de functie
geselecteerd is op het bestuurdersdisplay,
maar niet is geactiveerd. Pilot Assist regelt
dan niet de snelheid of de afstand ten opzichte
van de voorligger en geeft geen stuurhulp.
Stand-by vanwege ingreep van
bestuurder
Pilot Assist wordt gedeactiveerd en in de
stand-bystand gezet in één van de volgende
gevallen.
•
•
•
U bedient het rempedaal.
U zet de schakelhendel in stand N.
U hebt de richtingaanwijzers langer dan
1 minuut gebruikt.
•
Beperkingen van adaptieve cruisecontrol*
(p. 326)
•
U houdt langer dan 1 minuut een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
•
Tijdelijke uitschakeling van stuurhulp met
Pilot Assist* (p. 336)
•
U bedient het koppelingspedaal langer
dan zo'n 1 minuut – geldt voor auto's met
een handgeschakelde versnellingsbak.
}}
* Optie/accessoire. 335
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Automatische stand-bystand
Pilot Assist is afhankelijk van andere systemen
zoals de stabiliteitsregeling/antislipregeling
ESC60. Als een van dergelijke andere systemen uitvalt, wordt Pilot Assist automatisch
gedeactiveerd.
•
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en
Pilot Assist kan niet registreren of de voorligger een stilstaand voertuig is of een
object, zoals een verkeersdrempel.
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en
de voorligger slaat af, zodat Pilot Assist
geen voorligger meer heeft om te volgen.
•
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph) – geldt alleen voor auto's met
een handgeschakelde versnellingsbak.
WAARSCHUWING
Wanneer de auto automatisch stand-by
staat, wordt u gewaarschuwd met een
geluidssignaal en een melding op het
bestuurdersdisplay.
Als bestuurder moet u dan zelf de snelheid aanpassen, zo nodig remmen en
een veilige afstand houden tot voorliggers.
Tijdelijke uitschakeling van
stuurhulp met Pilot Assist*61
Pilot Assist stuurhulp kan tijdelijk worden uitgeschakeld en weer worden geactiveerd zonder dat eerst een waarschuwing wordt gegeven.
Bij gebruik van de richtingaanwijzers wordt de
stuurhulp van Pilot Assist tijdelijk uitgeschakeld. Wanneer dat niet langer het geval is,
wordt de stuurhulp automatisch opnieuw
geactiveerd als de zijlijnen van de rijstrook nog
steeds te detecteren zijn.
•
•
u opent het bestuurdersportier.
de remmen hebben een hoge temperatuur.
Als Pilot Assist de rijbaan niet goed kan detecteren, bijvoorbeeld als de gecombineerde
camera en radarsensor de zijmarkeringen van
de rijbaan niet kan zien, schakelt Pilot Assist
de stuurhulp tijdelijk uit - de snelheids- en
afstandsregelingen blijven echter geactiveerd.
De stuurhulp wordt weer geactiveerd als de
rijbaan goed kan worden gedetecteerd. In
deze situaties kunt u er met een lichte trilling
van het stuur op worden gewezen dat de
stuurhulp tijdelijk wordt gedeactiveerd.
•
•
•
•
•
u houdt uw handen niet aan het stuurwiel.
Gerelateerde informatie
•
De automatische stand-by kan bijvoorbeeld
veroorzaakt zijn door:
60
336
de gecombineerde camera en radarsensor
wordt afgedekt door sneeuw of zware
regenval (blokkering cameralens/radarsignalen).
de parkeerrem wordt geactiveerd.
het motortoerental is te laag/hoog.
u doet de veiligheidsgordel af.
een of meer wielen verliezen hun grip op
het wegdek.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Pilot Assist* (p. 330)
Pilot Assist* kiezen en activeren (p. 333)
Pilot Assist* deactiveren (p. 335)
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 337)
•
•
•
•
Pilot Assist* (p. 330)
Pilot Assist* kiezen en activeren (p. 333)
Pilot Assist* deactiveren (p. 335)
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 337)
Electronic Stability Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van Pilot Assist*62
In bepaalde situaties gelden mogelijk beperkingen voor de werking van Pilot Assist.
Pilot Assist is een hulpmiddel dat u in veel
situaties kan ondersteunen en helpen. U bent
er echter altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
een veilige afstand aanhoudt ten opzichte van
de omgeving en dat u de juiste positie op de
rijbaan aanhoudt.
In bepaalde situaties heeft de stuurassistentie van Pilot Assist moeite om u op de
juiste manier te helpen of wordt de stuurassistentie automatisch uitgeschakeld – in
dat geval is het advies om Pilot Assist niet
te gebruiken. Voorbeelden van dergelijke
situaties:
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
Let er ook op dat Pilot Assist de volgende
beperkingen heeft:
•
Hoge trottoirbanden, barrières en tijdelijke wegversperringen (pylonen,
andere barrières et cetera) worden niet
gedetecteerd. Ze kunnen ten onrechte
worden verward met rijstrookmarkeringen, zodat het risico bestaat dat de
auto in aanraking komt met dergelijke
barrières. Het is aan de bestuurder om
voldoende afstand te houden tot de
genoemde barrières.
•
De gecombineerde radarsensor en
camera heeft onvoldoende capaciteit
om alle aanwezige objecten en obstakels in het verkeer te ontdekken, zoals
kuilen, stilstaande obstakels of voorwerpen die de route geheel of gedeeltelijk blokkeren.
•
de rijstrookmarkeringen zijn afgesleten,
ontbreken of kruisen elkaar.
•
de rijstrookindeling is niet duidelijk, bijvoorbeeld wanneer de rijstroken worden gesplitst of samengevoegd, bij
afritten of als er sprake is van meerdere
sets wegmarkeringen.
•
er zijn randen of andere lijnen dan rijstrookmarkeringen aanwezig op of naast
de rijbaan, zoals trottoirbanden, naden
of reparaties in het oppervlak van de rijbaan, randen van barrières, bermen of
scherpe schaduwen.
•
•
de rijstrook is smal of bochtig.
•
de rijstrook loopt over een top van een
helling of een verkeerdrempel.
Pilot Assist “ziet” voetgangers, dieren
en dergelijke niet.
•
De aanbevolen stuuringreep is in
sterkte beperkt, wat inhoudt dat het
systeem u niet altijd kan helpen de
auto zo te sturen dat deze binnen de
rijstrook blijft.
•
61
62
met slechte lichtomstandigheden,
tegenlicht, een natte rijbaan et cetera.
WAARSCHUWING
het is slecht weer, met regen, (natte)
sneeuw of mist of verminderd zicht
}}
* Optie/accessoire. 337
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
•
•
Bij een auto met Sensus Navigation*
kan de functie informatie uit kaartgegevens gebruiken, wat wisselende prestaties kan betekenen.
Pilot Assist wordt uitgeschakeld, als de
snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging met een beperkt vermogen werkt
– zoals bij koeling op grond van oververhitting.
WAARSCHUWING
•
Dit is geen systeem dat botsingen
voorkomt. Als bestuurder bent u er
altijd verantwoordelijk voor om in te
grijpen, mocht het systeem een voorliggers niet ontdekken.
•
De functie reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d.
Lage aanhangers, tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
WAARSCHUWING
Gebruik Pilot Assist alleen bij duidelijke
markeringen aan weerszijden van de rijstrook. Bij gebruik in andere situaties bestaat
het risico dat u op omringende obstakels
botst die het systeem niet kan detecteren.
•
Gebruik de functie niet in lastige situaties zoals in stadsverkeer, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of
sneeuwval of slecht zicht en evenmin
op weggedeelten met veel water of
natte sneeuw, op bochtige wegen of
op uit- en opritten.
U kunt actuele stuuringrepen van Pilot Assist
altijd corrigeren of aanpassen en zelf het stuur
in de gewenste stand draaien.
Steile wegen en/of zware belading
Let erop dat Pilot Assist in eerste instantie
bestemd is voor gebruik tijdens ritten op
vlakke weggedeelten. Het systeem heeft
mogelijk moeite om de juiste afstand ten
opzichte van voorliggers aan te houden bij rit-
338
ten op steile aflopende wegen – blijf dan extra
alert en rem zo nodig zelf.
Maak geen gebruik van Pilot Assist als de auto
zwaar beladen is of wanneer er een aanhangwagen achter de auto hangt.
N.B.
Pilot Assist is niet te activeren als een aanhanger, fietsdrager of iets dergelijks worden aangesloten op het elektrische systeem van de auto.
Overig
U kunt Off Road niet kiezen, wanneer Pilot
Assist is geactiveerd.
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
Pilot Assist* (p. 330)
•
•
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 300)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
Rijmodi (p. 481)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
Pilot Assist*63
Op het bestuurdersdisplay en/of head-updisplay* kunnen enkele symbolen en meldingen
verschijnen ten aanzien van Pilot Assist.
Op de onderstaande voorbeeldafbeeldingen
informeert de verkeersbordinformatie (RSI64)
u dat de maximumsnelheid 130 km/h
(80 mph) bedraagt.
Op de voorgaande afbeelding ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat het
systeem een voorligger volgt die op dezelfde
snelheid rijdt.
Op de voorgaande afbeelding ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat het
systeem een voorligger volgt die op dezelfde
snelheid rijdt.
Pilot Assist geeft geen stuurhulp, omdat het
de zijlijnen van de rijstrook niet detecteren.
Pilot Assist geeft nu stuurhulp, omdat het de
zijlijnen van de rijstrook kan detecteren.
Op de voorgaande afbeelding ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat er
geen voorliggers zijn die het systeem kan volgen.
Pilot Assist geeft geen stuurhulp, omdat het
de zijlijnen van de rijstrook niet detecteren.
63
64
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
Road Sign Information
}}
* Optie/accessoire. 339
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Waarschuwing rijhulpsystemen bij
een dreigende botsing
De rijhulpsystemen adaptieve cruisecontrol*
en Pilot Assist* kunnen u waarschuwen als de
afstand tot voorliggers plotseling te klein
wordt.
naal op attent gemaakt dat u onmiddellijk
moet ingrijpen.
WAARSCHUWING
De rijhulpsystemen waarschuwen alleen
voor door de radareenheid gedetecteerde
voertuigen – het kan dan ook voorkomen
dat een waarschuwing vertraagd of helemaal niet wordt weergegeven. Wacht een
waarschuwing nooit af, maar rem als dat
nodig is.
Op de voorgaande afbeelding ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat er
geen voorliggers zijn die het systeem kan volgen.
Pilot Assist geeft nu stuurhulp, omdat het de
zijlijnen van de rijstrook kan detecteren.
Gerelateerde informatie
•
•
Pilot Assist* (p. 330)
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 337)
Geluidssignaal en symbool voor Collision Warning.
Akoestisch waarschuwingssignaal bij
gevaar voor een botsing
Waarschuwingssymbool bij gevaar voor
een botsing
Afstandsmeting met gecombineerde
camera en radarsensor
Adaptieve cruisecontrol en Pilot Assist gebruiken ca. 40% van het vermogen van het rempedaal. Als de auto harder moet worden afgeremd dan de rijhulpsystemen aankunnen en u
remt zelf niet bij, dan wordt u er met het waarschuwingslampje en een waarschuwingssig-
340
Symbool voor Collision Warning onder aan de voorruit.
Bij een auto met een head-updisplay* verschijnt een waarschuwing op de voorruit in
combinatie met een knipperend symbool.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
N.B.
In de felle zon, bij lichtschitteringen,
extreme contrastverschillen en het gebruik
van een zonnebril of als u niet recht vooruit
kijkt, zijn de op de voorruit geprojecteerde
waarschuwingssignalen soms moeilijk te
ontdekken.
Van doelvoertuig veranderen met
rijhulpsystemen
WAARSCHUWING
Wanneer de rijhulpsystemen een rijdende
voorligger volgen bij snelheden boven
30 km/h (20 mph) en het doelvoertuig verruilen voor een stilstaand voertuig, dan zullen de rijhulpsystemen het stilstaande voertuig negeren en in plaats daarvan accelereren tot de opgeslagen snelheid.
De rijhulpsystemen adaptieve cruisecontrol*
en Pilot Assist* kunnen bij auto's met een
automatische versnellingsbak op bepaalde
snelheden van doelvoertuig veranderen.
Van doelvoertuig veranderen
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
Automatische stand-bystand bij wijziging
van doelvoertuig
De rijhulpsystemen worden uitgeschakeld en
stand-by gezet:
Pilot Assist* (p. 330)
Afstandswaarschuwing* (p. 308)
Head-updisplay* (p. 147)
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(3 mph) en de rijhulpsystemen niet kunnen registreren of de voorligger een stilstaand voertuig is of een ander object,
zoals een verkeersdrempel.
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(3 mph) en de voorligger slaat af, zodat de
rijhulpsystemen geen voorligger meer
hebben om te volgen.
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat, kan
het gebeuren dat een stilstaande voorligger het
nieuwe doelvoertuig wordt.
Wanneer de rijhulpsystemen een rijdende
voorligger volgen bij snelheden onder
30 km/h, (20 mph) van doelvoertuig veranderen en een stilstaand voertuig volgen, zullen
de rijhulpsystemen voor het stilstaande voertuig remmen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Pilot Assist* (p. 330)
* Optie/accessoire. 341
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Vastgelegde snelheid instellen
voor rijhulpsystemen
–
Het is mogelijk om de snelheid in te stellen
die de functies snelheidsbegrenzer, cruisecontrol, adaptieve cruisecontrol* en Pilot
Assist* moeten aanhouden.
Wijzig de opgeslagen snelheid door kort
(1) of
(2) te
op de stuurknoppen
drukken of door ze ingedrukt te houden.
•
•
•
Kort drukken: Iedere keer dat u de
knop indrukt past u de snelheid aan in
stappen van +/- 5 km/h (+/- 5 mph).
Knop indrukken en vasthouden: Laat
de knop los als de snelheidsindicator
(3) de gewenste snelheid aangeeft.
De laatst verrichte aanpassing met de
knop wordt in het geheugen opgeslagen.
Als de snelheid met het gaspedaal wordt verhoogd voordat op de stuurknop
(1) wordt
gedrukt, wordt de actuele rijsnelheid bij het
drukken op de knop opgeslagen, op voorwaarde dat u bij het drukken op de knop uw
voet op het gaspedaal houdt.
: Verhoogt de opgeslagen snelheid.
: Verlaagt de opgeslagen snelheid.
Opgeslagen snelheid.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst
opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal
loslaat.
Let erop dat 30 km/h (20 mph) de instelbare
minimumsnelheid is – ook al kan het systeem
een voorligger volgen tot aan stilstand, is het
kiezen/opslaan van een lagere snelheid dan de
genoemde 30 km/h (20 mph) niet mogelijk.
Handgeschakelde versnellingsbak
De rijhulpsystemen kunnen voorliggers volgen
bij snelheden van 30 km/h (20 mph) tot
200 km/h (125 mph).
Pilot Assist kan stuurhulp bieden bij snelheden
van 30 km/h (20 mph) tot 140 km/h
(87 mph).
30 km/h (20 mph) is de instelbare minimumsnelheid – 200 km/h (125 mph) is de maximumsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
Snelheidsbegrenzer (p. 310)
Cruisecontrol (p. 317)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Pilot Assist* (p. 330)
Automatische versnellingsbak
De rijhulpsystemen kunnen voorliggers volgen
bij snelheden van stilstand tot 200 km/h
(125 mph).
Pilot Assist kan stuurhulp bieden bij snelheden
van om en nabij stilstand tot 140 km/h
(87 mph).
342
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Tijdsverschil ten opzichte van
voorliggers instellen
N.B.
Als het symbool op het bestuurdersdisplay
twee voertuigen toont, volgt ACC de voorligger met een vooraf gekozen tijdsverschil.
Het is mogelijk om het tijdsverschil ten
opzichte van voorliggers in te stellen die de
functies adaptieve cruisecontrol*, Pilot
Assist* en afstandswaarschuwing* moeten
aanhouden.
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van
voorliggers kiezen en deze
worden op het bestuurdersdisplay weergegeven met
1–5 horizontale streepjes –
hoe meer streepjes, hoe groter het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen met zo'n 1 seconde ten opzichte van de
voorligger en 5 streepjes komt overeen met
zo'n 3 seconden.
Als er slechts één auto wordt getoond, is er
binnen een redelijke afstand geen voorligger aanwezig.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in bepaalde situaties aanzienlijke variaties in het tijdsverschil toe. Bij lage snelheden
(en korte tijden) vergroot de adaptieve cruisecontrol het tijdsverschil iets.
N.B.
•
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaald
tijdsverschil.
•
Houd alleen een tijdsverschil aan dat
niet in strijd is met de geldende verkeersregels.
•
Als de rijhulpsystemen bij activering
niet lijken te reageren met een verhoging van de snelheid, kan dat komen
doordat het actuele tijdsverschil ten
opzichte van de voorligger kleiner is
dan het ingestelde tijdsverschil.
N.B.
Wanneer op het bestuurdersdisplay het
autosymbool met een stuur verschijnt,
volgt Pilot Assist een voorligger met het
gekozen tijdverschil.
Wanneer alleen het autosymbool verschijnt, is er binnen een redelijke afstand
geen voorligger aanwezig.
Bedieningselementen voor het tijdsverschil.
WAARSCHUWING
Tijdsverschil verkleinen
Tijdsverschil vergroten
•
Houd alleen een tijdsverschil aan dat
zich leent voor de actuele verkeerssituatie.
•
Let erop dat geringe tijdsverschillen u
bij plotselinge wijzigingen in de verkeerssituatie minder tijd geven om te
reageren en in te grijpen.
Afstandsindicatie
–
Druk op de stuurknop (1) of (2) om het
tijdsverschil te verkleinen of te vergroten.
> De afstandsindicatie (3) toont het
actuele tijdsverschil.
}}
* Optie/accessoire. 343
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Pilot Assist* (p. 330)
Afstandswaarschuwing* (p. 308)
Head-updisplay* (p. 147)
Automatische remfunctie van
rijhulpsystemen
De rijhulpsystemen adaptieve cruisecontrol*
en Pilot Assist* hebben een speciale remfunctie voor ritten bij langzaamrijdend verkeer en
stilstand.
Remfunctie bij langzaam rijdend
verkeer en stilstand
Na korte stops tot zo'n 3 seconden tijdens
filerijden of voor verkeerslichten rijdt de auto
automatisch verder. Duurt het langer voordat
een voorligger weer gaat rijden, dan worden
de rijhulpsystemen stand-by gezet met automatische remfunctie.
–
De functie is op een van de volgende
manieren te heractiveren:
•
•
Druk op de stuurknop
WAARSCHUWING
Rijhulpsystemen waarschuwen alleen voor
door de radareenheid gedetecteerde obstakels – het kan dan ook gebeuren dat een
waarschuwing met enige vertraging of
helemaal niet wordt gegeven.
•
Wacht een waarschuwing of ingreep
nooit af, maar rem als dat nodig is.
N.B.
De rijhulpsystemen kunnen de auto maximaal 5 minuten stilhouden – daarna wordt
de parkeerrem aangezet, waarna de functie
wordt uitgeschakeld.
Om de rijhulpsystemen te kunnen heractiveren, moet u eerst de parkeerrem lossen.
.
Trap het gaspedaal in.
> De functie hervat het volgen van de
voorligger als deze binnen
ongeveer 6 seconden vooruit begint te
rijden.
WAARSCHUWING
Wanneer u de snelheid weer hervat met de
, kan er een markante snelstuurknop
heidstoename volgen.
344
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Annulering van automatische remfunctie
In bepaalde situaties wordt het automatisch
remmen bij stilstand geannuleerd en wordt de
functie stand-by gezet. Dat betekent dat de
remmen worden gelost en de auto mogelijk
gaat rollen – u moet daarom ingrijpen en zelf
remmen om de auto stil te houden.
Dat is mogelijk in de volgende situaties:
•
•
•
•
u bedient het rempedaal
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Pilot Assist* (p. 330)
Remsystemen (p. 464)
Rijmodus voor rijhulp
U kunt aangeven op welke manier de rijhulpsystemen een bepaalde afstand tot voorliggers moeten aanhouden.
U maakt een keuze via de rijmodusknop
DRIVE MODE.
Kies een van de volgende alternatieven:
• Pure – De rijhulpsystemen streven naar
een zo gering mogelijk brandstofverbruik
wat grotere tijdsverschillen ten opzichte
van voorliggers betekent.
u zet de parkeerrem aan
u zet de schakelhendel in de stand P, N of
R
• Hybrid – De rijhulpsystemen streven naar
een zo soepel mogelijke aanpassing aan
de rijsnelheid van voorliggers.
u zet de functie stand-by.
Automatische activering van
parkeerrem
• Power – De rijhulpsystemen streven naar
een directere vorm van aanpassing aan
het ingestelde tijdsverschil ten opzichte
van voorliggers, wat in bepaalde gevallen
krachtiger acceleraties/remmanoeuvres
kan betekenen.
In bepaalde situaties wordt de parkeerrem
aangezet om ervoor te zorgen dat de auto
blijft stilstaan.
Dit gebeurt als de functie de auto staande
houdt met behulp van de bedrijfsrem en:
•
u het bestuurdersportier opent of de veiligheidsgordel losmaakt
•
de functie de auto langer dan
ongeveer 5 minuten staande heeft gehouden
•
•
de remmen oververhit zijn geraakt
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
Rijmodi (p. 481)
Tijdsverschil ten opzichte van voorliggers
instellen (p. 343)
u de motor handmatig uitschakelt.
* Optie/accessoire. 345
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Bochtassistent*65
Bochtsnelheid assistentie kan u helpen bij
het verlagen van de snelheid bij het inrijden
van scherpere bochten als de voorgeselecteerde snelheid voor de rijhulpsystemen
adaptieve cruisecontrol* of de Pilot Assist* te
hoog wordt geacht.
Er worden berekeningen verricht op basis van
kaartgegevens van de satellietnavigatie
Sensus Navigation* van de auto. Bij het verlaten van de bocht hervat de auto de eerder
voorgeselecteerde snelheid.
Wanneer de functie de rijsnelheid van de auto verlaagt
verschijnt dit symbool op het
bestuurdersdisplay.
U kunt de functie op ieder gewenst moment
uitschakelen door het rempedaal of gaspedaal
te bedienen.
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
ver bochtenwerk en trekt de auto na het verlaten van de bochten iets sneller op.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Pilot Assist* (p. 330)
Rijmodi (p. 481)
Rijmodi
De mate van bochtassistentie is afhankelijk
van de ingestelde rijmodus. Als de gekozen rijmodus niet mogelijk is, kiest de functie automatisch voor Comfort. In de modus
Dynamisch vertoont de auto een iets sportie-
65
346
De functie is alleen beschikbaar op bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Bochtassistent* activeren of
deactiveren
Beperkingen van de
bochtassistent*
De bochtassistent wordt mogelijk geactiveerd als aanvulling op de adaptieve cruisecontrol* of de Pilot Assist*. U kunt er ook voor
kiezen om de functie uit te schakelen.
Activeer of deactiveer de
functie met deze knop in het
functiescherm van het middendisplay.
In bepaalde situaties gelden mogelijk beperkingen voor de werking van de bochtassistent. De functie is alleen beschikbaar op
bepaalde markten.
Als bestuurder dient u bijvoorbeeld rekening te
houden met de volgende beperkingen.
•
GROENE knopindicatie – de functie is
geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is
gedeactiveerd.
Bij een volgende motorstart worden de laatst
gehanteerde instellingen gehanteerd of de
instellingen die horen bij het bestuurdersprofiel dat aan de gebruikte transpondersleutel is
gekoppeld66.
Gerelateerde informatie
•
•
66
67
•
De bochtassistent kent mogelijk prestatiebeperkingen op smalle wegen en in dicht
bebouwde gebieden.
•
Op afritten en kruispunten wordt de bochtassistent mogelijk tijdelijk uitgeschakeld.
•
Als de kaartgegevens van de satellietnavigatie67 niet actueel zijn, gelden er mogelijk
prestatiebeperkingen voor de bochtassistent.
•
Als de satellietnavigatie67 geen verbinding
heeft met het satellietsysteem gelden er
mogelijk functiebeperkingen voor de
bochtassistent.
•
Op nieuwe of aangepaste trajecten zijn de
kaartgegevens mogelijk onjuist.
•
Bij het berekenen van een geschikte
bochtsnelheid wordt geen rekening
gehouden met het risico van gripverlies in
bijvoorbeeld ongunstige weers- of wegomstandigheden.
Bochtassistent* (p. 346)
Beperkingen van de bochtassistent*
(p. 347)
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
Bochtassistent* (p. 346)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
Deze opties zijn marktafhankelijk.
Alleen wanneer Volvo's satellietnavigatie Sensus Navigation* is geïnstalleerd.
* Optie/accessoire. 347
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Inhaalassistent
WAARSCHUWING
De inhaalassistent kan u helpen bij het inhalen van andere voertuigen. De functie is te
gebruiken in combinatie met de adaptieve
cruisecontrol* of de Pilot Assist*.
De functie vertraagt daarna de snelheidsverlaging om te vroeg afremmen te voorkomen als
de auto een langzamer voertuig nadert.
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
•
er is een voorligger (doelvoertuig) aanwezig
•
de actuele snelheid van uw auto is minimaal 70 km/h (43 mph)
•
de opgeslagen snelheid is hoog genoeg
om veilig te kunnen inhalen.
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
Om de inhaalassistent te starten:
•
De functie is actief totdat u het ingehaalde
voertuig bent gepasseerd.
WAARSCHUWING
Let erop dat dit systeem mogelijk in meer
situaties wordt geactiveerd dan tijdens het
inhalen, zoals bij het gebruik van de richtingaanwijzers om aan te geven dat u van
rijbaan wilt wisselen of wilt afslaan – de
auto accelereert dan kort.
68
348
De inhaalassistent is te gebruiken in combinatie met de adaptieve cruisecontrol* of de
Pilot Assist*. Er gelden enkele voorwaarden
voor het gebruik van de inhaalassistent.
Om de inhaalassistent te kunnen activeren, is
het volgende vereist:
•
Hoe de inhaalassistent werkt
Als de adaptieve cruisecontrol of de Pilot
Assist een ander voertuig volgt en u geeft met
de richtingaanwijzer68 te kennen dat u wilt
inhalen, dan helpen de systemen u door naar
de voorligger te accelereren voordat uw auto
de inhaalstrook heeft bereikt.
Inhaalassistent gebruiken
–
Activeer de richtingaanwijzer.
Gebruik de linker richtingaanwijzer bij een
auto met het stuur links of de rechter bij
een auto met het stuur rechts.
> De inhaalassistent wordt gestart.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
Inhaalassistent gebruiken (p. 348)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Pilot Assist* (p. 330)
Alleen bij gebruik van de linker richtingaanwijzers bij een auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzers bij een auto met het stuur rechts.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
Let erop dat de inhaalassistent bij plotselinge wijzigingen tijdens het gebruik ervan
soms ongewenste acceleraties kan verrichten.
Radarsensor
Gerelateerde informatie
De radarsensor wordt door meerdere rijhulpsystemen gebruikt en heeft tot taak om
andere voertuigen te detecteren.
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
•
Aanbevolen onderhoud van de gecombineerde camera en radarsensor (p. 364)
•
Typegoedkeuring voor radarsensor
(p. 350)
Vermijd daarom de volgende situaties:
•
u nadert een afslag om af te slaan in de
richting die normaal voor inhaalmanoeuvres geldt
•
een voorligger mindert vaart voordat
uw auto de inhaalstrook heeft bereikt
•
het verkeer op de inhaalstrook mindert
vaart
•
een auto bestemd voor rechtsrijdend
verkeer rijdt in een land met linksrijdend verkeer (of andersom).
Dergelijke situaties zijn te vermijden door de
adaptieve cruisecontrol of Pilot Assist tijdelijk
stand-by te zetten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Inhaalassistent (p. 348)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Pilot Assist* (p. 330)
Stand-bystand voor adaptieve cruisecontrol* (p. 325)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
Positie van de radarsensor.
De radarsensor wordt gebruikt voor de volgende systemen:
•
•
•
•
•
Afstandswaarschuwing*
Adaptieve cruisecontrol*
Pilot Assist*
Rijbaanassistent
City Safety
Bij modificatie van de radarsensor is het
mogelijk dat het gebruik ervan onwettig
wordt.
Stand-bystand voor Pilot Assist* (p. 335)
* Optie/accessoire. 349
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Typegoedkeuring voor radarsensor
Hier vindt u de typegoedkeuring voor de
radareenheden van de auto voor adaptieve
Markt
ACC
& PA
BLIS
Symbool
cruisecontrol* (ACC69), Pilot Assist* en
BLIS*70.
Typegoedkeuring
✓
Botswana
Este equipamento opera em caráter secundário, isto é, não tem direito à proteção contra
interferência prejudicial, mesmo de estações do mesmo tipo, e não pode causar interferência
a sistemas operando em caráter primário.
✓
Modelo: L2C0054TR
4122-14-8645
Brazilië
EAN: (01)07897843840855
✓
Este equipamento não tem direito à proteção contra interferência prejudicial e não pode
causar interferência em sistemas devidamente autorizados.
03563-17-05364
69
70
350
Adaptive Cruise Control
Blind Spot Information
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Markt
ACC
& PA
BLIS
Symbool
Typegoedkeuring
Hereby, Delphi Electronics and Safety declares that L2C0054TR / L2C0055TR are in
compliance with the essential requirements and other relevant provisions of Directive
2014/53/EU (RED). The original declaration of conformity can be accessed at the following
link www.delphi.com/automotive-homologation.
✓
Frequency Band: 76GHz – 77GHz
Maximum Output Power: 55dBm EIRP
The Declaration of Conformity may be consulted at Delphi Electronics & Safety / 2151 E.
Lincoln Road / Kokomo, Indiana 46902 USA
Europa
Hereby, Hella KgaA Hueck & Co., declares that RS4 is in compliance with the essential
requirements and other relevant provisions of Directive 2014/53/EU.
✓
The Declaration of conformity may be consulted at Hella KGaA Hueck & Co., Rixbecker Straße
75/ 59552 Lippstadt, Germany and on the website www.hella.com/vcc.
Frequency Band: 24050-24250 MHz
Maximum Output Power: 20 dBm EIRP
Verenigde Arabische Emiraten (UAE)
Ghana
Registered No: ER37536/15
✓
Dealer No: DA37380/15
✓
✓
Registered No: ER53878/17
Dealer No: DA44932/15
NCA Approved: 1R3-1M-7E1-0B7
}}
351
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Markt
ACC
& PA
BLIS
Symbool
Typegoedkeuring
37295/POSTEL/2014
✓
4927
Certificate number: 50459/SDPPI/2017
Indonesië
Country of origin Germany
✓
Certificate number: 53578/SDPPI/2017
Country of origin China
PLG ID: 6051
✓
Jamaica
Type Approval No.: TRC/LPD/2014/255
✓
Equipment Type: Low Power Device (LPD)
Jordanië
✓
✓
Maleisië
This product contains a Type Approved Module by Jamaica: SMA – “RS4”.
Type Approval No.: TRC/LPD/2015/3
Equipment Type: Low Power Device (LPD)
CID F 15000578
AGREE PAR L’ANRT MAROC
Marokko
✓
NUMÉRO D’AGRÉMENT: MR 9929 ANRT 2014
DATE D’AGRÉMENT: 26/12/2014
352
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Markt
ACC
& PA
BLIS
✓
Symbool
Typegoedkeuring
IFETEL: RLVDEL215-0299
Radar de corto alcance
RS4
Hella KGaA Hueck & Co
Mexico
✓
IFETEL: RLVHERS17-0286
La operación de este equipo esta sujeta a las siguientes dos condiciones: (1) es posible que
este equipo o dispositivo no cause interferencia perjudicial y (2) este equipo o dispositivo
debe aceptar cualquier interferencia, incluyendo la que pueda causar su operación no
deseada.
Moldavië
✓
✓
Nigeria
✓
Oman
✓
Connection and use of this communications equipment is permitted by the Nigerian
Communications Commission.
}}
353
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Markt
ACC
& PA
BLIS
✓
Servië
И011 14
✓
✓
Singapore
И011 17
DA 105753
✓
✓
354
Typegoedkeuring
✓
Rusland
Zuid-Afrika
Symbool
DA 103238
TA-2014/1824
✓
TA-2016/3407
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Markt
ACC
& PA
BLIS
Symbool
Typegoedkeuring
Certification No.
✓
MSIP-CMI- DPH-L2C0054TR
Zuid-Korea
MSIP-CMM-HLA-RS4
✓
✓
이 기기는 무용(A급) 전자파 적합기기로서 판 매자 또는 사용 자는 이 점을 주의하시기 바 라
며, 가정외의 지역에서 사용 하는 것을 적으 로 합니다
CCAB15LP0560T3
CCAB17LP0470T5
Taiwan
✓
警語 經型式認證合格之低 率射頻電機,非經許可,公司 商號或使用者均不得擅自變更頻率
大 率或變更原設計之特性及 能 低 率射頻電機之使用不得影響飛航安全及干擾合法
通信;經發現有干擾現象時,應立即停用 ,並改善至無干擾時方得繼續使用 前項合法通信,指依
電信法規定作業之無線電通信 低 率射頻電機須忍受合法通信或工業 科學及醫療用電波輻
射性電機設備之干擾
}}
355
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Markt
ACC
& PA
BLIS
Symbool
Typegoedkeuring
є, щ
Delphi
(
✓
ь
)
є
RACAM/SRR2
ь
КМ № 679
24
Delphi
: Delphi.
(П
П
2009 .)
: 24,05 – 24,25
П
Oekraïne
✓
ь
: 20 Б (
.) EIRP
HELLA GmbH & Co. KGaA
є, щ
є
2014/53/Є . П
www.hella.com/vcc
RS4
ь
: 24,05 – 24,25
П
356
Vietnam
✓
Zambia
✓
ь
: 20 Б (
.) EIRP
:
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Typegoedkeuring voor radioapparatuur
Markt
Symbool
Europa
Typegoedkeuring
Volvo Cars verklaart hierbij dat alle radioapparatuur conform de essentiële eisen en andere relevante bepalingen is van
de Richtlijn 2014/53/EU.
R 204-750001
Japan
This device is granted pursuant to the Japanese Radio Law and the Japanese Telecommunications Business Law. This
device should not be modified (otherwise the granted designation number will become invalid).
Ga voor gedetailleerde informatie over de
typegoedkeuring naar support.volvocars.com.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Radarsensor (p. 349)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Pilot Assist* (p. 330)
BLIS* (p. 380)
* Optie/accessoire. 357
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Camera
Gerelateerde informatie
De camera wordt gebruikt door meerdere rijhulpsystemen en heeft tot taak om bijvoorbeeld de zijlijnen van de weg of verkeersborden te detecteren.
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
•
Aanbevolen onderhoud van de gecombineerde camera en radarsensor (p. 364)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
Positie van de camera-eenheid.
De camera wordt gebruikt voor de volgende
systemen:
•
•
•
•
•
•
•
•
•
358
Adaptieve cruisecontrol*
Pilot Assist*
Rijbaanassistent*
Stuurhulp bij botsgevaar
City Safety
Driver Alert Control*
Verkeersbordinformatie*
Automatisch groot licht*
Parkeerhulp*
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van de
gecombineerde camera en
radarsensor
De camera zit aan de binnenkant op het
bovenste deel van de voorruit, samen met de
radarsensor van de auto.
De gecombineerde camera en radarsensor
kent enkele beperkingen – wat ook beperkingen met zich meebrengt voor de functies die
gebruikmaken van de gecombineerde camera
en radarsensor. Als bestuurder dient u bijvoorbeeld rekening te houden met de volgende beperkingen.
Plaats, plak of bevestig niets aan de buiten- of
binnenkant van de voorruit, vóór of rond de
gecombineerde camera en radarsensor – dat
kan storingen veroorzaken in de op de camera
en radarsensor gebaseerde functies. Dit kan
ertoe leiden dat deze functies beperkingen
vertonen, worden uitgeschakeld of verkeerd
reageren.
Gecombineerde camera en
radarsensor
Geblokkeerde eenheid
Als op het bestuurdersdisplay dit
symbool en de melding
“Voorruitsensor Sensor afgedekt,
zie handleiding” verschijnen, betekent dit dat de gecombineerde camera en
radarsensor geen voorliggers, fietsers, voetgangers en grotere dieren voor de auto kan
ontdekken en dat de functies die gebruikmaken van de gecombineerde camera en radarsensor mogelijk storingen vertonen.
In de volgende tabel staan voorbeelden van
mogelijke oorzaken van het verschijnen van de
melding en passende maatregelen:
Reinig het gemarkeerde gebied regelmatig en houd
het vrij van stickers, voorwerpen, zonnefilm et cetera.
}}
359
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor is vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor
van vuil, sneeuw en ijs.
Dichte mist en zware regen- of sneeuwval blokkeren de radarsignalen of het zicht van de camera.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de eenheid soms niet.
De radarsignalen of het zicht van de camera worden gehinderd
door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de eenheid soms niet.
Er is vuil tussen de binnenkant van de voorruit en de gecombineerde camera en radarsensor gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de voorruit achter de behuizing van de eenheid te laten reinigen. Geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Fel tegenlicht
Valt niets aan te doen. In betere lichtomstandigheden wordt de camera automatisch opnieuw geactiveerd.
Hoge temperaturen
Bij zeer hoge temperaturen in het interieur zal
de gecombineerde camera en radarsensor na
het starten van de motor mogelijk tijdelijk worden uitgeschakeld gedurende zo'n 15 minuten
om de elektronica te beschermen. Als de temperatuur voldoende gedaald is, wordt de
gecombineerde camera en radarsensor automatisch weer opgestart.
Beschadigde voorruit
N.B.
360
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
•
Als het voorruitoppervlak vóór een van
beide 'ogen' van de gecombineerde
camera en radarsensor barsten, krassen of
steenslagschade vertoont van
ca. 0,5 × 3,0 mm (0,02 × 0,12 in) of groter, neem dan contact op met een werkplaats71 om de voorruit te laten vervangen.
•
Volvo adviseert u om scheurtjes, krassen
of sterren in het gebied vóór de gecombineerde camera en radarsensor niet te
repareren, maar de complete voorruit te
vervangen.
Als u niets doet, presteren de rijhulpsystemen die gebruikmaken van de gecombineerde camera en radarsensor mogelijk
minder goed. Dit kan ertoe leiden dat deze
functies beperkingen vertonen, worden uitgeschakeld of verkeerd reageren.
Om te voorkomen dat de rijhulpsystemen die
van de gecombineerde camera en radarsensor
71
gebruikmaken verkeerd werken, geldt ook het
volgende:
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
Neem alvorens de voorruit te laten vervangen contact op met een werkplaats71 om
te controleren of de juiste voorruit wordt
besteld en gemonteerd.
•
Monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander type, door
Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
•
Na vervanging van de voorruit moet u de
gecombineerde camera en radarsensor in
een werkplaats71 laten herkalibreren om er
zeker van te zijn dat alle autofuncties die
gebaseerd zijn op de gecombineerde
camera en radarsensor naar behoren werken.
In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
Lage aanhangwagens
Lage aanhangwagen in radarschaduw.
Ook lage aanhangwagens ontdekt de radarsensor soms alleen met grote moeite of helemaal niet – u moet daarom extra voorzichtig
zijn als er een lage aanhangwagen achter de
voorligger hangt en de adaptieve cruisecontrol* of Pilot Assist* actief is.
Radarsensor
Rijsnelheid
De radarsensor heeft veel meer moeite om
een voorligger te ontdekken als de snelheid
van de voorligger veel afwijkt van die van uw
eigen auto.
Beperkt blikveld
De radarsensor heeft een beperkt blikveld. In
bepaalde gevallen wordt een voorligger niet
ontdekt of later dan verwacht.
Het blikveld van de radarsensor.
Soms kan de radarsensor een voorligger
op korte afstand pas laat registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig
invoegt tussen u en uw voorligger.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van de
rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
71
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
}}
* Optie/accessoire. 361
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Camera
Parkeerhulpcamera*
Beperkt zicht
Camera's kennen ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in dat ze
minder goed "zien" bij hevige regen- of sneeuwval, in dichte mist of in dikke stofwolken of
stuifsneeuw. In dergelijke omstandigheden
kunnen functies die gebruikmaken van de
camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd worden.
Dode hoeken
Fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde en onduidelijke rijstrookmarkeringen
kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen voor de systemen die van de camera
gebruikmaken om bijvoorbeeld het wegdek af
te tasten en andere voertuigen, fietsers, voetgangers en grotere dieren te ontdekken.
Hieronder een voorbeeld.
Er zitten "dode" hoeken tussen de blikvelden van de
camera's.
In het 360°-aanzicht* van de parkeerhulpcamera kunnen obstakels/voorwerpen "verdwijnen" in de overgangen tussen de afzonderlijke
camera's.
WAARSCHUWING
Ook als de dode hoeken op het scherm
relatief klein ogen dient u erop te letten dat
de verborgen gebieden in werkelijkheid
dusdanig groot kunnen zijn dat obstakels
mogelijk pas worden geregistreerd, wanneer de auto de obstakels zeer dicht genaderd is.
362
Defecte camera
Als een camerasector zwart
blijft en het nevenstaande
symbool bevat, betekent dit
dat de desbetreffende
camera defect is.
De linker camera van de auto is defect.
Ook in de volgende gevallen blijft de desbetreffende camerasector zwart, zij het zonder
het symbool voor een defecte camera:
•
•
•
geopend portier
geopende achterklep
ingeklapte buitenspiegel.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Lichtomstandigheden
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat kan variëren wat lichtsterkte en
kwaliteit betreft. Slechte lichtomstandigheden
leveren mogelijk een slechtere beeldkwaliteit
op.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Camera (p. 358)
Radarsensor (p. 349)
Aanbevolen onderhoud van de gecombineerde camera en radarsensor (p. 364)
Parkeerhulpcamera* (p. 417)
Parkeerhulpcamera achter
WAARSCHUWING
Wees bij het verschijnen
van dit symbool extra
voorzichtig tijdens het
achteruitrijden met een
gemonteerde aanhangwagen, fietsdrager of iets
dergelijks die is aangesloten op het elektrische systeem van de auto.
Het symbool geeft aan dat de parkeerhulpsensoren achter uitgeschakeld zijn, zodat
deze niet waarschuwen voor eventuele
obstakels.
N.B.
Fietsdragers of andere accessoires achter
op de auto kunnen het blikveld van de
camera blokkeren.
* Optie/accessoire. 363
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Aanbevolen onderhoud van de
gecombineerde camera en
radarsensor
Gerelateerde informatie
•
•
•
De gecombineerde camera en radarsensor
werkt alleen naar behoren, wanneer u deze
ontdoet van vuil, ijs en sneeuw en ze regelmatig reinigt met water en autoshampoo.
•
Camera (p. 358)
Radarsensor (p. 349)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
Parkeerhulpcamera* (p. 417)
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
aanleiding geven tot onterechte waarschuwingssignalen, tot systeembeperkingen of
ervoor zorgen dat het systeem niet meer
werkt.
Positie van de sensoren.
364
Locatie van de radarsensoren aan de achterzijde. Het
gemarkeerde gebied schoonhouden – en dat zowel
links als rechts.
•
Voor optimale werking is het belangrijk
om de oppervlakken vóór de sensoren
schoon te houden.
•
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers binnen het oppervlak van de sensoren.
•
Maak cameralenzen regelmatig schoon
met lauw water en autoshampoo. Wees
voorzichtig zodat er geen krassen op de
lens komen.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud aan rijhulpcomponenten over aan een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
City Safety™
Safety72
City
kan u met licht- en geluidssignalen en rempedaaltrillingen attenderen op
plotseling opdoemende voetgangers, fietsers,
grotere dieren en voorliggers.
gekoppeld aan onoplettendheid tot bijnaongelukken kunnen leiden.
WAARSCHUWING
Het systeem helpt u door automatisch te remmen, wanneer het gevaar voor een botsing
met een voorligger reëel is en u zelf niet snel
genoeg remt en/of uitwijkt.
City Safety start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u net
achter uw voorligger tot stilstand komt.
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
City Safety wordt geactiveerd in situaties waar
u eigenlijk al veel eerder had moeten remmen,
zodat de functie niet altijd uitkomst biedt.
Locatie gecombineerde camera en radarsensor.
City Safety is erop gebouwd om zo laat mogelijk geactiveerd te worden om onnodige ingrepen te voorkomen. Automatisch remmen
gebeurt pas na of in combinatie met Collision
Warning.
City Safety kan helpen bij het voorkomen van
een aanrijding of het verlagen van de impactsnelheid.
U en eventuele passagiers zullen normaal
alleen merken dat City Safety actief is, wanneer een botsing dreigt.
City Safety is een hulpmiddel dat bedoeld is
om u te waarschuwen, wanneer het gevaar
bestaat dat u op een voetganger, een fietser,
een groter dier of een voorligger botst.
City Safety kan u helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden en dergelijke, waarbij
plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u
72
De functie is niet op alle markten beschikbaar.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
Deelfuncties van City Safety (p. 366)
Waarschuwingsafstand instellen voor City
Safety (p. 368)
}}
365
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
•
Obstakeldetectie met City Safety (p. 369)
•
Automatische remfunctie bij onmogelijke
uitwijkmanoeuvre met City Safety
(p. 374)
•
•
•
•
City Safety remt voor tegenliggers
(p. 374)
City Safety bij kruisend verkeer (p. 372)
City Safety met stuurhulp bij een uitwijkmanoeuvre (p. 373)
Beperkingen van City Safety (p. 375)
Meldingen voor City Safety (p. 378)
Deelfuncties van City Safety
Safety73
City
kan u helpen om een botsing
met een voorligger, fietser, voetganger of een
groter dier te voorkomen via een verlaging
van de rijsnelheid door automatisch te remmen.
Bij een snelheidsverschil groter dan de volgende snelheden kan de automatische remfunctie van City Safety een botsing niet geheel
voorkomen, maar wel de gevolgen ervan
beperken.
Voetganger
Voor een voetganger kan City Safety de snelheid verlagen met maximaal 45 km/h
(28 mph).
Grotere dieren
Bij gevaar voor een botsing met groot wild kan
City Safety de rijsnelheid verlagen tot 15 km/h
(9 mph).
De remingreep voor grotere dieren is in eerste
instantie bedoeld om de botskrachten bij
hogere snelheden te beperken en is het effec-
366
De functie is niet op alle markten beschikbaar.
Deelfuncties van City Safety
Voertuig
Voor een voorligger kan City Safety de snelheid verlagen met maximaal 60 km/h
(37 mph).
Fietsers
Voor een fietser kan City Safety de snelheid
verlagen met maximaal 50 km/h (30 mph).
73
tiefst op snelheden hoger dan 70 km/h
(43 mph) en minder effectief op lage snelheden.
Functie-overzicht.
Akoestisch waarschuwingssignaal bij
gevaar voor een botsing
Waarschuwingssymbool bij gevaar voor
een botsing
Afstandsmeting met gecombineerde
camera en radarsensor
City Safety vervult drie functies in de volgende
volgorde:
1.
Collision Warning
2. Brake Support
3. Auto Brake
BESTUURDERSONDERSTEUNING
De volgende tekst licht toe wat de drie functies doen:
1 – Collision Warning
Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende botsing.
Bij een auto met een head-updisplay* verschijnt een waarschuwing op de voorruit in
combinatie met een knipperend symbool.
City Safety kan voetgangers, fietsers of voertuigen voor uw auto ontdekken, die stilstaan
of in dezelfde richting als u rijden. City Safety
kan tevens voetgangers, fietsers of grote dieren ontdekken, die het pad van uw auto kruisen.
Bij een dreigende botsing met een voetganger, fietser, groter dier of een voertuig wordt
uw aandacht getrokken met licht- en geluidssignalen en rempedaaltrillingen. Bij lagere
snelheden, krachtig afremmen door de
bestuurder of het geven van gas worden geen
rempedaaltrillingen verstrekt. De intensiteit
van de rempedaaltrilling is afhankelijk van de
rijsnelheid.
2 – Brake Support
Als het gevaar voor een aanrijding na de Collision Warning verder is toegenomen, treedt de
Brake Support in werking.
Symbool voor Collision Warning onder aan de voorruit.
N.B.
In de felle zon, bij lichtschitteringen,
extreme contrastverschillen en het gebruik
van een zonnebril of als u niet recht vooruit
kijkt, zijn de op de voorruit geprojecteerde
waarschuwingssignalen soms moeilijk te
ontdekken.
Brake Support helpt u bij het remmen, als het
systeem ervan uitgaat dat de remmanoeuvre
alleen niet voldoende is om een botsing te
voorkomen.
3 – Auto Brake
In allerlaatste instantie wordt de automatische
remfunctie geactiveerd.
Als u in deze fase nog steeds niet aan een uitwijkmanoeuvre bent begonnen en er een aanrijding dreigt, wordt er automatisch geremd,
ongeacht of u zelf remt of niet. De auto wordt
daarbij maximaal afgeremd om de botssnel-
heid te beperken of zoveel als nodig is om een
aanrijding te voorkomen.
Bij activering van de automatische remfunctie
worden mogelijk ook de gordelspanners geactiveerd.
Auto Brake kan in bepaalde situaties de remingreep met lichter remmen beginnen en vervolgens overgaan op de volledige remwerking.
Wanneer City Safety een botsing met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de
auto stilstaan totdat u bepaalde actie onderneemt. Als de auto wordt afgeremd wegens
een langzamer rijdende voorligger, wordt uw
snelheid afgestemd op die van de voorligger.
N.B.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak, stopt de motor wanneer de
Auto Brake de auto tot stilstand heeft
gebracht, tenzij u voor die tijd het koppelingspedaal weet te bedienen.
U kunt een remingreep altijd afbreken hard op
het gaspedaal te trappen.
N.B.
Als City Safety remt, gaan de remlichten
branden.
}}
* Optie/accessoire. 367
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Wanneer City Safety ingrijpt en remt, verschijnt op het bestuurdersdisplay de melding
dat het systeem actief is/was.
WAARSCHUWING
Waarschuwingsafstand instellen
voor City Safety
derlijk kan worden ervaren), kunt u de waarschuwingsafstand Normaal of Laat kiezen.
City Safety74 mag dan altijd geactiveerd zijn,
u kunt wel een waarschuwingsafstand kiezen.
Wanneer u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd en de signalen als storend ervaart,
kunt u de waarschuwingsafstand verkleinen
zodat City Safety niet alleen minder vaak
waarschuwt, maar ook minder snel.
Pas uw rijstijl niet aan op grond van City
Safety en ga er niet blindelings van uit dat
City Safety voor u remt.
N.B.
City Safety is niet uit te schakelen, maar
wordt bij het starten van de motor/elektrische aandrijving automatisch geactiveerd
en blijft vervolgens actief tot u de motor/
elektrische aandrijving uitschakelt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
City Safety™ (p. 365)
City Safety bij kruisend verkeer (p. 372)
City Safety remt voor tegenliggers
(p. 374)
Beperkingen van City Safety (p. 375)
Head-updisplay* (p. 147)
Gordelspanners (p. 50)
Gebruik waarschuwingsafstand Laat daarom
alleen in uitzonderingsgevallen, zoals bij sportief rijden.
De waarschuwingsafstand bepaalt de gevoeligheid van het systeem en de afstand waarbij
de licht- en geluidssignalen en de rempedaaltrillingen moeten worden gegeven.
Om een waarschuwingsafstand te kiezen:
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
in het hoofdscherm van het middendisplay.
2. Kies onder Waarschuwing City Safety
voor Laat, Normaal of Vroeg voor het
instellen van de gewenste waarschuwingsafstand.
Als de instelling Vroeg te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hin-
74
368
De functie is niet op alle markten beschikbaar.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
•
Geen enkel automatisch systeem kan
in alle situaties een 100 % feilloze werking garanderen. Test City Safety
daarom nooit uit op mensen, dieren of
voertuigen – dat kan namelijk tot ernstig letsel/ernstige schade en levensgevaarlijke situaties leiden.
•
City Safety waarschuwt u bij gevaar
voor een botsing, maar het systeem is
niet in staat uw reactietijd te verkorten.
•
Ook als u de waarschuwingsafstand
hebt ingesteld op Vroeg, kunnen de
waarschuwingen voor uw gevoel soms
laat worden afgegeven, bijvoorbeeld bij
grote snelheidsverschillen of als de
voorligger plotseling krachtig remt.
•
75
N.B.
Waarschuwingen via de richtingaanwijzers
voor de Rear Collision Warning* worden
gedeactiveerd, als de waarschuwingsafstand voor de Collision Warning in City
Safety is ingesteld op het laagste niveau
"Laat"/>
De functies 'gordels spannen' en 'remmen'
zijn echter nog steeds actief.
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety™ (p. 365)
Beperkingen van City Safety (p. 375)
Rear Collision Warning* (p. 379)
Obstakeldetectie met City Safety
City Safety75 kan u helpen bij het detecteren
van voertuigen, fietsers, grotere dieren en
voetgangers.
Voertuig
City Safety detecteert de meeste voertuigen
die stilstaan of in dezelfde richting als u rijden.
De functie kan in bepaalde gevallen ook
tegenliggers en kruisende voertuigen detecteren.
City Safety kan voertuigen in het donker alleen
detecteren, wanneer de voor- en achterlichten
van deze voertuigen werken en duidelijk waarneembaar branden.
Wanneer de waarschuwingsafstand is
ingesteld op Vroeg, worden de waarschuwingen eerder gegeven. Dit kan
ertoe leiden dat er vaker wordt gewaarschuwd dan bij de waarschuwingsafstand Normaal, maar toch geniet deze
instelling de voorkeur omdat het City
Safety effectiever kan maken.
De functie is niet op alle markten beschikbaar.
}}
* Optie/accessoire. 369
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Fietser
Het systeem kan alleen volwassen fietsers
ontdekken die op fietsen voor volwassenen
zitten.
Voetganger
WAARSCHUWING
City Safety is een systeem voor aanvullende bestuurdersondersteuning dat niet
altijd alle fietsers kan detecteren en bijvoorbeeld moeite heeft met:
•
•
Voorbeelden van wat City Safety als een fietser
beschouwt – met herkenbare lichaams- en fietscontouren.
Voor goede systeemprestaties moet de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor identificatie van fietsers zo uniform mogelijke
informatie over de lichaams- en fietscontouren
ontvangen – wat inhoudt dat kenmerkende
(lichaams-)delen zoals fiets, hoofd, armen,
schouders, benen, borstkas en buik moeten
kunnen worden waargenomen evenals een
bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan fietsers niet ontdekken, als
de systeemcamera grote delen van het
lichaam van de fietser of van zijn/haar fiets
niet kan waarnemen.
370
slechts gedeeltelijk zichtbare fietsers;
fietsers als het contrast met de achtergrond gering is – waarschuwingen en
remingrepen kunnen dan pas laat
komen of helemaal achterwege blijven;
•
fietsers in kleding die de lichaamscontouren verhult;
•
fietsen waarop grote voorwerpen worden vervoerd.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op de juiste wijze bestuurt en
voldoende afstand houdt, afhankelijk van
de rijsnelheid.
Voorbeelden van wat het systeem als een voetganger met herkenbare lichaamscontouren beschouwt.
Voor goede systeemprestaties moet de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke
informatie over de lichaamscontouren ontvangen – wat inhoudt dat kenmerkende
(lichaams-)delen zoals hoofd, armen, schouders, benen, borstkas en buik moeten kunnen
worden waargenomen evenals een bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te
beschouwen is.
Om een voetganger te kunnen detecteren
moet er sprake zijn van een bepaald contrast
ten opzichte van de achtergrond door bijvoorbeeld kleding, achtergrond, weersomstandigheden en dergelijke. Bij weinig contrast worden voetgangers mogelijk laat of helemaal niet
gedetecteerd. De waarschuwingen en remin-
BESTUURDERSONDERSTEUNING
grepen kunnen dan laat of helemaal niet
plaatsvinden.
Grotere dieren
WAARSCHUWING
City Safety is een systeem voor aanvullende bestuurdersondersteuning dat niet
altijd alle grotere dieren kan detecteren en
bijvoorbeeld moeite heeft met:
City Safety kan dankzij de koplampen van de
auto ook in het donker voetgangers detecteren.
•
slechts gedeeltelijk zichtbare grotere
dieren;
•
grotere dieren die met hun voor- of
achtereind recht voor de auto staan of
bewegen;
•
grotere dieren die snel rennen of bewegen;
•
grotere dieren als het contrast met de
achtergrond van de dieren gering is –
waarschuwingen en remingrepen kunnen dan pas laat komen of helemaal
achterwege blijven.
•
kleinere dieren zoals honden en katten.
WAARSCHUWING
City Safety is een systeem voor aanvullende bestuurdersondersteuning dat niet
altijd alle voetgangers kan detecteren en
bijvoorbeeld moeite heeft met:
•
•
•
slechts gedeeltelijk zichtbare voetgangers, voetgangers die gekleed gaan in
kleding die de lichaamscontouren verhult of voetgangers met een lengte
korter dan 80 cm (32 in.);
voetgangers bij een gering contrast
met de achtergrond – waarschuwingen en remingrepen kunnen dan pas
laat komen of helemaal achterwege
blijven;
voetgangers die grote voorwerpen dragen.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op de juiste wijze bestuurt en
voldoende afstand houdt, afhankelijk van
de rijsnelheid.
Voorbeelden van wat City Safety als een stilstaand of
langzaam lopend groter dier beschouwt – met herkenbare lichaamscontouren.
Voor goede prestaties van het systeem moet
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van grotere dieren (zoals een
eland of paard) zo uniform mogelijk informatie
over de lichaamscontouren ontvangen – wat
inhoudt dat het dier recht vanaf de zijkant
moet kunnen worden waargenomen en dat
het dier een bewegingspatroon heeft dat voor
het dier als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan dieren niet ontdekken, als de
systeemcamera delen van het lichaam van het
dier niet kan waarnemen.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op de juiste wijze bestuurt en
voldoende afstand houdt, afhankelijk van
de rijsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
•
City Safety™ (p. 365)
Beperkingen van City Safety (p. 375)
City Safety kan dankzij de koplampen van de
auto ook in het donker grotere dieren detecteren.
371
BESTUURDERSONDERSTEUNING
City Safety bij kruisend verkeer
•
Safety76
City
kan u helpen als uw auto tijdens
het afslaan op een kruising het pad van een
tegenligger kruist.
Gebied waarin City Safety kruisende
tegenliggers kan detecteren.
City Safety kan een tegenligger waar u
tegenop dreigt te botsen pas detecteren, wanneer de tegenligger in het gebied is waar City
Safety het verloop kan analyseren.
Bovendien moet aan de volgende criteria zijn
voldaan:
•
de snelheid van uw auto is minimaal
4 km/h (3 mph)
•
uw auto slaat af naar links op markten met
rechtsrijdend verkeer (of naar rechts bij
linksrijdend verkeer)
76
372
De functie is niet op alle markten beschikbaar.
de koplampen van de tegenligger branden.
Gerelateerde informatie
•
•
City Safety™ (p. 365)
Beperkingen van City Safety (p. 375)
Beperkingen van City Safety bij
kruisend verkeer
In bepaalde gevallen kan het voor City Safety
moeilijk zijn om u te helpen bij een dreigende
botsing met tegemoetkomend kruisend verkeer.
Wat mogelijk is in de volgende gevallen:
•
•
•
•
•
bij gladheid zodat de stabiliteitsregeling
ESC ingrijpt
tegenliggers worden laat ontdekt
het zicht op tegenliggers wordt ergens
door belemmerd
tegenliggers voeren geen koplampen
tegenliggers rijden onvoorspelbaar en wisselen bijvoorbeeld in een laat stadium snel
van rijbaan.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety bij kruisend verkeer (p. 372)
City Safety met stuurhulp bij een
uitwijkmanoeuvre
van het obstakel ook bij het hervinden van de
rechtuitkoers.
City Safety met stuurhulp kan u helpen om uit
te wijken voor een voertuig/obstakel, wanneer een botsing niet met een simpele remmanoeuvre te voorkomen is. City Safety met
stuurhulp is niet uit te schakelen en daarmee
altijd geactiveerd.
City Safety kan het volgende detecteren:
Beperkingen van City Safety (p. 375)
•
•
•
•
voertuigen
fietsers
voetgangers
grotere dieren.
Gerelateerde informatie
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
•
•
City Safety™ (p. 365)
Beperkingen van City Safety (p. 375)
Uw auto die uitwijkt
Langzaam rijdend/stilstaand voertuig of
obstakel.
City Safety grijpt in door uw stuurbeweging te
versterken, nadat u aan een uitwijkmanoeuvre
bent begonnen – en alleen als u te weinig
stuurt om een botsing te voorkomen.
De versterkte stuuringreep wordt voor een
groter effect gecombineerd met een remingreep. Het systeem helpt u na het passeren
373
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Automatische remfunctie bij
onmogelijke uitwijkmanoeuvre
met City Safety
City Safety77 kan u helpen door de auto automatisch eerder te remmen, wanneer een botsing niet met een simpele uitwijkmanoeuvre
te voorkomen is.
City Safety helpt u door voortdurend na te
gaan of er voldoende "uitwijkmogelijkheden"
zijn via de aangrenzende rijstroken, als het
systeem een langzaam rijdende of stilstaande
voorligger mogelijk laat ontdekt.
City Safety grijpt niet met een automatische
remingreep in, zolang u de mogelijkheid hebt
om via een uitwijkmanoeuvre een botsing te
voorkomen.
Als City Safety echter inschat dat u niet kunt
uitwijken door verkeer in de aangrenzende
rijstroken, kan het systeem u helpen door eerder dan normaal een automatische remingreep te starten.
City Safety remt voor tegenliggers
City Safety kan u in noodgevallen helpen bij
het remmen voor een tegenligger in uw rijstrook.
Als een tegenligger in uw rijstrook belandt en
een botsing onvermijdelijk is, kan City Safety u
helpen om uw rijsnelheid te verlagen en zo de
kracht van de botsing te beperken.
Gerelateerde informatie
•
•
City Safety™ (p. 365)
Beperkingen van City Safety (p. 375)
Uw auto
Tegenligger
Uw auto (1) "ziet" geen uitwijkmogelijkheid voor
voorliggers (2) en kan daarom eerder een automatische remingreep verrichten.
Uw auto
Langzaam rijdende/stilstaande auto
77
374
De functie is niet op alle markten beschikbaar.
Voor een goede werking van de functie moet
zijn voldaan aan de volgende criteria:
•
de snelheid van uw auto is minimaal
4 km/h (3 mph)
•
het routegedeelte is recht
BESTUURDERSONDERSTEUNING
uw eigen rijbaan heeft duidelijke zijmarkeringen
•
•
•
u rijdt recht vooruit in uw eigen rijbaan
•
•
de koplampen van de tegenligger branden
•
de functie kan alleen voertuigen met vier
wielen detecteren.
de tegenligger rijdt tussen de zijmarkeringen van uw rijbaan
de functie kan alleen frontale botsingen
hanteren
WAARSCHUWING
Waarschuwingen en remingrepen bij een
dreigende aanrijding met een tegenligger
komen altijd heel laat.
Gerelateerde informatie
•
•
City Safety™ (p. 365)
Beperkingen van City Safety (p. 375)
Beperkingen van City Safety
Safety78
City
kent mogelijk beperkingen in
bepaalde situaties.
Omgeving
Lage voorwerpen
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/wimpels
die uitstekende lading markeren of accessoires zoals verstralers en frontbars die boven de
motorkap uitsteken zorgen voor functiebeperkingen.
De functie is niet op alle markten beschikbaar.
Electronic Stability Control
Vuile voertuigen worden mogelijk later gedetecteerd dan andere voertuigen en motoren
worden in het donker mogelijk later of helemaal niet gedetecteerd.
Gladheid
Bij gladheid is de remweg langer waardoor
City Safety minder goed in staat is een aanrijding te voorkomen. In dergelijke situaties zorgen het antiblokkeerremsysteem en de stabiliteitsregeling ESC79 voor optimale remkracht
met behoud van de stabiliteit.
Als een tekstmelding op het bestuurdersdisplay aangeeft dat de gecombineerde camera
en radarsensor geblokkeerd is, houdt dit in dat
City Safety moeilijk voetgangers, fietsers, grotere dieren, auto's of weglijnen vóór de auto
kan registreren – daardoor kan City Safety
mogelijk minder goed functioneren.
Tegenlicht
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook
het gebruik van een zonnebril is het op de
voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk als u niet recht vooruit kijkt.
Er verschijnt echter niet altijd een foutmelding
bij geblokkeerde voorruitsensoren – het is dan
ook belangrijk dat u het gebied van de voorruit
vóór de gecombineerde camera en radarsensor goed schoonhoudt.
Hitte
Bij een hoge interieurtemperatuur door bijvoorbeeld sterke instraling is het mogelijk dat
het visuele waarschuwingssignaal aan de binnenkant van de voorruit mogelijk niet werkt.
78
79
Blikveld van gecombineerde camera en
radarsensor
Het blikveld van de camera is beperkt, zodat
voetgangers, fietsers, grotere dieren en voertuigen in bepaalde situaties niet kunnen worden geregistreerd of later worden ontdekt dan
verwacht.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud aan rijhulpcomponenten over aan een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
}}
375
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Ingreep van bestuurder
Achteruitrijden
Wanneer u achteruitrijdt, is City Safety tijdelijk
gedeactiveerd.
Lage snelheid
City Safety wordt niet geactiveerd op zeer
lage snelheden (onder 4 km/h (3 mph), wat
betekent dat het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u een voorligger heel langzaam
nadert zoals bij het parkeren.
Actief rijgedrag
De commando's die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety niet
ingrijpt of met enige vertraging waarschuwt/
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando's geeft via stuurwiel en gaspedaal,
zelfs als een aanrijding onvermijdelijk lijkt.
Bij een actief en sportief rijgedrag vinden
waarschuwingen en ingrepen daarom met
enige vertraging plaats om onnodige waarschuwingen tegen te gaan.
376
Overig
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
•
Als de gecombineerde radarsensor en
camera op grond van de verkeerssituatie of anderszins problemen heeft voetgangers, fietsers, grotere dieren of
voorliggers te ontdekken, is het mogelijk dat het systeem pas laat, onterecht
of helemaal geen waarschuwing geeft
en remt.
•
's Nachts zijn voorliggers alleen te
detecteren, als de voor- en achterlichten ervan werken en zichtbaar branden.
•
De gecombineerde radarsensor en
camera heeft een beperkt bereik voor
voetgangers en fietsers, zodat het systeem voor dergelijke weggebruikers
efficiënt waarschuwt en remingrepen
verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h
(30 mph). Voor stilstaande of langzaam rijdende voorliggers wordt efficient gewaarschuwd en geremd bij rijsnelheden tot 70 km/h (43 mph). De
snelheidsreductie bij detectie van grotere dieren is minder dan 15 km/h
(9 mph) en is mogelijk bij rijsnelheden
hoger dan 70 km/h (43 mph). Op
lagere snelheden zijn waarschuwingen
en remingrepen bij detectie van grote
dieren minder effectief.
Rijhulpsystemen waarschuwen alleen voor
door de radareenheid gedetecteerde obstakels – het kan dan ook gebeuren dat een
waarschuwing met enige vertraging of
helemaal niet wordt gegeven.
•
Wacht een waarschuwing of ingreep
nooit af, maar rem als dat nodig is.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
•
•
•
In het donker of bij slecht zicht wordt
mogelijk niet gewaarschuwd voor langzaam rijdende of stilstaande voorliggers en grote dieren.
Er wordt niet gewaarschuwd noch
geremd voor voetgangers en fietsers
bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h
(50 mph).
Plaats, plak of bevestig niets aan de
buiten- of binnenkant van de voorruit,
vóór of rond de gecombineerde radarsensor en camera – dat kan storingen
veroorzaken in de op de camera gebaseerde functies.
De aanwezigheid van voorwerpen,
sneeuw, ijs of vuil in het gebied van de
camerasensor kan aanleiding geven tot
een reductie, volledige uitschakeling of
onvoorziene reacties van de functie.
WAARSCHUWING
•
•
Auto Brake van City Safety kan een
botsing geheel voorkomen of de botssnelheid verlagen, maar voor maximale
remwerking moet u altijd het rempedaal bedienen – ook al remt de auto
automatisch.
De waarschuwingen en stuurhulp worden alleen geactiveerd bij een groot
gevaar voor een botsing – wacht een
botswaarschuwing of ingreep van City
Safety daarom nooit af.
•
Er wordt niet gewaarschuwd noch
geremd voor voetgangers en fietsers
bij rijsnelheden hoger dan 80 km/h
(50 mph).
•
City Safety activeert geen automatische remingrepen bij krachtig versnellen.
dendisplay voor Instellingen voorkomt, zit dit
systeem niet op de auto.
Zoekpad op het hoofdscherm van het middendisplay:
•
Instellingen
My Car
IntelliSafe
Gerelateerde informatie
•
•
City Safety™ (p. 365)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Marktbeperking
City Safety is niet in alle landen beschikbaar.
Als City Safety niet in het menu van het mid-
377
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Meldingen voor City Safety
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele
meldingen verschijnen ten aanzien van City
Safety. Hier volgen enkele voorbeelden.
Melding
Betekenis
City Safety
Als City Safety afremt of automatisch heeft afgeremd, kunnen een of meer symbolen op het bestuurdersdisplay gaan branden terwijl tegelijkertijd een tekstmelding wordt weergegeven.
Automatische ingreep
City Safety
Het systeem werkt niet naar behoren. Er moet contact worden opgenomen met een werkplaatsA.
Beperkte functionaliteit Service vereist
A
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
U kunt meldingen verwijderen door kort te
drukken op de
-knop in het midden van de
rechter stuurknoppenset.
Neem contact op met een werkplaats als er
nog een melding aanwezig blijftA.
Gerelateerde informatie
•
378
City Safety™ (p. 365)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rear Collision Warning*80
WAARSCHUWING
Warning81
De Rear Collision
(RCW) kan u
helpen om aanrijdingen van achteren door
naderende achterliggers te voorkomen.
De bestuurder van een achterligger kan worden gewaarschuwd voor een dreigende botsing middels snelle knippersignalen met de
richtingaanwijzers.
Als de functie bij snelheden onder 30 km/h
(20 mph) berekent dat uw auto van achteren
dreigt te worden aangereden, kan de gordelspanner de veiligheidsgordel van de voorstoel
aanspannen. Bij een aanrijding wordt ook het
Whiplash Protection System geactiveerd.
80
81
82
Waarschuwing bij dreigende staartbotsing.
De functie is niet op alle markten beschikbaar.
Waarschuwing bij dreigende staartbotsing.
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
•
Net voor de aanrijding van achteren kan de
functie ook de bedrijfsrem activeren om te
voorkomen dat uw auto tijdens de aanrijding
wordt gelanceerd. De bedrijfsrem wordt echter alleen geactiveerd, als uw auto stilstaat. De
bedrijfsrem lost onmiddellijk als het gaspedaal
wordt ingedrukt.
De functie wordt bij elke motorstart automatisch geactiveerd.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
Beperkingen van Rear Collision
Warning*82
In bepaalde gevallen kan het voor Rear
Collision Warning (RCW) moeilijk zijn om u te
helpen bij een dreigende botsing.
Bijvoorbeeld als:
•
een naderende achterligger laat wordt
ontdekt
•
een naderende achterligger in een laat stadium van rijbaan wisselt
•
een aanhangwagen, fietsdrager of iets
dergelijks wordt aangesloten op het elektrische systeem van de auto. De wordt
dan automatisch gedeactiveerd.
N.B.
Op sommige markten waarschuwt RCW
vanwege plaatselijke verkeersvoorschriften
niet met de richtingaanwijzers - in dergelijke gevallen is dat deel van de functie
daarom gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
•
Whiplash Protection System (p. 45)
Beperkingen van Rear Collision Warning*
(p. 379)
}}
* Optie/accessoire. 379
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
N.B.
Waarschuwingen via de richtingaanwijzers
voor de Rear Collision Warning* worden
gedeactiveerd, als de waarschuwingsafstand voor de Collision Warning in City
Safety is ingesteld op het laagste niveau
"Laat"/>
BLIS*
Het BLIS83 dient om u te helpen bij het ontdekken van naderende achterliggers schuin
achter en naast u bij ritten in druk verkeer op
wegen met meerdere rijbanen in dezelfde
richting.
De functies 'gordels spannen' en 'remmen'
zijn echter nog steeds actief.
N.B.
Werkingsprincipe van BLIS
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Zone in dode hoek
Zone voor snel naderende achterliggers.
Het systeem reageert in de volgende gevallen:
Gerelateerde informatie
•
•
•
83
380
Rear Collision Warning* (p. 379)
Positie van het BLIS-lampje.
Waarschuwingsafstand instellen voor City
Safety (p. 368)
BLIS is een hulpmiddel om u te waarschuwen
voor:
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
•
•
voertuigen in de dode hoek
snel naderende achterliggers in de linker
en rechter rijbaan naast uw auto.
•
uw auto wordt ingehaald door andere
voertuigen
•
een achterligger nadert uw auto snel.
Wanneer BLIS een voertuig binnen zone 1 of
een snel naderende achterligger in zone 2 ontdekt, brandt het controlelampje bij de desbetreffende zijspiegel constant. Als u in deze
stand de richtingaanwijzers activeert aan de
kant waarvoor de waarschuwing wordt gegeven, schakelt het controlelampje over van
constant branden op knipperen met een feller
licht.
Blind Spot Information
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BLIS is actief wanneer uzelf sneller rijdt dan
10 km/h (6 mph).
WAARSCHUWING
Als het voertuig dat inhaalt 15 km/h (9 mph)
sneller dan u rijdt, zal BLIS niet reageren.
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
N.B.
Het lampje gaat branden aan de kant van
de auto waar het systeem het voertuig
heeft ontdekt. Als de auto aan beide kanten tegelijkertijd wordt ingehaald, gaan
beide lampjes branden.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
84
Rijhulpsystemen (p. 300)
BLIS activeren of deactiveren
De BLIS84 is te activeren of te deactiveren.
Activeer of deactiveer de
functie met deze knop in het
functiescherm van het middendisplay.
•
GROENE knopindicatie – de functie is
geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is
gedeactiveerd.
Als BLIS bij het starten van de motor geactiveerd is, wordt de functie bevestigd doordat
de controlelampjes op de buitenspiegels één
keer knipperen.
Als BLIS bij het uitschakelen van de motor
gedeactiveerd is, is dat na de volgende motorstart nog steeds zo en zal er geen controlelampje branden.
Gerelateerde informatie
•
•
BLIS* (p. 380)
Beperkingen van BLIS (p. 382)
BLIS activeren of deactiveren (p. 381)
Beperkingen van BLIS (p. 382)
Meldingen voor BLIS (p. 383)
Blind Spot Information
* Optie/accessoire. 381
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van BLIS
WAARSCHUWING
BLIS85 kent mogelijk beperkingen in
bepaalde situaties.
•
•
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet als de auto achteruitrijdt.
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
Het gemarkeerde gebied schoonhouden – en dat
zowel links als rechts86.
•
•
BLIS* (p. 380)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
Voorbeelden van beperkingen:
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken.
•
De functie BLIS wordt automatisch
gedeactiveerd bij aansluiting van een aanhangwagen, fietsdrager of iets dergelijks
op het elektrische systeem van de auto.
•
Voor een goede werking van BLIS is het
zaak geen fietsdrager, bagagedrager of
iets dergelijks op de trekhaak van de auto
te monteren.
85
86
382
Blind Spot Information
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Meldingen voor BLIS
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele
meldingen verschijnen ten aanzien van
BLIS87. Hier volgen enkele voorbeelden.
Melding
Betekenis
Dodehoeksensor
Het systeem werkt niet naar behoren. Er moet contact worden opgenomen met een werkplaatsA.
Service vereist
Dodehoeksysteem uit
BLIS en CTA B zijn gedeactiveerd, omdat er een aanhangwagen op het elektrische systeem van de auto is aangesloten.
Aanhanger gekoppeld
A
B
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Cross Traffic Alert*
U kunt meldingen verwijderen door kort te
-knop in het midden van de
drukken op de
rechter stuurknoppenset.
Neem contact op met een werkplaats als er
nog een melding aanwezig blijftA.
Gerelateerde informatie
•
•
87
BLIS* (p. 380)
Cross Traffic Alert* (p. 384)
Blind Spot Information
* Optie/accessoire. 383
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Cross Traffic Alert*88
Cross Traffic Alert (CTA) is een hulpmiddel bij
BLIS89 om u te waarschuwen voor kruisend
verkeer, als u achteruitrijdt met de auto.
De deelfunctie Auto Brake kan u helpen om
de auto tot stilstand te brengen als een botsing dreigt met een voertuig dat u niet hebt
opgemerkt.
nen ook kleinere voorwerpen zoals fietsen en
voetgangers worden ontdekt.
CTA is alleen actief als de auto achteruit rolt of
in de achteruit is gezet.
Als CTA detecteert dat er van de zijkant iets
aankomt, wordt dit aangegeven met:
•
een geluidssignaal – het geluid komt uit
de linker of rechter luidspreker, afhankelijk
van waar het object vandaan komt.
•
een brandend pictogram in de grafische
Parkeerhulpsysteem-voorstelling op het
display.
•
een pictogram op het hoofdscherm van de
parkeerhulpcamera.
Voorbeeld van het gebied waarbinnen CTA u kan helpen om kruisend verkeer op te merken tijdens het
achteruitrijden.
CTA vormt een aanvulling op het BLIS door bij
achteruitrijden op kruisend verkeer vanaf de
zijkant te letten, bijvoorbeeld als u achteruit
een parkeervak verlaat.
CTA is bedoeld om in de eerste plaats voertuigen te ontdekken – in gunstige gevallen kun88
89
384
Brandend pictogram voor CTA in de grafische
Parkeerhulpsysteem-voorstelling op het display.
Als u de waarschuwing van CTA negeert en
een botsing onvermijdelijk lijkt, grijpt de functie Auto Brake in om de auto tot stilstand te
brengen, waarna op het bestuurdersdisplay
een melding verschijnt die uitlegt waarom de
auto remde.
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
Waarschuwing voor kruisend verkeer tijdens het achteruitrijden.
Blind Spot Information
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
•
Beperkingen van Cross Traffic Alert*
(p. 385)
•
Meldingen voor Cross Traffic Alert*
(p. 387)
•
•
Cross Traffic Alert* activeren of deactiveren (p. 385)
BLIS* (p. 380)
Parkeerhulp* (p. 411)
Cross Traffic Alert*90 activeren of
deactiveren
Beperkingen van Cross Traffic
Alert*91
U kunt ervoor kiezen om de waarschuwingssignalen van de functie Cross Traffic Alert
(CTA) uit te schakelen – de deelfunctie Auto
Brake is echter niet uit te schakelen en blijft
actief.
Activeer of deactiveer de
functie met deze knop in het
functiescherm van het middendisplay.
De functie Cross Traffic Alert (CTA) met Auto
Brake kent mogelijk beperkingen in bepaalde
situaties. Remingrepen zijn actief bij snelheden lager dan 15 km/h.
•
GROENE knopindicatie – de functie is
geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie –- waarschuwingssignaal en indicatie op het scherm voor de
functie gedeactiveerd.
De functie wordt na elke motorstart automatisch geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
90
91
Waarschuwing voor kruisend verkeer tijdens het achteruitrijden.
Waarschuwing voor kruisend verkeer tijdens het achteruitrijden.
WAARSCHUWING
De deelfunctie auto-brake kan alleen rijdende voertuigen detecteren en ervoor
remmen en geen stilstaande obstakels,
fietsers of voetgangers.
CTA kent bepaalde beperkingen – zo kunnen
de CTA-sensoren niet "door" andere geparkeerde voertuigen of voorwerpen die het zicht
blokkeren heen kijken.
Hier volgen enkele voorbeelden van situaties
waar het "blikveld" van het CTA aanvankelijk
beperkt kan zijn, zodat naderende voertuigen
pas op het laatste moment gedetecteerd worden:
Cross Traffic Alert* (p. 384)
Beperkingen van Cross Traffic Alert*
(p. 385)
}}
* Optie/accessoire. 385
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Naarmate u verder achteruitrijdt, verandert
echter de hoek ten opzichte van het voertuig/
obstakel dat in de weg zit zodat de dode hoek
snel in grootte afneemt.
Voorbeelden van andere beperkingen
• De deelfunctie Auto Brake detecteert
alleen rijdende voertuigen en kan daarom
geen stilstaande obstakels, fietsers of
voetgangers "zien" en ervoor remmen.
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken.
•
CTA wordt automatisch gedeactiveerd bij
aansluiting van een aanhangwagen, fietsdrager of iets dergelijks op het elektrische
systeem van de auto.
•
Voor een goede werking van CTA is het
zaak geen fietsdrager, bagagedrager of
iets dergelijks op de trekhaak van de auto
te monteren.
De auto staat ver naar achteren in een parkeervak.
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
In schuine parkeervakken valt de ene kant van de
auto mogelijk helemaal binnen de dode hoek van
CTA.
386
Dode hoek van CTA.
Gerelateerde informatie
Detectiegebied/"blikveld" van CTA.
•
•
Cross Traffic Alert* (p. 384)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Meldingen voor Cross Traffic
Alert*92
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele
meldingen verschijnen voor de Cross Traffic
Alert (CTA). Hier volgen enkele voorbeelden.
Melding
Betekenis
Dodehoeksensor
Het systeem werkt niet naar behoren. Er moet contact worden opgenomen met een werkplaatsA.
Service vereist
Dodehoeksysteem uit
BLISB en CTA zijn gedeactiveerd, omdat er een aanhangwagen op het elektrische systeem van de auto is aangesloten.
Aanhanger gekoppeld
A
B
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Blind Spot Information System
U kunt meldingen verwijderen door kort te
drukken op de
-knop in het midden van de
rechter stuurknoppenset.
Neem contact op met een werkplaats als er
nog een melding aanwezig blijftA.
Gerelateerde informatie
•
•
•
92
Cross Traffic Alert* (p. 384)
BLIS* (p. 380)
Beperkingen van Cross Traffic Alert*
(p. 385)
Waarschuwing voor kruisend verkeer tijdens het achteruitrijden.
* Optie/accessoire. 387
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie*
(RSI93)
De verkeersbordinformatie
kan u
attenderen op snelheidsspecifieke verkeersborden en bepaalde verbodsborden.
N.B.
Op bepaalde markten is de functie verkeersbordinformatie* alleen beschikbaar in
combinatie met Sensus Navigation*.
WAARSCHUWING
•
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
Voorbeelden van leesbare borden94.
RSI kan informatie geven over onder meer
actuele snelheid, begin of eind van auto- of
snelwegen en eventuele inhaal- en inrijverboden.
Als de auto een verkeersbord met maximumsnelheid passeert, verschijnt deze snelheid op
het instrumentenpaneel op het bestuurdersdisplay en het head-updisplay*.
93
94
388
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
•
Displayweergave voor verkeersbordinformatie* (p. 389)
•
Verkeersbordinformatie en Sensus
Navigation* (p. 392)
•
Waarschuwing voor snelheidsbeperkingen
en flitspalen van verkeersbordinformatie*
(p. 392)
•
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
(p. 394)
Verkeersbordinformatie* activeren of
deactiveren (p. 389)
Road Sign Information
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek – de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie* activeren
of deactiveren
N.B.
De verkeersbordinformatie (RSI95) is optioneel – u kunt zelf kiezen of de functie geactiveerd of gedeactiveerd moet zijn.
Activeer of deactiveer de
functie met deze knop in het
functiescherm van het middendisplay.
•
GROENE knopindicatie – de functie is
geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is
gedeactiveerd.
•
Als de automatische snelheidsbegrenzer geactiveerd is, verschijnt verkeersbordinformatie op het bestuurdersdisplay, ook al is de verkeersbordinformatie niet ingeschakeld.
•
Om de verkeersbordinformatie van het
bestuurdersdisplay te halen moet u de
automatische snelheidsbegrenzer en
de verkeersbordinformatie deactiveren.
•
Wanneer de automatische snelheidsbegrenzer geactiveerd en de verkeersbordinformatie gedeactiveerd is, geeft
de verkeersbordinformatie geen waarschuwingen. Om waarschuwingen te
kunnen krijgen moet u tevens de verkeersbordinformatie activeren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
95
96
97
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 314)
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
(p. 394)
RSI: Road Sign Information.
Road Sign Information
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek – de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
Displayweergave voor
verkeersbordinformatie*
De verkeersbordinformatie (RSI96) toont verkeersborden op verschillende manieren,
afhankelijk van het bord en de situatie.
Voorbeeld97 van geregistreerde snelheidsinformatie.
Zodra de functie een verkeersbord met een
maximumsnelheid heeft geregistreerd, laat het
bestuurdersdisplay dat bord zien in de vorm
van een symbool plus een gekleurde aanduiding op de snelheidsschaal.
Als de auto is uitgerust met Sensus
Navigation* wordt ook snelheidsspecifieke
informatie opgehaald uit de kaartdatabase,
wat betekent dat informatie over een maximumsnelheid op het bestuurdersdisplay kan
}}
* Optie/accessoire. 389
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
verschijnen of veranderen zonder dat u een
snelheidsbord bent gepasseerd.
Samen met het symbool voor
de geldende maximumsnelheid kan ook een aanvullend
bord97 verschijnen, bijvoorbeeld het bord voor een
inhaalverbod.
Als u een weg met een inrijverbod inrijdt met dit bord
aan de desbetreffende zijde,
wordt u gewaarschuwd met
een knipperend symbool van
dit bord97 op het bestuurdersdisplay.
Bij een auto met Sensus Navigation* wordt
ook gebruikgemaakt van kaartgegevens om te
bepalen of de auto in de verkeerde richting
rijdt.
U kunt ook een akoestische waarschuwing
krijgen bij het negeren van een inrijverbod als
Audiowaarschuwing verkeersbord geactiveerd is.
Einde maximumsnelheid of einde
autoweg
Wanneer de functie een "indirect snelheidsbord" detecteert, dat aangeeft dat de huidige
snelheidslimiet eindigt – bijv. bij het einde van
97
390
de autoweg – verschijnt op het bestuurdersdisplay een symbool met het corresponderende verkeersbord.
Bij een auto met Sensus Navigation* worden
normaal alleen directe snelheidsborden
getoond – indirecte snelheidsborden verschijnen alleen als in de kaartgegevens geen informatie staat over de maximumsnelheid voor
het desbetreffende routegedeelte.
Gewijzigde maximumsnelheid
Als u een direct snelheidsbord passeert als
een maximumsnelheid gewijzigd wordt, wordt
een symbool met het corresponderende verkeersborg op het bestuurdersdisplay getoond.
Voorbeeld van een direct
snelheidsbord97.
Voorbeeld van indirect snelheidsbord97:
Einde maximumsnelheid.
Einde snelweg.
Het symbool op het bestuurdersdisplay dooft
na 10–30 seconden en blijft uit totdat u het
volgende verkeersbord met snelheidsinformatie passeert.
Het symbool op het bestuurdersdisplay dooft
na ca. 5 minuten en blijft uit totdat u het volgende verkeersbord met snelheidsinformatie
passeert.
Bij een auto met Sensus Navigation* verschijnt een snelheidsbord op het bestuurdersdisplay, wanneer er in de kaartgegevens informatie over een maximumsnelheid voor het
desbetreffende routegedeelte staat, zelfs al
bent u geen direct snelheidsbord gepasseerd.
Als er geen informatie in de kaartgegevens
bestaat, dooft het boord zo'n 3 minuten na het
passeren van het laatst waargenomen verkeersbord.
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek – de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Aanvullende borden
Voorbeelden van aanvullende borden97.
Soms kent een en dezelfde weg verschillende
maximumsnelheden – een aanvullend bord
geeft dan aan onder welke omstandigheden
de snelheden gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een gevaarlijke weg bij bijvoorbeeld regen en/of mist.
Het aanvullende bord met betrekking tot
regen verschijnt alleen als de voorruitwissers
zijn geactiveerd.
Als er een aanhangwagen is aangesloten op
het elektrische systeem van de auto en u passeert een snelheidsbord met het onderbord
“aanhangwagen”, dan verschijnt deze snelheid
op het bestuurdersdisplay.
97
98
Sommige snelheden gelden
bijvoorbeeld alleen een
bepaald traject of op een
bepaalde tijd van de dag. U
wordt hierop geattendeerd
met een symbool voor een
aanvullend bord onder het
snelheidssymbool. Het aanvullende symbool
op het bestuurdersdisplay toont dan ofwel
"DIST", ofwel "TIME".
Gerelateerde informatie
•
•
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
(p. 394)
Een leeg vakje onder het
snelheidssymbool97 op het
bestuurdersdisplay geeft aan
dat de functie een bord heeft
geregistreerd met aanvullende informatie over de geldende snelheidsbeperking.
Bord voor "Schoolzone" en "Woonerf"
Als het waarschuwingsbord97
"Schoolzone" of "Woonerf" is
opgenomen in de kaartgegevens van het navigatiesysteem98, dan verschijnt op het
bestuurdersdisplay een bord
van dit type.
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek – de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
Uitsluitend in auto's met Sensus Navigation*.
* Optie/accessoire. 391
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie en Sensus
Navigation*
Bij een auto met Sensus Navigation*, wordt er
in de volgende gevallen snelheidsspecifieke
informatie opgehaald uit de navigatie-eenheid:
•
Bij verkeersborden met indirecte snelheidsinformatie, zoals borden voor autosnelwegen en autowegen en plaatsnaamborden.
•
Als een eerder waargenomen snelheidsbord als niet langer geldig wordt gezien en
er geen nieuw bord is gepasseerd.
Waarschuwing voor
snelheidsbeperkingen en flitspalen
van verkeersbordinformatie*
Er zijn deelfuncties voor de verkeersbordinformatie (RSI99) die u kunnen waarschuwing
voor overtreding van de maximumsnelheid of
flitspalen.
N.B.
N.B.
Voorbeeld van de aanduiding voor flitspalen en snelheidsbeperkingen op het bestuurdersdisplay.
Bij gebruik van navigatie via een app die
van derden is gedownload, wordt geen
snelheidsinformatie van eventueel gepasseerde verkeersborden verstrekt.
Waarschuwing max. snelheid
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
99 Road Sign Information
100Verkeersborden zijn marktspecifiek
392
Waarschuwing max. snelheid waarschuwt
u bij overschrijding van de geldende maximumsnelheid of de ingestelde "snelheidslimiet" – als u geen vaart mindert, wordt u na
zo'n 1 minuut rijden in hetzelfde gebied met
een maximumsnelheid nogmaals gewaarschuwd.
U krijgt pas een nieuwe waarschuwing voor
overschrijding van de maximumsnelheid,
inclusief een eventuele herinnering, wanneer u
een nieuw/ander gebied met een maximumsnelheid binnenrijdt.
Op bepaalde markten is de functie verkeersbordinformatie* alleen beschikbaar in
combinatie met Sensus Navigation*.
N.B.
U krijgt altijd een snelheidswaarschuwing bij
overschrijding van de maximumsnelheid voor
flitspalen die in verband met de flitspaalinformatie geregistreerd staat.
De snelheidswaarschuwing
bestaat in een tijdelijk knipperend symbool100 op het
bestuurdersdisplay voor de
maximumsnelheid als deze
snelheid wordt overschreden.
Om een akoestisch waarschuwingssignaal
te krijgen bij overschrijding van de maximumsnelheid moet Waarschuwing max.
snelheid zijn geactiveerd en moet de deelfunctie Audiowaarschuwing
verkeersbord in stand Aan staan. Er
wordt vervolgens een geluidswaarschuwing gegeven als de rijsnelheid de snelheid
overschrijdt die de verkeersbordinformatie
op het bestuurdersdisplay toont.
– de getoonde afbeelding is slechts een voorbeeld.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Waarschuwing voor flitspalen
Auto's met verkeersbordinformatie en Sensus Navigation
kunnen op het bestuurdersdisplay informatie verstrekken over komende flitspalen101
Als de auto een gedetecteerde snelheidslimiet
overschrijdt terwijl de Waarschuwing max.
snelheid geactiveerd is, krijgt u een snelheidswaarschuwing als de auto een flitspaal
nadert, op voorwaarde dat de navigatiekaart
voor de actuele regio flitspaalinformatie bevat.
N.B.
U kunt een akoestische waarschuwing
voor flitspalen krijgen, ongeacht de rijsnelheid, los van de vraag of u een maximumsnelheid hebt overschreden en zelfs als
Audiowaarschuwing verkeersbord is
gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
Waarschuwingen van de verkeersbordinformatie* activeren of deactiveren
(p. 393)
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
(p. 394)
101 Informatie
Waarschuwingen van de
verkeersbordinformatie* activeren
of deactiveren
De deelfunctie Waarschuwing max.
snelheid voor de verkeersbordinformatie
(RSI102) is optioneel – u kunt zelf kiezen of de
deelfunctie geactiveerd of gedeactiveerd
moet zijn.
2. Vink Waarschuwing max. snelheid aan.
> De functie wordt geactiveerd en er verschijnt een kiezer voor de snelheidslimiet.
3. Pas de limiet voor de snelheidswaarschuwing aan door op het beeldscherm op de
pijl-omhoog of pijl-omlaag te drukken.
Let erop dat de functie geen
rekening houdt met de gekozen limietaanpassing, als het
bestuurdersdisplay het symbool voor de flitspaal toont.
Snelheidswaarschuwing activeren
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
Road Sign Information in het hoofdscherm van het middendisplay.
2. Vink Waarschuwing max. snelheid aan.
> De functie wordt geactiveerd en er verschijnt een kiezer voor de snelheidslimiet.
Akoestische waarschuwing bij een
snelheidswaarschuwing activeren
Limiet voor snelheidswaarschuwing
aanpassen
1.
U kunt kiezen om te worden gewaarschuwd
bij hogere snelheid dan de snelheid op het verkeersbord.
Kies de limiet voor de snelheidswaarschuwing
als volgt:
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
Road Sign Information in het hoofdscherm van het middendisplay.
met betrekking tot flitspalen op de navigatiekaart is niet voor alle markten/regio's beschikbaar.
U kunt de instelling voor de akoestische waarschuwing als volgt wijzigen:
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
Road Sign Information in het hoofdscherm van het middendisplay.
2. Vink Audiowaarschuwing verkeersbord
aan/uit om de akoestische waarschuwing
te activeren/uit te zetten.
Als de functie Audiowaarschuwing
verkeersbord actief is, wordt u ook gewaarschuwd bij het negeren van een inrijverbod of
bord voor eenrichtingsverkeer.
}}
* Optie/accessoire. 393
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Waarschuwing flitspaal activeren
Als de auto is uitgerust met Sensus
Navigation* en de kaartgegevens informatie
bevatten over snelheidscamera's, kunt u
ervoor kiezen om een akoestische waarschuwing voor een snelheidscamera te ontvangen.
U kunt de instelling voor de akoestische waarschuwing als volgt wijzigen:
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
Road Sign Information in het hoofdscherm van het middendisplay.
2. Vink Audiowaarschuwing flitspaal
aan/uit om de akoestische waarschuwing
voor snelheidscamera's in/uit te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
Waarschuwing voor snelheidsbeperkingen
en flitspalen van verkeersbordinformatie*
(p. 392)
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
(p. 394)
102 Road Sign Information
103Road Sign Information
104 Bij een auto met Sensus Navigation*.
105 Kaartgegevens met snelheidsinformatie
394
Beperkingen van
Verkeersbordinformatie*
N.B.
De RSI-functie kan sommige soorten fietsdragers die zijn aangesloten op de elektrische aansluiting voor aanhangers interpreteren als een aangekoppelde aanhanger.
Op het bestuurdersdisplay kan dan
onjuiste snelheidsinformatie verschijnen.
De verkeersbordinformatie (RSI103) kent
mogelijk beperkingen in bepaalde situaties.
Voorbeelden van factoren die de functie
mogelijk beperken zijn:
•
•
•
•
verbleekte borden
borden in een bocht
N.B.
gedraaide of beschadigde borden
borden die hoog boven het wegdek hangen/staan
•
borden die gedeeltelijk of geheel verscholen of slecht geplaatst zijn
•
borden die geheel of gedeeltelijk zijn afgedekt met ijs, sneeuw en/of vuil
•
digitale wegenkaarten104 die niet actueel
of onjuist zijn of geen snelheidsinformatie105 bevatten.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
N.B.
Op bepaalde markten is de functie verkeersbordinformatie* alleen beschikbaar in
combinatie met Sensus Navigation*.
zijn niet voor alle gebieden beschikbaar.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Driver Alert Control
WAARSCHUWING
Driver Alert Control (DAC) dient om u erop te
attenderen dat u de auto op ongecontroleerde wijze bestuurt (omdat u bijvoorbeeld
afgeleid wordt of bijna in slaap valt).
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in
het rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie
op de grotere wegen. De functie is niet
bedoeld voor gebruik in het stadsverkeer.
De functie wordt geactiveerd bij een snelheid
hoger dan 65 km/h (40 mph) en blijft actief
zolang de snelheid boven 60 km/h (37 mph)
ligt.
Gebruik Driver Alert Control niet om langer
te blijven rijden dan normaal, maar plan
altijd regelmatig pauzes in en zorg ervoor
dat u uitgerust bent.
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing van Driver Alert
Control altijd serieus, omdat u bij slaperigheid uw lichamelijke conditie vaak minder
goed kunt inschatten.
De auto wordt op ongecontroleerde wijze bestuurd.
Als het rijgedrag duidelijk
ongecontroleerd wordt,
wordt u gewaarschuwd met
dit symbool op het bestuurdersdisplay in combinatie
met een geluidssignaal en de
melding Tijd voor een pauze.
Bij een waarschuwing of een gevoel van
vermoeidheid:
•
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand om rust te houden.
Studies hebben aangetoond dat autorijden
bij vermoeidheid even gevaarlijk is in het
verkeer als rijden onder invloed van alcohol
of andere stimulerende middelen.
Als de auto is uitgerust met Sensus
Navigation* en de functie Begeleiding
ruststop actief is, verschijnt tevens een
geschikte parkeerplaats voor een pauze.
DAC detecteert de positie van de auto in de rijbaan.
Een camera tast de zijmarkeringen van de rijbaan af en vergelijkt de wegrichting met uw
stuurbewegingen.
Als u uw rijgedrag niet corrigeert, wordt de
waarschuwing enige tijd later herhaald.
}}
* Optie/accessoire. 395
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
396
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
•
Begeleiding naar parkeerplaats kiezen bij
waarschuwing van Driver Alert Control
(p. 397)
Driver Alert Control activeren of deactiveren (p. 396)
•
Beperkingen van Driver Alert Control
(p. 397)
Driver Alert Control activeren of
deactiveren
De functie Driver Alert Control (DAC) is te
activeren of te deactiveren.
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Kies My Car
Control.
IntelliSafe
Driver Alert
3. Vink Alertheidswaarschuwing aan of uit
om de functie te activeren of te deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert Control (p. 395)
Beperkingen van Driver Alert Control
(p. 397)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Begeleiding naar parkeerplaats
kiezen bij waarschuwing van
Driver Alert Control
Bij een auto met Sensus Navigation* kunt u
automatische begeleiding naar een geschikte
parkeerplaats activeren bij een waarschuwing
van Driver Alert Control (DAC).
U kunt aangeven of de functie Begeleiding
ruststop moet zijn geactiveerd of gedeactiveerd.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Kies My Car
Control.
IntelliSafe
Driver Alert
3. Vink Begeleiding ruststop aan of uit om
de functie te activeren of te deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert Control (p. 395)
Beperkingen van Driver Alert Control
(p. 397)
Beperkingen van Driver Alert
Control
De Driver Alert Control (DAC) kent mogelijk
beperkingen in bepaalde situaties.
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert Control (p. 395)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
zijdelingse rukwinden
spoorvorming in het wegdek.
WAARSCHUWING
Soms treden er ondanks vermoeidheid
geen merkbare wijzigingen op in het rijgedrag – zoals bij gebruik van Pilot Assist* –
zodat DAC u niet waarschuwt.
Het is daarom van zeer groot belang dat u
bij de eerste tekenen van opkomende vermoeidheid de auto op een geschikte plek
parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag of de functie nu wel of niet
heeft gewaarschuwd.
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
* Optie/accessoire. 397
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent
stuurbeweging de auto actief terug de rijbaan in sturen.
(LKA106)
De rijbaanassistent
moet op snelwegen, hoofdwegen en dergelijke het risico
beperken dat uw auto onbedoeld de eigen rijbaan verlaat.
De rijbaanassistent stuurt de auto terug in de
rijbaan en/of waarschuwt u met stuurtrillingen.
• Waarsch geactiveerd: Als de auto een zijlijn dreigt te passeren, wordt u gewaarschuwd met stuurtrillingen.
Er is ook een optie waarbij zowel stuurhulp als
waarschuwing tegelijkertijd zijn geactiveerd.
De rijbaanassistent is actief in het snelheidsinterval 65–200 km/h (40–125 mph) op wegen
met goed zichtbare zijlijnen.
Op smalle wegen is de functie mogelijk niet
beschikbaar en wordt dan stand-by gezet. Als
de weg weer voldoende breed is, wordt de
functie weer beschikbaar.
N.B.
De rijbaanassistent stuurt de auto terug de rijbaan in.
De rijbaanassistent waarschuwt met stuurtrillingen.
Een camera tast de zijlijnen van de weg/rijbaan af.
Afhankelijk van de instellingen reageert de rijbaanassistent als volgt:
• Sturen geactiveerd: Als de auto een zijlijn
nadert, zal de functie met een geringe
106Lane
398
Keeping Aid
Als de richtingaanwijzers/knipperlichten
aanstaan, biedt de rijbaanassistent geen
stuurhulp of waarschuwing.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
•
•
•
Rijbaanassistent grijpt niet in
Als u geen gehoor geeft en niet stuurt, gaat de
functie stand-by staan en verschijnt de volgende melding:
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
• Lane Keeping Aid Sturen
• Lane Keeping Aid Stand-by tot stuur
wordt bekrachtigd
De functie is vervolgens niet beschikbaar, totdat u weer actief stuurt.
Gerelateerde informatie
•
•
De rijbaanassistent grijpt niet in scherpe binnenbochten in.
In bepaalde gevallen staat de rijbaanassistent
u toe om zijlijnen te passeren zonder in te grijpen met stuurhulp of te waarschuwen – bijvoorbeeld bij gebruik van de richtingaanwijzers of bij het afsnijden van bochten.
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
Rijbaanassistent activeren of deactiveren
(p. 400)
Beperkingen van rijbaanassistent (p. 400)
Symbolen en meldingen voor rijbaanassistent (p. 402)
Handen aan het stuur
Voor het gebruik van de stuurhulp met rijbaanassistent moet u uw handen aan het stuur
houden. Het systeem controleert voortdurend
of dit het geval is.
Als u uw handen niet aan het
stuur houdt, klinkt een
geluidssignaal en op het
bestuurdersdisplay verschijnt
een melding om actief te sturen:
399
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent activeren of
deactiveren
Assistentie-opties voor
rijbaanassistent kiezen
De rijbaanassistent (LKA107) is optioneel – u
kunt zelf kiezen of de functie geactiveerd of
gedeactiveerd moet zijn.
Activeer of deactiveer de
functie met deze knop in het
functiescherm van het middendisplay.
U kunt kiezen wat de rijbaanassistent
(LKA108) moet doen, als uw auto de eigen rijbaan verlaat.
1. Kies Instellingen My Car IntelliSafe
in het hoofdscherm van het middendisplay.
•
•
2. Kies bij Modus Lane Keeping Aid wat de
functie moet doen:
• Sturen - u krijgt zonder waarschuwing
GROENE knopindicatie – de functie is
geactiveerd.
stuurhulp.
• Beide – de bestuurder krijgt een waar-
GRIJZE knopindicatie – de functie is
gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Rijbaanassistent (p. 398)
Assistentie-opties voor rijbaanassistent
kiezen (p. 400)
Beperkingen van rijbaanassistent (p. 400)
•
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegomstandigheden
slecht wegdek
zeer sportief rijgedrag
slecht weer met beperkt zicht
wegen met onduidelijke of ontbrekende
zijmarkeringen
schuwing doordat het stuurwiel trilt en
door stuurhulp.
•
Waarsch – de bestuurder wordt alleen
gewaarschuwd door stuurwieltrillingen.
randen of andere lijnen dan de zijmarkeringen
•
als de stuurbekrachtiging met een beperkt
vermogen werkt – zoals bij koeling op
grond van oververhitting.
Gerelateerde informatie
•
Beperkingen van rijbaanassistent
In bepaalde veeleisende situaties kan de rijbaanassistent (LKA109) u moeilijk op de juiste
manier helpen – het wordt dan geadviseerd
het systeem uit te schakelen.
Voorbeelden daarvan:
Rijbaanassistent (p. 398)
Het systeem is niet in staat om barrières, vangrails en dergelijke naast de rijbaan te detecteren.
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
107 Lane
108Lane
109Lane
400
Keeping Aid
Keeping Aid
Keeping Aid
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijbaanassistent (p. 398)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 300)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
401
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
rijbaanassistent
voor de rijbaanassistent (LKA110). Hier volgen
enkele voorbeelden.
Op het bestuurdersdisplay kunnen verschillende symbolen en meldingen verschijnen
Symbool
Melding
Betekenis
Best.onderst.systeem
Beperkte functionaliteit Service vereist
Het systeem werkt niet naar behoren. Er moet contact worden opgenomen met een
werkplaatsA.
Voorruitsensor
Het vermogen van de camera om de rijbaan vóór de auto af te tasten is beperkt.
Sensor afgedekt, zie handleiding
Lane Keeping Aid
Sturen
Lane Keeping Aid
Stand-by tot stuur wordt bekrachtigd
A
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
110 Lane
402
Keeping Aid
De stuurhulp van LKA werkt niet als u uw handen niet aan het stuur houdt. Houd uw
handen aan het stuur.
LKA blijft stand-by staan totdat u de auto weer actief stuurt.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
U kunt meldingen verwijderen door kort te
-knop in het midden van de
drukken op de
rechter stuurknoppenset.
Neem contact op met een werkplaats als er
nog een melding aanwezig blijftA.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijbaanassistent (p. 398)
Displayweergave voor rijbaanassistent
(p. 404)
Beperkingen van rijbaanassistent (p. 400)
403
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Displayweergave voor
rijbaanassistent
Niet beschikbaar
•
•
De rijbaanassistent (LKA111) wordt gevisualiseerd met een symbool op het bestuurdersdisplay. Het symbool is afhankelijk van de
situatie.
Hier volgt een aantal voorbeelden van het uiterlijk van
het symbool en in welke situaties dit verschijnt:
Niet beschikbaar - de zijlijnen van het symbool zijn
GRIJS.
Beschikbaar
Rijbaanassistent kan de zijlijnen van de rijbaan
niet aftasten, de snelheid is te laag of de weg
is te smal.
Aanduiding van stuurhulp/waarschuwing
Beschikbaar - de zijlijnen van het symbool zijn WIT.
Rijbaanassistent tast de ene zijlijn of beide zijlijnen van de rijbaan af.
Stuurhulp/waarschuwing - de zijlijnen van het symbool zijn GEKLEURD.
De rijbaanassistent geeft aan dat het systeem
waarschuwt en/of de auto terug de rijbaan in
probeert te sturen.
111
404
Lane Keeping Aid
Gerelateerde informatie
Rijbaanassistent (p. 398)
Beperkingen van rijbaanassistent (p. 400)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Stuurhulp bij botsgevaar
De functie Hulp bij het voorkomen van
aanrijdingen kan het risico helpen beperken
dat de auto onbedoeld de eigen rijbaan verlaat en/of in botsing komt met een ander
voertuig of een obstakel door de auto actief
terug de eigen rijbaan in te sturen en/of een
uitwijkmanoeuvre te beginnen.
De functie omvat de volgende deelfuncties:
•
•
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
•
Stuurhulp bij dreigende staartbotsing*
WAARSCHUWING
•
•
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
Na een automatische ingreep verschijnt op het
bestuurdersdisplay een melding dat een dergelijke ingreep heeft plaatsgevonden:
Hulp bij het voorkomen van aanrijdingen
Automatische ingreep
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
•
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
(p. 406)
•
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing (p. 407)
•
Stuurhulp bij dreigende staartbotsing*
(p. 408)
•
Beperkingen van de stuurhulp bij een dreigende botsing (p. 409)
•
Symbolen en meldingen voor de stuurhulp
bij botsgevaar (p. 410)
Stuurhulp bij dreigende botsing activeren
of deactiveren (p. 406)
N.B.
Het is altijd aan u als bestuurder om de
mate van stuurhulp te bepalen – de auto
kan het commando nooit overnemen.
* Optie/accessoire. 405
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Stuurhulp bij dreigende botsing
activeren of deactiveren
N.B.
Bij deactivering van Hulp bij het
voorkomen van aanrijdingen worden alle
betrokken deelfuncties uitgeschakeld:
De stuurhulp is optioneel – u kunt zelf kiezen
of de functie geactiveerd of gedeactiveerd
moet zijn.
Activeer of deactiveer de
functie met deze knop in het
functiescherm van het middendisplay.
•
GROENE knopindicatie – de functie is
geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is
gedeactiveerd.
De functie wordt bij elke motorstart automatisch geactiveerd112.
•
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
•
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
•
Stuurhulp bij dreigende staartbotsing*
Ondanks de mogelijkheid tot deactivering
wordt geadviseerd om de functie ingeschakeld te laten, omdat deze in de meeste
gevallen de rijveiligheid verhoogt.
Stuurhulp bij dreigende
bermongelukken
De stuurhulp kent enkele deelfuncties. De
stuurhulp bij dreigende bermongelukken kan
het gevaar helpen beperken dat u onbedoeld
van de weg raakt door de auto actief terug de
weg op te sturen.
Het systeem heeft twee activeringsniveaus bij
een ingreep:
•
•
Alleen stuurhulp
Stuurhulp en remingreep
Alleen stuurhulp
Gerelateerde informatie
•
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 405)
Beperkingen van de stuurhulp bij een dreigende botsing (p. 409)
Ingreep met stuurhulp.
112 Op
406
bepaalde markten wordt automatisch de instelling gehanteerd die gold bij uitschakeling van de motor.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Stuurhulp en remingreep
het systeem detecteert dat u er een actieve
rijstijl op na houdt, grijpt het systeem iets later
in.
Gerelateerde informatie
•
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 405)
Beperkingen van de stuurhulp bij een dreigende botsing (p. 409)
Stuurhulp bij dreigende
tegenliggerbotsing
De stuurhulp kent enkele deelfuncties. De
stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
kan u helpen, als u wordt afgeleid en niet
merkt dat uw auto op de verkeerde weghelft
belandt.
Ingreep met stuurhulp en remingreep.
Remingrepen helpen in situaties waar stuurhulp alleen niet voldoende is. De remkracht
wordt automatisch afgestemd op de situatie
waarin een bermongeluk dreigt.
De functie is in werking binnen het snelheidsbereik 65-140 km/h (40-87 mph) op wegen
met duidelijk zichtbare zijmarkeringen/-strepen.
Een camera tast de zijkanten en zijmarkeringen van de weg af. Als de auto op het punt
staat om van de weg af te rijden, wordt hij
weer de weg op gestuurd en als de stuuractie
niet volstaat om de auto op de weg te houden,
wordt de remactie ook geactiveerd.
Wanneer u de richtingaanwijzers gebruikt,
biedt het systeem echter geen assistentie in
de vorm van stuurhulp of remingrepen. En als
De functie kan u helpen om uit te wijken naar de
eigen rijbaan.
Tegenligger
Uw auto
Tijdens een stuuringreep wordt ook de Collision Warning van de rijhulp geactiveerd. De
rempedaaltrillingen die onderdeel zijn van de
Collision Warning worden echter niet geactiveerd.
De functie is in werking binnen het snelheidsbereik 60–140 km/h (37–87 mph) op wegen
}}
407
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
met duidelijk zichtbare zijmarkeringen/-strepen.
Stuurhulp bij dreigende
staartbotsing*
Als u de rijbaan dreigt te verlaten en daarbij
het pad van een tegenligger kruist, kan het
systeem u helpen om de auto terug de eigen
rijbaan in te sturen.
De stuurhulp kent enkele deelfuncties. De
stuurhulp bij dreigende staartbotsing kan u
helpen, als u bij een naderende achterligger
of een voertuig in een dode hoek wordt afgeleid en niet merkt dat uw auto de rijbaan
dreigt te verlaten.
Het systeem biedt echter geen stuurhulp bij
gebruik van de richtingaanwijzers. En als het
systeem detecteert dat u er een actieve rijstijl
op na houdt, grijpt het systeem iets later in.
•
De functie is in werking binnen het snelheidsbereik 60–140 km/h (37–87 mph) op wegen
met duidelijk zichtbare zijmarkeringen/-strepen.
De lampjes in de zijspiegels knipperen gelijktijdig met een stuuringreep, ongeacht of de
functie BLIS113 wel of niet actief is.
Gerelateerde informatie
•
•
Het systeem kan ook ingrijpen als u de rijbaan
bewust verlaat met geactiveerde richtingaanwijzer, maar een ander naderend voertuig niet
opmerkt.
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 405)
Gerelateerde informatie
Waarschuwing rijhulpsystemen bij een
dreigende botsing (p. 340)
•
•
•
Beperkingen van de stuurhulp bij een dreigende botsing (p. 409)
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 405)
BLIS* (p. 380)
Beperkingen van de stuurhulp bij een dreigende botsing (p. 409)
Het systeem kan u helpen om de auto terug de eigen
rijbaan in te sturen.
Voertuig in een dode hoek
Uw auto
Als u op het punt staat de rijbaan te verlaten
met een voertuig in een dode hoek of een snel
naderende achterligger in een aangrenzende
rijstrook, kan het systeem u helpen om de
auto terug de eigen rijbaan in te sturen.
113 Blind
408
Spot Information
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van de stuurhulp bij
een dreigende botsing
Het systeem kent mogelijk beperkingen in de
volgende situaties, zodat bijv. niet wordt
ingegrepen in de volgende gevallen:
• bij kleinere voertuigen zoals motorfietsen
•
als uw eigen auto voor het merendeel in
de aangrenzende rijbaan is belandt
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 405)
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
(p. 406)
•
op wegen/rijstroken met onduidelijke of
ontbrekende zijmarkeringen
•
buiten het snelheidsbereik 60–140 km/h
(37–87 mph)
•
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing (p. 407)
•
als de stuurbekrachtiging met een beperkt
vermogen werkt – zoals bij koeling op
grond van oververhitting.
•
Stuurhulp bij dreigende staartbotsing*
(p. 408)
Voorbeelden van andere lastige omstandigheden:
•
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegomstandigheden
smalle wegen
slecht wegdek
zeer sportief rijgedrag
slecht weer met beperkt zicht.
In deze veeleisende situaties kan het systeem
u moeilijk op de juiste manier helpen – het
wordt dan geadviseerd om het systeem uit te
schakelen.
* Optie/accessoire. 409
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor de
stuurhulp bij botsgevaar
zien van de stuurhulp. Hier volgen enkele
voorbeelden.
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele
symbolen en meldingen verschijnen ten aanSymbool
Melding
Betekenis
Hulp bij het voorkomen van aanrijdingen
Bij activering van het systeem krijgt u een melding te zien dat het systeem ingeschakeld is.
Automatische ingreep
Voorruitsensor
Sensor afgedekt, zie handleiding
U kunt meldingen verwijderen door kort te
drukken op de
-knop in het midden van de
rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
410
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 405)
Beperkingen van de stuurhulp bij een dreigende botsing (p. 409)
Het vermogen van de camera om de rijbaan vóór de auto af te tasten is beperkt.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeerhulp*
De parkeerhulp kan u helpen bij het parkeren
in krappe ruimten door de afstand tot obstakels aan te geven met geluidssignalen in
combinatie met grafische voorstellingen op
het bestuurdersdisplay.
De zijsegmenten veranderen van kleur naarmate de afstand tussen de auto en het obstakel afneemt.
Hoe korter de afstand tot het obstakel, des te
korter op elkaar klinken de signalen. Wanneer
u ondertussen het audiosysteem beluistert,
wordt het volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Bij obstakels voor en naast de auto worden er
zolang de auto rijdt geluidssignalen gegeven,
maar deze geluidssignalen verdwijnen wanneer de auto zo'n 2 seconden stilstaat. Bij
obstakels achter de auto blijven de geluidssignalen ook klinken, wanneer de auto stilstaat.
Beeldscherm met obstakelzones en sensorsegmenten.
Op het middendisplay verschijnt een schematische weergave van de onderlinge posities
van de auto en eventuele obstakels.
Het gemarkeerde segment geeft aan waar het
obstakel zich bevindt. Het gemarkeerde segment ligt dichter bij het autosymbool, naarmate de afstand tussen de auto en het waargenomen obstakel aan de voor-/achterzijde
kleiner is.
Wanneer de auto een obstakel voor of achter
de auto tot op minder dan 30 cm (1 ft) is
genaderd, bestaat het geluidssignaal uit een
ononderbroken toon en is het sensorsegment
dat het dichtst bij het autosymbool ligt geheel
gevuld.
Wanneer de auto een obstakel voor of achter
de auto tot op minder dan 25 cm (0,8 ft) is
genaderd, bestaat het geluidssignaal uit een
luide onderbroken toon. De kleur van het
actieve sensorsegment verandert van
ORANJE in ROOD.
Het volume van de parkeerhulp is als het
geluidssignaal klinkt aan te passen met de
[>II]-knop op de middenconsole. U kunt het
volume ook aanpassen met de menu-optie
Instellingen in het hoofdmenu.
N.B.
Behalve in het gebied rond het autosymbool, worden alleen geluidssignalen gegeven voor obstakels die zich op het traject
van de auto bevinden.
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
}}
* Optie/accessoire.
411
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
•
Parkeerhulp* activeren of deactiveren
(p. 413)
•
Symbolen en meldingen voor parkeerhulp
(p. 416)
•
Beperkingen van parkeerhulp (p. 414)
Parkeerhulp aan voorzijde, achterzijde en
zijkanten* (p. 412)
Parkeerhulp aan voorzijde,
achterzijde en zijkanten*
De parkeerhulp reageert anders afhankelijk
van de vraag met welke kant van de auto u
een obstakel nadert.
N.B.
De parkeerhulp wordt gedeactiveerd wanneer u de parkeerrem gebruikt of als u bij
een auto met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P zet.
Naar voren
BELANGRIJK
Bij montage van verstralers: Let erop dat
deze de sensoren niet mogen hinderen - de
verstralers kunnen dan als obstakel worden
gezien.
Achterzijde
Het geluidssignaal is ononderbroken bij een afstand
kleiner dan zo'n 30 cm (1 ft) tot een obstakel.
De voorste sensoren van de parkeerhulp worden bij het starten van de motor automatisch
geactiveerd. Ze zijn actief bij snelheden lager
dan 10 km/h (6 mph).
Het meetgebied strekt tot zo'n 80 cm (2,5 ft)
voor de auto.
Het geluidssignaal is ononderbroken bij een afstand
kleiner dan zo'n 30 cm (1 ft) tot een obstakel.
Als de auto in zijn vrij achteruitrolt of wanneer
u de keuzehendel in de stand voor achteruitrij-
412
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
den zet, worden de sensoren aan de achterzijde geactiveerd.
Aan de zijkanten
Parkeerhulp* activeren of
deactiveren
De functie parkeerhulp is te activeren of te
deactiveren.
De voor- en zijsensoren van de parkeerhulp
worden automatisch geactiveerd bij het starten van de motor en de achtersensoren worden geactiveerd, als de auto achteruitrolt of als
de achteruitversnelling wordt geselecteerd.
Het meetgebied strekt tot zo'n 1,5 meter (5 ft)
achter de auto.
Bij het achteruitrijden met een aanhangwagen
die is aangesloten op het elektrische systeem
van de auto wordt de parkeerhulp automatisch
gedeactiveerd.
Activeer of deactiveer de
functie met deze knop in het
functiescherm van het middendisplay.
N.B.
Bij het achteruitrijden met een aanhanger
achter de auto of een fietsdrager op de
trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel van Volvo – moet u de Park Assist
mogelijk handmatig uitschakelen om te
voorkomen dat de sensoren erop reageren.
De onderbroken geluidssignalen volgen elkaar snel
op bij een afstand kleiner dan zo'n 25 cm (0,8 ft) tot
een obstakel.
De zijsensoren van de parkeerhulp worden bij
het starten van de motor automatisch geactiveerd. Ze zijn actief bij snelheden lager dan
10 km/h (6 mph).
•
GROENE knopindicatie – de functie is
geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is
gedeactiveerd.
Het meetgebied strekt tot zo'n 25 cm (0,8 ft)
naast de zijkanten.
Bij een auto met parkeerhulpcamera* is de
parkeerhulp ook te activeren of deactiveren via
het desbetreffende camerascherm.
Het detectiegebied van de zijsensoren neemt
echter merkbaar toe bij het verdraaien van de
voorwielen, zodat er bij het verdraaien van het
stuur obstakels tot zo'n 90 cm (3 ft) schuin
achter of voor de auto te detecteren zijn.
Gerelateerde informatie
•
•
Parkeerhulp* (p. 411)
Beperkingen van parkeerhulp (p. 414)
Gerelateerde informatie
•
•
Parkeerhulp* (p. 411)
Sensorveld voor parkeerhulp (p. 422)
* Optie/accessoire. 413
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van parkeerhulp
De parkeerhulp is niet in staat om in alle situaties alles te registreren, zodat er soms
beperkingen gelden voor de werking.
Als bestuurder dient u rekening te houden met
de volgende beperkingen van de parkeerhulp:
•
414
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Wees bij het verschijnen
van dit symbool extra
voorzichtig tijdens het
achteruitrijden met een
gemonteerde aanhangwagen, fietsdrager of iets
dergelijks die is aangesloten op het elektrische systeem van de auto.
Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de parkeerhulpsensoren zitten,
zal het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Het symbool geeft aan dat de parkeerhulpsensoren achter uitgeschakeld zijn, zodat
deze niet waarschuwen voor eventuele
obstakels.
•
Let daarom in het bijzonder op mensen
en dieren in de buurt van de auto.
•
Let erop dat de voorkant van de auto
tijdens het parkeren kan uitzwenken
naar het tegemoetkomende verkeer.
BELANGRIJK
Obstakels zoals kettingen, smalle glanzende palen of lage obstakels kunnen
"afgeschaduwd" worden en worden in dat
geval tijdelijk niet geregistreerd door de
sensoren – het onderbroken geluidssignaal
kan dan plotseling wegvallen in plaats van
over te gaan in het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
De sensoren kunnen geen hoge obstakels
ontdekken, zoals uitstekende laadperrons.
•
Wees in dergelijke gevallen extra voorzichtig en bedien/verrijd de auto erg
langzaam of breek de parkeermanoeuvre af – er bestaat groot gevaar
voor materiële schade aan de auto of
de omgeving, aangezien de informatie
afkomstig van de sensoren in dergelijke situaties niet altijd betrouwbaar is.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan het parkeerhulpsysteem ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven onder invloed van
externe geluidsbronnen met ultrasone
geluidssignalen van dezelfde frequentie als
de sensoren van het systeem.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van motorfietsen et cetera.
N.B.
Wanneer het elektrische systeem van de
auto is geconfigureerd voor een trekhaak,
wordt de uitsteeklengte van de trekhaak
meegerekend bij het meten van de afstand
tot obstakels achter de auto.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulp* (p. 411)
* Optie/accessoire. 415
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
parkeerhulp
voor de parkeerhulp. Hier volgen enkele voorbeelden.
Op het bestuurders- en /of middendisplay
verschijnen mogelijk symbolen en meldingen
Symbool
Melding
Betekenis
De parkeerhulpsensoren achter zijn uitgeschakeld, zodat er geen akoestische waarschuwingssignalen voor obstakels/voorwerpen verschijnen.
Parkeerhulpsysteem
Sensoren afgedekt, schoonmaken
vereist
Parkeerhulpsysteem
Niet beschikbaar Service vereist
A
Een of meer van de sensoren van het systeem zijn geblokkeerd. Controleer dit en verhelp
de storing zo spoedig mogelijk.
Het systeem werkt niet naar behoren. Er moet contact worden opgenomen met een
werkplaatsA.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
U kunt meldingen verwijderen door kort te
drukken op de
-knop in het midden van de
rechter stuurknoppenset.
Neem contact op met een werkplaats als er
nog een melding aanwezig blijftA.
Gerelateerde informatie
•
•
416
Parkeerhulp* (p. 411)
Beperkingen van parkeerhulp (p. 414)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeerhulpcamera*
Trekhaak* – hulplijn voor trekhaak activeren/deactiveren*115
De parkeerhulpcamera kan u helpen bij het
parkeren in krappe ruimten door obstakels
weer te geven met camerabeelden en grafische voorstellingen op het middendisplay.
De parkeerhulpcamera is een hulpsysteem dat
automatisch wordt geactiveerd bij inschakeling van de achteruitversnelling of handmatig
via het middendisplay.
CTA* – Cross Traffic Alert activeren/deactiveren
Voorwerpen/obstakels kunnen dichter bij de
auto zijn dan ze lijken op het beeldscherm.
WAARSCHUWING
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de parkeerhulpsensoren zitten,
zal het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Let daarom in het bijzonder op mensen
en dieren in de buurt van de auto.
•
Let erop dat de voorkant van de auto
tijdens het parkeren kan uitzwenken
naar het tegemoetkomende verkeer.
Voorbeeld van cameraweergave.
Zoomen114 – in-/uitzoomen
360°-beeld* – alle camera's activeren/
deactiveren
PAS* – parkeerhulp activeren/deactiveren
Lijnen – hulplijnen activeren/deactiveren
114 Bij het inzoomen
115 Niet beschikbaar
doven de hulplijnen.
voor alle modellen en markten.
}}
* Optie/accessoire. 417
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
•
•
Parkeerhulpcamera activeren (p. 423)
•
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
•
•
Parkeerhulp* (p. 411)
Symbolen en meldingen voor de parkeerhulpcamera (p. 425)
Positie en gezichtsveld van de
parkeerhulpcamera's*
De functie kan een gecombineerde 360°aanzicht tonen én een afzonderlijk aanzicht
voor de vier camera's: achter, voor, links of
rechts.
Cross Traffic Alert* (p. 384)
Gerelateerde informatie
418
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
•
Hulplijnen voor parkeerhulpcamera*
(p. 420)
•
Sensorveld voor parkeerhulp (p. 422)
Positie en gezichtsveld van de parkeerhulpcamera's* (p. 418)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Het camerasymbool in het
autosymbool op het middendisplay geeft aan welke
camera actief is.
360°-aanzicht*
Voorwerpen op het middendisplay lijken
mogelijk over te hellen – dit is volkomen normaal.
Naar voren
Als de auto tevens is uitgerust met
Parkeerhulpsysteem* wordt de afstand tot
gedetecteerde obstakels aangeduid met
velden in verschillende kleuren.
De camera's zijn automatisch of handmatig te
activeren.
Achterzijde
"Blikveld" van de parkeerhulpcamera's en hun
approximatieve dekkingsgebieden.
De functie 360°-beeld activeert alle parkeerhulpcamera's waarna alle vier de zijden van de
auto gelijktijdig op het middendisplay verschijnen, zodat u bij manoeuvreren op lage snelheden kunt zien wat er zich rond de auto
bevindt.
De parkeerhulpcamera aan de voorzijde zit in de
grille.
De frontcamera kan handig zijn bij het invoegen vanuit een oprit waarbij het zicht naar
beide zijden bijvoorbeeld door heggen beperkt
is. De camera is actief bij snelheden tot
25 km/h (16 mph) – bij hogere snelheden
wordt de frontcamera uitgeschakeld.
Vanuit het 360°-aanzicht is ieder camera-aanzicht apart te activeren:
•
Tik op het display voor het "blikveld" van
de gewenste camera, bijvoorbeeld op het
gebied voor/boven de frontcamera.
De achtercamera zit boven de kentekenplaat.
De camera beslaat een breed gebied achter de
auto. Bij bepaalde modellen is ook een deel
van de achterbumper zichtbaar plus een eventuele trekhaak.
Als de rijsnelheid een waarde van 50 km/h
(30 mph) niet bereikt en binnen 1 minuut na
uitschakeling van de frontcamera daalt tot
onder 22 km/h (14 mph), wordt de camera
opnieuw geactiveerd.
}}
* Optie/accessoire. 419
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Naar zijkanten
Hulplijnen voor
parkeerhulpcamera*
De parkeerhulpcamera's geeft met lijnen op
het beeldscherm aan waar de auto zich ten
opzichte van de omgeving bevindt.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd
als stonden ze op de grond achter de auto. De
lijnen zijn bovendien afhankelijk van de stuuruitslag, zodat u ook tijdens het draaien kunt
zien welke baan de auto zal nemen.
De hulplijnen zijn inclusief de uitstekende
delen van de auto, zoals de trekhaak, buitenspiegels en hoeken.
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de hulplijnen op het
beeldscherm de baan van de auto aan
– niet die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen hulplijnen op het
beeldscherm, wanneer er een aanhanger is aangesloten op het elektrische
systeem van de auto.
•
Er verschijnen geen hulplijnen bij het
inzoomen.
De zijcamera's zitten in beide buitenspiegels.
De zijcamera's kunnen weergeven wat er zich
aan de desbetreffende zijde naast de auto
bevindt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerhulpcamera* (p. 417)
Parkeerhulpcamera activeren (p. 423)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
Voorbeeld van hulplijnen.
De hulplijnen geven de denkbeeldige baan van
de contouren van de auto aan bij de actuele
stuuruitslag – dit vereenvoudigt het achteruit
insteken, achteruitrijden in krappe ruimten en
aankoppelen van aanhangers.
420
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BELANGRIJK
•
Let erop dat op het beeldscherm alleen
het gebied achter de auto wordt weergegeven, als u voor de achteruitkijkcamera hebt gekozen – let in dat geval
goed op de zijkanten en voorkant van
de auto wanneer u tijdens het achteruitrijden het stuurwiel verdraait.
•
Hetzelfde geldt ook omgekeerd – let
op wat er met de achterste delen van
de auto gebeurt als u de frontcamera
hebt gekozen.
•
De hulplijnen geven het kortste traject
aan – let er daarom extra goed op dat
u met de zijkanten van de auto nergens
tegen aankomt of overheen rijdt, als u
bij vooruitrijden aan het stuur draait of
met de voorkant van de auto nergens
tegen aankomt of overheen rijdt, als u
bij achteruitrijden aan het stuur draait.
Hulplijnen in 360°-aanzicht*
Hulplijn voor trekhaak*
360°-aanzicht met hulplijnen.
Met 360°-aanzicht worden - afhankelijk van
de rijrichting - achter, voor en aan de zijkant
van de auto hulplijnen getoond:
•
•
Bij vooruitrijden: Frontlijnen
Bij achteruitrijden: Zijlijnen en achteruitrijlijnen.
Als de voor- of achtercamera gekozen is, worden de hulplijnen onafhankelijk van de rijrichting weergegeven.
Als een zijcamera gekozen is, worden hulplijnen alleen weergegeven als er achteruit gereden wordt.
Trekhaak met hulplijn.
Trekhaak - hulplijn voor trekhaak activeren.
Zoomen - in-/uitzoomen.
De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhangwagen door de
weergave van een hulplijn voor de virtuele
"baan" van de trekhaak naar de aanhangwagen.
}}
* Optie/accessoire. 421
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
1.
Druk op Trekhaak (1).
> De hulplijn voor het vermoedelijk traject
van de trekhaak wordt getoond, terwijl
de hulplijnen van de auto tegelijkertijd
gedoofd worden.
Er zijn niet tegelijkertijd hulplijnen weer
te geven voor de auto en de trekhaak.
Sensorveld voor parkeerhulp
Als de auto uitgerust is met parkeerhulp*
wordt voor iedere sensor die een obstakel
waarneemt de afstand met gekleurde velden
in 360°-aanzicht weergegeven.
Sensorvelden voor en achter
2. Druk op Zoomen (2) als u nauwkeurig
moet manoeuvreren.
> Er wordt ingezoomd op de camerabeelden.
Veldkleur achter
Afstand in meter (feet)
Oranje
0,6–1,5 (2,0–4,9)
Oranje
0,3–0,6 (1,0–2,0)
Rood
0–0,3 (0–1,0)
Veldkleur voor
Afstand in meter (feet)
Oranje
0,6–0,8 (2,0–2,6)
Parkeerhulpcamera* (p. 417)
Oranje
0,3–0,6 (1,0–2,0)
Positie en gezichtsveld van de parkeerhulpcamera's* (p. 418)
Rood
0–0,3 (0–1,0)
Gerelateerde informatie
•
•
kel kleiner wordt – van GEEL, via ORANJE in
ROOD.
•
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
•
Trekhaak* (p. 504)
Bij RODE sensorvelden gaat het onderbroken
geluidssignaal over in een onderbroken
geluidssignaal.
Het beeldscherm toont de gekleurde sensorvelden
op het autosymbool.
De kleur van de sensorvelden voor en achter
verandert naarmate de afstand tot het obsta-
422
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Sensorvelden naar de zijkanten
De waarschuwingssignalen zijn afhankelijk
van het beoogde traject van de auto. Bij stuuruitslag wordt mogelijk ook gewaarschuwd
voor een obstakel dat zich niet recht voor of
achter maar schuin voor of achter de auto
bevindt.
De kleur van de sensorvelden aan zijkant verandert naarmate de afstand tot het obstakel
kleiner wordt – van GEEL in ROOD.
Veldkleur zijkanten
Afstand in meter (feet)
Oranje
0,25–0,9 (0,8–3,0)
Rood
0–0,25 (0–0,8)
Bij RODE sensorvelden gaat het onderbroken
geluidssignaal over in een luid onderbroken
signaal.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Gebieden waarbinnen de parkeersensoren obstakels
kunnen ontdekken.
Voorste sensorveld links
Obstakelsegment in de rijrichting voor de
auto – afhankelijk van de stuuruitslag
Segment met RODE veldkleur en luid
onderbroken signaal
Achterste sensorveld rechts
•
Parkeerhulp* (p. 411)
Parkeerhulpcamera* (p. 417)
Positie en gezichtsveld van de parkeerhulpcamera's* (p. 418)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
Parkeerhulpcamera activeren
De parkeerhulpcamera wordt automatisch
geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling of handmatig bij het bedienen
van een van de functieknoppen van het middendisplay.
Camera-aanzicht tijdens het
achteruitrijden
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
verschijnt het 360°-aanzicht als dit aanzicht
of een van de zijaanzichten het laatst
gebruikte aanzicht was, zo niet dan verschijnt
het achteraanzicht.
Aanzicht bij handmatige activering van
de camera
Activeer de parkeerhulpcamera met deze knop op het
functiescherm van het middendisplay.
Op het display verschijnt
daarna in eerste instantie het
laatst gebruikte camera-aanzicht. Na iedere
nieuwe motorstart wordt een eerder weergegeven zijaanzicht vervangen door een 360°aanzicht en een eerder getoond ingezoomd
achteraanzicht wordt vervangen door een
standaardachteraanzicht.
Obstakelsegment in de rijrichting achter
de auto – afhankelijk van de stuuruitslag.
}}
* Optie/accessoire. 423
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
•
GROENE knopindicatie – de functie is
geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is
gedeactiveerd.
Camera automatisch deactiveren
Het vooraanzicht dooft bij 25 km/h (16 mph)
om u niet af te leiden – het vooraanzicht
wordt bij een snelheid van 22 km/h (14 mph)
binnen 1 minuut opnieuw geactiveerd, op
voorwaarde dat u niet sneller rijdt dan
50 km/h (31 mph).
De overige camera-aanzichten doven bij
15 km/h (9 mph) en worden niet opnieuw
geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
424
Parkeerhulpcamera* (p. 417)
Beperkingen van parkeerhulp (p. 414)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor de
parkeerhulpcamera
voor de parkeerhulpcamera. Hier volgen
enkele voorbeelden.
Op het bestuurders- en /of middendisplay
verschijnen mogelijk symbolen en meldingen
Symbool
Melding
Betekenis
De parkeerhulpsensoren achter zijn uitgeschakeld, zodat er geen akoestische waarschuwingssignalen en veldmarkeringen voor obstakels/voorwerpen verschijnen.
De camera is defect.
Parkeerhulpsysteem
Sensoren afgedekt, schoonmaken vereist
Parkeerhulpsysteem
Niet beschikbaar Service vereist
A
Een of meer van de sensoren van het systeem zijn geblokkeerd. Controleer dit en verhelp
de storing zo spoedig mogelijk.
Het systeem werkt niet naar behoren. Er moet contact worden opgenomen met een werkplaatsA.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
U kunt meldingen verwijderen door kort te
drukken op de
-knop in het midden van de
rechter stuurknoppenset.
Neem contact op met een werkplaats als er
nog een melding aanwezig blijftA.
Gerelateerde informatie
•
•
Parkeerhulpcamera* (p. 417)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
* Optie/accessoire. 425
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Actieve parkeerhulp*
WAARSCHUWING
(PAP116)
De actieve parkeerhulp
kan u helpen
bij parkeermanoeuvres. De functie kan ook
helpen bij het sturen tijdens het verlaten van
een fileparkeervak.
De functie controleert eerst of een vak groot
genoeg is en helpt u vervolgens om de auto
het vak in te sturen.
•
Op het middendisplay wordt met symbolen,
grafische voorstellingen en teksten aangegeven wat u wanneer moet doen.
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen,
maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te lezen over de beperkingen die
u moet kennen voordat u het systeem
gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van
de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot andere
weggebruikers en met respect voor de
geldende verkeersregels en -bepalingen.
•
Fileparkeervak verlaten met actieve parkeerhulp* (p. 430)
•
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp*
(p. 431)
•
Meldingen voor Actieve parkeerhulp*
(p. 433)
Gerelateerde informatie
116 Park
426
•
•
Rijhulpsystemen (p. 300)
•
Actieve parkeerhulp* gebruiken (p. 428)
Parkeervarianten bij actieve parkeerhulp*
(p. 427)
Assist Pilot
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeervarianten bij actieve
parkeerhulp*
De actieve parkeerhulp (PAP117) is te gebruiken bij zowel fileparkeren als haaks parkeren.
Fileparkeren
Met Uitparkeren kan een filegeparkeerde
auto ook hulp krijgen bij het verlaten van het
parkeervak.
N.B.
Het verlaten van een parkeervak met
Uitparkeren is alleen bestemd voor een
parallel geparkeerde auto - het systeem
werkt niet voor een haaks geparkeerde
auto.
Achteruit insteken
Gerelateerde informatie
•
•
Actieve parkeerhulp* (p. 426)
Fileparkeervak verlaten met actieve parkeerhulp* (p. 430)
Principe voor (achteruit) insteken.
Principe voor fileparkeren of achteruit insteken.
De functie parkeert de auto aan de hand van
de volgende stappen:
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
2. De auto wordt achteruit het vak ingestuurd.
3. De auto wordt netjes in het midden van
het vak geparkeerd door voor-/achteruit te
rijden.
117
De functie parkeert de auto aan de hand van
de volgende stappen:
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
2. De auto wordt achteruit/vooruit het parkeervak in gestuurd en netjes in het midden geparkeerd door voor-/achteruit te rijden.
Park Assist Pilot
* Optie/accessoire. 427
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Actieve parkeerhulp* gebruiken
N.B.
De actieve parkeerhulp (PAP118) helpt u in
drie fasen bij het parkeren. De functie kan u
ook helpen om uit een parkeervak te rijden.
De functie meet de beschikbare ruimte en
stuurt de auto – aan u de taak om:
•
het gebied rond de auto goed in de gaten
te houden
•
de instructies op het middendisplay te volgen
•
te schakelen (vooruit/achteruit) – een
geluidssignaal geeft aan wanneer u moet
schakelen
•
•
een veilige snelheid aan te houden
te remmen en te stoppen.
Er verschijnen symbolen, grafische voorstellingen en/of teksten op het middendisplay, wanneer u iets moet doen.
De functie is te activeren als na het starten van
de motor aan de volgende criteria is voldaan:
•
•
Er is geen aanhangwagen aan de auto
gekoppeld
De snelheid is lager dan 30 km/h
(20 mph).
118 Park
428
De afstand tussen de auto en parkeervakken moet 0,5–1,5 meter (1,6–5,0 ft)
bedragen, wanneer de functie de omgeving aftast op zoek naar een passende parkeerplek.
Inparkeren met actieve parkeerhulp
De functie parkeert de auto aan de hand van
de volgende stappen:
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
Principe voor het zoeken bij fileparkeren.
2. De auto wordt achteruit het vak ingestuurd.
3. De auto wordt netjes in het midden van
het vak geparkeerd – het systeem kan u
vragen om te schakelen en te remmen.
Parkeervakken zoeken en meten
De functie is te activeren op
het functiescherm van het
middendisplay.
Deze is ook bereikbaar vanuit
de camerabeelden.
•
GROENE knopindicatie – de functie is
geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is
gedeactiveerd.
Principe voor het zoeken bij haaks parkeren.
Rijd maximaal 30 km/h (20 mph) voordat u
gaat fileparkeren of maximaal 20 km/h
(12 mph) voordat u achteruit gaat insteken.
Assist Pilot
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
1.
Tik op de knop Inparkeren in het functiescherm of in het camerascherm.
> De functie zoekt een parkeervak en
meet of dit vak groot genoeg is.
Achteruit inparkeren
2. Rijd langzaam en voorzichtig achteruit en
raak het stuurwiel niet aan – rijd niet sneller dan zo'n 7 km/h (4 mph).
3. Zorg dat u klaar bent om te stoppen als
het beeld en de melding op het middendisplay u hiertoe verzoeken.
2. Zorg dat u klaar bent om te stoppen als
het beeld en de melding op het middendisplay u vertellen dat er een geschikte
parkeerplaats gevonden is.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
N.B.
•
Kom niet met uw handen aan het
stuurwiel wanneer de functie is geactiveerd.
•
Let erop dat het stuurwiel niet door
iets wordt gehinderd en vrij kan
draaien.
•
Wacht voor het beste resultaat totdat
het stuurwiel is uitgedraaid, voordat u
achteruit/vooruit rijdt.
3. Kies Fileparkeren of Haaks parkeren en
schakel de achteruitversnelling in.
N.B.
Principe voor het achteruit insteken bij fileparkeren.
De functie zoekt een geschikte ruimte om
te parkeren, geeft instructies en parkeert
de auto aan de passagierskant in. Desgewenst kunt u de auto ook aan de bestuurderszijde van de straat parkeren:
•
Schakel de richtingaanwijzers aan de
bestuurderszijde in, waarna het systeem een geschikte parkeerplek aan
deze kant van de straat zoekt.
Principe voor het achteruit insteken bij haaks parkeren.
1.
Controleer of de ruimte achter u vrij is en
schakel de achteruitversnelling in.
}}
429
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Auto positioneren in het parkeervak
1.
Zet de schakelhendel in de stand die het
systeem u opdraagt, wacht totdat het
stuur is verdraaid en rijd langzaam vooruit.
2. Zorg dat u klaar bent om te stoppen als
het beeld en de melding op het middendisplay u hiertoe verzoeken.
Fileparkeervak verlaten met
actieve parkeerhulp*
De functie Uitparkeren kan u helpen bij het
verlaten van een fileparkeervak.
N.B.
Het verlaten van een parkeervak met
Uitparkeren is alleen bestemd voor een
parallel geparkeerde auto - het systeem
werkt niet voor een haaks geparkeerde
auto.
3. Schakel de achteruitversnelling in en rijd
langzaam achteruit.
4. Zorg dat u klaar bent om te remmen als
het beeld en de melding op het middendisplay u hiertoe verzoeken.
Principe voor positionering bij het fileparkeren.
BELANGRIJK
De waarschuwingsafstand is korter wanneer de sensoren worden gebruikt door de
actieve parkeerhulp (PAP119) dan wanneer
de Park Assist de sensoren gebruikt.
Principe voor positionering bij het haaks parkeren.
Gerelateerde informatie
•
•
119 Park
430
De functie Uitparkeren is te
activeren in het functiescherm op het middendisplay
of in het camerascherm.
Het systeem wordt automatisch gedeactiveerd, waarna met grafische voorstellingen en
een melding wordt aangegeven dat het insteken is afgerond. U moet mogelijk later corrigeren – alleen u kunt beoordelen of de auto goed
geparkeerd staat.
Actieve parkeerhulp* (p. 426)
•
GROENE knopindicatie – de functie is
geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is
gedeactiveerd.
1.
Tik op de knop Uitparkeren in het functiescherm of in het camerascherm.
2. Geef met de richtingaanwijzer aan in
welke richting de auto het parkeervak
moet verlaten.
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp*
(p. 431)
Assist Pilot
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
3. Zorg dat u klaar bent om te stoppen als
het beeld en de melding op het middendisplay u hiertoe verzoeken. Volg de
instructies op dezelfde manier als bij de
parkeerprocedure.
Let erop dat het stuur kan "terugveren" bij het
uitschakelen van de functie. U moet dan
mogelijk het stuur terugdraaien tot de maximale stuuruitslag om uit het parkeervak te
kunnen rijden.
Als de functie oordeelt dat u zonder extra
manoeuvres kunt uitparkeren, wordt de functie uitgeschakeld, ook al denkt u misschien dat
de auto nog in het parkeervak staat.
Gerelateerde informatie
•
•
Actieve parkeerhulp* (p. 426)
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp*
(p. 431)
Beperkingen van de Actieve
parkeerhulp*
Parkeren afbreken
De actieve parkeerhulp (PAP120) is niet in
staat om in alle situaties alles te registreren,
zodat er mogelijke beperkingen gelden voor
de werking.
•
•
WAARSCHUWING
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de parkeerhulpsensoren zitten,
zal het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Let daarom in het bijzonder op mensen
en dieren in de buurt van de auto.
•
Let erop dat de voorkant van de auto
tijdens het parkeren kan uitzwenken
naar het tegemoetkomende verkeer.
Een parkeerprocedure wordt afgebroken:
als u het stuurwiel aanraakt
als u te snel met de auto rijdt – sneller dan
7 km/h (4 mph)
•
als u op Annuleren op het middendisplay
drukt
•
bij een ingreep van het antiblokkeerremsysteem of de elektronische stabiliteitsregeling, bijvoorbeeld als een wiel geen grip
meer heeft bij een glad wegdek
•
als de stuurbekrachtiging met een beperkt
vermogen werkt – zoals bij koeling op
grond van oververhitting.
In voorkomende gevallen laat een melding op
het middendisplay u weten waarom de parkeerprocedure is afgebroken.
BELANGRIJK
Obstakels boven het detectiegebied van de
sensoren worden niet meegenomen bij het
berekenen van de parkeermanoeuvre,
waardoor de functie mogelijk te vroeg het
parkeervak indraait – vermijd daarom parkeervakken met dergelijke hoge obstakels.
Als bestuurder dient u rekening te houden met
de volgende beperkingen van de actieve parkeerhulp:
120 Park
Assist Pilot
}}
* Optie/accessoire. 431
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
BELANGRIJK
Onder bepaalde omstandigheden kan de
functie geen parkeerplaatsen vinden – bijvoorbeeld omdat de sensoren worden
gestoord door externe geluidsbronnen die
dezelfde ultrasoonfrequenties gebruiken
als waar het systeem mee werkt.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
o.a. claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van
motorfietsen.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
Uw verantwoordelijkheid
Vergeet niet dat functie een hulpmiddel is en
geen onfeilbaar en volautomatisch systeem.
Wees daarom altijd voorbereid om de parkeermanoeuvre te onderbreken.
121 Met
432
Er zijn ook een paar details waar u bij het parkeren op moet letten, bijvoorbeeld:
•
U moet altijd bepalen of het vak dat de
functie voorstelt zich leent om in te parkeren.
•
Gebruik de functie niet als u sneeuwkettingen of een reservewiel hebt gemonteerd.
•
Gebruik de functie niet als er lading buiten
de auto uitsteekt.
•
Hevige regen of sneeuwval kan ertoe leiden dat het parkeervak niet op een juiste
manier wordt gemeten.
•
Tijdens het zoeken en meten van parkeervakken kan de functie obstakels die diep
in een parkeervak liggen over het hoofd
zien.
•
In smalle straten zijn niet altijd parkeervakken te vinden, omdat er mogelijk te
weinig ruimte voor manoeuvreren is.
•
Gebruik goedgekeurde banden121 met de
juiste bandenspanning – dit is van invloed
op de capaciteiten van de parkeerfunctie.
•
De functie gaat uit van de onderlinge positie van de geparkeerde voertuigen – als
deze ongelukkig geparkeerd staan, kunnen de banden en velgen van uw auto
beschadigd raken bij contact met de stoeprand.
•
Haakse parkeervakken kunnen worden
gemist of ten onrechte worden gedetecteerd, als een geparkeerde auto meer uitsteekt dan de andere geparkeerde auto's.
•
De functie is bedoeld voor inparkeren in
rechte straatgedeelten – niet in straatgedeelten met sterke krommingen of
scherpe bochten. Zorg daarom dat de
auto naast het parkeervak staat, wanneer
de functie de beschikbare ruimte meet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Actieve parkeerhulp* (p. 426)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 300)
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor (p. 359)
“goedgekeurde banden” wordt bedoeld: banden van hetzelfde type en merk als die bij levering af fabriek origineel waren gemonteerd.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Meldingen voor Actieve
parkeerhulp*
actieve parkeerhulp (PAP122). Hier volgen
enkele voorbeelden.
Op het bestuurders- en /of middendisplay
verschijnen mogelijk meldingen voor de
Melding
Betekenis
Parkeerhulpsysteem
Een of meer van de sensoren van het systeem zijn geblokkeerd. Controleer dit en verhelp de storing
zo spoedig mogelijk.
Sensoren afgedekt, schoonmaken vereist
Parkeerhulpsysteem
Het systeem werkt niet naar behoren. Er moet contact worden opgenomen met een werkplaatsA.
Niet beschikbaar Service vereist
A
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
U kunt meldingen verwijderen door kort te
drukken op de
-knop in het midden van de
rechter stuurknoppenset.
Neem contact op met een werkplaats als er
nog een melding aanwezig blijftA.
Gerelateerde informatie
•
•
Actieve parkeerhulp* (p. 426)
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp*
(p. 431)
122 Park
Assist Pilot
* Optie/accessoire. 433
HYBRIDE-INFORMATIE
HYBRIDE-INFORMATIE
Algemene informatie over Twin
Engine
bruik tijdens het rijden. De actieradius van de
hybride-accu neemt toe.
De Twin Engine rijdt net als een gewone
auto. Bepaalde functies wijken echter af van
een auto die alleen op benzine of diesel rijdt.
De elektromotor zorgt voornamelijk voor aandrijving op lage snelheden en de benzinemotor op hogere snelheden bij een actievere
rijstijl.
Op het bestuurdersdisplay verschijnt bepaalde
unieke informatie over de Twin Engine zoals
de opladingsgegevens, de actieve rijmodus,
de actieradius op de accu en de ladingsgraad
van de hybride-accu.
De hybride-accu die de elektromotor aandrijft
is op te laden via de laadkabel maar kan ook
worden opgeladen bij licht afremmen en bij
gebruik van de motorrem in schakelstand B.
De hybride-accu is ook op te laden via de
motor van de auto.
U kunt de auto tijdens het rijden in verschillende rijmodi zetten, zoals alleen elektrische
aandrijving of aandrijving door zowel de elektromotor als de benzinemotor als extra vermogen nodig is. De auto berekent op basis van de
gekozen rijmodus een passende combinatie
van rijeigenschappen, rijbeleving, milieuimpact en brandstofverbruik.
Voor optimale werking van de auto is het zaak
dat de hybride-accu en de bijbehorende elektrische aandrijving alsook de benzinemotor en
de aandrijving ervan de juiste bedrijfstemperatuur hebben. De accucapaciteit neemt mogelijk aanzienlijk af als de accu te koud of te
warm is. Middels preconditioning worden de
motor en het interieur voorverwarmd ter
beperking van de slijtage en het stroomver-
436
Belangrijke aandachtspunten
Stroomloze auto
Let erop dat bij een stroomloze auto belangrijke functies zoals de remmen, stuurbekrachtiging en dergelijke niet werken.
Motorgeluid exterieur
WAARSCHUWING
Let erop dat de auto bij elektrische aandrijving geen motorgeluid produceert, waardoor spelende kinderen, voetgangers, fietsers en huisdieren u mogelijk niet opmerken. Dit geldt in het bijzonder wanneer u
op lage snelheden rijdt, zoals op parkeerterreinen.
Hoogvoltspanning
WAARSCHUWING
Als de auto stroomloos is, met uitgeschakelde elektro- en brandstofmotor, is het
niet mogelijk om de auto te af te remmen.
Slepen niet toegestaan
Slepen van de Twin Engine is niet toegestaan,
aangezien de elektromotor dan beschadigd
raakt.
WAARSCHUWING
Tal van auto-onderdelen werken op hoogvoltspanning wat gevaarlijk kan zijn bij
onoordeelkundig werk. Laat het hanteren
van dergelijke onderdelen en alle oranje
kabels over aan bevoegd personeel.
Raak geen onderdelen aan, wanneer dat niet
uitdrukkelijk in de gebruikershandleiding staat
aangegeven.
HYBRIDE-INFORMATIE
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
Hybride-accu opladen (p. 437)
Hybridemeter (p. 89)
Rijmodi (p. 481)
Preconditioning in- en uitschakelen
(p. 237)
Hybride-accu opladen
Naast een brandstoftank zoals bij een conventionele auto is de auto ook uitgerust met
een oplaadbare accu, een zogenoemde
hybride-accu, van het lithiumion-type.
De hybride-accu is te laden met een laadkabel
die in een opbergvak in de bagageruimte zit.
Hybride-accu (p. 655)
Factoren die van invloed zijn op de actieradius bij ritten op stroom (p. 491)
Automatische versnellingsbak (p. 473)
Slepen (p. 512)
N.B.
Volvo adviseert een laadkabel volgens IEC
62196 en IEC 61851 die temperatuurbewaking ondersteunt.
De tijd die nodig is om de hybride-accu te
laden is afhankelijk van de gebruikte laadstroom.
N.B.
De capaciteit van de hybride-accu neemt
iets af door veroudering en gebruik, hetgeen ertoe kan leiden dat meer gebruik
wordt gemaakt van de benzinemotor en
dat zodoende het brandstofverbruik wat
hoger wordt.
WAARSCHUWING
Laat het wisselen van de hybride-accu over
aan een werkplaats - geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
Laadkabelstekker en laadaansluiting.
De laadstatus wordt op drie manieren aangeduid:
•
Lampjes op de regeleenheid van de laadkabel.
•
Controlelampje in de laadaansluiting op de
auto.
•
Afbeelding en tekst op het bestuurdersdisplay.
Bij oplading van de hybride-accu wordt ook de
startaccu opgeladen. Wanneer de hybrideaccu volledig opgeladen is, wordt de oplading
van beide accu's beëindigd.
Als de hybride-accu een temperatuur heeft
lager dan –10 ºC (14 ºF) of hoger dan 40 ºC
(104 ºF) zijn er mogelijk beperkingen/wijzigingen van bepaalde autofuncties van kracht. Het
is ook mogelijk dat functies niet beschikbaar
}}
437
HYBRIDE-INFORMATIE
||
zijn, omdat de capaciteit van lithiumion-accu’s
buiten het gegeven temperatuurinterval
afneemt.
Oplading met benzinemotor
•
•
•
Elektrische aandrijving is niet mogelijk, wanneer de accutemperatuur te laag of te hoog is.
Als de rijmodus PURE dan is gekozen, slaat de
verbrandingsmotor aan.
Laadkabel (p. 439)
Laadstroom (p. 439)
Klep van laadaansluiting openen en sluiten
(p. 443)
•
Oplading van hybride-accu starten
(p. 443)
Laden met een vaste regeleenheid
conform mode 31
•
Oplading van hybride-accu beëindigen
(p. 452)
Op bepaalde markten zit de regeleenheid vast
in een laadstation dat op het stroomnet is aangesloten. De laadkabel heeft dan geen eigen
regeleenheid. In plaats daarvan heeft de laadkabel een speciale connector voor aansluiting
van de laadkabel op het laadstation. Volg de
instructies op het laadstation.
•
Laadstatus op regeleenheid laadkabel
(p. 447)
•
Laadstatus in laadaansluiting op auto
(p. 446)
•
Laadstatus op bestuurdersdisplay van
auto (p. 450)
•
Symbolen en meldingen voor Twin Engine
op bestuurdersdisplay (p. 454)
•
•
•
Automatische versnellingsbak (p. 473)
De auto genereert stroomt voor de accu en de accu
wordt opgeladen, bijv. bij een lichte druk op het rempedaal of bij het afremmen op de motor op een aflopende helling.
De auto kan ook stroom genereren voor de
hybride-accu en de accu opladen.
•
1
438
Gerelateerde informatie
Europese standaard – EN 61851-1.
Bij licht afremmen met het rempedaal
wordt de hybride-accu opgeladen. De
bewegingsenergie van de auto wordt dan
omgezet in elektrische energie om de
hybride-accu mee op te laden.
•
In de schakelstand B wordt er bij het loslaten van het gaspedaal niet alleen afgeremd op de elektromotor, ook de hybrideaccu wordt opgeladen.
•
De hybride-accu is ook op te laden met de
verbrandingsmotor van de auto.
Rijmodus wijzigen (p. 485)
Langdurige stalling van auto met hybrideaccu (p. 456)
HYBRIDE-INFORMATIE
Laadstroom
De laadstroom dient voor het opladen van de
hybride-accu en voor de preconditioning van
de auto. Oplading vindt plaats met een laadkabel die u aansluit tussen de laadaansluiting
van de auto en een 230V-stopcontact2 (wisselstroom).
Bij gebruik van de laadkabel verschijnt er een
melding op het bestuurdersdisplay en gaat
een lampje branden in de laadaansluiting van
de auto. De laadstroom wordt hoofdzakelijk
gebruikt voor het opladen van de accu, maar
voor een deel ook voor preconditioning van de
auto. Bij oplading van de hybride-accu van de
auto wordt de startaccu ook opgeladen.
BELANGRIJK
Haal de stekker van de laadkabel nooit uit
het 230V-contact (wisselspanning) tijdens
het opladen; het gevaar is dan aanwezig
dat het 230V-contact beschadigd raakt.
Onderbreek altijd eerst het opladen voordat u de laadkabel loskoppelt – eerst van
de laadaansluiting van de auto en daarna
van het 230V-contact.
2 De
spanning op het stopcontact kan per markt verschillen.
N.B.
•
Bij zeer koud of zeer warm weer wordt
een deel van de laadstroom gebruikt
om de hybride-accu en het interieur te
verwarmen/koelen, wat tot een langere
laadtijd leidt.
•
Selectie van preconditioning houdt een
langere laadtijd in. De benodigde tijd
hangt voornamelijk af van de buitentemperatuur.
Laadkabel
De laadkabel met regeleenheid dient om de
hybride-accu van de auto op te laden.
Zekering
Normaal zitten meerdere 230V-stopcontacten
op dezelfde zekeringgroep, zodat andere
stroomverbruikers (zoals verlichting, stofzuiger, boormachine en dergelijke) op dezelfde
zekeringgroep kunnen zitten.
Gerelateerde informatie
•
•
Laadkabel (p. 439)
•
Laadstatus in laadaansluiting op auto
(p. 446)
•
Preconditioning in- en uitschakelen
(p. 237)
•
Oplading van hybride-accu beëindigen
(p. 452)
Laadstatus op bestuurdersdisplay van
auto (p. 450)
De laadkabel zit in het opbergvak onder de laadvloer
in de bagageruimte.
WAARSCHUWING
Gebruik alleen de laadkabel die bij de auto
werd geleverd of een door Volvo geadviseerde vervangende kabel.
Specificaties, laadkabel
Omgevingstemperatuur
–32 ºC tot 50 ºC
(–25 ºF tot 122 ºF)
}}
439
HYBRIDE-INFORMATIE
||
WAARSCHUWING
•
•
Houd kinderen in de gaten die in de
buurt van een aangesloten laadkabel
komen.
•
Er loopt een hoge spanning door de
laadkabel. Blootstelling aan een hoge
spanning kan ernstig letsel met mogelijk dodelijke afloop veroorzaken.
•
Gebruik de laadkabel niet als deze op
enigerlei wijze is beschadigd. Laat de
reparatie van een beschadigde of
defecte laadkabel over aan een werkplaats – geadviseerd wordt een Volvowerkplaats.
•
•
440
De laadkabel heeft een geïntegreerde
aardlekschakelaar. Laad alleen op aan
geaarde en goedgekeurde contacten.
Plaats de laadkabel altijd zodanig dat
er niet overheen wordt gereden, op
wordt gestapt, over wordt gestruikeld
of de kabel op een andere manier
beschadigd raakt of letsel veroorzaakt.
Neem de lader los van het wandcontact voordat u hem schoonmaakt.
•
Gebruik de laadkabel nooit in combinatie met een verlengsnoer of verlengdoos.
Zie ook de voorschriften van de fabrikant
voor het gebruik van de laadkabel en de
onderdelen daarvan.
BELANGRIJK
Maak de laadkabel schoon met een schone
doek die vochtig is gemaakt met water óf
met een mild reinigingsmiddel. Gebruik
geen chemicaliën of oplosmiddelen.
BELANGRIJK
Het is niet toegestaan om stekkerdozen,
verlengsnoeren, overspanningsbeveiligingen e.d. te gebruiken in combinatie met de
laadkabel, omdat dit aanleiding kan geven
tot brand, elektrische schokken enz.
Het gebruik van een adapter tussen het
230 V-contact (wisselspanning) en de
laadkabel is alleen toegestaan als de adapter is goedgekeurd volgens IEC 61851 en
IEC 62196.
BELANGRIJK
Haal de stekker van de laadkabel nooit uit
het 230V-contact (wisselspanning) tijdens
het opladen; het gevaar is dan aanwezig
dat het 230V-contact beschadigd raakt.
Onderbreek altijd eerst het opladen voordat u de laadkabel loskoppelt – eerst van
de laadaansluiting van de auto en daarna
van het 230V-contact.
WAARSCHUWING
Giet geen water over de laadkabel en de
bijbehorende onderdelen en dompel deze
evenmin onder.
BELANGRIJK
Stel de regeleenheid en de bijbehorende
stekker niet bloot aan direct zonlicht. De
beveiliging tegen oververhitting van de
stekker kan anders de oplading van de
hybride-accu begrenzen of beëindigen.
HYBRIDE-INFORMATIE
Gerelateerde informatie
•
Aardlekschakelaar in de laadkabel
(p. 441)
•
Temperatuurcontrole van de laadkabel
(p. 442)
•
Hybride-accu opladen (p. 437)
Aardlekschakelaar in de laadkabel
De regeleenheid van de laadkabel is voorzien
van een ingebouwde aardlekschakelaar, die
de auto en de gebruiker beschermt tegen
elektrische schokken als gevolg van systeemstoringen.
WAARSCHUWING
Laad de hybride-accu alleen op aan
geaarde en goedgekeurde 230V-contacten
(wisselspanning). Als u de capaciteit van
het stopcontact of de zekeringgroep niet
weet, moet u deze laten controleren door
een erkende elektricien. Het opladen boven
de capaciteit van de zekeringgroep kan
aanleiding geven tot brand of schade aan
de zekeringgroep.
WAARSCHUWING
•
De overstroombeveiliging van de laadkabel is een hulpmiddel ter bescherming van het laadsysteem van de auto,
maar is geen garantie dat overbelasting
nooit kan voorkomen.
•
Gebruik nooit contactdozen die zichtbaar versleten of beschadigd zijn. Dit
kan tot brand of ernstig letsel leiden.
•
Sluit de laadkabel nooit aan op een verlengkabel.
•
De hybride-accu mag alleen worden
onderhouden of vervangen door een
getrainde en bevoegde Volvo-servicemonteur.
BELANGRIJK
De aardlekschakelaar zorgt niet voor
bescherming van het 230V-contact/
stroomnet (wisselspanning).
}}
441
HYBRIDE-INFORMATIE
||
Temperatuurcontrole van de
laadkabel
Om ervoor te zorgen dat de auto steeds veilig
kan worden opgeladen zijn de regeleenheid
van de laadkabel en de stekker voorzien van
ingebouwde controlefuncties voor de temperatuur.
De temperatuurcontrole vindt voor een deel in
de regeleenheid plaats en voor een deel in de
stekker.
N.B.
De led3-lampjes op de regeleenheid.
BELANGRIJK
Led-lampje 1
Led-lampje 2
Als de ingebouwde aardlekschakelaar van de
regeleenheid uitspringt, knippert led-lampje 2
rood terwijl led-lampje 1 gedoofd is – controleer het 230V-stopcontact (wisselstroom).
•
Controleer de capaciteit van het stopcontact.
•
Schakel andere elektronische apparatuur op dezelfde zekeringgroep uit bij
overschrijding van de maximale capaciteit.
•
Sluit de laadkabel niet aan op een
beschadigd stopcontact.
Gerelateerde informatie
•
•
3 Lichtdiode
442
(Light Emitting Diode)
Laadkabel (p. 439)
Laadstatus op regeleenheid laadkabel
(p. 447)
Volvo adviseert een laadkabel volgens IEC
62196 en IEC 61851 die temperatuurbewaking ondersteunt.
Controlefunctie in regeleenheid
Ter bescherming van de elektronica wordt de
oplading onderbroken, als de temperatuur in
de regeleenheid te hoog oploopt. Dit kan bijv.
gebeuren, als de buitentemperatuur hoog is
en/of de regeleenheid zich in de felle zon
bevindt.
HYBRIDE-INFORMATIE
Controlefunctie in stekker
Als de temperatuur van de stroombron waarop
de laadkabel is aangesloten te hoog oploopt,
wordt de laadstroom verlaagd. Als de temperatuur een kritische grens overschrijdt, wordt
de oplading volledig onderbroken.
Klep van laadaansluiting openen
en sluiten
De klep van de laadaansluiting voor de
hybride-accu moet handmatig worden
geopend.
BELANGRIJK
Gebruik alleen de laadkabel die bij de auto
werd geleverd of een door Volvo geadviseerde vervangende kabel.
BELANGRIJK
Als de temperatuurbewaking herhaalde
malen de laadstroom verlaagt en de oplading werd afgebroken, dient u de oorzaak
van de oververhitting op te sporen en weg
te nemen.
Sluit de laadkabel nooit aan bij gevaar voor
onweer of blikseminslag.
N.B.
Volvo adviseert een laadkabel volgens IEC
62196 en IEC 61851 die temperatuurbewaking ondersteunt.
Gerelateerde informatie
•
Oplading van hybride-accu starten
De hybride-accu van de auto is op te laden
met een laadkabel tussen de auto een 230Vstopcontact4 (wisselstroom).
Laadkabel (p. 439)
Duw lichtjes tegen de achterkant van de
klep.
Open de klep.
Sluit de klep van de laadaansluiting in omgekeerde volgorde.
Gerelateerde informatie
•
Oplading van hybride-accu starten
(p. 443)
•
Oplading van hybride-accu beëindigen
(p. 452)
•
Hybride-accu opladen (p. 437)
}}
443
HYBRIDE-INFORMATIE
||
WAARSCHUWING
•
•
Het opladen van de hybride-accu mag
alleen gebeuren met de toelaatbare
maximumlaadstroom of lager conform
de lokale en landelijke aanbevelingen
voor het opladen van hybridevoertuigen via een 230V-contact/stekker
(wisselspanning).
Het opladen van de hybride-accu mag
alleen gebeuren via goedgekeurde en
met randaarde beveiligde 230V-contacten5 of via laadstations met een
door Volvo beschikbaar gestelde losse
laadkabel (mode 3).
•
De aardlekschakelaar van de regeleenheid beschermt de auto, maar toch
bestaat het gevaar dat het 230V-net
overbelast raakt.
•
Gebruik geen stopcontacten die zichtbare slijtage of schade vertonen, omdat
het gebruik ervan aanleiding kan geven
tot brand en/of letsel.
•
•
Gebruik nooit een verlengkabel.
Gebruik nooit een adapter.
WAARSCHUWING
•
De laadkabel heeft een geïntegreerde
aardlekschakelaar. Laad alleen op aan
geaarde en goedgekeurde contacten.
•
Houd kinderen in de gaten die in de
buurt van een aangesloten laadkabel
komen.
•
Er loopt een hoge spanning door de
laadkabel. Blootstelling aan een hoge
spanning kan ernstig letsel met mogelijk dodelijke afloop veroorzaken.
•
Gebruik de laadkabel niet als deze op
enigerlei wijze is beschadigd. Laat de
reparatie van een beschadigde of
defecte laadkabel over aan een werkplaats – geadviseerd wordt een Volvowerkplaats.
•
Plaats de laadkabel altijd zodanig dat
er niet overheen wordt gereden, op
wordt gestapt, over wordt gestruikeld
of de kabel op een andere manier
beschadigd raakt of letsel veroorzaakt.
•
Neem de lader los van het wandcontact voordat u hem schoonmaakt.
•
Gebruik de laadkabel nooit in combinatie met een verlengsnoer of verlengdoos.
Zie ook de voorschriften van de fabrikant
voor het gebruik van de laadkabel en de
onderdelen daarvan.
BELANGRIJK
Controleer of het 230V-contact (wisselspanning) voldoende stroom kan leveren
om een elektrische auto op te laden – laat
bij twijfel het contact controleren door een
vakman.
Neem de laadkabel tevoorschijn uit het
opbergvak onder de laadvloer. Let erop dat de
auto voor oplading moet zijn afgezet.
Sluit de laadkabel aan op een 230V-stopcontact. Gebruik nooit een verlengkabel.
4 De spanning op het stopcontact kan per markt verschillen.
5 Of gelijkwaardige contacten met een andere spanning, afhankelijk
444
van de markt.
HYBRIDE-INFORMATIE
3. De laadkabelstekker wordt geblokkeerd/
vergrendeld en binnen zo'n 5 seconden
gaat de oplading van start. Wanneer de
oplading is gestart, knippert het groene
LED-lampje in de laadaansluiting. Op het
bestuurdersdisplay verschijnt de berekende resterende laadtijd of een melding
als de oplading niet naar behoren verloopt.
Open de klep van de laadaansluiting. Verwijder de afdekking van de laadkabelstekker en duw de laadkabelstekker vervolgens zover mogelijk in de laadaansluiting
van de auto.
Klem de beschermdop van de laadkabelstekker vast zoals afgebeeld.
De oplading van de accu kan enige tijd
worden onderbroken, als u de auto ontgrendelt:
•
en het portier opent – de oplading gaat
binnen enkele minuten opnieuw van
start.
•
zonder het portier te openen – er vindt
automatisch hervergrendeling plaats.
De oplading wordt na 1 minuut hervat.
BELANGRIJK
Plaats om lakschade te voorkomen bij
hevige storm bijvoorbeeld de beschermdop van de laadaansluiting dusdanig dat
deze niet tegen het lakwerk aankomt.
BELANGRIJK
Haal de stekker van de laadkabel nooit uit
het 230V-contact (wisselspanning) tijdens
het opladen; het gevaar is dan aanwezig
dat het 230V-contact beschadigd raakt.
Onderbreek altijd eerst het opladen voordat u de laadkabel loskoppelt – eerst van
de laadaansluiting van de auto en daarna
van het 230V-contact.
Tijdens de oplading kan er een plasje water
onder de auto ontstaan afkomstig van de
}}
445
HYBRIDE-INFORMATIE
||
airco. Dit is normaal en hoort bij de koelfunctie
van de hybride-accu.
Laadstatus in laadaansluiting op
auto
Gerelateerde informatie
Een LED-lampje in de laadaansluiting geeft
de laadstatus aan.
•
•
Hybride-accu opladen (p. 437)
Klep van laadaansluiting openen en sluiten
(p. 443)
Betekenis
Wit
Hulpverlichting.
Geel
Stand-byA - in afwachting
van oplading.
•
Laadstatus in laadaansluiting op auto
(p. 446)
Knippert
groen
Wordt opgeladenB.
•
Laadstatus op bestuurdersdisplay van
auto (p. 450)
Groen
Oplading gereedC.
•
Laadstatus op regeleenheid laadkabel
(p. 447)
Rood
Er is een storing opgetreden.
•
Oplading van hybride-accu beëindigen
(p. 452)
A
B
Positie van het LED-lampje van de laadaansluiting op
de auto.
Het LED-lampje geeft tijdens het opladen de
actuele status aan. Als het LED-lampje niet
brandt, controleer dan of de kabel goed in het
stopcontact en in de laadaansluiting op de
auto zit. Bij inschakeling van de interieurverlichting branden het witte, rode en oranje ledje
(om enige tijd na uitschakeling van de interieurverlichting weer te doven).
446
LED-lampje
brandt
C
Bijvoorbeeld bij het openen van een portier of als de laadkabelstekker niet vergrendeld is.
Naarmate de ladingsgraad van de accu verbetert gaat het
ledje langzamer knipperen.
Dooft na enige tijd.
Gerelateerde informatie
•
•
Hybride-accu opladen (p. 437)
Laadstatus op bestuurdersdisplay van
auto (p. 450)
•
Laadstatus op regeleenheid laadkabel
(p. 447)
•
Oplading van hybride-accu beëindigen
(p. 452)
HYBRIDE-INFORMATIE
Laadstatus op regeleenheid
laadkabel
Led-lampje 1
Led-lampje 2
De verschillende lampjes op de regeleenheid
van de laadkabel geven tijdens en na het
opladen de laadstatus aan.
De led6-lampjes op de regeleenheid.
6 Lichtdiode
(Light Emitting Diode)
}}
447
HYBRIDE-INFORMATIE
||
Led 1
Led 2
Status
Betekenis
Aanbevolen maatregel
Knippert
afwisselend
blauw, geel en
rood
Knippert
afwisselend
blauw, geel en
rood
Initialisatie
Zelftest
Wacht totdat de zelftest is afgerond.
Brandt blauw
Gedoofd
Stand-by
De laadkabel is niet aangesloten op de
auto.
Sluit de laadkabel aan op de laadaansluiting van
de auto.
Knippert
blauw
Gedoofd
Stand-by
Opladen is mogelijk maar is niet geactiveerd door de elektronica.
Wacht totdat de oplading start.
Knippert
blauw
Knippert
blauw
Wordt opgeladen.
•
De elektronica van de auto heeft de
oplading gestart.
•
Wordt opgeladen.
Wacht totdat de accu volledig is opgeladen.
Gedoofd
Knippert geel
Wordt opgeladen.
De temperatuurcontrole heeft een te
hoge temperatuur gedetecteerd. Er
wordt geladen met een gereduceerde
stroomsterkte.
Start de oplading opnieuw. Neem contact op met
de vakman, als het probleem aanhoudt.
Gedoofd
Brandt geel
Oplading is niet
mogelijk.
De temperatuurcontrole grijpt in voor het
230V-stopcontact.
Start de oplading opnieuw. Neem contact op met
de vakman, als het probleem aanhoudt.
Gedoofd
Knippert rood
Oplading is niet
mogelijk.
De aardlekschakelaar van de laadkabel is
in werking getreden.
1.
Haal de laadkabel uit het 230V-stopcontact.
2. De aardlekschakelaar wordt na 10 seconden
gereset en de eenheid herstart.
3. Sluit de laadkabel aan op het 230V-stopcontact.
4. Neem contact op met de vakman, als het probleem aanhoudt.
448
HYBRIDE-INFORMATIE
Led 1
Led 2
Status
Betekenis
Aanbevolen maatregel
Knippert rood
Brandt rood
Oplading is niet
mogelijk.
De laadkabel is aangesloten op een
ongeaard 230V-stopcontact.
Sluit de laadkabel aan op een geaard 230V-stopcontact. Neem contact op met de vakman, als het
probleem aanhoudt.
Knippert rood
Knippert rood
Oplading is niet
mogelijk.
Interne storing. De laadkabel is beschadigd en moet worden gerepareerd.
Neem contact op met de vakman.
Gerelateerde informatie
•
•
Hybride-accu opladen (p. 437)
Laadstatus in laadaansluiting op auto
(p. 446)
•
Laadstatus op bestuurdersdisplay van
auto (p. 450)
•
Oplading van hybride-accu beëindigen
(p. 452)
449
HYBRIDE-INFORMATIE
Laadstatus op bestuurdersdisplay
van auto
aangegeven. De informatie blijft staan het
bestuurdersdisplay actief is.
Op het bestuurdersdisplay wordt de laadstatus zowel met een symbool als met een tekst
Symbool
A
450
Melding
Betekenis
Volledig opgeladen om: [Tijd] verschijnt in combinatie met een
animatie met blauw pulserend licht door de laadkabel.
Er vindt oplading plaats en het tijdstip verschijnt dat de accu
naar schatting volledig opgeladen is.
De tekst Opladen klaar verschijnt. Er verschijnt een afbeelding
van de auto met een LED-indicator bij de laadaansluiting die
groen oplicht.
De accu is volledig opgeladen.
De tekst Fout opladen verschijnt. De LED-indicator bij de laadaansluiting licht rood op.
Er heeft zich een storing voorgedaan. Controleer de aansluiting van de laadkabel bij de laadaansluiting van de auto en
bij het 230V-stopcontactA (wisselstroom).
De spanning op het stopcontact kan per markt verschillen.
HYBRIDE-INFORMATIE
N.B.
Als u het bestuurdersdisplay enige tijd niet
gebruikt, wordt het gedeactiveerd. U kunt
het display opnieuw activeren door:
•
•
•
het rempedaal te bedienen;
een van de portieren te openen, of
zet de auto in contactslotstand I door
de START-knop rechtsom te draaien
en los te laten.
Gerelateerde informatie
•
•
Hybride-accu opladen (p. 437)
Symbolen en meldingen voor Twin Engine
op bestuurdersdisplay (p. 454)
•
Laadstatus in laadaansluiting op auto
(p. 446)
•
Laadstatus op regeleenheid laadkabel
(p. 447)
•
Oplading van hybride-accu beëindigen
(p. 452)
451
HYBRIDE-INFORMATIE
Oplading van hybride-accu
beëindigen
Sluit de oplading af door de auto te ontgrendelen, de laadkabel uit de laadaansluiting van
de auto te halen en daarna uit het 230V-stopcontact7 (wisselstroom).
BELANGRIJK
Ontgrendel de auto via de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel alvorens de
laadkabel uit de laadaansluiting van de
auto los te nemen. Dit ook als de portieren
van de auto al zijn ontgrendeld. Als u de
auto niet ontgrendelt via de ontgrendelingsknop, kan schade aan de laadkabel of
aan het laadsysteem ontstaan.
Ontgrendel de auto met de transpondersleutel – het opladen wordt beëindigd en
de geblokkeerde laadkabelstekker wordt
vrijgegeven.
7
452
Plaats de laadkabel terug in het opbergvak
onder de vloer in de bagageruimte.
Automatische laadkabelvergrendeling
N.B.
Ontgrendel altijd de auto om het opladen
te onderbreken, voordat u de stekker uit
het 230V-contact (wisselspanning) haalt.
Let erop dat u de laadkabel uit de laadaansluiting van de auto haalt voordat u de
stekker uit het 230V-contact haalt, niet
alleen om schade aan het systeem te voorkomen, maar ook om te voorkomen dat het
opladen onbedoeld wordt onderbroken.
Haal de kabel uit het 230V-stopcontact.
Haal de kabel uit de laadaansluiting van de
auto en sluit de klep.
Als u de laadkabel na ontgrendeling niet losneemt uit de laadaansluiting, wordt de kabel
enige tijd later automatisch opnieuw vergrendeld om de optimale ladingsgraad en actieradius te verkrijgen en ervoor te zorgen dat u de
preconditioning kunt gebruiken. De laadkabel
is weer los te nemen als u de auto ontgrendelt
vanaf de transpondersleutel. Bij auto's met
Passive Entry* kunt u opnieuw vergrendelen
en ontgrendelen met behulp van een portiergreep.
Gerelateerde informatie
•
Klep van laadaansluiting openen en sluiten
(p. 443)
•
Laadkabel (p. 439)
De spanning op het stopcontact kan per markt verschillen.
* Optie/accessoire.
HYBRIDE-INFORMATIE
•
•
Hybride-accu opladen (p. 437)
Oplading van hybride-accu starten
(p. 443)
453
HYBRIDE-INFORMATIE
Symbolen en meldingen voor Twin
Engine op bestuurdersdisplay
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele
symbolen en meldingen verschijnen voor de
Symbool
Melding
Betekenis
12V-accu
Storing in de hybride-accu. Bezoek een werkplaatsA om de accu zo spoedig mogelijk te laten
controleren.
Laadfout, service urgent. Rijd
naar werkplaats.
12V-accu
Laadfout. Stop veilig
12V-accu
Zekering defect Service vereist
HV-accu
Oververhit, stop veilig
Vermogen verlaagd
Max. rijsnelheid beperkt
Aandrijfsysteem
Ruw gedrag bij lage snelheid,
gebruik auto OK
454
Twin Engine. Ze kunnen ook verschijnen in
combinatie met algemene controle- en waarschuwingssymbolen en doven nadat de
onderliggende problemen zijn verholpen.
Storing in de hybride-accu. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en neem contact op
met een werkplaatsA voor controle van de accu.
Storing in de hybride-accu. Bezoek een werkplaatsA om de werking zo spoedig mogelijk te laten
controleren.
De temperatuur in de hybride-accu lijkt abnormaal toe te nemen, breng de auto tot stilstand en
zet de motor af. Wacht minimaal 5 minuten, voordat u verder rijdt. Bel de werkplaatsA of controleer van de buitenzijde of alles weer normaal werkt, voordat u verder rijdt.
De hybride-accu is onvoldoende opgeladen voor hogere snelheden. Laad de accu zo spoedig
mogelijk op.
Het hybridesysteem werkt niet naar behoren. Bezoek een werkplaatsA om de werking zo spoedig
mogelijk te laten controleren.
HYBRIDE-INFORMATIE
Symbool
Melding
Betekenis
Storing hybridesyst.
Het hybridesysteem is defect. Bezoek een werkplaatsA om de werking zo spoedig mogelijk te
laten controleren.
Service vereist
Laadkabel
Vóór starten verwijderen
A
Verschijnt, wanneer u de auto probeert te starten, terwijl de laadkabel nog op de auto is aangesloten. Koppel de laadkabel los en sluit de klep van de laadaansluiting.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Oplading van hybride-accu starten
(p. 443)
•
Oplading van hybride-accu beëindigen
(p. 452)
•
•
Hybride-accu opladen (p. 437)
Waarschuwingssymbolen op bestuurdersdisplay (p. 99)
•
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
(p. 97)
•
•
Hybridemeter (p. 89)
Hybridemeter (p. 90)
455
HYBRIDE-INFORMATIE
Langdurige stalling van auto met
hybride-accu
Om te zorgen dat de hybride-accu bij langdurige opslag (langer dan 1 maand) van de auto
in een zo goed mogelijke staat blijft wordt
aanbevolen om de ladingsgraad volgens het
bestuurdersdisplay op zo'n 25% te houden.
Ga als volgt te werk:
2. Als de opslag langer dan 6 maanden heeft
geduurd of het laadniveau van de hybrideaccu duidelijk lager is dan 25% – laad de
accu weer tot ca. 25% op om te compenseren voor de natuurlijke zelfontlading die
juist merkbaar is bij langdurige opslag.
Controleer regelmatig het laadniveau op
het bestuurdersdisplay.
N.B.
Parkeer de auto zo koel mogelijk om te
zorgen dat de accu bij langdurige stalling
zo min mogelijk achteruitgaat. Parkeer de
auto zomers bij voorkeur overdekt of buiten in de schaduw, afhankelijk van waar de
temperatuur het laagst is.
Gerelateerde informatie
•
1.
456
Rijd bij een hoge ladingsgraad in de auto
totdat de ladingsgraad ca. 25% is. Als de
ladingsgraad laag is – laad de accu op tot
ca. 25%.
•
•
Oplading van hybride-accu starten
(p. 443)
Hybridemeter (p. 90)
Hybride-accu opladen (p. 437)
STARTEN EN RIJDEN
STARTEN EN RIJDEN
Motor starten
Om de auto te starten:
de beveiliging tegen oververhitting in werking
treedt.
BELANGRIJK
Bij start in normale omstandigheden wordt
doorgaans de elektrische aandrijving gebruikt
– de benzinemotor blijft uitgeschakeld. Dit
betekent dat de elektromotor “gestart” en de
auto rijklaar is, wanneer u de startknop
rechtsom hebt gedraaid. Ter bevestiging dat
de motor is gestart, doven de controlelampjes
op het bestuurdersdisplay en gaat het gekozen thema branden.
De auto wordt gestart met de startknop op
de tunnelconsole als de transpondersleutel
zich in het interieur bevindt.
De auto kan niet starten als de laadkabel er
nog in zit. Let erop dat de laadkabel uit de
laadaansluiting wordt gehaald voordat de
auto wordt gestart.
1.
De startknop op de tunnelconsole.
WAARSCHUWING
Vóór het starten:
•
•
•
Doe de veiligheidsgordel om.
Stel stoel, stuur en spiegels in.
Zorg ervoor dat het rempedaal volledig
kan worden ingetrapt.
U gebruikt de transpondersleutel zelf niet bij
het starten van de auto, omdat de auto is uitgerust met ondersteuning voor starten zonder
sleutel (passief startsysteem).
1
458
Controleer of de transpondersleutel in de
auto aanwezig is. Voor auto's met passief
starten moet de sleutel zich voor in het
interieur bevinden. Met de optie passieve
vergrendeling/ontgrendeling* van de auto
is het voldoende dat de transpondersleutel
zich ergens in de auto bevindt.
2. Houd het rempedaal volledig ingetrapt1.
Bij een auto met een automatische versnellingsbak moet u ervoor zorgen dat u
schakelstand P of N hebt gekozen. Zorg
er bij auto's met een handgeschakelde
versnellingsbak voor dat de schakelhendel
in de neutraalstand staat of dat u het koppelingspedaal bedient.
Er zijn echter situaties waarbij de benzinemotor start, zoals bij een te lage buitentemperatuur of als de hybride-accu moet worden
opgeladen.
Foutmeldingen
Als bij het starten de melding Sleutel niet
gevonden op het bestuurdersdisplay verschijnt, plaats dan de transpondersleutel in de
buurt van de back-uplezer. Doe vervolgens
een nieuwe startpoging.
3. Draai de startknop rechtsom en laat de
knop weer los. De knop veert automatisch
terug naar de uitgangspositie.
Bij het starten van de motor blijft de startmotor draaien, totdat de motor aanslaat of totdat
Als de auto rolt, kunt u de motor starten door de startknop rechtsom te draaien.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
BELANGRIJK
N.B.
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
Voor bepaalde motortypen kan het stationaire toerental bij een koude start duidelijk
hoger dan normaal zijn. Dit gebeurt om het
uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op de normale bedrijfstemperatuur te
krijgen waardoor de uitlaatgasemissies
afnemen en het milieu wordt ontzien.
N.B.
U kunt de auto niet starten bij een uitgeputte hybride-accu.
Positie back-uplezer in de tunnelconsole.
N.B.
Zorg ervoor dat er geen andere autosleutels, metalen voorwerpen of elektronische
apparaten (zoals mobiele telefoons,
tablets, laptops of laders) in de back-uplezer liggen, wanneer u de transpondersleutel in de back-uplezer plaatst. Als er zich
meerdere sleutels in de back-uplezer
bevinden, kunnen deze elkaar storen.
WAARSCHUWING
Verwijder de transpondersleutel nooit uit
de auto tijdens het rijden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Auto afzetten (p. 460)
Contactslotstanden (p. 460)
Stuurwiel verstellen (p. 208)
Starthulp met andere accu (p. 502)
Contactslotstand kiezen (p. 462)
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel mee en zorg dat het
elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0 staat – vooral als er kinderen in
de auto achterblijven.
Als bij het starten de melding Motor starten
Systeemcontrole, wachten op het bestuurdersdisplay verschijnt, wacht dan tot de melding verdwijnt en doe vervolgens een nieuwe
startpoging.
459
STARTEN EN RIJDEN
Auto afzetten
U zet de auto af met de startknop op de tunnelconsole.
•
•
•
Stuurwiel verstellen (p. 208)
Contactslotstanden
Starthulp met andere accu (p. 502)
Het elektrische systeem van de auto is in verschillende standen te zetten voor gebruik van
verschillende autosystemen.
Om een beperkt aantal functies te kunnen
gebruiken bij een uitgeschakelde motor is het
elektrische systeem van de auto in drie verschillende standen te zetten: 0, I en II. In de
gebruikershandleiding worden deze standen
overal voorafgegaan door de aanduiding "contactslotstand".
Contactslotstand kiezen (p. 462)
De volgende tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende contactslotstanden/standen:
De startknop op de tunnelconsole.
Om de auto af te zetten:
–
Draai de startknop rechtsom en laat de
knop weer los – de auto wordt afgezet.
De knop veert automatisch terug naar de
uitgangspositie.
Als de keuzehendel bij een auto met een automatische versnellingsbak niet in stand P staat
of als de auto rijdt:
–
Draai de startknop rechtsom en houd de
knop in deze stand vast totdat de auto
wordt afgezet.
Gerelateerde informatie
•
•
460
Motor starten (p. 458)
Contactslotstanden (p. 460)
STARTEN EN RIJDEN
Niveau
0
Functies
•
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlichtA.
•
Elektrisch bedienbare* stoelen zijn te verstellen.
•
Elektrisch bedienbare ruiten
zijn te gebruiken.
•
Middendisplay wordt ingeschakeld en is te gebruikenA.
•
Het infotainmentsysteem is te
gebruikenA.
In deze contactslotstand zijn de
functies tijdsgestuurd. Ze worden
na een poosje automatisch uitgeschakeld.
Niveau
I
Functies
•
Niveau
Panoramadak, elektrisch
bedienbare ruiten, 12V-aansluitingen in passagiersruimte, Bluetooth, navigatie,
telefoon, interieurventilator en
voorruitwissers zijn te gebruiken.
•
Elektrisch bedienbare stoelen
zijn te verstellen.
•
12V-aansluitingen* in de
bagageruimte zijn te gebruiken.
II
Functies
•
De koplampen worden ontstoken.
•
Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden
lang.
•
Meerdere andere systemen
worden geactiveerd. De stoelverwarming en achterruitverwarming zijn echter pas te
activeren na het starten van
de auto.
Deze contactslotstand vergt
veel stroom van de accu en
moet daarom worden vermeden!
In deze contactslotstand is het
stroomverbruik belastend voor
de accu.
A
Ook geactiveerd bij opening van het portier.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Motor starten (p. 458)
Stuurwiel verstellen (p. 208)
Starthulp met andere accu (p. 502)
Contactslotstand kiezen (p. 462)
* Optie/accessoire. 461
STARTEN EN RIJDEN
Contactslotstand kiezen
Het elektrische systeem van de auto is in verschillende standen te zetten voor gebruik van
verschillende autosystemen.
knop veert automatisch terug naar de uitgangspositie.
•
Contactslotstand II – Draai de startknop
rechtsom en houd de knop
zo’n 5 seconden in deze stand vast. Laat
vervolgens knop los, die automatisch
terugveert naar de uitgangspositie.
•
Terug naar contactslotstand 0 – Om
terug te gaan naar contactslotstand 0
vanuit stand I en II moet u de startknop
rechtsom draaien en de knop loslaten. De
knop veert automatisch terug naar de uitgangspositie.
Contactslotstand kiezen
Gerelateerde informatie
De startknop op de tunnelconsole.
•
Contactslotstand 0 – Vergrendel de auto
en bewaar de transpondersleutel binnen in
de auto.
•
•
•
•
•
Motor starten (p. 458)
Auto afzetten (p. 460)
Contactslotstanden (p. 460)
Alcoholslot*
Het alcoholslot voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
Voordat de motor kan worden gestart, moet
u een blaastest afgeven om vast te stellen dat
u niet onder de invloed van alcohol bent. Het
alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte
van de grenswaarde voor verkeersdeelname
die in uw land geldt.
De auto heeft een interface voor elektrische
aansluiting van de door Volvo goedgekeurde
alcoholslotmerken en -modellen. De interface
maakt het eenvoudig om een alcoholslot aan
te sluiten en biedt de mogelijkheid om alcoholslotmeldingen op het hoofddisplay van de
auto weer te geven. Raadpleeg voor informatie over een bepaald alcoholslot de handleiding van de fabrikant van het alcoholslot.
Stuurwiel verstellen (p. 208)
WAARSCHUWING
Starthulp met andere accu (p. 502)
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u niet
ontslaat van uw verantwoordelijkheden als
bestuurder. De bestuurder dient altijd
nuchter te blijven en de auto op een veilige
manier te besturen.
N.B.
Om stand I of II te realiseren zonder dat de
motor wordt gestart moet u bij het selecteren van deze contactslotstanden het rempedaal of bij een auto met een handbak het
koppelingspedaal niet bedienen.
•
462
Gerelateerde informatie
•
•
Alcoholslot* omzeilen (p. 463)
Voordat een motor met alcoholslot wordt
gestart* (p. 464)
Contactslotstand I – Draai de startknop
rechtsom en laat de knop weer los. De
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
•
•
Motor starten (p. 458)
Alcoholslot* omzeilen
Gerelateerde informatie
Contactslotstanden (p. 460)
In noodsituaties of als het alcoholslot defect
is, kunt u het alcoholslot omzeilen om toch in
de auto te kunnen rijden.
Zie de desbetreffende handleiding voor het
deactiveren van een bepaald alcoholslot.
•
•
Bypass-functie activeren
•
•
Alcoholslot* (p. 462)
Voordat een motor met alcoholslot wordt
gestart* (p. 464)
Motor starten (p. 458)
Contactslotstanden (p. 460)
N.B.
Alle bypass-activeringen worden geregistreerd en opgeslagen in een geheugen in
de regeleenheid van het alcoholslot. Het is
niet mogelijk een bypass te annuleren.
Op het scherm verschijnt de melding Blaas in
alcoholslot Bypass?:
•
Kies bij het verschijnen van "Cancel/Yes"
voor de bypass-functie door op de pijlrechts van de knoppenset rechts op het
stuurwiel en vervolgens op de O-knop.
•
Kies bij het verschijnen van "Yes" voor de
bypass-functie door op de O-knop te
drukken.
Het alcoholslot is daarmee omzeild, waarna de
auto te starten is.
Bij installatie van het alcoholslot wordt het
maximale aantal keren ingesteld dat de
bypass-functie te activeren is voordat service
vereist is.
* Optie/accessoire. 463
STARTEN EN RIJDEN
Voordat een motor met alcoholslot
wordt gestart*
Remsystemen
Rempedaal
Het rempedaal is onderdeel van het remsysteem.
De auto is uitgerust met twee remkringen. Als
een van de remkringen beschadigd raakt,
neemt de rempedaalweg toe. U moet dan harder op het pedaal trappen voor een normale
remwerking.
Zo'n 5 minuten voor de blaastest niet eten
of drinken.
De remmen van de auto worden gebruikt om
snelheid te minderen of om te voorkomen dat
een geparkeerde auto wegrolt.
Naast de bedrijfsrem en de parkeerrem heeft
de auto meerdere andere systemen voor automatische remondersteuning. Deze systemen
kunnen ondersteuning bieden doordat u bijvoorbeeld als u voor een verkeerslicht staat of
wegrijdt op een oplopende helling, uw voet
niet op het rempedaal hoeft te houden.
De voorruit niet te lang sproeien – de alcohol in de sproeiervloeistof kan een verkeerd meetresultaat opleveren.
Afhankelijk van de uitrusting van de auto
beschikt u mogelijk over de volgende remondersteuningssystemen:
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd
en gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
Waar u op moet letten
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig mogelijk meetresultaat:
•
•
N.B.
Binnen 30 minuten na afloop van een rit
kan de motor opnieuw gestart worden
zonder dat er een nieuwe blaastest nodig
is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Alcoholslot* omzeilen (p. 463)
Alcoholslot* (p. 462)
Motor starten (p. 458)
Contactslotstanden (p. 460)
2 Anti-lock
464
•
•
•
•
Automatische rem bij stilstand (Auto Hold)
Hellingrem (Hill Start Assist)
Automatisch remmen na een aanrijding
City Safety
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Rempedaal (p. 464)
Parkeerrem (p. 467)
Automatische rem bij stilstand (p. 471)
Automatisch remmen na een aanrijding
(p. 472)
•
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
(p. 472)
•
City Safety™ (p. 365)
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen wanneer
de elektromotor of de verbrandingsmotor
draait.
Als u het rempedaal bedient met de auto uitgeschakeld, moet u harder op het pedaal trappen om de auto te remmen.
In bergachtig gebied of bij ritten met een
zware belading kunt u de remmen ontzien
door op de motor af te remmen in schakelstand B.
Antiblokkeerremsysteem
De auto heeft een antiblokkeerremsysteem
(ABS2) dat voorkomt dat de wielen blokkeren
tijdens het remmen om de auto bestuurbaar te
houden. Bij activering van deze functie kunt u
trillingen in het rempedaal voelen. Dit is volkomen normaal.
Braking System
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Wanneer u nadat de auto is aangeslagen het
rempedaal loslaat, gaat een kortdurende, automatische test van het ABS van start. Het is
mogelijk dat er op een lage snelheid nóg een
automatische test plaatsvindt. De test is waarneembaar in de vorm van trillingen in het rempedaal.
De terugwinning vindt plaats bij snelheden
tussen 150–5 km/h (93–3 mph). Bij krachtig
remmen en bij snelheden buiten het gespecificeerde interval wordt ook het hydraulische
remsysteem ingeschakeld. Op het bestuurdersdisplay wordt dit aangegeven met de wijzer onder in het rode veld.
Bij licht afremmen wordt de hybrideaccu opgeladen.
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Bij licht remmen wordt op de elektromotor
afgeremd. De bewegingsenergie van de auto
wordt dan omgezet in elektrische energie om
de hybride-accu mee op te laden. Het bestuurdersdisplay geeft aan dat de accu wordt opgeladen tijdens het afremmen op de elektromotor.
Symbool
Betekenis
Controleer het remvloeistofpeil.
Vul remvloeistof bij als het peil
te laag ligt en controleer tevens
de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Pedaalsensor defect.
Symbool
Betekenis
Brand tijdens het starten van de
motor 2 seconden continu:
Automatische functietest.
Brandt langer dan 2 seconden
continu. ABS vertoont een storing. Het standaardremsysteem
van de auto werkt dan nog wel,
zij het zonder ABS-regeling.
Als de melding Rempedaal
Eigenschappen veranderd
Service vereist verschijnt, is
de "Brake-by-wire" defect. U
moet harder op het pedaal trappen voor de remwerking.
Het bestuurdersdisplay geeft aan dat er bij het
afremmen op de elektromotor oplading plaatsvindt.
}}
465
STARTEN EN RIJDEN
||
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje voor storingen in het remsysteem en het ABS tegelijkertijd branden, is er mogelijk een fout
opgetreden in het remsysteem.
Als het remvloeistofpeil in dat geval
normaal is, moet u voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde werkplaats rijden om
het remsysteem te laten controleren –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
•
Als de remvloeistof onder het MINniveau in het remvloeistofreservoir ligt,
mag u pas verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld. De oorzaak van
het remvloeistofverlies moet worden
gecontroleerd.
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Rembekrachtiging (p. 466)
Automatische rem bij stilstand (p. 471)
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
(p. 472)
Remmen op natte rijbanen (p. 466)
Remmen op gepekelde rijbanen (p. 467)
Onderhoud van het remsysteem (p. 467)
Remlichten (p. 166)
3 Brake
466
Assist System
Rembekrachtiging
(BAS3)
De rembekrachtiging
helpt om bij
afremmen de remkracht te verhogen en kan
op die manier de remweg verkorten.
Het systeem registreert de wijze waarop u het
rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de
remkracht. De remkracht kan worden verhoogd tot het niveau waarop het ABS ingrijpt.
De regeling wordt uitgeschakeld, wanneer u
de druk op het rempedaal vermindert.
Gerelateerde informatie
•
Rempedaal (p. 464)
Remmen op natte rijbanen
Bij lange ritten in zware regenval zonder te
remmen kan de remwerking bij de eerste
bediening van het rempedaal iets op zich
laten wachten.
Dat kan ook het geval zijn als u uw auto hebt
gewassen. U moet dan harder op de rem trappen. Houd daarom meer afstand tot voorliggers.
Trap stevig op de rem na ritten op natte
wegen of na het wassen van de auto. De remschijven worden dan warm, drogen sneller en
worden beschermd tegen corrosie. Houd bij
het remmen rekening met de verkeerssituatie.
Gerelateerde informatie
•
•
Rempedaal (p. 464)
Remmen op gepekelde rijbanen (p. 467)
STARTEN EN RIJDEN
Remmen op gepekelde rijbanen
Onderhoud van het remsysteem
Parkeerrem
Bij remmen op gepekelde wegen kan er een
zoutlaagje ontstaan op remschijven en remblokken.
Dat kan tot een langere remweg leiden. Houd
daarom extra afstand tot voorliggers. Andere
voorzorgsmaatregelen:
Controleer de componenten van het remsysteem regelmatig op slijtage.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de service-intervallen van
Volvo aan te houden zoals omschreven in het
Service- en garantieboekje. Bij vervanging van
remblokken en remschijven is de remwerking
pas optimaal als de remblokken en remschijven na een paar honderd kilometer (mijl) rijden
zijn 'ingesleten'. Compenseer de verminderde
remwerking door harder op het rempedaal te
trappen. Volvo adviseert om uitsluitend remblokken te monteren die voor uw Volvo zijn
goedgekeurd.
De parkeerrem voorkomt met behulp van
mechanische blokkering/vergrendeling van
twee wielen dat een stilstaande auto kan
wegrollen.
•
Rem af en toe om een eventueel zoutlaagje te verwijderen. Let erop dat medeweggebruikers geen gevaar lopen doordat
u remt.
•
Trap het rempedaal voorzichtig in als u op
uw plaats van bestemming bent aangekomen en voordat u opnieuw de weg op
gaat.
Gerelateerde informatie
•
•
BELANGRIJK
Rempedaal (p. 464)
De onderdelen van het remsystemen moeten regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Remmen op natte rijbanen (p. 466)
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Rempedaal (p. 464)
De bediening voor de parkeerrem zit op de tunnelconsole tussen de voorstoelen.
Bij activering van de elektrische bediende parkeerrem hoort u een zwak elektromotorgeluid.
Het geluid is tevens waarneembaar bij een
automatische functiecontrole van de parkeerrem.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
inschakelt, werkt de rem alleen op de achterwielen. Als u de parkeerrem tijdens het rijden
inschakelt, wordt de normale bedrijfsrem
geactiveerd. Daarbij werkt de rem op alle vier
de wielen. Wanneer de auto bijna stilstaat,
worden alleen de achterwielen geremd.
}}
467
STARTEN EN RIJDEN
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Parkeerrem activeren en deactiveren
(p. 468)
Parkeerrem activeren en
deactiveren
Op een helling parkeren (p. 470)
Gebruik de parkeerrem om te voorkomen dat
een stilstaande auto kan wegrollen.
Bij een storing in de parkeerrem (p. 470)
Parkeerrem activeren
Symbool op bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Het symbool brandt wanneer
de parkeerrem is geactiveerd.
Als het symbool knippert, betekent dit dat er ergens een storing is opgetreden. Lees de
melding op het bestuurdersdisplay.
Automatische rem bij stilstand (p. 471)
Automatische activering
De parkeerrem wordt automatisch geactiveerd
1.
Trek de knop omhoog.
> Het symbool op het bestuurdersdisplay
gaat branden wanneer de parkeerrem is
geactiveerd.
2. Controleer of de auto daadwerkelijk stilstaat.
468
•
wanneer u de auto hebt uitgeschakeld en
de instelling voor automatische activering
van de parkeerrem geactiveerd is op het
middendisplay.
•
wanneer u schakelstand P kiest op een
steile helling.
•
als de functie Auto hold (automatische
rem bij stilstand) geactiveerd is en
• de auto enige tijd (5–10 minuten) stilgestaan heeft
•
•
de auto wordt afgezet
de bestuurder uitstapt.
STARTEN EN RIJDEN
Noodrem
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens het rijden activeren door de knop uit te
trekken en vast te houden. Bij het loslaten van
de handgreep of het bedienen van het gaspedaal wordt de rem uitgeschakeld.
N.B.
Bij activeren van de noodrem bij hogere
snelheden klinkt er tijdens het remmen een
signaal.
2. Druk de knop in.
> De parkeerrem wordt gelost en het
symbool op het bestuurdersdisplay
dooft.
Automatisch deactiveren
1. Start de motor.
2. Trap het rempedaal stevig in. Kies de
schakelstand D of R en geef gas.
> De parkeerrem wordt gelost en het
symbool op het bestuurdersdisplay
dooft.
Parkeerrem deactiveren
N.B.
Een voorwaarde voor automatische deactivering is dat de bestuurder de veiligheidsgordel moet hebben omgedaan of dat het
bestuurdersportier is dichtgedaan.
Instelling voor automatische
activering van de parkeerrem
Geef aan of de parkeerrem automatisch moet
worden geactiveerd bij uitschakeling van de
auto.
Om de instelling te wijzigen:
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Druk op My Car Parkeerrem en vering
en vink de functie Parkeerrem
automatisch activeren aan of uit.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerrem activeren en deactiveren
(p. 468)
•
Parkeerrem (p. 467)
Gerelateerde informatie
Handmatig deactiveren
1. Trap het rempedaal stevig in.
•
Instelling voor automatische activering
van de parkeerrem (p. 469)
•
•
•
Bij een storing in de parkeerrem (p. 470)
Parkeerrem (p. 467)
Op een helling parkeren (p. 470)
469
STARTEN EN RIJDEN
Op een helling parkeren
Bij een storing in de parkeerrem
Maak altijd gebruik van de parkeerrem bij het
parkeren op een helling.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats als het na meerdere pogingen niet
lukt om de parkeerrem te activeren of te
deactiveren.
Er klinkt een waarschuwingssignaal bij ritten
met de parkeerrem geactiveerd.
WAARSCHUWING
Gebruik bij het parkeren op een helling
altijd de parkeerrem. Stand P is bij een
automaat niet voldoende om de auto in alle
situaties staande te houden.
Bij het parkeren van de auto op een oplopende
helling:
•
Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende
helling:
•
Draai de wielen naar de trottoirband toe.
Zware belading op oplopende hellingen
Bij een zware belading zoals een aanhangwagen is het mogelijk dat de auto op een steile,
oplopende helling achteruitrolt, wanneer de
parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt
dit voorkomen door tijdens het wegrijden de
knop omhoog te trekken. Laat de handgreep
weer los zodra de koppeling aangrijpt.
Gerelateerde informatie
•
470
Parkeerrem activeren en deactiveren
(p. 468)
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
Als het symbool knippert, betekent dit dat er ergens een storing is opgetreden. Zie de melding op het bestuurdersdisplay.
Storing in remsysteem. Zie de
melding op het bestuurdersdisplay.
Als u de auto moet parkeren voordat een eventuele storing kan worden verholpen, dient u de
wielen net als bij het parkeren op een helling
van de trottoirband/berm af te draaien en de
keuzehendel in stand P te zetten.
Informatiemelding op het
bestuurdersdisplay.
Lage accuspanning
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet activeren noch deactiveren. Sluit
een hulpaccu aan, als de accuspanning te laag
is.
Remblokken vervangen
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een werkplaats met het oog op de
constructie van de elektrische parkeerrem –
een erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Betekenis
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Parkeerrem activeren en deactiveren
(p. 468)
Op een helling parkeren (p. 470)
Startaccu (p. 651)
Serviceprogramma van Volvo (p. 634)
STARTEN EN RIJDEN
Automatische rem bij stilstand
Dankzij de automatische rem bij stilstand
(Auto Hold) kunt u bij stilstand voor verkeerslichten of een kruising het rempedaal loslaten
zonder dat dit gevolgen heeft voor de remwerking.
Zodra de auto stilstaat, worden de remmen
automatisch geactiveerd. Het systeem kan de
auto staande houden met de bedrijfsrem of de
parkeerrem en werkt ongeacht hellingspercentage. Bij het wegrijden lossen de remmen
automatisch als u de veiligheidsgordel draagt
of als het bestuurdersportier dicht is.
N.B.
Bij het afremmen tot stilstand op op- en
aflopende hellingen moet u het rempedaal
iets steviger intrappen voordat u het loslaat
om er zeker van te zijn dat de auto helemaal stilstaat.
De parkeerrem wordt geactiveerd als
•
•
•
•
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Het symbool brandt als het systeem het rempedaal gebruikt
om de auto stil te houden.
Automatische rem bij stilstand
activeren en deactiveren
De automatische rem bij stilstand is te activeren met de knop op de tunnelconsole.
Het symbool brandt als het systeem de parkeerrem gebruikt
om de auto stil te houden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Automatische rem bij stilstand activeren
en deactiveren (p. 471)
Rempedaal (p. 464)
Parkeerrem (p. 467)
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
(p. 472)
–
Met de knop op de tunnelconsole kunt u
de functie activeren of deactiveren.
> Een brandend lampje in de knop geeft
aan dat de functie geactiveerd is. Een
geactiveerde functie is een volgende
keer dat u de auto start opnieuw actief.
de auto wordt afgezet
het bestuurdersportier wordt geopend
de bestuurder de veiligheidsgordel losneemt
de auto enige tijd (5–10 minuten) stilgestaan heeft
}}
471
STARTEN EN RIJDEN
||
Geldt bij uitschakeling
Als het systeem actief is en de auto
staande houdt met het remsysteem symbool A brandt op het bestuurdersdisplay - moet u het rempedaal
bedienen en tegelijkertijd op de knop drukken
om het systeem uit te schakelen.
•
Het systeem blijft uitgeschakeld, totdat u
het weer activeert.
•
Bij uitschakeling van het systeem blijft de
hellingrem (HSA) actief om te voorkomen
dat de auto bij het wegrijden op een oplopende helling achteruitrolt.
Gerelateerde informatie
•
Automatische rem bij stilstand (p. 471)
Hulp tijdens het wegrijden op een
helling
Automatisch remmen na een
aanrijding
De hellingrem (HSA4) voorkomt dat de auto
achteruitrolt bij het starten op een oplopende
helling. Tijdens het achteruitrijden op een
oplopende helling voorkomt het systeem dat
de auto vooruitrolt.
Het systeem zorgt ervoor dat de pedaaldruk
enkele seconden lang op peil blijft, wanneer u
uw voet van het rempedaal naar het gaspedaal
verplaatst.
Bij een aanrijding waarbij het activeringsniveau voor pyrotechnische gordelspanners of
airbags wordt bereikt, of als er een aanrijding
met groot wild wordt gedetecteerd, worden
de remmen van de auto automatisch geactiveerd. Het systeem moet de gevolgen van
een eventueel volgende aanrijding beperken
of een volgende aanrijding geheel voorkomen.
Bij een zware aanrijding bestaat het risico dat
de auto onbestuurbaar raakt. Om te voorkomen dat de auto dan tegen een tweede obstakel of voertuig opbotst of de gevolgen te
beperken wordt automatisch de remondersteuning geactiveerd om de auto veilig te remmen.
De tijdelijke remwerking wordt na enige
seconden opgeheven of eerder wanneer u
wegrijdt.
De hellingrem is ook beschikbaar, wanneer de
automatische rem bij stilstand (Auto Hold) uitstaat.
Gerelateerde informatie
•
•
Automatische rem bij stilstand (p. 471)
Rempedaal (p. 464)
Tijdens het remmen worden de remlichten en
alarmlichten ingeschakeld. Wanneer de auto
tot stilstand is gekomen, blijven de alarmlichten knipperen en de parkeerrem wordt aangezet.
Als afremmen niet geadviseerd wordt, omdat
bijvoorbeeld het risico bestaat dat de auto
door achterliggers geraakt wordt, kunt u het
systeem onderdrukken door het gaspedaal te
bedienen.
De functie werkt alleen, als het remsysteem na
de botsing nog intact is.
4 Hill
472
Start Assist
STARTEN EN RIJDEN
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rear Collision Warning* (p. 379)
BLIS* (p. 380)
Remsystemen (p. 464)
Versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
De versnellingsbak is een onderdeel van de
aandrijflijn (krachtoverbrenging) tussen
motor en aandrijfwielen. De versnellingsbak
heeft tot taak de overbrengingsverhouding af
te stemmen op de gewenste snelheid en vermogensbehoefte.
De auto heeft een achttraps automaatbak en
een elektromotor voor de achterwielaandrijving. Dankzij de verschillende versnellingen
zijn het motorkoppel en het motorvermogen
efficiënt te benutten. Twee versnellingen zijn
zogenoemde overdrives die brandstof besparen bij ritten met een constant toerental.
Handmatig schakelen is ook mogelijk. Op het
bestuurdersdisplay staat welke schakelstand
er op dat moment in gebruik is.
Bij een auto met een automatische versnellingsbak kiest het systeem automatisch de
zuinigste versnelling. De versnellingsbak
heeft ook een handmatige schakelstand.
Gerelateerde informatie
•
•
Automatische versnellingsbak (p. 473)
Schakelindicator (p. 479)
Overzicht voor de schakelhendel en het schakelpatroon op bestuurdersdisplay
Op het bestuurdersdisplay staat welke schakelstand er gekozen is:
R, N, D of B. De P-stand is elektrisch.
In de stand voor handmatig schakelen verschijnt ook de ingeschakelde versnelling.
}}
* Optie/accessoire. 473
STARTEN EN RIJDEN
||
BELANGRIJK
Symbool
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij gevaar voor oververhitting gaat
er een waarschuwingssymbool op het
bestuurdersdisplay branden en verschijnt
er een displaymelding – volg in dat geval
het gegeven advies.
Betekenis
Informatie- of foutmelding voor
de versnellingsbak. Volg het
gegeven advies op.
Versnellingsbak heeft of oververhit. Volg het gegeven advies
op.
Vermogen verlaagd/Acceleratie vermogen beperkt
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Bij een eventuele storing in de versnellingsbak
verschijnen op het bestuurdersdisplay een
symbool en een melding.
Bij een tijdelijke storing in de
aandrijflijn kan de auto de zogenoemde Limp Home-stand met
een lager motorvermogen innemen om schade aan de aandrijflijn tegen te gaan.
Schakelstanden van een
automatische versnellingsbak
Met een automatische versnellingsbak wordt
automatisch een geschikte versnelling gekozen op basis van de gewenste snelheid en het
gewenste vermogen.
Schakelen
De schakelhendel is van het type Shift-bywire, zodat er elektronisch wordt geschakeld
in plaats van mechanisch. Dit betekent eenvoudiger schakelen met meer uitgesproken
schakelstanden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
474
Schakelstanden van een automatische
versnellingsbak (p. 474)
Schakelen met stuurpaddles* (p. 476)
Schakelblokkering (p. 478)
Kickdownfunctie (p. 478)
Overzicht schakelhendel en schakelstanden.
Schakelindicator (p. 479)
Verander van schakelstand door de veerbelaste schakelhendel voor- of achteruit te
duwen of, bij handmatig schakelen, opzij.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Schakelstanden
WAARSCHUWING
Parkeerstand – P
Gebruik bij het parkeren op een helling
altijd de parkeerrem. Stand P is bij een
automaat niet voldoende om de auto in alle
situaties staande te houden.
N.B.
Om de auto te kunnen vergrendelen en het
alarm te activeren, moet de versnelling in
stand P staan.
Hulpsystemen
Overzicht schakelhendel en stand P
De parkeerstand wordt geactiveerd met de Pknop bij de schakelhendel.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd.
Het systeem schakelt automatisch stand P in
•
•
als u de auto afzet in stand D of R.
als u, terwijl de auto is ingeschakeld en de
schakelhendel in een stand anders dan P
staat, de veiligheidsgordel afdoet en het
bestuurdersportier opent.
Kies stand P wanneer de auto geparkeerd
staat of als de motor moet worden gestart. De
auto moet stilstaan, wanneer u de parkeerstand kiest.
Om een auto te parkeren wanneer u de veiligheidsgordel afgedaan en het bestuurdersportier geopend hebt: haal de hendel uit stand P
en zet deze weer in stand R of D.
Om vanuit de parkeerstand een andere schakelstand te kunnen kiezen, moet u in contactslotstand II het rempedaal bedienen.
Als u de auto uitschakelt met de hendel in de
neutrale stand wordt niet automatisch overgeschakeld op stand P. Dit om het mogelijk te
maken om de auto te wassen in een automatische wasstraat waarbij de auto wordt voortgetrokken.
Zet bij het parkeren eerst de parkeerrem aan
en kies daarna de parkeerstand.
Achteruitrijstand – R
Kies de stand R om achteruit te rijden. De
auto moet stilstaan, wanneer u de achteruitrijstand kiest.
Neutrale stand – N
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de schakelhendel in stand N staat.
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen
halen moet u in contactslotstand II het rempedaal bedienen.
Rijmodus – D
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid.
De auto moet stilstaan bij het schakelen van
stand R naar stand D.
}}
475
STARTEN EN RIJDEN
||
Overzicht remstand op bestuurdersdisplay.
Vanuit stand B kunt u handmatig schakelen.
Stand B is op elk moment tijdens het rijden in
te schakelen. Er wordt afgeremd op de elektromotor, wanneer u het gaspedaal loslaat tijdens het opladen van de hybride-accu. Dit
biedt meer mogelijkheden tot bijladen van de
hybride-accu, omdat er ook wordt bijgeladen
wanneer u het rempedaal bedient.
Kies deze remstand door de schakelhendel
vanuit stand D naar achteren te bewegen. Op
het bestuurdersdisplay staat welke versnelling
er is ingeschakeld.
•
476
kelen naar de eerstvolgende hogere versnelling en laat de hendel weer los.
Remstand – B
Duw de schakelhendel naar rechts in de
richting van de "+" (plus) om op te scha-
•
Duw de schakelhendel naar links in de
richting van de "–" (min) om terug te
schakelen naar de eerstvolgende lagere
versnelling en laat de hendel weer los.
•
Duw de schakelhendel naar achteren om
stand D te hervatten.
Schakelen met stuurpaddles*
De stuurpaddles vormen een aanvulling op de
schakelhendel en bieden u de mogelijkheid
om handmatig te schakelen zonder uw handen van het stuurwiel te hoeven nemen.
Om schokkerig gedrag en afslag van de motor
te voorkomen schakelt de versnellingsbak
automatisch terug, als de snelheid daalt tot
onder de gewenste waarde voor de gekozen
versnelling.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Automatische versnellingsbak (p. 473)
Schakelblokkering (p. 478)
"-": Eerstvolgende lagere versnelling
inschakelen.
Schakelen met stuurpaddles* (p. 476)
Kickdownfunctie (p. 478)
"+": Eerstvolgende hogere versnelling
inschakelen.
Stuurpaddles activeren
Om met de stuurpaddles te kunnen schakelen
moet u ze wel eerst activeren:
–
Haal een van de paddles in de richting van
het stuurwiel.
> Een cijfer op het bestuurdersdisplay
geeft de ingeschakelde versnelling aan.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
–
Haal een van de paddles naar achteren –
in de richting van het stuurwiel – en laat
deze weer los.
Bij iedere bediening van de paddles wordt er
geschakeld, tenzij het motortoerental buiten
het toelaatbare bereik komt. Na iedere schakeling geeft het bestuurdersdisplay het cijfer
van de ingeschakelde versnelling weer.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Automatische versnellingsbak (p. 473)
Schakelstanden van een automatische
versnellingsbak (p. 474)
Schakelindicator (p. 479)
Systeem uitschakelen
Bestuurdersdisplay bij het schakelen met de stuurpaddles.
Bestuurdersdisplay bij schakelen met stuurpaddles in
de stand voor handmatig schakelen.
Wisselen
U kunt als volgt schakelen:
Handmatig uitschakelen in schakelstand D
en B
– Schakel de stuurpaddles uit door de rechter paddle (+) in de richting van het stuurwiel te halen en in die stand vast te houden, totdat het cijfer voor de ingeschakelde versnelling van het bestuurdersdisplay verdwijnt.
> De versnellingsbak schakelt weer over
op schakelstand D of B, afhankelijk van
de gekozen stand vóór activering van
de stuurpaddles.
Automatische uitschakeling
In schakelstand D worden de stuurpaddles na
enige tijd van inactiviteit automatisch uitgeschakeld. Het feit dat het cijfer voor de ingeschakelde versnelling verdwijnt bevestigt dit.
In schakelstand B vindt geen automatische
uitschakeling plaats.
477
STARTEN EN RIJDEN
Schakelblokkering
Gerelateerde informatie
De schakelblokkering voorkomt onbedoeld
schakelen tussen schakelstanden bij een
automatische versnellingsbak.
•
•
Automatische schakelblokkering
De automatische schakelblokkering kent verschillende beveiligingsfuncties.
Vanuit de parkeerstand – P
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen moet u in contactslotstand II het rempedaal bedienen.
Vanuit de neutrale stand – N
Als de schakelhendel in stand N staat en de
auto heeft minstens 3 seconden stilgestaan
(of de motor nu loopt of niet), is de schakelhendel geblokkeerd.
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen
halen moet u in contactslotstand II het rempedaal bedienen.
Melding op bestuurdersdisplay
478
Automatische versnellingsbak (p. 473)
Schakelstanden van een automatische
versnellingsbak (p. 474)
Kickdownfunctie
De kickdown is te gebruiken om zo snel
mogelijk te accelereren zoals bij het inhalen.
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogenoemde kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor tegen te gaan is
het stuurprogramma van de versnellingsbak
voorzien van een terugschakelblokkering.
De versnellingsbak staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog
toerental leidt dat de motor beschadigd kan
raken. Wanneer u bij hoge motortoeren toch
probeert een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Als de schakelhendel geblokkeerd is, wordt er
een melding op het bestuurdersdisplay weergegeven, bijvoorbeeld Versnellingshendel
Trap rempedaal in voor activeren
versn.pook.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental een of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
De keuzehendel wordt niet mechanisch
geblokkeerd.
•
Gerelateerde informatie
Automatische versnellingsbak (p. 473)
STARTEN EN RIJDEN
Schakelindicator
Gerelateerde informatie
De schakelindicator op het bestuurdersdisplay geeft aan welke versnelling er ingeschakeld is in de handmatige schakelstand en
wanneer u voor optimale zuinigheid beter
kunt schakelen.
Voor een milieubewuste rijstijl in de handmatige schakelstand is het belangrijk om de
juiste versnelling te kiezen en tijdig te schakelen.
•
Automatische versnellingsbak (p. 473)
Vierwielaandrijving
Bij vierwielaandrijving (AWD6) worden alle
vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven, wat de wegligging verbetert.
De elektromotor die de achterwielen aandrijft
biedt de mogelijkheid tot elektrische vierwielaandrijving. De eigenschappen van de vierwielaandrijving wisselen, al naar gelang de
gekozen rijmodus.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijmodi (p. 481)
Versnellingsbak (p. 473)
Schakelindicator op het bestuurdersdisplay5.
De schakelindicator verschijnt in schakelstand
B. De schakelindicator toont de actuele versnelling op het bestuurdersdisplay en geeft
met een pijl-omhoog de geadviseerde opschakeling aan.
5 De afbeelding is
6 All Wheel Drive
schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
479
STARTEN EN RIJDEN
Aandrijving
tor. Kan de verbrandingsmotor ondersteunen met extra stroom.
Volvo Twin Engine combineert een verbrandingsmotor voor de voorwielaandrijving met
een elektromotor voor de achterwielaandrijving.
Elektromotor - Drijft de auto aan bij ritten
op stroom. Biedt extra motorkoppel en vermogen tijdens het optrekken. Biedt de
mogelijkheid tot elektrische vierwielaandrijving. Zet remenergie om in stroom.
Twee aandrijvingen
Afhankelijk van de gekozen rijmodus en de
beschikbare energie kunnen de beide aandrijvingen elk afzonderlijk of tegelijkertijd worden
gebruikt.
De elektromotor krijgt stroom uit een hybrideaccu die in de tunnelconsole ligt. De hybrideaccu is op te laden aan een stopcontact of via
een speciaal laadstation. De verbrandingsmotor kan bovendien de hybride-accu opladen
middels een speciale hoogvoltdynamo.
Zowel de verbrandingsmotor als de elektromotor kan de wielen direct aandrijven. Een
geavanceerd regelsysteem benut de eigenschappen van de beide aandrijvingen in verschillende omstandigheden om optimaal rendement te realiseren.
Gerelateerde informatie
Hybride-accu - De hybride-accu heeft tot
taak stroom op te slaan. De accu krijgt
stroom tijdens oplading via het stroomnet,
bij regeneratief remmen of via de hoogvoltdynamo. De accu verstrekt stroom
voor elektrische aandrijving en voor tijdelijk gebruik van de elektrische airconditioning bij preconditioning van de passagiersruimte.
Verbrandingsmotor - De verbrandingsmotor start, wanneer de ladingsgraad van de
hybride-accu onvoldoende is om het
motorvermogen te realiseren waar de
bestuurder via het gaspedaal om vraagt.
Hoogvoltdynamo7 - Laadt de hybrideaccu. Startmotor voor de verbrandingsmo-
7
480
CISG (Crank Integrated Starter Generator) – gecombineerde hoogvoltdynamo en startmotor.
•
Algemene informatie over Twin Engine
(p. 436)
•
Verbrandingsmotor van de Twin Engine
starten en afzetten (p. 481)
•
•
•
Rijmodi (p. 481)
Versnellingsbak (p. 473)
Factoren die van invloed zijn op de actieradius bij ritten op stroom (p. 491)
STARTEN EN RIJDEN
Verbrandingsmotor van de Twin
Engine starten en afzetten
Een geavanceerd regelsysteem bepaalt wanneer de auto met de verbrandingsmotor of
met de elektromotor wordt aangedreven of
met beide tegelijk. Bij ritten op stroom moet
de auto afhankelijk van de omstandigheden
de verbrandingsmotor mogelijk automatisch
starten; dit is volkomen normaal. De verbrandingsmotor slaat bovendien altijd aan, wanneer de ladingsgraad van de hybride-accu tot
het minimale niveau is gedaald.
Klimaatinstellingen bij lage
temperaturen
Bij lage buitentemperaturen slaat de verbrandingsmotor soms automatisch aan om de
gewenste temperatuur en luchtkwaliteit in de
passagiersruimte te verkrijgen. De tijd dat de
verbrandingsmotor draait is te beïnvloeden
door
•
•
•
de temperatuur te verlagen
Uitlaatgasreiniging
Rijmodi
Om er zeker van te zijn dat de uitlaatgasreiniging zo zuinig mogelijk werkt moet de verbrandingsmotor, zodra deze is aangeslagen,
enkele minuten draaien. Hoe lang de verbrandingsmotor moet draaien verschilt afhankelijk
van de katalysatortemperatuur.
De gekozen rijmodus past de rijeigenschappen van de auto aan om de rijbeleving te verbeteren en ondersteuning te bieden in
bepaalde omstandigheden.
Dankzij de rijmodi kunt u in uiteenlopende rijomstandigheden snel gebruikmaken van de
verschillende autosystemen en instellingen.
De verschillende rijmodi zijn aangepast voor
optimale rijeigenschappen:
Gerelateerde informatie
•
•
•
Aandrijving (p. 480)
Zuinig rijden (p. 489)
Rijmodi (p. 481)
•
•
•
•
•
•
Besturing
Motor/versnellingsbak/vierwielaandrijving
Remmen
Schokdemping
Bestuurdersdisplay
Klimaatinstellingen
Kies de rijmodus die zich leent voor de actuele
rijomstandigheden. Let erop dat alle rijmodi
niet in alle situaties beschikbaar zijn.
de ventilatorstand te verlagen
de rijmodus Pure te activeren.
Ritten op stroom bij lage of hoge
temperaturen
Lage of hoge buitentemperaturen zijn mogelijk
van invloed op de actieradius en het vermogen
van de auto bij ritten op stroom en hoe vaak
de verbrandingsmotor automatisch aanslaat.
}}
481
STARTEN EN RIJDEN
||
Mogelijke rijmodi
WAARSCHUWING
Let erop dat de auto bij elektrische aandrijving geen motorgeluid produceert, waardoor spelende kinderen, voetgangers, fietsers en huisdieren u mogelijk niet opmerken. Dit geldt in het bijzonder wanneer u
op lage snelheden rijdt, zoals op parkeerterreinen.
WAARSCHUWING
Laat de auto niet met geactiveerde rijstand
in een ongeventileerde ruimte en uitgeschakelde brandstofmotor staan - de motor
start automatisch bij een laag energieniveau in de hybride-accu en de uitlaatgassen kunnen dan ernstig letsel veroorzaken
bij mensen en dieren.
Hybrid
• Dit is de normale rijmodus van de auto,
waarbij de elektromotor en de verbrandingsmotor in combinatie werken.
Bij het starten van de motor staat de auto in
de rijmodus Hybrid. De regeling maakt
gebruik van de elektromotor en de verbrandingsmotor – ieder afzonderlijk of allebei tegelijk – en past het gebruik ervan aan lettend op
prestaties, brandstofverbruik en comfort. Het
hangt van de ladingsgraad van de hybrideaccu en bijvoorbeeld van de behoefte aan
482
warmte of koeling in het interieur af in hoeverre het mogelijk is alleen de elektromotor te
gebruiken.
Met een hoog vermogen is volledig elektrische
aandrijving mogelijk. Bij bediening van het
gaspedaal wordt tot een bepaalde pedaalstand alleen de elektromotor geactiveerd. De
verbrandingsmotor start, wanneer deze gaspedaalstand wordt overschreden en de
ladingsgraad van de hybride-accu onvoldoende is om het motorvermogen te realiseren waar de bestuurder via het gaspedaal om
vraagt.
beschikbaar, ongeacht de laadstatus van de
accu.
Informatie op het bestuurdersdisplay
Bij ritten in de hybridemodus verschijnt een
hybridemeter op het bestuurdersdisplay. De
wijzer van de hybridemeter geeft de energie
aan die overeenkomt met het vermogen waar
u via het gaspedaal om vraagt. De markering
tussen de bliksemschicht en de druppel geeft
de beschikbare hoeveelheid energie aan.
Bij een geringe ladingsgraad (hybride-accu
bijna leeg) moet de ladingsgraad van de accu
worden hersteld, wat betekent dat de verbrandingsmotor vaker aanslaat. Laad de hybrideaccu via een laadkabel op aan een 230 V(AC)stopcontact of activeer Charge op het functiescherm om de mogelijkheid tot volledig elektrische aandrijving te herstellen.
De rijmodus is afgestemd op een laag energieverbruik bij gecombineerd gebruik van elektromotor en verbrandingsmotor, zonder afbreuk
te doen aan klimaatcomfort of rijervaring. Als
een hogere acceleratie gewenst is, wordt het
maximaal beschikbare extra vermogen van de
elektrische aandrijflijn ingezet.
De auto registreert tevens of de rijomstandigheden vierwielaandrijving vereisen en schakelt
deze dan automatisch in. Vierwielaandrijving
en extra elektrisch vermogen zijn altijd
Bestuurdersdisplay bij aandrijving met elektromotor
en verbrandingsmotor.
Wanneer er bij licht afremmen energie voor de accu wordt teruggewonnen (geregenereerd) wordt dat ook
op het bestuurdersdisplay aangegeven.
STARTEN EN RIJDEN
Pure
• Met de elektromotor rijden voor een minimaal stroomverbruik en een zo laag mogelijke uitstoot van kooldioxide.
De rijmodus prioriteert het gebruik van de
hybride-accu. Dit houdt onder meer in dat het
effect van bepaalde klimaatinstellingen wordt
gereduceerd voor een zo groot mogelijke
actieradius op accu.
De Pure-stand is alleen mogelijk, wanneer de
ladingsgraad van de hybride-accu voldoende
is. Ook in de Pure-modus slaat de verbrandingsmotor aan, als de ladingsgraad van de
accu te ver mocht dalen. Ook de verbrandingsmotor slaat aan
•
bij een snelheid hoger dan 125 km/h
(78 mph)
•
als de elektrische aandrijving de door u
gewenste aandrijfkracht niet kan leveren
•
bij systeem-/onderdeelbeperkingen door
bijvoorbeeld een lage buitentemperatuur.
De rijmodus is aangepast voor een zo groot
mogelijke actieradius bij elektrische aandrijving en is primair ontwikkeld voor stadsverkeer. Met Pure is het laagst mogelijke verbruik van toepassing, zelfs als de hybride-accu
leeg is. Het klimaat in het interieur wordt afgeregeld op Eco-klimaat en op een glad wegdek
kan een enigszins grotere mate van doorslippende wielen zijn toegestaan voordat de vier-
wielaandrijving automatisch wordt geactiveerd.
Eco-klimaat
In de rijmodus Pure wordt automatisch het
Eco-klimaat voor de passagiersruimte geactiveerd om het stroomverbruik te beperken.
N.B.
Bij activering van de rijmodus Pure worden enkele parameters in de instellingen
van de klimaatregeling gewijzigd en gelden
functiebeperkingen voor bepaalde elektrische verbruikers. Bepaalde instellingen zijn
handmatig te herstellen, maar de volledige
functionaliteit is alleen te verkrijgen door
de rijmodus Pure te verlaten of de rijmodus Individual aan te passen maximale
functionaliteit op klimaatregelingsgebied.
Druk bij problemen met beslagen ruiten op de
knop voor maximale ontwaseming met normale functionaliteit.
Constant AWD
• De wegligging en rijeigenschappen van de
auto verbeteren door verlengde vierwielaandrijving.
In deze rijmodus wordt de auto vergrendeld in
de vierwielaandrijving. Een aangepaste verdeling van voor- en achteraskoppel zorgt voor
uitstekende rijeigenschappen, rijstabiliteit en
tractie, bijvoorbeeld bij gladheid, bij ritten met
een zware aanhangwagen of bij het slepen. De
rijmodus Constant AWD is altijd beschikbaar,
ongeacht de laadstatus van de hybride-accu.
Bij vierwielaandrijving werken zowel de verbrandingsmotor als de elektromotor, wat een
verhoogd brandstofverbruik inhoudt.
In de overige rijmodi bepaalt de auto zelf de
behoefte aan vierwielaandrijving, zodat de
elektromotor of de verbrandingsmotor zo
nodig worden ingeschakeld.
Power
De auto vertoont een sportiever gedrag en
reageert sneller op het gaspedaal.
•
De rijmodus past het gecombineerde effect
van de verbrandingsmotor en elektromotor
aan door aandrijving van zowel voor- als achterwielen. Er wordt sneller en scherper
geschakeld en de versnellingsbak geeft de
voorrang aan een versnelling die een hogere
trekkracht oplevert. De auto reageert sneller
op stuurwielbewegingen en de vering is stugger dan normaal.
Bij vierwielaandrijving werken zowel de verbrandingsmotor als de elektromotor, wat een
verhoogd brandstofverbruik inhoudt.
}}
483
STARTEN EN RIJDEN
||
De rijmodus is afgestemd op maximale prestaties en optimale reacties op het gaspedaal. De
respons van de verbrandingsmotor op het gaspedaal, het schakelschema en het laaddruksysteem worden aangepast. Ook de chassisinstellingen, besturing en remreactie worden
geoptimaliseerd. De rijmodus Power is altijd
beschikbaar, ongeacht de laadstatus van de
hybride-accu.
3. Kies onder Presets een rijmodus als uitgangspunt: Pure, Hybrid, Power of
Polestar Engineered*.
Instellingen die kunnen worden aangepast, zijn instellingen voor:
•
•
•
•
•
•
De Power-stand is ook aanwezig in de uitvoering Polestar Engineered*.
Individual
• Deze stand biedt de mogelijkheid om uw
eigen rijinstellingen op te slaan.
Stuurkracht
Kenmerken aandrijflijn
Remkenmerken
Besturing ophanging
ECO-klimaat
Gebruik van elektromotor of
verbrandingsmotor
Kies een van de rijmodi als uitgangspunt en
pas de instellingen voor de rijeigenschappen
geheel naar wens aan. De instellingen worden
vervolgens opgeslagen in uw eigen bestuurdersprofiel.
De persoonlijke rijmodus is alleen beschikbaar,
wanneer u deze eerst geactiveerd hebt op het
middendisplay.
Bestuurdersscherm
Een geavanceerd regelsysteem bepaalt wanneer de auto met de verbrandingsmotor of
met de elektromotor wordt aangedreven of
met beide tegelijk.
Instellingsscherm8 voor rijmodus Individual.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm.
2. Tik op My Car Individuele rijmodus en
markeer Individuele rijmodus.
De primaire functie is het zo effectief mogelijk
benutten van de verschillende motoren en de
beschikbare energie in de hybride-accu, rekening houdend met de eigenschappen van de
verschillende rijmodi en het door u gevraagde
vermogen via het gaspedaal.
Er zijn ook gevallen waarbij tijdelijke beperkingen van het systeem, of wettelijke eisen met
betrekking tot het aanhouden van een laag
niveau van de totale uitstoot van de auto tot
8 De
484
afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
een grotere mate van gebruik van de verbrandingsmotor kunnen leiden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Rijmodus wijzigen (p. 485)
Zuinig rijden (p. 489)
Stroomverdeling bij hybride-aandrijving op
basis van kaartgegevens* (p. 486)
Hybridemeter (p. 89)
Rijmodus wijzigen
Kies de rijmodus die zich leent voor de
actuele rijomstandigheden.
De rijmodus is te wijzigen met de bediening
op de tunnelconsole.
Let erop dat alle rijmodi niet in alle situaties
beschikbaar zijn.
3. Druk op de rijmodusknop of rechtstreeks
op het touchscreen om uw keuze te
bevestigen.
> Op het bestuurdersdisplay verschijnt de
gekozen rijmodus.
Gerelateerde informatie
•
Rijmodi (p. 481)
Om de rijmodus te wijzigen:
Algemene informatie over Twin Engine
(p. 436)
1.
Druk op de rijmodusknop DRIVE MODE.
> Er verschijnt een pop-upmenu op het
middendisplay.
2. Rol het wiel omhoog of omlaag totdat de
gewenste rijmodus gemarkeerd is.
* Optie/accessoire. 485
STARTEN EN RIJDEN
Stroomverdeling bij hybrideaandrijving op basis van
kaartgegevens*
De rijmodus Hybrid is de standaardmodus
van de auto, waarbij de elektromotor en verbrandingsmotor ieder afzonderlijk of parallel
werken. Na invoer van een bestemming in
het navigatiesysteem* kan de Predictive Efficiency9 op een intelligente wijze het stroomgebruik over de route verdelen op basis van
de kaartgegevens.
Op die manier is een lager brandstofverbruik
mogelijk dan bij normale hybride-aandrijving
waarbij de auto eerst op de elektromotor rijdt
en later, wanneer de hybride-accu leeg is, op
de verbrandingsmotor.
De grootste brandstofbesparingen zijn te
behalen, wanneer:
•
•
•
9 Alleen
486
de hybride-accu aan het begin van de
route volledig opgeladen is.
Voorwaarden voor gebruik van de
functie
Voeg soortgelijke routes zoals de route tussen
twee laadpunten toe als Favorieten in het
navigatiesysteem zodat u deze altijd bij de
hand hebt.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijmodi (p. 481)
Zuinig rijden (p. 489)
De functie werkt alleen, wanneer aan
bepaalde voorwaarden is voldaan:
•
Functie
Als de resterende afstand tot de gekozen
bestemming groter is dan de berekende actieradius op de accu, verdeelt de functie het
stroomverbruik zo dat maximale zuinigheid
over de route wordt verkregen. Zo zijn bijvoorbeeld situaties te voorkomen waarbij de normale hybride-aandrijving eerst een groot percentage van de beschikbare stroom benut
voor snelwegritten op hoge snelheden en
daarna de verbrandingsmotor gebruik voor
stadsritten op lage snelheden.
een route begint met een snelwegetappe
de route 50 tot 100 km (30 tot 60 mijl)
lang is
accu wordt dan verdeeld over de ritten naar en
van het werk.
•
•
•
Er is een bestemming ingevoerd in het
navigatiesysteem en de resterende
afstand tot aan de bestemming is langer
dan de berekende actieradius op de accu
alleen.
De rijmodus Hybrid is gekozen.
De functies Hold en Charge zijn gedeactiveerd.
De hybride-accu is opgeladen.
Tips voor het gebruik
Als u de auto gebruikt voor het woon-werkverkeer maar de auto niet bij uw werk kunt opladen – geef uw werklocatie aan als deelbestemming en de thuislocatie als eindbestemming. De beschikbare stroom van de hybride-
bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Niveauregeling* en schokdemping
Schokdemping (Four-C)
Bij het transporteren
De niveauregeling en schokdemping van de
auto worden automatisch geregeld.
Dankzij de niveauregeling aan achterzijde blijft
de achterkant van de auto ongeacht de lading
op dezelfde hoogte staan. Ook nadat de auto
is geparkeerd kan enige niveauregeling plaatsvinden.
Op auto's uitgerust met Four-C is de schokdemping aangepast aan de gekozen rijmodus
en de snelheid die de auto heeft. De schokdemping staat normaal ingesteld op optimaal
comfort en wordt continu bijgeregeld op basis
van de ondergrond, de mate van versnelling/
vertraging en de vraag of de auto op rechte
stukken of in bochten rijdt.
Bij het transport van de auto op een veerboot,
autotrein of autotransporter mag u de spanbanden alleen rond de banden vastzetten en
niet om andere chassisonderdelen halen.
Eventuele wijzigingen in de luchtvering tijdens
het transport kunnen de verankering negatief
beïnvloeden.
Symbolen en meldingen op bestuurdersdisplay
Symbool
Melding
Betekenis
Vering
U hebt de actieve wielophanging handmatig uitgeschakeld.
Door gebruiker uitgezet
Vering
Tijdelijk beperkte prestaties
Vering
De prestaties van de actieve wielophanging zijn tijdelijk gereduceerd op grond van de belasting
van het systeem. Als deze melding vaak verschijnt (bijv. meerdere keren per week), neem dan
contact op met een werkplaatsA.
Er is een storing opgetreden. Bezoek zo spoedig mogelijk een werkplaatsA.
Service vereist
}}
* Optie/accessoire. 487
STARTEN EN RIJDEN
||
Symbool
Melding
Betekenis
Storing vering
Er is een kritieke storing opgetreden. Stop de auto op een veilige manier, laat de auto bergen
(dat wil zeggen op een bergingsvoertuig transporteren) en afvoeren naar een werkplaatsA.
Stop veilig
Afremmen Auto te hoog
Er is een storing opgetreden. Als de melding tijdens het rijden verschijnt, neem dan contact op
met een werkplaatsA.
Vering
De achteras van de auto wordt afgesteld op het beoogde niveau.
Vering
Niveau auto aut. afstellen
A
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
488
Instellingen voor niveauregeling* (p. 489)
Rijmodi (p. 481)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Instellingen voor niveauregeling*
Zuinig rijden
Schakel de niveauregeling uit wanneer u de
auto moet opnemen met een krik om problemen met de automatische niveauregeling te
voorkomen.
Rijd zuinig en milieubewuster door rustig en
met een vooruitziende blik te rijden.
Stem uw rijstijl en snelheid af op de situatie.
Instellingen op middendisplay
Niveauregeling uitschakelen
In bepaalde gevallen moet u de regeling uitschakelen, zoals wanneer u de auto opneemt
op een krik*. Het niveauverschil dat ontstaat
bij opname op een krik kan er anders toe leiden dat de automatische niveauregeling de
hoogte aanpast, wat niet wenselijk is.
Schakel het systeem uit via het middendisplay:
1.
Om zo ver en zo zuinig mogelijk te kunnen rijden met Twin Engine moet u op het volgende
letten:
Opladen
• Laad de auto regelmatig via het elektriciteitsnet op. Maak er een gewoonte van
om altijd met een volledig opgeladen
hybride-accu te vertrekken.
•
•
Tik op Instellingen op het hoofdscherm.
2. Tik op My Car
Niveauregeling* en schokdemping
(p. 487)
•
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 622)
Bij een korte rit na preconditioning van het
interieur moet u, zo mogelijk, de interieurventilator of bij warm weer de airconditioning uitschakelen.
•
Als preconditioning bij koude weersomstandigheden niet mogelijk is, gebruik dan
in eerste instantie de elektrische stoel- en
stuurverwarming. Verwarm niet het hele
interieur, omdat dit energie van de
hybride-accu verbruikt.
Ga na waar de laadstations zich bevinden.
Kies zo mogelijk een parkeerplaats met
laadstation.
Laad de auto zo vaak als mogelijk is op aan
de netvoeding!
3. Kies Niveauregeling uitschakelen.
•
•
N.B.
Parkeerrem en vering.
Gerelateerde informatie
bijvoorbeeld liefst in een geklimatiseerde
garage.
Preconditioning
• Activeer zo mogelijk de preconditioning
van de auto alvorens ermee te gaan rijden
door de laadkabel op het elektriciteitsnet
aan te sluiten.
•
Vermijd parkeerplaatsen waar het interieur
van de auto tijdens het parkeren overmatig wordt gekoeld of verwarmd. Parkeer
}}
* Optie/accessoire. 489
STARTEN EN RIJDEN
||
Rijden
• Activeer voor het laagste energieverbruik
rijmodus Pure.
•
•
•
•
•
•
490
Rijd met gelijkmatige snelheid en met
vooruitziende blik om zo weinig mogelijk
te hoeven remmen. Een dergelijke rijstijl
levert het laagste stroomverbruik op.
Balanceer de vermogensbehoefte met het
gaspedaal. Raadpleeg de indicatie voor
het beschikbare vermogen van de elektromotor om te voorkomen dat de verbrandingsmotor onnodig aanslaat. De elektromotor is efficiënter dan verbrandingsmotor, vooral bij lage snelheden.
Als u moet afremmen – rem dan voorzichtig met het rempedaal, zodat de hybrideaccu wordt bijgeladen. In het rempedaal is
een regeneratieve remfunctie ingebouwd
die te versterken is met de elektrische
motorrem in schakelstand B.
Bij hoge snelheden neemt het stroomverbruik toe – de luchtweerstand neemt toe
naarmate de snelheid stijgt.
Activeer de functie Hold in het functiescherm bij hogere snelheden tijdens ritten
die langer duren dan de elektromotor aankan.
Gebruik Charge niet voor oplading van de
hybride-accu. Opladen via de verbrandingsmotor zorgt voor een verhoging van
•
het brandstofverbruik en de uitstoot van
kooldioxide.
•
Factoren die van invloed zijn op de actieradius bij ritten op stroom (p. 491)
Beperk bij koud weer zo mogelijk de elektrische verwarming van ruiten, spiegels,
stoelen en stuurwiel.
•
•
Hybridemeter (p. 89)
•
Houd de juiste bandenspanning aan en
controleer regelmatig of dat nog steeds zo
is – houd voor optimale resultaten de
zogenoemde ECO -bandenspanning aan.
•
De bandenkeuze is mogelijk van invloed
op het energieverbruik – informeer bij uw
dealer naar passende banden.
•
Neem geen spullen in de auto mee die u
niet gebruikt – hoe groter de belading, hoe
hoger het verbruik.
•
Lading op het dak en het gebruik van een
dakbox resulteren in een grotere luchtweerstand waardoor het verbruik toeneemt – verwijder lastdragers die u niet
gebruikt.
•
•
Rijd niet met open zijruiten.
Bandenspanning controleren (p. 588)
Houd de auto niet stil op een helling door
het gaspedaal te bedienen. Gebruik in
plaats daarvan het rempedaal.
Gerelateerde informatie
•
•
Drive-E - schoner rijplezier (p. 30)
Stroomverdeling bij hybride-aandrijving op
basis van kaartgegevens* (p. 486)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Factoren die van invloed zijn op de
actieradius bij ritten op stroom
De actieradius op accu hangt af van tal van
factoren. De voorwaarden voor een grote
actieradius zijn afhankelijk van de omstandigheden en situaties waarin de auto rijdt.
Beschouw de gecertificeerde waarde voor de
actieradius op accu niet als de te verwachten
actieradius. De gecertificeerde waarde is een
referentiewaarde die verkregen is tijdens speciale EU-rijcycli. De werkelijke actieradius
hangt af van meerdere factoren.
klimaatinstellingen
De tabel geeft de globale verhouding aan tussen de buitentemperatuur en de actieradius:
bij een auto met uitgeschakelde klimaatregeling en bij een auto met normale klimaatregelingsstand.
•
•
•
•
Een hoge buitentemperatuur heeft tot op
zekere hoogte een gunstige invloed op de
actieradius.
De tabel geeft de globale verhouding aan tussen een constante snelheid en de actieradius,
waarbij een lagere constante snelheid een
gunstige invloed heeft op de actieradius.
Buitentemperatuur
Klimaatregeling uitgeschakeld
Factoren die van invloed zijn op de
actieradius
Normale
klimaatregelingsstand
snelheid en acceleratie
de functie Hold
banden en bandenspanning.
Constante snelheid
100 km/h (62 mph)
50%
80 km/h (50 mph)
70%
Op bepaalde factoren kunt u zelf invloed uitoefenen, terwijl andere niet te beïnvloeden
zijn.
30 °C (86 °F)
95%
80%
60 km/h (37 mph)
90%
20 °C (68 °F)
100%
90%
50 km/h (31 mph)
100%
De grootste actieradius wordt bereikt onder
gunstige omstandigheden als alle factoren een
positieve invloed hebben.
10 °C (50 °F)
90%
80%
0 °C (32 °F)
80%
60%
Factoren die u zelf niet kunt beïnvloeden
Er zijn meer externe omstandigheden die in
verschillende mate van invloed zijn op de
actieradius:
-10 °C (14 °F)
70%
40%
•
•
•
•
•
verkeerssituatie
korte afstanden
topografie
buitentemperatuur en tegenwind
toestand van de weg en oppervlaktelaag.
Factoren die u zelf kunt beïnvloeden
U moet zich bewust zijn van het feit dat de
volgende factoren van invloed zijn op de actieradius, zodat u de auto zo zuinig mogelijk kunt
besturen:
•
•
•
regelmatige oplading
preconditioning
rijmodus Pure
N.B.
•
De tabelwaarden gelden voor een
nieuwe auto.
•
De waarden zijn niet absoluut, maar
hangen af van rijgedrag, omgeving en
andere factoren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Zuinig rijden (p. 489)
Hold en Charge-functie (p. 492)
Rijmodi (p. 481)
491
STARTEN EN RIJDEN
Hold en Charge-functie
Charge
Motor laadt hybrideaccu
op.
In bepaalde situaties is het handig om de
ladingsgraad van de hybride-accu tijdens het
rijden te kunnen beïnvloeden. Dit is mogelijk
met de functies Hold en Charge.
Hold en Charge zijn beschikbaar in alle rijmodi. De functies worden geannuleerd bij
activering van de rijmodus Pure.
Deze functie laadt de
hybride-accu bij met hulp van
de verbrandingsmotor om de
elektrische aandrijving op een
later tijdstip te kunnen uitbreiden.
Functieknoppen voor Hold en Charge
Symbolen op het bestuurdersdisplay
U activeert de functies in het functiescherm
van het middendisplay.
Het symbool
verschijnt op de hybridemeter,
wanneer Charge geactiveerd is.
Hold
Accuniveau op peil voor
later.
Gerelateerde informatie
•
•
De functie handhaaft de
ladingsgraad van de hybrideaccu voor elektrische aandrijving en spaart stroom voor
later gebruik, zoals bij stadsritten of ritten in
de bebouwde kom.
De auto werkt normaal zoals bij hybride-aandrijving met een uitgeputte accu, waarbij de
auto bijvoorbeeld niet alleen remenergie terugwint, maar ook de verbrandingsmotor vaker
laat starten om de ladingsgraad van de accu te
handhaven.
492
Het symbool
verschijnt op de hybridemeter,
wanneer Hold geactiveerd is.
Zuinig rijden (p. 489)
Hybridemeter (p. 89)
STARTEN EN RIJDEN
Voorbereidingen voor een lange rit
Voor aanvang van een autovakantie of een
langere autorit is het belangrijk om de functies en uitrusting van de auto eens goed te
controleren.
Controleer of
•
de motor naar behoren functioneert en of
het brandstofverbruik in orde is
•
er wellicht sprake is van lekkage (brandstof, olie of andere vloeistoffen)
•
de remwerking tijdens het afremmen naar
behoren is
•
alle gloeilampen werken – pas de
koplamphoogte aan bij een zware belading van de auto
•
de profieldiepte van de banden en de
spanning voldoende zijn. Monteer winterbanden bij ritten in gebieden met kans op
besneeuwde of beijzelde wegen
•
de ladingsgraad van de startaccu is voldoende
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 692)
Rijden tijdens de winter
Rijden tijdens de winter (p. 493)
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 622)
Bij rijden in de winter is het belangrijk om
bepaalde controles op de auto uit te voeren,
zodat u zeker weet dat u er veilig mee kunt
rijden.
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder op het volgende:
Rijden met aanhangwagen (p. 507)
•
De koelvloeistof van de motor moet 50%
glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie is de motor beschermd tegen
bevriezing tot ca. –35 °C (–31 °F). Om
gezondheidsrisico's te vermijden is het
zaak geen verschillende soorten glycol
met elkaar te mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk. Wanneer u oliesoorten met een lagere
viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat
de motor bij koud weer gemakkelijker aan
en neemt bovendien het brandstofverbruik
tijdens de koude start af.
Zuinig rijden (p. 489)
Instellingen voor automodem* (p. 564)
Pilot Assist* (p. 330)
Snelheidsbegrenzer (p. 310)
Noodreparatieset voor banden (p. 605)
de wisserbladen in goede staat verkeren
BELANGRIJK
er een gevarendriehoek en een veiligheidsvest in de auto aanwezig zijn – in
bepaalde landen is dat wettelijk verplicht.
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of warm weer.
Gerelateerde informatie
•
•
Bandenspanning controleren (p. 588)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
(p. 710)
•
Controleer de algehele conditie en de
ladingsgraad van de startaccu. De startaccu wordt zwaarder belast bij koud weer
}}
* Optie/accessoire. 493
STARTEN EN RIJDEN
||
en ook de accucapaciteit neemt af bij
vorst.
•
Giet sproeiervloeistof met antivries in het
sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming te
voorkomen.
Nieuwe auto's en gladde wegen
Voor een zo goed mogelijke grip bij gevaar
voor sneeuw of ijs adviseert Volvo u om de
auto rondom van winterbanden te voorzien.
•
Ongunstige rijomstandigheden voor
motorolie (p. 706)
Doorwaaddiepte
Doorwaden houdt in dat de auto door een
waterpartijen rijdt, zoals op een ondergelopen weggedeelte. Waden dient met de
nodige voorzichtigheid te gebeuren.
Let bij het doorwaden op het volgende om
schade aan de auto te voorkomen:
•
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes
zijn niet in alle landen toegestaan.
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
•
•
Let erop dat golven veroorzaakt door tegemoetkomend verkeer boven de vloer van
de auto uit kunnen komen.
•
Rijd niet door zout water (corrosiegevaar).
•
494
Winterbanden (p. 603)
Sneeuwkettingen (p. 604)
Remmen op gepekelde rijbanen (p. 467)
Remmen op natte rijbanen (p. 466)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 692)
Startaccu (p. 651)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 690)
Wisserbladen achterruit vervangen
(p. 689)
Koelvloeistof bijvullen (p. 647)
Rijd niet sneller dan stapvoets.
Breng de auto niet in het water tot stilstand. Rijd de auto voorzichtig voor- of
achteruit uit het water.
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
Het water mag niet hoger staan dan de
vloer van de auto. Controleer voor het
doorwaden zo mogelijk hoe hoog het
water staat op het diepste punt. Wees
extra voorzichtig als u door stromend
water rijdt.
STARTEN EN RIJDEN
BELANGRIJK
Bepaalde auto-onderdelen (zoals motor,
versnellingsbak, aandrijving of elektrische
componenten) raken mogelijk beschadigd
bij het doorwaden op plekken waar het
water hoger staat dan de autovloer.
Schade aan een component veroorzaakt
door overstroming, hydrostatische vergrendeling of oliegebrek valt niet onder de
garantie.
Probeer bij een motorstop in water niet
opnieuw te starten. Berg in plaats daarvan
de auto uit het water en vervoer deze met
een bergingsauto naar een werkplaats. Wij
adviseren een erkende Volvo-werkplaats.
Trap na het oversteken van de waterpartij
lichtjes op het rempedaal om te controleren of
de remwerking in orde is. Bij water en vuil op
de remblokken kunnen er vertragingen in de
remwerking optreden.
Maak een eventuele aansluiting voor de aanhangwagenkoppeling schoon na ritten in
water en modder.
Gerelateerde informatie
•
Bergen (p. 514)
Tankvulklep openen en sluiten
De tankvulklep is te ontgrendelen met een
knop op het instrumentenpaneel.
Op het bestuurdersdisplay
wordt met de pijl naast het
tanksymbool aangegeven aan
welke kant van de auto de
tankvulklep zit.
1.
Druk op de knop op het dashboard.
> Het op niveau brengen van de druk in
de brandstoftank zorgt voor een zekere
vertraging van het openen van de klep.
De melding Tanken voorbereiden
Tankvulklep ontgrendelt zodra
gereed wordt weergegeven op het
bestuurdersdisplay en als het systeem
klaar is, wordt de melding
Brandstoftank Klaar voor tanken
weergegeven op het bestuurdersdisplay. Als de verbrandingsmotor bij het
drukken op de knop is ingeschakeld,
wordt deze normaal gesproken uitgeschakeld en schakelt de auto over op
elektrisch rijden.
}}
495
STARTEN EN RIJDEN
||
N.B.
Na het openen van de tankvulklep moet er
binnen zo'n 15 minuten worden getankt.
Daarna sluit namelijk de klep die bij gebruik
van de knop voor opening van de tankvulklep werd geopend, zodat het vulpistool
afslaat en er niet meer kan worden getankt.
Brandstof tanken
Tankinstructies:
De brandstoftank is voorzien van een doploos
tanksysteem.
1.
Tanken bij een tankstation
2. Sluit na het tanken de klep door er licht op
te drukken.
•
496
Brandstof tanken (p. 496)
N.B.
Na het openen van de tankvulklep moet er
binnen zo'n 15 minuten worden getankt.
Daarna sluit namelijk de klep die bij gebruik
van de knop voor opening van de tankvulklep werd geopend, zodat het vulpistool
afslaat en er niet meer kan worden getankt.
Als de afsluiter mocht sluiten voordat u
klaar bent met tanken, druk dan opnieuw
op de knop en wacht totdat de melding
Brandstoftank Klaar voor tanken op het
bestuurdersdisplay verschijnt.
Gerelateerde informatie
Schakel de auto uit en open de tankvulklep.
Bij het tanken is het belangrijk om het mondstuk van
het vulpistool tot voorbij de twee kleppen in de vulpijp te steken.
Als de afsluiter mocht sluiten voordat u
klaar bent met tanken, druk dan opnieuw
op de knop en wacht totdat de melding
Brandstoftank Klaar voor tanken op het
bestuurdersdisplay verschijnt.
STARTEN EN RIJDEN
2.
4. Giet de tank niet te vol door het vulpistool
na de eerste afslag uit de vulopening te
halen.
> De tank is vol.
N.B.
Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen.
Brandstof bijvullen via een jerrycan
Kies een brandstof die is goedgekeurd
voor gebruik in de auto op basis van de
aanduiding10 aan de binnenkant van de
tankvulklep. Zie de informatie over goedgekeurde brandstofsoorten en hun aanduidingen in het artikel "Benzine".
3. Steek het mondstuk van het vulpistool in
de brandstofvulopening. De vulpijp heeft
twee afdekkingen die te openen zijn. Zorg
dat u het mondstuk van het vulpistool
langs de beide afdekkingen hebt gestoken, voordat u begint met tanken.
10
Gebruik voor het bijvullen van brandstof met
een jerrycan de trechter die in het blok
schuimrubber onder het vloerluik in de bagageruimte ligt.
1.
Open de tankvulklep.
Sticker aan binnenkant tankvulklep.
Gerelateerde informatie
•
•
Tankvulklep openen en sluiten (p. 495)
Benzine (p. 498)
2. Steek de trechter in de brandstofvulopening. De vulpijp heeft twee afdekkingen
die te openen zijn. Zorg dat u de trechterbuis langs de beide afdekkingen hebt
gestoken, voordat u begint met tanken.
Geldt voor een extra verwarming op
brandstof*
Gebruik de verwarming op brandstof nooit,
wanneer de auto bij een tankstation staat.
De aanduiding conform de CEN-norm EN16942 zit aan de binnenkant van de tankvulklep en uiterlijk 12 oktober 2018 ook op de desbetreffende brandstofpompen en mondstukken op tankstations
in heel Europa.
* Optie/accessoire. 497
STARTEN EN RIJDEN
Hanteren van brandstof
WAARSCHUWING
Gebruik geen brandstof met een kwaliteit die
slechter is dan de kwaliteit die door Volvo
wordt aanbevolen, omdat dit een negatief
effect heeft op het motorvermogen en het
brandstofverbruik.
Op de grond gemorste brandstof kan vlam
vatten.
Schakel de verwarming op brandstof uit
voordat u gaat tanken.
Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het
belsignaal kan er vonkvorming ontstaan
waardoor de benzinedampen ontsteken en
dat kan tot brand en letsel leiden.
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp
inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol, mengsels ervan
en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen
bij inwendig gebruik aanleiding geven tot
blijvend letsel met mogelijk dodelijke
afloop. Roep onmiddellijk medische hulp in
bij het inslikken van brandstof.
BELANGRIJK
Benzine
Bij het tanken is het belangrijk om de juiste
dieselolie te gebruiken. Er zijn benzinesoorten met verschillende octaangetallen die zijn
aangepast voor verschillende rijomstandigheden.
Maak alleen gebruik van benzine van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit
brandstof van twijfelachtige kwaliteit in de
tank. De benzine moet voldoen aan de norm
EN 228.
Aanduiding voor benzine
Door mengsels van verschillende soorten
brandstoffen of het gebruik van niet aanbevolen brandstof vervallen de garanties van
Volvo en evt. aanvullende serviceovereenkomsten. Dit geldt voor alle motoren.
Gerelateerde informatie
•
Benzine (p. 498)
Sticker aan binnenkant tankvulklep.
De aanduiding conform de CEN-norm
EN16942 zit aan de binnenkant van de tankvulklep en uiterlijk 12 oktober 2018 ook op de
desbetreffende brandstofpompen en mondstukken op tankstations in heel Europa.
Dit zijn de aanduidingen die gelden voor de
huidige standaardbrandstoffen in Europa. In
een auto met een benzinemotor is het toege-
498
STARTEN EN RIJDEN
staan benzine te gebruiken met de volgende
aanduiding:
E5 is een benzinesoort met
maximaal 2,7% zuurstof en
maximaal 5 vol-% ethanol.
E10 is een benzinesoort met
maximaal 3,7% zuurstof en
maximaal 10 vol-% ethanol.
Octaangetal
•
RON 95 is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
•
RON 98 wordt geadviseerd voor een goed
rendement tegen een laag brandstofverbruik.
•
Gebruik van brandstof met een octaangetal lager dan RON 95 is niet toegestaan.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
(100 °F) wordt u geadviseerd om een brandstofsoort met een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om passende prestaties
en een gering brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
BELANGRIJK
•
Er is brandstof toegestaan die tot 10
volumeprocent ethanol bevat.
•
Het gebruik van EN 228 E10-benzine
(maximaal 10 volumeprocent ethanol)
is toegestaan.
•
Een ethanolgehalte hoger dan E10
(maximaal 10 volumeprocent ethanol)
zoals bij E85 is niet toegestaan.
•
Gebruik alleen loodvrije benzine om
schade aan de katalysator tegen te
gaan.
•
Het gebruik van brandstof met metaaladditieven is niet toegestaan.
•
Gebruik geen toevoegingen die niet
door Volvo zijn aanbevolen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Hanteren van brandstof (p. 498)
Brandstof tanken (p. 496)
Benzineroetfilter (p. 499)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
(p. 710)
Benzineroetfilter11
Een benzinemodel is uitgerust met een roetfilter voor een effectievere uitlaatgasreiniging.
In normale rijomstandigheden blijven roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het benzineroetfilter achter. Normaal vindt passieve regeneratie
plaats waarbij de roetdeeltjes worden geoxideerd en verbrand. Op die manier wordt het
filter gereinigd.
Bij frequente ritten op lage snelheden of herhaalde koude starts bij lage temperaturen is
mogelijk actieve regeneratie vereist. De regeneratie van het roetfilter vindt automatisch
plaats en duurt normaal 10-20 minuten. Tijdens de regeneratie kan het brandstofverbruik
tijdelijk toenemen.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming
inschakelt, bereikt de motor sneller de normale bedrijfstemperatuur.
Bij frequente korte ritten op lage
snelheden met een benzinemodel
De capaciteit van de uitlaatgasreiniging hangt
af van de rijstijl. Voor optimale zuinigheid is
het belangrijk om ritten van verschillende
lengte en op uiteenlopende snelheden te
maken.
Als u vaak korte ritten maakt op lage snelheid
(of bij koud weer) zodat de motor niet op
bedrijfstemperatuur komt, kan problemen veroorzaken die op termijn aanleiding kunnen
}}
499
STARTEN EN RIJDEN
||
geven tot storingen en waarschuwingsmeldingen kunnen triggeren. Als u vaak ritten in
stadsverkeer maakt is het belangrijk om ook
regelmatig ritten op hogere snelheden te
maken om ervoor te zorgen dat de uitlaatgasreiniging kan regenereren.
•
Rijd tussen de tankbeurten in minstens 20
minuten op de snelweg met snelheden
hoger dan 70 km/h (44 mph).
Gerelateerde informatie
•
11
500
Benzine (p. 498)
Geldt voor bepaalde varianten.
Oververhitting van motor en
aandrijving
gaat branden en op het bestuurdersdisplay de melding Transmissie warm Ga
langzamer rijden om temperatuur te
verlagen of Transmissie heet Stop
veilig, wacht op koelen verschijnt. Volg
in dat geval het advies op en matig uw
snelheid of breng de auto op een veilige
plek tot stilstand om de motor enkele
minuten stationair te laten draaien, zodat
de versnellingsbak kan afkoelen.
In bepaalde omstandigheden, bijv. bij een
zware belasting op steile hellingen en in
warm weer, bestaat het gevaar dat de motor
en de aandrijflijn oververhit raken – vooral bij
het vervoer van een zware lading.
• Bij oververhitting is het motorvermogen
mogelijk tijdelijk beperkt.
•
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten tijdens ritten bij warm weer.
Als de temperatuur in het koelsysteem van
de motor te hoog oploopt, gaat een waarschuwingssymbool branden en verschijnt
op het bestuurdersdisplay de melding
Motortemperatuur Hoge temperatuur.
Stop veilig. Breng de auto in dat geval zo
spoedig mogelijk tot stilstand en laat de
motor enkele minuten stationair lopen,
zodat deze kan afkoelen.
•
Breng de auto tot stilstand en zet de
motor af, als de melding
Motortemperatuur Hoge temperatuur.
Zet de motor af of Motorkoelvloeistof
Niveau laag. Zet de motor af verschijnt.
•
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een alternatief schakelprogramma
gekozen. Boven wordt een ingebouwde
beveiligingsfunctie geactiveerd, waarbij
onder meer een waarschuwingssymbool
•
Bij oververhitting kan de airconditioning
zichzelf tijdelijk uitschakelen.
•
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten draaien.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator van de
motor een tijdje werkt nadat de motor is
uitgeschakeld.
STARTEN EN RIJDEN
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Hoge motortemperatuur. Volg
het gegeven advies op.
Laag peil koelvloeistof. Volg het
gegeven advies op.
De versnellingsbak is heet/oververhit/wordt gekoeld. Volg het
gegeven advies op.
Gerelateerde informatie
Koelvloeistof bijvullen (p. 647)
•
•
•
Rijden met aanhangwagen (p. 507)
•
Schakelindicator (p. 479)
Voorbereidingen voor een lange rit
(p. 493)
Overbelasting van de startaccu
Gerelateerde informatie
De elektrische functies van de auto belasten
de startaccu in verschillende mate. Laat het
contactslot niet te lang achtereen in stand II
staan, wanneer de auto is uitgeschakeld.
Maak in plaats daarvan gebruik van contactslotstand I - het stroomverbruik is dan minder.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel
onderdelen/systemen die veel stroom nemen
uit, wanneer de auto is uitgeschakeld. Voorbeelden van dergelijke onderdelen/systemen
zijn:
•
•
•
•
•
•
Startaccu (p. 651)
Contactslotstanden (p. 460)
interieurventilator
koplampen
ruitenwisser
audiosysteem (hoog volume).
Bij een lage startaccuspanning verschijnt een
melding op het bestuurdersdisplay. De energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens
bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt
de belasting van de accu door bijvoorbeeld de
interieurventilator lager te zetten en/of het
audiosysteem uit te schakelen.
–
Laad de startaccu dan op door de auto te
starten en de motor minstens 15 minuten
te laten draaien – de startaccu wordt
beter opgeladen tijdens het rijden dan bij
stilstand met een stationair draaiende
motor.
501
STARTEN EN RIJDEN
Starthulp met andere accu
Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto
starten met stroom van een hulpaccu.
seert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
7. Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan
te houden om kortsluiting en andere schade te
voorkomen:
8. Bevestig de andere klem van de zwarte
startkabel aan het negatieve starthulppunt
(4).
1.
Zet het elektrische systeem van de auto in
de contactslotstand 0.
2. Controleer of de hulpaccu een spanning
van 12 V levert.
Laadpunt voor starthulp van eigen auto.
BELANGRIJK
Het laadpunt van de auto is alleen bestemd
voor starthulp van de eigen auto. Het laadpunt is niet bestemd voor starthulp voor
een andere auto. Als het laadpunt wordt
gebruikt om een andere auto te starten,
kan dat ertoe leiden dat er een zekering
kapotgaat, wat inhoudt dat het laadpunt
niet meer werkt.
Wanneer een zekering kapot is, verschijnt de
melding 12V-accu Zekering defect Service
vereist op het bestuurdersdisplay. Volvo advi-
502
3. Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die
auto afzetten en ervoor zorgen dat de
beide auto's elkaar niet raken.
4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
5. Open de afdekking (2) van het positieve
starthulppunt.
6. Bevestig de andere klem van de rode
startkabel aan het positieve starthulppunt
(2).
9. Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat er tijdens de startpoging vonken
ontstaan.
10. Start de motor van de "hulpauto" en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
zo'n 1500 omw/min.
STARTEN EN RIJDEN
11. Start de motor van uw auto. Verleng de
laadtijd tot 10 minuten als startpoging
mislukt en probeert het daarna opnieuw.
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan
om de accu tot ontploffing te brengen.
•
Sluit de startkabels niet aan op een
component va het brandstofsysteem of
op bewegende onderdelen. Pas op
voor hete motoronderdelen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u
onmiddellijk met grote hoeveelheden
water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in
uw ogen krijgt.
•
Rook niet in de buurt van de accu.
N.B.
Bij motorstart in normale omstandigheden
wordt doorgaans de elektrische aandrijving
gebruikt – de benzinemotor blijft uitgeschakeld. Dit betekent dat de elektromotor
“gestart” en de auto rijklaar is, wanneer u
de startknop rechtsom hebt omgedraaid.
Ter bevestiging dat de elektromotor is
gestart, doven de controlesymbolen op het
bestuurdersdisplay en gaat het gekozen
thema branden.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen tussen de kabel en
de auto niet aan tijdens het starten. Er
bestaat namelijk gevaar voor vonkvorming.
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde
volgorde – eerst de zwarte kabel en
daarna de rode.
Zorg dat geen van de aansluitklemmen
aan de zwarte startkabel contact kan
maken met het positie starthulppunt op de
auto/de pluspool van de starthulpaccu of
met de aangesloten klem van de rode
startkabel.
•
Contactslotstand kiezen (p. 462)
N.B.
U kunt de auto niet starten bij een uitgeputte hybride-accu.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Motor starten (p. 458)
Contactslotstanden (p. 460)
Stuurwiel verstellen (p. 208)
503
STARTEN EN RIJDEN
Trekhaak*
De auto is uit te rusten met een trekhaak,
zodat bijvoorbeeld een aanhanger achter de
auto te hangen is.
Er zijn verschillende trekhaakuitvoeringen verkrijgbaar voor de auto – neem voor informatie
contact op met een Volvo-dealer.
BELANGRIJK
Als de motor wordt afgezet, kan de constante accuspanning voor het aanhangercontact automatisch worden uitgeschakeld om de startaccu niet te ontladen.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een trekhaak,
is er geen achterste sleepoogbevestiging.
Specificaties van de trekhaak*
Afmetingen en bevestigingspunten voor de
trekhaak.
Gerelateerde informatie
In- en uitklapbare trekhaak* (p. 505)
•
•
•
Rijden met aanhangwagen (p. 507)
•
Specificaties van de trekhaak* (p. 504)
Op trekhaak gemonteerde fietsdrager*
(p. 511)
BELANGRIJK
De trekhaak moet regelmatig worden
gereinigd en ingevet om slijtage tegen te
gaan.
N.B.
Wanneer een koppeling met trillingsdemper wordt gebruikt, mag de trekkogel niet
worden gesmeerd.
Dit geldt ook bij montage van een fietsdrager die rond de trekkogel wordt vastgeklemd.
504
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Afmetingen, bevestigingspunten in mm
(inch)
A
1229 (48,4)
B
111,8 (4,4)
C
875 (34,4)
D
437,5 (17,2)
E
Zie afbeelding boven
F
310,5 (12,2)
G
Middelpunt kogel
In- en uitklapbare trekhaak*
WAARSCHUWING
Neem de instructies voor het in- en uitklappen van de trekhaak zorgvuldig in acht.
WAARSCHUWING
Druk niet op de knop voor het in- en uitklappen als er een aanhanger op de trekhaak is gekoppeld.
Gerelateerde informatie
•
•
Trekhaak* (p. 504)
1.
De in- en uitklapbare trekhaak is eenvoudig in
of uit te klappen als dat nodig is. In de ingeklapte stand is de trekhaak volledig onzichtbaar.
Trekhaak uitklappen
Open de achterklep Rechtsachter in de
bagageruimte zit een knop voor het in- en
uitklappen van de trekhaak. Het led-lampje
in de knop brandt permanent oranje, als de
uitklapfunctie actief is.
Trekgewichten en kogeldruk (p. 702)
WAARSCHUWING
Sta niet te dicht bij de achterbumper van
de auto bij het uitklappen van de trekhaak.
}}
* Optie/accessoire. 505
STARTEN EN RIJDEN
||
2. Druk op de knop en laat hem weer los –
drukt u te lang, dan kan dat betekenen dat
het uitklappen niet start.
> De trekhaak klapt uit in een onvergrendelde stand. De led knippert oranje. De
trekhaak is klaar om in een vergrendelde stand te worden gezet.
3.
N.B.
De stroomspaarstand wordt na enige tijd
geactiveerd en het controlelampje dooft.
Het systeem wordt opnieuw geactiveerd
door de achterklep te sluiten en daarna
opnieuw te openen. Dit geldt zowel bij het
in- als uitklappen van de trekhaak.
Beweeg de trekhaak naar zijn eindpositie.
Daar moet hij worden vastgezet en vergrendeld – de led brandt permanent
oranje.
> De trekhaak is daarmee klaar voor
gebruik.
Als het elektrische systeem heeft gedetecteerd dat er een aanhanger achter de auto
hangt, stopt het controlelampje met branden.
Trekhaak inklappen
BELANGRIJK
Zorg dat er geen aansluitcontact of adapter
in de elektrische aansluiting zit bij het
inklappen van de trekhaak.
N.B.
De trekhaak moet eerst volledig zijn uitgeklapt voordat deze in de vergrendelde
stand te zetten is. Dit kan enkele seconden
duren. Als de trekhaak niet in de vergrendelde stand blijft, moet u enkele seconden
later opnieuw proberen.
WAARSCHUWING
Controleer of de veiligheidskabel van de
aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
506
1.
Open de achterklep Druk de knop rechtsachter in de bagageruimte in en laat hem
weer los – drukt u te lang, dan kan dat
betekenen dat het inklappen niet start.
> De trekhaak klapt automatisch uit in
een onvergrendelde positie. De led in
de knop knippert oranje.
STARTEN EN RIJDEN
Rijden met aanhangwagen
2.
Vergrendel de trekhaak door deze terug te
bewegen naar de ingeklapte positie waar
hij wordt vergrendeld.
> Als de trekhaak correct is ingeklapt,
brandt de led nu continu.
Bij ritten met een aanhangwagen moet u op
enkele dingen letten zoals de trekhaak, de
aanhangwagen en hoe u de aanhangwagen
laadt.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen
dient te worden verminderd met de som van
het gewicht van eventuele inzittenden en dat
van gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
De auto wordt geleverd met de benodigde
randuitrusting voor het gebruik van een aanhangwagen.
•
De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
•
Verdeel de lading in de aanhangwagen
dusdanig dat de druk op de trekhaak de
maximale kogeldruk niet overschrijdt. De
kogeldruk wordt tot het laadvermogen van
de auto gerekend.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading.
•
Bij het gebruik van een aanhangwagen
wordt de motor zwaarder belast dan normaal.
•
Rijd niet met een zware aanhangwagen,
wanneer de auto nog helemaal nieuw is.
Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 km (620 miles) heeft gereden.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijden met aanhangwagen (p. 507)
Trekhaak* (p. 504)
•
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling bij handmatig schakelen
en pas uw snelheid aan.
•
Neem de geldende bepalingen in acht ten
aanzien van de toelaatbare snelheden en
gewichten.
•
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhangwagen achter de auto
een lange en steile helling oprijdt.
•
De aangegeven maximale aanhangwagengewichten gelden alleen voor hoogten tot
1000 m (3280 ft) boven zeeniveau. Daarboven zijn het motorvermogen en daarmee het klimvermogen van de auto
beperkt door de lagere luchtdichtheid en
moet daarom het maximale aanhangwagengewicht worden beperkt. Het gewicht
voor auto en aanhangwagen moet worden
verlaagd met 10% voor iedere extra
1000 m (3280 ft), of een deel daarvan.
•
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12% bij het gebruik van een
aanhangwagen.
}}
* Optie/accessoire. 507
STARTEN EN RIJDEN
||
N.B.
Extreme weersomstandigheden, gebruik
van aan aanhangwagen of ritten op grote
hoogte zijn, in combinatie met een slechtere brandstofkwaliteit dan aanbevolen,
factoren die het brandstofverbruik aanzienlijk kunnen doen toenemen.
Aanhangwagencontact
Als de trekhaak van de auto een 13-polige aansluiting heeft en de aanhangwagen een
7-polige aansluiting, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapter. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
BELANGRIJK
Als de motor wordt afgezet, kan de constante accuspanning voor het aanhangercontact automatisch worden uitgeschakeld om de startaccu niet te ontladen.
Aanhangwagengewichten
WAARSCHUWING
Volg de vermelde aanbevelingen voor het
aanhangergewicht. Anders is het mogelijk
dat de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en afremmen moeilijk onder controle
is te houden.
N.B.
De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan.
Nationale voertuigvoorschriften kunnen het
aanhangergewicht en de snelheid verder
beperken. De trekhaken zijn mogelijk
gecertificeerd voor hogere trekgewichten
dan wat de auto mag trekken.
Niveauregeling*
De niveauregeling van de auto streeft ernaar
om ongeacht de belading dezelfde rijhoogte
aan te houden (tenzij het maximaal toelaatbare
gewicht wordt overschreden). Wanneer de
auto stilstaat, zakt de achterkant normaal iets
omlaag.
Rijden in heuvelachtige gebieden en
landen met een warm klimaat
motor en de aandrijving gaat een waarschuwingssymbool branden op het bestuurdersdisplay en verschijnt er een melding.
De automatische versnellingsbak kiest altijd
de juiste versnelling op basis van de belasting
en het motortoerental.
Steile hellingen
Blokkeer de automatische versnellingsbak niet
met een hogere versnelling dan de motor
"aankan" – rijden in een hoge versnelling bij
een laag motortoerental is niet altijd zuinig.
Op een helling parkeren
1. Trap het rempedaal in.
2. Activeer de parkeerrem.
3. Kies de schakelstand P.
4. Laat het rempedaal los.
Gebruik wielblokken, als u een auto met aanhangwagen op een steile helling parkeert.
Op een helling wegrijden
1. Trap het rempedaal in.
2. Kies de schakelstand D.
3. Parkeerrem lossen.
4. Haal uw voet van het rempedaal en rijd
weg.
Onder bepaalde omstandigheden bestaat het
risico van oververhitting tijdens het rijden met
aanhangwagen. Bij oververhitting van de
508
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Aanhangwagenstabilisering* (p. 509)
Aanhangwagenverlichting controleren
(p. 510)
Trekgewichten en kogeldruk (p. 702)
Oververhitting van motor en aandrijving
(p. 500)
•
Ongunstige rijomstandigheden voor
motorolie (p. 706)
•
In- en uitklapbare trekhaak* (p. 505)
Aanhangwagenstabilisering*
(TSA12)
De aanhangwagenstabilisering
heeft
tot taak een auto met aanhangwagen te stabiliseren wanneer de combinatie slingerneigingen vertoont. De functie maakt deel uit
van de stabiliteitsregeling ESC13.
Oorzaken voor slingerneigingen
Bij alle combinaties van auto en aanhangwagen kan het bekende verschijnsel met slingeren optreden. Doorgaans treedt het verschijnsel pas bij hoge snelheden op. Als de aanhangwagen echter overmatig beladen is of als
het gewicht van de lading verkeerd verdeeld is
(bijvoorbeeld te ver naar achteren), bestaat er
ook op lagere snelheden gevaar voor slingeren.
Een pendelbeweging begint altijd met een van
de onderstaande factoren, zoals.:
•
De auto met aanhangwagen staat bloot
aan rukwinden.
•
De auto met aanhangwagen rijdt over een
oneffen wegdek of over hobbels.
•
Grote stuurbewegingen.
Slingeren is vaak niet of nauwelijks te dempen, waardoor de combinatie moeilijk bestuurbaar wordt en het gevaar bestaat dat u op de
verkeerde weghelft of naast de weg belandt.
12
13
Trailer Stability Assist
Electronic Stability Control
Werking van de
aanhangwagenstabilisering
De aanhangwagenstabilisering houdt continu
de bewegingen van de auto in de gaten en in
het bijzonder de dwarsbewegingen. Als een
neiging tot slingeren geregistreerd wordt,
worden de voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd wordt. Vaak is dit voldoende om de auto
weer onder controle te krijgen.
Als de slingerbeweging ondanks de eerste
ingreep van de aanhangwagenstabilisering
niet wordt gedempt, worden alle wielen van
de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de motor verlaagd. Wanneer de
pendelbeweging vervolgens stukje bij beetje
verminderd is en de combinatie weer stabiel
is, beëindigt het systeem de regeling waarna u
de auto weer volledig onder controle hebt.
N.B.
De stabiliteitsregeling wordt uitgeschakeld, als u de Sportstand kiest door via het
menusysteem van het middendisplay ESC
te deactiveren.
De aanhangwagenstabilisering grijpt mogelijk
niet in als u met grote stuurbewegingen de
slingering zelf tracht op te heffen, aangezien
}}
* Optie/accessoire. 509
STARTEN EN RIJDEN
||
de stabilisering dan niet kan bepalen of de
slingering wordt veroorzaakt door de aanhangwagen of door uzelf.
Wanneer de aanhangwagenstabilisering werkt, knippert
op het bestuurdersdisplay het
symbool ESC.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijden met aanhangwagen (p. 507)
Elektronische stabiliteitsregeling (p. 301)
Aanhangwagenverlichting
controleren
Controleer na het aankoppelen van een aanhangwagen voor het vertrek of alle lampen op
de aanhangwagen werken.
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhangwagen
Als een of meer richtingaanwijzers of remlichten op de aanhangwagen kapot zijn, verschijnen op het bestuurdersdisplay een symbool en
een melding. De overige verlichting op de aanhangwagen moet u vóór vertrek handmatig
controleren.
Symbool
Melding
• Richtingaanw. aanh. Storing knipperlicht rechts
• Richtingaanw. aanh. Storing richtingaanwijzer
links
• Remlicht aanhanger Storing
Als een richtingaanwijzer op de aanhangwagen kapot is, knippert het richtingaanwijzersymbool op het bestuurdersdisplay bovendien
sneller dan normaal.
510
Mistachterlicht op de aanhangwagen
Bij aansluiting van een aanhangwagen gaat
het mistachterlicht van de auto mogelijk niet
branden, in dat geval neemt het mistachterlicht op de aanhangwagen de functie over.
Controleer daarom in deze gevallen bij activering van het mistachterlicht of de aanhangwagen is uitgerust met een mistachterlicht om de
auto met aanhangwagen op een veilige manier
te kunnen besturen.
STARTEN EN RIJDEN
Aanhangwagenverlichting
controleren*
Automatische controle
Na aansluiting van een aanhangwagen is de
werking van de aanhangwagenverlichting te
controleren aan de hand van een automatische
verlichtingscontrole. Dankzij deze controle
kunt u voor vertrek nagaan of de aanhangwagenverlichting werkt.
Om deze controle te kunnen verrichten moet
de auto zijn uitgeschakeld.
1.
Wanneer er een aanhangwagen aan de
trekhaak is gekoppeld, verschijnt de melding Aut. contr. lamp aanhanger op het
bestuurdersdisplay.
2. Bevestig de melding door de O-knop van
de rechter stuurknoppenset in te drukken.
> De lichtcontrole gaat van start.
3. Stap uit de auto om de werking van de
verlichting te kunnen controleren.
> Alle lampen van de aanhangwagen
gaan knipperen – daarna gaan de lampen één voor één branden.
4. Kijk of alle lampen op de aanhangwagen
ook daadwerkelijk branden.
5. Na een poosje gaan alle lampen op de
aanhangwagen weer knipperen.
> De controle is afgerond.
Automatische controle uitschakelen
De automatische controlefunctie is uit te schakelen op het middendisplay.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm.
2. Tik op My Car
Lampen en verlichting.
3. Vink Aut. contr. lamp aanhanger uit.
Handmatige controle
Als de automatische controle is uitgeschakeld,
kunt u de controle handmatig starten.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm.
2. Tik op My Car
Het wordt geadviseerd om een van de fietsdragers te gebruiken die Volvo ontwikkeld
heeft.
Dit om schade aan de auto te voorkomen en
voor maximale veiligheid tijdens het rijden. De
fietsdragers van Volvo zijn te verkrijgen bij
erkende Volvo-dealers.
Volg nauwgezet de instructies op die bij de
fietsdrager zijn geleverd.
•
Het gecombineerde gewicht van de fietsdrager plus lading mag maximaal 75 kg
(165 lbs) zijn.
•
Gebruik alleen een fietsdrager voor het
vervoer van maximaal drie fietsen.
Lampen en verlichting.
3. Kies Handm. contr. lamp aanhanger.
> De lichtcontrole gaat van start. Stap uit
de auto om de werking van de verlichting te kunnen controleren.
Gerelateerde informatie
•
Op trekhaak gemonteerde
fietsdrager*
Rijden met aanhangwagen (p. 507)
WAARSCHUWING
Verkeerd gebruik van de fietsdrager kan
schade aan trekhaak en auto veroorzaken.
De fietsdrager kan van de trekhaak loskomen als deze
•
•
•
verkeerd op de trekhaak gemonteerd is
overbelast is; zie de instructies bij de
fietsdrager voor het maximale draagvermogen
wordt gebruikt voor het vervoer van
andere dingen dan fietsen.
}}
* Optie/accessoire.
511
STARTEN EN RIJDEN
||
Een fietsdrager die op de trekhaak is gemonteerd is van invloed op de rijeigenschappen
van de auto, op grond van bijvoorbeeld:
•
•
•
•
het grotere gewicht van de auto
het gereduceerde acceleratievermogen
de gereduceerde bodemvrijheid
het gewijzigde remvermogen.
Adviezen voor het vervoer van fietsen
op een fietsdrager
Hoe groter de afstand tussen het zwaartepunt
van de last en de trekhaakkogel hoe groter de
belasting van de trekhaak.
Neem bij het opladen de volgende adviezen in
acht:
•
Plaats de zwaarste fiets vooraan, zo dicht
mogelijk bij de auto.
•
Zorg dat de fietsen symmetrisch zijn
opgeladen en zo dicht mogelijk tegen de
auto aan staan, door bij het vervoer van
meerdere fietsen de fietsen om en om te
plaatsen.
•
512
•
Verwijder losse voorwerpen van de
fiets(en) bij het vervoer, zoals een fietsmand, accu of kinderzitje. Niet alleen om
de krachten te verlagen die inwerken op
de trekhaak en fietsdrager maar ook om
de luchtweerstand te verlagen die van
invloed is op het brandstofverbruik.
Verwijder eventuele fietshoezen. Ze kunnen de rijeigenschappen negatief beïnvloeden, het zicht naar achteren beperken
en tot een hoger brandstofverbruik leiden.
Ze zorgen ook voor grotere krachten die
inwerken op de trekhaak.
Gerelateerde informatie
•
Trekhaak* (p. 504)
Slepen
Bij het slepen wordt de auto met behulp van
een sleepkabel voortgetrokken door een
ander voertuig.
Het is niet toegestaan een Twin Engine te slepen, omdat de elektromotor dan beschadigd
raakt. Til de auto bij het bergen in plaats daarvan met alle vier de wielen op de laadvloer van
het bergingsvoertuig, zodat geen van de wielparen contact maakt met de weg.
Bij het slepen van een andere auto
Het slepen van een auto vergt veel energie –
gebruik daarom de rijmodus Constant AWD.
De hybride-accu wordt dan bijgeladen en ook
de rij- en wegeigenschappen van de auto worden verbeterd.
Ga alvorens te slepen na wat de wettelijk
voorgeschreven maximumsnelheid voor slepen is.
Starten met hulpaccu
Het is niet toegestaan een motor aan te slepen, omdat de elektromotor dan beschadigd
raakt. Gebruik een hulpaccu als de startaccu
dusdanig ontladen is dat de motor niet kan
worden gestart.
BELANGRIJK
De elektrische aandrijfmotor en de katalysator kunnen beschadigd raken bij pogingen de auto aan te slepen.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Gerelateerde informatie
•
Sleepoog monteren en demonteren
(p. 513)
•
•
•
•
•
Alarmlichten (p. 167)
Bergen (p. 514)
Starthulp met andere accu (p. 502)
Contactslotstand kiezen (p. 462)
Versnellingsbak (p. 473)
Sleepoog monteren en
demonteren
Gebruik het sleepoog als u met uw auto een
ander voertuig wilt slepen. Schroef het sleepoog vast in een draadbus achter een afdekking aan de rechterzijde van de achterbumper.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een trekhaak,
is er geen achterste sleepoogbevestiging.
Sleepoog monteren
Verwijder de afdekking – druk met één
vinger op de markering en vouw tegelijkertijd de tegenovergelegen kant/hoek naar
buiten.
> De afdekking is over de lengteas te
draaien en vervolgens te verwijderen.
Pak het sleepoog erbij. Dit zit in het blok
schuimrubber onder de vloer in de bagageruimte14.
14
De vorm en locatie van het blok schuimrubber kunnen verschillen afhankelijk van het model.
}}
513
STARTEN EN RIJDEN
||
3. Schroef het sleepoog tot aan de aanslag
naar binnen.
•
Gereedschapsset (p. 596)
Bergen
Bij het bergen wordt de auto met behulp van
een ander voertuig weggesleept.
Roep professionele hulp in voor berging.
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken
om de auto op een bergingsvoertuig met laadvloer te trekken.
BELANGRIJK
Draai het oog stevig vast, steek bijvoorbeeld de wielmoersleutel* door het oog
om deze als hefboom te gebruiken.
BELANGRIJK
Het is belangrijk het sleepoog goed vast te
schroeven – dat wil zeggen, helemaal tot
aan de aanslag.
Let erop dat u een auto met Twin Engine
altijd bergt met alle vier de wielen op de
laadvloer van het bergingsvoertuig.
Geldt voor auto's met niveauregeling*: Als
de auto is voorzien van luchtvering, moet deze
worden uitgeschakeld voordat u de auto
opneemt. Schakel het systeem uit via het middendisplay.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm.
2. Tik op My Car
Sleepoog demonteren
–
Draai het sleepoog na gebruik los en leg
het weer terug in het blok schuimrubber.
Plaats de afdekking tot slot weer in de
bumper terug.
Gerelateerde informatie
•
•
514
Slepen (p. 512)
Parkeerrem en vering.
3. Kies Niveauregeling uitschakelen.
De positie en bodemspeling van de auto bepalen of de auto op een laadvloer kan worden
getrokken. Als de oprijplaten van het bergingsvoertuig onder een te grote hoek staan of als
de bodemspeling onder de auto onvoldoende
is, kan de auto beschadigd raken wanneer
men deze op het bergingsvoertuig probeert te
Bergen (p. 514)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
trekken. Neem de auto dan op met de hefinrichting van het bergingsvoertuig.
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de
laadvloer wordt getrokken.
Gerelateerde informatie
•
Sleepoog monteren en demonteren
(p. 513)
HomeLink®*15
Knop 3
HomeLink®16
Controlelampje
is een programmeerbare
afstandsbediening die in het elektrische systeem van de auto geïntegreerd is en tot drie
verschillende installaties (zoals een garagedeuropener, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting) op afstand kan bedienen en daarmee
de originele afstandsbedieningen vervangt.
Algemeen
HomeLink® wordt geleverd in een uitvoering
die ingebouwd is in de achteruitkijkspiegel.
Het HomeLink®-paneel bestaat uit drie programmeerbare knoppen en een controlelampje in het spiegelglas.
Ga voor meer informatie over HomeLink®
naar: www.HomeLink.com of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277)17.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen goed bewaart voor eventuele programmering in een later stadium (zoals bij aankoop
van een nieuwe auto of gebruik in een andere
auto). Het wordt tevens geadviseerd om de
programmering van de knoppen te wissen bij
verkoop van de auto.
Gerelateerde informatie
De afbeelding is schematisch, zodat de uitvoering
kan variëren.
Knop 1
Knop 2
15
16
17
•
•
•
HomeLink®* gebruiken (p. 518)
HomeLink®* programmeren (p. 516)
Typegoedkeuring voor HomeLink®*
(p. 518)
Geldt voor bepaalde markten.
HomeLink en het symbool met het HomeLink-huis zijn geregistreerde handelsmerken van Gentex Corporation.
Let erop dat de gratis hulplijn afhankelijk van de provider mogelijk niet beschikbaar is.
* Optie/accessoire. 515
STARTEN EN RIJDEN
HomeLink®*18 programmeren
HomeLink®
Volg de instructies op om
te programmeren, de fabrieksinstellingen te herstellen of een knop te herprogrammeren.
N.B.
Bij bepaalde auto’s moet het contact zijn
ingeschakeld of in de ‘accessoirestand’
staan, voordat HomeLink® te programmeren of gebruiken is. Plaats gerust nieuwe
batterijen in de afstandsbediening die
HomeLink® moet vervangen, omdat de
programmering dan mogelijk sneller verloopt en het radiosignaal sterker is. Herstel
de HomeLink®-knoppen alvorens te programmeren.
1.
Richt de afstandsbediening op de te programmeren HomeLink®-knop en houd de
afstandsbediening op zo'n 2–8 cm (1–3
inch) van de knop. Blokkeer het controlesymbool van HomeLink® niet.
Opmerking! Met sommige afstandsbedieningen is HomeLink® beter te programmeren op een afstand van zo'n 15–20 cm
(6–12 inch). Houd hier rekening mee als er
problemen optreden bij het programmeren.
2. Houd zowel op de afstandsbediening als
op HomeLink® de knoppen ingedrukt die u
wilt programmeren.
3. Laat de knoppen pas los als het led-lampje
niet meer langzaam (ca. 1 maal per
seconde) maar snel knippert (ca. 10 maal
per seconde) of constant brandt.
> Als het controlelampje constant
brandt: Aanduiding dat de programmering is voltooid. Druk voor activering 2
maal op de geprogrammeerde knop.
Als het controlelampje snel knippert:
De eenheid die u voor HomeLink®
wenst te programmeren is mogelijk
voorzien van een beveiligingsfunctie
zodat extra stappen vereist zijn. Druk 2
maal op de geprogrammeerde knop om
te controleren of de programmering
gelukt is. Ga anders verder met de volgende stap.
WAARSCHUWING
Tijdens het programmeren van HomeLink®
wordt de garagedeur die wordt geprogrammeerd (of het toegangshek) mogelijk
geactiveerd. Let daarom op dat er niemand
in de buurt van de deur of het hek staat tijdens het programmeren. De auto moet buiten de garage staan bij het programmeren
van de garagedeuropener.
18
516
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Neem bij programmeringsproblemen contact
op met HomeLink® via: www.HomeLink.com
of bel 00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer +49 6838 907 277)20.
–
Afzonderlijke knop herprogrammeren
Doe het volgende om één afzonderlijke
HomeLink®-knop te programmeren:
1.
4. Zoek de inleerknop19 op de ontvanger voor
bijvoorbeeld de garagedeur op. De knop
zit doorgaans in de buurt van de antennevoet op de ontvanger.
5. Druk de inleerknop van de ontvanger eenmaal in en laat hem weer los. De programmering moet binnen 30 seconden na het
indrukken van de knop worden voltooid.
6. Druk de knop op HomeLink® in die u wilt
programmeren en laat de knop weer los.
Herhaal de procedure van indrukken/vasthouden/loslaten al naar gelang het model
van de ontvanger één of twee keer.
> Het programmeren is daarmee klaar en
garagedeur, toegangshek en dergelijke
moeten vervolgens geactiveerd worden
bij het indrukken van de geprogrammeerde knop.
19
20
Druk op de gewenste knop en houd deze
zo'n 20 seconden ingedrukt.
2. Wanneer het controlelampje op
HomeLink® langzaam gaat knipperen kunt
u op de gebruikelijke manier programmeren.
Houd de buitenste knoppen (1 en 3) op
HomeLink® zo'n 10 seconden ingedrukt.
> Wanneer het controlelampje niet meer
constant brandt, maar is gaan knipperen zijn de knoppen gereset en weer
gereed voor programmering.
Gerelateerde informatie
•
•
•
HomeLink®* gebruiken (p. 518)
HomeLink®* (p. 515)
Typegoedkeuring voor HomeLink®*
(p. 518)
Opmerking! Als de te programmeren
knop opnieuw moet worden geprogrammeerd niet met een nieuwe eenheid wordt
geprogrammeerd, zal deze terugkeren
naar de eerder opgeslagen programmering.
HomeLink®-knoppen resetten
Het is alleen mogelijk om alle HomeLink®knoppen tegelijk te resetten en dus niet
slechts één afzonderlijke knop. Afzonderlijke
knoppen zijn wel te herprogrammeren.
De aanduiding en kleur van de knop verschillen per fabrikant.
Let erop dat de gratis hulplijn afhankelijk van de provider mogelijk niet beschikbaar is.
* Optie/accessoire. 517
STARTEN EN RIJDEN
HomeLink®*21 gebruiken
WAARSCHUWING
HomeLink®
Zodra
geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke originele afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in. De garagedeur, het toegangshek en dergelijke worden
geactiveerd (dit kan enkele seconden duren).
Als u de knop langer dan 20 seconden indrukt,
start de herprogrammering. Na het indrukken
van de knop brandt of knippert het controlelampje. Uiteraard kunt u de originele afstandsbedieningen naast HomeLink® blijven gebruiken.
N.B.
Na uitschakeling van het contact blijft
HomeLink® nog minstens 7 minuten lang
werken.
N.B.
HomeLink® is niet te gebruiken als de auto
van de buitenzijde vergrendeld is en het
alarm* ingeschakeld is.
•
•
Als HomeLink® wordt gebruikt om een
garagedeur of hek te bedienen, moet u
controleren of er niemand in de buurt
van de deur of het hek staat als deze
beweegt.
Gebruik HomeLink® niet voor een elektrische garagedeur zonder veiligheidsstop en -retour.
Gerelateerde informatie
•
•
•
HomeLink®*
(p. 515)
HomeLink®*
programmeren (p. 516)
Typegoedkeuring voor HomeLink®*
(p. 518)
Typegoedkeuring voor
HomeLink®*22
Typegoedkeuring voor de EU
Gentex Corporation verklaart bij dezen dat de
radioapparatuur van het type HomeLink®
UAHL5 in overeenstemming is met de richtlijn
2014/53/EU.
Frequentiebanden waarin de radioapparatuur
werkt:
•
•
•
•
•
518
868,00 – 868,60 MHz <25 mW e.r.p.
868,70 – 868,20 MHz <25 mW e.r.p.
869,40 – 869,65 MHz <25 mW e.r.p.
869,70 – 870,00 MHz <25 mW e.r.p.
Adres certificaateigenaar: Gentex Corporation,
600 North Centennial Street, Zeeland MI
49464, USA
Zie de supportinformatie over typegoedkeuring op www.volvocars.com voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
21
22
433,05 – 434,79 MHz <10 mW e.r.p.
HomeLink®* (p. 515)
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Kompas*
Kompas* activeren en deactiveren
Kompas kalibreren*
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke kompasrichting23 de voorkant
van de auto wijst.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke kompasrichting24 de voorkant
van de auto wijst.
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld. Het kompas25 dient te worden gekalibreerd als u met de auto meerdere magnetische zones doorkruist.
Het kompas wordt automatisch geactiveerd
bij het starten van de motor.
1.
Om het kompas handmatig te deactiveren/
activeren:
–
Achteruitkijkspiegel met kompas.
Er worden acht verschillende kompasrichtingen met Engelse afkortingen weergegeven: N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Druk bijv. met een recht gebogen paperclip het knopje aan de onderzijde van de
achteruitkijkspiegel in.
> Als het kompas is gedeactiveerd als de
auto wordt uitgeschakeld, wordt die bij
de volgende start van de auto niet
geactiveerd. Het kompas moet dan
handmatig worden geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Kompas* (p. 519)
Kompas kalibreren* (p. 519)
Gerelateerde informatie
•
Kompas* activeren en deactiveren
(p. 519)
•
Kompas kalibreren* (p. 519)
23
24
25
De achteruitkijkspiegel met kompas is alleen een optie op bepaalde markten en modellen.
De achteruitkijkspiegel met kompas is alleen een optie op bepaalde markten en modellen.
De achteruitkijkspiegel met kompas is alleen een optie op bepaalde markten en modellen.
Breng de auto tot stilstand op een groot
en open terrein waar geen stalen constructies of hoogspanningsdraden zijn.
2. Start de auto en schakel alle elektrische
uitrusting (klimaatregeling, luchtdroger en
dergelijke) uit en zorg dat alle portieren
dichtstaan.
N.B.
De kalibratie kan mislukken of helemaal
niet worden uitgevoerd, als u de elektrische uitrusting niet uitschakelt.
3. Houd het knopje aan de onderzijde van de
achteruitkijkspiegel zo'n 3 seconden lang
ingedrukt (met een paperclip of iets dergelijks). Het cijfer van de huidige magnetische zone verschijnt.
}}
* Optie/accessoire. 519
STARTEN EN RIJDEN
||
7. Voor auto’s met elektrische voorruitverwarming*: Als bij activering van de elektrische voorruitverwarming het teken C op
het display verschijnt, kalibreer dan volgens punt 6 hierboven met de elektrische
voorruitverwarming ingeschakeld.
8. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
Gerelateerde informatie
Magnetische zones.
•
•
Kompas* (p. 519)
Kompas* activeren en deactiveren (p. 519)
4. Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van de gewenste magnetische zone (1–15) verschijnt (zie de kaart
met de magnetische zones van het kompas).
5. Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt of houd het knopje aan de
onderzijde van de achteruitkijkspiegel
zo'n 6 seconden lang ingedrukt, totdat het
teken C verschijnt.
6. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 10 km/h
(6 mph), totdat een kompasrichting op het
display verschijnt. Dit geeft aan dat de
kalibratie afgerond is. Rijd daarna nog
2 rondjes om de kalibratie fijn af te stellen.
520
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Audio, media en internet
Gerelateerde informatie
Het audio- en mediasysteem bestaat uit een
mediaspeler en een radio. Het is ook mogelijk
een telefoon aan te sluiten via Bluetooth om
handsfree te bellen of draadloos muziek in de
auto af te spelen. Wanneer de auto een internetverbinding heeft, kunt u ook apps gebruiken voor het afspelen van media.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Mediaspeler (p. 534)
Radio (p. 527)
Telefoon (p. 550)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
Apps (p. 524)
Stembediening (p. 150)
Contactslotstanden (p. 460)
Afleiding van de bestuurder (p. 41)
Audio-instellingen
De geluidsweergave is vooraf ingesteld maar
is ook naar wens aan te passen.
Het volume wordt normaal gesproken geregeld met de volumeknop onder het middendisplay of met de rechter stuurknoppenset. Dit
geldt bijvoorbeeld bij het afspelen van muziek,
het beluisteren van de radio, de geluidsweergave van een lopende telefoongesprek en de
weergave van actieve verkeersberichten.
Geluidsweergave
Overzicht van geluid en media
Het audiosysteem is voorgekalibreerd met
behulp van digitale signaalverwerking. Voor
ieder automodel wordt het audiosysteem tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar en dergelijke.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van
de volumeknop en de rijsnelheid.
De functies zijn te bedienen met stemcommando's, de knoppenset op het stuurwiel of
via het middendisplay. Het hangt van het
audiosysteem van de auto af hoeveel luidsprekers en versterkers er in de auto zitten.
In het hoofdscherm onder Instellingen
Geluid zijn verschillende instellingen beschikbaar, afhankelijk van het audiosysteem van de
auto.
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 635)
•
Licentieovereenkomst voor audio en
media (p. 570)
•
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 635)
Persoonlijke instellingen
Systeemupdate
Het audio- en mediasysteem wordt voortdurend verder verbeterd. Wij raden aan om systeemupdates te downloaden zodra deze
beschikbaar zijn.
522
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Premium Sound* (Bowers & Wilkins)
systemen, bijv. Stembediening,
Parkeerhulp en Ringtone telefoon.
• Toon – persoonlijke instellingen van bijv.
lage en hoge tonen en equalizer.
• Balans – onderlinge balans tussen de
luidsprekers links/rechts en de luidsprekers voor/achter.
• Systeemvolumes – voor het aanpassen
van het volume van de verschillende autosystemen, bijv. Stembediening,
Parkeerhulp en Ringtone telefoon.
High Performance Pro* (Harman
Kardon)
• Equalizer – instelling voor equalizer.
• Balans – onderlinge balans tussen de
luidsprekers links/rechts en de luidsprekers voor/achter.
Instellingen voor stembediening (p. 154)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Geluidservaring*
Geluidservaring is een app die toegang biedt
tot aanvullende geluidsinstellingen.
Geluidsbeleving is te openen vanuit het appscherm van het middendisplay. Afhankelijk van
het audiosysteem van de auto zijn de volgende instellingen mogelijk:
Geluidservaring* (p. 523)
Mediaspeler (p. 534)
Instellingen voor telefoon (p. 559)
Premium Sound* (Bowers & Wilkins)
Audio, media en internet (p. 522)
• Studio – de geluidsweergave is te opti-
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
• Individuele stap – surroundstand met
maliseren Bestuurder, Alles of Achter.
instellingen voor intensiteit en ruimtelijkheid.
• Concertgebouw – zorgt voor een
geluidsweergave met de akoestiek van het
concertgebouw van Gothenburg.
• Systeemvolumes – voor het aanpassen
van het volume van de verschillende autosystemen, bijv. Stembediening,
Parkeerhulp en Ringtone telefoon.
High Performance
• Toon – persoonlijke instellingen van bijv.
lage en hoge tonen en equalizer.
• Balans – onderlinge balans tussen de
luidsprekers links/rechts en de luidsprekers voor/achter.
• Systeemvolumes – voor het aanpassen
van het volume van de verschillende auto-
U kunt de akoestiek van het concertgebouw van
Gotenburg nabootsen.
}}
* Optie/accessoire. 523
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
High Performance Pro* (Harman
Kardon)
• Stoeloptimalisatie – de geluidsweergave
is te optimaliseren Bestuurder, Alles of
Achter.
• Surround – surroundstand met instellingen voor intensiteit.
• Toon – persoonlijke instellingen van bijv.
lage en hoge tonen en equalizer.
Apps
Op het appscherm staan applicaties (apps)
die toegang bieden tot bepaalde autofuncties.
Veeg van rechts naar links1 over het middendisplay om vanuit het homescherm het appscherm te openen. Hier liggen apps die zijn
gedownload (apps van derden) maar ook apps
voor ingebouwde functies, bijvoorbeeld FMradio.
Gerelateerde informatie
•
•
Audio-instellingen (p. 522)
Navigeren in schermen op het middendisplay (p. 118)
Appscherm (algemene afbeelding, de basisapps
variëren per markt en model)
Bepaalde basisapps zijn altijd beschikbaar.
Wanneer de auto een internetverbinding heeft,
kunt u andere apps downloaden zoals internetradio en muziekdiensten.
Sommige apps kunt u alleen gebruiken, als de
auto een actieve internetverbinding heeft.
1
524
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Start een app door in het appscherm op het
middendisplay de desbetreffende app aan te
klikken.
Apps downloaden
Wanneer de auto een internetverbinding
heeft, kunt u ook nieuwe apps downloaden.
Alle apps die worden gebruikt, moeten geüpdatet zijn naar de nieuwste versie.
N.B.
Het downloaden van data kan van invloed
zijn op andere diensten die gebruik maken
van gegevensuitwisseling, zoals de internetradio. Als u deze invloed op andere
diensten als hinderlijk ervaart, kunt u het
downloaden annuleren. Het is ook mogelijk
om andere diensten te annuleren of tijdelijk
te onderbreken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
Apps downloaden (p. 525)
Apps bijwerken (p. 526)
Apps verwijderen (p. 527)
Apple® CarPlay®* (p. 543)
Android Auto* (p. 547)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
2. Kies Nieuwe apps om een lijst te openen
met de apps die beschikbaar zijn voor
installatie in de auto.
3. Druk op een bepaalde app om de lijst uit
te vouwen en meer informatie over de app
te krijgen.
4. Kies Installeren om de app van uw keuze
te downloaden en installeren.
> Tijdens het downloaden en installeren
wordt de voortgang aangegeven.
Als een bepaalde download niet kan
starten, verschijnt een melding. De app
blijft echter op de downloadlijst staan,
zodat u later een nieuwe poging tot
downloaden kunt doen.
N.B.
Let bij het downloaden via een telefoon
extra goed op eventuele kosten voor dataverkeer.
Vrije geheugenruimte op harde schijf
(p. 569)
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 567)
1.
Open de app Download Center op het
appscherm.
Downloaden annuleren
– Druk op Annuleer om een lopende download te annuleren.
Let erop dat alleen de download te annuleren
is, zodat u een eventuele installatiefase niet
meer kunt annuleren zodra deze van start
gegaan is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Apps (p. 524)
Apps bijwerken (p. 526)
Apps verwijderen (p. 527)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
}}
* Optie/accessoire. 525
GELUID, MEDIA EN INTERNET
•
•
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 635)
Vrije geheugenruimte op harde schijf
(p. 569)
Apps bijwerken
Wanneer de auto een internetverbinding
heeft, is het mogelijk apps bij te werken.
Alle apps bijwerken
1. Open de app Download Center op het
appscherm.
N.B.
Het downloaden van data kan van invloed
zijn op andere diensten die gebruik maken
van gegevensuitwisseling, zoals de internetradio. Als u deze invloed op andere
diensten als hinderlijk ervaart, kunt u het
downloaden annuleren. Het is ook mogelijk
om andere diensten te annuleren of tijdelijk
te onderbreken.
N.B.
Let bij het downloaden via een telefoon
extra goed op eventuele kosten voor dataverkeer.
Als bij het bijwerken van een app blijkt dat de
desbetreffende app in gebruik is, wordt deze
app opnieuw gestart om de installatie te voltooien.
2. Kies Alles installeren.
> De update start.
Bepaalde apps bijwerken
1. Open de app Download Center op het
appscherm.
2. Kies Applicatie-updates om een lijst te
openen met alle beschikbare updates.
3. Zoek de gewenste app op en kies
Installeren.
> De update start.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
526
Apps (p. 524)
Apps downloaden (p. 525)
Apps verwijderen (p. 527)
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 635)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Apps verwijderen
Radio
Wanneer de auto een internetverbinding
heeft, is het mogelijk apps te verwijderen.
U kunt een app niet verwijderen, wanneer
deze gebruikt wordt.
U kunt naar de radiofrequentiebanden voor
FM en digitale radio (DAB)* luisteren. Wanneer de auto een internetverbinding heeft is
het ook mogelijk om webradio te beluisteren.
1.
Open de app Download Center op het
appscherm.
•
•
•
Digitale radio* (p. 533)
•
•
Stembediening radio en media (p. 154)
RDS-radio (p. 532)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
Mediaspeler (p. 534)
2. Kies Applicatie-updates om een lijst te
openen met alle geïnstalleerde apps.
3. Zoek de gewenste app op en kies Deinstalleren om de app te verwijderen.
> Zodra de app verwijderd is, verdwijnt
deze uit de lijst.
De radio is te bedienen via
stemcommando's, de stuurknoppen of via het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Apps (p. 524)
Apps downloaden (p. 525)
Apps bijwerken (p. 526)
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 635)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
Gerelateerde informatie
•
•
Radio starten (p. 528)
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 528)
•
Radiokanalen opslaan in de app Radiofavorieten (p. 530)
•
Instellingen voor radio (p. 531)
* Optie/accessoire. 527
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Radio starten
De radio is te starten vanuit het appscherm
van het middendisplay.
1. Open de gewenste radioband (bijv. FM)
vanuit het appscherm.
•
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 528)
Van radioband en radiozender
wisselen
•
Radiokanalen opslaan in de app Radiofavorieten (p. 530)
•
•
Instellingen voor radio (p. 531)
Hier volgen instructies voor het wisselen van
frequentieband, het wisselen van kanaallijst
in de gekozen radioband en het wisselen van
radiokanaal in de gekozen lijst.
Stembediening radio en media (p. 154)
Van radioband wisselen
Open met een vegende beweging het appscherm op het middendisplay en kies de
gewenste radioband (zoals FM) of open het
appmenu van het bestuurdersdisplay met de
rechter knoppenset van het stuurwiel en maak
vervolgens een keuze.
Van lijst wisselen op de radioband
2. Kies een radiokanaal.
Gerelateerde informatie
•
•
528
Radio (p. 527)
Radiokanaal zoeken (p. 529)
1.
Druk op Bibliotheek.
2. Kies weergave via Zenders, Favorieten,
Genres of Ensembles2.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
3. Druk op het gewenste kanaal in de lijst.
Radiokanaal zoeken
Favorieten - alleen de gekozen favoriete
kanalen beluisteren.
De radio maakt automatisch een kanaallijst
met de best doorkomende radiokanalen binnen het actuele gebied.
Genres - uitsluitend radiokanalen beluisteren
die het gekozen genre/programmatype uitzenden, bijvoorbeeld pop en klassieke muziek.
Handmatig kanalen zoeken
Van radiokanaal wisselen in gekozen
lijst
–
Druk op
of
onder het middendisplay of op de rechter stuurknoppenset.
> U springt naar het eerstvolgende alternatief in de gekozen lijst.
Wisselen van radiokanaal in de gekozen lijst
kan ook via het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Radio (p. 527)
Radiokanaal zoeken (p. 529)
Stembediening radio en media (p. 154)
Radiokanalen opslaan in de app Radiofavorieten (p. 530)
Instellingen voor radio (p. 531)
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
(p. 107)
2 Geldt
alleen voor digitale radio (DAB*).
De zoekopties zijn afhankelijk van de gekozen
radioband:
•
•
FM - kanalen, genres en frequentie.
1.
Tik op Bibliotheek.
DAB* - ensembles en kanalen.
.
2. Druk op
> Er verschijnt een zoekscherm met
toetsenbord.
3. Voer de zoekterm in.
> Naarmate u meer letters invoert wordt
de zoekopdracht verfijnd. De treffers
staan per categorie geordend.
Bij handmatig zoeken kunt u andere radiokanalen zoeken dan die in de automatisch gegenereerde lijst met de best doorkomende kanalen voor de regio en erop afstemmen.
Wanneer u handmatig kanalen zoekt, schakelt
de radio bij een slechte ontvangst niet meer
automatisch over op een andere frequentie.
–
Tik op Hndm. afstemmen, versleep de
schuifknop of tik op
of
. Bij lang
aantikken springt u naar het eerstvolgende
kanaal van de radioband. U kunt ook
gebruikmaken van de rechter stuurknoppenset.
}}
* Optie/accessoire. 529
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Radio (p. 527)
Radio starten (p. 528)
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 528)
Stembediening radio en media (p. 154)
Instellingen voor radio (p. 531)
Radiokanalen opslaan in de app
Radiofavorieten
U kunt een radiokanaal toevoegen aan de app
Radiofavorieten en aan de lijst met favorieten van de bewuste frequentieband (bijv.
FM). Hier volgen de instructies voor het toevoegen en verwijderen van radiokanalen.
Radiofavorieten
De app Radiofavorieten toont
de opgeslagen radiokanalen
van alle frequentiebanden.
1.
Open de app Radiofavorieten vanuit het
appscherm.
2. Druk op het gewenste radiokanaal in de
lijst om te luisteren.
Radiofavorieten toevoegen en
verwijderen
1.
Druk op
om een radiokanaal aan de
lijst met favorieten op de radioband en de
app Radiofavorieten toe te voegen.
2. Druk op Bibliotheek, selecteer
Bewerken en druk op
om een radiokanaal uit de lijst met favorieten te verwijderen.
530
Wanneer u een radiokanaal opslaat vanuit een
kanaallijst, zoekt de radio automatisch naar de
beste frequentie. Maar als u een radiokanaal
opslaat na handmatig kanalen zoeken, schakelt de radio niet automatisch over naar een
sterkere frequentie.
Bij het verwijderen van een radiokanaal uit de
app Radiofavorieten wordt het kanaal ook verwijderd uit de lijst met favorieten van de
bewuste frequentieband.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Radio (p. 527)
Radio starten (p. 528)
Radiokanaal zoeken (p. 529)
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 528)
Stembediening radio en media (p. 154)
Instellingen voor radio (p. 531)
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
(p. 107)
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Instellingen voor radio
Er zijn diverse radiofuncties te activeren en
deactiveren.
Verkeersbericht onderbreken
Een lopende uitzending van bijvoorbeeld een
verkeersbericht is tijdelijk te onderbreken door
van de rechter stuurknoppenset of op
op
Annuleren op het middendisplay te drukken.
Radiofuncties activeren en
deactiveren
Veeg het hoofdscherm open en kies
Instellingen Media gevolgd door de
gewenste radioband om de beschikbare functies te bekijken.
FM-radio
• Radiotekst weergeven: informatie weergeven over de inhoud van programma's,
uitvoerende artiesten en dergelijke.
• Programmanaam bevriezen: kiezen om
de programmaservicenaam niet permanent te laten scrollen, maar de weergave
na 20 seconden te laten bevriezen.
• Kies mededelingen:3
– Lokale onderbrekingen: lopende
mediaweergave onderbreken voor informatie over verkeersproblemen in de nabije
omgeving. De weergave van de voorgaande mediabron wordt hervat zodra de
3 Niet
alle soorten meldingen worden ondersteund door alle kanalen.
naar hetzelfde radiokanaal binnen een
andere kanaalgroep (ander ensemble).
melding afgerond is. Lokale
onderbrekingen is een geografische
begrenzing van Verkeersinformatie. De
functie Verkeersinformatie moet tegelijkertijd geactiveerd zijn.
• DAB-FM-verbinding: functie starten voor
– Nieuws : lopende mediaweergave
onderbreken en nieuws doorgeven. De
weergave van de voorgaande mediabron
wordt hervat zodra de nieuwsuitzending
afgerond is.
• Radiotekst weergeven: aangeven of
– Alarm: lopende mediaweergave onderbreken en waarschuwingen voor calamiteiten en rampen doorgeven. De weergave
van de voorgaande mediabron wordt hervat zodra de melding afgerond is.
– Verkeersinformatie: lopende mediaweergave onderbreken voor informatie
over verkeersproblemen. De weergave van
de voorgaande mediabron wordt hervat
zodra de melding afgerond is.
DAB* (digitale radio)
• Service sorteren: aangeven hoe de kanalen moeten worden gesorteerd. Op alfabetische volgorde of op servicenummer.
• DAB-DAB-verbinding: functie starten
voor schakelen binnen DAB. Wanneer het
signaal van een bepaald radiokanaal wegvalt, wordt automatisch overgeschakeld
schakelen tussen DAB en FM. Wanneer
het signaal van een bepaald radiokanaal
wegvalt, wordt automatisch naar een
andere FM-frequentie gezocht.
radiotekst of gekozen delen van radiotekst, bijvoorbeeld artiest, moet(en) worden weergegeven.
• Afbeeldingen van programma
weergeven: aangeven of op het scherm
wel of geen afbeeldingen voor de verschillende programma's moeten verschijnen.
• Kies mededelingen: aangeven welk type
berichten moet worden doorgegeven als
DAB actief is. Bij de gekozen meldingen
wordt de lopende mediaweergave onderbroken en wordt de melding afgespeeld.
De weergave van de voorgaande mediabron wordt hervat zodra de melding afgerond is.
– Alarm: lopende mediaweergave onderbreken en waarschuwingen voor calamiteiten en rampen doorgeven. De weergave
van de voorgaande mediabron wordt hervat zodra de melding afgerond is.
}}
* Optie/accessoire. 531
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
– Verkeersinformatie: informatie ontvangen over verkeersproblemen.
– Nieuwsflits: nieuws ontvangen.
– Transportbericht: informatie ontvangen over openbaar vervoer, bijvoorbeeld
dienstregelingen voor veerboten en treinen.
– Waarschuwing/diensten: informatie
ontvangen over incidenten die van minder
belang zijn dan het alarm, bijvoorbeeld
stroomstoringen.
•
Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
Digitale radio* (p. 533)
•
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 127)
Zoeken op programmatype, zoals programmatypes of verkeersinformatie.
•
Weergeven van informatieve tekst over
het beluisterde radioprogramma.
Gerelateerde informatie
•
•
•
RDS-radio
RDS (Radio Data System) zorgt ervoor dat de
radio automatisch overschakelt naar de sterkste zender. RDS biedt de mogelijkheid om
bijvoorbeeld verkeersinformatie te ontvangen
en naar bepaalde soorten programma's te
zoeken.
RDS verbindt FM-zenders in een netwerk met
elkaar. Een FM-zender in een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde informatie, zodat een
RDS-radio onder meer de volgende mogelijkheden biedt:
Radio (p. 527)
naar de vorige audiobron en het vorige volume
terug wanneer het ingestelde programmatype
ophoudt met uitzenden. Druk om eerder te
op de rechter stuurknoponderbreken op
penset of druk op Annuleren op het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
Radio (p. 527)
Instellingen voor radio (p. 531)
N.B.
Bepaalde radiostations gebruiken geen
RDS of slechts bepaalde onderdelen van
deze functie.
Als er nieuws of verkeersinformatie wordt uitgezonden, kan de radio naar een andere zender overschakelen en de weergave van de
actieve audiobron onderbreken. Als de cd-speler* bijvoorbeeld actief is, wordt de weergave
daarvan tijdelijk onderbroken. De radio gaat
532
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Digitale radio*
(DAB4)
Digitale radio
is een systeem voor
digitale overdracht van radiosignalen. De
radio ondersteunt DAB, DAB+ en DMB5.
De radio is te bedienen via
stemcommando's, de stuurknoppen of via het middendisplay.
De app voor digitale radio is
te starten vanuit het appscherm op het middendisplay.
Digitale radio is op dezelfde manier te beluisteren als andere radiobanden, zoals FM.
Behalve Zenders, Favorieten en Genres
kunt u daarbij ook kiezen uit subkanalen en
Ensembles. Ensembles zijn groepen radiokanalen (kanaalgroep) die op dezelfde frequentie
zenden.
DAB-subkanaal
Secundaire componenten worden vaak aangeduid als subkanalen. Dergelijke componenten
zijn van tijdelijke aard en kunnen bijvoorbeeld
uit vertalingen van het hoofdprogramma
bestaan. Subkanalen worden aangegeven met
een pijlsymbool in het kanaaloverzicht.
Gerelateerde informatie
Schakelen tussen de radiobanden
FM en digitale radio*
Dankzij deze functie kan de digitale radio
(DAB) overschakelen van een kanaal dat
slecht of helemaal niet te ontvangen is op
hetzelfde kanaal in een andere kanaalgroep
(ensemble) met een betere ontvangst, binnen
DAB en/of tussen DAB en FM.
•
Schakelen tussen de radiobanden FM en
digitale radio* (p. 533)
DAB naar DAB- en DAB naar FMschakeling
•
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 528)
1.
•
•
Radiokanaal zoeken (p. 529)
•
•
Stembediening radio en media (p. 154)
Radiokanalen opslaan in de app Radiofavorieten (p. 530)
Instellingen voor radio (p. 531)
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2. Tik op Media
DAB.
3. Vink de vakjes voor DAB-DABverbinding en/of DAB-FM-verbinding
aan of juist niet om de desbetreffende
functies te activeren/deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Digitale radio* (p. 533)
Radio (p. 527)
Instellingen voor radio (p. 531)
Als het radiokanaal zijn logo meestuurt, wordt
dit logo gedownload en weergegeven naast
de kanaalnaam (de downloadtijd varieert).
4 Digital
5 Digital
Audio Broadcasting
Multimedia Broadcasting
* Optie/accessoire. 533
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Mediaspeler
Gerelateerde informatie
De mediaspeler kan geluidsbestanden op de
cd-speler* en op externe mediabronnen weergeven die zijn aangesloten via de USB-poort
of Bluetooth. De speler kan ook videobestanden weergegeven via de USB-poort.
Wanneer de auto een internetverbinding heeft
is het ook mogelijk om webradio, audioboeken
en muziekdiensten via apps te beluisteren.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Media afspelen (p. 534)
Media regelen en van media wisselen
(p. 536)
Media zoeken (p. 537)
Apps (p. 524)
Radio (p. 527)
Media afspelen
De mediaspeler wordt bediend via het middendisplay. Veel functies zijn ook te bedienen
vanaf de rechter stuurknoppenset of via
stemcommando's.
Via de mediaspeler verloopt ook de radiobediening die in een apart artikel beschreven
staat.
Cd-speler* (p. 538)
Video (p. 539)
Media via Bluetooth® (p. 540)
Media AUX/USB-poort (p. 541)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
De mediaspeler is te bedienen vanaf het middendisplay,
maar veel functies zijn ook te
bedienen vanaf de rechter
stuurknoppenset of via stemcommando's.
Een beschrijving van de radio, die ook in de
mediaspeler te bedienen is, staat in een apart
artikel.
534
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Mediabron starten
2. Open de app USB vanuit het appscherm.
3. Kies wat er moet worden afgespeeld.
> Het afspelen start.
Mp3-speler en iPod®
N.B.
Om het afspelen te starten vanaf de iPod,
moet u de iPod-app gebruiken (en niet
USB).
Wanneer u muziek op een aangesloten
iPod beluistert, hanteert het audio- en
mediasysteem een menustructuur vergelijkbaar met die van de iPod.
1.
Sluit de mediabron aan.
2. Start de weergave op de aangesloten
mediabron.
Appscherm. (Algemene afbeelding, de basisapps
variëren per markt en model.)
CD*
1. Plaats een cd.
2. Open de app Cd vanuit het appscherm.
3. Kies wat er moet worden afgespeeld.
> Het afspelen start.
USB-stick
1. Plaats de USB-stick.
4. Open de app Bluetooth vanuit het appscherm.
> Het afspelen start.
Media via een internetverbinding
Media afspelen via apps met een internetverbinding:
1.
Maak een internetverbinding voor de auto.
2. Open de desbetreffende app vanuit het
appscherm.
> Het afspelen start.
Lees het aparte artikel voor het downloaden
van apps.
Video
1. Sluit de mediabron aan.
2. Open de app USB vanuit het appscherm.
3. Druk op de titel van het weer te geven
bestand.
> Het afspelen start.
3. Open de app (iPod, USB) vanuit het appscherm.
> Het afspelen start.
Apple CarPlay
CarPlay staat in een apart artikel beschreven.
Eenheid met Bluetooth-verbinding
1. Activeer Bluetooth op de desbetreffende
mediabron.
Android Auto
Android Auto staat in een apart artikel
beschreven.
2. Sluit de mediabron aan.
3. Start de weergave op de aangesloten
mediabron.
Gerelateerde informatie
•
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 108)
•
Radio (p. 527)
}}
* Optie/accessoire. 535
GELUID, MEDIA EN INTERNET
•
Media regelen en van media wisselen
(p. 536)
Media regelen en van media
wisselen
knop onder het middendisplay of op
de rechter stuurknoppenset.
•
Eenheid aansluiten via USB-poort
(p. 541)
•
Eenheid aansluiten via Bluetooth®
(p. 540)
Van track/nummer wisselen - op de gewenste
track op het middendisplay drukken, op
of
onder het middendisplay of op de rechter
stuurknoppenset drukken.
•
•
Apps downloaden (p. 525)
De weergave van media is te regelen via
stembediening, de stuurknoppenset of het
middendisplay.
De mediaspeler is te bedienen via stembediening, de
stuurknoppen of via het middendisplay.
•
•
•
•
•
Video (p. 539)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
Apple® CarPlay®* (p. 543)
van
Vooruit-/achteruitspoelen - op de tijdas op het
middendisplay drukken en deze opzij slepen,
of
onder het middendisplay of op
of
de rechter stuurknoppenset ingedrukt houden.
Van media wisselen – kies een eerder
gebruikte bron in de app, tik in het appscherm
op de gewenste app of kies met de rechter
stuurknoppenset via het appmenu
.
Android Auto* (p. 547)
Stembediening radio en media (p. 154)
Compatibele formaten voor media
(p. 542)
Bibliotheek - op de knop
drukken om af te spelen vanuit de bibliotheek.
Volume – aan de draaiknop onder het middendisplay draaien of op
van de rechter
stuurknoppenset drukken om het volume te
verhogen of te verlagen.
Shuffle - op de knop drukken
voor een willekeurige afspeelvolgorde.
Afspelen/pauzeren - op de afbeelding van de
desbetreffende track drukken, op de fysieke
536
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Vergelijkbaar - op de knop
drukken om aan de hand van
Gracenote naar soortgelijke
muziek te zoeken op de USBeenheid en op basis daarvan
een speellijst te creëren. De
speellijst kan uit maximaal 50
Media zoeken
Gerelateerde informatie
U kunt artiesten, componisten, tracks,
albums, video’s, luisterboeken, speellijsten en
bij een auto met een actieve internetverbinding podcasts (digitale media via internet)
zoeken.
•
•
tracks bestaan.
•
•
Mediaspeler (p. 534)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
Media afspelen (p. 534)
Handmatig tekens, letters of woorden
invoeren op middendisplay (p. 133)
Ander apparaat - op de
knop drukken om te wisselen
tussen meerdere aangesloten
USB-eenheden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Mediaspeler (p. 534)
Media zoeken (p. 537)
Audio-instellingen (p. 522)
Apps (p. 524)
Gracenote® (p. 538)
Stembediening radio en media (p. 154)
1.
Druk op
.
> Er verschijnt een zoekscherm met
toetsenbord.
2. Voer de zoekterm in.
3. Druk op Zoeken.
> De gekoppelde eenheden worden doorzocht en de treffers verschijnen per
categorie geordend in een lijst.
Veeg overdwars over het scherm om alle categorieën apart te bekijken.
* Optie/accessoire. 537
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Gracenote®
• Geen - geen treffers.
Cd-speler*
Gracenote geeft bij het afspelen van muziek
de uitvoerende artiesten, albums, tracks en
eventuele illustraties weer.
Gracenote MusicID® is een norm voor muziekherkenning. Door identificatie van de muziekbestanden en analyse van de metadata is
informatie over de muziek te presenteren. De
metadata die uit verschillende bronnen komt
kan inconsequent of gebrekkig zijn.
Gracenote bijwerken
De mediaspeler kan cd's met compatibele
audiobestanden afspelen.
Gracenote ondersteunt de fonetische verwerking van artiestennamen, albumtitels en genres, zodat u de stembediening kunt gebruiken
om uw muziek af te spelen.
•
•
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2. Tik op Media
De inhoud van de Gracenote-database wordt
voortdurend bijgewerkt. Download de
nieuwste update voor verbeterde functionaliteit.
Zie support.volvocars.com voor informatie en
downloads.
Gerelateerde informatie
•
Media afspelen (p. 534)
Licentieovereenkomst voor audio en
media (p. 570)
Stembediening radio en media (p. 154)
Opening voor het plaatsen/uitwerpen van
een schijf.
Gracenote®.
3. Kies instellingen voor Gracenote-gegevens:
• Online opzoeken Gracenote® - onlinedatabase van Gracenote doorzoeken op
gegevens over de afgespeelde media.
• Meerdere resultaten Gracenote® - aangeven hoe Gracenote-gegevens moeten
worden weergegeven bij meerdere treffers.
Knop voor het uitwerpen van een schijf.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Media afspelen (p. 534)
Stembediening radio en media (p. 154)
Compatibele formaten voor media
(p. 542)
1 - originele bestandsgegevens gebruiken.
2 - Gracenote-gegevens gebruiken.
3 - U hebt de keuze uit Gracenote-gegevens of originele gegevens.
538
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Video
Video afspelen
DivX® weergeven
Videobestanden op apparaten die zijn aangesloten op de USB-poort zijn via de mediaspeler weer te geven.
Wanneer de auto begint te rijden verdwijnt het
beeld, maar het geluid is nog steeds te horen.
Het beeld komt weer terug, wanneer de auto
stilstaat.
Video's zijn af te spelen via de app USB op
het appscherm.
1. Sluit een mediabron (USB-eenheid) aan.
Om Video-on-Demand-films (VOD) in DivXformaat te kunnen afspelen moet u deze DivX
Certified® eenheid eerst registreren.
2. Open de app USB vanuit het appscherm.
1.
3. Tik op de titel die u wilt afspelen.
> Het afspelen start.
2. Druk op Video DivX® VOD om de registratiecode op te halen.
Informatie over compatibele mediaformaten
vindt u elders.
Als de USB-eenheid ook muziek- en geluidstracks bevat, kan het lastig zijn om de videobestanden te vinden. Die kunnen dan worden
gevonden door naar Bibliotheek te gaan en
het tabblad voor video te selecteren.
3. Breng voor meer informatie en om de registratie te voltooien een bezoek aan
vod.divx.com.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Video afspelen (p. 539)
DivX® weergeven (p. 539)
Instellingen voor video (p. 540)
Compatibele formaten voor media
(p. 542)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Video (p. 539)
DivX® weergeven (p. 539)
Instellingen voor video (p. 540)
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Video (p. 539)
Video afspelen (p. 539)
Instellingen voor video (p. 540)
Compatibele formaten voor media
(p. 542)
Compatibele formaten voor media
(p. 542)
539
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Instellingen voor video
Media via Bluetooth®
Eenheid aansluiten via Bluetooth®
Bepaalde taalinstellingen voor videoweergave kunnen worden gewijzigd.
Wanneer de videospeler in de stand voor volledige schermgrootte staat of wanneer u het
hoofdscherm hebt geopend en op
Instellingen Media Video drukt,
beschikt u over de volgende opties: Audiotaal
en Ondertitelingstaal.
De mediaspeler in de auto is uitgerust met
Bluetooth en kan draadloos audiobestanden
op externe Bluetooth-eenheden afspelen
zoals mobiele telefoons en laptops.
De mediaspeler kan audiobestanden op een
externe eenheid alleen draadloos afspelen als
deze eenheid eerst via Bluetooth aan de auto
is gekoppeld.
Verbind een Bluetooth®-apparaat met de
auto om draadloos media af te spelen en een
eventuele internetverbinding voor de auto te
gebruiken.
Hoewel veel moderne telefoons Bluetooth®technologie bieden, zijn niet alle telefoons volledig compatibel met de auto.
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
•
Video (p. 539)
•
Eenheid aansluiten via Bluetooth®
(p. 540)
•
Telefoon eerste keer verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 551)
•
•
Media afspelen (p. 534)
Compatibele formaten voor media
(p. 542)
Voor informatie over de compatibiliteit, zie
support.volvocars.com.
U kunt een media-eenheid op dezelfde manier
via Bluetooth® aan de auto koppelen als een
telefoon.
Gerelateerde informatie
•
•
•
540
Media via Bluetooth® (p. 540)
Telefoon eerste keer verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 551)
Media afspelen (p. 534)
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Media AUX/USB-poort
Eenheid aansluiten via USB-poort
Via de USB-poort is een externe audiobron
zoals een iPod® of mp3-speler aan te sluiten
op het audiosysteem.
Apparaten met oplaadbare batterijen worden
opgeladen, wanneer ze zijn aangesloten via
USB en het contact in stand I, II staat of de
motor draait.
Via een van de USB-poorten in de auto is een
externe audiobron zoals een iPod® of mp3speler aan te sluiten op het audiosysteem.
Bij gebruik van Apple CarPlay* en
Android Auto* moet de telefoon worden aangesloten op de USB-poort met een witte
omlijsting (als er twee USB-poorten zijn).
•
Technische specificaties voor USB-eenheden (p. 542)
•
•
Apple® CarPlay®* (p. 543)
Android Auto* (p. 547)
De inhoud van een externe audiobron is sneller
te lezen, als er op deze audiobron alleen compatibele bestandsformaten staan. Ook videobestanden zijn via de USB-poort weer te
geven.
Sommige mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem dat niet ondersteund word
door het systeem.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Eenheid aansluiten via USB-poort
(p. 541)
Media afspelen (p. 534)
Video (p. 539)
Contactslotstanden (p. 460)
Technische specificaties voor USB-eenheden (p. 542)
Apple® CarPlay®* (p. 543)
Android Auto* (p. 547)
USB-poorten (type A) in de tunnelconsole. Laat de
kabel naar voren toe liggen, zodat deze bij het sluiten
van het klepje niet bekneld raakt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Media afspelen (p. 534)
Media AUX/USB-poort (p. 541)
Mediaspeler (p. 534)
Technische specificaties voor USB-eenheden (p. 542)
* Optie/accessoire. 541
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Technische specificaties voor
USB-eenheden
Om de inhoud van USB-eenheden te kunnen
lezen moet de eenheid aan de volgende specificaties voldoen.
Een eventuele mapstructuur is tijdens het
afspelen niet zichtbaar op het middendisplay.
Maximumaantal
Bestanden
15 000
Mappen
1 000
Mapniveaus
8
Speellijsten
100
Maximumaantal posten
in een speellijst
1 000
Submappen
Onbeperkt
Technische specificaties voor USB-Apoort
•
•
•
•
Aansluiting type A
Versie 2.0
542
Audiobestanden
Formaat
Bestandsextensie
Codec
MP3
.mp3
MPEG1 Layer III,
MPEG2 Layer III,
MP3 Pro (mp3compatibel),
MP3 HD (mp3compatibel)
AAC
.m4a, .m4b, .aac
AAC LC
(MPEG-4 part III
Audio), HE-AAC
(aacPlus v1/v2)
WMA
.wma
WMA8/9,
WMA9/10 Pro
WAV
.wav
LPCM
FLAC
.flac
FLAC
Videobestanden
Voeding 5 V
Formaat
Bestandsextensie
Maximale stroomsterkte 2,1 A
MP4
.mp4, .m4v
MPEG-PS
.mpg, .mp2, .mpeg, .m1v
Gerelateerde informatie
•
Compatibele formaten voor media
Voor het afspelen van media zijn de volgende
bestandsformaten vereist.
Media AUX/USB-poort (p. 541)
Formaat
Bestandsextensie
AVI
.avi
AVI (DivX)
.avi, .divx
ASF
.asf, .wmv
Ondertiteling
Formaat
Bestandsextensie
SubViewer
.sub
SubRip
.srt
SSA
.ssa
GELUID, MEDIA EN INTERNET
DivX®
DivX-gecertificeerde eenheden zijn getest op
hoogkwalitatieve videoweergave van DivX
(.divx, .avi). Wanneer het DivX-logo zichtbaar
is, kunnen er DivX-films afgespeeld worden.
Profiel
DivX Home Theater
Videocodec
DivX, MPEG-4
Resolutie
720x576
Audiobitsnelheid
(bit rate)
4.8Mbps
Beeldsnelheid
30 fps
Bestandsextensie
.divx, .avi
Maximale
bestandsgrootte
4 GB
Audiocodec
MP3, AC3
Ondertiteling
XSUB
Speciale functies
Referentie
Alternatieve ondertitels,
alternatieve audiotracks, weergave hervatten
Voldoet aan alle voorwaarden voor het DivX
Home Theater-profile.
Breng een bezoek aan
divx.com voor meer
informatie en programma's om bestanden te
converteren naar DivX
Home Theater-video.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Mediaspeler (p. 534)
Video (p. 539)
DivX® weergeven (p. 539)
Apple® CarPlay®*
CarPlay biedt u de mogelijkheid om tijdens
het rijden muziek te beluisteren, te bellen,
route-instructies te ontvangen, sms-berichten te versturen/ontvangen en Siri te raadplegen, zonder afgeleid te worden.
CarPlay werkt alleen met
bepaalde iOS-apparaten. Bij
auto's zonder CarPlay is de
app achteraf te installeren.
Neem contact op met een
Volvo-dealer om CarPlay te
installeren.
Informatie over de ondersteunde apps en de
compatibele iOS-apparaten vindt u op de
homepage van Apple: www.apple.com/ios/
carplay/. Gebruik van apps die niet compatibel
zijn met CarPlay kan er soms toe leiden dat de
verbinding tussen het apparaat en de auto
wegvalt. Let erop dat Volvo niet verantwoordelijk is voor de inhoud van CarPlay.
Bij gebruik van de kaartnavigatie via CarPlay
verschijnt de routebegeleiding niet op het
bestuurdersdisplay of het head-updisplay
maar alleen op het middendisplay.
Als u de navigatie via CarPlay start, wordt
eventuele lopende routebegeleiding van het
navigatiesysteem in de auto beëindigd.
De CarPlay-apps zijn te bedienen via het middendisplay, het iOS-apparaat of de rechter
stuurknoppenset (geldt voor bepaalde func-
}}
* Optie/accessoire. 543
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
ties). De apps zijn tevens te regelen met de
stembediening van de virtuele assistent Siri.
actiBij lang indrukken van de stuurknop
veert u de stembediening via de virtuele assistent Siri en bij kort indrukken activeert u de
stembediening van de auto. Als Siri te snel
wordt afgebroken, kunt u de stuurknop
ingedrukt houden.6.
Door Apple CarPlay te gebruiken stemt u
in met het volgende: Apple CarPlay is een
service van Apple Inc. die valt onder de
voorwaarden van Apple Inc. Volvo Cars is
daarom niet verantwoordelijk voor Apple
CarPlay of de functies/applicaties ervan.
Bij gebruik van Apple CarPlay, wordt
bepaalde informatie van uw auto
(waaronder de locatie van de auto)
doorgegeven aan uw iPhone. Ten aanzien
van Volvo Cars bent u zelf volledig
verantwoordelijk voor uw eigen gebruik
van Apple CarPlay of voor het gebruik door
iemand anders.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Apple® CarPlay®* gebruiken (p. 544)
Instellingen voor Apple® CarPlay®*
(p. 546)
Stembediening (p. 150)
6 Apple
544
•
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 138)
Apple® CarPlay®* gebruiken
Voor het gebruik van CarPlay moet u de digitale assistent Siri in uw iOS-apparaat zijn
geactiveerd. Voor een goede werking van alle
functies heeft de telefoon bovendien een
internetverbinding nodig via wifi of het mobiele netwerk.
Een iOS-apparaat aansluiten en
CarPlay starten
N.B.
CarPlay is alleen te gebruiken als Bluetooth
is uitgeschakeld. Een telefoon of mediaspeler die via Bluetooth is verbonden met
de auto, is dan ook niet beschikbaar als
CarPlay actief is. Om een internetverbinding te maken voor de boordapps moet u
een alternatieve internetbron gebruiken.
Gebruik Wi-Fi of de geïntegreerde automodem*.
Om CarPlay te starten vanaf een iOS-apparaat
dat niet eerder was aangesloten:
1.
Sluit een iOS-apparaat met ondersteuning
voor CarPlay aan op de USB-poort. Bij een
auto met twee USB-poorten moet u de
aansluiting met een witte omlijsting
gebruiken.
en CarPlay zijn geregistreerde handelsmerken van Apple Inc.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
2. Neem de voorwaarden door en druk vervolgens op Accepteren om een verbinding te maken.
> Het deelscherm met CarPlay wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
3. Als een andere app in hetzelfde deelscherm actief is, tik dan op Apple
CarPlay in het appscherm.
> Het deelscherm met CarPlay wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
3. Tik op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
4. Tik op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
CarPlay starten
Om CarPlay te starten vanaf een iOS-apparaat
dat eerder was aangesloten:
CarPlay werkt op de achtergrond als u, in hetzelfde deelscherm, een andere app start of als
er al een andere app actief is. Tik op het pictogram CarPlay in het appscherm om CarPlay
weer in het deelscherm te weer te geven.
1.
Sluit een iOS-apparaat aan op de USBpoort. Bij een auto met twee USB-poorten
moet u de aansluiting met een witte omlijsting gebruiken.
> Als de instelling voor automatische
inschakeling is gekozen – zal de
naam van het apparaat verschijnen. Het
deelscherm met CarPlay wordt automatisch geopend, wanneer het thuisscherm verschijnt bij aansluiting van
het iOS-apparaat.
2. Als het deelscherm met CarPlay niet automatisch wordt geopend, moet u de naam
van het apparaat aantikken. Het deelscherm met CarPlay wordt geopend en de
compatibele apps verschijnen.
Wisselen tussen CarPlay en iPod
Van CarPlay naar iPod
1. Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2. Ga verder naar Communicatie
CarPlay.
Van iPod naar CarPlay
1. Tik op Apple CarPlay op het appscherm.
2. Lees de informatie in het pop-upvenster
en druk vervolgens op OK.
3. Haal de verbinding op de USB-poort los
voor het iOS-apparaat en sluit het apparaat weer aan.
> Het deelscherm met Apple CarPlay
wordt geopend en de compatibele
apps verschijnen7.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Instellingen voor Apple® CarPlay®*
(p. 546)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 562)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
automodem (simkaart) (p. 563)
•
Stembediening (p. 150)
Apple
3. Vink het vakje uit voor het iOS-apparaat
dat bij aansluiting van de USB-kabel niet
langer tot automatisch activering van
CarPlay moet leiden.
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 541)
Apple® CarPlay®* (p. 543)
4. Haal de verbinding op de USB-poort los
voor het iOS-apparaat en sluit het apparaat weer aan.
5. Open de app iPod vanuit het appscherm.
7
Apple, CarPlay, iPhone en iPod zijn geregistreerde handelsmerken van Apple Inc.
* Optie/accessoire. 545
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Instellingen voor Apple® CarPlay®*
Instellingen voor een iOS-apparaat aangesloten met CarPlay8.
2. Druk op Geluid Systeemvolumes om
instellingen te verrichten voor het volgende:
• Stembediening
• Navi-stembegeleid.
• Ringtone telefoon
Automatisch starten
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2. Ga naar Communicatie
en kies de instelling:
•
•
Apple CarPlay
Vink het vakje aan - CarPlay start automatisch bij aansluiting van de USBkabel.
Vink het vakje uit - CarPlay start niet
automatisch bij aansluiting van de
USB-kabel.
Als de auto met meerdere mensen wordt
gedeeld, zoals bij carsharing, dient u er rekening mee te houden dat er maximaal 20 iOSapparaten in de lijst kunnen worden opgeslagen. Wanneer de lijst vol is, wordt bij aansluiting van een nieuwe eenheid de oudste aansluiting verwijderd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Apple® CarPlay®* (p. 543)
Apple®
CarPlay®*
Tips voor het gebruik van Apple®
CarPlay®*
Hier vindt u handige tips voor het gebruik van
CarPlay®.
• Werk uw iOS-apparaat bij met de
nieuwste versie van het besturingssysteem iOS en zorg dat u over de nieuwste
appversies beschikt.
•
Neem bij problemen met CarPlay het iOSapparaat los uit de USB-poort en sluit het
opnieuw aan. Het afsluiten en opnieuw
starten van de app die niet werkt is ook
het proberen waard of sluit alle apps en
start het apparaat opnieuw.
•
Als bij het starten van CarPlay de apps niet
verschijnen (zwart scherm), kan het minimaliseren en maximaliseren van het deelscherm CarPlay een oplossing zijn.
•
Gebruik van apps die niet compatibel zijn
met CarPlay kan er soms toe leiden dat de
verbinding tussen het iOS-apparaat en de
auto wegvalt. Informatie over de ondersteunde apps en de compatibele apparaten vindt u op de homepage van Apple.
Ook kunt u CarPlay in App Store zoeken
voor informatie over apps die compatibel
zijn met CarPlay op uw markt.
•
Met de hulp van Siri kunt u berichten
schrijven/dicteren en laten voorlezen. De
berichten worden voorgelezen in de taal
gebruiken (p. 544)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 138)
Om de lijst te verwijderen moet u de instellingen herstellen op het middendisplay (fabrieksinstellingen herstellen).
Systeemvolumes
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
8 Apple
546
en CarPlay zijn geregistreerde handelsmerken van Apple Inc.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
die in de instellingen voor Siri is gekozen.
Als er berichten worden geschreven/voorgelezen, wordt er geen tekst weergegeven
op het middendisplay, maar wordt de
tekst weergegeven in de iOS-eenheid. Let
er bij gebruik van Siri op dat de microfoons van de telefoon worden gebruikt en
dat de kwaliteit daarom afhankelijk is van
de plaatsing van de telefoon.
•
Bij gebruik van CarPlay wordt een eventuele Bluetooth-verbinding van het apparaat
met de auto verbroken. Herstel de internetverbinding van de auto dan door "internet sharing" via de Wi-Fi-hotspot van het
apparaat.
•
Bij gebruik van bepaalde CarPlay-functies
(zoals telefoontjes en sms-berichten)
maakt het scherm voor autofuncties automatisch plaats voor het scherm voor
CarPlay. Als dit niet wenselijk is, kunt u de
weergave van het scherm voor de desbetreffende CarPlay-functie onderdrukken
onder de telefooninstellingen voor notificaties.
•
N.B.
Beschikbaarheid en werking kunnen per
markt verschillen.
Gerelateerde informatie
•
•
Apple® CarPlay®* (p. 543)
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 562)
CarPlay werkt alleen in combinatie met
iPhone9.
9 Apple,
Android Auto*
Android Auto biedt u de mogelijkheid om tijdens het rijden muziek te beluisteren, te bellen, route-instructies te ontvangen en voor de
auto aangepaste apps op een Android-apparaat te gebruiken. Android Auto werkt alleen
met bepaalde Android-apparaten.
CarPlay en iPhone zijn geregistreerde handelsmerken van Apple Inc.
Informatie over de ondersteunde apps en de
compatibele Android-apparaten vindt u op de
homepage: www.android.com/auto/. Zie
Google Play voor apps van derden. Let erop
dat Volvo niet verantwoordelijk is voor de
inhoud van Android Auto.
Android Auto is te starten vanuit het appscherm. Wanneer u Android Auto eenmaal
hebt geactiveerd, zal de app een volgende
keer dat u hetzelfde apparaat aansluit opnieuw
}}
* Optie/accessoire. 547
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
worden gestart. Deze automatische activering
is uit te schakelen onder de instellingen.
N.B.
Wanneer er een apparaat gekoppeld is aan
Android Auto kunt u via Bluetooth muziek
streamen naar een andere mediaspeler.
Bluetooth is actief bij gebruik van Android
Auto.
Bij gebruik van de kaartnavigatie via
Android Auto verschijnt de routebegeleiding
niet op het bestuurdersdisplay of head-updisplay maar alleen op het middendisplay.
Android Auto is aan te sturen via het middendisplay, en wel met de rechter toetsenset van
het stuur of via stembediening. Door lang op
de stuurknop
te drukken, start Google
Assistent en een korte druk deactiveert dit.
Door Android Auto te gebruiken, stemt u
in met het volgende: Android Auto is een
onder de voorwaarden van Google Inc.
geleverde dienst. Volvo Cars is niet
verantwoordelijk voor Android Auto of de
functies of applicaties ervan. Wanneer u
Android Auto gebruikt, zet uw auto
bepaalde informatie (waaronder zijn
locatie) over naar uw verbonden Android
telefoon. U bent zelf volledig
verantwoordelijk voor uw eigen gebruik
van Android Auto en dat door anderen.
548
Gerelateerde informatie
•
•
Android Auto* gebruiken (p. 548)
Instellingen voor Android Auto* (p. 549)
Android Auto* gebruiken
Om de app Android Auto te gebruiken moet
de app op het Android-apparaat zijn geïnstalleerd en het apparaat moet zijn aangesloten
op de USB-poort van de auto.
N.B.
Om Android Auto te kunnen gebruiken
moet de auto zijn uitgerust met twee USBaansluitingen (USB-hub)*. Als de auto
slechts één USB-aansluiting heeft, kunt u
Android Auto niet gebruiken.
Eerste aansluiting van een Android
1. Sluit het Android-apparaat aan op de
USB-poort met de witte omlijsting.
2. Lees de informatie in het pop-upvenster
en druk vervolgens op OK.
3. Tik op Android Auto op het appscherm.
4. Neem de voorwaarden door en druk vervolgens op Accepteren om een verbinding te maken.
> Het deelscherm met Android Auto
wordt geopend en de compatibele
apps verschijnen.
5. Tik op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Eerder aangesloten Android
1. Sluit het apparaat aan op de USB-poort
met de witte omlijsting.
> Als de instelling voor automatische
inschakeling is gekozen – de naam
van het apparaat verschijnt.
2. Tik op de naam van het apparaat – het
deelscherm met Android Auto wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
3. Als u niet gekozen hebt voor automatische activering – open de app Android
Auto vanuit het appscherm.
> Het deelscherm met Android Auto
wordt geopend en de compatibele
apps verschijnen.
4. Tik op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
Android Auto blijft op actief op de achtergrond, als u vanuit hetzelfde deelscherm een
andere app start. Druk op het pictogram
Android Auto in het appscherm om
Android Auto weer in het deelscherm te weer
te geven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Android Auto* (p. 547)
Instellingen voor Android Auto* (p. 549)
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 541)
Stembediening (p. 150)
Instellingen voor Android Auto*
Gerelateerde informatie
Instellingen voor een Android-apparaat dat
voor het eerst via Android Auto is verbonden.
•
•
•
Automatisch starten
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2. Druk op Communicatie
en kies de instelling:
Android Auto* (p. 547)
Android Auto* gebruiken (p. 548)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 138)
Android Auto
•
Vink het vakje aan - Android Auto start
automatisch bij aansluiting van de
USB-kabel.
•
Vink het vakje uit - Android Auto start
niet automatisch bij aansluiting van de
USB-kabel.
De lijst kan maximaal 20 Android-apparaten
bevatten. Wanneer de lijst vol is, wordt bij
aansluiting van een nieuwe eenheid de oudste
aansluiting verwijderd.
Om de lijst te verwijderen moet u de fabrieksinstellingen herstellen.
Systeemvolumes
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2. Druk op Geluid Systeemvolumes om
instellingen te verrichten voor het volgende:
• Stembediening
• Navi-stembegeleid.
• Ringtone telefoon
* Optie/accessoire. 549
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Tips voor het gebruik van Android
Auto*
•
Hier vindt u handige tips voor het gebruik van
Android Auto.
• Zorg dat u over de nieuwste appversies
beschikt.
•
Wacht bij het starten van de auto totdat
het middendisplay is ingeschakeld, verbind het apparaat en open vervolgens
Android Auto vanuit het appscherm.
•
Neem bij problemen met Android Auto het
Android-apparaat los uit de USB-poort en
sluit het apparaat opnieuw aan. De desbetreffende app op het apparaat afsluiten en
opnieuw starten is ook het proberen
waard.
•
Wanneer er een apparaat is verbonden
met Android Auto, kunt u nog steeds via
Bluetooth media weergeven op een
andere mediaspeler. De Bluetooth-functie
is ingeschakeld bij het gebruik van
Android Auto.
•
550
•
Bij gebruik van Android Auto wordt een
eventuele Bluetooth-verbinding van het
apparaat met de auto verbroken. Herstel
de internetverbinding van de auto dan
door "internet sharing" via de Wi-Fi-hotspot van het apparaat.
Als de auto met meerdere mensen wordt
gedeeld, zoals bij carsharing het geval kan
zijn, dient u er rekening mee te houden dat
er maximaal 20 Android-apparaten in het
geheugen kunnen worden opgeslagen.
Wanneer de lijst vol is, wordt bij aansluiting van een nieuwe eenheid de oudste
aansluiting verwijderd. Om deze lijst te
verwijderen moet u de fabrieksinstellingen
herstellen.
Gerelateerde informatie
•
•
Android Auto* (p. 547)
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 562)
Telefoon
Een telefoon met Bluetooth is draadloos aan
te sluiten op het geïntegreerde handsfreesysteem van de auto.
Het audio- en mediasysteem werkt dan als
handsfree en biedt u de mogelijkheid om
enkele functies van uw telefoon op afstand te
bedienen. U kunt de telefoon ook na aansluiting nog via de knoppen op de telefoon bedienen.
Wanneer een telefoon is gekoppeld en aangesloten is op de auto, kunt u deze gebruiken om
te bellen, berichten te versturen/ontvangen en
media te streamen. Ook kunt u de telefoon
gebruiken als internetverbinding.
De telefoon is te bedienen via het middendisplay en voor een deel via stemcommando's en
het appmenu, dat bereikbaar is via de rechter
stuurknoppenset.
Als het pictogram voor Android Auto grijs
gemarkeerd is, betekent dit dat het desbetreffende apparaat niet is aangesloten. Bij
verbinding van het apparaat licht het pictogram op. Als het pictogram helemaal
ontbreekt, biedt de auto geen ondersteuning voor verbinding van een apparaat
voor het desbetreffende doel.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Overzicht
Microfoon.
Telefoon.
Telefoonfuncties op middendisplay.
Knoppenset die op het bestuurdersdisplay
verschijnt voor telefoonfuncties en voor
stembediening.
Bestuurdersdisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Telefoonfuncties (p. 555)
Telefoonboekfuncties (p. 558)
Berichtfuncties (p. 557)
Telefoon eerste keer verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 551)
•
Telefoon automatisch verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 553)
Telefoon eerste keer verbinden
met de auto via Bluetooth
•
Telefoon handmatig verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 554)
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 554)
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 555)
•
•
•
•
Bluetooth-eenheden verwijderen (p. 555)
•
•
Audio-instellingen (p. 522)
Verbind een telefoon met geactiveerde
Bluetooth-functie aan de auto, zodat u vervolgens vanuit de auto kunt bellen, berichten
kunt versturen/ontvangen, draadloos media
kunt afspelen en via de telefoon een internetverbinding voor de auto kunt maken.
Er kunnen twee Bluetooth-apparaten tegelijk
zijn aangesloten, waarbij het ene uitsluitend
bestemd is om draadloos te streamen. De
laatst verbonden telefoon wordt automatisch
verbonden om te kunnen bellen, berichten te
kunnen versturen/ontvangen, draadloos media
te kunnen afspelen en de telefoon te gebruiken voor een internetverbinding. Onder
Bluetooth-apparaten kunt u via het instellingsmenu op het hoofdscherm van het middendisplay wijzigingen aanbrengen in het
gebruik van de telefoon. De mobiele telefoon
moet zijn uitgerust met Bluetooth en ondersteuning bieden voor "internet sharing".
Instellingen voor telefoon (p. 559)
Stembediening (p. 150)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 108)
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon met Bluetooth-verbinding
(p. 561)
Wanneer het apparaat eenmaal via Bluetooth
verbonden/geregistreerd is, hoeft dit apparaat
niet langer zichtbaar/detecteerbaar te zijn.
Activering van de Bluetooth-functie volstaat.
Er kunnen maximaal 20 gepairde Bluetoothapparaten in de auto worden opgeslagen.
U kunt op twee manieren pairen. U zoekt de
telefoon vanuit de auto of u zoekt de auto
vanaf de telefoon.
}}
551
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Alternatief 1 – telefoon zoeken vanuit
de auto
1.
N.B.
Maak de telefoon identificeerbaar/zichtbaar via Bluetooth.
2. Open het deelscherm voor de telefoon op
het middendisplay.
•
Als er geen telefoon met de auto verbonden is – tik op Telefoon
toevoegen.
Als er een telefoon met de auto verbon. Druk in
den is – tik op Wijzigen
het pop-upvenster op Tel. toevoegen.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare Bluetooth-apparaten. Bij identificatie van nieuwe apparaten wordt de
lijst bijgewerkt.
•
3. Tik op de naam van de te pairen telefoon.
4. Controleer of de aangegeven cijfercode in
de auto overeenkomt met die op de telefoon. Accepteer in dat geval op beide punten.
5. Accepteer of weiger in de telefoon eventuele opties voor de contactpersonen en de
berichtfuncties van de telefoon.
•
Bij sommige telefoons moet de berichtenfunctie geactiveerd worden.
•
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel en ze kunnen dus niet allemaal contacten en berichten in de auto
tonen.
Alternatief 2 – auto zoeken vanaf de
telefoon
1.
6. Controleer of de aangegeven cijfercode in
de auto overeenkomt met de getoonde
code op de externe eenheid. Accepteer in
dat geval op beide punten.
7. Accepteer of weiger in de telefoon eventuele opties voor de contactpersonen en de
berichtfuncties van de telefoon.
Open het deelscherm voor de telefoon op
het middendisplay.
•
•
Als er geen telefoon met de auto verbonden is – tik op Telefoon toevoegen
Auto herkenbaar maken.
Als er een telefoon met de auto verbon. Druk in
den is – tik op Wijzigen
het pop-upvenster op Telefoon
toevoegen Auto herkenbaar
maken.
2. Activeer Bluetooth op de telefoon.
3. Zoek op de telefoon naar Bluetooth-apparaten.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare Bluetooth-apparaten.
4. Kies de naam van de auto op de telefoon.
552
5. In de auto verschijnt een pop-upvenster
met informatie over de verbinding. Bevestig de verbinding.
N.B.
•
Bij sommige telefoons moet de berichtenfunctie geactiveerd worden.
•
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel en ze kunnen dus niet allemaal contacten en berichten in de auto
tonen.
N.B.
Bij een update van het besturingssysteem
van de telefoon wordt de koppeling mogelijk onderbroken. Verwijder de telefoon dan
uit de auto en breng een nieuwe koppeling
tot stand.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Compatibele telefoons
Hoewel veel moderne telefoons Bluetoothtechnologie bieden, zijn niet alle telefoons volledig compatibel met de auto.
Zie support.volvocars.com voor compatibiliteit.
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 550)
Telefoon automatisch verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 553)
Telefoon automatisch verbinden
met de auto via Bluetooth
Het is mogelijk om een telefoon automatisch
via Bluetooth te verbinden. De telefoon moet
een keer eerder met de auto zijn verbonden.
Automatische aansluiting werkt alleen voor de
twee laatst gekoppelde telefoons.
1.
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon met Bluetooth-verbinding
(p. 561)
•
Contactslotstanden (p. 460)
Activeer Bluetooth op de telefoon alvorens
de auto in contactslotstand I te zetten.
2. Zet de auto in contactslotstand I of hoger.
> De telefoon wordt aangesloten.
•
Telefoon handmatig verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 554)
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 554)
•
•
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 555)
•
•
Bluetooth-eenheden verwijderen
(p. 555)
Telefoon handmatig verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 554)
•
•
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 559)
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 554)
•
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 555)
•
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon met Bluetooth-verbinding
(p. 561)
Bluetooth-eenheden verwijderen
(p. 555)
•
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 559)
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
Gerelateerde informatie
Telefoon (p. 550)
Telefoon eerste keer verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 551)
* Optie/accessoire. 553
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Telefoon handmatig verbinden met
de auto via Bluetooth
Het is mogelijk om een telefoon handmatig
via Bluetooth te verbinden. De telefoon moet
een keer eerder met de auto zijn verbonden.
1. Activeer Bluetooth op de telefoon.
2. Open het deelscherm voor de telefoon.
> Er verschijnt een lijst met de gekoppelde telefoons.
3. Druk op de naam van de te pairen telefoon.
> De telefoon wordt aangesloten.
Gerelateerde informatie
•
•
554
Telefoon (p. 550)
Telefoon eerste keer verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 551)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon met Bluetooth-verbinding
(p. 561)
Telefoon met Bluetooth-verbinding
loskoppelen
Het is mogelijk een telefoon met Bluetoothverbinding los te koppelen, waarna de telefoon niet langer is verbonden met de auto.
• De telefoon wordt automatisch losgekoppeld, wanneer deze buiten het bereik van
de auto komt. Als u de telefoon tijdens een
lopend telefoongesprek loskoppelt, wordt
het gesprek via de telefoon voortgezet.
•
De telefoon is ook los te koppelen door
Bluetooth handmatig te deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Telefoon (p. 550)
Instellingen voor telefoon (p. 559)
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 555)
•
Telefoon automatisch verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 553)
•
Bluetooth-eenheden verwijderen
(p. 555)
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 554)
•
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 559)
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 555)
•
Bluetooth-eenheden verwijderen
(p. 555)
•
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 559)
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Andere telefoon met Bluetoothverbinding kiezen
U kunt een andere telefoon met Bluetoothverbinding kiezen.
1. Open het deelscherm voor de telefoon.
of veeg het hoofd2. Tik op Wijzigen
scherm open en tik op Instellingen
Communicatie Bluetooth-apparaten
Apparaat toevoegen.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare Bluetooth-apparaten.
3. Druk op de aan te sluiten telefoon.
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 550)
Telefoon eerste keer verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 551)
Bluetooth-eenheden verwijderen
Telefoonfuncties
Apparaten zoals telefoons zijn te verwijderen
van de lijst met geregistreerde Bluetootheenheden.
1. Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
Verwerking van gesprekken in de auto voor
een telefoon met Bluetooth-verbinding.
2. Tik op Communicatie Bluetoothapparaten.
> Er verschijnt een lijst met de geregistreerde Bluetooth-apparaten.
3. Tik op de te verwijderen eenheid.
4. Tik op App. verwijderen en bevestig uw
keuze.
> De eenheid staat niet langer geregistreerd in de auto.
Algemene afbeelding.
Gerelateerde informatie
Bellen
•
•
Telefoon (p. 550)
Telefoon eerste keer verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 551)
•
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 559)
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 554)
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 554)
•
Bluetooth-eenheden verwijderen
(p. 555)
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 555)
•
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 559)
1.
Open het deelscherm voor de telefoon.
2. Geef aan hoe u wilt bellen: via de gesprekkenlijst, via de contactenlijst of geef het
nummer aan via de knoppenset. U kunt de
contactenlijst doorzoeken of doorbladein de contactenlijst om
ren. Druk op
een contactpersoon onder te brengen
onder Favorieten.
3. Tik op
4. Druk op
gen.
om te bellen.
om het gesprek te beëindi-
}}
555
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Het is ook mogelijk om te bellen via de
gesprekkenlijst in het appmenu, dat toeganke.
lijk is via de rechter stuurknoppenset
Ruggespraak
Tijdens lopende gesprekken:
1.
Tik op Voeg gesprek toe.
2. Geef aan hoe u wilt bellen: via de gesprekkenlijst, de favorieten of de contactenlijst.
3. Druk op een post/regel in de gesprekkenvoor de contactpersoon in
lijst of op
de contactenlijst.
1.
2. Druk op
gen.
2. Druk op
gen.
–
de handsfree-functie wordt uitgeschakeld en het gesprek gaat verder via de
mobiele telefoon.
• Op bestuurder gericht – de micro-
Telefoonoproepen verschijnen op het bestuurdersdisplay en op het middendisplay. Voer het
gesprek met de rechter stuurknoppenset of
met het middendisplay.
556
foon in het plafond aan de passagierszijde wordt uitgeschakeld en het
gesprek gaat verder via de handsfreefunctie van de auto.
Tik op Gesprekken samenv. om de
lopende gesprekken samen te voegen.
Telefoonoproepen
Druk tijdens een lopend gesprek op
Privacy en kies de instelling:
• Naar mobiele telefoon schakelen –
Conferentiegesprek
Tijdens ruggespraak:
om het gesprek te beëindi-
om het gesprek te beëindi-
Privégesprek
om het lopende gesprek te
5. Druk op
beëindigen.
2. Druk op
gen.
om het gesprek te beëindi-
Telefoonoproepen tijdens lopende
telefoongesprekken
1. Tik op Antwoorden/Afwijzen.
4. Tik op Wissel gesprek om te wisselen
tussen gesprekken.
1.
Tik op Antwoorden/Afwijzen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Telefoon (p. 550)
Telefoon eerste keer verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 551)
Stembediening telefoon (p. 153)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 108)
•
•
•
•
Handmatig tekens, letters of woorden
invoeren op middendisplay (p. 133)
Telefoonboekfuncties (p. 558)
Berichtfuncties (p. 557)
Audio-instellingen (p. 522)
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Berichtfuncties10
Verwerking van berichten in de auto voor een
telefoon met Bluetooth-verbinding.
Op sommige telefoons moet de functie
'Berichten' worden geactiveerd. Niet alle telefoons zijn volledig compatibel, zodat contactpersonen en meldingen niet altijd in de auto te
tonen zijn.
Zie support.volvocars.com voor compatibiliteit.
Tekstberichten op middendisplay
hanteren
Tekstberichten verschijnt alleen op het middendisplay als u deze instelling hebt gekozen.
Tik op Berichten in het appscherm voor berichtfuncties
op het middendisplay.
Tekstberichten op middendisplay laten
voorlezen
Tik op het pictogram om de melding
te laten voorlezen.
10
11
Tekstberichten op middendisplay
versturen11
1. U kunt een bericht beantwoorden of een
nieuw bericht aanmaken.
•
•
Berichten beantwoorden – op de contactpersoon drukken van wie u een
bericht wilt beantwoorden en druk vervolgens op Antwoorden.
Nieuw bericht aanmaken – tik op
Nieuw aanmaken. Kies een contactpersoon of voer een nummer in.
2. Schrijf het bericht.
3. Tik op Verzenden.
Tekstbericht op bestuurdersdisplay
hanteren
Tekstberichten verschijnt alleen op het
bestuurdersdisplay als u deze instelling hebt
gekozen.
Nieuw tekstbericht op bestuurdersdisplay
laten voorlezen
– Kies met de stuurknoppenset voor
Oplezen om het bericht te laten voorlezen.
Reactie dicteren op bestuurdersdisplay
Nadat het bericht is voorgelezen kunt u een
korte reactie dicteren als de auto een internetverbinding heeft.
–
Tik op Antwoorden van de stuurknoppenset. Er verschijnt een dicteerdialoog.
Berichtmelding
In de instellingen voor sms-berichten kunt u
notificaties activeren en deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Telefoon (p. 550)
Instellingen voor tekstbericht (p. 558)
Instellingen voor telefoon (p. 559)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
•
•
Stembediening telefoon (p. 153)
•
Telefoon eerste keer verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 551)
•
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 567)
Handmatig tekens, letters of woorden
invoeren op middendisplay (p. 133)
Geldt alleen voor bepaalde markten. Neem voor meer informatie contact op met een Volvo-dealer.
Slechts bepaalde telefoons kunnen berichten verzenden via de auto.
* Optie/accessoire. 557
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Instellingen voor tekstbericht
Telefoonboekfuncties
Instellingen voor tekstbericht op aangesloten
telefoon.
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
Wanneer een telefoon via Bluetooth is verbonden met de auto kunt u rechtstreeks via
het middendisplay contactpersonen zoeken.
Er zijn tot 3000 contactpersonen van de
gekozen telefoon weer te geven op het middendisplay.
2. Druk op Communicatie
Tekstberichten en kies instellingen.
• Melding in middendisplay - bericht• Melding in bestuurdersdisplay - meldingen op het bestuurdersdisplay weergeven; inkomende berichten zijn te
hanteren via de rechter stuurknoppenset.
•
• Tekstberichttoon - signaal voor binnenkomende sms-berichten kiezen.
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 550)
Telefoon eerste keer verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 551)
Berichtfuncties (p. 557)
Instellingen voor telefoon (p. 559)
Blader de letters tot en met
door om
de contactpersoon van uw keuze te vinden. Afhankelijk van de contacten die in
het telefoonboek staan verschijnen alleen
bepaalde letters.
Contacten zoeken – druk op
om een
telefoonnummer of naam te zoeken in de
lijst met contacten.
Favorieten – druk op
om een contact
toe te voegen aan de lijst met favorieten of
ervan te verwijderen.
558
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
meldingen op de statusbalk van het
middendisplay weergeven.
•
•
Sorteren
De lijst met contacten staat op alfabetische
volgorde en speciale tekens en cijfers staan
. U kunt sorteren op voor- of achteronder
naam; u maakt een keuze in de instellingen
voor de telefoon.
Telefoon (p. 550)
Instellingen voor telefoon (p. 559)
Stembediening telefoon (p. 153)
Handmatig tekens, letters of woorden
invoeren op middendisplay (p. 133)
Telefoon eerste keer verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 551)
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Instellingen voor telefoon
•
Wanneer de telefoon verbonden is met de
auto zijn de volgende instellingen te kiezen.
1. Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 559)
Instellingen voor Bluetoothapparaten
•
Telefoon eerste keer verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 551)
2. Tik op Communicatie
instellingen.
•
•
Head-updisplay* (p. 147)
Er zijn instellingen te verrichten voor apparaten die via Bluetooth zijn aangesloten.
1. Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
Telefoon en kies
• Beltonen – keuze van belsignaal. Het
is mogelijk om belsignalen van de telefoon of de auto te gebruiken. Bepaalde
telefoons zijn niet volledig compatibel
en dan kunnen de belsignalen van de
telefoon niet in de auto worden
gebruikt. 12
• Sorteervolgorde - sorteervolgorde van
contactenlijst kiezen.
Audio-instellingen (p. 522)
2. Tik op Communicatie Bluetoothapparaten en kies instellingen.
• Apparaat toevoegen – nieuwe eenheid
koppelen.
• Eerder gekoppelde apparaten – lijst
met geregistreerde/gekoppelde eenheden
weergeven.
• App. verwijderen – eerder gekoppelde
eenheid verwijderen.
• Toegestane diensten voor dit apparaat
– instellen waarvoor u het apparaat wilt
gebruiken: bellen, berichten sturen/lezen,
media streamen of als middel voor internetverbinding.
Gespreksberichten op headupdisplay*
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2. Druk op My Car Displays
head-up display.
Opties
3. Kies Toon telefoon.
Gerelateerde informatie
•
•
12
Telefoon (p. 550)
Instellingen voor tekstbericht (p. 558)
Zie support.volvocars.com voor compatibiliteit.
• Internetverbinding – internetverbinding
voor de auto maken via de Bluetooth-aansluiting van het apparaat
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 550)
Instellingen voor telefoon (p. 559)
}}
* Optie/accessoire. 559
GELUID, MEDIA EN INTERNET
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
Auto met actieve
internetverbinding*
•
Telefoon eerste keer verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 551)
Wanneer de auto een internetverbinding
heeft kunt u bijvoorbeeld gebruikmaken van
webradio en muziekdiensten via boordapps,
software downloaden en contact opnemen
met de dealer.
De auto maakt een internetverbinding via
Bluetooth, Wi-Fi of via de ingebouwde automodem* (simkaart).
Wanneer de auto een internetverbinding heeft,
is het mogelijk om de internetverbinding (wifihotspot) te delen, zodat andere eenheden
zoals tablets gebruik kunnen maken van de
internetverbinding13.
Een symbool op de statusbalk van het middendisplay geeft de internetstatus weer.
N.B.
Bij gebruik van internet wordt data overgebracht (dataverkeer) en dat kan kosten met
zich meebrengen.
Het activeren van dataroaming kan tot verdere kosten leiden.
Informeer bij uw provider naar de kosten
voor dataverkeer.
N.B.
Bij gebruik van Apple CarPlay kunt u alleen
een internetverbinding voor de auto maken
via Wi-Fi of de automodem*.
N.B.
Bij gebruik van Android Auto kunt u een
internetverbinding voor de auto maken via
Wi-Fi, Bluetooth of de automodem*.
Voordat de auto met internet wordt verbonden, moet u de supportinformatie over voorwaarden voor diensten en het privacybeleid
voor klanten doornemen op
www.volvocars.com.
13
560
Geldt niet bij aansluiting met Wi-Fi.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Gerelateerde informatie
•
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 127)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon met Bluetooth-verbinding
(p. 561)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 562)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
automodem (simkaart) (p. 563)
•
•
Apps (p. 524)
Geen internetverbinding of een slechte
verbinding (p. 565)
•
Internetverbinding van auto delen via
Wi-Fi-hotspot (p. 564)
•
•
Wi-Fi-netwerk verwijderen (p. 566)
•
•
Volvo ID (p. 28)
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi
(p. 566)
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 567)
Internetverbinding voor de auto
maken via een telefoon met
Bluetooth-verbinding
5. Vink het vakje voor Bluetoothinternetaansluiting aan onder de rubriek
Internetverbinding.
Deel de internetverbinding van een telefoon
via Bluetooth om een internetverbinding te
maken en toegang te krijgen tot diverse onlinediensten voor de auto.
1. Om een internetverbinding te kunnen
maken voor de auto via een telefoon met
Bluetooth-verbinding moet de bewuste
telefoon eenmaal eerder via Bluetooth met
de auto zijn verbonden.
6. Als u een andere methode voor de internetverbinding gebruikt, bevestigt u de
keuze van een andere verbindingsmethode.
> Uw auto heeft daarmee een internetverbinding via de via Bluetooth aangesloten telefoon.
N.B.
2. Controleer of de telefoon ondersteuning
biedt voor "internet sharing" en of de functie is geactiveerd. Bij een iPhone heet
deze functie “internet sharing”. Bij
Android-telefoons kan deze functie verschillende namen hebben, maar de functie
wordt vaak aangeduid als “hotspot”. Bij
iPhone-telefoons moet tevens de menupagina "internet sharing" geopend zijn totdat
een internetverbinding is gemaakt.
De telefoon en netwerkprovider moeten
tethering (het delen van een internetverbinding) ondersteunen en de bundel moet
inclusief dataverkeer zijn.
N.B.
Bij gebruik van Apple CarPlay kunt u alleen
een internetverbinding voor de auto maken
via Wi-Fi of de automodem*.
3. Als de telefoon eerder via Bluetooth was
verbonden, tik dan op Instellingen op het
hoofdscherm van het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
4. Tik op Communicatie
apparaten.
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
automodem (simkaart) (p. 563)
•
Telefoon eerste keer verbinden met de
auto via Bluetooth (p. 551)
Bluetooth-
}}
* Optie/accessoire. 561
GELUID, MEDIA EN INTERNET
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 562)
Internetverbinding voor de auto
maken via een telefoon (Wi-Fi)
•
•
Apple® CarPlay®* (p. 543)
Deel de internetverbinding van een telefoon
via wifi om een internetverbinding te maken
en toegang te krijgen tot diverse onlinediensten voor de auto.
1. Controleer of de telefoon ondersteuning
biedt voor "internet sharing" en of de functie is geactiveerd. Bij een iPhone heet
deze functie “internet sharing”. Bij
Android-telefoons kan deze functie verschillende namen hebben, maar de functie
wordt vaak aangeduid als “hotspot”. Bij
iPhone-telefoons moet tevens de menupagina "internet sharing" geopend zijn totdat
een internetverbinding is gemaakt.
•
Geen internetverbinding of een slechte
verbinding (p. 565)
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 559)
2. Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
3. Ga verder naar Communicatie
Wi-Fi.
4. Activeer/deactiveer de optie door het
vakje voor Wi-Fi aan/uit te vinken.
5. Als u een andere methode voor de internetverbinding gebruikt, bevestigt u de
keuze van een andere verbindingsmethode.
7. Geef het wachtwoord van het netwerk
aan.
> De auto maakt een verbinding tot stand
met het netwerk.
Let erop dat sommige telefoons de internetverbinding verbreken, wanneer de verbinding
met de auto is verbroken (zoals wanneer u de
auto ergens parkeert tot de volgende keer dat
u hem nodig hebt). In dat geval moet u bij een
volgend gebruik van de telefoon de "internet
sharing" opnieuw activeren.
Een telefoon die verbinding heeft gemaakt
met de auto wordt opgeslagen voor later
gebruik. Om een lijst met opgeslagen netwerken weer te geven of opgeslagen netwerken
handmatig te verwijderen, gaat u naar
Instellingen Communicatie Wi-Fi
Opgeslagen netwerken.
N.B.
De telefoon en netwerkprovider moeten
tethering (het delen van een internetverbinding) ondersteunen en de bundel moet
inclusief dataverkeer zijn.
6. Tik op de naam van het netwerk waarop u
wilt aansluiten.
562
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Internetverbinding voor de auto
maken via automodem (simkaart)
De eisen die aan de techniek en beveiliging
voor de wifi-verbinding worden gesteld staan
elders beschreven.
Het is mogelijk een internetverbinding te
maken via de automodem en een persoonlijke simkaart (P-SIM)*.
Auto's uitgerust met Volvo On Call gebruiken
voor de diensten de internetverbinding met de
automodem.
1.
Gerelateerde informatie
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
•
•
Wi-Fi-netwerk verwijderen (p. 566)
•
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi
(p. 566)
4. Activeer/deactiveer de functie door het
vakje voor Internet via automodem
aan/uit te vinken.
5. Als u een andere methode voor de internetverbinding gebruikt, bevestigt u de
keuze van een andere verbindingsmethode.
6. Geef de pincode van de simkaart aan.
> De auto maakt een verbinding tot stand
met het netwerk.
N.B.
Let op: de simkaart die wordt gebruikt voor
de internetverbinding via P-SIM kan niet
hetzelfde telefoonnummer hebben als de
simkaart van de telefoon. Als dat wel
gebeurt, kunnen er geen gesprekken worden doorgeschakeld naar de telefoon.
Gebruik daarom voor de internetverbinding
een simkaart met een apart telefoonnummer óf een datakaart die geen gesprekken
verwerkt en om die reden de werking van
de telefoon niet kan verstoren.
Geen internetverbinding of een slechte
verbinding (p. 565)
Plaats een persoonlijke simkaart in de houder onder de vloer in de bagageruimte.
Let erop dat de simkaartlezer van de auto
een mini-SIM vereist.
2. Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
3. Tik op Communicatie
automodem.
Internet via
Gerelateerde informatie
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
•
Geen internetverbinding of een slechte
verbinding (p. 565)
•
Instellingen voor automodem* (p. 564)
* Optie/accessoire. 563
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Instellingen voor automodem*
De auto is uitgerust met een modem die u
kunt gebruiken om de auto met internet te
verbinden. U kunt de internetverbinding
tevens delen via Wi-Fi.
1. Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
automodem moet worden gebruikt voor
internetverbinding.
Als de auto een internetverbinding heeft, is
het mogelijk om de internetverbinding te
delen, zodat andere eenheden gebruik kunnen maken van de internetverbinding14.
N.B.
Let op: de simkaart die wordt gebruikt voor
de internetverbinding via P-SIM kan niet
hetzelfde telefoonnummer hebben als de
simkaart van de telefoon. Als dat wel
gebeurt, kunnen er geen gesprekken worden doorgeschakeld naar de telefoon.
Gebruik daarom voor de internetverbinding
een simkaart met een apart telefoonnummer óf een datakaart die geen gesprekken
verwerkt en om die reden de werking van
de telefoon niet kan verstoren.
• Datagebruik - bij het indrukken van
Reset worden de tellers voor de ontvangen en verstuurde hoeveelheid gegevens
op nul gezet.
• Netwerk
Provider selecteren - netwerkprovider
automatisch of handmatig kiezen.
Gerelateerde informatie
•
Internetverbinding voor de auto maken via
automodem (simkaart) (p. 563)
•
Geen internetverbinding of een slechte
verbinding (p. 565)
• Pincode simkaart
564
Pincode uitschakelen - aangeven of de
pincode vereist is voor gebruik van de simkaart.
bijvoorbeeld het saldo op een chipkaart op
te laden of te controleren. Deze functie is
afhankelijk van de provider.
• Internet via automodem - aangeven of
14
Internetverbinding van auto delen
via Wi-Fi-hotspot
• Aanvraagcode verzenden - bestemd om
2. Tik op Communicatie Internet via
automodem en kies instellingen.
Roaming - is dit vakje aangevinkt, dan zal
de automodem proberen verbinding te
maken met internet op het moment dat de
auto zich in het buitenland buiten het
thuisnetwerk bevindt. Let erop dat dit tot
hoge kosten kan leiden. Controleer uw
roamingovereenkomst met betrekking tot
dataverkeer in het buitenland met uw netwerkprovider in uw eigen land.
Wijzig pincode - maximaal 4 cijfers aangeven.
Geldt niet wanneer de auto een internetverbinding via Wi-Fi heeft.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
De provider (simkaart) moet ondersteuning
bieden voor tethering (delen van de internetverbinding).
1.
N.B.
Het activeren van Wi-Fi-hotspot kan tot
verdere kosten van uw provider leiden.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2. Tik op Communicatie
auto.
Informeer bij uw provider naar de kosten
voor dataverkeer.
Wi-Fi hotspot
3. Tik op Netwerknaam en geeft de wifihotspot een naam.
Een symbool op de statusbalk van het middendisplay geeft de verbindingsstatus weer.
4. Tik op Wachtwoord en kies een wachtwoord dat u vervolgens op de te koppelen
eenheden moet aangeven.
Tik op Aangesloten apparaten voor een lijst
met de op dit moment aangesloten eenheden.
5. Tik op Frequentieband en kies de zendfrequentie voor de wifi-hotspot. Let erop
dat de te hanteren frequentieband niet op
alle markten te specificeren is.
•
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 127)
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
•
Geen internetverbinding of een slechte
verbinding (p. 565)
6. Activeer/deactiveer de functie door het
vakje voor Wi-Fi hotspot auto aan/uit te
vinken.
7. Als u Wi-Fi gebruikt als methode voor de
internetverbinding, bevestigt u de keuze
van een andere verbindingsmethode.
> Externe eenheden kunnen vervolgens
verbinding maken met de "internet sharing" (Wi-Fi-hotspot) van de auto.
Gerelateerde informatie
Geen internetverbinding of een
slechte verbinding
Factoren die van invloed zijn op de internetverbinding
De uitgewisselde hoeveelheid gegevens is
afhankelijk van de diensten of apps die in de
auto worden gebruikt. Het streamen van audio
kan bijvoorbeeld tot een grote hoeveelheid
dataverkeer leiden en dat vereist een goede
verbinding en signaalsterkte.
Verbinding tussen telefoon en auto
De snelheid van de internetverbinding kan
variëren afhankelijk van de positie van de telefoon in de auto. Plaats de telefoon dichter bij
het middendisplay om de signaalsterkte te
verbeteren. Zorg dat de signalen niet worden
gehinderd.
Verbinding tussen telefoon en
netwerkprovider
De snelheid binnen het mobiele netwerk varieert afhankelijk van de dekking op de actuele
locatie. Een slechtere netwerkdekking is bijvoorbeeld mogelijk in tunnels, achter bergen,
in diepe dalen of in gebouwen. De snelheid is
ook afhankelijk van uw overeenkomst met uw
teleprovider.
N.B.
Neem bij problemen met de dataoverdracht contact op met uw provider.
}}
* Optie/accessoire. 565
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Telefoon herstarten
Wi-Fi-netwerk verwijderen
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi
Problemen met de internetverbinding zijn
soms te verhelpen door de telefoon opnieuw
op te starten.
Niet gebruikte netwerken verwijderen.
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
Mogelijke netwerktypes voor aansluiting.
Aansluiting is alleen mogelijk op netwerken
van het volgende type:
Gerelateerde informatie
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
•
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi
(p. 566)
2. Ga verder naar Communicatie
Opgeslagen netwerken.
Wi-Fi
3. Druk op Vergeten voor het te verwijderen
netwerk.
4. Bevestig uw keuze.
> De auto zal vervolgens geen verbinding
tot stand brengen met het desbetreffende netwerk.
Alle netwerken uit geheugen
verwijderen
U kunt alle netwerken in één keer verwijderen
door de fabrieksinstellingen te herstellen.
Houd er in dat geval rekening mee dat dan de
fabrieksinstellingen worden hersteld voor alle
gebruikersgegevens en systeeminstellingen.
•
•
•
Frequentie - 2,4 of 5 GHz15.
Standaarden - 802.11 a/b/g/n.
Beveiligingstype - WPA2-AES-CCMP.
Het Wi-Fi-systeem van de auto is zo ingericht
dat het Wi-Fi-eenheden in de auto kan hanteren.
Als meerdere eenheden op dezelfde frequentie
actief zijn, kunnen de prestaties afnemen.
Gerelateerde informatie
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
Gerelateerde informatie
15
566
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
•
Geen internetverbinding of een slechte
verbinding (p. 565)
•
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 138)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 562)
Het kiezen van een frequentie is niet op alle markten mogelijk.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Gebruiksvoorwaarden en
gegevensuitwisseling
De eerste keer dat u bepaalde diensten en
apps start, verschijnt mogelijk een popupvenster met de titel Voorwaarden en
Gegevensuitwisseling.
Het venster dient om te informeren over de
gebruiksvoorwaarden en het beleid voor gegevensuitwisseling dat Volvo hanteert. Door
akkoord te gaan gegevensuitwisseling stemt
de gebruiker erin toe dat de auto bepaalde
informatie verstuurt. Dit is een vereiste voor
optimale werking van bepaalde diensten en
apps.
De gegevensuitwisseling voor connected
diensten en gedownloade apps is standaard
gedeactiveerd16. Om bepaalde connected
diensten en apps in de auto te kunnen gebruiken moet de gegevensuitwisseling worden
geactiveerd. Gegevensuitwisseling kan worden ingesteld via het instellingenmenu van het
middendisplay of op het moment dat de diensten of apps worden gestart op het middendisplay.
Integriteit en gegevensuitwisseling
Toen de software-update in november 2017
beschikbaar kwam, zijn de integriteits- en
gegevensuitwisselinginstellingen voor connected diensten en gedownloade apps geïntrodu-
16
Geldt niet voor Volvo On Call*.
ceerd. U vindt de instellingen onder Privacy
en gegevens in het instellingenmenu op het
middendisplay van de auto.
Daar kunt u kiezen welke connected diensten
gegevens mogen uitwisselen. Gegevensuitwisseling voor gedownloade apps kan hier
ook worden gedeactiveerd. Let erop dat diensten en apps niet naar behoren kunnen werken als gegevensuitwisseling is gedeactiveerd.
Na het herstellen van de fabrieksinstellingen of
na bijv. een bezoek aan de werkplaats of een
software-update kunnen de instellingen voor
gegevensuitwisseling zijn teruggezet naar de
standaardwaarden. In dat geval moet de gegevensuitwisseling voor connected diensten en
gedownloade apps opnieuw worden geactiveerd.
N.B.
De instellingen voor privacy en gegevensuitwisseling zijn uniek voor ieder bestuurdersprofiel.
Gerelateerde informatie
•
Gegevensuitwisseling activeren en deactiveren (p. 567)
Gegevensuitwisseling activeren en
deactiveren
In het instellingsmenu van het middendisplay
kunt u de gegevensuitwisseling van de desbetreffende diensten en apps instellen.
1. Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2. Tik op Systeem
Privacy en gegevens.
3. Geef aan of uw de gegevensuitwisseling
wilt in- of uitschakelen voor bepaalde
diensten en alle apps.
Als de gegevensuitwisseling voor connected
diensten of gedownloade apps niet al is geactiveerd, kunt u dat doen tijdens het eerste
gebruik via het middendisplay. De eerste keer
dat u connected diensten of gedownloade
apps gebruikt en na bijv. het herstellen van de
fabrieksinstellingen of het downloaden van
bepaalde software-updates moet u akkoord
gaan met Volvo's voorwaarden voor connected diensten. Let er in dat geval op dat u daarmee ook de gegevensuitwisseling activeert
voor andere connected diensten en gedownloade apps waarvoor u de gegevensuitwisseling al eerder hebt geactiveerd.
}}
* Optie/accessoire. 567
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
N.B.
Na een bezoek aan een Volvo-werkplaats
moet u de gegevensuitwisseling mogelijk
opnieuw inschakelen om weer gebruik te
kunnen maken van connectiviteitsdiensten
en apps.
Gerelateerde informatie
•
568
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 567)
Gegevensuitwisseling voor
diensten
Gegevensuitwisseling activeren
wanneer u een dienst start
Als u gegevensuitwisseling niet voor een connected dienst of gedownloade apps hebt
geactiveerd, kunt u dat doen als u ze start op
het middendisplay. De eerste keer dat u een
dienst start na bijv. het herstellen van de
fabrieksinstellingen of het downloaden van
bepaalde software-updates moet u ook
akkoord gaan met Volvo's voorwaarden voor
connected diensten.
1.
Kies de te activeren functie of dienst.
> De eerste keer dat u een dienst start na
bijv. het herstellen van de fabrieksinstellingen of het downloaden van bepaalde
software-updates moet u eerst akkoord
gaan met Volvo's voorwaarden voor
connected diensten.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
2. Ga akkoord met gegevensuitwisseling
voor de dienst of breek af.
Vrije geheugenruimte op harde
schijf
Als u akkoord gaat, wordt gegevensuitwisseling geactiveerd en kunt u de dienst gebruiken.
Het is mogelijk de vrije geheugenruimte te
bekijken die beschikbaar is op de harde schijf
van de auto.
Het is mogelijk informatie weer te geven over
de harde schijf van de auto, zoals de totale
capaciteit, de beschikbare geheugenruimte en
de gebruikte geheugenruimte voor geïnstalleerde apps. U vindt de informatie onder
Instellingen Systeem
Systeeminformatie Opslag.
Gegevensuitwisseling activeren als u
een app start
Voor het goedkeuren van gegevensuitwisseling voor een app moet u de app starten en op
toestaan in het pop-upvenster klikken.
U kunt gegevensuitwisseling voor diensten en
apps deactiveren in het instellingenmenu
onder Systeem Privacy en gegevens
Gegevensuitwisseling.
Gerelateerde informatie
•
Apps (p. 524)
569
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Licentieovereenkomst voor audio
en media
Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen
te verrichten of het recht om gebruik te
maken van een product waar een andere
rechtspersoon octrooi of eigendomsrechten
op heeft, onder de voorwaarden vervat in de
overeenkomst. Hier volgen de teksten van de
overeenkomsten tussen Volvo en producenten/ontwikkelaars. Een groot aantal van deze
teksten is in het Engels.
Bowers & Wilkins
Bowers & Wilkins en B&W zijn handelsmerken van B&W Group Ltd. Nautilus is een handelsmerk van B&W Group Ltd. Kevlar is een
geregistreerd handelsmerk van DuPont.
570
Dirac Unison®
DivX®
Dirac Unison optimaliseert de luidsprekers qua
tijd, ruimte en frequentie voor optimale basintegratie en helderheid. De technologie maakt
ook een waarheidsgetrouwe weergave mogelijk van de akoestische eigenschappen van
specifieke concertzalen. Met behulp van
geavanceerde algoritmes stuurt Dirac Unison
op digitale wijze alle luidsprekers aan op basis
van akoestische metingen met een grote
nauwkeurigheid. Net als een echte dirigent
garandeert Dirac Unison dat de luidsprekers
bij de weergave perfect op elkaar zijn afgestemd.
DivX®, DivX Certified® en daaraan gerelateerde
logo's zijn handelsmerken die eigendom zijn
van DivX, LLC en worden gebruikt onder licentie.
Dit DivX Certified® apparaat kan DivX® Home
Theater videobestanden tot 576p weergeven
(inclusief .avi, .divx). Download gratis software
van www.divx.com om digitale videobestanden te maken, weergeven en streamen.
OVER DIVX VIDEO-ON-DEMAND: Om
Video-on-Demand-films (VOD) in DivX-formaat te kunnen afspelen moet u deze DivX
Certified® eenheid eerst registreren. U vindt
uw registratiecode via de sectie DivX VOD in
het instellingsmenu van de eenheid. Breng
voor meer informatie over het afronden van de
registratie een bezoek aan vod.divx.com.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Octrooinummer
Beschermd door een of meer van de volgende
octrooien in de VS. 7,295,673; 7,460,668;
7,515,710; 8,656,183; 8,731,369; RE45,052
Gracenote®
Het copyright © van bepaalde delen van de
inhoud berust bij Gracenote of zijn leveranciers.
Gracenote, Gracenote-logo en -logotype,
"Powered by Gracenote" en Gracenote
MusicID zijn geregistreerde handelsmerken of
handelsmerken die eigendom zijn van
Gracenote, Inc. in de VS en/of andere landen.
Licentieovereenkomst Gracenote®
Deze toepassing of dit apparaat bevat software van Gracenote, Inc. uit Emeryville, Californië (“Gracenote”). Met de software van
Gracenote (“Gracenote-software”) kan deze
toepassing schijf- en of bestandsidentificatie
uitvoeren en muziekverwante gegevens ophalen, waaronder informatie over de naam,
artiest, track en titel (“Gracenote-gegevens”)
vanuit online-servers of ingesloten databases
(samen “Gracenote-servers”). De toepassing
kan tevens andere functies verrichten. U mag
Gracenote-gegevens uitsluitend gebruiken
door middel van de beoogde eindgebruikersfuncties van deze toepassing of dit apparaat.
U stemt ermee in de Gracenote-gegevens, de
Gracenote-software en Gracenote-servers uitsluitend voor uw eigen, niet-commercieel privégebruik te gebruiken. U stemt ermee in de
Gracenote-software of welke Gracenotegegevens dan ook niet aan derden toe te wijzen, te kopiëren, over te dragen of door te zenden. U STEMT ERMEE IN DE GRACENOTEGEGEVENS, DE GRACENOTE-SOFTWARE
OF DE GRACENOTE-SERVERS UITSLUITEND TE GEBRUIKEN OP DE MANIER DIE
HIERIN UITDRUKKELIJK WORDT TOEGESTAAN.
U stemt ermee in dat uw niet-exclusieve licentie om de Gracenote-gegevens, de Gracenotesoftware en de Gracenote-servers te gebruiken, zal worden beëindigd als u inbreuk maakt
op deze beperkingen. Als uw licentie wordt
beëindigd, stemt u ermee in op geen enkele
wijze meer gebruik te maken van de Gracenote-gegevens, de Gracenote-software en de
Gracenote-servers. Gracenote behoudt zich
alle rechten voor met betrekking tot de Gracenote-gegevens, de Gracenote-software en de
Gracenote-servers, inclusief alle eigendoms-
rechten. In geen geval is Gracenote aansprakelijk voor betaling aan u voor informatie die u
verschaft. U stemt ermee in dat Gracenote,
Inc. volgens deze overeenkomst uit eigen
naam rechtstreeks mag toezien op naleving
van de rechten jegens u.
De Gracenote-service gebruikt een unieke
identificatiecode om query's na te sporen voor
statistische doeleinden. Het doel van deze willekeurig toegewezen numerieke code is om de
Gracenote-service query's te laten tellen zonder te weten wie u bent. Ga voor meer informatie naar de webpagina over het Privacybeleid van Gracenote voor de Gracenote-service.
De licentie voor de Gracenote-software en alle
onderdelen van de Gracenote-gegevens wordt
verstrekt op “AS IS”-basis. Gracenote doet
geen toezeggingen en verstrekt geen garantie,
uitdrukkelijk of stilzwijgend, ten aanzien van
de juistheid van de Gracenote-gegevens op de
Gracenote-servers. Gracenote behoudt zich
het recht voor om gegevens te verwijderen
van de Gracenote-servers of om gegevenscategorieën te wijzigen als Gracenote hiertoe
voldoende reden ziet. Er wordt geen garantie
verstrekt dat de Gracenote-software of Gracenote-servers geen onjuistheden bevatten of
dat het functioneren van de Gracenote-software of Gracenote-servers ononderbroken zal
zijn. Gracenote is niet verplicht u te voorzien
van nieuwe, verbeterde of extra gegevenstypen of -categorieën die Gracenote mogelijk in
}}
571
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
de toekomst verschaft; Gracenote mag de
diensten op elk moment beëindigen.
GRACENOTE WIJST ALLE GARANTIES, UITDRUKKELIJK OF STILZWIJGEND, INCLUSIEF MAAR NIET BEPERKT TOT STILZWIJGENDE GARANTIES MET BETREKKING TOT
VERKOOPBAARHEID, GESCHIKTHEID
VOOR EEN BEPAALD DOEL, EIGENDOMSRECHT EN HET GEEN INBREUK MAKEN OP
RECHTEN VAN DERDEN, VAN DE HAND.
GRACENOTE VERSTREKT GEEN GARANTIES TEN AANZIEN VAN DE RESULTATEN
DIE WORDEN VERKREGEN VOOR UW
GEBRUIK VAN GRACENOTE-SOFTWARE
OF WELKE GRACENOTE-SERVER DAN
OOK. GRACENOTE IS IN GEEN GEVAL AANSPRAKELIJK VOOR INDIRECTE OF
GEVOLGSCHADE, GEDERFDE WINST OF
VERLIES VAN INKOMSTEN.
© Gracenote, Inc. 2009
Sensus software
This software uses parts of sources from clib2
and Prex Embedded Real-time OS - Source
(Copyright (c) 1982, 1986, 1991, 1993, 1994),
and Quercus Robusta (Copyright (c) 1990,
1993), The Regents of the University of
California. All or some portions are derived
from material licensed to the University of
California by American Telephone and
Telegraph Co. or Unix System Laboratories,
Inc. and are reproduced herein with the
572
permission of UNIX System Laboratories, Inc.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are
permitted provided that the following
conditions are met: Redistributions of source
code must retain the above copyright notice,
this list of conditions and the following
disclaimer. Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution. Neither the
name of the <ORGANIZATION> nor the
names of its contributors may be used to
endorse or promote products derived from
this software without specific prior written
permission. THIS SOFTWARE IS PROVIDED
BY THE COPYRIGHT HOLDERS AND
CONTRIBUTORS "AS IS" AND ANY
EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED.
IN NO EVENT SHALL THE COPYRIGHT
OWNER OR CONTRIBUTORS BE LIABLE
FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL,
SPECIAL, EXEMPLARY, OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING,
BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF
SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS
OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS
INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND
ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER
IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT
(INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT
OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
This software is based in part on the work of
the Independent JPEG Group.
This software uses parts of sources from
"libtess". The Original Code is: OpenGL
Sample Implementation, Version 1.2.1,
released January 26, 2000, developed by
Silicon Graphics, Inc. The Original Code is
Copyright (c) 1991-2000 Silicon Graphics,
Inc. Copyright in any portions created by third
parties is as indicated elsewhere herein. All
Rights Reserved. Copyright (C) [1991-2000]
Silicon Graphics, Inc. All Rights Reserved.
Permission is hereby granted, free of charge,
to any person obtaining a copy of this
software and associated documentation files
(the "Software"), to deal in the Software
without restriction, including without
limitation the rights to use, copy, modify,
merge, publish, distribute, sublicense, and/or
sell copies of the Software, and to permit
persons to whom the Software is furnished to
do so, subject to the following conditions: The
above copyright notice including the dates of
first publication and either this permission
notice or a reference to http://oss.sgi.com/
GELUID, MEDIA EN INTERNET
projects/FreeB/ shall be included in all copies
or substantial portions of the Software. THE
SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT
NOT LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
SILICON GRAPHICS, INC. BE LIABLE FOR
ANY CLAIM, DAMAGES OR OTHER
LIABILITY, WHETHER IN AN ACTION OF
CONTRACT, TORT OR OTHERWISE,
ARISING FROM, OUT OF OR IN
CONNECTION WITH THE SOFTWARE OR
THE USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE. Except as contained in this
notice, the name of Silicon Graphics, Inc. shall
not be used in advertising or otherwise to
promote the sale, use or other dealings in this
Software without prior written authorization
from Silicon Graphics, Inc.
This software is based in parts on the work of
the FreeType Team.
This software uses parts of SSLeay Library:
Copyright (C) 1995-1998 Eric Young
(eay@cryptsoft.com). All rights reserved
Linux software
This product contains software licensed under
GNU General Public License (GPL) or GNU
Lesser General Public License (LGPL), etc.
You have the right of acquisition, modification,
and distribution of the source code of the
GPL/LGPL software.
You may download Source Code from the
following website at no charge: http://
www.embedded-carmultimedia.jp/linux/oss/
download/TVM_8351_013
The website provides the Source Code "As Is"
and without warranty of any kind.
By downloading Source Code, you expressly
assume all risk and liability associated with
downloading and using the Source Code and
complying with the user agreements that
accompany each Source Code.
Please note that we cannot respond to any
inquiries regarding the source code.
camellia:1.2.0
Copyright (c) 2006, 2007
NTT (Nippon Telegraph and Telephone
Corporation). All rights reserved.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are
permitted provided that the following
conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer as
the first lines of this file unmodified.
2. Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this
list of conditions and the following
disclaimer in the documentation and/or
other materials provided with the
distribution.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY NTT ``AS
IS'' AND ANY EXPRESS OR IMPLIED
WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT
LIMITED TO, THE IMPLIED WARRANTIES
OF MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR
A PARTICULAR PURPOSE ARE
DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL NTT BE
LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT,
INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING,
BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF
SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS
OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS
INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND
ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER
IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT
(INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT
OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
Unicode: 5.1.0
COPYRIGHT AND PERMISSION NOTICE
}}
573
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Copyright c 1991-2013 Unicode, Inc. All rights
reserved. Distributed under the Terms of Use
in http://www.unicode.org/copyright.html.
Permission is hereby granted, free of charge,
to any person obtaining a copy of the Unicode
data files and any associated documentation
(the "Data Files") or Unicode software and any
associated documentation (the "Software") to
deal in the Data Files or Software without
restriction, including without limitation the
rights to use, copy, modify, merge, publish,
distribute, and/or sell copies of the Data Files
or Software, and to permit persons to whom
the Data Files or Software are furnished to do
so, provided that (a) the above copyright
notice(s) and this permission notice appear
with all copies of the Data Files or Software,
(b) both the above copyright notice(s) and this
permission notice appear in associated
documentation, and (c) there is clear notice in
each modified Data File or in the Software as
well as in the documentation associated with
the Data File(s) or Software that the data or
software has been modified.
THE DATA FILES AND SOFTWARE ARE
PROVIDED "AS IS", WITHOUT WARRANTY
574
OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED,
INCLUDING BUT NOT LIMITED TO THE
WARRANTIES OF MERCHANTABILITY,
FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE
AND NONINFRINGEMENT OF THIRD PARTY
RIGHTS. IN NO EVENT SHALL THE
COPYRIGHT HOLDER OR HOLDERS
INCLUDED IN THIS NOTICE BE LIABLE FOR
ANY CLAIM, OR ANY SPECIAL INDIRECT OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES, OR ANY
DAMAGES WHATSOEVER RESULTING
FROM LOSS OF USE, DATA OR PROFITS,
WHETHER IN AN ACTION OF CONTRACT,
NEGLIGENCE OR OTHER TORTIOUS
ACTION, ARISING OUT OF OR IN
CONNECTION WITH THE USE OR
PERFORMANCE OF THE DATA FILES OR
SOFTWARE.
Except as contained in this notice, the name of
a copyright holder shall not be used in
advertising or otherwise to promote the sale,
use or other dealings in these Data Files or
Software without prior written authorization of
the copyright holder.
Verklaring van overeenstemming
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Land/
regio
Brazilië:
Este equipamento opera em caráter secundário isto e, náo tem direito a protecão contra interferéncia prejudicial, mesmo tipo, e não
pode causar interferéncia a sistemas operando em caráter primário.
Para consultas, visite: www.anatel.gov.br
EU:
Producent: Mitsubishi Electric Corporation Sanda Works 2-3-33, Miwa, Sanda-city. Hyogo, 669-1513, Japan
Mitsubishi Electric Corporation verklaart bij dezen dat de radioapparatuur van het type [Audio Navigation Unit] in overeenstemming is
met de Richtlijn 2014/53/EU.
Zie de supportinformatie op www.volvocars.com voor meer informatie.
Verenigde
Arabische
Emiraten:
}}
575
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Land/
regio
Kazachstan:
Modelnaam: NR-0V
Producent: Mitsubishi Electric Corporation
Exportland: Japan
576
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Land/
regio
China:
1.
■ 使用频率
2.4 - 2.4835 GHz
■ 等效全向辐射
■ 最大
率(EIRP)
率谱密度
天线增益
天线增益
10dBi 时
10dBi 时
≤100 mW 或≤20 dBm ①
≤20 dBm / MHz(EIRP) ①
■ 载频容限
20 ppm
■ 帯外发射
率(在 2.4-2.4835GHz 頻段以外) ≤-80 dBm / Hz (EIRP)
■ 杂散发射(辐射)
•
•
•
•
•
率(对应载波±2.5 倍信道带宽以外)
≤-36 dBm / 100 kHz (30 - 1000 MHz)
≤-33 dBm / 100 kHz (2.4 - 2.4835 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (3.4 - 3.53 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (5.725 - 5.85 GHz)
≤-30 dBm / 1 MHz (其它 1 - 12.75 GHz)
2.不得擅自更改发射频率
大发射
率(包括额外
3.使用时不得对各种合法的无线电通信业
使用
4.使用微
率无线电设备,必须忍
装射频
产生有害干扰
各种无线电业
率放大器),不得擅自外接天线或改用其它发射天线
一旦发现有干扰现象时,应立即停止使用,并采
的干扰或工业
措施消除干扰后方可继续
科学及医疗应用设备的辐射干扰
5.不得在飞机和机场附近使用
}}
577
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Land/
regio
Korea:
B 급 기기 (가정용 방송통신기자재)
이 기기는 가정용(B 급) 전자파적합기기로서 주로
가정에서 사용하는 것을
적으로 하며,
든
지역에서 사용할 수 있습니다.
해당 무선설비는 전파혼신 가능성이 있으므로 인명안전과 관련된 서비스는 할 수
습니다.
Maleisië
This device has been certified under the Communications & Multimedia Act of 1998, Communications and Multimedia (Technical
Standards) Regulations 2000. To retrieve your device’s serial number, please visit (support.volvocars.com) and search for “SIRIM
Label Verification”.
Device category: Navigation equipment for vehicle (Bluetooth)
Model: NR-0V
Type Approval No.:
RBAY/18A/1015S(15-4067)
578
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Land/
regio
Mexico:
Taiwan:
低
率電波輻射性電機管理辦法
第十二條
經型式認證合格之低功率射頻電機,非經許可,公司
變更頻率
商號或使用者均不得擅自
加大功率或變更原設計之特性及功能
第十四條
低
率射頻電機之使用不得影響飛航安全及干擾合法通信;經發現有干擾現象時,應
立停用,改善至無干擾時方得繼續使用
電通信
低
前項合法通信,指依電信法規定作業之無線
率射頻電機須忍受合法通信或工業
科學及醫療用電波輻射性電機設備
之干擾
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Audio, media en internet (p. 522)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 560)
Mediaspeler (p. 534)
Gracenote® (p. 538)
Sensus – connectiviteit en entertainment
(p. 34)
* Optie/accessoire. 579
VOLVO ON CALL
VOLVO ON CALL
Het laden van uw auto plannen en
inroosteren met de Volvo On Call*app
Met de Volvo On Call-app kunt u het laden
van uw auto plannen en inroosteren.
U kunt het laden inroosteren voor de laadpunten die u in uw app hebt opgeslagen. Dit kan
bijv. handig zijn als u een laadstop inplant
onderweg of als u een laadinterval voor uw
auto thuis of in uw directe omgeving plant.
1.
5. Ga terug naar het brandstofvenster.
> Er verschijnt een laadpictogram bij de
opgeslagen plaats waarvoor u het laden
hebt gepland. Als het pictogram weer
verdwijnt, is de planning ingeroosterd
en bewaard.
Kies op het tabblad Start Actieradius
brandstof of Acculading.
> In het getoonde venster kunt u de
opgeslagen laadpunten zien onder
Opgeslagen plaatsen. Als u nog geen
laadpunt hebt opgeslagen of nieuwe
plaatsen wilt toevoegen, bijv. laadstations langs een route of in uw directe
omgeving, kunt u het alternatief Plaats
toevoegen kiezen (u kunt tot acht
laadpunten opslaan).
2. Kies de plaats waarvoor u het laden wilt
inroosteren.
> Er wordt een venster geopend met de
opgeslagen plaats.
3. Kies een starttijd voor het laden.
4. Kies een stoptijd voor het laden.
582
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
WIELEN EN BANDEN
Banden
Nieuwe banden
De banden bieden draagvermogen, grip op
de ondergrond, trillingsdemping en beschermen de wielen tegen slijtage.
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van de
auto.
Zuinige banden
Welke banden er op de auto zitten staat op de
bandengegevenssticker op de B-stijl (tussen
voor- en achterportier) aan bestuurderszijde.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan een oncontroleerbare auto opleveren.
Aanbevolen banden
De auto wordt aangeleverd met originele
Volvo-banden met aan de zijkant het opschrift
VOL1. Deze banden zijn zorgvuldig afgestemd
op de auto. Bij het verwisselen van banden is
het daarom belangrijk om erop te letten dat
ook de nieuwe banden voorzien zijn van dit
opschrift voor het behoud van de rijeigenschappen, het rijcomfort en het brandstofverbruik van de auto.
1
584
Voor bepaalde bandenmaten zijn afwijkingen mogelijk.
van banden gemaakt zijn ook veroudert en
afgebroken wordt, als banden zelden of nooit
worden gebruikt. Daarbij kan de werking van
de band worden aangetast. Dit geldt voor alle
banden die u voor toekomstig gebruik hebt
opgeslagen. Scheurvorming of verkleuring zijn
de zichtbare kenmerken van een band die
ongeschikt is voor gebruik.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden
hard en neemt de grip op het wegdek stukje
bij beetje af. Gebruik bij het verwisselen van
banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit
geldt in het bijzonder voor winterbanden. De
laatste cijfers van de cijferreeks geven de
week en het jaar van productie aan. Het is de
zogenoemde DOT-code (Department of
Transportation) van de band en bestaat uit vier
cijfers, bijvoorbeeld 0717. Een dergelijke band
is de 7e week van het jaar 2017 geproduceerd.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waar-
•
Zorg steeds voor de juiste bandenspanning.
•
Vermijd snelle starts, krachtig remmen en
piepende banden.
•
Naarmate er sneller wordt gereden, slijten
de banden ook sneller.
•
De juiste instelling van de voorwielen is
erg belangrijk.
•
Ongebalanceerde wielen maken banden
minder zuinig en verslechteren het rijcomfort.
•
De banden moeten tijdens hun hele
levensduur dezelfde rotatierichting hebben.
•
Als u van banden wisselt, moeten de banden met het beste profiel op de achterwielen worden gemonteerd om het gevaar
WIELEN EN BANDEN
•
voor oversturen bij krachtig remmen te
beperken.
Daarom is belangrijk dat de achterwielen nooit
vóór de voorwielen grip verliezen.
Als u over trottoirbanden of door diepe
gaten rijdt, kunt u de banden en/of velgen
permanent beschadigen.
Wielen en banden opslaan
Bandenrotatie
De auto heeft geen verplichte bandenrotatie.
De rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en
de staat van de wegen zijn van invloed op de
snelheid waarmee de banden verouderen en
slijten. De juiste bandenspanning levert een
gelijkmatiger slijtage op.
Om verschillen in profieldiepte te voorkomen
en slijtpatronen in de banden tegen te gaan
dient u de wielen op de voor- en achteras
onderling van plaats te verwisselen. Verricht
de eerste wissel na zo'n 5000 km (zo'n
3100 miles) en doe dat daarna om de
10.000 km (zo'n 6200 miles) opnieuw.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats, als u niet zeker
bent van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in de slijtage (> 1 mm verschil in
profieldiepte) van de banden, dienen de minst
versleten banden altijd op de achteras te zitten. Slippende voorwielen zijn gemakkelijker
te corrigeren dan slippende achterwielen,
omdat de auto rechtuit blijft rijden in plaats
van uit te breken met de achterkant waarbij u
mogelijk de controle over de auto verliest.
WAARSCHUWING
•
De maten van velgen en banden voor
uw Volvo zijn aangegeven om te voldoen aan strenge eisen als het gaat om
stabiliteit en rijeigenschappen. Nietgoedgekeurde combinaties van velgen bandenmaten kunnen van negatieve
invloed zijn op de stabiliteit en de rijeigenschappen van de auto.
•
Eventuele schade veroorzaakt door
gemonteerde combinaties van velgen/
banden met niet-goedgekeurde maten
vallen niet onder de fabrieksgarantie.
Volvo aanvaardt geen aansprakelijkheid
voor overlijden, letsel of kosten die het
gevolg kunnen zijn van dergelijke
installaties.
Als u complete wielen (banden gemonteerd op
velgen) opslaat, moeten die worden opgehangen of op hun zijkant op de vloer liggen.
Banden die niet op velgen zijn gemonteerd,
moeten liggend op hun zijkant of rechtopstaand worden opgeslagen, maar niet worden
opgehangen.
BELANGRIJK
Banden moeten worden opgeslagen op
een koele, droge en donkere plaats en
mogen nooit worden opgeslagen in de
buurt van oplosmiddelen, benzine, oliën
e.d.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Bandenspanning controleren (p. 588)
De draairichting van de banden. (p. 587)
Slijtage-indicator van banden (p. 588)
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 591)
Noodreparatieset voor banden (p. 605)
Maataanduiding voor banden (p. 586)
}}
* Optie/accessoire. 585
WIELEN EN BANDEN
•
•
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 713)
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 622)
Maataanduiding voor banden
Snelheidsklasse
Aanduidingen voor de afmetingen, lastindex
en snelheidsklasse van de banden.
De typegoedkeuring van de auto geldt in combinatie met bepaalde wielen en banden.
Elke band is berekend op een bepaalde maximumsnelheid. De snelheidsklasse, SS (Speed
Symbol), van de banden moet minimaal overeenkomen met de topsnelheid van de auto. In
onderstaande tabel staat welke toelaatbare
maximumsnelheid voor de verschillende snelheidsklassen (SS) geldt. De enige uitzondering
hierop vormen winterbanden2, waarvoor een
lagere snelheidsklasse gebruikt mag worden.
Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet
sneller rijden dan de maximumsnelheid die
voor het gebruikte bandentype geldt. Voor
klasse Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van 160 km/h (100 mph). De
gesteldheid van het wegdek is bepalend voor
de maximumsnelheid en niet de snelheidsklasse op de banden.
Maataanduiding
Alle banden hebben een bepaalde maataanduiding, bijvoorbeeld: 245/45 R18 100 W.
245
Breedte van de band (mm)
45
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
18
Velgdiameter van de band
100
W
Aanduiding van het draagvermogen
van de band, lastindex (LI)
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band, snelheidsklasse (SS).
(In het gegeven geval 270 km/h (168
mph).)
Lastindex
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen, wat wordt aangeduid met de lastindex
(LI). Het gewicht van de auto bepaalt het
draagvermogen van de banden.
2 Onder
586
winterbanden worden zowel banden met als zonder "spikes" verstaan.
N.B.
In de tabel staat de maximaal toegestane
snelheid.
Q
160 km/h (100 mph) (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h (118 mph)
H
210 km/h (130 mph)
WIELEN EN BANDEN
V
240 km/h (149 mph)
W
270 km/h (168 mph)
Y
300 km/h (186 mph)
WAARSCHUWING
De minimaal toelaatbare lastindex (LI) en
de snelheidsklasse (SS) van de banden
voor de verschillende motorvarianten staan
gespecificeerd in de gedrukte gebruikershandleiding. Bij gebruik van banden met
een te lage lastindex of snelheidsklasse
kunnen de banden oververhit en beschadigd raken.
Maataanduiding voor wielen
De draairichting van de banden.
Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals
in de onderstaande tabel.
De typegoedkeuring van de auto geldt in combinatie met bepaalde wielen en banden.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band.
Alle wielen hebben een bepaalde maataanduiding, bijvoorbeeld: 8Jx18x42.
8
Velgbreedte in inch
J
Profiel velgrand
18
Velgdiameter van de band
42
Bolling in mm (afstand tussen de verticale aslijn door het wiel en het contactvlak met de naaf)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Banden (p. 584)
Maataanduiding voor wielen (p. 587)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 713)
Minimaal toelaatbare lastindex en snelheidsklassen voor banden (p. 714)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden (p. 584)
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Maataanduiding voor banden (p. 586)
•
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 713)
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben.
•
Banden mogen alleen van voor naar achter
verwisseld worden, nooit van links naar
rechts of omgekeerd.
•
Als u de banden verkeerd aanbrengt,
nemen de remeigenschappen van de auto
af en kunnen de banden regen, sneeuw en
drab minder goed afvoeren.
•
Monteer de banden met het diepste profiel altijd op de achteras (om het gevaar
voor slippen te verminderen).
}}
587
WIELEN EN BANDEN
||
N.B.
Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde
maat en ook hetzelfde merk voor beide
wielparen hebt.
Slijtage-indicator van banden
Bandenspanning controleren
De slijtage-indicator geeft de status aan van
de profieldiepte van de band.
Een juiste bandenspanning is een hulpmiddel
voor een betere rijstabiliteit, een lager brandstofverbruik en banden die langer meegaan.
Dat de bandenspanning na verloop van tijd
daalt is normaal. De bandenspanning varieert
ook afhankelijk van de omgevingstemperatuur.
Wanneer u met een te lage bandenspanning
rijdt, kunnen de banden oververhit en beschadigd raken. De bandenspanning is van invloed
op het rijcomfort, de geproduceerde weggeluiden en de rijeigenschappen.
Gerelateerde informatie
•
Banden (p. 584)
De slijtage-indicator is een smalle ophoging
die dwars op het bandenprofiel staat. Op de
zijwand van de band staan de letters TWI
(Tread Wear Indicator). De slijtage-indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band
dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm (1/16
inch) van het profiel over is. Vervang de banden dan zo spoedig mogelijk. Let erop dat een
band met een gering profiel zeer weinig grip
op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Controleer iedere maand de bandenspanning.
Gebruik de aanbevolen bandenspanning voor
koude banden voor het behoud van de goede
bandenprestaties. Een te lage of te hoge bandenspanning kan ertoe leiden dat banden
onregelmatig slijten.
WAARSCHUWING
•
Een te lage bandenspanning is de
meest voorkomende reden voor het
stukgaan van banden en kan leiden tot
ernstige barsten in de band, het loslaten van het loopvlak of een klapband.
Daarbij raken mensen onverwacht de
controle over de auto kwijt en bestaat
er gevaar voor letsel.
•
Als de bandenspanning te laag is, heeft
de auto minder laadvermogen.
Gerelateerde informatie
•
588
Banden (p. 584)
WIELEN EN BANDEN
Koude banden
Gerelateerde informatie
De bandenspanning moet worden gecontroleerd als de banden koud zijn. De banden worden beschouwd als koud als ze dezelfde temperatuur hebben als de omgevingslucht. Deze
temperatuur wordt normaal gesproken
bereikt, als de auto minimaal 3 uur geparkeerd
heeft gestaan.
•
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 590)
•
Banden (p. 584)
Bandenspanning aanpassen (p. 589)
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 591)
Bandenspanning aanpassen
Dat de bandenspanning na verloop van tijd
daalt is normaal. Daarom moet u om de aanbevolen bandenspanning te handhaven de
bandenspanning soms aanpassen.
Gebruik de aanbevolen bandenspanning voor
koude banden voor het behoud van de goede
bandenprestaties en een gelijkmatige slijtage.
Wanneer er ongeveer 1,6 km (1 mijl) mee is
gereden, zijn de banden te beschouwen als
warm. Als u verder dan dat moet rijden voor
het oppompen van de banden, moet u eerst
de bandenspanning controleren en registreren
en vervolgens de juiste bandenspanning toevoegen als u bij de pomp bent aangekomen.
Als de buitentemperatuur verandert, verandert
ook de bandenspanning. Een temperatuurverlaging van 10 graden zorgt ervoor dat de bandenspanning met 1 psi (7 kPa) daalt. Controleer vaak de bandenspanning en pas deze aan
naar de juiste druk. Deze vindt u op de sticker
met bandeninformatie of op het certificeringsetiket.
Als u de bandenspanning controleert bij
warme banden moet u er nooit lucht uit laten.
De banden zijn warm door het rijden en het is
normaal dat de druk toeneemt tot boven de
aanbevolen druk voor koude banden. Een
warme band met een bandenspanning die
gelijk is aan of lager is dan de aanbevolen druk
voor koude banden kan een te lage druk hebben.
N.B.
Controleer de bandenspanning bij koude
banden om de verkeerde bandenspanning
tegen te gaan. Koude banden hebben
dezelfde temperatuur als de omgeving (na
ca. 3 uur stilstand). Al na enkele kilometers
rijden worden de banden warm en loopt de
spanning op.
1.
Verwijder de ventieldop van een band en
druk de manometer vervolgens stevig op
het ventiel.
2. Pomp de banden op tot de juiste spanning, zie de sticker aan de binnenkant van
de portierstijl aan bestuurderszijde voor de
aanbevolen spanning voor originele banden.
}}
* Optie/accessoire. 589
WIELEN EN BANDEN
||
3. Plaats de ventieldop terug.
N.B.
Als u een band te hard hebt opgepompt,
kunt u lucht laten ontsnappen door op de
metalen pen in het midden van het ventiel
te drukken. Controleer vervolgens de spanning opnieuw met de manometer.
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
4. Controleer de banden op het oog om te
kijken of er geen spijkers of andere voorwerpen in vastzitten waardoor de band lek
kan gaan.
5. Controleer de zijwanden; kijk of er geen
putjes, sneetjes, bobbels of andere onregelmatigheden zijn.
6. Doe dit voor alle banden, ook de reserveband*.
Aanbevolen bandenspanning
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) staat de juiste bandenspanning voor uw
auto aangegeven bij verschillende belading
en snelheid.
Sommige reservebanden vereisen een
hogere bandenspanning dan andere banden. Kijk hiervoor in de bandenspanningstabel of op de bandenspanningssticker.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 590)
Bandenspanning controleren (p. 588)
Band oppompen met compressor uit
reparatieset voor banden (p. 610)
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 715)
Op de sticker staat de aanduiding voor de af
fabriek gemonteerde banden van de auto plus
de maximale belasting en de bandenspanning.
Zuiniger rijden met ECO-bandenspanning
Bij een lichte belading (maximaal 3 inzittenden) en snelheden tot 160 km/h (100 mph)
kunt u voor zuinige ritten de ECO-bandenspanning aanhouden. Als u echter uit bent op
een verlaging van de rijgeluiden en optimaal
rijcomfort wordt geadviseerd de lagere Comfort-bandenspanning aan te houden.
590
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Gerelateerde informatie
•
•
Bandenspanning controleren (p. 588)
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 715)
Bandenspanningscontrolesysteem
*
Het bandenspanningscontrolesysteem3
waarschuwt u met een controlesymbool op
het bestuurdersdisplay voor een te lage bandenspanning in een of meer banden van de
auto.
Het symbool gaat branden om een
te lage bandenspanning aan te
geven.
Als er een storing optreedt in het
systeem, zal het waarschuwingssymbool voor
de bandenspanning ongeveer een minuut
knipperen en vervolgens constant gaan branden.
Systeembeschrijving
Het bandenspanningscontrolesysteem meet
met behulp van het ABS de verschillen in de
omwentelingssnelheid van de verschillende
wielen om zo te kunnen bepalen of de bandenspanning in orde is. Bij een te geringe bandenspanning verandert de diameter en daarmee ook de rotatiesnelheid van de band. Aan
de hand van onderlinge vergelijkingen kan het
systeem vaststellen of de spanning in een of
meer banden te gering is.
3 Indirect
Tyre Pressure Monitoring System (ITPMS)
Algemene informatie over
bandenspanningscontrolesystemen
In de onderstaande informatie wordt het bandenspanningscontrolesysteem aangeduid met
de algemene benaming TPMS.
Iedere band, ook de reserveband*, moet
maandelijks worden gecontroleerd. Bij controle moet de band koud zijn en de bandenspanning hebben die door de autofabrikant
wordt aanbevolen op de bandenspanningssticker of in de bandenspanningstabel. Als de
auto banden heeft met een andere maat dan
aanbevolen door de fabrikant, moet u uitzoeken wat voor deze banden het juiste bandenspanningsniveau is.
Als extra veiligheidsmaatregel is de auto voorzien van een bandenspanningscontrolesysteem (TPMS) dat aangeeft wanneer de bandenspanning in een of meer banden te laag is.
Wanneer het controlesymbool voor een lage
bandenspanning gaat branden, moet u zo snel
mogelijk stoppen, de banden controleren en
de band(en) oppompen tot de juiste spanning.
Rijden op banden met een te lage bandenspanning kan ertoe leiden dat de banden oververhit raken, waardoor de banden lek kunnen
raken. Door een lage bandenspanning gaat u
ook minder zuinig rijden en gaan de banden
minder lang mee én het kan gevolgen hebben
voor de rijeigenschappen van de auto en het
}}
* Optie/accessoire. 591
WIELEN EN BANDEN
||
vermogen om tot stilstand te komen. Let erop
dat TPMS geen vervanging is voor normaal
bandenonderhoud. De bestuurder dient de
juiste bandenspanning te handhaven, óók als
de grenswaarde voor een lage bandenspanning niet is bereikt en het controlesymbool
daardoor nog niet is gaan branden.
Meldingen op het instrumentenpaneel
De auto is ook voorzien van een indicator voor
storingen in het TPMS. Deze geeft aan wanneer het systeem niet naar behoren werkt. Het
lampje voor storingen in het TPMS is gecombineerd met het controlesymbool voor een
lage bandenspanning. Als het systeem een
storing detecteert, gaat het symbool op het
bestuurdersdisplay circa één minuut knipperen om vervolgens te blijven branden. Dit
wordt telkens herhaald als de auto wordt
gestart tot de storing is verholpen. Wanneer
het symbool brandt, kan dat gevolgen hebben
voor het vermogen van het systeem om een
lage bandenspanning te detecteren en ervoor
te waarschuwen.
• Bandenspanning laag Zie app Auto
Storingen in het TPMS kunnen diverse oorzaken hebben zoals het gebruik van een reservewiel of andere banden of wielen, waardoor het
TPMS niet goed kan functioneren.
Controleer altijd het controlesymbool voor het
TPMS nadat u een of meer banden hebt vervangen om er zeker van te zijn dat de nieuwe
band of het nieuwe wiel goed werkt in combinatie met het TPMS.
592
WAARSCHUWING
Bij een te lage bandenspanning gaat het controlelampje voor een lage bandenspanning op
het bestuurdersdisplay branden en er verschijnt een melding. Controleer dan de bandenspanning in de app Auto status op het
middendisplay.
status op middendisplay
• Bandenspanningssyst. Tijdelijk niet
beschikbaar
• Bandenspanningssyst. Service vereist
Waar u op moet letten
•
Sla de nieuwe bandenspanning altijd in
het systeem op nadat een wiel is vervangen of de bandenspanning is aangepast.
•
Als u banden met een maat anders dan de
originele monteert, moet u het systeem
resetten door de nieuwe bandenspanning
voor deze banden op te slaan om onterechte waarschuwingen tegen te gaan.
•
Bij gebruik van een reservewiel* werkt het
bandenspanningscontrolesysteem mogelijk niet goed door verschillen tussen de
wielen.
•
Het systeem vormt geen vervanging voor
een regelmatige bandeninspectie en
onderhoud.
•
Het is niet mogelijk het bandenspanningscontrolesysteem uit te schakelen.
•
Een verkeerde bandenspanning kan tot
bandenpech leiden, waarbij u de controle over de auto kunt verliezen.
•
Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
Gerelateerde informatie
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 590)
Bandenspanningsstatus op het middendisplay* bekijken (p. 594)
•
Maatregel bij een waarschuwing voor een
lage bandenspanning (p. 595)
•
De nieuwe bandenspanning opslaan in het
controlesysteem* (p. 593)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
De nieuwe bandenspanning
opslaan in het controlesysteem*
4. Open de app Auto status op het appscherm.
Het bandenspanningscontrolesysteem4 kan
alleen correct werken wanneer er een referentiewaarde voor de bandenspanning is
opgeslagen. Dit moet elke keer gebeuren
wanneer banden worden vervangen of de
bandenspanning wordt gewijzigd, zodat het
systeem op de juiste manier kan waarschuwen voor een lage bandenspanning.
Zo moet u de bandenspanning afstemmen op
de door Volvo geadviseerde bandenspanningswaarden bij ritten met een zware belading of op hoge snelheden (meer dan 160
km/h (100 mph)). Daarna moet het systeem
worden gereset door de nieuwe bandenspanning op te slaan.
5. Tik op TPMS.
Volg de volgende procedure om de nieuwe
bandenspanning als referentiewaarde in het
systeem op te slaan:
1.
Zet de auto uit.
2. Pomp de banden op tot de juiste spanning, zie de sticker aan de binnenkant van
de portierstijl aan bestuurderszijde voor de
aanbevolen spanning voor originele banden.
3. Start de motor.
4 Indirect
N.B.
De auto moet stilstaan om te zorgen dat de
knop Spanning opslaan kan worden
gekozen.
Als het opslaan mocht mislukken, verschijnt
de melding Opslaan van bandenspanning
mislukt. Probeer het opnieuw..
Als het contact van de auto wordt uitgeschakeld voordat de nieuwe bandenspanning is
opgeslagen, moet de procedure opnieuw worden uitgevoerd. Zorg ervoor dat het opslaan
binnen één rijcyclus plaatsvindt, zodat de
nieuwe bandenspanning op de juiste manier
wordt opgeslagen.
6. Tik op Spanning opslaan.
WAARSCHUWING
7. Tik op OK om te bevestigen dat u de bandenspanning van alle vier de wielen hebt
gecontroleerd en aangepast.
8. Rijd met de auto totdat de nieuwe bandenspanning is opgeslagen. De nieuwe
bandenspanning wordt opgeslagen als de
auto met een snelheid hoger dan 35 km/h
(22 mph) rijdt.
> De animatie die de voortgang van de
gegevensopslag aangeeft verdwijnt van
het middendisplay, wanneer het systeem voldoende gegevens heeft verzameld voor detectie van een lage bandenspanning. Het systeem geeft geen
verdere bevestiging dat de nieuwe bandenspanning is vastgelegd.
De uitlaatgassen bevatten koolstofmonoxide. Dit is onzichtbaar en geurloos, maar
wel zeer giftig. Daarom moet de procedure
voor het opslaan van een nieuwe bandenspanning altijd buiten of in een werkplaats
met afzuiging worden uitgevoerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 590)
Bandenspanning aanpassen (p. 589)
Bandenspanningsstatus op het middendisplay* bekijken (p. 594)
•
Maatregel bij een waarschuwing voor een
lage bandenspanning (p. 595)
•
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 591)
Tyre Pressure Monitoring System (ITPMS)
* Optie/accessoire. 593
WIELEN EN BANDEN
Bandenspanningsstatus op het
middendisplay* bekijken
Het bandenspanningscontrolesysteem5 biedt
u de mogelijkheid om op het middendisplay
de bandenspanningsstatus te bekijken.
Hier volgen enkele voorbeelden van welke
meldingen er voor de bandenspanningsstatus
kunnen worden weergegeven en wat deze
betekenen.
Status controleren
U moet enkele minuten op snelheden hoger
dan 35 km/h (22 mph) rijden om het systeem
te activeren.
1.
Open de app Auto status op het appscherm.
2. Tik op TPMS om de status van de banden
te bekijken.
Statusindicatie
De afbeelding is schematisch. Afhankelijk van de
softwareversie en het model zijn afwijkingen mogelijk.
5 Indirect
594
A
Bestuurdersdisplay: Bandenspanning laag
Zie app Auto
status op middendisplay
Het controlelampje gaat
branden om aan te
geven dat de bandenspanning in één of meer
banden gering is. Zie
voor meer informatie de
app Auto status op het
middendisplay.
Bestuurdersdisplay: Bandenspanningssyst.
Tijdelijk niet
beschikbaar
Het controlesymbool
knippert en gaat na zo'n
1 minuut constant branden. Het systeem is tijdelijk niet beschikbaar,
maar wordt spoedig
geactiveerd.
Bestuurdersdisplay: Bandenspanningssyst.
Service vereist
Het controlesymbool
knippert en gaat na zo'n
1 minuut constant branden. Het systeem werkt
niet naar behoren, neem
contact op met een
werkplaatsA.
Gerelateerde informatie
•
De nieuwe bandenspanning opslaan in het
controlesysteem* (p. 593)
•
Maatregel bij een waarschuwing voor een
lage bandenspanning (p. 595)
•
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 591)
•
Autostatus (p. 636)
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Tyre Pressure Monitoring System (ITPMS)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Maatregel bij een waarschuwing
voor een lage bandenspanning
Wanneer de bandenspanningscontrole6
waarschuwt voor een te lage bandenspanning, is actie vereist.
Controleer de bandenspanning en
corrigeer deze zo nodig, wanneer het
controlesymbool voor het systeem
gaat branden en de melding
Bandenspanning laag verschijnt.
1.
N.B.
Controleer de bandenspanning bij koude
banden om de verkeerde bandenspanning
tegen te gaan. Koude banden hebben
dezelfde temperatuur als de omgeving (na
ca. 3 uur stilstand). Al na enkele kilometers
rijden worden de banden warm en loopt de
spanning op.
N.B.
Zet de auto uit.
2. Controleer de bandenspanning van alle
vier de wielen met een manometer.
3. Pomp de banden op tot de juiste spanning, zie de sticker aan de binnenkant van
de portierstijl aan bestuurderszijde voor de
aanbevolen spanning voor originele banden.
4. Sla de nieuwe bandenspanning altijd via
het middendisplay op in het systeem
nadat de bandenspanning is aangepast.
Let erop dat het symbool niet verdwijnt
voordat de geringe bandenspanning is
verholpen en het opslaan van de nieuwe
bandenspanning is gestart.
6 Indirect
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en
zijn moeilijk los te draaien.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 590)
Bandenspanning aanpassen (p. 589)
De nieuwe bandenspanning opslaan in het
controlesysteem* (p. 593)
•
Bandenspanningsstatus op het middendisplay* bekijken (p. 594)
•
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 591)
•
Band oppompen met compressor uit
reparatieset voor banden (p. 610)
WAARSCHUWING
•
Een verkeerde bandenspanning kan tot
bandenpech leiden, waarbij u de controle over de auto kunt verliezen.
•
Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
Tyre Pressure Monitoring System (ITPMS)
* Optie/accessoire. 595
WIELEN EN BANDEN
Bij het verwisselen van wielen
Gereedschapsset
Gerelateerde informatie
U kunt de wielen vervangen door bijvoorbeeld winterwielen of een reservewiel. Neem
de desbetreffende instructie in acht voor het
demonteren en monteren van wielen.
In de bagageruimte van de auto ligt gereedschap dat bijvoorbeeld bij slepen of bij het
verwisselen van een wiel kan worden
gebruikt.
•
•
•
•
Bij montage van een andere
bandenmaat
Bij het verwisselen van wielen (p. 596)
Krik* (p. 597)
Noodreparatieset voor banden (p. 605)
Sleepoog monteren en demonteren
(p. 513)
Controleer of de bandenmaat goedgekeurd is
voor gebruik op de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Wielen demonteren (p. 598)
Wiel monteren (p. 600)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 713)
Gereedschapsset (p. 596)
Winterbanden (p. 603)
Krik*
Reservewiel* (p. 602)
Gereedschap voor verwijderen van kunststof doppen wielbouten
Wielbouten (p. 597)
Bijvultrechter voor vloeistoffen
Wielboutsleutel* en sleepoog
In het blok schuimrubber onder de vloer in de
bagageruimte ligt het sleepoog van de auto,
een noodreparatieset voor banden, gereedschap om de kunststof doppen van de wielbouten te verwijderen en de dop voor de
afsluitbare wielbouten.
Bij een auto met reservewiel* treft u een krik
en een wielsleutel aan.
596
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Krik*
BELANGRIJK
De krik is te gebruiken om de auto op te
nemen voor bijvoorbeeld het monteren van
een reservewiel.
•
Als de krik* niet wordt gebruikt, moet
deze worden bewaard op de daarvoor
bedoelde plaats onder de vloer van de
bagageruimte.
•
De normale krik die bij de auto zit, is
alleen bestemd voor sporadisch en
kortstondig gebruik zoals bij het verwisselen van een lekke band. Hef de
auto alleen met een krik die voor het
desbetreffende model bestemd is. Als
de auto vaker moet worden opgekrikt
of voor langere tijd zoals bij het onderling roteren van de banden wordt het
gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval de gebruiksaanwijzing van de desbetreffende krik.
De krik past alleen als deze tot in de juiste
stand omlaaggedraaid wordt.
Geldt voor auto's met Besturing
niveauregeling*: Als de auto is voorzien van
de optie luchtvering moet die functie worden
uitgeschakeld voordat de auto wordt opgekrikt.
Gerelateerde informatie
•
•
Gereedschapsset (p. 596)
Auto opnemen (p. 639)
Wielbouten
De wielen zitten met wielbouten op de naven
vast.
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van de
originele accessoires van Volvo.
Controleer met een momentsleutel het aanhaalkoppel van de wielbouten.
Gebruik geen smeermiddel op de draadwindingen van de wielbouten.
WAARSCHUWING
Trek de wielbouten enkele dagen na het
verwisselen nog eens na. Temperatuurschommelingen en trillingen kunnen ertoe
leiden dat de wielbouten na verloop van tijd
minder strak vastzitten.
BELANGRIJK
U dient de wielbouten aan te halen met
140 Nm (103 lbf ft). Als u ze te strak of niet
strak genoeg aanhaalt, kan de boutverbinding beschadigd raken.
Afsluitbare wielbouten*
In het blok schuimrubber onder de vloer in de
bagageruimte is ruimte om de dop voor de
afsluitbare wielbouten in op te bergen.
}}
* Optie/accessoire. 597
WIELEN EN BANDEN
||
Gerelateerde informatie
•
•
Wielen demonteren (p. 598)
Wiel monteren (p. 600)
Wielen demonteren
Het vervangen van wielen moet altijd op de
juiste manier gebeuren. Hier volgen instructies voor het demonteren van een wiel en
waar u daarbij op moet letten.
WAARSCHUWING
•
Activeer de parkeerrem en zet de keuzehendel in de parkeerstand (P).
•
Blokkeer de wielen die op de grond
staan met grote houtblokken of grote
stenen.
•
Controleer of de krik onbeschadigd is,
of de schroefdraden goed zijn
gesmeerd en of deze vrij van vuil is.
•
Controleer of de krik op een vaste en
vlakke ondergrond staat die niet glad is
en niet helt.
•
De krik moet op de juiste wijze in het
kriksteunpunt zijn bevestigd.
•
Leg nooit iets tussen de krik en de
ondergrond en evenmin tussen de krik
en het kriksteunpunt van de auto.
•
Laat nooit passagiers in een auto zitten
die op een krik staat.
•
Bij het verwisselen van een wiel langs
de kant van de weg dienen eventuele
passagiers op veilige afstand te gaan
staan.
•
Gebruik bij het verwisselen van banden
de krik die bij de auto hoort. Bok de
auto op bij alle andere werkzaamheden.
•
Kruip of reik nooit onder een auto die
op een krik staat.
BELANGRIJK
598
•
Als de krik* niet wordt gebruikt, moet
deze worden bewaard op de daarvoor
bedoelde plaats onder de vloer van de
bagageruimte.
•
De normale krik die bij de auto zit, is
alleen bestemd voor sporadisch en
kortstondig gebruik zoals bij het verwisselen van een lekke band. Hef de
auto alleen met een krik die voor het
desbetreffende model bestemd is. Als
de auto vaker moet worden opgekrikt
of voor langere tijd zoals bij het onderling roteren van de banden wordt het
gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval de gebruiksaanwijzing van de desbetreffende krik.
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
1.
Plaats een gevarendriehoek en schakel de
alarmlichten in, als u een wiel moet verwisselen langs een drukke weg.
2. Haal de parkeerrem aan en schakel stand
P in of schakel de eerste versnelling in bij
een auto met een handgeschakelde versnellingsbak.
4. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor bijvoorbeeld grote blokken hout
of grote stenen.
5. Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in
de wielsleutel vast volgens de instructie.
Geldt voor auto's met Besturing
niveauregeling*: Bij een auto met luchtvering moet u de luchtvering uitschakelen,
voordat u de auto opneemt met een krik*.
8. Bij het opnemen van de auto is het belangrijk dat u de krik of de dragerarmen onder
de voorziene steunpunten in het onderstel
van de auto plaatst. Driehoekige markeringen op de kunststof afdekking geven aan
waar de kriksteunpunten/hefpunten zitten.
Er zitten aan beide zijden van de auto
twee kriksteunpunten. Bij elk steunpunt zit
een uitsparing voor de krik.
3. Neem de krik*, de wielsleutel* en het
demontagegereedschap voor de kunststof
wielboutdoppen uit het blok schuimrubber.
BELANGRIJK
Schroef het sleepoog zo ver mogelijk in de
wielsleutel*.
6. Verwijder de kunststof boutafdekkingen
met het demontagegereedschap.
Demontagegereedschap voor kunststof boutafdekkingen.
7. Terwijl de auto nog op de grond staat,
gebruikt u de wielsleutel/het sleepoog om
de wielbouten ½–1 slag los te draaien
door omlaag te drukken (en linksom te
draaien).
9. Plaats de krik onder het te gebruiken
bevestigingspunt op de grond; een stevige
ondergrond die niet glad is.
}}
* Optie/accessoire. 599
WIELEN EN BANDEN
||
10. Breng de krik omhoog totdat deze goed
zit en contact maakt met het kriksteunpunt van de auto. Controleer of de kop van
de krik (of de dragerarmen in een werkplaats) goed in het steunpunt is (zijn)
geplaatst, zodat de verhoging in het midden van de kop in de opening in het steunpunt past en of de voet loodrecht onder
het steunpunt staat.
11. Draai de krik zo dat de slinger zo ver
mogelijk van de zijkant van de auto komt.
De armen van de krik staan dan haaks op
de rijrichting van de auto.
12. Krik de auto zo ver op dat het wiel van de
grond komt. Verwijder de wielbouten en til
het wiel eraf.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
600
Instellingen voor niveauregeling* (p. 489)
Bij het verwisselen van wielen (p. 596)
Auto opnemen (p. 639)
Krik* (p. 597)
Wiel monteren
Het vervangen van wielen moet altijd op de
juiste manier gebeuren. Hier volgen instructies voor het monteren van een wiel en waar
u daarbij op moet letten.
WAARSCHUWING
•
Activeer de parkeerrem en zet de keuzehendel in de parkeerstand (P).
•
Blokkeer de wielen die op de grond
staan met grote houtblokken of grote
stenen.
•
Controleer of de krik onbeschadigd is,
of de schroefdraden goed zijn
gesmeerd en of deze vrij van vuil is.
•
Controleer of de krik op een vaste en
vlakke ondergrond staat die niet glad is
en niet helt.
•
De krik moet op de juiste wijze in het
kriksteunpunt zijn bevestigd.
•
Leg nooit iets tussen de krik en de
ondergrond en evenmin tussen de krik
en het kriksteunpunt van de auto.
•
Laat nooit passagiers in een auto zitten
die op een krik staat.
•
Bij het verwisselen van een wiel langs
de kant van de weg dienen eventuele
passagiers op veilige afstand te gaan
staan.
•
Gebruik bij het verwisselen van banden
de krik die bij de auto hoort. Bok de
BELANGRIJK
•
Als de krik* niet wordt gebruikt, moet
deze worden bewaard op de daarvoor
bedoelde plaats onder de vloer van de
bagageruimte.
•
De normale krik die bij de auto zit, is
alleen bestemd voor sporadisch en
kortstondig gebruik zoals bij het verwisselen van een lekke band. Hef de
auto alleen met een krik die voor het
desbetreffende model bestemd is. Als
de auto vaker moet worden opgekrikt
of voor langere tijd zoals bij het onderling roteren van de banden wordt het
gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval de gebruiksaanwijzing van de desbetreffende krik.
Sleepoog monteren en demonteren
(p. 513)
Wiel monteren (p. 600)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
auto op bij alle andere werkzaamheden.
•
Kruip of reik nooit onder een auto die
op een krik staat.
4. Draai de wielbouten kruiselings vast. Het
is belangrijk dat u de wielbouten stevig
aanhaalt. Haal aan met 140 Nm
(103 lbf ft). Controleer het aanhaalkoppel
met een momentsleutel.
N.B.
De auto moet zo ver zijn opgekrikt dat het wiel
van de grond komt.
1.
Reinig de vlakken tussen wiel en naaf.
2. Breng het wiel aan. Haal de wielbouten
stevig aan.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en
zijn moeilijk los te draaien.
Gerelateerde informatie
Gebruik geen smeermiddel op de draadwindingen van de wielbouten.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
5. Plaats de kunststof doppen terug op de
wielbouten.
6. Controleer de bandenspanning en programmeer de nieuwe bandenspanning in
het bandenspanningscontrolesysteem*.
•
•
•
•
•
•
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 596)
Auto opnemen (p. 639)
Krik* (p. 597)
Gereedschapsset (p. 596)
Wielen demonteren (p. 598)
De nieuwe bandenspanning opslaan in het
controlesysteem* (p. 593)
Bandenspanning controleren (p. 588)
WAARSCHUWING
Trek de wielbouten enkele dagen na het
verwisselen nog eens na. Temperatuurschommelingen en trillingen kunnen ertoe
leiden dat de wielbouten na verloop van tijd
minder strak vastzitten.
* Optie/accessoire. 601
WIELEN EN BANDEN
Reservewiel*
Het reservewiel van het type Temporary
Spare is te gebruiken voor tijdelijke vervanging van een standaardwiel met een lekke
band.
Het reservewiel is alleen bestemd voor tijdelijk
gebruik. Vervang het zo spoedig mogelijk door
een standaardwiel.
•
Rijd met een reservewiel op de auto
nooit sneller dan 80 km/h (50 mph).
•
Er mag nooit met de auto worden
gereden als deze van meer dan één
reservewiel van het type "Temporary
Spare" is voorzien.
De rijeigenschappen van de auto kunnen veranderen doordat de gewijzigde bodemvrijheid
bij gebruik van het reservewiel. Reinig de auto
niet in een automatische wasstraat bij gebruik
van een Temporary Spare.
•
Tijdens het gebruik van een compact
reservewiel kunnen de rijeigenschappen van de auto zich wijzigen. Vervang
het reservewiel zo spoedig mogelijk
door een standaardwiel.
Houd de aanbevolen bandenspanning aan
ongeacht de locatie van de thuiskomer op de
auto.
•
Het reservewiel is kleiner dan het standaardwiel, wat gevolgen heeft voor de
bodemspeling van de auto. Pas op voor
hoge trottoirbanden en reinig de auto
niet in een autowasstraat.
•
Neem de bandenspanning in acht die
de fabrikant van het reservewiel adviseert.
•
Bij vierwielaangedreven auto's is de
aandrijving op de achterwielen uit te
schakelen.
•
Als het reservewiel op de vooras zit,
kunt u geen sneeuwkettingen omleggen.
•
Het reservewiel mag niet worden gerepareerd.
Als het reservewiel kapot mocht gaan is via de
Volvo-dealer een nieuw te bestellen.
602
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
Er mag niet met de auto worden gereden
met banden van verschillende maten of
met een reserveband die niet bij de auto is
meegeleverd. Door het gebruik van wielen
met verschillende maten kan de versnellingsbak van de auto ernstig beschadigd
raken.
Gerelateerde informatie
•
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 596)
Aanbevolen bandenspanning (p. 590)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Reservewiel gebruiken
Winterbanden
Profieldiepte
Neem voor het gebruik van het reservewiel
de volgende instructies in acht:
Winterbanden zijn aangepast voor winterse
omstandigheden.
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van
de motorvariant. Gebruik altijd het juiste type
winterbanden op alle vier de wielen.
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een
minimale profieldiepte van 4 mm (0,15 inch)
voor winterbanden.
N.B.
Informeer bij een Volvo-dealer naar de
geschiktste velgen en banden.
Tips bij het monteren van
winterbanden
De afbeelding is van algemene aard, zodat de actuele
versie kan verschillen.
Het reservewiel ligt in een opbergzak die tijdens het rijden met twee banden aan de vloer
van de kofferbak/bagageruimte is bevestigd.
De banden moeten kruiselings over het wiel
worden gespannen en in de vier verankeringsogen van de auto worden vastgezet.
Gereedschap voor het verwisselen van wielen
zit onder de vloer in de kofferbak/bagageruimte.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Reservewiel* (p. 602)
Gereedschapsset (p. 596)
Wielen demonteren (p. 598)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 596)
Rijden tijdens de winter (p. 493)
Slijtage-indicator van banden (p. 588)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 713)
Noteer bij het vervangen van de zomerbanden
door winterbanden of andersom op de banden
aan welke kant ze zaten: bijvoorbeeld L voor
links, R voor rechts.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km (300–600 miles) rustig worden ingereden, zodat de “spikes” hun positie
in kunnen nemen. Zo gaan de banden en
vooral de “spikes” langer mee.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het
gebruik van banden met spikes verschillen
per land.
* Optie/accessoire. 603
WIELEN EN BANDEN
Sneeuwkettingen
Het gebruiken van sneeuwkettingen en/of
winterbanden kan helpen om onder winterse
omstandigheden voor een betere aandrijfkracht te zorgen.
Volvo adviseert om geen sneeuwkettingen te
gebruiken bij bandenmaten van meer dan
18 inch.
Sneeuwkettingen zijn op de auto te gebruiken, zij het met de volgende beperkingen:
•
WAARSCHUWING
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen
of vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn
afgestemd op het model en op de band- en
velgafmetingen. Alleen enkelzijdige sneeuwkettingen zijn toegestaan.
Neem altijd zorgvuldig de montagevoorschriften instructies van de fabrikant van de sneeuwkettingen in acht.
Leg de sneeuwkettingen zo strak
mogelijk om en span ze van tijd tot tijd
opnieuw aan.
•
Het gebruik van sneeuwkettingen is
alleen toegestaan op de voorwielen
(geldt ook voor modellen met vierwielaandrijving).
•
Als er accessoire- of aftermarket-banden/wielen of anderszins speciale banden/wielen zijn gemonteerd met een
afwijkende andere maat dan de originele banden en wielen, zijn in bepaalde
gevallen GEEN sneeuwkettingen te
gebruiken. Houd voldoende afstand
aan tussen de sneeuwkettingen en de
remmen, vering en carrosserieonderdelen.
Volvo adviseert u om bij twijfel over het
juiste type sneeuwketting contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Een verkeerde sneeuwketting kan ernstige
schade aan de auto veroorzaken en aanleiding geven tot een ongeluk.
604
mag in geen geval sneller rijden dan
50 km/h (30 mph).
BELANGRIJK
•
Raadpleeg voordat u de sneeuwkettingen monteert de lokale regels voor het
gebruik ervan.
•
Rijd nooit harder dan de maximumsnelheid die is aangegeven door de
fabrikant van de sneeuwkettingen. U
•
Vermijd oneffenheden, gaten of
scherpe bochten bij ritten met sneeuwkettingen.
•
Rijd niet op sneeuwvrije wegen, omdat
de sneeuwkettingen en de banden dan
overmatig slijten.
•
De rijeigenschappen van de auto kunnen negatief worden beïnvloed door
het rijden met sneeuwkettingen. Vermijd snelle of scherpe bochten en rem
niet met blokkerende wielen.
•
Bepaalde soorten kettingen die worden aangespannen zijn van invloed op
remonderdelen en kunnen daarom
NIET worden gebruikt.
Voor meer informatie over sneeuwkettingen
kunt u terecht bij een Volvo-dealer.
Gerelateerde informatie
•
Rijden tijdens de winter (p. 493)
WIELEN EN BANDEN
Noodreparatieset voor banden
banden7
U gebruikt de noodreparatieset voor
om een lek in een band tijdelijk af te dichten
én om de bandenspanning te controleren en
zo nodig aan te passen.
Positie
•
Banden (p. 584)
De noodreparatieset voor banden zit in het
blok schuimrubber onder de vloer in de bagageruimte.
Bij auto's die zijn voorzien van een reserveband* ontbreekt de noodreparatieset voor
banden.
De noodreparatieset voor banden bestaat uit
een compressor en een bus met afdichtmiddel. Het afdichtmiddel dient om noodreparaties uit te voeren.
N.B.
Het afdichtmiddel dicht banden met een
lek in het loopvlak effectief af, maar leent
zich minder goed voor banden met een gat
in het zijvlak. Gebruik de noodreparatieset
niet voor banden met diepe sneeën, barsten of soortgelijke beschadigingen.
N.B.
De compressor is bestemd voor noodreparaties van banden en is goedgekeurd door
Volvo.
7
Uiterste gebruiksdatum van de bus
met afdichtmiddel
De bus met afdichtmiddel moet worden vervangen als de uiterste gebruiksdatum van de
bus is verstreken (zie de sticker op de bus).
Behandel de vervangen bus als klein chemisch
afval (kca).
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden gebruiken
(p. 606)
•
Band oppompen met compressor uit
reparatieset voor banden (p. 610)
Temporary Mobility Kit (TMK)
* Optie/accessoire. 605
WIELEN EN BANDEN
Noodreparatieset voor banden
gebruiken
De noodreparatieset voor banden (TMK8) is
te gebruiken om een lek in een band tijdelijk
af te dichten.
Bus met afdichtmiddel
Knop
Aansluiten
WAARSCHUWING
Let bij gebruik van het bandenreparatiesysteem op de volgende punten:
•
De bus met afdichtmiddel bevat 1,2Ethanol en natuurrubber-latex. Deze
stoffen zijn gevaarlijk bij inname.
•
De inhoud van deze bus kan allergische
huidreacties veroorzaken of op een
andere manier mogelijk schadelijk zijn
voor de luchtwegen, de huid, het centrale zenuwstelsel en de ogen.
Overzicht
Voorzorgsmaatregelen:
•
•
•
Buiten bereik van kinderen bewaren.
•
Na gebruik daarom zorgvuldig wassen.
N.B.
Voedingskabel
Luchtslang
Drukreduceerventiel
Beschermdop
Voor het gebruik de verzegeling van de bus
niet verbreken. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
Eerste hulp:
•
Huid: Was blootgestelde delen van de
huid met zeep en water. Neem bij
eventuele symptomen contact op met
een arts.
•
Ogen: Spoel minimaal 15 minuten
overvloedig met water en til tussen-
Sticker, toelaatbare maximumsnelheid
Bushouder (oranje deksel)
Manometer
8 Temporary
606
Mobility Kit
Gevaarlijk bij inname.
Vermijd langdurig of herhaaldelijk contact met de huid. Als er afdichtmiddel
op uw kleren is gekomen dient u de
betrokken kledingstukken uit te trekken.
WIELEN EN BANDEN
door het onderste en bovenste ooglid
op. Neem bij eventuele symptomen
contact op met een arts.
•
Inademing: Breng het slachtoffer in de
frisse lucht. Neem bij aanhoudende irritatie contact op met een arts.
•
Doorslikken: Laat het slachtoffer niet
braken, tenzij medisch personeel dat
van u verlangt. Neem contact op met
een arts.
•
Afval: Lever dit materiaal en de verpakkingen ervan in bij een inzamelingsplaats voor gevaarlijk afval.
WAARSCHUWING
•
•
Verwijder de bus niet tijdens het
gebruik van de noodreparatieset voor
banden.
Verwijder de luchtslang niet tijdens het
gebruik van de noodreparatieset voor
banden.
9 Geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
1.
Zet de gevarendriehoek op en schakel de
alarmlichten in, als u een lekke band moet
afdichten langs een drukke weg.
Laat een eventuele spijker of iets dergelijks in de lekke band zitten. Het lek is zo
beter af te dichten.
2. Verwijder de sticker met de toegestane
maximumsnelheid die aan de ene kant van
de compressor zit. Bevestig de sticker
goed zichtbaar aan de binnenkant van de
voorruit om u eraan te herinneren de toegestane maximumsnelheid aan te houden.
Rijd na gebruik van de noodreparatieset
voor banden nooit sneller dan 80 km/h
(50 mph).
3. Controleer of de knop in stand 0 (uit) staat
en neem de voedingskabel en de luchtslang erbij.
4. Schroef het oranje deksel van de compressor los en draai de drop van de bus
met afdichtmiddel.
5. Schroef de bus tot aan de aanslag in de
bushouder vast.
De bus en de bushouder zijn voorzien van
een terugdraaiblokkering om te voorkomen dat er afdichtmiddel weglekt. U kunt
een vastgeschroefde bus niet meer uit de
bushouder losdraaien. Laat het verwijderen van de bus over aan een werkplaats9.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
6. Draai de ventieldop van de band los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang tot aan de aanslag vast over de
draadwindingen van het bandventiel.
Controleer of het drukreduceerventiel op
de luchtslang volledig is vastgedraaid.
}}
607
WIELEN EN BANDEN
||
7. Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
N.B.
Zorg er bij een actieve compressor voor
dat geen van de overige 12V-aansluitingen
in gebruik is.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de
auto achter als de motor draait.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan
levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die afgesloten zijn of
onvoldoende ventilatie hebben.
8. Schakel de compressor in door de knop in
stand I (aan) te zetten.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen.
Beëindig in dat geval de rit. Roep pechhulp
onderweg in om de auto naar een bandenwerkplaats te slepen. Geadviseerd wordt
een erkende Volvo-bandenwerkplaats.
N.B.
Als de compressor start, kan de druk tot
6 bar (88 psi) toenemen. De druk daalt
echter na ca. 30 seconden.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
BELANGRIJK
Laat de compressor niet langer dan
10 minuten achtereen werken – risico van
oververhitting.
608
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen.
De bandenspanning dient minimaal
1,8 bar (22 psi) en maximaal 3,5 bar
(51 psi) te bedragen. Laat bij een te hoge
bandenspanning lucht uit de band ontsnappen.
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar
(22 psi), is het gat in de band te groot.
Beëindig in dat geval de rit. Roep pechhulp
onderweg in om de auto naar een bandenwerkplaats te slepen. Geadviseerd wordt
een erkende Volvo-bandenwerkplaats.
11. Schakel de compressor uit en koppel de
voedingskabel los.
WIELEN EN BANDEN
12. Schroef de luchtslang los van het bandventiel en plaats de ventieldop terug op de
band.
N.B.
•
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
13. Plaats de beschermdop op de luchtslang
om te voorkomen dat restanten afdichtmiddel weglekken. Leg de uitrusting in de
bagageruimte.
14. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
minstens 3 km (2 miles) af bij een snelheid van maximaal 80 km/h (50 mph),
zodat het afdichtmiddel de band kan
afdichten en verricht daarna een tweede
controle.
WAARSCHUWING
Tijdens de eerste slagen die de band ronddraait spuit er afdichtvloeistof uit het gat.
Houd bij het wegrijden omstanders uit de
buurt van de auto om te voorkomen dat ze
afdichtmiddel op zich krijgen. De afstand
moet minimaal 2 meter bedragen (7 voet).
15. Controle achteraf
Sluit de luchtslang aan op het bandventiel
en schroef de ventielaansluiting tot aan de
aanslag vast over de draadwindingen van
het bandventiel. De compressor moet zijn
uitgeschakeld.
16. Lees de bandenspanning van de manometer af.
•
Bij een spanning lager dan 1,3 bar
(19 psi) is de band niet goed afgedicht.
Beëindig in dat geval de rit. Roep
wegenhulp in om de auto af te slepen.
•
Bij een bandenspanning hoger dan
1,3 bar (19 psi) moet u de band oppompen tot de spanning die staat aangegeven op de bandenspanningssticker aan
de binnenkant van de portierstijl aan de
bestuurderszijde (1 bar = 100 kPa =
14,5 psi). Laat bij een te hoge bandenspanning lucht uit de band ontsnappen.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Volvo adviseert u de auto naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats te rijden om
de beschadigde band te laten vervangen/repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door
dat er afdichtmiddel in de band zit.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
luchtslang na gebruik. Volvo adviseert u dergelijke vormen van vervanging te laten uitvoeren door een erkende Volvo-werkplaats.
}}
609
WIELEN EN BANDEN
||
WAARSCHUWING
De maximale afstand die mag worden
afgelegd als banden met afdichtmiddel zijn
gevuld is 200 km (120 miles).
N.B.
De compressor is een elektrisch apparaat,
zodat u zich dient te houden aan de plaatselijke voorschriften voor afvoer.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 590)
Noodreparatieset voor banden (p. 605)
Band oppompen met compressor uit
reparatieset voor banden (p. 610)
Band oppompen met compressor
uit reparatieset voor banden
De originele banden van de auto zijn op te
pompen met de compressor uit de noodreparatieset voor banden.
1. De compressor moet zijn uitgeschakeld.
Zorg dat de knop in stand 0 (Uit) staat en
neem de voedingskabel en de luchtslang
erbij.
2. Draai de ventieldop van de band los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang tot aan de aanslag vast over de
draadwindingen van het bandventiel.
Controleer of het drukreduceerventiel op
de luchtslang volledig is vastgedraaid.
3. Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan
levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die afgesloten zijn of
onvoldoende ventilatie hebben.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de
auto achter als de motor draait.
610
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I (aan) te zetten.
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor
mag niet langer dan 10 minuten werken.
5. Pomp de band op tot de spanning die op
de bandenspanningssticker aan de binnenkant van de portierstijl aan bestuurderszijde staat. Laat bij een te hoge bandenspanning lucht uit de band ontsnappen.
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de voedingskabel los.
7. Plaats de ventieldop terug op de band.
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
WIELEN EN BANDEN
N.B.
De compressor is een elektrisch apparaat,
zodat u zich dient te houden aan de plaatselijke voorschriften voor afvoer.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Aanbevol