Volvo | XC40 | Gebruikershandleiding | Volvo XC40 2019 Late Gebruikershandleiding

Volvo XC40 2019 Late Gebruikershandleiding
XC40
G EB RUIK E RSHA N DLE IDIN G
VÄLKOMMEN!
We hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het
ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Volvo streeft ernaar auto's te bouwen die tot de veiligste ter
wereld behoren. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw Volvo te hebben, adviseren we u om de
instructies en de onderhoudsinformatie in deze gebruikershandleiding
door te nemen. De gebruikershandleiding is tevens beschikbaar als
mobiele app (Volvo Manual) en op de supportsite van Volvo Cars
(support.volvocars.com).
We adviseren bovendien iedereen om in deze auto en andere auto's de
veiligheidsgordel te dragen. Rijd niet wanneer u onder de invloed bent
van alcohol of medicijnen – of als u rijvermogen om wat voor reden dan
ook beperkt is.
INHOUD
INFORMATIE VOOR DE
EIGENAAR
2
UW VOLVO
VEILIGHEID
Volvo ID
26
Veiligheid
42
26
Veiligheid tijdens de zwangerschap
43
43
Bedieningsinformatie
16
Volvo ID aanmaken en registreren
Gebruikershandleiding op middendisplay
17
Drive-E - schoner rijplezier
28
Whiplash Protection System
Navigeren in de gebruikershandleiding op het middendisplay
19
IntelliSafe – rijhulp en veiligheid
31
Veiligheidsgordels
45
Gebruikershandleiding op mobiele
apparaten
21
Sensus – connectiviteit en entertainment
32
Veiligheidsgordel omdoen en losmaken
45
Software-updates
35
Gordelspanners
47
48
Supportsite van Volvo Cars
21
Vastlegging van gegevens
35
Elektrische gordelspanner resetten*
Gebruikershandleiding doornemen
22
Servicevoorwaarden
36
Portier- en gordelwaarschuwing
48
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding
24
Privacybeleid voor klanten
36
Airbags
50
Belangrijke informatie over accessoires en extra uitrusting
37
Bestuurdersairbags
50
Installatie van accessoires
37
Passagiersairbag
51
Uitrusting aansluiten op de diagnoseaansluiting van de auto
38
Passagiersairbag* activeren en deactiveren
53
VIN van de auto tonen
39
Zijairbags
55
Afleiding van de bestuurder
39
Opblaasgordijnen
56
Safety Mode
57
Auto in Safety Mode starten en verplaatsen
57
Kinderveiligheid
58
Kinderzitje
59
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
60
Onderste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
60
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten
voor kinderzitjes
61
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Positie van kinderzitje
62
Kinderzitje monteren
63
Instrumenten en bediening bij een
auto met het stuur links
74
Opgeslagen bestuurdersdisplaymeldingen hanteren
Overzichtstabel voor de plaatsing van
kinderzitjes
65
Instrumenten en bediening bij een
auto met het stuur rechts
75
Overzicht van het middendisplay
100
Bestuurdersdisplay
78
Middendisplay hanteren
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die
de veiligheidsgordel in de auto gebruiken
66
103
Instellingen voor bestuurdersdisplay
80
Middendisplay activeren en deactiveren
106
68
Brandstofmeter
81
Navigeren in schermen op het middendisplay
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
106
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
69
Boordcomputer
81
82
Deelschermen op middendisplay
hanteren
110
Ritstatistieken tonen op het bestuurdersdisplay
Functiescherm op het middendisplay
113
Dagteller resetten
83
115
Verbruiksinfo weergeven op het middendisplay
84
Apps en knoppen op middendisplay
verplaatsen
84
Symbolen op de statusbalk van het
middendisplay
115
Instellingen voor verbruiksinfo
Datum en tijd
85
Toetsenbord op middendisplay
117
Buitentemperatuurmeter
86
Taal wijzigen voor toetsenbord van
middendisplay
121
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
86
Waarschuwingssymbolen op
bestuurdersdisplay
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay
121
88
Opzet van middendisplay aanpassen
Licentieovereenkomst voor bestuurdersdisplay
123
89
Volume van systeemgeluid uitschakelen of aanpassen op middendisplay
123
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
94
Systeemeenheden wijzigen
Appmenu op bestuurdersdisplay
hanteren
124
94
Systeemtaal wijzigen
124
Melding op bestuurdersdisplay
95
Instellingen wijzigingen op het
hoofdscherm van het middendisplay
124
Melding op bestuurdersdisplay hanteren
97
Contextuele instellingen openen op
het middendisplay
125
98
3
VERLICHTING
4
Gebruikersgegevens resetten bij
doorverkoop
126
Verlichtingsbediening
140
RUITEN, GLASWERK EN
SPIEGELS
141
156
126
Verlichtingsfuncties aanpassen via
het middendisplay
Ruiten, lampglazen en spiegels
Instellingen resetten op middendisplay
Tabel met instellingen op middendisplay
Stadslichten voor/achterlichten
156
127
142
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen
Bestuurdersprofielen
128
Dagrijlicht
142
157
Bestuurdersprofiel kiezen
129
Dimlicht
143
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
Naam van bestuurdersprofiel wijzigen
130
Groot licht gebruiken
144
Elektrisch bedienbare ruiten
157
Bestuurdersprofiel beveiligen
130
Automatisch groot licht
144
Elektrisch bedienbare ruiten
158
Transpondersleutel koppelen aan
bestuurdersprofiel
131
Richtingaanwijzers gebruiken
145
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
159
Actieve bochtverlichting*
146
Dimfunctie van spiegels aanpassen
160
Mistlampen voor/bochtverlichting*
147
Buitenspiegels kantelen
161
Instellingen resetten in bestuurdersprofielen
132
Melding op het middendisplay
133
Mistachterlicht
147
Meldingen op middendisplay hanteren
Panoramadak*
162
Panoramadak* bedienen
164
133
Remlichten
148
Opgeslagen middendisplaymeldingen hanteren
148
Automatische sluiting van zonnescherm van panoramadak*
166
134
Noodremlichten
Alarmlichten
149
Stembediening
Wisserbladen en sproeiervloeistof
135
167
Follow Me Home-verlichting gebruiken
149
Stembediening gebruiken
Voorruitwissers gebruiken
135
167
Approach-verlichting
150
Stembediening telefoon
Regensensor gebruiken
137
168
Interieurverlichting
150
Stembediening radio en media
137
169
Interieurverlichting aanpassen
152
Geheugenfunctie van regensensor
gebruiken
Instellingen voor stembediening
138
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
169
Achterruitwisser en -sproeier
170
Automatische activering achterruitwisser bij achteruitrijden
171
STOELEN EN STUURWIEL
KLIMAAT
Handmatig bediende voorstoel
174
Klimaatregeling
188
175
Klimaatzones
188
Automatische inschakeling van elektrische stuurverwarming* activeren
en deactiveren
203
Elektrisch bedienbare* voorstoel
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
175
Klimaatsensoren
189
Automatische klimaatregeling activeren
204
Stand opslaan voor stoel en buitenspiegels
Gevoelstemperatuur
176
189
Stembediening klimaat
204
190
Luchtrecirculatie activeren en deactiveren
Opgeslagen stand voor stoel en buitenspiegels gebruiken
177
Luchtkwaliteit
191
191
Timerinstelling voor luchtrecirculatie
activeren en deactiveren
205
Clean Zone*
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
178
Clean Zone Interior Package*
192
Maximale ontwaseming activeren en
deactiveren
205
Lendensteun* voorstoel verstellen
179
Interior Air Quality System*
192
Rugleuning achterbank omklappen
180
193
Elektrische voorruitverwarming* activeren en deactiveren
207
Luchtkwaliteitssensor* activeren en
deactiveren
182
Interieurfilter
193
Bedieningselementen op stuurwiel
en claxon
183
Luchtverdeling
Automatische inschakeling van elektrische voorruitverwarming* activeren
en deactiveren
208
Hoofdsteunen achterbank verstellen
194
184
194
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren
208
Stuurslot
Luchtverdeling aanpassen
Stuurwiel verstellen
184
Blaasmonden openen, sluiten en richten
195
196
Automatische inschakeling van elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren
209
Tabel met luchtverdelingsstanden
Klimaatregelingsbediening
199
Ventilatorstand voorin regelen
209
Elektrische voorstoelverwarming*
activeren en deactiveren
201
Temperatuur voorin regelen
210
Automatische inschakeling van elektrische stoelverwarming voorin* activeren en deactiveren
201
Temperatuur synchroniseren
211
Airconditioning activeren en deactiveren
212
Parkeerklimaat*
Elektrische stoelverwarming achter*
activeren en deactiveren
212
202
Preconditioning*
213
Elektrische stuurverwarming* activeren en deactiveren
203
Preconditioning* in- en uitschakelen
213
Timerinstelling voor preconditioning*
214
5
6
Timerinstelling voor preconditioning*
toevoegen en bewerken
214
Timerinstelling voor preconditioning*
activeren en deactiveren
216
Timerinstelling voor preconditioning*
verwijderen
216
Klimaatcomfort bij parkeren*
217
Klimaatcomfort tijdens het parkeren*
inschakelen en uitschakelen
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN
EN ALARM
Vergrendelingsindicatie
226
Instelling voor vergrendelingsbevestiging
227
een transpondersleutel
228
Vergrendelen en ontgrendelen met
transpondersleutel
230
217
Instellingen voor ontgrendeling op
afstand en van de binnenzijde
231
Symbolen en meldingen voor parkeerklimaat*
219
Achterklep ontgrendelen met transpondersleutel
231
Verwarming*
220
Bereik transpondersleutel
232
Standverwarming*
221
Batterij in transpondersleutel vervangen
233
Extra verwarming*
222
Meer transpondersleutels nabestellen
236
Automatische inschakeling van extra
verwarming activeren en deactiveren*
223
Afneembaar sleutelblad
236
Vergrendelen en ontgrendelen met
afneembaar sleutelblad
237
Elektronische startblokkering
Typegoedkeuring voor transpondersleutels
Keyless vergrendeling/ontgrendeling
en aanraakgevoelige zones*
250
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
251
Vergrendelen en ontgrendelen van
de binnenzijde van de auto
254
Achterklep ontgrendelen vanaf de
binnenzijde
255
Kinderslot activeren en deactiveren
256
Automatische vergrendeling bij het
wegrijden
257
Elektrisch bedienbare achterklep*
openen en sluiten
258
Maximale openingshoek voor elektrische achterklepbediening* programmeren
261
Achterklep openen en sluiten met
een schopbeweging*
261
Privacy locking
263
Privacy locking activeren en deactiveren
263
Alarm*
265
239
Alarm* activeren en deactiveren
266
241
Verlaagde guard*
267
Safelock-functie*
268
Safelock-functie* tijdelijk deactiveren
268
Instellingen voor passieve ontgrendeling*
252
Achterklep passief ontgrendelen*
252
Locatie antennes voor start- en vergrendelingssysteem
253
BESTUURDERSONDERSTEUNIN
G
Rijhulpsystemen
272
Snelheidsafhankelijke stuurkracht
272
Elektronische stabiliteitsregeling
273
Elektronische stabiliteitsregeling in
de Sportstand
274
Cruisecontrol activeren en starten
287
Snelheidsbegrenzer deactiveren en
stand-by zetten
288
Van doelvoertuig veranderen met rijhulpsystemen
310
Cruisecontrol heractiveren vanuit de
stand-bystand
Tijdsverschil instellen voor rijhulpsystemen
311
289
Rijmodus voor rijhulp
Cruisecontrol uitschakelen
290
312
Aan te houden snelheid instellen
voor rijhulpsystemen
290
313
Automatische remfunctie van rijhulpsystemen
314
Inhaalassistent
315
Inhaalassistent gebruiken
315
Radarsensor
316
Typegoedkeuring voor radarsensor
Beperkingen van adaptieve cruisecontrol* 296
317
Camera
Wisselen tussen cruisecontrol en
adaptieve cruisecontrol*
322
296
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor
323
Symbolen en meldingen voor adaptieve cruisecontrol*
298
Aanbevolen onderhoud van de
gecombineerde camera en radarsensor
327
Pilot Assist
300
City Safety™
328
302
Parameters en deelfuncties van City
Safety
329
Sportstand van elektronische stabiliteitsregeling activeren/deactiveren
275
Adaptieve cruisecontrol*
292
Symbolen en meldingen voor elektronische stabiliteitsregeling
276
Bediening en displayweergave van
de adaptieve cruisecontrol*
293
278
Adaptieve cruisecontrol activeren en
starten*
Adaptieve cruisecontrol deactiveren/
heractiveren*
294
Stabiliteitsregeling
Snelheidsbegrenzer
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
278
279
Snelheidsbegrenzer deactiveren en
stand-by zetten
280
Snelheidsbegrenzer heractiveren
vanuit de stand-bystand
281
Snelheidsbegrenzer uitschakelen
281
Beperkingen van de snelheidsbegrenzer
282
Automatische snelheidsbegrenzer
282
Bediening en displayweergave van
Pilot Assist
Automatische snelheidsbegrenzer
activeren/deactiveren
284
Pilot Assist activeren en starten
303
Tolerantie voor de automatische
snelheidsbegrenzer wijzigen
285
305
Waarschuwingsafstand instellen voor
City Safety
331
Pilot Assist deactiveren/heractiveren
Beperkingen van Pilot Assist
307
Obstakeldetectie met City Safety
332
Symbolen en meldingen voor
Pilot Assist*
308
City Safety bij kruisend verkeer
335
336
Waarschuwing rijhulpsystemen bij
een dreigende botsing
310
Beperkingen van City Safety bij kruisend verkeer
Beperkingen van de automatische
snelheidsbegrenzer
286
Cruisecontrol
286
7
8
City Safety bij ontoereikende uitwijkmanoeuvre
337
Verkeersbordinformatie met flitspaalinformatie*
357
Beperkingen van de stuurhulp bij
een dreigende botsing
372
City Safety remt voor tegenliggers
338
Symbolen en meldingen voor de
stuurhulp bij botsgevaar
373
339
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
358
Beperkingen van City Safety
Meldingen voor City Safety
341
Driver Alert Control
358
Parkeerhulp*
374
Rear Collision Warning
342
Parkeerhulp aan voorzijde, achterzijde en zijkanten*
375
Parkeerhulp activeren/deactiveren*
376
Beperkingen van parkeerhulp
377
Driver Alert Control activeren/deactiveren 360
Beperkingen van Rear Collision Warning
342
BLIS*
343
Begeleiding naar parkeerplaats kiezen bij waarschuwing van Driver Alert
Control
BLIS activeren of deactiveren
344
Beperkingen van Driver Alert Control
360
Beperkingen van BLIS
345
Rijbaanassistent
361
Meldingen voor BLIS
346
Stuurhulp bij rijbaanassistent
362
Cross Traffic Alert*
347
Rijbaanassistent activeren/deactiveren
363
Cross Traffic Alert activeren/deactiveren
348
363
Beperkingen van Cross Traffic Alert
348
Assistentie-opties voor rijbaanassistent kiezen
Meldingen voor Cross Traffic Alert
350
Beperkingen van rijbaanassistent
363
Symbolen en meldingen voor rijbaanassistent
365
360
Symbolen en meldingen voor parkeerhulp 378
Parkeerhulpcamera*
379
Weergaven voor de parkeerhulpcamera*
380
Hulplijnen voor parkeerhulpcamera*
382
Sensorvelden van parkeerhulp voor
parkeerhulpcamera
384
Parkeerhulpcamera starten
385
Symbolen en meldingen voor de parkeerhulpcamera
387
Verkeersbordinformatie*
351
Verkeersbordinformatie* activeren/
deactiveren
352
Symbolen op het bestuurdersdisplay
voor de rijbaanassistent
367
Actieve parkeerhulp*
388
Verkeersbordinformatie en bordweergave*
353
Stuurhulp bij botsgevaar
368
Parkeervarianten bij actieve parkeerhulp*
389
Verkeersbordinformatie en Sensus
Navigation*
369
Inparkeren met actieve parkeerhulp*
355
Stuurhulp bij botsgevaar activeren/
deactiveren
390
355
369
393
Verkeersbordinformatie met snelheidswaarschuwing en instellingen*
Niveau van stuurhulp bij dreigende
bermongelukken
Fileparkeervak verlaten met actieve
parkeerhulp*
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp*
357
370
394
Snelheidswaarschuwing van verkeersbordinformatie activeren/deactiveren
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
371
Meldingen voor Actieve parkeerhulp*
396
STARTEN EN RIJDEN
Motor starten
398
Versnellingsbak
413
Zuinig rijden
434
Auto afzetten
399
Handgeschakelde versnellingsbak
413
Voorbereidingen voor een lange rit
435
Contactslotstanden
400
414
Rijden tijdens de winter
436
Contactslotstand kiezen
401
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak
402
416
437
Alcoholslot*
Schakelen met stuurpaddles*
Doorwaaddiepte
403
417
437
Alcoholslot* omzeilen
Keuzehendelblokkering
Tankvulklep openen en sluiten
Kickdownfunctie
418
Brandstof tanken
438
Schakelindicator
419
Hanteren van brandstof
439
Benzine
440
Benzineroetfilter
441
Alvorens een motor met alcoholslot
te starten
403
Remsystemen
404
Vierwielaandrijving*
419
Rempedaal
404
Rijmodi*
420
Rembekrachtiging
Dieselolie
406
Rijmodus* wijzigen
422
441
Remmen op natte rijbanen
406
Rijmodus Eco
443
422
Wanneer u de tank leegrijdt van een
dieselmodel
Remmen op gepekelde rijbanen
406
424
Roetfilter
443
Onderhoud van het remsysteem
407
Rijmodus Eco activeren en deactiveren met functieknop
444
Parkeerrem
407
Start/Stop-systeem
425
Uitlaatgasreiniging met AdBlue®
Rijden met Start/Stop-systeem
425
AdBlue® hanteren
445
Start/Stop-systeem tijdelijk uitschakelen
427
Voorwaarden voor het Start/Stopsysteem
427
Niveauregeling* en schokdemping
429
Lagesnelheidsregeling*
431
Starthulp met andere accu
451
Trekhaak*
453
Parkeerrem activeren en deactiveren
408
Instelling voor automatische activering van de parkeerrem
409
Op een helling parkeren
409
Bij een storing in de parkeerrem
410
AdBlue®
controleren en bijvullen
446
Symbolen en meldingen voor AdBlue®
448
Oververhitting van motor en aandrijving
450
Overbelasting van de startaccu
451
Automatische rem bij stilstand
410
Automatische rem bij stilstand activeren en deactiveren
411
Lagesnelheidsregeling* activeren en
deactiveren met functieknop
431
Specificaties van de trekhaak*
412
Afdalingsremregeling*
454
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
432
In- en uitklapbare trekhaak*
412
Afdalingsremregeling* activeren en
deactiveren met functieknop
454
Automatisch remmen na een aanrijding
433
Rijden met aanhangwagen
456
9
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Aanhangwagenstabilisering*
458
Audio, media en internet
472
DivX® weergeven
Aanhangwagenverlichting controleren
459
Audio-instellingen
472
Instellingen voor video
488
Op trekhaak gemonteerde fietsdrager*
460
Geluidservaring*
473
Media via Bluetooth®
489
Slepen
461
Apps
474
Eenheid aansluiten via Bluetooth®
489
Sleepoog monteren en demonteren
462
Apps downloaden
475
Media AUX/USB-poort
489
Bergen
464
Apps bijwerken
475
Eenheid aansluiten via USB-poort
490
HomeLink®*
465
Apps verwijderen
476
490
HomeLink®* programmeren
466
Radio
476
Technische specificaties voor USBeenheden
HomeLink®* gebruiken
468
Radio starten
477
Compatibele formaten voor media
491
Typegoedkeuring voor HomeLink®*
468
478
Apple®
492
Kompas*
469
478
Apple® CarPlay®* gebruiken
Kompas* activeren en deactiveren
469
Kompas kalibreren*
10
469
Van radioband en radiozender wisselen
Radiokanaal zoeken
488
CarPlay®*
Radiofavorieten instellen
479
Instellingen voor
Instellingen voor radio
480
Apple®
CarPlay®*
493
495
RDS-radio
481
Tips voor het gebruik van Apple®
CarPlay®*
Digitale radio*
482
Android Auto*
496
Schakelen tussen de radiobanden
FM en digitale radio*
483
Android Auto* gebruiken
497
Instellingen voor Android Auto*
498
Mediaspeler
483
Tips voor het gebruik van Android Auto*
498
Media afspelen
484
Telefoon
Media regelen en van media wisselen
499
485
Media zoeken
500
486
Telefoon eerste keer verbinden met
de auto via Bluetooth
Gracenote®
487
502
Video
487
Telefoon automatisch verbinden met
de auto via Bluetooth
Video afspelen
488
Telefoon handmatig verbinden met
de auto via Bluetooth
502
495
WIELEN EN BANDEN
Telefoon met Bluetooth-verbinding
loskoppelen
503
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi
516
Banden
530
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding kiezen
503
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling
516
Maataanduiding voor banden
532
517
533
504
Gegevensuitwisseling activeren en
deactiveren
Maataanduiding voor wielen
De draairichting van de banden.
533
504
Vrije geheugenruimte op harde schijf
Slijtage-indicator van banden
534
505
Licentieovereenkomst voor audio en
media
Bandenspanning controleren
534
Bandenspanning aanpassen
535
507
Aanbevolen bandenspanning
536
507
Bandenspanningscontrolesysteem*
537
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
508
538
Draadloze telefoonoplader*
508
De nieuwe bandenspanning opslaan
in het controlesysteem*
Draadloze telefoonoplader*
509
Bandenspanningsstatus op het middendisplay* bekijken
540
Maatregel bij een waarschuwing voor
een lage bandenspanning
541
Bij het verwisselen van wielen
542
Gereedschapsset
542
Krik*
543
Wielbouten
543
Wielen demonteren
544
Wiel monteren
546
Bluetooth-eenheden verwijderen
Telefoonfuncties
Berichtfuncties
Instellingen voor tekstbericht
Telefoonboekfuncties
Instellingen voor telefoon
506
Auto met actieve internetverbinding*
509
Internetverbinding voor de auto
maken via een telefoon met Bluetooth-verbinding
510
Internetverbinding voor de auto
maken via een telefoon (Wi-Fi)
511
Internetverbinding voor de auto
maken via automodem (simkaart)
512
Instellingen voor automodem*
513
Internetverbinding van auto delen via
Wi-Fi-hotspot
514
Geen internetverbinding of een
slechte verbinding
515
Wi-Fi-netwerk verwijderen
515
517
518
Reservewiel*
547
Reservewiel gebruiken
548
Winterbanden
549
Sneeuwkettingen
550
11
Noodreparatieset voor banden
551
Noodreparatieset voor banden gebruiken
551
Band oppompen met compressor uit
reparatieset voor banden
12
555
LAADMOGELIJKHEDEN,
OPBERGMOGELIJKHEDEN EN
INTERIEUR
ONDERHOUD EN SERVICE
Serviceprogramma van Volvo
576
576
Auto-interieur
558
Gegevensoverdracht tussen auto en
werkplaats via wifi
Tunnelconsole
559
Download Center
577
Aansteker* gebruiken
560
577
Asbak* legen
560
Systeemupdates hanteren via Download Center
Stroomaansluitingen
561
Autostatus
578
Elektrische aansluitingen gebruiken
561
Afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie
579
Dashboardkastje gebruiken
563
Autogegevens naar de werkplaats sturen
580
Zonnekleppen
564
Auto opnemen
581
Bagageruimte
564
Onderhoud aan klimaatregeling
583
Adviezen voor het vervoer van bagage
565
Motorkap openen en sluiten
583
Lading vervoeren op het dak en op
lastdragers
566
Overzicht motorruimte
585
Draagtashouders
566
Motorolie
585
Verankeringsogen
567
Motorolie controleren en bijvullen
586
Doorsteekluik in achterbank*
567
Koelvloeistof bijvullen
588
Laadvloer omhoogklappen
568
Lampen vervangen
589
Opvouwbare laadvloer* losnemen
569
Positie buitenverlichting
590
Bagagenet monteren en demonteren*
570
Richtingaanwijzerlamp achter vervangen
591
Hoedenplank demonteren en opbergen
572
Remlichtlamp vervangen
592
EHBO-set*
573
Gloeilamp mistachterlicht vervangen
593
Gevarendriehoek
573
Lampspecificaties
594
Startaccu
595
Hulpaccu
598
SPECIFICATIES
Symbolen op de accu's
599
Roestwering
620
Typeaanduidingen
628
Accu's recyclen
600
Autolak
620
Maten
631
Zekeringen en relais- en zekeringenhouders
600
Geringe lakschade herstellen
621
Gewichten
633
Zekering vervangen
601
Kleurcodes
622
Trekgewichten en kogeldruk
634
Zekeringen in motorruimte
602
Wisserbladen achterruit vervangen
622
Motorspecificaties
636
Zekeringen onder linker voorstoel
605
Wisserblad voorruit vervangen
623
Specificaties van de motorolie
637
Interieur reinigen
609
Wisserbladen in servicestand
624
639
Middendisplay reinigen
610
Vulopening voor sproeiervloeistof
625
Ongunstige rijomstandigheden voor
motorolie
Specificaties van de koelvloeistof
640
Textielbekleding en hemelbekleding
reinigen
611
Specificaties van de versnellingsbakolie
640
Veiligheidsgordels reinigen
611
Specificaties van de remvloeistof
640
Vloermatten en inlegmatten reinigen
611
Brandstoftank – inhoud
641
Leren bekleding reinigen
612
Leren stuurwiel reinigen
613
Interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout reinigen
613
Exterieur reinigen
614
Poetsen en in de was zetten
614
Met de hand wassen
615
Automatische wasstraat
616
Hogedrukreinigers
617
Wisserbladen reinigen
618
Kunststof en rubber sieronderdelen
exterieur reinigen
618
Velgen reinigen
619
Bij te vullen hoeveelheid
AdBlue®
641
Specificaties van de airconditioning
641
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
643
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
647
Minimaal toelaatbare lastindex en
snelheidsklassen voor banden
648
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
650
13
ALFABETISCH REGISTER
Alfabetisch register
14
651
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Bedieningsinformatie
Beeldscherm van de auto1
Supportsite van Volvo Cars
Gebruikersinformatie is beschikbaar in verschillende productformaten, zowel digitaal als in
drukvorm. De gebruikershandleiding is te raadplegen via het middendisplay van de auto, via de
mobiele app en op de supportsite van Volvo
Cars. In het dashboardkastje ligt een Quick
Guide en een supplement bij de gebruikershandleiding met onder meer informatie over
zekeringen en specificaties. U kunt een gebruikershandleiding in drukvorm bestellen.
Open op het middendisplay het
hoofdscherm en tik op
Handleiding. Hier hebt u de
mogelijkheid tot visuele navigatie aan de hand van afbeeldingen van het auto-exterieur en interieur. De informatie is doorzoekbaar en ook beschikbaar in een indeling in
categorieën.
Bezoek support.volvocars.com
en kies uw land. Hier vindt u
gebruikershandleidingen online
en in PDF-formaat. Op de supportsite van Volvo Cars vindt u
tevens instructievideo's en
meer informatie over het
gebruik en het bezit van uw Volvo. De site is
beschikbaar voor de meeste markten.
Mobiele app
Informatie in drukvorm
Zoek op App Store of Google
Play naar “Volvo Manual”,
download de app naar uw
smartphone of tablet en kies
uw model. De app bevat
instructievideo's en biedt de
mogelijkheid tot visuele navigatie aan de hand van afbeeldingen van het autoexterieur en -interieur. De navigatie tussen de
verschillende artikelen van de gebruikershandleiding verloopt eenvoudig en de inhoud is doorzoekbaar.
1 Op
16
markten zonder gebruikershandleiding op het middendisplay wordt een volledige gebruikershandleiding in drukvorm verstrekt.
In het dashboardkastje ligt een
supplement bij de gebruikershandleiding1 met informatie
over zekeringen en specificaties plus een overzicht van
belangrijke en nuttige informatie.
Ook in drukvorm beschikbaar is een Quick Guide
met beknopte informatie over de meeste
gebruikte autofuncties om aan de slag te kunnen.
Afhankelijk van het gekozen uitrustingsniveau, de
markt en dergelijke liggen er aanvullende documenten met gebruikersinformatie in drukvorm in
de auto.
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Het is mogelijk een gedrukt exemplaar van de
gebruikershandleiding en het bijbehorende supplement te bestellen. Neem voor bestelling contact op met een Volvo-dealer.
BELANGRIJK
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat
u de auto op veilig wijze bestuurt en dat u de
geldende wetgeving en voorschriften in acht
neemt. Het is ook belangrijk dat u de auto
volgens Volvo's adviezen in de gebruikershandleiding onderhoudt en bedient.
Bij afwijkingen in de informatie op het middendisplay en in de gedrukte informatie, geldt
altijd de informatie in drukvorm.
•
•
Supportsite van Volvo Cars (p. 21)
Gebruikershandleiding doornemen (p. 22)
Gebruikershandleiding op
middendisplay
Via het middendisplay van de auto kunt u de
gebruikershandleiding in digitale2 vorm raadplegen.
De digitale gebruikershandleiding is te raadplegen via het hoofdscherm en in bepaalde gevallen
is ook de contextuele gebruikershandleiding te
raadplegen via het hoofdscherm.
N.B.
De digitale gebruikershandleiding is tijdens
het rijden niet beschikbaar.
N.B.
Wanneer u de taal in het middendisplay verandert, kan dat betekenen dat bepaalde informatie voor de eigenaar niet overeenkomt met
landelijke of plaatselijke wet- en regelgeving.
Stel geen taal in die u niet begrijpt, omdat het
dan lastig wordt om te navigeren in de menustructuur op het scherm.
Gerelateerde informatie
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 17)
•
Gebruikershandleiding op mobiele apparaten
(p. 21)
}}
17
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
||
Gebruikershandleiding
Contextuele gebruikershandleiding
Dit geldt alleen voor bepaalde apps in de auto.
Voor gedownloade boordapps van derden zijn
bijv. geen appspecifieke artikelen beschikbaar.
Gerelateerde informatie
Het hoofdscherm met de knop voor de gebruikershandleiding.
Hoofdscherm met de knop voor de contextuele gebruikershandleiding.
Om de gebruikershandleiding te openen – sleep
het hoofdscherm op het middendisplay omlaag
en tik op Handleiding.
De contextuele gebruikershandleiding is een
snelkoppeling naar het artikel in de gebruikershandleiding met een beschrijving van de op het
scherm getoonde actieve functie. Wanneer een
contextuele gebruikershandleiding beschikbaar
is, verschijnt deze rechts van Handleiding in het
hoofdscherm.
De informatie in de gebruikershandleiding is
rechtstreeks te raadplegen via de startpagina van
de gebruikershandleiding of via het hoofdmenu.
Tik eenmaal op de contextuele gebruikershandleiding om het artikel van de gebruikershandleiding te openen dat verband houdt met de
getoonde inhoud op het display. Tik bijv. op
Handleiding Navigatie om een artikel te openen dat verband houdt met de navigatie.
2
18
Geldt voor de meeste markten.
•
Navigeren in de gebruikershandleiding op
het middendisplay (p. 19)
•
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 106)
•
Apps downloaden (p. 475)
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Navigeren in de
gebruikershandleiding op het
middendisplay
De digitale gebruikershandleiding is te bereiken
via het hoofdscherm van het middendisplay in de
auto. De informatie is doorzoekbaar en de navigatie tussen de verschillende artikelen verloopt
eenvoudig.
Menu openen op het hoofdmenu
–
Tik op
in de bovenste lijst in de gebruikershandleiding.
> Er wordt een menu geopend met verschillende opties voor het vinden van informatie:
Startpagina
Tik op het symbool om terug te
gaan naar de startpagina van
de gebruikershandleiding.
Quick Guide
Tik op het symbool om een
pagina te openen met koppelingen naar enkele artikelen die
u vooral moet doornemen om
kennis te maken met de meest
gebruikelijke autofuncties. De
artikelen zijn ook via categorieën bereikbaar, maar staan hier om er snel bij te
kunnen. Tik op een artikel om het in zijn geheel
te lezen.
Categorieën
De artikelen van de gebruikershandleiding zijn geordend naar
hoofdcategorieën en subcategorieën. Hetzelfde artikel kan in
meerdere categorieën voorkomen zodat het gemakkelijker te
vinden is.
De gebruikershandleiding is vanuit het hoofdscherm te
openen.
–
Om de gebruikershandleiding te openen –
sleep het hoofdscherm op het middendisplay
omlaag en tik op Handleiding.
U kunt op verschillende manieren informatie vinden in de gebruikershandleiding. De menu-opties
zijn te bereiken via de startpagina van de gebruikershandleiding en via het hoofdmenu.
1.
Druk op Categorieën.
> De hoofdcategorieën staan in een lijst.
2.
Tik op een hoofdcategorie ( ).
> Er verschijnt een lijst met subcategorieën
( ) en artikelen ( ).
3.
Tik op een artikel om het te openen.
Tik op de pijl-links om een stap terug te doen.
}}
19
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
||
Hotspots voor exterieur en interieur
Overzichtsbeelden (exterieur en
interieur) van de auto. Diverse
delen zijn voorzien van hotspots
waarmee u naar artikelen over
het desbetreffende deel van de
auto gaat.
Favorieten
Tik op het symbool om de artikelen te openen die als favorieten zijn opgeslagen. Tik op een
artikel om het in zijn geheel te
lezen.
Artikelen als favoriet opslaan of verwijderen
Sla een artikel op als favoriet door in een
geheel rechtsboven te
geopend artikel op
drukken. De ster wordt gevuld wanneer een artikel is opgeslagen als favoriet:
.
1.
Druk op Exterieur of Interieur.
> Er verschijnen afbeeldingen van exterieur
of interieur met hotspots. De hotspots leiden naar artikelen over het desbetreffende deel van de auto. Veeg horizontaal
over het scherm om van de ene naar de
andere afbeelding te navigeren.
2.
Tik op een hotspot.
> De titel van een artikel op dit terrein verschijnt.
3.
Tik op de titel om het artikel te openen.
Tik op de pijl-links om een stap terug te doen.
20
Zoekfunctie gebruiken op het
hoofdmenu
1.
op het hoofdmenu van de
Druk op
gebruikershandleiding. Onder aan het
scherm verschijnt een toetsenbord.
2.
Voer een zoekterm in, bijv. "veiligheidsgordel".
> Er verschijnen suggesties voor artikelen
en categorieën naarmate u letters invoert.
3.
Druk op het artikel dat of de categorie om
het of deze te openen.
Om een artikel te verwijderen uit de favoriete artikelen, kunt u vanuit het geopende artikel
opnieuw op de ster drukken.
Gerelateerde informatie
Video
•
•
Tik op het symbool om naar de
pagina te gaan met korte
instructievideo's voor verschillende autofuncties.
Informatie
Tik op het symbool voor informatie over de versie van de
gebruikershandleiding in de
auto en andere praktische
informatie.
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 17)
Toetsenbord op middendisplay (p. 117)
Gebruikershandleiding doornemen (p. 22)
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Gebruikershandleiding op mobiele
apparaten
De gebruikershandleiding is beschikbaar als
mobiele app3 en is verkrijgbaar via zowel App
Store als Google Play. De app is aangepast
voor zowel smartphones als tablets.
desbetreffende gebieden. De navigatie tussen de
verschillende artikelen van de gebruikershandleiding verloopt eenvoudig en de inhoud is doorzoekbaar.
Supportsite van Volvo Cars
Op de web- en supportsite van Volvo Cars staat
meer informatie over uw auto.
Support op internet
Ga naar support.volvocars.com om deze pagina te
bezoeken. De supportpagina is beschikbaar voor
de meeste markten.
Hier vindt u support voor zaken die bijv. te maken
hebben met online diensten en functies, Volvo
On Call*, het navigatiesysteem* en apps. Video's
en stapsgewijze instructies verklaren verschillende procedures, bijv. hoe de auto via een mobiele telefoon te verbonden is met internet.
Te downloaden informatie
Kaarten
Voor auto's met Sensus Navigation zijn via de
supportsite kaarten te downloaden.
De gebruikershandleiding is als
mobiele app te downloaden via
App Store of Google Play. De
QR-code hiernaast leidt rechtstreeks naar de app. Of zoek
anders naar "Volvo manual" in
App Store of Google Play.
De app bevat video's alsook afbeeldingen van
exterieur en interieur waarop verschillende delen
van de auto staan aangegeven met zogenoemde
hotspots, die verder leiden naar artikelen over de
3
De mobiele app is verkrijgbaar via zowel App Store als
Google Play.
Gebruikershandleidingen in pdf-vorm
Er zijn gebruikershandleidingen in pdf-formaat te
downloaden. Download de gewenste gebruikershandleiding door een model en modeljaar te kiezen.
Gerelateerde informatie
Contact
•
Gebruikershandleiding doornemen (p. 22)
Op de supportpagina staan de contactgegevens
van de klantenservice en de dichtstbijzijnde
Volvo-dealers.
Voor bepaalde mobiele apparaten.
}}
* Optie/accessoire.
21
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
||
Aanmelden op de website van Volvo
Cars
Registreert uw eigen Volvo ID en meld u aan op
www.volvocars.com. Zodra u bent aangemeld,
kunt u bijvoorbeeld een overzicht krijgen van service, contracten en garanties. U vindt hier ook
informatie over model-specifieke accessoires en
softwareproducten voor uw Volvo.
Gerelateerde informatie
•
Volvo ID (p. 26)
Gebruikershandleiding doornemen
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om de gebruikershandleiding
door te nemen, idealiter voor aanvang van de
eerste rit.
Het doornemen van de gebruikershandleiding is
een goede manier om vertrouwd te raken met
nieuwe functies, tips te krijgen voor hoe u de
auto in verschillende situaties het beste kunt
bedienen en te leren hoe u optimaal gebruik kunt
maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt.
Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in de gebruikershandleiding.
De gebruikershandleiding dient alleen om uitleg
te geven bij alle beschikbare functies, opties en
accessoires voor een Volvo. De handleiding is
dan ook geen garantie dat alle beschreven functies en opties ook op alle auto's aanwezig zijn.
Bepaalde termen kunnen verschillen van de terminologie die in verkoop-, marketing- en reclamematerialen wordt gebezigd.
Er vindt voortdurend productontwikkeling plaats
ter verbetering van ons product. Aanpassingen
kunnen ertoe leiden dat de gegevens, beschrijvingen en illustraties in de gebruikershandleiding
afwijken van de werkelijke uitrusting op uw auto.
We behouden ons het recht voor om zonder
voorafgaande mededeling wijzigingen aan te
brengen.
22
Laat dit boekje altijd in de auto liggen – anders
ontbreekt bij eventuele problemen de noodzakelijke informatie over hoe en waar u professionele
hulp kunt krijgen.
© Volvo Car Corporation
Opties/accessoires
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden
in de gebruikershandleiding ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
Alle op het moment van publicatie bekende soorten opties/accessoires zijn gemarkeerd met een
asterisk: *.
De uitrusting die in de gebruikershandleiding
wordt beschreven is niet op alle auto's aanwezig
– welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven informatie over
kans op letsel.
* Optie/accessoire.
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
BELANGRIJK
Belangrijk-teksten geven informatie over kans
op materiële schade.
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op
een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met mogelijk
dodelijke afloop.
Informatie
Gevaar voor materiële schade
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips en
adviezen die het gebruik van bepaalde mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de auto
om belangrijke informatie op een simpele en duidelijke manier over te dragen. De stickers in de
auto zijn van de onderstaande aflopende waarschuwings-/informatiegraad.
Gevaar voor lichamelijk letsel
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op
een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
De in de gebruikershandleiding afgebeelde
stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw auto
aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn alleen
bedoeld om aan te geven hoe de stickers er
in grote lijnen uitzien en waar u ze ongeveer
kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto
vindt u de informatie die op uw auto van toepassing is.
Afbeeldingen en videoclips
Zwarte ISO-symbolen in een geel waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
De afbeeldingen en videoclips in de gebruikershandleiding zijn soms schematisch en bedoeld
om een overzicht of voorbeeld van een bepaalde
}}
23
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
||
functie te geven. Ze kunnen dan ook afwijken van
uw uitvoering van de auto, afhankelijk van het uitrustingsniveau en de markt.
Gerelateerde informatie
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 17)
•
Gebruikershandleiding op mobiele apparaten
(p. 21)
•
Supportsite van Volvo Cars (p. 21)
Milieu-aspecten van de
gebruikershandleiding
De gebruikershandleiding is gedrukt op papier
waarvoor de grondstoffen afkomstig zijn uit
gecontroleerde bossen.
Het Forest Stewardship Council (FSC)®-symbool
geeft aan dat de papiervezels waarvan een
gebruikershandleiding in drukvorm gemaakt is
afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of
andere gecontroleerde bronnen.
Gerelateerde informatie
•
24
Drive-E - schoner rijplezier (p. 28)
UW VOLVO
UW VOLVO
Volvo ID
N.B.
Volvo ID is een persoonlijke ID waarmee u
gebruikmakend van één gebruikersnaam en
wachtwoord toegang krijgt tot diverse diensten.
Bij wijziging van een gebruikersnaam/wachtwoord voor een bepaalde dienst (zoals Volvo
On Call) geldt deze wijziging ook automatisch
voor de overige diensten.
N.B.
Het dienstenaanbod kan in de loop der tijd
aangepast worden en hangt af van het uitrustingsniveau en de markt.
Voorbeelden van diensten:
•
•
•
1
2
26
De Volvo On Call-app* – controleer de auto
via uw telefoon. Zo is het bijv. mogelijk om
het brandstofpeil te controleren, het dichtstbijzijnde tankstation te tonen en de auto op
afstand te vergrendelen.
Send to Car – stuur adressen van kaartdiensten op internet rechtstreeks naar de auto.
Onderhoud en reparatie reserveren – registreer de door u gewenste werkplaats/dealer
op volvocars.com om onderhoud rechtstreeks
vanuit de auto een afspraak te maken.
De Volvo ID wordt rechtstreeks vanuit de auto, via
volvocars.com of deVolvo On Call-app aangemaakt1.
Wanneer een Volvo ID is aangemaakt komen
meer diensten beschikbaar. Er zijn meerdere
Volvo ID's aan dezelfde auto te koppelen en het
is ook mogelijk om één Volvo ID aan meerdere
auto's te koppelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Volvo ID aanmaken en registreren (p. 26)
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie (p. 579)
Volvo ID aanmaken en registreren
Een Volvo ID is op verschillende manieren aan te
maken. Als u een Volvo ID registreert op
volvocars.com of via de Volvo On Call-app2,
moet de Volvo ID ook worden gekoppeld aan de
auto om de verschillende Volvo ID-diensten te
kunnen gebruiken.
Volvo ID registreren via de app Volvo ID
1. Download de app Volvo ID via Download
Center op het appscherm van het middendisplay.
2.
Start de app en registreer een persoonlijk emailadres.
3.
Volg de instructies op die automatisch verstuurd worden naar het opgegeven e-mailadres.
> Er is daarmee een Volvo ID aangemaakt
en het ID staat automatisch geregistreerd
voor de auto. De Volvo ID-diensten kunnen nu gebruikt worden.
Voor mensen met Volvo On Call*.
Geldt alleen voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
UW VOLVO
Volvo ID registreren op website van Volvo
Cars
1. Surf naar www.volvocars.com en meld u aan3
via het icoontje rechts bovenaan. Kies Volvo
ID aanmaken.
2.
Geef een persoonlijk e-mailadres op.
3.
Volg de instructies op die automatisch verstuurd worden naar het opgegeven e-mailadres.
> Er is daarmee een Volvo ID aangemaakt.
Lees hieronder over hoe u het ID registreert voor de auto.
Volvo ID registreren via de Volvo On Callapp4
1. Download de nieuwste versie van de Volvo
On Call-app via de smartphone, op bijvoorbeeld AppStore, Windows Phone of Google
Play.
2.
3.
Kies op de startpagina van de app voor het
aanmaken van een Volvo ID en geef een persoonlijk e-mailadres aan.
Volg de instructies op die automatisch verstuurd worden naar het opgegeven e-mailadres.
> Er is daarmee een Volvo ID aangemaakt.
Lees hieronder over hoe u het ID registreert voor de auto.
Uw Volvo ID voor de auto registreren
Als de Volvo ID werd aangemaakt op internet of
met de Volvo On Call-app, registreer deze dan
voor de auto:
1.
Download de app Volvo ID vanaf Download
Center op het appscherm van het middendisplay, als dat nog niet is gebeurd.
N.B.
Om apps te kunnen downloaden moet de
auto verbinding hebben met internet.
2.
Start de app en vul uw Volvo ID/mailadres in.
3.
Volg de instructies op, die automatisch naar
het e-mailadres worden gestuurd dat aan uw
Volvo ID is gekoppeld.
> Uw Volvo ID is daarmee voor de auto
geregistreerd. De Volvo ID-diensten kunnen nu gebruikt worden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Volvo ID (p. 26)
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
Apps downloaden (p. 475)
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 577)
3 Beschikbaar op bepaalde markten.
4 Auto's met Volvo On Call*.
* Optie/accessoire.
27
UW VOLVO
Drive-E - schoner rijplezier
Volvo Car Corporation werkt voortdurend aan de
ontwikkeling van veiliger en effectievere produc-
Milieuzorg is een van de kernwaarden van Volvo
Cars die van invloed is op alle activiteiten. De
milieu-activiteiten gaan uit van de volledige
levensduur van de auto en houden rekening met
de milieu-effecten, van ontwikkeling tot sloop en
recycling. Volvo Cars hanteert het uitgangspunt
dat de milieu-effecten van nieuwe producten
geringer moeten zijn dan die van de producten
waarvoor ze in de plaats komen.
Een van de resultaten van de inspanningen van
Volvo op milieugebied is de ontwikkeling van de
Drive-E-aandrijflijnen, die effectiever werken en
minder vervuilend zijn. Ook het persoonlijke
28
ten en oplossingen om de milieu-effecten te
beperken.
milieu heeft de volle aandacht van Volvo - de
lucht in een Volvo is door de klimaatregeling bijvoorbeeld schoner dan de lucht buiten.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieu-eisen. Alle productie-eenheden van Volvo
hebben een ISO 14001-certificaat, wat een systematische benadering van de milieu-aspecten
van de productie betekent om voortdurend verbeteringen aan te brengen en de milieu-effecten te
beperken. Dit ISO-certificaat betekent ook dat de
geldende wettelijke bepalingen en voorschriften
op milieugebied wordt nageleefd. Volvo eist ook
van de samenwerkingspartners dat ze aan deze
normen voldoen.
Brandstofverbruik
Omdat de milieu-effecten van auto's voor een
groot deel toe te schrijven zijn aan het gebruik
ervan richt Volvo Cars zich op het beperken van
het brandstofverbruik, de uitstoot van kooldioxide
en andere verontreinigende stoffen. De auto's
van Volvo zijn concurrerend in hun klasse wat het
brandstofverbruik betreft. Een lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
UW VOLVO
Bijdragen aan een schoner milieu
Een zuinige auto levert niet alleen een beperking
van de milieu-effecten op, maar betekent ook
lagere kosten voor de eigenaar van de auto. Als
bestuurder kunt u eenvoudig brandstof en geld
besparen en zo een bijdrage leveren aan een
schoner milieu. Hier volgen enkele tips en adviezen:
•
Plan een effectieve gemiddelde snelheid.
Snelheden boven zo'n 80 km/h (50 mph) en
onder zo'n 50 km/h (30 mph) zorgen voor
een hoger energieverbruik.
manier van verwerken van dergelijk afval - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
"Schoon aan binnen- en buitenkant" - een concept dat een schone passagiersruimte combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies
ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Een luchtfilter helpt voorkomen dat stofdeeltjes
en pollen via de luchtinlaatopening de passagiersruimte binnendringen.
•
Neem de intervallen voor onderhoud en service aan de auto in acht die in het Serviceen garantieboekje geadviseerd worden.
•
Voorkom stationair draaien - zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat. Houdt u zich
aan de plaatselijke voorschriften.
•
Rijd anticiperend - bij onnodig vaak stoppen
en optrekken en een ongelijkmatige snelheid
stijgt het brandstofverbruik.
•
Activeer de preconditioning* vóór een koude
start - dit verhoogt de startgewilligheid en
beperkt de slijtage bij koud weer. De motor
komt sneller op bedrijfstemperatuur, wat een
beperking van het verbruik en de uitstoot
oplevert.
Het systeem ontdoet de lucht in de passagiersruimte van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon. Als de Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de
buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten
waarna de lucht in de passagiersruimte wordt
gerecirculeerd. Iets dergelijks kan zich voordoen
in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Let er tevens op dat u afvalstoffen die schadelijk
zijn voor het milieu, zoals accu's en olie, op een
milieuvriendelijke manier afvoert. Neem contact
op met een werkplaats bij twijfel over de juiste
Het IAQS is onderdeel van het CZIP (Clean Zone
Interior Package)* dat voorzien is van een speciale ventilatorfunctie die aanslaat, wanneer de
auto via de transpondersleutel wordt ontgrendeld.
Het luchtkwaliteitssysteem IAQS* (Interior Air
Quality System) zorgt ervoor dat de lucht die de
passagiersruimte binnenkomt, schoner is dan de
lucht buiten in het verkeer.
Interieur
De gebruikte materialen voor het interieur van
een Volvo zijn zorgvuldig geselecteerd en uitvoerig getest op comfort en hypoallergeniteit.
Bepaalde afwerkingsdetails zijn handmatig aangebracht: zo is de stuurwielbekleding met de
hand genaaid. Het interieur is getest op de afwezigheid van sterke geuren of stoffen die klachten
kunnen geven bij hoge temperaturen of direct
zonlicht.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en een
laag brandstofverbruik. U draagt zo tevens bij aan
een schoner milieu. Wanneer u de reparaties en
het onderhoud aan de auto toevertrouwt aan de
werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een
onderdeel van Volvo's systeem. Volvo stelt duidelijke milieu-eisen aan de outillage van de werkplaatsen om te voorkomen dat er schadelijke
stoffen in het milieu vrijkomen. Het werkplaatspersoneel beschikt over de kennis en het
gereedschap om optimale milieuzorg te garanderen.
Recycling
Omdat Volvo werkt vanuit een levensduurperspectief is het ook belangrijk dat autowrakken op
milieuvriendelijke wijze worden gerecycled. De
auto is nagenoeg geheel te recyclen. De laatste
eigenaar van de auto wordt daarom verzocht con}}
* Optie/accessoire.
29
UW VOLVO
||
tact op te nemen met een dealer voor de locatie
van een gecertificeerd/erkend recyclingbedrijf.
Gerelateerde informatie
30
•
•
•
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 643)
•
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 24)
•
Luchtkwaliteit (p. 191)
Zuinig rijden (p. 434)
Preconditioning* in- en uitschakelen
(p. 213)
* Optie/accessoire.
UW VOLVO
IntelliSafe – rijhulp en veiligheid
IntelliSafe is het rijveiligheidsconcept van Volvo
Cars. IntelliSafe omvat enkele systemen5 die de
rijveiligheid verhogen, schade/letsel voorkomen
en inzittenden en medeweggebruikers beschermen.
WAARSCHUWING
De systemen zijn aanvullende hulpmiddelen –
ze werken niet in alle situaties.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften houdt.
Ondersteuning
IntelliSafe heeft de volgende functies die de rijveiligheid verhogen.
•
•
•
•
•
•
•
•
5
6
Automatisch groot licht
Tunneldetectie
Pilot Assist
Cross Traffic Alert
Blind Spot Information
Parkeerhulp*
Actieve parkeerhulp*
Parkeerhulpcamera*
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Verkeersbordinformatie*
N.B.
Elektronische stabiliteitsregeling
Lees de artikelen over de afzonderlijke systemen door voor een goed inzicht in de werking
en om kennis te nemen van belangrijke waarschuwingen.
Roll Stability Control
Snelheidsbegrenzer*
Cruisecontrol
Adaptieve cruisecontrol*
Rear Collision Warning
Driver Alert Control
Vierwielaandrijving6
Gerelateerde informatie
•
•
•
Automatisch groot licht (p. 144)
Veiligheid (p. 42)
Rijhulpsystemen (p. 272)
Voorkomen
IntelliSafe heeft de volgende functies om een
ongeluk te voorkomen.
• City Safety
• Afstandswaarschuwing*
• Rijbaanassistent
• Botsingspreventie
Beschermen
IntelliSafe heeft de volgende onderling samenwerkende functies om u en eventuele passagiers
in bepaalde ongelukssituaties te beschermen.
•
•
•
Whiplash Protection System
Veiligheidsgordels met gordelspanners
Airbags
Sommige systemen zijn standaard gemonteerd, terwijl andere optioneel zijn. Welke dat precies zijn, hangt van de markt, het modeljaar en het automodel af.
All Wheel Drive
* Optie/accessoire.
31
UW VOLVO
Sensus – connectiviteit en
entertainment
Sensus biedt u de mogelijkheid om diverse apps
te gebruiken en een Wi-Fi-hotspot van uw auto
te maken.
Dit is Sensus
Sensus biedt een intelligente bedieningsinterface
en contact met de digitale wereld. Dankzij de
intuïtieve navigatiestructuur kunt u altijd toegang
krijgen tot hulp, informatie en entertainment, zonder te worden afgeleid.
schijnt, hangt af van hoe belangrijk de informatie
is voor u als bestuurder.
Sensus omvat alle oplossingen in de auto die
verband houden met entertainment, connectiviteit, navigatie* en de bedieningsinterface tussen
bestuurder en auto. Sensus maakt communicatie
mogelijk tussen u, uw auto en de omgeving.
Informatie waar en wanneer u die nodig
hebt
Op de verschillende displays in de auto staat
altijd relevante informatie. Waar de informatie ver-
32
* Optie/accessoire.
UW VOLVO
Waar welke informatie verschijnt, hangt af van hoe belangrijk de informatie is.
Bestuurdersdisplay
Het bestuurdersdisplay geeft informatie over
onder meer snelheid en bijv. telefoonoproepen of
informatie over het afgespeelde nummer. Het is
te bedienen met de twee knoppensets op het
stuurwiel.
Middendisplay
Bestuurdersdisplay7.
7
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
}}
33
UW VOLVO
||
Een groot aantal van de primaire functies van de
auto wordt aangestuurd vanaf het middendisplay,
een touchscreen dat reageert bij aanraking. Dit
houdt een beperking in van het aantal fysieke
knoppen en bedieningselementen in de auto. Het
display is met of zonder handschoenen aan te
bedienen.
•
Internetverbinding van auto delen via Wi-Fihotspot (p. 514)
Vanaf het middendisplay zijn bijv. de klimaatregeling, het infotainmentsysteem en de stoelverstelling* te bedienen. De functies van het middendisplay zijn door de bestuurder of een eventuele
passagier te bedienen.
Stembediening
Als bestuurder kunt u de stembediening gebruiken om uw
handen aan het stuur te kunnen houden. Het systeem
begrijpt bepaalde stemcommando's. Gebruik de stembediening om bijvoorbeeld een
track af te spelen, iemand te bellen, de verwarming hoger te zetten of een sms-bericht te laten
voorlezen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
34
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Overzicht van het middendisplay (p. 100)
Stembediening (p. 135)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
* Optie/accessoire.
UW VOLVO
Software-updates
Vastlegging van gegevens
Om ervoor te zorgen dat u als Volvo-bezitter uw
auto ten volle kunt benutten blijven we de autosystemen en beschikbare diensten verder ontwikkelen.
In het kader van de veiligheids- en kwaliteitsinspanningen van Volvo wordt bepaalde informatie
over de werking, de functionaliteit en bijna-aanrijdingen door de auto vastgelegd.
U kunt van tijd tot tijd terecht bij de erkende
Volvo-dealer om de software van uw Volvo bij te
werken. Met deze nieuwste software-update kunt
u beschikbare verbeteringen benutten, inclusief
die van de eerdere software-updates.
Deze auto is uitgerust met een “Event Data
Recorder” (EDR). Het belangrijkste doel daarvan
is het vastleggen en opnemen van gegevens bij
verkeersongevallen of op aanrijdingen lijkende
situaties, zoals wanneer de airbag wordt geactiveerd of als de auto een wegversperring raakt.
De gegevens worden geregistreerd om meer
inzicht te krijgen in hoe de systemen van de auto
in dit soort situaties werken. De EDR is zodanig
vormgegeven dat deze gedurende een korte tijd
gegevens vastlegt die verband houden met de
autodynamiek en de veiligheidssystemen, normaal gesproken 30 seconden of korter.
Breng voor meer informatie over de beschikbare
updates en antwoorden op veelgestelde vragen
een bezoek aan support.volvocars.com.
N.B.
De functionaliteit na de update kan variëren
afhankelijk van markt, model, modeljaar en
optie.
Gerelateerde informatie
•
Sensus – connectiviteit en entertainment
(p. 32)
•
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 577)
De EDR in deze auto is zodanig geconstrueerd
dat deze bij verkeersongevallen of bijna-ongelukken gegevens vastlegt die verband houden met
het volgende:
•
Hoe de verschillende systemen in de auto
werkten;
•
In hoeverre de veiligheidsgordels van
bestuurder en passagiers vastzaten;
•
Het gebruik door de bestuurder van het gasof rempedaal;
•
Met welke snelheid de auto reed.
Dit kan een bijdrage leveren aan een beter
inzicht in de omstandigheden waarin bepaalde
verkeersongevallen en schades ontstaan. De
EDR legt alleen gegevens vast, als er sprake is
van een niet-alledaagse aanrijdingssituatie – bij
normale rijomstandigheden registreert de EDR
geen gegevens. Ook registreert het systeem
nooit wie de auto bestuurt of wat de geografische positie is voor de aanrijding of bijna-aanrijding. Andere partijen, zoals de politie, kunnen
echter gebruikmaken van de vastgelegde gegevens in combinatie met het type persoonlijk identificeerbare informatie dat bij een verkeersongeval routinematig wordt verzameld. Om de geregistreerde gegevens te kunnen interpreteren zijn
speciale apparatuur en toegang tot de auto of de
EDR vereist.
De auto is naast de EDR ook uitgerust met een
aantal computers, die tot taak hebben de werking
van de auto continu te controleren en bewaken.
Deze kunnen in normale rijomstandigheden
gegevens vastleggen, maar vooral wanneer deze
een fout registreren die betrekking heeft op de
bediening en werking van de auto of bij activering
van de actieve rijhulp (zoals City Safety en de
automatische remfunctie).
Een deel van de vastgelegde gegevens heeft de
monteur nodig om service en onderhoud te kunnen verrichten met als doel eventuele storingen
die in de auto zijn opgetreden te diagnosticeren
en verhelpen. De geregistreerde informatie heeft
Volvo ook nodig om te kunnen voldoen aan de
}}
35
UW VOLVO
juridische eisen conform de wet- en regelgeving.
De in de auto geregistreerde informatie is opgeslagen in de computers totdat de auto een servicebeurt krijgt of wordt gerepareerd.
Naast het bovenstaande kan de geregistreerde
informatie ook in een samengestelde vorm worden gebruikt voor verzekerings- en productontwikkelingsdoeleinden om de veiligheid en kwaliteit van Volvo's te verbeteren.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet zonder de toestemming van de eigenaar van de auto
vrijgeven aan derden. Vanwege nationale wet- en
regelgeving kan Volvo echter worden gedwongen
om dit type informatie te verstrekken aan de politie of andere autoriteiten die het wettelijke recht
hebben om hiertoe toegang te krijgen. Om de
door vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen
en interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij Volvo en
de werkplaatsen die een contract hebben met
Volvo. Volvo ziet erop toe dat de gegevens, die in
verband met reparatie en onderhoud worden
doorgegeven aan Volvo, zorgvuldig worden opgeslagen en gehanteerd en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden
gebruikt. Neem voor meer informatie contact op
met een Volvo-dealer.
36
Servicevoorwaarden
Privacybeleid voor klanten
Volvo biedt diensten om zo veilig, comfortabel
en aangenaam mogelijk in uw Volvo te kunnen
rijden.
Volvo respecteert de persoonlijke integriteit van
alle bezoekers van zijn websites.
Deze diensten variëren van hulp in noodsituaties
tot navigatie en diverse infotainmentdiensten.
Het privacybeleid geldt voor de verwerking van
klant- en persoonsgegevens. Het doel is om huidige, voormalige en potentiële klanten een algemeen inzicht te geven in:
Het is belangrijk dat u voor het gebruik van de
diensten de Servicevoorwaarden op
support.volvocars.com doorneemt.
•
de omstandigheden waarin we uw persoonsgegevens verzamelen en gebruiken;
Gerelateerde informatie
•
de soorten persoonsgegevens die we verzamelen;
•
de redenen waarom we uw persoonsgegevens verzamelen;
•
de manier waarop we met uw persoonsgegevens omgaan.
•
Privacybeleid voor klanten (p. 36)
Het volledige beleid kunt u doornemen op
support.volvocars.com.
Gerelateerde informatie
•
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 516)
•
•
Servicevoorwaarden (p. 36)
Vastlegging van gegevens (p. 35)
UW VOLVO
Belangrijke informatie over
accessoires en extra uitrusting
WAARSCHUWING
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op een veilige wijze gebruikt en dat u
zich aan de geldende wet- en regelgeving
houdt.
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires en extra uitrusting kan een nadelige
invloed hebben op de werking van de elektronische systemen van de auto.
We adviseren Volvo-bezitters om uitsluitend door
Volvo goedgekeurde originele accessoires te
installeren en om deze accessoires uitsluitend te
laten installeren door daarvoor opgeleide en
gediplomeerde onderhoudstechnici van Volvo.
Sommige accessoires werken alleen nadat de
vereiste software in het computersysteem van de
auto is geïnstalleerd.
De uitrusting die in de gebruikershandleiding
wordt beschreven is niet op alle auto's aanwezig
– welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
Optionele apparatuur of accessoires die in deze
handleiding worden beschreven, zijn aangeduid
met een sterretje. Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of opties/accessoires contact op
met een Volvo-dealer.
Het is ook belangrijk dat voor onderhoud en
service van de auto de aanbevelingen van
Volvo worden aangehouden in lijn met de
gebruikersinformatie en het service- en
garantieboekje.
Als de informatie in de auto afwijkt van de
gedrukte gebruikershandleiding moet altijd de
gedrukte informatie worden aangehouden.
Installatie van accessoires
We adviseren Volvo-bezitters om uitsluitend
door Volvo goedgekeurde originele accessoires
te installeren en om deze accessoires uitsluitend
te laten installeren door daarvoor opgeleide en
gediplomeerde onderhoudstechnici van Volvo.
Sommige accessoires werken alleen nadat de
vereiste software in het computersysteem van de
auto is geïnstalleerd.
•
Originele accessoires van Volvo worden
getest om te zorgen dat ze goed samenwerken met de autosystemen voor prestaties,
veiligheid en emissiebeheersing. Bovendien
weet een geschoolde en gekwalificeerde
onderhoudsmonteur van Volvo waar accessoires al dan niet veilig in uw Volvo mogen
worden geïnstalleerd. Vraag altijd een
geschoolde en gekwalificeerde onderhoudsmonteur van Volvo om advies voordat u
accessoires in of op uw auto installeert.
•
Van accessoires die niet zijn goedgekeurd
door Volvo is mogelijk niet speciaal getest of
ze geschikt zijn voor gebruik in uw auto.
•
Sommige prestatie- of veiligheidssystemen
van de auto kunnen nadelig worden beïnvloed als u accessoires installeert die niet
door Volvo zijn getest, of als u iemand die
geen ervaring heeft van de auto accessoires
laat installeren.
•
Schade veroorzaakt door accessoires die op
een niet goedgekeurde of niet correcte
Gerelateerde informatie
•
•
Installatie van accessoires (p. 37)
•
Gebruikershandleiding doornemen (p. 22)
Uitrusting aansluiten op de diagnoseaansluiting van de auto (p. 38)
}}
37
UW VOLVO
manier zijn geïnstalleerd, worden mogelijk
niet gedekt door de garantie op de nieuwe
auto. Meer informatie over de garantie vindt u
in het service- en garantieboekje. Volvo wijst
elke vorm van aansprakelijkheid af voor sterfgevallen, persoonlijk letsel of kosten die kunnen ontstaan als gevolg van de installatie van
niet-originele accessoires.
||
Gerelateerde informatie
•
Belangrijke informatie over accessoires en
extra uitrusting (p. 37)
Uitrusting aansluiten op de
diagnoseaansluiting van de auto
Een verkeerde aansluiting en montage van software kan een nadelige invloed hebben op de
werking van de elektronische systemen van de
auto.
We adviseren Volvo-bezitters om uitsluitend door
Volvo goedgekeurde originele accessoires te
installeren en om deze accessoires uitsluitend te
laten installeren door daarvoor opgeleide en
gediplomeerde onderhoudstechnici van Volvo.
Sommige accessoires werken alleen nadat de
vereiste software in het computersysteem van de
auto is geïnstalleerd.
Diagnoseaansluiting (On-board Diagnostic-aansluiting,
OBDII) onder het instrumentenpaneel aan de bestuurderszijde.
38
N.B.
Volvo Cars aanvaardt geen aansprakelijkheid
voor de gevolgen indien niet-goedgekeurde
apparatuur wordt aangesloten op de Onboard Diagnostic-aansluiting (OBDII). Deze
aansluiting mag uitsluitend worden gebruikt
door opgeleide en gekwalificeerde Volvo-servicemonteurs.
Gerelateerde informatie
•
Belangrijke informatie over accessoires en
extra uitrusting (p. 37)
UW VOLVO
VIN van de auto tonen
Afleiding van de bestuurder
Bij contact met een Volvo-dealer in het kader
van bijv. een Volvo On Call-abonnement hebt u
het voertuigidentificatienummer (VIN8) van de
auto nodig.
Het is uw verantwoordelijkheid als bestuurder
om uw eigen veiligheid en de veiligheid van inzittenden en andere weggebruikers op alle mogelijke manieren te waarborgen. Tot deze verantwoordelijkheid behoort het ontwijken van afleidingen, zodat u zich bijvoorbeeld niet moet
bezighouden met zaken die niet direct verband
houden met de besturing van de auto in het verkeer.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Ga verder naar Systeem
Systeeminformatie Vehicle
Identification Number.
> Het voertuigidentificatienummer van de
auto verschijnt.
Het VIN is ook te achterhalen wanneer u door de
voorruit van de auto op het instrumentenpaneel
kijkt of wanneer u de eerste pagina van het Service- en garantieboekje of het kentekenbewijs
van de auto raadpleegt.
Het VIN staat bij alle modellen op dezelfde plek.
Uw nieuwe Volvo is, of kan zijn uitgerust met een
inhoudelijk rijke entertainment- en communicatiesystemen. Dat kan een mobiele telefoon met
handsfree zijn, een navigatiesysteem en/of een
geluidsinstallatie met vele functies. U hebt wellicht ook andere draagbare elektronische apparaten voor uw eigen gemak. Mits correct en veilig
gebruikt, kunnen ze uw rijervaring verrijken. Maar
bij verkeerd gebruik, kunnen ze een bron van
afleiding zijn.
Voor al deze systemen willen we, als blijk van Volvo's toewijding aan uw veiligheid, de volgende
waarschuwing met u delen. Gebruik dergelijke
apparaten of functies in de auto nooit zodanig
dat u wordt afgeleid van uw taak om veilig te rijden. Als u wordt afgeleid kan dit ernstige ongelukken veroorzaken. Los van deze algemene
waarschuwing, willen we u graag de volgende
8
Vehicle Identification Number
}}
39
UW VOLVO
||
adviezen geven voor enkele nieuwe functies
waarmee de auto kan zijn uitgerust:
WAARSCHUWING
•
Gebruik tijdens het rijden nooit een handheld mobiele telefoon. In bepaalde gebieden is het voor de bestuurder verboden
om een mobiele telefoon te gebruiken
wanneer de auto rijdt.
•
Als de auto is voorzien van een navigatiesysteem, mag u alleen instellingen verrichten en wijzigingen aanbrengen in het
reisplan wanneer de auto geparkeerd
staat.
•
Programmeer het audiosysteem nooit
wanneer de auto rijdt. Programmeer de
voorinstellingen van de radio terwijl de
auto geparkeerd staat en gebruik de
geprogrammeerde voorinstellingen om de
radio sneller en eenvoudiger te bedienen.
•
Gebruik nooit laptops of tablets wanneer
de auto rijdt.
Gerelateerde informatie
•
40
Audio, media en internet (p. 472)
VEILIGHEID
VEILIGHEID
Veiligheid
De auto is voorzien van diverse veiligheidssystemen die samenwerken om u en uw medepassagiers te beschermen bij een ongeluk.
De auto is uitgerust met een aantal sensoren die
bij een ongeval reageren en bepaalde veiligheidssystemen activeren, zoals verschillende soorten
airbags en de gordelspanners van de veiligheidsgordels. Afhankelijk van de specifieke ongevalssituatie, zoals aanrijdingen onder verschillende
hoeken, over de kop slaan of van de weg raken,
reageren de systemen op verschillende manieren
om zo de beste bescherming te bieden.
Daarnaast zijn er mechanische veiligheidssystemen zoals het Whiplash Protection System. De
auto is bovendien zodanig gebouwd dat een
groot deel van de kracht bij een aanrijding wordt
verdeeld over de balken, de stijlen, de vloer, het
dak en andere carrosseriedelen.
Na een ongeval kan de Safety Mode van de auto
worden geactiveerd, als er een belangrijke functie
in de auto beschadigd is geraakt.
42
Waarschuwingssymbool op
bestuurdersdisplay
Het waarschuwingssymbool op het
bestuurdersdisplay gaat branden, wanneer u het elektrische systeem van de
auto in contactslotstand II zet. Het
symbool dooft na ongeveer 6 seconden, als blijkt
dat de veiligheidssystemen van de auto in orde
zijn.
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingssymbool blijft branden
of tijdens het rijden gaat branden en het
bericht SRS airbag Service urgent Rijd
naar werkplaats op het bestuurdersdisplay
verschijnt, is dit een teken dat een gedeelte
van een veiligheidssysteem niet naar behoren
werkt. Volvo adviseert u om zo spoedig mogelijk contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de verschillende veiligheidssystemen van de auto aan en
probeer deze nooit zelf te repareren. Een verkeerde ingreep in een systeem kan tot een
onjuiste werking leiden met ernstig letsel als
gevolg. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als het specifieke waarschuwingssymbool defect is, gaat in plaats daarvan
het algemene waarschuwingssymbool
branden en het bestuurdersdisplay
geeft dezelfde melding weer.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Veiligheid tijdens de zwangerschap (p. 43)
Veiligheidsgordels (p. 45)
Airbags (p. 50)
Whiplash Protection System (p. 43)
Safety Mode (p. 57)
Kinderveiligheid (p. 58)
VEILIGHEID
Veiligheid tijdens de zwangerschap
Zithouding
Whiplash Protection System
Het is belangrijk dat zwangere passagiers hun
veiligheidsgordel op de juiste manier dragen en
dat een zwangere bestuurder haar zithouding
aanpast.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuurwiel
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig onder
controle hebben (wat inhoudt dat ze met gemak
bij het stuur en de pedalen moeten kunnen
komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik
en het stuur zo groot mogelijk te houden.
Het Whiplash Protection System (WHIPS) is
een beveiliging die het risico van letsel door whiplash vermindert.. Het systeem bestaat uit energieabsorberende rugleuningen plus zitkussens
en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen.
Veiligheidsgordel
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
De veiligheidsgordel moet strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de borsten en tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel moet
vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik liggen. Het
mag nooit over de buik omhoog kunnen glijden.
De veiligheidsgordel moet zo strak mogelijk over
het lichaam lopen zonder onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens
gedraaid zit.
Veiligheid (p. 42)
Veiligheidsgordels (p. 45)
Handmatig bediende voorstoel (p. 174)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 175)
WHIPS wordt geactiveerd bij een aanrijding van
achteren, afhankelijk van de hoek waaronder en
de snelheid waarmee het achteropkomende
voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
Bij activering van het WHIPS klappen de rugleuningen van de voorstoelen naar achteren en de
zittingen omlaag, zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. De beweging helpt om een gedeelte
van de krachten te absorberen, die whiplash-letsel kunnen veroorzaken.
WAARSCHUWING
WHIPS vormt een aanvulling op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel
altijd.
}}
* Optie/accessoire.
43
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoelen of
WHIPS aan en probeer deze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Plaats dozen e.d. niet dusdanig, dat deze vastgeklemd zitten tussen het zitgedeelte van de
achterbank en de rugleuning van de voorstoelen.
Als de voorstoelen aan grote krachten hebben blootgestaan zoals tijdens een aanrijding,
moet u de stoelen vervangen. De stoelen kunnen een deel van hun beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als ze ogenschijnlijk niet zijn beschadigd.
Als er op de achterbank een rugleuning
omlaag is geklapt, moet een eventuele lading
worden vastgezet om te voorkomen dat deze
bij een aanrijding tegen de rugleuning van de
voorstoel aan kan glijden.
WHIPS en kinderzitjes
WHIPS beïnvloedt de beschermende werking van
kinderzitje en/of verhogingskussen niet negatief.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Veiligheid (p. 42)
Handmatig bediende voorstoel (p. 174)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 175)
Rear Collision Warning (p. 342)
WAARSCHUWING
Als een rugleuning op de achterbank is
omgeklapt of als er op de achterbank een
achterstevoren geplaatst kinderzitje wordt
gebruikt, moet de bijbehorende voorstoel naar
voren worden geklapt, zodat deze geen contact heeft met de omgeklapte rugleuning of
het kinderzitje.
Zithouding
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter of onder de
voorstoelen of op de achterbank achter de bestuurdersof passagiersstoel die het WHIPS kunnen hinderen.
Voor optimale bescherming door het WHIPS
moeten bestuurder en voorpassagier de juiste zithouding innemen en zorgen dat het systeem niet
wordt gehinderd.
Stel voordat u wegrijdt de juiste zithouding in
voor de voorstoel.
U en een eventuele voorpassagier moeten zoveel
mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen
en de afstand tussen hoofd en hoofdsteun zo
klein mogelijk houden.
44
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWING
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen.
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te
ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt
de beste bescherming bij een normale rijhouding.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten
heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn
geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
Denk eraan geen clips te gebruiken of de
gordel vast te maken rond haken of andere
delen van het interieur, omdat de veiligheidsgordel daardoor niet goed aansluit.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de veiligheidsgordel niet of verkeerd wordt
gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed
zijn op het effect van de airbag.
Gerelateerde informatie
Veiligheid (p. 42)
•
•
•
Gordelspanners (p. 47)
•
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 48)
Veiligheidsgordel omdoen en
losmaken
Let erop dat alle passagiers hun veiligheidsgordel om hebben voordat u gaat rijden.
Veiligheidsgordel omdoen
1.
Rol de gordel langzaam af. Zorg dat er geen
slag in zit en let erop dat hij niet is beschadigd.
N.B.
De veiligheidsgordel is voorzien van een gordeloprolmechanisme dat in de volgende situaties wordt vergrendeld:
•
•
•
•
als de gordel te snel wordt afgerold.
wanneer u remt of optrekt.
als de auto sterk overhelt.
bij het rijden in bochten.
Veiligheidsgordel omdoen en losmaken
(p. 45)
}}
45
VEILIGHEID
||
2.
Zet de gordel vast door de borglip in de bijbehorende gordelsluiting te steken.
> Een duidelijke "klik" geeft aan dat de gordel vastzit.
3.
Voorin kunt u de gordel hoger of lager zetten.
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de gordelsluiting aan de juiste
zijde. De veiligheidsgordels en de gordelsluiting werken anders mogelijk niet naar behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat gevaar
voor ernstige verwondingen.
De gordel moet over de schouder lopen (en niet over de
bovenarm).
Druk de gordelbevestiging in elkaar en zet de
gordel hoger of lager.
Zet de gordel zo hoog mogelijk zonder dat de
gordel daarbij langs de nek schuurt.
4.
Span de heupgordel over de heupen door de
diagonale schoudergordel in de richting van
de schouder omhoog te trekken.
De heupgordel moet laag zitten (niet over de buik).
46
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bedoeld voor slechts
één persoon.
WAARSCHUWING
Denk eraan geen clips te gebruiken of de
gordel vast te maken rond haken of andere
delen van het interieur, omdat de veiligheidsgordel daardoor niet goed aansluit.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordels nooit beschadigen en
geen vreemde voorwerpen aanbrengen in de
gordelsluiting. De veiligheidsgordels en de
gordelsluiting werken anders mogelijk niet
naar behoren tijdens een aanrijding. Er
bestaat gevaar voor ernstige verwondingen.
Veiligheidsgordel losmaken
1.
Druk op de rode knop van de gordelsluiting
en laat het oprolmechanisme de gordel naar
binnen trekken.
2.
Als de gordel niet volledig wordt opgerold,
moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Veiligheidsgordels (p. 45)
Gordelspanners (p. 47)
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 48)
Gordelspanners
De auto is voorzien van standaardgordelspanners en elektrische* gordelspanners die de veiligheidsgordels in kritieke situaties en bij aanrijdingen kunnen aanspannen.
Wanneer de kritieke situatie voorbij is, worden de
gordel en de elektrische gordelspanner automatisch gereset. Ze zijn echter ook handmatig te
resetten.
BELANGRIJK
Standaardgordelspanners
Als de passagiersairbag wordt gedeactiveerd,
wordt ook de elektrische gordelspanner aan
de passagierskant gedeactiveerd.
De veiligheidsgordels van de voorstoelen en de
buitenste zitplaatsen van de achterbank zijn voorzien van standaardgordelspanners.
De gordelspanner spant de veiligheidsgordel bij
een voldoende krachtige botsing om de inzittende efficiënter te kunnen opvangen.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Elektrische gordelspanners*
De gordelspanners voor bestuurder en passagier
op de voorstoel zijn uitgerust met een elektrische
gordelspanner.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten
heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn
geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
De gordelspanner werkt samen met en is te activeren door de rijhulpsystemen City Safety en
Rear Collision Warning. In kritieke situaties, zoals
bij een noodstop, van de weg raken (bijvoorbeeld
wanneer de auto in een greppel belandt, van de
grond komt of tegen een obstakel in het terrein
botst), slippen of gevaar voor een botsing, wordt
de veiligheidsgordel mogelijk aangespannen door
de elektromotor van de gordelspanner.
De elektrische gordelspanner helpt bij het positioneren van de inzittende, wat het risico reduceert
dat deze tegen het interieur van de auto wordt
geworpen en het effect van veiligheidssystemen
(zoals de airbags van de auto) verbetert.
Gerelateerde informatie
•
•
Veiligheidsgordels (p. 45)
Veiligheidsgordel omdoen en losmaken
(p. 45)
* Optie/accessoire.
}}
47
VEILIGHEID
•
•
Elektrische gordelspanner resetten* (p. 48)
Elektrische gordelspanner resetten*
Portier- en gordelwaarschuwing
Passagiersairbag* activeren en deactiveren
(p. 53)
•
•
City Safety™ (p. 328)
De elektrische gordelspanner is dusdanig
geconstrueerd dat deze automatisch wordt gereset, maar als de gordel desondanks aangespannen blijft is deze ook handmatig te resetten.
Het systeem herinnert inzittenden eraan om de
veiligheidsgordel om te doen en waarschuwt
ook als een portier, de motorkap of de kofferklep/achterklep niet goed dichtstaat.
1.
Parkeer de auto op een veilige plek.
2.
Neem de veiligheidsgordel af en doe deze
vervolgens weer om.
> De gordel en de elektrische gordelspanner worden gereset.
Grafische voorstelling op
bestuurdersdisplay
Rear Collision Warning (p. 342)
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten
heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn
geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
Gerelateerde informatie
•
•
48
Grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay met
verschillende soorten waarschuwingen. De waarschuwingskleur voor portier en achterklep is afhankelijk van
de rijsnelheid.
De grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay geeft de zitplaatsen weer waarvan de veiligheidsgordel wel of juist niet in gebruik is.
In dezelfde grafische voorstelling wordt ook aangegeven of de motorkap, de achterklep of een
portier openstaat.
Gordelspanners (p. 47)
Veiligheidsgordels (p. 45)
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
U kunt de grafische voorstelling resetten door
een druk op de O-knop van de rechter knoppengroep op het stuurwiel.
Gordelwaarschuwing
Visueel signaal op plafondconsole.
De visuele signalen worden verstrekt via de plafondconsole en het waarschuwingssymbool op
het bestuurdersdisplay.
Het geluidssignaal is afhankelijk van de snelheid,
de rijtijd en de afgelegde afstand.
De gordelstatus voor de bestuurder en de passagiers geeft op de grafische voorstelling op het
bestuurdersdisplay aan wanneer een gordel
wordt om- of afgedaan.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet voor
kinderzitjes.
Bij een rijsnelheid hoger dan zo'n 10
km/h (6 mph) gaat het waarschuwingssymbool op het bestuurdersdisplay branden.
Voorstoel
Er worden visuele en akoestische signalen afgegeven, wanneer u en een eventuele voorpassagier niet in de gordel zitten.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
•
Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. Bij gebruik
van de veiligheidsgordels verschijnt een grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay.
•
Met visuele en akoestische signalen ervoor
waarschuwen dat een van de veiligheidsgordel achterin tijdens het rijden werd losgenomen. De herinnering verdwijnt zodra de veiligheidsgordel weer is vastgemaakt.
Gerelateerde informatie
•
•
Veiligheidsgordels (p. 45)
Veiligheidsgordel omdoen en losmaken
(p. 45)
Waarschuwing voor portier, motorkap,
achterklep en tankvulklep
Als de motorkap, de achterklep, de tankvulklep of
een van de portieren niet goed dichtstaan, geeft
de grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay aan wat openstaat. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het onderdeel
dat aanleiding gaf tot de waarschuwing.
Bij een rijsnelheid tot 10 km/h (6 mph)
gaat het informatiesymbool op het
bestuurdersdisplay branden.
49
VEILIGHEID
Airbags
De auto is voorzien van airbags en opblaasgordijnen aan bestuurders- en passagierszijde.
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen
airbags.
•
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in de
auto over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
•
Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De sensoren reageren verschillend, afhankelijk van het verloop van de botsing en of er al
dan niet een veiligheidsgordel wordt gebruikt.
Geldt voor alle gordelposities.
WAARSCHUWING
Er kunnen dus ongelukken ontstaan als
slechts één (of geen) van de airbags wordt
geactiveerd. De sensoren registreren de
kracht waaraan de auto bij de botsing blootstaat en blazen op basis daarvan geen, een of
meer airbags op.
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Dat kan
het besturen van de auto bemoeilijken. Ook
andere veiligheidssystemen kunnen beschadigd zijn. De rook en stof die bij het opblazen
van de airbags worden gevormd, kunnen bij
een intensieve blootstelling irritaties aan de
huid en ogen/letsel veroorzaken. Bij last met
koud water wassen. Het snelle opblazen kan
ook, in combinatie met het materiaal van de
airbag, voor wrijvings- en brandwonden op de
huid zorgen.
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit in
de middenconsole. Als de middenconsole
doorweekt geraakt is, moet u de kabels loskoppelen van de startaccu. Probeer de auto
niet te starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u de auto te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
Opgeblazen airbags
Wanneer een van de airbags is opgeblazen,
wordt het volgende geadviseerd:
•
50
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
Bestuurdersairbags
Als aanvulling op de veiligheidsgordel is de auto
voorzien van een stuurairbag en een knie-airbag1
aan de bestuurderszijde.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Veiligheid (p. 42)
Bestuurdersairbags (p. 50)
Passagiersairbag (p. 51)
Zijairbags (p. 55)
Opblaasgordijnen (p. 56)
De stuurairbag en knie-airbag1 voorin aan de bestuurderszijde.
Bij een frontale botsing helpen de airbags voorkomen dat de bestuurder letsel aan hoofd, nek,
gezicht en borstkas oploopt of gewond raakt aan
knieën en benen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren
van de airbags activeren. De airbags vangen de
klap van de aanrijding op voor de inzittende. De
airbags lopen vervolgens weer leeg. Daarbij
treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opbla-
VEILIGHEID
zen tot het leeglopen van de airbag, neemt
enkele tienden van een seconde in beslag.
WAARSCHUWING
Plaats of bevestig geen voorwerpen vóór of
op het paneel waar de knie-airbag geplaatst
is.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de gordel niet of verkeerd wordt gebruikt,
kan dit bij een botsing van invloed zijn op het
effect van de airbag.
Om geen letsel op te lopen wanneer de airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo
rechtop mogelijk zitten met de voeten op de
vloer en de rug tegen de rugleuning.
Passagiersairbag
Als aanvulling op de veiligheidsgordel is de auto
voorzien van airbags aan de passagierszijde
voorin.
Gerelateerde informatie
•
•
Airbags (p. 50)
Passagiersairbag (p. 51)
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in het airbagsysteem kan tot een onjuiste werking leiden
met ernstig letsel als gevolg.
Positie van de stuurairbag
De airbag zit opgevouwen in het midden van het
stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het
opschrift AIRBAG.
Positie van de knie-airbag1
De airbag zit opgevouwen onder in het dashboard aan de bestuurderszijde. Het paneel is
voorzien van het opschrift AIRBAG.
1
Alleen op bepaalde markten is de auto uitgerust met een knie-airbag.
Airbag voor de voorstoel aan passagierszijde.
Bij een frontale botsing helpt de airbag voorkomen dat de passagier letsel aan hoofd, nek,
gezicht en borstkas oploopt of gewond raakt aan
knieën en benen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren
van de airbag activeren. De airbags vangen de
klap van de aanrijding op voor de inzittende. De
airbags lopen vervolgens weer leeg. Daarbij
treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opbla-
}}
51
VEILIGHEID
||
zen tot het leeglopen van de airbag, neemt
enkele tienden van een seconde in beslag.
Sticker voor passagiersairbag
WAARSCHUWING
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de gordel niet of verkeerd wordt gebruikt,
kan dit bij een botsing van invloed zijn op het
effect van de airbag.
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
Om geen letsel op te lopen wanneer de airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo
rechtop mogelijk zitten met de voeten op de
vloer en de rug tegen de rugleuning.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in het airbagsysteem kan tot een onjuiste werking leiden
met ernstig letsel als gevolg.
Positie van de airbag aan
passagierszijde
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag
is aangebracht als hierboven.
WAARSCHUWING
Als de auto niet is uitgerust met een schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag (PACOS), is de passagiersairbag altijd geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Airbags (p. 50)
Bestuurdersairbags (p. 50)
Passagiersairbag* activeren en deactiveren
(p. 53)
De airbag zit opgevouwen in een ruimte boven
het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van
het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen vóór of bovenop het
dashboard op de plek waar de airbag voor de
passagiersstoel zit.
52
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Passagiersairbag* activeren en
deactiveren
De passagiersairbag is te deactiveren als de
auto is voorzien van een speciale schakelaar,
Passenger Airbag Cut Off Switch (PACOS).
De PACOS-schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag zit aan de passagierszijde aan de zijkant van het dashboard en u
kunt erbij door het portier aan die kant te openen.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat.
kinderzitje kunnen veilig op de passagiersstoel zitten.
Passagiersairbag activeren
WAARSCHUWING
Als de auto niet is uitgerust met een schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag (PACOS), is de passagiersairbag altijd geactiveerd.
Trek de schakelaar naar buiten en draai deze
vanuit OFF naar ON.
> Op het bestuurdersdisplay verschijnt de
melding Passagiersairbag aan Graag
bevestigen.
N.B.
ON – De airbag is geactiveerd en alle passagiers (kinderen en volwassenen) kunnen veilig in de rijrichting op de passagiersstoel zitten.
Als u de passagiersairbag hebt geactiveerd/
gedeactiveerd met de auto in contactslotstand I of lager en het contactslot vervolgens
in stand II zet, verschijnt na ca. 6 seconden
een melding op het bestuurdersdisplay in
combinatie met de volgende indicatie op de
plafondconsole.
OFF – De airbag is gedeactiveerd en kinderen in een tegen de rijrichting in geplaatst
}}
* Optie/accessoire.
53
VEILIGHEID
||
2.
Bevestig de melding door de O-knop van de
rechter stuurknoppenset in te drukken.
> Een displaytekst en een waarschuwingssymbool op de plafondconsole geven aan
dat de passagiersairbag geactiveerd is.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de airbag aan die kant
geactiveerd is.
De passagiersairbag moet altijd zijn geactiveerd, wanneer er passagiers (kinderen of volwassenen) op de passagiersstoel voorin zitten.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
54
Passagiersairbag deactiveren
Trek de schakelaar naar buiten en draai deze
vanuit ON naar OFF.
> Op het bestuurdersdisplay verschijnt de
melding Passagiersairbag uit Graag
bevestigen.
N.B.
Als u de passagiersairbag hebt geactiveerd/
gedeactiveerd met de auto in contactslotstand I of lager en het contactslot vervolgens
in stand II zet, verschijnt na ca. 6 seconden
een melding op het bestuurdersdisplay in
combinatie met de volgende indicatie op de
plafondconsole.
2.
Bevestig de melding door de O-knop van de
rechter stuurknoppenset in te drukken.
> Een displaytekst en een brandend lampje
op de plafondconsole geven aan dat de
passagiersairbag gedeactiveerd is.
WAARSCHUWING
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, wanneer de airbag aan die kant gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbeveling kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
BELANGRIJK
Als de passagiersairbag wordt gedeactiveerd,
wordt ook de elektrische gordelspanner aan
de passagierskant gedeactiveerd.
VEILIGHEID
Gerelateerde informatie
•
•
Gordelspanners (p. 47)
Kinderzitje (p. 59)
Zijairbags
WAARSCHUWING
De zijairbags aan bestuurders- en passagierszijde dienen ter bescherming van borstkas en
heupen bij een aanrijding.
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in de zij-airbags
kan tot een onjuiste werking leiden met ernstig letsel als gevolg.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen in het gebied tussen
de buitenzijde van de stoel en het portierpaneel, aangezien dit gebied door de zijairbag
kan worden beïnvloed.
Volvo adviseert om uitsluitend door Volvo
goedgekeurde overtrekbekleding te gebruiken. Andere bekleding kan de werking van de
zijairbags hinderen.
De SIPS-airbags zijn in de buitenste rugframes
van de voorstoelen gemonteerd en dragen bij tot
het beschermen van de bestuurder en de passagier in de voorstoelen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren
activeren. De SIPS-airbags worden vervolgens
opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. De airbags lopen vervolgens weer leeg.
De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen
opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
WAARSCHUWING
De zijairbag vormt een aanvulling op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel
altijd.
Zijairbags en kinderzitjes
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende
werking van kinderzitje en/of verhogingskussen
niet negatief.
Gerelateerde informatie
•
Airbags (p. 50)
55
VEILIGHEID
Opblaasgordijnen
De gordijnairbags, Inflatable Curtain (IC) helpen
voorkomen dat bestuurder en eventuele passagiers bij een botsing met hun hoofd tegen de
binnenkant van de auto stoten.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in het systeem
van het opblaasgordijn kan tot een onjuiste
werking leiden met ernstig letsel als gevolg.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Gerelateerde informatie
•
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan
de plafondhandgrepen. De haken zijn alleen
bedoeld voor niet al te zware kledingstukken
(en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Het opblaasgordijn is langs de beide kanten van
de hemelbekleding gemonteerd en beschermt
bestuurder en passagiers op de buitenste stoelen van de auto. De panelen zijn voorzien van het
opschrift IC AIRBAG.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gordijnairbags
activeren.
56
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo adviseert om alleen originele Volvo-onderdelen,
bestemd voor montage op deze plaatsen, te
gebruiken.
WAARSCHUWING
Houd 10 cm (4 inch) afstand aan tussen de
bagage en de zijruiten, als u de bagage
opstapelt tot boven de portierruiten. Anders
kan de beschermende werking van de
opblaasgordijnen, die in de plafondbekleding
zijn weggewerkt, uitblijven.
Airbags (p. 50)
VEILIGHEID
Safety Mode
WAARSCHUWING
Safety Mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt, wanneer tijdens een aanrijding
mogelijk belangrijke onderdelen zijn beschadigd
zoals de brandstofleidingen, de sensoren voor
de veiligheidssystemen of het remsysteem.
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety Mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een slechte
functie van de auto. Volvo adviseert u de auto
altijd in een erkende Volvo-werkplaats te laten
controleren en naar Normal Mode te laten
resetten nadat de melding Safety mode Zie
handleiding is verschenen.
Als de auto een aanrijding heeft gehad, kan de
tekst Safety mode Zie handleiding worden
weergegeven op het bestuurdersdisplay in combinatie met het waarschuwingslampje als het display niet beschadigd is geraakt en het elektrische
systeem van de auto nog functioneert. De melding betekent dat de functionaliteit van de auto is
verminderd.
Als de auto in de veiligheidsmodus staat kan het
systeem worden gereset om de auto te starten
en over een korte afstand te verplaatsen. bijv. als
de auto op een plaats staat waar de verkeersveiligheid in gevaar komt.
Als de auto in de veiligheidsmodus staat kan het
systeem worden gereset om de auto te starten
en over een korte afstand te verplaatsen. bijv. als
de auto op een plaats staat waar de verkeersveiligheid in gevaar komt.
Auto in Safety Mode starten
1.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept zolang
deze in de Safety mode staat. De auto moet
op een bergingsvoertuig worden afgevoerd.
Volvo adviseert u hem te laten afvoeren naar
een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt
terwijl de melding Safety mode Zie
handleiding verschijnt. Verlaat de auto
onmiddellijk.
Auto in Safety Mode starten en
verplaatsen
Bij minder ernstige schade en als er geconstateerd is dat geen sprake is van brandstoflekkage, kan er een startpoging worden
gedaan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Veiligheid (p. 42)
Auto in Safety Mode starten en verplaatsen
(p. 57)
Bergen (p. 464)
Onderzoek de auto op beschadigingen en of
er geen brandstof uit de auto is gelekt. Er
mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt
terwijl de melding Safety mode Zie
handleiding verschijnt. Verlaat de auto
onmiddellijk.
2.
Zet de auto uit.
}}
57
VEILIGHEID
||
3.
Probeer vervolgens de auto te starten.
> De auto-elektronica verricht een systeemcontrole en probeert vervolgens de normale modus te activeren.
BELANGRIJK
Als de melding Safety mode Zie
handleiding nog steeds op het display staat,
mag u niet met de auto rijden en deze evenmin verslepen. U moet de auto dan laten bergen. Verborgen schade kan de auto tijdens
het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als het
lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
Auto in Safety Mode verrijden
1.
2.
Als de melding Normal mode The car is
now in normal mode op het bestuurdersdisplay wordt getoond nadat een startpoging
gedaan is, kan de auto voorzichtig worden
verplaatst, bijv. als hij op een plaats staat
waar de verkeersveiligheid in gevaar
gebracht wordt.
Verrijd de auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept zolang
deze in de Safety mode staat. De auto moet
op een bergingsvoertuig worden afgevoerd.
Volvo adviseert u hem te laten afvoeren naar
een erkende Volvo-werkplaats.
58
Gerelateerde informatie
•
•
•
Safety Mode (p. 57)
Motor starten (p. 398)
Bergen (p. 464)
Kinderveiligheid
Kinderen in rijdende auto's moeten altijd veilig
zitten.
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten
(kinderzitjes en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto zijn ontwikkeld. Met kinderveiligheidsproducten van Volvo schept u optimale
voorwaarden voor een veilig vervoer van kinderen
in de auto. U weet bovendien zeker dat de producten passen en eenvoudig in het gebruik zijn.
Het gewicht en de lengte van het kind zijn bepalend voor de te gebruiken producten.
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3–4
jaar) en daarna tot een lengte van 1,40 m (4 voet
7 inch) op/in een verhogingskussen of een in de
rijrichting geplaatst kinderzitje.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het te gebruiken type kinderzitje voor kinderen in verschillende leeftijdscategorieën en gewichtsklassen verschillen van land tot land. Ga na wat er
in uw land geldt.
VEILIGHEID
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is
het belangrijk om de bijgeleverde montagevoorschriften door te nemen.
Neem bij onduidelijkheden over de montage
van kinderveiligheidsproducten contact op
met de producent.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot zitten.
Kinderzitje
•
Als u kinderen in de auto vervoert, moet u altijd
een adequate kinderbescherming gebruiken.
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 60)
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 61)
•
•
Positie van kinderzitje (p. 62)
Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen
zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de juiste
plaats aanbrengt, monteert en op de juiste wijze
gebruikt.
Raadpleeg voor de juiste montage de montageinstructies bij het kinderzitje.
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is
het belangrijk om de bijgeleverde montagevoorschriften door te nemen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Passagiersairbag* activeren en deactiveren
(p. 53)
Veiligheid (p. 42)
Neem bij onduidelijkheden over de montage
van kinderveiligheidsproducten contact op
met de producent.
Kinderzitje (p. 59)
Kinderslot activeren en deactiveren (p. 256)
N.B.
Laat een kinderzitje nooit los in de auto liggen. Bevestig het altijd volgens de instructies
voor het kinderzitje, ook als u het niet
gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
•
Kinderveiligheid (p. 58)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 60)
* Optie/accessoire.
59
VEILIGHEID
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
WAARSCHUWING
Haal de bovenste bevestigingsband van het
kinderzitje door de opening in de ene poot
van de hoofdsteun, voordat u de band aan het
bevestigingspunt vastzet. Volg, als dit niet
mogelijk is, de aanbevelingen van de producent van het kinderzitje op.
De auto is voorzien van bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes op de buitenste zitplaatsen van de achterbank.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd
kinderzitje aan te bevestigen.
N.B.
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de bovenste bevestigingspunten vastzet.
Klap de hoofdsteunen omlaag om het monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen
bij auto’s met neerklapbare hoofdsteunen op
de beide buitenste zitplaatsen.
Positie van de bevestigingspunten
Onderste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
De auto is voorzien van onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes voorin* en achterin.
De onderste bevestigingspunten zijn bedoeld
voor gebruik in combinatie met bepaalde tegen
de rijrichting in geplaatste kinderzitjes.
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de onderste bevestigingspunten vastzet.
Positie van de bevestigingspunten
N.B.
Bij auto’s met een hoedenplank moet u de
hoedenplank verwijderen voordat u kinderzitje
in de bevestigingspunten kunt aanbrengen.
Gerelateerde informatie
•
•
60
Kinderzitje (p. 59)
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 60)
Symbolen achter op de rugleuningen geven de positie
van de bevestigingspunten aan.
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 61)
De bevestigingspunten zitten aan de achterzijde
van de buitenste zitplaatsen op de achterbank.
•
Overzichtstabel voor de plaatsing van kinderzitjes (p. 65)
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 66)
De positie van de bevestigingspunten voorin.
De bevestigingspunten voorin zitten aan de zijkanten van de beenruimte voor de passagiersstoel.
De bevestigingspunten voorin zijn alleen gemonteerd als de auto is voorzien van een schakelaar
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
voor het activeren/deactiveren van de passagiersairbag *.
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten
voor kinderzitjes
rugleuningen van de achterbank, op de beide
buitenste zitplaatsen.
De auto is voorzien van i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes op de achterbank.
Klap de afdekkingen omhoog om bij de bevestigingspunten te komen.
i-Size/ISOFIX2 is een bevestigingssysteem voor
kinderzitjes dat gebaseerd is op een internationale norm.
Gerelateerde informatie
•
•
Kinderzitje (p. 59)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 60)
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
•
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 60)
Positie van de bevestigingspunten
•
Overzichtstabel voor de plaatsing van kinderzitjes (p. 65)
De positie van de bevestigingspunten achterin.
•
De bevestigingspunten achterin zitten op de achterste uiteinden van de vloerrails voor de voorstoelen.
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 68)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 69)
Gerelateerde informatie
•
•
Kinderzitje (p. 59)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 60)
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 61)
•
Overzichtstabel voor de plaatsing van kinderzitjes (p. 65)
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 66)
2
Symbolen2 achter op de rugbekleding geven de positie
van de bevestigingspunten aan.
De bevestigingspunten voor het i-Size/ISOFIXsysteem zitten achter afdekkingen onder in de
Naam en symbool verschillen per markt.
* Optie/accessoire.
61
VEILIGHEID
Positie van kinderzitje
Het is belangrijk om het kinderzitje op de juiste
stoel in de auto te plaatsen. De positie hangt
onder meer af van het type kinderzitje en van de
vraag of de passagiersairbag is ingeschakeld.
N.B.
Sticker voor passagiersairbag
De wettelijke bepalingen voor hoe een kind in
de auto moet worden geplaatst, verschillen
per land. Stel u op de hoogte van wat van toepassing is.
WAARSCHUWING
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
Tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes en airbags
gaan niet samen.
Plaats tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes op de achterbank, als de passagiersairbag
geactiveerd is. Als de airbag wordt opgeblazen,
kan een kind op de passagiersstoel ernstig letsel
oplopen.
Als de passagiersairbag gedeactiveerd is, kunt u
een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op
de passagiersstoel voorin zetten.
62
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag
is aangebracht als hierboven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Kinderzitje (p. 59)
Kinderzitje monteren (p. 63)
Overzichtstabel voor de plaatsing van kinderzitjes (p. 65)
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 66)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 68)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 69)
VEILIGHEID
Kinderzitje monteren
N.B.
Bij de montage en het gebruik van een kinderzitje dient u op enkele dingen te letten. Het
hangt van de plaats van het kinderzitje af welke
dingen dat precies zijn.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is
het belangrijk om de bijgeleverde montagevoorschriften door te nemen.
Neem bij onduidelijkheden over de montage
van kinderveiligheidsproducten contact op
met de producent.
WAARSCHUWING
Comfortkussens/kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de openingsknop van de gordelsluiting aan kunnen
liggen, mogen niet worden gebruikt aangezien
ze ervoor kunnen zorgen dat de veiligheidsgordel per ongeluk open gaat.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
niet vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan de
veren, rails of balken onder de stoel. Scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigen.
Op voorstoel monteren
•
Controleer bij montage van tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes of de passagiersairbag gedeactiveerd is.
•
•
Het aanbod aan accessoires verschilt per markt.
Verschilt per markt.
ISOFIX-kinderzitjes zijn alleen te monteren,
wanneer de auto is uitgerust met een
ISOFIX-console3 (accessoire).
•
Als het kinderzitje voorzien is van onderste
bevestigingsbanden, adviseert Volvo u om
deze aan de onderste bevestigingspunten
vast te zetten3.
•
Als het kinderzitje met steunbenen is uitgerust, moet het steunbeen/moeten de steunbenen altijd rechtstreeks op de vloer worden
geplaatst. Plaats steunbenen nooit op een
voetensteun of een ander voorwerp.
•
Om de montage van kinderzitjes te vereenvoudigen kunt u gebruikmaken van een
ISOFIX-geleider.
N.B.
Laat een kinderzitje nooit los in de auto liggen. Bevestig het altijd volgens de instructies
voor het kinderzitje, ook als u het niet
gebruikt.
Laat het bovengedeelte van het kinderzitje
niet tegen de voorruit leunen.
3
4
•
Op achterbank monteren
•
Controleer bij montage van in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes of de passagiersairbag geactiveerd is.
Gebruik alleen door Volvo geadviseerde kinderzitjes met een universele of semi-universele goedkeuring waarbij uw auto op de lijst
van compatibele auto's staat.
•
Gebruik alleen door Volvo geadviseerde kinderzitjes met een universele of semi-universele goedkeuring waarbij uw auto op de lijst
van compatibele auto's staat.
Het is niet toegestaan om kinderzitjes met
steunbenen op de middelste zitplaats te
monteren.
•
De buitenste zitplaatsen zijn uitgerust met
ISOFIX-systeem en goedgekeurd voor iSize4.
•
De buitenste zitplaatsen zijn uitgerust met
bevestigingspunten bovenaan. Volvo advi-
}}
63
VEILIGHEID
seert u om de bovenste bevestigingsbanden
door de hoofdsteunopening te halen alvorens ze vast te zetten aan de bevestigingspunten. Volg de adviezen van de producent
van het kinderzitje op, als dit niet mogelijk is.
||
•
Verstel na het vastzetten van eventuele
onderste bevestigingsbanden van een kinderzitje in de onderste bevestigingspunten
de desbetreffende stoel niet meer. Vergeet
niet om bij het demonteren van een kinderzitje ook altijd eventuele onderste bevestigingsbanden te verwijderen.
•
Als het kinderzitje met steunbenen is uitgerust, moet het steunbeen/moeten de steunbenen altijd rechtstreeks op de vloer worden
geplaatst. Plaats steunbenen nooit op een
voetensteun of een ander voorwerp.
Gerelateerde informatie
•
•
64
Positie van kinderzitje (p. 62)
Overzichtstabel voor de plaatsing van kinderzitjes (p. 65)
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 66)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 68)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 69)
VEILIGHEID
Overzichtstabel voor de plaatsing
van kinderzitjes
De tabel geeft een overzicht van het type kinderzitje dat zich leent voor de verschillende zitplaatsen in de auto.
Zitplaatsen bij een auto met het stuur rechts.
Zitplaatsen bij een auto met het stuur links.
ZitplaatsB
A
B
C
i-Size-kinderzitje
Kinderzitjes met universele goedkeuring die zijn vastgezet met de veiligheidsgordel van de
auto
Andere typen kinderzitjesA
3, 5
2C, 3, 4, 5
2C, 3, 5
Neem voor meer informatie contact op met de fabrikant van het kinderzitje.
Zie bovenstaande nummering.
Geactiveerde airbag bij in de rijrichting geplaatste kinderzitjes. Gedeactiveerde airbag bij tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 66)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 68)
Positie van kinderzitje (p. 62)
Kinderzitje monteren (p. 63)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 69)
65
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die
de veiligheidsgordel in de auto
gebruiken
De tabel geeft aanbevelingen voor de te gebruiken kinderzitjes op de verschillende zitplaatsen
en voor de desbetreffende gewichtsgroepen.
Gewicht
Groep 0
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
Groep 1
9–18 kg
Groep 2
15–25 kg
66
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag, alleen tegen de rijrichting in
geplaatste kinderzitjes)A
N.B.
Neem alvorens een kinderzitje in de auto te
monteren altijd het hoofdstuk over de montage van kinderzitjes in de gebruikershandleiding door.
Voorstoel (met geactiveerde airbag,
alleen in de rijrichting geplaatste
kinderzitjes)A
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
UB, C
X
UC
UC
UB, C
X
UC
UC
LD
UFB, E
UE, LD
UE
LD
UFB, F
UF, LD
UF
VEILIGHEID
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag, alleen tegen de rijrichting in
geplaatste kinderzitjes)A
Groep 3
22–36 kg
Voorstoel (met geactiveerde airbag,
alleen in de rijrichting geplaatste
kinderzitjes)A
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
UFB, F
UF
UF
X
U: Geschikt voor kinderzitjes met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes met universele goedkeuring.
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of semi-universeel zijn.
X: deze plaats is niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsgroep.
A
B
C
D
E
F
Bij montage van kinderzitjes dient het verlengbare zitkussen altijd te zijn ingeschoven.
Zet de stoel hoger.
Volvo adviseert: Volvo-babyzitje (typegoedkeuring E1 04301146).
Volvo adviseert: Tegen de rijrichting in geplaatst Volvo-kinderzitje (typegoedkeuring E5 04212).
Voor kinderen in deze gewichtsgroep adviseert Volvo een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje.
Volvo adviseert: Verhogingskussen met of zonder rugleuning (typegoedkeuring E5 04216); Volvo-kinderzitje (typegoedkeuring E1 04301312).
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 68)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 69)
•
Veiligheidsgordels (p. 45)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Positie van kinderzitje (p. 62)
Kinderzitje monteren (p. 63)
Overzichtstabel voor de plaatsing van kinderzitjes (p. 65)
67
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor i-Sizekinderzitjes
plaatsen en voor de desbetreffende gewichtsgroepen.
De tabel geeft aanbevelingen voor de te gebruiken i-Size-kinderzitjes op de verschillende zit-
Het kinderzitje moet zijn goedgekeurd conform
UN Reg R129.
N.B.
Neem alvorens een kinderzitje in de auto te
monteren altijd het hoofdstuk over de montage van kinderzitjes in de gebruikershandleiding door.
Type kinderzitje
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag, alleen tegen de rijrichting in
geplaatste kinderzitjes)
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
i-Size-kinderzitje
X
X
i-UA, B
X
i-U: Geschikt voor i-Size-kinderzitje met "universele" goedkeuring dat in of tegen de rijrichting in geplaatst is.
X: Niet geschikt voor kinderzitjes met universele goedkeuring.
A
B
Volvo adviseert een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje voor deze categorie.
Volvo adviseert: BeSafe iZi Kid X2 i-Size (typegoedkeuring E4-129R-000002).
Gerelateerde informatie
•
•
•
68
Positie van kinderzitje (p. 62)
Kinderzitje monteren (p. 63)
Overzichtstabel voor de plaatsing van kinderzitjes (p. 65)
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 66)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 69)
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 61)
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor ISOFIXkinderzitjes
plaatsen en voor de desbetreffende gewichtsgroepen.
De tabel geeft aanbevelingen voor de te gebruiken ISOFIX-kinderzitjes op de verschillende zit-
Het kinderzitje moet zijn goedgekeurd conform
UN Reg R44 en de producent van het zitje moet
het desbetreffende automodel op de lijst met
compatibele auto's vermelden.
Gewicht
Groep 0
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
AfmetingscategorieA
Type kinderzitje
E
Tegen rijrichting in geplaatst
babyzitje
E
Tegen rijrichting in geplaatst
babyzitje
C
Tegen rijrichting in geplaatst
kinderzitje
D
Tegen rijrichting in geplaatst
kinderzitje
N.B.
Neem alvorens een kinderzitje in de auto te
monteren altijd het hoofdstuk over de montage van kinderzitjes in de gebruikershandleiding door.
Voorstoel (met
gedeactiveerde airbag, alleen tegen de
rijrichting in geplaatste
kinderzitjes)B,C
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen
in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)B, C
Buitenste zitplaats
achterbank
Middelste zitplaats achterbank
ILB, D, XE
X
ILD
X
ILB, D, F, XE
X
ILD
X
}}
69
VEILIGHEID
||
Gewicht
Groep 1
9–18 kg
AfmetingscategorieA
Type kinderzitje
A
In rijrichting geplaatst kinderzitje
B
In rijrichting geplaatst kinderzitje
B1
In rijrichting geplaatst kinderzitje
C
Tegen rijrichting in geplaatst
kinderzitje
D
Tegen rijrichting in geplaatst
kinderzitje
Voorstoel (met
gedeactiveerde airbag, alleen tegen de
rijrichting in geplaatste
kinderzitjes)B,C
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen
in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)B, C
Buitenste zitplaats
achterbank
Middelste zitplaats achterbank
X
ILB, F, G, XE
ILG, IUFG
X
ILB, F, XE
X
IL
X
IL: Geschikt voor bepaalde ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of semiuniverseel zijn.
IUF: Geschikt voor in de rijrichting geplaatste ISOFIX-kinderzitjes met een universele goedkeuring voor gebruik voor kinderen in de betrokken gewichtsgroep.
X: Niet geschikt voor ISOFIX-kinderzitjes.
A
B
C
D
E
F
G
70
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-systeem zijn er afmetingscategorieën om te helpen bij het kiezen van het juiste type kinderzitje. De afmetingscategorie staat aangegeven op het etiket van het kinderzitje.
Geschikt voor montage van ISOFIX-kinderzitjes met semi-universele goedkeuring (IL), als de auto is uitgerust met een ISOFIX-console (accessoire) (het aanbod aan accessoires verschilt per markt). Op deze
positie ontbreken de bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes.
Bij montage van kinderzitjes dient het verlengbare zitkussen altijd te zijn ingeschoven.
Volvo adviseert: Volvo-babyzitje bevestigd met ISOFIX-systeem (typegoedkeuring E1 04301146).
Geldt bij een auto zonder ISOFIX-console.
Stel de rugleuning zo in dat de hoofdsteun het kinderzitje niet raakt.
Voor kinderen in deze gewichtsgroep adviseert Volvo een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje.
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
N.B.
Als een i-Size/ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, moet het automodel op
de voertuiglijst van het kinderzitje staan.
N.B.
Volvo raadt u aan om contact op te nemen
met een erkende Volvo-dealer voor de i-Size/
ISOFIX-kinderzitjes die Volvo adviseert.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Positie van kinderzitje (p. 62)
Kinderzitje monteren (p. 63)
Overzichtstabel voor de plaatsing van kinderzitjes (p. 65)
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 66)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 68)
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 61)
71
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Instrumenten en bediening bij een
auto met het stuur links
In de overzichten wordt aangegeven waar displays en bedieningselementen dicht bij de
bestuurder zitten.
Claxon
Midden- en tunnelconsole
Linker knoppenset op het stuur
Displayverlichting, achterklep ontgrendelen/
openen*/sluiten*
Stuurwiel en instrumentenpaneel
Plafondconsole
Middendisplay
Startknop
Alarmlichten, ontwaseming, media, rijmodusknop*
Stadslicht, dagrijlicht, dimlicht, groot licht,
richtingaanwijzers, mistlampen vóór/bochtverlichting*, mistachterlicht, op nul zetten van
dagtellers
Stuurpaddles* om handmatig te schakelen
met een automatische versnellingsbak
Bestuurdersdisplay
Leeslampjes en interieurverlichting voorin
Elektrische aansluiting, USB-poort, draadloze
telefoonoplader*
Panoramadak*
Schakelhendel/keuzehendel
Display in plafondconsole, ON CALL-knop*
Parkeerrem
Handmatige dimfunctie van achteruitkijkspiegel
Automatische rem bij stilstand
Wissers en sproeiers, regensensor*
Rechter stuurknoppenset
Stuurwielafstelling
74
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Bestuurdersportier
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 100)
Versnellingsbak (p. 413)
Instrumenten en bediening bij een
auto met het stuur rechts
In de overzichten wordt aangegeven waar displays en bedieningselementen dicht bij de
bestuurder zitten.
Geheugens voor instellingen van elektrisch
bedienbare voorstoel*, buitenspiegels
Centrale vergrendeling, elektrisch bedienbare
ruiten, buitenspiegels, elektrisch kinderslot*
Motorkap openen
Instelling van voorstoel
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 174)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 175)
Stuurwiel verstellen (p. 184)
Verlichtingsbediening (p. 140)
Motor starten (p. 398)
Bestuurdersdisplay (p. 78)
}}
* Optie/accessoire.
75
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Stuurwiel en instrumentenpaneel
Midden- en tunnelconsole
Plafondconsole
Stadslicht, dagrijlicht, dimlicht, groot licht,
richtingaanwijzers, mistlampen vóór/bochtverlichting*, mistachterlicht, op nul zetten van
dagtellers
Stuurpaddles* om handmatig te schakelen
met een automatische versnellingsbak
Bestuurdersdisplay
Middendisplay
Leeslampjes en interieurverlichting voorin
Panoramadak*
Startknop
Display in plafondconsole, ON CALL-knop*
Alarmlichten, ontwaseming, media, rijmodusknop*
Handmatige dimfunctie van achteruitkijkspiegel
Elektrische aansluiting, USB-poort, draadloze
telefoonoplader*
Wissers en sproeiers, regensensor*
Schakelhendel/keuzehendel
Displayverlichting, achterklep ontgrendelen/
openen*/sluiten*
Parkeerrem
Rechter stuurknoppenset
Automatische rem bij stilstand
Claxon
Stuurwielafstelling
Linker knoppenset op het stuur
76
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Bestuurdersportier
•
Versnellingsbak (p. 413)
Geheugens voor instellingen van elektrisch
bedienbare voorstoel*, buitenspiegels
Centrale vergrendeling, elektrisch bedienbare
ruiten, buitenspiegels, elektrisch kinderslot*
Motorkap openen
Instelling van voorstoel
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 174)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 175)
Stuurwiel verstellen (p. 184)
Verlichtingsbediening (p. 140)
Motor starten (p. 398)
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Overzicht van het middendisplay (p. 100)
* Optie/accessoire.
77
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Bestuurdersdisplay
•
Open een van de portieren.
Het bestuurdersdisplay geeft informatie weer
over de auto en het rijden.
WAARSCHUWING
Van het bestuurdersdisplay maken deel uit
meters, indicatoren en controle- en waarschuwingssymbolen. Wat er op het bestuurdersdisplay
wordt weergegeven, hangt af van de uitrusting,
instellingen en de op dat moment actieve functies van de auto.
Het bestuurdersdisplay wordt geactiveerd zodra
er een portier wordt geopend, d.w.z. in contactslotstand 0. Het bestuurdersdisplay dooft, als het
enige tijd niet wordt gebruikt. Om het weer te
activeren moet u het volgende doen:
•
•
Bedien het rempedaal.
Activeer contactslotstand I.
Maak geen gebruik van de auto, als het
bestuurdersdisplay na de activering/start
dooft of niet oplicht of als het bestuurdersdisplay of delen ervan onleesbaar zijn. Bezoek
onmiddellijk een werkplaats. Geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Bij storingen in het bestuurdersdisplay kan
mogelijk geen informatie over het remsysteem, de airbags of andere veiligheidssystemen worden weergegeven. U kunt de status
van de autosystemen dan niet controleren en
evenmin waarschuwingen en informatie ontvangen.
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van
het model afwijkingen mogelijk zijn.
Positie op het bestuurdersdisplay:
78
Links
In het midden
Rechts
Snelheidsmeter
Controle- en waarschuwingssymbolen
Toerenteller/ECO-meterA
Dagtellers
Buitentemperatuurmeter
Schakelindicator
KilometertellerB
Klok
Rijmodus
Informatie over cruisecontrol en snelheidsbegrenzer
Meldingen, in bepaalde gevallen met grafische voorstellingen
Brandstofmeter
Verkeersbordinformatie*
Informatie over portieren en gordels
Status van het Start/Stop-systeem
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
A
B
Links
In het midden
Rechts
-
Mediaspeler
Actieradius op tank
-
Navigatiekaart*
Momentaan brandstofverbruik
-
Telefoon
Appmenu (te activeren met de stuurknoppenset)
-
Stembediening
-
-
KompasA
-
Afhankelijk van de gekozen rijmodus.
Gecumuleerde afstand.
Dynamisch symbool
Gerelateerde informatie
Het dynamische symbool in zijn
basisvorm.
In het midden van het bestuurdersdisplay staat
een dynamisch symbool dat er afhankelijk van het
type melding anders uitziet. Een amberkleurige of
rode markering rond het symbool geeft de ernstigheidsgraad van controle- en waarschuwingsmeldingen aan.
•
•
Instellingen voor bestuurdersdisplay (p. 80)
•
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
(p. 86)
•
•
•
Boordcomputer (p. 81)
Waarschuwingssymbolen op bestuurdersdisplay (p. 88)
Melding op bestuurdersdisplay (p. 95)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 94)
Voorbeeld van controlesymbool.
Aan de hand van een animatie is de basisvorm te
wijzigen in een grafische voorstelling om de locatie van het probleem aan te geven of om informatie te verduidelijken.
* Optie/accessoire.
79
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Instellingen voor bestuurdersdisplay
Instellingen via middendisplay
Instellingen voor de weergave-opties van het
bestuurdersdisplay zijn te verrichten via het
applicatiemenu van het bestuurdersdisplay en
via het instellingsmenu van het middendisplay.
Informatietype kiezen
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
Instellingen via appmenu van
bestuurdersdisplay
2.
Tik op My Car Displays
bestuurdersscherm.
Informatie
3.
Kies wat er op de achtergrond moet verschijnen:
• Geen info in achtergrond tonen
• Info huidige gespeelde media tonen
• Navigatie ook tonen zonder
ingestelde route
Thema kiezen
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van
het model afwijkingen mogelijk zijn.
Het appmenu is te openen en te regelen via de
rechter stuurknoppenset.
In het appmenu is te kiezen welke informatie op
het bestuurdersdisplay moet verschijnen
•
•
•
•
80
boordcomputer
mediaspeler
telefoon
2.
Tik op My Car
3.
Kies thema (uiterlijk) van het bestuurdersdisplay:
•
•
•
•
Displays
2.
Tik op Systeem Systeemtalen en eenheden Systeemtaal om een taal te
kiezen.
> Een wijziging werkt door op de taal op alle
niveaus.
De instellingen zijn persoonlijk en worden automatisch opgeslagen onder het actieve gebruikersprofiel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 94)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 124)
Toon skins
Glass
Minimalistic
Performance
Chrome Rings
Taal kiezen
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
navigatiesysteem*.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Brandstofmeter
Boordcomputer
•
De brandstofmeter op het bestuurdersdisplay
geeft het brandstofpeil in de tank aan.
De boordcomputer van de auto registreert waarden zoals afgelegde afstand, brandstofverbruik
en gemiddelde snelheid tijdens het rijden.
Eenheden voor afstand, snelheid en dergelijk zijn
te wijzigen via de systeeminstellingen op het middendisplay.
Om eenvoudiger zuinig te kunnen rijden, worden
het momentane en het gemiddelde brandstofverbruik geregistreerd. De boordcomputerinformatie
is weer te geven op het bestuurdersdisplay.
Er zijn twee dagtellers, TM en TA.
Toerist (alternatieve snelheidsmeter)
Dagtellers
TM kan handmatig op nul worden gezet en TA
wordt automatisch op nul gezet als de auto minimaal vier uur niet wordt gebruikt.
Tijdens de rit wordt informatie geregistreerd over:
•
•
•
•
Het beige gebied van de brandstofmeter geeft
het brandstofpeil in de tank aan.
Wanneer het brandstofpeil gering is en u moet
bijtanken, gaat het amberkleurige tanksymbool
branden. De boordcomputer geeft ook de resterende actieradius op de tank aan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
1
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Brandstof tanken (p. 438)
Brandstoftank – inhoud (p. 641)
Afstand
Rijtijd
Gemiddelde snelheid
Gemiddeld brandstofverbruik
De waarden zijn berekend op basis van de waarden sinds de laatste reset.
Kilometerteller
Voorbeeld van boordcomputerinformatie op het bestuurdersdisplay.1
De volgende meters maken deel uit van de
boordcomputer:
•
•
•
•
Dagtellers
Kilometerteller
Momentaan brandstofverbruik
De kilometerteller registreert de totale afgelegde
afstand van de auto. Deze waarde is niet op nul
te zetten.
Momentaan brandstofverbruik
Deze meter geeft het actuele brandstofverbruik
van de auto aan. De waarde wordt zowat iedere
seconde bijgewerkt.
Actieradius op tank
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
}}
81
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Actieradius op tank
De boordcomputer berekent de actieradius op basis van de resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
boordcomputermeter weergegeven in km/h en
omgekeerd.
Ritstatistieken tonen op het
bestuurdersdisplay
Gerelateerde informatie
De door de boordcomputer geregistreerde en
berekende waarden kunnen worden weergegeven op het bestuurdersdisplay.
•
De actieradius wordt berekend aan de hand van
het gemiddelde brandstofverbruik over de laatste
30 km (20 mijl) en de resterende hoeveelheid
brandstof.
Ritstatistieken tonen op het bestuurdersdisplay (p. 82)
•
•
Dagteller resetten (p. 83)
Als de meter "----" aangeeft, is er te weinig
brandstof over om de actieradius te kunnen berekenen. Tank zo spoedig mogelijk.
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Verbruiksinfo weergeven op het middendisplay (p. 84)
De waarden worden opgeslagen in een boordcomputerapp. Via het appmenu kunt u die informatie kiezen die op het bestuurdersdisplay moeten worden weergegeven.
Systeemeenheden wijzigen (p. 124)
N.B.
Er is een bepaalde afwijking mogelijk, als u
van rijstijl verandert.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een langere actieradius.
Toerist (alternatieve snelheidsmeter)
De alternatieve digitale snelheidsmeter vereenvoudigt het rijden in landen waar verkeersborden
met de voorgeschreven snelheden een andere
eenheid hebben dan wat de instrumenten van de
auto laten zien.
De digitale snelheid wordt dan weergegeven in
de eenheid die de analoge snelheidsmeter juist
niet geeft. Is de analoge snelheidsmeter ingesteld op mph, dan wordt de snelheid op de
2
82
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
Open het appmenu2 en blader erin met de rechter
stuurknoppenset.
Appmenu
Links/rechts
Omhoog/omlaag
Bevestigen
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
1.
Open het appmenu op het bestuurdersdisplay door op (1) te drukken.
(Het appmenu is niet te openen als er nog
een onbevestigde melding op het bestuurdersdisplay staat. U moet de melding eerst
bevestigen met een druk op de knop O (4)
voordat het appmenu te openen is.)
2.
Navigeer naar de boordcomputerapp door
met (2) naar links of rechts te vegen.
> Op de bovenste vier menuregels staan de
gemeten waarden voor dagteller TM. Op
de vier menuregels eronder staan de
gemeten waarden voor dagteller TA. Blader omhoog of omlaag in de lijst met (3).
3.
Blader verder omlaag naar de alternatievenknoppen om te kiezen welke informatie op het
bestuurdersdisplay moet worden weergegeven:
•
•
•
•
•
Gerelateerde informatie
•
•
Boordcomputer (p. 81)
Dagteller resetten
Reset de dagteller met de linker stuurhendel.
Dagteller resetten (p. 83)
–
Kilometerteller
Bij kort indrukken van de RESET-knop reset
u alleen de actieradius.
Actieradius op tank
Toerist (alternatieve snelheidsmeter)
Afgelegde afstand voor dagteller TM, TA
of geen weergave van afgelegde afstand
Momentaan brandstofverbruik, gemiddeld
verbruik voor TM of TA of geen weergave
van het brandstofverbruik
Reset alle informatie van de dagteller TM
(dat wil zeggen actieradius, gemiddeld verbruik, gemiddelde snelheid en rijtijd) door de
RESET-knop op de linker stuurhendel lang
in te drukken.
Dagteller TA heeft alleen een automatische
resetfunctie die start, wanneer de auto vier uur
lang niet wordt gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer (p. 81)
Selecteer of deselecteer een optie met de
knop O (4). De wijziging gaat meteen in.
83
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Verbruiksinfo weergeven op het
middendisplay
Instellingen voor verbruiksinfo
De instellingen voor verbruiksinfo zijn op nul te
stellen of aan te passen.
De verbruiksinfo van de boordcomputer verschijnt in grafische vorm op het middendisplay
en biedt u het overzicht waarmee u eenvoudig
zuiniger kunt rijden.
1.
Open de app Bestuurder prestaties op het
appscherm om de verbruiksinfo weer te
geven.
Open de app Bestuurder
prestaties op het appscherm
om de verbruiksinfo weer te
geven.
Elke staaf in het diagram staat
voor een afstand van 1, 10 of
100 km (of miles). Tijdens het rijden worden de
staven van rechts naar links aangevuld. De staaf
uiterst rechts geeft de waarde voor de actuele
etappe aan.
Verbruiksinfo van de boordcomputer3.
Gerelateerde informatie
•
•
Instellingen voor verbruiksinfo (p. 84)
2.
Tik op Voorkeur om
•
de schaalverdeling te wijzigen. Kies een
resolutie van 1, 10 of 100 km/miles voor
de staaf.
•
de verbruiksinfo na afloop van een rit op
nul te zetten. Wanneer de auto meer dan
4 uur stilgestaan heeft.
•
de gegevens over de actuele rit op nul te
zetten.
Boordcomputer (p. 81)
Het gemiddelde brandstofverbruik en de totale
rijtijd zijn bepaald op basis van de verbruiksinfo
sinds de laatste nulstelling.
Verbruiksinfo, berekend gemiddeld verbruik
en totale rijtijd worden altijd gelijktijdig op nul
gezet.
Eenheden voor afstand, snelheid en dergelijk zijn
te wijzigen via de systeeminstellingen op het middendisplay.
3
84
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Gerelateerde informatie
•
Verbruiksinfo weergeven op het middendisplay (p. 84)
•
•
Boordcomputer (p. 81)
Dagteller resetten (p. 83)
Datum en tijd
De klok is zichtbaar op zowel bestuurders- als
middendisplay.
Positie van de klok
Automatische tijd voor auto's met gps
Bij een auto met navigatiesysteem kunt u
Automatische tijd kiezen. De tijdzone wordt dan
automatisch ingesteld aan de hand van waar de
auto zich bevindt. Voor een bepaald type navigatiesysteem moet ook de huidige locatie (land)
worden ingesteld om de juiste tijdzone te krijgen.
Als Automatische tijd niet is gekozen, stelt u
tijd en datum met de pijlen omhoog of omlaag op
het touchscreen.
Zomertijd
In sommige landen is met Automatische
zomertijd de automatische instelling van de
zomertijd te selecteren. In de overige landen valt
de instelling Zomertijd handmatig te selecteren.
Gerelateerde informatie
In sommige situaties kan de klok op het bestuurdersdisplay schuilgaan achter meldingen en
informatie.
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 124)
Op het middendisplay zit de klok rechts bovenaan
op de statusbalk.
Instellingen voor datum en tijd
–
Kies Instellingen Systeem Datum en
tijd op het hoofdscherm van het middendisplay om de instellingen voor tijd- en datumformaat te wijzigen.
Stel de datum en tijd in door op de pijlomhoog of pijl-omlaag op het touchscreen te
tikken.
85
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Buitentemperatuurmeter
Gerelateerde informatie
De buitentemperatuurmeter staat aangegeven
op het bestuurdersdisplay.
•
•
Een sensor registreert de temperatuur buiten de
auto.
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Systeemeenheden wijzigen (p. 124)
Controlesymbolen op
bestuurdersdisplay
De controlesymbolen attenderen u erop dat de
bijbehorende functies ingeschakeld zijn, de desbetreffende systemen actief zijn of dat er storingen of gebreken zijn opgetreden.
Symbool
Betekenis
Informatie, lees displaymelding
Bij een afwijking in een van de
autosystemen gaat het informatiesymbool branden op het bestuurdersdisplay en verschijnt er een
displaytekst. Het informatiesymbool
kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
Storing in remsysteem
Als de auto geparkeerd heeft gestaan, is het
mogelijk dat de meter een te hoge temperatuur
aangeeft.
Wanneer de buitentemperatuur in het
gebied –5 °C tot +2 °C (23 °F tot
36 °F) ligt, brandt er ook een sneeuwvloksymbool op het bestuurdersdisplay
om te wijzen op het gevaar voor gladheid.
Wijzig de eenheid voor o.a. de temperatuurmeter
via systeeminstellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
86
Het symbool brandt bij een storing
in de parkeerrem.
Storing in ABS
Als het symbool brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog
wel, zij het zonder ABS-regeling.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Symbool
Betekenis
Automatische rem aan
Het symbool brandt, wanneer de
functie actief is en de bedrijfsrem
of parkeerrem ingrijpen. De rem
zorgt dat de auto stil blijft staan,
nadat deze tot stilstand is gekomen.
Symbool
Betekenis
Richtingaanwijzer links en
rechts
Het symbool knippert bij gebruik
van de richtingaanwijzers.
Symbool
Betekenis
Groot licht aan
Het symbool brandt, wanneer u het
groot licht voert of grootlichtsignalen geeft.
Automatisch groot licht aan
Het symbool brandt met blauw licht
als het automatisch groot licht aan
is. Stadslichten zijn ingeschakeld.
Bandenspanningssysteem
Stadslichten voor/achterlichten
Het symbool brandt bij een te lage
bandenspanning. Bij een storing in
het bandenspanningssysteem gaat
het symbool eerst ca. 1 minuut
knipperen en vervolgens permanent branden. Dit kan komen doordat het systeem niet als beoogd
een lage bandenspanning kan
registreren of daarvoor waarschuwen.
Het symbool brandt, wanneer de
stadslichten zijn ingeschakeld.
Uitlaatgasreinigingssysteem
Het symbool brandt met blauw licht
als het automatisch groot licht aan
is.
Mistlampen aan
Automatisch groot licht uit
Mistachterlicht aan
Het symbool brandt met wit licht
als het automatisch groot licht uit
is.
Het symbool brandt, wanneer het
mistachterlicht is ingeschakeld.
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan na een motorstart het symbool gaan branden.
Rijd voor een controle naar een
werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Fout in het koplampsysteem
Het symbool brandt, als er een storing is opgetreden in het ABL
(Active Bending Lights) of als er
een andere storing is opgetreden
in het koplampsysteem.
Automatisch groot licht aan
Automatisch groot licht uit
Het symbool brandt met wit licht
als het automatisch groot licht uit
is. Stadslichten zijn ingeschakeld.
Groot licht aan
Het symbool brandt, wanneer het
groot licht en de stadslichten zijn
ingeschakeld.
Het symbool brandt, wanneer de
mistlampen voor zijn ingeschakeld.
}}
87
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Symbool
Betekenis
Symbool
Regensensor aan
Rijbaanassistent
Dit symbool brandt, wanneer de
regensensor aanstaat.
Wit symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is waargenomen.
Preconditioning aan
Grijs symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is niet waargenomen.
Het symbool brandt, wanneer de
motor- en interieurverwarming/
airconditioning voor preconditioning van de auto zorgen.
Amberkleurig symbool: Rijbaanassistent waarschuwt/grijpt in.
Rijbaanassistent en regensensor
Stabiliteitsregeling
Het knipperende symbool geeft
aan dat de stabiliteitsregeling
werkt. Als het symbool continu
brandt is er sprake van een storing
in het systeem.
Wit symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is waargenomen.
De regensensor is aan.
Grijs symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is niet waargenomen. De regensensor is aan.
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
Het symbool brandt, wanneer de
Sport-stand is geactiveerd. De
Sport-stand maakt een actievere
rijervaring mogelijk. Het systeem
registreert dan of de gaspedaal- en
stuurwielbediening alsook het
bochtenwerk aan te merken zijn als
sportiever dan normaal, waarna het
systeem toestaat dat de achtertrein
een gecontroleerde vorm van slippen vertoont voordat het ingrijpt en
de auto stabiliseert.
88
Betekenis
AdBlue-systeem (diesel)
Het symbool brandt bij een gering
AdBlue-peil of bij een storing in
het AdBlue-systeem.
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Waarschuwingssymbolen op bestuurdersdisplay (p. 88)
Waarschuwingssymbolen op
bestuurdersdisplay
De waarschuwingssymbolen attenderen u erop
dat belangrijke functies zijn ingeschakeld of dat
er ernstige storingen of gebreken zijn opgetreden.
Symbool
Betekenis
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool
gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd die van
invloed kan zijn op de veiligheid of
de rijeigenschappen van de auto.
Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende tekstmelding op het
bestuurdersdisplay. Het waarschuwingssymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
Gordelwaarschuwing
Het symbool brandt of knippert als
u of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als iemand
op de achterbank de gordel heeft
losgenomen.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Symbool
Betekenis
Symbool
Betekenis
Airbags
Lage oliedruk
Als het symbool tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing geregistreerd in een van de
veiligheidssystemen van de auto.
Lees de melding op het bestuurdersdisplay. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie
te laag. Zet de motor onmiddellijk
af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het lampje
oplicht terwijl het oliepeil in orde is,
moet u contact opnemen met een
werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag.
Bezoek de dichtstbijzijnde erkende
werkplaats om het remvloeistofpeil
te laten controleren en aanpassen.
Dynamo laadt niet bij
Het lampje gaat tijdens het rijden
branden, als er sprake is van een
storing in het elektrisch systeem.
Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
Parkeerrem aangezet
Het lampje brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet.
Licentieovereenkomst voor
bestuurdersdisplay
Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen te verrichten of het recht om gebruik te maken van
een product waar een andere rechtspersoon
octrooi of eigendomsrechten op heeft, onder de
voorwaarden vervat in de overeenkomst. Hier
volgt een Engelse versie van de overeenkomst
tussen Volvo en producenten of ontwikkelaars.
Freetype Project License
3rd Party Software Disclaimers and License
Agreements Confidential ID 06-00004-004 39 /
75 Revision 06.00A, 2015-06-09 2006-Jan-27
Copyright 1996-2002, 2006 by David Turner,
Robert Wilhelm, and Werner Lemberg.
Dreigende botsing
City Safety geeft een waarschuwing bij een dreigende botsing met
andere voertuigen, voetgangers,
fietsers en grotere dieren.
Een knipperend symbool houdt in
dat er een storing is opgetreden.
Lees de melding op het bestuurdersdisplay.
Gerelateerde informatie
•
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
(p. 86)
•
Bestuurdersdisplay (p. 78)
}}
89
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
90
Introduction
The FreeType Project is distributed in several
archive packages; some of them may contain, in
addition to the FreeType font engine, various
tools and contributions which rely on, or relate to,
the FreeType Project. This license applies to all
files found in such packages, and which do not
fall under their own explicit license. The license
affects thus the FreeType font engine, the test
programs, documentation and makefiles, at the
very least. This license was inspired by the BSD,
Artistic, and IJG (Independent JPEG Group)
licenses, which all encourage inclusion and use
of free software in commercial and freeware
products alike. As a consequence, its main points
are that: o We don't promise that this software
works. However, we will be interested in any kind
of bug reports. (`as is' distribution) o You can use
this software for whatever you want, in parts or
full form, without having to pay us. (`royalty-free'
usage) o You may not pretend that you wrote this
software. If you use it, or only parts of it, in a
program, you must acknowledge somewhere in
your documentation that you have used the
FreeType code. (`credits') We specifically permit
and encourage the inclusion of this software, with
or without modifications, in commercial products.
We disclaim all warranties covering The FreeType
Project and assume no liability related to The
FreeType Project. Finally, many people asked us
for a preferred form for a credit/disclaimer to use
in compliance with this license. We thus
encourage you to use the following text:
"Portions of this software are copyright © 2013
The FreeType Project (www.freetype.org). All
rights reserved."
Legal Terms
0. Definitions – Throughout this license, the
terms `package', `FreeType Project', and
`FreeType archive' refer to the set of files
originally distributed by the authors (David Turner,
Robert Wilhelm, and Werner Lemberg) as the
`FreeType Project', be they named as alpha, beta
or final release. `You' refers to the licensee, or
person using the project, where `using' is a
generic term including compiling the project's
source code as well as linking it to form a
`program' or `executable'. This program is
referred to as `a program using the FreeType
engine'. This license applies to all files distributed
in the original FreeType Project, including all
source code, binaries and documentation, unless
otherwise stated in the file in its original,
unmodified form as distributed in the original
archive. If you are unsure whether or not a
particular file is covered by this license, you must
contact us to verify this. The FreeType Project is
copyright (C) 1996-2000 by David Turner,
Robert Wilhelm, and Werner Lemberg. All rights
reserved except as specified below.
1. No Warranty – THE FREETYPE PROJECT IS
PROVIDED `AS IS' WITHOUT WARRANTY OF
ANY KIND, EITHER EXPRESS OR IMPLIED,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND
FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE. IN
NO EVENT WILL ANY OF THE AUTHORS OR
COPYRIGHT HOLDERS BE LIABLE FOR ANY
DAMAGES CAUSED BY THE USE OR THE
INABILITY TO USE, OF THE FREETYPE
PROJECT. '
2. Redistribution – This license grants a
worldwide, royalty-free, perpetual and irrevocable
right and license to use, execute, perform,
compile, display, copy, create derivative works of,
distribute and sublicense the FreeType Project
(in both source and object code forms) and
derivative works thereof for any purpose; and to
authorize others to exercise some or all of the
rights granted herein, subject to the following
conditions: o Redistribution of source code must
retain this license file (`FTL.TXT') unaltered; any
additions, deletions or changes to the original
files must be clearly indicated in accompanying
documentation. The copyright notices of the
unaltered, original files must be preserved in all
copies of source files. o Redistribution in binary
form must provide a disclaimer that states that
the software is based in part of the work of the
FreeType Team, in the distribution
documentation. We also encourage you to put an
URL to the FreeType web page in your
documentation, though this isn't mandatory.
These conditions apply to any software derived
from or based on the FreeType Project, not just
the unmodified files. If you use our work, you
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
must acknowledge us. However, no fee need be
paid to us.
HarfBuzz / UCDN License
• Copyright © 2010,2011,2012 Google, Inc.
3. Advertising – Neither the FreeType authors
and contributors nor you shall use the name of
the other for commercial, advertising, or
promotional purposes without specific prior
written permission. We suggest, but do not
require, that you use one or more of the following
phrases to refer to this software in your
documentation or advertising materials:
`FreeType Project', `FreeType Engine', `FreeType
library', or `FreeType Distribution'. As you have
not signed this license, you are not required to
accept it. However, as the FreeType Project is
copyrighted material, only this license, or another
one contracted with the authors, grants you the
right to use, distribute, and modify it. Therefore,
by using, distributing, or modifying the FreeType
Project, you indicate that you understand and
accept all the terms of this license.
•
•
•
4. Contacts – There are two mailing lists related
to FreeType: o freetype@nongnu.org. Discusses
general use and applications of FreeType, as well
as future and wanted additions to the library and
distribution. If you are looking for support, start in
this list if you haven't found anything to help you
in the documentation. o freetypedevel@nongnu.org. Discusses bugs, as well as
engine internals, design issues, specific licenses,
porting, etc. Our home page can be found at
http://www.freetype.org
•
•
Copyright © 2012 Mozilla Foundation
Copyright © 2011 Codethink Limited
Copyright © 2008,2010 Nokia Corporation
and/or its subsidiary(-ies)
Copyright © 2009 Keith Stribley
Copyright © 2009 Martin Hosken and SIL
International
•
•
•
•
Copyright © 2007 Chris Wilson
•
Copyright © 1998-2004 David Turner and
Werner Lemberg
IF THE COPYRIGHT HOLDER HAS BEEN
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE. THE COPYRIGHT HOLDER
SPECIFICALLY DISCLAIMS ANY WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY
AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE.
THE SOFTWARE PROVIDED HEREUNDER IS
ON AN "AS IS" BASIS, AND THE COPYRIGHT
HOLDER HAS NO OBLIGATION TO PROVIDE
MAINTENANCE, SUPPORT, UPDATES,
ENHANCEMENTS, OR MODIFICATIONS.
Copyright © 2006 Behdad Esfahbod
Copyright © 2005 David Turner
Copyright © 2004,2007,2008,2009,2010
Red Hat, Inc.
For full copyright notices consult the individual
files in the package. Permission is hereby
granted, without written agreement and without
license or royalty fees, to use, copy, modify, and
distribute this software and its documentation for
any purpose, provided that the above copyright
notice and the following two paragraphs appear
in all copies of this software. IN NO EVENT
SHALL THE COPYRIGHT HOLDER BE LIABLE
TO ANY PARTY FOR DIRECT, INDIRECT,
SPECIAL, INCIDENTAL, OR CONSEQUENTIAL
DAMAGES ARISING OUT OF THE USE OF THIS
SOFTWARE AND ITS DOCUMENTATION, EVEN
}}
91
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Libunibreak License
This library is released under an open-source
licence, the zlib/libpng licence. Please check the
file LICENCE for details. Apart from using the
algorithm, part of the code is derived from the
data provided under http://www.unicode.org/
Public. And the Unicode Terms of Use may apply:
URL:http://www.unicode.org/copyright.html
LICENSE:
•
Copyright (C) 2008-2012 Wu Yongwei
<wuyongwei at gmail dot com>
•
Copyright (C) 2012 Tom Hacohen <tom dot
hacohen at samsung dot com>
This software is provided 'as-is', without any
express or implied warranty. In no event will the
author be held liable for any damages arising
from the use of this software. Permission is
granted to anyone to use this software for any
purpose, including commercial applications, and
to alter it and redistribute it freely, subject to the
following restrictions:
92
1.
The origin of this software must not be
misrepresented; you must not claim that you
wrote the original software. If you use this
software in a product, an acknowledgement
in the product documentation would be
appreciated but is not required.
2.
Altered source versions must be plainly
marked as such, and must not be
misrepresented as being the original
software.
3.
This notice may not be removed or altered
from any source distribution.
Unicode Inc. License Agreement
EXHIBIT 1 UNICODE, INC. LICENSE
AGREEMENT - DATA FILES AND SOFTWARE
Unicode Data Files include all data files under
the directories http://www.unicode.org/Public/,
http://www.unicode.org/reports/, and http://
www.unicode.org/cldr/data/ . Unicode Software
includes any source code published in the
Unicode Standard or under the directories http://
www.unicode.org/Public/, http://
www.unicode.org/reports/, and http://
www.unicode.org/cldr/data/. NOTICE TO USER:
Carefully read the following legal agreement. BY
DOWNLOADING, INSTALLING, COPYING OR
OTHERWISE USING UNICODE INC.'S DATA
FILES ("DATA FILES"), AND/OR SOFTWARE
("SOFTWARE"), YOU UNEQUIVOCALLY
ACCEPT, AND AGREE TO BE BOUND BY, ALL
OF THE TERMS AND CONDITIONS OF THIS
AGREEMENT. IF YOU DO NOT AGREE, DO NOT
DOWNLOAD, INSTALL, COPY, DISTRIBUTE OR
USE THE DATA FILES OR SOFTWARE.
COPYRIGHT AND PERMISSION NOTICE
Copyright © 1991-2010 Unicode, Inc. All rights
reserved. Distributed under the Terms of Use in
http://www.unicode.org/copyright.html.
Permission is hereby granted, free of charge, to
any person obtaining a copy of the Unicode data
files and any associated documentation (the
"Data Files") or Unicode software and any
associated documentation (the "Software") to
deal in the Data Files or Software without
restriction, including without limitation the rights
to use, copy, modify, merge, publish, distribute,
and/or sell copies of the Data Files or Software,
and to permit persons to whom the Data Files or
Software are furnished to do so, provided that (a)
the above copyright notice(s) and this permission
notice appear with all copies of the Data Files or
Software, (b) both the above copyright notice(s)
and this permission notice appear in associated
documentation, and (c) there is clear notice in
each modified Data File or in the Software as
well as in the documentation associated with the
Data File(s) or Software that the data or software
has been modified. THE DATA FILES AND
SOFTWARE ARE PROVIDED "AS IS", WITHOUT
WARRANTY OF ANY KIND, EXPRESS OR
IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
THE WARRANTIES OF MERCHANTABILITY,
FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT OF THIRD PARTY
RIGHTS. IN NO EVENT SHALL THE
COPYRIGHT HOLDER OR HOLDERS
INCLUDED IN THIS NOTICE BE LIABLE FOR
ANY CLAIM, OR ANY SPECIAL INDIRECT OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES, OR ANY
DAMAGES WHATSOEVER RESULTING FROM
LOSS OF USE, DATA OR PROFITS, WHETHER
IN AN ACTION OF CONTRACT, NEGLIGENCE
OR OTHER TORTIOUS ACTION, ARISING OUT
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
OF OR IN CONNECTION WITH THE USE OR
PERFORMANCE OF THE DATA FILES OR
SOFTWARE. Except as contained in this notice,
the name of a copyright holder shall not be used
in advertising or otherwise to promote the sale,
use or other dealings in these Data Files or
Software without prior written authorization of the
copyright holder.
ZLIB Data Compression Library License
Agreement
(C) 1995-2010 Jean-loup Gailly and Mark Adler
This software is provided 'as-is', without any
express or implied warranty. In no event will the
authors be held liable for any damages arising
from the use of this software. Permission is
granted to anyone to use this software for any
purpose, including commercial applications, and
to alter it and redistribute it freely, subject to the
following restrictions:
1.
The origin of this software must not be
misrepresented; you must not claim that you
wrote the original software. If you use this
software in a product, an acknowledgment in
the product documentation would be
appreciated but is not required.
2.
Altered source versions must be plainly
marked as such, and must not be
misrepresented as being the original
software.
3.
This notice may not be removed or altered
from any source distribution.
Jean-loup Gailly Mark Adler jloup@gzip.org
madler@alumni.caltech.edu If you use the zlib
library in a product, we would appreciate *not*
receiving lengthy legal documents to sign. The
sources are provided for free but without
warranty of any kind. The library has been entirely
written by Jean-loup Gailly and Mark Adler; it
does not include third-party code. If you
redistribute modified sources, we would
appreciate that you include in the file ChangeLog
history information documenting your changes.
Please read the FAQ for more information on the
distribution of modified source versions.
GLEW License (Modified BSD License)
The OpenGL Extension Wrangler Library
•
Copyright (C) 2002-2008, Milan Ikits
<milan.ikits@ieee org>
•
Copyright (C) 2002-2008, Marcelo E.
Magallon <mmagallo@debian.org>
•
Copyright (C) 2002, Lev Povalahev
All rights reserved.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
Redistributions of source code must retain the
above copyright notice, this list of conditions and
the following disclaimer. * Redistributions in
binary form must reproduce the above copyright
notice, this list of conditions and the following
disclaimer in the documentation and/or other
materials provided with the distribution. * The
name of the author may be used to endorse or
promote products derived from this software
without specific prior written permission. THIS
SOFTWARE IS PROVIDED BY THE COPYRIGHT
HOLDERS AND CONTRIBUTORS "AS IS" AND
ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY
AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE
ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE
COPYRIGHT OWNER OR CONTRIBUTORS BE
LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT,
INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING,
BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF
SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF
USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS
INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON
ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN
CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT
(INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE)
ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF
THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE
POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE.
Gerelateerde informatie
•
Bestuurdersdisplay (p. 78)
93
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Applicatiemenu op
bestuurdersdisplay
Via het applicatiemenu (appmenu) van het
bestuurdersdisplay krijgt u snel toegang tot de
meest gebruikte functies voor bepaalde apps.
App
Functies
Boordcomputer
Dagteller kiezen, kiezen wat op
het bestuurdersdisplay moet
worden weergegeven en dergelijke.
Mediaspeler
Actieve bron voor mediaspeler
kiezen.
Telefoon
Contact in de gesprekslijst bellen.
Navigatie
Begeleiding naar de bestemming e.d.
Appmenu op bestuurdersdisplay
hanteren
Het applicatiemenu (appmenu) op het bestuurdersdisplay is te gebruiken via de rechter stuurknoppenset.
Gerelateerde informatie
De afbeelding is schematisch.
Het appmenu op het bestuurdersdisplay is te
gebruiken in plaats van het middendisplay en
navigatie is mogelijk via de rechter stuurknoppenset. Dankzij het appmenu kunt u eenvoudiger van
app of appfunctie wisselen zonder daarvoor uw
handen van het stuur te hoeven nemen.
Functies van het appmenu
U hebt toegang tot uiteenlopende functies via
verschillende apps. Vanuit het appmenu zijn de
volgende apps en de bijbehorende appfuncties te
regelen:
94
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 78)
Overzicht van het middendisplay (p. 100)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 94)
Appmenu en rechter stuurknoppenset.
Openen/sluiten
Links/rechts
Omhoog/omlaag
Bevestigen
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Appmenu openen/sluiten
Druk op Openen/sluiten (1).
> Het appmenu wordt geopend/gesloten.
–
Gerelateerde informatie
•
•
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay (p. 94)
Melding op bestuurdersdisplay (p. 95)
Melding op bestuurdersdisplay
Op het bestuurdersdisplay kunnen in uiteenlopende situaties meldingen verschijnen om u te
informeren of helpen.
N.B.
Het appmenu is niet te openen als er nog
een onbevestigde melding op het bestuurdersdisplay staat. U moet de melding eerst
bevestigen voordat het appmenu te openen
is.
Het appmenu wordt na een periode van inactiviteit automatisch gesloten of na bepaalde keuzes.
Navigeren en kiezen in appmenu
1.
Wissel van app door op links of rechts (2) te
drukken.
> In het appmenu verschijnen de functies
voor de vorige/volgende app.
2.
Blader door de functies voor de gekozen app
door op omhoog of omlaag (3) te drukken.
3.
Bevestig de actuele functie of markeer uw
keuze door op bevestigen (4) te drukken.
> De desbetreffende functie wordt geactiveerd, waarna in bepaalde gevallen het
appmenu wordt gesloten.
Voorbeeld van een melding op het bestuurdersdisplay4.
Als het appmenu weer opent, verschijnen direct
de functies voor de laatst gekozen app.
4
Met 8 inch bestuurdersdisplay.
}}
95
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Servicemeldingen
Hier volgt een greep uit de belangrijke servicemeldingen en hun betekenis.
Melding
Stop
Voorbeeld van een melding op het
bestuurdersdisplay5.
Op het bestuurdersdisplay verschijnen meldingen
die voor u als bestuurder belangrijk zijn.
Afhankelijk van de andere informatie die op dit
moment wordt weergegeven, kan de positie van
de meldingen op het bestuurdersdisplay variëren.
De meldingen verdwijnen na enige tijd automatisch of na eventuele bevestiging/reactie van het
bestuurdersdisplay. Als een melding moet worden opgeslagen, wordt deze bewaard in de app
Auto status, die opent vanuit het appscherm op
het middendisplay.
De meldingen kunnen er verschillende uitzien en
worden mogelijk gecombineerd met grafische
voorstellingen, symbolen en knoppen om de desbetreffende melding bijvoorbeeld te bevestigen
of in te stemmen met een bepaald verzoek.
5
96
Met 12 inch bestuurdersdisplay.
veiligA
Betekenis
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade – bezoek
een werkplaatsB.
Service
urgent Rijd
naar werkplaatsA
Bezoek een werkplaatsB om
de auto onmiddellijk te laten
controleren.
Service vereistA
Bezoek een werkplaatsB om
de auto zo spoedig mogelijk
te laten controleren.
Normaal
onderhoud
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een werkplaatsB. Verschijnt geruime
tijd vóór het geprogrammeerde tijdstip voor de volgende servicebeurt.
Betekenis
Normaal
onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een werkplaatsB. Verschijnt op het
geprogrammeerde tijdstip
voor de volgende servicebeurt.
Onderhoud
nodig
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade – bezoek
een werkplaatsB.
Zet de motor
afA
Melding
Normaal
onderhoud
Onderhoudstermijn verstreken
Tijdelijk uitA
A
B
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een werkplaatsB. Verschijnt wanneer
het geprogrammeerde tijdstip voor een servicebeurt is
overschreden.
De bijbehorende functie is
tijdelijk uitgeschakeld en
wordt na enige tijd rijden of
de volgende keer dat u de
motor start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over de
locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Melding op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 97)
•
Opgeslagen bestuurdersdisplaymeldingen
hanteren (p. 98)
•
Melding op het middendisplay (p. 133)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Melding op bestuurdersdisplay
hanteren
2.
Meldingen op het bestuurdersdisplay zijn te hanteren via de rechter stuurknoppenset.
Bevestig uw keuze door te drukken op
bevestigen (2).
> De melding verdwijnt van het bestuurdersdisplay.
Voor meldingen zonder knoppen:
–
Voorbeeld van een melding op het bestuurdersdisplay7
en de rechter stuurknoppenset.
Links/rechts
Bevestigen
Voorbeeld van een melding op het bestuurdersdisplay6
en de rechter stuurknoppenset.
Bepaalde meldingen op het bestuurdersdisplay
worden gecombineerd met een of meer knoppen
om de desbetreffende meldingen bijvoorbeeld te
bevestigen of in te stemmen met een bepaald
verzoek.
Nieuwe melding hanteren
Voor meldingen met knoppen:
1.
6
7
Sluit de melding door op bevestigen (2) te
drukken of doe niets, waarna de melding
enige tijd later automatisch verdwijnt.
> De melding verdwijnt van het bestuurdersdisplay.
Als een melding moet worden opgeslagen, wordt
deze bewaard in de app Auto status, die opent
vanuit het appscherm op het middendisplay. In
verband hiermee verschijnt de melding
Autobericht opgesl. in app Autostatus op het
middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Melding op bestuurdersdisplay (p. 95)
Opgeslagen bestuurdersdisplaymeldingen
hanteren (p. 98)
Melding op het middendisplay (p. 133)
Wissel van knop door op links of rechts (1)
te drukken.
Met 8 inch bestuurdersdisplay.
Met 12 inch bestuurdersdisplay.
97
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Opgeslagen
bestuurdersdisplaymeldingen
hanteren
Meldingen die zijn opgeslagen vanuit het
bestuurders- en middendisplay worden in beide
gevallen gehanteerd in het middendisplay.
Opgeslagen melding lezen
Lees de opgeslagen melding direct:
–
Druk op de knop rechts van de melding
Autobericht opgesl. in app Autostatus in
het middendisplay.
> De opgeslagen melding verschijnt in de
app Auto status.
Onderhoud reserveren voor een opgeslagen melding:
–
Lees de opgeslagen melding achteraf:
1.
2.
3.
Opgeslagen meldingen zijn te bekijken in de app Auto
status.
Meldingen die op het bestuurdersdisplay zijn weergegeven
en die opgeslagen moeten
worden, worden bewaard in de
app Auto status op het middendisplay. In verband hiermee
verschijnt de melding
Autobericht opgesl. in app Autostatus op het
middendisplay.
8
98
Open de app Auto status vanuit het appscherm op het middendisplay.
> De app start in het onderste deelscherm
van het homescherm.
Kies het tabblad Berichten in de app.
> Er verschijnt een lijst met opgeslagen
meldingen.
Tik op een melding om deze uit te vouwen/
minimaliseren.
> Er verschijnt meer informatie over de melding in de lijst en de afbeelding links in de
app geeft informatie in grafische vorm
over de melding.
Een opgeslagen melding hanteren
Bepaalde meldingen hebben in uitgevouwen
vorm twee knoppen, nl. om onderhoud te reserveren of de gebruikershandleiding te lezen.
Afhankelijk van de markt. Er moet ook een Volvo ID zijn geregistreerd en een voorkeurswerkplaats zijn gekozen.
Druk in de uitgevouwen stand van de melding op Afspraak aanvragenBel voor een
afspraak8 om hulp te krijgen bij het reserveren van onderhoud.
> Met Afspraak aanvragen: Het tabblad
Afspraken gaat open in de app en u
krijgt een vraag voorgelegd over het
reserveren van onderhoud en reparatie.
Met Bel voor een afspraak: De telefoonapp wordt gestart en deze belt een
onderhoudscentrum om service en reparatie te reserveren.
Lees de gebruikershandleiding voor de opgeslagen melding:
–
Druk in de uitgevouwen stand van de melding op Handleiding om in de gebruikershandleiding over de melding te lezen.
> De gebruikershandleiding gaat open op
het middendisplay en deze geeft informatie die aan de melding is gekoppeld.
Meldingen opgeslagen in de app worden automatisch gewist telkens bij het starten van de
motor.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Gerelateerde informatie
•
•
•
Melding op bestuurdersdisplay (p. 95)
Melding op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 97)
Melding op het middendisplay (p. 133)
99
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Overzicht van het middendisplay
Vanaf het middendisplay zijn tal van autofuncties
te regelen. Hier volgt een beschrijving van het
middendisplay en de mogelijkheden ervan.
100
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Drie van de basisschermen van het middendisplay. Veeg naar rechts of naar links om het functie- of appscherm te openen9.
Functiescherm – autofuncties die met één
druk te activeren of deactiveren zijn. Som9
Bij een auto met het stuur rechts zijn de schermen onderling van plaats gewisseld.
}}
101
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
mige functies zijn ook zogenoemde triggerfuncties, die vensters met instelmogelijkheden openen. Bijvoorbeeld Camera.
Media – laatst gebruikte apps die verband
houden met media. Druk op het scherm om
het uit te vouwen.
Homescherm – het eerste scherm dat verschijnt bij het inschakelen van display.
Telefoon – van hieruit hebt u toegang tot de
telefoon. Druk op het scherm om het uit te
vouwen.
Het applicatiescherm (appscherm) – apps
die zijn gedownload (apps van derden) maar
ook apps voor ingebouwde functies, bijvoorbeeld FM-radio. Tik op een app-pictogram
om de app te openen.
Het extra deelscherm – laatst gebruikte apps
of autosystemen die niet thuishoren in een
van de overige deelschermen. Druk op het
scherm om het uit te vouwen.
Klimaatveld – informatie en rechtstreekse
interactie voor bijvoorbeeld het instellen van
temperatuur en stoelverwarming*. Tik op het
symbool in het midden van het klimaatveld
om het klimaatscherm met meer klimaatinstellingen te openen.
Statusbalk – boven aan het scherm staan de
activiteiten in de auto. Links op de statusbalk
verschijnen netwerk- en aansluitingsgegevens en rechts verschijnen mediaspecifieke
informatie en een klok plus een aanduiding
van lopende achtergrondactiviteiten.
Hoofdscherm – sleep het tabblad omlaag om
het hoofdscherm te openen. Van hieruit zijn
Instellingen, Handleiding, Profiel alsook de
opgeslagen berichten van de auto te openen.
In bepaalde gevallen zijn ook contextuele
instellingen (bijv. Navigatie Instellingen) en
de contextuele gebruikershandleiding (bijv.
Handleiding Navigatie) via het hoofdscherm te bereiken.
Navigatie – voert naar de kaartnavigatie, aan
de hand van bijvoorbeeld Sensus
Navigation*. Druk op het deelscherm om het
uit te vouwen.
102
•
•
•
•
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 17)
Mediaspeler (p. 483)
Telefoon (p. 499)
Klimaatregelingsbediening (p. 199)
Volume van systeemgeluid uitschakelen of
aanpassen op middendisplay (p. 123)
•
Opzet van middendisplay aanpassen
(p. 123)
•
•
•
•
Systeemtaal wijzigen (p. 124)
Systeemeenheden wijzigen (p. 124)
Middendisplay reinigen (p. 610)
Melding op het middendisplay (p. 133)
Gerelateerde informatie
•
•
Middendisplay hanteren (p. 103)
•
Functiescherm op het middendisplay
(p. 113)
•
•
Apps (p. 474)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 106)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 115)
•
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 124)
•
Contextuele instellingen openen op het middendisplay (p. 125)
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Middendisplay hanteren
Veel autofuncties zijn te bedienen en regelen
vanaf het middendisplay. Het middendisplay is
een touchscreen dat op aanraking reageert.
Touchscreenfunctie middendisplay
gebruiken
De schermreacties hangen af van de vraag of u
erop drukt of slepende of vegende bewegingen
maakt. U kunt bijv. van het ene naar het andere
scherm bladeren, objecten markeren, scrollen in
Methode
een lijst en apps verplaatsen door het scherm op
verschillende manieren aan te raken.
Dankzij IR-stralen vlak boven het schermoppervlak kan het scherm ook vingers op korte afstand
vóór het scherm registreren. Deze technologie
maakt het mogelijk om het scherm ook te gebruiken als u handschoenen aan hebt.
Het display is gelijktijdig door twee mensen te
bedienen, bijv. om het klimaat aan de bestuurders- en passagierszijde in te stellen.
BELANGRIJK
Raak het scherm niet met scherpe voorwerpen aan om krassen te voorkomen.
In de onderstaande tabel worden de verschillende methoden voor schermbediening toegelicht:
Uitvoering
Resultaat
Eenmaal indrukken.
Een object markeren, een keuze bevestigen of een functie activeren.
Tweemaal snel drukken.
Inzoomen op een digitaal object, zoals de kaart.
Eenmaal drukken en vasthouden.
Een object beetpakken. Is te gebruiken om apps of kaartpunten op de kaart te verplaatsen. Houd de vinger(s) op het scherm gedrukt, terwijl u het object naar de gewenste locatie sleept.
Eenmaal drukken met twee
vingers.
Uitzoomen van een digitaal object, zoals de kaart.
}}
103
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Methode
Uitvoering
Resultaat
Vegen
Wisselen tussen schermen, bladeren in een lijst, tekst of scherm. Ingedrukt houden en verslepen om apps
of kaartpunten op de kaart te verplaatsen. Horizontaal of verticaal over het scherm slepen.
Snel vegen/slepen
Wisselen tussen schermen, bladeren in een lijst, tekst of scherm. Horizontaal of verticaal over het scherm
slepen.
Let erop dat het hoofdscherm mogelijk wordt geopend bij aanraking van het bovenste deel van het scherm.
104
Spreiden
Inzoomen.
Knijpen
Uitzoomen.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Terugkeren naar homescherm vanuit
een ander scherm
•
het bedieningselement naar de gewenste
temperatuur te slepen,
1.
•
op + of − te drukken om de temperatuur in
stapjes te verhogen of te verlagen, of
•
op de gewenste temperatuur op het bedieningselement te drukken.
2.
Druk kort op de homeknop onder het middendisplay.
> De laatst geactiveerde stand voor het
homescherm verschijnt.
Druk opnieuw kort op de homeknop.
> Alle deelschermen van het homescherm
worden in de standaardstand gezet.
Gerelateerde informatie
N.B.
In het homescherm van de standaardstand –
druk kort op de homeknop. Op het scherm
verschijnt een animatie die uitlegt hoe u de
verschillende tegels kunt openen.
De bladerindicator verschijnt op het middendisplay, wanneer u omhoog of omlaag kunt bladeren.
•
Middendisplay activeren en deactiveren
(p. 106)
•
Apps en knoppen op middendisplay verplaatsen (p. 115)
•
Toetsenbord op middendisplay (p. 117)
Bediening op middendisplay gebruiken
Door een lijst, artikel of scherm
bladeren
Wanneer een bladerindicator zichtbaar is op het
scherm, kunt u omhoog- of omlaagbladeren.
Veeg op een willekeurige plaats op het scherm
omhoog of omlaag.
Temperatuurbediening.
Tal van autosystemen gebruiken bedieningselementen. Regel bijv. de temperatuur door:
105
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Middendisplay activeren en
deactiveren
1.
Het middendisplay is te dimmen en te activeren
met de homeknop onder het display.
2.
Houd de fysieke homeknop onder het display
langere tijd ingedrukt.
> Het display dooft, met uitzondering van
het klimaatveld dat nog steeds zichtbaar
is. Alle functies die aan het scherm
gekoppeld zijn blijven werken.
Display opnieuw inschakelen – kort op de
homeknop drukken.
> U ziet dan weer hetzelfde als toen het
scherm werd uitgeschakeld.
N.B.
Het scherm kan niet worden uitgezet als er
een bepaald commando op het scherm staat.
N.B.
Homeknop voor middendisplay.
Bij bediening van de homeknop wordt het
scherm gedimd en reageert het touchscreen niet
langer op aanraking. Het klimaatveld blijft nog
steeds zichtbaar. Alle functies die aan het scherm
gekoppeld zijn, zoals klimaat, geluid, routebegeleiding* en apps blijven werken. Dim het middendisplay bijvoorbeeld om het scherm te reinigen.
Het middendisplay is bijvoorbeeld ook te dimmen
om niet gestoord te worden tijdens het rijden.
Het middendisplay wordt automatisch uitgeschakeld als de motor uit is en het bestuurdersportier wordt geopend.
Gerelateerde informatie
•
•
•
106
Middendisplay reinigen (p. 610)
Opzet van middendisplay aanpassen
(p. 123)
Overzicht van het middendisplay (p. 100)
Navigeren in schermen op het
middendisplay
Het middendisplay heeft vijf verschillende basisschermen: homescherm, hoofdscherm, klimaatscherm, applicatiescherm (appscherm) en functiescherm. Bij het openen van het bestuurdersportier wordt het display automatisch ingeschakeld.
Homescherm
Het homescherm is het scherm dat verschijnt bij
het inschakelen van het display. Het bestaat uit
vier deelschermen: Navigatie, Media, Telefoon
en een extra deelscherm.
Een app of autofunctie die gekozen wordt vanuit
het app- of functiescherm, start in het desbetreffende deelscherm op het hoofdscherm FM-radio
start bijvoorbeeld in het deelscherm voor Media.
Het extra deelscherm toont de laatst gebruikte
app of autofunctie die niet thuishoort in een van
de overige drie schermen.
De deelschermen bevatten beknopte informatie
over de desbetreffende apps.
N.B.
Bij het starten van de auto verschijnt in de
deelschermen van het homescherm informatie over de actuele stand van de apps in het
desbetreffende deelscherm.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
N.B.
In het homescherm van de standaardstand –
druk kort op de homeknop. Op het scherm
verschijnt een animatie die uitlegt hoe u de
verschillende tegels kunt openen.
Statusbalk
Boven aan het scherm staan de activiteiten in de
auto. Links op de statusbalk verschijnen netwerken aansluitingsgegevens en rechts verschijnen
mediaspecifieke gegevens, klok alsook een aanduiding dat er achtergrondactiviteiten gaande
zijn.
Hoofdscherm
het tabblad te klikken of door van boven naar
beneden over het scherm te slepen/vegen.
Het hoofdscherm biedt altijd toegang tot:
• Instellingen
• Handleiding
• Profiel
• De opgeslagen berichten van de auto.
Het hoofdscherm biedt soms toegang tot:
•
Contextuele instelling (bijv. Navigatie
Instellingen). Wijzig instellingen rechtstreeks in het hoofdscherm wanneer een app
(zoals navigatie) actief is.
•
Contextuele gebruikershandleiding (bijv.
Handleiding Navigatie). Open rechtstreeks
vanuit het hoofdscherm het artikel in de digitale gebruikershandleiding dat verband houdt
met hetgeen op het scherm verschijnt.
Hoofdscherm verlaten – tik op een punt buiten
het hoofdscherm, op de homeknop of onder aan
het hoofdscherm en sleep het omhoog. Het
onderliggende scherm wordt dan weer zichtbaar
zodat u het kunt gebruiken.
N.B.
Het hoofdscherm is niet beschikbaar tijdens
het starten/uitschakelen of als er een displaytekst op het scherm staat. Dat is evenmin het
geval als het klimaatscherm wordt weergegeven.
Klimaatscherm
Onder aan het display is altijd het klimaatveld
zichtbaar. Daar zijn rechtstreeks de meest
gebruikte klimaatinstellingen te verrichten, zoals
het instellen van de temperatuur en de stoelverwarming*.
Tik op het symbool midden in het klimaatveld om het klimaatscherm te
openen en om toegang te krijgen tot
meer klimaatinstellingen.
Tik op het symbool om het klimaatscherm te sluiten en terug te gaan
naar het eerdere scherm.
Hoofdscherm omlaaggesleept.
Midden op de statusbalk boven aan het display
vindt u een tab. Open het hoofdscherm door op
}}
* Optie/accessoire. 107
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Applicatiescherm
rechtstreeks op het appscherm, zoals het aantal
ongelezen sms-berichten voor Berichten.
Functiescherm
Tik op een app om deze te openen. De app wordt
vervolgens in het desbetreffende deelscherm
geopend, bijvoorbeeld Media.
Afhankelijk van het aantal apps kunt u omlaagbladeren in het appscherm. U doet dat door van
onder naar boven te vegen/slepen.
Ga terug naar het homescherm door van links
naar rechts10 over het display te vegen of door
op de homeknop te drukken.
Applicatiescherm met de apps van de auto.
links10
Veeg van rechts naar
over het display om
vanuit het homescherm het applicatiescherm
(appscherm) te openen. Hier liggen apps die zijn
gedownload (apps van derden) maar ook apps
voor ingebouwde functies, bijvoorbeeld FMradio. Bepaalde apps tonen beknopte informatie
10
108
Functiescherm met knoppen voor uiteenlopende autofuncties.
Veeg van links naar rechts10 over het display om
vanuit het homescherm het functiescherm te
openen. Van daaruit kunt u verschillende autofuncties activeren of deactiveren, bijv. BLIS*,
Lane Keeping Aid* en Parkeerhulp*.
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Afhankelijk van het aantal functies kunt u ook
omlaagbladeren in het scherm. U doet dat door
van onder naar boven te vegen/slepen.
•
Functiescherm op het middendisplay
(p. 113)
•
Overzicht van het middendisplay (p. 100)
In tegenstelling tot het appscherm waar bij een
tik op een app de bijbehorende app wordt
geopend, wordt bij een tik op een functieknop in
het functiescherm alleen de desbetreffende
functie geactiveerd of gedeactiveerd. Bepaalde
functies, de triggerfuncties, openen door erop te
drukken in een eigen venster.
Ga terug naar het homescherm door van rechts
naar links10 over het display te vegen of door op
de homeknop te drukken.
Gerelateerde informatie
•
Deelschermen op middendisplay hanteren
(p. 110)
•
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 115)
•
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 124)
•
Contextuele instellingen openen op het middendisplay (p. 125)
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 17)
•
•
•
Bestuurdersprofielen (p. 128)
10
Klimaatregelingsbediening (p. 199)
Apps (p. 474)
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
109
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Deelschermen op middendisplay
hanteren
Het homescherm bestaat uit vier deelschermen:
Navigatie, Media, Telefoon en een extra deelscherm. Deze schermen zijn uit te vouwen.
110
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Een deelscherm uitvouwen vanuit standaardstand
Standaardstand en uitgevouwen stand van het deelscherm van het middendisplay.
}}
111
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Deelscherm uitvouwen:
–
Voor de deelschermen Navigatie, Media en
Telefoon: Tik op een willekeurige plaats op
het deelscherm. Bij het uitvouwen van een
deelscherm verdwijnt het extra deelscherm
op het homescherm tijdelijk naar de achtergrond. De andere twee deelschermen worden ingeklapt en tonen slechts bepaalde
informatie. Na een tik op het extra deelscherm worden de andere drie deelschermen ingeklapt en tonen slechts bepaalde
informatie.
scherm voor nog meer informatie en aanvullende
instelmogelijkheden.
Als er een deelscherm is geopend als volledig
scherm, verschijnt er geen informatie van de overige deelschermen.
In het uitgevouwen scherm zijn de basisfuncties van de desbetreffende app toegankelijk.
Uitgevouwen deelscherm sluiten:
–
Het deelscherm kan op drie verschillende
manieren worden gesloten:
•
Tik op het bovenste deel van het uitgevouwen deelscherm.
•
Tik op een ander deelscherm (om dit in
uitgevouwen stand te openen).
•
Druk kort op de fysieke homeknop onder
het middendisplay.
Deelscherm maximaliseren of
minimaliseren
Het extra deelscherm11 en het deelscherm voor
Navigatie zijn te maximaliseren tot volledig
11
112
Geldt niet voor alle apps of autofuncties die via het extra deelscherm te openen zijn.
Om de app vanuit uitgevouwen
stand te maximaliseren – tik op
het symbool.
Tik op het symbool om terug te
gaan naar de uitgevouwen
stand of druk op de homeknop
onder aan het display.
Homeknop voor middendisplay.
U kunt altijd teruggaan naar het homescherm
door op de homeknop te drukken. Om vanuit de
uitgevouwen stand terug te gaan naar de standaardweergave van het homescherm – druk
tweemaal op de homeknop.
Gerelateerde informatie
•
•
Middendisplay hanteren (p. 103)
•
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 106)
Middendisplay activeren en deactiveren
(p. 106)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Functiescherm op het
middendisplay
In het functiescherm, een van de basisschermen
van het middendisplay, liggen alle knoppen voor
autofuncties. Navigeer vanuit het homescherm
naar het functiescherm door van links naar
rechts over het display te vegen.12.
Verschillende soorten knoppen
Er zijn drie verschillende soorten knoppen voor
autofuncties, zie hieronder:
Soort knop
Eigenschap
Bijbehorende autofunctie
Functieknoppen
Hebben een Aan/Uit-stand.
De meeste knoppen in het functiescherm zijn functieknoppen.
Bij een geactiveerde functie brandt een led-lampje links van de knopicoon. Druk op de knop om
de bijbehorende functie te activeren/deactiveren.
Triggerknoppen
Hebben geen Aan/Uit-stand.
Bij het gebruik van een triggerknop wordt een venster voor de desbetreffende functie geopend.
Bijvoorbeeld een venster voor stoelverstelling.
Parkeerknoppen
Hebben een Aan/Uit-stand en een aftaststand.
Lijken op functieknoppen maar hebben een extra stand voor het aftasten van parkeerruimte.
12
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
• Camera
• Hfdsteun omlaag
• Inparkeren
• Uitparkeren
}}
113
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Verschillende standen van de knoppen
Wanneer het groene led-lampje brandt van een
functie- of parkeerknop, is de desbetreffende
functie geactiveerd. Bij het activeren van functies
verschijnt voor sommige functies een extra tekst
over wat deze inhouden. De tekst blijft een paar
seconden staan, waarna de knop met het brandende led-lampje verschijnt.
Het systeem is gedeactiveerd, wanneer het ledlampje is gedoofd.
Voor Lane Keeping Aid verschijnt bijvoorbeeld
de tekst Werkt alleen bij bepaalde snelheden
bij het indrukken van de knop.
Bij eenmaal kort indrukken van de knop activeert
of deactiveert u de functie.
Wanneer er in de rechter bovenhoek van de knop
een gevarendriehoekje verschijnt, is er sprake van
een fout.
Gerelateerde informatie
•
•
114
Middendisplay hanteren (p. 103)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 106)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Apps en knoppen op middendisplay
verplaatsen
N.B.
Verberg de apps die u zelden of nooit
gebruikt door ze helemaal onderaan te plaatsen, buiten het zichtveld. Op die manier kunt
u makkelijker de apps vinden die u vaker
gebruikt.
De apps en de knoppen voor autofuncties op
het app- en functiescherm zijn te verplaatsen en
naar wens anders te organiseren.
1.
Veeg van rechts naar links13 om het appscherm te openen of van links naar rechts13
om het functiescherm te openen.
2.
Blijf op een app of knop drukken.
> De app of knop verandert van grootte en
wordt transparant. U kunt de app/knop
vervolgens verplaatsen.
3.
Sleep de app of knop naar een lege plek op
het scherm.
Het maximale aantal regels voor apps of knoppen
is 48. Om een app of knop tot buiten het zichtbare schermgedeelte te verplaatsen moet u deze
naar de onderkant van het scherm slepen. Er
worden dan automatisch nieuwe regels voor de
app of knop toegevoegd.
N.B.
Apps en autofunctieknoppen kunnen niet
worden bewaard op plaatsen die al bezet zijn.
Gerelateerde informatie
•
Functiescherm op het middendisplay
(p. 113)
•
•
Apps (p. 474)
Middendisplay hanteren (p. 103)
Het is dan ook mogelijk om een app of knop verder naar onderen te verplaatsen, zodat deze in de
normale schermstand niet zichtbaar is.
Veeg over het scherm om omhoog of omlaag te
bladeren.
13
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
Symbolen op de statusbalk van het
middendisplay
Overzicht van de symbolen die mogelijk op de
statusbalk van het middendisplay verschijnen.
De statusbalk geeft de lopende activiteiten en in
bepaalde gevallen hun status aan. Omdat de
ruimte in het veld beperkt is, worden niet voortdurend alle symbolen weergegeven.
Symbool
Betekenis
Internetverbinding.
Roaming geactiveerd.
Signaalsterkte in netwerk voor
mobiele telefonie.
Bluetooth-apparaat aangesloten.
Bluetooth geactiveerd maar geen
eenheid aangesloten.
Er wordt informatie van en naar het
gps gestuurd.
Aangesloten op Wi-Fi-netwerk.
'Internet sharing' geactiveerd (WiFi-hotspot). De auto deelt dus de
beschikbare verbinding.
}}
115
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Symbool
Betekenis
Automodem geactiveerd.
Internet delen via USB actief.
De telefoon wordt draadloos opgeladen.
•
•
•
•
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 490)
Draadloze telefoonoplader* (p. 508)
Telefoon (p. 499)
Datum en tijd (p. 85)
Proces gaande.
Timer voor preconditioning actief.
Weergave audiobron gestart.
Weergave audiobron gestopt.
Telefoongesprek gaande.
Weergave audiobron onderdrukt.
Er komt nieuws binnen via een
radiokanaal.
Verkeersinformatie mogelijk.
Klok.
Gerelateerde informatie
116
•
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 106)
•
Melding op het middendisplay (p. 133)
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Toetsenbord op middendisplay
Met het toetsenbord van het middendisplay kunt
u met toetsen tekst invoeren op het scherm,
maar ook handmatig door letters en tekens "in te
tekenen" op het scherm.
Met het toetsenbord kunnen tekens, letters en
cijfers worden ingevoerd, bijv. om sms-berichten
vanuit de auto op te stellen, wachtwoorden in te
vullen en naar artikelen te zoeken in de digitale
gebruikershandleiding.
Het toetsenbord verschijnt alleen als het mogelijk
is om op het scherm te schrijven.
}}
117
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
De afbeelding laat een overzicht zien van een aantal van de knoppen die op het toetsenbord kunnen verschijnen. De opzet wisselt, al naar gelang de taalinstellingen en in welk
verband het toetsenbord wordt gebruikt.
118
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Regel met suggesties voor woorden of
tekens14. De voorgestelde woorden worden
aangepast naarmate er nieuwe letters worden ingetypt. Blader door de suggesties door
op de pijlen naar links en naar rechts te
drukken. Tik op een suggestie om deze te
selecteren. Let erop dat deze functie niet
door alle taalopties wordt ondersteund. De
regel is dan niet zichtbaar op het toetsenbord.
Afhankelijk van de voor het toetsenbord
gekozen taal (zie punt 7) worden de beschikbare tekens aangepast. Tik op een teken om
dit in te voeren.
Afhankelijk van de situatie waarin u het
toetsenbord gebruikt, heeft de knop een
andere functie – @ (bij invoer van een e-mailadres) of nieuwe regel (bij normale tekstinvoer).
Verbergt het toetsenbord. Als dat niet mogelijk is, verschijnt de knop niet.
Wordt gebruikt om met hoofdletters te schrijven. Druk eenmaal om een hoofdletter te
schrijven en dan verder te gaan met kleine
letters. Door nogmaals te drukken worden
alle letters hoofdletters. Als u nog eens drukt,
wordt het toetsenbord weer ingesteld op
kleine letters. In deze stand wordt de eerste
letter na een punt, uitroepteken of vraagteken als hoofdletter geschreven. Dit geldt ook
14
Geldt voor Aziatische talen.
voor de eerste letter in het tekstveld. In tekstvelden die bestemd zijn voor namen of
adressen begint automatisch elk woord met
een hoofdletter. In tekstvelden waar wachtwoorden, webadressen of e-mailadressen
moeten worden ingevuld, worden alle letters
juist klein, tenzij anderszins actief met de
knop wordt ingesteld.
Bij eenmaal indrukken van de bevestigingsknop
boven het toetsenbord (niet zichtbaar op de
afbeelding) bevestigt u de ingevoerde tekst. De
knop ziet er verschillend uit, al naar gelang de
context.
Varianten van een letter of een teken
Cijferinvoer. Het toetsenbord (2) laat dan cijfers zien. Druk op
, dat in de cijferstand
verschijnt in plaats van
, om terug te
keren naar het toetsenbord met letters, of op
om het toetsenbord met speciale
tekens te zien.
Wijzigt de taal voor de tekstinvoer, bijvoorbeeld EN. Tekens die kunnen worden ingevoerd alsook suggesties voor woorden (1)
veranderen al naar gelang de gekozen taal.
Om op het toetsenbord van taal te kunnen
wisselen, moeten de talen eerst onder Instellingen worden toegevoegd.
Spatie.
Maakt tekstinvoer ongedaan. Bij kort indrukken verwijdert u één teken tegelijk. Houd de
knop ingedrukt om meerdere tekens in sneller tempo te verwijderen.
U kunt varianten van een letter of teken invoeren,
bijv. é of è, door op de letter of het teken te blijven tikken. Er verschijnt een venster met mogelijke varianten van de letter/het teken. Tik op de
gewenste variant. Als u geen van de varianten
selecteert, wordt het oorspronkelijk gekozen letter of teken ingevoerd.
Vervangt de toetsenbordstand om in plaats
daarvan handmatig letters en tekens in te
voeren.
}}
119
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
120
Gerelateerde informatie
•
Taal wijzigen voor toetsenbord van middendisplay (p. 121)
•
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay (p. 121)
•
•
Middendisplay hanteren (p. 103)
Berichtfuncties (p. 505)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Taal wijzigen voor toetsenbord van
middendisplay
Op het toetsenbord wisselen tussen
verschillende talen
Om op het toetsenbord tussen de verschillende
talen te kunnen wisselen, moeten de talen eerst
onder Instellingen worden toegevoegd.
Wanneer u in Instellingen verschillende talen hebt geselecteerd, gebruikt u knop op het
toetsenbord om te wisselen
tussen de talen.
Taal toevoegen of verwijderen in
instellingen
Het toetsenbord is automatisch ingesteld op
dezelfde taal als de systeemtaal. De taal voor het
toetsenbord kan handmatig worden aangepast
zonder dat dit gevolgen heeft voor de systeemtaal.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Systeem Systeemtalen en eenheden Toetsenbordindelingen.
3.
Kies een of meer talen in de lijst.
> Nu kunt u direct op het toetsenbord schakelen tussen de geselecteerde talen om
tekst in te voeren.
Als u onder Instellingen niet actief een taal hebt
gekozen, hanteert het toetsenbord dezelfde taal
als de systeemtaal van de auto.
Om de taal op het toetsenbord te wijzigen met
weergave van de lijst:
1.
Druk lang op de knop.
> Er verschijnt een lijst.
2.
Kies de gewenste taal. Als er onder
Instellingen meer dan vier talen zijn geselecteerd, is het mogelijk om op het toetsenbord door de lijst te bladeren.
> Het toetsenbord wordt aangepast aan de
gekozen taal en er worden andere suggesties voor woorden gegeven.
Handmatig tekens, letters of
woorden invoeren op middendisplay
Het toetsenbord van het middendisplay biedt u
de mogelijkheid om tekens, letters en woorden
in te voeren door ze met de hand op het scherm
te "tekenen".
Tik op de desbetreffende knop
van het toetsenbord om te wisselen tussen het invoeren met
behulp van het toetsenbord en
het handmatig tekenen van letters en tekens.
Om de taal op het toetsenbord te wijzigen zonder
weergave van de lijst:
–
Druk de knop kortstondig in.
> Het toetsenbord wordt aangepast aan de
volgende taal in de lijst, maar zonder de
lijst zelf te tonen.
Gerelateerde informatie
•
•
Systeemtaal wijzigen (p. 124)
Ruimte om tekens/letters/woorden/woorddelen te tekenen.
Tekstveld waar suggesties voor tekens of
woorden15 verschijnen naargelang u deze op
het scherm (1) tekent.
Toetsenbord op middendisplay (p. 117)
}}
121
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Suggesties voor tekens/letters/woorden/
woorddelen. U kunt bladeren in de lijst.
||
Spatie. U kunt ook een spatie invoeren door
een verbindingsstreepje (-) te tekenen in het
tekstveld voor handgeschreven letters (1).
Zie de onderstaande rubriek "Spatie invoeren in het vrije veld bij handgeschreven
tekst".
Tekstinvoer ongedaan maken. Kort indrukken
om één teken/letter per keer te verwijderen.
Wacht even voordat u opnieuw drukt om het
volgende teken of de volgende letter te verwijderen et cetera.
Teruggaan naar het toetsenbord met
gewone tekeninvoer.
Geluid bij invoer in-/uitschakelen.
Toetsenbord verbergen. Als dat niet mogelijk
is, verschijnt de knop niet.
Taal voor tekstinvoer wijzigen.
15
16
122
Tekens/letters/woorden handmatig invoeren
1. Schrijf een teken, een letter, een woord of
delen van een woord in de ruimte voor handgeschreven letters (1). Schrijf de letters of
delen van het woord over elkaar heen of achter elkaar op één lijn.
> Er verschijnt een aantal suggesties voor
tekens, letters of woorden (3). Het meest
waarschijnlijke staat bovenaan in de lijst.
Tekens/letters verwijderen/wijzigen die
handmatig zijn ingevoerd
BELANGRIJK
Raak het scherm niet met scherpe voorwerpen aan om krassen te voorkomen.
2.
Voer het teken/de letter/het woord in door
heel even te wachten.
> Het teken/de letter/het woord boven aan
de lijst wordt ingevoerd. U kunt ook een
ander teken kiezen dat wat er boven aan
de lijst verschijnt. Druk op het teken, de
letter of het woord dat u zoekt in de lijst.
Geldt voor bepaalde systeemtalen.
Veeg bij een Arabisch toetsenbord in tegengestelde richting. Wanneer u van rechts naar links veegt, voegt u een spatie in.
Wis de tekens in het tekstveld (2) door over het veld
voor handgeschreven tekst (1) te vegen.
–
Om tekens/letters te wijzigen zijn er meerdere alternatieven:
•
Druk in de lijst (3) op de letter die of het
woord dat u eigenlijk bedoelde.
•
Druk op de knop voor het ongedaan
maken van tekstinvoer (5) om de letter te
verwijderen en begin opnieuw.
•
Veeg horizontaal van rechts naar links16
over de ruimte voor handgeschreven letters (1). Verwijder meerdere letters door
meerdere keren over de ruimte te vegen.
•
Eenmaal drukken op het kruisje in het
tekstveld (2) neemt alle ingevoerde tekst
weg.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Van regel wisselen in het vrije veld met
handgeschreven tekst
Opzet van middendisplay
aanpassen
U kunt de opzet van het middendisplay aanpassen door een thema te kiezen.
Wissel handmatig van regel door bovenstaand teken in
te tekenen in het veld voor handgeschreven tekst17.
Spatie invoeren in het vrije veld bij
handgeschreven tekst
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Tik op My Car
3.
Kies vervolgens een thema, bijv.
Minimalistic of Chrome Rings.
Displays
Toon skins.
Als aanvulling hierop is het mogelijk om te kiezen
tussen Normaal en Helder. Bij Normaal is de
achtergrond op het scherm donker en zijn de teksten licht. Dit is de standaardinstelling voor alle
thema's. Desgewenst kan een lichte variant worden gekozen, waarbij de opzet zo wordt gewijzigd
dat de achtergrond licht wordt en de teksten
donker. Deze instelling is bijv. handig bij fel daglicht.
De mogelijkheden zijn altijd beschikbaar voor de
gebruiker en zijn niet afhankelijk van de verlichting eromheen.
Volume van systeemgeluid
uitschakelen of aanpassen op
middendisplay
Het volume van het systeemgeluid is op het middendisplay te wijzigen of uit te schakelen.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op Geluid
3.
Verschuif de bediening onder
Aanraakgeluiden om het geluid voor het
aantikken van het scherm te wijzigen/uit te
zetten. Schuif de bediening naar het gewenste geluidsniveau.
Systeemvolumes.
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 100)
•
Audio-instellingen (p. 472)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 124)
Gerelateerde informatie
Voer een spatie in door van links naar rechts een
streepje te tekenen18.
•
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 124)
Gerelateerde informatie
•
Middendisplay activeren en deactiveren
(p. 106)
•
Middendisplay reinigen (p. 610)
•
17
18
Toetsenbord op middendisplay (p. 117)
Voor Arabisch toetsenbord - schrijf hetzelfde teken, maar dan gespiegeld.
Schrijf bij een Arabisch toetsenbord hetzelfde teken, maar dan van rechts naar links.
123
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Systeemeenheden wijzigen
Systeemtaal wijzigen
Instellingen voor de eenheden verricht u in het
menu Instellingen van het middendisplay.
Instellingen voor de taal verricht u in het menu
Instellingen van het middendisplay.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Ga verder naar Systeem Systeemtalen
en -eenheden Meeteenheden.
3.
Kies een standaardeenheid:
• Metr. – kilometer, liter en graden Celsius.
• Imper. – miles, gallons en graden Celsius.
• VS – miles, gallons en graden Fahrenheit.
> De eenheden op het bestuurdersdisplay
en middendisplay worden gewijzigd.
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 100)
•
Systeemtaal wijzigen (p. 124)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 124)
Via het middendisplay kunt u instellingen en
informatie wijzigen voor tal van autofuncties.
N.B.
Wanneer u de taal in het middendisplay verandert, kan dat betekenen dat bepaalde informatie voor de eigenaar niet overeenkomt met
landelijke of plaatselijke wet- en regelgeving.
Stel geen taal in die u niet begrijpt, omdat het
dan lastig wordt om te navigeren in de menustructuur op het scherm.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Ga verder naar Systeem
en -eenheden.
3.
Kies Systeemtaal. Talen met ondersteuning
van stembediening hebben een stembedieningssymbool.
> De taal op het bestuurdersdisplay en middendisplay wordt gewijzigd.
1.
Open het hoofdscherm door op het tabblad
bovenaan te klikken of door van boven naar
beneden over het scherm te slepen/vegen.
2.
Tik op Instellingen om het instellingsmenu
te openen.
Systeemtalen
Gerelateerde informatie
124
Instellingen wijzigingen op het
hoofdscherm van het
middendisplay
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 100)
•
Systeemeenheden wijzigen (p. 124)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 124)
Het hoofdscherm met de knop voor Instellingen.
3.
Tik op een van de categorieën en subcategorieën om naar de gewenste instelling te
bladeren.
4.
Wijzig een of meer instellingen. De manier
van wijzigen hangt van het type instelling af.
> De wijzigingen worden onmiddellijk opgeslagen.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Contextuele instellingen openen op
het middendisplay
1.
Open het hoofdscherm wanneer een app uitgevouwen is, bijv. Navigatie.
Via de contextuele instellingen zijn rechtstreeks
vanuit het topscherm op het middendisplay
instellingen te wijzigen voor de meeste standaardapps van de auto.
2.
Tik op Navigatie Instellingen.
> Er wordt een pagina voor navigatie-instellingen geopend.
3.
Wijzig de instellingen naar wens en bevestig
uw keuze(s).
Tik op Sluiten of op de fysieke homeknop op het
middendisplay om het instellingsscherm te sluiten.
De meeste basisapps van de auto bieden deze
contextuele instelmogelijkheid, maar niet allemaal.
Een subcategorie in het instellingsscherm met verschillende soorten instellingen, heeft een meerkeuzeknop en
keuzerondjes.
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 100)
•
Tabel met instellingen op middendisplay
(p. 127)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 126)
Apps van derden
Hoofdscherm met de knop voor contextuele instellingen.
Contextuele instellingen zijn snelkoppelingen
naar specifieke instellingen die verband houden
met de op het scherm getoonde actieve functie.
De standaardapps van de auto, zoals FM-radio
en USB, maken deel uit van Sensus en behoren
tot de geïntegreerde autofuncties. De instellingen
voor deze apps zijn rechtstreeks te wijzigen via de
contextuele instellingen in het hoofdscherm.
Wanneer contextuele instellingen beschikbaar
zijn:
Apps van derden zoals Volvo-id zijn bij aflevering
van de auto niet voorgeïnstalleerd en moeten
naderhand worden gedownload. Bij dergelijke
apps van derden verricht u eventuele instellingen
altijd in de desbetreffende apps en niet vanuit het
hoofdscherm.
Gerelateerde informatie
•
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 124)
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 100)
•
Apps downloaden (p. 475)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 126)
125
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Gebruikersgegevens resetten bij
doorverkoop
Instellingen resetten op
middendisplay
Bij doorverkoop moeten gebruikersgegevens en
systeeminstellingen worden gereset naar de
fabrieksinstellingen.
U kunt de fabrieksinstellingen herstellen voor alle
instellingen die zijn verricht in het instellingsmenu van het middendisplay.
De instellingen van de auto kunnen op verschillende niveaus gereset worden. Reset bij doorverkoop alle gebruikersgegevens en herstel de
fabrieksinstellingen voor de systeeminstellingen.
Bij verkoop van de auto is het ook belangrijk om
de doorverkoop te registreren in Volvo On Call*
te wijzigen.
Twee soorten resets
Gerelateerde informatie
•
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 126)
•
Instellingen resetten in bestuurdersprofielen
(p. 132)
4.
Er zijn twee soorten resets voor de instellingen in
het instellingsmenu:
• Fabrieksreset - wist alle gegevens en
bestanden en herstelt de standaardwaarden
voor alle instellingen.
• Persoonlijke instellingen resetten - wist
persoonlijke gegevens en herstelt de standaardwaarden voor alle persoonlijke instellingen.
Druk op OK om de reset te bevestigen.
Voor de optie Persoonlijke instellingen
resetten wordt de reset bevestigd door op
Resetten voor het actieve profiel of
Resetten voor alle profielen te drukken.
> De geselecteerde instellingen worden
gereset.
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 100)
•
Tabel met instellingen op middendisplay
(p. 127)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 124)
Instellingen resetten
Doe het volgende om de instellingen te resetten.
N.B.
Fabrieksreset is alleen mogelijk, wanneer de
auto stilstaat.
126
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Ga verder naar Systeem
3.
Kies het gewenste type reset.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
Fabrieksreset.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Tabel met instellingen op
middendisplay
Subcategorie
Subcategorie
Het instellingsmenu van het middendisplay heeft
een aantal hoofdcategorieën en subcategorieën
waarin instellingen en informatie voor tal van
functies van de auto zijn verzameld.
Spiegels en Comfort
TV*
Vergrendeling
Video
Er zijn zeven hoofdcategorieën: My Car, Geluid,
Navigatie, Media, Communicatie, Klimaat en
Systeem.
Elke categorie omvat op zijn beurt een aantal
subcategorieën en instelmogelijkheden. In de
onderstaande tabellen wordt het eerste niveau
van subcategorieën weergegeven. De instelmogelijkheden voor een functie of terrein worden
uitvoeriger beschreven in de desbetreffende artikelen van de gebruikershandleiding.
Sommige instellingen zijn persoonlijk, wat inhoudt
dat ze opgeslagen kunnen worden voor een
Bestuurdersprofielen. Andere zijn algemeen
zijn, wat betekent dat ze niet zijn gekoppeld aan
een bestuurdersprofiel.
My Car
Subcategorie
Parkeerrem en vering
Ruitenwisser voorruit
Audio
Communicatie
Subcategorie
Telefoon
Subcategorie
Tekstberichten
Toon
Android Auto*
Balans
Apple CarPlay*
Systeemvolumes
Bluetooth-apparaten
Navigatie
Wi-Fi
Subcategorie
Wi-Fi hotspot auto
Kaart
Internet via automodem*
Route en begeleiding
Volvo On Call*
Verkeer
Volvo-servicenetwerken
Media
Displays
Subcategorie
IntelliSafe
AM/FM-radio
Rijvoorkeuren/Individuele rijmodus*
DAB*
Lampen en verlichting
Gracenote®
Klimaatregeling
De hoofdcategorie Klimaat heeft geen subcategorieën.
}}
* Optie/accessoire. 127
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Systeem
Subcategorie
Bestuurdersprofiel
Datum en tijd
Systeemtalen en -eenheden
Privacy en gegevens
Toetsenbordindelingen
Stembediening*
Fabrieksreset
Systeeminformatie
Gerelateerde informatie
128
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 100)
•
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 126)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 124)
Bestuurdersprofielen
Tal van auto-instellingen zijn naar wens aan te
passen en op te slaan in een of meer bestuurdersprofielen.
De persoonlijke instellingen worden automatisch
in het actieve bestuurdersprofiel opgeslagen.
Elke sleutel is te koppelen aan een bestuurdersprofiel. Bij gebruik van een sleutel waaraan een
bestuurdersprofiel is gekoppeld, wordt de auto
aangepast volgens de instellingen van dat specifieke bestuurdersprofiel.
Welke instellingen worden opgeslagen
in bestuurdersprofielen?
Veel auto-instellingen worden automatisch opgeslagen in het actieve bestuurdersprofiel op voorwaarde dat het niet vergrendeld is. De verrichte
auto-instellingen zijn hetzij persoonlijk, hetzij
algemeen. Het zijn de persoonlijke instellingen
die in bestuurdersprofielen worden opgeslagen.
Algemene instellingen
De algemene instellingen en de parameters wijzigen niet als het ene bestuurdersprofiel wordt verruild voor een ander. Ze blijven gelijk, ongeacht
welk bestuurdersprofiel actief is.
De instellingen van de toetsenbordindeling zijn
voorbeelden van algemene instellingen. Als u
bestuurdersprofiel X gebruikt om meer talen aan
het toetsenbord toe te voegen, blijven deze opgeslagen en kunt u ook bij gebruik van bestuurdersprofiel Y van taal wissen. De instellingen van de
toetsenbordindeling worden niet opgeslagen
onder een specifiek bestuurdersprofiel – deze
instellingen zijn algemeen.
Persoonlijke instellingen
Als bestuurdersprofiel X is gebruikt om bijvoorbeeld de lichtsterkte op het middendisplay in te
stellen, wordt bestuurdersprofiel Y niet door deze
instelling beïnvloed. Deze is opgeslagen voor
bestuurdersprofiel X – de instelling van de lichtsterkte is een persoonlijke instelling.
Instellingen die zijn op te slaan in een bestuurdersprofiel zijn onder meer schermweergaven,
spiegels, voorstoelen, navigatie*, audio- en
mediasysteem, taal en stembediening.
Gerelateerde informatie
Bepaalde instellingen, de zogenoemde algemene
instellingen, zijn te wijzigen, maar worden niet
opgeslagen in een specifiek bestuurdersprofiel.
Wijzigen van de algemene instellingen is van
invloed op alle profielen.
•
Transpondersleutel koppelen aan bestuurdersprofiel (p. 131)
•
Bestuurdersprofiel beveiligen (p. 130)
•
•
Bestuurdersprofiel kiezen (p. 129)
Naam van bestuurdersprofiel wijzigen
(p. 130)
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
•
•
Instellingen resetten in bestuurdersprofielen
(p. 132)
Tabel met instellingen op middendisplay
(p. 127)
Bestuurdersprofiel kiezen
Bij het inschakelen van het middendisplay verschijnt boven aan het display het gekozen
bestuurdersprofiel. Bij ontgrendeling van de auto
wordt automatisch het laatst gebruikte bestuurdersprofiel gekozen. Na ontgrendeling van de
auto kunt u een ander bestuurdersprofiel kiezen.
Als de transpondersleutel echter aan een ander
bestuurdersprofiel is gekoppeld, wordt bij het
starten het desbetreffende profiel gekozen.
2.
Tik op Profiel.
> Dezelfde lijst als die voor alternatief 1 verschijnt.
3.
Kies het gewenste bestuurdersprofiel.
4.
Tik op Bevestig.
> Het bestuurdersprofiel is gekozen, waarna
het systeem de instellingen van het
nieuwe bestuurdersprofiel laadt.
Alternatief 3:
U kunt op twee manieren van bestuurdersprofiel
veranderen.
1.
Sleep het hoofdscherm van het middendisplay open.
Alternatief 1:
2.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
3.
Tik op Systeem Bestuurdersprofielen.
> Er verschijnt een lijst met de te kiezen
bestuurdersprofielen.
4.
Kies het gewenste bestuurdersprofiel.
5.
Tik op Bevestig.
> Het bestuurdersprofiel is gekozen, waarna
het systeem de instellingen van het
nieuwe bestuurdersprofiel laadt.
1.
Druk tijdens het inschakelen van het middendisplay op de naam van het bestuurdersprofiel dat boven aan het middendisplay staat.
> Er verschijnt een lijst met de te kiezen
bestuurdersprofielen.
2.
Kies het gewenste bestuurdersprofiel.
3.
Tik op Bevestig.
> Het bestuurdersprofiel is gekozen, waarna
het systeem de instellingen van het
nieuwe bestuurdersprofiel laadt.
Alternatief 2:
Gerelateerde informatie
1.
•
•
Sleep het hoofdscherm van het middendisplay open.
Bestuurdersprofielen (p. 128)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 106)
}}
129
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
•
•
Naam van bestuurdersprofiel wijzigen
(p. 130)
Naam van bestuurdersprofiel
wijzigen
Transpondersleutel koppelen aan bestuurdersprofiel (p. 131)
U kunt de verschillende bestuurdersprofielen die
in de auto worden gebruikt een andere naam
geven.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op Systeem
Bestuurdersprofielen.
3.
Kies Profiel bewerken.
> Er verschijnt een menu waarin het profiel
kan worden bewerkt.
4.
5.
Druk op het vakje Profielnaam.
> Er verschijnt een toetsenbord, waarna u
de naam kunt wijzigen. Druk op
om
het toetsenbord te sluiten.
Sla de naamswijziging op door te tikken op
Terug of Sluiten.
> De naam is daarmee gewijzigd.
N.B.
Een profielnaam kan niet beginnen met een
spatie, omdat de profielnaam dan niet wordt
opgeslagen.
Gerelateerde informatie
•
•
130
Bestuurdersprofiel kiezen (p. 129)
Toetsenbord op middendisplay (p. 117)
Bestuurdersprofiel beveiligen
In sommige gevallen wilt u liever niet dat de verschillende auto-instellingen worden opgeslagen
onder het actieve bestuurdersprofiel. Voor dergelijke gevallen kunt u het bestuurdersprofiel
beveiligen.
N.B.
Een bestuurdersprofiel is alleen te vergrendelen wanneer de auto stilstaat.
Om een bestuurdersprofiel te beveiligen:
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Tik op Systeem
3.
Bestuurdersprofielen.
Kies Profiel bewerken.
> Er verschijnt een menu waarin het profiel
kan worden bewerkt.
4.
Kies Profiel beveiligen om het profiel te
beveiligen.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
5.
Sla de optie om het profiel te beveiligen op
door te tikken op Terug/Sluiten.
> Wanneer het profiel beveiligd is, worden
eventuele nieuwe auto-instellingen niet
automatisch opgeslagen in het profiel. U
moet de wijzigingen in plaats daarvan
handmatig opslaan onder Instellingen
Systeem Bestuurdersprofielen
Profiel bewerken door te tikken op
Huidige instellingen opslaan naar
profiel. Wanneer het profiel echter niet
beveiligd is, worden eventuele nieuwe
instellingen wel automatisch opgeslagen
in het profiel.
Gerelateerde informatie
•
Bestuurdersprofielen (p. 128)
Transpondersleutel koppelen aan
bestuurdersprofiel
U kunt uw sleutel koppelen aan een bestuurdersprofiel. Op die manier wordt telkens automatisch het bestuurdersprofiel met alle bijbehorende instellingen geselecteerd als de auto
wordt gebruikt met die specifieke transpondersleutel.
De eerste keer dat de transpondersleutel wordt
gebruikt, is deze nog niet gekoppeld aan een
specifiek bestuurdersprofiel. Bij het starten van
de auto wordt automatisch het profiel Gast
geactiveerd.
Het is mogelijk om handmatig een bestuurdersprofiel te kiezen zonder dit aan de sleutel te
koppelen. Bij ontgrendeling van de auto wordt
het laatst gehanteerde bestuurdersprofiel geactiveerd. Als de sleutel eenmaal gekoppeld is aan
een bestuurdersprofiel, hoeft u bij gebruik van
deze sleutel geen bestuurdersprofiel meer te kiezen.
Kies eerst het profiel dat u aan de sleutel wilt
koppelen, voor zover het te koppelen profiel niet
al actief is. Het actieve profiel is vervolgens aan
de sleutel te koppelen.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Tik op Systeem
3.
Markeer het gewenste profiel. Op het display
verschijnt het startscherm opnieuw. Het profiel Gast kan niet aan een sleutel worden
gekoppeld.
4.
Open het hoofdscherm weer en tik op
Instellingen Systeem
Bestuurdersprofielen Profiel
bewerken.
Bestuurdersprofielen.
Transpondersleutel koppelen aan een
bestuurdersprofiel
N.B.
Een transpondersleutel is alleen aan een
bestuurdersprofiel te koppelen wanneer de
auto stilstaat.
}}
131
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
5.
Kies Sleutel koppelen om het profiel aan
de sleutel te koppelen. Het is niet mogelijk
om een bestuurdersprofiel te koppelen aan
een andere sleutel dan de momenteel in de
auto gebruikte sleutel. Als er meerdere sleutels in de auto zijn, verschijnt de tekst Meer
dan één sleutel gevonden, pak de
sleutel die u met de back-uplezer wilt
verbinden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bestuurdersprofielen (p. 128)
Naam van bestuurdersprofiel wijzigen
(p. 130)
een transpondersleutel (p. 228)
Instellingen resetten in
bestuurdersprofielen
Instellingen die zijn opgeslagen onder een of
meer bestuurdersprofielen zijn te herstellen, als
de auto stilstaat.
N.B.
Fabrieksreset is alleen mogelijk, wanneer de
auto stilstaat.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Systeem Fabrieksreset
Persoonlijke instellingen resetten.
3.
Kies een van de opties Resetten voor het
actieve profiel, Resetten voor alle
profielen of Annuleren.
Gerelateerde informatie
Positie back-uplezer in opbergvak.
> Als de tekst Profiel gekoppeld aan
sleutel verschijnt, zijn de sleutel en het
bestuurdersprofiel aan elkaar gekoppeld.
6.
132
Tik op OK.
> De huidige sleutel is daarmee gekoppeld
aan het bestuurdersprofiel en blijft gekoppeld zolang het hokje voor Sleutel
koppelen is aangevinkt.
•
•
Bestuurdersprofielen (p. 128)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 126)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Melding op het middendisplay
Op het middendisplay kunnen in uiteenlopende
situaties meldingen verschijnen om u te informeren of helpen.
Pop-upmeldingen
In bepaalde gevallen verschijnen pop-upmeldingen. Pop-upmeldingen zijn belangrijker dan meldingen op de statusbalk en verdwijnen alleen na
bevestiging/actie.
Meldingen op middendisplay
hanteren
Meldingen op het middendisplay zijn te hanteren
via de schermen op het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
Meldingen op middendisplay hanteren
(p. 133)
•
Opgeslagen middendisplaymeldingen hanteren (p. 134)
•
Melding op bestuurdersdisplay (p. 95)
Voorbeeld van een melding op het hoofdscherm van het
middendisplay.
Voorbeeld van een melding op het hoofdscherm van het
middendisplay.
Op het middendisplay verschijnen meldingen die
voor u als bestuurder minder belangrijk zijn.
Bepaalde meldingen op het middendisplay hebben een knop (of meerdere knoppen in popupmeldingen) om bijvoorbeeld een functie te
activeren/deactiveren die aan de melding gekoppeld is.
De meeste meldingen verschijnen boven de statusbalk van het middendisplay. De meldingen verdwijnen na enige tijd automatisch of na eventuele
reactie uit de statusbalk. Als een melding moet
worden opgeslagen, wordt deze bewaard op het
hoofdscherm van het middendisplay.
De meldingen kunnen er verschillend uitzien en
worden mogelijk gecombineerd met grafische
voorstellingen, symbolen of een knop om bijvoorbeeld een systeem dat aan de melding is gekoppeld, te activeren/deactiveren.
}}
133
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Nieuwe melding hanteren
Voor meldingen met knoppen:
–
Druk op de knop om de maatregel uit te voeren of laat de melding automatisch na een
poosje gesloten worden.
> De melding verdwijnt van de statusbalk.
Opgeslagen
middendisplaymeldingen hanteren
Meldingen die zijn opgeslagen vanuit het
bestuurders- en middendisplay worden in beide
gevallen gehanteerd in het middendisplay.
Sluit de melding door erop te drukken of doe
niets, waarna de melding enige tijd later
automatisch verdwijnt.
> De melding verdwijnt van de statusbalk.
–
Als een melding moet worden opgeslagen, wordt
deze bewaard op het hoofdscherm van het middendisplay.
•
Melding op het middendisplay (p. 133)
Opgeslagen middendisplaymeldingen hanteren (p. 134)
Melding op bestuurdersdisplay (p. 95)
Gerelateerde informatie
Voorbeeld van opgeslagen meldingen en beschikbare
opties in het hoofdscherm.
Meldingen die op het middendisplay zijn weergegeven en die opgeslagen moeten worden, worden bewaard in het hoofdscherm van het middendisplay.
Opgeslagen melding lezen
1. Open het hoofdscherm op het middendisplay.
> Er verschijnt een lijst met opgeslagen
meldingen. Meldingen met een pijl-rechts
kunnen worden uitgevouwen.
134
Druk op de knop om de maatregel uit te voeren.
Opgeslagen meldingen in het hoofdscherm worden automatisch gewist als de auto wordt uitgezet.
Gerelateerde informatie
•
•
Tik op een melding om deze uit te vouwen/
minimaliseren.
> Er verschijnt meer informatie over de melding in de lijst en de afbeelding links in de
app geeft informatie in grafische vorm
over de melding.
Een opgeslagen melding hanteren
Bepaalde meldingen hebben een knop om bijvoorbeeld een functie te activeren/deactiveren
die aan de melding is gekoppeld.
Voor meldingen zonder knoppen:
–
2.
•
•
•
Melding op het middendisplay (p. 133)
Meldingen op middendisplay hanteren
(p. 133)
Melding op bestuurdersdisplay (p. 95)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Stembediening19
U kunt bepaalde functies van de mediaspeler,
een via Bluetooth aangesloten telefoon, de klimaatregeling en Volvo’s navigatiesysteem* met
stemcommando’s te bedienen.
Stemcommando's zorgen voor extra gebruiksgemak en voorkomen dat u wordt afgeleid, zodat u
zich concentreren richten op het rijden, op de
weg en op de verkeerssituatie.
WAARSCHUWING
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en de geldende verkeersregels in
acht neemt.
De stembediening vindt plaats in de vorm van
een dialoog; de gebruiker zegt commando's en
krijgt een verbale reactie van het systeem. De
stembediening maakt gebruik van dezelfde
microfoon als apparaten die via Bluetooth zijn
verbonden en geeft antwoord via de luidsprekers
in de auto. In sommige gevallen verschijnt tevens
een tekstmelding op het bestuurdersdisplay. De
functies worden aangestuurd met de rechter
stuurknoppenset en instellingen doet u via het
middendisplay.
Systeemupdate
Het systeem voor stembediening wordt voortdurend verder verbeterd. Voor optimale functionaliteit kunt u op support.volvocars.com updates
downloaden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Stembediening gebruiken20
Druk op de stuurknop voor
stembediening
om de
werking te activeren en een
dialoog met stemcommando's
te starten.
Aandachtspunten:
•
Spreek met een normale stem in een normaal tempo.
•
Wacht met spreken, totdat het systeem klaar
is met antwoorden (zolang het systeem antwoordt, werkt de stembediening namelijk
niet).
•
Vermijd achtergrondgeluiden in het interieur
door portieren, ruiten en panoramadak* dicht
te houden.
Stembediening gebruiken (p. 135)
Stembediening telefoon (p. 137)
Stembediening radio en media (p. 137)
Stembediening klimaat (p. 190)
Instellingen voor stembediening (p. 138)
U kunt de stembediening als volgt beëindigen:
•
•
druk kort op
en zeg "Annuleer".
druk lang op de stuurknop voor stembedietotdat u twee pieptonen hoort.
ning
Om de commandodialoog te verkorten en systeemvragen over te slaan voordat het volgende
commando wordt aangegeven, kunt u wanneer
Microfoon van de stembediening
19
20
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor bepaalde markten.
}}
* Optie/accessoire. 135
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
het systeem spreekt de stuurknop voor stembeindrukken.
diening
Om het volume van de systeemreacties te wijzigen kunt u tijdens de stemsynthese aan de volumeknop draaien. Tijdens de stembediening kunt
u gebruikmaken van andere knoppen. Alle andere
vormen van geluidsweergave worden tijdens de
systeemdialoog onderdrukt, zodat u geen functies kunt bedienen die te maken hebben met de
geluidsweergave.
Voorbeelden van stembediening
Commando's voor specifieke functies, zoals de
telefoon en de radio, staan beschreven in de desbetreffende artikelen.
•
•
en zeg "Bel Robyn Smith
Commando's/zinnen
De volgende commando's zijn meestal te gebruiken, ongeacht situatie:
136
•
"Herhaal" – de laatst gegeven steminstructie van de actieve dialoog herhalen.
•
•
"Annuleer" – de dialoog annuleren.
"Help" – een hulpdialoog starten. Het systeem antwoordt met commando's die in de
actuele situatie gebruikt kunnen worden, een
vraag of een voorbeeld.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Tik op Systeem
instellingen.
Cijfers
Geef de cijfercommando's aan, afhankelijk van
welke functie moet worden aangestuurd:
Tik op
, zeg "Bel [Voornaam]
[Achternaam] [nummercategorie]" – het
gekozen contact uit het telefoonboek bellen. Als
er meerdere telefoonnummers (zoals thuis,
mobiel, werk) voor het contact bestaan, moet u
ook de juiste categorie noemen.
Tik dus op
Mobiel".
1.
•
Telefoonnummers en postcodes moet u
apart en cijfer voor cijfer zeggen, bijvoorbeeld
nul drie een twee twee vier vier drie
(03122443).
Huisnummers kunt u apart of in een groep
zeggen, bijvoorbeeld twee twee of tweeëntwintig (22). Bij Engels en Nederlands kunt u
meerdere groepen achter elkaar zeggen, bijvoorbeeld tweeëntwintig tweeëntwintig (22
22). Bij Engels kunt u ook dubbel of drievoudig gebruiken, bijvoorbeeld dubbel nul (00).
U kunt nummers aangeven binnen het interval 0–2300.
Frequenties kunt u als volgt zeggen: achtennegentig komma acht (98,8) en honderdenvier komma twee (104,2).
Snelheid en herhalingsstand
De spreeksnelheid is aan te passen, als het systeem te snel spreekt.
U kunt de herhalingsstand inschakelen om het
systeem het commando te laten herhalen dat u
hebt gegeven.
Om de snelheid aan te passen of de herhalingsstand te activeren/deactiveren:
Stembediening en kies
• Stemcommando herhalen
• Spreeksnelheid
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Stembediening (p. 135)
Stembediening telefoon (p. 137)
Stembediening radio en media (p. 137)
Stembediening klimaat (p. 190)
Instellingen voor stembediening (p. 138)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Stembediening telefoon21
voorgelezen en kan de bestuurder ervoor kiezen om het bericht te versturen22 of het
bericht opnieuw aan te maken. Voor deze
functie moet de auto verbinding hebben met
internet.
Bel naar een contact, laat berichten voorlezen of
dicteer korte berichten met de stemcommando's
voor een telefoon met Bluetooth-aansluiting.
Om een contactpersoon in het telefoonboek aan
te geven moet het stemcommando contactgegevens bevatten die in het telefoonboek staan. Als
er voor een contactpersoon, bijvoorbeeld Robyn
Smith, meerdere telefoonnummers in het telefoonboek staan, kunt u ook de nummercategorie
aangeven, bijvoorbeeld Thuis of Mobiel: "Bel
Robyn Smith Mobiel".
Druk op
mando's:
en zeg een van de volgende com-
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Stembediening radio en media23
Hier volgen commando's voor stembediening
van radio en mediaspeler.
Druk op
mando's:
en zeg een van de volgende com-
•
"Media" – start een dialoog voor media en
radio en geeft voorbeelden van commando's
weer.
•
"Speel [artiest]" – muziek afspelen van
gekozen artiest.
Instellingen voor stembediening (p. 138)
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
"Speel [tracknaam]" – gekozen track
afspelen.
Stembediening (p. 135)
Stembediening gebruiken (p. 135)
Stembediening radio en media (p. 137)
Stembediening klimaat (p. 190)
•
"Bel [contact]" – hiermee belt u de gekozen contactpersoon uit het telefoonboek.
"Speel [tracknaam] van [album]" – gekozen track van gekozen album afspelen.
•
•
"Bel [telefoonnummer]" – hiermee belt u
een telefoonnummer.
"Speel [Tv-zendernaam]" – gekozen tvzender*24 starten.
•
•
"Recente gesprekken" – hiermee geeft u
de gesprekslijst weer.
"Speel [radiokanaal]" – gekozen radiokanaal starten.
•
•
"Lees bericht" – hiermee laat u een bericht
voorlezen. Als er meerdere berichten zijn –
geef aan welk bericht moet worden voorgelezen.
"Stem af op [frequentie]" – gekozen radiofrequentie starten op actieve radioband. Als
op dat moment geen radiobron actief is,
wordt standaard de FM-band ingeschakeld.
•
•
"Bericht aan [contact]" – de gebruiker
wordt gevraagd om een kort bericht hardop
te zeggen. Vervolgens wordt het bericht
"Stem af op [frequentie]
[frequentieband]" – gekozen radiofrequentie starten op gekozen radioband.
•
"Radio" – FM-radio starten.
•
21
22
Geldt voor bepaalde markten.
Alleen bepaalde telefoons kunnen berichten verzenden via de auto. Kijk voor de compatibiliteit op support.volvocars.com.
}}
* Optie/accessoire. 137
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
•
•
•
•
•
•
•
•
"FM Radio" – FM-radio starten.
Instellingen voor stembediening25
Gerelateerde informatie
"AM Radio" – AM-radio starten.
Hier kiest u de instellingen voor de stembediening.
•
•
•
•
•
•
•
"DAB" – DAB-radio* starten.
"Tv" – tv*24-weergave starten.
"USB" – USB-weergave starten.
"iPod" – iPod-weergave starten.
"Bluetooth" – weergave vanaf een mediabron met Bluetooth-verbinding starten.
"Vergelijkbare muziek" – muziek op via de
USB-poort aangesloten eenheden spelen
die op de weergegeven muziek lijkt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Stembediening (p. 135)
Stembediening gebruiken (p. 135)
Stembediening telefoon (p. 137)
Stembediening klimaat (p. 190)
Instellingen voor stembediening (p. 138)
Instellingen
Systeem
Stembediening
U kunt instellingen verrichten ten aanzien van het
volgende:
• Stemcommando herhalen
• Geslacht
• Spreeksnelheid
Stembediening (p. 135)
Stembediening gebruiken (p. 135)
Stembediening telefoon (p. 137)
Stembediening klimaat (p. 190)
Stembediening radio en media (p. 137)
Audio-instellingen (p. 472)
Systeemtaal wijzigen (p. 124)
Audio-instellingen
Kies audio-instellingen onder:
Instellingen Geluid
Stembediening
Systeemvolumes
Taalinstellingen
Stembediening is niet voor alle talen mogelijk. De
beschikbare talen voor stembediening zijn in de
.
talenlijst aangegeven met een pictogram,
Een eventuele taalwijziging geldt ook voor de
menu-, display- en hulpteksten.
Instellingen Systeem Systeemtalen
en -eenheden Systeemtaal
23
24
25
138
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
VERLICHTING
Verlichtingsbediening
Met de verschillende knoppen op het bedieningspaneel voor de verlichting kunt u de buitenen binnenverlichting regelen. Met de linker stuurhendel kunt u de buitenverlichting inschakelen
en aanpassen. Met het duimwiel voor de verlichting op het instrumentenpaneel kunt u de sterkte
van de interieurverlichting aanpassen.
Buitenverlichting
Stand
Betekenis
Stand
Dagrijlicht.
Betekenis
Dagrijlicht en stadslichten voor/
achterlichten bij daglicht.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dimlicht en stadslichten voor/
achterlichten bij weinig daglicht of
donker of wanneer de mistlampen
voor* en/of het mistachterlicht
geactiveerd zijn.
Dagrijlicht en stadslichten voor/
achterlichten.
Stadslichten voor/achterlichten,
wanneer de auto geparkeerd staat.A
Het automatisch groot licht is te
activeren.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dimlicht en stadslichten voor/
achterlichten.
U kunt het groot licht inschakelen,
wanneer u het dimlicht voert.
Groot licht is te activeren.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Automatisch groot licht aan/uit.
A
Als u bij een ingeschakelde en stilstaande auto de draairing
vanuit een willekeurige andere stand naar de stand
draait, branden de stadslichten voor/achterlichten in plaats van
andere verlichting.
Draairing op linker stuurhendel.
Wanneer het elektrische systeem van de auto in
contactslotstand II staat, gelden de volgende
functies in de verschillende standen van de draairing:
140
Volvo adviseert om stand
te gebruiken als
er met de auto wordt gereden.
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
WAARSCHUWING
Het verlichtingssysteem van de auto kan niet
in elke situatie bepalen of het daglicht te
zwak of sterk genoeg is, bijv. bij mist en regen.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op de
heersende omstandigheden en de geldende
verkeerswetgeving.
Duimwielen op dashboard
•
•
•
•
•
•
•
•
Groot licht gebruiken (p. 144)
Dimlicht (p. 143)
Verlichtingsfuncties aanpassen via
het middendisplay
Actieve bochtverlichting* (p. 146)
Via het middendisplay zijn meerdere verlichtingsfuncties te activeren en aan te passen. Bijvoorbeeld het automatisch groot licht, de Follow Me
Home-verlichting en de Approach-verlichting.
Remlichten (p. 148)
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
3.
Kies Autoverlichting of
Interieurverlichting gevolgd door de functie
die u wenst aan te passen.
Mistlampen voor/bochtverlichting* (p. 147)
Mistachterlicht (p. 147)
Noodremlichten (p. 148)
Alarmlichten (p. 149)
Lampen en verlichting.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Het duimwiel (links) voor het aanpassen van de lichtsterkte van de interieurverlichting.
Gerelateerde informatie
•
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 141)
•
•
•
Interieurverlichting (p. 150)
Verlichtingsbediening (p. 140)
Automatisch groot licht (p. 144)
Follow Me Home-verlichting gebruiken
(p. 149)
•
•
•
Approach-verlichting (p. 150)
•
Functiescherm op het middendisplay
(p. 113)
Richtingaanwijzers gebruiken (p. 145)
Instellingen wijzigingen op het hoofdscherm
van het middendisplay (p. 124)
Stadslichten voor/achterlichten (p. 142)
Richtingaanwijzers gebruiken (p. 145)
* Optie/accessoire. 141
VERLICHTING
Stadslichten voor/achterlichten
De stadslichten voor/achterlichten zijn te gebruiken om zichtbaar te blijven voor medeweggebruikers als de auto stilstaat of geparkeerd staat.
Stadslichten voor/achterlichten zijn in te schakelen via de draairing van de stuurhendel.
Als u bij een ingeschakelde en stilstaande auto
de draairing vanuit een willekeurige andere stand
naar de stand voor de stadslichten voor/achterdraait, branden de stadslichten
lichten
voor/achterlichten in plaats van andere verlichting.
Wanneer u meer dan 30 seconden op een snelheid van maximaal 10 km/h (zo'n 6 mph) rijdt of
als de rijsnelheid oploopt tot boven 10 km/h
(zo'n 6 mph), gaat de dagrijverlichting branden. U
dient dan over te schakelen op een andere stand
.
dan
De draairing van de stuurhendel in de stand voor stadslichten voor/achterlichten.
Zet de draairing in stand
– de stadslichten
voor/achterlichten gaan branden (ook de kentekenverlichting wordt ingeschakeld).
Als het elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat, brandt het dagrijlicht in
plaats van de stadslichten vóór. Wanneer de
draairing in deze stand staat, branden de stadslichten voor en de achterlichten ongeacht de
contactslotstand van het elektrische systeem van
de auto.
142
Dagrijlicht
De auto heeft sensoren die de lichtomstandigheden rondom registreren. Wanneer de draairing
,
of
van de stuurhendel in stand
staat terwijl het elektrische systeem van
de auto in contactslotstand II staat, brandt het
dagrijlicht. In de stand
schakelen de
koplampen automatisch over op het dimlicht bij
weinig daglicht of in het donker.
Als het buiten donker is en de achterklep wordt
geopend, gaan de achterlichten branden (als ze
al niet zijn ingeschakeld) om het achteropkomende verkeer te waarschuwen. Dat gebeurt
altijd, ongeacht de stand van de draairing of de
contactslotstand van het elektrische systeem van
de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
Verlichtingsbediening (p. 140)
Contactslotstanden (p. 400)
De draairing van de stuurhendel in stand AUTO.
VERLICHTING
Wanneer de draairing van de stuurhendel in
staat, brandt het dagrijlicht (DRL1)
stand
wanneer de auto overdag rijdt. De auto schakelt
automatisch over van dagrijlicht op dimlicht bij
een zwakke verlichting overdag of in het donker.
Overschakeling op dimlicht vindt ook automatisch
plaats, als u de mistlampen voor */mistachterlichten activeert.
Dimlicht
Tijdens ritten met de draairing van de stuurhenwordt het dimlicht automadel in stand
tisch geactiveerd bij een zwakke verlichting overdag of in het donker, wanneer het elektrische
systeem van de auto in contactslotstand II staat.
elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat.
Tunneldetectie
De auto detecteert dat hij een tunnel inrijdt en
schakelt dan over van dagrijlicht op dimlicht.
Let erop dat de tunneldetectie alleen werkt, als
de linker stuurhendel in stand
gedraaid is.
Gerelateerde informatie
WAARSCHUWING
•
•
•
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet in
alle gevallen kan bepalen wanneer de omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is
bij mist en regen bijvoorbeeld.
Verlichtingsbediening (p. 140)
Contactslotstanden (p. 400)
Dagrijlicht (p. 142)
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op de
heersende omstandigheden en de geldende
verkeerswetgeving.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verlichtingsbediening (p. 140)
Contactslotstanden (p. 400)
Dimlicht (p. 143)
De draairing van de stuurhendel in stand AUTO.
Met de draairing op de stuurhendel in stand
wordt het dimlicht ook automatisch geactiveerd in de volgende gevallen:
•
•
•
u activeert de mistlampen voor*
u activeert het mistachterlicht
u activeert de mistlampen voor en het mistachterlicht
Met de draairing van de stuurhendel in stand
brandt altijd het dimlicht, wanneer het
1
Daytime Running Lights
* Optie/accessoire. 143
VERLICHTING
Groot licht gebruiken
Het groot licht is te bedienen met de linker
stuurhendel. Het groot licht is de felste verlichtingsfunctie op de auto en dient tijdens ritten in
het donker te worden gebruikt om het zicht te
verbeteren, zolang u tegenliggers niet verblindt.
tie deactiveren door de stuurhendel naar
achteren te halen.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt het
op het bestuurdersdisplay.
symbool
Gerelateerde informatie
•
•
Automatisch groot licht
Automatisch groot licht is een systeem dat met
een camerasensor boven aan de voorruit de
koplampen van tegenliggers of de achterlichten
van voorliggers registreert en automatisch overschakelt van groot licht naar dimlicht.
Verlichtingsbediening (p. 140)
Automatisch groot licht (p. 144)
Stuurhendel met draairing.
Grootlichtsignalen
Haal de stuurhendel naar achteren, naar de
stand voor grootlichtsignalen. Het groot licht
brandt totdat u de hendel loslaat.
Groot licht
Het groot licht is te activeren met de draai2 of
ring van de stuurhendel in stand
. Activeer het groot licht door de stuurhendel naar voren te duwen. U kunt de func2
144
Wanneer het dimlicht brandt.
Het symbool
staat voor automatisch groot licht.
Het systeem kan starten bij ritten in het donker,
wanneer de auto een rijsnelheid heeft van zo'n
20 km/h (12 mph) of hoger. Het systeem kan
ook rekening houden met de straatverlichting.
Wanneer de camerasensor niet langer de verlichting van een tegenligger of voorligger registreert,
wordt na enkele seconden het groot licht weer
ingeschakeld.
VERLICHTING
Automatisch groot licht activeren
Het automatisch groot licht is te activeren en
deactiveren door de draairing op de rechter
te draaien. De
stuurhendel naar de stand
draairing veert automatisch terug naar de stand
. Wanneer automatisch groot licht geactiveerd is, licht het symbool
op het bestuurdersdisplay wit op. Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt het symbool blauw.
regenval. Wanneer automatisch groot licht weer
beschikbaar is of als de voorruitsensoren niet
langer geblokkeerd zijn, verdwijnt de melding en
branden.
gaat het symbool
WAARSCHUWING
De camerasensor waar de functie gebruik van
maakt kent beperkingen.
Als dit symbool samen met de melding
Actief grootlicht Tijdelijk niet
beschikbaar op het bestuurdersdisplay verschijnt, moet u handmatig overschakelen tussen groot licht en dimlicht. Het
symbool
dooft, wanneer deze melding verschijnt.
Hetzelfde geldt als dit symbool samen
met de melding Voorruitsensor
Sensor afgedekt, zie handleiding
verschijnt.
De richtingaanwijzers van de auto zijn te bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven knipperen,
afhankelijk van hoe ver u de hendel omhoog of
omlaag beweegt.
Actief groot licht is een systeem dat u helpt
om in ongunstige omstandigheden de optimale verlichting te kiezen.
Als bestuurder bent u echter altijd verplicht
om handmatig te wisselen tussen groot licht
en dimlicht, als dat gezien de verkeerssituatie
en/of weersgesteldheid vereist is.
Deactiveren van automatisch groot licht wanneer
het groot licht aanstaat, leidt ertoe dat er direct
wordt overgeschakeld op dimlicht.
Beperkingen van het automatisch groot
licht
Richtingaanwijzers gebruiken
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verlichtingsbediening (p. 140)
Groot licht gebruiken (p. 144)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
Richtingaanwijzer.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
de eerste stand en laat de hendel vervolgens
los. De richtingaanwijzers lichten driemaal op.
Als u de functie via het middendisplay deactiveert, lichten de lampen eenmaal op.
Automatisch groot licht is mogelijk tijdelijk niet
beschikbaar, zoals in dichte mist of bij zware
}}
145
VERLICHTING
||
•
•
N.B.
Actieve bochtverlichting*
Deze reeks automatische knipperingen is
te onderbreken door de stuurhendel
onmiddellijk in tegengestelde richting te
bewegen.
Actieve bochtverlichting is ontworpen om in
bochten en op kruisingen voor maximale verlichting te zorgen. Een auto met led3-koplampen*
kan afhankelijk van het uitrustingsniveau van de
auto zijn uitgerust met actieve bochtverlichting.
Als het richtingaanwijzersymbool op het
bestuurdersdisplay sneller knippert dan
normaal – zie de melding op het bestuurdersdisplay.
De functie is alleen actief bij een zwakke verlichting overdag of in het donker en alleen, wanneer
de auto rijdt of het dimlicht is ontstoken.
Functie deactiveren/activeren
U kunt de functie die bij aflevering vanuit de
fabriek geactiveerd is via het functiescherm op
het middendisplay deactiveren/activeren:
Druk op de knop Actieve
bochtverlichting.
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
de eindstand.
De hendel blijft in deze stand staan en is handmatig in de uitgangspositie terug te zetten of
veert automatisch terug bij het terugdraaien van
het stuurwiel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
3
146
Alarmlichten (p. 149)
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 141)
Richtingaanwijzerlamp achter vervangen
(p. 591)
Gerelateerde informatie
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde
(rechts) functie.
•
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 141)
•
Mistlampen voor/bochtverlichting* (p. 147)
De actieve bochtverlichting volgt de stuurbewegingen om voor een optimale verlichting in bochten en op kruisingen te zorgen en kan op die
manier mogelijk uw zicht verbeteren.
De functie wordt automatisch ingeschakeld bij
het starten van de motor. Wanneer de functie
een storing vertoont, brandt het symbool
op het middendisplay en verschijnt op hetzelfde
middendisplay een verklarende tekst.
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
Mistlampen voor/bochtverlichting*
N.B.
De mistlampen voor branden feller dan de dimlichten, zodat ze extra effectief zijn bij mist.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistlicht verschillen per land.
Bochtverlichting*
Mistachterlicht
Omdat het mistachterlicht veel feller brandt dan
de standaardachterlichten, moet u de verlichtingsfunctie alleen gebruiken bij een beperkt
zicht door mist, sneeuw, rook of stof zodat achterliggers uw auto tijdig kunnen waarnemen.
De mistlampen zijn mogelijk voorzien van de
functie bochtverlichting, zodat de lampen bij een
scherpe bocht tijdelijk met het stuurwiel meedraaien of in de richting die de richtingaanwijzers
aangeven.
Knop voor mistlampen voorzijde.
De mistlampen zijn in te schakelen, wanneer het
elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat en de draairing van de stuurhendel
in stand
,
of
staat.
Tik op de knop om te activeren en deactiveren.
brandt op het bestuurdersHet symbool
display wanneer de mistlampen voor zijn ingeschakeld.
De mistlampen voor doven automatisch, wanneer
u de auto uitschakelt of wanneer u de draairing
draait.
op de stuurhendel naar stand
De functie wordt geactiveerd bij een zwakke verlichting overdag of in het donker, wanneer de
of
draairing van de stuurhendel in stand
staat en de auto een rijsnelheid heeft
lager dan zo'n 30 km/h (20 mph).
Ook tijdens het achteruitrijden gaat de bochtverlichting branden bij wijze van aanvulling op de
achteruitrijlichten.
U kunt de functie die bij aflevering vanuit de
fabriek geactiveerd is via het middendisplay activeren en deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Verlichtingsbediening (p. 140)
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht bestaat uit een lamp achter
op de auto, aan de bestuurderszijde.
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen in de
volgende gevallen:
•
contactslotstand II is actief en de draairing
van de stuurhendel staat in stand
of
•
de draairing op de stuurhendel staat in stand
en de mistlampen voor branden.
Contactslotstanden (p. 400)
Mistachterlicht (p. 147)
Actieve bochtverlichting* (p. 146)
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 141)
}}
* Optie/accessoire. 147
VERLICHTING
||
Druk op de knop om het mistachterlicht in/uit te
brandt op het
schakelen. Het symbool
bestuurdersdisplay, wanneer het mistachterlicht
brandt.
Het mistachterlicht dooft automatisch in de volgende gevallen:
•
u schakelt de auto uit of u draait de draairing
op de stuurhendel naar stand
•
de draairing op de stuurhendel staat in stand
en de mistlampen zijn gedoofd.
N.B.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistachterlicht verschillen per land.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
148
Verlichtingsbediening (p. 140)
Mistlampen voor/bochtverlichting* (p. 147)
Contactslotstanden (p. 400)
Remlichten
Noodremlichten
De remlichten gaan automatisch branden, wanneer u remt.
De noodremlichten worden geactiveerd om achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt.
De remlichten gaan branden wanneer het rempedaal wordt ingedrukt en wanneer de auto automatisch wordt geremd door een rijhulpsysteem.
Daarbij knipperen de remlichten in plaats van dat
ze continu branden, zoals bij normaal remmen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Noodremlichten (p. 148)
Remsystemen (p. 404)
Remlichtlamp vervangen (p. 592)
Rijhulpsystemen (p. 272)
De noodremlichten worden geactiveerd bij krachtig remmen of als het ABS-systeem wordt geactiveerd bij hoge snelheden.
Nadat u afremt tot een geringe snelheid en het
rempedaal loslaat, gaat het remlicht weer op de
normale wijze constant branden
Tegelijkertijd worden de alarmlichten van de auto
geactiveerd. Deze blijven knipperen totdat de
bestuurder weer versnelt naar een hogere snelheid of de alarmlichten van de auto uitschakelt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Remlichten (p. 148)
Rempedaal (p. 404)
Alarmlichten (p. 149)
Gloeilamp mistachterlicht vervangen (p. 593)
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
Alarmlichten
De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig
knipperen. De functie is te gebruiken om te
waarschuwen voor gevaarlijke verkeerssituaties.
N.B.
De regels voor het gebruik van alarmlichten
kunnen per land variëren.
Gerelateerde informatie
•
•
Noodremlichten (p. 148)
Richtingaanwijzers gebruiken (p. 145)
Follow Me Home-verlichting
gebruiken
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en als
Follow Me Home-verlichting dienst te laten doen
na vergrendeling van de auto.
Om de functie in te schakelen:
1.
Zet de auto uit.
2.
Duw de linker stuurhendel naar voren richting het dashboard en laat los.
3.
Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Bij activering van de functie gaan een symbool
op het bestuurdersdisplay, de stadslichten voor/
achterlichten, de buitengreepverlichting* en de
kentekenplaatverlichting branden.
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren.
De alarmlichten worden automatisch geactiveerd
als er zo sterk met de auto wordt geremd dat de
noodremlichten worden geactiveerd en de snelheid laag is. Nadat de noodremlichten zijn opgehouden met knipperen, gaan de alarmlichten
knipperen en de alarmlichten worden automatisch gedeactiveerd, wanneer u weer wegrijdt of
de desbetreffende knop indrukt.
De duur van de Follow Me Home-verlichting kan
worden ingesteld via het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 141)
•
Approach-verlichting (p. 150)
* Optie/accessoire. 149
VERLICHTING
Approach-verlichting
Interieurverlichting
De Approach-verlichting wordt geactiveerd als
de auto wordt ontgrendeld en wordt gebruikt om
de verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
Het interieur is uitgerust met diverse soorten verlichtingsfuncties voor een betere rijbeleving. Zo
is voorzien in leeslampjes, dashboardkastverlichting en grondverlichting.
De functie wordt geactiveerd wanneer u de transpondersleutel gebruikt voor ontgrendeling. In dat
geval branden de stadslichten voor/achterlichten,
de verlichting in de buitengrepen*, de plafondverlichting en de vloerverlichting alsook de verlichting in de kofferbak/bagageruimte. Als binnen de
activeringstijd een portier wordt geopend, wordt
de inschakelduur van de buitengreepverlichting*
en de interieurverlichting verlengd.
Alle verlichting in het interieur is handmatig in en
uit te schakelen binnen 5 minuten nadat:
•
de auto is afgezet en het elektrische systeem in contactslotstand 0 staat
•
de auto ontgrendeld is zonder dat deze is
gestart.
Plafondverlichting voorin
Automatische bediening voor interieurverlichting
Leeslampje rechterzijde
Leeslampjes
De leeslampjes links of rechts doet u aan of uit
door kort op de bijbehorende knop op de plafondconsole te drukken. De lichtsterkte is aan te
passen door de knop ingedrukt te houden.
Interieurverlichting
De vloerverlichting en plafondverlichting zijn in en
uit te schakelen door de bijbehorende knop op
de plafondconsole kort in te drukken.
De functie is te activeren en deactiveren via het
middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 141)
•
Follow Me Home-verlichting gebruiken
(p. 149)
•
een transpondersleutel (p. 228)
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes
en interieurverlichting voorin.
Leeslampje linkerzijde
Interieurverlichting
150
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
Verlichting dashboardkastje
Automatische bediening voor
interieurverlichting
De automatische verlichting is te activeren door
de AUTO-knop op de plafondconsole kort in te
drukken. Met de automatische verlichting geactiveerd brandt het led-lampje in de knop en de
interieurverlichting gaat branden en dooft zoals
hieronder vermeld.
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
Spiegelverlichting zonneklep*
De verlichting van de spiegel in de zonneklep
wordt bij het openen en sluiten van het spiegelklepje in- en uitgeschakeld.
De interieurverlichting gaat branden, wanneer:
•
•
•
•
Grondverlichting*
de auto wordt ontgrendeld
de auto wordt afgezet
een zijportier wordt geopend
Leeslampjes boven de achterbank.
blijft 2 minuten branden, als een van de portieren openstaat.
Bagageruimteverlichting
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen
en sluiten van de achterklep automatisch in- of
uitgeschakeld.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
•
•
•
De grondverlichting wordt in- of uitgeschakeld bij
het openen of sluiten van het desbetreffende
portier.
de auto wordt vergrendeld
de auto wordt gestart
Sierverlichting
een zijportier wordt gesloten.
De omringende sierverlichting gaat branden bij
het openen van de portieren en dooft bij het vergrendelen van de auto. De sterkte van de sierverlichting is aan te passen op het middendisplay en
tevens fijn af te stemmen met het duimwiel op
het instrumentenpaneel.
Plafondverlichting achterin*
In het achterste deel van de auto zitten leeslampjes, die ook als interieurverlichting dienen.
Een auto met panoramadak* is voorzien van twee lampjes: aan beide zijden van het plafond één.
De leeslampjes zijn in en uit te schakelen met
een korte druk op de knop van het lampje. De
lichtsterkte is aan te passen door de knop ingedrukt te houden.
Sfeerverlichting*
De auto is uitgerust met led-verlichting waarvan
de kleur te wijzigen is. Deze verlichting brandt,
wanneer de auto is ingeschakeld. De sterkte van
de sfeerverlichting is aan te passen op het mid}}
* Optie/accessoire. 151
VERLICHTING
||
dendisplay en tevens fijn af te stellen met het
duimwiel op het dashboard.
Verlichting in portiervakken
De verlichting in de opbergvakken van portieren
gaat branden bij het openen van de portieren en
dooft bij het vergrendelen van de auto. De lichtsterkte is fijn af te stellen met behulp van het
duimwiel op het dashboard.
Interieurverlichting aanpassen
Afhankelijk van de contactslotstand gaat de interieurverlichting op een bepaalde manier branden. De verlichting in het interieur is aan te passen met een duimwiel op het dashboard en
bepaalde verlichtingsfuncties zijn ook via het
middendisplay aan te passen.
Met het duimwiel op het instrumentenpaneel links van het
stuurwiel regelt u de sterkte
van de displayverlichting, de
verlichting van de bedieningselementen, de omringende
sierverlichting en de sfeerver-
Verlichting in voorste bekerhouder van
tunnelconsole
De verlichting van de bekerhouder voorin gaat
branden bij ontgrendeling van de auto en dooft
bij vergrendeling. De lichtsterkte is fijn af te stellen met behulp van het duimwiel op het dashboard.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Interieurverlichting aanpassen (p. 152)
Verlichtingsbediening (p. 140)
Contactslotstanden (p. 400)
Auto-interieur (p. 558)
lichting*.
Omringende sierverlichting aanpassen
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car Lampen en verlichting
Interieurverlichting.
3.
Kies uit de volgende instellingen:
•
Kies onder Intensiteit omgevingslicht
uit Uit, Laag en Hoog.
•
Kies onder Niveau omgevingslicht uit
Verm. en Vol.
Deze verlichting brandt, wanneer de auto is ingeschakeld.
Verlichtingssterkte wijzigen
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car Lampen en verlichting
Interieurverlichting
Stemmingsverlichting interieur.
3.
Kies onder Intensiteit sfeerverlichting uit
Uit, Laag en Hoog.
Verlichtingskleur wijzigen
1. Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car Lampen en verlichting
Interieurverlichting
Stemmingsverlichting interieur.
3.
Kies uit Op temperatuur en Op kleur om
de kleur van de verlichting te wijzigen.
Bij de keuze Op temperatuur verandert de
verlichting afhankelijk van de ingestelde interieurtemperatuur.
Bij de keuze Op kleur kan de subcategorie
Themakleuren worden gebruikt voor verdere aanpassing.
Sfeerverlichting aanpassen*
De auto is uitgerust met een aantal leds waarmee de kleur van de verlichting te veranderen is.
152
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
Gerelateerde informatie
•
•
•
Interieurverlichting (p. 150)
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 141)
Contactslotstanden (p. 400)
153
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Ruiten, lampglazen en spiegels
•
In de auto zitten bedieningselementen voor ruiten, lampglazen en spiegels. Enkele ruiten van
de auto zijn verstevigd met gelaagd glas.
Elektrische voorruitverwarming* activeren en
deactiveren (p. 207)
Inklembeveiliging op ruiten en
zonneschermen
•
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 208)
Alle elektrisch bedienbare ruiten en zonneschermen* zijn voorzien van inklembeveiliging die
wordt geactiveerd als de ruiten of zonneschermen tijdens het openen of sluiten worden gehinderd.
Gelaagd glas
De voorruit is voorzien van gelaagd glas en voor
bepaalde delen van de rest van de beglazing
vormt gelaagd glas een optie. Gelaagd glas is
verstevigd, voor een verbeterde inbraakbeveiliging
en geluidsisolatie van het interieur.
Ook het panoramadak* is voorzien van gelaagd
glas.
Dit symbool staat op beglazing bestaande uit gelaagd
glas1/>
Gerelateerde informatie
•
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 156)
•
•
•
Panoramadak* (p. 162)
•
•
Voorruitwissers gebruiken (p. 167)
1
156
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 157)
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
(p. 159)
Bij blokkering komt de ruit/het zonnescherm tot
stilstand, waarna deze/dit wordt geopend tot op
zo'n 50 mm (2 inch) van de geblokkeerde stand
(of tot de maximale ventilatiestand).
Het is mogelijk om de inklembeveiliging op te
heffen, wanneer de sluitfunctie is afgebroken
zoals bij ijsvorming, door de knop in een bepaalde
stand te drukken en vast te houden.
Bij problemen met de inklembeveiliging kunt u
een resetprocedure proberen.
WAARSCHUWING
Als de startaccu losgekoppeld is geweest,
werkt de automatische openings-/sluitingsfunctie pas weer naar behoren nadat deze is
gereset. Resetten is nodig om de inklembeveiliging te laten werken.
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 169)
Geldt niet voor de voorruit en het panoramadak*, die altijd van gelaagd glas zijn en daarom dit symbool niet hebben.
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Gerelateerde informatie
•
•
•
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
(p. 157)
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 158)
Panoramadak* (p. 162)
Resetprocedure voor de
inklembeveiliging
Als er problemen mochten ontstaan met de elektrische bedienbare ruiten kunt u een resetprocedure proberen.
Elektrisch bedienbare ruiten
De elektrisch bedienbare ruiten zijn te bedienen
via de bedieningspanelen op de desbetreffende
portieren. Het bestuurdersportier heeft bedieningsknoppen waarmee alle ruiten en ook de
kindersloten te bedienen zijn.
WAARSCHUWING
Als de startaccu losgekoppeld is geweest,
werkt de automatische openings-/sluitingsfunctie pas weer naar behoren nadat deze is
gereset. Resetten is nodig om de inklembeveiliging te laten werken.
Neem bij aanhoudende problemen of bij problemen met het panoramadak of schuif-/kanteldak
contact op met een werkplaats2.
Elektrisch bedienbare ruit resetten
1. Zorg dat de ruit dichtstaat.
2.
Druk de knop in de handmatige stand vervolgens 3 keer omhoog naar de stand voor sluiten.
> Het systeem wordt automatisch gereset.
Gerelateerde informatie
2
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
•
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 156)
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 158)
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot* dat de bedieningsknoppen op de achterportieren deactiveert
om te voorkomen dat portieren en ruiten van
de binnenzijde te openen zijn.
Bedieningsknoppen voor achterste zijruiten.
Bedieningsknoppen voor voorste zijruiten.
De elektrisch bedienbare ruiten zijn voorzien van
een inklembeveiliging. Bij problemen met de
}}
* Optie/accessoire. 157
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
||
inklembeveiliging kunt u een resetprocedure proberen.
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door bewegende
delen.
•
•
Let altijd op bij bediening van ruiten.
•
Laat kinderen nooit alleen achter in de
auto.
•
•
Laat kinderen niet met de bedieningselementen spelen.
Onderbreek altijd de stroom voor de ruitbediening door het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand 0 te zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
Steek geen voorwerpen of lichaamsdelen
via de ruiten naar buiten, ook al is het
elektrische systeem van de auto volledig
uitgeschakeld.
Elektrisch bedienbare ruiten
Via het bedieningspaneel op het bestuurdersportier zijn alle ruiten te bedienen – via het
bedieningspaneel op de overige portieren is
alleen de ruit in het desbetreffende portier te
bedienen.
De elektrisch bedienbare ruiten zijn voorzien van
een inklembeveiliging. Bij problemen met de
inklembeveiliging kunt u een resetprocedure proberen.
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door bewegende
delen.
•
•
Let altijd op bij bediening van ruiten.
•
Laat kinderen nooit alleen achter in de
auto.
•
Onderbreek altijd de stroom voor de ruitbediening door het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand 0 te zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
•
Steek geen voorwerpen of lichaamsdelen
via de ruiten naar buiten, ook al is het
elektrische systeem van de auto volledig
uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
158
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 158)
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 156)
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
(p. 157)
Laat kinderen niet met de bedieningselementen spelen.
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare ruiten.
Handmatige bediening. Trek voorzichtig een
van de bedieningsknoppen omhoog of duw
er een omlaag. De elektrisch bedienbare ruiten komen steeds verder omhoog of omlaag
zolang u de bedieningsknop bedient.
Automatische bediening. Trek een van de
bedieningsknoppen omhoog of duw er een
omlaag en laat deze vervolgens los. De desbetreffende zijruit gaat automatisch volledig
open of dicht.
Voor het gebruik van de elektrisch bedienbare
ruiten moet de contactslotstand I of II zijn. Bij uitschakeling van de auto zijn de elektrisch bedienbare ruiten nadat het contact is uitgeschakeld
nog enkele minuten te bedienen, maar niet nadat
een portier is geopend. Bediening is alleen
mogelijk via één knop tegelijk.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Bediening is tevens mogelijk met behulp van de
transpondersleutel of passieve opening* via de
portiergreep.
WAARSCHUWING
Let erop dat kinderen of andere inzittenden
niet bekneld raken, wanneer u alle ruiten
tegelijkertijd sluit via de transpondersleutel of
de functie passief openen* met de portiergreep.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 157)
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 156)
•
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
(p. 157)
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 251)
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 230)
Achteruitkijkspiegel en
buitenspiegels
De achteruitkijkspiegel en de buitenspiegels dienen om u een beter zicht naar achteren te
geven.
Achteruitkijkspiegel
De achteruitkijkspiegel is te verstellen door deze
handmatig in een bepaalde stand te kantelen. De
achteruitkijkspiegel is mogelijk uitgerust met
HomeLink*, autodimfunctie* en kompas*.
Buitenspiegels
Om het pulserende windgeluid te verminderen als de beide achterruiten open staan, kunt
u de voorste ruiten ook een stukje openen.
WAARSCHUWING
Beide spiegels zijn gebogen voor optimaal
zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken
dan ze in werkelijkheid zijn.
N.B.
Bij snelheden hoger dan zo'n 180 km/h
(112 mph) zijn de zijruiten niet te openen,
maar wel te sluiten.
Als bestuurder bent u altijd gehouden aan de
geldende verkeersregels.
N.B.
De ruiten zijn bij lage temperaturen mogelijk
niet te bedienen.
Stel de stand van de buitenspiegels bij met het
hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier. U beschikt tevens over meerdere automatische instellingen die te koppelen
zijn aan de geheugenfunctie van de elektrisch
bedienbare bestuurdersstoel*.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
HomeLink®* (p. 465)
Kompas* (p. 469)
Dimfunctie van spiegels aanpassen (p. 160)
Buitenspiegels kantelen (p. 161)
}}
* Optie/accessoire. 159
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
•
•
Stand opslaan voor stoel en buitenspiegels
(p. 176)
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 208)
Dimfunctie van spiegels aanpassen
Autodimfunctie*
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties in
de spiegels veroorzaken en u verblinden. Activeer de dimstand, wanneer u de verlichting van
achterliggers als hinderlijk ervaart.
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt te
fel is, worden de achteruitkijkspiegel en buitenspiegels automatisch gedimd. De autodimfunctie
is tijdens het rijden altijd actief, behalve bij
inschakeling van de achteruitversnelling.
Handmatige dimfunctie
De achteruitkijkspiegel is te dimmen met een
knopje aan de onderzijde van de spiegel.
N.B.
Bij aanpassing van het gevoeligheidsniveau
van de autodimfunctie is de wijziging pas na
enige tijd te merken.
De gevoeligheid van de dimfunctie is van invloed
op zowel de achteruitkijkspiegel als de buitenspiegels.
Om de gevoeligheid van de dimfunctie te wijzigen:
Hendeltje voor handmatige dimfunctie.
1.
Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2.
Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje
naar de voorruit toe te duwen.
Bij een spiegel met autodimfunctie ontbreekt het
hendeltje voor handmatig dimmen.
160
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
3.
Kies onder Binnenspiegel automatisch
dimmen voor Normaal, Donker of Licht.
Spiegels en Comfort.
De achteruitkijkspiegel is voorzien van twee sensoren (één aan de voorkant en één aan de achterkant) die samenwerken om hinderlijke lichtinval te identificeren en te verhelpen. De sensor
aan de voorkant registreert omgevingslicht, terwijl
de sensor aan de achterkant de koplampen van
achterliggers registreert.
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
De buitenspiegels zijn alleen uitgerust met autodimfunctie als ook de achteruitkijkspiegel is voorzien van iets dergelijks.
N.B.
Als de sensoren door bijvoorbeeld parkeervergunningen, transponders, zonnekleppen of
voorwerpen op de achterbank of in de bagageruimte dusdanig worden gehinderd dat er
geen licht op de sensoren valt, gelden er
beperkingen voor de autodimfunctie van de
achteruitkijkspiegel en buitenspiegels.
Buitenspiegels kantelen
Voor optimaal zicht naar achteren moet u de buitenspiegels verstellen. U beschikt over meerdere
automatische instellingen die tevens te koppelen
zijn aan de geheugenfunctie van de elektrisch
bedienbare bestuurdersstoel*.
Bedieningsknoppen voor
buitenspiegels gebruiken
•
•
Buitenspiegels kantelen (p. 161)
U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3.
Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt.
1.
Druk de knoppen L en R tegelijkertijd in.
2.
Laat ze na ongeveer 1 seconde los. De spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Gerelateerde informatie
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
(p. 159)
2.
In neutrale stand terugzetten
Bedieningsknoppen voor buitenspiegels.
Stel de stand van de buitenspiegels bij met het
hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier. Het contact moet in de contactslot I of hoger staan.
1.
Druk op de knop L voor de buitenspiegel
links of op R voor de buitenspiegel rechts.
Het lampje in de knop brandt.
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de
neutrale stand worden teruggezet voordat het
elektrisch in- en uitklappen* weer naar behoren
werkt.
1.
Klap de spiegels in door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken.
2.
Klap ze weer uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken.
3.
Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
}}
* Optie/accessoire. 161
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
||
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
Kantelen bij
parkeren3
De buitenspiegels zijn omlaag te kantelen zodat
u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van
de weg kunt zien.
–
Schakel de achteruitversnelling in en druk op
de knop L of R.
Let erop dat u de knop mogelijk 2 keer moet
indrukken, als de kantelfunctie al was geactiveerd. Wanneer de buitenspiegel omlaaggekanteld is, knippert de knop. Wanneer u de auto uit
de achteruitversnelling haalt, keert de buitenspiegel zo'n 3 seconden later automatisch terug naar
de oorspronkelijke stand (die de spiegel na zo'n
8 seconden bereikt).
Automatisch kantelen bij parkeren3
Dankzij deze instelling kantelen de buitenspiegels automatisch omlaag bij inschakeling van de
achteruitversnelling. De omlaaggekantelde stand
is vooraf ingesteld en valt niet aan te passen. Het
is mogelijk om de buitenspiegel direct terug te
laten keren in de oorspronkelijke stand door 2
keer op de knop L of R te drukken.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
3 Alleen
162
3.
Kies onder Buitenspiegel kantelen bij
achteruit voor Uit, Bestuurder, Passagier
of Beide om te activeren/deactiveren en om
te kiezen welke buitenspiegel moet worden
gekanteld.
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen*
Het is mogelijk de buitenspiegels automatisch in
of uit te laten klappen bij het vergrendelen/
ontgrendelen van de auto vanaf de transpondersleutel.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
3.
Kies Spiegel inklappen bij vergrendelen
om te activeren/deactiveren.
Panoramadak*
Het panoramadak is verdeeld in twee glassegmenten. Het voorste kan aan de achterkant verticaal (ventilatiestand) of horizontaal (open stand)
worden geopend. Het achterste is een vast dakglas.
Het panoramadak is voorzien van een windscherm alsook een zonnescherm, dat gemaakt is
van geperforeerd textiel en onder het glazen dak
zit, voor extra bescherming tegen bijvoorbeeld
fel zonlicht.
Spiegels en Comfort.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
(p. 159)
Dimfunctie van spiegels aanpassen (p. 160)
Stand opslaan voor stoel en buitenspiegels
(p. 176)
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 208)
Het panoramadak en het zonnescherm zijn te
bedienen met een bedieningsknop aan het plafond.
Spiegels en Comfort.
in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugenknoppen*.
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Om het panoramadak en het zonnescherm te
kunnen bedienen moet het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand I of II staan.
BELANGRIJK
•
Verwijder sneeuw en ijs van het panoramadak alvorens het te openen. Wees
voorzichtig om krassen op oppervlakken
of schade aan lijsten tegen te gaan.
•
Bedien het panoramadak niet, als het
vastgevroren is.
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door bewegende
delen.
•
•
Let altijd op bij bediening van ruiten.
•
Laat kinderen nooit alleen achter in de
auto.
•
Onderbreek altijd de stroom voor de ruitbediening door het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand 0 te zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
•
Steek geen voorwerpen of lichaamsdelen
via de ruiten naar buiten, ook al is het
elektrische systeem van de auto volledig
uitgeschakeld.
•
•
Laat kinderen niet met de bedieningselementen spelen.
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 251)
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 230)
Windscherm
Bij het panoramadak hoort een windscherm dat
opgeklapt wordt bij een geopend panoramadak.
BELANGRIJK
Gerelateerde informatie
Open het panoramadak niet, wanneer
lastdragers zijn gemonteerd.
•
•
Leg geen zware voorwerpen boven op
het panoramadak.
•
Panoramadak* bedienen (p. 164)
Automatische sluiting van zonnescherm van
panoramadak* (p. 166)
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 156)
* Optie/accessoire. 163
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Panoramadak* bedienen
BELANGRIJK
Het panoramadak en het zonnescherm zijn te
bedienen met een bedieningsknop aan het plafond en zijn allebei voorzien van een inklembeveiliging.
•
Open het panoramadak niet, wanneer
lastdragers zijn gemonteerd.
•
Leg geen zware voorwerpen boven op
het panoramadak.
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door bewegende
delen.
•
•
Let altijd op bij bediening van ruiten.
•
Laat kinderen nooit alleen achter in de
auto.
•
Onderbreek altijd de stroom voor de ruitbediening door het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand 0 te zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
•
4
164
Laat kinderen niet met de bedieningselementen spelen.
Steek geen voorwerpen of lichaamsdelen
via de ruiten naar buiten, ook al is het
elektrische systeem van de auto volledig
uitgeschakeld.
BELANGRIJK
•
Verwijder sneeuw en ijs van het panoramadak alvorens het te openen. Wees
voorzichtig om krassen op oppervlakken
of schade aan lijsten tegen te gaan.
•
Bedien het panoramadak niet, als het
vastgevroren is.
Om het panoramadak en het zonnescherm te
kunnen bedienen moet het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand I of II staan.
Bediening is tevens mogelijk met behulp van de
transpondersleutel of passieve opening* via de
portiergreep.
WAARSCHUWING
Let erop dat kinderen of andere inzittenden
niet bekneld raken, wanneer u alle ruiten
tegelijkertijd sluit via de transpondersleutel of
de functie passief openen* met de portiergreep.
BELANGRIJK
Controleer of het panoramadak bij sluiten
goed vergrendelt.
Het dak komt tot stilstand, als u bij handmatige
bediening de bedieningsknop loslaat of als het
glas de comfortstand4 heeft bereikt of maximaal
geopend of gesloten is. De beweging van het
panoramadak en het zonnescherm wordt eveneens onderbroken, als u een tegengesteld commando geeft met de bedieningsknop aan het plafond.
Het panoramadak en het zonnescherm zijn ook
voorzien van een inklembeveiliging. Bij problemen
met de inklembeveiliging kunt u een resetprocedure proberen.
N.B.
Bij handmatige opening is het panoramadak
pas te openen, wanneer het zonnescherm
volledig geopend is. Bij de omgekeerde procedure moet het panoramadak eerst volledig
dichtstaan, voordat het zonnescherm helemaal kan worden gesloten.
N.B.
De ruiten zijn bij lage temperaturen mogelijk
niet te bedienen.
De comfortstand is een stand waarbij het dak zover geopend is dat rijwind- en resonantiegeluiden op een aangenaam laag niveau liggen.
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Openen en sluiten, ventilatiestand
Panoramadak volledig openen en
sluiten via bediening aan plafond
bedieningsknop nu echter vooruit/omlaag naar
de stand voor handmatig sluiten.
Volautomatische bediening
1. Zonnescherm helemaal openen – duw de
bedieningsknop naar achteren naar de stand
voor automatisch openen en laat de knop
weer los.
2.
Panoramadak openen tot in comfortstand –
duw de bedieningsknop een tweede maal
naar achteren naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
3.
Panoramadak maximaal openen – duw de
bedieningsknop een derde maal naar achteren naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
Ventilatiestand, achterkant verticaal opengekanteld.
Open het dak door de bedieningsknop eenmaal omhoog te duwen.
Sluit het dak door de bedieningsknop eenmaal omlaag te duwen.
Bij activering van de ventilatiestand wordt het
voorste glassegment aan de achterzijde opengekanteld. Als het zonnescherm helemaal dichtstaat
bij activering van de ventilatiestand, wordt het
automatisch zo'n 50 mm (2 inch) geopend.
Bediening, stand voor handmatige bediening
Bediening, stand voor automatische bediening
Handmatige bediening
1. Zonnescherm openen – duw de bedieningsknop achteruit naar de stand voor handmatig
openen.
2.
Het zonnescherm beweegt automatisch mee, als
u het panoramadak vanuit de ventilatiestand sluit.
3.
Panoramadak openen tot in comfortstand –
duw de bedieningsknop een tweede maal
naar achteren naar de stand voor handmatig
openen.
Panoramadak maximaal openen – duw de
bedieningsknop een derde maal naar achteren naar de stand voor handmatig openen.
Sluit het dak door de voorgaande procedure in
omgekeerde volgorde te doorlopen – duw de
Sluit het dak door de voorgaande procedure in
omgekeerde volgorde te doorlopen – duw de
bedieningsknop nu echter vooruit/omlaag naar
de stand voor automatisch sluiten.
Volautomatische bediening – snel openen of
sluiten
Het panoramadak en het zonnescherm zijn tegelijkertijd te openen of sluiten:
–
Openen – duw de bedieningsknop tweemaal
naar achteren naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
–
Sluiten – duw de bedieningsknop tweemaal
naar voren/onderen naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
}}
165
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
||
Gerelateerde informatie
•
•
Panoramadak* (p. 162)
Automatische sluiting van zonnescherm van
panoramadak* (p. 166)
•
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 156)
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 251)
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 230)
Automatische sluiting van
zonnescherm van panoramadak*
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 251)
Dankzij deze functie sluit het zonnescherm als
de auto bij warm weer geparkeerd staat automatisch 15 minuten na vergrendeling. Dit gebeurt
om de interieurtemperatuur te verlagen en de
autobekleding te beschermen tegen verkleuring
door de zon.
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 230)
U kunt de functie die bij aflevering vanuit de
fabriek gedeactiveerd is via het middendisplay
activeren of deactiveren.
1.
2.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
Tik op My Car
Vergrendeling.
Kies Zonnescherm automatisch sluiten
om te activeren/deactiveren.
N.B.
Ook het zonnescherm sluit, wanneer alle ruiten worden gesloten via de transpondersleutel of bij passief openen* via de portiergreep.
Gerelateerde informatie
•
•
•
166
Panoramadak* (p. 162)
Panoramadak* bedienen (p. 164)
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 156)
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Wisserbladen en sproeiervloeistof
Voorruitwissers gebruiken
Intervalstand
De wissers en de sproeiervloeistof dienen om
het zicht en de reikwijdte van de koplampen te
verbeteren.
De voorruitwissers reinigen de voorruit. Met de
rechter stuurhendel zijn verschillende instellingen voor de ruitenwissers mogelijk.
Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd.
Ononderbroken wissen
De sproeikoppen* worden bij vorst automatisch
verwarmd om te voorkomen dat de sproeiervloeistof bevriest.
Haal de hendel omhoog om de wissers
op normale snelheid te laten wissen.
Haal de hendel nog eens omhoog om de
wissers op hoge snelheid te laten wissen.
Wanneer er nog zo'n 1 liter (1 qt) sproeiervloeistof in het reservoir zit, verschijnt er een melding
op het display dat er sproeiervloeistof moet worden bijgevuld.
BELANGRIJK
Controleer voordat u de wissers activeert of
de wisserbladen niet zijn vastgevroren en of
eventuele sneeuw- en ijsresten op voor- en
achterruit zijn verwijderd.
Gerelateerde informatie
•
•
Regensensor gebruiken (p. 168)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 169)
•
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 171)
•
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 169)
•
•
•
•
•
•
Achterruitwisser en -sproeier (p. 170)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 625)
Wisserbladen in servicestand (p. 624)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 623)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 622)
Voorruitwissers gebruiken (p. 167)
Rechter stuurhendel.
Het duimwiel is te gebruiken om de gevoeligheid van de regensensor en de wissnelheid in te stellen.
BELANGRIJK
Gebruik voldoende sproeiervloeistof als de
wissers de voorruit schoonmaken. De voorruit
moet nat zijn als de ruitenwissers werken.
Enkele slag
Haal de hendel omlaag en laat deze weer
los om de wissers een enkele wisslag te
laten maken.
Voorruitwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de voorruitwissers uit te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Regensensor gebruiken (p. 168)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 169)
•
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 171)
•
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 167)
}}
* Optie/accessoire. 167
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
•
•
•
•
•
•
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 169)
Achterruitwisser en -sproeier (p. 170)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 625)
Wisserbladen in servicestand (p. 624)
Regensensor gebruiken
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch de
voorruitwissers in. De gevoeligheid van de
regensensor is af te stellen met het duimwiel op
de rechter stuurhendel.
Wisserblad voorruit vervangen (p. 623)
staan en de ruitenwisserhendel in stand 0 of die
voor een enkele wisslag.
Activeer de regensensor door op de regensensorknop
te drukken.
Haal de hendel omlaag om de wissers een extra
wisslag te laten maken.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere gevoeligheid. De wissers maken een extra slag, als u
het duimwiel omhoogdraait.
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 622)
Regensensor deactiveren
Deactiveer de regensensor met een druk op de
of haal de hendel
regensensorknop
omhoog voor een ander wisprogramma.
Rechter stuurhendel.
Regensensorknop
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid
ruitenwissers
Wanneer de regensensor actief is, verschijnt het
op het bestuurdersregensensorsymbool
display.
Regensensor activeren
Om de regensensor te kunnen activeren motor
de motor draaien of in contactslotstand I of II
168
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer het elektrische systeem in contactslotstand 0 staat of wanneer de motor is
afgezet.
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de wisserarmen in de servicestand zet. De regensensor wordt opnieuw geactiveerd, wanneer de wisserarmen niet meer in de
servicestand staan.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
BELANGRIJK
In de wasstraat kunnen de ruitenwissers van
de voorruit starten en beschadigd raken.
Schakel de regensensor uit, terwijl de auto
rijdt of wanneer het elektrische systeem van
de auto in contactslotstand I of II staat. Het
symbool op het bestuurdersdisplay dooft.
Gerelateerde informatie
Geheugenfunctie van regensensor
gebruiken
Voorruit- en koplampsproeiers
gebruiken
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch de
voorruitwissers in.
De ruiten- en koplampsproeiers reinigen de
voorruit en de koplampen. Via de rechter stuurhendel zijn de voorruit- en koplampsproeiers te
starten.
Geheugenfunctie activeren/deactiveren
U kunt de geheugenfunctie voor de regensensor
activeren, zodat u iedere keer dat u de auto start
de regensensorknop niet hoeft in te drukken:
•
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 169)
•
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 171)
2.
Tik op My Car
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 167)
3.
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 169)
Kies Geheugen regensensor om de
geheugenfunctie te activeren/deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
Achterruitwisser en -sproeier (p. 170)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 625)
1.
•
•
Wisserbladen in servicestand (p. 624)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 623)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 622)
Voorruitwissers gebruiken (p. 167)
•
•
•
•
•
•
•
•
Ruiten- en koplampsproeiers starten
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
Ruitenwisser.
Regensensor gebruiken (p. 168)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 169)
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 171)
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 167)
Achterruitwisser en -sproeier (p. 170)
Sproeifunctie, rechter stuurhendel.
–
U activeert de voorruit- en koplampsproeiers
door de rechter stuurhendel naar het stuurwiel toe te trekken.
> Nadat u de hendel hebt losgelaten maken
de voorruitwissers nog enkele slagen.
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 625)
Wisserbladen in servicestand (p. 624)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 623)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 622)
Voorruitwissers gebruiken (p. 167)
BELANGRIJK
Activeer de sproeiers niet bij bevriezing of bij
een leeg sproeiervloeistofreservoir, omdat de
pomp anders schade kan oplopen.
}}
169
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
||
Koplampsproeiers*
Achterruitwisser en -sproeier
Om vloeistof te besparen worden ingeschakelde
koplampen automatisch volgens bepaalde patronen gesproeid.
De achterruitwisser en -sproeiers reinigen de
achterruit. Via de rechter stuurhendel is de reiniging te starten en zijn instellingen te verrichten.
Gereduceerde sproeifunctie
Achterruitwisser en -sproeier activeren
Wanneer er nog zo'n 1 liter (1 qt) sproeiervloeistof in het reservoir zit en op het bestuurdersdisplay de melding Sproeiervloeistof Niveau
laag, bijvullen verschijnt in combinatie met het
, worden de koplampen niet langer
symbool
schoongesproeid. Dit omdat de sproeifunctie van
de voorruit en een goed zicht door de voorruit de
voorrang hebben. De koplampen worden alleen
schoongesproeid als het groot licht of dimlicht is
ingeschakeld.
•
•
•
•
•
•
•
•
170
Regensensor gebruiken (p. 168)
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 171)
Duw de rechter stuurhendel naar voren om
de achterruit schoon te sproeien en te wissen.
Gerelateerde informatie
•
•
N.B.
De motor van de achterruitwisser is beveiligd
tegen oververhitting zodat deze wordt uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een bepaalde afkoelperiode.
Gerelateerde informatie
•
•
–
Regensensor gebruiken (p. 168)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 169)
•
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 171)
•
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 169)
•
•
•
•
•
•
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 167)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 625)
Wisserbladen in servicestand (p. 624)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 623)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 622)
Voorruitwissers gebruiken (p. 167)
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 167)
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 169)
Achterruitwisser en -sproeier (p. 170)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 625)
Wisserbladen in servicestand (p. 624)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 623)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 622)
Voorruitwissers gebruiken (p. 167)
Selecteer
voor de intervalstand van de
achterruitwisser.
Selecteer
voor een continue wissnelheid van de achterruitwisser.
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Automatische activering
achterruitwisser bij achteruitrijden
•
•
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 622)
Voorruitwissers gebruiken (p. 167)
Als u de achteruitversnelling inschakelt terwijl de
voorruitwissers actief zijn, zal de achterruitwisser
starten. Bij het inschakelen van een andere versnelling valt de ruitenwisser op de achterklep
stil.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
3.
Selecteer Automatisch wissen achter om
wissen bij achteruitrijden te activeren/deactiveren.
Ruitenwisser.
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al op
continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging
plaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
Regensensor gebruiken (p. 168)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 169)
Wisserbladen en sproeiervloeistof (p. 167)
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 169)
Achterruitwisser en -sproeier (p. 170)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 625)
Wisserbladen in servicestand (p. 624)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 623)
171
STOELEN EN STUURWIEL
STOELEN EN STUURWIEL
Handmatig bediende voorstoel
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen
verschillende instelmogelijkheden.
Zet de stoel vooruit/achteruit door de handgreep omhoog te tillen en de juiste afstand
tot het stuurwiel en de pedalen in te stellen.
Controleer of de stoel na het verstellen in de
nieuwe stand geblokkeerd staat.
Wijzig de zitlengte* door de hendel omhoog
te trekken en de zitting met de hand vooruit/
achteruit te bewegen.
Zet de voorkant van de zitting hoger/lager*
door deze omhoog/omlaag te pompen1.
Zet de hele stoel hoger/lager door deze
omhoog/omlaag te pompen met de hendel.
Pas de hellingshoek van de rugleuning aan
door aan de knop te draaien.
Gerelateerde informatie
•
•
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 175)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 175)
•
Stand opslaan voor stoel en buitenspiegels
(p. 176)
•
Opgeslagen stand voor stoel en buitenspiegels gebruiken (p. 177)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
(p. 178)
•
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 179)
De hoofdsteunen zijn in hoogte te verstellen
door de knop in te drukken en de hoofdsteunen handmatig te verstellen.
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden.
Controleer of de stoel vergrendeld staat om
letsel te voorkomen bij hard afremmen of een
aanrijding.
Pas de lendensteun* aan door op de knop
omhoog/omlaag/vooruit/achteruit te drukken.
1
174
Geldt alleen voor de bestuurdersstoel.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
Elektrisch bedienbare* voorstoel
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen
verschillende instelmogelijkheden. De elektrisch
bedienbare stoel is naar voren/achteren en
hoger/lager te zetten. De voorkant van de zitting
is te verhogen/verlagen en de hellingshoek van
de rugleuning is te wijzigen. De lendensteun* is
hoger/lager en naar voren/achteren te zetten. De
lengte van het zitkussen is handmatig te verstellen*.
•
Opgeslagen stand voor stoel en buitenspiegels gebruiken (p. 177)
Elektrisch bedienbare* voorstoel
verstellen
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
(p. 178)
•
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 179)
Stel de gewenste zitstand in met behulp van de
bedieningselementen op het zitkussen van de
voorstoel. Activeer de lendensteun* door op de
vierwegknop te drukken.
De stoel is te verstellen wanneer de motor draait
en tot enige tijd na het sluiten van het portier,
wanneer de motor niet draait. Dat kan ook nog
enige tijd na het afzetten van de motor.
BELANGRIJK
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen door
een obstakel wordt geblokkeerd. Als dat het
geval is, neemt u het obstakel weg en bedient
u de stoel opnieuw.
Handmatig bediende voorstoel (p. 174)
Zet de voorkant van de zitting hoger/lager
door de handgreep omhoog/omlaag te
bewegen.
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 175)
Zet de hele stoel hoger/lager door de handgreep omhoog/omlaag te bewegen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Druk op de knop omhoog/omlaag/vooruit/
achter van de vierwegbediening om de lendensteunbediening te activeren en te gebruiken.
Stand opslaan voor stoel en buitenspiegels
(p. 176)
}}
* Optie/accessoire. 175
STOELEN EN STUURWIEL
Zet de hele stoel naar voren/achteren door
de handgreep naar voren/achteren te bewegen.
||
Pas de hellingshoek van de rugleuning aan
door de handgreep naar voren/achteren te
bewegen.
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
De rugleuningen van de voorstoelen zijn niet
helemaal neer te klappen.
De hoofdsteunen zijn in hoogte te verstellen
door de knop in te drukken en de hoofdsteunen handmatig te verstellen.
•
Stand opslaan voor stoel en buitenspiegels
(p. 176)
Stand opslaan voor stoel en
buitenspiegels
•
Opgeslagen stand voor stoel en buitenspiegels gebruiken (p. 177)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
(p. 178)
De standen van de elektrisch bedienbare* stoel
en de buitenspiegels zijn op te slaan onder de
geheugenknoppen.
•
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 179)
Sla twee verschillende standen op voor de elektrisch bedienbare* stoel en de buitenspiegels via
de geheugenknoppen. De knoppen zitten aan de
binnenzijde van een van de voorportieren of
beide*.
Knop M voor vastlegging van de instellingsset.
Geheugenknop.
Geheugenknop.
Gerelateerde informatie
•
•
176
Handmatig bediende voorstoel (p. 174)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 175)
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
Stand opslaan
1.
Zet de stoel en buitenspiegels in de gewenste stand.
2.
Houd de M-knop ingedrukt. Het controlelampje in de knop brandt.
3.
Druk binnen drie seconden op een van de
knoppen 1 of 2 en houd deze ingedrukt.
> Wanneer de stand is opgeslagen onder
de geheugenknop van uw keuze, klinkt er
een geluidssignaal en dooft het controlelampje in de knop M.
•
Buitenspiegels kantelen (p. 161)
Opgeslagen stand voor stoel en
buitenspiegels gebruiken
Als de standen voor de elektrisch bedienbare*
stoel en de buitenspiegels zijn opgeslagen, zijn
deze eenvoudig te activeren via de geheugenknoppen.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Als u niet binnen drie seconden een van de
geheugenknoppen indrukt, dooft het controlelampje in de knop M en worden de standen niet
vastgelegd.
U moet de stoel of de buitenspiegels opnieuw
verstellen voordat u een nieuwe stand in een
geheugen kunt opslaan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 174)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 175)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 175)
•
Opgeslagen stand voor stoel en buitenspiegels gebruiken (p. 177)
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
(p. 178)
•
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 179)
De vastgelegde standen zijn altijd op te roepen,
of het voorportier nu open- of dichtstaat:
Geopend voorportier
– Druk eenmaal kort op een van de geheugenknoppen 1 ( ) of 2 ( ). De elektrisch
bedienbare stoel en de buitenspiegels
komen in bewegen en nemen de standen in
die onder de ingedrukte geheugenknop zijn
vastgelegd.
}}
* Optie/accessoire. 177
STOELEN EN STUURWIEL
||
Gesloten voorportier
– Houd een van de geheugenknoppen 1 ( )
of 2 ( ) ingedrukt, totdat de stoel en de
buitenspiegels de standen innemen die
onder de desbetreffende geheugenknop zijn
vastgelegd.
•
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
(p. 178)
Verlengbaar zitkussen* voorstoel
verstellen
•
•
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 179)
Ter verhoging van het comfort is de lengte van
het zitkussen te verstellen.
Buitenspiegels kantelen (p. 161)
Bij het loslaten van de geheugenknop komen de
stoel en de buitenspiegels tot stilstand.
WAARSCHUWING
•
Omdat de voorstoelen ook bij een uitgeschakeld contact te verstellen zijn, moet u
kinderen nooit alleen in de auto achterlaten.
•
De beweging van de stoel is op ieder
moment te stoppen door bediening van
een van de andere knoppen voor stoelverstelling.
•
•
•
178
1.
aan de voorkant van
Pak de handgreep
de stoel beet en trek deze omhoog.
2.
Pas de lengte van het zitkussen aan.
3.
Laat de handgreep los en zorg dat het kussen in een vergrendelde stand staat.
Verstel de stoel nooit tijdens het rijden.
Zorg dat er bij het verstellen niets onder
de stoelen ligt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Handgreep voor verstelling van het zitkussen.
Handmatig bediende voorstoel (p. 174)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 175)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 175)
Stand opslaan voor stoel en buitenspiegels
(p. 176)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 174)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 175)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 175)
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
•
Stand opslaan voor stoel en buitenspiegels
(p. 176)
•
Opgeslagen stand voor stoel en buitenspiegels gebruiken (p. 177)
•
Lendensteun* voorstoel verstellen (p. 179)
Lendensteun* voorstoel verstellen
Lendensteun verstellen
De lendensteun is te verstellen met behulp van
de bediening aan de zijkant van de zitting.
1.
/omlaag
Druk de vierwegknop omhoog
om de lendensteun hoger/lager te zetten.
2.
Druk op de voorkant
van de vierwegknop
voor meer lendensteun.
3.
Druk op de achterkant
van de vierwegknop voor minder lendensteun.
De bierwegknop, op de zijkant van het zitgedeelte van
de stoel.
De lendensteun met vierwegverstelling is te verstellen met de (ronde) vierwegknop op de zijkant
van het zitgedeelte van de stoel. De lendensteun
is naar voren/achteren en hoger/lager te zetten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 174)
Elektrisch bedienbare* voorstoel (p. 175)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 175)
Stand opslaan voor stoel en buitenspiegels
(p. 176)
}}
* Optie/accessoire. 179
STOELEN EN STUURWIEL
•
•
Opgeslagen stand voor stoel en buitenspiegels gebruiken (p. 177)
Verlengbaar zitkussen* voorstoel verstellen
(p. 178)
Rugleuning achterbank omklappen
De rugleuning van de achterbank is in twee
ongelijke delen verdeeld. De twee delen zijn
ieder apart om te klappen.
WAARSCHUWING
•
Verstel de stoel vóór vertrek en zorg dat
deze vaststaat. Wees voorzichtig bij het
verstellen van de stoel. Een ongecontroleerde of onvoorzichtige verstelling kan
tot beknellingsletsel leiden.
•
Zet lange voorwerpen tijdens het vervoer
altijd goed vast om schade/letsel te voorkomen bij abrupte remmanoeuvres.
•
Zet altijd de motor af en activeer de parkeerrem bij het in- en uitladen van de
auto.
•
Zet bij auto's met automatische transmissie de keuzehendel in de stand P om te
voorkomen dat u de keuzehendel per
ongeluk verzet.
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels
mogen evenmin zijn ingestoken. Schade aan
de bekleding van de achterbank is anders
namelijk niet uitgesloten.
180
BELANGRIJK
Klap de middenarmsteun* op alvorens de rugleuning van de achterbank neer te klappen.
Het doorsteekluik* in de achterbank moet
dichtstaan alvorens de rugleuning neer te
klappen.
N.B.
U moet mogelijk de voorstoelen naar voren
zetten en/of de rugleuningen rechtop zetten
om de ruggedeelten van de achterbank volledig naar voren te kunnen klappen.
Rugleuning omklappen bij een auto
met elektronische omklapfunctie*
Als de auto is uitgerust met een automatische
omklapfunctie voor de achterbank is de achterbank om te klappen met knoppen in de bagageruimte. De achterbank is ook om te klappen met
de handgreep boven op de rugleuning van de
achterbank.
WAARSCHUWING
Let erop dat mensen niet het risico lopen
bekneld te raken bij het automatisch neerklappen van de achterbank. Omdat dit bij het
indrukken van de knop automatisch plaatsvindt, mag zich niemand op of te dicht in de
buurt van de achterbank bevinden.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
Rugleuningen omklappen met knoppen in
bagageruimte
Rugleuning omklappen met handgreep op
achterbank
rugleuning omlaag met de handgreep op de achterbank.
De achterbank is alleen om te klappen, wanneer
de auto stilstaat en de achterklep openstaat.
Zorg dat er zich geen mensen of voorwerpen op
de achterbank bevinden.
Zorg dat er zich geen mensen of voorwerpen op
de achterbank bevinden.
Zorg dat er zich geen mensen of voorwerpen op
de achterbank bevinden.
Klap de middelste hoofsteun handmatig om.
Klap de middelste hoofsteun handmatig om.
Trek de handgreep op de linker of rechter
rugleuning van de achterbank naar voren om
de linker of rechter rugleuning van de achterbank om te klappen.
> De rugleuningen worden ontgrendeld.
Eerst worden de hoofdsteunen omgeklapt, waarna de rugleuningen automatisch tot in horizontale stand worden neergeklapt.
Trek de handgreep op de linker of rechter
rugleuning van de achterbank naar voren om
de linker of rechter rugleuning van de achterbank om te klappen.
1.
Klap de middelste hoofsteun handmatig om.
2.
Houd de knop voor het omklappen ingedrukt.
De knoppen zijn gemarkeerd met L en R voor
de linker en rechter rugleuning.
3.
De rugleuningen worden ontgrendeld. Eerst
worden de hoofdsteunen omgeklapt, waarna
de rugleuningen automatisch tot in horizontale stand worden neergeklapt.
3.
De rugleuning wordt ontgrendeld en moet
handmatig worden omgeklapt tot in horizontale stand.
Rugleuning rechtop zetten
Rugleuning handmatig omklappen
U zet de rugleuning handmatig weer rechtop:
Als de achterbank van de auto alleen handmatig
neer te klappen is, klapt u de linker of rechter
1.
Klap de rugleuning omhoog/naar achteren.
}}
181
STOELEN EN STUURWIEL
||
2.
Druk de rugleuning verder totdat deze vergrendelt.
Hoofdsteunen achterbank
verstellen
3.
Zet de hoofdsteunen handmatig rechtop.
4.
Pas de stand van de hoofdsteun op de middelste zitplaats zo nodig aan.
Stel de hoofdsteun van de middelste zitplaats af
aan de hand van de lengte van de passagier.
Klap de hoofdsteun* van de buitenste zitplaatsen
omlaag voor een beter zicht naar achteren.
WAARSCHUWING
Als de rugleuning is teruggeklapt, mag de
rode indicatie niet langer zichtbaar zijn. Als
deze toch zichtbaar is, is de rugleuning niet
vergrendeld.
Hoofdsteun van middelste zitplaats
verstellen
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u de
knop (zie afbeelding) indrukken terwijl u de
hoofdsteun voorzichtig omlaagduwt.
WAARSCHUWING
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop zetten
goed vergrendeld zijn.
WAARSCHUWING
Bij vervoer van achterpassagiers moeten de
hoofdsteunen op de buitenste zitplaatsen
altijd omhoog staan.
Gerelateerde informatie
182
•
Hoofdsteunen achterbank verstellen
(p. 182)
•
•
Privacy locking (p. 263)
Privacy locking activeren en deactiveren
(p. 263)
De hoofdsteun voor de middelste zitplaats is af te
stemmen op de lengte van de passagier, zodat
de hoofdsteun zo mogelijk het hele achterhoofd
bedekt. Trek de hoofdsteun handmatig zo ver
omhoog als nodig is.
De hoofdsteun van de middelste zitplaats
moet in de onderste stand staan, wanneer de
middelste zitplaats niet in gebruik is. Wanneer
de middelste zitplaats wel wordt gebruikt,
moet de hoofdsteun goed op de lengte van
de passagier zijn afgesteld, zodat deze zo
mogelijk diens hele achterhoofd afdekt.
Hoofdsteunen van buitenste zitplaatsen
achterbank omklappen via
middendisplay*
De buitenste hoofdsteunen zijn om te klappen via
het functiescherm van het middendisplay. De
hoofdsteunen zijn om te klappen in de contactslotstand 0.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
Gerelateerde informatie
•
Rugleuning achterbank omklappen (p. 180)
Bedieningselementen op stuurwiel
en claxon
Op het stuurwiel zitten de claxon en bedieningselementen voor o.m. rijhulpsystemen en stembediening.
Druk op de knop Hfdsteun
omlaag om omklappen te activeren/deactiveren.
Knoppensets en paddles* op stuurwiel.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig rechtop
totdat deze hoorbaar vastklikt.
WAARSCHUWING
Klap de buitenste hoofdsteunen niet om, als
er passagiers op de achterbank zitten.
Bediening voor rijhulp2/>
Paddle* voor handmatig schakelen bij een
automatische versnellingsbak.
Bediening voor stembediening plus menu-,
meldings- en telefoonfuncties.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop zetten in de vergrendelde stand staan.
2
Snelheidsbegrenzer, Cruisecontrol, Adaptieve cruisecontrol*, Afstandswaarschuwing* en Pilot Assist.
}}
* Optie/accessoire. 183
STOELEN EN STUURWIEL
||
Claxon
Stuurslot
Stuurwiel verstellen
Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij
gebruik van de auto door onbevoegden. Er is
mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar,
wanneer u het stuurslot inschakelt of opheft.
Het stuurwiel is in verschillende standen te zetten.
Stuurslot activeren
Wanneer u de auto van de buitenzijde vergrendelt en de motor is uitgeschakeld, wordt het
stuurslot geactiveerd. Als u de auto onvergrendeld achterlaat, wordt na verloop van korte tijd
automatisch het stuurslot geactiveerd.
De claxon zit in het midden van het stuurwiel.
Gerelateerde informatie
•
•
Stuurslot (p. 184)
Stuurwiel verstellen (p. 184)
Stuurslot opheffen
Wanneer u de auto van de buitenzijde ontgrendelt, wordt het stuurslot gedeactiveerd. Als u de
auto onvergrendeld achterlaat, wordt het stuurslot na verloop van korte tijd automatisch geactiveerd.
Gerelateerde informatie
184
•
Bedieningselementen op stuurwiel en claxon
(p. 183)
•
Stuurwiel verstellen (p. 184)
Het stuurwiel is in diepte en hoogte te verstellen.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel vóór vertrek in en zet deze
vast. Het stuur mag tijdens het rijden nooit
worden ingesteld.
Bij auto's met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging is de vereiste stuurkracht in te stellen.
De mate van stuurbekrachtiging wordt afgestemd
op de rijsnelheid om u een beter weggevoel te
geven.
STOELEN EN STUURWIEL
Hendel voor verstelling van het stuurwiel.
1.
Beweeg de hendel naar voren om het stuurwiel te ontkoppelen.
2.
Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste
stand.
3.
Trek de hendel naar achteren om het stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als dit
moeite kost, kunt u lichtjes op het stuurwiel
drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Stuurslot (p. 184)
Bedieningselementen op stuurwiel en claxon
(p. 183)
Elektrisch bedienbare* voorstoel verstellen
(p. 175)
* Optie/accessoire. 185
KLIMAAT
KLIMAAT
Klimaatregeling
Klimaatzones
De auto is voorzien van handbediende of elektronische* klimaatregeling. De klimaatregeling
zorgt ervoor dat de lucht in het interieur gekoeld,
verwarmd of van vocht ontdaan wordt.
Afhankelijk van het aantal klimaatzones van de
auto kunt u verschillende temperaturen instellen
voor verschillende delen van het interieur.
Klimaatregeling met 2 zones*
Klimaatregeling met 1 zone
Alle klimaatfuncties zijn te bedienen via het middendisplay en de fysieke knoppen op de middenconsole.
Bepaalde functies voor de achterbank zijn ook te
bedienen via de klimaatregelingsknoppen* achter
op de tunnelconsole.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
188
Klimaatzones bij klimaatregeling met 2 zones.
Klimaatzones (p. 188)
Bij klimaatregeling met 2 zones zijn de interieurtemperaturen voor de linker en rechter zone elk
apart in te stellen.
Klimaatsensoren (p. 189)
Gevoelstemperatuur (p. 189)
Stembediening klimaat (p. 190)
Klimaatzones bij klimaatregeling met 1 zone.
Gerelateerde informatie
Parkeerklimaat* (p. 212)
Bij klimaatregeling met 1 zone is een gemeenschappelijke interieurtemperatuur in te stellen
voor de linker en rechter zone.
•
Verwarming* (p. 220)
Luchtkwaliteit (p. 191)
Klimaatregeling (p. 188)
Luchtverdeling (p. 194)
Klimaatregelingsbediening (p. 199)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Klimaatsensoren
De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren voor de regeling van het autoklimaat.
Bij het Interior Air Quality System* is er ook een
luchtkwaliteitssensor, die in de luchtinlaat van de
klimaatregeling zit.
Positie van de sensoren
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregeling (p. 188)
Interior Air Quality System* (p. 192)
Gevoelstemperatuur
De klimaatregeling regelt het autoklimaat op
basis van de gevoelstemperatuur en niet de werkelijke temperatuur.
De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen
met de gevoelstemperatuur op basis van de
heersende omstandigheden in en rond de auto
wat buitentemperatuur, luchtsnelheid, luchtvochtigheidsgraad, ingestraalde warmte en dergelijke
betreft.
Het systeem beschikt over een zonnesensor die
de stand van de zon registreert. Daardoor kan de
temperatuur van de lucht uit de blaasmonden
links en rechts afwijken, ondanks dat de temperatuurknoppen voor de beide zijden in dezelfde
stand staan.
Zonnesensor – boven op het dashboard.
Vochtsensor – in de voetafdekking van de
achteruitkijkspiegel.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregeling (p. 188)
Buitentemperatuursensor – in de rechter buitenspiegel.
Binnentemperatuursensor – bij de fysieke
koppen op de middenconsole.
N.B.
Bedek of blokkeer de sensoren niet met kledingstukken of andere voorwerpen.
* Optie/accessoire. 189
KLIMAAT
Stembediening klimaat1
•
Opdrachten voor klimaatregeling met stembediening om bijvoorbeeld de temperatuur te wijzigen, elektrische stoelverwarming* te activeren of
de ventilatorstand te wijzigen.
"Verhoog ventilatorsnelheid" / "Verlaag
ventilatorsnelheid" – verhoogt/verlaagt de
ingestelde ventilatorstand met één stap.
•
Druk op
mando's:
•
"Klimaatregeling" – start een dialoog voor
klimaatregeling en geeft voorbeelden van
commando's weer.
•
"Stel temperatuur in op X graden" – stelt
de gewenste temperatuur in.
•
"Verhoog temperatuur" / "Verlaag
temperatuur" – verhoogt/verlaagt de ingestelde temperatuur met één stap.
•
"Synchroniseer temperatuur" – synchroniseert de temperatuur* voor alle klimaatzones in de auto met de voor de bestuurderszone ingestelde temperatuur.
•
"Lucht op voeten" / "Lucht op lichaam" –
opent de gewenste blaasmond.
•
"Lucht op voeten uit" / "Lucht op
lichaam uit" – sluit de gewenste blaasmond.
•
"Zet ventilator op max." / "Schakel
ventilator uit" – verandert de ventilatorstand
naar Max/Off.
1
190
en zeg een van de volgende com-
•
"Schakel auto-klimaat in" – activeert de
automatische* klimaatregeling.
"Verhoog stuurwielverwarming" /
"Verlaag stuurwielverwarming" – verhoogt/verlaagt ingesteld niveau voor de
elektrische stuurverwarming* met één stap.
•
•
"Airconditioning aan" / "Airconditioning
uit" – activeert/deactiveert de airconditioning.
"Schakel stoelverwarming in" / "Schakel
stoelverwarming uit" – activeert/deactiveert elektrische stoelverwarming*.
•
•
"Recirculatie aan" / "Recirculatie uit" –
activeert/deactiveert de luchtrecirculatie.
•
"Schakel ruitontdooiing in" / "Schakel
ruitontdooiing uit" – activeert/deactiveert
ontwaseming van ruiten en buitenspiegels.
"Verhoog stoelverwarming" / "Verlaag
stoelverwarming" – verhoogt/verlaagt
ingesteld niveau voor de elektrische stoelverwarming* met één stap.
•
"Schakel max. ruitontdooiing in" /
"Schakel max. ruitontdooiing uit" – activeert/deactiveert maximale ontwaseming.
•
"Schakel elektrische ruitverwarming
in" / "Schakel elektrische
ruitverwarming uit" – activeert/deactiveert
elektrische voorruitverwarming*.
•
"Schakel achterruitverwarming in" /
"Schakel achterruitverwarming uit" –
activeert/deactiveert elektrische achterruiten buitenspiegelverwarming.
•
"Schakel stuurwielverwarming in" /
"Schakel stuurwielverwarming uit" – activeert/deactiveert elektrische stuurverwarming*.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Klimaatregeling (p. 188)
Stembediening (p. 135)
Stembediening gebruiken (p. 135)
Instellingen voor stembediening (p. 138)
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Luchtkwaliteit
De gekozen interieurmaterialen en het luchtreinigingssysteem zorgen voor een hoge luchtkwaliteit in de auto.
•
Interieurfilter (p. 193)
Clean Zone*
Clean Zone controleert en geeft aan of wel of
niet is voldaan aan alle voorwaarden voor een
goede luchtkwaliteit in het interieur.
Materiaal in de passagiersruimte
Het interieur werd dusdanig vormgegeven dat het
gerieflijk en comfortabel is – ook voor mensen
met contactallergieën of astma.
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat het interieur gemakkelijker
schoon te houden is.
De vloerbekleding in zowel de passagiersruimte
als de bagageruimte is eenvoudig te verwijderen
en schoon te maken.
Gebruik de door Volvo geadviseerde schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten voor
het reinigen van het interieur.
Luchtreinigingssysteem
Los van het interieurfilter dragen ook Clean Zone
Interior Package* en het luchtkwaliteitssysteem
Interior Air Quality System* bij aan een hoge
luchtkwaliteit in de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Klimaatregeling (p. 188)
Clean Zone* (p. 191)
Clean Zone Interior Package* (p. 192)
Interior Air Quality System* (p. 192)
De indicator staat in het klimaatveld op het
middendisplay.
De indicator staat in het klimaatveld, wanneer
het klimaatscherm niet geopend is.
Als niet is voldaan aan de voorwaarden, verschijnt
de tekst Clean Zone in het wit. Wanneer is voldaan aan alle voorwaarden, verandert de kleur
van de tekst in blauw.
Voorwaarden waaraan moet zijn voldaan:
•
•
•
Alle portieren en de achterklep staan dicht.
Alle zijruiten en panoramadak* staan dicht.
Het luchtkwaliteitssysteem Interior Air Quality
System* is geactiveerd.
}}
* Optie/accessoire. 191
KLIMAAT
||
•
•
De interieurventilator is geactiveerd.
Clean Zone Interior Package*
Interior Air Quality System*
De luchtrecirculatie is gedeactiveerd.
Clean Zone Interior Package (CZIP) omvat een
aantal aanpassingen om stoffen die aanleiding
kunnen geven tot allergieën en/of astma uit het
interieur te weren.
Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet
de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken.
Het volgende is inbegrepen:
IAQS maakt deel uit van Clean Zone Interior
Package (CZIP) en ontdoet de lucht in de passagiersruimte van verontreinigingen in de vorm van
stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en
laaghangend ozon.
N.B.
Clean Zone geeft niet per se aan dat de
luchtkwaliteit goed is, maar duidt er alleen op
dat is voldaan aan de voorwaarden voor een
goede luchtkwaliteit.
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Luchtkwaliteit (p. 191)
Clean Zone Interior Package* (p. 192)
Interior Air Quality System* (p. 192)
Interieurfilter (p. 193)
•
Een geavanceerde ventilatorfunctie die aanslaat, wanneer de auto via de transpondersleutel wordt ontgrendeld. De ventilator vult
het interieur op die manier met verse lucht.
De functie start als dat nodig is en stopt na
bij het openen van een van de portieren. Bij
inactiviteit wordt de functie na enige tijd
automatisch beëindigd. De tijd dat de ventilatorfunctie werkt zal langzaam maar zeker
korter worden, totdat de auto 4 jaar oud is.
Als de luchtkwaliteitssensor van het systeem
registreert dat de buitenlucht vervuild is, wordt de
luchtinlaat gesloten en de luchtrecirculatie geactiveerd.
N.B.
Het volautomatische luchtkwaliteitssysteem
Interior Air Quality System (IAQS).
Voor de beste lucht in het interieur moet de
luchtkwaliteitssensor altijd zijn ingeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
In een koud klimaat is de recirculatie beperkt
om het beslaan van de ruiten te voorkomen.
Luchtkwaliteit (p. 191)
Clean Zone* (p. 191)
Schakel bij condens de elektrische verwarming van de voorruit, zijruiten en achterruiten
in.
Interior Air Quality System* (p. 192)
Interieurfilter (p. 193)
Gerelateerde informatie
192
•
Luchtkwaliteitssensor* activeren en deactiveren (p. 193)
•
•
Luchtkwaliteit (p. 191)
Clean Zone* (p. 191)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
•
•
Clean Zone Interior Package* (p. 192)
Interieurfilter (p. 193)
Luchtkwaliteitssensor* activeren en
deactiveren
De luchtkwaliteitssensor maakt deel uit van de
volautomatische luchtkwaliteitsregeling Interior
Air Quality System (IAQS).
U kunt de luchtkwaliteitssensor desgewenst activeren/deactiveren.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Luchtkwaliteitssensor om de luchtkwaliteitssensor te activeren/deactiveren.
Interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter.
Interieurfilter vervangen
Om een goed interieurklimaat te kunnen handhaven moet u het filter op gezette tijden vervangen.
Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor
het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk
verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
N.B.
Er zijn verschillende soorten interieurfilters.
Let erop dat het juiste filter wordt gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
Interior Air Quality System* (p. 192)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Luchtkwaliteit (p. 191)
Clean Zone* (p. 191)
Clean Zone Interior Package* (p. 192)
Interior Air Quality System* (p. 192)
* Optie/accessoire. 193
KLIMAAT
Luchtverdeling
Luchtverdeling aanpassen
De klimaatregeling verdeelt de binnenkomende
lucht over uiteenlopende blaasmonden verspreid
over het interieur.
De luchtverdeling is desgewenst handmatig te
wijzigen.
Automatische en handmatige
luchtverdeling
Wanneer u de automatische klimaatregeling2
hebt geactiveerd, verloopt de luchtverdeling automatisch. De luchtverdeling is zo nodig handmatig
bij te regelen.
Verstelbare blaasmonden
Sommige blaasmonden in de auto zijn instelbaar,
wat betekent dat u ze kunt openen/sluiten en de
uitstroomrichting kunt wijzigen.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
Positie van verstelbare blaasmonden in interieur.
Bij klimaatregeling met 1 zone – vier op het
dashboard.
Extra bij klimaatregeling met 2 zones* – twee
blaasmonden achter in de tunnelconsole.
N.B.
Bij een lage omgevingstemperatuur komt er
geen lucht uit de verstelbare blaasmonden
achter in de tunnelconsole.
Gerelateerde informatie
2
194
Klimaatregeling (p. 188)
•
•
•
Luchtverdeling aanpassen (p. 194)
•
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 196)
Blaasmonden openen, sluiten en richten
(p. 195)
Niet beschikbaar bij handmatige klimaatregeling.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Blaasmonden openen, sluiten en
richten
Sommige blaasmonden in het interieur zijn apart
te openen, sluiten en richten.
Als u de buitenste blaasmonden op de zijruiten
richt kunt u condens voorkomen.
Als u de buitenste blaasmonden in de auto naar
binnen richt, creëert u een warm en comfortabel
autoklimaat.
Blaasmonden openen en sluiten
Luchtverdeling - ontwasemingsopeningen
voorruit
Draai aan de draaiknop in het midden van de
blaasmond om de luchtaanvoer uit de blaasmond te openen/sluiten.
Luchtverdeling - blaasmonden dashboard en
middenconsole
Wanneer de markering op de draaiknop verticaal staat, is de luchtaanvoer het grootst.
Luchtverdelingsknoppen op klimaatscherm.
2.
Luchtverdeling - blaasmonden vloer
Blaasmonden richten
Druk op een of meer luchtverdelingsknoppen
om de desbetreffende blaasmond(en) te
openen/sluiten.
> De luchtverdeling wordt gewijzigd, waarna
de knoppen gaan branden/doven.
–
Gerelateerde informatie
•
•
•
–
Luchtverdeling (p. 194)
Haal het hendeltje in het midden van de
blaasmond overdwars of omhoog-omlaag om
de luchtaanvoer uit de blaasmond te richten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Luchtverdeling (p. 194)
Luchtverdeling aanpassen (p. 194)
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 196)
Blaasmonden openen, sluiten en richten
(p. 195)
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 196)
195
KLIMAAT
Tabel met luchtverdelingsstanden
De luchtverdeling is desgewenst handmatig te
wijzigen. De volgende standen zijn in te stellen.
Luchtverdeling
Doel
Bij deactivering van alle luchtverdelingsknoppen in de handmatige stand schakelt de klimaatregeling weer over op automatische klimaatregeling.
Bij handmatige klimaatregeling is het niet mogelijk om de markering van alle luchtverdeelknoppen te deactiveren.
196
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Gaat condens- en ijsvorming tegen (om dat te
realiseren mag de ventilatorstand niet te laag zijn).
De meeste lucht komt uit de blaasmonden in het dashboard. Er komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende koeling bij warm weer.
De meeste lucht komt uit de blaasmonden bij de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor verwarming of koeling van de voetenruimte.
KLIMAAT
Luchtverdeling
Doel
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen en blaasmonden in het dashboard. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort bij warm en droog weer.
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen en de blaasmonden bij de
vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort en ontwaseming bij koud
en vochtig weer.
De meeste lucht komt uit de blaasmonden in het dashboard en de blaasmonden bij
de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort bij zonnig weer en matige
buitentemperaturen.
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen, de blaasmonden in het dashboard en de blaasmonden bij de vloer.
Voor een gebalanceerd comfort in het interieur.
}}
197
KLIMAAT
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
198
Luchtverdeling (p. 194)
Blaasmonden openen, sluiten en richten
(p. 195)
Luchtverdeling aanpassen (p. 194)
KLIMAAT
Klimaatregelingsbediening
Afhankelijk van het uitrustingsniveau is het klimaatscherm opgesplitst in meerdere tabbladen.
U kunt van tabblad wisselen door naar links/
rechts te vegen of op de desbetreffende rubriek
te drukken.
De klimaatregelingsfuncties zijn te bedienen via
de fysieke knoppen op de middenconsole, het
middendisplay en de klimaatregelingsbediening
achter op de tunnelconsole*.
Fysieke knoppen op middenconsole
Klimaatregeling met 2 zones. De klimaatregeling 1 zone
verschilt wat de positie van de knoppen betreft.
Temperatuurregeling voor bestuurders- en
passagierszone3.
Knop voor elektrische achterruitverwarming*
en maximale ontwaseming.
Knop voor elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming.
Klimaatveld op middendisplay
Via het klimaatveld zijn de meest voorkomende
klimaatfuncties te regelen.
3
4
Bediening voor elektrische stoelverwarming*
en -ventilatie* voorin plus elektrische stuurverwarming*4.
Knop voor toegang tot het klimaatscherm.
De grafische voorstelling op de knop geeft
de geactiveerde klimaatinstellingen weer.
Klimaatveld op middendisplay
Het klimaatscherm is te openen door
op het symbool in het midden van het
klimaatveld te tikken.
Bij klimaatregeling met 1 zone zit de regeling rechts van de middelste knop. Bij handmatige klimaatregeling verschijnt een schaalverdeling zonder graadaanduiding in plaats van de ingestelde temperatuur.
Bij klimaatregeling met 1 zone zijn deze knoppen helemaal links c.q. rechts in het klimaatveld.
}}
* Optie/accessoire. 199
KLIMAAT
||
Bediening voor luchtverdeling.
Hoofdklimaat
Op het tabblad Klimaat hoofdinstelling kunt u
behalve de klimaatfuncties in het klimaatveld ook
de hoofdklimaatfuncties regelen.
Ventilatorbediening.
•
Maximale ontwaseming activeren en deactiveren (p. 205)
•
Elektrische voorruitverwarming* activeren en
deactiveren (p. 207)
•
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 208)
•
•
•
Ventilatorstand voorin regelen (p. 209)
AUTO – Automatische klimaatregeling5.
Parkeerklimaat*
Op het tabblad Parkeerklimaat is het parkeerklimaat van de auto te regelen.
Klimaatregelingsbediening achter op
de tunnelconsole*
Als de auto is uitgerust met elektrische achterbankverwarming*, zitten er achter op de tunnelconsole fysieke bedieningsknoppen voor de
functie.
Temperatuur synchroniseren (p. 211)
Airconditioning activeren en deactiveren
(p. 212)
Gerelateerde informatie
•
•
Max, Elektrisch, Achter – Bediening voor
ontwaseming van ruiten en buitenspiegels.
AC – Bediening voor airconditioning.
Klimaatregeling (p. 188)
Elektrische voorstoelverwarming* activeren
en deactiveren (p. 201)
•
Elektrische stoelverwarming achter* activeren en deactiveren (p. 202)
•
Elektrische stuurverwarming* activeren en
deactiveren (p. 203)
•
Automatische klimaatregeling activeren
(p. 204)
•
Luchtrecirculatie activeren en deactiveren
(p. 204)
Recirc. – Bediening voor luchtrecirculatie.
5
200
Niet beschikbaar bij handmatige klimaatregeling.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Elektrische voorstoelverwarming*
activeren en deactiveren
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed
kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt
of die om een andere reden moeilijkheden
hebben om de elektrisch verwarmde stoel te
bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan.
De stoelverwarming is te activeren om het comfort voor bestuurder en inzittenden te verhogen,
wanneer het koud is.
1.
Druk op de stuur-/stoelknop voor de linker of
rechter zone in het klimaatveld op het middendisplay om de bediening voor de stoelen
en het stuurwiel te openen.
Als de auto niet is uitgerust met elektrische
stoelventilatie of elektrische stuurverwarming
(voor de bestuurder) staat de knop voor
stoelverwarming direct in het klimaatveld.
2.
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stoelverwarming om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 199)
Automatische inschakeling van elektrische
stoelverwarming voorin* activeren en deactiveren (p. 201)
Automatische inschakeling van
elektrische stoelverwarming voorin*
activeren en deactiveren
De stoelverwarming is te activeren om het comfort voor bestuurder en inzittenden te verhogen,
wanneer het koud is.
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische stoel-/achterbankverwarming bij
het starten van de motor al dan niet geactiveerd
moet zijn. Met automatische inschakeling geactiveerd zal de elektrische verwarming starten bij
een lage omgevingstemperatuur.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op Klimaat.
3.
Kies Niveau aut. verwarming
bestuurdersstoel en Niveau aut.
verwarming passagiersstoel om automatische inschakeling van de elektrische verwarming van de bestuurdersstoel en passagiersstoel te activeren/deactiveren.
> Er verschijnt een "A" bij de desbetreffende knoppen voor de elektrische verwarming van de voorstoelen, wanneer de
automatische start is geactiveerd.
4.
Kies na activering van de functie uit de
niveaus Laag, Gemiddeld of Hoog.
}}
* Optie/accessoire. 201
KLIMAAT
||
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 199)
Elektrische voorstoelverwarming* activeren
en deactiveren (p. 201)
Elektrische stoelverwarming achter*
activeren en deactiveren
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed
kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt
of die om een andere reden moeilijkheden
hebben om de elektrisch verwarmde stoel te
bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan.
De stoelverwarming is te activeren om het comfort voor bestuurder en inzittenden te verhogen,
wanneer het koud is.
Elektrische stoelverwarming achterin
activeren en deactiveren vanaf de
achterstoelen
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 199)
Knoppen voor elektrische achterbankverwarming achter
op tunnelconsole.
–
202
Druk meerdere keren op de fysieke knoppen
voor de elektrische achterbankverwarming
achter op de tunnelconsole om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geven de ledjes
in de knop de ingestelde stand aan.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Elektrische stuurverwarming*
activeren en deactiveren
De stuurverwarming is te activeren om het stuurcomfort te verhogen, wanneer het koud is.
1.
Druk op de stuur-/stoelknop voor de
bestuurderszone in het klimaatveld op het
middendisplay om de bediening voor de
stoelen en het stuurwiel te openen.
Als de auto niet is uitgerust met elektrische
stoelverwarming of stoelventilatie staat de
knop voor elektrische stuurverwarming direct
in het klimaatveld.
2.
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stuurverwarming om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 199)
Automatische inschakeling van elektrische
stuurverwarming* activeren en deactiveren
(p. 203)
Automatische inschakeling van
elektrische stuurverwarming*
activeren en deactiveren
De stuurverwarming is te activeren om het stuurcomfort te verhogen, wanneer het koud is.
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische stuurverwarming bij het starten
van de motor al dan niet geactiveerd moet zijn.
Met automatische inschakeling geactiveerd zal
de elektrische verwarming starten bij een lage
omgevingstemperatuur.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op Klimaat.
3.
Kies Niveau automatische
stuurwielverwarming om automatische
inschakeling van elektrische stuurverwarming
te activeren/deactiveren.
> Er verschijnt een "A" bij de desbetreffende knop voor de elektrische stuurverwarming, wanneer de automatische start
is geactiveerd.
4.
Kies na activering van de functie uit de
niveaus Laag, Gemiddeld of Hoog.
Gerelateerde informatie
•
Elektrische stuurverwarming* activeren en
deactiveren (p. 203)
* Optie/accessoire. 203
KLIMAAT
Automatische klimaatregeling
activeren6
N.B.
Het is mogelijk om de temperatuur en de
ventilatorstand te wijzigen zonder deactivering
van de automatische klimaatregeling. De
automatische klimaatregeling wordt gedeactiveerd wanneer de luchtverdeling handmatig
wordt gewijzigd of wanneer max. ontwaseming wordt geactiveerd.
Bij automatische klimaatregeling worden meerdere klimaatfuncties automatisch geregeld.
1.
2.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
2.
Tik op Recirc..
> De luchtrecirculatie wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
Klimaatregelingsbediening (p. 199)
Kort drukken - de luchtrecirculatie, airconditioning en luchtverdeling worden automatisch geregeld.
Lang drukken - de luchtrecirculatie, airconditioning en luchtverdeling worden
automatisch geregeld, de temperatuur en
het ventilatorniveau worden gewijzigd in
de standaardinstellingen: 22 °C (72 °F)
en niveau 3.
> De automatische klimaatregeling wordt
geactiveerd en de knop gaat branden.
•
204
•
De luchtrecirculatie houdt vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten door recirculatie van de
lucht in het interieur.
Druk kort of lang op AUTO Klimaat/>
•
6
Gerelateerde informatie
Luchtrecirculatie activeren en
deactiveren
Niet beschikbaar bij handmatige klimaatregeling.
BELANGRIJK
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
beslaat mogelijk de binnenzijde van de ruiten.
KLIMAAT
N.B.
De luchtrecirculatie is niet te activeren, wanneer u de maximale ontwaseming hebt ingeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 199)
Timerinstelling voor luchtrecirculatie activeren en deactiveren (p. 205)
Timerinstelling voor luchtrecirculatie
activeren en deactiveren
Maximale ontwaseming activeren en
deactiveren
De luchtrecirculatie houdt vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten door recirculatie van de
lucht in het interieur.
U kunt de maximale ontwaseming gebruiken om
de ruiten snel te ontwasemen en ontdooien.
U kunt instellen of een timer voor de luchtrecirculatie geactiveerd of gedeactiveerd moet zijn. Met
de timer geactiveerd wordt de luchtrecirculatie
automatisch na 20 minuten uitgeschakeld.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Recirculatietimer om de timer voor de
luchtrecirculatie te activeren/deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
Luchtrecirculatie activeren en deactiveren
(p. 204)
Bij maximale ontwaseming worden de automatische klimaatregeling en de luchtrecirculatie
gedeactiveerd, wordt de airconditioning geactiveerd, de ventilatorstand gewijzigd in 5 en de
temperatuur in HI.
N.B.
Het geluidsniveau neemt toe wanneer de
ventilatorstand wordt gewijzigd in 5.
Bij deactivering van de maximale ontwaseming
hervat de klimaatregeling de eerder verrichte
instellingen.
Maximale ontwaseming activeren en
deactiveren vanaf middenconsole
Op de middenconsole zit een fysieke knop waarmee u rechtstreeks toegang hebt tot maximale
ontwaseming.
Met elektrische voorruitverwarming* is de maximale ontwaseming alleen individueel te activeren
vanuit het klimaatscherm op het middendisplay.
}}
* Optie/accessoire. 205
KLIMAAT
Auto's met elektrische voorruitverwarming:
||
Druk meerdere keren op de knop om de drie
standen te doorlopen:
–
•
elektrische voorruitverwarming geactiveerd
•
Elektrische voorruitverwarming en maximale ontwaseming geactiveerd
Gedeactiveerd.
> De elektrische voorruitverwarming en
maximale ontwaseming worden geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
•
Fysieke knop op de middenconsole.
Auto's zonder elektrische voorruitverwarming:
–
Druk op de knop.
> De maximale ontwaseming wordt geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
N.B.
Wanneer u de elektrische achterruitverwarming deactiveert door de knop tweemaal snel
in te drukken, wordt de maximale ontwaseming met enige vertraging ingeschakeld om
een tijdelijke verhoging van de ventilatorstand
tegen te gaan.
Maximale ontwaseming activeren en
deactiveren vanaf middendisplay
1.
206
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
2.
Druk op Max.
> De maximale ontwaseming wordt geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 199)
KLIMAAT
Elektrische voorruitverwarming*
activeren en deactiveren
–
Druk meerdere keren op de knop om de drie
standen te doorlopen:
De elektrische voorruitverwarming dient om de
voorruit snel van condens en ijs te ontdoen.
•
elektrische voorruitverwarming geactiveerd
Elektrische voorruitverwarming
activeren en deactiveren vanaf
middenconsole
•
Elektrische voorruitverwarming en maximale ontwaseming geactiveerd
N.B.
Aan de beide uiteinden van de voorruit zitten
driehoekige gebieden zonder elektrische verwarming, zodat het ontdooien daar mogelijk
langer duurt.
Gedeactiveerd.
> De elektrische voorruitverwarming en
maximale ontwaseming worden geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
•
Op de middenconsole zit een fysieke knop waarmee u de elektrische voorruitverwarming direct
kunt bedienen.
N.B.
De elektrische voorruitverwarming kan de
prestaties van transponders en andere communicatie-apparatuur beïnvloeden.
Elektrische voorruitverwarming
activeren en deactiveren vanaf
middendisplay
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
Fysieke knop op de middenconsole.
2.
N.B.
Als u de elektrische voorruitverwarming activeert, wanneer Start/Stop de motor automatisch heeft afgezet, wordt de motor opnieuw
gestart.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 199)
Automatische inschakeling van elektrische
voorruitverwarming* activeren en deactiveren
(p. 208)
Druk op Elektrisch.
> De elektrische voorruitverwarming wordt
geactiveerd/gedeactiveerd en de knop
gaat branden/dooft.
* Optie/accessoire. 207
KLIMAAT
Automatische inschakeling van
elektrische voorruitverwarming*
activeren en deactiveren
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming activeren
en deactiveren
De elektrische voorruitverwarming dient om de
voorruit snel van condens en ijs te ontdoen.
De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming dient om de ruiten en buitenspiegels
snel van condens en ijs te ontdoen.
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische voorruitverwarming bij het starten
van de motor al dan niet geactiveerd moet zijn.
Met automatische inschakeling geactiveerd zal
de elektrische verwarming starten, wanneer er
gevaar bestaat voor ijsvorming of condens op de
ruit. De elektrische verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer de ruit warm
genoeg is en het ijs of de condens is verdwenen.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Automatische voorruitverwarming
om automatische inschakeling van elektrische voorruitverwarming te activeren/deactiveren.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming activeren en
deactiveren vanaf middenconsole
Elektrische voorruitverwarming* activeren en
deactiveren (p. 207)
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
2.
Druk op Achter.
> De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming worden geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 199)
Automatische inschakeling van elektrische
achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 209)
Fysieke knop op de middenconsole.
–
208
1.
Op de middenconsole zit een fysieke knop waarmee u de elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming direct kunt bedienen.
Gerelateerde informatie
•
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming activeren en
deactiveren vanaf middendisplay
Druk op de knop.
> De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming worden geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Automatische inschakeling van
elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming activeren
en deactiveren
Ventilatorstand voorin7 regelen
De ventilator is in te stellen op diverse automatisch geregelde8 ventilatorstanden voor de voorstoelen.
De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming dient om de ruiten en buitenspiegels
snel van condens en ijs te ontdoen.
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming bij het starten van de motor al dan niet
geactiveerd moet zijn. Met automatische inschakeling geactiveerd zal de elektrische verwarming
starten, wanneer er gevaar bestaat voor ijsvorming of condens op de ruit. De elektrische verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer de ruit warm genoeg is en het ijs of de condens is verdwenen.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Automatische achterruitverwarming
om automatische inschakeling van elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
te activeren/deactiveren.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
Ventilatorstandknoppen op klimaatscherm.
2.
Druk op de gewenste ventilatorstand: Off,
1-5 of Max.
> De ventilatorstand wordt aangepast,
waarna de knop voor de gekozen stand
gaat branden.
BELANGRIJK
Als de ventilator volledig uitstaat, start de airconditioning niet, waardoor er mogelijk condens aan de binnenkant van de ruiten
optreedt.
Gerelateerde informatie
•
7
8
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 208)
Bij 2-zoneregeling ook achterin.
Alleen bij elektronische klimaatregeling.
}}
209
KLIMAAT
||
N.B.
De klimaatregeling past de luchtstroom zo
nodig automatisch aan, wat betekent dat de
ventilatorsnelheid kan veranderen ondanks
dat de ventilatorstand ongewijzigd is.9
Temperatuur voorin10 regelen
De temperatuur voor de klimaatzones voorin is in
te stellen op het gewenste aantal graden11.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 199)
Temperatuurregeling13, 11.
2.
Regel de temperatuur door:
•
Temperatuurknoppen in het
1.
Druk op de temperatuurknop voor de linker
of rechter zone in het klimaatveld op het middendisplay om de bediening te openen.
9 Alleen bij elektronische klimaatregeling.
10 Bij 2-zoneregeling ook achterin.
11 Bij handmatige klimaatregeling verschijnt een schaalverdeling zonder graadaanduiding
12 Bij klimaatregeling met 1 zone zit de temperatuurknop rechts van de middelste knop.
13 Bij klimaatregeling met 1 zone verschijnt de regeling horizontaal in plaats van verticaal.
210
klimaatveld12, 11.
in plaats van de ingestelde temperatuur.
de bediening naar de gewenste temperatuur te slepen, of
op +/− te drukken om de temperatuur in
stapjes te verhogen/verlagen.
> De temperatuur wordt aangepast, waarna
de knop de ingestelde temperatuur aangeeft11.
•
KLIMAAT
N.B.
Het is niet mogelijk om het opwarmen/afkoelen te versnellen door een hogere/lagere
temperatuur te kiezen dan die eigenlijk
gewenst is.
Temperatuur synchroniseren14
De temperatuur in de verschillende klimaatzones
van de auto is te synchroniseren met de ingestelde temperatuur voor de bestuurderszijde.
neer u de temperatuurinstelling in een andere klimaatzone dan de bestuurderszone wijzigt.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 199)
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 199)
Synchronisatieknop op temperatuurregeling bestuurderszone.
1.
Druk op de temperatuurknop voor de
bestuurderszone in het klimaatveld op het
middendisplay om de regeling te openen.
2.
Druk op Temperatuur synchroniseren .
> De temperatuurinstelling voor alle klimaatzones van de auto wordt gesynchroniseerd met de ingestelde temperatuur voor
de bestuurderszone en naast de temperatuurknop staat het synchronisatiesymbool.
De synchronisatie stopt wanneer u nogmaals op
Temperatuur synchroniseren drukt of wan14
Niet beschikbaar bij klimaatregeling met 1 zone.
211
KLIMAAT
Airconditioning activeren en
deactiveren
N.B.
Het is niet mogelijk de airconditioning te activeren, wanneer de ventilatorknop in stand Off
staat.
De airconditioning koelt en droogt zo nodig de
binnenkomende lucht.
Bij een actieve airconditioning bepaalt de klimaatregeling op basis van de behoefte automatisch de tijdstippen voor in- en uitschakeling.
1.
2.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
Tik op AC.
> De airconditioning wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 199)
Parkeerklimaat*
Parkeerklimaat is een verzamelnaam voor verschillende functies die het klimaat in de passagiersruimte van een geparkeerde auto verbeteren, waaronder de preconditioning.
Functies die tot het parkeerklimaat
behoren zijn te regelen via tabblad
Parkeerklimaat op het klimaatscherm
op het middendisplay. Het klimaatscherm is te openen door op het symbool in het
midden van het klimaatveld te tikken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Klimaatregeling (p. 188)
Preconditioning* (p. 213)
Klimaatcomfort bij parkeren* (p. 217)
Symbolen en meldingen voor parkeerklimaat*
(p. 219)
N.B.
Sluit alle zijruiten en het panoramadak* voor
optimale werking van de airconditioning.
212
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Preconditioning*
Preconditioning* in- en uitschakelen
Preconditioning is een klimaatfunctie die, indien
mogelijk, probeert om vóór vertrek de comforttemperatuur in het interieur te bereiken.
Preconditioning verwarmt* of ventileert het interieur vóór het rijden, indien mogelijk. De functie is
vanaf het middendisplay of een mobiele telefoon
direct in te schakelen.
Preconditioning is direct in te schakelen of via
een timer te programmeren.
In- en uitschakelen vanuit de auto
De functie maakt afhankelijk van de situatie
gebruik van uiteenlopende systemen:
•
De standverwarming* warmt bij koud weer
het interieur op tot de comforttemperatuur.
1.
•
De ventilator koelt bij warm weer het interieur door lucht van buiten naar binnen te blazen.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
2.
Kies het tabblad Parkeerklimaat.
3.
Tik op Preconditioning.
> De preconditioning wordt ingeschakeld/
uitgeschakeld en de knop gaat branden/
dooft.
N.B.
Bij preconditioning van het interieur gaat het
erom de auto te verwarmen tot een behaaglijke temperatuur te brengen en tot de op de
klimaatregeling ingestelde temperatuur.
Gerelateerde informatie
•
•
•
15
Parkeerklimaat* (p. 212)
Preconditioning* in- en uitschakelen
(p. 213)
Timerinstelling voor preconditioning*
(p. 214)
Bepaalde markten.
N.B.
Houd de portieren en ruiten van de auto dicht
bij het gebruik van de preconditioning.
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
•
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden
uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, zaagsel en dergelijke
kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat
van de verwarming is geblokkeerd. Een
dikke laag sneeuw onder de voorkant van
de auto kan bijvoorbeeld de afvoer van de
verwarming onmogelijk maken.
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
Via de app starten*
Via een apparaat met de Volvo On Call-app* is
het mogelijk de preconditioning in te schakelen
én informatie te krijgen over de gekozen instellingen. De preconditioning verwarmt* het interieur
tot op de comforttemperatuur of ventileert het
interieur door buitenlucht naar binnen te blazen.
Preconditioning van het interieur is ook mogelijk
via de afstandsstart auto (Engine Remote Start –
ERS)15 via de Volvo On Call-app*.
}}
* Optie/accessoire. 213
KLIMAAT
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerklimaat* (p. 212)
Preconditioning* (p. 213)
Timerinstelling voor preconditioning*
(p. 214)
Timerinstelling voor
preconditioning*
U kunt de timer dusdanig instellen dat de preconditioning gereed is op een bepaald tijdstip.
De timer kan tot 8 verschillende instellingen hanteren voor:
•
•
Timerinstelling voor
preconditioning* toevoegen en
bewerken
De timer voor preconditioning kan tot 8 verschillende tijdstippen hanteren.
Tijdstip toevoegen
een tijdstip op een bepaalde datum
een tijdstip op een of meer dagen van de
week, voor eenmalige of terugkerende activering.
Gerelateerde informatie
•
•
214
Preconditioning* (p. 213)
Timerinstelling voor preconditioning* toevoegen en bewerken (p. 214)
•
Timerinstelling voor preconditioning* activeren en deactiveren (p. 216)
•
Timerinstelling voor preconditioning* verwijderen (p. 216)
De knop voor tijdstip toevoegen op het tabblad
Parkeerklimaat op het klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies het tabblad Parkeerklimaat.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
3.
Tik op Timer toevoegen.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
7.
N.B.
Het is niet mogelijk om meer tijdstippen te
programmeren, als er al 8 timerinstellingen
bestaan. Om een nieuw tijdstip te kunnen
toevoegen moet u eerst een ouder tijdstip
verwijderen.
4.
Tik op Datum om een tijdstip in te stellen
voor een bepaalde datum.
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
•
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden
uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, zaagsel en dergelijke
kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat
van de verwarming is geblokkeerd. Een
dikke laag sneeuw onder de voorkant van
de auto kan bijvoorbeeld de afvoer van de
verwarming onmogelijk maken.
Tik op Dagen om een tijdstip in te stellen
voor een of meer dagen van de week.
Met Dagen: Activeer/deactiveer de repeteerfunctie door het vakje voor Wekelijks
herhalen aan/uit te vinken.
5.
Met Datum: Kies een datum voor de preconditioning door met de pijltoetsen in de
datumlijst te bladeren.
Met Dagen: Kies een dag van de week voor
de preconditioning door op de knoppen voor
de dagen van de week te drukken.
6.
Stel het tijdstip in dat de preconditioning
moet zijn afgerond door te bladeren met de
pijltoetsen op de klok.
Tik op Bevestig om het ingestelde tijdstip
toe te voegen.
> Het ingestelde tijdstip wordt toegevoegd
aan de lijst en geactiveerd.
3.
Tik op het tijdstip dat u wilt wijzigen.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
4.
Bewerk het tijdstip op dezelfde manier als bij
"Tijdstip toevoegen" hierboven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Preconditioning* (p. 213)
Timerinstelling voor preconditioning* (p. 214)
Timerinstelling voor preconditioning* activeren en deactiveren (p. 216)
Timerinstelling voor preconditioning* verwijderen (p. 216)
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
Timerinstelling bewerken
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies het tabblad Parkeerklimaat.
* Optie/accessoire. 215
KLIMAAT
Timerinstelling voor
preconditioning* activeren en
deactiveren
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
Zo nodig kunt u een timertijdstip voor de preconditioning activeren of deactiveren.
216
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies het tabblad Parkeerklimaat.
3.
Activeer/deactiveer een tijdstip door op de
timerknop rechts van het desbetreffende tijdstip te drukken.
> Het ingestelde tijdstip wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden
uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, zaagsel en dergelijke
kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat
van de verwarming is geblokkeerd. Een
dikke laag sneeuw onder de voorkant van
de auto kan bijvoorbeeld de afvoer van de
verwarming onmogelijk maken.
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
Timerknoppen op het tabblad Parkeerklimaat op klimaatscherm.
1.
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Timerinstelling voor
preconditioning* verwijderen
Een timerinstelling voor de preconditioning die u
niet langer nodig hebt kunt u verwijderen.
De knop voor lijst bewerken/timerinstelling verwijderen
op het tabblad Parkeerklimaat op het klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
Preconditioning* (p. 213)
2.
Kies het tabblad Parkeerklimaat.
Timerinstelling voor preconditioning* (p. 214)
3.
Tik op Lijst bewerken.
Timerinstelling voor preconditioning* toevoegen en bewerken (p. 214)
4.
Druk op het verwijderingspictogram rechts in
de lijst.
> Het pictogram verandert in de tekst Wis.
5.
Druk ter bevestiging op Wis.
> Het ingestelde tijdstip wordt uit de lijst
verwijderd.
Timerinstelling voor preconditioning* verwijderen (p. 216)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Preconditioning* (p. 213)
Timerinstelling voor preconditioning* (p. 214)
Timerinstelling voor preconditioning* toevoegen en bewerken (p. 214)
Timerinstelling voor preconditioning* activeren en deactiveren (p. 216)
Klimaatcomfort bij parkeren*
Het interieurklimaat van de auto is tijdens het
parkeren nog enige tijd te handhaven, bijvoorbeeld als u of een of meer inzittenden na uitschakeling van de motor in de auto willen blijven
zitten en het klimaatcomfort wensen te handhaven.
Klimaatcomfort tijdens het
parkeren* inschakelen en
uitschakelen
Bij handhaving van het klimaatcomfort wordt na
afloop van een rit het interieurklimaat nog enige
tijd geregeld. De functie is vanaf het middendisplay direct in te schakelen.
Handhaving klimaatcomfort is alleen direct in te
schakelen.
De functie maakt afhankelijk van de situatie
gebruik van uiteenlopende systemen:
•
Bij koud weer wordt het interieur met de
restwarmte van de motor opgewarmd tot de
comforttemperatuur.
•
De ventilator koelt bij warm weer het interieur door lucht van buiten naar binnen te blazen.
N.B.
Handhaving klimaatcomfort wordt uitgeschakeld als de auto van buitenaf wordt vergrendeld om niet onnodig restwarmte te gebruiken. De functie dient om het klimaatcomfort
te behouden, wanneer u en/of passagiers in
de auto achterblijven.
Gerelateerde informatie
•
•
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay door op het symbool in het midden van
het klimaatveld te tikken.
2.
Kies het tabblad Parkeerklimaat.
3.
Tik op Handhaaf klimaatcomfort.
> Handhaving klimaatcomfort wordt ingeschakeld/uitgeschakeld en de knop gaat
branden/dooft.
N.B.
Het is niet mogelijk om de functie voor handhaving van het klimaatcomfort te starten, als
de restwarmte in de motor niet volstaat om
het interieurklimaat op peil te houden of als
de buitentemperatuur hoger is dan zo'n 20 °C
(68 °F).
Parkeerklimaat* (p. 212)
Klimaatcomfort tijdens het parkeren* inschakelen en uitschakelen (p. 217)
}}
* Optie/accessoire. 217
KLIMAAT
||
N.B.
Handhaving klimaatcomfort wordt uitgeschakeld als de auto van buitenaf wordt vergrendeld om niet onnodig restwarmte te gebruiken. De functie dient om het klimaatcomfort
te behouden, wanneer u en/of passagiers in
de auto achterblijven.
Gerelateerde informatie
•
218
Klimaatcomfort bij parkeren* (p. 217)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Symbolen en meldingen voor
parkeerklimaat*
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van
het parkeerklimaat.
Symbool
Meldingen ten aanzien van het parkeerklimaat
zijn ook weer te geven op een eenheid met de
Volvo On Call*-app.
Melding
Betekenis
Parkeerklimaat
Parkeerklimaat is defect. Bezoek een werkplaatsA om de werking zo spoedig mogelijk te laten controleren.
Service vereist
Parkeerklimaat
Tijdelijk niet beschikbaar
Parkeerklimaat
Niet beschikbaar, te laag brandstofniveau
Parkeerklimaat
Niet beschikbaar Laadniveau te laag
Parkeerklimaat
Beperkt beschikbaar. Laadniveau te
laag
A
Bij een actieve standverwarming brandt
dit symbool op het bestuurdersdisplay.
Parkeerklimaat is tijdelijk defect. Als het probleem aanhoudt, neem dan contact op met een werkplaatsA op het systeem te laten controleren.
Het parkeerklimaat is niet te activeren wanneer het brandstofpeil te gering is voor inschakeling van
de standverwarming*. Vul de brandstoftank bij.
Het parkeerklimaat is niet te activeren, wanneer de ladingsgraad van de startaccu te gering is voor
inschakeling van de standverwarming*. Start de motor.
De inschakelduur van het parkeerklimaat is beperkt, omdat de ladingsgraad van de startaccu te
laag is. Start de motor.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerklimaat* (p. 212)
* Optie/accessoire. 219
KLIMAAT
Verwarming*
De verwarming heeft twee deelfuncties die in
verschillende situaties helpen om het interieur of
de motor te verwarmen.
De verwarming heeft twee deelfuncties:
•
•
Standverwarming – verwarmt zo nodig het
interieur bij geactiveerde preconditioning.
N.B.
N.B.
Zorg ervoor dat het laadpercentage van de
accu hoog genoeg is als de verwarming moet
worden gebruikt.
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval dat u de verwarming nodig hebt.
Brandstof en tanken
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan vlam vatten. Schakel
voordat u gaat tanken de verwarming op
brandstof uit.
Extra verwarming – verwarmt zo nodig het
interieur en de motor tijdens het rijden.
Controleer op het informatiedisplay
of de verwarming is uitgeschakeld;
wanneer de standverwarming actief
is, brandt het bijbehorende symbool
op het informatiedisplay.
De verwarming werkt op brandstof en is in de
motorruimte gemonteerd.
N.B.
Wanneer de verwarming actief is, kan er rook
vanuit een punt onder aan de voorkant van de
auto komen. Ook is er wellicht een dof geluid
hoorbaar. Achter in de auto is ook een tikkend geluid vanuit de brandstofpomp waar te
nemen. Dit is volkomen normaal.
Accu en opladen
De verwarming wordt aangedreven door de startaccu van de auto. Als de ladingsgraad van de
startaccu te laag is, wordt de verwarming automatisch uitgeschakeld en geeft het bestuurdersdisplay een melding weer.
220
Gerelateerde informatie
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
De verwarming maakt gebruik van brandstof uit
de normale brandstoftank van de auto.
•
•
•
Klimaatregeling (p. 188)
Standverwarming* (p. 221)
Extra verwarming* (p. 222)
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert,
krijgt de verwarming mogelijk onvoldoende
brandstof.
Als het brandstofpeil in de tank te laag is, wordt
de verwarming automatisch uitgeschakeld en
geeft het bestuurdersdisplay een melding weer.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Standverwarming*
De standverwarming verwarmt indien nodig het
interieur bij geactiveerde preconditioning.
De standverwarming is een van twee deelfuncties
van de verwarming van de auto. De verwarming is
in de motorruimte gemonteerd.
Wanneer dit symbool brandt op het
bestuurdersdisplay, is de standverwarming mogelijk actief.
N.B.
Wanneer de verwarming actief is, kan er rook
vanuit een punt onder aan de voorkant van de
auto komen. Ook is er wellicht een dof geluid
hoorbaar. Achter in de auto is ook een tikkend geluid vanuit de brandstofpomp waar te
nemen. Dit is volkomen normaal.
De standverwarming start automatisch, als de
preconditioning* van de auto actief is en het interieur moet worden verwarmd.
De functie wordt automatisch uitgeschakeld,
wanneer het ingestelde tijdstip voor een timer of
de maximale inschakelduur voor de verwarming is
bereikt.
De verwarming werkt maximaal 30 minuten achtereen.
N.B.
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval dat u de standverwarming nodig hebt.
•
Zorg dat de ladingsgraad van de startaccu
hoog genoeg is, als de parkeerverwarming
moet worden gebruikt.
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden
uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, zaagsel en dergelijke
kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat
van de verwarming is geblokkeerd. Een
dikke laag sneeuw onder de voorkant van
de auto kan bijvoorbeeld de afvoer van de
verwarming onmogelijk maken.
BELANGRIJK
Als de standverwarming herhaaldelijk en in
combinatie met korte ritten wordt gebruikt,
ontlaadt de accu met startproblemen als
gevolg.
Om te zorgen dat de oplading van de accu in
balans is met het stroomverbruik van de
standverwarming moet u bij regelmatig
gebruik van de kachel net zo lang met de
auto rijden als dat de kachel wordt gebruikt.
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
WAARSCHUWING
Als u brandstof ruikt, abnormaal veel rook of
zwarte rook ziet of ongebruikelijke geluiden
vanuit de standverwarming waarneemt, moet
u de verwarming uitschakelen en zo mogelijk
de zekering van de standverwarming verwijderen. Volvo adviseert u om voor reparatie contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
}}
* Optie/accessoire. 221
KLIMAAT
||
Gerelateerde informatie
•
•
Verwarming* (p. 220)
Extra verwarming* (p. 222)
Extra verwarming*
Gerelateerde informatie
De extra verwarming helpt bij het verwarmen van
de passagiersruimte en de motor tijdens het rijden.
•
•
•
De extra verwarming is een van twee deelfuncties
van de verwarming van de auto. De verwarming is
in de motorruimte gemonteerd.
Verwarming* (p. 220)
Standverwarming* (p. 221)
Automatische inschakeling van extra verwarming activeren en deactiveren* (p. 223)
N.B.
Wanneer de verwarming actief is, kan er rook
vanuit een punt onder aan de voorkant van de
auto komen. Ook is er wellicht een dof geluid
hoorbaar. Achter in de auto is ook een tikkend geluid vanuit de brandstofpomp waar te
nemen. Dit is volkomen normaal.
De extra verwarming start en wordt automatisch
aangestuurd als tijdens het rijden verwarming
nodig is.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld,
wanneer de auto wordt uitgeschakeld.
N.B.
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval dat u de extra
verwarming nodig hebt.
222
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Automatische inschakeling van
extra verwarming activeren en
deactiveren*
De extra verwarming helpt bij het verwarmen van
de passagiersruimte en de motor tijdens het rijden.
U kunt de automatische inschakeling van de
extra verwarming desgewenst activeren/deactiveren.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op Klimaat.
3.
Kies Extra verwarming voor activeren/
deactiveren automatische inschakeling van
extra verwarming.
N.B.
Volvo adviseert u om de automatische start
van de extra verwarming uit te schakelen tijdens korte ritten.
Gerelateerde informatie
•
Extra verwarming* (p. 222)
* Optie/accessoire. 223
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Vergrendelingsindicatie
De alarmlichten knipperen bij vergrendeling of
ontgrendeling van de auto.
Vergrendelings- en alarmindicatie op
het dashboard
Led in vergrendelingsknoppen
De vergrendelings- en alarmindicatie laat de status van het vergrendelingssysteem zien:
Vergrendelingsknoppen met led in voorportier.
Voorportier
Indicatie exterieur
Vergrendeling
•
Bij vergrendeling knipperen de alarmlichten
van de auto eenmaal en daarnaast worden
de buitenspiegels ingeklapt1.
Ontgrendelen
•
Bij ontgrendeling knipperen de alarmlichten
van de auto tweemaal en daarnaast worden
de buitenspiegels uitgeklapt1.
Om aan te geven dat de auto vergrendeld is,
moeten alle portieren, de achterklep en de
motorkap dichtstaan. Als er wordt vergrendeld
terwijl alleen het bestuurdersportier dichtstaat2,
vindt er vergrendeling plaats maar de alarmlichten geven pas aan dat er vergrendeling heeft
plaatsgevonden nadat alle portieren, de achterklep en de motorkap dichtstaan.
1
2
226
•
Eenmaal lang knipperen betekent dat er
wordt vergrendeld.
•
Snel knipperen betekent dat de auto is vergrendeld.
•
Snel knipperen na uitschakeling van het
alarm* geeft aan dat het alarm is afgegaan.
Als de led in de desbetreffende vergrendelingsknop van de voorportieren brandt, betekent dit
dat alle portieren zijn vergrendeld. Als er een portier wordt geopend, gaat het lampje in beide portieren uit.
Alleen een auto met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Geldt niet voor auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling*.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Achterportier*
Instelling voor
vergrendelingsbevestiging
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelingsindicatie (p. 226)
In het instellingsmenu van het middendisplay
kunt u verschillende alternatieven kiezen voor de
wijze waarop de auto bevestigt dat er is vergrendeld en ontgrendeld.
Om de instelling voor vergrendelingsbevestiging
te wijzigen:
Vergrendelingsknop met controlelampje in achterportier.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
3.
Tik op Visuele vergrendelingsfeedback
om de situaties te kiezen waarin de auto een
duidelijke bevestiging moet geven:
Als de led in de desbetreffende vergrendelingsknop van de portieren brandt, betekent dit dat het
desbetreffende portier is vergrendeld. Als er een
portier wordt ontgrendeld, gaat het bijbehorende
lampje uit terwijl de overige lampjes blijven branden.
Vergrendeling.
• Vergrend.
• Ontgrendel
• Beide
Of schakel de functie uit door Uit te markeren.
Overige indicaties
Ook de Follow Me Home-verlichting en de
Approach-verlichting worden mogelijk geactiveerd bij vergrendeling en ontgrendeling.
Om de instelling voor de inklapbare buitenspiegels* bij vergrendeling te wijzigen:
Gerelateerde informatie
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
3.
Kies Spiegel inklappen bij vergrendelen
om de functie te activeren of te deactiveren.
•
Instelling voor vergrendelingsbevestiging
(p. 227)
•
•
Approach-verlichting (p. 150)
Follow Me Home-verlichting gebruiken
(p. 149)
Spiegels en Comfort.
* Optie/accessoire. 227
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
een transpondersleutel
Met de transpondersleutel zijn de portieren, de
achterklep en de tankvulklep te vergrendelen en
ontgrendelen. De transpondersleutel moet in de
auto aanwezig zijn om deze te kunnen starten.
en lichtere transpondersleutel zonder knoppen
(Key Tag) geleverd.
tankvulklep ontgrendeld en wordt het alarm
gedeactiveerd.
De transpondersleutels zijn te koppelen aan verschillende bestuurdersprofielen om persoonlijke
instellingen voor de auto op te slaan.
Bij lang indrukken worden alle ruiten tegelijkertijd gesloten. Deze doorluchtfunctie is
onder te meer te gebruiken om de auto bij
warm weer snel te luchten.
Knoppen op transpondersleutel
Transpondersleutel3 of transpondersleutel zonder knoppen (Key Tag)*.
U gebruikt de transpondersleutel niet actief bij
het starten, omdat een auto in standaarduitvoering is uitgerust met ondersteuning voor passief
starten (Passive Start). Het is voldoende als de
sleutel zich voor in het interieur bevindt.
Bij auto's met passieve vergrendeling en ontgrendeling (Passive Entry)* is de auto altijd te
starten, ongeacht waar de sleutel zich in de auto
bevindt. In dat geval wordt ook een wat kleinere
3
228
De transpondersleutel heeft vier knoppen - een aan de
linker- en drie aan de rechterzijde.
Vergrendelen – Bij eenmaal indrukken
worden alle portieren, de achterklep en de
tankvulklep vergrendeld en wordt het alarm*
geactiveerd.
Bij lang indrukken worden alle ruiten en het
panoramadak* tegelijkertijd gesloten.
Achterklep – Ontgrendelt alleen de achterklep en deactiveert de alarmfunctie voor de
achterklep. Bij auto's met elektrische achterklepbediening* is de achterklep automatisch
te openen bij lang indrukken. De achterklep
is in het gegeven geval ook te sluiten door
lang indrukken – er klinken waarschuwingssignalen.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken. Als
u de knop ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen 3
seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon
geactiveerd. U kunt deze functie met
dezelfde toets weer uitschakelen, als de
functie minimaal 5 seconden actief geweest
is. Anders wordt deze functie na zo'n 3 minuten automatisch uitgeschakeld.
Ontgrendelen – Bij eenmaal indrukken
worden alle portieren, de achterklep en de
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
WAARSCHUWING
Als iemand in de auto achterblijft, moet u bij
het verlaten van de auto altijd de elektrisch
bedienbare ruiten en het panoramadak*
stroomloos maken door de transpondersleutel
mee te nemen.
tel heeft echter geen uitneembare sleutelblad en
de batterij is niet te vervangen.
Storingen
De passieve startfunctie van de transpondersleutel en de optie passief vergrendelen en ontgrendelen* ondervinden mogelijk storingen door elektromagnetische velden en afschermingen.
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met de
transpondersleutel nog in de auto.
•
Wanneer u de auto vergrendelt en het
alarm inschakelt met een geldige transpondersleutel, wordt een eventuele
andere transpondersleutel of een transpondersleutel zonder knoppen in de auto
gedeactiveerd. Ook de "Safelock-functie"
wordt gedeactiveerd. De gedeactiveerde
sleutel wordt opnieuw geactiveerd bij ontgrendeling van de auto.
Transpondersleutel zonder knoppen
(Key Tag)*
De transpondersleutel zonder knoppen die bij
een auto met passieve vergrendeling en ontgrendeling wordt geleverd, werkt op dezelfde manier
als de standaardtranspondersleutel wat de passieve vergrendeling en ontgrendeling betreft. De
sleutel is waterdicht tot een diepte van zo'n 10
meter (30 feet) gedurende 60 minuten. De sleu-
N.B.
Bewaar de transpondersleutel niet te dicht in
de buurt van metalen voorwerpen of elektronische apparaten zoals mobiele telefoons,
tablets, laptops of laders – op een afstand
kleiner dan 10-15 cm (4-6 inch).
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 230)
•
•
Bereik transpondersleutel (p. 232)
•
•
•
Afneembaar sleutelblad (p. 236)
Batterij in transpondersleutel vervangen
(p. 233)
Elektronische startblokkering (p. 239)
Transpondersleutel koppelen aan bestuurdersprofiel (p. 131)
Als er toch storingen mochten optreden, gebruikt
u het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de auto te ontgrendelen en u
plaatst de sleutel vervolgens in de back-uplezer
in het opbergvak om het alarmsysteem van de
auto te deactiveren.
N.B.
Zorg ervoor dat er geen andere autosleutels,
metalen voorwerpen of elektronische apparaten (zoals mobiele telefoons, tablets, laptops
of laders) op de back-uplezer in het opbergvak liggen, wanneer u de transpondersleutel
erin plaatst. Als er meerdere sleutels in het
opbergvak liggen, kunnen deze elkaar storen.
* Optie/accessoire. 229
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Vergrendelen en ontgrendelen met
transpondersleutel
N.B.
Wanneer de transpondersleutel niet
werkt
Let op het gevaar voor buitensluiten met de
transpondersleutel nog in de auto.
Met de knoppen op de transpondersleutel kunt
u alle portieren, de achterklep en de tankvulklep
gelijktijdig vergrendelen en ontgrendelen.
•
Vergrendelen met transpondersleutel
Wanneer u de auto vergrendelt en het
alarm inschakelt met een geldige transpondersleutel, wordt een eventuele
andere transpondersleutel of een transpondersleutel zonder knoppen in de auto
gedeactiveerd. Ook de "Safelock-functie"
wordt gedeactiveerd. De gedeactiveerde
sleutel wordt opnieuw geactiveerd bij ontgrendeling van de auto.
N.B.
Ga altijd dichter bij de auto staan en probeer
dan opnieuw te ontgrendelen.
Als vergrendelen of ontgrendelen via de transpondersleutel niet mogelijk is, is de batterij
mogelijk leeg – vergrendel of ontgrendel het
bestuurdersportier dan met het afneembare sleutelblad.
Gerelateerde informatie
Ontgrendelen met transpondersleutel
•
Druk voor ontgrendeling van de auto op de
-knop van de transpondersleutel.
Instellingen voor ontgrendeling op afstand en
van de binnenzijde (p. 231)
•
Achterklep ontgrendelen met transpondersleutel (p. 231)
•
•
een transpondersleutel (p. 228)
•
Vergrendelen en ontgrendelen met afneembaar sleutelblad (p. 237)
–
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van
het model afwijkingen mogelijk zijn.
–
Druk voor vergrendeling van de auto op de
-knop van de transpondersleutel.
Vergrendeling is alleen mogelijk, als alle portieren
en de achterklep dichtstaan.
230
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na ontgrendeling van de
buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden deze automatisch weer vergrendeld. Deze
functie beperkt de kans dat u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten staan.
Batterij in transpondersleutel vervangen
(p. 233)
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Instellingen voor ontgrendeling op
afstand en van de binnenzijde
Achterklep ontgrendelen met
transpondersleutel
U kunt verschillende procedures voor externe
ontgrendeling kiezen.
Met een knop op de transpondersleutel is het
mogelijk alleen de achterklep te ontgrendelen.
1.
De zijportieren blijven vergrendeld en het
alarm op de portieren blijft actief*. De vergrendelings- en alarmindicatie op het
dashboard dooft om aan te geven dat niet
alle delen van de auto zijn vergrendeld.
Om de instelling te wijzigen:
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car Vergrendeling Op
afstand en van binnenuit ontgrendelen.
3.
Kies een alternatief:
Raak het met rubber beklede drukplaatje
onder aan de handgreep van de achterklep voorzichtig aan om de achterklep te
openen. Als de achterklep niet binnen
2 minuten na ontgrendeling wordt
geopend, wordt de klep weer vergrendeld
en het alarm opnieuw geactiveerd.
• Alle portieren – ontgrendelt alle portieren tegelijkertijd.
• Een portier – ontgrendelt alleen het
bestuurdersportier. Om alle portieren te
ontgrendelen moet u de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel tweemaal
indrukken.
2.
Gerelateerde informatie
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 230)
•
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 254)
Met de optie elektrische achterklepbediening* Druk lang (zo'n 1,5 seconde) op de knop
van de transpondersleutel
> De achterklep wordt ontgrendeld en
geopend, terwijl de zijportieren vergrendeld blijven en het alarm op de portieren
actief blijft.
De instellingen die u hier verricht zijn ook van
invloed op de centrale vergrendeling via de openingsgreep aan de binnenzijde.
•
op de transponderDruk op de knop
sleutel.
> De achterklep wordt ontgrendeld maar
blijft dichtstaan.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 230)
•
Elektrisch bedienbare achterklep* openen en
sluiten (p. 258)
* Optie/accessoire. 231
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Bereik transpondersleutel
Voor een goede werking van de transpondersleutel moet de sleutel zich binnen een bepaalde
afstand van de auto bevinden.
van zo'n 1,5 meter (5 voet) rond de zijkanten of
zo'n 1 meter (3 voet) rond de achterklep van de
auto bevinden.
Er kunnen storingen optreden in de transpondersleutelfuncties door radiogolven in de
lucht, omringende gebouwen, topografische
omstandigheden e.d. Het is altijd mogelijk de
auto te vergrendelen/ontgrendelen met het
sleutelblad.
De transpondersleutelfuncties voor bijvoorbeeld
vergrendeling en ontgrendeling die worden geacof
, werken
tiveerd bij het indrukken van
binnen een straal van zo'n 20 meter (65 voet)
rond de auto.
Bij passief* gebruik
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige zones* (p. 250)
N.B.
Bij handmatig gebruik
Als de auto niet reageert bij bediening van een
knop – probeer het dan op minder grote afstand
opnieuw.
•
Bij verwijdering van de
transpondersleutel uit de auto
Als de transpondersleutel bij een draaiende motor uit de auto wordt verwijderd, verschijnt de waarschuwingsmelding Sleutel niet gevonden Uit auto
verwijderd op het bestuurdersdisplay en klinkt
er als het laatste portier wordt gesloten ter herinnering ook een geluidssignaal.
De melding verdwijnt wanneer u, nadat de transpondersleutel weer in de auto aanwezig is, op de
knop O van de rechter stuurknoppenset drukt of
wanneer u het laatste portier weer sluit.
Gerelateerde informatie
Voor passieve vergrendeling/ontgrendeling moet
een transpondersleutel of de transpondersleutel
zonder knoppen Key Tag zich binnen een straal
232
•
•
een transpondersleutel (p. 228)
Locatie antennes voor start- en vergrendelingssysteem (p. 253)
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Batterij in transpondersleutel
vervangen
Vervang de batterij in de transpondersleutel
wanneer deze leeg is.
N.B.
Alle accu's hebben een beperkte levensduur
en moeten uiteindelijk worden vervangen
(geldt niet voor Key Tag). De levensduur van
de accu hangt af van het feit hoe vaak de
auto/sleutel wordt gebruikt.
N.B.
Ga altijd dichter bij de auto staan en probeer
dan opnieuw te ontgrendelen.
De batterij in de transpondersleutel zonder knoppen4 (Key Tag) kan niet worden vervangen - een
nieuwe sleutel is te bestellen bij een erkende
Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Lever een uitgediende Key Tag in bij een
erkende Volvo-werkplaats. De sleutel moet uit
de auto worden gewist, omdat die nog steeds
kan worden gebruikt om de auto te starten
met back-upstart.
U moet de batterij in de transpondersleutel vervangen in de volgende gevallen
•
het informatiesymbool gaat branden en de
melding Batt. sleutel bijna leeg op het
bestuurdersdisplay verschijnt
•
de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van
20 meter (65 voet) rond de auto bevindt.
4
Bij auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling*.
Sleutel openen en batterij vervangen
Houd de transpondersleutel met de voorzijde zichtbaar en het logo van Volvo naar de
juiste kant. Schuif de knop bij de sleutelring
aan de onderkant naar rechts. Schuif de
behuizing aan de voorkant een paar millimeter omhoog.
De behuizing komt los en is van de sleutel te nemen.
}}
* Optie/accessoire. 233
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Keer de sleutel om, beweeg de knop
opzij en schuif de behuizing van de achterkant enkele millimeters omhoog.
De behuizing komt los en is van de sleutel te nemen.
Gebruik bijvoorbeeld een schroevendraaier
om het batterijklepje linksom te kunnen
draaien, zodat deze markering uitkomt bij de
tekst OPEN.
Verwijder voorzichtig het batterijklepje door
bijvoorbeeld uw nagel in de uitsparing te
drukken.
Werk het batterijklepje vervolgens naar
boven toe los.
234
De +-kant van de batterij wijst naar boven.
Wrik vervolgens de batterij voorzichtig los
zoals op de afbeelding.
BELANGRIJK
Raak nieuwe accu's en hun contactvlakken
niet met uw vingers aan, aangezien de werking hierdoor verslechtert.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
N.B.
Volvo adviseert u om batterijen voor de transpondersleutel te gebruiken die voldoen aan
UN Manual of Test and Criteria, Part III, subsection 38.3. Voor batterijen die in de fabriek
zijn geplaatst of in een erkende Volvo-werkplaats zijn vervangen is dit het geval.
Plaats een nieuwe batterij met de pluszijde
(+) omhoog. Vermijd de batterijcontacten van
de transpondersleutel met uw vingers aan te
raken.
Plaats de behuizing aan de achterkant
terug en druk die omlaag totdat u een klik
hoort.
Schuif daarna de behuizing terug.
> Nog een klik geeft aan dat de behuizing
weer in positie vastzit.
Plaats de batterij met de kant omlaag in
de houder. Schuif de batterij daarna naar
voren, zodat deze vast komt te zitten onder
de twee kunststof pallen.
Druk de batterij vervolgens omlaag, zodat
deze vast komt te zitten onder de bovenste
zwarte kunststof pal.
Plaats het batterijklepje terug en draai de
markering rechtsom terug naar de tekst
CLOSE.
N.B.
Gebruik batterijen met de aanduiding
CR2032, 3 V.
}}
235
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Meer transpondersleutels
nabestellen
||
Bij de auto worden twee transpondersleutels
geleverd. Bij een auto met passieve vergrendeling/ontgrendeling* wordt een transpondersleutel zonder knoppen geleverd. Er zijn meer sleutels bij te stellen.
Keer de transpondersleutel om en plaats
de behuizing aan de voorkant terug door
deze omlaag te drukken totdat u een klik
hoort.
Schuif daarna de behuizing terug.
> Nog een klik geeft aan dat de behuizing
in positie zit.
BELANGRIJK
Let erop dat lege batterijen op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt.
Gerelateerde informatie
•
een transpondersleutel (p. 228)
Voor dezelfde auto kunnen maximaal twaalf sleutels worden geprogrammeerd en gebruikt. Bij
nabestellen worden er meer bestuurdersprofielen
toegevoegd – één per nieuwe transpondersleutel.
Dit geldt ook voor de transpondersleutel zonder
knoppen.
Zoekgeraakte transpondersleutel
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u een
nieuwe bestellen bij een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Neem de resterende transpondersleutels mee
naar de werkplaats. Ter preventie van diefstal
moet de code van de zoekgeraakte sleutel uit het
systeem worden gewist.
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren via de bestuurdersprofielen op het hoofdscherm van het middendisplay: kies Instellingen Systeem
Bestuurdersprofielen.
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad, waarmee u een aantal functies kunt activeren en bepaalde handelingen
kunt uitvoeren.
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Toepassingsgebieden van het
sleutelblad
U kunt het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel gebruiken om
•
het linker voorportier5 handmatig te openen,
als de centrale vergrendeling niet te bedienen is vanaf de transpondersleutel
•
alle portieren in noodgevallen te vergrendelen
•
het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren en deactiveren.
De transpondersleutel zonder knoppen6 heeft
geen afneembaar sleutelblad. Gebruik zo nodig
het afneembare sleutelblad van de standaardtranspondersleutel.
Gerelateerde informatie
•
5
6
236
een transpondersleutel (p. 228)
Dit geldt ongeacht of het stuur van de auto aan de linker- of de rechterzijde zit.
Bij auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling*.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Vergrendelen en ontgrendelen met
afneembaar sleutelblad
Sleutelblad verwijderen
Het afneembare sleutelblad is onder meer te
gebruiken om de auto van de buitenzijde te ontgrendelen – als bijvoorbeeld de batterij in de
transpondersleutel leeg is.
Zet het sleutelblad na gebruik op de daarvoor bestemde plaats terug in de transpondersleutel.
Houd de transpondersleutel met de voorzijde zichtbaar en het logo van Volvo naar de
juiste kant. Schuif de knop bij de sleutelring
aan de onderkant naar rechts. Schuif de
behuizing aan de voorkant een paar millimeter omhoog.
Plaats de behuizing terug door deze
omlaag te drukken totdat u een klik hoort.
Schuif daarna de behuizing terug.
> Nog een klik geeft aan dat de behuizing
in positie zit.
De behuizing komt los en is van de sleutel te nemen.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen met afneembaar sleutelblad (p. 237)
•
een transpondersleutel (p. 228)
Verwijder het sleutelblad door het
omhoog te kantelen.
}}
237
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Ontgrendelen
Alarm uitschakelen*
N.B.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendelt en vervolgens opent, gaat het
alarm af.
Plaats de sleutel in de slotcilinder.
7
238
Positie back-uplezer in opbergvak.
Schakel het alarm uit door:
1.
Plaats de transpondersleutel op het sleutelsymbool in de back-uplezer, die in het
opbergvak van de tunnelconsole zit.
2.
Druk op de startknop.
> Het alarmsignaal valt stil en het alarm
wordt uitgeschakeld.
Trek de handgreep naar buiten.
> Het portier wordt ontgrendeld.
Het vergrendelen gaat op dezelfde manier. Daarbij wordt dan bij stap (3) 45 graden linksom
gedraaid in plaats van rechtsom.
Het linker voorportier is te vergrendelen met de
bijbehorende slotcilinder en het afneembare
sleutelblad.
De portieren zijn echter nog steeds vanaf de binnenzijde te openen.
Draai 45 graden rechtsom. Het sleutelblad
wijst dan recht omlaag.
5.
U kunt de auto ook vergrendelen met het
afneembare sleutelblad van de transpondersleutel: bij stroomuitval bijvoorbeeld of als de batterij
in de transpondersleutel leeg is.
De overige portieren hebben geen slotcilinders,
maar zijn voorzien van een vergrendeling op de
zijkant van het portier die moet worden ingedrukt
met het sleutelblad, waarna het portier mechanisch is vergrendeld en niet meer van de buitenzijde kan worden geopend.
Trek de voorste portiergreep links naar buiten7 totdat deze niet verder kan. De slotcilinder komt dan tevoorschijn.
Draai de sleutel 45 graden terug naar de
beginstand. Neem de sleutel uit de slotcilinder en laat de handgreep los, zodat de achterkant van de handgreep weer tegen de
auto aan veert.
Vergrendelen
Dit geldt ongeacht of het stuur van de auto links of rechts zit.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Portier handmatig vergrendelen. Niet te verwarren met
het kinderslot.
–
Verwijder het afneembare sleutelblad uit de
transpondersleutel. Steek het sleutelblad in
de vergrendelopening en druk de sleutel er
helemaal in, ca. 12 mm (0,5 inch).
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
Het portier is niet vanaf de buitenzijde te
openen. Om terug te keren naar stand A
moet de binnengreep van het portier worden
geopend.
Elektronische startblokkering
•
De vergrendeling van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet alle portieren.
De elektronische startblokkering is een anti-diefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de
auto kunnen starten.
•
Een handmatig vergrendeld achterportier
waarvan ook het mechanische kinderslot
geactiveerd is, kan niet van de binnenzijde noch van de buitenzijde worden
geopend. Een achterportier dat op die
manier is vergrendeld, kan alleen worden
ontgrendeld met een transpondersleutel
of de knop van de centrale vergrendeling.
De auto kan alleen worden gestart met de juiste
transpondersleutel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
De portieren zijn ook te ontgrendelen met de
ontgrendelingsknop op de transpondersleutel of
de knop voor centrale vergrendeling op het
bestuurdersportier.
8 Alleen
N.B.
bepaalde markten en uitsluitend in combinatie met Volvo On Call.
Afneembaar sleutelblad (p. 236)
Alarm* activeren en deactiveren (p. 266)
Batterij in transpondersleutel vervangen
(p. 233)
een transpondersleutel (p. 228)
De volgende foutmelding op het bestuurdersdisplay houdt verband met de elektronische startblokkering:
Symbool
Melding
Betekenis
Sleutel
niet
gevonden
Fout bij het uitlezen
van de transpondersleutel tijdens het
starten – plaats de
sleutel op het sleutelsymbool in het
opbergvak en probeer het opnieuw.
Zie handleiding
Op afstand bediende startblokkering
met opsporingssysteem8
De auto is uitgerust met een systeem waarmee
het mogelijk is om de auto op te sporen en te
lokaliseren alsmede op afstand de startblokkering te activeren zodat de motor niet meer te
starten is. Neem contact op met de dichtstbijzijnde Volvo-dealer voor meer informatie over het
systeem en hulp bij de activering ervan.
}}
* Optie/accessoire. 239
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
De volgende foutmelding op het bestuurdersdisplay houdt verband met de op afstand bediende
startblokkering met opsporingssysteem:
Symbool
Melding
Betekenis
Immobilisatie op
afst.
De op afstand
bediende startblokkering met opsporingssysteem is
geactiveerd. De
auto is niet te starten. Neem contact
op met de Volvo On
Call-helpdesk.
Auto kan
niet worden
gestart
Gerelateerde informatie
•
•
240
een transpondersleutel (p. 228)
Meer transpondersleutels nabestellen
(p. 236)
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Typegoedkeuring voor
transpondersleutels
De typegoedkeuring voor de transpondersleutels
van de auto staan in de volgende tabellen.
Passief starten (Passive Start) en
passieve vergrendeling/ontgrendeling
(Passive Entry*)
Voor meer informatie over de typegoedkeuring,
zie support.volvocars.com.
CEM-markering voor transpondersleutels. Zie de volgende tabellen voor aanvullende typegoedkeuringsnummers.
Land/regio
Typegoedkeuring
Europa
Delphi Deutschland GmbH, 42367 Wuppertal, verklaart bij dezen dat de
CV1-134TRX in overeenstemming is met de essentiële eisen en overige
toepasselijke bepalingen van de Richtlijn 2014/53/EU (RED).
De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring is te vinden op
support.volvocars.com.
Jordanië
TRC/LPD/2014/250
Servië
P1614120100
Argentinië
CNC ID: C-14771
}}
* Optie/accessoire. 241
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Land/regio
Typegoedkeuring
Brazilië
MT-3245/2015
Indonesië
Nomor: 38301/SDPPI/2015
Maleisië
RAAT/37A/1215/S(15-5198)
Mexico
IFETEL: RLVDEVO15-0396
Rusland
Verenigde Arabische
Emiraten
242
ER37847/15
DA0062437/11
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Namibië
TA-2016-02
Zuid-Afrika
TA-2014-1868
een transpondersleutel
Land/regio
Typegoedkeuring
Europa
Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG verklaart bij dezen dat de radioapparatuur van
het type HUF8423 in overeenstemming is met de Richtlijn 2014/53/EU.
De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring is te vinden op
support.volvocars.com.
Frequentieband: 433,92 MHz
Uitgezonden maximaal radiofrequent vermogen: 10 mW
Producent: Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG, Steeger Str. 17, 42551 Velbert,
Duitsland
Jordanië
TRC/LPD/2015/104
}}
243
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Land/regio
Typegoedkeuring
Marokko
AGREE PAR L'ANRT MAROC
Numéro d’agrément: MR 10668 ANRT 2015
Date d’agrément: 24/07/2015
Mexico
IFETEL
Marca: HUF
Modelo (s): HUF8423
NOM-121-SCT1-2009
La operación de este equipo está sujeta a las siguientes dos condiciones: (1) es
posible que este equipo o dispositivo no cause interferencia perjudicial y (2) este
equipo o dispositivo debe aceptar cualquier interferencia, incluyendo la que pueda
causar su operación no deseada.
Namibië
244
TA-2015-102
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Oman
Servië
}}
245
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Land/regio
Typegoedkeuring
Zuid-Afrika
TA-2015-432
Verenigde Arabische Emiraten
Key Tag
Land/regio
Typegoedkeuring
Europa
Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG verklaart bij dezen dat de radioapparatuur van
het type HUF8432 in overeenstemming is met de Richtlijn 2014/53/EU.
De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring is te vinden op
support.volvocars.com.
Frequentieband: 433,92 MHz
Uitgezonden maximaal radiofrequent vermogen: 10 mW
Producent: Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG, Steeger Str. 17, 42551 Velbert,
Duitsland
Jordanië
246
TRC/LPD/2015/107
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Marokko
AGREE PAR L'ANRT MAROC
Numéro d’agrément: MR 10667 ANRT 2015
Date d’agrément: 24/07/2015
Mexico
IFETEL
Marca: HUF
Modelo (s): HUF8432
NOM-121-SCT1-2009
La operación de este equipo está sujeta a las siguientes dos condiciones: (1) es
posible que este equipo o dispositivo no cause interferencia perjudicial y (2) este
equipo o dispositivo debe aceptar cualquier interferencia, incluyendo la que pueda
causar su operación no deseada.
Namibië
TA-2015-103
}}
247
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Land/regio
Oman
Servië
248
Typegoedkeuring
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Zuid-Afrika
TA-2015-414
Verenigde Arabische Emiraten
Gerelateerde informatie
•
een transpondersleutel (p. 228)
249
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Keyless vergrendeling/
ontgrendeling en aanraakgevoelige
zones*
Dankzij de passieve vergrendeling en ontgrendeling hoeft u de transpondersleutel alleen in een
binnenzak of tas bij u te dragen. De auto wordt
vergrendeld of ontgrendeld via een aanraakgevoelige zone op de portiergreep.
N.B.
Het is belangrijk dat u slechts één aanraakgevoelig vlak tegelijk aanraakt. Als u de handgreep beetpakt terwijl u het slotoppervlak
aanraakt, bestaat het risico van dubbele commando's. Dat betekent dat de verlangde activiteit (vergrendelen/ontgrendelen) niet of met
vertraging zal plaatsvinden.
Gerelateerde informatie
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 251)
•
Achterklep passief ontgrendelen* (p. 252)
Aanraakgevoelige zones
Portiergrepen
Aan de buitenkant van de portiergrepen zit een
verdieping voor vergrendeling en aan de binnenkant een aanraakgevoelige zone voor ontgrendeling.
Aanraakgevoelige holte voor vergrendeling
Aanraakgevoelige zone voor ontgrendeling
250
Handgreep van de achterklep
De handgreep van de achterklep heeft een met
rubber bekleed drukplaatje, dat alleen voor ontgrendeling dient.
N.B.
Let erop dat het systeem kan worden geactiveerd bij het wassen van de auto als de transpondersleutel binnen bereik is.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Passief vergrendelen en
ontgrendelen*
Bij een auto met passieve vergrendeling en ontgrendeling hoeft u voor het ontgrendelen van de
auto alleen op de aanraakgevoelige zone van de
handgreep van het portier te drukken.
N.B.
Vergrendeling en ontgrendeling zijn alleen
mogelijk wanneer een van de transpondersleutels van de auto zich binnen bereik bevindt.
Aanraakgevoelige holte voor vergrendeling
Aanraakgevoelige zone voor ontgrendeling
9
Geldt bij elektrische achterklepbediening*.
N.B.
Let erop dat het systeem kan worden geactiveerd bij het wassen van de auto als de transpondersleutel binnen bereik is.
Passief vergrendelen
Alle portieren en de achterklep moeten dichtstaan om de auto te vergrendelen via de handgrepen van de zijportieren.
–
Passief ontgrendelen
–
Pak een portiergreep beet of druk voor ontgrendeling lichtjes op het met rubber
beklede drukplaatje aan de onderzijde van de
handgreep van de achterklep.
> De vergrendelingsindicatie op het dashboard bevestigt dat de auto is ontgrendeld door te stoppen met knipperen.
Raak na het sluiten van het portier het
gemarkeerde gebied aan de achter- en buitenkant van een de portiergrepen aan. Of
aan de onderzijde9 van
druk op de knop
de achterklep voordat u de klep sluit.
> De vergrendelingsindicatie op het dashboard bevestigt door te gaan knipperen
dat er vergrendeling heeft plaatsgevonden.
Om alle zijruiten en het panoramadak* tegelijkertijd te sluiten moet u uw vinger in de aanraakgevoelige holte aan de buitenkant van de portiergreep houden totdat de zijruiten en het panoramadak dichtstaan.
Het met rubber beklede drukplaatje op de achterklep is
alleen te gebruiken voor ontgrendeling.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na ontgrendeling van de
buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden deze automatisch weer vergrendeld. Deze
functie beperkt de kans dat u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten staan.
}}
* Optie/accessoire. 251
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Gerelateerde informatie
•
Instellingen voor passieve ontgrendeling*
(p. 252)
•
•
Achterklep passief ontgrendelen* (p. 252)
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige zones* (p. 250)
Instellingen voor passieve
ontgrendeling*
U kunt verschillende procedures voor passieve
ontgrendeling kiezen.
Om de instelling te wijzigen:
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car Vergrendeling
Sleutelloos ontgrendelen
3.
Kies een alternatief:
Achterklep passief ontgrendelen*
Bij een auto met passieve vergrendeling en ontgrendeling hoeft u voor het ontgrendelen van de
achterklep alleen op de aanraakgevoelige zone
van de handgreep van de achterklep te drukken.
N.B.
Ontgrendeling is alleen mogelijk wanneer een
van de transpondersleutels van de auto zich
binnen bereik achter de auto bevindt.
• Alle portieren – ontgrendelt alle portieren tegelijkertijd.
• Een portier – ontgrendelt het gekozen
portier.
Gerelateerde informatie
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 251)
•
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige zones* (p. 250)
De achterklep wordt dichtgehouden door een
elektrische vergrendeling.
252
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Om te openen:
Gerelateerde informatie
1.
Druk lichtjes op het met rubber beklede
drukplaatje onder op de handgreep van de
achterklep.
> De vergrendeling wordt ontkoppeld.
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 251)
•
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige zones* (p. 250)
Til de buitenste handgreep helemaal omhoog
om de achterklep te openen.
•
•
Bereik transpondersleutel (p. 232)
2.
Locatie antennes voor start- en
vergrendelingssysteem
In de auto zijn een antenne voor het startsysteem
en antennes voor de passieve vergrendeling*
geïntegreerd.
Achterklep openen en sluiten met een
schopbeweging* (p. 261)
BELANGRIJK
•
De achterklep is met heel weinig kracht te
ontgrendelen – druk gewoon lichtjes op
het met rubber beklede plaatje.
•
Breng geen druk aan op het met rubber
beklede plaatje bij het openen van de achterklep – maar til de handgreep op. Bij te
veel druk kan de elektrische schakelaar in
het met rubber beklede plaatje beschadigd
raken.
Antennelocaties:
In het opbergvak in de tunnelconsole
De achterklep is ook handsfree te ontgrendelen
met een schopbeweging onder de achterbumper,
zie het desbetreffende gedeelte.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Via
de bagageruimte kunnen er giftige uitlaatgassen in de auto worden gezogen.
10
Alleen bij auto's met passieve vergrendeling en ontgrendeling*.
Voor aan de bovenkant van het linker achterportier10
Voor aan de bovenkant van het rechter achterportier10
In de bagageruimte10
}}
* Optie/accessoire. 253
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
WAARSCHUWING
Personen met een pacemaker mogen niet
dichter dan 22 cm (9 inch) bij de antennes
van het Keyless-systeem komen. Hierdoor
voorkomt u storingen tussen de pacemaker
en het Keyless-systeem.
Vergrendelen en ontgrendelen van
de binnenzijde van de auto
Alternatieve ontgrendelingsmethode
De portieren en de achterklep zijn te vergrendelen en ontgrendelen met de knop voor centrale
vergrendeling op de voorportieren.
Centrale vergrendeling
Gerelateerde informatie
•
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige zones* (p. 250)
•
Bereik transpondersleutel (p. 232)
Openingsgreep voor alternatieve ontgrendeling op zijportier11.
–
Knop voor vergrendeling en ontgrendeling op voorportier
met controlelampje.
Ontgrendelen met de knop op het
voorportier
–
11
254
Druk op de knop
om alle portieren en
achterklep te ontgrendelen.
Trek een van de openingsgrepen van de zijportieren naar buiten en laat los.
> Afhankelijk van de instellingen voor de
transpondersleutel zullen ofwel alle portieren ontgrendeld ofwel alleen het aangegeven portier ontgrendeld en geopend
worden.
Druk om deze instelling aan te passen op
Instellingen My Car
Vergrendeling Op afstand en van
binnenuit ontgrendelen in het hoofdscherm van het middendisplay.
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Vergrendelen met de knop op het
voorportier
–
Druk op de knop
– beide voorportieren
moeten dichtstaan.
> Alle portieren en de achterklep zijn vergrendeld.
Gerelateerde informatie
•
Instellingen voor ontgrendeling op afstand en
van de binnenzijde (p. 231)
•
Achterklep ontgrendelen vanaf de binnenzijde (p. 255)
•
Kinderslot activeren en deactiveren (p. 256)
Achterklep ontgrendelen vanaf de
binnenzijde
De achterklep is van de binnenzijde te ontgrendelen met de knop op het instrumentenpaneel.
Vergrendelen met de knop op het
achterportier*
–
Knop voor vergrendelen in achterportier met led.
Met de vergrendelingsknoppen op de achterportieren zijn de desbetreffende achterportier te vergrendelen.
Druk kort op knop
op het dashboard.
> De achterklep is van de buitenzijde te ontgrendelen en te openen door het met rubber beklede drukplaatje vast te pakken.
Met de optie elektrische achterklepbediening* :
–
Druk lang op de knop
op het dashboard.
> De achterklep wordt geopend.
Achterportier ontgrendelen
–
12
Trek aan de openingsgreep.
> Het achterportier wordt ontgrendeld en
geopend12.
Op voorwaarde dat het kinderslot niet is geactiveerd.
}}
* Optie/accessoire. 255
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 254)
•
Elektrisch bedienbare achterklep* openen en
sluiten (p. 258)
Kinderslot activeren en deactiveren
Het kinderslot voorkomt dat de achterportieren
vanaf de binnenzijde kunnen worden geopend.
N.B.
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
•
Op auto’s met een elektrisch kinderslot
zit geen handmatig kinderslot.
Het kinderslot is van het mechanische of elektrische* type.
Mechanisch kinderslot activeren en
deactiveren
Elektrisch* kinderslot activeren en
deactiveren
Het elektrische kinderslot is in alle contactslotstanden anders dan 0 te activeren en deactiveren
en dat binnen 2 minuten na het afzetten van de
auto, op voorwaarde dat er geen portier wordt
geopend.
Mechanisch kinderslot. Niet te verwarren met de mechanische portiervergrendeling.
–
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de cilinder te verdraaien.
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
256
Knop voor elektrische activering en deactivering.
1.
Start de auto of kies een contactslotstand
anders dan 0.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
2.
Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het bestuurdersdisplay staat de melding Kinderslot achter Geactiveerd en
het lampje in de knop brandt – het slot is
geactiveerd.
Symbool
•
Kinderslot achter Geactiveerd
Het kinderslot
is geactiveerd.
Kinderslot achter Gedeactiveerd
Het kinderslot
is gedeactiveerd.
zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel
op het bestuurdersportier te bedienen
Gerelateerde informatie
portieren niet van de binnenkant te openen.
•
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 254)
•
Afneembaar sleutelblad (p. 236)
Om het slot uit te zetten:
–
Betekenis
Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het bestuurdersdisplay staat de melding Kinderslot achter Gedeactiveerd
en het lampje in de knop dooft – het slot
is geïnactiveerd.
Automatische vergrendeling bij het
wegrijden
Bij het wegrijden worden de portieren en de
achterklep automatisch vergrendeld.
Om deze instelling te wijzigen:
Wanneer het elektrische kinderslot actief is, zijn
de achterste
•
Melding
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Tik op My Car
3.
Selecteer Aut. portiervergrendeling
tijdens rijden om de functie te deactiveren
of activeren.
Vergrendeling.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 254)
Wanneer u de auto uitschakelt wordt de actuele
instelling vastgelegd – als het kinderslot geactiveerd was tijdens het uitschakelen van de auto,
dan is de functie de volgende keer dat u de auto
start eveneens actief.
257
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Elektrisch bedienbare achterklep*
openen en sluiten
Functie die het mogelijk maakt om de achterklep
met één druk op een knop te openen en te sluiten.
Openen
Open de elektrisch bediende achterklep op een
van de volgende manieren:
–
–
258
–
Schopbeweging* onder de achterbumper.
Sluiten
Sluit13 de elektrisch bediende achterklep op een
van de volgende manieren:
Druk knop
op de transpondersleutel
langdurig in. Houd de knop ingedrukt totdat
de achterklep een stukje openveert.
–
13
Druk knop
op het instrumentenpaneel
langdurig in. Houd de knop ingedrukt totdat
de achterklep een stukje openveert.
Druk lichtjes op handgreep van de achterklep.
Een auto die is uitgerust met passieve vergrendeling en ontgrendeling* heeft een knop voor sluiten plus een knop voor sluiten en vergrendelen.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Druk op de knop
aan de onderzijde van
de achterklep om deze te sluiten.
> De achterklep sluit automatisch maar
wordt niet vergrendeld.
–
–
Druk lang op de knop
op de transpondersleutel.
> De achterklep sluit automatisch en er
klinkt een signaal – de achterklep blijft
onvergrendeld staan.
–
Druk lang op de knop
op het dashboard.
> De achterklep sluit automatisch en er
klinkt een signaal – de achterklep blijft
onvergrendeld staan.
–
Schopbeweging* onder de achterbumper.
> De achterklep sluit automatisch en er
klinkt een signaal – de achterklep blijft
onvergrendeld staan.
Sluiten en vergrendelen
Druk op de knop
op de onderkant van
de achterklep om de klep te sluiten en tegelijkertijd zowel de portieren als de achterklep
te vergrendelen13 (voor vergrendelen moeten
alle portieren zijn gesloten).
> De achterklep sluit automatisch – de achterklep en de portieren vergrendelen
automatisch en het alarm* wordt ingeschakeld.
–
N.B.
•
De knop is 24 uur actief nadat de klep is
opengelaten. Daarna moet u de klep handmatig sluiten.
•
Als de tankvulklep meer dan 30 minuten
open heeft gestaan, zal deze langzamer
worden gesloten.
N.B.
•
13
Een auto die is uitgerust met passieve vergrendeling en ontgrendeling* heeft een knop voor sluiten plus een knop voor sluiten en vergrendelen.
Vergrendeling en ontgrendeling zijn alleen
mogelijk wanneer een van de transpon-
}}
* Optie/accessoire. 259
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
dersleutels van de auto zich binnen bereik
bevindt.
||
•
Bij passief* vergrendelen of sluiten klinken
er drie signalen, als de sleutel niet dicht
genoeg bij de achterklep wordt waargenomen.
BELANGRIJK
Bij handmatige bediening van de achterklep
is het zaak de klep langzaam te openen of
sluiten. Duw de achterklep niet met kracht
open of dicht, als de achterklep weerstand
biedt. De achterklep kan beschadigd worden
en defect raken.
Openen of sluiten onderbreken
Onderbreek de opening of sluiting op een van de
volgende manieren:
•
•
•
Druk op de knop op het dashboard.
•
Druk op het met rubber beklede drukplaatje
onder de buitenhandgreep.
•
Druk op de knop op de transpondersleutel.
Druk op de sluitingsknop aan de onderzijde
van de achterklep.
Met een schopbeweging*.
De achterklepbeweging wordt onderbroken en
de achterklep komt tot stilstand. De achterklep is
daarna handmatig te bedienen.
260
Als de achterklep stopt in de buurt van de gesloten stand, zal de achterklep bij een volgende
handsfree activering worden geopend.
Voorgespannen veren
Inklembeveiliging
Als de achterklep tijdens het openen of sluiten in
zekere mate wordt gehinderd door een obstakel
treedt de inklembeveiliging in werking.
•
Bij openen – de beweging wordt onderbroken, de achterklepbeweging stopt en er
klinkt een lang signaal.
•
Bij sluiten – de beweging wordt onderbroken,
de achterklepbeweging stopt, er klinkt een
lang signaal en de achterklep keert terug
naar de geprogrammeerde maximale openingshoek.
De voorgespannen veren voor de elektrische achterklepbediening.
WAARSCHUWING
Open de voorgespannen veren van de elektrische achterklepbediening niet. De veren zijn
sterk voorgespannen en kunnen bij opening
letsel toebrengen.
WAARSCHUWING
Let op het gevaar voor beknelling tijdens het
openen/sluiten.
Controleer voor het openen of sluiten of er
niemand in de buurt van de achterklep staat,
omdat beknellingsletsel ernstige gevolgen
kan hebben.
Gerelateerde informatie
•
Maximale openingshoek voor elektrische
achterklepbediening* programmeren
(p. 261)
•
Achterklep openen en sluiten met een
schopbeweging* (p. 261)
•
Bereik transpondersleutel (p. 232)
Let altijd op bij bediening van de kofferklep.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Maximale openingshoek voor
elektrische achterklepbediening*
programmeren
N.B.
•
Stem de openingshoek van de achterklep af op
de dakhoogte.
De maximale openingshoek instellen:
1.
Achterklep openen; stopzetten in de gewenste openingspositie.
N.B.
Het is niet mogelijk een openingsstand te
programmeren waarbij de achterklep voor
minder dan de helft geopend is.
2.
Druk de knop
aan de onderzijde van de
achterklep ten minste 3 seconden in.
> Er klinken twee korte signalen en de desbetreffende stand is daarmee opgeslagen.
Resetten van de maximale openingshoek:
–
Beweeg de achterklep handmatig naar de
hoogst mogelijke stand – druk de knop
op de achterklep ten minste 3 seconden in.
> Er klinken twee signalen en de opgeslagen stand is daarmee gewist. De achterklep opent voortaan tot in de maximale
stand.
Om oververhitting tegen te gaan wordt
het systeem na langdurig en continu
gebruik automatisch even uitgeschakeld.
Ca. 2 minuten later is het opnieuw klaar
voor gebruik.
Gerelateerde informatie
•
Elektrisch bedienbare achterklep* openen en
sluiten (p. 258)
Achterklep openen en sluiten met
een schopbeweging*
Een handige functie wanneer u de handen vol
hebt, omdat u de achterklep kunt openen en
sluiten met een schopbeweging onder de achterbumper.
Bij een auto met passieve vergrendeling en ontgrendeling* is de achterklep te ontgrendelen met
een schopbeweging.
De functie voor het openen en sluiten van de
achterklep is alleen beschikbaar in combinatie
met elektrische achterklepbediening*.
N.B.
De handsfree achterklep is verkrijgbaar in
twee uitvoeringen:
•
een uitvoering die te openen en sluiten is
met een gerichte schopbeweging
•
een uitvoering die alleen te ontgrendelen
is met een gerichte schopbeweging (achterklep moet handmatig worden
geopend)
Let erop dat voor handsfree openen en sluiten de elektrische achterklepbediening* vereist is.
}}
* Optie/accessoire. 261
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Openen en sluiten met een
schopbeweging
||
Houd uw voet tijdens de schopbeweging niet
onder de auto, aangezien de activering hierdoor
kan mislukken.
Handsfree openen of sluiten onderbreken
– Maak tijdens het openen of sluiten van de
achterklep een langzame voorwaartse
schopbeweging om de beweging van de
achterklep te onderbreken.
Om het openen of sluiten van de achterklep te
onderbreken hoeft de transpondersleutel niet in
de buurt van de auto te zijn.
De sensor zit even links van het midden van de achterbumper.
Openen en sluiten zijn alleen mogelijk, wanneer
een van de transpondersleutels van de auto zich
binnen een straal van ca. 1 meter (3 voet) rond
de achterzijde van de auto bevindt. Dit geldt ook
bij een ontgrendelde auto om onbedoelde voetbediening zoals bij een wasbeurt van de auto te
voorkomen.
Schopbeweging binnen het activeringsbereik van de
sensor.
–
Maak een langzame, naar voren gerichte
schopbeweging onder het linker gedeelte
van de achterbumper. Doe daarna een stap
terug. U mag de bumper daarbij niet aanraken.
> Bij activering van de openings- of sluitingsfunctie klinkt een kort geluidssignaal
– de achterklep wordt geopend/gesloten.
Als de sensor meerdere schopbewegingen waarneemt zonder dat er een goedgekeurde transpondersleutel achter de auto wordt waargenomen, is de achterklep pas na enige vertraging te
openen.
262
Als de achterklep stopt in de buurt van de gesloten stand, zal de achterklep bij een volgende
handsfree activering worden geopend.
N.B.
Als de achterbumper bedekt is met een dikke
laag ijs, sneeuw, vuil en dergelijke, werkt het
systeem mogelijk niet of slechts in beperkte
mate. Zorg daarom dat u het gebied schoonhoudt.
N.B.
Bedenk dat het systeem kan worden geactiveerd tijdens het wassen van de auto en dergelijke als de transpondersleutel zich binnen
bereik bevindt.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Gerelateerde informatie
•
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige zones* (p. 250)
•
Elektrisch bedienbare achterklep* openen en
sluiten (p. 258)
•
Bereik transpondersleutel (p. 232)
Privacy locking
De achterklep is te vergrendelen via de functie
Privacy locking die voorkomt dat het genoemde
onderdeel kan worden geopend, bijvoorbeeld
als u de auto afgeeft voor service, bij een hotel
en dergelijke.
De functieknop voor Privacy
locking staat op het functiescherm van het middendisplay.
Afhankelijk van de status van
de functie verschijnt Private
Locking ontgrendeld of
Private Locking vergrendeld.
Privacy locking activeren en
deactiveren
Privacy locking is te activeren met de functieknop op het middendisplay en de gekozen pincode.
N.B.
Om de functie Privacy locking te kunnen activeren, moet de auto minimaal in contactslotstand I staan.
Privacy locking gebruikt twee codes:
•
Bij het eerste gebruik van de functie wordt
een hoofdcode aangemaakt.
•
Bij iedere volgende activering kiest u een
nieuwe pincode.
Gerelateerde informatie
•
Privacy locking activeren en deactiveren
(p. 263)
Hoofdcode invoeren bij het eerste
gebruik
Bij het eerste gebruik van de Privacy locking
moet u een hoofdcode kiezen. De code is vervolgens te gebruiken om de Privacy locking te deactiveren, als u de ingestelde pincode bent vergeten. De hoofdcode is te beschouwen als een
pukcode voor alle pincodes die zijn ingesteld voor
de Privacy locking.
Bewaar de hoofdcode goed.
}}
* Optie/accessoire. 263
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Om een hoofdcode in te stellen:
1.
2.
Tik op de knop Privacy locking in het functiescherm.
Voer de code in die na vergrendeling moet
worden gebruikt om de achterklep te ontgrendelen en tik op Bevestig.
> De achterklep wordt vergrendeld. De vergrendeling wordt bevestigd met een
groene indicatie bij de knop in het functiescherm.
Privacy locking deactiveren
1.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
2.
Hoofdcode vergeten
Als u ook de hoofdcode bent vergeten, neem dan
contact op met een erkende Volvo-dealer voor
hulp bij het deactiveren van de Privacy locking.
Gerelateerde informatie
•
Privacy locking (p. 263)
Geef de gewenste hoofdcode aan en tik op
Bevestig.
> De hoofdcode is opgeslagen. De functie
Privacy locking is daarmee klaar voor activering.
Privacy locking activeren
1.
Tik op de knop Privacy locking in het functiescherm.
Als u de auto ontgrendelt via Volvo On Call* of de
Volvo On Call-appen, wordt de Privacy locking
automatisch gedeactiveerd.
Tik op de knop Privacy locking in het functiescherm.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
2.
Geef de ingestelde ontgrendelingscode aan
en tik op Bevestig.
> De achterklep wordt ontgrendeld. De ontgrendeling wordt bevestigd doordat de
groene indicatie bij de knop in het functiescherm dooft.
Pincode vergeten
> Er verschijnt een pop-upvenster.
264
Als u de pincode bent vergeten of meer dan driemaal achtereen de verkeerde pincode hebt ingevoerd, kunt u de hoofdcode gebruiken voor deactivering van de Privacy locking.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Alarm*
Alarmindicatie
Het alarm waarschuwt met akoestische en visuele signalen als iemand zonder een geldige
transpondersleutel inbreekt in de auto of de startaccu of de alarmsirene manipuleert.
De bewegingsmelder laat het alarm afgaan bij
bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het
alarm kan dan ook afgaan, als u de auto met een
ruit of panoramadak* open laat staan of als u de
interieurverwarming gebruikt.
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
•
een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend14
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder*
aanwezig is)
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto's met een hellingssensor*)
•
een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
•
de sirene wordt losgekoppeld.
Alarmsignalen
Wanneer het alarm afgaat, gebeurt het volgende:
•
Er klinkt een sirene, totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
30 seconden automatisch uit.
•
De alarmlichten knipperen totdat u het alarm
uitschakelt. Bij inactiviteit gaan ze na
vijf minuten automatisch uit.
Als de oorzaak van het getriggerde alarm niet
wordt weggenomen, wordt de alarmcyclus tot
maximaal 10 keer14 herhaald.
14
Geldt voor bepaalde markten.
beert te stelen of de auto probeert weg te slepen.
Om dat te voorkomen:
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
•
•
De led is uit – het alarm is uitgeschakeld.
•
De led knippert maximaal 30 seconden lang
snel vanaf het moment van uitschakelen van
het alarm tot aan het moment dat contactslotstand I wordt ingeschakeld – het alarm is
afgegaan.
De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld.
•
Sluit bij het verlaten van de auto de ruiten en
het panoramadak.
•
Bij gebruik van de interieurverwarming of
standverwarming dient u de blaasmonden
dusdanig af te stellen dat deze niet omhoogwijzen.
U kunt ook een gereduceerd alarmniveau (Verlaagde guard) instellen om de bewegingsmelder
en hellingssensor tijdelijk uit te schakelen.
Schakel de bewegingsmelder en hellingssensor
uit bij het gebruik van een veerverbinding of autotrein, omdat het alarm kan afgaan door de bewegingen van de auto.
Bewegingsmelder en hellingssensor*
De bewegingsmelder en hellingssensor reageren
op bewegingen in de auto, als iemand een ruit
intikt of als iemand de wielen van de auto pro-
}}
* Optie/accessoire. 265
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Bij een storing in het alarmsysteem
Alarm* activeren en deactiveren
Als er een storing in het alarmsysteem
is opgetreden, verschijnen het symbool
en de melding Storing
alarmsysteem Service vereist op
het bestuurdersdisplay. Neem dan contact op
met een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Bij vergrendeling van de auto wordt het alarmsysteem geactiveerd.
N.B.
Probeer niet zelf de onderdelen van het
alarmsysteem te repareren of te wijzigen. Dergelijke pogingen kunnen van invloed zijn op
de verzekeringsvoorwaarden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
15
266
Alarm* activeren en deactiveren (p. 266)
Verlaagde guard* (p. 267)
Alarm activeren
Vergrendel de auto en activeer het alarmsysteem
van de auto door
•
op de vergrendelingsknop op de transpondersleutel te drukken
•
het gemarkeerde gebied op de buitenportiergrepen of de met rubber beklede drukplaat15
op de achterklep aan te raken.
Bij een auto met passieve vergrendeling/
ontgrendeling* en elektrische achterklepbediening* kunt u ook gebruikmaken van de knop
aan de onderzijde van de achterklep om de auto
te vergrendelen en het alarmsysteem in te schakelen.
Het rode ledje op het instrumentenpaneel knippert eenmaal per twee seconden wanneer de auto vergrendeld
en het alarmsysteem geactiveerd is.
Alarm deactiveren
Ontgrendel de auto en deactiveer het alarmsysteem van de auto door
•
op de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te drukken
•
een van de portiergrepen beet te pakken of
lichtjes op het met rubber beklede drukplatje15 op de achterklep te drukken.
Safelock-functie* (p. 268)
Geldt voor een auto met passieve vergrendeling en ontgrendeling*.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Alarm deactiveren zonder een werkende
transpondersleutel
Ook als de transpondersleutel niet werkt, bijvoorbeeld als de batterij leeg is, kan de auto worden
ontgrendeld en kan het alarmsysteem worden
gedeactiveerd.
Geactiveerd alarm uitschakelen
1.
De automatische heractivering van het alarm
voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarmsysteem uit te schakelen.
Open het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad.
> Het alarm gaat af.
2.
–
Druk op de ontgrendelingsknop van de
transpondersleutel of zet de auto in contactslotstand I door op de startknop te drukken.
Automatische activering en
heractivering van het alarm
Schakel de bewegingsmelder en hellingssensor
uit om onbedoelde activering van het alarm tegen
te gaan – als u bijvoorbeeld een hond in een vergrendelde auto achterlaat of een autotrein of
veerverbinding gebruikt.
Tik op de knop Minder
bescherming op het functiescherm van het middendisplay
om de bewegingsmelder en
hellingssensor de volgende
keer dat u de auto vergrendelt
uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm gedeactiveerd) is, wordt het alarm automatisch opnieuw
ingeschakeld. De auto wordt bovendien opnieuw
vergrendeld.
Op bepaalde markten vindt automatische activering van het alarm plaats, als u na het openen en
sluiten van het bestuurdersportier vergeet te vergrendelen.
Plaats de transpondersleutel op het sleutelsymbool in de back-uplezer, die in het
opbergvak van de tunnelconsole zit.
3.
Verlaagde guard*
Een verlaagde guard houdt in dat de bewegingsmelder en hellingssensor tijdelijk worden
uitgeschakeld.
Druk op de startknop.
> Het alarm wordt uitgeschakeld.
Tegelijkertijd wordt de Safelock-functie gedeactiveerd, zodat ontgrendeling van de binnenzijde
mogelijk is.
Om deze instelling te wijzigen:
Als u de auto ontgrendelt en weer vergrendelt,
moet u de Verlaagde guard opnieuw activeren.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
Gerelateerde informatie
2.
Tik op My Car
3.
Kies Passief alarm uitschakelen om de
functie tijdelijk te deactiveren.
Vergrendeling.
•
•
Alarm* (p. 265)
Safelock-functie* (p. 268)
Gerelateerde informatie
•
Alarm* (p. 265)
* Optie/accessoire. 267
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Safelock-functie*
Na activering van de Safelock-functie worden bij
vergrendeling van de buitenzijde alle openingsgrepen mechanisch losgekoppeld, zodat de portieren niet meer van de binnenzijde te openen
zijn.
De Safelock-functie wordt geactiveerd via de
transpondersleutel en bij passieve vergrendeling*
en wordt na vergrendeling van de portieren met
een vertraging van zo'n 10 seconden ingeschakeld. Als er binnen deze vertragingsperiode een
van de portieren wordt geopend, wordt de functie
geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
De auto is alleen te ontgrendelen via de transpondersleutel, passieve ontgrendeling* of met de
Volvo On Call*-app , wanneer de Safelock-functie
geactiveerd is.
Het linker voorportier is ook te ontgrendelen met
het afneembare sleutelblad. Bij ontgrendeling van
de auto met het afneembare sleutelblad gaat het
alarm af.
N.B.
268
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd
bij vergrendeling van de auto.
•
Als iemand de auto van de buitenzijde
probeert te openen, gaat het alarm af.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de functie te deactiveren, om te voorkomen
dat u iemand opsluit.
Gerelateerde informatie
•
Safelock-functie* tijdelijk deactiveren
(p. 268)
•
Alarm* (p. 265)
Safelock-functie* tijdelijk
deactiveren
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, dient u de Safelock-functie te deactiveren.
De auto is dan vanaf de binnenzijde te ontgrendelen.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de functie te deactiveren, om te voorkomen
dat u iemand opsluit.
Druk op de knop Minder
bescherming op het functiescherm van het middendisplay
om de Safelock-functie tijdelijk
uit te schakelen.
Dit betekent ook dat de bewegingsmelders en
hellingssensoren* van het alarm worden uitgeschakeld.
Op het middendisplay verschijnt vervolgens
Minder bescherming, waarna bij de volgende
vergrendeling van de auto de Safelock-functie tijdelijk wordt uitgeschakeld.
Bij reguliere vergrendeling worden de stroomaansluitingen direct gedeactiveerd, maar bij een tijdelijk gedeactiveerde Safelock-functie zijn ze na
vergrendeling maximaal 10 minuten actief.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Als de auto wordt ontgrendeld en weer wordt vergrendeld, moet de Safelock-functie weer worden
gedeactiveerd.
De volgende keer dat u de motor start, wordt het
systeem gereset.
Gerelateerde informatie
•
•
Safelock-functie* (p. 268)
Alarm* (p. 265)
* Optie/accessoire. 269
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijhulpsystemen
De auto is voorzien van verschillende rijhulpsystemen die u in verschillende situaties actief of
passief kunnen helpen.
Zo kunnen de systemen u bijvoorbeeld helpen bij:
•
•
het aanhouden van een bepaalde snelheid
•
het voorkomen van een aanrijding door u te
waarschuwen en de auto te laten remmen
•
het parkeren.
het aanhouden van een bepaald tijdsverschil
ten opzichte van voorliggers
Sommige systemen zijn standaard gemonteerd,
terwijl andere optioneel zijn – welke dat precies
zijn, hangt van de markt af.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
272
IntelliSafe – rijhulp en veiligheid (p. 31)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 272)
Stabiliteitsregeling (p. 278)
Elektronische stabiliteitsregeling (p. 273)
Snelheidsbegrenzer (p. 278)
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 282)
Cruisecontrol (p. 286)
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
City Safety™ (p. 328)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht
Rear Collision Warning (p. 342)
De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
zorgt ervoor dat de stuurbekrachtiging afneemt
naarmate de rijsnelheid oploopt, waardoor u een
beter weggevoel krijgt.
BLIS* (p. 343)
Cross Traffic Alert* (p. 347)
Verkeersbordinformatie* (p. 351)
Driver Alert Control (p. 358)
Rijbaanassistent (p. 361)
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 368)
Parkeerhulp* (p. 374)
Parkeerhulpcamera* (p. 379)
Actieve parkeerhulp* (p. 388)
Op snelwegen stuurt de auto stugger. Bij het
parkeren en op lage snelheden is de auto lichter
en zonder veel moeite te besturen.
N.B.
In zeldzame gevallen kan de stuurbekrachtiging te warm worden
zodat deze tijdelijk moet worden
gekoeld – gedurende die periode
werkt de stuurbekrachtiging met een gereduceerd vermogen en het draaien aan het stuurwiel kan dan wat zwaarder gaan.
Zolang de stuurhulp met een beperkt vermogen werkt, verschijnt op het bestuurdersdisplay de melding Stuurbekrachtiging Hulp
tijdelijk beperkt samen met dit symbool.
Zolang de stuurbekrachtiging met een
beperkt vermogen werkt zijn de rijhulpsystemen en systemen met stuurhulp niet beschikbaar.
Adaptieve cruisecontrol* (p. 290)
Pilot Assist (p. 300)
Radarsensor (p. 316)
Camera (p. 322)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Elektronische stabiliteitsregeling
WAARSCHUWING
Als de temperatuur te hoog oploopt, moet de
bekrachtiging mogelijk helemaal worden uitgeschakeld. In een dergelijk geval verschijnt
de melding Storing stuurbekracht. Stop
veilig op het bestuurdersdisplay in combinatie met een symbool.
Stuurkrachtniveau wijzigen*
Bij gebruik van de rijmodus INDIVIDUAL is het
stuurkrachtniveau aan te passen.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Kies My Car
Rijmodi
Stuurkracht.
De instelling van het stuurkrachtniveau is alleen
beschikbaar, als de auto stilstaat of op lage snelheid rechtuit rijdt.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 272)
Rijmodi* (p. 420)
De elektronische stabiliteitsregeling (ESC1)
helpt u voorkomen dat de wielen doorslippen en
verbetert de tractie van de auto.
Wanneer de regeling ingrijpt,
verschijnt dit symbool op het
bestuurdersdisplay.
Een ingreep van de regeling is
mogelijk waarneembaar in de
vorm van onderbroken geluiden
en bij het geven van gas kan de auto mogelijk
langzamer optrekken dan verwacht.
De regeling omvat de volgende deelfuncties:
•
•
•
•
Stabiliteitsregeling2
Antispin- en tractieregeling
Motorremregeling
Aanhangwagenstabilisering
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Stabiliteitsregeling2
Deze regeling controleert de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen om
de auto op die manier te stabiliseren.
Antispin- en tractieregeling
De regeling is actief op lage snelheden en remt
de aandrijfwielen die doorslippen om een groter
1
2
Electronic Stability Control
Ook wel antislipregeling genoemd.
}}
* Optie/accessoire. 273
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
aandeel van de aandrijfkracht op een slippend
aandrijfwiel over te brengen op een aandrijfwiel
dat niet slipt.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 272)
Sportstand van elektronische stabiliteitsregeling activeren/deactiveren (p. 275)
De regeling voorkomt bovendien dat de aangedreven wielen tijdens het optrekken doorslippen
ten opzichte van de ondergrond.
•
Symbolen en meldingen voor elektronische
stabiliteitsregeling (p. 276)
Motorremregeling
•
Aanhangwagenstabilisering* (p. 458)
De stabiliteitsregeling (ESC6) is altijd geactiveerd – uitschakelen is niet mogelijk. U kunt echter voor ESC-sportmodus kiezen voor een
actievere rijervaring.
De motorremregeling (EDC3) voorkomt ongewenste blokkering van de wielen, zoals na terugschakeling of bij gladheid tijdens het afremmen
op de motor in een lage versnelling.
Wanneer de deelfunctie ESC-sportmodus is
gekozen worden ingrepen van de regeling gereduceerd, zodat de auto een hogere mate van slip
kan vertonen en u meer controle over de auto
hebt dan normaal.
Een van de gevolgen van ongewenste blokkering
van de wielen is dat u de auto moeilijk onder controle kunt houden.
Het kiezen van ESC-sportmodus is te
beschouwen als het uitschakelen van de functie,
hoewel de functie u in veel gevallen blijft helpen.
Aanhangwagenstabilisering*4
Aanhangwagenstabilisering (TSA5) heeft tot taak
een auto met aanhangwagen te stabiliseren,
wanneer de combinatie slingerneigingen vertoont.
N.B.
De aanhangwagenstabilisering wordt gedeactiveerd als u ESC-sportmodus activeert.
3 Engine Drag Control
4 Aanhangwagenstabilisering
5 Trailer Stability Assist
6 Electronic Stability Control
7 Trailer Stability Assist
274
Elektronische stabiliteitsregeling in
de Sportstand
N.B.
Wanneer ESC-sportmodus is gekozen,
staat de aanhangwagenstabilisering (TSA7)
uit.
De ESC-sportmodus maakt ook maximale aandrijving mogelijk, als de auto is blijven steken of
over een zachte ondergrond (zoals zand of een
dikke laag sneeuw) rijdt.
is inbegrepen bij installatie van een originele trekhaak van Volvo.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
De deelfunctie ESC-sportmodus is niet te kiezen wanneer een van de volgende functies is
geactiveerd:
•
•
•
•
Snelheidsbegrenzer
Cruisecontrol
Adaptieve cruisecontrol*
Sportstand van elektronische
stabiliteitsregeling activeren/
deactiveren
De stabiliteitsregeling (ESC8) is altijd geactiveerd – uitschakelen is niet mogelijk. U kunt echter de Sportstand kiezen voor een actievere rijervaring.
Pilot Assist
Activeer of deactiveer de functie met deze knop in het functiescherm van het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Elektronische stabiliteitsregeling (p. 273)
Sportstand van elektronische stabiliteitsregeling activeren/deactiveren (p. 275)
Aanhangwagenstabilisering* (p. 458)
•
GROENE knopindicatie – de functie is geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is gedeactiveerd.
Wanneer de ESC-sportmodus actief
is, brandt dit symbool op het bestuurdersdisplay continu totdat de functie
wordt gedeactiveerd of totdat de motor
wordt afgezet. Een volgende keer dat de motor
wordt gestart is de normale stand de regeling
weer van kracht.
Gerelateerde informatie
8
•
Elektronische stabiliteitsregeling in de Sportstand (p. 274)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (p. 273)
Electronic Stability Control
* Optie/accessoire. 275
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
elektronische stabiliteitsregeling
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen voor de elektronische stabiliteitsregeling (ESC9).
Symbool
Melding
Betekenis
Brandt zo'n 2 seconden lang continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
Knippert.
Het systeem grijpt in.
Brandt continu.
De Sportstand is geactiveerd.
NB In deze stand is het systeem niet helemaal uitgeschakeld. Er gelden bepaalde beperkingen.
ESC
Tijdelijk uit
Wegens een te hoge temperatuur van de remmen gelden er tijdelijk beperkingen voor het systeem. De
regeling wordt automatisch opnieuw ingeschakeld wanneer de remmen voldoende zijn afgekoeld.
Zie de melding op het bestuurdersdisplay.
9
276
ESC
Het systeem is defect.
Service vereist
•
Electronic Stability Control
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
U kunt meldingen verwijderen door kort te druk-knop in het midden van de rechken op de
ter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (p. 273)
277
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Stabiliteitsregeling
Snelheidsbegrenzer
De stabiliteitsregeling (RSC10) minimaliseert het
risico dat de auto kantelt en over de kop slaat bij
plotselinge uitwijkmanoeuvres of slippartijen.
Een snelheidsbegrenzer (SL11) is te vergelijken
met een omgedraaide cruisecontrol – u regelt de
snelheid met het gaspedaal, terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf
gekozen/ingestelde maximumsnelheid overschrijdt.
Het systeem registreert of en hoeveel de dwarshelling van de auto verandert. Aan de hand van
deze informatie wordt vervolgens berekend of de
kans bestaat dat de auto over de kop slaat. Als
deze kans bestaat, treedt de elektronische stabiliteitsregeling van de auto in werking, waarna het
koppel van de motor wordt verlaagd en een of
meer wielen worden geremd totdat de auto zijn
stabiliteit terug heeft.
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (p. 273)
Knoppen en symbolen voor de functie.
: Activeert de snelheidsbegrenzer vanuit
de stand-bystand en hervat de opgeslagen
maximumsnelheid
: Verhoogt de opgeslagen maximumsnel: Vanuit de stand-bystand – activeert
de snelheidsbegrenzer en slaat de actuele
snelheid op
278
Roll Stability Control
Speed Limiter
Markering voor opgeslagen maximumsnelheid
Opgeslagen maximumsnelheid
heid
10
11
: Verlaagt de opgeslagen maximumsnelheid
Actuele rijsnelheid
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
systeem voor een betere wegligging, wat voor
u echter geen reden mag zijn om sneller te
gaan rijden. Neem altijd de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen bij het rijden.
: Vanuit de actieve stand – deactiveert
de snelheidsbegrenzer/zet deze stand-by
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 272)
Beperkingen van de snelheidsbegrenzer
(p. 282)
•
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
(p. 279)
•
•
Snelheidsbegrenzer uitschakelen (p. 281)
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 280)
•
Snelheidsbegrenzer heractiveren vanuit de
stand-bystand (p. 281)
Snelheidsbegrenzer activeren en
starten
•
Aan te houden snelheid instellen voor rijhulpsystemen (p. 313)
•
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 282)
Om de snelheid te kunnen regelen moet u eerst
de snelheidsbegrenzer (SL12) kiezen en activeren.
Snelheidsbegrenzer stand-by zetten
–
Druk op ◀ (1) of ▶ (3) om het symbool/
systeem voor de snelheidsbegrenzer
(4) op te zoeken.
> Er verschijnt een symbool (4), waarna de
snelheidsbegrenzer stand-by staat.
Snelheidsbegrenzer starten
Activering van de snelheidsbegrenzer is pas
mogelijk nadat de motor is gestart. De laagst
mogelijke maximumsnelheid die u kunt opslaan is
30 km/h (20 mph).
}}
279
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
–
Druk, wanneer de snelheidsbegrenzer standis verscheby staat en het symbool
nen, op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzer wordt gestart en
de actuele snelheid wordt opgeslagen als
maximumsnelheid.
Snelheidsbegrenzer deactiveren en
stand-by zetten
De snelheidsbegrenzer (SL13) is tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten.
•
De ingestelde maximumsnelheid is tijdelijk te
deactiveren en te overschrijden met het gaspedaal zonder dat de snelheidsbegrenzer daarvoor
eerst stand-by moet worden gezet – om bijvoorbeeld snel te kunnen optrekken.
Doe in dat geval het volgende:
Gerelateerde informatie
•
•
•
Tijdelijk deactiveren met het gaspedaal
Snelheidsbegrenzer (p. 278)
1.
Trap het gaspedaal helemaal in en laat het
pedaal weer los bij het bereiken van de
gewenste snelheid om de acceleratie te
beëindigen.
> De snelheidsbegrenzer is in dat geval nog
steeds geactiveerd, zodat het symbool op
het bestuurdersdisplay WIT van kleur is.
2.
Haal uw voet van het gaspedaal, wanneer de
tijdelijke acceleratie voltooid is.
> De auto wordt vervolgens automatisch
afgeremd op de motor tot een snelheid
onder de laatst opgeslagen maximumsnelheid.
Snelheidsbegrenzer uitschakelen (p. 281)
Snelheidsbegrenzer heractiveren vanuit de
stand-bystand (p. 281)
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 280)
Om de snelheidsbegrenzer te deactiveren en
stand-by te zetten:
–
12
13
280
Speed Limiter
Speed Limiter
Druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van WIT naar GRIJS. De snelheidsbegrenzer is daarmee tijdelijk
gedeactiveerd, zodat u de ingestelde
maximumsnelheid kunt overschrijden.
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer (p. 278)
Snelheidsbegrenzer heractiveren vanuit de
stand-bystand (p. 281)
•
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
(p. 279)
•
Snelheidsbegrenzer uitschakelen (p. 281)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsbegrenzer heractiveren
vanuit de stand-bystand
–
De snelheidsbegrenzer (SL14) is te heractiveren
nadat deze tijdelijk gedeactiveerd en stand-by is
gezet.
Druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van GRIJS naar WIT en de auto
gebruikt daarna de actuele snelheid als
maximumsnelheid.
Snelheidsbegrenzer uitschakelen
De snelheidsbegrenzer (SL15) is uit te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer (p. 278)
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 280)
•
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
(p. 279)
•
Snelheidsbegrenzer uitschakelen (p. 281)
Om de snelheidsbegrenzer uit te schakelen:
Om de snelheidsbegrenzer te heractiveren vanuit
de stand-bystand:
–
Druk op de stuurknop
(1).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van GRIJS naar WIT - de laatst
ingestelde/opgeslagen maximumsnelheid
voor de auto is weer van kracht.
1.
(2).
Druk op de stuurknop
> De snelheidsbegrenzer wordt stand-by
gezet.
2.
Druk op de stuurknop ◀ (1) of ▶ (3) om naar
een andere functie te gaan.
> De snelheidsbegrenzermarkering (4) en
het symbool op het bestuurdersdisplay
doven – de ingestelde/opgeslagen maximumsnelheid is daarmee gewist.
3.
(2).
Druk nogmaals op de stuurknop
> Er wordt een andere functie geactiveerd.
of
14
15
Speed Limiter
Speed Limiter
}}
281
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer (p. 278)
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
(p. 279)
•
Snelheidsbegrenzer heractiveren vanuit de
stand-bystand (p. 281)
•
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 280)
Beperkingen van de
snelheidsbegrenzer
Op steile aflopende hellingen volstaat de remwerking van de snelheidsbegrenzer (SL16) mogelijk niet, zodat de opgeslagen maximumsnelheid
mogelijk wordt overschreden. In dat geval wordt u
hierop attent gemaakt met de melding
Snelheidsgrens overschreden op het
bestuurdersdisplay.
N.B.
Er verschijnen tekstmeldingen over overschrijding van de maximumsnelheid, als de snelheid met minimaal 3 km/h (zo'n 2 mph) is
overschreden.
Gerelateerde informatie
•
16
17
18
19
282
Snelheidsbegrenzer (p. 278)
Automatische snelheidsbegrenzer
De automatische snelheidsbegrenzer (ASL17)
helpt u om de maximumsnelheid van de auto af
te stemmen op de op verkeersborden aangegeven maximumsnelheid.
U kunt overschakelen van de snelheidsbegrenzer
(SL18) op de automatische snelheidsbegrenzer
(ASL).
De automatische snelheidsbegrenzer gebruikt de
snelheidsinformatie van de verkeersbordinformatie* (RSI19) om de maximumsnelheid van de auto
automatisch aan te passen.
WAARSCHUWING
•
Ook als u zelf het snelheidsbord duidelijk
kunt waarnemen, geeft de verkeersbordinformatie* (RSI) van ASL mogelijk de
verkeerde snelheid aan – u moet in dat
geval zelf ingrijpen en afremmen naar
een passende snelheid.
Speed Limiter
Automatic Speed Limiter
Speed Limiter
Road Sign Information
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
•
•
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
Is SL of ASL actief?
Gerelateerde informatie
Symbolen op het bestuurdersdisplay geven aan
welke snelheidsbegrenzer actief is:
•
•
Symbool
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
A
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Bordsymbool na "70" = ASL is geactiveerd.
SL
ASL
✓
✓
✓
A
Rijhulpsystemen (p. 272)
Automatische snelheidsbegrenzer activeren/
deactiveren (p. 284)
•
Tolerantie voor de automatische snelheidsbegrenzer wijzigen (p. 285)
•
Beperkingen van de automatische snelheidsbegrenzer (p. 286)
•
•
Snelheidsbegrenzer (p. 278)
Verkeersbordinformatie* (p. 351)
WIT symbool: De functie is actief, GRIJS symbool: Standbystand.
ASL-symbool
Het bordsymbool (naast de opgeslagen snelheid "70", in het midden van
de snelheidsmeter) kan drie kleuren
hebben met de volgende betekenissen:
Kleur van het
bordsymbool
Groengeel
Grijs
Oranjegeel/
oranje
Betekenis
ASL is actief
ASL staat stand-by
ASL staat tijdelijk stand-by
– bijvoorbeeld omdat een
verkeersbord niet kon worden herkend.
* Optie/accessoire. 283
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Automatische snelheidsbegrenzer
activeren/deactiveren
Als aanvulling op de snelheidsbegrenzer (SL20)
is de automatische snelheidsbegrenzer (ASL21)
te activeren en deactiveren.
ASL activeren
•
1.
2.
20
21
22
284
Druk op de knop Hulp max. snelheid.
> ASL wordt stand-by gezet, het groene
lampje in de knop brandt en op het
bestuurdersdisplay verschijnt een bordsymbool in het midden van de snelheidsmeter.
Druk op de stuurknop
.
> ASL wordt met de actuele rijsnelheid
geactiveerd.
ASL deactiveren
Als de automatische snelheidsbegrenzer
geactiveerd is, verschijnt verkeersbordinformatie* op het bestuurdersdisplay, ook
al is RSI22 niet ingeschakeld.
–
•
Om de verkeersbordinformatie van het
bestuurdersdisplay te halen moet u
zowel de automatische snelheidsbegrenzer als de RSI deactiveren.
•
Wanneer de automatische snelheidsbegrenzer geactiveerd en de RSI gedeactiveerd is, geeft de RSI geen waarschuwingen. Om waarschuwingen te kunnen krijgen moet u tevens de RSI activeren.
De knop Hulp max. snelheid
staat op het functiescherm van
het middendisplay.
Om de automatische snelheidsbegrenzer te activeren:
N.B.
Om de automatische snelheidsbegrenzer te
deactiveren:
Druk op de knop Hulp maximum snelheid
op het functiescherm.
> ASL wordt uitgeschakeld en de kleur van
de indicatie op de knop verandert in
GRIJS – SL wordt in plaats daarvan geactiveerd.
WAARSCHUWING
De auto volgt niet langer de op de borden
aangegeven maximumsnelheid na het wisselen van ASL naar SL - de auto volgt dan
alleen de in het geheugen opgeslagen maximumsnelheid.
Gerelateerde informatie
Snelheidsbegrenzer (p. 278)
•
•
•
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 282)
•
Verkeersbordinformatie* (p. 351)
Beperkingen van de automatische snelheidsbegrenzer (p. 286)
Speed Limiter
Automatic Speed Limiter
Road Sign Information – RSI
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Tolerantie voor de automatische
snelheidsbegrenzer wijzigen
De automatische snelheidsbegrenzer (ASL23) is
in te stellen op verschillende tolerantieniveaus.
Het is mogelijk om de op snelheidsborden gebaseerde maximumsnelheid te verhogen/verlagen.
Als de auto bijvoorbeeld de aangegeven maximumsnelheid van 70 km/h (43 mph) aanhoudt,
kunt u ervoor kiezen om een snelheid van
75 km/h (47 mph) aan te houden.
–
Druk op de stuurknop
(1) totdat
70 km/h (43 mph) in het midden van de
snelheidsmeter (4) is gewijzigd in 75 km/h
(47 mph).
> De auto hanteert vervolgens de gekozen
tolerantie van 5 km/h (4 mph) zolang de
gepasseerde borden 70 km/h (43 mph)
aangeven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 282)
Beperkingen van de automatische snelheidsbegrenzer (p. 286)
Verkeersbordinformatie* (p. 351)
Deze tolerantie geldt totdat u een verkeersbord met een lagere of hogere snelheid passeert – de auto hanteert dan de
nieuwe aangegeven maximumsnelheid en
de tolerantie wordt uit het geheugen
gewist.
Als de verkeersbordinformatie*24 geactiveerd is, verschijnt de aangegeven snelheid ook met een gekleurde aanduiding
op de snelheidsmeter.
De tolerantie is op dezelfde manier aan te passen als bij het instellen van de snelheid voor de
snelheidsbegrenzer.
Knoppen en symbolen voor de functie.
N.B.
De grootst mogelijke marge die u kunt kiezen
is +/- 10 km/h (5 mph).
23
24
Automatic Speed Limiter
Road Sign Information – RSI
* Optie/accessoire. 285
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van de automatische
snelheidsbegrenzer
De automatische snelheidsbegrenzing (ASL25)
vindt plaats op basis van snelheidsinformatie
afkomstig van de verkeersbordinformatie*
(RSI26) – niet op basis van de verkeersborden
met maximumsnelheden die de auto passeert.
Cruisecontrol
De cruisecontrol (CC27) helpt u een gelijkmatige
snelheid aan te houden, wat voor een comfortabeler rijervaring kan zorgen tijdens lange ritten
op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met
een gelijkmatige doorstroom.
Overzicht
Als RSI de snelheidsinformatie niet kan interpreteren en doorgeven aan ASL, gaat ASL stand-by
staan en wordt overgeschakeld op SL. In dergelijke gevallen moet de bestuurder zelf ingrijpen
en naar de juiste snelheid afremmen.
: Vanuit de actieve stand – deactiveert
de cruisecontrol/zet deze stand-by
: Verlaagt de opgeslagen snelheid
Aanduiding voor opgeslagen snelheid
Actuele rijsnelheid
Opgeslagen snelheid
ASL wordt opnieuw geactiveerd, wanneer RSI
weer snelheidsinformatie kan interpreteren en
doorgeven aan ASL.
N.B.
Bij een auto met adaptieve cruisecontrol*
(ACC28) kunt u wisselen tussen cruisecontrol
en adaptieve cruisecontrol.
Gerelateerde informatie
•
•
•
: Vanuit de stand-bystand – activeert
de cruisecontrol en slaat de actuele snelheid
op
Snelheidsbegrenzer (p. 278)
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 282)
Verkeersbordinformatie* (p. 351)
Knoppen en symbolen voor de functie.
: Activeert de cruisecontrol vanuit de
stand-bystand en hervat de opgeslagen snelheid
: Verhoogt de opgeslagen snelheid
25
26
27
28
286
Automatic Speed Limiter
Road Sign Information – RSI
Cruise Control
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
Druk het gaspedaal tot ongeveer halverwege
in en laat het pedaal weer los.
> De cruisecontrol schakelt de automatische remingreep uit en remt vervolgens
alleen op de motor af.
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
–
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Motorrem gebruiken in plaats van
bedrijfsrem
De cruisecontrol regelt de snelheid met een
gereduceerde remingreep vanuit de bedrijfsrem.
Op een aflopende helling kan het soms wenselijk
zijn om iets sneller weg te rollen en alleen de
motorrem de snelheidstoename te laten dempen.
U kunt de bedrijfsremingreep van de cruisecontrol dan tijdelijk uitschakelen.
29
Doe in dat geval het volgende:
Cruise Control
•
•
•
•
•
•
•
Cruisecontrol activeren en starten
Om de snelheid te kunnen regelen moet u eerst
de cruisecontrol (CC29) kiezen en activeren.
Rijhulpsystemen (p. 272)
Cruisecontrol activeren en starten (p. 287)
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 288)
Cruisecontrol heractiveren vanuit de standbystand (p. 289)
Cruisecontrol uitschakelen (p. 290)
Aan te houden snelheid instellen voor rijhulpsystemen (p. 313)
Cruisecontrol stand-by zetten
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve
cruisecontrol* (p. 296)
–
Om de cruisecontrol stand-by te zetten:
Druk op ◀ (1) of ▶ (3) om naar het
symbool/de functie
(4) te gaan.
> Het desbetreffende symbool verschijnt,
waarna u de cruisecontrol kunt activeren.
Cruisecontrol activeren/starten
Voor het starten van de cruisecontrol vanuit de
stand-bystand moet de actuele snelheid 30 km/h
(20 mph) of hoger zijn. De laagst mogelijke snelheid die u kunt opslaan is 30 km/h (20 mph).
}}
* Optie/accessoire. 287
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Om de cruisecontrol te starten:
–
Als het symbool/de functie
wordt
weergegeven - druk op de stuurknop
(2).
> De cruisecontrol wordt gestart en de
actuele snelheid wordt opgeslagen.
Snelheidsbegrenzer deactiveren en
stand-by zetten
De cruisecontrol (CC30) is tijdelijk te deactiveren
en stand-by te zetten en vervolgens weer te activeren.
De cruisecontrol is niet in te schakelen bij
snelheden lager dan 30 km/h (20 mph).
•
30
288
Cruisecontrol uitschakelen (p. 290)
Cruise Control
u zet de keuzehendel in stand N
het koppelingspedaal meer dan 1 minuut
lang intrapt
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Cruisecontrol (p. 286)
Cruisecontrol heractiveren vanuit de standbystand (p. 289)
u bedient het rempedaal
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Gerelateerde informatie
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 288)
•
•
•
•
N.B.
•
•
•
Stand-by vanwege ingreep van bestuurder
De cruisecontrol wordt in de volgende gevallen
tijdelijk gedeactiveerd en stand-by gezet:
Om de cruisecontrol stand-by te zetten:
–
Druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van WIT in GRIJS. De snelheidsbegrenzer is daarmee tijdelijk gedeactiveerd, zodat u de snelheid vervolgens zelf
moet aanpassen.
Automatische stand-bystand
De cruisecontrol wordt in de volgende gevallen
tijdelijk uitgeschakeld en stand-by gezet:
•
•
•
•
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
het motortoerental is te laag/hoog
de remtemperatuur wordt te hoog
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph).
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Cruisecontrol (p. 286)
Cruisecontrol heractiveren vanuit de standbystand (p. 289)
Cruisecontrol activeren en starten (p. 287)
Cruisecontrol heractiveren vanuit de
stand-bystand
Om de cruisecontrol vanuit de stand-bystand te
starten:
De cruisecontrol (CC31) is tijdelijk te deactiveren
en stand-by te zetten en vervolgens weer te activeren.
–
Cruisecontrol uitschakelen (p. 290)
Druk op de stuurknop
(2).
> De cruisecontrolmarkeringen en -symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren
van GRIJS naar WIT en de actuele snelheid wordt hervat.
WAARSCHUWING
Wanneer u de snelheid weer hervat met de
stuurknop
, kan er een markante snelheidstoename volgen.
Gerelateerde informatie
Om de cruisecontrol vanuit de stand-bystand te
starten:
–
Druk op de stuurknop
(1).
> De cruisecontrolmarkeringen op het
bestuurdersdisplay verkleuren van GRIJS
naar WIT en de laatst opgeslagen snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol (p. 286)
•
•
•
Cruisecontrol uitschakelen (p. 290)
•
Cruisecontrol activeren en starten (p. 287)
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 288)
of
31
Cruise Control
289
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Cruisecontrol uitschakelen
Gerelateerde informatie
De cruisecontrol (CC32) is uit te schakelen.
•
•
•
•
•
Cruisecontrol (p. 286)
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve
cruisecontrol* (p. 296)
Cruisecontrol activeren en starten (p. 287)
Cruisecontrol heractiveren vanuit de standbystand (p. 289)
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 288)
Adaptieve cruisecontrol*33
De adaptieve cruisecontrol (ACC34) helpt u om
een gelijkmatige snelheid en een bepaald tijdsverschil ten opzichte van de voorligger aan te
houden.
De adaptieve cruisecontrol kan u een comfortabeler rijervaring bieden tijdens lange ritten op
snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met een
gelijkmatige doorstroom.
Knoppen en symbolen voor de functie.
Om de cruisecontrol uit te schakelen:
1.
(2).
Druk op de stuurknop
> De cruisecontrol wordt stand-by gezet.
2.
Druk op de stuurknop ◀ (1) of ▶ (3) om naar
een andere functie te gaan.
>
Het snelheidsbegrenzersymbool
(4) dooft – de ingestelde/opgeslagen
snelheid is daarmee gewist.
3.
32
33
34
290
Druk nogmaals op de stuurknop
(2).
> Er wordt een andere functie geactiveerd.
De gecombineerde camera en radarsensor meet de
afstand tot voorliggers.
U kiest de gewenste snelheid en het aan te houden tijdsverschil ten opzichte van voorliggers. Als
de gecombineerde camera en radarsensor een
voorligger registreert die langzamer rijdt dan u,
Cruise Control
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
wordt het tijdsverschil automatisch aangepast.
Wanneer de weg voor u weer vrij is, hervat de
auto de ingestelde snelheid.
WAARSCHUWING
•
•
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
De adaptieve cruisecontrol regelt de snelheid
door de stand van de gasklep aan te passen en
zo nodig af te remmen. Het is normaal dat de
remmen zwakke geluiden produceren, wanneer
35
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
ze worden gebruikt bij het aanpassen van de
snelheid.
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In situaties waarin krachtig moet worden geremd moet
u dan ook zelf te remmen. Dit is bijvoorbeeld het
geval bij grote snelheidsverschillen of als de
voorligger krachtig remt. Door beperkingen van
de radarsensor is het mogelijk dat er onverwacht
of helemaal niet wordt geremd.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar het
door u ingestelde tijdsverschil ten opzichte van
voorliggers in dezelfde rijstrook aan te houden.
Als de radarsensor geen voorligger registreert,
houdt de auto in plaats daarvan de snelheid aan
die op de cruisecontrol werd ingesteld. Dit
gebeurt ook als de snelheid van de voorligger
toeneemt en de ingestelde snelheid overschrijdt.
•
Dit is geen systeem dat botsingen voorkomt. Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor om in te grijpen, mocht
het systeem een voorliggers niet ontdekken.
•
De functie reageert niet op voetgangers
of dieren noch op kleinere voertuigen,
zoals fietsen of motorfietsen e.d. Lage
aanhangers, tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste
obstakels worden eveneens genegeerd.
•
Gebruik de functie niet in lastige situaties
zoals in stadsverkeer, op kruisingen, bij
gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten
met veel water of natte sneeuw, op bochtige wegen of op uit- en opritten.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud aan rijhulpcomponenten
over aan een werkplaats35.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 272)
Bediening en displayweergave van de adaptieve cruisecontrol* (p. 292)
}}
* Optie/accessoire. 291
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
Adaptieve cruisecontrol activeren en starten*
(p. 293)
Bediening en displayweergave van
de adaptieve cruisecontrol*
Verkleint het tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger
•
Beperkingen van adaptieve cruisecontrol*
(p. 296)
•
Symbolen en meldingen voor adaptieve
cruisecontrol* (p. 298)
Een overzicht van de bediening van de adaptieve
cruisecontrol via de stuurknoppenset links op
het stuurwiel en de displayweergave van de
functie.
Doelvoertuigindicatie: de functie heeft een
doelvoertuig ontdekt en volgt deze met een
vooraf gekozen tijdsverschil
•
Waarschuwing rijhulpsystemen bij een dreigende botsing (p. 310)
•
Tijdsverschil instellen voor rijhulpsystemen
(p. 311)
•
Aan te houden snelheid instellen voor rijhulpsystemen (p. 313)
•
Automatische remfunctie van rijhulpsystemen (p. 314)
•
Van doelvoertuig veranderen met rijhulpsystemen (p. 310)
•
Inhaalassistent (p. 315)
Symbool voor tijdsverschil ten opzichte van
voorligger
Bestuurdersdisplay
: Vanuit de stand-bystand – activeert
en slaat de actuele snelheid op
: Vanuit de actieve stand – deactiveert
zet deze stand-by
Snelheidsaanduidingen.
Opgeslagen snelheid
Snelheid van de voorligger.
: Activeert de functie vanuit de standbystand en hervat de opgeslagen snelheid
: Verhoogt de opgeslagen snelheid
: Verlaagt de opgeslagen snelheid
Actuele snelheid van uw auto.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 290)
Vergroot het tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger
292
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol activeren
en starten*
Adaptieve cruisecontrol starten/
activeren
De adaptieve cruisecontrol (ACC36) moet, om
de snelheid en het tijdsverschil te kunnen regelen, eerst worden geactiveerd en vervolgens
worden gestart.
Om ACC te kunnen starten, is het volgende vereist:
•
U moet de veiligheidsgordel om hebben en
het bestuurdersportier moet dichtstaan.
Adaptieve cruisecontrol stand-by zetten
•
Er moet binnen een redelijke afstand een
voorligger (doelvoertuig) aanwezig zijn of de
actuele snelheid moet minimaal 15 km/h
(9 mph) zijn.
•
–
Als het symbool/de functie
(4) wordt
weergegeven - druk op de stuurknop
(1).
> De adaptieve cruisecontrol wordt gestart
en de actuele snelheid wordt als snelheid
opgeslagen en met cijfers in het midden
van de snelheidsmeter weergegeven.
Alleen als het afstandssymbool
twee voertuigen aangeeft,
regelt ACC het tijdsverschil ten
opzichte van de voorligger.
Voor auto's met een handgeschakelde versnellingsbak: De snelheid moet minimaal
30 km/h (20 mph) bedragen.
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd.
De adaptieve cruisecontrol staat direct na het
starten van de motor stand-by. Doe het volgende
om het geactiveerde systeem stand-by te zetten:
–
36
Druk op de stuurknop ◀ (2) of ▶ (3) om naar
(4) te gaan.
het symbool/de functie
> Het symbool wordt weergegeven en de
adaptieve cruisecontrol wordt stand-by
gezet.
De hogere snelheid is de opgeslagen/gekozen snelheid en de
lagere snelheid is de snelheid
van de voorligger (het doelvoertuig).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 290)
Adaptieve cruisecontrol deactiveren/heractiveren* (p. 294)
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve
cruisecontrol* (p. 296)
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire. 293
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol
deactiveren/heractiveren*
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
De adaptieve cruisecontrol (ACC37) is tijdelijk te
deactiveren en stand-by te zetten en vervolgens
weer te activeren.
–
Druk op de stuurknop
(2).
> De kleur van de opgeslagen snelheid in
het midden van de snelheidsmeter verandert van BEIGE in GRIJS en de aanduiding voor het tijdsverschil plus een eventueel symbool voor het doelvoertuig
doven.
Adaptieve cruisecontrol deactiveren en
stand-by zetten
•
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
•
u bedient het koppelingspedaal langer dan
zo'n 1 minuut – geldt voor auto's met een
handgeschakelde versnellingsbak.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
WAARSCHUWING
•
Wanneer de adaptieve cruisecontrol standby staat moet u actief ingrijpen en zelf de
snelheid en afstand aanpassen ten
opzichte van voorliggers.
•
Wanneer de adaptieve cruisecontrol standby staat en de auto een voorligger te dicht
nadert, kunt u echter een waarschuwing
krijgen voor de te kleine afstand van de
afstandswaarschuwing*.
Stand-by vanwege ingreep van bestuurder
De adaptieve cruisecontrol wordt tijdelijk gedeactiveerd en stand-by gezet in de volgende gevallen:
•
•
37
294
u bedient het rempedaal.
u zet de keuzehendel in stand N.
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Automatische stand-bystand
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen, zoals de stabiliteitsregeling/
antislipregeling (ESC38). Als een van deze andere
systemen niet meer werkt, wordt de adaptieve
cruisecontrol automatisch uitgeschakeld.
WAARSCHUWING
Wanneer de auto automatisch stand-by staat,
wordt u gewaarschuwd met een geluidssignaal en een melding op het bestuurdersdisplay.
•
Als bestuurder moet u dan zelf de snelheid aanpassen, zo nodig remmen en een
veilige afstand houden tot voorliggers.
•
•
•
u doet de veiligheidsgordel af.
•
•
•
de remmen hebben een hoge temperatuur.
WAARSCHUWING
het motortoerental is te laag/hoog.
Wanneer u de snelheid weer hervat met de
, kan er een markante snelstuurknop
heidstoename volgen.
een of meer wielen verliezen hun grip op het
wegdek.
de parkeerrem wordt geactiveerd.
de gecombineerde camera en radarsensor
wordt afgedekt door sneeuw of zware regenval (blokkering cameralens/radarsignalen).
Adaptieve cruisecontrol heractiveren
vanuit de stand-bystand
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 290)
Adaptieve cruisecontrol activeren en starten*
(p. 293)
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve
cruisecontrol* (p. 296)
De automatische stand-by is mogelijk in de volgende gevallen:
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en
ACC kan niet registreren of de voorligger
een stilstaand voertuig is of een object, zoals
een verkeersdrempel.
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en de
voorligger slaat af, zodat ACC geen voorligger meer heeft om te volgen.
•
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph) – geldt alleen voor auto's met een
handgeschakelde versnellingsbak.
•
u opent het bestuurdersportier.
38
ACC heractiveren vanuit stand-bystand:
–
Druk op de stuurknop
(1).
> De auto hervat de laatst opgeslagen snelheid.
Electronic Stability Control
* Optie/accessoire. 295
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van adaptieve
cruisecontrol*
De adaptieve cruisecontrol (ACC39) kent mogelijk beperkingen in bepaalde situaties.
Steile wegen en/of zware belading
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in eerste
instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op
vlakke weggedeelten. Het systeem heeft mogelijk
moeite om de juiste afstand ten opzichte van
voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen – blijf dan extra alert en rem zo
nodig zelf.
•
Maak geen gebruik van de adaptieve cruisecontrol, als de auto zwaar beladen is of wanneer er een aanhangwagen achter de auto
hangt.
Overig
•
Rijmodus Off Road kan niet worden gekozen als de adaptieve cruisecontrol is geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 290)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
Wisselen tussen cruisecontrol en
adaptieve cruisecontrol*
Bij een auto met adaptieve cruisecontrol
(ACC40) kunt u wisselen tussen cruisecontrol
(CC41) en ACC.
Het symbool op het bestuurdersdisplay geeft aan
welke cruisecontrol actief is:
CC
ACC
A
Cruisecontrol
A
A
Adaptieve cruisecontrol
WIT symbool: De functie is actief, GRIJS symbool: Stand-by zetten
Overschakelen van ACC op CC
U doet dat als volgt:
1.
Zet de adaptieve cruisecontrol stand-by met
de stuurknop
.
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
39
40
41
296
Adaptive Cruise Control
Adaptive Cruise Control
Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
2.
Druk op de knop Cruise control op het
functiescherm van het middendisplay – de
kleur van het controlelampje in de knop verandert van GRIJS in GROEN.
> Op het bestuurdersdisplay maakt het symbool voor
ACC plaats voor
Overschakelen van CC op ACC
U doet dat als volgt:
1.
Zet de cruisecontrol stand-by met de stuur.
knop
2.
Druk op de knop Cruise control op het
functiescherm – de kleur van het controlelampje in de knop verandert van GROEN in
GRIJS.
> Op het bestuurdersdisplay maakt het sym-
CC – daarna is de adaptieve
cruisecontrol uitgeschakeld en staat de
cruisecontrol stand-by.
3.
bool voor
.
Druk op de stuurknop
> De cruisecontrol wordt gestart en de
actuele snelheid wordt opgeslagen.
WAARSCHUWING
Overschakeling van ACC op CC houdt in dat
de auto:
•
niet langer het ingestelde tijdsverschil ten
opzichte van voorliggers aanhoudt;
•
de opgeslagen snelheid hanteert, zodat u
als bestuurder waar nodig zelf actief moet
remmen.
CC plaats voor
ACC – daarmee is de cruisecontrol uitgeschakeld en staat de adaptieve
cruisecontrol stand-by.
3.
.
Druk op de stuurknop
> De adaptieve cruisecontrol start en slaat
de actuele snelheid op samen met het
vooraf ingestelde tijdsverschil ten opzichte
van voorliggers.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 290)
Cruisecontrol (p. 286)
Als CC bij het uitschakelen van de motor actief is,
wordt ACC bij de volgende motorstart automatisch geactiveerd.
* Optie/accessoire. 297
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
adaptieve cruisecontrol*
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen voor de adaptieve cruisecontrol (ACC42).
Op de voorgaande afbeelding ziet u dat de adaptieve cruisecontrol is ingesteld op het aanhouden
van een snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat
er geen voorliggers zijn die het systeem kan volgen.
Op de onderstaande voorbeeldafbeeldingen
informeert de RSI* (Road Sign Information) u dat
de maximumsnelheid 130 km/h (80 mph)
bedraagt.
Op de voorgaande afbeelding ziet u dat de adaptieve cruisecontrol is ingesteld op het aanhouden
van een snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat
het systeem een voorligger volgt die op dezelfde
snelheid rijdt.
42
298
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbool
Melding
Betekenis
Het symbool is WIT.
De auto houdt de opgeslagen/gekozen snelheid aan.
Adaptive Cruise Contr.
De adaptieve cruisecontrol staat stand-by.
Niet beschikbaar
Het symbool is GRIJS.
Adaptive Cruise Contr.
Service vereist
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Het symbool is GRIJS.
Voorruitsensor
Reinig de voorruit vóór de sensoren van de gecombineerde camera en radarsensor.
Sensor afgedekt, zie handleiding
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 290)
* Optie/accessoire. 299
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Pilot Assist43
Pilot Assist helpt u om tussen de zijmarkeringen
van de rijbaan te blijven rijden dankzij stuurhulp,
een constante snelheid aan te houden en een
vooraf geselecteerd tijdsverschil ten opzichte
van voorliggers.
Pilot Assist werkt als volgt
Pilot Assist is voornamelijk bestemd voor gebruik
op snelwegen, hoofdwegen en dergelijke om u
een comfortabeler en meer ontspannen rijervaring te bieden.
U kiest de gewenste snelheid en het aan te houden tijdsverschil ten opzichte van voorliggers.
Pilot Assist registreert de afstand tot de voorligger en de zijmarkeringen van de rijstrook op de
weg via de gecombineerde camera en radarsensor. Het vooraf ingestelde tijdsverschil wordt aangehouden via automatische aanpassing van de
snelheid, terwijl de stuurassistentie helpt om de
auto binnen de rijstrookmarkeringen te houden.
Pilot Assist-stuurassistentie wordt gebaseerd op
een combinatie van het traject dat de voorligger
aflegt en de zijmarkeringen van de rijbaan. U kunt
op elk gewenst moment het stuuradvies van Pilot
Assist negeren en in een andere richting sturen,
bijvoorbeeld om van rijstrook te wisselen of om
obstakels op de weg te omzeilen.
Als Pilot Assist de rijbaan niet goed kan detecteren, bijvoorbeeld als de gecombineerde camera
en radarsensor de zijmarkeringen van de rijbaan
niet kan zien, schakelt Pilot Assist de stuurhulp
tijdelijk uit, maar de stuurhulp wordt weer ingeschakeld zodra de rijbaan weer wordt gedetecteerd – de snelheids- en afstandsregelingen blijven echter geactiveerd.
De gecombineerde camera en radarsensor meet de
afstand tot voorliggers en detecteert zijmarkeringen.
Gecombineerde camera en radarsensor
Afstandssensor
Zijmarkeringssensor
43
300
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
WAARSCHUWING
De stuurhulp van Pilot Assist wordt automatisch en zonder waarschuwing vooraf uit- en
weer ingeschakeld.
De kleur van het stuursymbool
geeft de actuele status van de
stuurhulp aan:
• een GROEN stuur geeft aan
dat de stuurhulp actief is
• een GRIJS stuur (zoals afgebeeld) geeft aan dat de stuurhulp niet actief is.
WAARSCHUWING
Gebruik Pilot Assist alleen bij duidelijke markeringen aan weerszijden van de rijstrook. Bij
gebruik in andere situaties bestaat het risico
dat u op omringende obstakels botst die het
systeem niet kan detecteren.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig
remt. Door beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor is het mogelijk dat er
onverwacht of helemaal niet wordt geremd.
Pilot Assist streeft ernaar het door u ingestelde
tijdsverschil ten opzichte van voorliggers in
dezelfde rijstrook aan te houden. Als de radarsensor geen voorligger registreert, houdt de auto
in plaats daarvan de snelheid aan die op de
cruisecontrol werd ingesteld. Dit gebeurt ook als
de snelheid van de voorligger toeneemt en de
ingestelde snelheid overschrijdt.
WAARSCHUWING
•
Dit is geen systeem dat botsingen voorkomt. Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor om in te grijpen, mocht
het systeem een voorliggers niet ontdekken.
•
De functie reageert niet op voetgangers
of dieren noch op kleinere voertuigen,
zoals fietsen of motorfietsen e.d. Lage
aanhangers, tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste
obstakels worden eveneens genegeerd.
•
Gebruik de functie niet in lastige situaties
zoals in stadsverkeer, op kruisingen, bij
gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten
met veel water of natte sneeuw, op bochtige wegen of op uit- en opritten.
BELANGRIJK
Pilot Assist regelt de snelheid door de stand van
de gasklep aan te passen en zo nodig af te remmen. Het is normaal dat de remmen zwakke
geluiden produceren, wanneer ze worden
gebruikt bij het aanpassen van de snelheid.
In bochten en bij wegsplitsingen
Pilot Assist probeert de snelheid op een soepele
manier te regelen. In situaties waarin krachtig
moet worden geremd moet u dan ook zelf te
remmen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij grote
Pilot Assist werkt samen met de bestuurder
zodat u de stuurhulp van Pilot Assist niet moet
afwachten maar altijd klaar moet staan om de
besturing over te nemen, vooral in bochten.
44
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Laat het onderhoud aan rijhulpcomponenten
over aan een werkplaats44.
}}
301
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
•
Als de auto een afslag of splitsing van de
rijstrook nadert, dient u in de richting van de
gewenste rijstrook te sturen om de gewenste
rijrichting kenbaar te maken aan Pilot Assist.
Pilot Assist probeert altijd om de auto
in het midden van de rijstrook te
houden
Wanneer Pilot Assist helpt bij het sturen, probeert de functie altijd om de auto midden tussen
de rijstrookmarkeringen te brengen en het wordt
daarom aanbevolen om de auto zelf de optimale
positie te laten zoeken, om op deze manier een
zo soepel mogelijke rijervaring mogelijk te maken.
Als bestuurder controleert u of de auto op een
veilige manier in de rijstrook gebracht wordt en u
kunt de positie dus altijd aanpassen door de
besturing zelf verder over te nemen.
•
Mocht Pilot Assist de auto niet op een correcte manier naar de rijstrook brengen, dan
adviseren we om Pilot Assist uit te zetten of
over te schakelen op de adaptieve cruisecontrol.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 272)
Bediening en displayweergave van Pilot
Assist (p. 302)
Pilot Assist activeren en starten (p. 303)
Beperkingen van Pilot Assist (p. 307)
•
Symbolen en meldingen voor Pilot Assist*
(p. 308)
Bediening en displayweergave van
Pilot Assist
•
Waarschuwing rijhulpsystemen bij een dreigende botsing (p. 310)
•
Van doelvoertuig veranderen met rijhulpsystemen (p. 310)
Een overzicht van de bediening van de Pilot
Assist via de stuurknoppenset links op het stuurwiel en de displayweergave van de functie.
•
Tijdsverschil instellen voor rijhulpsystemen
(p. 311)
•
Aan te houden snelheid instellen voor rijhulpsystemen (p. 313)
•
Automatische remfunctie van rijhulpsystemen (p. 314)
•
Inhaalassistent (p. 315)
Bediening
Knoppen en symbolen voor de functie.
▶: Schakelt over van adaptieve cruisecontrol
op Pilot Assist
: Vanuit de stand-bystand – activeert
Pilot Assist en slaat de actuele snelheid op
: Vanuit de actieve stand – deactiveert
Pilot Assist zet deze stand-by
: Activeert Pilot Assist vanuit de standbystand en hervat de opgeslagen snelheid
en het opgeslagen tijdsverschil
: Verhoogt de opgeslagen snelheid
302
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
: Verlaagt de opgeslagen snelheid
Bestuurdersdisplay
Pilot Assist activeren en starten
Pilot Assist moet, om de snelheid en het tijdsverschil te kunnen regelen en stuurhulp te kunnen
bieden, eerst worden geactiveerd en vervolgens
worden gestart.
Vergroot het tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger
Verkleint het tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger
◀: Schakelt over van Pilot Assist op adaptieve cruisecontrol
Functiesymbool
Symbolen voor het doelvoertuig
Symbool voor tijdsverschil ten opzichte van
voorligger
Snelheidsaanduidingen.
Symbool voor geactiveerde/gedeactiveerde
stuurhulp
Opgeslagen snelheid
Snelheid van de voorligger
Actuele snelheid van uw auto
Gerelateerde informatie
•
Pilot Assist (p. 300)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Om Pilot Assist te kunnen starten, is het volgende vereist:
•
U moet de veiligheidsgordel om hebben en
het bestuurdersportier moet dichtstaan.
•
Er moet binnen een redelijke afstand een
voorligger (doelvoertuig) aanwezig zijn of de
actuele snelheid moet minimaal 15 km/h
(9 mph) zijn.
•
Voor auto's met een handgeschakelde versnellingsbak: De snelheid moet minimaal
30 km/h (20 mph) bedragen.
}}
303
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Met de adaptieve cruisecontrol stand-by:
1.
2.
Druk op de stuurknop ▶ (6).
> In de stand-bystand verandert het symin Pilot Assist (8).
bool
Druk op de stuurknop
(2).
> Pilot Assist wordt gestart en de actuele
snelheid wordt opgeslagen en met cijfers
in het midden van de snelheidsmeter
weergegeven.
De hogere snelheid is de opgeslagen/gekozen
snelheid en de lagere snelheid is de snelheid van
de voorligger (het doelvoertuig).
Handen aan het stuur
Een voorwaarde voor de werking van Pilot Assist
is dat u uw handen aan het stuur houdt.
Als Pilot Assist detecteert dat u
uw handen niet aan het stuurwiel houdt, krijgt u na enige tijd
het verzoek tot actieve besturing van de auto, in de vorm van
een symbool en een displaytekst.
...of...
Met de adaptieve cruisecontrol gestart:
–
Druk op de stuurknop ▶ (6).
> Pilot Assist wordt gestart.
Alleen wanneer de kleur van
het stuursymbool (2) verandert
van GRIJS in GROEN, is de
stuurhulp van Pilot Assist
actief.
Alleen wanneer het afstandssymbool een auto (1) boven het stuursymbool
aangeeft, regelt Pilot Assist het tijdsverschil en
opzichte van voorliggers.
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd.
Als het systeem enige seconden later detecteert
dat u uw handen nog steeds niet aan het stuur
hebt, wordt het verzoek tot actieve besturing van
de auto herhaald. Dit maal in combinatie met een
akoestisch waarschuwingssignaal.
Als Pilot Assist na nog eens enkele seconden
nog steeds niet kan registreren dat u uw handen
aan het stuur hebt, wordt het volume van het
waarschuwingssignaal verhoogd en de stuurfunctie uitgeschakeld. Vervolgens moet u Pilot Assist
opnieuw starten met de stuurknop
.
N.B.
Let op: de hulpfunctie Pilot Assist werkt
alleen als u de handen aan het stuur hebt.
304
Gerelateerde informatie
•
•
Pilot Assist (p. 300)
Pilot Assist deactiveren/heractiveren
(p. 305)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Pilot Assist deactiveren/
heractiveren
Pilot Assist is tijdelijk te deactiveren en stand-by
te zetten en vervolgens weer te activeren.
...of...
Druk op de stuurknop ◀ (3).
> Pilot Assist wordt uitgeschakeld en schakelt over naar de adaptieve cruisecontrol
in actieve stand.
–
Pilot Assist deactiveren en stand-by
zetten
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Om Pilot Assist tijdelijk uit te schakelen en
stand-by te zetten:
–
Druk op de stuurknop
(2).
> Pilot Assist gaat stand-by staan – de kleur
van het symbool (8) op het bestuurdersdisplay verandert van WIT in GRIJS en de
kleur van de opgeslagen snelheid in het
midden van de snelheidsmeter verandert
van BEIGE in GRIJS.
•
WAARSCHUWING
•
Wanneer Pilot Assist stand-by staat moet
u actief ingrijpen alsook zelf sturen en uw
snelheid en afstand aanpassen ten
opzichte van voorliggers.
•
Wanneer Pilot Assist stand-by staat en
de auto een voorligger te dicht nadert,
krijgt u echter een waarschuwing voor de
te kleine afstand van de afstandswaarschuwing*.
u bedient het koppelingspedaal langer dan
ca. 1 minuut – geldt voor auto's met handgeschakelde versnellingsbak.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Bij gebruik van de richtingaanwijzers wordt de
stuurhulp van Pilot Assist tijdelijk uitgeschakeld.
Wanneer dat niet langer het geval is, wordt de
stuurhulp automatisch opnieuw geactiveerd als
de zijlijnen van de rijstrook nog steeds te detecteren zijn.
Stand-by vanwege ingreep van bestuurder
Pilot Assist wordt tijdelijk gedeactiveerd en
stand-by gezet in de volgende gevallen:
•
•
•
•
u bedient het rempedaal.
u zet de keuzehendel in stand N.
u hebt de richtingaanwijzers langer dan
1 minuut gebruikt.
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
}}
* Optie/accessoire. 305
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Automatische stand-bystand
Pilot Assist is afhankelijk van andere systemen
zoals de stabiliteitsregeling/antislipregeling
ESC45. Als een van dergelijke andere systemen
uitvalt, wordt Pilot Assist automatisch uitgeschakeld.
WAARSCHUWING
Wanneer de auto automatisch stand-by staat,
wordt u gewaarschuwd met een geluidssignaal en een melding op het bestuurdersdisplay.
•
Als bestuurder moet u dan zelf de snelheid aanpassen, zo nodig remmen en een
veilige afstand houden tot voorliggers.
•
•
de gecombineerde camera en radarsensor
wordt afgedekt door sneeuw of zware regenval (blokkering cameralens/radarsignalen).
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en de
voorligger slaat af, zodat Pilot Assist geen
voorligger meer heeft om te volgen.
•
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph) – geldt alleen voor auto's met een
handgeschakelde versnellingsbak.
Pilot Assist heractiveren vanuit standbystand
45
306
u opent het bestuurdersportier.
de remmen hebben een hoge temperatuur.
u houdt uw handen niet aan het stuurwiel.
de parkeerrem wordt geactiveerd.
het motortoerental is te laag/hoog.
u doet de veiligheidsgordel af.
een of meer wielen verliezen hun grip op het
wegdek.
Electronic Stability Control
–
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en
Pilot Assist kan niet registreren of de voorligger een stilstaand voertuig is of een object,
zoals een verkeersdrempel.
De automatische stand-by kan bijvoorbeeld veroorzaakt zijn door:
•
•
•
•
•
•
•
Om Pilot Assist opnieuw te activeren:
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Druk op de stuurknop
(1).
> De auto hervat de laatst opgeslagen snelheid.
WAARSCHUWING
Wanneer u de snelheid weer hervat met de
, kan er een markante snelstuurknop
heidstoename volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
Pilot Assist (p. 300)
Pilot Assist activeren en starten (p. 303)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van Pilot Assist
In bepaalde situaties gelden mogelijk beperkingen voor de werking van Pilot Assist.
Pilot Assist is een hulpmiddel dat u in veel situaties kan ondersteunen en helpen. U bent er
echter altijd zelf verantwoordelijk voor dat u een
veilige afstand aanhoudt ten opzichte van de
omgeving en dat u de juiste positie op de rijbaan
aanhoudt.
slechte lichtomstandigheden, tegenlicht,
een natte rijbaan et cetera.
WAARSCHUWING
In bepaalde situaties heeft de stuurassistentie
van Pilot Assist moeite om u op de juiste
manier te helpen of wordt de stuurassistentie
automatisch uitgeschakeld – in dat geval is
het advies om Pilot Assist niet te gebruiken.
Voorbeelden van dergelijke situaties:
Let er ook op dat Pilot Assist de volgende
beperkingen heeft:
•
Hoge trottoirbanden, barrières en tijdelijke wegversperringen (pylonen, andere
barrières et cetera) worden niet gedetecteerd. Ze kunnen ten onrechte worden
verward met rijstrookmarkeringen, zodat
het risico bestaat dat de auto in aanraking komt met dergelijke barrières. Het is
aan de bestuurder om voldoende afstand
te houden tot de genoemde barrières.
•
de rijstrookmarkeringen zijn afgesleten,
ontbreken of kruisen elkaar.
•
de rijstrookindeling is niet duidelijk, bijvoorbeeld wanneer de rijstroken worden
gesplitst of samengevoegd, bij afritten of
als er sprake is van meerdere sets wegmarkeringen.
•
•
er zijn randen of andere lijnen dan rijstrookmarkeringen aanwezig op of naast de
rijbaan, zoals trottoirbanden, naden of
reparaties in het oppervlak van de rijbaan,
randen van barrières, bermen of scherpe
schaduwen.
De gecombineerde radarsensor en
camera heeft onvoldoende capaciteit om
alle aanwezige objecten en obstakels in
het verkeer te ontdekken, zoals kuilen,
stilstaande obstakels of voorwerpen die
de route geheel of gedeeltelijk blokkeren.
•
•
•
de rijstrook is smal of bochtig.
Pilot Assist “ziet” voetgangers, dieren en
dergelijke niet.
•
•
het is slecht weer, met regen, (natte)
sneeuw of mist of verminderd zicht met
De aanbevolen stuuringreep is in sterkte
beperkt, wat inhoudt dat het systeem u
niet altijd kan helpen de auto zo te sturen
dat deze binnen de rijstrook blijft.
•
Bij een auto met Sensus Navigation* kan
de functie informatie uit kaartgegevens
de rijstrook loopt over een top van een
helling of een verkeerdrempel.
}}
* Optie/accessoire. 307
BESTUURDERSONDERSTEUNING
gebruiken, wat wisselende prestaties kan
betekenen.
||
•
Steile wegen en/of zware belading
Let erop dat Pilot Assist in eerste instantie
bestemd is voor gebruik tijdens ritten op vlakke
weggedeelten. Het systeem heeft mogelijk
moeite om de juiste afstand ten opzichte van
voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen – blijf dan extra alert en rem zo
nodig zelf.
Maak geen gebruik van Pilot Assist als de
auto zwaar beladen is of wanneer er een
aanhangwagen achter de auto hangt.
N.B.
Pilot Assist is niet te activeren als een aanhanger, fietsdrager of iets dergelijks worden
aangesloten op het elektrische systeem van
de auto.
46
47
308
•
Pilot Assist wordt uitgeschakeld, als de
snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
met een beperkt vermogen werkt – zoals
bij koeling op grond van oververhitting.
U kunt actuele stuuringrepen van Pilot Assist
altijd corrigeren of aanpassen en zelf het stuur in
de gewenste stand draaien.
•
Overig
U kunt Off Road niet kiezen, wanneer Pilot
Assist is geactiveerd.
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Symbolen en meldingen voor
Pilot Assist*
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van
Pilot Assist.
Hier volgen enkele voorbeelden46.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Pilot Assist (p. 300)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 272)
Rijmodi* (p. 420)
Op de voorgaande afbeelding47 ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat er geen
voorliggers zijn die het systeem kan volgen.
Pilot Assist geeft geen stuurhulp, omdat het de
zijlijnen van de rijstrook niet detecteren.
Op de onderstaande voorbeeldafbeeldingen informeert de RSI (Road Sign Information) u dat de maximumsnelheid 130 km/h (80 mph) bedraagt.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Op de voorgaande afbeelding47 ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat het systeem een voorligger volgt die op dezelfde snelheid rijdt.
Op de voorgaande afbeelding47 ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat het systeem een voorligger volgt die op dezelfde snelheid rijdt.
Pilot Assist geeft geen stuurhulp, omdat het de
zijlijnen van de rijstrook niet detecteren.
Pilot Assist geeft nu stuurhulp, omdat het de zijlijnen van de rijstrook kan detecteren.
Op de voorgaande afbeelding47 ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat er geen
voorliggers zijn die het systeem kan volgen.
Pilot Assist geeft nu stuurhulp, omdat het de zijlijnen van de rijstrook kan detecteren.
Gerelateerde informatie
•
47
Pilot Assist (p. 300)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
309
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Waarschuwing rijhulpsystemen bij
een dreigende botsing
De rijhulpsystemen Pilot Assist en adaptieve
cruisecontrol*48 kunnen u waarschuwen, als de
afstand tot voorliggers plotseling te klein wordt.
met het waarschuwingslampje en een waarschuwingssignaal op attent gemaakt dat u onmiddellijk moet ingrijpen.
WAARSCHUWING
De rijhulpsystemen waarschuwen alleen voor
door de radareenheid gedetecteerde voertuigen – het kan dan ook voorkomen dat een
waarschuwing vertraagd of helemaal niet
wordt weergegeven. Wacht een waarschuwing nooit af, maar rem als dat nodig is.
Van doelvoertuig veranderen met
rijhulpsystemen
De rijhulpsystemen adaptieve cruisecontrol*49
en Pilot Assist kunnen bij auto's met een automatische versnellingsbak op bepaalde snelheden van doelvoertuig veranderen.
Van doelvoertuig veranderen
Gerelateerde informatie
•
•
•
Geluidssignaal en symbool voor Collision Warning.
Akoestisch waarschuwingssignaal bij gevaar
voor een botsing
Waarschuwingssymbool bij gevaar voor een
botsing
Afstandsmeting met gecombineerde camera
en radarsensor
De rijhulpsystemen gebruiken zo'n 40% van de
capaciteit van de bedrijfsrem. Als de auto harder
moet worden afgeremd dan de rijhulpsystemen
aankunnen en u remt zelf niet bij, dan wordt u er
48
49
310
Rijhulpsystemen (p. 272)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 290)
Pilot Assist (p. 300)
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat, kan het
gebeuren dat een stilstaande voorligger het nieuwe
doelvoertuig wordt.
Wanneer de rijhulpsystemen een rijdende voorligger volgen bij snelheden onder 30 km/h,
(20 mph) van doelvoertuig veranderen en een
stilstaand voertuig volgen, zullen de rijhulpsystemen voor het stilstaande voertuig remmen.
Adaptive Cruise Control
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
Wanneer de rijhulpsystemen een rijdende
voorligger volgen bij snelheden boven
30 km/h (20 mph) en het doelvoertuig verruilen voor een stilstaand voertuig, dan zullen de
rijhulpsystemen het stilstaande voertuig
negeren en in plaats daarvan accelereren tot
de opgeslagen snelheid.
•
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
Automatische stand-bystand bij wijziging van
doelvoertuig
De rijhulpsystemen worden uitgeschakeld en
stand-by gezet:
•
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(3 mph) en de rijhulpsystemen niet kunnen
registreren of de voorligger een stilstaand
voertuig is of een ander object, zoals een
verkeersdrempel.
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(3 mph) en de voorligger slaat af, zodat de
rijhulpsystemen geen voorligger meer hebben om te volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
50
Tijdsverschil instellen voor
rijhulpsystemen
Het is mogelijk om het tijdsverschil ten opzichte
van voorliggers in stellen die de functies adaptieve cruisecontrol*50, Pilot Assist en afstandswaarschuwing* moeten aanhouden.
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het bestuurdersdisplay
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe groter het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen met
zo'n 1 seconde ten opzichte van de voorligger en
5 streepjes komt overeen met zo'n 3 seconden.
N.B.
Als het symbool op het bestuurdersdisplay
twee voertuigen toont, volgt ACC de voorligger met een vooraf gekozen tijdsverschil.
Als er slechts één auto wordt getoond, is er
binnen een redelijke afstand geen voorligger
aanwezig.
N.B.
Wanneer op het bestuurdersdisplay het autosymbool met een stuur verschijnt, volgt Pilot
Assist een voorligger met het gekozen tijdverschil.
Wanneer alleen het autosymbool verschijnt, is
er binnen een redelijke afstand geen voorligger aanwezig.
Rijhulpsystemen (p. 272)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 290)
Pilot Assist (p. 300)
Adaptive Cruise Control
}}
* Optie/accessoire. 311
BESTUURDERSONDERSTEUNING
N.B.
Rijmodus voor rijhulp
•
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaald
tijdsverschil.
U kunt aangeven op welke manier de rijhulpsystemen een bepaalde afstand tot voorliggers
moeten aanhouden.
•
Houd alleen een tijdsverschil aan dat niet
in strijd is met de geldende verkeersregels.
U maakt een keuze via de rijmodusknop DRIVE
MODE.
•
Als de rijhulpsystemen bij activering niet
lijken te reageren met een verhoging van
de snelheid, kan dat komen doordat het
actuele tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger kleiner is dan het ingestelde
tijdsverschil.
||
Bedieningselementen voor het tijdsverschil.
Tijdsverschil verkleinen
Tijdsverschil vergroten
WAARSCHUWING
Afstandsindicatie
–
Druk op de stuurknop (1) of (2) om het tijdsverschil te verkleinen of te vergroten.
> De afstandsindicatie (3) toont het actuele
tijdsverschil.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen
blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in
bepaalde situaties aanzienlijke variaties in het
tijdsverschil toe. Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot de adaptieve cruisecontrol het
tijdsverschil iets.
312
•
Houd alleen een tijdsverschil aan dat zich
leent voor de actuele verkeerssituatie.
•
Let erop dat geringe tijdsverschillen u bij
plotselinge wijzigingen in de verkeerssituatie minder tijd geven om te reageren
en in te grijpen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Kies een van de volgende alternatieven:
• Eco – De rijhulpsystemen streven naar een
zo laag mogelijk brandstofverbruik wat grotere tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers betekent.
• Comfort – De rijhulpsystemen streven naar
een zo soepel mogelijke aanpassing aan de
rijsnelheid van voorliggers.
• Dynamic* – De rijhulpsystemen streven naar
een directere vorm van aanpassing aan het
ingestelde tijdsverschil ten opzichte van voorliggers, wat in bepaalde gevallen krachtiger
acceleraties/remmanoeuvres kan betekenen.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 272)
Rijmodi* (p. 420)
Rijhulpsystemen (p. 272)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 290)
Pilot Assist (p. 300)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Aan te houden snelheid instellen
voor rijhulpsystemen
–
Het is mogelijk om de snelheid in te stellen die
de functies snelheidsbegrenzer, cruisecontrol,
adaptieve cruisecontrol*51 en Pilot Assist moeten aanhouden.
•
Wijzig de opgeslagen snelheid door kort op
(1) of
(2) te drukde stuurknoppen
ken of door ze ingedrukt te houden.
•
Kort drukken: Iedere keer dat u de knop
indrukt past u de snelheid aan in stappen
van +/- 5 km/h (+/- 5 mph).
•
Knop indrukken en vasthouden: Laat de
knop los als de snelheidsindicator (3) de
gewenste snelheid aangeeft.
De laatst verrichte aanpassing met de knop
wordt in het geheugen opgeslagen.
Als de snelheid met het gaspedaal wordt verhoogd voordat op de stuurknop
(1) wordt
gedrukt, wordt de actuele rijsnelheid bij het drukken op de knop opgeslagen, op voorwaarde dat u
bij het drukken op de knop uw voet op het gaspedaal houdt.
: Verhoogt de opgeslagen snelheid.
: Verlaagt de opgeslagen snelheid.
Opgeslagen snelheid.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
een voorligger volgen tot aan stilstand, is het kiezen/opslaan van een lagere snelheid dan de
genoemde 30 km/h (20 mph) niet mogelijk.
Handgeschakelde versnellingsbak
De rijhulpsystemen kunnen voorliggers volgen bij
snelheden van 30 km/h (20 mph) tot 200 km/h
(125 mph).
Pilot Assist kan stuurhulp bieden bij snelheden
van 30 km/h (20 mph) tot 140 km/h (87 mph).
30 km/h (20 mph) is de instelbare minimumsnelheid – 200 km/h (125 mph) is de maximumsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 272)
Snelheidsbegrenzer (p. 278)
Cruisecontrol (p. 286)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 290)
Pilot Assist (p. 300)
Automatische versnellingsbak
De rijhulpsystemen kunnen voorliggers volgen bij
snelheden van stilstand tot 200 km/h (125 mph).
Pilot Assist kan stuurhulp bieden bij snelheden
van om en nabij stilstand tot 140 km/h (87 mph).
Let erop dat 30 km/h (20 mph) de instelbare
minimumsnelheid is – ook al kan het systeem
51
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire. 313
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Automatische remfunctie van
rijhulpsystemen
N.B.
De Pilot Assist en adaptieve cruisecontrol*
(ACC52) hebben een speciale remfunctie voor
ritten bij langzaamrijdend verkeer en stilstand.
De rijhulpsystemen kunnen de auto maximaal
10 minuten stilhouden – daarna wordt de parkeerrem aangezet, waarna de functie wordt
uitgeschakeld.
Remfunctie bij langzaam rijdend
verkeer en stilstand
Om de rijhulpsystemen te kunnen heractiveren, moet u eerst de parkeerrem lossen.
Na korte stops tot zo'n 3 seconden tijdens filerijden of voor verkeerslichten rijdt de auto automatisch verder. Duurt het langer voordat een voorligger weer gaat rijden, dan worden de rijhulpsystemen stand-by gezet met automatische remfunctie.
–
De functie is op een van de volgende manieren te heractiveren:
•
•
Druk op de stuurknop
.
Trap het gaspedaal in.
> De functie hervat het volgen van de voorligger als deze binnen
ongeveer 6 seconden vooruit begint te rijden.
Annulering van automatische remfunctie
In bepaalde situaties wordt het automatisch remmen bij stilstand geannuleerd en wordt de functie
stand-by gezet. Dat betekent dat de remmen
worden gelost en de auto mogelijk gaat rollen – u
moet daarom ingrijpen en zelf remmen om de
auto stil te houden.
Dit gebeurt als de functie de auto staande houdt
met behulp van de bedrijfsrem en:
•
u het bestuurdersportier opent of de veiligheidsgordel losmaakt
•
de functie de auto langer dan
ongeveer 10 minuten staande heeft gehouden
•
•
de remmen oververhit zijn geraakt
u de motor handmatig uitschakelt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 272)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 290)
Pilot Assist (p. 300)
Remsystemen (p. 404)
Dat is mogelijk in de volgende situaties:
•
•
•
•
u bedient het rempedaal
u zet de parkeerrem aan
u zet de keuzehendel in de stand P, N of R
u zet de functie stand-by.
Automatische activering van
parkeerrem
In bepaalde situaties wordt de parkeerrem aangezet om ervoor te zorgen dat de auto blijft stilstaan.
52
314
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Inhaalassistent
De inhaalassistent kan u helpen bij het inhalen
van andere voertuigen. De functie is te gebruiken in combinatie met Pilot Assist of de adaptieve cruisecontrol* (ACC53).
Hoe de inhaalassistent werkt
Als Pilot Assist of ACC een ander voertuig volgt
en u geeft met de richtingaanwijzer54 te kennen
dat u wilt inhalen, dan helpen de systemen u door
naar de voorligger te accelereren voordat uw
auto de inhaalstrook heeft bereikt.
De functie vertraagt daarna de snelheidsverlaging om te vroeg afremmen te voorkomen als de
auto een langzamer voertuig nadert.
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 290)
Inhaalassistent gebruiken
Pilot Assist (p. 300)
Er gelden enkele voorwaarden voor het gebruik
van de inhaalassistent.
Om de inhaalassistent te kunnen activeren, is het
volgende vereist:
•
•
•
er is een voorligger (doelvoertuig) aanwezig
de actuele snelheid van uw auto is minimaal 70 km/h (43 mph)
de opgeslagen snelheid is hoog genoeg
om veilig te kunnen inhalen.
Om de inhaalassistent te starten:
–
De functie is actief totdat u het ingehaalde voertuig bent gepasseerd.
WAARSCHUWING
Activeer de richtingaanwijzer.
Gebruik de linker richtingaanwijzer bij een
auto met het stuur links of de rechter bij een
auto met het stuur rechts.
> De inhaalassistent wordt gestart.
Let erop dat dit systeem mogelijk in meer
situaties wordt geactiveerd dan tijdens het
inhalen, zoals bij het gebruik van de richtingaanwijzers om aan te geven dat u van rijbaan
wilt wisselen of wilt afslaan – de auto accelereert dan kort.
Gerelateerde informatie
•
•
53
54
Rijhulpsystemen (p. 272)
Inhaalassistent gebruiken (p. 315)
Adaptive Cruise Control
Alleen bij gebruik van de linker richtingaanwijzers bij een auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzers bij een auto met het stuur rechts.
}}
* Optie/accessoire. 315
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
Let erop dat de inhaalassistent bij plotselinge
wijzigingen tijdens het gebruik ervan soms
ongewenste acceleraties kan verrichten.
Radarsensor
Gerelateerde informatie
De radarsensor wordt door meerdere rijhulpsystemen gebruikt en heeft tot taak om andere voertuigen te detecteren.
•
•
Vermijd daarom de volgende situaties:
•
u nadert een afslag om af te slaan in de
richting die normaal voor inhaalmanoeuvres geldt
•
een voorligger mindert vaart voordat uw
auto de inhaalstrook heeft bereikt
•
het verkeer op de inhaalstrook mindert
vaart
•
een auto bestemd voor rechtsrijdend verkeer rijdt in een land met linksrijdend verkeer (of andersom).
Rijhulpsystemen (p. 272)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
•
Aanbevolen onderhoud van de gecombineerde camera en radarsensor (p. 327)
•
Typegoedkeuring voor radarsensor (p. 317)
Positie van de radarsensor.
Dergelijke situaties zijn te vermijden door de
adaptieve cruisecontrol of Pilot Assist tijdelijk
stand-by te zetten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Inhaalassistent (p. 315)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 290)
Pilot Assist (p. 300)
De radarsensor wordt gebruikt voor de volgende
systemen:
•
•
•
•
•
Afstandswaarschuwing*
Adaptieve cruisecontrol*
Rijbaanassistent
Pilot Assist*
City Safety
Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk
dat het gebruik ervan onwettig wordt.
316
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Typegoedkeuring voor radarsensor
Hier staan de typegoedkeuringen voor de radarsensoren van de ACC55-, PA56- en BLIS57-functies.
Markt
ACC &
PA
Symbool
Typegoedkeuring
✓
Botswana
Brazilië
BLIS
Este equipamento opera em caráter secundário, isto é, não tem direito à proteção contra
interferência prejudicial, mesmo de estações do mesmo tipo, e não pode causar
interferência a sistemas operando em caráter primário.
✓
Modelo: L2C0054TR
4122-14-8645
✓
55
56
57
Adaptive Cruise Control
Pilot Assist
Blind Spot Information
03563-17-05364
}}
317
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Markt
ACC &
PA
BLIS
Symbool
Typegoedkeuring
Hereby, Delphi Electronics and Safety declares that L2C0054TR is in compliance with the
essential requirements and other relevant provisions of Directive 2014/53/EU (RED). The
original declaration of conformity can be accessed at the following link www.delphi.com/
automotive-homologation.
✓
Frequency Band: 76GHz – 77GHz
Maximum Output Power: 55dBm EIRP
The Declaration of Conformity may be consulted at Delphi Electronics & Safety / 2151 E.
Lincoln Road / Kokomo, Indiana 46902 USA
Europa
Hereby, Hella KgaA Hueck & Co., declares that RS4 is in compliance with the essential
requirements and other relevant provisions of Directive 2014/53/EU.
✓
The Declaration of conformity may be consulted at Hella KGaA Hueck & Co., Rixbecker
Straße 75/ 59552 Lippstadt, Germany and on the website www.hella.com/vcc.
Frequency Band: 24050-24250 MHz
Maximum Output Power: 20 dBm EIRP
Registered No: ER37536/15
✓
Verenigde Arabische
Emiraten (UAE)
Dealer No: DA37380/15
✓
Dealer No: DA44932/15
37295/POSTEL/2014
✓
4927
Indonesië
✓
318
Registered No: ER53878/17
Certificate number: 50459/SDPPI/2017
PLG ID: 6051
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Markt
Jordanië
ACC &
PA
BLIS
Typegoedkeuring
Type Approval No.: TRC/LPD/2014/255
✓
Equipment Type: Low Power Device (LPD)
✓
Korea
Symbool
TRC/LPD/2017/63
Certification No.
✓
MSIP-CMI- DPH-L2C0054TR
✓
MSIP-CMM-HLA-RS4
AGREE PAR L’ANRT MAROC
Marokko
✓
NUMÉRO D’AGRÉMENT: MR 9929 ANRT 2014
DATE D’AGRÉMENT: 26/12/2014
✓
IFETEL: RLVDEL215-0299
Radar de corto alcance
Mexico
✓
RS4
Hella KGaA Hueck & Co
IFETEL: RLVHERS17-0286
Moldavië
✓
✓
}}
319
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Markt
ACC &
PA
BLIS
И011 14
✓
Servië
✓
✓
Singapore
И011 17
DA 105753
✓
✓
Zuid-Afrika
DA 103238
TA-2014/1824
✓
✓
320
Typegoedkeuring
✓
Rusland
Taiwan
Symbool
TA-2016/3407
CCAB15LP0560T3
✓
CCAB17LP0470T5
BESTUURDERSONDERSTEUNING
ACC &
PA
Markt
BLIS
Symbool
Typegoedkeuring
Delphi і
✓
і
.) Д
Oekraïne
(
і
і
і
є, щ
і
ь
)
і
і
RACAM і
і є
П
і
і
і
і
(П
КМ № 679 і 24
ь
і Delphi
: Delphi.
2009
✓
Typegoedkeuring voor radioapparatuur
Markt
Europa
Symbool
Typegoedkeuring
Volvo Cars verklaart hierbij dat alle radioapparatuur conform de essentiele eisen en andere relevante bepalingen is van
de Richtlijn
2014/53/EU.
Gerelateerde informatie
•
Radarsensor (p. 316)
321
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Camera
Gerelateerde informatie
De camera wordt gebruikt door meerdere rijhulpsystemen en heeft tot taak om bijvoorbeeld
de zijlijnen van de weg of verkeersborden te
detecteren.
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 272)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
Aanbevolen onderhoud van de gecombineerde camera en radarsensor (p. 327)
Positie van de camera-eenheid.
De camera wordt gebruikt voor de volgende systemen:
•
•
•
•
•
•
•
•
322
Adaptieve cruisecontrol*
Pilot Assist*
Rijbaanassistent*
Stuurhulp bij botsgevaar
City Safety
Driver Alert Control*
Verkeersbordinformatie*
Automatisch groot licht*
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor
De gecombineerde camera en radarsensor kent
enkele beperkingen – wat ook beperkingen met
zich meebrengt voor de functies die gebruikmaken van de gecombineerde camera en radarsensor. Als bestuurder dient u bijvoorbeeld rekening
te houden met de volgende beperkingen.
Gecombineerde camera en radarsensor
De camera zit aan de binnenkant op het bovenste deel van de voorruit, samen met de radarsensor van de auto.
In de volgende tabel staan voorbeelden van
mogelijke oorzaken van het verschijnen van de
melding en passende maatregelen:
Plaats, plak of bevestig niets aan de buiten- of
binnenkant van de voorruit, vóór of rond de
gecombineerde camera en radarsensor – dat kan
storingen veroorzaken in de op de camera en
radarsensor gebaseerde functies. Dit kan ertoe
leiden dat deze functies beperkingen vertonen,
worden uitgeschakeld of verkeerd reageren.
Geblokkeerde eenheid
Als op het bestuurdersdisplay dit symbool en de melding "Voorruitsensor
Sensor afgedekt, zie handleiding"
verschijnen, betekent dit dat de
gecombineerde camera en radarsensor geen
voorliggers, fietsers, voetgangers en grotere dieren voor de auto kan ontdekken en dat de functies die gebruikmaken van de gecombineerde
camera en radarsensor mogelijk storingen of
beperkingen vertonen, uitgeschakeld worden of
verkeerd reageren.
Reinig het gemarkeerde gebied regelmatig en houd het
vrij van stickers, voorwerpen, zonnefilm et cetera.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor is
vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor van
vuil, sneeuw en ijs.
Dichte mist en zware regen- of sneeuwval blokkeren de radarsignalen
of het zicht van de camera.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de eenheid soms niet.
}}
323
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Oorzaak
Maatregel
De radarsignalen of het zicht van de camera worden gehinderd door
opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of sneeuw
werkt de eenheid soms niet.
Er is vuil tussen de binnenkant van de voorruit en de gecombineerde
camera en radarsensor gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de voorruit achter de behuizing van
de eenheid te laten reinigen. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Fel tegenlicht
Valt niets aan te doen. In betere lichtomstandigheden wordt de camera automatisch opnieuw geactiveerd.
Hoge temperaturen
Bij zeer hoge temperaturen in het interieur zal de
gecombineerde camera en radarsensor na het
starten van de motor mogelijk tijdelijk worden uitgeschakeld gedurende zo'n 15 minuten om de
elektronica te beschermen. Als de temperatuur
voldoende gedaald is, wordt de gecombineerde
camera en radarsensor automatisch weer opgestart.
Om te voorkomen dat de rijhulpsystemen die van
de gecombineerde camera en radarsensor
gebruikmaken, niet, verkeerd of in beperkte mate
werken, geldt ook het volgende:
•
Beschadigde voorruit
N.B.
Als u niets doet, presteren de rijhulpsystemen
die gebruikmaken van de gecombineerde
camera en radarsensor mogelijk minder goed.
Dit kan ertoe leiden dat deze functies beperkingen vertonen, worden uitgeschakeld of
verkeerd reageren.
58
324
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als het voorruitoppervlak vóór een van beide
'ogen' van de gecombineerde camera en
radarsensor barsten, krassen of steenslagschade vertoont van ca. 0,5 × 3,0 mm
(0,02 × 0,12 in) of groter, neem dan contact
op met een werkplaats58 om de voorruit te
laten vervangen.
•
Volvo adviseert u om scheurtjes, krassen of
sterren in het gebied vóór de gecombineerde
camera en radarsensor niet te repareren,
maar de complete voorruit te vervangen.
•
Neem alvorens de voorruit te laten vervangen
contact op met een werkplaats58 om te controleren of de juiste voorruit wordt besteld en
gemonteerd.
•
Monteer bij vervanging van de ruitenwissers
hetzelfde type of een ander type, door Volvo
goedgekeurde ruitenwissers.
•
Na vervanging van de voorruit moet u de
gecombineerde camera en radarsensor in
een werkplaats58 laten herkalibreren om er
zeker van te zijn dat alle autofuncties die
gebaseerd zijn op de gecombineerde camera
en radarsensor naar behoren werken.
Radarsensor
Rijsnelheid
De radarsensor heeft veel meer moeite om een
voorligger te ontdekken als de snelheid van de
voorligger veel afwijkt van die van uw eigen auto.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkt blikveld
De radarsensor heeft een beperkt blikveld. In
bepaalde gevallen wordt een voorligger niet ontdekt of later dan verwacht.
beeld als een inhalend voertuig invoegt tussen u en uw voorligger.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen of
voertuigen die niet in het midden van de rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
Lage aanhangwagens
val, in dichte mist of in dikke stofwolken of stuifsneeuw. In dergelijke omstandigheden kunnen
functies die gebruikmaken van de camera grote
beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd worden.
Fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde
en onduidelijke rijstrookmarkeringen kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen voor de systemen die van de camera gebruikmaken om bijvoorbeeld het wegdek af te tasten en andere
voertuigen, fietsers, voetgangers en grotere dieren te ontdekken.
Lage aanhangwagen in radarschaduw.
Het blikveld van de radarsensor.
Soms kan de radarsensor een voorligger op
korte afstand pas laat registreren, bijvoor-
Ook lage aanhangwagens ontdekt de radarsensor soms alleen met grote moeite of helemaal
niet – u moet daarom extra voorzichtig zijn als er
een lage aanhangwagen achter de voorligger
hangt en de adaptieve cruisecontrol of Pilot
Assist actief is.
Camera
Beperkt zicht
Camera's kennen ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in dat ze
minder goed "zien" bij hevige regen- of sneeuw}}
325
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Parkeerhulpcamera*
Defecte camera
Als een camerasector zwart
blijft en het nevenstaande symbool bevat, betekent dit dat de
desbetreffende camera defect
is.
Dode hoeken
kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit betreft.
Slechte lichtomstandigheden leveren mogelijk
een slechtere beeldkwaliteit op.
Parkeerhulpcamera achter
WAARSCHUWING
Hieronder een voorbeeld.
Wees bij het verschijnen
van dit symbool extra voorzichtig tijdens het achteruitrijden met een gemonteerde aanhangwagen,
fietsdrager of iets dergelijks
die is aangesloten op het
elektrische systeem van de auto.
Het symbool geeft aan dat de parkeerhulpsensoren achter uitgeschakeld zijn, zodat
deze niet waarschuwen voor eventuele obstakels.
Er zitten "dode" hoeken tussen de blikvelden van de
camera's.
In het 360°-aanzicht* van de parkeerhulpcamera
kunnen obstakels/voorwerpen "verdwijnen" in de
overgangen tussen de afzonderlijke camera's.
N.B.
De linker camera van de auto is defect.
WAARSCHUWING
Ook als de dode hoeken op het scherm relatief klein ogen dient u erop te letten dat de
verborgen gebieden in werkelijkheid dusdanig
groot kunnen zijn dat obstakels mogelijk pas
worden geregistreerd, wanneer de auto de
obstakels zeer dicht genaderd is.
Ook in de volgende gevallen blijft de desbetreffende camerasector zwart, zij het zonder het
symbool voor een defecte camera:
•
•
•
geopend portier
geopende achterklep
ingeklapte buitenspiegel.
Lichtomstandigheden
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit
kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat
326
Fietsdragers of andere accessoires achter op
de auto kunnen het blikveld van de camera
blokkeren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Camera (p. 322)
Radarsensor (p. 316)
Aanbevolen onderhoud van de gecombineerde camera en radarsensor (p. 327)
Parkeerhulpcamera* (p. 379)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Aanbevolen onderhoud van de
gecombineerde camera en
radarsensor
Gerelateerde informatie
•
•
•
De gecombineerde camera en radarsensor
werkt alleen naar behoren, wanneer u deze ontdoet van vuil, ijs en sneeuw en ze regelmatig reinigt met water en autoshampoo.
•
Camera (p. 322)
Radarsensor (p. 316)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
Parkeerhulpcamera* (p. 379)
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
aanleiding geven tot onterechte waarschuwingssignalen, tot systeembeperkingen of
ervoor zorgen dat het systeem niet meer
werkt.
Locatie van de radarsensoren aan de achterzijde. Het
gemarkeerde gebied schoonhouden – en dat zowel links
als rechts.
•
Voor een optimale werking is het belangrijk
dat de oppervlakken vóór de sensoren
schoon worden gehouden.
•
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers
binnen het oppervlak van de sensoren.
•
Maak cameralenzen regelmatig schoon met
lauw water en autoshampoo. Wees voorzichtig zodat er geen krassen op de lens komen.
BELANGRIJK
Positie van de sensoren.
59
Laat het onderhoud aan rijhulpcomponenten
over aan een werkplaats59.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire. 327
BESTUURDERSONDERSTEUNING
City Safety™
Safety60
City
kan u met licht- en geluidssignalen
en rempedaaltrillingen attenderen op plotseling
opdoemende voetgangers, fietsers, grotere dieren en voorliggers – de auto remt automatisch
als u zelf niet binnen een redelijke tijd reageert.
peld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken
kunnen leiden.
Het systeem helpt u door automatisch te remmen, wanneer het gevaar voor een botsing met
een voorligger reëel is en u zelf niet snel genoeg
remt en/of uitwijkt.
City Safety start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u net
achter uw voorligger tot stilstand komt.
City Safety wordt geactiveerd in situaties waar u
eigenlijk al veel eerder had moeten remmen,
zodat de functie niet altijd uitkomst biedt.
WAARSCHUWING
•
Auto Brake van City Safety kan een botsing geheel voorkomen of de botssnelheid verlagen, maar voor maximale remwerking moet u altijd het rempedaal
bedienen – ook al remt de auto automatisch.
•
De waarschuwingen worden alleen geactiveerd bij een groot gevaar voor een botsing – wacht een botswaarschuwing
daarom nooit af.
•
Er wordt niet gewaarschuwd noch
geremd voor voetgangers en fietsers bij
rijsnelheden hoger dan 80 km/h
(50 mph).
•
City Safety activeert geen automatische
remingrepen bij krachtig versnellen.
City Safety is erop gebouwd om zo laat mogelijk
geactiveerd te worden om onnodige ingrepen te
voorkomen.
Locatie gecombineerde camera en radarsensor.
City Safety kan een aanrijding voorkomen of de
impactsnelheid verlagen.
City Safety is een hulpmiddel dat bedoeld is om u
te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat
u op een voetganger, een fietser, een groter dier
of een voorligger botst.
City Safety kan u helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden en dergelijke, waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekop-
60
328
De functie is niet op alle markten beschikbaar.
U en eventuele passagiers zullen normaal alleen
merken dat City Safety actief is, wanneer een
botsing dreigt.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 272)
Parameters en deelfuncties van City Safety
(p. 329)
•
Waarschuwingsafstand instellen voor City
Safety (p. 331)
•
•
Obstakeldetectie met City Safety (p. 332)
City Safety remt voor tegenliggers (p. 338)
•
City Safety bij ontoereikende uitwijkmanoeuvre (p. 337)
Parameters en deelfuncties van City
Safety
•
•
City Safety bij kruisend verkeer (p. 335)
•
•
Beperkingen van City Safety (p. 339)
City Safety kan een botsing met een voorligger,
fietser, voetganger of een groter dier voorkomen
via een verlaging van de rijsnelheid door automatisch te remmen.
Beperkingen van City Safety bij kruisend verkeer (p. 336)
Meldingen voor City Safety (p. 341)
Bij een snelheidsverschil groter dan de volgende
snelheden kan de automatische remfunctie van
City Safety een botsing niet geheel voorkomen,
maar wel de gevolgen ervan beperken.
Voertuig
Voor een voorligger kan City Safety de snelheid
verlagen met maximaal 60 km/h (37 mph).
Fietsers
Voor een fietser kan City Safety de snelheid verlagen met maximaal 50 km/h (30 mph).
Voetganger
Voor een voetganger kan City Safety de snelheid
verlagen met maximaal 45 km/h (28 mph).
Grotere dieren
Bij gevaar voor een botsing met groot wild kan
City Safety de rijsnelheid verlagen tot 15 km/h
(9 mph).
De remingreep voor grotere dieren is in eerste
instantie bedoeld om de botskrachten bij hogere
snelheden te beperken en is het effectiefst op
snelheden hoger dan 70 km/h (43 mph) en minder effectief op lage snelheden.
}}
329
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Deelfuncties van City Safety
1 – Collision Warning
Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende
botsing.
City Safety kan voetgangers, fietsers of voertuigen voor uw auto ontdekken, die stilstaan of in
dezelfde richting als u rijden. City Safety kan
tevens voetgangers, fietsers of grote dieren ontdekken, die het pad van uw auto kruisen.
Functie-overzicht.
Akoestisch waarschuwingssignaal bij gevaar
voor een botsing
Waarschuwingssymbool bij gevaar voor een
botsing
Afstandsmeting met gecombineerde camera
en radarsensor
City Safety vervult drie functies in de volgende
volgorde:
1.
Collision Warning
2.
Brake Support
3.
Auto Brake
De volgende tekst licht toe wat de drie functies
doen:
330
Bij een dreigende botsing met een voetganger,
fietser, groter dier of een voertuig wordt uw aandacht getrokken met licht- en geluidssignalen en
rempedaaltrillingen. Bij lagere snelheden, krachtig afremmen door de bestuurder of het geven
van gas worden geen rempedaaltrillingen verstrekt. De intensiteit van de rempedaaltrilling is
afhankelijk van de rijsnelheid.
2 – Brake Support
Als het gevaar voor een aanrijding na de Collision
Warning verder is toegenomen, treedt de Brake
Support in werking.
Brake Support helpt u bij het remmen, als het
systeem ervan uitgaat dat de remmanoeuvre
alleen niet voldoende is om een botsing te voorkomen.
3 – Auto Brake
In allerlaatste instantie wordt de automatische
remfunctie geactiveerd.
Als u in deze fase nog steeds niet aan een uitwijkmanoeuvre bent begonnen en er een aanrijding dreigt, wordt er automatisch geremd, onge-
acht of u zelf remt of niet. De auto wordt daarbij
maximaal afgeremd om de botssnelheid te
beperken of zoveel als nodig is om een aanrijding
te voorkomen.
Bij activering van de automatische remfunctie
worden mogelijk ook de gordelspanners geactiveerd.
Auto Brake kan in bepaalde situaties de remingreep met lichter remmen beginnen en vervolgens overgaan op de volledige remwerking.
Wanneer City Safety een botsing met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de auto
stilstaan totdat u bepaalde actie onderneemt. Als
de auto wordt afgeremd wegens een langzamer
rijdende voorligger, wordt uw snelheid afgestemd
op die van de voorligger.
N.B.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak, stopt de motor wanneer de Auto
Brake de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u voor die tijd het koppelingspedaal
weet te bedienen.
U kunt een remingreep altijd afbreken hard op
het gaspedaal te trappen.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
N.B.
Als City Safety remt, gaan de remlichten branden.
Wanneer City Safety ingrijpt en remt, verschijnt
op het bestuurdersdisplay de melding dat het
systeem actief is/was.
WAARSCHUWING
Pas uw rijstijl niet aan op grond van City
Safety en ga er niet blindelings van uit dat
City Safety voor u remt.
Safety niet alleen minder vaak waarschuwt, maar
ook minder snel.
City Safety mag dan altijd geactiveerd zijn, u
kunt wel een waarschuwingsafstand kiezen.
Gebruik waarschuwingsafstand Laat daarom
alleen in uitzonderingsgevallen, zoals bij sportief
rijden.
N.B.
City Safety is niet uit te schakelen, maar
wordt bij het starten van de motor/elektrische
aandrijving automatisch geactiveerd en blijft
vervolgens actief tot u de motor/elektrische
aandrijving uitschakelt.
City Safety™ (p. 328)
De waarschuwingsafstand bepaalt de gevoeligheid van het systeem en de afstand waarbij de
licht- en geluidssignalen en de rempedaaltrillingen moeten worden gegeven.
Gordelspanners (p. 47)
Om een waarschuwingsafstand te kiezen:
Gerelateerde informatie
•
•
Waarschuwingsafstand instellen
voor City Safety
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
in het hoofdscherm van het middendisplay.
2.
Kies onder Waarschuwing City Safety voor
Laat, Normaal of Vroeg voor het instellen
van de gewenste waarschuwingsafstand.
Als de instelling Vroeg te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk
kan worden ervaren), kunt u de waarschuwingsafstand Normaal of Laat kiezen.
Wanneer u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd en de signalen als storend ervaart, kunt u
de waarschuwingsafstand verkleinen zodat City
}}
331
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
•
•
•
•
N.B.
Geen enkel automatisch systeem kan in
alle situaties een 100 % feilloze werking
garanderen. Test City Safety daarom
nooit uit op mensen, dieren of voertuigen
– dat kan namelijk tot ernstig letsel/
ernstige schade en levensgevaarlijke situaties leiden.
City Safety waarschuwt u bij gevaar voor
een botsing, maar het systeem is niet in
staat uw reactietijd te verkorten.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Vroeg, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat
worden afgegeven, bijvoorbeeld bij grote
snelheidsverschillen of als de voorligger
plotseling krachtig remt.
Waarschuwingen via de richtingaanwijzers
voor de Rear Collision Warning worden
gedeactiveerd, als de waarschuwingsafstand
voor de Collision Warning in City Safety is
ingesteld op het laagste niveau "Laat".
De functies 'gordels spannen' en 'remmen'
zijn echter nog steeds actief.
Gerelateerde informatie
•
•
City Safety™ (p. 328)
Rear Collision Warning (p. 342)
Obstakeldetectie met City Safety
City Safety kan u helpen bij het detecteren van
voertuigen, fietsers, grotere dieren en voetgangers.
Voertuig
City Safety detecteert de meeste voertuigen die
stilstaan of in dezelfde richting als u rijden. De
functie kan in bepaalde gevallen ook tegenliggers en kruisende voertuigen detecteren.
City Safety kan voertuigen in het donker alleen
detecteren, wanneer de voor- en achterlichten
van deze voertuigen werken en duidelijk waarneembaar branden.
Fietser
Wanneer de waarschuwingsafstand is
ingesteld op Vroeg, worden de waarschuwingen eerder gegeven. Dit kan
ertoe leiden dat er vaker wordt gewaarschuwd dan bij de waarschuwingsafstand
Normaal, maar toch geniet deze instelling de voorkeur omdat het City Safety
effectiever kan maken.
Ideaalvoorbeeld van wat City Safety als een fietser
beschouwt – met herkenbare lichaams- en fietscontouren.
332
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Voor optimale systeemprestaties moet de functie
die verantwoordelijk is voor identificatie van fietsers zo uniform mogelijke informatie over de
lichaams- en fietscontouren ontvangen – wat
inhoudt dat kenmerkende (lichaams-)delen zoals
fiets, hoofd, armen, schouders, benen, borstkas
en buik moeten kunnen worden waargenomen
evenals een bewegingspatroon dat voor fietsers
als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan fietsers niet ontdekken, als de
systeemcamera grote delen van het lichaam van
de fietser of van zijn/haar fiets niet kan waarnemen.
Het systeem kan alleen volwassen fietsers ontdekken die op fietsen voor volwassenen zitten.
WAARSCHUWING
Voetganger
City Safety is een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning dat niet altijd alle
fietsers kan detecteren en bijvoorbeeld
moeite heeft met:
•
•
slechts gedeeltelijk zichtbare fietsers;
fietsers als het contrast met de achtergrond gering is – waarschuwingen en
remingrepen kunnen dan pas laat komen
of helemaal achterwege blijven;
•
fietsers in kleding die de lichaamscontouren verhult;
•
fietsen waarop grote voorwerpen worden
vervoerd.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt, afhankelijk van de rijsnelheid.
Ideaalvoorbeelden van wat het systeem als voetgangers
met herkenbare lichaamscontouren beschouwt.
Voor optimale systeemprestaties moet de functie
die verantwoordelijk is voor identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke informatie over de
lichaamscontouren ontvangen – wat inhoudt dat
kenmerkende lichaamsdelen zoals hoofd, armen,
schouders, benen, borstkas en buik moeten kunnen worden waargenomen evenals een bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te
beschouwen is.
Om een voetganger te kunnen detecteren moet
er sprake zijn van een bepaald contrast ten
opzichte van de achtergrond door bijvoorbeeld
kleding, achtergrond, weersomstandigheden en
dergelijke. Bij weinig contrast worden voetgangers mogelijk laat of helemaal niet gedetecteerd.
De waarschuwingen en remingrepen kunnen dan
laat of helemaal niet plaatsvinden.
}}
333
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
City Safety kan dankzij de koplampen van de auto
ook in het donker voetgangers detecteren.
Grotere dieren
City Safety kan dankzij de koplampen van de auto
ook in het donker grotere dieren detecteren.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
City Safety is een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning dat niet altijd alle
voetgangers kan detecteren en bijvoorbeeld
moeite heeft met:
•
•
•
slechts gedeeltelijk zichtbare voetgangers, voetgangers die gekleed gaan in
kleding die de lichaamscontouren verhult
of voetgangers met een lengte korter dan
80 cm (32 in.);
voetgangers bij een gering contrast met
de achtergrond – waarschuwingen en
remingrepen kunnen dan pas laat komen
of helemaal achterwege blijven;
voetgangers die grote voorwerpen dragen.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt, afhankelijk van de rijsnelheid.
City Safety is een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning dat niet altijd alle
grotere dieren kan detecteren en bijvoorbeeld
moeite heeft met:
Ideaalvoorbeeld van wat City Safety als een stilstaand of
langzaam lopend groter dier beschouwt – met herkenbare lichaamscontouren.
Als een groter dier voor de auto opdoemt, kan
Large Animal Detection, dat onderdeel is van City
Safety, u in bepaalde situaties waarschuwen en
helpen bij het remmen.
Voor optimale systeemprestaties moet de functie
die verantwoordelijk is voor identificatie van grotere dieren (zoals een eland of paard) zo uniform
mogelijk informatie over de lichaamscontouren
ontvangen – wat inhoudt dat het dier recht vanaf
de zijkant moet kunnen worden waargenomen en
dat het dier een bewegingspatroon heeft dat voor
het dier als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan dieren niet ontdekken, als de
systeemcamera delen van het lichaam van het
dier niet kan waarnemen.
334
•
slechts gedeeltelijk zichtbare grotere dieren;
•
grotere dieren die met hun voor- of achtereind recht voor de auto staan of bewegen;
•
grotere dieren die snel rennen of bewegen;
•
grotere dieren als het contrast met de
achtergrond van de dieren gering is –
waarschuwingen en remingrepen kunnen
dan pas laat komen of helemaal achterwege blijven.
•
kleinere dieren zoals honden en katten.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt, afhankelijk van de rijsnelheid.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety™ (p. 328)
Beperkingen van City Safety (p. 339)
Beperkingen van City Safety bij kruisend verkeer (p. 336)
City Safety bij kruisend verkeer
City Safety kan u helpen als uw auto tijdens het
afslaan op een kruising het pad van een tegenligger kruist.
WAARSCHUWING
Rijhulpsystemen waarschuwen alleen voor
door de radareenheid gedetecteerde obstakels – het kan dan ook gebeuren dat een
waarschuwing met enige vertraging of helemaal niet wordt gegeven.
•
Wacht een waarschuwing of ingreep
nooit af, maar rem als dat nodig is.
WAARSCHUWING
: Gebied waarin City Safety kruisende tegenliggers
kan detecteren.
City Safety kan een tegenligger waar u tegenop
dreigt te botsen pas detecteren, wanneer de
tegenligger in het gebied is waar City Safety het
verloop kan analyseren.
Bovendien moet aan de volgende criteria zijn voldaan:
•
de snelheid van uw auto is minimaal 4 km/h
(3 mph)
•
uw auto slaat af naar links op markten met
rechtsrijdend verkeer (of naar rechts bij linksrijdend verkeer)
•
de koplampen van de tegenligger branden.
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
}}
335
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
City Safety™ (p. 328)
Beperkingen van City Safety bij kruisend verkeer (p. 336)
Beperkingen van City Safety bij
kruisend verkeer
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
In bepaalde gevallen kan het voor City Safety
moeilijk zijn om u te helpen bij een dreigende
botsing met tegemoetkomend kruisend verkeer.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Wat mogelijk is in de volgende gevallen:
•
•
•
•
•
336
bij gladheid zodat de stabiliteitsregeling ESC
ingrijpt
tegenliggers worden laat ontdekt
het zicht op tegenliggers wordt ergens door
belemmerd
tegenliggers voeren geen koplampen
tegenliggers rijden onvoorspelbaar en wisselen bijvoorbeeld in een laat stadium snel van
rijbaan.
City Safety bij kruisend verkeer (p. 335)
Beperkingen van City Safety (p. 339)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
City Safety bij ontoereikende
uitwijkmanoeuvre
via een uitwijkmanoeuvre een botsing te voorkomen.
City Safety kan u helpen door de auto automatisch eerder te remmen, wanneer een botsing
niet met een simpele uitwijkmanoeuvre te voorkomen is.
Als City Safety echter inschat dat u niet kunt uitwijken door verkeer in de aangrenzende rijstroken, kan het systeem u helpen door eerder dan
normaal een automatische remingreep te starten.
City Safety helpt u door voortdurend na te gaan
of er voldoende "uitwijkmogelijkheden" zijn via de
aangrenzende rijstroken, als het systeem een
langzaam rijdende of stilstaande voorligger
mogelijk laat ontdekt.
Uw auto (1) "ziet" geen uitwijkmogelijkheid voor voorliggers (2) en kan daarom eerder een automatische remingreep verrichten.
Uw auto
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety™ (p. 328)
Beperkingen van City Safety (p. 339)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
Langzaam rijdende/stilstaande auto
City Safety grijpt niet met een automatische
remingreep in, zolang u de mogelijkheid hebt om
337
BESTUURDERSONDERSTEUNING
City Safety remt voor tegenliggers
City Safety kan u in noodgevallen helpen bij het
remmen voor een tegenligger in uw rijstrook.
Als een tegenligger in uw rijstrook belandt en
een botsing onvermijdelijk is, kan City Safety u
helpen om uw rijsnelheid te verlagen en zo de
kracht van de botsing te beperken.
•
uw eigen rijbaan heeft duidelijke zijmarkeringen
•
•
u rijdt recht vooruit in uw eigen rijbaan
•
•
de koplampen van de tegenligger branden
•
de functie kan alleen voertuigen met vier
wielen detecteren.
WAARSCHUWING
de functie kan alleen frontale botsingen hanteren
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
WAARSCHUWING
Tegenligger
Voor een goede werking van de functie moet zijn
voldaan aan de volgende criteria:
338
•
de snelheid van uw auto is minimaal 4 km/h
(3 mph)
•
het routegedeelte is recht
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
de tegenligger rijdt tussen de zijmarkeringen
van uw rijbaan
N.B.
Uw auto
•
Rijhulpsystemen waarschuwen alleen voor
door de radareenheid gedetecteerde obstakels – het kan dan ook gebeuren dat een
waarschuwing met enige vertraging of helemaal niet wordt gegeven.
•
Wacht een waarschuwing of ingreep
nooit af, maar rem als dat nodig is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety™ (p. 328)
Beperkingen van City Safety (p. 339)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van City Safety
City Safety61 kent mogelijk beperkingen in
bepaalde situaties.
Omgeving
Lage voorwerpen
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/wimpels
die uitstekende lading markeren of accessoires
zoals verstralers en frontbars die boven de motorkap uitsteken zorgen voor functiebeperkingen.
Gladheid
Bij gladheid is de remweg langer waardoor City
Safety minder goed in staat is een aanrijding te
voorkomen. In dergelijke situaties zullen het antiblokkeerremsysteem en de stabiliteitsregeling
ESC62 zorgen voor een optimale remkracht met
behoud van de stabiliteit.
Tegenlicht
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit
geprojecteerde waarschuwingslampje soms
moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk als u
niet recht vooruit kijkt.
Hitte
Bij een hoge interieurtemperatuur door bijvoorbeeld sterke instraling is het mogelijk dat het
visuele waarschuwingssignaal aan de binnenkant
van de voorruit mogelijk niet werkt.
61
62
63
De functie is niet op alle markten beschikbaar.
Electronic Stability Control
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Blikveld van gecombineerde camera en
radarsensor
Het blikveld van de camera is beperkt, zodat
voetgangers, fietsers, grotere dieren en voertuigen in bepaalde situaties niet kunnen worden
geregistreerd of later worden ontdekt dan verwacht.
Vuile voertuigen worden mogelijk later gedetecteerd dan andere voertuigen en motoren worden
in het donker mogelijk later of helemaal niet
gedetecteerd.
Als een tekstmelding op het bestuurdersdisplay
aangeeft dat de gecombineerde camera en
radarsensor geblokkeerd is, houdt dit in dat City
Safety moeilijk voetgangers, fietsers, grotere dieren, auto's of weglijnen vóór de auto kan registreren – daardoor kan City Safety mogelijk minder
goed functioneren.
Er verschijnt echter niet altijd een foutmelding bij
geblokkeerde voorruitsensoren – het is dan ook
belangrijk dat u het gebied van de voorruit vóór
de gecombineerde camera en radarsensor goed
schoonhoudt.
Ingreep van bestuurder
Achteruitrijden
Wanneer u achteruitrijdt, is City Safety tijdelijk
gedeactiveerd.
Lage snelheid
City Safety wordt niet geactiveerd op zeer lage
snelheden (onder 4 km/h (3 mph), wat betekent
dat het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u
een voorligger heel langzaam nadert zoals bij het
parkeren.
Actief rijgedrag
De commando's die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety niet
ingrijpt of met enige vertraging waarschuwt/
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando's geeft via stuurwiel en gaspedaal, zelfs als
een aanrijding onvermijdelijk lijkt.
Bij een actief en sportief rijgedrag vinden waarschuwingen en ingrepen daarom met enige vertraging plaats om onnodige waarschuwingen
tegen te gaan.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud aan rijhulpcomponenten
over aan een werkplaats63.
}}
339
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Overig
zaam rijdende of stilstaande voorliggers
en grote dieren.
WAARSCHUWING
•
•
•
•
340
•
Er wordt niet gewaarschuwd noch
geremd voor voetgangers en fietsers bij
een rijsnelheid hoger dan 80 km/h
(50 mph).
Als de gecombineerde radarsensor en
camera op grond van de verkeerssituatie
of anderszins problemen heeft voetgangers, fietsers, grotere dieren of voorliggers te ontdekken, is het mogelijk dat het
systeem pas laat, onterecht of helemaal
geen waarschuwing geeft en remt.
•
's Nachts zijn voorliggers alleen te detecteren, als de voor- en achterlichten ervan
werken en zichtbaar branden.
Plaats, plak of bevestig niets aan de buiten- of binnenkant van de voorruit, vóór of
rond de gecombineerde radarsensor en
camera – dat kan storingen veroorzaken
in de op de camera gebaseerde functies.
•
De aanwezigheid van voorwerpen,
sneeuw, ijs of vuil in het gebied van de
camerasensor kan aanleiding geven tot
een reductie, volledige uitschakeling of
onvoorziene reacties van de functie.
De gecombineerde radarsensor en
camera heeft een beperkt bereik voor
voetgangers en fietsers, zodat het systeem voor dergelijke weggebruikers efficiënt waarschuwt en remingrepen verricht
bij rijsnelheden tot 50 km/h (30 mph).
Voor stilstaande of langzaam rijdende
voorliggers wordt efficiënt gewaarschuwd
en geremd bij rijsnelheden tot 70 km/h
(43 mph). De snelheidsreductie bij detectie van grotere dieren is minder dan 15
km/h (9 mph) en is mogelijk bij rijsnelheden hoger dan 70 km/h (43 mph). Op
lagere snelheden zijn waarschuwingen en
remingrepen bij detectie van grote dieren
minder effectief.
In het donker of bij slecht zicht wordt
mogelijk niet gewaarschuwd voor lang-
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Marktbeperking
City Safety is niet in alle landen beschikbaar. Als
City Safety niet in het menu van het middendisplay voor Instellingen voorkomt, zit dit systeem
niet op de auto.
Zoekpad op het hoofdscherm van het middendisplay:
•
Instellingen
My Car
IntelliSafe
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety™ (p. 328)
Beperkingen van City Safety bij kruisend verkeer (p. 336)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Meldingen voor City Safety
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele meldingen verschijnen ten aanzien van City Safety.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Melding
Betekenis
City Safety
Als City Safety afremt of automatisch heeft afgeremd, kunnen een of meer symbolen op het bestuurdersdisplay
gaan branden terwijl tegelijkertijd een tekstmelding wordt weergegeven.
Automatische ingreep
City Safety
Beperkte functionaliteit Service vereist
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
City Safety™ (p. 328)
341
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rear Collision Warning64
Warning65
De Rear Collision
(RCW) kan u helpen om aanrijdingen van achteren door naderende achterliggers te voorkomen.
De functie wordt bij elke motorstart automatisch
geactiveerd.
De bestuurder van een achterligger kan worden
gewaarschuwd voor een dreigende botsing middels snelle knippersignalen met de richtingaanwijzers.
Als de functie bij snelheden onder 30 km/h
(20 mph) berekent dat uw auto van achteren
dreigt te worden aangereden, kunnen de gordelspanners de veiligheidsgordels van de voorstoelen aanspannen en wordt het veiligheidssysteem
Whiplash Protection System geactiveerd.
Net voor de aanrijding van achteren kan de functie ook de bedrijfsrem activeren om te voorkomen
dat uw auto tijdens de aanrijding wordt gelanceerd. De bedrijfsrem wordt echter alleen geactiveerd, als uw auto stilstaat. De bedrijfsrem lost
onmiddellijk als het gaspedaal wordt ingedrukt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
64
65
342
Rijhulpsystemen (p. 272)
Beperkingen van Rear Collision Warning
(p. 342)
Whiplash Protection System (p. 43)
RCW: Waarschuwing bij dreigende staartbotsing.
De functie is niet op alle markten beschikbaar.
Beperkingen van Rear Collision
Warning66
N.B.
Waarschuwingen via de richtingaanwijzers
voor de Rear Collision Warning worden
gedeactiveerd, als de waarschuwingsafstand
voor de Collision Warning in City Safety is
ingesteld op het laagste niveau "Laat".
In bepaalde gevallen kan het voor Rear Collision
Warning (RCW) moeilijk zijn om u te helpen bij
een dreigende botsing.
Bijvoorbeeld als:
•
een naderende achterligger laat wordt ontdekt
•
een naderende achterligger in een laat stadium van rijbaan wisselt
•
een aanhangwagen, fietsdrager of iets dergelijks wordt aangesloten op het elektrische
systeem van de auto. De wordt dan automatisch gedeactiveerd.
N.B.
Op sommige markten waarschuwt RCW vanwege plaatselijke verkeersvoorschriften niet
met de richtingaanwijzers - in dergelijke
gevallen is dat deel van de functie daarom
gedeactiveerd.
De functies 'gordels spannen' en 'remmen'
zijn echter nog steeds actief.
Gerelateerde informatie
•
Rear Collision Warning (p. 342)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BLIS*
waarschuwing wordt gegeven, schakelt het controlelampje over van constant branden op knipperen met een feller licht.
BLIS67
Het
dient om u te helpen bij het ontdekken van naderende achterliggers schuin achter
en naast u bij ritten in druk verkeer op wegen
met meerdere rijbanen in dezelfde richting.
N.B.
Het lampje gaat branden aan de kant van de
auto waar het systeem het voertuig heeft ontdekt. Als de auto aan beide kanten tegelijkertijd wordt ingehaald, gaan beide lampjes branden.
BLIS is een hulpmiddel om u te waarschuwen
voor:
•
•
voertuigen in de dode hoek
snel naderende achterliggers in de linker en
rechter rijbaan naast uw auto.
Werkingsprincipe van BLIS
Zone in dode hoek
Zone voor snel naderende achterliggers.
BLIS werkt bij snelheden hoger dan 10 km/h
(6 mph).
Het systeem reageert in de volgende gevallen:
Positie van het
BLIS-lampje68.
Controlelampje
Het BLIS is te activeren/deactiveren met de
desbetreffende knop op het functiescherm
van het middendisplay.
66
67
68
•
uw auto wordt ingehaald door andere voertuigen
•
een achterligger nadert uw auto snel.
Wanneer BLIS een voertuig binnen zone 1 of een
snel naderende achterligger in zone 2 ontdekt,
brandt het controlelampje bij de desbetreffende
zijspiegel constant. Als u in deze stand de richtingaanwijzers activeert aan de kant waarvoor de
RCW: Waarschuwing bij dreigende staartbotsing.
Blind Spot Information Systems
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire. 343
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
•
344
Rijhulpsystemen (p. 272)
BLIS activeren of deactiveren (p. 344)
Beperkingen van BLIS (p. 345)
•
Meldingen voor BLIS (p. 346)
BLIS activeren of deactiveren
De BLIS69 is te activeren of te deactiveren.
Positie van het BLIS-lampje.
Controlelampje
•
•
Activeer of deactiveer de functie met deze
knop in het functiescherm van het middendisplay.
GROENE knopindicatie – de functie is geactiveerd.
GRIJZE knopindicatie – de functie is gedeactiveerd.
Als BLIS bij het starten van de motor geactiveerd
is, wordt de functie bevestigd doordat de controlelampjes op de buitenspiegels één keer knipperen.
Als BLIS bij het uitschakelen van de motor
gedeactiveerd is, is dat na de volgende motor-
BESTUURDERSONDERSTEUNING
start nog steeds zo en zal er geen controlelampje
branden.
Gerelateerde informatie
•
Beperkingen van BLIS
dergelijks op de trekhaak van de auto te
monteren.
BLIS70 kent mogelijk beperkingen in bepaalde
situaties.
WAARSCHUWING
BLIS* (p. 343)
•
•
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet als de auto achteruitrijdt.
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
Het gemarkeerde gebied schoonhouden – en dat zowel
links als rechts71.
Voorbeelden van beperkingen:
69
70
71
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken.
•
De functie BLIS wordt automatisch gedeactiveerd bij aansluiting van een aanhangwagen,
fietsdrager of iets dergelijks op het elektrische systeem van de auto.
•
Voor de optimale werking van BLIS is het
zaak geen fietsdrager, bagagedrager of iets
•
•
BLIS* (p. 343)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
Blind Spot Information Systems
Blind Spot Information Systems
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire. 345
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Meldingen voor BLIS
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele meldingen verschijnen ten aanzien van BLIS72.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Melding
Betekenis
Dodehoeksensor
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Service vereist
Dodehoeksysteem uit
BLIS en CTA A zijn gedeactiveerd, omdat er een aanhangwagen op het elektrische systeem van de auto is aangesloten.
Aanhanger gekoppeld
A
Cross Trafic Alert*
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
72
346
BLIS* (p. 343)
Cross Traffic Alert* (p. 347)
Blind Spot Information System
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Cross Traffic Alert73*
Cross Traffic Alert (CTA) is een hulpmiddel bij
BLIS74 om u te waarschuwen voor kruisend verkeer, als u achteruitrijdt met de auto.
De deelfunctie auto-brake kan de auto tot stilstand brengen als een botsing dreigt met een
voertuig dat u niet hebt opgemerkt.
CTA is alleen actief als de auto achteruit rolt of in
de achteruit is gezet.
Als CTA detecteert dat er van de zijkant iets aankomt, wordt dit aangegeven met:
•
een geluidssignaal – het geluid komt uit de
linker of rechter luidspreker, afhankelijk van
waar het object vandaan komt.
•
een brandend pictogram in de grafische
Parkeerhulpsysteem-voorstelling op het
display.
•
een pictogram op het hoofdscherm van de
parkeerhulpcamera.
tie Auto-brake in om de auto tot stilstand te
brengen, waarna op het bestuurdersdisplay
een melding verschijnt die uitlegt waarom de
auto remde.
WAARSCHUWING
De deelfunctie auto-brake kan alleen rijdende voertuigen detecteren en ervoor remmen en geen stilstaande obstakels, fietsers
of voetgangers.
Werkingsprincipe van CTA
CTA vormt een aanvulling op het BLIS door bij
achteruitrijden op kruisend verkeer vanaf de zijkant te letten, bijvoorbeeld als u achteruit een
parkeervak verlaat.
CTA is bedoeld om in de eerste plaats voertuigen
te ontdekken – in gunstige gevallen kunnen ook
kleinere voorwerpen zoals fietsen en voetgangers
worden ontdekt.
73
74
Waarschuwing voor kruisend verkeer tijdens het achteruitrijden.
Blind Spot Information
Brandend pictogram voor CTA in de grafische
Parkeerhulpsysteem-voorstelling op het display.
•
Als u de waarschuwing van CTA negeert en
een botsing onvermijdelijk lijkt, grijpt de func-
}}
* Optie/accessoire. 347
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
75
348
Rijhulpsystemen (p. 272)
Cross Traffic Alert activeren/deactiveren
(p. 348)
Cross Traffic Alert75 activeren/
deactiveren
Beperkingen van Cross Traffic
Alert77
U kunt ervoor kiezen om de waarschuwingssignalen van de functie CTA76 uit te schakelen –
de deelfunctie auto-brake is echter niet uit te
schakelen en blijft actief.
De CTA78 met auto-brake kent mogelijk beperkingen in bepaalde situaties. Remingrepen zijn
actief bij snelheden lager dan 15 km/h.
Activeer of deactiveer de functie met deze knop in het functiescherm van het middendisplay.
CTA werkt niet in alle situaties optimaal, maar
heeft zijn beperkingen – zo kunnen de CTA-sensoren niet "door" andere geparkeerde voertuigen
of voorwerpen die het zicht blokkeren heen kijken.
•
GROENE knopindicatie – de functie is geactiveerd.
Hier volgen enkele voorbeelden van situaties
waar het "blikveld" van het CTA aanvankelijk
beperkt kan zijn, zodat naderende voertuigen pas
op het laatste moment gedetecteerd worden:
•
GRIJZE knopindicatie –- waarschuwingssignaal en indicatie op het scherm voor de functie gedeactiveerd.
De functie wordt na elke motorstart automatisch
geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
Cross Traffic Alert* (p. 347)
Beperkingen van Cross Traffic Alert (p. 348)
Meldingen voor Cross Traffic Alert (p. 350)
BLIS* (p. 343)
De auto staat ver naar achteren in een parkeervak.
Parkeerhulp* (p. 374)
Waarschuwing voor kruisend verkeer tijdens het achteruitrijden.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
staande obstakels, fietsers of voetgangers
"zien" en ervoor remmen.
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken.
•
CTA wordt automatisch gedeactiveerd bij
aansluiting van een aanhangwagen, fietsdrager of iets dergelijks op het elektrische systeem van de auto.
•
Voor de optimale werking van CTA is het
zaak geen fietsdrager, bagagedrager of iets
dergelijks op de trekhaak van de auto te
monteren.
In schuine parkeervakken valt de ene kant van de auto
mogelijk helemaal binnen de dode hoek van CTA.
Dode hoek van CTA.
N.B.
Detectiegebied/"blikveld" van CTA.
Naarmate u verder achteruitrijdt, verandert echter
de hoek ten opzichte van het voertuig/obstakel
dat in de weg zit zodat de dode hoek snel in
grootte afneemt.
Voorbeelden van andere beperkingen
• De deelfunctie auto-brake detecteert alleen
rijdende voertuigen en kan daarom geen stil-
76
77
78
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
Cross Traffic Alert* (p. 347)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
Cross Traffic Alert
Waarschuwing voor kruisend verkeer tijdens het achteruitrijden.
Cross Traffic Alert
* Optie/accessoire. 349
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Meldingen voor Cross Traffic Alert79
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele meldingen verschijnen voor de CTA80 met autobrake.
In de volgende tabel staan voorbeelden.
Melding
Betekenis
Dodehoeksensor
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Service vereist
Dodehoeksysteem uit
BLISA en CTA zijn gedeactiveerd, omdat er een aanhangwagen op het elektrische systeem van de auto is aangesloten.
Aanhanger gekoppeld
A
Blind Spot Information System
U kunt meldingen verwijderen door kort te druk-knop in het midden van de rechken op de
ter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
79
80
350
Cross Traffic Alert* (p. 347)
BLIS* (p. 343)
Waarschuwing voor kruisend verkeer tijdens het achteruitrijden.
Cross Traffic Alert
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie*
WAARSCHUWING
De verkeersbordinformatie (RSI81) kan u attenderen op snelheidsspecifieke verkeersborden en
bepaalde verbodsborden.
Voorbeeld82 van geregistreerde snelheidsinformatie.
Als de auto een verkeersbord met maximumsnelheid passeert, verschijnt deze snelheid op het
instrumentenpaneel op het bestuurdersdisplay.
Voorbeelden van leesbare borden82.
RSI kan informatie geven over onder meer
actuele snelheid, begin of eind van auto- of snelwegen en eventuele inhaal- en inrijverboden.
N.B.
Op bepaalde markten is de functie verkeersbordinformatie* alleen beschikbaar in combinatie met Sensus Navigation*.
Road Sign Information
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek – de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
•
81
82
•
Rijhulpsystemen (p. 272)
Verkeersbordinformatie* activeren/deactiveren (p. 352)
•
Verkeersbordinformatie en bordweergave*
(p. 353)
•
Verkeersbordinformatie en Sensus
Navigation* (p. 355)
}}
* Optie/accessoire. 351
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
Verkeersbordinformatie met snelheidswaarschuwing en instellingen* (p. 355)
Verkeersbordinformatie* activeren/
deactiveren
•
Verkeersbordinformatie met flitspaalinformatie* (p. 357)
•
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
(p. 358)
De verkeersbordinformatie (RSI83) is optioneel –
u kunt zelf kiezen of de functie geactiveerd of
gedeactiveerd moet zijn.
N.B.
Activeer of deactiveer de functie met deze knop in het functiescherm van het middendisplay.
•
GROENE knopindicatie – de functie is geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is gedeactiveerd.
De verkeersbordinformatie wordt na elke motorstart automatisch geactiveerd.
•
Als de automatische snelheidsbegrenzer
geactiveerd is, verschijnt verkeersbordinformatie op het bestuurdersdisplay, ook al
is de verkeersbordinformatie niet ingeschakeld.
•
Om de verkeersbordinformatie van het
bestuurdersdisplay te halen moet u de
automatische snelheidsbegrenzer en de
verkeersbordinformatie deactiveren.
•
Wanneer de automatische snelheidsbegrenzer geactiveerd en de verkeersbordinformatie gedeactiveerd is, geeft de verkeersbordinformatie geen waarschuwingen. Om waarschuwingen te kunnen krijgen moet u tevens de verkeersbordinformatie activeren.
Gerelateerde informatie
•
•
83
352
Verkeersbordinformatie* (p. 351)
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 282)
RSI: Road Sign Information.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie en
bordweergave*
De verkeersbordinformatie (RSI84) toont verkeersborden op verschillende manieren, afhankelijk van het bord en de situatie.
Samen met het symbool voor
de geldende maximumsnelheid
kan ook een aanvullend bord85
verschijnen, bijvoorbeeld het
bord voor een inhaalverbod.
Bij een auto met Sensus Navigation* worden normaal alleen directe snelheidsborden getoond –
indirecte snelheidsborden verschijnen alleen als
in de kaartgegevens geen informatie staat over
de maximumsnelheid voor het desbetreffende
routegedeelte.
Als u een weg met een inrijverbod inrijdt met dit bord aan de
desbetreffende zijde, wordt u
gewaarschuwd met een knipperend symbool van dit bord85
op het bestuurdersdisplay.
Voorbeeld van indirect snelheidsbord85:
Bij een auto met Sensus Navigation* wordt ook
gebruikgemaakt van kaartgegevens om te bepalen of de auto in de verkeerde richting rijdt.
Voorbeeld85 van geregistreerde snelheidsinformatie.
Zodra de functie een verkeersbord met een maximumsnelheid heeft geregistreerd, laat het
bestuurdersdisplay dat bord zien in de vorm van
een symbool plus een gekleurde aanduiding op
de snelheidsschaal.
Als de auto is uitgerust met Sensus Navigation*
wordt ook snelheidsspecifieke informatie opgehaald uit de kaartdatabase, wat betekent dat
informatie over een maximumsnelheid op het
bestuurdersdisplay kan verschijnen of veranderen
zonder dat u een snelheidsbord bent gepasseerd.
84
85
Einde maximumsnelheid.
Einde snelweg.
U kunt ook een akoestische waarschuwing krijgen bij het negeren van een inrijverbod als
Audiowaarschuwing verkeersbord geactiveerd is.
Einde maximumsnelheid of einde
autoweg
Wanneer de functie een "indirect snelheidsbord"
detecteert, dat aangeeft dat de huidige snelheidslimiet eindigt – bijv. bij het einde van de
autoweg – verschijnt op het bestuurdersdisplay
een symbool met het corresponderende verkeersbord.
Road Sign Information
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek – de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
Het symbool op het bestuurdersdisplay dooft na
10–30 seconden en blijft uit totdat u het volgende verkeersbord met snelheidsinformatie passeert.
Gewijzigde maximumsnelheid
Als u een direct snelheidsbord passeert als een
maximumsnelheid gewijzigd wordt, wordt een
}}
* Optie/accessoire. 353
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
symbool met het corresponderende verkeersborg
op het bestuurdersdisplay getoond.
Aanvullende borden
Voorbeeld van een direct snelheidsbord85.
Sommige snelheden gelden
bijvoorbeeld alleen een bepaald
traject of op een bepaalde tijd
van de dag. U wordt hierop
geattendeerd met een symbool
voor een aanvullend bord onder
het snelheidssymbool. Het aanvullende symbool op het bestuurdersdisplay toont
dan ofwel "DIST", ofwel "TIME".
Het symbool op het bestuurdersdisplay dooft na
ca. 5 minuten en blijft uit totdat u het volgende
verkeersbord met snelheidsinformatie passeert.
Bij een auto met Sensus Navigation* verschijnt
een snelheidsbord op het bestuurdersdisplay,
wanneer er in de kaartgegevens informatie over
een maximumsnelheid voor het desbetreffende
routegedeelte staat, zelfs al bent u geen direct
snelheidsbord gepasseerd. Als er geen informatie
in de kaartgegevens bestaat, dooft het boord
zo'n 3 minuten na het passeren van het laatst
waargenomen verkeersbord.
Voorbeelden van aanvullende borden85.
Soms kent een en dezelfde weg verschillende
maximumsnelheden – een aanvullend bord geeft
dan aan onder welke omstandigheden de snelheden gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om
een gevaarlijke weg bij bijvoorbeeld regen en/of
mist.
354
Bord voor "Schoolzone" en "Woonerf"
Als het waarschuwingsbord85
"Schoolzone" of "Woonerf" is
opgenomen in de kaartgegevens van het navigatiesysteem86, dan verschijnt op het
bestuurdersdisplay een bord
van dit type.
Het aanvullende bord met betrekking tot regen
verschijnt alleen als de voorruitwissers zijn geactiveerd.
Als er een aanhangwagen is aangesloten op het
elektrische systeem van de auto en u passeert
een snelheidsbord met het onderbord “aanhangwagen”, dan verschijnt deze snelheid op het
bestuurdersdisplay.
85
86
Een leeg vakje onder het snelheidssymbool85 op het bestuurdersdisplay geeft aan dat de
functie een bord heeft geregistreerd met aanvullende informatie over de geldende snelheidsbeperking.
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordinformatie* (p. 351)
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek – de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
Uitsluitend in auto's met Sensus Navigation*.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie en Sensus
Navigation*
Bij een auto met Sensus Navigation*, wordt er in
de volgende gevallen snelheidsspecifieke informatie opgehaald uit de navigatie-eenheid:
•
•
Bij verkeersborden met indirecte snelheidsinformatie, zoals borden voor autosnelwegen
en autowegen en plaatsnaamborden.
Als een eerder waargenomen snelheidsbord
als niet langer geldig wordt gezien en er
geen nieuw bord is gepasseerd.
N.B.
Op bepaalde markten is de functie verkeersbordinformatie* alleen beschikbaar in combinatie met Sensus Navigation*.
Verkeersbordinformatie met
snelheidswaarschuwing en
instellingen*
De deelfunctie Waarschuwing max. snelheid
voor de verkeersbordinformatie (RSI87) is optioneel – u kunt zelf kiezen of de deelfunctie geactiveerd of gedeactiveerd moet zijn.
U krijgt altijd een snelheidswaarschuwing bij overschrijding
van de maximumsnelheid voor
flitspalen die in verband met de
flitspaalinformatie geregistreerd
staat.
Waarschuwing max. snelheid waarschuwt u bij
overschrijding van de geldende maximumsnelheid
of de ingestelde "snelheidslimiet" – als u geen
vaart mindert, wordt u na zo'n 30 seconden rijden
in hetzelfde gebied met een maximumsnelheid
nogmaals gewaarschuwd.
U krijgt pas een nieuwe waarschuwing, wanneer
u de rijsnelheid eerst met minstens 5 km/h
(3 mph) verlaagt en daarna de maximumsnelheid
opnieuw overschrijdt of als u een nieuw/ander
gebied met een maximumsnelheid binnenrijdt.
N.B.
Bij gebruik van navigatie via een app die van
derden is gedownload, wordt geen snelheidsinformatie van eventueel gepasseerde verkeersborden verstrekt.
De snelheidswaarschuwing
bestaat in een tijdelijk knipperend symbool88 op het bestuurdersdisplay voor de maximumsnelheid als deze snelheid
wordt overschreden.
Gerelateerde informatie
•
87
88
Verkeersbordinformatie* (p. 351)
Road Sign Information
Verkeersborden zijn marktspecifiek – de getoonde afbeelding is slechts een voorbeeld.
}}
* Optie/accessoire. 355
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Instellingen
Limiet voor snelheidswaarschuwing
aanpassen
U kunt kiezen om te worden gewaarschuwd bij
hogere snelheid dan de snelheid op het verkeersbord.
Kies de limiet voor de snelheidswaarschuwing als
volgt:
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
Road Sign Information in het hoofdscherm van het middendisplay.
2.
Vink Waarschuwing max. snelheid aan.
> De functie wordt geactiveerd en er verschijnt een kiezer voor de snelheidslimiet.
3.
Pas de limiet voor de snelheidswaarschuwing
aan door op het beeldscherm op de pijlomhoog of pijl-omlaag te drukken.
Let erop dat de functie geen
rekening houdt met de gekozen limietaanpassing, als het
bestuurdersdisplay het symbool
voor de flitspaal toont.
Akoestische waarschuwing geactiveerd/
gedeactiveerd
Het is ook mogelijk om samen met de snelheidswaarschuwing een akoestische waarschuwing te
krijgen.
356
U kunt de instelling voor de akoestische waarschuwing als volgt wijzigen:
1.
2.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
Road Sign Information in het hoofdscherm van het middendisplay.
Vink Audiowaarschuwing verkeersbord
aan/uit om de akoestische waarschuwing te
activeren/uit te zetten.
2.
Vink Audiowaarschuwing flitspaal aan/uit
om de akoestische waarschuwing voor snelheidscamera's in/uit te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Verkeersbordinformatie* (p. 351)
Snelheidswaarschuwing van verkeersbordinformatie activeren/deactiveren (p. 357)
Als de functie Audiowaarschuwing
verkeersbord actief is, wordt u ook gewaarschuwd bij het negeren van een inrijverbod of
bord voor eenrichtingsverkeer.
Waarschuwing flitspaal geactiveerd/
gedeactiveerd
Als de auto is uitgerust met
Sensus Navigation* en de
kaartgegevens informatie
bevatten over snelheidscamera's, kunt u ervoor kiezen om
een akoestische waarschuwing
voor een snelheidscamera te
ontvangen.
U kunt de instelling voor de akoestische waarschuwing als volgt wijzigen:
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
Road Sign Information in het hoofdscherm van het middendisplay.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidswaarschuwing van
verkeersbordinformatie activeren/
deactiveren
U activeert de deelfunctie Waarschuwing max.
snelheid als volgt:
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
Road Sign Information in het hoofdscherm van het middendisplay.
2.
Vink Waarschuwing max. snelheid aan.
> De functie wordt geactiveerd en er verschijnt een kiezer voor de snelheidslimiet.
Verkeersbordinformatie met
flitspaalinformatie*
N.B.
Auto's met verkeersbordinformatie (RSI89) en
Sensus Navigation* kunnen op het bestuurdersdisplay informatie geven over komende flitspalen.
•
Om een akoestisch waarschuwingssignaal te krijgen bij overschrijding van de
maximumsnelheid moet Waarschuwing
max. snelheid zijn geactiveerd en moet
de deelfunctie Audiowaarschuwing
verkeersbord in stand Aan staan. Er
wordt vervolgens een akoestische waarschuwing gegeven als de rijsnelheid de
snelheid overschrijdt die RSI op het
bestuurdersdisplay toont.
•
U kunt een akoestische waarschuwing
voor flitspalen krijgen, ongeacht de rijsnelheid, los van de vraag of u een maximumsnelheid hebt overschreden en zelfs
als Audiowaarschuwing verkeersbord
is gedeactiveerd.
•
Informatie met betrekking tot flitspalen
op de navigatiekaart is niet voor alle
markten/regio's beschikbaar.
Gerelateerde informatie
•
•
Verkeersbordinformatie* (p. 351)
Verkeersbordinformatie met snelheidswaarschuwing en instellingen* (p. 355)
Flitspaalinformatie op het bestuurdersdisplay.
Als de auto een gedetecteerde
snelheidslimiet overschrijdt terwijl de Waarschuwing max.
snelheid geactiveerd is, krijgt
u een snelheidswaarschuwing
als de auto een flitspaal nadert,
op voorwaarde dat de navigatiekaart voor de actuele regio flitspaalinformatie
bevat.
89
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordinformatie* (p. 351)
Road Sign Information
* Optie/accessoire. 357
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van
Verkeersbordinformatie*
N.B.
De RSI-functie kan sommige soorten fietsdragers die zijn aangesloten op de elektrische
aansluiting voor aanhangers interpreteren als
een aangekoppelde aanhanger. Op het
bestuurdersdisplay kan dan onjuiste snelheidsinformatie verschijnen.
De verkeersbordinformatie (RSI90) kent mogelijk
beperkingen in bepaalde situaties.
Voorbeelden van factoren die de functie mogelijk
beperken zijn:
•
•
•
•
verbleekte borden
borden in een bocht
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
borden die hoog boven het wegdek hangen/
staan
•
borden die gedeeltelijk of geheel verscholen
of slecht geplaatst zijn
•
borden die geheel of gedeeltelijk zijn afgedekt met ijs, sneeuw en/of vuil
•
N.B.
gedraaide of beschadigde borden
digitale wegenkaarten91 die niet actueel of
onjuist zijn of geen snelheidsinformatie92
bevatten.
Driver Alert Control
Driver Alert Control (DAC) dient om u erop te
attenderen dat u de auto op ongecontroleerde
wijze bestuurt (omdat u bijvoorbeeld afgeleid
wordt of bijna in slaap valt).
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in het
rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie op de
grotere wegen. De functie is niet bedoeld voor
gebruik in het stadsverkeer.
De functie wordt geactiveerd bij een snelheid
hoger dan 65 km/h (40 mph) en blijft actief
zolang de snelheid boven 60 km/h (37 mph) ligt.
Gerelateerde informatie
•
•
Verkeersbordinformatie* (p. 351)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
DAC detecteert de positie van de auto in de rijbaan.
90
91
92
358
Road Sign Information
Bij een auto met Sensus Navigation*.
Kaartgegevens met snelheidsinformatie zijn niet voor alle gebieden beschikbaar.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Een camera tast de zijmarkeringen van de rijbaan
af en vergelijkt de wegrichting met uw stuurbewegingen.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Gebruik Driver Alert Control niet om langer te
blijven rijden dan normaal, maar plan altijd
regelmatig pauzes in en zorg ervoor dat u uitgerust bent.
Neem een waarschuwing van Driver Alert
Control altijd serieus, omdat u bij slaperigheid
uw lichamelijke conditie vaak minder goed
kunt inschatten.
Bij een waarschuwing of een gevoel van vermoeidheid:
WAARSCHUWING
•
•
De auto wordt op ongecontroleerde wijze bestuurd.
Als het rijgedrag duidelijk
ongecontroleerd wordt, wordt u
gewaarschuwd met dit symbool
op het bestuurdersdisplay in
combinatie met een geluidssignaal en de melding Tijd voor
een pauze.
Als de auto is uitgerust met Sensus Navigation*
en de functie Begeleiding ruststop actief is,
verschijnt tevens een geschikte parkeerplaats
voor een pauze.
•
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand om rust te houden.
Studies hebben aangetoond dat autorijden bij
vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer
als rijden onder invloed van alcohol of andere
stimulerende middelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 272)
Driver Alert Control activeren/deactiveren
(p. 360)
•
Begeleiding naar parkeerplaats kiezen bij
waarschuwing van Driver Alert Control
(p. 360)
•
Beperkingen van Driver Alert Control
(p. 360)
Als u uw rijgedrag niet corrigeert, wordt de waarschuwing enige tijd later herhaald.
* Optie/accessoire. 359
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Driver Alert Control activeren/
deactiveren
De Driver Alert Control (DAC) is te activeren/
deactiveren.
Aan/Uit
Om de instellingen te wijzigen voor DAC:
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Kies My Car
Control.
IntelliSafe
Driver Alert
3.
Vink Alertheidswaarschuwing aan/uit om
DAC te activeren/deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert Control (p. 358)
Beperkingen van Driver Alert Control
(p. 360)
Begeleiding naar parkeerplaats
kiezen bij waarschuwing van Driver
Alert Control
U kunt aangeven of de functie Begeleiding
ruststop moet zijn geactiveerd/gedeactiveerd.
Bij een auto met Sensus Navigation* kunt u automatische begeleiding naar een geschikte parkeerplaats activeren bij een waarschuwing van
DAC.
Om Begeleiding ruststop te kiezen:
1.
Beperkingen van Driver Alert
Control
De Driver Alert Control (DAC) kent mogelijk
beperkingen in bepaalde situaties.
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit
kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
Kies My Car
Control.
IntelliSafe
3.
Vink Begeleiding ruststop aan/uit om de
functie te activeren/deactiveren.
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag –
zoals bij gebruik van Pilot Assist – zodat DAC
u niet waarschuwt.
Driver Alert
Het is daarom van zeer groot belang dat u bij
de eerste tekenen van opkomende vermoeidheid de auto op een geschikte plek parkeert
om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag
of DAC nu wel of niet heeft gewaarschuwd.
Gerelateerde informatie
•
spoorvorming in het wegdek.
WAARSCHUWING
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
zijdelingse rukwinden
Driver Alert Control (p. 358)
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
360
Driver Alert Control (p. 358)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent
beweging de auto actief terug de rijbaan in
sturen.
De rijbaanassistent (LKA93) moet op snelwegen,
hoofdwegen en dergelijke het risico beperken
dat uw auto onbedoeld de eigen rijbaan verlaat.
• Waarsch geactiveerd: Als de auto een zijlijn
dreigt te passeren, wordt u gewaarschuwd
met stuurtrillingen.
De rijbaanassistent stuurt de auto terug in de rijbaan en/of waarschuwt u met stuurtrillingen.
N.B.
De rijbaanassistent is actief in het snelheidsinterval 65–200 km/h (40–125 mph) op wegen met
goed zichtbare zijlijnen.
Op smalle wegen is de functie mogelijk niet
beschikbaar en wordt dan stand-by gezet. Als de
weg weer voldoende breed is, wordt de functie
weer beschikbaar.
Als de richtingaanwijzers/knipperlichten aanstaan, biedt de rijbaanassistent geen stuurhulp of waarschuwing.
De rijbaanassistent stuurt de auto terug de rijbaan in.
De rijbaanassistent waarschuwt met stuurtrillingen.
Een camera tast de zijlijnen van de weg/rijbaan af.
Afhankelijk van de instellingen reageert de rijbaanassistent als volgt:
• Sturen geactiveerd: Als de auto een zijlijn
nadert, zal de functie met een geringe stuur93
Lane Keeping Aid
}}
361
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Rijbaanassistent grijpt niet in
Voor het gebruik van de stuurhulp met rijbaanassistent (LKA94) moet u uw handen aan het stuur
houden. Het systeem controleert voortdurend of
dit het geval is.
Als u uw handen niet aan het
stuur houdt, klinkt een geluidssignaal en op het bestuurdersdisplay verschijnt een melding
om actief te sturen:
De rijbaanassistent grijpt niet in scherpe binnenbochten
in.
In bepaalde gevallen staat de rijbaanassistent u
toe om zijlijnen te passeren zonder in te grijpen
met stuurhulp of te waarschuwen – bijvoorbeeld
bij gebruik van de richtingaanwijzers of bij het
afsnijden van bochten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
94
362
Lane Keeping Aid
Stuurhulp bij rijbaanassistent
• Lane Keeping Aid Sturen
Als u geen gehoor geeft en niet stuurt, gaat de
functie stand-by staan en verschijnt de volgende
melding:
• Lane Keeping Aid Stand-by tot stuur
wordt bekrachtigd
De functie is vervolgens niet beschikbaar, totdat
u weer actief stuurt.
Rijhulpsystemen (p. 272)
Gerelateerde informatie
Stuurhulp bij rijbaanassistent (p. 362)
•
Rijbaanassistent activeren/deactiveren
(p. 363)
Beperkingen van rijbaanassistent (p. 363)
Symbolen en meldingen voor rijbaanassistent
(p. 365)
Rijbaanassistent (p. 361)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent activeren/
deactiveren
Assistentie-opties voor
rijbaanassistent kiezen
De rijbaanassistent (LKA95) is optioneel – u kunt
zelf kiezen of de functie geactiveerd of gedeactiveerd moet zijn.
U kunt kiezen wat de rijbaanassistent (LKA96)
moet doen, als uw auto de eigen rijbaan verlaat.
Activeer of deactiveer de functie met deze knop in het functiescherm van het middendisplay.
1.
2.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
in het hoofdscherm van het middendisplay.
Kies bij Modus Lane Keeping Aid wat de
functie moet doen:
• Sturen - u krijgt zonder waarschuwing
stuurhulp.
•
GROENE knopindicatie – de functie is geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
95
96
97
Rijbaanassistent (p. 361)
Assistentie-opties voor rijbaanassistent kiezen (p. 363)
Lane Keeping Aid
Lane Keeping Aid
Lane Keeping Aid
• Beide – de bestuurder krijgt een waarschuwing doordat het stuurwiel trilt en
door stuurhulp.
• Waarsch – de bestuurder wordt alleen
gewaarschuwd door stuurwieltrillingen.
Gerelateerde informatie
•
Rijbaanassistent (p. 361)
Beperkingen van rijbaanassistent
In bepaalde veeleisende situaties kan de rijbaanassistent (LKA97) u moeilijk op de juiste manier
helpen – het wordt dan geadviseerd het systeem
uit te schakelen.
Voorbeelden daarvan:
•
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegomstandigheden
slecht wegdek
zeer sportief rijgedrag
slecht weer met beperkt zicht
wegen met onduidelijke of ontbrekende zijmarkeringen
•
randen of andere lijnen dan de zijmarkeringen
•
als de stuurbekrachtiging met een beperkt
vermogen werkt – zoals bij koeling op grond
van oververhitting.
Het systeem is niet in staat om barrières, vangrails en dergelijke naast de rijbaan te detecteren.
}}
363
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
•
364
Rijbaanassistent (p. 361)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 272)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
rijbaanassistent
Op het bestuurdersdisplay kunnen verschillende
symbolen en meldingen verschijnen voor de rijbaanassistent (LKA98).
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Symbool
Melding
Betekenis
Best.onderst.systeem
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Beperkte functionaliteit Service vereist
Voorruitsensor
Het vermogen van de camera om de rijbaan vóór de auto af te tasten is beperkt.
Sensor afgedekt, zie handleiding
Lane Keeping Aid
Sturen
Lane Keeping Aid
De stuurhulp van LKA werkt niet als u uw handen niet aan het stuur houdt. Houd uw handen aan het stuur.
LKA blijft stand-by staan totdat u de auto weer actief stuurt.
Stand-by tot stuur wordt bekrachtigd
98
Lane Keeping Aid
}}
365
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
U kunt meldingen verwijderen door kort te druk-knop in het midden van de rechken op de
ter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
366
Rijbaanassistent (p. 361)
Symbolen op het bestuurdersdisplay voor de
rijbaanassistent (p. 367)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen op het
bestuurdersdisplay voor de
rijbaanassistent
Niet beschikbaar
Gerelateerde informatie
•
Rijbaanassistent (p. 361)
De rijbaanassistent (LKA99) wordt gevisualiseerd
met een symbool op het bestuurdersdisplay. Het
symbool is afhankelijk van de situatie.
Hier volgt een aantal voorbeelden van het uiterlijk van het
symbool en in welke situaties
dit verschijnt:
Beschikbaar
Niet beschikbaar - de zijlijnen van het symbool zijn
GRIJS.
Rijbaanassistent kan de zijlijnen van de rijbaan
niet aftasten, de snelheid is te laag of de weg is
te smal.
Aanduiding van stuurhulp/waarschuwing
Beschikbaar - de zijlijnen van het symbool zijn WIT.
Rijbaanassistent tast de ene zijlijn of beide zijlijnen van de rijbaan af.
Stuurhulp/waarschuwing - de zijlijnen van het symbool
zijn GEKLEURD.
De rijbaanassistent geeft aan dat het systeem
waarschuwt en/of de auto terug de rijbaan in
probeert te sturen.
99
Lane Keeping Aid
367
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Stuurhulp bij botsgevaar
WAARSCHUWING
De functie Hulp bij het voorkomen van
aanrijdingen kan het risico helpen beperken dat
de auto onbedoeld de eigen rijbaan verlaat en/of
in botsing komt met een ander voertuig of een
obstakel door de auto actief terug de eigen rijbaan in te sturen en/of een uitwijkmanoeuvre te
beginnen.
•
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
De functie omvat de volgende deelfuncties:
•
•
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
Na een automatische ingreep verschijnt op het
bestuurdersdisplay een melding dat een dergelijke ingreep heeft plaatsgevonden:
• Hulp bij het voorkomen van aanrijdingen
Automatische ingreep
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
N.B.
Het is altijd aan u als bestuurder om de mate
van stuurhulp te bepalen – de auto kan het
commando nooit overnemen.
Gerelateerde informatie
•
•
368
Rijhulpsystemen (p. 272)
Stuurhulp bij botsgevaar activeren/deactiveren (p. 369)
•
Niveau van stuurhulp bij dreigende bermongelukken (p. 369)
•
Beperkingen van de stuurhulp bij een dreigende botsing (p. 372)
•
Symbolen en meldingen voor de stuurhulp bij
botsgevaar (p. 373)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Stuurhulp bij botsgevaar activeren/
deactiveren
N.B.
Bij deactivering van Hulp bij het
voorkomen van aanrijdingen worden alle
betrokken deelfuncties uitgeschakeld:
De stuurhulp is optioneel – u kunt zelf kiezen of
de functie geactiveerd of gedeactiveerd moet
zijn.
•
•
Activeer of deactiveer de functie met deze knop in het functiescherm van het middendisplay.
•
GROENE knopindicatie – de functie is geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is gedeactiveerd.
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
Niveau van stuurhulp bij dreigende
bermongelukken
Het systeem heeft twee activeringsniveaus bij
een ingreep:
•
•
Alleen stuurhulp
Stuurhulp en remingreep
Alleen stuurhulp
Ondanks de mogelijkheid tot deactivering
wordt geadviseerd om de functie ingeschakeld te laten, omdat deze in de meeste gevallen de rijveiligheid verhoogt.
Gerelateerde informatie
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 368)
De functie wordt bij elke motorstart automatisch
geactiveerd100.
Ingreep met stuurhulp.
100Op
bepaalde markten wordt automatisch de instelling gehanteerd die gold bij uitschakeling van de motor.
}}
369
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Stuurhulp en remingreep
Stuurhulp bij dreigende
bermongelukken
WAARSCHUWING
De stuurhulp kent enkele deelfuncties. De stuurhulp bij dreigende bermongelukken kan het
gevaar helpen beperken dat u onbedoeld van de
weg raakt door de auto actief terug de weg op
te sturen.
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
De functie is in werking binnen het snelheidsbereik 65-140 km/h (40-87 mph) op wegen met
duidelijk zichtbare zijmarkeringen/-strepen.
Ingreep met stuurhulp en remingreep.
Remingrepen helpen in situaties waar stuurhulp
alleen niet voldoende is. De remkracht wordt
automatisch afgestemd op de situatie waarin een
bermongeluk dreigt.
Gerelateerde informatie
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 368)
Een camera tast de zijkanten en zijmarkeringen
van de weg af. Als de auto op het punt staat om
van de weg af te rijden, wordt hij weer de weg op
gestuurd en als de stuuractie niet volstaat om de
auto op de weg te houden, wordt de remactie
ook geactiveerd.
Wanneer u de richtingaanwijzers gebruikt, biedt
het systeem echter geen assistentie in de vorm
van stuurhulp of remingrepen. En als het systeem
detecteert dat u er een actieve rijstijl op na houdt,
grijpt het systeem iets later in.
Na een automatische ingreep verschijnt op het
bestuurdersdisplay een melding dat een dergelijke ingreep heeft plaatsgevonden:
• Hulp bij het voorkomen van aanrijdingen
Automatische ingreep
370
Gerelateerde informatie
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 368)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Stuurhulp bij dreigende
tegenliggerbotsing
De stuurhulp kent enkele deelfuncties. De stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing kan u helpen, als u wordt afgeleid en niet merkt dat uw
auto op de verkeerde weghelft belandt.
Als u de rijbaan dreigt te verlaten en daarbij het
pad van een tegenligger kruist, kan het systeem
u helpen om de auto terug de eigen rijbaan in te
sturen.
WAARSCHUWING
Het systeem biedt echter geen stuurhulp bij
gebruik van de richtingaanwijzers. En als het systeem detecteert dat u er een actieve rijstijl op na
houdt, grijpt het systeem iets later in.
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Na een automatische ingreep verschijnt op het
bestuurdersdisplay een melding dat een dergelijke ingreep heeft plaatsgevonden:
• Hulp bij het voorkomen van aanrijdingen
Automatische ingreep
De functie kan u helpen om uit te wijken naar de eigen
rijbaan.
Tegenligger
Uw auto
Tijdens een stuuringreep wordt ook de Collision
Warning van de rijhulp geactiveerd. De rempedaaltrillingen die onderdeel zijn van de Collision
Warning worden echter niet geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 368)
Waarschuwing rijhulpsystemen bij een dreigende botsing (p. 310)
De functie is in werking binnen het snelheidsbereik 60–140 km/h (37–87 mph) op wegen met
duidelijk zichtbare zijmarkeringen/-strepen.
371
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van de stuurhulp bij
een dreigende botsing
N.B.
De functie maakt gebruik van de gecombineerde camera en radarsensor van de auto
die enkele algemene beperkingen heeft.
Het systeem kent mogelijk beperkingen in de
volgende situaties, zodat bijv. niet wordt ingegrepen in de volgende gevallen:
bij kleinere voertuigen zoals motorfietsen
Gerelateerde informatie
als uw eigen auto voor het merendeel in de
aangrenzende rijbaan is belandt
•
•
•
op wegen/rijstroken met onduidelijke of ontbrekende zijmarkeringen
•
•
buiten het snelheidsbereik 60–140 km/h
(37–87 mph)
•
als de stuurbekrachtiging met een beperkt
vermogen werkt – zoals bij koeling op grond
van oververhitting.
•
•
Voorbeelden van andere lastige omstandigheden:
•
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegomstandigheden
smalle wegen
slecht wegdek
zeer sportief rijgedrag
slecht weer met beperkt zicht.
In deze veeleisende situaties kan het systeem u
moeilijk op de juiste manier helpen – het wordt
dan geadviseerd om het systeem uit te schakelen.
372
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 368)
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
(p. 370)
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
(p. 371)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor de
stuurhulp bij botsgevaar
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen voor de functie.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Symbool
Melding
Betekenis
Hulp bij het voorkomen van aanrijdingen
Bij activering van het systeem krijgt u een melding te zien dat het systeem ingeschakeld
is.
Automatische ingreep
Voorruitsensor
Het vermogen van de camera om de rijbaan vóór de auto af te tasten is beperkt.
Sensor afgedekt, zie handleiding
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 368)
373
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeerhulp*
De parkeerhulp kan u helpen bij het parkeren in
krappe ruimten door de afstand tot obstakels
aan te geven met geluidssignalen in combinatie
met grafische voorstellingen op het bestuurdersdisplay.
Hoe korter de afstand tot het obstakel, des te
korter op elkaar klinken de signalen. Wanneer u
ondertussen het audiosysteem beluistert, wordt
het volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Bij obstakels voor en naast de auto worden er
zolang de auto rijdt geluidssignalen gegeven,
maar deze geluidssignalen verdwijnen wanneer
de auto zo'n 2 seconden stilstaat. Bij obstakels
achter de auto blijven de geluidssignalen ook
klinken, wanneer de auto stilstaat.
Wanneer de auto een obstakel voor of achter de
auto tot op minder dan 30 cm (1 ft) is genaderd,
bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken
toon en is het sensorsegment dat het dichtst bij
het autosymbool ligt geheel gevuld.
Beeldscherm met obstakelzones en sensorsegmenten.
Op het middendisplay verschijnt een schematische weergave van de onderlinge posities van de
auto en eventuele obstakels.
Het gemarkeerde segment geeft aan waar het
obstakel zich bevindt. Het gemarkeerde segment
ligt dichter bij het autosymbool, naarmate de
afstand tussen de auto en het waargenomen
obstakel aan de voor-/achterzijde kleiner is.
Wanneer de auto een obstakel voor of achter de
auto tot op minder dan 25 cm (0,8 ft) is genaderd, bestaat het geluidssignaal uit een luide
onderbroken toon. De kleur van het actieve sensorsegment verandert van ORANJE in ROOD.
N.B.
•
Behalve in het gebied rond het autosymbool, worden alleen geluidssignalen
gegeven voor obstakels die zich op het
traject van de auto bevinden.
WAARSCHUWING
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de parkeerhulpsensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Let daarom in het bijzonder op mensen
en dieren in de buurt van de auto.
•
Let erop dat de voorkant van de auto tijdens het parkeren kan uitzwenken naar
het tegemoetkomende verkeer.
Het volume van de parkeerhulp is als het geluidssignaal klinkt aan te passen met de [>II]-knop op
de middenconsole. U kunt het volume ook aanpassen met de menu-optie Instellingen in het
hoofdmenu.
De zijsegmenten veranderen van kleur naarmate
de afstand tussen de auto en het obstakel
afneemt.
374
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijhulpsystemen (p. 272)
Parkeerhulp aan voorzijde, achterzijde en zijkanten* (p. 375)
•
•
Parkeerhulp activeren/deactiveren* (p. 376)
•
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
Symbolen en meldingen voor parkeerhulp
(p. 378)
Parkeerhulp aan voorzijde,
achterzijde en zijkanten*
De parkeerhulp reageert anders afhankelijk van
de vraag met welke kant van de auto u een
obstakel nadert.
N.B.
De parkeerhulp wordt gedeactiveerd wanneer
u de parkeerrem gebruikt of als u bij een auto
met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P zet.
Voorzijde
BELANGRIJK
Bij montage van verstralers: Let erop dat deze
de sensoren niet mogen hinderen - de verstralers kunnen dan als obstakel worden
gezien.
Achterzijde
Het geluidssignaal is ononderbroken bij een afstand
kleiner dan zo'n 30 cm (1 ft) tot een obstakel.
De voorste sensoren van de parkeerhulp worden
bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. Ze zijn actief bij snelheden lager dan
10 km/h (6 mph).
Het meetgebied strekt tot zo'n 80 cm (2,5 ft)
voor de auto.
Het geluidssignaal is ononderbroken bij een afstand
kleiner dan zo'n 30 cm (1 ft) tot een obstakel.
Als de auto in zijn vrij achteruitrolt of wanneer u
de keuzehendel in de stand voor achteruitrijden
}}
* Optie/accessoire. 375
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
zet, worden de sensoren aan de achterzijde
geactiveerd.
Aan de zijkanten
Parkeerhulp activeren/deactiveren*
De parkeerhulp is te activeren/deactiveren.
Het meetgebied strekt tot zo'n 1,5 meter (5 ft)
achter de auto.
De voor- en zijsensoren van de parkeerhulp worden automatisch geactiveerd bij het starten van
de motor en de achtersensoren worden geactiveerd, als de auto achteruitrolt of als de achteruitversnelling wordt geselecteerd.
Bij het achteruitrijden met een aanhangwagen
die is aangesloten op het elektrische systeem
van de auto wordt de parkeerhulp automatisch
gedeactiveerd.
Activeer of deactiveer de functie met deze knop in het functiescherm van het middendisplay.
N.B.
Bij het achteruitrijden met een aanhanger
achter de auto of een fietsdrager op de trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel
van Volvo – moet u de Park Assist mogelijk
handmatig uitschakelen om te voorkomen dat
de sensoren erop reageren.
De onderbroken geluidssignalen volgen elkaar snel op
bij een afstand kleiner dan zo'n 25 cm (0,8 ft) tot een
obstakel.
De zijsensoren van de parkeerhulp worden bij het
starten van de motor automatisch geactiveerd. Ze
zijn actief bij snelheden lager dan 10 km/h
(6 mph).
Het meetgebied strekt tot zo'n 25 cm (0,8 ft)
naast de zijkanten.
Het detectiegebied van de zijsensoren neemt
echter merkbaar toe bij het verdraaien van de
voorwielen, zodat er bij het verdraaien van het
stuur obstakels tot zo'n 90 cm (3 ft) schuin achter of voor de auto te detecteren zijn.
•
GROENE knopindicatie – de functie is geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie – de functie is gedeactiveerd.
Bij een auto met parkeerhulpcamera* is de parkeerhulp ook te activeren of deactiveren via het
desbetreffende camerascherm.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulp* (p. 374)
Gerelateerde informatie
•
•
376
Parkeerhulp* (p. 374)
Sensorvelden van parkeerhulp voor parkeerhulpcamera (p. 384)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van parkeerhulp
De parkeerhulp is niet in staat om in alle situaties
alles te registreren, zodat er soms beperkingen
gelden voor de werking.
Als bestuurder dient u rekening te houden met
de volgende beperkingen van de parkeerhulp:
WAARSCHUWING
Wees bij het verschijnen
van dit symbool extra voorzichtig tijdens het achteruitrijden met een gemonteerde aanhangwagen,
fietsdrager of iets dergelijks
die is aangesloten op het
elektrische systeem van de auto.
Het symbool geeft aan dat de parkeerhulpsensoren achter uitgeschakeld zijn, zodat
deze niet waarschuwen voor eventuele obstakels.
BELANGRIJK
BELANGRIJK
Obstakels zoals kettingen, smalle glanzende
palen of lage obstakels kunnen "afgeschaduwd" worden en worden in dat geval tijdelijk
niet geregistreerd door de sensoren – het
onderbroken geluidssignaal kan dan plotseling wegvallen in plaats van over te gaan in
het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
In bepaalde omstandigheden kan het parkeerhulpsysteem ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven onder invloed van
externe geluidsbronnen met ultrasone
geluidssignalen van dezelfde frequentie als
de sensoren van het systeem.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn claxons, natte banden op asfalt, pneumatische
remmen en uitlaatgeluid van motorfietsen et
cetera.
De sensoren kunnen geen hoge obstakels
ontdekken, zoals uitstekende laadperrons.
•
Wees in dergelijke gevallen extra voorzichtig en bedien/verrijd de auto erg
langzaam of breek de parkeermanoeuvre
af – er bestaat groot gevaar voor materiele schade aan de auto of de omgeving,
aangezien de informatie afkomstig van de
sensoren in dergelijke situaties niet altijd
betrouwbaar is.
N.B.
Wanneer het elektrische systeem van de auto
is geconfigureerd voor een trekhaak, wordt de
uitsteeklengte van de trekhaak meegerekend
bij het meten van de afstand tot obstakels
achter de auto.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulp* (p. 374)
* Optie/accessoire. 377
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
parkeerhulp
Op het bestuurders- en /of middendisplay verschijnen mogelijk symbolen en meldingen voor
de parkeerhulp.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Symbool
Melding
Betekenis
De parkeerhulpsensoren achter zijn uitgeschakeld, zodat er geen akoestische waarschuwingssignalen voor obstakels/voorwerpen verschijnen.
Parkeerhulpsysteem
Sensoren afgedekt, schoonmaken
vereist
Parkeerhulpsysteem
Niet beschikbaar Service vereist
Een of meer van de sensoren van het systeem zijn geblokkeerd. Controleer dit en verhelp de
storing zo spoedig mogelijk.
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
378
Parkeerhulp* (p. 374)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeerhulpcamera*
Trekhaak* – hulplijn voor trekhaak activeren/deactiveren*102
De parkeerhulpcamera kan u helpen bij het parkeren in krappe ruimten door obstakels weer te
geven met camerabeelden en grafische voorstellingen op het middendisplay.
CTA* – Cross Traffic Alert activeren/deactiveren
Voorwerpen/obstakels kunnen dichter bij de auto
zijn dan ze lijken op het beeldscherm.
De parkeerhulpcamera is een hulpsysteem dat
automatisch wordt geactiveerd bij inschakeling
van de achteruitversnelling of handmatig via het
middendisplay.
WAARSCHUWING
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de parkeerhulpsensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Let daarom in het bijzonder op mensen
en dieren in de buurt van de auto.
•
Let erop dat de voorkant van de auto tijdens het parkeren kan uitzwenken naar
het tegemoetkomende verkeer.
Voorbeeld van cameraweergave.
Zoomen101 – in-/uitzoomen
360°-beeld* – alle camera's activeren/deactiveren
PAS* – parkeerhulp activeren/deactiveren
Lijnen – hulplijnen activeren/deactiveren
101Bij het inzoomen doven de hulplijnen.
102Niet op alle markten beschikbaar.
}}
* Optie/accessoire. 379
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
•
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
•
Symbolen en meldingen voor de parkeerhulpcamera (p. 387)
Weergaven voor de
parkeerhulpcamera*
•
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
•
•
Parkeerhulp* (p. 374)
De functie kan een gecombineerde 360°-aanzicht tonen én een afzonderlijk aanzicht voor de
vier camera's: achter, voor, links of rechts.
Cross Traffic Alert* (p. 347)
Gerelateerde informatie
•
•
380
Rijhulpsystemen (p. 272)
Weergaven voor de parkeerhulpcamera*
(p. 380)
•
•
Hulplijnen voor parkeerhulpcamera* (p. 382)
•
Parkeerhulpcamera starten (p. 385)
Sensorvelden van parkeerhulp voor parkeerhulpcamera (p. 384)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Als de auto tevens is uitgerust met
Parkeerhulpsysteem* wordt de afstand tot
gedetecteerde obstakels aangeduid met velden
in verschillende kleuren.
360°-aanzicht*
Naar voren
De camera's zijn automatisch of handmatig te
activeren.
Achterzijde
De parkeerhulpcamera aan de voorzijde zit in de grille.
"Blikveld" van de parkeerhulpcamera's en hun approximatieve dekkingsgebieden.
De functie 360°-beeld activeert alle parkeerhulpcamera's waarna alle vier de zijden van de
auto gelijktijdig op het middendisplay verschijnen,
zodat u bij manoeuvreren op lage snelheden kunt
zien wat er zich rond de auto bevindt.
Vanuit het 360°-aanzicht is ieder camera-aanzicht apart te activeren:
•
Tik op het display voor het "blikveld" van de
gewenste camera, bijvoorbeeld op het
gebied voor/boven de frontcamera.
Het camerasymbool in het
autosymbool op het middendisplay geeft aan welke camera
actief is.
De achtercamera zit boven de kentekenplaat.
De camera beslaat een breed gebied achter de
auto. Bij bepaalde modellen is ook een deel van
de achterbumper zichtbaar plus een eventuele
trekhaak.
Voorwerpen op het middendisplay lijken mogelijk
over te hellen – dit is volkomen normaal.
De frontcamera kan handig zijn bij het invoegen
vanuit een oprit waarbij het zicht naar beide zijden bijvoorbeeld door heggen beperkt is. De
camera is actief bij snelheden tot 25 km/h
(16 mph) – bij hogere snelheden wordt de frontcamera uitgeschakeld.
Als de rijsnelheid een waarde van 50 km/h
(30 mph) niet bereikt en binnen 1 minuut na uitschakeling van de frontcamera daalt tot onder
22 km/h (14 mph), wordt de camera opnieuw
geactiveerd.
}}
* Optie/accessoire. 381
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Naar zijkanten
Hulplijnen voor parkeerhulpcamera*
De parkeerhulpcamera's geeft met lijnen op het
beeldscherm aan waar de auto zich ten opzichte
van de omgeving bevindt.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd
als stonden ze op de grond achter de auto. De lijnen zijn bovendien afhankelijk van de stuuruitslag, zodat u ook tijdens het draaien kunt zien
welke baan de auto zal nemen.
De hulplijnen zijn inclusief de uitstekende delen
van de auto, zoals de trekhaak, buitenspiegels en
hoeken.
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de hulplijnen op het
beeldscherm de baan van de auto aan –
niet die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen hulplijnen op het
beeldscherm, wanneer er een aanhanger
is aangesloten op het elektrische systeem van de auto.
•
Er verschijnen geen hulplijnen bij het
inzoomen.
De zijcamera's zitten in beide buitenspiegels.
De zijcamera's kunnen weergeven wat er zich
aan de desbetreffende zijde naast de auto
bevindt.
Gerelateerde informatie
•
•
Parkeerhulpcamera* (p. 379)
Parkeerhulpcamera starten (p. 385)
Voorbeeld van hulplijnen.
De hulplijnen geeft de denkbeeldige baan van de
contouren van de auto aan bij de actuele stuuruitslag - dit vereenvoudigt het achteruit insteken,
achteruitrijden in krappe ruimten en aankoppelen
van aanhangwagens.
382
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BELANGRIJK
•
Let erop dat op het beeldscherm alleen
het gebied achter de auto wordt weergegeven, als u voor de achteruitkijkcamera
hebt gekozen – let in dat geval goed op
de zijkanten en voorkant van de auto
wanneer u tijdens het achteruitrijden het
stuurwiel verdraait.
•
Hetzelfde geldt ook omgekeerd – let op
wat er met de achterste delen van de
auto gebeurt als u de frontcamera hebt
gekozen.
•
De hulplijnen geven het kortste traject
aan – let er daarom extra goed op dat u
met de zijkanten van de auto nergens
tegen aankomt of overheen rijdt, als u bij
vooruitrijden aan het stuur draait of met
de voorkant van de auto nergens tegen
aankomt of overheen rijdt, als u bij achteruitrijden aan het stuur draait.
Hulplijnen in 360°-aanzicht*
Hulplijn voor trekhaak*
360°-aanzicht met hulplijnen.
Met 360°-aanzicht worden - afhankelijk van de
rijrichting - achter, voor en aan de zijkant van de
auto hulplijnen getoond:
•
•
Bij vooruitrijden: Frontlijnen
Bij achteruitrijden: Zijlijnen en achteruitrijlijnen.
Als de voor- of achtercamera gekozen is, worden
de hulplijnen onafhankelijk van de rijrichting
weergegeven.
Als een zijcamera gekozen is, worden hulplijnen
alleen weergegeven als er achteruit gereden
wordt.
Trekhaak met hulplijn.
Trekhaak - hulplijn voor trekhaak activeren.
Zoomen - in-/uitzoomen.
De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhangwagen door de weergave
van een hulplijn voor de virtuele "baan" van de
trekhaak naar de aanhangwagen.
}}
* Optie/accessoire. 383
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
1.
Druk op Trekhaak (1).
> De hulplijn voor het vermoedelijk traject
van de trekhaak wordt getoond, terwijl de
hulplijnen van de auto tegelijkertijd
gedoofd worden.
Er zijn niet tegelijkertijd hulplijnen weer te
geven voor de auto en de trekhaak.
2.
Sensorvelden van parkeerhulp voor
parkeerhulpcamera
Als de auto uitgerust is met parkeerhulp wordt
voor iedere sensor die een obstakel waarneemt
de afstand met gekleurde velden in 360°-aanzicht weergegeven.
Sensorvelden voor en achter
Druk op Zoomen (2) als u nauwkeurig moet
manoeuvreren.
> Er wordt ingezoomd op de camerabeelden.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulpcamera* (p. 379)
De kleur van de sensorvelden voor en achter verandert naarmate de afstand tot het obstakel kleiner wordt – van GEEL, via ORANJE in ROOD.
Veldkleur achter
Afstand in meter (feet)
Oranje
0,6–1,5 (2,0–4,9)
Oranje
0,3–0,6 (1,0–2,0)
Rood
0–0,3 (0–1,0)
Veldkleur voor
Afstand in meter (feet)
Oranje
0,6–0,8 (2,0–2,6)
Oranje
0,3–0,6 (1,0–2,0)
Rood
0–0,3 (0–1,0)
Bij RODE sensorvelden gaat het onderbroken
geluidssignaal over in een onderbroken geluidssignaal.
Het beeldscherm toont de gekleurde sensorvelden op
het autosymbool.
384
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Sensorvelden naar de zijkanten
De waarschuwingssignalen zijn afhankelijk van
het beoogde traject van de auto. Bij stuuruitslag
wordt mogelijk ook gewaarschuwd voor een
obstakel dat zich niet recht voor of achter maar
schuin voor of achter de auto bevindt.
De kleur van de sensorvelden aan zijkant verandert naarmate de afstand tot het obstakel kleiner
wordt – van GEEL in ROOD.
Veldkleur zijkanten
Afstand in meter (feet)
Oranje
0,25–0,9 (0,8–3,0)
Rood
0–0,25 (0–0,8)
Bij RODE sensorvelden gaat het onderbroken
geluidssignaal over in een luid onderbroken signaal.
Gerelateerde informatie
•
Gebieden waarbinnen de parkeersensoren obstakels
kunnen ontdekken.
Voorste sensorveld links
Obstakelsegment in de rijrichting voor de
auto – afhankelijk van de stuuruitslag
Segment met RODE veldkleur en luid onderbroken signaal
Achterste sensorveld rechts
Obstakelsegment in de rijrichting achter de
auto – afhankelijk van de stuuruitslag.
Parkeerhulpcamera* (p. 379)
Parkeerhulpcamera starten
De parkeerhulpcamera start automatisch bij het
inschakelen van de achteruitversnelling of handmatig bij het bedienen van een van de functieknoppen van het middendisplay.
Camera-aanzicht tijdens het
achteruitrijden
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
verschijnt het 360°-aanzicht als dit aanzicht of
een van de zijaanzichten het laatst gebruikte aanzicht was, zo niet dan verschijnt het achteraanzicht.
Aanzicht bij handmatige inschakeling
van de camera
Start de parkeerhulpcamera
met deze knop op het functiescherm van het middendisplay.
Op het display verschijnt
daarna in eerste instantie het
laatst gebruikte camera-aanzicht. Na iedere nieuwe motorstart wordt een eerder weergegeven zijaanzicht vervangen door een
360°-aanzicht en een eerder getoond ingezoomd
achteraanzicht wordt vervangen door een standaardachteraanzicht.
Camera automatisch deactiveren
Het vooraanzicht dooft bij 25 km/h (16 mph) om
u niet af te leiden – het vooraanzicht wordt bij
een snelheid van 22 km/h (14 mph) binnen
}}
* Optie/accessoire. 385
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
1 minuut opnieuw geactiveerd, op voorwaarde
dat u niet sneller rijdt dan 50 km/h (31 mph).
De overige camera-aanzichten doven bij 15 km/h
(9 mph) en worden niet opnieuw geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
386
Parkeerhulpcamera* (p. 379)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor de
parkeerhulpcamera
Op het bestuurders- en /of middendisplay verschijnen mogelijk symbolen en meldingen voor
de parkeerhulpcamera.
In de volgende tabel staan voorbeelden.
Symbool
Melding
Betekenis
De parkeerhulpsensoren achter zijn uitgeschakeld, zodat er geen akoestische waarschuwingssignalen en veldmarkeringen voor obstakels/voorwerpen verschijnen.
De camera is defect.
Parkeerhulpsysteem
Sensoren afgedekt, schoonmaken vereist
Parkeerhulpsysteem
Niet beschikbaar Service vereist
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Een of meer van de sensoren van het systeem zijn geblokkeerd. Controleer dit en verhelp de storing zo spoedig mogelijk.
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulpcamera* (p. 379)
* Optie/accessoire. 387
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Actieve parkeerhulp*
WAARSCHUWING
De actieve parkeerhulp (PAP103) kan u helpen
bij parkeermanoeuvres. De functie kan ook helpen bij het sturen tijdens het verlaten van een
fileparkeervak.
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
De functie controleert eerst of
een vak groot genoeg is en
helpt u vervolgens om de auto
het vak in te sturen.
Op het middendisplay wordt
met symbolen, grafische voorstellingen en teksten aangegeven wat u wanneer
moet doen.
WAARSCHUWING
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de parkeerhulpsensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Let daarom in het bijzonder op mensen
en dieren in de buurt van de auto.
•
Let erop dat de voorkant van de auto tijdens het parkeren kan uitzwenken naar
het tegemoetkomende verkeer.
•
•
•
N.B.
PAP meet de ruimte en stuurt de auto – aan
u de taak om:
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
388
goed op de omgeving rond de auto te letten
•
de instructies op het middendisplay op te
volgen
•
te schakelen (achteruit/vooruit) – er klikt
een "belsignaal", wanneer u moet schakelen
•
de snelheid te regelen en daarbij een veilige snelheid aan te houden
•
te remmen en de auto tot stilstand te
brengen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
103Park
•
Rijhulpsystemen (p. 272)
Parkeervarianten bij actieve parkeerhulp*
(p. 389)
Inparkeren met actieve parkeerhulp* (p. 390)
Fileparkeervak verlaten met actieve parkeerhulp* (p. 393)
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp*
(p. 394)
Assist Pilot
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
Parkeervarianten bij actieve
parkeerhulp*
•
Meldingen voor Actieve parkeerhulp*
(p. 396)
De actieve parkeerhulp (PAP104) is te gebruiken
bij de volgende parkeervarianten.
Achteruit insteken
Fileparkeren
Principe voor (achteruit) insteken.
De functie parkeert de auto aan de hand van de
volgende stappen:
Principe voor fileparkeren of achteruit insteken.
De functie parkeert de auto aan de hand van de
volgende stappen:
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
2.
De auto wordt achteruit het vak ingestuurd.
3.
De auto wordt netjes in het midden van het
vak geparkeerd door voor-/achteruit te rijden.
Met Uitparkeren kan een filegeparkeerde auto
ook hulp krijgen bij het verlaten van het parkeervak.
104Park
Assist Pilot
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
2.
De auto wordt achteruit/vooruit het parkeervak in gestuurd en netjes in het midden
geparkeerd door voor-/achteruit te rijden.
N.B.
Het verlaten van een parkeervak met
Uitparkeren is alleen bestemd voor een
parallel geparkeerde auto - het systeem werkt
niet voor een haaks geparkeerde auto.
}}
* Optie/accessoire. 389
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
Actieve parkeerhulp* (p. 388)
Fileparkeervak verlaten met actieve parkeerhulp* (p. 393)
Inparkeren met actieve
parkeerhulp*
De actieve parkeerhulp (PAP105) helpt u in drie
fasen bij het parkeren. De functie kan u ook helpen om uit een parkeervak te rijden.
De functie meet de beschikbare ruimte en stuurt
de auto – aan u de taak om:
N.B.
De afstand tussen de auto en parkeervakken
moet 0,5–1,5 meter (1,6–5,0 ft) bedragen,
wanneer de functie de omgeving aftast op
zoek naar een passende parkeerplek.
Parkeren
•
het gebied rond de auto goed in de gaten te
houden
De functie parkeert de auto aan de hand van de
volgende stappen:
•
•
de instructies op het middendisplay te volgen
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
te schakelen (vooruit/achteruit) – een belsignaal geeft aan wanneer u moet schakelen.
2.
De auto wordt achteruit het vak ingestuurd.
3.
De auto wordt netjes in het midden van het
vak geparkeerd – het systeem kan u vragen
om te schakelen en te remmen.
•
•
een veilige snelheid aan te houden
te remmen en te stoppen.
Symbolen, grafische voorstellingen en/of teksten
op het middendisplay geven aan, wanneer u iets
moet doen.
De functie is te activeren als na het starten van
de motor aan de volgende criteria is voldaan:
105Park
390
•
Er is geen aanhangwagen aan de auto
gekoppeld
•
De snelheid is lager dan 30 km/h (20 mph).
Assist Pilot
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeervakken zoeken en meten
De functie is te activeren op
het functiescherm van het middendisplay.
N.B.
De functie zoekt een geschikte ruimte om te
parkeren, geeft instructies en parkeert de
auto aan de passagierskant in. Desgewenst
kunt u de auto ook aan de bestuurderszijde
van de straat parkeren:
Deze is ook bereikbaar vanuit
de camerabeelden.
•
Schakel de richtingaanwijzers aan de
bestuurderszijde in, waarna het systeem
een geschikte parkeerplek aan deze kant
van de straat zoekt.
Principe voor (achteruit) insteken.
Rijd maximaal 30 km/h (20 mph) voordat u gaat
parkeren.
Principe voor fileparkeren.
1.
Tik op de knop Inparkeren in het functiescherm of in het camerascherm.
> PAP zoekt een parkeervak en meet of dit
vak groot genoeg is.
2.
Zorg dat u klaar bent om te stoppen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
vertellen dat er een geschikte parkeerplaats
gevonden is.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
3.
Kies Fileparkeren of Haaks parkeren en
schakel de achteruitversnelling in.
}}
391
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Achteruit inparkeren
Fileparkeren.
Doe het volgende om de auto achteruit in te parkeren:
1.
Controleer of de ruimte achter u vrij is en
schakel de achteruitversnelling in.
2.
Rijd langzaam en voorzichtig achteruit en
raak het stuurwiel niet aan – rijd niet sneller
dan zo'n 7 km/h (4 mph).
3.
Zorg dat u klaar bent om te stoppen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
hiertoe verzoeken.
Auto netjes in het midden van het
parkeervak parkeren
N.B.
•
Kom niet met uw handen aan het stuurwiel wanneer de functie is geactiveerd.
•
Let erop dat het stuurwiel niet door iets
wordt gehinderd en vrij kan draaien.
•
Wacht voor het beste resultaat totdat het
stuurwiel is uitgedraaid, voordat u achteruit/vooruit rijdt.
Principes voor fileparkeren.
Achteruit insteken.
Principes voor (achteruit) insteken.
U doet dat als volgt:
392
BESTUURDERSONDERSTEUNING
1.
Zet de schakelhendel in de stand die het
systeem u opdraagt, wacht totdat het stuur is
verdraaid en rijd langzaam vooruit.
2.
Zorg dat u klaar bent om te stoppen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
hiertoe verzoeken.
3.
Schakel de achteruitversnelling in en rijd
langzaam achteruit.
4.
Zorg dat u klaar bent om te remmen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
hiertoe verzoeken.
Fileparkeervak verlaten met actieve
parkeerhulp*
De functie Uitparkeren kan u helpen bij het verlaten van een fileparkeervak.
N.B.
Het verlaten van een parkeervak met
Uitparkeren is alleen bestemd voor een
parallel geparkeerde auto - het systeem werkt
niet voor een haaks geparkeerde auto.
Let erop dat het stuur kan "terugveren" bij het
uitschakelen van de functie. U moet dan mogelijk
het stuur terugdraaien tot de maximale stuuruitslag om uit het parkeervak te kunnen rijden.
Als de functie oordeelt dat u zonder extra
manoeuvres kunt uitparkeren, wordt de functie
uitgeschakeld, ook al denkt u misschien dat de
auto nog in het parkeervak staat.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp* (p. 388)
De functie Uitparkeren is te
activeren in het functiescherm
op het middendisplay of in het
camerascherm.
Het systeem wordt automatisch gedeactiveerd,
waarna met grafische voorstellingen en een melding wordt aangegeven dat het insteken is afgerond. U moet mogelijk later corrigeren – alleen u
kunt beoordelen of de auto goed geparkeerd
staat.
U doet dat als volgt:
BELANGRIJK
De waarschuwingsafstand is korter wanneer
de sensoren worden gebruikt door de actieve
parkeerhulp (PAP106) dan wanneer de Park
Assist de sensoren gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp* (p. 388)
106Park
1.
Tik op de knop Uitparkeren in het functiescherm of in het camerascherm.
2.
Geef met de richtingaanwijzer aan in welke
richting de auto het parkeervak moet verlaten.
3.
Zorg dat u klaar bent om te stoppen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
hiertoe verzoeken. Volg de instructies op
dezelfde manier als bij de parkeerprocedure.
Assist Pilot
* Optie/accessoire. 393
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van de Actieve
parkeerhulp*
De actieve parkeerhulp (PAP107) is niet in staat
om in alle situaties alles te registreren, zodat er
mogelijke beperkingen gelden voor de werking.
WAARSCHUWING
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de parkeerhulpsensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Let daarom in het bijzonder op mensen
en dieren in de buurt van de auto.
•
Let erop dat de voorkant van de auto tijdens het parkeren kan uitzwenken naar
het tegemoetkomende verkeer.
WAARSCHUWING
•
•
•
De functie is een systeem voor aanvullende rijhulp om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt.
De rijhulpsystemen ontslaan u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
BELANGRIJK
Als bestuurder dient u rekening te houden met
de volgende beperkingen van de actieve parkeerhulp:
Parkeren afbreken
Een parkeerprocedure wordt afgebroken:
•
•
als u het stuurwiel aanraakt
•
als u op Annuleren op het middendisplay
drukt
•
bij een ingreep van het antiblokkeerremsysteem of de elektronische stabiliteitsregeling,
bijvoorbeeld als een wiel geen grip meer
heeft bij een glad wegdek
•
als de stuurbekrachtiging met een beperkt
vermogen werkt – zoals bij koeling op grond
van oververhitting.
als u te snel met de auto rijdt – sneller dan
7 km/h (4 mph)
In voorkomende gevallen laat een melding op het
middendisplay u weten waarom de parkeerprocedure is afgebroken.
Obstakels boven het detectiegebied van de
sensoren worden niet meegenomen bij het
berekenen van de parkeermanoeuvre, waardoor de functie mogelijk te vroeg het parkeervak indraait – vermijd daarom parkeervakken
met dergelijke hoge obstakels.
107Park
394
Assist Pilot
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BELANGRIJK
Onder bepaalde omstandigheden kan de
functie geen parkeerplaatsen vinden – bijvoorbeeld omdat de sensoren worden
gestoord door externe geluidsbronnen die
dezelfde ultrasoonfrequenties gebruiken als
waar het systeem mee werkt.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn o.a.
claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van motorfietsen.
Er zijn ook een paar details waar u bij het parkeren op moet letten, bijvoorbeeld:
•
U moet altijd bepalen of het vak dat de functie voorstelt zich leent om in te parkeren.
•
Gebruik de functie niet als u sneeuwkettingen of een reservewiel hebt gemonteerd.
•
Gebruik de functie niet als er lading buiten
de auto uitsteekt.
•
Hevige regen of sneeuwval kan ertoe leiden
dat het parkeervak niet op een juiste manier
wordt gemeten.
•
Tijdens het zoeken en meten van parkeervakken kan de functie obstakels die diep in
een parkeervak liggen over het hoofd zien.
•
In smalle straten zijn niet altijd parkeervakken
te vinden, omdat er mogelijk te weinig ruimte
voor manoeuvreren is.
•
Gebruik goedgekeurde banden108 met de
juiste bandenspanning – dit is van invloed op
de capaciteiten van de parkeerfunctie.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken,
neemt de functie af en kan meten onmogelijk
worden gemaakt.
Uw verantwoordelijkheid
Vergeet niet dat functie een hulpmiddel is en
geen onfeilbaar en volautomatisch systeem.
Wees daarom altijd voorbereid om de parkeermanoeuvre te onderbreken.
108Met
•
De functie gaat uit van de onderlinge positie
van de geparkeerde voertuigen – als deze
ongelukkig geparkeerd staan, kunnen de
banden en velgen van uw auto beschadigd
raken bij contact met de stoeprand.
•
Haakse parkeervakken kunnen worden
gemist of ten onrechte worden gedetecteerd,
als een geparkeerde auto meer uitsteekt dan
de andere geparkeerde auto's.
•
De functie is bedoeld voor inparkeren in
rechte straatgedeelten – niet in straatgedeelten met sterke krommingen of scherpe
bochten. Zorg daarom dat de auto naast het
parkeervak staat, wanneer de functie de
beschikbare ruimte meet.
BELANGRIJK
Bij montage van een andere goedgekeurde
maat velgen en/of banden kan de omtrek van
de banden veranderen, zodat de -parameters
mogelijk moeten worden bijgewerkt. Informeer bij een werkplaats – geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Actieve parkeerhulp* (p. 388)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 272)
Beperkingen van de gecombineerde camera
en radarsensor (p. 323)
“goedgekeurde banden” wordt bedoeld: banden van hetzelfde type en merk als die bij levering af fabriek origineel waren gemonteerd.
* Optie/accessoire. 395
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Meldingen voor Actieve
parkeerhulp*
Op het bestuurders- en /of middendisplay verschijnen mogelijk meldingen voor de actieve parkeerhulp (PAP109).
In de volgende tabel staan voorbeelden.
Melding
Betekenis
Parkeerhulpsysteem
Een of meer van de sensoren van het systeem zijn geblokkeerd. Controleer dit en verhelp de storing zo
spoedig mogelijk.
Sensoren afgedekt, schoonmaken vereist
Parkeerhulpsysteem
Niet beschikbaar Service vereist
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp* (p. 388)
109Park
396
Assist Pilot
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
STARTEN EN RIJDEN
Motor starten
De auto is te starten met de startknop naast het
stuurwiel wanneer de transpondersleutel zich in
de passagiersruimte bevindt.
met ondersteuning voor starten zonder sleutel
(passief startsysteem).
Om de auto te starten:
1.
Controleer of de transpondersleutel in de
auto aanwezig is. Voor auto's met passief
starten moet de sleutel zich voor in het interieur bevinden. Met de optie passieve vergrendeling/ontgrendeling* van de auto is het voldoende dat de transpondersleutel zich
ergens in de auto bevindt.
2.
Houd het rempedaal volledig ingetrapt1. Bij
een auto met een automatische versnellingsbak moet u ervoor zorgen dat u schakelstand
P of N hebt gekozen. Zorg er bij auto's met
een handgeschakelde versnellingsbak voor
dat de schakelhendel in de neutraalstand
staat of dat u het koppelingspedaal bedient.
Positie van de startknop.
WAARSCHUWING
Vóór het starten:
•
•
•
Doe de veiligheidsgordel om.
Stel stoel, stuur en spiegels in.
Zorg ervoor dat het rempedaal volledig
kan worden ingetrapt.
U gebruikt de transpondersleutel zelf niet bij het
starten van de auto, omdat de auto is uitgerust
1
398
3.
Druk de startknop in.
N.B.
Bij auto's met een dieselmotor slaat de motor
mogelijk met enige vertraging aan.
Bij het starten van de motor blijft de startmotor
draaien, totdat de motor aanslaat of totdat de
beveiliging tegen oververhitting in werking treedt.
Positie back-uplezer.
Als bij het starten de melding Sleutel niet
gevonden op het bestuurdersdisplay verschijnt,
plaats dan de transpondersleutel in de buurt van
de back-uplezer. Doe vervolgens een nieuwe
startpoging.
N.B.
Zorg ervoor dat er geen andere autosleutels,
metalen voorwerpen of elektronische apparaten (zoals mobiele telefoons, tablets, laptops
of laders) in de back-uplezer liggen, wanneer
u de transpondersleutel in de back-uplezer
plaatst. Als er zich meerdere sleutels in de
back-uplezer bevinden, kunnen deze elkaar
storen.
Als de auto rolt, kunt u de motor starten door de knop in te drukken.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
BELANGRIJK
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
•
•
•
Stuurwiel verstellen (p. 184)
Auto afzetten
Starthulp met andere accu (p. 451)
U zet de auto af met de startknop naast het
stuurwiel.
Contactslotstand kiezen (p. 401)
WAARSCHUWING
Haal nooit de transpondersleutel uit de auto
tijdens rijden of slepen.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel mee en zorg dat het elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0 staat – vooral als er kinderen in de
auto achterblijven.
N.B.
Voor bepaalde motortypen kan het stationaire
toerental bij een koude start duidelijk hoger
dan normaal zijn. Dit gebeurt om het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op de
normale bedrijfstemperatuur te krijgen waardoor de uitlaatgasemissies afnemen en het
milieu wordt ontzien.
Gerelateerde informatie
•
•
Auto afzetten (p. 399)
Contactslotstanden (p. 400)
Positie van de startknop.
Om de auto af te zetten:
–
Druk op de startknop – de auto wordt afgezet.
Als de keuzehendel bij een auto met een automatische versnellingsbak niet in stand P staat of
als de auto rijdt:
–
Druk op de startknop en houd deze ingedrukt totdat de auto wordt afgezet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Motor starten (p. 398)
Contactslotstanden (p. 400)
Stuurwiel verstellen (p. 184)
}}
399
STARTEN EN RIJDEN
•
•
Starthulp met andere accu (p. 451)
Contactslotstanden
Contactslotstand kiezen (p. 401)
Het elektrische systeem van de auto is in verschillende standen te zetten voor gebruik van
verschillende autosystemen.
Om een beperkt aantal functies te kunnen
gebruiken bij een uitgeschakelde motor is het
elektrische systeem van de auto in drie verschillende standen te zetten: 0, I en II. In de gebruikershandleiding worden deze standen overal
voorafgegaan door de aanduiding "contactslotstand".
De volgende tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende contactslotstanden/standen:
400
Niveau
0
Functies
•
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlichtA.
•
Elektrisch bedienbare* stoelen
zijn te verstellen.
•
Elektrisch bedienbare ruiten zijn
te gebruiken.
•
Middendisplay wordt ingeschakeld en is te gebruikenA.
•
Het infotainmentsysteem is te
gebruikenA.
In deze contactslotstand zijn de functies tijdsgestuurd. Ze worden na een
poosje automatisch uitgeschakeld.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Niveau
I
Functies
•
Niveau
Panoramadak, elektrisch bedienbare ruiten, 12V-aansluitingen in
passagiersruimte, Bluetooth,
navigatie, telefoon, interieurventilator en voorruitwissers zijn te
gebruiken.
•
Elektrisch bedienbare stoelen
zijn te verstellen.
•
12V-aansluitingen* in de bagageruimte zijn te gebruiken.
•
Het infotainmentsysteem wordt
automatisch ingeschakeld, als dit
bij het verlaten van de auto aanstond.
In deze contactslotstand is het
stroomverbruik belastend voor de
accu.
II
Functies
Contactslotstand kiezen
•
De koplampen worden ontstoken.
Het elektrische systeem van de auto is in verschillende standen te zetten voor gebruik van
verschillende autosystemen.
•
Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang.
Contactslotstand kiezen
•
Meerdere andere systemen worden geactiveerd. De stoelverwarming en achterruitverwarming
zijn echter pas te activeren na
het starten van de auto.
Deze contactslotstand vergt veel
stroom van de accu en moet
daarom worden vermeden!
A
Ook geactiveerd bij opening van het portier.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Motor starten (p. 398)
Positie van de startknop.
Stuurwiel verstellen (p. 184)
•
Starthulp met andere accu (p. 451)
Contactslotstand kiezen (p. 401)
Contactslotstand 0 – Vergrendel de auto
en bewaar de transpondersleutel binnen in
de auto.
N.B.
Om stand I of II te realiseren zonder dat de
motor wordt gestart moet u bij het selecteren
van deze contactslotstanden het rempedaal
of bij een auto met een handbak het koppelingspedaal niet bedienen.
}}
* Optie/accessoire. 401
STARTEN EN RIJDEN
||
•
Contactslotstand I – Druk de startknop in
en laat deze weer los.
•
Contactslotstand II – Houd de knop
zo'n 5 seconden lang ingedrukt. Laat de
knop vervolgens los.
•
Terug naar contactslotstand 0 – Om terug
te gaan naar contactslotstand 0 vanuit stand
I en II moet u op de startknop drukken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Motor starten (p. 398)
Auto afzetten (p. 399)
Contactslotstanden (p. 400)
Stuurwiel verstellen (p. 184)
Starthulp met andere accu (p. 451)
Alcoholslot*
•
Contactslotstanden (p. 400)
Het alcoholslot voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Voordat de motor kan worden gestart, moet u een
blaastest afgeven om vast te stellen dat u niet
onder de invloed van alcohol bent. Het alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte van de
grenswaarde voor verkeersdeelname die in uw
land geldt.
De auto heeft een interface voor elektrische aansluiting van de door Volvo goedgekeurde alcoholslotmerken en -modellen. De interface maakt het
eenvoudig om een alcoholslot aan te sluiten en
biedt de mogelijkheid om alcoholslotmeldingen
op het hoofddisplay van de auto weer te geven.
Raadpleeg voor informatie over een bepaald
alcoholslot de handleiding van de fabrikant van
het alcoholslot.
WAARSCHUWING
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u niet
ontslaat van uw verantwoordelijkheden als
bestuurder. De bestuurder dient altijd nuchter
te blijven en de auto op een veilige manier te
besturen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
402
Alcoholslot* omzeilen (p. 403)
Alvorens een motor met alcoholslot te starten (p. 403)
Motor starten (p. 398)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Alcoholslot* omzeilen
Gerelateerde informatie
In noodsituaties of als het alcoholslot defect is,
kunt u het alcoholslot omzeilen om toch in de
auto te kunnen rijden.
•
•
Zie de desbetreffende handleiding voor het deactiveren van een bepaald alcoholslot.
•
•
Bypass-functie activeren
N.B.
Alle bypass-activeringen worden geregistreerd en opgeslagen in een geheugen in de
regeleenheid van het alcoholslot. Het is niet
mogelijk een bypass te annuleren.
Alcoholslot* (p. 402)
Alvorens een motor met alcoholslot te starten (p. 403)
Motor starten (p. 398)
Contactslotstanden (p. 400)
Alvorens een motor met alcoholslot
te starten
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd en
gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
Waar u op moet letten
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig
mogelijk meetresultaat:
•
Zo'n 5 minuten voor de blaastest niet eten of
drinken.
•
De voorruit niet te lang sproeien – de alcohol
in de sproeiervloeistof kan een verkeerd
meetresultaat opleveren.
N.B.
Op het scherm verschijnt de melding Blaas in
alcoholslot Bypass?:
•
•
Kies bij het verschijnen van "Cancel/Yes"
voor de bypass-functie door op de pijl-rechts
van de knoppenset rechts op het stuurwiel
en vervolgens op de O-knop.
Kies bij het verschijnen van "Yes" voor de
bypass-functie door op de O-knop te drukken.
Het alcoholslot is daarmee omzeild, waarna de
auto te starten is.
Binnen 30 minuten na afloop van een rit kan
de motor opnieuw gestart worden zonder dat
er een nieuwe blaastest nodig is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Alcoholslot* omzeilen (p. 403)
Alcoholslot* (p. 402)
Motor starten (p. 398)
Contactslotstanden (p. 400)
Bij installatie van het alcoholslot wordt het maximale aantal keren ingesteld dat de bypass-functie te activeren is voordat service vereist is.
* Optie/accessoire. 403
STARTEN EN RIJDEN
Remsystemen
De remmen van de auto worden gebruikt om
snelheid te minderen of om te voorkomen dat
een geparkeerde auto wegrolt.
Naast de bedrijfsrem en de parkeerrem heeft de
auto meerdere andere systemen voor automatische remondersteuning. Deze systemen bieden
ondersteuning doordat u bijvoorbeeld tijdens het
wachten voor een verkeerslicht, het wegrijden op
een oplopende helling of ritten op aflopende hellingen uw voet niet op het rempedaal hoeft te
houden.
Afhankelijk van de uitrusting van de auto beschikt
u mogelijk over de volgende remondersteuningssystemen:
•
•
•
•
•
Automatische rem bij stilstand (Auto Hold)
Hellingrem (Hill Start Assist)
Automatisch remmen na een aanrijding
City Safety
Afdalingsremregeling (Hill Descent Control)*
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
404
Rempedaal (p. 404)
Parkeerrem (p. 407)
Automatische rem bij stilstand (p. 410)
Automatisch remmen na een aanrijding
(p. 412)
•
•
City Safety™ (p. 328)
Rempedaal
Afdalingsremregeling* (p. 432)
Het rempedaal is onderdeel van het remsysteem.
De auto is uitgerust met twee remkringen. Als
een van de remkringen beschadigd raakt, neemt
de rempedaalweg toe. U moet dan harder op het
pedaal trappen voor een normale remwerking.
De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt
versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
Als u het rempedaal bedient met de motor afgezet, doet het pedaal stug aan en moet u harder
op het pedaal trappen om de auto af te remmen.
In bergachtig gebied of bij ritten met een zware
belading dient u de remmen te ontzien door op
de motor af te remmen in een handmatige schakelstand. U benut de remmende werking van de
motor het best, wanneer u tijdens het afdalen
dezelfde versnelling inschakelt als bij het oprijden
van een helling. Gebruik de rijmodus Off Road*
voor een krachtiger motorrem, wanneer u op lage
snelheden steile, aflopende hellingen afrijdt.
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
(p. 412)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Antiblokkeerremsysteem
De auto heeft een antiblokkeerremsysteem
(ABS2) dat voorkomt dat de wielen blokkeren tijdens het remmen om de auto bestuurbaar te
houden. Bij activering van deze functie kunt u trillingen in het rempedaal voelen. Dit is volkomen
normaal.
Wanneer u nadat de auto is aangeslagen het
rempedaal loslaat, gaat een kortdurende, automatische test van het ABS van start. Het is
mogelijk dat er op een lage snelheid nóg een
automatische test plaatsvindt. De test is waarneembaar in de vorm van trillingen in het rempedaal.
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
WAARSCHUWING
Betekenis
Als het waarschuwingslampje voor storingen
in het remsysteem en het ABS tegelijkertijd
branden, is er mogelijk een fout opgetreden in
het remsysteem.
Controleer het remvloeistofpeil. Vul
remvloeistof bij als het peil te laag
ligt en controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
•
Als het remvloeistofpeil in dat geval normaal is, moet u voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
•
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau
in het remvloeistofreservoir ligt, mag u
pas verder rijden als de remvloeistof is
bijgevuld. De oorzaak van het remvloeistofverlies moet worden gecontroleerd.
Brand tijdens het starten van de
motor 2 seconden continu: Automatische functietest.
Brandt langer dan 2 seconden
continu. ABS vertoont een storing.
Het standaardremsysteem van de
auto werkt dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
2
Rembekrachtiging (p. 406)
Automatische rem bij stilstand (p. 410)
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
(p. 412)
Remmen op natte rijbanen (p. 406)
Remmen op gepekelde rijbanen (p. 406)
Onderhoud van het remsysteem (p. 407)
Remlichten (p. 148)
Anti-lock Braking System
405
STARTEN EN RIJDEN
Rembekrachtiging
Remmen op natte rijbanen
Remmen op gepekelde rijbanen
De rembekrachtiging (BAS3) helpt om bij afremmen de remkracht te verhogen en kan op die
manier de remweg verkorten.
Bij lange ritten in zware regenval zonder te remmen kan de remwerking bij de eerste bediening
van het rempedaal iets op zich laten wachten.
Bij remmen op gepekelde wegen kan er een
zoutlaagje ontstaan op remschijven en remblokken.
Het systeem registreert de wijze waarop u het
rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de remkracht. De remkracht kan worden verhoogd tot
het niveau waarop het ABS ingrijpt. De regeling
wordt uitgeschakeld, wanneer u de druk op het
rempedaal vermindert.
Dat kan ook het geval zijn als u uw auto hebt
gewassen. U moet dan harder op de rem trappen.
Houd daarom meer afstand tot voorliggers.
Dat kan tot een langere remweg leiden. Houd
daarom extra afstand tot voorliggers. Andere
voorzorgsmaatregelen:
Trap stevig op de rem na ritten op natte wegen of
na het wassen van de auto. De remschijven worden dan warm, drogen sneller en worden
beschermd tegen corrosie. Houd bij het remmen
rekening met de verkeerssituatie.
•
Rem af en toe om een eventueel zoutlaagje
te verwijderen. Let erop dat medeweggebruikers geen gevaar lopen doordat u remt.
•
Trap het rempedaal voorzichtig in als u op uw
plaats van bestemming bent aangekomen en
voordat u opnieuw de weg op gaat.
N.B.
Bij activering van BAS zakt het rempedaal iets
verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang als nodig is.
Bij het loslaten van het rempedaal wordt er
niet meer geremd.
Gerelateerde informatie
•
3
406
Rempedaal (p. 404)
Brake Assist System
Gerelateerde informatie
•
•
Rempedaal (p. 404)
Gerelateerde informatie
Remmen op gepekelde rijbanen (p. 406)
•
•
Rempedaal (p. 404)
Remmen op natte rijbanen (p. 406)
STARTEN EN RIJDEN
Onderhoud van het remsysteem
Parkeerrem
Gerelateerde informatie
Controleer de componenten van het remsysteem
regelmatig op slijtage.
De parkeerrem voorkomt met behulp van mechanische blokkering/vergrendeling van twee wielen
dat een stilstaande auto kan wegrollen.
•
Parkeerrem activeren en deactiveren
(p. 408)
•
•
•
Op een helling parkeren (p. 409)
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te
houden, dient u de service-intervallen van Volvo
aan te houden zoals omschreven in het Serviceen garantieboekje. De remwerking van nieuwe en
vervangen remblokken en remschijven is pas
optimaal als ze na een paar honderd kilometer
(mijl) rijden zijn 'ingesleten'. Compenseer de verminderde remwerking door harder op het rempedaal te trappen. Volvo raadt aan uitsluitend remblokken te monteren die voor uw Volvo zijn goedgekeurd.
BELANGRIJK
De onderdelen van het remsystemen moeten
regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Rempedaal (p. 404)
Bij een storing in de parkeerrem (p. 410)
Automatische rem bij stilstand (p. 410)
Bij activering van de elektrische bediende parkeerrem hoort u een zwak elektromotorgeluid.
Het geluid is tevens waarneembaar bij een automatische functiecontrole van de parkeerrem.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
inschakelt, werkt de rem alleen op de achterwielen. Als u de parkeerrem tijdens het rijden inschakelt, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd.
Daarbij werkt de rem op alle vier de wielen. Wanneer de auto bijna stilstaat, worden alleen de
achterwielen geremd.
407
STARTEN EN RIJDEN
Parkeerrem activeren en
deactiveren
Symbool op bestuurdersdisplay
Symbool
Gebruik de parkeerrem om te voorkomen dat
een stilstaande auto kan wegrollen.
Betekenis
Het symbool brandt wanneer de
parkeerrem is geactiveerd.
Parkeerrem activeren
Als het symbool knippert, betekent
dit dat er ergens een storing is
opgetreden. Lees de melding op
het bestuurdersdisplay.
greep of het bedienen van het gaspedaal wordt
de rem uitgeschakeld.
N.B.
Bij activeren van de noodrem bij hogere snelheden klinkt er tijdens het remmen een signaal.
Parkeerrem deactiveren
Automatische activering
De parkeerrem wordt automatisch geactiveerd
1.
Trek de knop omhoog.
> Het symbool op het bestuurdersdisplay
gaat branden wanneer de parkeerrem is
geactiveerd.
2.
Controleer of de auto daadwerkelijk stilstaat.
•
wanneer u de auto hebt uitgeschakeld en de
instelling voor automatische activering van de
parkeerrem geactiveerd is op het middendisplay.
•
wanneer u schakelstand P kiest op een steile
helling4.
•
als de functie Auto hold (automatische rem
bij stilstand) geactiveerd is en
• de auto enige tijd (5–10 minuten) stilgestaan heeft
•
•
de auto wordt afgezet
Handmatig deactiveren
1. Trap het rempedaal stevig in.
de bestuurder uitstapt.
2.
Noodrem
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens
het rijden activeren door de knop uit te trekken
en vast te houden. Bij het loslaten van de hand-
4
408
Geldt bij een automatische versnellingsbak.
Druk de knop in.
> De parkeerrem wordt gelost en het symbool op het bestuurdersdisplay dooft.
STARTEN EN RIJDEN
Automatisch deactiveren
1. Start de motor.
Instelling voor automatische
activering van de parkeerrem
2.
Geef aan of de parkeerrem automatisch moet
worden geactiveerd bij uitschakeling van de
auto.
Bij een automatische versnellingsbak:
Trap het rempedaal stevig in. Kies de schakelstand D of R en geef gas.
Bij een handgeschakelde versnellingsbak:
Trap op het koppelingspedaal en schakel
een passende versnelling in. Laat het koppelingspedaal opkomen en geef gas.
> De parkeerrem wordt gelost en het symbool op het bestuurdersdisplay dooft.
N.B.
Een voorwaarde voor automatische deactivering is dat de bestuurder de veiligheidsgordel
moet hebben omgedaan of dat het bestuurdersportier is dichtgedaan.
Gerelateerde informatie
•
Instelling voor automatische activering van de
parkeerrem (p. 409)
•
•
•
Bij een storing in de parkeerrem (p. 410)
Parkeerrem (p. 407)
Op een helling parkeren (p. 409)
Op een helling parkeren
Maak altijd gebruik van de parkeerrem bij het
parkeren op een helling.
WAARSCHUWING
Gebruik bij het parkeren op een helling altijd
de parkeerrem. Stand P is bij een automaat
niet voldoende om de auto in alle situaties
staande te houden.
Om de instelling te wijzigen:
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
2.
Druk op My Car Parkeerrem en vering
en vink de functie Parkeerrem
automatisch activeren aan of uit.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerrem activeren en deactiveren
(p. 408)
•
Parkeerrem (p. 407)
Bij het parkeren van de auto op een oplopende
helling:
•
Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende
helling:
•
Draai de wielen naar de trottoirband toe.
Zware belading op oplopende hellingen
Bij een zware belading zoals een aanhangwagen
is het mogelijk dat de auto op een steile, oplopende helling achteruitrolt, wanneer de parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt dit voorkomen door tijdens het wegrijden de knop omhoog
te trekken. Laat de handgreep weer los zodra de
koppeling aangrijpt.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerrem activeren en deactiveren
(p. 408)
409
STARTEN EN RIJDEN
Bij een storing in de parkeerrem
Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats als het na meerdere pogingen niet lukt om
de parkeerrem te activeren of te deactiveren.
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Als het symbool knippert, betekent
dit dat er ergens een storing is
opgetreden. Zie de melding op het
bestuurdersdisplay.
Er klinkt een waarschuwingssignaal bij ritten met
de parkeerrem geactiveerd.
Als u de auto moet parkeren voordat een eventuele storing is verholpen, dient u de wielen net als
bij het parkeren op een helling van de trottoirband/berm af te draaien en de keuzehendel in
stand P te zetten (of de eerste versnelling in te
schakelen bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak).
Storing in remsysteem. Zie de melding op het bestuurdersdisplay.
Informatiemelding op het bestuurdersdisplay.
Automatische rem bij stilstand
Dankzij de automatische rem bij stilstand (Auto
Hold) kunt u bij stilstand voor verkeerslichten of
een kruising het rempedaal loslaten zonder dat
dit gevolgen heeft voor de remwerking.
Zodra de auto stilstaat, worden de remmen automatisch geactiveerd. Het systeem kan de auto
staande houden met de bedrijfsrem of de parkeerrem en werkt ongeacht hellingspercentage.
Bij het wegrijden worden de remmen automatisch gelost als de bestuurder in de veiligheidsgordel zit.
N.B.
Lage accuspanning
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet activeren noch deactiveren. Sluit
een hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerrem activeren en deactiveren
(p. 408)
Remblokken vervangen
•
•
•
Op een helling parkeren (p. 409)
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een werkplaats met het oog op de constructie van de elektrische parkeerrem – een
erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
410
Bij het afremmen tot stilstand op op- en aflopende hellingen moet u het rempedaal iets
steviger intrappen voordat u het loslaat om er
zeker van te zijn dat de auto helemaal stilstaat.
Startaccu (p. 595)
Serviceprogramma van Volvo (p. 576)
De parkeerrem wordt geactiveerd als
•
•
•
•
de auto wordt afgezet
het bestuurdersportier wordt geopend
de bestuurder de veiligheidsgordel losneemt
de auto enige tijd (5–10 minuten) stilgestaan
heeft
STARTEN EN RIJDEN
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Het symbool brandt als het systeem het rempedaal gebruikt om
de auto stil te houden.
Automatische rem bij stilstand
activeren en deactiveren
•
Het systeem blijft uitgeschakeld, totdat u het
weer activeert.
De automatische rem bij stilstand is te activeren
met de knop op de tunnelconsole.
•
Bij uitschakeling van het systeem blijft de
hellingrem (HSA) actief om te voorkomen dat
de auto bij het wegrijden op een oplopende
helling achteruitrolt.
Gerelateerde informatie
Het symbool brandt als het systeem de parkeerrem gebruikt om
de auto stil te houden.
•
Automatische rem bij stilstand (p. 410)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Automatische rem bij stilstand activeren en
deactiveren (p. 411)
Rempedaal (p. 404)
Parkeerrem (p. 407)
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
(p. 412)
–
Met de knop op de tunnelconsole kunt u de
functie activeren of deactiveren.
> Een brandend lampje in de knop geeft
aan dat de functie geactiveerd is. Een
geactiveerde functie is een volgende keer
dat u de auto start opnieuw actief.
Geldt bij uitschakeling
Als het systeem actief is en de auto
staande houdt met het remsysteem
(symbool A brandt), moet u rempedaal
bedienen en tegelijkertijd op de knop
drukken om het systeem uit te schakelen.
411
STARTEN EN RIJDEN
Hulp tijdens het wegrijden op een
helling
Automatisch remmen na een
aanrijding
De hellingrem (HSA5) voorkomt dat de auto achteruitrolt bij het starten op een oplopende helling. Tijdens het achteruitrijden op een oplopende helling voorkomt het systeem dat de auto
vooruitrolt.
Bij een aanrijding waarbij het activeringsniveau
voor pyrotechnische gordelspanners of airbags
wordt bereikt, of als er een aanrijding met groot
wild wordt gedetecteerd, worden de remmen
van de auto automatisch geactiveerd. Het systeem moet de gevolgen van een eventueel volgende aanrijding beperken of een volgende aanrijding geheel voorkomen.
Het systeem zorgt ervoor dat de pedaaldruk
enkele seconden lang op peil blijft, wanneer u uw
voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst.
De tijdelijke remwerking wordt na enige seconden opgeheven of eerder wanneer u wegrijdt.
De hellingrem is ook beschikbaar, wanneer de
automatische rem bij stilstand (Auto Hold) uitstaat.
Gerelateerde informatie
•
•
Automatische rem bij stilstand (p. 410)
Rempedaal (p. 404)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rear Collision Warning (p. 342)
BLIS* (p. 343)
Remsystemen (p. 404)
Bij een zware aanrijding bestaat het risico dat de
auto onbestuurbaar raakt. Om te voorkomen dat
de auto dan tegen een tweede obstakel of voertuig opbotst of de gevolgen te beperken wordt
automatisch de remondersteuning geactiveerd
om de auto veilig te remmen.
Tijdens het remmen worden de remlichten en
alarmlichten ingeschakeld. Wanneer de auto tot
stilstand is gekomen, blijven de alarmlichten knipperen en de parkeerrem wordt aangezet.
Als afremmen niet geadviseerd wordt, omdat bijvoorbeeld het risico bestaat dat de auto door
achterliggers geraakt wordt, kunt u het systeem
onderdrukken door het gaspedaal te bedienen.
De functie werkt alleen, als het remsysteem na
de botsing nog intact is.
De remondersteuning is onderdeel van de veiligheidssystemen Rear Collision Warning en Blind
Spot Information.
5
412
Hill Start Assist
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Versnellingsbak
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Handgeschakelde versnellingsbak
De versnellingsbak is een onderdeel van de aandrijflijn (krachtoverbrenging) tussen motor en
aandrijfwielen. De versnellingsbak heeft tot taak
de overbrengingsverhouding af te stemmen op
de gewenste snelheid en vermogensbehoefte.
Bij een eventuele storing in de versnellingsbak
verschijnen op het bestuurdersdisplay een symbool en een melding.
Bij een handgeschakelde versnellingsbak kiest u
zelf een geschikte versnelling op basis van de
gewenste snelheid en het gewenste vermogen.
Symbool
Er zijn twee hoofdgroepen versnellingsbakken:
handgeschakelde en automatische versnellingsbakken.
Versnellingsbak heeft of oververhit.
Volg het gegeven advies op.
Vermogen verlaagd/Acceleratie
vermogen beperkt
Bij een tijdelijke storing in de aandrijflijn kan de auto de zogenoemde Limp Home-stand met
een lager motorvermogen innemen
om schade aan de aandrijflijn
tegen te gaan.
De automatische versnellingsbak biedt ook de
mogelijk tot handmatig schakelen. Op het
bestuurdersdisplay staat welke versnelling of
schakelstand er op dat moment in gebruik is.
BELANGRIJK
Schakelen
Informatie- of foutmelding voor de
versnellingsbak. Volg het gegeven
advies op.
De handgeschakelde versnellingsbak heeft zes
versnellingen, terwijl de automatische er acht
heeft. Dankzij de verschillende versnellingen zijn
het motorkoppel en het motorvermogen efficiënt
te benutten. Bij de automatische versnellingsbak
zijn twee versnellingen zogenoemde overdrives
die brandstof besparen bij ritten met een constant toerental.
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn
te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur
van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij
gevaar voor oververhitting gaat er een waarschuwingssymbool op het bestuurdersdisplay
branden en verschijnt er een displaymelding –
volg in dat geval het gegeven advies.
Betekenis
Gerelateerde informatie
•
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak (p. 414)
•
•
Handgeschakelde versnellingsbak (p. 413)
Schakelindicator (p. 419)
De handgeschakelde versnellingsbak heeft zes
versnellingen en het schakelpatroon staat op de
schakelhendel.
•
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•
Haal uw voet na het schakelen weer van het
koppelingspedaal af.
Blokkering achteruitversnelling
De blokkering van de achteruitversnelling beperkt
het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling
inschakelt.
}}
413
STARTEN EN RIJDEN
||
•
Volg het schakelpatroon op de schakelhendel en begin in de neutrale stand. Druk de
schakelhendel vervolgens naar stand R.
•
Schakel de achteruitversnelling alleen in als
de auto stilstaat.
Bij het parkeren
Schakelstanden van een
automatische versnellingsbak
Bij een auto met een automatische versnellingsbak kiest het systeem automatisch de optimale
versnelling. De versnellingsbak heeft ook een
handmatige schakelstand.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling is niet voldoende om de
auto in alle situaties vast te houden.
Verander van schakelstand door de veerbelaste
keuzehendel voor- of achteruit te duwen of, bij
handmatig schakelen, opzij.
Gerelateerde informatie
•
•
Versnellingsbak (p. 413)
Schakelindicator (p. 419)
Op het bestuurdersdisplay staat welke schakelstand er gekozen is:
P, R, N, D of M.
In de stand voor handmatig schakelen verschijnt
ook de ingeschakelde versnelling.
Schakelen
De keuzehendel is van het type Shift-by-wire,
zodat er elektronisch wordt geschakeld in plaats
van mechanisch. Dit betekent eenvoudiger schakelen met meer uitgesproken schakelstanden.
414
STARTEN EN RIJDEN
Schakelstanden
Parkeerstand – P
De parkeerstand wordt geactiveerd met de Pknop bij de keuzehendel.
Kies stand P wanneer de auto geparkeerd staat
of als de motor moet worden gestart. De auto
moet stilstaan, wanneer u de parkeerstand kiest.
Om vanuit de parkeerstand een andere schakelstand te kunnen kiezen, moet u in contactslotstand II het rempedaal bedienen.
Zet bij het parkeren eerst de parkeerrem aan en
kies daarna de parkeerstand.
WAARSCHUWING
Gebruik bij het parkeren op een helling altijd
de parkeerrem. Stand P is bij een automaat
niet voldoende om de auto in alle situaties
staande te houden.
N.B.
De keuzehendel moet in de P-stand staan om
de auto te kunnen vergrendelen en op alarm
te zetten.
Hulpsystemen
Het systeem schakelt automatisch stand P in
•
•
als u de auto afzet in stand D of R.
als u, terwijl de auto is ingeschakeld en de
keuzehendel in een stand anders dan P
staat, de veiligheidsgordel afdoet en het
bestuurdersportier opent.
Om een auto te parkeren wanneer u de veiligheidsgordel afgedaan en het bestuurdersportier
geopend hebt: haal de hendel uit stand P en zet
deze weer in stand R of D.
Rijmodus – D
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug afhankelijk
van de stand van het gaspedaal en de snelheid.
De auto moet stilstaan bij het schakelen van
stand R naar stand D.
Als u de auto uitschakelt met de hendel in de
neutrale stand wordt niet automatisch overgeschakeld op stand P. Dit om het mogelijk te
maken om de auto te wassen in een automatische wasstraat waarbij de auto wordt voortgetrokken.
Achteruitrijstand – R
Kies de stand R om achteruit te rijden. De auto
moet stilstaan, wanneer u de achteruitrijstand
kiest.
Neutrale stand – N
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
Om de keuzehendel uit de neutraalstand te kunnen halen moet u in contactslotstand II het rempedaal bedienen.
}}
415
STARTEN EN RIJDEN
||
Stand voor handmatig schakelen – M
Om schokkerig gedrag en afslag van de motor te
voorkomen schakelt de versnellingsbak automatisch terug, als de snelheid daalt tot onder de
gewenste waarde voor de gekozen versnelling.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Schakelen met stuurpaddles*
De stuurpaddles vormen een aanvulling op de
keuzehendel en bieden u de mogelijkheid om
handmatig te schakelen zonder uw handen van
het stuurwiel te hoeven nemen.
Keuzehendelblokkering (p. 417)
Schakelen met stuurpaddles* (p. 416)
Kickdownfunctie (p. 418)
Schakelindicator (p. 419)
Handmatig schakelen kan op elk moment tijdens
het rijden geactiveerd worden. Bij het loslaten
van het gaspedaal wordt de auto op de motor
afgeremd.
Kies de stand voor handmatig schakelen door de
keuzehendel vanuit stand D naar achteren te
bewegen. Op het bestuurdersdisplay staat welke
versnelling er is ingeschakeld.
•
416
Duw de keuzehendel naar rechts in de richting van de "+" (plus) om op te schakelen
naar de eerstvolgende hogere versnelling en
laat de hendel weer los.
•
Duw de keuzehendel naar links in de richting
van de "–" (min) om terug te schakelen naar
de eerstvolgende lagere versnelling en laat
de hendel weer los.
•
Duw de keuzehendel naar achteren om
stand D te hervatten.
"-": Eerstvolgende lagere versnelling inschakelen.
"+": Eerstvolgende hogere versnelling
inschakelen.
Stuurpaddles activeren
Om met de stuurpaddles te kunnen schakelen
moet u ze wel eerst activeren:
–
Haal een van de paddles in de richting van
het stuurwiel.
> Een cijfer op het bestuurdersdisplay geeft
de ingeschakelde versnelling aan.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Bestuurdersdisplay bij het schakelen met de stuurpaddles.
In de schakelstand M zijn de stuurpaddles automatisch geactiveerd.
Wisselen
U kunt als volgt schakelen:
–
Haal een van de paddles naar achteren – in
de richting van het stuurwiel – en laat deze
weer los.
Bij iedere bediening van de paddles wordt er
geschakeld, tenzij het motortoerental buiten het
toelaatbare bereik komt. Na iedere schakeling
geeft het bestuurdersdisplay het cijfer van de
ingeschakelde versnelling weer.
Systeem uitschakelen
Keuzehendelblokkering
Handmatig uitschakelen in schakelstand D
– Schakel de stuurpaddles uit door de rechter
paddle (+) in de richting van het stuurwiel te
halen en in die stand vast te houden, totdat
het cijfer voor de ingeschakelde versnelling
van het bestuurdersdisplay verdwijnt.
De keuzehendelblokkering voorkomt onbedoeld
schakelen tussen schakelstanden bij een automatische versnellingsbak.
Automatische uitschakeling
In schakelstand D worden de stuurpaddles na
enige tijd van inactiviteit automatisch uitgeschakeld. Het feit dat het cijfer voor de ingeschakelde
versnelling verdwijnt bevestigt dit. Dit geldt echter
niet bij het afremmen op de motor. De paddles
blijven actief zolang er op de motor wordt afgeremd.
In schakelstand M vindt geen automatische uitschakeling plaats.
Gerelateerde informatie
Automatische schakelblokkering
De automatische keuzehendelblokkering kent
verschillende beveiligingsfuncties.
Vanuit de parkeerstand – P
Om vanuit stand P een andere schakelstand te
kunnen kiezen, moet u in contactslotstand II het
rempedaal bedienen.
Vanuit de neutrale stand – N
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens 3 seconden stilgestaan (of de
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd.
•
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak (p. 414)
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen halen
moet u in contactslotstand II het rempedaal
bedienen.
•
Schakelindicator (p. 419)
Melding op bestuurdersdisplay
Als de keuzehendel geblokkeerd is, wordt er een
melding op het bestuurdersdisplay weergegeven,
bijvoorbeeld Versnellingshendel Trap
rempedaal in voor activeren versn.pook.
De keuzehendel wordt niet mechanisch geblokkeerd.
}}
417
STARTEN EN RIJDEN
||
Gerelateerde informatie
•
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak (p. 414)
Kickdownfunctie
Gerelateerde informatie
De kickdown6 is te gebruiken om zo snel mogelijk te accelereren zoals bij het inhalen.
•
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij de
normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere versnelling. Dit is de zogenoemde kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand
loslaat, schakelt de versnellingsbak automatisch
op.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor tegen te gaan is het
stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien
van een terugschakelblokkering.
De versnellingsbak staat geen terugschakeling/
kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental leidt dat de motor beschadigd kan raken.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt er
niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental een of meer versnellingen terugschakelen. Om schade aan de motor te voorkomen schakelt de auto op wanneer de motor het
maximumtoerental heeft bereikt.
6
418
Alleen mogelijk bij een automatische versnellingsbak.
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak (p. 414)
STARTEN EN RIJDEN
Schakelindicator
Bij een automatische versnellingsbak
De schakelindicator op het bestuurdersdisplay
geeft aan welke versnelling er ingeschakeld is in
de handmatige schakelstand en wanneer u voor
optimale zuinigheid beter kunt schakelen.
Om optimale wegligging te verkrijgen wordt de
aandrijfkracht automatisch verdeeld over de wielen met de beste grip. Het systeem berekent
voortdurend het koppel dat op de achterwielen
moet worden overgebracht en kan tot vijftig procent van het totale motorkoppel naar de achterwielen sturen.
Voor een milieubewuste rijstijl in de handmatige
schakelstand is het belangrijk om de juiste versnelling te kiezen en tijdig te schakelen.
Bij een handgeschakelde versnellingsbak
De schakelindicator toont de actuele versnelling
op het bestuurdersdisplay en geeft met een pijlomhoog de geadviseerde opschakeling aan.
Gerelateerde informatie
Een pijl-omhoog geeft aan dat geadviseerd wordt
om op te schakelen, terwijl een pijl-omlaag aangeeft dat geadviseerd wordt om terug te schakelen.
7
Vierwielaandrijving*
Bij vierwielaandrijving (AWD7) worden alle vier
de wielen van de auto tegelijk aangedreven, wat
de wegligging verbetert.
De vierwielaandrijving werkt ook stabiliserend bij
hogere snelheden. Bij normaal rijden worden de
voorwielen naar verhouding iets sterker aangedreven dan de achterwielen. Bij stilstand is de
vierwielaandrijving altijd ingeschakeld om bij het
optrekken maximale tractie mogelijk te maken.
•
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak (p. 414)
De eigenschappen van de vierwielaandrijving wisselen, al naar gelang de gekozen rijmodus.
•
Handgeschakelde versnellingsbak (p. 413)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijmodi* (p. 420)
Lagesnelheidsregeling* (p. 431)
Versnellingsbak (p. 413)
All Wheel Drive
* Optie/accessoire. 419
STARTEN EN RIJDEN
Rijmodi*
De gekozen rijmodus past de rijeigenschappen
van de auto aan om de rijbeleving te verbeteren
en ondersteuning te bieden in bepaalde omstandigheden.
Dankzij de rijmodi kunt u in uiteenlopende rijomstandigheden snel gebruikmaken van de verschillende autosystemen en instellingen. De volgende
systemen worden aangepast voor optimale rijeigenschappen in de verschillende rijmodi:
•
•
•
•
•
•
•
Besturing
Motor/versnellingsbak8/vierwielaandrijving*
Remmen
Schokdemping
Bestuurdersdisplay
Start/Stop-systeem
Klimaatinstellingen
Kies de rijmodus die zich het beste leent voor de
actuele rijomstandigheden. Let erop dat alle rijmodi niet in alle situaties beschikbaar zijn.
Mogelijke rijmodi
Comfort
• Dit is de normale modus van de auto.
Bij het starten van de auto staat deze in de rijmodus Comfort en is het start/stop-systeem geactiveerd. De aanpassingen in deze stand zorgen
ervoor dat de auto comfortabel aandoet, licht
stuurt, soepel veert en dat de carrosserie minimaal beweegt.
Deze rijmodus is de stand voor de certificering
van de uitstoot van kooldioxide.
In de rijmodus Off Road zit er een kompas tussen de snelheidsmeter en de toerenteller op het
bestuurdersdisplay.
N.B.
Eco
•
zone voor de maximumsnelheid zien. Als deze
snelheid wordt overschreden, wordt de Off
Road-stand onderbroken en wordt er een andere
rijmodus geactiveerd.
In de rijmodus Eco wordt de auto afgestemd
op zuiniger en milieuvriendelijker rijden.
Deze rijmodus houdt onder meer in dat het start/
stop-systeem actief is en dat het effect van
bepaalde klimaatinstellingen wordt gereduceerd.
Bij ritten in de Eco-modus staat er op het
bestuurdersdisplay een ECO-meter die continu
aangeeft hoe zuinig u rijdt.
Off Road
• Deze stand levert betere rijeigenschappen
van de auto op in moeilijk begaanbaar terrein
en op slechte wegen.
De auto stuurt licht, de vierwielaandrijving* en de
lagesnelheidsregeling met afdalingsremregeling
(HDC9) zijn actief. Het start/stop-systeem is uitgeschakeld.
De rijstand is niet geschikt voor gebruik op de
openbare weg.
Dynamic
• De Dynamic-modus zorgt ervoor dat de
auto een sportiever gedrag vertoont en sneller reageert op het gaspedaal.
Er wordt sneller en scherper geschakeld en de
versnellingsbak geeft de voorrang aan een versnelling die een hogere trekkracht oplevert.
De auto reageert sneller op stuurwielbewegingen
en de vering is stugger10 dan normaal, wat ervoor
zorgt dat de carrosserie het wegdek beter volgt
om in bochten de mate van overhellen te beperken.
Het start/stop-systeem is uitgeschakeld.
Deze rijmodus kan alleen bij lage snelheden worden geactiveerd en de snelheidsmeter laat de
8 Geldt bij een automatische versnellingsbak.
9 Hill Descent Control
10 Geldt voor een auto met Four-C.
420
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
3.
Individual
• Deze stand biedt de mogelijkheid om uw
eigen rijinstellingen op te slaan.
Kies onder Presets een rijmodus als uitgangspunt: Eco, Comfort of Dynamisch.
Instellingen die kunnen worden aangepast,
zijn instellingen voor:
Kies een van de rijmodi als uitgangspunt en pas
de instellingen voor de rijeigenschappen geheel
naar wens aan. De instellingen worden opgeslagen onder het actieve bestuurdersprofiel en zijn
iedere keer dat u de auto ontgrendelt met
dezelfde transpondersleutel beschikbaar.
•
•
•
•
•
•
•
De persoonlijke rijmodus is alleen beschikbaar,
wanneer u deze eerst geactiveerd hebt op het
middendisplay.
Bestuurdersscherm
Stuurkracht
Kenmerken aandrijflijn
Remkenmerken
Besturing ophanging
ECO-klimaat
Start/Stop.
Gerelateerde informatie
Instellingsscherm11
1.
2.
11
voor rijmodus Individual.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm.
Tik op My Car Individuele rijmodus en
markeer Individuele rijmodus.
•
•
•
•
•
•
•
•
Rijmodus* wijzigen (p. 422)
Rijmodus Eco (p. 422)
Zuinig rijden (p. 434)
Start/Stop-systeem (p. 425)
Lagesnelheidsregeling* (p. 431)
Afdalingsremregeling* (p. 432)
Vierwielaandrijving* (p. 419)
Bestuurdersprofielen (p. 128)
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
* Optie/accessoire. 421
STARTEN EN RIJDEN
Rijmodus* wijzigen
2.
Kies de rijmodus die zich het beste leent voor de
actuele rijomstandigheden.
U kunt op twee manieren een rijmodus kiezen:
•
Tik direct op het touchscreen op een rijmodus om deze te markeren en te activeren.
•
Druk herhaalde malen op de knop DRIVE
MODE om met de cursor naar de gewenste rijmodus te springen. De gemarkeerde
rijmodus wordt na een korte vertraging
geactiveerd.
De rijmodus is te wijzigen met de knop op de
middenconsole.
Let erop dat alle rijmodi niet in alle situaties
beschikbaar zijn.
Om de rijmodus te wijzigen:
Gerelateerde informatie
•
•
1.
12
422
Druk op de knop DRIVE MODE.
> Er verschijnt een pop-upmenu op het
bestuurdersdisplay met de actieve rijmodus gemarkeerd.
Rijmodi* (p. 420)
Rijmodus Eco
De rijmodus Eco optimaliseert de rijeigenschappen van de auto om zuiniger en milieuvriendelijker te kunnen rijden.
Gebruik deze rijmodus om brandstof te besparen
en het milieu te ontzien.
De volgende eigenschappen worden aangepast
in de rijmodus Eco:
•
•
•
Rijmodus Eco activeren en deactiveren met
functieknop (p. 424)
•
Lagesnelheidsregeling* activeren en deactiveren met functieknop (p. 431)
•
Afdalingsremregeling* activeren en deactiveren met functieknop (p. 433)
Schakelpunten12 van de versnellingsbak.
Motorregeling en respons van het gaspedaal.
De uitrolfunctie Eco Coast12 wordt geactiveerd en het afremmen op de motorrem
stopt, wanneer u het gaspedaal loslaat bij
snelheden tussen 65 en 140 km/h
(40 en 87 mph).
•
Bepaalde klimaatinstellingen werken met
gereduceerd effect of worden uitgeschakeld.
•
Het bestuurdersdisplay geeft informatie weer
in een ECO-meter, wat het milieubewustzijn
vergroot en voordelig rijden bevordert.
Uitrolsysteem Eco Coast12
De uitrolfunctie Eco Coast houdt in de praktijk in
dat er niet meer op de motor wordt afgeremd om
de bewegingsenergie van de auto te benutten
om de auto te laten uitrollen. Wanneer u het gaspedaal loslaat wordt de versnellingsbak automa-
Alleen bij automatische versnellingsbak.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
tisch losgekoppeld van de motor, die voor een
lager verbruik stationair gaat draaien.
•
de snelheid ligt buiten het interval van
zo'n 65–140 km/h (40–87 mph)
De functie is het beste bruikbaar op plaatsen
waar u ver kunt uitrollen, bijvoorbeeld op wegen
die licht aflopen of bij een voorziene snelheidsverlaging, waar u een gebied met een lagere
maximumsnelheid kunt binnenrollen.
•
het hellingspercentage van een aflopende
weg is niet groter dan zo'n 6%
•
u schakelt handmatig met behulp van de
stuurpaddles*.
Uitrolsysteem activeren
Het systeem wordt geactiveerd wanneer u het
gaspedaal helemaal hebt losgelaten in combinatie met het volgende:
•
•
•
•
De rijmodus Eco is geactiveerd.
de keuzehendel staat in de stand D.
de rijsnelheid ligt in het interval van
zo'n 65–140 km/h (40–87 mph).
het hellingspercentage van een aflopende
weg is niet groter dan zo'n 6%.
Op het bestuurdersdisplay verschijnt COASTING
als de uitrolfunctie gebruikt wordt.
Beperkingen
De uitrolfunctie is niet beschikbaar in de volgende gevallen
•
de motor en/of versnellingsbak hebben niet
de normale bedrijfstemperatuur
•
u zet de keuzehendel vanuit stand D in de
stand voor handmatig schakelen
12
Alleen bij automatische versnellingsbak.
Vrijloopsysteem deactiveren en uitschakelen
Soms is het raadzaam om het systeem tijdelijk te
deactiveren of uit te schakelen om op de motor
te kunnen afremmen. Mogelijke voorbeelden
daarvan zijn steil aflopende hellingen of net voordat u inhaalt, zodat u dat zo veilig mogelijk kunt
doen.
Cruisecontrol Eco Cruise
Bij gebruik van de cruisecontrol in de rijmodus
Eco accelereert en decelereert de auto minder
snel dan in de overige rijmodi, wat extra brandstof
bespaart. Dit betekent dat de rijsnelheid iets
boven of onder de ingestelde snelheid kan liggen.
•
Bij ritten met een actieve cruisecontrol op
een gelijkmatige weg kan de rijsnelheid tijdens het uitrollen afwijken van de ingestelde
snelheid.
•
Op een steile oplopende helling daalt de rijsnelheid totdat u terugschakelt12, waarna
een beperkte acceleratie plaatsvindt om de
ingestelde snelheid te bereiken.
•
Bij het uitrollen op een aflopende helling kan
de rijsnelheid iets boven of onder de ingestelde snelheid liggen. Het systeem remt
normaal af op de motor om de ingestelde
snelheid aan te houden, maar zo nodig worden ook de wielremmen aangesproken.
Deactiveer de uitrolfunctie als volgt
•
•
bedien het gas- of rempedaal
•
schakel met de stuurpaddles*.
zet de keuzehendel in de stand voor handmatig schakelen
Schakel de uitrolfunctie als volgt uit
•
•
wissel van rijmodus*
verlaat de rijmodus Eco via het functiescherm.
Ook zonder de uitrolfunctie is het mogelijk om
kortere stukken uit te rollen. En dat draagt bij aan
een lager verbruik. Voor optimale zuinigheid is
het echter voordeliger om de uitrolfunctie te activeren en zo langere stukken te kunnen uitrollen.
}}
* Optie/accessoire. 423
STARTEN EN RIJDEN
||
ECO-meter op bestuurdersdisplay
Eco-klimaat
In de rijmodus Eco wordt automatisch het Ecoklimaat voor de passagiersruimte geactiveerd om
het stroomverbruik te beperken.
N.B.
Bij activering van de rijmodus Eco worden
enkele parameters in de instellingen van de
klimaatregeling gewijzigd en gelden functiebeperkingen voor bepaalde elektrische verbruikers. Bepaalde instellingen zijn handmatig
te herstellen, maar de volledige functionaliteit
is alleen te verkrijgen door de rijmodus Eco
te verlaten of door de rijmodus Individual*
met maximale klimaatregelingsfuncties aan te
passen.
De ECO-meter geeft aan hoe zuiniger er wordt
gereden:
•
•
Bij zuinig rijden laat de meter een lage
waarde zien met de wijzer in het groene
gebied.
Bij onzuinig rijden, zoals bij krachtig remmen
of stevig gas geven, laat de meter een hoge
uitslag zien.
De ECO-meter heeft ook een indicator die laat
zien hoe een referentiebestuurder in dezelfde rijomstandigheden met de auto zou rijden. Dit
wordt aangegeven met de korte wijzer van de
meter.
424
Rijmodus Eco activeren en
deactiveren met functieknop
Er zit een functieknop voor de rijmodus Eco op
het functiescherm van het middendisplay, als de
auto niet is voorzien van rijmodusknop op de
middenconsole.
Bij het afzetten van de motor wordt de rijmodus
Eco uitgeschakeld, zodat u de rijmodus iedere
keer dat u de motor start opnieuw moet activeren. Op het bestuurdersdisplay verschijnt ECO,
wanneer de rijmodus geactiveerd is.
Rijmodus Eco kiezen op functiescherm
van middendisplay
–
Tik op de knop Rijmodus ECO om het systeem te activeren of deactiveren.
Druk bij problemen met beslagen ruiten op de
knop voor maximale ontwaseming met normale
functionaliteit.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijmodus* wijzigen (p. 422)
•
•
•
Rijmodi* (p. 420)
Rijmodus Eco activeren en deactiveren met
functieknop (p. 424)
Zuinig rijden (p. 434)
Start/Stop-systeem (p. 425)
> Een brandend lampje in de knop geeft
aan dat de functie geactiveerd is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijmodus Eco (p. 422)
Rijmodus* wijzigen (p. 422)
Rijmodi* (p. 420)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Start/Stop-systeem
Rijden met Start/Stop-systeem
Bij een handgeschakelde versnellingsbak
Het Start/Stop-systeem zet de motor tijdelijk af
wanneer de auto stilstaat voor bijvoorbeeld verkeerslichten of in een file en start de motor vervolgens automatisch wanneer u verder rijdt.
Het Start/Stop-systeem zet de motor tijdelijk af,
als de auto stilstaat en start hem vervolgens
weer als u uw weg vervolgt.
•
Het Start/Stop-systeem is beschikbaar bij het
starten van de auto en is te activeren als aan
bepaalde voorwaarden is voldaan.
In de rijmodus Comfort of Eco kan de motor
automatisch stoppen voordat de auto helemaal
stilstaat.
Op het bestuurdersdisplay verschijnt een indicatie voor het volgende:
Als de adaptieve cruisecontrol of Pilot Assist
geactiveerd is, stopt de motor na zo'n drie seconden automatisch.
Het Start/Stop-systeem beperkt het brandstofverbruik, wat op zijn beurt de uitstoot van uitlaatgassen helpt verlagen.
Het systeem maakt een milieubewuste rijstijl
mogelijk door de motor automatisch te laten
stoppen als dat zo uitkomt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijden met Start/Stop-systeem (p. 425)
Voorwaarden voor het Start/Stop-systeem
(p. 427)
Rijmodi* (p. 420)
•
•
•
Beschikbaar
Actief
Niet beschikbaar.
Bedien de koppeling, zet de hendel in de
neutrale stand en laat het koppelingspedaal
opkomen. De motor slaat automatisch af.
Autostart
Voor autostart geldt het volgende:
Alle standaardsystemen van de auto zoals verlichting, radio en dergelijke werken ook na een
autostop normaal. Voor sommige systemen kunnen tijdelijk bepaalde beperkingen gelden zoals
voor de ventilatorsnelheid van de klimaatregeling
of voor de volumeregeling van het audiosysteem.
Autostop
Voor autostop geldt het volgende:
Bij een automatische versnellingsbak
•
Zet de auto stil met het rempedaal en houd
uw voet op het rempedaal. De motor slaat
automatisch af.
}}
* Optie/accessoire. 425
STARTEN EN RIJDEN
||
Bij een automatische versnellingsbak
•
•
Laat het rempedaal los. De motor start automatisch en u kunt doorrijden. Op een oplopende helling grijpt de hellingrem (HSA13) in
om te voorkomen dat de auto achteruitrolt.
Wanneer de functie Auto Hold geactiveerd
is, wordt de autostart uitgesteld tot het
moment van indrukken van het gaspedaal.
•
Wanneer de adaptieve cruisecontrol of Pilot
Assist geactiveerd is, start de motor automatisch bij het intrappen van het gaspedaal of
-knop van de
bij het indrukken van de
linker stuurknoppenset.
•
Houd met uw voet het rempedaal in dezelfde
stand en bedien het gaspedaal. De motor
start automatisch.
•
Op een aflopende helling: Laat het rempedaal iets opkomen, zodat de auto begint te
rollen. De motor start automatisch na een
geringe snelheidsverhoging.
Symbolen op het bestuurdersdisplay
•
De melding READY verschijnt op de toerenteller, wanneer het systeem beschikbaar is.
•
Een wijzer van de toerenteller staat op
READY, wanneer het systeem actief is en de
motor automatisch is afgezet.
•
De melding READY staat grijs gearceerd,
wanneer het systeem niet beschikbaar is.
•
Er verschijnt geen displaytekst, wanneer het
systeem uitstaat.
Bij een handgeschakelde versnellingsbak
•
Met de schakelhendel in de neutrale stand:
Bedien het koppelingspedaal of het gaspedaal – de motor start.
•
Op een aflopende helling: Laat het rempedaal iets opkomen, zodat de auto begint te
rollen. De motor start automatisch na een
geringe snelheidsverhoging.
13
426
Hill Start Assist
Het systeem is actief en de motor is automatisch afgezet.
Gerelateerde informatie
•
Start/Stop-systeem tijdelijk uitschakelen
(p. 427)
•
Voorwaarden voor het Start/Stop-systeem
(p. 427)
•
•
Start/Stop-systeem (p. 425)
•
Automatische rem bij stilstand (p. 410)
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
(p. 412)
STARTEN EN RIJDEN
Start/Stop-systeem tijdelijk
uitschakelen
Voorwaarden voor het Start/Stopsysteem
Soms is het raadzaam om het Start/Stop-systeem tijdelijk uit te schakelen.
Het Start/Stop-systeem werkt alleen, wanneer
aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
Schakel het systeem uit met de
functieknop Start/Stop op het
functiescherm van het middendisplay. Bij uitschakeling van
het systeem dooft de led in de
knop.
de weg is erg steil.
u ontgrendelt de motorkap.
bij ritten op grote hoogte waarbij de motor
niet op de bedrijfstemperatuur heeft bereikt.
•
•
het ABS is geactiveerd.
•
de beveiliging tegen oververhitting van de
startmotor is in werking getreden door frequente starts in korte tijd.
•
het roetfilter van de uitlaatgasreiniging is verzadigd.
Er is een aanhangwagen aangesloten op het
elektrische systeem van de auto.
In de volgende gevallen werkt de autostart niet:
bij een krachtige remmanoeuvre (ook zonder
dat het ABS actief is).
de auto heeft na het starten geen snelheid
van zo'n 10 km/h (6 mph) bereikt.
•
na een aantal opeenvolgende autostops
moet de snelheid weer boven zo'n 10 km/h
(6 mph) komen vóór de volgende autostop.
•
de bestuurder heeft zijn/haar veiligheidsgordel losgenomen.
•
Rijden met Start/Stop-systeem (p. 425)
•
Het onderstaande geldt bij een automatische
versnellingsbak:
Voorwaarden voor het Start/Stop-systeem
(p. 427)
de capaciteit van de startaccu is onder de
toelaatbare ondergrens gedoken.
•
de motor heeft de normale bedrijfstemperatuur niet bereikt.
•
de versnellingsbak heeft de normale bedrijfstemperatuur niet bereikt.
•
de buitentemperatuur ligt onder ca. –5 °C
(23 °F) of boven ca. 37 °C (98 °F).
•
de keuzehendel staat in de stand M (±).
•
de elektrische voorruitwarming wordt geactiveerd.
In de volgende gevallen werkt de autostart niet
nadat de motor automatisch werd afgezet:
•
de omstandigheden in de passagiersruimte
wijken af van de ingestelde waarden.
Bij een automatische versnellingsbak:
•
•
u rijdt achteruit met de auto.
het opnieuw wordt geactiveerd
u de rijmodus wijzigt in Eco of Comfort
de auto een volgende keer wordt gestart.
Gerelateerde informatie
•
•
Autostop werkt niet
u maakt grote stuurbewegingen.
•
Het systeem staat uit totdat:
•
•
•
Als niet aan al deze voorwaarden is voldaan,
wordt dit aangegeven op het bestuurdersdisplay.
•
•
•
•
de temperatuur van de startaccu ligt onder of
boven de toelaatbare grenswaarden.
Autostart werkt niet
•
De bestuurder draagt geen gordel, de keuzehendel staat in stand P en het bestuurdersportier staat open – er moet op de normale
manier worden gestart.
}}
427
STARTEN EN RIJDEN
||
Bij een handgeschakelde versnellingsbak:
•
•
De bestuurder zit niet in de gordel.
Er is een versnelling ingeschakeld zonder te
ontkoppelen.
Onvrijwillige motorstop bij een
handgeschakelde versnellingsbak
Doe het volgende, als de motor niet weer aanslaat:
•
•
•
u ontgrendelt de motorkap.
de auto begint te rollen of gaat iets sneller
rijden als de auto automatisch is afgezet zonder helemaal stil te staan.
Het onderstaande geldt bij een automatische
versnellingsbak:
1.
Controleer of de veiligheidsgordel van de
bestuurdersstoel goed in de gordelsluiting
vastzit.
•
u hebt de veiligheidsgordel afgedaan met de
keuzehendel in stand D of N.
•
2.
Bedien het koppelingspedaal opnieuw – de
motor start automatisch.
u zet de keuzehendel van D in stand R of M
(±).
•
3.
In bepaalde gevallen moet u de schakelhendel in de neutrale stand zetten. Er verschijnt
een melding op het bestuurdersdisplay –
volg het gegeven advies.
u opent het bestuurdersportier met de keuzehendel in stand D – een "belsignaal" en
een tekstbericht geven aan dat het contact
ingeschakeld is.
WAARSCHUWING
Autostart zonder dat u het rempedaal
loslaat
Open de motorkap niet na een automatische
motorstop. Zet de motor op de normale wijze
af alvorens de motorkap te openen.
In de volgende gevallen vindt autostart plaats,
ook al hebt u het rempedaal niet losgelaten:
428
u bedient het rempedaal met pompende
bewegingen.
•
de ruiten beslaan door de hoge luchtvochtigheidsgraad in het interieur.
•
de omstandigheden in de passagiersruimte
wijken af van de ingestelde waarden.
•
er wordt tijdelijk veel stroom afgenomen of
de capaciteit van de startaccu is onder de
toelaatbare ondergrens gezakt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Start/Stop-systeem (p. 425)
Rijden met Start/Stop-systeem (p. 425)
Start/Stop-systeem tijdelijk uitschakelen
(p. 427)
STARTEN EN RIJDEN
Niveauregeling* en schokdemping
De niveauregeling en schokdemping van de auto
worden automatisch geregeld.
Schokdemping (Four-C)
Op auto's uitgerust met Four-C is de schokdemping aangepast aan de gekozen rijmodus en de
snelheid die de auto heeft. De schokdemping
staat normaal ingesteld op optimaal comfort en
wordt continu bijgeregeld op basis van de ondergrond, de mate van versnelling/vertraging en de
vraag of de auto op rechte stukken of in bochten
rijdt.
Symbolen en meldingen op bestuurdersdisplay
Symbool
Melding
Betekenis
Vering
U hebt de actieve wielophanging handmatig uitgeschakeld.
Door gebruiker uitgezet
Tijdelijk beperkte prestaties
De prestaties van de actieve wielophanging zijn tijdelijk gereduceerd op grond van de belasting van het
systeem. Als deze melding vaak verschijnt (bijv. meerdere keren per week), neem dan contact op met
een werkplaatsA.
Vering
Er is een storing opgetreden. Bezoek zo spoedig mogelijk een werkplaatsA.
Vering
Service vereist
}}
* Optie/accessoire. 429
STARTEN EN RIJDEN
||
Symbool
Melding
Betekenis
Storing vering
Er is een kritieke storing opgetreden. Stop de auto op een veilige manier, laat de auto afslepen naar
een werkplaatsA.
Stop veilig
Vering
Afremmen Auto te hoog
A
Er is een storing opgetreden. Als de melding tijdens het rijden verschijnt, neem dan contact op met een
werkplaatsA.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
430
Rijmodi* (p. 420)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Lagesnelheidsregeling*
N.B.
De lagesnelheidsregeling (LSC14) biedt ondersteuning bij ritten in het terrein en op een gladde
ondergrond en verbetert de rijeigenschappen. U
rijdt bijvoorbeeld met een caravan over een grasveld of met een boottrailer op een boothelling.
Wanneer het LSC met HDC geactiveerd is,
veranderen het gaspedaalgevoel en de
motorrespons.
N.B.
Bij een auto met een rijmodusknop* is deze
functie geïntegreerd in de rijmodus Off Road.
De rijstand is niet geschikt voor gebruik op de
openbare weg.
De regeling is aangepast voor terreinritten en
voor ritten op lage snelheden (tot zo'n 40 km/h
(25 mph)) met een aanhangwagen achter de
auto.
De lagesnelheidsregeling geeft voorrang aan
lage versnellingen en vierwielaandrijving wat wielspin helpt voorkomen en een betere tractie oplevert. Op lage snelheden reageert de motor minder snel op het gaspedaal voor een betere regeling van de tractie en snelheid.
De regeling wordt samen met de afdalingsremregeling (HDC15) geactiveerd om de snelheid op
steile, aflopende hellingen met het gaspedaal te
kunnen regelen, zodat u het rempedaal minder
vaak hoeft te gebruiken. De regeling maakt het
mogelijk om op steile en aflopende hellingen een
lage en gelijkmatige snelheid aan te houden.
14
15
Low Speed Control
Hill Descent Control
Lagesnelheidsregeling* activeren en
deactiveren met functieknop
Er zit een functieknop voor de lagesnelheidsregeling van Hill Descent Control op het functiescherm van het middendisplay, als de auto niet
is voorzien van rijmodusknop op de middenconsole.
Lagesnelheidsregeling kiezen op het
functiescherm van het middendisplay
–
N.B.
Tik op de knop Hill Descent Control om
het systeem te activeren of deactiveren.
De functie wordt uitgeschakeld bij ritten op
hogere snelheden en moet bij lagere snelheden opnieuw ingeschakeld worden, als dat
wenselijk is.
Gerelateerde informatie
•
Lagesnelheidsregeling* activeren en deactiveren met functieknop (p. 431)
•
•
•
Rijmodus* wijzigen (p. 422)
> Een brandend lampje in de knop geeft
aan dat de functie geactiveerd is.
Bij uitschakeling van de motor wordt het systeem
automatisch uitgeschakeld.
Afdalingsremregeling* (p. 432)
Vierwielaandrijving* (p. 419)
N.B.
De functie wordt uitgeschakeld bij ritten op
hogere snelheden en moet bij lagere snelheden opnieuw ingeschakeld worden, als dat
wenselijk is.
}}
* Optie/accessoire. 431
STARTEN EN RIJDEN
||
Gerelateerde informatie
•
•
Lagesnelheidsregeling* (p. 431)
Rijmodus* wijzigen (p. 422)
Afdalingsremregeling*
(HDC16)
Afdalingsremregeling
is een systeem
dat op lage snelheden de remmende werking
van de motorrem verhoogt. Dit betekent dat u op
bij steile, aflopende hellingen vaart kunt meerderen of minderen met het gaspedaal, zonder te
hoeven bijremmen.
Bij een auto met een rijmodusknop* is deze
functie geïntegreerd in de rijmodus Off Road.
De afdalingsremregeling is aangepast voor terreinritten op lage snelheden en is vooral handig
bij ritten op steile, aflopende hellingen met een
lastige ondergrond. Omdat u het rempedaal niet
hoeft te gebruiken, kunt zich volledig richten op
de besturing.
te verhogen. Bij het loslaten van het gaspedaal
wordt de rijsnelheid weer tot stapvoets verlaagd,
ongeacht het hellingspercentage en zonder dat u
daarvoor het rempedaal hoeft te bedienen. Bij
activering van het systeem gaan de remlichten
branden.
Met het rempedaal kunt u de auto altijd remmen
en langzamer stapvoets rijden of de auto helemaal tot stilstand brengen.
De regeling wordt samen met de lagesnelheidsregeling (LSC17) geactiveerd en biedt ondersteuning bij ritten in het terrein en op een gladde
ondergrond en verbetert de rijeigenschappen. De
systemen zijn bestemd voor gebruik op lage snelheden, tot zo'n 40 km/h (25 mph).
WAARSCHUWING
HDC werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt.
Functie
Met hulp van het remsysteem laat de afdalingsremregeling de auto langzaam voor- en achteruitrijden. De snelheid is tijdelijk met het gaspedaal
16
17
432
Hill Descent Control
Low Speed Control
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Aandachtspunten bij ritten met
geactiveerde HDC
•
N.B.
De functie wordt uitgeschakeld bij ritten op
hogere snelheden en moet bij lagere snelheden opnieuw ingeschakeld worden, als dat
wenselijk is.
Als u tijdens ritten op een steile aflopende
helling het systeem uitschakelt, wordt de
remwerking langzaam verlaagd.
Bij een automatische versnellingsbak
•
•
HDC is te gebruiken in schakelstand D, R en
in de 1e of 2e versnelling bij handmatig
schakelen.
Gerelateerde informatie
•
Afdalingsremregeling* activeren en deactiveren met functieknop (p. 433)
Bij handmatig schakelen is het niet mogelijk
om op te schakelen naar de 3e versnelling of
hoger.
•
•
•
Rijmodus* wijzigen (p. 422)
Bij een handgeschakelde versnellingsbak
•
Lagesnelheidsregeling* (p. 431)
Vierwielaandrijving* (p. 419)
Afdalingsremregeling* activeren en
deactiveren met functieknop
Er zit een functieknop voor de afdalingsremregeling van Hill Descent Control op het functiescherm van het middendisplay, als de auto niet
is voorzien van rijmodusknop op de middenconsole.
Afdalingsremregeling kiezen op
functiescherm van middendisplay
De afdalingsremregeling werkt alleen op lage
snelheden.
–
Tik op de knop Hill Descent Control om
het systeem te activeren of deactiveren.
HDC remt alleen in de 1e versnelling of in de
achteruitversnelling (R). In hogere versnellingen wordt niet actief geremd, ook al wordt de
functie pas uitgeschakeld bij een snelheid
van zo'n 40 km/h (25 mph).
N.B.
Wanneer het LSC met HDC geactiveerd is,
veranderen het gaspedaalgevoel en de
motorrespons.
N.B.
De rijstand is niet geschikt voor gebruik op de
openbare weg.
> Een brandend lampje in de knop geeft
aan dat de functie geactiveerd is.
Bij uitschakeling van de motor wordt het systeem
automatisch uitgeschakeld.
N.B.
De functie wordt uitgeschakeld bij ritten op
hogere snelheden en moet bij lagere snelheden opnieuw ingeschakeld worden, als dat
wenselijk is.
}}
* Optie/accessoire. 433
STARTEN EN RIJDEN
||
Gerelateerde informatie
•
•
Afdalingsremregeling* (p. 432)
Rijmodus* wijzigen (p. 422)
Zuinig rijden
•
Laat de motor niet stationair warmdraaien,
maar rijd direct na het starten weg met normale belasting – een koude motor verbruikt
meer brandstof dan een warme.
•
Gebruik de auto bij voorkeur niet voor korte
afstanden. De motor komt dan niet op de
normale bedrijfstemperatuur wat aanleiding
geeft tot een verhoogd brandstofverbruik.
•
Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk is.
•
Houd de juiste bandenspanning aan en controleer regelmatig of dat nog steeds zo is –
houd voor de beste resultaten de zogenoemde ECO -bandenspanning aan.
•
De bandenkeuze is mogelijk van invloed op
het brandstofverbruik – informeer bij uw dealer naar passende banden.
•
Neem geen spullen in de auto mee die u niet
gebruikt – hoe groter de belading, hoe hoger
het verbruik.
•
Lading op het dak en het gebruik van een
dakbox resulteren in een grotere luchtweerstand waardoor het verbruik toeneemt – verwijder lastdragers die u niet gebruikt.
•
Rijd niet met open zijruiten.
Rijd zuinig en milieubewuster door rustig en met
een vooruitziende blik te rijden.
Stem uw rijstijl en snelheid af op de situatie.
Let op het volgende:
•
Activeer voor een lager brandstofverbruik de
rijmodus Eco.
•
Gebruik de uitrolfunctie Eco Coast in de rijmodus Eco – er wordt niet meer op de motor
afgeremd, waardoor de bewegingsenergie
van de auto wordt gebruikt om de auto langer te laten uitrollen18.
•
•
Rijd met gelijkmatige snelheid en met vooruitziende blik om zo weinig mogelijk te hoeven remmen.
•
Bij hoge snelheden neemt het brandstofverbruik toe – de luchtweerstand neemt toe
naarmate de snelheid stijgt.
•
18
434
Rijd bij gebruik van de functie voor handmatig schakelen in de hoogst mogelijke versnelling, afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid – lagere toeren leveren een
lager brandstofverbruik op. Let op de schakelindicator.
Het momentane brandstofverbruik van de
boordcomputer kan u helpen om zuiniger te
rijden.
Geldt bij een automatische versnellingsbak.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden (zoals
op een aflopende helling), omdat daarbij
belangrijke systemen zoals de stuur- en rembekrachtiging wegvallen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Voorbereidingen voor een lange rit
Voor aanvang van een autovakantie of een langere autorit is het belangrijk om de functies en
uitrusting van de auto eens goed te controleren.
Controleer of
•
de motor naar behoren functioneert en of het
brandstofverbruik in orde is
•
er wellicht sprake is van lekkage (brandstof,
olie of andere vloeistoffen)
Drive-E - schoner rijplezier (p. 28)
Rijmodus Eco (p. 422)
Bandenspanning controleren (p. 534)
•
•
•
•
•
de remwerking tijdens het afremmen optimaal is
•
alle gloeilampen werken – pas de koplamphoogte aan bij een zware belading van de
auto
•
de profieldiepte van de banden en de spanning voldoende zijn. Monteer winterbanden
bij ritten in gebieden met kans op
besneeuwde of beijzelde wegen
•
de ladingsgraad van de startaccu is voldoende
•
•
de wisserbladen in goede staat verkeren
•
•
•
•
Rijden tijdens de winter (p. 436)
Zuinig rijden (p. 434)
Instellingen voor automodem* (p. 513)
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 565)
Rijden met aanhangwagen (p. 456)
Pilot Assist (p. 300)
Snelheidsbegrenzer (p. 278)
Noodreparatieset voor banden (p. 551)
er een gevarendriehoek en een veiligheidsvest in de auto aanwezig zijn – in bepaalde
landen is dat wettelijk verplicht.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bandenspanning controleren (p. 534)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 643)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 625)
* Optie/accessoire. 435
STARTEN EN RIJDEN
Rijden tijdens de winter
Bij rijden in de winter is het belangrijk om
bepaalde controles op de auto uit te voeren,
zodat u zeker weet dat u er veilig mee kunt rijden.
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder
op het volgende:
•
De koelvloeistof van de motor moet 50% glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie
is de motor beschermd tegen bevriezing tot
zo'n –35 °C (–31 °F). Om gezondheidsrisico's te vermijden is het zaak geen verschillende soorten glycol met elkaar te mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens
in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk.
Wanneer u oliesoorten met een lagere viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat de motor
bij koud weer gemakkelijker aan en neemt
bovendien het brandstofverbruik tijdens de
koude start af.
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of
warm weer.
•
436
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de startaccu. De star-
taccu wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
•
Giet sproeiervloeistof met antivries in het
sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming te
voorkomen.
Nieuwe auto's en gladde wegen
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of ijs
adviseert Volvo u om de auto rondom van winterbanden te voorzien.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn niet
in alle landen toegestaan.
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden om
te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Winterbanden (p. 549)
Sneeuwkettingen (p. 550)
Remmen op gepekelde rijbanen (p. 406)
Remmen op natte rijbanen (p. 406)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 625)
Startaccu (p. 595)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 623)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 622)
Koelvloeistof bijvullen (p. 588)
•
Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie (p. 639)
STARTEN EN RIJDEN
Doorwaaddiepte
Doorwaden houdt in dat de auto door een
waterpartijen rijdt, zoals op een ondergelopen
weggedeelte. Waden dient met de nodige voorzichtigheid te gebeuren.
U kunt met de auto stapvoets door waterpartijen
van maximaal 45 cm (17 inch) diep rijden. Wees
extra voorzichtig als u door stromend water rijdt.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het oversteken van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking
optreden.
•
•
19
Maak eventuele aansluitingen voor de elektrische verwarming en de aanhangwagenkoppeling schoon na ritten in water en modder.
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken – elektrische
storingen zijn anders niet uitgesloten.
BELANGRIJK
Tankvulklep openen en sluiten
•
Als er water in het luchtfilter komt, kan er
motorschade ontstaan.
Om de tankvulklep te kunnen openen moet de
auto ontgrendeld zijn19.
•
Als er water in de transmissie komt,
neemt de smerende werking van de oliën
af waardoor de betrokken systemen minder lang meegaan.
•
Schade aan de motor, transmissie, turbocompressor, het differentieel of de inwendige onderdelen ervan als gevolg van
waterlekkage (hydrolock) of een tekort
aan olie valt niet onder de garantie.
Op het bestuurdersdisplay
wordt met de pijl naast het
tanksymbool aangegeven aan
welke kant van de auto de
tankvulklep zit.
1.
Open de tankvulklep door lichte druk aan te
brengen op de achterkant van de vulklep.
Probeer de motor bij motorafslag in water
niet opnieuw te starten. Haal de auto uit
het water en breng deze naar de werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats. Kans op motorschade.
2.
Sluit na het tanken de klep door er licht op te
drukken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstof tanken (p. 438)
AdBlue® controleren en bijvullen (p. 446)
Gerelateerde informatie
•
•
Bergen (p. 464)
Lagesnelheidsregeling* (p. 431)
Alleen bij vergrendeling en ontgrendeling via de transpondersleutel, het Keyless-systeem* of via Volvo On Call is de status van de tankvulklep te wijzigen.
* Optie/accessoire. 437
STARTEN EN RIJDEN
Brandstof tanken
2.
4.
De brandstoftank is voorzien van een doploos
tanksysteem.
Tanken bij een tankstation
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
> De tank is vol.
N.B.
Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen.
Brandstof bijvullen via een jerrycan
Gebruik voor het bijvullen van brandstof met een
jerrycan de trechter die in het blok schuimrubber
onder het vloerluik in de bagageruimte ligt.
Kies een brandstof die is goedgekeurd voor
gebruik in de auto op basis van de aanduiding20 aan de binnenkant van de tankvulklep.
Zie de informatie over goedgekeurde brandstofsoorten en hun aanduidingen in het artikel "Benzine" of "Dieselolie".
Bij het tanken is het belangrijk om het mondstuk van het
vulpistool tot voorbij de twee kleppen in de vulpijp te steken.
Tankinstructies:
1.
20
438
Schakel de auto uit en open de tankvulklep.
3.
Steek het mondstuk van het vulpistool in de
brandstofvulopening. De vulpijp heeft twee
afdekkingen die te openen zijn. Zorg dat u
het mondstuk van het vulpistool langs de
beide afdekkingen hebt gestoken, voordat u
begint met tanken.
1.
Open de tankvulklep.
2.
Steek de trechter in de brandstofvulopening.
De vulpijp heeft twee afdekkingen die te
openen zijn. Zorg dat u de trechterbuis langs
de beide afdekkingen hebt gestoken, voordat
u begint met tanken.
Geldt voor een extra verwarming op
brandstof*
Gebruik de verwarming op brandstof nooit, wanneer de auto bij een tankstation staat.
De aanduiding conform de CEN-norm EN16942 zit aan de binnenkant van de tankvulklep en uiterlijk 12 oktober 2018 ook op de desbetreffende brandstofpompen en mondstukken op tankstations in heel
Europa.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Hanteren van brandstof
WAARSCHUWING
Gebruik geen brandstof met een kwaliteit die
slechter is dan de kwaliteit die door Volvo wordt
aanbevolen, omdat dit een negatief effect heeft
op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
Op de grond gemorste brandstof kan vlam
vatten.
Schakel de verwarming op brandstof uit voordat u gaat tanken.
Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het
belsignaal kan er vonkvorming ontstaan waardoor de benzinedampen ontsteken en dat kan
tot brand en letsel leiden.
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen krijgt.
Sticker aan binnenkant tankvulklep.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Tankvulklep openen en sluiten (p. 437)
Benzine (p. 440)
Dieselolie (p. 441)
Wanneer u de tank leegrijdt van een dieselmodel (p. 443)
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen zoals
benzine, bio-ethanol, mengsels ervan en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen bij
inwendig gebruik aanleiding geven tot blijvend
letsel met mogelijk dodelijke afloop. Roep
onmiddellijk medische hulp in bij het inslikken
van brandstof.
BELANGRIJK
Door mengsels van verschillende soorten
brandstoffen of het gebruik van niet aanbevolen brandstof vervallen de garanties van Volvo
en evt. aanvullende serviceovereenkomsten.
Dit geldt voor alle motoren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Benzine (p. 440)
Dieselolie (p. 441)
AdBlue® hanteren (p. 445)
439
STARTEN EN RIJDEN
Benzine
E5 is een benzinesoort met
maximaal 2,7% zuurstof en
maximaal 5 vol-% ethanol.
Benzine is een brandstoftype dat bestemd is
voor een auto met een benzinemotor.
Maak alleen gebruik van benzine van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit brandstof
van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De benzine
moet voldoen aan de norm EN 228.
E10 is een benzinesoort met
maximaal 3,7% zuurstof en
maximaal 10 vol-% ethanol.
Aanduiding voor benzine
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
(100 °F) wordt u geadviseerd een brandstofsoort
met een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
BELANGRIJK
•
Er is brandstof toegestaan die tot 10
volumeprocent ethanol bevat.
•
Het gebruik van EN 228 E10-benzine
(maximaal 10 volumeprocent ethanol) is
toegestaan.
Sticker aan binnenkant tankvulklep.
De aanduiding conform de CEN-norm EN16942
zit aan de binnenkant van de tankvulklep en uiterlijk 12 oktober 2018 ook op de desbetreffende
brandstofpompen en mondstukken op tankstations in heel Europa.
Dit zijn de aanduidingen die gelden voor de huidige standaardbrandstoffen in Europa. In een
auto met een benzinemotor is het toegestaan
benzine te gebruiken met de volgende aanduiding:
440
•
Een ethanolgehalte hoger dan E10
(maximaal 10 volumeprocent ethanol)
zoals bij E85 is niet toegestaan.
Octaangetal
•
RON 95 is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
•
RON 98 wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal brandstofverbruik.
Gebruik van brandstof met een octaangetal
lager dan RON 95 is niet toegestaan.
•
•
Gebruik alleen loodvrije benzine om
schade aan de katalysator tegen te gaan.
•
Het gebruik van brandstof met metaaladditieven is niet toegestaan.
•
Gebruik geen toevoegingen die niet door
Volvo zijn aanbevolen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Hanteren van brandstof (p. 439)
Brandstof tanken (p. 438)
Benzineroetfilter (p. 441)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 643)
STARTEN EN RIJDEN
Benzineroetfilter
Een benzinemodel is uitgerust met een roetfilter
voor een effectievere uitlaatgasreiniging.
In normale rijomstandigheden blijven roetdeeltjes
uit de uitlaatgassen in het benzineroetfilter achter. Normaal vindt passieve regeneratie plaats
waarbij de roetdeeltjes worden geoxideerd en
verbrand. Op die manier wordt het filter gereinigd.
Bij frequente ritten op lage snelheden of herhaalde koude starts bij lage temperaturen is
mogelijk actieve regeneratie vereist. De regeneratie van het roetfilter vindt automatisch plaats en
duurt normaal 10-20 minuten. Tijdens de regeneratie kan een branderige geur ontstaan.
snelheden te maken om ervoor te zorgen dat de
uitlaatgasreiniging kan regenereren.
•
Rijd tussen de tankbeurten in minstens 20
minuten op de snelweg met snelheden
hoger dan 60 km/h (38 mph).
Gerelateerde informatie
•
Benzine (p. 440)
Dieselolie
Dieselolie is een brandstoftype dat bestemd is
voor een auto met een dieselmotor.
Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit brandstof
van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De dieselolie moet voldoen aan de norm EN 590 of
SS 155435. Dieselmotoren zijn gevoelig voor
verontreinigingen in de brandstof, zoals een te
hoog gehalte aan zwavel- of metaaldeeltjes.
Aanduiding
Wanneer u bij koud weer de standverwarming
inschakelt, bereikt de motor sneller de normale
bedrijfstemperatuur.
Bij frequente korte ritten op lage
snelheden met een benzinemodel
De capaciteit van de uitlaatgasreiniging hangt af
van de rijstijl. Voor de optimale werking is het
belangrijk om ritten van verschillende lengte en
op uiteenlopende snelheden te maken.
Als u vaak korte ritten maakt op lage snelheid (of
bij koud weer) zodat de motor niet op bedrijfstemperatuur komt, kan problemen veroorzaken
die op termijn aanleiding kunnen geven tot storingen en waarschuwingsmeldingen kunnen triggeren. Als u vaak ritten in stadsverkeer maakt is
het belangrijk om ook regelmatig ritten op hogere
Sticker aan binnenkant tankvulklep.
De aanduiding conform de CEN-norm EN16942
zit aan de binnenkant van de tankvulklep en uiterlijk 12 oktober 2018 ook op de desbetreffende
brandstofpompen en mondstukken, op tankstations in heel Europa.
Dit is de aanduiding die geldt voor de huidige
standaardbrandstof in Europa. In een auto met
een dieselmotor is het toegestaan dieselolie te
gebruiken met de volgende aanduiding:
}}
441
STARTEN EN RIJDEN
B7 is een dieselsoort met
maximaal 7 vol-% veresterde
methylvetzuren (FAME).
||
BELANGRIJK
De dieselolie:
Bij lage temperaturen (lager dan 0 °C (32 °F))
kan de paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat
tot startproblemen kan leiden. De verkrijgbare
brandstofkwaliteiten moeten zich lenen voor
gebruik in het actuele jaargetijde en klimaatgebied, maar in extreme weersomstandigheden, bij
gebruik van verouderde brandstof of bij ritten
door verschillende klimaatgebieden kan desondanks uitvlokking optreden.
•
moet voldoen aan de norm EN 590 en/of
SS 155435;
•
moet een zwavelgehalte hebben van
maximaal 10 mg/kg;
•
mag maximaal 7 vol% FAME21 (B7)
bevatten.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolieachtige brandstoffen:
•
•
•
•
Het risico van condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld houdt.
Houd tijdens het tanken het gebied rond de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte
oppervlakken. Maak als u gemorst hebt het
gebied met water en zeep schoon.
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
FAME22 of plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door de
garanties van Volvo.
Gerelateerde informatie
•
•
21
22
442
Fatty Acid Methyl Ester
Dieselolie met maximaal 7 vol% FAME (B7) is toegestaan.
Hanteren van brandstof (p. 439)
Brandstof tanken (p. 438)
•
Wanneer u de tank leegrijdt van een dieselmodel (p. 443)
•
•
•
Roetfilter (p. 443)
Uitlaatgasreiniging met AdBlue® (p. 444)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 643)
STARTEN EN RIJDEN
Wanneer u de tank leegrijdt van een
dieselmodel
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren.
Doe nadat u de brandstoftank hebt bijgevuld met
dieselolie het volgende alvorens de auto te starten:
1.
Controleer of de transpondersleutel in de
auto aanwezig is.
2.
Zet de auto in contactslotstand II – druk op
de startknop zonder het rempedaal te bedienen en houd de knop zo'n 4 seconden ingedrukt. Laat de knop vervolgens los.
3.
Wacht ca. één minuut.
4.
Start de motor.
bagageruimte ligt. Let erop dat u de buis van de
trechter goed in de vulpijp steekt. De vulpijp heeft
twee afdekkingen die te openen zijn. Zorg dat u
de trechterbuis langs de beide afdekkingen hebt
gestoken, voordat u begint met tanken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstof tanken (p. 438)
Dieselolie (p. 441)
Gereedschapsset (p. 542)
Roetfilter
Een dieselmodellen is uitgerust met een roetfilter
voor een effectievere uitlaatgasreiniging.
In normale rijomstandigheden blijven roetdeeltjes
uit de uitlaatgassen in het roetfilter achter. Wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan, gaat
een zogenoemde regeneratie van start om de
roetdeeltjes te verbranden en het filter te reinigen. Om een regeneratie te starten moet de
motor de normale bedrijfstemperatuur hebben
bereikt. De regeneratie van het roetfilter vindt
automatisch plaats en duurt normaal
10–20 minuten.
N.B.
Tijdens de regeneratie kan zich het volgende
voordoen:
•
er kan tijdelijk een geringe beperking van
het motorvermogen te bespeuren zijn
Alvorens brandstof te tanken bij een leeggereden tank:
•
het brandstofverbruik kan tijdelijk toenemen
Breng de auto tot stilstand op een zo
egaal/horizontaal mogelijke ondergrond
– als de auto overhelt, bestaat er gevaar
voor luchtbellen in de brandstoftoevoer.
•
er kan sprake zijn van een brandlucht.
N.B.
•
Waar u op moet letten bij het vullen van
brandstof uit een jerrycan
Gebruik voor het bijvullen van dieselolie uit een
jerrycan de trechter die onder het vloerluik in de
Wanneer u bij koud weer de standverwarming*
inschakelt, bereikt de motor sneller de normale
bedrijfstemperatuur.
}}
* Optie/accessoire. 443
STARTEN EN RIJDEN
||
BELANGRIJK
Als het filter helemaal vol deeltjes zit, kan het
moeilijk zijn om de motor te starten en het filter wordt onbruikbaar. De kans bestaat dan
dat het filter moet worden vervangen.
Bij frequente korte ritten op lage
snelheden met een dieselmodel
De capaciteit van de uitlaatgasreiniging hangt af
van de rijstijl. Voor optimale prestaties is het
belangrijk om ritten van verschillende lengte en
op uiteenlopende snelheden te maken.
Als u vaak korte ritten maakt op lage snelheid (of
bij koud weer) zodat de motor niet op bedrijfstemperatuur komt, kan problemen veroorzaken
die op termijn aanleiding kunnen geven tot storingen en waarschuwingsmeldingen kunnen triggeren. Als u vaak ritten in stadsverkeer maakt is
het belangrijk om ook regelmatig ritten op hogere
snelheden te maken om ervoor te zorgen dat de
uitlaatgasreiniging kan regenereren.
•
Rijd tussen de tankbeurten in minstens 20
minuten op de snelweg met snelheden
hoger dan 60 km/h (38 mph).
Gerelateerde informatie
•
•
•
23
444
Dieselolie (p. 441)
Uitlaatgasreiniging met AdBlue® (p. 444)
Uitlaatgasreiniging met AdBlue®23
AdBlue is een additief (toevoeging) dat de
SCR24-katalysator gebruikt om bij een dieselmotor de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken.
De SCR-katalysator zet AdBlue en stikstofoxiden
om in stikstof en waterdamp, wat de uitstoot van
schade stikstofoxiden aanzienlijk beperkt.
AdBlue
AdBlue is een kleurloze vloeistof bestaande uit
een mengsel van 32,5% ureum25 opgelost in
gedemineraliseerd water dat voldoet aan de
ISO 22241-standaard. De vloeistof is speciaal
ontwikkeld voor de uitlaatgasreiniging (SCR) van
dieselmotoren.
De auto heeft een speciaal AdBlue-reservoir dat
via een aparte vulpijp achter de tankvulklep bij te
vullen is. Het verbruik is afhankelijk van de rijstijl,
buitentemperatuur en de bedrijfstemperatuur van
de katalysator.
Voorwaarden voor ritten met AdBlue
Houd het reservoir altijd gevuld met AdBlue van
de juiste kwaliteit om de auto te kunnen starten.
De SCR-katalysator is zeer gevoelig voor verontreinigingen.
De uitlaatgasreiniging bewaakt voortdurend het
peil, de kwaliteit en de dosering van AdBlue. Bij
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 643)
Gedeponeerd handelsmerk van VDA (Verband der Automobilindustrie e.V.)
een storing verschijnt er een melding op het
bestuurdersdisplay.
BELANGRIJK
AdBlue is vereist voor een juiste werking van
het SCR en om te voldoen aan de wettelijk
eisen op emissiegebied. Het is bij de wet verboden om het aanvoersysteem voor AdBlue
dusdanig te wijzigen of te beïnvloeden dat er
geen AdBlue wordt verbruikt. AdBlue is vereist om te voldoen aan de wettelijke eisen op
emissiegebied. Een dergelijke vorm van beïnvloeding kan strafbaar zijn en tot vervolging
leiden.
Het is niet toegestaan om de auto te gebruiken wanneer de AdBlue-tank leeg is, omdat
deze dan niet meer voldoet aan de wettelijke
eisen op emissiegebied. De auto is daarom
uitgerust met een waarschuwingssysteem dat
aangeeft wanneer het tijd is om de AdBluetank bij te vullen. Wanneer het peil in de
AdBlue-tank te laag wordt, verschijnen waarschuwingen om aan te geven dat het tijd is
om AdBlue bij te vullen.
STARTEN EN RIJDEN
Gerelateerde informatie
•
•
•
AdBlue® hanteren (p. 445)
AdBlue® controleren en bijvullen (p. 446)
Symbolen en meldingen voor AdBlue®
(p. 448)
AdBlue®26 hanteren
AdBlue bestaat voor het merendeel uit water
(zo'n 67,5 % water en 32,5 % ureum). De vloeistof is niet brandgevaarlijk maar dient met de
nodige voorzichtigheid te worden gehanteerd
aangezien deze huid en ogen kan irriteren.
Waar u op moet letten bij het gebruik
Adem de dampen niet in en vermijd huid- en
oogcontact. Draag bij gebruik van de vloeistof bij
voorkeur handschoenen om te voorkomen dat
gevoelige huid geïrriteerd raakt.
WAARSCHUWING
Eerste hulp bij ongevallen:
•
Bij inademing - breng het slachtoffer in
de frisse lucht.
•
Bij huidcontact - was de aangedane huid
met water en zeep.
•
Bij oogcontact - spoel de aangedane
ogen onmiddellijk uit met grote hoeveelheden water.
•
Bij inslikken - spoel de mond goed uit
met water. Laat het slachtoffer niet braken.
Wat te doen bij morsen
Spoel gemorste AdBlue op de grond, de auto of
op gelakte oppervlakken met een ruime hoeveelheid water af. Giet de vloeistof niet in de gootsteen.
Opslag
Bewaar AdBlue in de originele verpakking met de
dop erop bij een temperatuur hoger dan –11 °C
(12 °F) en lager dan 30 °C (86 °F). Bewaar de
vloeistof niet in direct zonlicht.
AdBlue bevriest bij –11 °C (12 °F) maar is nadat
deze ontdooit is weer te gebruiken.
Gerelateerde informatie
•
•
AdBlue® controleren en bijvullen (p. 446)
Uitlaatgasreiniging met AdBlue® (p. 444)
Roep bij aanhoudende verschijnselen of
inslikken van grote hoeveelheden de hulp van
een arts in.
24
25
26
Selective Catalytic Reduction
CO(NH2)2
Gedeponeerd handelsmerk van VDA (Verband der Automobilindustrie e.V.)
445
STARTEN EN RIJDEN
AdBlue®27 controleren en bijvullen
Controleer regelmatig het AdBlue-peil en vul bij
als een melding voor een laag AdBlue-peil verschijnt op het bestuurdersdisplay.
AdBlue-peil controleren
2.
1.
Het AdBlue-verbruik is afhankelijk van de rijstijl,
zodat u mogelijk tussen de reguliere beurten
door moet bijvullen. Als u het AdBlue-reservoir
helemaal leegrijdt, kunt u de auto niet meer starten.
Open de app Auto status op het appscherm.
Tik op Status om het AdBlue-peil weer te
geven.
N.B.
Rijd de AdBlue-tank nooit leeg. Vul de tank
tijdig bij.
Als u de tank leegrijdt is de motor na het
afzetten niet meer te starten; niet op de
gebruikelijke manier en evenmin met hulpmiddelen.
Het bijvullen van de op het bestuurdersdisplay
getoonde hoeveelheid AdBlue van de gespecificeerde kwaliteit is de enige manier om de
motor weer te starten nadat u de AdBluetank hebt leeggereden.
Grafische voorstelling van het AdBlue-peil op het middendisplay.
Elk blokje komt overeen met zo'n 25% van
de volledige inhoud van het reservoir.
Wanneer er minder dan 25 % van de totale
inhoud van het reservoir resteert, wordt het
laatste blokje amberkleurig en wanneer er
27
446
Gedeponeerd handelsmerk van VDA (Verband der Automobilindustrie e.V.)
STARTEN EN RIJDEN
minder dan 10 % resteert wordt het uiteindelijk rood.
3.
Giet het reservoir niet te vol. De bij te vullen
hoeveelheid AdBlue staat aangegeven in de
app Auto status.
Bijvullen
Wanneer het AdBlue-peil te
laag dreigt te worden, gaat een
symbool op het bestuurdersdisplay branden in combinatie met
de melding AdBlue-niveau
laag.
1.
Vul AdBlue bij van de juiste kwaliteit28.
WAARSCHUWING
Het wordt geadviseerd om bij het tanken van
AdBlue op een tankstation in eerste instantie
de pomp voor personenauto's te gebruiken.
Bij wijze van alternatief is een AdBlue-pomp
voor zwaardere voertuigen te gebruiken.
Open de tankvulklep door lichte druk aan te
brengen op de achterkant van de vulklep.
2.
BELANGRIJK
Verwijder eventueel gemorste AdBlue met
een doek.
Wees voorzichtig zodat er geen AdBlue op
het lakwerk van de auto terechtkomt. Spoel in
dat geval met een ruime hoeveelheid water,
omdat de vloeistof het lakwerk kan aantasten.
Open de blauwe dop op de kleine vulpijp
bestemd door AdBlue.
Gerelateerde informatie
•
•
•
28
AdBlue® hanteren (p. 445)
Symbolen en meldingen voor AdBlue®
(p. 448)
Bij te vullen hoeveelheid AdBlue® (p. 641)
ISO 22241
447
STARTEN EN RIJDEN
Symbolen en meldingen voor
AdBlue®29
De uitlaatgasreiniging bewaakt voortdurend het
peil, de kwaliteit en de dosering van AdBlue. Bij
een storing verschijnt er een melding op het
bestuurdersdisplay.
Symbool
Melding
Betekenis
AdBlue-niveau laag
Het AdBlue-peil is laag zodat het reservoir moet worden bijgevuld.
AdBlue-dosering
Het systeem werkt niet naar behoren. Bezoek een werkplaatsA voor een controle van de werking.
en
AdBlue-kwaliteit
29
448
Gedeponeerd handelsmerk van VDA (Verband der Automobilindustrie e.V.)
STARTEN EN RIJDEN
Symbool
Melding
Betekenis
AdBlue bijvullen
Het AdBlue-peil is kritiek laag zodat het reservoir onmiddellijk moet worden bijgevuld.
Startblokkering motor
De auto kan niet worden gestart voordat er AdBlue is bijgevuld. Vul de hoeveelheid AdBlue bij die op
het bestuurdersdisplay staat aangegeven of neem contact op met een werkplaatsA.
en bijv.: Vul minimaal 4,5 liter
AdBlue bij
Startblokkering motor
Let op het volgende:
•
De peilsensor kan de bijgevulde hoeveelheid AdBlue alleen goed registreren, als de auto horizontaal staat.
•
Na het bijvullen kan het tot 20 seconden duren voordat het systeem is bijgewerkt met de juiste
peilaanduiding.
Het systeem werkt niet naar behoren. Bezoek een werkplaatsA voor een controle van de werking.
Service AdBlue-systeem
nodig voor herstart
A
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
AdBlue® controleren en bijvullen (p. 446)
AdBlue® hanteren (p. 445)
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie (p. 579)
449
STARTEN EN RIJDEN
Oververhitting van motor en
aandrijving
meer een waarschuwingssymbool gaat branden en op het bestuurdersdisplay de melding
Transmissie warm Ga langzamer rijden
om temperatuur te verlagen of
Transmissie heet Stop veilig, wacht op
koelen verschijnt. Volg in dat geval het
advies op en matig uw snelheid of breng de
auto op een veilige plek tot stilstand om de
motor enkele minuten stationair te laten
draaien, zodat de versnellingsbak kan afkoelen.
In bepaalde omstandigheden, bijv. bij een zware
belasting op steile hellingen en in warm weer,
bestaat het gevaar dat de motor en de aandrijflijn oververhit raken – vooral bij het vervoer van
een zware lading.
•
Bij oververhitting is het motorvermogen
mogelijk tijdelijk beperkt.
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten
tijdens ritten bij warm weer.
•
Als de temperatuur in het koelsysteem van
de motor te hoog oploopt, gaat een waarschuwingssymbool branden en verschijnt op
het bestuurdersdisplay de melding
Motortemperatuur Hoge temperatuur.
Stop veilig. Breng de auto in dat geval zo
spoedig mogelijk tot stilstand en laat de
motor enkele minuten stationair lopen, zodat
deze kan afkoelen.
•
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af, als de melding Motortemperatuur Hoge
temperatuur. Zet de motor af of
Motorkoelvloeistof Niveau laag. Zet de
motor af verschijnt.
•
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een alternatief schakelprogramma
gekozen30. Boven wordt een ingebouwde
beveiligingsfunctie geactiveerd, waarbij onder
30
450
Geldt bij een automatische versnellingsbak.
•
Bij oververhitting kan de airconditioning zichzelf tijdelijk uitschakelen.
•
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten draaien.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator van de
motor een tijdje werkt nadat de motor is uitgeschakeld.
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Hoge motortemperatuur. Volg het
gegeven advies op.
Laag peil koelvloeistof. Volg het
gegeven advies op.
De versnellingsbak is heet/oververhit/wordt gekoeld. Volg het gegeven advies op.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Koelvloeistof bijvullen (p. 588)
Rijden met aanhangwagen (p. 456)
Voorbereidingen voor een lange rit (p. 435)
Schakelindicator (p. 419)
STARTEN EN RIJDEN
Overbelasting van de startaccu
Gerelateerde informatie
De elektrische functies van de auto belasten de
startaccu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in stand II staan,
wanneer de auto is uitgeschakeld. Maak in
plaats daarvan gebruik van contactslotstand I het stroomverbruik is dan minder.
•
•
Startaccu (p. 595)
Contactslotstanden (p. 400)
Starthulp met andere accu
Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto starten met stroom van een hulpaccu.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires
het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom nemen uit, wanneer de auto is uitgeschakeld. Voorbeelden van
dergelijke onderdelen/systemen zijn:
•
•
•
•
interieurventilator
koplampen
ruitenwisser
Aansluitpunten voor de startkabels.
audiosysteem (hoog volume).
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten wordt
geadviseerd de volgende stappen aan te houden
om kortsluiting en andere schade te voorkomen:
Bij een lage startaccuspanning verschijnt een
melding op het bestuurdersdisplay. De energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens bepaalde
onderdelen/systemen uit of verlaagt de belasting
van de accu door bijvoorbeeld de interieurventilator lager te zetten en/of het audiosysteem uit te
schakelen.
–
Laad de startaccu dan op door de auto te
starten en de motor minstens 15 minuten te
laten draaien – de startaccu wordt beter
opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand
met een stationair draaiende motor.
1.
Zet het elektrische systeem van de auto in
de contactslotstand 0.
2.
Controleer of de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
3.
Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de beide auto's
elkaar niet raken.
}}
451
STARTEN EN RIJDEN
||
4.
Bevestig de ene klem van de rode startkabel
aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
5.
Open de afdekking (2) van het positieve
starthulppunt.
6.
Bevestig de andere klem van de rode startkabel aan het positieve starthulppunt (2).
7.
Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
8.
Bevestig de andere klem van de zwarte startkabel aan het negatieve starthulppunt (4).
9.
Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen
dat er tijdens de startpoging vonken ontstaan.
10. Start de motor van de "hulpauto" en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
zo'n 1500 omw/min.
452
11. Start de motor in de auto met de uitgeputte
accu.
WAARSCHUWING
•
Raak de aansluitingen tussen de kabel en de
auto niet aan tijdens het starten. Er bestaat
namelijk gevaar voor vonkvorming.
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van een startkabel, kan volstaan om de
accu tot ontploffing te brengen.
•
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde volgorde – eerst de zwarte kabel en daarna de
rode.
Sluit de startkabels niet aan op een component va het brandstofsysteem of op
bewegende onderdelen. Pas op voor hete
motoronderdelen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat
ernstige chemische brandwonden kan
veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw
huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
•
Rook niet in de buurt van de accu.
BELANGRIJK
Zorg dat geen van de aansluitklemmen aan
de zwarte startkabel contact kan maken met
het positie starthulppunt op de auto/de pluspool van de starthulpaccu of met de aangesloten klem van de rode startkabel.
STARTEN EN RIJDEN
N.B.
Als de startaccu dermate ontladen is dat de
elektrische standaardsystemen van de auto's
zijn uitgeschakeld en als u de motor vervolgens start met een externe accu of acculader,
dan blijft het Start/Stop-systeem mogelijk
actief. Als het Start/Stop-systeem kort daarna
een automatische motorstop verricht, is de
kans groot dat een volgende automatische
motorstart mislukt door onvoldoende capaciteit van de startaccu, omdat de accu niet
genoeg is opgeladen.
Trekhaak*
•
De auto is uit te rusten met een trekhaak, zodat
bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto te
hangen is.
Op trekhaak gemonteerde fietsdrager*
(p. 460)
•
Specificaties van de trekhaak* (p. 454)
Er zijn verschillende trekhaakuitvoeringen verkrijgbaar voor de auto – neem voor informatie
contact op met een Volvo-dealer.
BELANGRIJK
Als de motor wordt afgezet, kan de constante
accuspanning voor het aanhangercontact
automatisch worden uitgeschakeld om de
startaccu niet te ontladen.
Als de auto starthulp heeft gekregen of de
accu onvoldoende is opgeladen met een
acculader, wordt geadviseerd het Start/Stopsysteem uit te schakelen totdat de auto de
startaccu voldoende bijgeladen heeft. Bij een
buitentemperatuur van zo'n +15 °C (60 °F)
moet de accu ten minste 1 uur lang door de
auto worden opgeladen. Bij lagere buitentemperaturen kan de laadduur toenemen tot zo'n
3–4 uur. Geadviseerd wordt de accu op te
laden met een externe acculader.
BELANGRIJK
De trekhaak moet regelmatig worden gereinigd en ingevet om slijtage tegen te gaan.
N.B.
Wanneer een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden
gesmeerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Dit geldt ook bij montage van een fietsdrager
die rond de trekkogel wordt vastgeklemd.
Motor starten (p. 398)
Contactslotstanden (p. 400)
Stuurwiel verstellen (p. 184)
Contactslotstand kiezen (p. 401)
Gerelateerde informatie
•
•
In- en uitklapbare trekhaak* (p. 454)
Rijden met aanhangwagen (p. 456)
* Optie/accessoire. 453
STARTEN EN RIJDEN
Specificaties van de trekhaak*
Afmetingen, bevestigingspunten in mm (inch)
Afmetingen en bevestigingspunten voor de trekhaak.
A
939 (37)
B
72 (2,8)
C
6 (0,24)
D
145 (5,7)
E
88 (3,5)
F
Zijbalk helt 8 graden over
G
353 (13,9)
H
1048 (41,3)
I
524 (20,6)
Gerelateerde informatie
•
•
454
Trekhaak* (p. 453)
Trekgewichten en kogeldruk (p. 634)
In- en uitklapbare trekhaak*
De in- en uitklapbare trekhaak is eenvoudig in of
uit te klappen als dat nodig is. In de ingeklapte
stand is de trekhaak volledig onzichtbaar.
WAARSCHUWING
Neem de instructies voor het in- en uitklappen van de trekhaak zorgvuldig in acht.
WAARSCHUWING
Druk niet op de knop voor het in- en uitklappen als er een aanhanger op de trekhaak is
gekoppeld.
Trekhaak uitklappen
WAARSCHUWING
Sta niet te dicht bij de achterbumper van de
auto bij het uitklappen van de trekhaak.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
1.
2.
Open de achterklep Rechtsachter in de
bagageruimte zit een knop voor het in- en
uitklappen van de trekhaak. Het led-lampje in
de knop brandt permanent oranje, als de uitklapfunctie actief is.
Druk op de knop en laat hem weer los –
drukt u te lang, dan kan dat betekenen dat
het uitklappen niet start.
> De trekhaak klapt uit in een onvergrendelde stand. De led knippert oranje. De
trekhaak is klaar om in een vergrendelde
stand te worden gezet.
3.
Beweeg de trekhaak naar zijn eindpositie.
Daar moet hij worden vastgezet en vergrendeld – de led brandt permanent oranje.
> De trekhaak is daarmee klaar voor
gebruik.
N.B.
De trekhaak moet eerst volledig zijn uitgeklapt voordat deze in de vergrendelde stand
te zetten is. Dit kan enkele seconden duren.
Als de trekhaak niet in de vergrendelde stand
blijft, moet u enkele seconden later opnieuw
proberen.
WAARSCHUWING
Controleer of de veiligheidskabel van de aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
}}
455
STARTEN EN RIJDEN
||
N.B.
Rijden met aanhangwagen
2.
Bij ritten met een aanhangwagen moet u op
enkele dingen letten zoals de trekhaak, de aanhangwagen en hoe u de aanhangwagen laadt.
De stroomspaarstand wordt na enige tijd
geactiveerd en het controlelampje dooft. Het
systeem wordt opnieuw geactiveerd door de
achterklep te sluiten en daarna opnieuw te
openen. Dit geldt zowel bij het in- als uitklappen van de trekhaak.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te
worden verminderd met de som van het gewicht
van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
Als het elektrische systeem heeft gedetecteerd dat er een aanhanger achter de auto
hangt, stopt het controlelampje met branden.
Vergrendel de trekhaak door deze terug te
bewegen naar de ingeklapte positie waar hij
wordt vergrendeld.
> Als de trekhaak correct is ingeklapt,
brandt de led nu continu.
Trekhaak inklappen
BELANGRIJK
Zorg dat er geen aansluitcontact of adapter in
de elektrische aansluiting zit bij het inklappen
van de trekhaak.
1.
Open de achterklep Druk de knop rechtsachter in de bagageruimte in en laat hem weer
los – drukt u te lang, dan kan dat betekenen
dat het inklappen niet start.
> De trekhaak klapt automatisch uit in een
onvergrendelde positie. De led in de knop
knippert oranje.
Gerelateerde informatie
•
•
456
De auto wordt geleverd met de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhangwagen.
•
De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn.
•
Verdeel de lading in de aanhangwagen dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt. De kogeldruk wordt tot het laadvermogen van de auto
gerekend.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading.
•
Bij het gebruik van een aanhangwagen wordt
de motor zwaarder belast dan normaal.
•
Rijd niet met een zware aanhangwagen,
wanneer de auto nog helemaal nieuw is.
Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 km (620 miles) heeft gereden.
•
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast dan
normaal. Schakel dan terug naar een lagere
Rijden met aanhangwagen (p. 456)
Trekhaak* (p. 453)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
versnelling bij handmatig schakelen en pas
uw snelheid aan.
•
Neem de geldende bepalingen in acht ten
aanzien van de toelaatbare snelheden en
gewichten.
•
Houd een lage snelheid aan, wanneer u met
een aanhangwagen achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
•
•
De aangegeven maximale aanhangwagengewichten gelden alleen voor hoogten tot
1000 m (3280 ft) boven zeeniveau. Daarboven zijn het motorvermogen en daarmee het
klimvermogen van de auto beperkt door de
lagere luchtdichtheid en moet daarom het
maximale aanhangwagengewicht worden
beperkt. Het gewicht voor auto en aanhangwagen moet worden verlaagd met 10% voor
iedere extra 1000 m (3280 ft), of een deel
daarvan.
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12% bij het gebruik van een aanhangwagen.
N.B.
Extreme weersomstandigheden, gebruik van
aan aanhangwagen of ritten op grote hoogte
zijn, in combinatie met een slechtere brandstofkwaliteit dan aanbevolen, factoren die het
brandstofverbruik aanzienlijk kunnen doen
toenemen.
Aanhangwagencontact
Niveauregeling*
Als de trekhaak van de auto een 13-polige aansluiting heeft en de aanhangwagen een 7-polige
aansluiting, hebt u een adapter nodig. Gebruik
een door Volvo goedgekeurde adapter. Zorg dat
de kabel niet over de grond sleept.
De niveauregeling van de auto streeft ernaar om
ongeacht de belading dezelfde rijhoogte aan te
houden (tenzij het maximaal toelaatbare gewicht
wordt overschreden). Wanneer de auto stilstaat,
zakt de achterkant normaal iets omlaag.
BELANGRIJK
Als de motor wordt afgezet, kan de constante
accuspanning voor het aanhangercontact
automatisch worden uitgeschakeld om de
startaccu niet te ontladen.
Aanhangwagengewichten
WAARSCHUWING
Volg de vermelde aanbevelingen voor het
aanhangergewicht. Anders is het mogelijk dat
de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en
afremmen moeilijk onder controle is te houden.
N.B.
De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. Nationale voertuigvoorschriften kunnen het aanhangergewicht en de snelheid verder beperken. De trekhaken zijn mogelijk gecertificeerd
voor hogere trekgewichten dan wat de auto
mag trekken.
Rijden in heuvelachtige gebieden en
landen met een warm klimaat
Onder bepaalde omstandigheden bestaat het
risico van oververhitting tijdens het rijden met
aanhangwagen. Bij oververhitting van de motor
en de aandrijving gaat een waarschuwingssymbool branden op het bestuurdersdisplay en verschijnt er een melding.
Het volgende geldt bij een auto met een automatische versnellingsbak:
De automatische versnellingsbak kiest altijd de
juiste versnelling op basis van de belasting en
het motortoerental.
Steile hellingen
Blokkeer de automatische versnellingsbak niet
met een hogere versnelling dan de motor "aankan" – rijden in een hoge versnelling bij een laag
motortoerental is niet altijd zuinig.
}}
* Optie/accessoire. 457
STARTEN EN RIJDEN
||
Op een helling parkeren
1. Trap het rempedaal in.
2.
Activeer de parkeerrem.
3.
Kies de schakelstand P.
4.
Laat het rempedaal los.
Gebruik wielblokken, als u een auto met aanhangwagen op een steile helling parkeert.
Op een helling wegrijden
1. Trap het rempedaal in.
2.
Kies de schakelstand D.
3.
Parkeerrem lossen.
4.
Haal uw voet van het rempedaal en rijd weg.
Gerelateerde informatie
(TSA31)
De aanhangwagenstabilisering
heeft tot
taak een auto met aanhangwagen te stabiliseren
wanneer de combinatie slingerneigingen vertoont. De functie maakt deel uit van de stabiliteitsregeling ESC32.
Oorzaken voor slingerneigingen
Bij alle combinaties van auto en aanhangwagen
kan het bekende verschijnsel met slingeren
optreden. Doorgaans treedt het verschijnsel pas
bij hoge snelheden op. Als de aanhangwagen
echter overmatig beladen is of als het gewicht
van de lading verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld
te ver naar achteren), bestaat er ook op lagere
snelheden gevaar voor slingeren.
Aanhangwagenstabilisering* (p. 458)
Een pendelbeweging begint altijd met een van de
onderstaande factoren, zoals.:
Aanhangwagenverlichting controleren
(p. 459)
•
•
•
Trekgewichten en kogeldruk (p. 634)
De auto met aanhangwagen staat bloot aan
rukwinden.
•
De auto met aanhangwagen rijdt over een
oneffen wegdek of over hobbels.
•
Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie (p. 639)
Grote stuurbewegingen.
•
•
•
31
32
458
Aanhangwagenstabilisering*
Oververhitting van motor en aandrijving
(p. 450)
Slingeren is vaak niet of nauwelijks te dempen,
waardoor de combinatie moeilijk bestuurbaar
wordt en het gevaar bestaat dat u op de verkeerde weghelft of naast de weg belandt.
Werking van de
aanhangwagenstabilisering
De aanhangwagenstabilisering houdt continu de
bewegingen van de auto in de gaten en in het
bijzonder de dwarsbewegingen. Als een neiging
tot slingeren geregistreerd wordt, worden de
voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig afgeremd
dat de combinatie gestabiliseerd wordt. Vaak is
dit voldoende om de auto weer onder controle te
krijgen.
Als de slingerbeweging ondanks de eerste
ingreep van de aanhangwagenstabilisering niet
wordt gedempt, worden alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de
motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging
vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de
combinatie weer stabiel is, beëindigt het systeem
de regeling waarna u de auto weer volledig onder
controle hebt.
N.B.
De stabiliteitsregeling wordt uitgeschakeld,
als u de Sportstand kiest door via het menusysteem van het middendisplay ESC te deactiveren.
De aanhangwagenstabilisering grijpt mogelijk
niet in als u met grote stuurbewegingen de slingering zelf tracht op te heffen, aangezien de sta-
Trailer Stability Assist
Electronic Stability Control
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
bilisering dan niet kan bepalen of de slingering
wordt veroorzaakt door de aanhangwagen of
door uzelf.
Wanneer de aanhangwagenstabilisering werkt, knippert op
het bestuurdersdisplay het
symbool ESC.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijden met aanhangwagen (p. 456)
Elektronische stabiliteitsregeling (p. 273)
Aanhangwagenverlichting
controleren
Controleer na het aankoppelen van een aanhangwagen voor het vertrek of alle lampen op de
aanhangwagen werken.
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhangwagen
in dat geval neemt het mistachterlicht op de aanhangwagen de functie over. Controleer daarom in
deze gevallen bij activering van het mistachterlicht of de aanhangwagen is uitgerust met een
mistachterlicht om de auto met aanhangwagen
op een veilige manier te kunnen besturen.
Als een of meer richtingaanwijzers of remlichten
op de aanhangwagen kapot zijn, verschijnen op
het bestuurdersdisplay een symbool en een melding. De overige verlichting op de aanhangwagen
moet u vóór vertrek handmatig controleren.
Symbool
Melding
• Richtingaanw. aanh. Storing
knipperlicht rechts
• Richtingaanw. aanh. Storing
richtingaanwijzer links
• Remlicht aanhanger Storing
Als een richtingaanwijzer op de aanhangwagen
kapot is, knippert het richtingaanwijzersymbool op
het bestuurdersdisplay bovendien sneller dan
normaal.
Mistachterlicht op de aanhangwagen
Bij aansluiting van een aanhangwagen gaat het
mistachterlicht van de auto mogelijk niet branden,
}}
459
STARTEN EN RIJDEN
||
Aanhangwagenverlichting controleren*
Automatische controle
Na aansluiting van een aanhangwagen is de werking van de aanhangwagenverlichting te controleren aan de hand van een automatische verlichtingscontrole. Dankzij deze controle kunt u voor
vertrek nagaan of de aanhangwagenverlichting
werkt.
460
Automatische controle uitschakelen
De automatische controlefunctie is uit te schakelen op het middendisplay.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Tik op My Car
3.
Vink Aut. contr. lamp aanhanger uit.
Lampen en verlichting.
Om deze controle te kunnen verrichten moet de
auto zijn uitgeschakeld.
Handmatige controle
Als de automatische controle is uitgeschakeld,
kunt u de controle handmatig starten.
1.
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Tik op My Car
3.
Kies Handm. contr. lamp aanhanger.
> De lichtcontrole gaat van start. Stap uit de
auto om de werking van de verlichting te
kunnen controleren.
Wanneer er een aanhangwagen aan de trekhaak is gekoppeld, verschijnt de melding
Aut. contr. lamp aanhanger op het
bestuurdersdisplay.
2.
Bevestig de melding door de O-knop van de
rechter stuurknoppenset in te drukken.
> De lichtcontrole gaat van start.
3.
Stap uit de auto om de werking van de verlichting te kunnen controleren.
> Alle lampen van de aanhangwagen gaan
knipperen – daarna gaan de lampen één
voor één branden.
4.
Kijk of alle lampen op de aanhangwagen ook
daadwerkelijk branden.
5.
Na een poosje gaan alle lampen op de aanhangwagen weer knipperen.
> De controle is afgerond.
Het wordt geadviseerd om een van de fietsdragers te gebruiken die Volvo ontwikkeld heeft.
Dit om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden. De fietsdragers van Volvo zijn te verkrijgen bij erkende
Volvo-dealers.
Volg nauwgezet de instructies op die bij de fietsdrager zijn geleverd.
•
Het gecombineerde gewicht van de fietsdrager plus lading mag maximaal 75 kg (165
lbs) zijn.
•
Gebruik alleen een fietsdrager voor het vervoer van maximaal drie fietsen.
Lampen en verlichting.
Gerelateerde informatie
•
Op trekhaak gemonteerde
fietsdrager*
Rijden met aanhangwagen (p. 456)
WAARSCHUWING
Verkeerd gebruik van de fietsdrager kan
schade aan trekhaak en auto veroorzaken.
De fietsdrager kan van de trekhaak loskomen
als deze
•
•
verkeerd op de trekhaak gemonteerd is
•
wordt gebruikt voor het vervoer van
andere dingen dan fietsen.
overbelast is; zie de instructies bij de
fietsdrager voor het maximale draagvermogen
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Een fietsdrager die op de trekhaak is gemonteerd is van invloed op de rijeigenschappen van
de auto, op grond van bijvoorbeeld:
•
•
•
•
het zicht naar achteren beperken en tot een
hoger brandstofverbruik leiden. Ze zorgen
ook voor grotere krachten die inwerken op
de trekhaak.
het grotere gewicht van de auto
het gereduceerde acceleratievermogen
Gerelateerde informatie
de gereduceerde bodemvrijheid
•
het gewijzigde remvermogen.
Trekhaak* (p. 453)
Slepen
Bij het slepen wordt de auto met behulp van een
sleepkabel voortgetrokken door een ander voertuig.
Ga alvorens te slepen na wat de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid voor slepen is.
Voorbereidingen en slepen
Adviezen voor het vervoer van fietsen
op een fietsdrager
Hoe groter de afstand tussen het zwaartepunt
van de last en de trekhaakkogel hoe groter de
belasting van de trekhaak.
BELANGRIJK
Sleep de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
•
Neem bij het opladen de volgende adviezen in
acht:
Sleep auto's met een automatische versnellingsbak niet met een hogere snelheid dan 80 km/h (50 mph) en niet verder dan 80 km (50 mijl).
•
Plaats de zwaarste fiets vooraan, zo dicht
mogelijk bij de auto.
•
Zorg dat de fietsen symmetrisch zijn opgeladen en zo dicht mogelijk tegen de auto aan
staan, door bij het vervoer van meerdere fietsen de fietsen om en om te plaatsen.
•
Controleer voordat u gaat slepen of het
stuurslot eraf is.
Verwijder losse voorwerpen van de fiets(en)
bij het vervoer, zoals een fietsmand, accu of
kinderzitje. Niet alleen om de krachten te verlagen die inwerken op de trekhaak en fietsdrager maar ook om de luchtweerstand te
verlagen die van invloed is op het brandstofverbruik.
•
Contactslotstand II moet geactiveerd zijn
– in contactslotstand I zijn alle airbags
gedeactiveerd.
•
Zorg dat de transpondersleutel tijdens
het slepen altijd in de auto aanwezig is.
•
•
Verwijder eventuele fietshoezen. Ze kunnen
de rijeigenschappen negatief beïnvloeden,
WAARSCHUWING
}}
* Optie/accessoire. 461
STARTEN EN RIJDEN
||
WAARSCHUWING
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet
als de motor is uitgeschakeld. Er moet
ca. 5 keer zo hard op het rempedaal worden
getrapt en de besturing gaat aanzienlijk
zwaarder dan normaal.
1.
Schakel de alarmlichten van de auto in.
2.
Bevestig de sleepkabel aan het sleepoog.
3.
Hef het stuurslot op door de auto te ontgrendelen.
4.
Zet de auto in contactslotstand II – druk op
de startknop zonder het rempedaal te bedienen en houd de knop zo'n 4 seconden ingedrukt. Laat de knop vervolgens los.
5.
Zet de keuzehendel in neutraalstand en los
de parkeerrem.
Als de accuspanning te laag is, kunt u de
parkeerrem niet lossen. Sluit een hulpaccu
aan, als de accuspanning te laag is.
> U kunt vervolgens beginnen met het slepen.
462
6.
Houd, wanneer de slepende auto afremt, de
sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen –
zo voorkomt u schokken.
7.
Sta klaar om te remmen om de auto tot stilstand te brengen.
Starten met hulpaccu
Sleepoog monteren en demonteren
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik een
hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is
dat de motor niet kan worden gestart.
Gebruik het sleepoog bij het slepen. Schroef het
sleepoog vast in een draadbus achter een
afdekking in de bumper, voor of achter.
BELANGRIJK
Sleepoog monteren
De katalysator kan beschadigd raken bij
pogingen om de motor via slepen aan het
draaien te krijgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Sleepoog monteren en demonteren (p. 462)
Alarmlichten (p. 149)
Bergen (p. 464)
Starthulp met andere accu (p. 451)
Contactslotstand kiezen (p. 401)
Pak het sleepoog erbij. Dit zit in het blok
schuimrubber onder de vloer in de bagageruimte.
STARTEN EN RIJDEN
4.
Voor: Verwijder de afdekking – druk met één
vinger op de markering.
> De afdekking is over de lengteas te
draaien en vervolgens te verwijderen.
Achter: Verwijder de afdekking – druk met
één vinger op de markering en vouw tegelijkertijd de tegenovergelegen kant/hoek naar
buiten.
> De afdekking is over de lengteas te
draaien en vervolgens te verwijderen.
Schroef het sleepoog tot aan de aanslag
naar binnen.
Draai het oog stevig vast, steek bijvoorbeeld
de wielmoersleutel* door het oog om deze
als hefboom te gebruiken.
BELANGRIJK
Het is belangrijk het sleepoog goed vast te
schroeven – dat wil zeggen, helemaal tot aan
de aanslag.
}}
* Optie/accessoire. 463
STARTEN EN RIJDEN
||
Waar u op moet letten alvorens het sleepoog
te gebruiken
• Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken
om de auto op een bergingsvoertuig met
laadvloer te trekken. De positie van de auto
en de bodemspeling bepalen of dat mogelijk
is.
•
•
Als de oprijplaten van het bergingsvoertuig
onder een te grote hoek staan of als de
bodemspeling onder de auto onvoldoende is,
kan de auto beschadigd raken wanneer men
deze met een sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te trekken.
Hef de auto zo nodig op met de takelinrichting van het bergingsvoertuig – maak geen
gebruik van het sleepoog.
Sleepoog demonteren
–
Bij het bergen wordt de auto met behulp van
een ander voertuig weggesleept.
Plaats de afdekking tot slot weer in de bumper terug.
Roep professionele hulp in voor berging.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bergen
Draai het sleepoog na gebruik los en leg het
weer terug in het blok schuimrubber.
Slepen (p. 461)
Bergen (p. 464)
Gereedschapsset (p. 542)
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken om
de auto op een bergingsvoertuig met laadvloer te
trekken.
De positie en bodemspeling van de auto bepalen
of de auto op een laadvloer kan worden getrokken. Als de oprijplaten van het bergingsvoertuig
onder een te grote hoek staan of als de bodemspeling onder de auto onvoldoende is, kan de
auto beschadigd raken wanneer men deze op het
bergingsvoertuig probeert te trekken. Neem de
auto dan op met de hefinrichting van het bergingsvoertuig.
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de laadvloer
wordt getrokken.
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de laadvloer
wordt getrokken.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
464
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
STARTEN EN RIJDEN
BELANGRIJK
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
Gerelateerde informatie
•
Sleepoog monteren en demonteren (p. 462)
HomeLink®*33
Knop 3
HomeLink®34
Controlelampje
is een programmeerbare afstandsbediening die in het elektrische systeem van de
auto geïntegreerd is en tot drie verschillende
installaties (zoals een garagedeuropener, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting) op afstand kan
bedienen en daarmee de originele afstandsbedieningen vervangt.
Algemeen
HomeLink® wordt geleverd in een uitvoering die
ingebouwd is in de achteruitkijkspiegel. Het
HomeLink®-paneel bestaat uit drie programmeerbare knoppen en een controlelampje in het
spiegelglas.
Ga voor meer informatie over HomeLink® naar:
www.HomeLink.com of bel 00 8000 466 354 65
(of het betaalnummer +49 6838 907 277)35.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen
goed bewaart voor eventuele programmering in
een later stadium (zoals bij aankoop van een
nieuwe auto of gebruik in een andere auto). Het
wordt tevens geadviseerd om de programmering
van de knoppen te wissen bij verkoop van de
auto.
Gerelateerde informatie
De afbeelding is schematisch, zodat de uitvoering kan
variëren.
Knop 1
•
•
•
HomeLink®* gebruiken (p. 468)
HomeLink®* programmeren (p. 466)
Typegoedkeuring voor HomeLink®* (p. 468)
Knop 2
33
34
35
Geldt voor bepaalde markten.
HomeLink en het symbool met het HomeLink-huis zijn geregistreerde handelsmerken van Gentex Corporation.
Let erop dat de gratis hulplijn afhankelijk van de provider mogelijk niet beschikbaar is.
* Optie/accessoire. 465
STARTEN EN RIJDEN
HomeLink®*36 programmeren
1.
HomeLink®
Volg de instructies op om
te programmeren, de fabrieksinstellingen te herstellen
of een knop te herprogrammeren.
N.B.
Bij bepaalde auto’s moet het contact zijn
ingeschakeld of in de ‘accessoirestand’ staan,
voordat HomeLink® te programmeren of
gebruiken is. Plaats gerust nieuwe batterijen
in de afstandsbediening die HomeLink® moet
vervangen, omdat de programmering dan
mogelijk sneller verloopt en het radiosignaal
sterker is. Herstel de HomeLink®-knoppen
alvorens te programmeren.
Richt de afstandsbediening op de te programmeren HomeLink®-knop en houd de
afstandsbediening op zo'n 2–8 cm (1–3
inch) van de knop. Blokkeer het controlesymbool van HomeLink® niet.
Opmerking! Met sommige afstandsbedieningen is HomeLink® beter te programmeren
op een afstand van zo'n 15–20 cm (6–12
inch). Houd hier rekening mee als er problemen optreden bij het programmeren.
2.
Houd zowel op de afstandsbediening als op
HomeLink® de knoppen ingedrukt die u wilt
programmeren.
3.
Laat de knoppen pas los als het led-lampje
niet meer langzaam (ca. 1 maal per seconde)
maar snel knippert (ca. 10 maal per
seconde) of constant brandt.
> Als het controlelampje constant
brandt: Aanduiding dat de programmering is voltooid. Druk voor activering 2
maal op de geprogrammeerde knop.
Als het controlelampje snel knippert:
De eenheid die u voor HomeLink® wenst
te programmeren is mogelijk voorzien van
een beveiligingsfunctie zodat extra stappen vereist zijn. Druk 2 maal op de geprogrammeerde knop om te controleren of
de programmering gelukt is. Ga anders
verder met de volgende stap.
WAARSCHUWING
Tijdens het programmeren van HomeLink®
wordt de garagedeur die wordt geprogrammeerd (of het toegangshek) mogelijk geactiveerd. Let daarom op dat er niemand in de
buurt van de deur of het hek staat tijdens het
programmeren. De auto moet buiten de
garage staan bij het programmeren van de
garagedeuropener.
36
466
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Neem bij programmeringsproblemen contact op
met HomeLink® via: www.HomeLink.com of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277)38.
–
Afzonderlijke knop herprogrammeren
Doe het volgende om één afzonderlijke
HomeLink®-knop te programmeren:
1.
4.
Zoek de inleerknop37 op de ontvanger voor
bijvoorbeeld de garagedeur op. De knop zit
doorgaans in de buurt van de antennevoet
op de ontvanger.
5.
Druk de inleerknop van de ontvanger eenmaal in en laat hem weer los. De programmering moet binnen 30 seconden na het
indrukken van de knop worden voltooid.
6.
Druk de knop op HomeLink® in die u wilt
programmeren en laat de knop weer los.
Herhaal de procedure van indrukken/vasthouden/loslaten al naar gelang het model
van de ontvanger één of twee keer.
> Het programmeren is daarmee klaar en
garagedeur, toegangshek en dergelijke
moeten vervolgens geactiveerd worden bij
het indrukken van de geprogrammeerde
knop.
37
38
2.
Druk op de gewenste knop en houd deze
zo'n 20 seconden ingedrukt.
HomeLink®
Wanneer het controlelampje op
langzaam gaat knipperen kunt u op de
gebruikelijke manier programmeren.
Houd de buitenste knoppen (1 en 3) op
HomeLink® zo'n 10 seconden ingedrukt.
> Wanneer het controlelampje niet meer
constant brandt, maar is gaan knipperen
zijn de knoppen gereset en weer gereed
voor programmering.
Gerelateerde informatie
•
•
•
HomeLink®* gebruiken (p. 468)
HomeLink®* (p. 465)
Typegoedkeuring voor HomeLink®* (p. 468)
Opmerking! Als de te programmeren knop
opnieuw moet worden geprogrammeerd niet
met een nieuwe eenheid wordt geprogrammeerd, zal deze terugkeren naar de eerder
opgeslagen programmering.
HomeLink®-knoppen resetten
Het is alleen mogelijk om alle HomeLink®-knoppen tegelijk te resetten en dus niet slechts één
afzonderlijke knop. Afzonderlijke knoppen zijn wel
te herprogrammeren.
De aanduiding en kleur van de knop verschillen per fabrikant.
Let erop dat de gratis hulplijn afhankelijk van de provider mogelijk niet beschikbaar is.
* Optie/accessoire. 467
STARTEN EN RIJDEN
HomeLink®*39 gebruiken
WAARSCHUWING
HomeLink®
Zodra
geprogrammeerd is, vormt het
een vervanging voor de afzonderlijke originele
afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in. De garagedeur, het toegangshek en dergelijke worden
geactiveerd (dit kan enkele seconden duren). Als
u de knop langer dan 20 seconden indrukt, start
de herprogrammering. Na het indrukken van de
knop brandt of knippert het controlelampje. Uiteraard kunt u de originele afstandsbedieningen
naast HomeLink® blijven gebruiken.
N.B.
Na uitschakeling van het contact blijft
HomeLink® nog minstens 7 minuten lang
werken.
N.B.
HomeLink® is niet te gebruiken als de auto
van de buitenzijde vergrendeld is en het
alarm* ingeschakeld is.
39
40
468
•
•
Als HomeLink® wordt gebruikt om een
garagedeur of hek te bedienen, moet u
controleren of er niemand in de buurt van
de deur of het hek staat als deze
beweegt.
Gebruik HomeLink® niet voor een elektrische garagedeur zonder veiligheidsstop
en -retour.
Gerelateerde informatie
•
•
•
HomeLink®*
(p. 465)
HomeLink®* programmeren (p. 466)
Typegoedkeuring voor HomeLink®* (p. 468)
Typegoedkeuring voor
HomeLink®*40
Typegoedkeuring voor de EU
Gentex Corporation verklaart bij dezen dat de
radioapparatuur van het type HomeLink® UAHL5
in overeenstemming is met de richtlijn
2014/53/EU.
Frequentiebanden waarin de radioapparatuur
werkt:
•
•
•
•
•
433,05 – 434,79 MHz <10 mW e.r.p.
868,00 – 868,60 MHz <25 mW e.r.p.
868,70 – 868,20 MHz <25 mW e.r.p.
869,40 – 869,65 MHz <25 mW e.r.p.
869,70 – 870,00 MHz <25 mW e.r.p.
Adres certificaateigenaar: Gentex Corporation,
600 North Centennial Street, Zeeland MI 49464,
USA
Zie voor meer informatie op
support.volvocars.com.
Gerelateerde informatie
•
HomeLink®* (p. 465)
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Kompas*
Kompas* activeren en deactiveren
Kompas kalibreren*
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke kompasrichting41 de voorkant van
de auto wijst.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke kompasrichting42 de voorkant van
de auto wijst.
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas43 dient te worden gekalibreerd als u
met de auto meerdere magnetische zones doorkruist.
Kompas activeren en deactiveren
Kalibreer als volgt:
Het kompas wordt automatisch geactiveerd bij
het starten van de motor.
1.
Breng de auto tot stilstand op een groot en
open terrein waar geen stalen constructies
of hoogspanningsdraden zijn.
2.
Start de auto en schakel alle elektrische uitrusting (klimaatregeling, luchtdroger en dergelijke) uit en zorg dat alle portieren dichtstaan.
Om het kompas handmatig te deactiveren/activeren:
–
Druk bijv. met een recht gebogen paperclip
het knopje aan de onderzijde van de achteruitkijkspiegel in.
Gerelateerde informatie
Achteruitkijkspiegel met kompas.
•
•
Kompas* (p. 469)
Kompas kalibreren* (p. 469)
Er worden acht verschillende kompasrichtingen
met Engelse afkortingen weergegeven: N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost),
S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en NW (noordwest).
Gerelateerde informatie
•
•
41
42
43
Kompas* activeren en deactiveren (p. 469)
N.B.
De kalibratie kan mislukken of helemaal niet
worden uitgevoerd, als u de elektrische uitrusting niet uitschakelt.
3.
Houd het knopje aan de onderzijde van de
achteruitkijkspiegel zo'n 3 seconden lang
ingedrukt (met een paperclip of iets dergelijks). Het cijfer van de huidige magnetische
zone verschijnt.
Kompas kalibreren* (p. 469)
De achteruitkijkspiegel met kompas is alleen een optie op bepaalde markten en modellen.
De achteruitkijkspiegel met kompas is alleen een optie op bepaalde markten en modellen.
De achteruitkijkspiegel met kompas is alleen een optie op bepaalde markten en modellen.
}}
* Optie/accessoire. 469
STARTEN EN RIJDEN
||
7.
Voor auto’s met elektrische voorruitverwarming*: Als bij activering van de elektrische voorruitverwarming het teken C op het
display verschijnt, kalibreer dan volgens punt
6 hierboven met de elektrische voorruitverwarming ingeschakeld.
8.
Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
Gerelateerde informatie
Magnetische zones.
470
4.
Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van de gewenste magnetische
zone (1–15) verschijnt (zie de kaart met de
magnetische zones van het kompas).
5.
Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt of houd het knopje aan de
onderzijde van de achteruitkijkspiegel
zo'n 6 seconden lang ingedrukt, totdat het
teken C verschijnt.
6.
Rijd langzaam een rondje in de auto met een
snelheid van hoogstens 10 km/h (6 mph),
totdat een kompasrichting op het display verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie afgerond is. Rijd daarna nog 2 rondjes om de
kalibratie fijn af te stellen.
•
•
Kompas* (p. 469)
Kompas* activeren en deactiveren (p. 469)
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Audio, media en internet
Het audio- en mediasysteem bestaat uit een
mediaspeler en een radio. Het is ook mogelijk
een telefoon aan te sluiten via Bluetooth om
handsfree te bellen of draadloos muziek in de
auto af te spelen. Wanneer de auto een internetverbinding heeft, kunt u ook apps gebruiken voor
het afspelen van media.
dates te downloaden voor optimale functionaliteit,
zie support.volvocars.com.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Overzicht van geluid en media
De functies zijn te bedienen met stemcommando's, de knoppenset op het stuurwiel of via het
middendisplay. Het hangt van het audiosysteem
van de auto af hoeveel luidsprekers en versterkers er in de auto zitten.
Systeemupdate
Het audio- en mediasysteem wordt voortdurend
verder verbeterd. Wanneer de auto een internetverbinding heeft is het mogelijk om systeemup-
472
Mediaspeler (p. 483)
Radio (p. 476)
Telefoon (p. 499)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
Apps (p. 474)
Stembediening (p. 135)
Audio-instellingen
Het audiosysteem is vooraf ingesteld voor optimale geluidsweergave maar is ook naar wens
aan te passen.
Het volume wordt normaal gesproken geregeld
met de volumeknop onder het middendisplay of
met de rechter stuurknoppenset. Dit geldt bijvoorbeeld bij het afspelen van muziek, het beluisteren van de radio, de geluidsweergave van een
lopende telefoongesprek en de weergave van
actieve verkeersberichten.
Contactslotstanden (p. 400)
Optimale geluidsweergave
Afleiding van de bestuurder (p. 39)
Het audiosysteem is voorgekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking. Voor ieder automodel wordt
het audiosysteem tijdens de kalibratie perfect
afgestemd op de luidsprekers, de versterker, de
akoestiek in de auto, de positie van de luisteraar
en dergelijke. Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij rekening wordt gehouden met de
stand van de volumeknop en de rijsnelheid.
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 577)
Licentieovereenkomst voor audio en media
(p. 518)
Persoonlijke instellingen
In het hoofdscherm onder Instellingen
Geluid zijn verschillende instellingen beschikbaar, afhankelijk van het audiosysteem van de
auto.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Premium Sound* (Harman Kardon)
Gerelateerde informatie
• Equalizer – instelling voor equalizer.
• Balans – onderlinge balans tussen de luid-
•
•
•
•
•
•
sprekers links/rechts en de luidsprekers
voor/achter.
• Systeemvolumes – voor het aanpassen
van het volume van de verschillende autosystemen, bijv. Stembediening, Parkeerhulp
en Ringtone telefoon.
Geluidservaring* (p. 473)
Mediaspeler (p. 483)
Instellingen voor stembediening (p. 138)
Instellingen voor telefoon (p. 507)
Audio, media en internet (p. 472)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
Geluidservaring*
Geluidservaring is een app die toegang biedt tot
aanvullende geluidsinstellingen.
Geluidsbeleving is te openen vanuit het appscherm van het middendisplay. Afhankelijk van
het audiosysteem van de auto zijn de volgende
instellingen mogelijk:
• Stoeloptimalisatie – de geluidsweergave is
te optimaliseren voor Bestuurder, Alles en
Achter.
High Performance*
• Toon – persoonlijke instellingen van bijv.
lage en hoge tonen en equalizer.
• Balans – onderlinge balans tussen de luidsprekers links/rechts en de luidsprekers
voor/achter.
• Systeemvolumes – voor het aanpassen
van het volume van de verschillende autosystemen, bijv. Stembediening, Parkeerhulp
en Ringtone telefoon.
• Surround – surroundstand met instellingen
voor intensiteit.
• Toon – persoonlijke instellingen van bijv.
lage en hoge tonen en equalizer.
Gerelateerde informatie
•
•
Audio-instellingen (p. 472)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 106)
Performance
• Klankkleur en balans – balans tussen de
luidsprekers en instelling van bijv. lage en
hoge tonen en equalizer.
• Systeemvolumes – voor het aanpassen
van het volume van de verschillende autosystemen, bijv. Stembediening, Parkeerhulp
en Ringtone telefoon.
* Optie/accessoire. 473
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Apps
Start een app door in het appscherm op het middendisplay de desbetreffende app aan te klikken.
Op het appscherm staan applicaties (apps) die
toegang bieden tot bepaalde autofuncties.
Alle apps die worden gebruikt, moeten geüpdatet
zijn naar de nieuwste versie.
links1
Veeg van rechts naar
over het middendisplay om vanuit het homescherm het appscherm
te openen. Hier liggen apps die zijn gedownload
(apps van derden) maar ook apps voor ingebouwde functies, bijvoorbeeld FM-radio.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Apps downloaden (p. 475)
Apps bijwerken (p. 475)
Apps verwijderen (p. 476)
Apple® CarPlay®* (p. 492)
Android Auto* (p. 496)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
•
Vrije geheugenruimte op harde schijf
(p. 517)
•
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 516)
Appscherm (algemene afbeelding, de basisapps variëren
per markt en model)
Bepaalde basisapps zijn altijd beschikbaar. Wanneer de auto een internetverbinding heeft, kunt u
andere apps downloaden zoals internetradio en
muziekdiensten.
Sommige apps kunt u alleen gebruiken, als de
auto een actieve internetverbinding heeft.
1
474
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Apps downloaden
3.
Wanneer de auto een internetverbinding heeft,
kunt u ook nieuwe apps downloaden.
N.B.
Het downloaden van data kan van invloed zijn
op andere diensten die gebruik maken van
gegevensuitwisseling, zoals de internetradio.
Als u deze invloed op andere diensten als
hinderlijk ervaart, kunt u het downloaden
annuleren. Het is ook mogelijk om andere
diensten te annuleren of tijdelijk te onderbreken.
N.B.
Let bij het downloaden via een telefoon extra
goed op eventuele kosten voor dataverkeer.
1.
2.
Open de app Download Center op het
appscherm.
Kies Nieuwe apps om een lijst te openen
met de apps die beschikbaar zijn voor installatie in de auto.
4.
Druk op een bepaalde app om de lijst uit te
vouwen en meer informatie over de app te
krijgen.
Kies Installeren om de app van uw keuze te
downloaden en installeren.
> Tijdens het downloaden en installeren
wordt de voortgang aangegeven.
Als een bepaalde download niet kan starten, verschijnt een melding. De app blijft
echter op de downloadlijst staan, zodat u
later een nieuwe poging tot downloaden
kunt doen.
Downloaden annuleren
– Druk op Annuleer om een lopende download te annuleren.
Let erop dat alleen de download te annuleren is,
zodat u een eventuele installatiefase niet meer
kunt annuleren zodra deze van start gegaan is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Apps (p. 474)
Apps bijwerken
Wanneer de auto een internetverbinding heeft, is
het mogelijk apps bij te werken.
N.B.
Het downloaden van data kan van invloed zijn
op andere diensten die gebruik maken van
gegevensuitwisseling, zoals de internetradio.
Als u deze invloed op andere diensten als
hinderlijk ervaart, kunt u het downloaden
annuleren. Het is ook mogelijk om andere
diensten te annuleren of tijdelijk te onderbreken.
N.B.
Let bij het downloaden via een telefoon extra
goed op eventuele kosten voor dataverkeer.
Als bij het bijwerken van een app blijkt dat de
desbetreffende app in gebruik is, wordt deze app
opnieuw gestart om de installatie te voltooien.
Apps bijwerken (p. 475)
Apps verwijderen (p. 476)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
•
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 577)
•
Vrije geheugenruimte op harde schijf
(p. 517)
}}
* Optie/accessoire. 475
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Alle apps bijwerken
1. Open de app Download Center op het
appscherm.
Apps verwijderen
Radio
Wanneer de auto een internetverbinding heeft, is
het mogelijk apps te verwijderen.
Het is mogelijk de radiofrequentiebanden voor
AM, FM en digitale radio (DAB)* te beluisteren.
Wanneer de auto een internetverbinding heeft is
het ook mogelijk om webradio te beluisteren.
U kunt een app niet verwijderen, wanneer deze
gebruikt wordt.
2.
2.
Kies Applicatie-updates om een lijst te
openen met alle beschikbare updates.
3.
Zoek de gewenste app op en kies
Installeren.
> De update start.
Gerelateerde informatie
•
476
Open de app Download Center op het
appscherm.
2.
Kies Applicatie-updates om een lijst te
openen met alle geïnstalleerde apps.
3.
Zoek de gewenste app op en kies Deinstalleren om de app te verwijderen.
> Zodra de app verwijderd is, verdwijnt deze
uit de lijst.
Kies Alles installeren.
> De update start.
Bepaalde apps bijwerken
1. Open de app Download Center op het
appscherm.
•
•
•
•
1.
Apps (p. 474)
Apps downloaden (p. 475)
Apps verwijderen (p. 476)
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 577)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
De radio is te bedienen via
stemcommando's, de stuurknoppen of via het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Apps (p. 474)
Apps downloaden (p. 475)
Apps bijwerken (p. 475)
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 577)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Radio starten (p. 477)
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 478)
Radiofavorieten instellen (p. 479)
Instellingen voor radio (p. 480)
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
•
•
•
•
•
Digitale radio* (p. 482)
Radio starten
RDS-radio (p. 481)
De radio is te starten vanuit het appscherm van
het middendisplay.
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
1.
Stembediening radio en media (p. 137)
Open de gewenste radioband (bijv. FM) vanuit het appscherm.
•
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 478)
•
•
•
Radiofavorieten instellen (p. 479)
Instellingen voor radio (p. 480)
Stembediening radio en media (p. 137)
Mediaspeler (p. 483)
2.
Kies een radiokanaal.
Gerelateerde informatie
•
•
Radio (p. 476)
Radiokanaal zoeken (p. 478)
* Optie/accessoire. 477
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Van radioband en radiozender
wisselen
2.
Hier volgen instructies voor het wisselen van frequentieband, het wisselen van kanaallijst in de
gekozen radioband en het wisselen van radiokanaal in de gekozen lijst.
3.
Van radioband wisselen
Open met een vegende beweging het appscherm
op het middendisplay en kies de gewenste radioband (zoals FM) of open het appmenu van het
bestuurdersdisplay met de rechter knoppenset
van het stuurwiel en maak vervolgens een keuze.
Kies weergave via Zenders, Favorieten,
Genres of Ensembles2.
Druk op het gewenste kanaal in de lijst.
Favorieten - alleen de gekozen favoriete kanalen beluisteren.
Genres - uitsluitend radiokanalen beluisteren die
het gekozen genre/programmatype uitzenden,
bijvoorbeeld pop en klassieke muziek.
Van radiokanaal wisselen in gekozen
lijst
–
Van lijst wisselen op de radioband
Druk op
of
onder het middendisplay of op de rechter stuurknoppenset.
> U springt naar het eerstvolgende alternatief in de gekozen lijst.
Wisselen van radiokanaal in de gekozen lijst kan
ook via het middendisplay.
Gerelateerde informatie
1.
2
478
Druk op Bibliotheek.
Radiokanaal zoeken
De radio maakt automatisch een kanaallijst met
de best doorkomende radiokanalen binnen het
actuele gebied.
•
•
•
•
•
•
Radio (p. 476)
Radiokanaal zoeken (p. 478)
Stembediening radio en media (p. 137)
Radiofavorieten instellen (p. 479)
Instellingen voor radio (p. 480)
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay (p. 94)
De zoekopties zijn afhankelijk van de gekozen
radioband:
•
•
•
AM - kanalen en frequentie.
1.
Tik op Bibliotheek.
2.
Druk op
.
> Er verschijnt een zoekscherm met toetsenbord.
FM - kanalen, genres en frequentie.
DAB* - ensembles en kanalen.
Geldt alleen voor digitale radio (DAB*).
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
3.
Voer de zoekterm in.
> Naarmate u meer letters invoert wordt de
zoekopdracht verfijnd. De treffers staan
per categorie geordend.
Handmatig kanalen zoeken
•
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 478)
•
•
Stembediening radio en media (p. 137)
Instellingen voor radio (p. 480)
Radiofavorieten instellen
U kunt een radiokanaal toevoegen aan de app
Radiofavorieten en aan de lijst met favorieten
van de bewuste frequentieband (bijv. FM). Hier
volgen de instructies voor het toevoegen en verwijderen van favorieten.
Radiofavorieten
Radiofavorieten laten de opgeslagen favorieten van alle radiobanden zien.
Wanneer u handmatig kanalen zoekt, schakelt de
radio bij een slechte ontvangst niet meer automatisch over op een andere frequentie.
–
Tik op Hndm. afstemmen, versleep de
of
. Bij lang
schuifknop of tik op
aantikken springt u naar het eerstvolgende
kanaal van de radioband. U kunt ook gebruikmaken van de rechter stuurknoppenset.
Gerelateerde informatie
•
•
Radio (p. 476)
Radio starten (p. 477)
1.
Open de app Radiofavorieten vanuit het
appscherm.
2.
Druk op het gewenste radiokanaal in de lijst
om te luisteren.
Radiofavorieten toevoegen en
verwijderen
–
Druk op
om een radiokanaal aan de lijst
met favorieten op de radioband en aan radiofavorieten toe te voegen of uit de lijst te verwijderen.
Wanneer u een favoriet opslaat vanuit een
kanaallijst, zoekt de radio automatisch naar de
beste frequentie. Maar als er een favoriet wordt
opgeslagen na handmatig kanalen zoeken, schakelt de radio niet automatisch over naar een sterkere frequentie.
}}
479
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Bij het verwijderen van een favoriet wordt deze
eveneens verwijderd uit de lijst met favorieten van
de desbetreffende radioband.
Instellingen voor radio
Gerelateerde informatie
Verkeersbericht onderbreken
•
•
•
•
•
•
•
Radio (p. 476)
Radio starten (p. 477)
Radiokanaal zoeken (p. 478)
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 478)
Stembediening radio en media (p. 137)
Instellingen voor radio (p. 480)
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay (p. 94)
Er zijn diverse radiofuncties te activeren en
deactiveren.
Een lopende uitzending van bijvoorbeeld een verkeersbericht is tijdelijk te onderbreken door op
van de rechter stuurknoppenset of op
Annuleren op het middendisplay te drukken.
Radiofuncties activeren en deactiveren
Veeg het hoofdscherm open en kies
Instellingen Media gevolgd door de gewenste radioband om de beschikbare functies te
bekijken.
AM/FM-radio
• Radiotekst weergeven: informatie weergeven over de inhoud van programma's, uitvoerende artiesten en dergelijke.
• Programmanaam bevriezen: kiezen om de
programmaservicenaam niet permanent te
laten scrollen, maar de weergave na 20
seconden te laten bevriezen.
• Kies mededelingen:
- Lokale onderbrekingen: lopende mediaweergave onderbreken voor informatie over
verkeersproblemen in de nabije omgeving.
De weergave van de voorgaande mediabron
wordt hervat zodra de melding afgerond is.
Lokale onderbrekingen is een geografische begrenzing van Verkeersinformatie.
480
De functie Verkeersinformatie moet tegelijkertijd geactiveerd zijn.
- Nieuws : lopende mediaweergave onderbreken en nieuws doorgeven. De weergave
van de voorgaande mediabron wordt hervat
zodra de nieuwsuitzending afgerond is.
- Alarm: lopende mediaweergave onderbreken en waarschuwingen voor calamiteiten en
rampen doorgeven. De weergave van de
voorgaande mediabron wordt hervat zodra de
melding afgerond is.
- Verkeersinformatie: lopende mediaweergave onderbreken voor informatie over verkeersproblemen. De weergave van de voorgaande mediabron wordt hervat zodra de
melding afgerond is.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
- Alarm: lopende mediaweergave onderbreken en waarschuwingen voor calamiteiten en
rampen doorgeven. De weergave van de
voorgaande mediabron wordt hervat zodra de
melding afgerond is.
DAB* (digitale radio)
• Service sorteren: aangeven hoe de kanalen
moeten worden gesorteerd. Op alfabetische
volgorde of op servicenummer.
• DAB-DAB-verbinding: functie starten voor
- Verkeersinformatie: informatie ontvangen
over verkeersproblemen.
schakelen binnen DAB. Wanneer het signaal
van een bepaald radiokanaal wegvalt, wordt
automatisch overgeschakeld naar hetzelfde
radiokanaal binnen een andere kanaalgroep
(ander ensemble).
- Nieuwsflits: nieuws ontvangen.
- Transportbericht: informatie ontvangen
over openbaar vervoer, bijvoorbeeld dienstregelingen voor veerboten en treinen.
• DAB-FM-verbinding: functie starten voor
schakelen tussen DAB en FM. Wanneer het
signaal van een bepaald radiokanaal wegvalt,
wordt automatisch naar een andere FM-frequentie gezocht.
- Waarschuwing/diensten: informatie ontvangen over incidenten die van minder
belang zijn dan het alarm, bijvoorbeeld
stroomstoringen.
• Radiotekst weergeven: aangeven of radiotekst of gekozen delen van radiotekst, bijvoorbeeld artiest, moet(en) worden weergegeven.
• Afbeeldingen van programma
weergeven: aangeven of op het scherm wel
of geen afbeeldingen voor de verschillende
programma's moeten verschijnen.
• Kies mededelingen: aangeven welk type
berichten moet worden doorgegeven als
DAB actief is. Bij de gekozen meldingen
wordt de lopende mediaweergave onderbroken en wordt de melding afgespeeld. De
weergave van de voorgaande mediabron
wordt hervat zodra de melding afgerond is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Radio (p. 476)
RDS-radio
RDS (Radio Data System) zorgt ervoor dat de
radio automatisch overschakelt naar de sterkste
zender. RDS biedt de mogelijkheid om bijvoorbeeld verkeersinformatie te ontvangen en naar
bepaalde soorten programma's te zoeken.
RDS verbindt FM-zenders in een netwerk met
elkaar. Een FM-zender in een dergelijk netwerk
verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDSradio onder meer de volgende mogelijkheden
biedt:
•
Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in een
bepaald gebied slecht is.
•
Zoeken op programmatype, zoals programmatypes of verkeersinformatie.
•
Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
Digitale radio* (p. 482)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 115)
N.B.
Bepaalde radiostations gebruiken geen RDS
of slechts bepaalde onderdelen van deze
functie.
Als er nieuws of verkeersinformatie wordt uitgezonden, kan de radio naar een andere zender
overschakelen en de weergave van de actieve
audiobron onderbreken. De radio gaat naar de
vorige audiobron en het vorige volume terug wanneer het ingestelde programmatype ophoudt met
}}
* Optie/accessoire. 481
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
uitzenden. Druk om eerder te onderbreken op
op de rechter stuurknoppenset of druk op
Annuleren op het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
Radio (p. 476)
Instellingen voor radio (p. 480)
Digitale radio*
(DAB3)
Digitale radio
is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen. De radio
ondersteunt DAB, DAB+ en DMB4.
De radio is te bedienen via
stemcommando's, de stuurknoppen of via het middendisplay.
De app voor digitale radio is te
starten vanuit het appscherm
op het middendisplay.
DAB-subkanaal
Secundaire componenten worden vaak aangeduid als subkanalen. Dergelijke componenten zijn
van tijdelijke aard en kunnen bijvoorbeeld uit vertalingen van het hoofdprogramma bestaan. Subkanalen worden aangegeven met een pijlsymbool
in het kanaaloverzicht.
Gerelateerde informatie
•
Schakelen tussen de radiobanden FM en
digitale radio* (p. 483)
•
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 478)
•
•
•
•
Radiokanaal zoeken (p. 478)
Radiofavorieten instellen (p. 479)
Stembediening radio en media (p. 137)
Instellingen voor radio (p. 480)
Digitale radio is op dezelfde manier te beluisteren
als andere radiobanden, zoals FM. Behalve
Zenders, Favorieten en Genres kunt u daarbij
ook kiezen uit subkanalen en Ensembles.
Ensembles zijn groepen radiokanalen (kanaalgroep) die op dezelfde frequentie zenden.
Als het radiokanaal zijn logo meestuurt, wordt dit
logo gedownload en weergegeven naast de
kanaalnaam (de downloadtijd varieert).
3
4
482
Digital Audio Broadcasting
Digital Multimedia Broadcasting
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Schakelen tussen de radiobanden
FM en digitale radio*
Dankzij deze functie kan de digitale radio (DAB)
overschakelen van een kanaal dat slecht of helemaal niet te ontvangen is op hetzelfde kanaal in
een andere kanaalgroep (ensemble) met een
betere ontvangst, binnen DAB en/of tussen DAB
en FM.
DAB naar DAB- en DAB naar FMschakeling
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Tik op Media
3.
Vink de vakjes voor DAB-DAB-verbinding
en/of DAB-FM-verbinding aan of juist niet
om de desbetreffende functies te activeren/
deactiveren.
Mediaspeler
Gerelateerde informatie
De mediaspeler kan geluidsbestanden weergeven via op externe mediabronnen die zijn aangesloten via de USB-poort of Bluetooth. De speler
kan ook videobestanden weergegeven via de
USB-poort.
•
•
Wanneer de auto een internetverbinding heeft is
het ook mogelijk om webradio, audioboeken en
muziekdiensten via apps te beluisteren.
DAB.
•
•
•
•
•
•
•
Media afspelen (p. 484)
Media regelen en van media wisselen
(p. 485)
Media zoeken (p. 486)
Apps (p. 474)
Radio (p. 476)
Video (p. 487)
Media via Bluetooth® (p. 489)
Media AUX/USB-poort (p. 489)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Digitale radio* (p. 482)
Radio (p. 476)
Instellingen voor radio (p. 480)
De mediaspeler is te bedienen
vanaf het middendisplay, maar
veel functies zijn ook te bedienen vanaf de rechter stuurknoppenset of via stemcommando's.
Een beschrijving van de radio, die ook in de
mediaspeler te bedienen is, staat in een apart
artikel.
* Optie/accessoire. 483
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Media afspelen
De mediaspeler wordt bediend via het middendisplay. Veel functies zijn ook te bedienen vanaf
de rechter stuurknoppenset of via stemcommando's.
Via de mediaspeler verloopt ook de radiobediening die in een apart artikel beschreven staat.
USB-stick
1. Plaats de USB-stick.
2.
Open de app USB vanuit het appscherm.
3.
Kies wat er moet worden afgespeeld.
> Het afspelen start.
Mp3-speler en iPod®
Mediabron starten
N.B.
Om het afspelen te starten vanaf de iPod,
moet u de iPod-app gebruiken (en niet USB).
Wanneer u muziek op een aangesloten iPod
beluistert, hanteert het audio- en mediasysteem een menustructuur vergelijkbaar met die
van de iPod.
1.
Sluit de mediabron aan.
2.
Start de weergave op de aangesloten mediabron.
3.
Open de app (iPod, USB) vanuit het appscherm.
> Het afspelen start.
Eenheid met Bluetooth-verbinding
1. Activeer Bluetooth op de desbetreffende
mediabron.
Appscherm. (Algemene afbeelding, de basisapps variëren per markt en model.)
484
2.
Sluit de mediabron aan.
3.
Start de weergave op de aangesloten mediabron.
4.
Open de app Bluetooth vanuit het appscherm.
> Het afspelen start.
Media via een internetverbinding
Media afspelen via apps met een internetverbinding:
1.
Maak een internetverbinding voor de auto.
2.
Open de desbetreffende app vanuit het appscherm.
> Het afspelen start.
Lees het aparte artikel voor het downloaden van
apps.
Video
1. Sluit de mediabron aan.
2.
Open de app USB vanuit het appscherm.
3.
Druk op de titel van het weer te geven
bestand.
> Het afspelen start.
Apple CarPlay
CarPlay staat in een apart artikel beschreven.
Android Auto
Android Auto staat in een apart artikel beschreven.
Gerelateerde informatie
•
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 94)
•
Radio (p. 476)
GELUID, MEDIA EN INTERNET
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Media regelen en van media wisselen
(p. 485)
Media regelen en van media
wisselen
onder het middendisplay of op
ter stuurknoppenset.
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 490)
De weergave van media is te regelen via stembediening, de stuurknoppenset of het middendisplay.
Van track/nummer wisselen - op de gewenste
track op het middendisplay drukken, op
of
onder het middendisplay of op de rechter
stuurknoppenset drukken.
Eenheid aansluiten via Bluetooth® (p. 489)
Apps downloaden (p. 475)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
Video (p. 487)
De mediaspeler is te bedienen
via stembediening, de stuurknoppen of via het middendisplay.
Apple® CarPlay®* (p. 492)
Android Auto* (p. 496)
van de rech-
Vooruit-/achteruitspoelen - op de tijdas op het
middendisplay drukken en deze opzij slepen, of
of
onder het middendisplay of op de
rechter stuurknoppenset ingedrukt houden.
Van media wisselen – kies een eerder gebruikte
bron in de app, tik in het appscherm op de
gewenste app of kies met de rechter stuurknop.
penset via het appmenu
Stembediening radio en media (p. 137)
Compatibele formaten voor media (p. 491)
Bibliotheek - op de knop
drukken om af te spelen vanuit
de bibliotheek.
Volume – aan de draaiknop onder het middendisplay draaien of op
van de rechter stuurknoppenset drukken om het volume te verhogen
of te verlagen.
Shuffle - op de knop drukken
voor een willekeurige afspeelvolgorde.
Afspelen/pauzeren - op de afbeelding van de
desbetreffende track drukken, op de fysieke knop
}}
* Optie/accessoire. 485
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Vergelijkbaar - op de knop
drukken om aan de hand van
Gracenote naar soortgelijke
muziek te zoeken op de USBeenheid en op basis daarvan
een speellijst te creëren. De
speellijst kan uit maximaal 50
||
Media zoeken
Gerelateerde informatie
U kunt artiesten, componisten, tracks, albums,
video’s, luisterboeken, speellijsten en bij een
auto met een actieve internetverbinding podcasts (digitale media via internet) zoeken.
•
•
tracks bestaan.
•
•
Mediaspeler (p. 483)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
Media afspelen (p. 484)
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay (p. 121)
Ander apparaat - op de knop
drukken om te wisselen tussen
meerdere aangesloten USBeenheden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Mediaspeler (p. 483)
Media zoeken (p. 486)
Audio-instellingen (p. 472)
1.
.
Druk op
> Er verschijnt een zoekscherm met toetsenbord.
2.
Voer de zoekterm in.
3.
Druk op Zoeken.
> De gekoppelde eenheden worden doorzocht en de treffers verschijnen per categorie geordend in een lijst.
Apps (p. 474)
Gracenote® (p. 487)
Stembediening radio en media (p. 137)
Veeg overdwars over het scherm om alle categorieën apart te bekijken.
486
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Gracenote®
Gracenote geeft bij het afspelen van muziek de
uitvoerende artiesten, albums, tracks en eventuele illustraties weer.
Gracenote MusicID® is een norm voor muziekherkenning. Door identificatie van de muziekbestanden en analyse van de metadata is informatie
over de muziek te presenteren. De metadata die
uit verschillende bronnen komt kan inconsequent
of gebrekkig zijn.
Gracenote ondersteunt de fonetische verwerking
van artiestennamen, albumtitels en genres, zodat
u de stembediening kunt gebruiken om uw
muziek af te spelen.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Tik op Media
3.
Kies instellingen voor Gracenote-gegevens:
Gracenote®.
Gracenote bijwerken
Video
De inhoud van de Gracenote-database wordt
voortdurend bijgewerkt. Download de nieuwste
update voor optimale functionaliteit. Zie
support.volvocars.com voor informatie en downloads.
Videobestanden op apparaten die zijn aangesloten op de USB-poort zijn via de mediaspeler
weer te geven.
Media afspelen (p. 484)
Wanneer de auto begint te rijden verdwijnt het
beeld, maar het geluid is nog steeds te horen.
Het beeld komt weer terug, wanneer de auto stilstaat.
Licentieovereenkomst voor audio en media
(p. 518)
Informatie over compatibele mediaformaten vindt
u elders.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Stembediening radio en media (p. 137)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Video afspelen (p. 488)
DivX® weergeven (p. 488)
Instellingen voor video (p. 488)
Compatibele formaten voor media (p. 491)
• Online opzoeken Gracenote® - onlinedatabase van Gracenote doorzoeken op gegevens over de afgespeelde media.
• Meerdere resultaten Gracenote® - aangeven hoe Gracenote-gegevens moeten
worden weergegeven bij meerdere treffers.
1 - originele bestandsgegevens gebruiken.
2 - Gracenote-gegevens gebruiken.
3 - Gracenote- of originele data kiezen.
• Geen - geen treffers.
487
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Video afspelen
DivX® weergeven
Instellingen voor video
Video's zijn af te spelen via de app USB op het
appscherm.
Om Video-on-Demand-films (VOD) in DivX-formaat te kunnen afspelen moet u deze DivX
Certified® eenheid eerst registreren.
U kunt de instellingen voor videoweergave wijzigen, bijv. de te hanteren taal.
1.
Sluit een mediabron (USB-eenheid) aan.
2.
Open de app USB vanuit het appscherm.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
3.
Tik op de titel die u wilt afspelen.
> Het afspelen start.
2.
Druk op Video DivX® VOD om de registratiecode op te halen.
3.
Breng voor meer informatie en om de registratie te voltooien een bezoek aan
vod.divx.com.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
488
Video (p. 487)
DivX®
weergeven (p. 488)
Instellingen voor video (p. 488)
Gerelateerde informatie
Compatibele formaten voor media (p. 491)
•
•
•
•
Video (p. 487)
Video afspelen (p. 488)
Instellingen voor video (p. 488)
Compatibele formaten voor media (p. 491)
Wanneer de videospeler in de stand voor volledige schermgrootte staat of wanneer u het
hoofdscherm hebt geopend en op Instellingen
Video drukt, beschikt u over de volgende
opties: Audiotaal, Uit en Ondertitelingstaal.
Gerelateerde informatie
•
Video (p. 487)
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Media via Bluetooth®
De mediaspeler in de auto is uitgerust met
Bluetooth en kan draadloos audiobestanden op
externe Bluetooth-eenheden afspelen zoals
mobiele telefoons en laptops.
De mediaspeler kan audiobestanden op een
externe eenheid alleen draadloos afspelen als
deze eenheid eerst via Bluetooth aan de auto is
gekoppeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Eenheid aansluiten via Bluetooth® (p. 489)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 500)
Media afspelen (p. 484)
Compatibele formaten voor media (p. 491)
Eenheid aansluiten via Bluetooth®
Bluetooth®-apparaat
Media AUX/USB-poort
Verbind een
met de auto
om draadloos media af te spelen en een eventuele internetverbinding voor de auto te gebruiken.
Via de USB-poort is een externe audiobron zoals
een iPod® of mp3-speler aan te sluiten op het
audiosysteem.
Hoewel veel moderne telefoons Bluetooth®-technologie bieden, zijn niet alle telefoons volledig
compatibel met de auto.
Apparaten met oplaadbare batterijen worden
opgeladen, wanneer ze zijn aangesloten via USB
en het contact in stand I, II staat of de motor
draait.
Voor informatie over de compatibiliteit, zie
support.volvocars.com.
U kunt een media-eenheid op dezelfde manier
via Bluetooth® aan de auto koppelen als een
telefoon.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Media via Bluetooth® (p. 489)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 500)
Media afspelen (p. 484)
De inhoud van een externe audiobron is sneller
te lezen, als er op deze audiobron alleen compatibele bestandsformaten staan. Ook videobestanden zijn via de USB-poort weer te geven.
Sommige mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem dat niet ondersteund word door
het systeem.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 490)
Media afspelen (p. 484)
Video (p. 487)
Contactslotstanden (p. 400)
Technische specificaties voor USB-eenheden (p. 490)
Apple® CarPlay®* (p. 492)
Android Auto* (p. 496)
* Optie/accessoire. 489
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Eenheid aansluiten via USB-poort
Technische specificaties voor USBeenheden
Via een van de USB-poorten in de auto is een
externe audiobron zoals een iPod® of mp3-speler aan te sluiten op het audiosysteem.
Om de inhoud van USB-eenheden te kunnen
lezen moet de eenheid aan de volgende specificaties voldoen.
Bij gebruik van Apple CarPlay* en Android Auto*
moet de telefoon worden aangesloten op de
USB-poort met een witte omlijsting (als er twee
USB-poorten zijn).
Een eventuele mapstructuur is tijdens het afspelen niet zichtbaar op het middendisplay.
Maximumaantal
Bestanden
15 000
Mappen
1 000
Mapniveaus
8
Media afspelen (p. 484)
Speellijsten
100
Media AUX/USB-poort (p. 489)
Maximumaantal posten in
een speellijst
1 000
Submappen
Onbeperkt
USB-poort* (type C) achter in de tunnelconsole voor
oplading van bijv. telefoons en tablets5.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
USB-poorten (type A) onder het middendisplay.
5
490
Mediaspeler (p. 483)
Technische specificaties voor USB-eenheden (p. 490)
•
Technische specificaties voor USB-eenheden (p. 490)
Technische specificaties voor USB-Apoort
•
•
Apple® CarPlay®* (p. 492)
•
•
•
•
Android Auto* (p. 496)
Aansluiting type A
Versie 2.0
Voeding 5 V
Maximale stroomsterkte 2,1 A
Deze poort leent zich niet voor weergave van media op een USB-apparaat via het audio- of mediasysteem van de auto.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Technische specificaties voor USB-Cpoort
•
•
•
•
Aansluiting type C
Versie 3.1
Voeding 5 V
Maximale stroomsterkte 3,0 A
Gerelateerde informatie
•
Media AUX/USB-poort (p. 489)
Compatibele formaten voor media
Formaat
Bestandsextensie
Voor het afspelen van media zijn de volgende
bestandsformaten vereist.
AVI
.avi
Audiobestanden
AVI (DivX)
.avi, .divx
ASF
.asf, .wmv
MKV
.mkv
Formaat
Bestandsextensie
Codec
MP3
.mp3
MPEG1 Layer III,
MPEG2 Layer III,
MP3 Pro (mp3compatibel),
MP3 HD (mp3compatibel)
AAC
.m4a, .m4b, .aac
AAC LC (MPEG-4
part III Audio),
HE-AAC (aacPlus
v1/v2)
WMA
.wma
WMA8/9,
WMA9/10 Pro
WAV
.wav
LPCM
FLAC
.flac
FLAC
Ondertiteling
Formaat
Bestandsextensie
SubViewer
.sub
SubRip
.srt
SSA
.ssa
Videobestanden
Formaat
Bestandsextensie
MP4
.mp4, .m4v
MPEG-PS
.mpg, .mp2, .mpeg, .m1v
}}
491
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
DivX®
DivX-gecertificeerde eenheden zijn getest op
hoogkwalitatieve videoweergave van DivX
(.divx, .avi). Wanneer het DivX-logo zichtbaar is,
kunnen er DivX-films afgespeeld worden.
Speciale functies
Referentie
Alternatieve ondertitels,
alternatieve audiotracks,
weergave hervatten
Voldoet aan alle voorwaarden voor het DivX
Home Theater-profile.
Breng een bezoek aan
divx.com voor meer informatie en programma's
om bestanden te converteren naar DivX Home
Theater-video.
Profiel
DivX Home Theater
Videocodec
DivX, MPEG-4
Resolutie
720x576
Audiobitsnelheid
(bit rate)
4.8Mbps
Beeldsnelheid
30 fps
Gerelateerde informatie
Bestandsextensie
.divx, .avi
Maximale
bestandsgrootte
4 GB
•
•
•
Audiocodec
MP3, AC3
Ondertiteling
XSUB
Mediaspeler (p. 483)
Video (p. 487)
DivX® weergeven (p. 488)
Apple® CarPlay®*
CarPlay biedt u de mogelijkheid om tijdens het
rijden muziek te beluisteren, te bellen, routeinstructies te ontvangen, sms-berichten te versturen/ontvangen en Siri te raadplegen, zonder
afgeleid te worden.
CarPlay werkt alleen met
bepaalde iOS-apparaten. Bij
auto's zonder CarPlay is de app
achteraf te installeren. Neem
contact op met een Volvo-dealer om CarPlay te installeren.
Informatie over de ondersteunde apps en de
compatibele iOS-apparaten vindt u op de homepage van Apple: www.apple.com/ios/carplay/.
Gebruik van apps die niet compatibel zijn met
CarPlay kan er soms toe leiden dat de verbinding
tussen het apparaat en de auto wegvalt. Let erop
dat Volvo niet verantwoordelijk is voor de inhoud
van CarPlay.
Bij gebruik van de kaartnavigatie via CarPlay verschijnt de routebegeleiding niet op het bestuurdersdisplay maar alleen op het middendisplay.
Als u de navigatie via CarPlay start, wordt eventuele lopende routebegeleiding van het navigatiesysteem in de auto beëindigd.
De CarPlay-apps zijn te bedienen via het middendisplay, het iOS-apparaat of de rechter stuurknoppenset (geldt voor bepaalde functies). De
apps zijn tevens te regelen met de stembedie-
492
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
ning van de virtuele assistent Siri. Bij lang indrukactiveert u de stembeken van de stuurknop
diening via de virtuele assistent Siri en bij kort
indrukken activeert u de stembediening van de
auto. Als Siri te snel wordt afgebroken, kunt u de
stuurknop
ingedrukt houden.6.
Door Apple CarPlay te gebruiken stemt u in
met het volgende: Apple CarPlay is een
service van Apple Inc. die valt onder de
voorwaarden van Apple Inc. Volvo Cars is
daarom niet verantwoordelijk voor Apple
CarPlay of de functies/applicaties ervan. Bij
gebruik van Apple CarPlay, wordt bepaalde
informatie van uw auto (waaronder de
locatie van de auto) doorgegeven aan uw
iPhone. Ten aanzien van Volvo Cars bent u
zelf volledig verantwoordelijk voor uw eigen
gebruik van Apple CarPlay of voor het
gebruik door iemand anders.
6
Een iOS-apparaat aansluiten en
CarPlay starten
2.
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 126)
Lees de informatie in het pop-upvenster en
druk vervolgens op OK.
3.
Tik op Apple CarPlay op het appscherm.
gebruiken (p. 493)
Instellingen voor Apple® CarPlay®* (p. 495)
Apple en CarPlay zijn geregistreerde handelsmerken van Apple Inc.
5.
Tik op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
N.B.
Stembediening (p. 135)
CarPlay®*
Neem de voorwaarden door en druk vervolgens op Accepteren om een verbinding te
maken.
> Het deelscherm met CarPlay wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
CarPlay is alleen te gebruiken als Bluetooth is
uitgeschakeld. Een telefoon of mediaspeler
die via Bluetooth is verbonden met de auto, is
dan ook niet beschikbaar als CarPlay actief is.
Om een internetverbinding te maken voor de
boordapps moet u een alternatieve internetbron gebruiken. Gebruik Wi-Fi of de geïntegreerde automodem*.
Sluit een iOS-apparaat aan op de USB-poort.
Bij een auto met twee USB-poorten moet u
de aansluiting met een witte omlijsting
gebruiken.
Apple®
4.
Voor het gebruik van CarPlay moet u de digitale
assistent Siri in uw iOS-apparaat zijn geactiveerd. De telefoon heeft bovendien een internetverbinding nodig via wifi of het mobiele netwerk.
1.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Apple® CarPlay®* gebruiken
}}
* Optie/accessoire. 493
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
CarPlay starten
CarPlay start als volgt na aansluiting van een
iOS-apparaat.
1.
Sluit een iOS-apparaat aan op de USB-poort.
Bij een auto met twee USB-poorten moet u
de aansluiting met een witte omlijsting
gebruiken.
> Als de instelling voor automatische
inschakeling is gekozen – de naam van
het apparaat verschijnt.
Wisselen tussen CarPlay en iPod
Van CarPlay naar iPod
1. Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Ga verder naar Communicatie
CarPlay.
3.
Vink het vakje uit voor het iOS-apparaat dat
bij aansluiting van de USB-kabel niet langer
tot automatisch activering van CarPlay moet
leiden.
2.
Tik op de naam van het apparaat – het deelscherm met CarPlay wordt geopend en de
compatibele apps verschijnen.
4.
Haal de verbinding op de USB-poort los voor
het iOS-apparaat en sluit het apparaat weer
aan.
3.
Tik op Apple CarPlay op het appscherm, als
het deelscherm met CarPlay niet wordt
geopend.
> Het deelscherm met CarPlay wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
5.
Open de app iPod vanuit het appscherm.
4.
Tik op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
CarPlay blijft op actief op de achtergrond, als u
vanuit hetzelfde deelscherm een andere app
start. Druk op het pictogram CarPlay in het appscherm om CarPlay weer in het deelscherm te
weer te geven.
7
Instellingen voor Apple® CarPlay®* (p. 495)
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 511)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
automodem (simkaart) (p. 512)
•
Stembediening (p. 135)
Van iPod naar CarPlay
1. Tik op Apple CarPlay op het appscherm.
2.
Lees de informatie in het pop-upvenster en
druk vervolgens op OK.
3.
Haal de verbinding op de USB-poort los voor
het iOS-apparaat en sluit het apparaat weer
aan.
> Het deelscherm met Apple CarPlay wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen7.
Gerelateerde informatie
•
•
494
Apple
•
•
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 490)
Apple® CarPlay®* (p. 492)
Apple, CarPlay, iPhone en iPod zijn geregistreerde handelsmerken van Apple Inc.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Instellingen voor Apple® CarPlay®*
2.
Instellingen voor een iOS-apparaat aangesloten
met CarPlay8.
Automatisch starten
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Ga naar Communicatie
en kies de instelling:
•
•
Apple CarPlay
Vink het vakje aan - CarPlay start automatisch bij aansluiting van de USB-kabel.
Vink het vakje uit - CarPlay start niet automatisch bij aansluiting van de USB-kabel.
Als de auto met meerdere mensen wordt
gedeeld, zoals bij carsharing, dient u er rekening
mee te houden dat er maximaal 20 iOS-apparaten in de lijst kunnen worden opgeslagen. Wanneer de lijst vol is, wordt bij aansluiting van een
nieuwe eenheid de oudste aansluiting verwijderd.
Om de lijst te verwijderen moet u de instellingen
herstellen op het middendisplay (fabrieksinstellingen herstellen).
Druk op Geluid Systeemvolumes om
instellingen te verrichten voor het volgende:
Tips voor het gebruik van Apple®
CarPlay®*
• Stembediening
• Navi-stembegeleid.
• Ringtone telefoon
Hier vindt u handige tips voor het gebruik van
CarPlay®.
•
Werk uw iOS-apparaat bij met de nieuwste
versie van het besturingssysteem iOS en
zorg dat u over de nieuwste appversies
beschikt.
•
Neem bij problemen met CarPlay het iOSapparaat los uit de USB-poort en sluit het
opnieuw aan. Het afsluiten en opnieuw starten van de app die niet werkt is ook het proberen waard of sluit alle apps en start het
apparaat opnieuw.
•
Als bij het starten van CarPlay de apps niet
verschijnen (zwart scherm), kan het minimaliseren en maximaliseren van het deelscherm
CarPlay een oplossing zijn.
•
Gebruik van apps die niet compatibel zijn met
CarPlay kan er soms toe leiden dat de verbinding tussen het iOS-apparaat en de auto
wegvalt. Informatie over de ondersteunde
apps en de compatibele apparaten vindt u op
de homepage van Apple. Ook kunt u CarPlay
in App Store zoeken voor informatie over
apps die compatibel zijn met CarPlay op uw
markt.
•
Met de hulp van Siri kunt u berichten schrijven/dicteren en laten voorlezen. De berich-
Gerelateerde informatie
•
•
•
Apple® CarPlay®* (p. 492)
Apple® CarPlay®* gebruiken (p. 493)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 126)
Systeemvolumes
1.
8
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
Apple en CarPlay zijn geregistreerde handelsmerken van Apple Inc.
}}
* Optie/accessoire. 495
GELUID, MEDIA EN INTERNET
ten worden voorgelezen in de taal die in de
instellingen voor Siri is gekozen. Tijdens het
schrijven/dicteren van berichten verschijnt de
tekst niet op het middendisplay, maar op het
iOS-apparaat.
||
•
Bij gebruik van CarPlay wordt een eventuele
Bluetooth-verbinding van het apparaat met
de auto verbroken. Herstel de internetverbinding van de auto dan door "internet sharing"
via de Wi-Fi-hotspot van het apparaat.
•
CarPlay werkt alleen in combinatie met
iPhone9.
Android Auto*
Android Auto biedt u de mogelijkheid om tijdens
het rijden muziek te beluisteren, te bellen, routeinstructies te ontvangen en voor de auto aangepaste apps op een Android-apparaat te gebruiken. Android Auto werkt alleen met bepaalde
Android-apparaten.
N.B.
Gerelateerde informatie
Apple® CarPlay®* (p. 492)
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 511)
Informatie over de ondersteunde apps en de
compatibele Android-apparaten vindt u op de
homepage: www.android.com/auto/. Zie Google
Play voor apps van derden. Let erop dat Volvo
niet verantwoordelijk is voor de inhoud van
Android Auto.
Android Auto is te starten vanuit het appscherm.
Wanneer u Android Auto eenmaal hebt geactiveerd, zal de app een volgende keer dat u het-
9
496
N.B.
Wanneer er een apparaat gekoppeld is aan
Android Auto kunt u via Bluetooth muziek
streamen naar een andere mediaspeler.
Bluetooth is actief bij gebruik van Android
Auto.
Bij gebruik van de kaartnavigatie via Android Auto
verschijnt de routebegeleiding niet op het
bestuurdersdisplay maar alleen op het middendisplay.
Beschikbaarheid en werking kunnen per
markt verschillen.
•
•
zelfde apparaat aansluit opnieuw worden gestart.
Deze automatische activering is uit te schakelen
onder de instellingen.
Android Auto is aan te sturen via het middendisplay, en wel met de rechter toetsenset van het
stuur of via stembediening. Bij lang indrukken van
activeert u Google Assistent
de stuurknop
en bij kort indrukken deactiveert u de assistent.
Door Android Auto te gebruiken, stemt u in
met het volgende: Android Auto is een
onder de voorwaarden van Google Inc.
geleverde dienst. Volvo Cars is niet
verantwoordelijk voor Android Auto of de
functies of applicaties ervan. Wanneer u
Android Auto gebruikt, zet uw auto
bepaalde informatie (waaronder zijn locatie)
over naar uw verbonden Android telefoon. U
Apple, CarPlay en iPhone zijn geregistreerde handelsmerken van Apple Inc.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
bent zelf volledig verantwoordelijk voor uw
eigen gebruik van Android Auto en dat door
anderen.
Gerelateerde informatie
•
•
Android Auto* gebruiken (p. 497)
Android Auto* gebruiken
Om de app Android Auto te gebruiken moet de
app op het Android-apparaat zijn geïnstalleerd
en het apparaat moet zijn aangesloten op de
USB-poort van de auto.
Instellingen voor Android Auto* (p. 498)
N.B.
Om Android Auto te kunnen gebruiken moet
de auto zijn uitgerust met twee USB-aansluitingen (USB-hub)*. Als de auto slechts één
USB-aansluiting heeft, kunt u Android Auto
niet gebruiken.
Eerste aansluiting van een Android
1. Sluit het Android-apparaat aan op de USBpoort met de witte omlijsting.
2.
Lees de informatie in het pop-upvenster en
druk vervolgens op OK.
3.
Tik op Android Auto op het appscherm.
4.
Neem de voorwaarden door en druk vervolgens op Accepteren om een verbinding te
maken.
> Het deelscherm met Android Auto wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
5.
Tik op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
Eerder aangesloten Android
1. Sluit het apparaat aan op de USB-poort met
de witte omlijsting.
> Als de instelling voor automatische
inschakeling is gekozen – de naam van
het apparaat verschijnt.
2.
Tik op de naam van het apparaat – het deelscherm met Android Auto wordt geopend en
de compatibele apps verschijnen.
3.
Als u niet gekozen hebt voor automatische activering – open de app Android
Auto vanuit het appscherm.
> Het deelscherm met Android Auto wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
4.
Tik op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
Android Auto blijft op actief op de achtergrond,
als u vanuit hetzelfde deelscherm een andere
app start. Druk op het pictogram Android Auto in
het appscherm om Android Auto weer in het
deelscherm te weer te geven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Android Auto* (p. 496)
Instellingen voor Android Auto* (p. 498)
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 490)
Stembediening (p. 135)
* Optie/accessoire. 497
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Instellingen voor Android Auto*
Gerelateerde informatie
Instellingen voor een Android-apparaat dat voor
het eerst via Android Auto is verbonden.
•
•
•
Automatisch starten
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
en kies de instelling:
Android Auto
•
Vink het vakje aan - Android Auto start
automatisch bij aansluiting van de USBkabel.
•
Vink het vakje uit - Android Auto start niet
automatisch bij aansluiting van de USBkabel.
De lijst kan maximaal 20 Android-apparaten
bevatten. Wanneer de lijst vol is, wordt bij aansluiting van een nieuwe eenheid de oudste aansluiting verwijderd.
Android Auto* (p. 496)
Android Auto* gebruiken (p. 497)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 126)
Tips voor het gebruik van Android
Auto*
Hier vindt u handige tips voor het gebruik van
Android Auto.
•
Zorg dat u over de nieuwste appversies
beschikt.
•
Wacht bij het starten van de auto totdat het
middendisplay is ingeschakeld, verbind het
apparaat en open vervolgens Android Auto
vanuit het appscherm.
•
Neem bij problemen met Android Auto het
Android-apparaat los uit de USB-poort en
sluit het apparaat opnieuw aan. De desbetreffende app op het apparaat afsluiten en
opnieuw starten is ook het proberen waard.
•
Wanneer er een apparaat is verbonden met
Android Auto, kunt u nog steeds via
Bluetooth media weergeven op een andere
mediaspeler. De Bluetooth-functie is ingeschakeld bij het gebruik van Android Auto.
•
Als het pictogram voor Android Auto grijs
gemarkeerd is, betekent dit dat het desbetreffende apparaat niet is aangesloten. Bij
verbinding van het apparaat licht het pictogram op. Als het pictogram helemaal ontbreekt, biedt de auto geen ondersteuning
voor verbinding van een apparaat voor het
desbetreffende doel.
•
Bij gebruik van Android Auto wordt een
eventuele Bluetooth-verbinding van het
apparaat met de auto verbroken. Herstel de
Om de lijst te verwijderen moet u de fabrieksinstellingen herstellen.
Systeemvolumes
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Geluid Systeemvolumes om
instellingen te verrichten voor het volgende:
• Stembediening
• Navi-stembegeleid.
• Ringtone telefoon
498
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
internetverbinding van de auto dan door
"internet sharing" via de Wi-Fi-hotspot van
het apparaat.
•
Als de auto met meerdere mensen wordt
gedeeld, zoals bij carsharing het geval kan
zijn, dient u er rekening mee te houden dat
er maximaal 20 Android-apparaten in het
geheugen kunnen worden opgeslagen. Wanneer de lijst vol is, wordt bij aansluiting van
een nieuwe eenheid de oudste aansluiting
verwijderd. Om deze lijst te verwijderen moet
u de fabrieksinstellingen herstellen.
Gerelateerde informatie
•
•
Android Auto* (p. 496)
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 511)
Telefoon
Overzicht
Een telefoon met Bluetooth is draadloos aan te
sluiten op het geïntegreerde handsfreesysteem
van de auto.
Het audio- en mediasysteem werkt dan als handsfree en biedt u de mogelijkheid om enkele functies van uw telefoon op afstand te bedienen. U
kunt de telefoon ook na aansluiting nog via de
knoppen op de telefoon bedienen.
Wanneer een telefoon is gekoppeld en aangesloten is op de auto, kunt u deze gebruiken om te
bellen, berichten te versturen/ontvangen en
media te streamen. Ook kunt u de telefoon
gebruiken als internetverbinding.
Microfoon.
Telefoon.
De telefoon is te bedienen via het middendisplay
en voor een deel via stemcommando's en het
appmenu, dat bereikbaar is via de rechter stuurknoppenset.
Draadloze telefoonoplader.
Telefoonfuncties op middendisplay.
Knoppenset die op het bestuurdersdisplay
verschijnt voor telefoonfuncties en voor
stembediening.
Bestuurdersdisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Telefoonfuncties (p. 504)
Telefoonboekfuncties (p. 507)
Berichtfuncties (p. 505)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 500)
}}
* Optie/accessoire. 499
GELUID, MEDIA EN INTERNET
•
Telefoon automatisch verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 502)
Telefoon eerste keer verbinden met
de auto via Bluetooth
Alternatief 1 – telefoon zoeken vanuit
de auto
•
Telefoon handmatig verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 502)
1.
Maak de telefoon identificeerbaar/zichtbaar
via Bluetooth.
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 503)
2.
Open het deelscherm voor de telefoon op
het middendisplay.
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 503)
Verbind een telefoon met geactiveerde
Bluetooth-functie aan de auto, zodat u vervolgens vanuit de auto kunt bellen, berichten kunt
versturen/ontvangen, draadloos media kunt
afspelen en via de telefoon een internetverbinding voor de auto kunt maken.
•
•
•
•
•
Bluetooth-eenheden verwijderen (p. 504)
•
•
Draadloze telefoonoplader* (p. 508)
Instellingen voor telefoon (p. 507)
Stembediening (p. 135)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 94)
Audio-instellingen (p. 472)
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon met Bluetooth-verbinding
(p. 510)
Er kunnen twee Bluetooth-apparaten tegelijk zijn
aangesloten, waarbij het ene uitsluitend bestemd
is om draadloos te streamen. De laatst verbonden
telefoon wordt automatisch verbonden om te
kunnen bellen, berichten te kunnen versturen/
ontvangen, draadloos media te kunnen afspelen
en de telefoon te gebruiken voor een internetverbinding. Onder Bluetooth-apparaten kunt u via
het instellingsmenu op het hoofdscherm van het
middendisplay wijzigingen aanbrengen in het
gebruik van de telefoon. De mobiele telefoon
moet zijn uitgerust met Bluetooth en ondersteuning bieden voor "internet sharing".
Wanneer het apparaat eenmaal via Bluetooth
verbonden/geregistreerd is, hoeft dit apparaat
niet langer zichtbaar/detecteerbaar te zijn. Activering van de Bluetooth-functie volstaat. Er kunnen maximaal 20 gepairde Bluetooth-apparaten
in de auto worden opgeslagen.
•
Als er geen telefoon met de auto verbonden is – tik op Telefoon toevoegen.
Als er een telefoon met de auto verbon. Druk in het
den is – tik op Wijzigen
pop-upvenster op Tel. toevoegen.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare
Bluetooth-apparaten. Bij identificatie van
nieuwe apparaten wordt de lijst bijgewerkt.
•
3.
Tik op de naam van de te pairen telefoon.
4.
Controleer of de aangegeven cijfercode in de
auto overeenkomt met die op de telefoon.
Accepteer in dat geval op beide punten.
5.
Accepteer of weiger in de telefoon eventuele
opties voor de contactpersonen en de
berichtfuncties van de telefoon.
U kunt op twee manieren pairen. U zoekt de telefoon vanuit de auto of u zoekt de auto vanaf de
telefoon.
500
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
N.B.
•
Bij sommige telefoons moet de berichtenfunctie geactiveerd worden.
•
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel en ze kunnen dus niet allemaal contacten en berichten in de auto
tonen.
5.
6.
7.
Alternatief 2 – auto zoeken vanaf de
telefoon
1.
Open het deelscherm voor de telefoon op
het middendisplay.
•
•
Als er geen telefoon met de auto verbonden is – tik op Telefoon toevoegen
Auto herkenbaar maken.
Als er een telefoon met de auto verbon. Druk in het
den is – tik op Wijzigen
pop-upvenster op Telefoon toevoegen
Auto herkenbaar maken.
2.
Activeer Bluetooth op de telefoon.
3.
Zoek op de telefoon naar Bluetooth-apparaten.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare
Bluetooth-apparaten.
4.
Kies de naam van de auto op de telefoon.
In de auto verschijnt een pop-upvenster met
informatie over de verbinding. Bevestig de
verbinding.
Controleer of de aangegeven cijfercode in de
auto overeenkomt met de getoonde code op
de externe eenheid. Accepteer in dat geval
op beide punten.
Accepteer of weiger in de telefoon eventuele
opties voor de contactpersonen en de
berichtfuncties van de telefoon.
Compatibele telefoons
Hoewel veel moderne telefoons Bluetooth-technologie bieden, zijn niet alle telefoons volledig
compatibel met de auto.
Zie support.volvocars.com voor compatibiliteit.
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 499)
•
Telefoon handmatig verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 502)
N.B.
Telefoon automatisch verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 502)
•
Bij sommige telefoons moet de berichtenfunctie geactiveerd worden.
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 503)
•
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel en ze kunnen dus niet allemaal contacten en berichten in de auto
tonen.
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 503)
•
•
Bluetooth-eenheden verwijderen (p. 504)
N.B.
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon met Bluetooth-verbinding
(p. 510)
Bij een update van het besturingssysteem van
de telefoon wordt de koppeling mogelijk
onderbroken. Verwijder de telefoon dan uit de
auto en breng een nieuwe koppeling tot
stand.
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 508)
* Optie/accessoire. 501
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Telefoon automatisch verbinden
met de auto via Bluetooth
Het is mogelijk om een telefoon automatisch via
Bluetooth te verbinden. De telefoon moet een
keer eerder met de auto zijn verbonden.
Automatische aansluiting werkt alleen voor de
twee laatst gekoppelde telefoons.
1.
Activeer Bluetooth op de telefoon alvorens
de auto in contactslotstand I te zetten.
2.
Zet de auto in contactslotstand I of hoger.
> De telefoon wordt aangesloten.
Gerelateerde informatie
502
•
•
Telefoon (p. 499)
•
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon met Bluetooth-verbinding
(p. 510)
•
Contactslotstanden (p. 400)
Telefoon handmatig verbinden met
de auto via Bluetooth
Het is mogelijk om een telefoon handmatig via
Bluetooth te verbinden. De telefoon moet een
keer eerder met de auto zijn verbonden.
1.
Activeer Bluetooth op de telefoon.
2.
Open het deelscherm voor de telefoon.
> Er verschijnt een lijst met de gekoppelde
telefoons.
3.
Druk op de naam van de te pairen telefoon.
> De telefoon wordt aangesloten.
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 499)
Telefoon handmatig verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 502)
•
Telefoon automatisch verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 502)
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 503)
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 503)
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 503)
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 503)
•
•
Bluetooth-eenheden verwijderen (p. 504)
•
•
Bluetooth-eenheden verwijderen (p. 504)
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 500)
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 508)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 500)
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 508)
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
Telefoon met Bluetooth-verbinding
loskoppelen
Andere telefoon met Bluetoothverbinding kiezen
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon met Bluetooth-verbinding
(p. 510)
Het is mogelijk een telefoon met Bluetooth-verbinding los te koppelen, waarna de telefoon niet
langer is verbonden met de auto.
U kunt een andere telefoon met Bluetooth-verbinding kiezen.
•
De telefoon wordt automatisch losgekoppeld,
wanneer deze buiten het bereik van de auto
komt. Als u de telefoon tijdens een lopend
telefoongesprek loskoppelt, wordt het
gesprek via de telefoon voortgezet.
•
De telefoon is ook los te koppelen door
Bluetooth handmatig te deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Telefoon (p. 499)
Instellingen voor telefoon (p. 507)
1.
Open het deelscherm voor de telefoon.
2.
of veeg het hoofdTik op Wijzigen
scherm open en tik op Instellingen
Communicatie Bluetooth-apparaten
Apparaat toevoegen.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare
Bluetooth-apparaten.
3.
Druk op de aan te sluiten telefoon.
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 499)
Bluetooth-eenheden verwijderen (p. 504)
•
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 508)
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 508)
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 503)
•
Bluetooth-eenheden verwijderen (p. 504)
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 503)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 500)
* Optie/accessoire. 503
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Bluetooth-eenheden verwijderen
Telefoonfuncties
Apparaten zoals telefoons zijn te verwijderen van
de lijst met geregistreerde Bluetooth-eenheden.
Verwerking van gesprekken in de auto voor een
telefoon met Bluetooth-verbinding.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Tik op Communicatie Bluetoothapparaten.
> Er verschijnt een lijst met de geregistreerde Bluetooth-apparaten.
Het is ook mogelijk om te bellen via de gesprekkenlijst in het appmenu, dat toegankelijk is via de
rechter stuurknoppenset
.
Ruggespraak
Tijdens lopende gesprekken:
1.
Tik op Voeg gesprek toe.
2.
Geef aan hoe u wilt bellen: via de gesprekkenlijst, de favorieten of de contactenlijst.
3.
Tik op de te verwijderen eenheid.
3.
4.
Tik op App. verwijderen en bevestig uw
keuze.
> De eenheid staat niet langer geregistreerd in de auto.
Druk op een post/regel in de gesprekkenlijst
voor de contactpersoon in de conof op
tactenlijst.
4.
Tik op Wissel gesprek om te wisselen tussen gesprekken.
5.
om het lopende gesprek te
Druk op
beëindigen.
Gerelateerde informatie
Algemene afbeelding.
•
•
Telefoon (p. 499)
Bellen
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 500)
1.
Open het deelscherm voor de telefoon.
2.
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 503)
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 503)
•
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 508)
Geef aan hoe u wilt bellen: via de gesprekkenlijst, via de contactenlijst of geef het nummer aan via de knoppenset. U kunt de contactenlijst doorzoeken of doorbladeren. Druk
op
in de contactenlijst om een contactpersoon onder te brengen onder Favorieten.
3.
Tik op
4.
Druk op
om te bellen.
om het gesprek te beëindigen.
Conferentiegesprek
Tijdens ruggespraak:
1.
Tik op Gesprekken samenv. om de
lopende gesprekken samen te voegen.
2.
Druk op
Telefoonoproepen
Telefoonoproepen verschijnen op het bestuurdersdisplay en op het middendisplay. Voer het
gesprek met de rechter stuurknoppenset of met
het middendisplay.
1.
504
om het gesprek te beëindigen.
Tik op Antwoorden/Afwijzen.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
2.
Druk op
om het gesprek te beëindigen.
Telefoonoproepen tijdens lopende
telefoongesprekken
1. Tik op Antwoorden/Afwijzen.
2.
Druk op
om het gesprek te beëindigen.
Privégesprek
–
Druk tijdens een lopend gesprek op Privacy
en kies de instelling:
• Naar mobiele telefoon schakelen – de
handsfree-functie wordt uitgeschakeld en
het gesprek gaat verder via de mobiele
telefoon.
• Op bestuurder gericht – de microfoon
in het plafond aan de passagierszijde
wordt uitgeschakeld en het gesprek gaat
verder via de handsfree-functie van de
auto.
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 499)
•
•
Stembediening telefoon (p. 137)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 500)
•
•
Berichtfuncties (p. 505)
Berichtfuncties10
Audio-instellingen (p. 472)
Verwerking van berichten in de auto voor een
telefoon met Bluetooth-verbinding.
Op sommige telefoons moet de functie 'Berichten' worden geactiveerd. Niet alle telefoons zijn
volledig compatibel, zodat contactpersonen en
meldingen niet altijd in de auto te tonen zijn. Zie
support.volvocars.com voor compatibiliteit.
Tekstberichten op middendisplay
hanteren
Tekstberichten verschijnt alleen op het middendisplay als u deze instelling hebt gekozen.
Tik op Berichten in het appscherm voor berichtfuncties op
het middendisplay.
Tekstberichten op middendisplay laten
voorlezen
Druk op het pictogram om de melding
te laten voorlezen.
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 94)
•
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay (p. 121)
•
Telefoonboekfuncties (p. 507)
}}
505
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Tekstberichten op middendisplay versturen11
1. U kunt een bericht beantwoorden of een
nieuw bericht aanmaken.
•
•
Berichten beantwoorden – op de contactpersoon drukken van wie u een bericht
wilt beantwoorden en druk vervolgens op
Antwoorden.
Nieuw bericht aanmaken – tik op Nieuw
aanmaken. Kies een contactpersoon of
voer een nummer in.
Berichtmelding
Instellingen voor tekstbericht
In de instellingen voor sms-berichten kunt u notificaties activeren en deactiveren.
Instellingen voor tekstbericht op aangesloten
telefoon.
Gerelateerde informatie
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
en kies instellingen.
•
•
•
•
Telefoon (p. 499)
Instellingen voor tekstbericht (p. 506)
Instellingen voor telefoon (p. 507)
Stembediening telefoon (p. 137)
Tekstbericht op bestuurdersdisplay
hanteren
•
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 500)
Tekstberichten verschijnt alleen op het bestuurdersdisplay als u deze instelling hebt gekozen.
•
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 516)
Schrijf het bericht.
3.
Tik op Verzenden.
Reactie dicteren op bestuurdersdisplay
Nadat een bericht is voorgelezen kunt u een
korte reactie dicteren als de auto een internetverbinding heeft.
10
11
506
dingen op de statusbalk van het middendisplay weergeven.
• Melding in bestuurdersdisplay - meldingen op het bestuurdersdisplay weergeven; inkomende berichten zijn te hanteren
via de rechter stuurknoppenset.
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay (p. 121)
Nieuw tekstbericht op bestuurdersdisplay
laten voorlezen
– Kies met de stuurknoppenset voor Oplezen
om het bericht te laten voorlezen.
–
• Melding in middendisplay - berichtmel-
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
•
•
2.
Tekstberichten
• Tekstberichttoon - signaal voor binnenkomende sms-berichten kiezen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Telefoon (p. 499)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 500)
Berichtfuncties (p. 505)
Instellingen voor telefoon (p. 507)
Tik op Antwoorden van de stuurknoppenset.
Er verschijnt een dicteerdialoog.
Geldt alleen voor bepaalde markten. Neem voor meer informatie contact op met een Volvo-dealer.
Alleen bepaalde telefoons kunnen berichten verzenden via de auto. Kijk voor de compatibiliteit op support.volvocars.com.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Telefoonboekfuncties
Wanneer een telefoon via Bluetooth is verbonden met de auto kunt u rechtstreeks via het middendisplay contactpersonen zoeken.
Er zijn tot 3000 contactpersonen van de gekozen
telefoon weer te geven op het middendisplay.
Sorteren
De lijst met contacten staat op alfabetische volgorde en speciale tekens en cijfers staan onder
. U kunt sorteren op voor- of achternaam; u
maakt een keuze in de instellingen voor de telefoon.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Instellingen voor telefoon
Wanneer de telefoon verbonden is met de auto
zijn de volgende instellingen te kiezen.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Tik op Communicatie
instellingen.
Telefoon (p. 499)
Telefoon en kies
• Beltonen – keuze van belsignaal. Het is
Instellingen voor telefoon (p. 507)
mogelijk om belsignalen van de telefoon
of de auto te gebruiken. Bepaalde telefoons zijn niet volledig compatibel en dan
kunnen de belsignalen van de telefoon
niet in de auto worden gebruikt. 12
Stembediening telefoon (p. 137)
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay (p. 121)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 500)
• Sorteervolgorde - sorteervolgorde van
contactenlijst kiezen.
Gerelateerde informatie
Blader de letters tot en met
door om de
contactpersoon van uw keuze te vinden.
Afhankelijk van de contacten die in het telefoonboek staan verschijnen alleen bepaalde
letters.
Contacten zoeken – druk op
om een
telefoonnummer of naam te zoeken in de lijst
met contacten.
•
•
•
Telefoon (p. 499)
•
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 500)
•
Audio-instellingen (p. 472)
Instellingen voor tekstbericht (p. 506)
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 508)
Favorieten – druk op
om een contact
toe te voegen aan de lijst met favorieten of
ervan te verwijderen.
507
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Instellingen voor Bluetoothapparaten
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 509)
Er zijn instellingen te verrichten voor apparaten
die via Bluetooth zijn aangesloten.
•
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 500)
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Tik op Communicatie Bluetoothapparaten en kies instellingen.
• Apparaat toevoegen – nieuwe eenheid
koppelen.
• Eerder gekoppelde apparaten – lijst met
geregistreerde/gekoppelde eenheden weergeven.
• App. verwijderen – eerder gekoppelde een-
Draadloze telefoonoplader*
Onder het middendisplay zit een oplaadplaat
voor draadloze oplading van telefoons.
Om de telefoon via de oplaadplaat te
kunnen opladen moet deze ondersteuning bieden voor draadloos opladen
(Qi). Telefoons zonder een ontvanger
voor draadloze oplading zijn vaak te completeren
met een shell waarmee draadloze oplading wel
mogelijk is.
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 499)
Draadloze telefoonoplader* (p. 509)
heid verwijderen.
• Toegestane diensten voor dit apparaat –
instellen waarvoor u het apparaat wilt gebruiken: bellen, berichten sturen/lezen, media
streamen of als middel voor internetverbinding.
• Internetverbinding – internetverbinding
voor de auto maken via de Bluetooth-aansluiting van het apparaat
Gerelateerde informatie
•
•
12
508
Telefoon (p. 499)
Instellingen voor telefoon (p. 507)
Zie support.volvocars.com voor compatibiliteit.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Draadloze telefoonoplader*
Op de met rubber beklede plaat onder het middendisplay kunt u een telefoon opladen zonder
het laadsnoer van de telefoon te gebruiken.
Als de telefoon niet wordt opgeladen:
• Controleer of er geen andere voorwerpen op
de oplaadplaat liggen.
•
Controleer of de telefoon ondersteuning
biedt voor draadloos opladen (Qi).
•
Verwijder een eventuele cover van de telefoon.
•
Til de telefoon van de oplaadplaat en plaats
deze opnieuw in het midden ervan.
•
Controleer of het elektrische systeem van de
auto is ingeschakeld.
Wanneer de telefoon verkeerd is geplaatst of
voorwerpen op de oplaadplaat oplading onmogelijk maken, verschijnt een melding op het middendisplay.
Draadloze telefoonoplader vóór de schakelhendel
–
Neem alle andere voorwerpen van de
oplaadplaat en plaats de telefoon in het midden ervan.
> De oplading van de telefoon gaat van
start en het symbool
verschijnt boven
aan het middendisplay.
N.B.
Sommige telefoons kunnen warm worden bij
draadloos opladen. Dit is normaal.
13
Geldt niet bij aansluiting met Wi-Fi.
BELANGRIJK
Auto met actieve
internetverbinding*
Wanneer de auto een internetverbinding heeft
kunt u bijvoorbeeld gebruikmaken van webradio
en muziekdiensten via boordapps, software
downloaden en contact opnemen met de dealer.
De auto maakt een internetverbinding via
Bluetooth, Wi-Fi of via de ingebouwde automodem* (simkaart).
Wanneer de auto een internetverbinding heeft, is
het mogelijk om de internetverbinding (wifi-hotspot) te delen, zodat andere eenheden zoals
tablets gebruik kunnen maken van de internetverbinding13.
Een symbool op de statusbalk van het middendisplay geeft de internetstatus weer.
Dek de telefoon en de draadloze oplader tijdens het laden niet af om oververhitting te
gaan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Telefoon (p. 499)
Draadloze telefoonoplader* (p. 508)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 115)
}}
* Optie/accessoire. 509
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
N.B.
•
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 115)
•
Het activeren van dataroaming kan tot verdere kosten leiden.
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon met Bluetooth-verbinding
(p. 510)
•
Informeer bij uw provider naar de kosten voor
dataverkeer.
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 511)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
automodem (simkaart) (p. 512)
•
•
Apps (p. 474)
Bij gebruik van internet wordt data overgebracht (dataverkeer) en dat kan kosten met
zich meebrengen.
N.B.
Bij gebruik van Apple CarPlay kunt u alleen
een internetverbinding voor de auto maken
via Wi-Fi of de automodem*.
N.B.
Bij gebruik van Android Auto kunt u een internetverbinding voor de auto maken via Wi-Fi,
Bluetooth of de automodem*.
Lees voordat u een internetverbinding maakt de
Servicevoorwaarden en het Privacybeleid
voor klanten op support.volvocars.com.
510
Gerelateerde informatie
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 515)
•
Internetverbinding van auto delen via Wi-Fihotspot (p. 514)
•
•
•
•
Wi-Fi-netwerk verwijderen (p. 515)
Internetverbinding voor de auto
maken via een telefoon met
Bluetooth-verbinding
Deel de internetverbinding van een telefoon via
Bluetooth om een internetverbinding te maken
en toegang te krijgen tot diverse onlinediensten
voor de auto.
1.
Om een internetverbinding te kunnen maken
voor de auto via een telefoon met Bluetoothverbinding moet de bewuste telefoon eenmaal eerder via Bluetooth met de auto zijn
verbonden.
2.
Controleer of de telefoon ondersteuning
biedt voor "internet sharing" en of de functie
is geactiveerd. Bij een iPhone heet deze
functie “internet sharing”. Bij Android-telefoons kan deze functie verschillende namen
hebben, maar de functie wordt vaak aangeduid als “hotspot”. Bij iPhone-telefoons moet
tevens de menupagina "internet sharing"
geopend zijn totdat een internetverbinding is
gemaakt.
3.
Als de telefoon eerder via Bluetooth was verbonden, tik dan op Instellingen op het
hoofdscherm van het middendisplay.
4.
Tik op Communicatie
apparaten.
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi (p. 516)
Volvo ID (p. 26)
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 516)
Bluetooth-
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
5.
6.
Vink het vakje voor Bluetoothinternetaansluiting aan onder de rubriek
Internetverbinding.
•
•
Als u een andere methode voor de internetverbinding gebruikt, bevestigt u de keuze van
een andere verbindingsmethode.
> Uw auto heeft daarmee een internetverbinding via de via Bluetooth aangesloten
telefoon.
•
Apple® CarPlay®* (p. 492)
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 515)
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 508)
Internetverbinding voor de auto
maken via een telefoon (Wi-Fi)
Deel de internetverbinding van een telefoon via
wifi om een internetverbinding te maken en toegang te krijgen tot diverse onlinediensten voor
de auto.
1.
Controleer of de telefoon ondersteuning
biedt voor "internet sharing" en of de functie
is geactiveerd. Bij een iPhone heet deze
functie “internet sharing”. Bij Android-telefoons kan deze functie verschillende namen
hebben, maar de functie wordt vaak aangeduid als “hotspot”. Bij iPhone-telefoons moet
tevens de menupagina "internet sharing"
geopend zijn totdat een internetverbinding is
gemaakt.
2.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
N.B.
De telefoon en netwerkprovider moeten
tethering (het delen van een internetverbinding) ondersteunen en de bundel moet inclusief dataverkeer zijn.
N.B.
3.
Ga verder naar Communicatie
4.
Activeer/deactiveer de optie door het vakje
voor Wi-Fi aan/uit te vinken.
5.
Als u een andere methode voor de internetverbinding gebruikt, bevestigt u de keuze van
een andere verbindingsmethode.
Internetverbinding voor de auto maken via
automodem (simkaart) (p. 512)
6.
Tik op de naam van het netwerk waarop u
wilt aansluiten.
•
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 500)
7.
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 511)
Geef het wachtwoord van het netwerk aan.
> De auto maakt een verbinding tot stand
met het netwerk.
Bij gebruik van Apple CarPlay kunt u alleen
een internetverbinding voor de auto maken
via Wi-Fi of de automodem*.
Gerelateerde informatie
•
•
Auto met actieve internetverbinding* (p. 509)
Wi-Fi.
}}
* Optie/accessoire. 511
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Let erop dat sommige telefoons de internetverbinding verbreken, wanneer de verbinding met de
auto is verbroken (zoals wanneer u de auto
ergens parkeert tot de volgende keer dat u hem
nodig hebt). In dat geval moet u bij een volgend
gebruik van de telefoon de "internet sharing"
opnieuw activeren.
Een telefoon die verbinding heeft gemaakt met
de auto wordt opgeslagen voor later gebruik. Om
een lijst met opgeslagen netwerken weer te
geven of opgeslagen netwerken handmatig te
verwijderen, gaat u naar Instellingen
Communicatie Wi-Fi Opgeslagen
netwerken.
Gerelateerde informatie
Auto met actieve internetverbinding* (p. 509)
•
•
•
Wi-Fi-netwerk verwijderen (p. 515)
•
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi (p. 516)
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 515)
Internetverbinding voor de auto
maken via automodem (simkaart)
Het is mogelijk een internetverbinding te maken
via de automodem en een persoonlijke simkaart
(P-SIM)*.
Auto's uitgerust met Volvo On Call gebruiken
voor de diensten de internetverbinding met de
automodem.
1.
N.B.
De telefoon en netwerkprovider moeten
tethering (het delen van een internetverbinding) ondersteunen en de bundel moet inclusief dataverkeer zijn.
Plaats een persoonlijke simkaart in de houder onder de vloer in de bagageruimte.
Let erop dat de simkaartlezer van de auto
een mini-SIM vereist.
De eisen die aan de techniek en beveiliging voor
de wifi-verbinding worden gesteld staan elders
beschreven.
512
2.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
3.
Tik op Communicatie
automodem.
Internet via
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
4.
Activeer/deactiveer de functie door het vakje
voor Internet via automodem aan/uit te
vinken.
5.
Als u een andere methode voor de internetverbinding gebruikt, bevestigt u de keuze van
een andere verbindingsmethode.
6.
Geef de pincode van de simkaart aan.
> De auto maakt een verbinding tot stand
met het netwerk.
Gerelateerde informatie
Auto met actieve internetverbinding* (p. 509)
•
•
•
Laadvloer omhoogklappen (p. 568)
•
Instellingen voor automodem* (p. 513)
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 515)
Instellingen voor automodem*
Wijzig pincode - maximaal 4 cijfers aangeven.
De auto is uitgerust met een modem die u kunt
gebruiken om de auto met internet te verbinden.
U kunt de internetverbinding tevens delen via
Wi-Fi.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Tik op Communicatie Internet via
automodem en kies instellingen.
• Internet via automodem - aangeven of
automodem moet worden gebruikt voor internetverbinding.
• Datagebruik - bij het indrukken van Reset
worden de tellers voor de ontvangen en verstuurde hoeveelheid gegevens op nul gezet.
Pincode uitschakelen - aangeven of de
pincode vereist is voor gebruik van de simkaart.
• Aanvraagcode verzenden - bestemd om
bijvoorbeeld het saldo op een chipkaart op te
laden of te controleren. Deze functie is
afhankelijk van de provider.
Gerelateerde informatie
•
Internetverbinding voor de auto maken via
automodem (simkaart) (p. 512)
•
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 515)
• Netwerk
Provider selecteren - netwerkprovider
automatisch of handmatig kiezen.
Roaming - is dit vakje aangevinkt, dan zal de
automodem proberen verbinding te maken
met internet op het moment dat de auto zich
in het buitenland buiten het thuisnetwerk
bevindt. Let erop dat dit tot hoge kosten kan
leiden. Controleer uw roamingovereenkomst
met betrekking tot dataverkeer in het buitenland met uw netwerkprovider in uw eigen
land.
• Pincode simkaart
* Optie/accessoire. 513
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Internetverbinding van auto delen
via Wi-Fi-hotspot
Als de auto een internetverbinding heeft, is het
mogelijk om de internetverbinding te delen,
zodat andere eenheden gebruik kunnen maken
van de internetverbinding14.
14
514
De provider (simkaart) moet ondersteuning bieden voor tethering (delen van de internetverbinding).
N.B.
Het activeren van Wi-Fi-hotspot kan tot verdere kosten van uw provider leiden.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Tik op Communicatie
auto.
3.
Tik op Netwerknaam en geeft de wifi-hotspot een naam.
Een symbool op de statusbalk van het middendisplay geeft de verbindingsstatus weer.
4.
Tik op Wachtwoord en kies een wachtwoord dat u vervolgens op de te koppelen
eenheden moet aangeven.
Tik op Aangesloten apparaten voor een lijst
met de op dit moment aangesloten eenheden.
5.
Tik op Frequentieband en kies de zendfrequentie voor de wifi-hotspot. Let erop dat de
te hanteren frequentieband niet op alle
markten te specificeren is.
•
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 115)
•
•
Auto met actieve internetverbinding* (p. 509)
Informeer bij uw provider naar de kosten voor
dataverkeer.
Wi-Fi hotspot
6.
Activeer/deactiveer de functie door het vakje
voor Wi-Fi hotspot auto aan/uit te vinken.
7.
Als u Wi-Fi gebruikt als methode voor de
internetverbinding, bevestigt u de keuze van
een andere verbindingsmethode.
> Externe eenheden kunnen vervolgens verbinding maken met de "internet sharing"
(Wi-Fi-hotspot) van de auto.
Gerelateerde informatie
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 515)
Geldt niet wanneer de auto een internetverbinding via Wi-Fi heeft.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Geen internetverbinding of een
slechte verbinding
Factoren die van invloed zijn op de internetverbinding
De uitgewisselde hoeveelheid gegevens is afhankelijk van de diensten of apps die in de auto worden gebruikt. Het streamen van audio kan bijvoorbeeld tot een grote hoeveelheid dataverkeer
leiden en dat vereist een goede verbinding en
signaalsterkte.
Telefoon herstarten
Wi-Fi-netwerk verwijderen
Problemen met de internetverbinding zijn soms
te verhelpen door de telefoon opnieuw op te starten.
Niet gebruikte netwerken verwijderen.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
Gerelateerde informatie
2.
Ga verder naar Communicatie
Opgeslagen netwerken.
3.
Druk op Vergeten voor het te verwijderen
netwerk.
4.
Bevestig uw keuze.
> De auto zal vervolgens geen verbinding
tot stand brengen met het desbetreffende
netwerk.
•
•
Auto met actieve internetverbinding* (p. 509)
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi (p. 516)
Verbinding tussen telefoon en auto
De snelheid van de internetverbinding kan variëren afhankelijk van de positie van de telefoon in
de auto. Plaats de telefoon dichter bij het middendisplay om de signaalsterkte te verbeteren.
Zorg dat de signalen niet worden gehinderd.
Verbinding tussen telefoon en
netwerkprovider
De snelheid binnen het mobiele netwerk varieert
afhankelijk van de dekking op de actuele locatie.
Een slechtere netwerkdekking is bijvoorbeeld
mogelijk in tunnels, achter bergen, in diepe dalen
of in gebouwen. De snelheid is ook afhankelijk
van uw overeenkomst met uw teleprovider.
N.B.
Neem bij problemen met de dataoverdracht
contact op met uw provider.
Wi-Fi
Alle netwerken uit geheugen
verwijderen
U kunt alle netwerken in één keer verwijderen
door de fabrieksinstellingen te herstellen. Houd
er in dat geval rekening mee dat dan de fabrieksinstellingen worden hersteld voor alle gebruikersgegevens en systeeminstellingen.
Gerelateerde informatie
•
•
Auto met actieve internetverbinding* (p. 509)
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 515)
•
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 126)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een telefoon (Wi-Fi) (p. 511)
* Optie/accessoire. 515
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi
Mogelijke netwerktypes voor aansluiting.
Aansluiting is alleen mogelijk op netwerken van
het volgende type:
•
•
•
Frequentie - 2,4 of 5 GHz15.
Standaarden - 802.11 a/b/g/n.
Beveiligingstype - WPA2-AES-CCMP.
Het Wi-Fi-systeem van de auto is zo ingericht dat
het Wi-Fi-eenheden in de auto kan hanteren.
Als meerdere eenheden op dezelfde frequentie
actief zijn, kunnen de prestaties afnemen.
Gerelateerde informatie
•
Auto met actieve internetverbinding* (p. 509)
Gebruiksvoorwaarden en
gegevensuitwisseling
De eerste keer dat u bepaalde diensten en apps
start, verschijnt mogelijk een pop-upvenster met
de titel Voorwaarden en
Gegevensuitwisseling.
Gerelateerde informatie
•
Gegevensuitwisseling activeren en deactiveren (p. 517)
Het venster dient om te informeren over de
gebruiksvoorwaarden en het beleid voor gegevensuitwisseling dat Volvo hanteert. Door
akkoord te gaan gegevensuitwisseling stemt de
gebruiker erin toe dat de auto bepaalde informatie verstuurt. Dit is een vereiste voor optimale
werking van bepaalde diensten en apps.
De gegevensuitwisseling voor connected diensten en gedownloade apps is standaard gedeactiveerd. Om bepaalde connected diensten en
apps in de auto te kunnen gebruiken moet de
gegevensuitwisseling worden geactiveerd. Toestemming voor gegevensuitwisseling is te verstrekken via het instellingsmenu van het middendisplay.
N.B.
De instellingen voor privacy en gegevensuitwisseling zijn uniek voor ieder bestuurdersprofiel.
15
516
Het kiezen van een frequentie is niet op alle markten mogelijk.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Gegevensuitwisseling activeren en
deactiveren
N.B.
Na een bezoek aan een Volvo-werkplaats
moet u de gegevensuitwisseling mogelijk
opnieuw inschakelen om weer gebruik te
kunnen maken van connectiviteitsdiensten en
apps.
In het instellingsmenu van het middendisplay
kunt u de gegevensuitwisseling van de desbetreffende diensten en apps instellen.
1.
Tik op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Tik op Systeem
3.
Geef aan of uw de gegevensuitwisseling wilt
in- of uitschakelen voor bepaalde diensten
en alle apps.
Privacy en gegevens.
Als de gegevensuitwisseling voor connected
diensten of gedownloade apps niet al is geactiveerd, kunt u dat doen tijdens het eerste gebruik
via het middendisplay. De eerste keer dat u connected diensten of gedownloade apps gebruikt
en na bijv. het herstellen van de fabrieksinstellingen of het downloaden van bepaalde softwareupdates moet u akkoord gaan met Volvo's voorwaarden voor connected diensten. Let er in dat
geval op dat u daarmee ook de gegevensuitwisseling activeert voor andere connected diensten
en gedownloade apps waarvoor u de gegevensuitwisseling al eerder hebt geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 516)
Vrije geheugenruimte op harde
schijf
Het is mogelijk de vrije geheugenruimte te bekijken die beschikbaar is op de harde schijf van de
auto.
Het is mogelijk informatie weer te geven over de
harde schijf van de auto, zoals de totale capaciteit, de beschikbare geheugenruimte en de
gebruikte geheugenruimte voor geïnstalleerde
apps. U vindt de informatie onder Instellingen
Systeem Systeeminformatie Opslag.
Gerelateerde informatie
•
Apps (p. 474)
517
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Licentieovereenkomst voor audio en
media
luidsprekers bij de weergave perfect op elkaar
zijn afgestemd.
Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen te verrichten of het recht om gebruik te maken van
een product waar een andere rechtspersoon
octrooi of eigendomsrechten op heeft, onder de
voorwaarden vervat in de overeenkomst. Hier
volgen de teksten van de overeenkomsten tussen Volvo en producenten/ontwikkelaars. Een
groot aantal van deze teksten is in het Engels.
DivX®
Octrooinummer
Beschermd door een of meer van de volgende
octrooien in de VS. 7,295,673; 7,460,668;
7,515,710; 8,656,183; 8,731,369; RE45,052
Gracenote®
Dirac Unison®
DivX®, DivX Certified® en daaraan gerelateerde
logo's zijn handelsmerken die eigendom zijn van
DivX, LLC en worden gebruikt onder licentie.
Dit DivX Certified® apparaat kan DivX® Home
Theater videobestanden tot 576p weergeven
(inclusief .avi, .divx). Download gratis software van
www.divx.com om digitale videobestanden te
maken, weergeven en streamen.
Dirac Unison optimaliseert de luidsprekers qua
tijd, ruimte en frequentie voor optimale basintegratie en helderheid. De technologie maakt ook
een waarheidsgetrouwe weergave mogelijk van
de akoestische eigenschappen van specifieke
concertzalen. Met behulp van geavanceerde algoritmes stuurt Dirac Unison op digitale wijze alle
luidsprekers aan op basis van akoestische metingen met een grote nauwkeurigheid. Net als een
echte dirigent garandeert Dirac Unison dat de
518
OVER DIVX VIDEO-ON-DEMAND: Om Video-onDemand-films (VOD) in DivX-formaat te kunnen
afspelen moet u deze DivX Certified® eenheid
eerst registreren. U vindt uw registratiecode via
de sectie DivX VOD in het instellingsmenu van
de eenheid. Breng voor meer informatie over het
afronden van de registratie een bezoek aan
vod.divx.com.
Het copyright © van bepaalde delen van de
inhoud berust bij Gracenote of zijn leveranciers.
Gracenote, Gracenote-logo en -logotype,
"Powered by Gracenote" en Gracenote MusicID
zijn geregistreerde handelsmerken of handelsmerken die eigendom zijn van Gracenote, Inc. in
de VS en/of andere landen.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Licentieovereenkomst Gracenote®
Deze toepassing of dit apparaat bevat software
van Gracenote, Inc. uit Emeryville, Californië
(“Gracenote”). Met de software van Gracenote
(“Gracenote-software”) kan deze toepassing
schijf- en of bestandsidentificatie uitvoeren en
muziekverwante gegevens ophalen, waaronder
informatie over de naam, artiest, track en titel
(“Gracenote-gegevens”) vanuit online-servers of
ingesloten databases (samen “Gracenote-servers”). De toepassing kan tevens andere functies
verrichten. U mag Gracenote-gegevens uitsluitend gebruiken door middel van de beoogde
eindgebruikersfuncties van deze toepassing of dit
apparaat.
U stemt ermee in de Gracenote-gegevens, de
Gracenote-software en Gracenote-servers uitsluitend voor uw eigen, niet-commercieel privégebruik te gebruiken. U stemt ermee in de Gracenote-software of welke Gracenote-gegevens dan
ook niet aan derden toe te wijzen, te kopiëren,
over te dragen of door te zenden. U STEMT
ERMEE IN DE GRACENOTE-GEGEVENS, DE
GRACENOTE-SOFTWARE OF DE GRACENOTESERVERS UITSLUITEND TE GEBRUIKEN OP
DE MANIER DIE HIERIN UITDRUKKELIJK
WORDT TOEGESTAAN.
U stemt ermee in dat uw niet-exclusieve licentie
om de Gracenote-gegevens, de Gracenote-software en de Gracenote-servers te gebruiken, zal
worden beëindigd als u inbreuk maakt op deze
beperkingen. Als uw licentie wordt beëindigd,
stemt u ermee in op geen enkele wijze meer
gebruik te maken van de Gracenote-gegevens,
de Gracenote-software en de Gracenote-servers.
Gracenote behoudt zich alle rechten voor met
betrekking tot de Gracenote-gegevens, de Gracenote-software en de Gracenote-servers, inclusief alle eigendomsrechten. In geen geval is Gracenote aansprakelijk voor betaling aan u voor
informatie die u verschaft. U stemt ermee in dat
Gracenote, Inc. volgens deze overeenkomst uit
eigen naam rechtstreeks mag toezien op naleving van de rechten jegens u.
De Gracenote-service gebruikt een unieke identificatiecode om query's na te sporen voor statistische doeleinden. Het doel van deze willekeurig
toegewezen numerieke code is om de Gracenote-service query's te laten tellen zonder te
weten wie u bent. Ga voor meer informatie naar
de webpagina over het Privacybeleid van Gracenote voor de Gracenote-service.
De licentie voor de Gracenote-software en alle
onderdelen van de Gracenote-gegevens wordt
verstrekt op “AS IS”-basis. Gracenote doet geen
toezeggingen en verstrekt geen garantie, uitdrukkelijk of stilzwijgend, ten aanzien van de juistheid
van de Gracenote-gegevens op de Gracenoteservers. Gracenote behoudt zich het recht voor
om gegevens te verwijderen van de Gracenoteservers of om gegevenscategorieën te wijzigen
als Gracenote hiertoe voldoende reden ziet. Er
wordt geen garantie verstrekt dat de Gracenotesoftware of Gracenote-servers geen onjuistheden
bevatten of dat het functioneren van de Gracenote-software of Gracenote-servers ononderbroken zal zijn. Gracenote is niet verplicht u te voorzien van nieuwe, verbeterde of extra gegevenstypen of -categorieën die Gracenote mogelijk in de
toekomst verschaft; Gracenote mag de diensten
op elk moment beëindigen.
GRACENOTE WIJST ALLE GARANTIES, UITDRUKKELIJK OF STILZWIJGEND, INCLUSIEF
MAAR NIET BEPERKT TOT STILZWIJGENDE
GARANTIES MET BETREKKING TOT VERKOOPBAARHEID, GESCHIKTHEID VOOR EEN
BEPAALD DOEL, EIGENDOMSRECHT EN HET
GEEN INBREUK MAKEN OP RECHTEN VAN
DERDEN, VAN DE HAND. GRACENOTE VERSTREKT GEEN GARANTIES TEN AANZIEN VAN
DE RESULTATEN DIE WORDEN VERKREGEN
VOOR UW GEBRUIK VAN GRACENOTE-SOFTWARE OF WELKE GRACENOTE-SERVER DAN
OOK. GRACENOTE IS IN GEEN GEVAL AANSPRAKELIJK VOOR INDIRECTE OF GEVOLGSCHADE, GEDERFDE WINST OF VERLIES VAN
INKOMSTEN.
© Gracenote, Inc. 2009
Sensus software
This software uses parts of sources from clib2
and Prex Embedded Real-time OS - Source
(Copyright (c) 1982, 1986, 1991, 1993, 1994),
and Quercus Robusta (Copyright (c) 1990,
1993), The Regents of the University of
California. All or some portions are derived from
}}
519
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
520
material licensed to the University of California by
American Telephone and Telegraph Co. or Unix
System Laboratories, Inc. and are reproduced
herein with the permission of UNIX System
Laboratories, Inc. Redistribution and use in
source and binary forms, with or without
modification, are permitted provided that the
following conditions are met: Redistributions of
source code must retain the above copyright
notice, this list of conditions and the following
disclaimer. Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer in the
documentation and/or other materials provided
with the distribution. Neither the name of the
<ORGANIZATION> nor the names of its
contributors may be used to endorse or promote
products derived from this software without
specific prior written permission. THIS
SOFTWARE IS PROVIDED BY THE COPYRIGHT
HOLDERS AND CONTRIBUTORS "AS IS" AND
ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY
AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE
ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE
COPYRIGHT OWNER OR CONTRIBUTORS BE
LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT,
INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING,
BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF
SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF
USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS
INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON
ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN
CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT
(INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE)
ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF
THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE
POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE.
This software is based in part on the work of the
Independent JPEG Group.
This software uses parts of sources from
"libtess". The Original Code is: OpenGL Sample
Implementation, Version 1.2.1, released January
26, 2000, developed by Silicon Graphics, Inc. The
Original Code is Copyright (c) 1991-2000 Silicon
Graphics, Inc. Copyright in any portions created
by third parties is as indicated elsewhere herein.
All Rights Reserved. Copyright (C) [1991-2000]
Silicon Graphics, Inc. All Rights Reserved.
Permission is hereby granted, free of charge, to
any person obtaining a copy of this software and
associated documentation files (the "Software"),
to deal in the Software without restriction,
including without limitation the rights to use,
copy, modify, merge, publish, distribute,
sublicense, and/or sell copies of the Software,
and to permit persons to whom the Software is
furnished to do so, subject to the following
conditions: The above copyright notice including
the dates of first publication and either this
permission notice or a reference to http://
oss.sgi.com/projects/FreeB/ shall be included in
all copies or substantial portions of the Software.
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
SILICON GRAPHICS, INC. BE LIABLE FOR ANY
CLAIM, DAMAGES OR OTHER LIABILITY,
WHETHER IN AN ACTION OF CONTRACT,
TORT OR OTHERWISE, ARISING FROM, OUT
OF OR IN CONNECTION WITH THE SOFTWARE
OR THE USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE. Except as contained in this notice,
the name of Silicon Graphics, Inc. shall not be
used in advertising or otherwise to promote the
sale, use or other dealings in this Software
without prior written authorization from Silicon
Graphics, Inc.
This software is based in parts on the work of the
FreeType Team.
This software uses parts of SSLeay Library:
Copyright (C) 1995-1998 Eric Young
(eay@cryptsoft.com). All rights reserved
Linux software
This product contains software licensed under
GNU General Public License (GPL) or GNU
Lesser General Public License (LGPL), etc.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
You have the right of acquisition, modification,
and distribution of the source code of the GPL/
LGPL software.
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution.
NTT (Nippon Telegraph and Telephone
Corporation). All rights reserved.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY NTT ``AS
IS'' AND ANY EXPRESS OR IMPLIED
WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED
TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN
NO EVENT SHALL NTT BE LIABLE FOR ANY
DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL,
EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES
(INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR
SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS;
OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER
CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY,
OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF
THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
COPYRIGHT AND PERMISSION NOTICE
You may download Source Code from the
following website at no charge: http://
www.embedded-carmultimedia.jp/linux/oss/
download/TVM_8351_013
The website provides the Source Code "As Is"
and without warranty of any kind.
By downloading Source Code, you expressly
assume all risk and liability associated with
downloading and using the Source Code and
complying with the user agreements that
accompany each Source Code.
Please note that we cannot respond to any
inquiries regarding the source code.
camellia:1.2.0
Copyright (c) 2006, 2007
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer as
the first lines of this file unmodified.
2.
Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
Unicode: 5.1.0
Copyright c 1991-2013 Unicode, Inc. All rights
reserved. Distributed under the Terms of Use in
http://www.unicode.org/copyright.html.
Permission is hereby granted, free of charge, to
any person obtaining a copy of the Unicode data
files and any associated documentation (the
"Data Files") or Unicode software and any
associated documentation (the "Software") to
deal in the Data Files or Software without
restriction, including without limitation the rights
to use, copy, modify, merge, publish, distribute,
and/or sell copies of the Data Files or Software,
and to permit persons to whom the Data Files or
Software are furnished to do so, provided that (a)
the above copyright notice(s) and this permission
notice appear with all copies of the Data Files or
Software, (b) both the above copyright notice(s)
and this permission notice appear in associated
documentation, and (c) there is clear notice in
each modified Data File or in the Software as
well as in the documentation associated with the
Data File(s) or Software that the data or software
has been modified.
THE DATA FILES AND SOFTWARE ARE
PROVIDED "AS IS", WITHOUT WARRANTY OF
ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING
BUT NOT LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT OF THIRD PARTY
RIGHTS. IN NO EVENT SHALL THE
COPYRIGHT HOLDER OR HOLDERS
INCLUDED IN THIS NOTICE BE LIABLE FOR
ANY CLAIM, OR ANY SPECIAL INDIRECT OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES, OR ANY
DAMAGES WHATSOEVER RESULTING FROM
LOSS OF USE, DATA OR PROFITS, WHETHER
IN AN ACTION OF CONTRACT, NEGLIGENCE
}}
521
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
OR OTHER TORTIOUS ACTION, ARISING OUT
OF OR IN CONNECTION WITH THE USE OR
PERFORMANCE OF THE DATA FILES OR
SOFTWARE.
Except as contained in this notice, the name of a
copyright holder shall not be used in advertising
or otherwise to promote the sale, use or other
dealings in these Data Files or Software without
prior written authorization of the copyright holder.
522
Verklaring van overeenstemming
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Land/
regio
Brazilië:
Este equipamento opera em caráter secundário isto e, náo tem direito a protecão contra interferéncia prejudicial, mesmo tipo, e não pode
causar interferéncia a sistemas operando em caráter primário.
Para consultas, visite: www.anatel.gov.br
EU:
Producent: Mitsubishi Electric Corporation Sanda Works 2-3-33, Miwa, Sanda-city. Hyogo, 669-1513, Japan
Mitsubishi Electric Corporation verklaart bij dezen dat de radioapparatuur van het type [Audio Navigation Unit] in overeenstemming is met de
Richtlijn 2014/53/EU.
Voor meer informatie, zie support.volvocars.com.
Verenigde
Arabische
Emiraten:
}}
523
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Land/
regio
Kazachstan:
Modelnaam: NR-0V
Producent: Mitsubishi Electric Corporation
Exportland: Japan
524
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Land/
regio
China:
1.
■ 使用频率
2.4 - 2.4835 GHz
■ 等效全向辐射
■ 最大
率(EIRP)
率谱密度
天线增益
天线增益
10dBi 时
10dBi 时
≤100 mW 或≤20 dBm ①
≤20 dBm / MHz(EIRP) ①
■ 载频容限
20 ppm
■ 帯外发射
率(在 2.4-2.4835GHz 頻段以外) ≤-80 dBm / Hz (EIRP)
■ 杂散发射(辐射)
•
•
•
•
•
率(对应载波±2.5 倍信道带宽以外)
≤-36 dBm / 100 kHz (30 - 1000 MHz)
≤-33 dBm / 100 kHz (2.4 - 2.4835 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (3.4 - 3.53 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (5.725 - 5.85 GHz)
≤-30 dBm / 1 MHz (其它 1 - 12.75 GHz)
2.不得擅自更改发射频率
大发射
率(包括额外
3.使用时不得对各种合法的无线电通信业
使用
4.使用微
率无线电设备,必须忍
装射频
产生有害干扰
各种无线电业
率放大器),不得擅自外接天线或改用其它发射天线
一旦发现有干扰现象时,应立即停止使用,并采
的干扰或工业
措施消除干扰后方可继续
科学及医疗应用设备的辐射干扰
5.不得在飞机和机场附近使用
}}
525
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Land/
regio
Korea:
B 급 기기 (가정용 방송통신기자재)
이 기기는 가정용(B 급) 전자파적합기기로서 주로
가정에서 사용하는 것을
적으로 하며,
든
지역에서 사용할 수 있습니다.
해당 무선설비는 전파혼신 가능성이 있으므로 인명안전과 관련된 서비스는 할 수 없습니다.
Maleisië
This device has been certified under the Communications & Multimedia Act of 1998, Communications and Multimedia (Technical Standards)
Regulations 2000. To retrieve your device’s serial number, please visit (support.volvocars.com) and search for “SIRIM Label Verification”.
Device category: Navigation equipment for vehicle (Bluetooth)
Model: NR-0V
Type Approval No.:
RBAY/18A/1015S(15-4067)
526
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Land/
regio
Mexico:
Taiwan:
低功率電波輻射性電機管理辦法
第十二條
經型式認證合格之低功率射頻電機,非經許可,公司
變更頻率
商號或使用者均不得擅自
加大功率或變更原設計之特性及功能
第十四條
低功率射頻電機之使用不得影響飛航安全及干擾合法通信;經發現有干擾現象時,應
立停用,改善至無干擾時方得繼續使用
電通信
前項合法通信,指依電信法規定作業之無線
低功率射頻電機須忍受合法通信或工業
科學及醫療用電波輻射性電機設備
之干擾
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Audio, media en internet (p. 472)
Auto met actieve internetverbinding* (p. 509)
Mediaspeler (p. 483)
Gracenote® (p. 487)
Sensus – connectiviteit en entertainment
(p. 32)
* Optie/accessoire. 527
WIELEN EN BANDEN
WIELEN EN BANDEN
Banden
Nieuwe banden
De banden bieden onder meer draagvermogen,
grip op de ondergrond, trillingsdemping en
beschermen de wielen tegen slijtage.
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat,
de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn
belangrijk voor het rijgedrag van de auto.
Zuinige banden
•
•
Welke banden er op de auto zitten staat op de
bandengegevenssticker op de B-stijl (tussen
voor- en achterportier) aan bestuurderszijde.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan een oncontroleerbare auto opleveren.
Aanbevolen banden
De auto wordt aangeleverd met originele Volvobanden met aan de zijkant het opschrift VOL1.
Deze banden zijn zorgvuldig afgestemd op de
auto. Bij het verwisselen van banden is het
daarom belangrijk om erop te letten dat ook de
nieuwe banden voorzien zijn van dit opschrift voor
het behoud van de rijeigenschappen, het rijcomfort en het brandstofverbruik van de auto.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en
neemt de grip op het wegdek stukje bij beetje af.
Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo
nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De laatste cijfers van de
cijferreeks geven de week en het jaar van productie aan. Het is de zogenoemde DOT-code
(Department of Transportation) van de band en
bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld 0717. Een
dergelijke band is de 7e week van het jaar 2017
geproduceerd.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u door
een vakman laten controleren, ook al zien ze er
intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken
1
530
Voor bepaalde bandenmaten zijn afwijkingen mogelijk.
wordt, als banden zelden of nooit worden
gebruikt. Daarbij kan de werking van de band
worden aangetast. Dit geldt voor alle banden die
u voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is voor
gebruik.
Zorg steeds voor de juiste bandenspanning.
Vermijd snelle starts, krachtig remmen en
piepende banden.
•
Naarmate er sneller wordt gereden, slijten de
banden ook sneller.
•
De juiste instelling van de voorwielen is erg
belangrijk.
•
Ongebalanceerde wielen maken banden
minder zuinig en verslechteren het rijcomfort.
•
De banden moeten tijdens hun hele levensduur dezelfde rotatierichting hebben.
•
Als u van banden wisselt, moeten de banden
met het beste profiel op de achterwielen
worden gemonteerd om het gevaar voor
oversturen bij krachtig remmen te beperken.
•
Als u over trottoirbanden of door diepe gaten
rijdt, kunt u de banden en/of velgen permanent beschadigen.
WIELEN EN BANDEN
Bandenrotatie
De auto heeft geen verplichte bandenrotatie. De
rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en de
staat van de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten.
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op.
Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en
slijtpatronen in de banden tegen te gaan dient u
de wielen op de voor- en achteras onderling van
plaats te verwisselen. Verricht de eerste wissel na
zo'n 5000 km (zo'n 3100 miles) en doe dat
daarna om de 10.000 km (zo'n 6200 miles)
opnieuw.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, als u niet zeker bent
van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in de slijtage (> 1 mm verschil in profieldiepte) van de banden, dienen de minst versleten
banden altijd op de achteras te zitten. Slippende
voorwielen zijn gemakkelijker te corrigeren dan
slippende achterwielen, omdat de auto rechtuit
blijft rijden in plaats van uit te breken met de achterkant waarbij u mogelijk de controle over de
auto verliest. Daarom is belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de voorwielen grip verliezen.
Wielen en banden opslaan
Als u complete wielen (banden gemonteerd op
velgen) opslaat, moeten die worden opgehangen
of op hun zijkant op de vloer liggen.
Banden die niet op velgen zijn gemonteerd, moeten liggend op hun zijkant of rechtopstaand worden opgeslagen, maar niet worden opgehangen.
BELANGRIJK
Banden moeten worden opgeslagen op een
koele, droge en donkere plaats en mogen
nooit worden opgeslagen in de buurt van
oplosmiddelen, benzine, oliën e.d.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
WAARSCHUWING
•
De maten van velgen en banden voor uw
Volvo zijn aangegeven om te voldoen aan
strenge eisen als het gaat om stabiliteit
en rijeigenschappen. Niet-goedgekeurde
combinaties van velg- en bandenmaten
kunnen van negatieve invloed zijn op de
stabiliteit en de rijeigenschappen van de
auto.
•
Eventuele schade veroorzaakt door
gemonteerde combinaties van velgen/
banden met niet-goedgekeurde maten
vallen niet onder de fabrieksgarantie.
Volvo aanvaardt geen aansprakelijkheid
voor overlijden, letsel of kosten die het
gevolg kunnen zijn van dergelijke installaties.
•
Bandenspanning controleren (p. 534)
De draairichting van de banden. (p. 533)
Slijtage-indicator van banden (p. 534)
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 537)
Noodreparatieset voor banden (p. 551)
Maataanduiding voor banden (p. 532)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 647)
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 565)
* Optie/accessoire. 531
WIELEN EN BANDEN
Maataanduiding voor banden
Snelheidsklasse
Aanduidingen voor de afmetingen, lastindex en
snelheidsklasse van de banden.
Elke band is berekend op een bepaalde maximumsnelheid. De snelheidsklasse, SS (Speed
Symbol), van de banden moet minimaal overeenkomen met de topsnelheid van de auto. In onderstaande tabel staat welke toelaatbare maximumsnelheid voor de verschillende snelheidsklassen
(SS) geldt. De enige uitzondering hierop vormen
winterbanden2, waarvoor een lagere snelheidsklasse gebruikt mag worden. Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt. Voor klasse Q geldt bijvoorbeeld een
maximumsnelheid van 160 km/h (100 mph). De
gesteldheid van het wegdek is bepalend voor de
maximumsnelheid en niet de snelheidsklasse op
de banden.
De typegoedkeuring van de auto geldt in combinatie met bepaalde wielen en banden.
Maataanduiding
Alle banden hebben een bepaalde maataanduiding, bijvoorbeeld: 235/55 R18 100V.
235
Breedte van de band (mm)
55
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
18
Velgdiameter van de band
100
Aanduiding van het draagvermogen van
de band, lastindex (LI)
V
Aanduiding van de snelheidslimiet van
de band, snelheidsklasse (SS). (In het
gegeven geval 240 km/h (149 mph).)
2
532
270 km/h (168 mph)
Y
300 km/h (186 mph)
WAARSCHUWING
De minimaal toelaatbare lastindex (LI) en de
snelheidsklasse (SS) van de banden voor de
verschillende motorvarianten staan gespecificeerd in de gedrukte gebruikershandleiding.
Bij gebruik van banden met een te lage lastindex of snelheidsklasse kunnen de banden
oververhit en beschadigd raken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
N.B.
In de tabel staat de maximaal toegestane
snelheid.
Q
160 km/h (100 mph) (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h (118 mph)
H
210 km/h (130 mph)
V
240 km/h (149 mph)
Lastindex
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen,
wat wordt aangeduid met de lastindex (LI). Het
gewicht van de auto bepaalt het draagvermogen
van de banden.
W
Onder winterbanden worden zowel banden met als zonder "spikes" verstaan.
•
Banden (p. 530)
Maataanduiding voor wielen (p. 533)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 647)
Minimaal toelaatbare lastindex en snelheidsklassen voor banden (p. 648)
WIELEN EN BANDEN
Maataanduiding voor wielen
De draairichting van de banden.
Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals in
de onderstaande tabel.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een bepaalde
richting draaien, staat deze richting aangegeven
met een pijl op de zijkant van de band.
De typegoedkeuring van de auto geldt in combinatie met bepaalde wielen en banden.
Gerelateerde informatie
Alle wielen hebben een bepaalde maataanduiding, bijvoorbeeld: 7,5Jx18x50,5.
7,5
Velgbreedte in inch
J
Profiel velgrand
18
Velgdiameter van de band
50,5
Bolling in mm (afstand tussen de verticale aslijn door het wiel en het contactvlak met de naaf)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden (p. 530)
•
Banden (p. 530)
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
•
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben.
•
Banden mogen alleen van voor naar achter
verwisseld worden, nooit van links naar
rechts of omgekeerd.
•
Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen
de remeigenschappen van de auto af en
kunnen de banden regen, sneeuw en drab
minder goed afvoeren.
•
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor
slippen te verminderen).
Maataanduiding voor banden (p. 532)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 647)
N.B.
Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde maat
en ook hetzelfde merk voor beide wielparen
hebt.
533
WIELEN EN BANDEN
Slijtage-indicator van banden
Bandenspanning controleren
Koude banden
De slijtage-indicator geeft de status aan van de
profieldiepte van de band.
Een juiste bandenspanning is een hulpmiddel
voor een betere rijstabiliteit, een lager brandstofverbruik en banden die langer meegaan.
De bandenspanning moet worden gecontroleerd
als de banden koud zijn. De banden worden
beschouwd als koud als ze dezelfde temperatuur
hebben als de omgevingslucht. Deze temperatuur
wordt normaal gesproken bereikt, als de auto
minimaal 3 uur geparkeerd heeft gestaan.
Dat de bandenspanning na verloop van tijd daalt
is normaal. De bandenspanning varieert ook
afhankelijk van de omgevingstemperatuur. Wanneer u met een te lage bandenspanning rijdt,
kunnen de banden oververhit en beschadigd
raken. De bandenspanning is van invloed op het
rijcomfort, de geproduceerde weggeluiden en de
rijeigenschappen.
De slijtage-indicator is een smalle ophoging die
dwars op het bandenprofiel staat. Op de zijwand
van de band staan de letters TWI (Tread Wear
Indicator). De slijtage-indicatoren zijn duidelijk
zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten
is dat slechts 1,6 mm (1/16 inch) van het profiel
over is. Vervang de banden dan zo spoedig
mogelijk. Let erop dat een band met een gering
profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij
regen of sneeuw.
Controleer iedere maand de bandenspanning.
Gebruik de aanbevolen bandenspanning voor
koude banden, voor optimale bandenprestaties
en een optimale slijtage. Een te lage of te hoge
bandenspanning kan ertoe leiden dat banden
onregelmatig slijten.
WAARSCHUWING
•
Een te lage bandenspanning is de meest
voorkomende reden voor het stukgaan
van banden en kan leiden tot ernstige
barsten in de band, het loslaten van het
loopvlak of een klapband. Daarbij raken
mensen onverwacht de controle over de
auto kwijt en bestaat er gevaar voor letsel.
•
Als de bandenspanning te laag is, heeft
de auto minder laadvermogen.
Gerelateerde informatie
•
534
Banden (p. 530)
Wanneer er ongeveer 1,6 km (1 mijl) mee is
gereden, zijn de banden te beschouwen als
warm. Als u verder dan dat moet rijden voor het
oppompen van de banden, moet u eerst de bandenspanning controleren en registreren en vervolgens de juiste bandenspanning toevoegen als
u bij de pomp bent aangekomen.
Als de buitentemperatuur verandert, verandert
ook de bandenspanning. Een temperatuurverlaging van 10 graden zorgt ervoor dat de bandenspanning met 1 psi (7 kPa) daalt. Controleer vaak
de bandenspanning en pas deze aan naar de
juiste druk. Deze vindt u op de sticker met bandeninformatie of op het certificeringsetiket.
Als u de bandenspanning controleert bij warme
banden moet u er nooit lucht uit laten. De banden zijn warm door het rijden en het is normaal
dat de druk toeneemt tot boven de aanbevolen
druk voor koude banden. Een warme band met
een bandenspanning die gelijk is aan of lager is
dan de aanbevolen druk voor koude banden kan
een te lage druk hebben.
WIELEN EN BANDEN
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bandenspanning aanpassen (p. 535)
Aanbevolen bandenspanning (p. 536)
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 537)
Banden (p. 530)
Bandenspanning aanpassen
Dat de bandenspanning na verloop van tijd daalt
is normaal. Daarom moet u om de aanbevolen
bandenspanning te handhaven de bandenspanning soms aanpassen.
Gebruik de aanbevolen bandenspanning voor
koude banden, voor optimale bandenprestaties
en een optimale slijtage.
3.
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade aan
het ventiel door grind, vuil e.d. te voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn moeilijk los te draaien.
N.B.
Controleer de bandenspanning bij koude banden om de verkeerde bandenspanning tegen
te gaan. Koude banden hebben dezelfde temperatuur als de omgeving (na ca. 3 uur stilstand). Al na enkele kilometers rijden worden
de banden warm en loopt de spanning op.
1.
2.
Verwijder de ventieldop van een band en
druk de manometer vervolgens stevig op het
ventiel.
Plaats de ventieldop terug.
4.
Controleer de banden op het oog om te kijken of er geen spijkers of andere voorwerpen in vastzitten waardoor de band lek kan
gaan.
5.
Controleer de zijwanden; kijk of er geen
putjes, sneetjes, bobbels of andere onregelmatigheden zijn.
6.
Doe dit voor alle banden, ook de reserveband*.
Pomp de banden op tot de juiste spanning,
zie de sticker aan de binnenkant van de portierstijl aan bestuurderszijde voor de aanbevolen spanning voor originele banden.
}}
* Optie/accessoire. 535
WIELEN EN BANDEN
||
N.B.
Als u een band te hard hebt opgepompt, kunt
u lucht laten ontsnappen door op de metalen
pen in het midden van het ventiel te drukken.
Controleer vervolgens de spanning opnieuw
met de manometer.
Aanbevolen bandenspanning
Gerelateerde informatie
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier)
staat de juiste bandenspanning voor uw auto
aangegeven bij verschillende belading en snelheid.
•
•
Sommige reservebanden vereisen een
hogere bandenspanning dan andere banden.
Kijk hiervoor in de bandenspanningstabel of
op de bandenspanningssticker.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 536)
Bandenspanning controleren (p. 534)
Band oppompen met compressor uit reparatieset voor banden (p. 555)
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 650)
Op de sticker staat de aanduiding voor de af
fabriek gemonteerde banden van de auto plus de
maximale belasting en de bandenspanning.
Zuiniger rijden met ECO-bandenspanning
Bij een lichte belading (maximaal 3 inzittenden)
en snelheden tot 160 km/h (100 mph) kunt u
voor brandstofbesparing de ECO-bandenspanning aanhouden. Als u echter uit bent op een
minimum aan rijgeluiden en optimaal rijcomfort
wordt geadviseerd de lagere Comfort-bandenspanning aan te houden.
536
Bandenspanning controleren (p. 534)
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 650)
WIELEN EN BANDEN
Bandenspanningscontrolesysteem*
bandenspanningscontrolesysteem3
Het
waarschuwt u met een controlesymbool op het
bestuurdersdisplay voor een te lage bandenspanning in een of meer banden van de auto.
Symbool
Uitleg
Het symbool gaat branden om een
te lage bandenspanning aan te
geven.
Als er een storing optreedt in het
systeem, zal het waarschuwingssymbool voor de bandenspanning
ongeveer een minuut knipperen en
vervolgens constant gaan branden.
Systeembeschrijving
Het bandenspanningscontrolesysteem meet met
behulp van het ABS de verschillen in de omwentelingssnelheid van de verschillende wielen om zo
te kunnen bepalen of de bandenspanning in orde
is. Bij een te geringe bandenspanning verandert
de diameter en daarmee ook de rotatiesnelheid
van de band. Aan de hand van onderlinge vergelijkingen kan het systeem vaststellen of de spanning in een of meer banden te gering is.
3
Indirect Tyre Pressure Monitoring System (ITPMS)
Algemene informatie over
bandenspanningscontrolesystemen
In de onderstaande informatie wordt het bandenspanningscontrolesysteem aangeduid met de
algemene benaming TPMS.
Iedere band, ook de reserveband*, moet maandelijks worden gecontroleerd. Bij controle moet de
band koud zijn en de bandenspanning hebben
die door de autofabrikant wordt aanbevolen op
de bandenspanningssticker of in de bandenspanningstabel. Als de auto banden heeft met een
andere maat dan aanbevolen door de fabrikant,
moet u uitzoeken wat voor deze banden het juiste
bandenspanningsniveau is.
Als extra veiligheidsmaatregel is de auto voorzien
van een bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS) dat aangeeft wanneer de bandenspanning in een of meer banden te laag is. Wanneer
het controlesymbool voor een lage bandenspanning gaat branden, moet u zo snel mogelijk stoppen, de banden controleren en de band(en)
oppompen tot de juiste spanning.
Rijden op banden met een te lage bandenspanning kan ertoe leiden dat de banden oververhit
raken, waardoor de banden lek kunnen raken.
Door een lage bandenspanning gaat u ook minder zuinig rijden en gaan de banden minder lang
mee én het kan gevolgen hebben voor de rijeigenschappen van de auto en het vermogen om
tot stilstand te komen. Let erop dat TPMS geen
vervanging is voor normaal bandenonderhoud. De
bestuurder dient de juiste bandenspanning te
handhaven, óók als de grenswaarde voor een
lage bandenspanning niet is bereikt en het controlesymbool daardoor nog niet is gaan branden.
De auto is ook voorzien van een indicator voor
storingen in het TPMS. Deze geeft aan wanneer
het systeem niet naar behoren werkt. Het lampje
voor storingen in het TPMS is gecombineerd met
het controlesymbool voor een lage bandenspanning. Als het systeem een storing detecteert,
gaat het symbool op het bestuurdersdisplay circa
één minuut knipperen om vervolgens te blijven
branden. Dit wordt telkens herhaald als de auto
wordt gestart tot de storing is verholpen. Wanneer het symbool brandt, kan dat gevolgen hebben voor het vermogen van het systeem om een
lage bandenspanning te detecteren en ervoor te
waarschuwen.
Storingen in het TPMS kunnen diverse oorzaken
hebben zoals het gebruik van een reservewiel of
andere banden of wielen, waardoor het TPMS
niet goed kan functioneren.
Controleer altijd het controlesymbool voor het
TPMS nadat u een of meer banden hebt vervangen om er zeker van te zijn dat de nieuwe band
of het nieuwe wiel goed werkt in combinatie met
het TPMS.
}}
* Optie/accessoire. 537
WIELEN EN BANDEN
||
Meldingen op het instrumentenpaneel
WAARSCHUWING
Bij een te lage bandenspanning gaat het controlelampje voor een lage bandenspanning op het
bestuurdersdisplay branden en er verschijnt een
melding. Controleer dan de bandenspanning in
de app Auto status op het middendisplay.
• Bandenspanning laagControleer
banden, kalibreer na vullen
• Bandenspanningssyst. Tijdelijk niet
beschikbaar
• Bandenspanningssyst. Service vereist
Waar u op moet letten
•
•
Als u banden met een maat anders dan de
originele monteert, moet u het systeem
resetten door de nieuwe bandenspanning
voor deze banden op te slaan om onterechte
waarschuwingen tegen te gaan.
•
Bij gebruik van een reservewiel* werkt het
bandenspanningscontrolesysteem mogelijk
niet goed door verschillen tussen de wielen.
•
Het systeem vormt geen vervanging voor een
regelmatige bandeninspectie en onderhoud.
•
Het is niet mogelijk het bandenspanningscontrolesysteem uit te schakelen.
4
538
Sla de nieuwe bandenspanning altijd in het
systeem op nadat een wiel is vervangen of
de bandenspanning is aangepast.
•
Een verkeerde bandenspanning kan tot
bandenpech leiden, waarbij u de controle
over de auto kunt verliezen.
•
Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
Gerelateerde informatie
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 536)
Bandenspanningsstatus op het middendisplay* bekijken (p. 540)
•
Maatregel bij een waarschuwing voor een
lage bandenspanning (p. 541)
•
De nieuwe bandenspanning opslaan in het
controlesysteem* (p. 538)
De nieuwe bandenspanning
opslaan in het controlesysteem*
Het bandenspanningscontrolesysteem4 kan
alleen correct werken wanneer er een referentiewaarde voor de bandenspanning is opgeslagen.
Dit moet elke keer gebeuren wanneer banden
worden vervangen of de bandenspanning wordt
gewijzigd, zodat het systeem op de juiste manier
kan waarschuwen voor een lage bandenspanning.
Zo moet u de bandenspanning afstemmen op de
door Volvo geadviseerde bandenspanningswaarden bij ritten met een zware belading of op hoge
snelheden (meer dan 160 km/h (100 mph)).
Daarna moet het systeem worden gereset door
de nieuwe bandenspanning op te slaan.
Volg de volgende procedure om de nieuwe bandenspanning als referentiewaarde in het systeem
op te slaan:
1.
Zet de auto uit.
2.
Pomp de banden op tot de juiste spanning,
zie de sticker aan de binnenkant van de portierstijl aan bestuurderszijde voor de aanbevolen spanning voor originele banden.
3.
Start de motor.
Indirect Tyre Pressure Monitoring System (ITPMS)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
4.
5.
Open de app Auto status op het appscherm.
8.
N.B.
Tik op Kalibreren.
Tik op OK om te bevestigen dat u de bandenspanning van alle vier de wielen hebt
gecontroleerd en aangepast.
Maatregel bij een waarschuwing voor een
lage bandenspanning (p. 541)
De nieuwe bandenspanning wordt opgeslagen als de auto met een snelheid hoger dan
35 km/h (22 mph) rijdt.
•
Bandenspanningscontrolesysteem* (p. 537)
WAARSCHUWING
De auto moet stilstaan om te zorgen dat de
knop Kalibreren kan worden gekozen.
7.
•
Als het contact van de auto wordt uitgeschakeld voordat de nieuwe bandenspanning is
opgeslagen, moet de procedure opnieuw
worden uitgevoerd. Zorg ervoor dat het
opslaan binnen één rijcyclus plaatsvindt,
zodat de nieuwe bandenspanning op de
juiste manier wordt opgeslagen.
> Als het opslaan mocht mislukken, verschijnt de melding Opslaan van
bandenspanning mislukt. Probeer het
opnieuw..
Tik op TPMS.
6.
Rijd met de auto totdat de nieuwe bandenspanning is opgeslagen.
De uitlaatgassen bevatten koolstofmonoxide.
Dit is onzichtbaar en geurloos, maar wel zeer
giftig. Daarom moet de procedure voor het
opslaan van een nieuwe bandenspanning
altijd buiten of in een werkplaats met afzuiging worden uitgevoerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 536)
Bandenspanning aanpassen (p. 535)
Bandenspanningsstatus op het middendisplay* bekijken (p. 540)
* Optie/accessoire. 539
WIELEN EN BANDEN
Bandenspanningsstatus op het
middendisplay* bekijken
Statusindicatie
Het bandenspanningscontrolesysteem5 biedt u
de mogelijkheid om op het middendisplay de
bandenspanningsstatus te bekijken.
Status controleren
U moet enkele minuten op snelheden hoger dan
35 km/h (22 mph) rijden om het systeem te activeren.
1.
Open de app Auto status op het appscherm.
De afbeelding is schematisch. Afhankelijk van de softwareversie en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Hier volgen enkele voorbeelden van welke meldingen er voor de bandenspanningsstatus kunnen worden weergegeven en wat deze betekenen.
2.
5
540
Tik op TPMS om de status van de banden te
bekijken.
Middendisplay:
Controleer
band linksvoor,
sla spanning
op na vullen
De bandenspanning is te
laag. Stop de auto en controleer/corrigeer de bandenspanningswaarde door
de band onmiddellijk op te
pompenA.
Middendisplay:
Controleer alle
banden, sla
spanning op na
vullen
De bandenspanning van
twee of meer banden is te
gering. Stop de auto en
controleer/corrigeer de
bandenspanningswaarden
door de banden onmiddellijk op te pompenA.
Bestuurdersdisplay: Bandenspanningssyst.
Tijdelijk niet
beschikbaar
Het controlesymbool knippert en gaat na zo'n 1
minuut constant branden.
Het systeem is tijdelijk
niet beschikbaar, maar
wordt spoedig geactiveerd.
Bestuurdersdisplay: Bandenspanningssyst.
Service vereist
Het controlesymbool knippert en gaat na zo'n 1
minuut constant branden.
Het systeem werkt niet
naar behoren, neem con-
Indirect Tyre Pressure Monitoring System (ITPMS)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
tact op met een werkplaatsB.
Sla de nieuwe bandenspanning altijd op in het systeem nadat
de bandenspanning is aangepast.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
A
B
Gerelateerde informatie
Maatregel bij een waarschuwing
voor een lage bandenspanning
N.B.
Controleer de bandenspanning bij koude banden om de verkeerde bandenspanning tegen
te gaan. Koude banden hebben dezelfde temperatuur als de omgeving (na ca. 3 uur stilstand). Al na enkele kilometers rijden worden
de banden warm en loopt de spanning op.
Wanneer de bandenspanningscontrole6 waarschuwt voor een te lage bandenspanning, is
actie vereist.
•
De nieuwe bandenspanning opslaan in het
controlesysteem* (p. 538)
•
Maatregel bij een waarschuwing voor een
lage bandenspanning (p. 541)
Controleer de bandenspanning en corrigeer deze zo nodig, wanneer het controlesymbool voor het systeem gaat
branden en de melding
Bandenspanning laag verschijnt.
•
•
Bandenspanningscontrolesysteem* (p. 537)
1.
Zet de auto uit.
Autostatus (p. 578)
2.
Controleer de bandenspanning van alle vier
de wielen met een manometer.
3.
Pomp de banden op tot de juiste spanning,
zie de sticker aan de binnenkant van de portierstijl aan bestuurderszijde voor de aanbevolen spanning voor originele banden.
4.
Sla de nieuwe bandenspanning altijd via het
middendisplay op in het systeem nadat de
bandenspanning is aangepast.
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
WAARSCHUWING
Let erop dat het symbool niet verdwijnt voordat de geringe bandenspanning is verholpen
en het opslaan van de nieuwe bandenspanning is gestart.
•
Een verkeerde bandenspanning kan tot
bandenpech leiden, waarbij u de controle
over de auto kunt verliezen.
•
Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
Gerelateerde informatie
•
•
6
Indirect Tyre Pressure Monitoring System (ITPMS)
Aanbevolen bandenspanning (p. 536)
Bandenspanning aanpassen (p. 535)
}}
* Optie/accessoire. 541
WIELEN EN BANDEN
•
•
•
•
De nieuwe bandenspanning opslaan in het
controlesysteem* (p. 538)
Bandenspanningsstatus op het middendisplay* bekijken (p. 540)
Bandenspanningscontrolesysteem* (p. 537)
Band oppompen met compressor uit reparatieset voor banden (p. 555)
Bij het verwisselen van wielen
Gereedschapsset
U kunt de wielen vervangen door bijvoorbeeld
winterwielen of een reservewiel. Neem de desbetreffende instructie in acht voor het demonteren en monteren van wielen.
In de bagageruimte van de auto ligt gereedschap dat bijvoorbeeld bij slepen of bij het verwisselen van een wiel kan worden gebruikt.
Bij montage van een andere
bandenmaat
Controleer of de bandenmaat goedgekeurd is
voor gebruik op de auto.
Neem bij montage van een andere bandenmaat
altijd contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor een update van de software. Bij montage van een grotere of kleinere bandenmaat en
ook bij het vervangen van zomerbanden door winterbanden is mogelijk een update van de software vereist.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
542
Wielen demonteren (p. 544)
Wiel monteren (p. 546)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 647)
Gereedschapsset (p. 542)
In het blok schuimrubber onder de vloer in de
bagageruimte ligt het sleepoog van de auto, een
noodreparatieset voor banden, gereedschap om
de kunststof doppen van de wielbouten te verwijderen en de dop voor de afsluitbare wielbouten.
Bij een auto met reservewiel* treft u een krik en
een wielsleutel aan.
Winterbanden (p. 549)
Gerelateerde informatie
Reservewiel* (p. 547)
•
•
•
Wielbouten (p. 543)
Laadvloer omhoogklappen (p. 568)
Bij het verwisselen van wielen (p. 542)
Krik* (p. 543)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Krik*
BELANGRIJK
De krik is te gebruiken om de auto op te nemen
voor bijvoorbeeld het monteren van een reservewiel.
•
•
Als de krik* niet wordt gebruikt, moet
deze worden bewaard op de daarvoor
bedoelde plaats onder de vloer van de
bagageruimte.
De normale krik die bij de auto zit, is
alleen bestemd voor sporadisch en kortstondig gebruik zoals bij het verwisselen
van een lekke band. Hef de auto alleen
met een krik die voor het desbetreffende
model bestemd is. Als de auto vaker
moet worden opgekrikt of voor langere
tijd zoals bij het onderling roteren van de
banden wordt het gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval de
gebruiksaanwijzing van de desbetreffende krik.
De krik past alleen als deze tot in de juiste stand
omlaaggedraaid wordt.
Gerelateerde informatie
•
•
Laadvloer omhoogklappen (p. 568)
Gereedschapsset (p. 542)
Wielbouten
De wielen zitten met wielbouten op de naven
vast.
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd
zijn door Volvo en deel uitmaken van de originele
accessoires van Volvo.
Controleer met een momentsleutel het aanhaalkoppel van de wielbouten.
Gebruik geen smeermiddel op de draadwindingen van de wielbouten.
WAARSCHUWING
Trek de wielbouten enkele dagen na het verwisselen nog eens na. Temperatuurschommelingen en trillingen kunnen ertoe leiden dat de
wielbouten na verloop van tijd minder strak
vastzitten.
BELANGRIJK
U dient de wielbouten aan te halen met
140 Nm (103 lbf ft). Als u ze te strak of niet
strak genoeg aanhaalt, kan de boutverbinding
beschadigd raken.
Afsluitbare wielbouten*
In het blok schuimrubber onder de vloer in de
bagageruimte is ruimte om de dop voor de
afsluitbare wielbouten in op te bergen.
}}
* Optie/accessoire. 543
WIELEN EN BANDEN
||
Gerelateerde informatie
•
•
Wielen demonteren (p. 544)
Wiel monteren (p. 546)
Wielen demonteren
Het vervangen van wielen moet altijd op de juiste
manier gebeuren. Hier volgen instructies voor
het demonteren van een wiel en waar u daarbij
op moet letten.
BELANGRIJK
•
•
544
Als de krik* niet wordt gebruikt, moet
deze worden bewaard op de daarvoor
bedoelde plaats onder de vloer van de
bagageruimte.
De normale krik die bij de auto zit, is
alleen bestemd voor sporadisch en kortstondig gebruik zoals bij het verwisselen
van een lekke band. Hef de auto alleen
met een krik die voor het desbetreffende
model bestemd is. Als de auto vaker
moet worden opgekrikt of voor langere
tijd zoals bij het onderling roteren van de
banden wordt het gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval de
gebruiksaanwijzing van de desbetreffende krik.
WAARSCHUWING
•
Activeer de parkeerrem en zet de keuzehendel in de parkeerstand (P).
•
Blokkeer de wielen die op de grond staan
met grote houtblokken of grote stenen.
•
Controleer of de krik onbeschadigd is, of
de schroefdraden goed zijn gesmeerd en
of deze vrij van vuil is.
•
Controleer of de krik op een vaste en
vlakke ondergrond staat die niet glad is
en niet helt.
•
De krik moet op de juiste wijze in het
kriksteunpunt zijn bevestigd.
•
Leg nooit iets tussen de krik en de
ondergrond en evenmin tussen de krik en
het kriksteunpunt van de auto.
•
Laat nooit passagiers in een auto zitten
die op een krik staat.
•
Bij het verwisselen van een wiel langs de
kant van de weg dienen eventuele passagiers op veilige afstand te gaan staan.
•
Gebruik bij het verwisselen van banden
de krik die bij de auto hoort. Bok de auto
op bij alle andere werkzaamheden.
•
Kruip of reik nooit onder een auto die op
een krik staat.
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
1.
Plaats een gevarendriehoek en schakel de
alarmlichten in, als u een wiel moet verwisselen langs een drukke weg.
2.
Haal de parkeerrem aan en schakel stand P
in of schakel de eerste versnelling in bij een
auto met een handgeschakelde versnellingsbak.
3.
Neem de krik*, de wielsleutel* en het demontagegereedschap voor de kunststof wielboutdoppen uit het blok schuimrubber.
5.
Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in
de wielsleutel vast volgens de instructie.
8.
Bij het opnemen van de auto is het belangrijk
dat u de krik of de dragerarmen onder de
voorziene steunpunten in het onderstel van
de auto plaatst. Driehoekige markeringen op
de kunststof afdekking geven aan waar de
kriksteunpunten/hefpunten zitten. Er zitten
aan beide zijden van de auto twee kriksteunpunten. Bij elk steunpunt zit een uitsparing
voor de krik.
9.
Plaats de krik onder het te gebruiken bevestigingspunt op de grond; een stevige ondergrond die niet glad is.
BELANGRIJK
Schroef het sleepoog zo ver mogelijk in de
wielsleutel*.
Demontagegereedschap voor kunststof boutafdekkingen.
4.
6.
Verwijder de kunststof boutafdekkingen met
het demontagegereedschap.
7.
Terwijl de auto nog op de grond staat,
gebruikt u de wielsleutel/het sleepoog om
de wielbouten ½–1 slag los te draaien door
omlaag te drukken (en linksom te draaien).
Plaats wielblokken voor en achter de wielen
die op de grond blijven staan. Gebruik daarvoor bijvoorbeeld grote blokken hout of grote
stenen.
}}
* Optie/accessoire. 545
WIELEN EN BANDEN
||
10. Breng de krik omhoog totdat deze goed zit
en contact maakt met het kriksteunpunt van
de auto. Controleer of de kop van de krik (of
de dragerarmen in een werkplaats) goed in
het steunpunt is (zijn) geplaatst, zodat de
verhoging in het midden van de kop in de
opening in het steunpunt past en of de voet
loodrecht onder het steunpunt staat.
11. Draai de krik zo dat de slinger zo ver mogelijk
van de zijkant van de auto komt. De armen
van de krik staan dan haaks op de rijrichting
van de auto.
12. Neem de auto zo ver op dat het wiel van de
grond komt. Verwijder de wielbouten en til
het wiel eraf.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Wiel monteren
Instructie voor het monteren van wielen bij het
verwisselen van wielen.
N.B.
De normale krik die bij de auto zit, is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band. Hef de auto alleen met een krik
die voor het desbetreffende model bestemd
is. Als de auto vaker moet worden opgekrikt
of voor langere tijd zoals bij het onderling
roteren van de banden wordt het gebruik van
een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval
de gebruiksaanwijzing van de desbetreffende
krik.
WAARSCHUWING
•
Activeer de parkeerrem en zet de keuzehendel in de parkeerstand (P).
•
Blokkeer de wielen die op de grond staan
met grote houtblokken of grote stenen.
•
Controleer of de krik onbeschadigd is, of
de schroefdraden goed zijn gesmeerd en
of deze vrij van vuil is.
•
Controleer of de krik op een vaste en
vlakke ondergrond staat die niet glad is
en niet helt.
•
De krik moet op de juiste wijze in het
kriksteunpunt zijn bevestigd.
•
Leg nooit iets tussen de krik en de
ondergrond en evenmin tussen de krik en
het kriksteunpunt van de auto.
•
Laat nooit passagiers in een auto zitten
die op een krik staat.
•
Bij het verwisselen van een wiel langs de
kant van de weg dienen eventuele passagiers op veilige afstand te gaan staan.
•
Gebruik bij het verwisselen van banden
de krik die bij de auto hoort. Bok de auto
op bij alle andere werkzaamheden.
•
Kruip of reik nooit onder een auto die op
een krik staat.
Bij het verwisselen van wielen (p. 542)
Auto opnemen (p. 581)
Krik* (p. 543)
Gereedschapsset (p. 542)
Wiel monteren (p. 546)
1.
546
Reinig de vlakken tussen wiel en naaf.
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
2.
Breng het wiel aan. Haal de wielbouten stevig aan.
WAARSCHUWING
Trek de wielbouten enkele dagen na het verwisselen nog eens na. Temperatuurschommelingen en trillingen kunnen ertoe leiden dat de
wielbouten na verloop van tijd minder strak
vastzitten.
Gebruik geen smeermiddel op de draadwindingen van de wielbouten.
3.
Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
4.
Draai de wielbouten kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielbouten stevig aanhaalt. Haal aan met 140 Nm (103 lbf ft).
Controleer het aanhaalkoppel met een
momentsleutel.
N.B.
5.
Plaats de kunststof doppen terug op de wielbouten.
6.
Controleer de bandenspanning en kalibreer
het systeem voor bandenspanningscontrole*.
•
Het reservewiel van het type Temporary Spare is
te gebruiken voor tijdelijke vervanging van een
standaardwiel met een lekke band.
Het reservewiel is alleen bestemd voor tijdelijk
gebruik. Vervang het zo spoedig mogelijk door
een standaardwiel.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
De rijeigenschappen van de auto kunnen veranderen doordat de gewijzigde bodemvrijheid bij
gebruik van het reservewiel. Reinig de auto niet
in een automatische wasstraat bij gebruik van
een Temporary Spare.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
Houd de aanbevolen bandenspanning aan ongeacht de locatie van de thuiskomer op de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Reservewiel*
Als het reservewiel kapot mocht gaan is via de
Volvo-dealer een nieuw te bestellen.
Bij het verwisselen van wielen (p. 542)
Auto opnemen (p. 581)
Krik* (p. 543)
Gereedschapsset (p. 542)
Wielen demonteren (p. 544)
De nieuwe bandenspanning opslaan in het
controlesysteem* (p. 538)
Bandenspanning controleren (p. 534)
}}
* Optie/accessoire. 547
WIELEN EN BANDEN
||
WAARSCHUWING
•
Rijd met een reservewiel op de auto nooit
sneller dan 80 km/h (50 mph).
•
Er mag nooit met de auto worden gereden als deze van meer dan één reservewiel van het type "Temporary Spare" is
voorzien.
•
Tijdens het gebruik van een compact
reservewiel kunnen de rijeigenschappen
van de auto zich wijzigen. Vervang het
reservewiel zo spoedig mogelijk door een
standaardwiel.
•
Het reservewiel is kleiner dan het standaardwiel, wat gevolgen heeft voor de
bodemspeling van de auto. Pas op voor
hoge trottoirbanden en reinig de auto niet
in een autowasstraat.
BELANGRIJK
Er mag niet met de auto worden gereden met
banden van verschillende maten of met een
reserveband die niet bij de auto is meegeleverd. Door het gebruik van wielen met verschillende maten kan de versnellingsbak van
de auto ernstig beschadigd raken.
Reservewiel gebruiken
Neem voor het gebruik van het reservewiel de
volgende instructies in acht:
Gerelateerde informatie
•
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 542)
Aanbevolen bandenspanning (p. 536)
Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag in
de ruimte voor het reservewiel. Het blok schuimrubber bevat al het gereedschap voor het verwisselen van banden.
•
Neem de bandenspanning in acht die de
fabrikant van het reservewiel adviseert.
•
Bij vierwielaangedreven auto's is de aandrijving op de achterwielen uit te schakelen.
1.
Pak vloer in de bagageruimte aan de achterzijde beet en klap deze naar voren toe
omhoog.
•
Als het reservewiel op de vooras zit, kunt
u geen sneeuwkettingen omleggen.
2.
Til het blok schuimrubber met het gereedschap erin uit de auto.
•
Het reservewiel mag niet worden gerepareerd.
3.
Draai de bevestigingsbout los.
4.
Til het reservewiel uit de auto.
Lekke band plaatsen
1.
548
Leg het wiel met de lekke band in de ruimte
voor het reservewiel.
WIELEN EN BANDEN
2.
Draai de bevestigingsbout vast waarmee de
band vastzit.
N.B.
Als de bevestigingsbout loskomt uit de onderste carrosseriebevestiging onder het reservewiel, moet u de bout in het gat terugplaatsen
en rechtsom vastdraaien.
3.
Leg het gereedschap terug op de beoogde
plek in het blok schuimrubber en til het blok
schuimrubber terug in de auto.
4.
Klap vervolgens de laadvloer omlaag en leg
de lekke band in de kofferbak/bagageruimte.
Gerelateerde informatie
•
•
Reservewiel* (p. 547)
Laadvloer omhoogklappen (p. 568)
Winterbanden
Profieldiepte
Winterbanden zijn aangepast voor winterse
omstandigheden.
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een minimale profieldiepte van 4 mm (0,15 inch) voor winterbanden.
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van de
motorvariant. Gebruik altijd het juiste type winterbanden op alle vier de wielen.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 542)
Rijden tijdens de winter (p. 436)
Slijtage-indicator van banden (p. 534)
Informeer bij een Volvo-dealer naar de
geschiktste velgen en banden.
Tips bij het monteren van winterbanden
Noteer bij het vervangen van de zomerbanden
door winterbanden of andersom op de banden
aan welke kant ze zaten: bijvoorbeeld L voor links,
R voor rechts.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km (300–600 miles) rustig worden
ingereden, zodat de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo gaan de banden en vooral de
“spikes” langer mee.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het gebruik
van banden met spikes verschillen per land.
* Optie/accessoire. 549
WIELEN EN BANDEN
Sneeuwkettingen
Het gebruiken van sneeuwkettingen en/of winterbanden kan helpen om onder winterse
omstandigheden voor een betere aandrijfkracht
te zorgen.
BELANGRIJK
Sneeuwkettingen zijn op de auto te gebruiken, zij het met de volgende beperkingen:
•
Volvo adviseert om geen sneeuwkettingen te
gebruiken bij bandenmaten van meer dan
18 inch.
WAARSCHUWING
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of
vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen. Alleen enkelzijdige sneeuwkettingen zijn toegestaan.
•
•
Volvo adviseert u om bij twijfel over het juiste
type sneeuwketting contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde
sneeuwketting kan ernstige schade aan de
auto veroorzaken en aanleiding geven tot een
ongeluk.
550
Neem altijd zorgvuldig de montagevoorschriften instructies van de fabrikant van
de sneeuwkettingen in acht. Leg de
sneeuwkettingen zo strak mogelijk om en
span ze van tijd tot tijd opnieuw aan.
Het gebruik van sneeuwkettingen is
alleen toegestaan op de voorwielen
(geldt ook voor modellen met vierwielaandrijving).
Als er accessoire- of aftermarket-banden/wielen of anderszins speciale banden/wielen zijn gemonteerd met een
afwijkende andere maat dan de originele
banden en wielen, zijn in bepaalde gevallen GEEN sneeuwkettingen te gebruiken.
Houd voldoende afstand aan tussen de
sneeuwkettingen en de remmen, vering
en carrosserieonderdelen.
•
Raadpleeg voordat u de sneeuwkettingen
monteert de lokale regels voor het
gebruik ervan.
•
Rijd nooit harder dan de maximumsnelheid die is aangegeven door de fabrikant
van de sneeuwkettingen. U mag in geen
geval sneller rijden dan 50 km/h
(30 mph).
•
Vermijd oneffenheden, gaten of scherpe
bochten bij ritten met sneeuwkettingen.
•
Rijd niet op sneeuwvrije wegen, omdat de
sneeuwkettingen en de banden dan overmatig slijten.
•
De rijeigenschappen van de auto kunnen
negatief worden beïnvloed door het rijden
met sneeuwkettingen. Vermijd snelle of
scherpe bochten en rem niet met blokkerende wielen.
•
Bepaalde soorten kettingen die worden
aangespannen zijn van invloed op remonderdelen en kunnen daarom NIET worden
gebruikt.
Voor meer informatie over sneeuwkettingen kunt
u terecht bij een Volvo-dealer.
Gerelateerde informatie
•
Rijden tijdens de winter (p. 436)
WIELEN EN BANDEN
Noodreparatieset voor banden
Positie
U gebruikt de noodreparatieset voor banden7
om een lek in een band tijdelijk af te dichten én
om de bandenspanning te controleren en zo
nodig aan te passen.
De noodreparatieset voor banden zit in het blok
schuimrubber onder de vloer in de bagageruimte.
Noodreparatieset voor banden
gebruiken
Dicht een lek met de noodreparatieset voor banden, Temporary Mobility Kit (TMK).
Overzicht
Bij auto's die zijn voorzien van een reserveband*
ontbreekt de noodreparatieset voor banden.
De noodreparatieset voor banden bestaat uit een
compressor en een bus met afdichtmiddel. Het
afdichtmiddel dient om noodreparaties uit te voeren.
N.B.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek
in het loopvlak effectief af, maar leent zich
minder goed voor banden met een gat in het
zijvlak. Gebruik de noodreparatieset niet voor
banden met diepe sneeën, barsten of soortgelijke beschadigingen.
N.B.
De compressor is bestemd voor noodreparaties van banden en is goedgekeurd door
Volvo.
7
Temporary Mobility Kit (TMK)
Uiterste gebruiksdatum van de bus met
afdichtmiddel
De bus met afdichtmiddel moet worden vervangen als de uiterste gebruiksdatum van de bus is
verstreken (zie de sticker op de bus). Behandel
de vervangen bus als klein chemisch afval (kca).
Sticker, toelaatbare maximumsnelheid
Gerelateerde informatie
Bushouder
•
Noodreparatieset voor banden gebruiken
(p. 551)
Knop
Voedingskabel
Drukreduceerventiel
•
Band oppompen met compressor uit reparatieset voor banden (p. 555)
Manometer
•
Banden (p. 530)
Sticker, waarschuwing voor op zijkant wiel
}}
* Optie/accessoire. 551
WIELEN EN BANDEN
||
Bus met afdichtmiddel
Opening van de bus
Aansluiting voor de bus
WAARSCHUWING
Let bij gebruik van het bandenreparatiesysteem op de volgende punten:
•
De bus met afdichtmiddel bevat 1,2-Ethanol en natuurrubber-latex. Deze stoffen
zijn gevaarlijk bij inname.
•
De inhoud van deze bus kan allergische
huidreacties veroorzaken of op een
andere manier mogelijk schadelijk zijn
voor de luchtwegen, de huid, het centrale
zenuwstelsel en de ogen.
Luchtslang
Aansluitventiel
Aansluiten
Voorzorgsmaatregelen:
Inademing: Breng het slachtoffer in de
frisse lucht. Neem bij aanhoudende irritatie contact op met een arts.
•
Doorslikken: Laat het slachtoffer niet braken, tenzij medisch personeel dat van u
verlangt. Neem contact op met een arts.
•
Afval: Lever dit materiaal en de verpakkingen ervan in bij een inzamelingsplaats
voor gevaarlijk afval.
WAARSCHUWING
•
Verwijder de bus niet tijdens het gebruik
van de noodreparatieset voor banden.
•
Verwijder de luchtslang niet tijdens het
gebruik van de noodreparatieset voor
banden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
•
•
•
Gevaarlijk bij inname.
•
Na gebruik daarom zorgvuldig wassen.
Vermijd langdurig of herhaaldelijk contact
met de huid. Als er afdichtmiddel op uw
kleren is gekomen dient u de betrokken
kledingstukken uit te trekken.
Eerste hulp:
552
•
•
Huid: Was blootgestelde delen van de
huid met zeep en water. Neem bij eventuele symptomen contact op met een arts.
•
Ogen: Spoel minimaal 15 minuten overvloedig met water en til tussendoor het
onderste en bovenste ooglid op. Neem bij
eventuele symptomen contact op met
een arts.
1.
Zet de gevarendriehoek op en schakel de
alarmlichten in, als u een lekke band moet
afdichten langs een drukke weg.
Laat een eventuele spijker of iets dergelijks
in de lekke band zitten. Het lek is zo beter af
te dichten.
WIELEN EN BANDEN
2.
Verwijder de sticker met de toegestane maximumsnelheid die aan de ene kant van de
compressor zit. Bevestig de sticker goed
zichtbaar aan de binnenkant van de voorruit
om u eraan te herinneren de toegestane
maximumsnelheid aan te houden. Rijd na
gebruik van de noodreparatieset voor banden
nooit sneller dan 80 km/h (50 mph).
Neem tevens de waarschuwingssticker los
en zorg ervoor dat deze goed op de zijkant
van het wiel blijft zitten.
3.
4.
Controleer of de knop in stand 0 (uit) staat
en neem de voedingskabel en de luchtslang
erbij.
Bevestig de bus met afdichtmiddel in de
compressor zodat de rode pijlen op de compressor en de bus recht tegenover elkaar
staan en draai de bus vervolgens tot aan de
klik rechtsom.
De bus is voorzien van een terugslagklep die
voorkomt dat er vloeistof weglekt als de bus
niet in de compressor is geplaatst.
5.
Sluit de luchtslang aan op de opening van de
bus en draai de slang tot aan de klik
rechtsom.
6.
Draai de ventieldop van de band los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het bandventiel.
7.
Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
8.
N.B.
Zorg er bij een actieve compressor voor dat
geen van de overige 12V-aansluitingen in
gebruik is.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die afgesloten zijn of onvoldoende
ventilatie hebben.
Schakel de compressor in door de knop in
stand I (aan) te zetten.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u de compressor
onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat
geval de rit. Roep pechhulp onderweg in om
de auto naar een bandenwerkplaats te slepen.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-bandenwerkplaats.
N.B.
Als de compressor start, kan de druk tot 6 bar
(88 psi) toenemen. De druk daalt echter na
ca. 30 seconden.
9.
Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
BELANGRIJK
Laat de compressor niet langer dan
10 minuten achtereen werken – risico van
oververhitting.
}}
553
WIELEN EN BANDEN
||
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar
(22 psi) en maximaal 2,5 bar (36 psi) te
bedragen. Laat bij een te hoge bandenspanning lucht uit de band ontsnappen.
Om bij het drukreduceerventiel te kunnen
moet u eerst de bus met afdichtmiddel verwijderen. Verwijder de bus in de aangegeven
volgorde:
1. Koppel de luchtslang los van het bandventiel.
2. Koppel de luchtslang los van de bus.
11. Schakel de compressor uit en koppel de voedingskabel los.
12. Schroef de luchtslang los van het bandventiel en plaats de ventieldop terug op de band.
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade aan
het ventiel door grind, vuil e.d. te voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn moeilijk los te draaien.
3. Verwijder de bus uit de compressor.
4. Sluit het ene eind van de luchtslang
rechtstreeks aan op de compressor.
5. Sluit het andere eind van de luchtslang
weer op het aan op het bandventiel.
6. Laat lucht ontsnappen via het drukreduceerventiel.
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar
(22 psi), is het gat in de band te groot. Beëindig in dat geval de rit. Roep pechhulp onderweg in om de auto naar een bandenwerkplaats te slepen. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-bandenwerkplaats.
554
13. Reinig de luchtslang voordat u deze opbergt
en wees voorzichtig om te voorkomen dat er
afdichtmiddel weglekt.
14. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie minstens 3 km (2 miles) af bij een snelheid van
maximaal 80 km/h (50 mph), zodat het
afdichtmiddel de band kan afdichten en verricht daarna een tweede controle.
WAARSCHUWING
Tijdens de eerste slagen die de band ronddraait spuit er afdichtvloeistof uit het gat.
Houd bij het wegrijden omstanders uit de
buurt van de auto om te voorkomen dat ze
afdichtmiddel op zich krijgen. De afstand
moet minimaal 2 meter bedragen (7 voet).
15. Controle achteraf
Sluit de luchtslang aan op het bandventiel en
schroef de ventielaansluiting tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het
bandventiel. De compressor moet zijn uitgeschakeld.
WIELEN EN BANDEN
16. Lees de bandenspanning van de manometer
af.
•
Bij een spanning lager dan 1,3 bar
(19 psi) is de band niet goed afgedicht.
Beëindig in dat geval de rit. Roep wegenhulp in om de auto af te slepen.
•
Bij een bandenspanning hoger dan
1,3 bar (19 psi) moet u de band oppompen tot de spanning die staat aangegeven
op de bandenspanningssticker aan de
binnenkant van de portierstijl aan de
bestuurderszijde (1 bar = 100 kPa =
14,5 psi). Laat bij een te hoge bandenspanning lucht uit de band ontsnappen.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Volvo adviseert u de auto naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats te rijden om de
beschadigde band te laten vervangen/repareren.
Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er
afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
De maximale afstand die mag worden afgelegd als banden met afdichtmiddel zijn gevuld
is 200 km (120 miles).
N.B.
De compressor is een elektrisch apparaat,
zodat u zich dient te houden aan de plaatselijke voorschriften voor afvoer.
Band oppompen met compressor
uit reparatieset voor banden
De originele banden van de auto zijn op te pompen met de compressor uit de noodreparatieset
voor banden.
1.
De compressor moet zijn uitgeschakeld. Zorg
dat de knop in stand 0 (Uit) staat en neem
de voedingskabel en de luchtslang erbij.
2.
Sluit de luchtslang rechtstreeks aan op de
bushouder en draai de slang tot aan de klik
rechtsom.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bevestig de waarschuwingssticker op de zijkant van de compressor, omdat u de sticker
niet op de zijkant van het wiel hoeft aan te
brengen als er geen afdichtmiddel is
gebruikt.
Laadvloer omhoogklappen (p. 568)
Aanbevolen bandenspanning (p. 536)
Noodreparatieset voor banden (p. 551)
Band oppompen met compressor uit reparatieset voor banden (p. 555)
3.
Draai de ventieldop van de band los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het bandventiel.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de luchtslang na gebruik. Volvo adviseert u dergelijke vormen van vervanging te laten uitvoeren door een
erkende Volvo-werkplaats.
}}
555
WIELEN EN BANDEN
||
4.
Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
8.
Plaats de ventieldop terug op de band.
N.B.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die afgesloten zijn of onvoldoende
ventilatie hebben.
WAARSCHUWING
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade aan
het ventiel door grind, vuil e.d. te voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn moeilijk los te draaien.
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
5.
N.B.
Schakel de compressor in door de knop in
stand I (aan) te zetten.
De compressor is een elektrisch apparaat,
zodat u zich dient te houden aan de plaatselijke voorschriften voor afvoer.
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor mag
niet langer dan 10 minuten werken.
6.
7.
556
Pomp de band op tot de spanning die op de
bandenspanningssticker aan de binnenkant
van de portierstijl aan bestuurderszijde staat.
Laat bij een te hoge bandenspanning lucht
uit de band ontsnappen.
Schakel de compressor uit. Koppel de luchtslang en de voedingskabel los.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 536)
Noodreparatieset voor banden gebruiken
(p. 551)
Noodreparatieset voor banden (p. 551)
LAADMOGELIJKHEDEN,
OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Auto-interieur
rugleuning van de voorstoel alsmede USB-poort* in de
tunnelconsole.
Overzicht van het auto-interieur en de opbergmogelijkheden.
WAARSCHUWING
Voorstoel
Bewaar losse voorwerpen, zoals een mobiele
telefoon, camera, afstandsbediening voor
extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of
andere opbergruimten. Bij krachtig afremmen
of een botsing kunnen deze anders inzittenden verwonden.
BELANGRIJK
Opbergvakken bij de voetenruimte, elektrische aansluiting en USB-poort boven de draadloze oplader*, bekerhouders en opbergvak onder de middenarmsteun op de
tunnelconsole.
Opbergvakken in portierpaneel, kaarthouder links van
het stuurwiel, opbergvak onder bestuurdersstoel1, dashboardkastje met uitklapbaar haakje en zonnekleppen.
Achterbank
Gerelateerde informatie
Opbergvakken in het portierpaneel, bekerhouders* in de
rugleuning van de middelste zitplaats, opbergnet* op de
1
558
Let er bijvoorbeeld op dat metalen voorwerpen als snel krassen maken op glanzende
oppervlakken. Leg geen sleutels, telefoons of
andere dingen op krasgevoelige oppervlakken.
•
•
•
•
•
•
•
•
Asbak* legen (p. 560)
Aansteker* gebruiken (p. 560)
Stroomaansluitingen (p. 561)
Dashboardkastje gebruiken (p. 563)
Zonnekleppen (p. 564)
Tunnelconsole (p. 559)
Draadloze telefoonoplader* (p. 508)
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 490)
U kunt hier maximaal 1 kg (2,2 lbs) opbergen.
* Optie/accessoire.
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Tunnelconsole
De tunnelconsole zit tussen de voorstoelen.
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
Let er bijvoorbeeld op dat metalen voorwerpen als snel krassen maken op glanzende
oppervlakken. Leg geen sleutels, telefoons of
andere dingen op krasgevoelige oppervlakken.
Opbergvak met bekerhouder(s).
Prullenbakje*2 dat te verwijderen en legen is.
Opbergvak onder de middenarmsteun.
Klimaatregeling voor klimaatfuncties achterin* of opbergvak. Eronder vindt u tevens
een USB-poort*.
2
N.B.
Bewaar losse voorwerpen, zoals een mobiele
telefoon, camera, afstandsbediening voor
extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of
andere opbergruimten. Bij krachtig afremmen
of een botsing kunnen deze anders inzittenden verwonden.
De USB-poorten zijn te gebruiken voor het
opladen van bijv. een mobiele telefoon of
tablet. Alleen de USB-poort aan de voorkant
is te gebruiken voor het weergeven van media
via het audiosysteem van de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Asbak* legen (p. 560)
Aansteker* gebruiken (p. 560)
Auto-interieur (p. 558)
Stroomaansluitingen (p. 561)
Klimaatregelingsbediening (p. 199)
N.B.
Een van de sensoren voor het alarmsysteem*
zit onder de bekerhouder in de tunnelconsole.
Leg geen parkeergeld, sleutels of andere
metalen voorwerpen in de bekerhouder,
omdat dit ertoe kan leiden dat het alarm
afgaat.
Alleen auto's met een automatische versnellingsbak.
* Optie/accessoire. 559
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Aansteker* gebruiken
Gerelateerde informatie
De aansteker kan een aanvulling vormen op de
12V-aansluiting vóór in de tunnelconsole.
•
•
Aansteker in tunnelconsole, voorstoel.
1.
2.
3.
Druk de knop van de aansteker in.
> Wanneer de aansteker eenmaal gloeit,
springt de knop omhoog.
Asbak* legen (p. 560)
Asbak* legen
Als de auto een aansteker heeft zit er een uitneembare asbak in de tunnelconsole.
1.
Neem de asbak los door deze recht omhoog
te trekken en gooi de inhoud weg.
2.
Plaats de asbak terug in de tunnelconsole.
Neem de aansteker uit de aansluiting en
gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan te steken.
WAARSCHUWING
Wees voorzichtig met een brandende peuk en
as om inzittenden niet te verwonden en het
interieur niet te beschadigen. Doof sigaretten
alleen in de beoogde asbak.
Plaats de aansteker terug in de aansluiting.
WAARSCHUWING
Let erop dat het gloeiende deel van een aansteker geen aanleiding geeft tot schade aan
het interieur en letsel van inzittenden.
560
Auto-interieur (p. 558)
Gerelateerde informatie
•
•
Auto-interieur (p. 558)
Aansteker* gebruiken (p. 560)
* Optie/accessoire.
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Stroomaansluitingen
Elektrische aansluitingen gebruiken
In de tunnelconsole zit een 12V-aansluiting en in
de bagageruimte zit een 12V-aansluiting*.
U kunt de 12V-aansluiting gebruiken voor verschillende accessoires die op een dergelijke
spanning werken, zoals mediaspelers, koelboxen
of mobiele telefoons.
Neem bij problemen met een stroomaansluiting
contact op met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Het elektrische systeem van de auto moet minimaal in contactslotstand I staan, anders geven de
aansluitingen geen stroom. Vervolgens blijven de
aansluitingen actief zolang de ladingsgraad van
de startaccu niet te laag is.
Elektrische 12V-aansluiting
12V-aansluiting in bagageruimte*.
Gerelateerde informatie
•
•
Auto-interieur (p. 558)
Elektrische aansluitingen gebruiken
(p. 561)
Als de motor afgezet en de auto vergrendeld
wordt, worden de aansluitingen gedeactiveerd.
Als de motor wordt afgezet en de auto niet wordt
vergrendeld óf wordt vergrendeld met tijdelijk
gedeactiveerde Safelock-functie, blijven de aansluitingen nog maximaal 7 minuten actief.
12V-aansluiting in tunnelconsole, voorin.
U kunt de 12V-aansluitingen gebruiken voor verschillende accessoires die op een dergelijke
spanning werken, zoals mediaspelers, koelboxen
of mobiele telefoons.
}}
* Optie/accessoire. 561
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
||
N.B.
Let erop dat het gebruik van de elektrische
aansluitingen bij een uitgeschakelde motor
ertoe kan leiden dat het laadniveau van de
startaccu te ver daalt, wat aanleiding kan
geven tot beperkingen van andere functies.
Accessoires die zijn aangesloten op de elektrische aansluitingen kunnen ook worden
geactiveerd, wanneer het elektrische systeem
van de auto is uitgeschakeld of bij gebruik
van de preconditioning. Trek om die reden
eventuele stekkers los van accessoires die u
niet nodig hebt om te voorkomen dat de startaccu uitgeput raakt.
WAARSCHUWING
•
Gebruik geen accessoires met grote of
zware stekkers; ze kunnen de aansluiting
beschadigen of losgaan tijdens het rijden.
•
Gebruik geen accessoires die storingen
kunnen veroorzaken in bijvoorbeeld de
radio of het elektrische systeem van de
auto.
•
Plaats het accessoire zo, dat het de
bestuurder of passagiers bij krachtig remmen of een botsing niet kan verwonden.
•
Houd aangesloten accessoires in de
gaten, aangezien ze mogelijk warmte produceren waaraan passagiers zich kunnen
branden. Ook kan het interieur hierdoor
beschadigd raken.
12V-aansluiting gebruiken
562
1.
Verwijder de plug (tunnelconsole) of klap de
afdekking omlaag (kofferbak/bagageruimte)
vóór de aansluiting en sluit de stekker van
het accessoire aan.
2.
Haal de stekker van het accessoire eruit en
plaats de plug weer terug (tunnelconsole) of
klap de afdekking omhoog (kofferbak/bagageruimte) als de aansluiting niet wordt
gebruikt of als u de aansluiting zonder toezicht achterlaat.
BELANGRIJK
Het maximale vermogen is 120 W (10 A) per
aansluiting.
Gerelateerde informatie
•
•
Stroomaansluitingen (p. 561)
Auto-interieur (p. 558)
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Dashboardkastje gebruiken
Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde.
In het dashboardkastje kunt u bijvoorbeeld de
gedrukte versie van de gebruikershandleiding en
eventuele kaarten bewaren. Er is ook voorzien in
een pen- en kaarthouder.
Opbergplek voor de sleutel. De afbeelding is schematisch, zodat de vorm kan variëren.
De afbeelding is schematisch, zodat de vorm kan variëren.
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw de sleutel in de slotcilinder van het
dashboardkastje.
Draai de sleutel 90 graden rechtsom.
Dashboardkastje met uitklapbaar haakje.
Het haakje van het dashboardkastje is uit te klappen en te gebruiken met het dashboardkastje
dicht.
Verwijder de sleutel.
–
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde
volgorde aan.
Dashboardkastje vergrendelen en
ontgrendelen*
Het dashboardkastje is te vergrendelen, wanneer
u de auto bijvoorbeeld bij een werkplaats of een
hotel afgeeft. Het dashboardkastje is alleen te
vergrendelen/ontgrendelen met de bijgeleverde
sleutel.
}}
* Optie/accessoire. 563
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
||
Koeling* dashboardkastje gebruiken
U kunt de koeling van het dashboardkastje
gebruiken om bijvoorbeeld dranken of etenswaar
te koelen. De koeling werkt, wanneer de klimaatregeling actief is (dat wil zeggen wanneer de
auto in contactslotstand II staat of wanneer de
motor draait).
Zonnekleppen
Bagageruimte
Aan het plafond voor de bestuurderstoel en de
passagiersstoel voorin zitten zonnekleppen die
omlaag en indien nodig ook opzij te klappen zijn.
De auto heeft een flexibele bagageruimte waarin
u grote spullen kunt vervoeren en vastzetten.
Door de rugleuningen van de achterbank omlaag
te klappen, ontstaat een bijzonder grote bagageruimte. Gebruik verankeringsogen of draagtashouders om de lading goed in positie te houden.
Om ruimte te maken voor omvangrijke lading is
de hoedenplank eenvoudig te demonteren en
onder de laadvloer op te bergen.
Onder de laadvloer liggen het sleepoog en de
noodreparatieset voor banden en een eventueel
reservewiel*.
Gerelateerde informatie
De afbeelding is schematisch, zodat de vorm kan variëren.
De afbeelding is schematisch, zodat de vorm kan variëren.
Koeling activeren
Koeling deactiveren
–
Activeer of deactiveer de koeling door de
hendel tot aan de aanslag (in de richting van
interieur/dashboardkastje) te bewegen.
De spiegelverlichting* gaat automatisch branden
als u het klepje opent.
Op de omlijsting van de spiegel zit een houder
voor bijvoorbeeld kaarten of biljetten.
•
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 565)
•
•
•
Draagtashouders (p. 566)
Verankeringsogen (p. 567)
Hoedenplank demonteren en opbergen
(p. 572)
Gerelateerde informatie
•
Auto-interieur (p. 558)
Gerelateerde informatie
•
•
564
Auto-interieur (p. 558)
Privacy locking (p. 263)
* Optie/accessoire.
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Adviezen voor het vervoer van
bagage
Er zijn enkele dingen waar u rekening mee moet
houden bij het inladen van de auto.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te
worden verminderd met de som van het gewicht
van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van het gewicht en de positie van
de lading verandert het rijgedrag van de auto.
Bagage in bagageruimte/kofferbak
laden
Aandachtspunten bij inladen:
•
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning
van de achterbank.
•
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op neergeklapte rugleuningen.
•
Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
•
Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen vast.
WAARSCHUWING
Een los voorwerp van 20 kg (44 pound) kan
zich bij een frontale botsing op een snelheid
van 50 km/h (30 mph) gedragen als een
voorwerp van 1000 kg (2200 pound).
WAARSCHUWING
Houd 10 cm (4 inch) afstand aan tussen de
bagage en de zijruiten, als u de bagage
opstapelt tot boven de portierruiten. Anders
kan de beschermende werking van de
opblaasgordijnen, die in de plafondbekleding
zijn weggewerkt, uitblijven.
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Let erop dat het WHIPS niet door voorwerpen
mag worden gehinderd, als een of meer rugleuningen van de achterbank zijn omgeklapt.
Bij het vervoer van lange en smalle stukken
bagage is het doorsteekluik* in de achterbank
open te klappen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Verankeringsogen (p. 567)
Rugleuning achterbank omklappen (p. 180)
Doorsteekluik in achterbank* (p. 567)
Lading vervoeren op het dak en op lastdragers (p. 566)
Niveauregeling* en schokdemping (p. 429)
Gewichten (p. 633)
Dek scherpe randen en hoeken af met iets
zachts.
Zet de motor af en schakel de parkeerrem in
bij het in- en uitladen van lange voorwerpen.
Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen de
versnellingspook of keuzehendel aan komen
en zo per ongeluk een versnelling inschakelen
– de auto kan dan in beweging komen.
Bagageruimte/kofferbak vergroten
Om de bagageruimte groter te maken en het
inladen van bagage te vereenvoudigen zijn de
rugleuningen van de achterbank om te klappen.
* Optie/accessoire. 565
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Lading vervoeren op het dak en op
lastdragers
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de auto.
Maak voor het vervoer van lading op het dak
gebruik van de lastdragers die Volvo ontwikkeld
heeft.
Dit om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden. De lastdragers van Volvo zijn te verkrijgen bij erkende
Volvo-dealers.
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
566
•
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig
over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop.
•
Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading stevig vast met sjorbanden.
•
Bij uitstekende lading aan de voorzijde van
de auto zoals een kano of kajak, monteer
dan het sleepoog in de uitsparing aan de
voorzijde en gebruik het sleepoog voor
bevestiging van sjorbanden.
•
Naarmate u meer lading op het dak vervoert,
vangt de auto meer wind en neemt het
brandstofverbruik toe.
•
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
Houd u aan de specificaties van de auto m.b.t.
gewichten en maximaal toegestane belasting.
Draagtashouders
Met de draagtashouders kunt u draagtassen
vastzetten om te voorkomen dat ze omvallen en
hun inhoud over de vloer van de bagageruimte
verspreiden.
Aan de zijkanten
Gerelateerde informatie
•
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 565)
•
Gewichten (p. 633)
In de zijpanelen aan weerszijden van de bagageruimte zitten draagtashouders.
BELANGRIJK
De draagtashouders kunnen een gewicht aan
van maximaal 5 kg (11 lbs).
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Onder het vloerluik*
1.
Pak de laadvloer aan de handgreep in het
midden beet en klap de vloer omhoog.
2.
Zet de laadvloer rechtop en plaats deze aan
beide zijden in de afstelgroef.
> U kunt nu draagtassen op een geschikte
hoogte aan de haken hangen.
Verankeringsogen
Doorsteekluik in achterbank*
Gebruik de verankeringsogen in de bagageruimte om spanbanden aan te bevestigen.
U kunt het luik in de rugleuning van de achterbank openen om lange en smalle voorwerpen te
vervoeren, zoals ski's.
WAARSCHUWING
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die
liggen of uitsteken kunnen bij krachtig afremmen letsel veroorzaken.
In het dashboardkastje
Zet grote en zware voorwerpen altijd met de
veiligheidsgordel of een spanband vast.
Ook in het dashboardkastje zit een uitklapbare
haak waaraan u een draagtas kunt ophangen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Gerelateerde informatie
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 565)
•
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 565)
Dashboardkastje gebruiken (p. 563)
•
Gewichten (p. 633)
1.
Pak vervolgens vanuit de bagageruimte de
handgreep van het doorsteekluik beet en
klap het luik omlaag.
2.
Klap de middenarmsteun van de achterbank
omlaag.
3.
Zet de hoofdsteun op de middelste zitplaats
hoger zodat de stalen stangen de doorsteekopening niet blokkeren.
Bij gebruik van de Privacy locking moet het doorsteekluik dichtstaan.
Bagagenet monteren en demonteren*
(p. 570)
}}
* Optie/accessoire. 567
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
||
Gerelateerde informatie
•
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 565)
•
•
Privacy locking (p. 263)
Verankeringsogen (p. 567)
Laadvloer omhoogklappen
Met een in delen opvouwbare laadvloer*
De laadvloer is in omhooggeklapte stand vast te
zetten met behulp van de steunarm.
1.
Pak de handgreep van de laadvloer beet en
klap de vloer omhoog.
2.
Klap de steunarm omhoog en plaats het uiteinde ervan in de uitsparing aan de onderzijde van de laadvloer.
–
Til de opvouwbare laadvloer aan de handgreep in het midden op en vouw de laadvloer
naar voren toe op.
Gerelateerde informatie
•
Bagageruimte (p. 564)
> De laadvloer blijft vervolgens in omhooggeklapte stand staan.
568
* Optie/accessoire.
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Opvouwbare laadvloer* losnemen
4.
2.
De opvouwbare laadvloer is los te nemen om
bijv. beter bij de simkaarthouder of de onderste
opbergruimte te kunnen.
1.
Druk de borgveer op de met de pijl
gemarkeerde plek tot aan de aanslag omlaag.
Blijf drukken.
Vouw de opvouwbare laadvloer naar voren
toe op.
Til de laadvloer ondertussen enkele millimeters omhoog.
3.
Druk, terwijl u de laadvloer nog steeds
omhooghoudt, op de borgveer aan de andere
kant op de met de pijl gemarkeerde plek.
> Als u de handelingen onder punt 2 op de
juiste wijze hebt uitgevoerd, is de laadvloer
losgekomen uit de zijbevestigingen.
Haal de druk van de borgveer, maar houd de
laadvloer in de geheven stand vast.
}}
* Optie/accessoire. 569
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Bagagenet monteren en
demonteren*
||
Het bagagenet voorkomt dat bagage in de bagageruimte bij krachtig afremmen de passagiersruimte in wordt geslingerd.
Het bagagenet wordt aan vier bevestigingspunten vastgezet.
WAARSCHUWING
Lading in de bagageruimte moet goed worden vastgezet, ook met een correct gemonteerd veiligheidsnet.
Bagagenet monteren
WAARSCHUWING
Het is noodzakelijk dat u controleert of de
bovenste bevestigingen van het veiligheidsnet
goed gemonteerd zijn en of de trekbanden
veilig zijn vastgehaakt.
U kunt de opgevouwen laadvloer voorzichtig op de borgveren laten zakken zonder
deze te vergrendelen.
Een beschadigd veiligheidsnet mag niet worden gebruikt.
N.B.
N.B.
De laadvloer is aan de voorkant ook met
scharnieren bevestigd.
Volvo adviseert u om de laadvloer niet van de
voorste scharnieren te halen.
5.
Duw de laadvloer omlaag om deze weer in
zijn bevestigingen te vergrendelen.
Gerelateerde informatie
•
570
Bagageruimte (p. 564)
Het bagagenet moet uit veiligheidsoverwegingen
altijd vastgemaakt en verankerd worden aan de
hand van de onderstaande beschrijving.
Het net is gemaakt van stevig nylonmateriaal en
kan op twee verschillende plaatsen in de auto
worden bevestigd:
•
•
Bij montage voorin kunt u het veiligheidsrek
het eenvoudigste via een van de achterportieren aanbrengen.
1.
Vouw het bagagenet open met de bovenste
bevestigingshaken omhoog.
Montage achterin – achter de achterbank.
Montage voorin – achter de voorstoelen.
* Optie/accessoire.
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
2.
Haak de ene bevestigingshaak van het net
vast aan de voorste of achterste plafondbevestiging, met de sluiting van de spanbanden
naar u toe.
4.
Demonteer een eventuele kledinghaak van
de plafondbevestiging door de haak aan de
linkerzijde een kwartslag rechtsom te draaien
en die aan de rechterzijde een kwartslag
rechtsom te draaien.
Montage voorin.
Montage achterin.
Bij montage achterin:
Geldt voor de linkerzijde.
3.
Haak de andere bevestigingshaak van het
net vast aan de plafondbevestiging aan de
tegenoverliggende zijde.
Let erop dat u de bevestigingshaken van het
net in de voorste eindstand van de beide plafondbevestigingen duwt.
Haak, met het net bevestigd aan de achterste
plafondbevestigingen, de spanbanden van
het bagagenet vast aan de verankeringsogen
voor in de bagageruimte.
Bij montage voorin:
Haak, met het net bevestigd aan de voorste
plafondbevestigingen, de spanbanden vast
aan de buitenste verankeringsogen achter op
de stoelrails – dit gaat eenvoudiger als u de
rugleuningen rechtop zet en de stoelen iets
verder naar voren zet.
Let erop dat u de stoel en de rugleuning niet
te hard tegen het net duwt bij het terugduwen – zorg ervoor dat de stoel of de rugleuning het net precies raakt.
}}
571
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
||
BELANGRIJK
Als u de stoel of rugleuning hard naar achteren tegen het veiligheidsnet drukt, kunnen
het net en/of zijn plafondbevestigingen
beschadigd raken.
5.
Hoedenplank demonteren en
opbergen
Hoedenplank onder de laadvloer
opbergen
De hoedenplank is te demonteren om meer
ruimte in de bagageruimte te creëren.
Hoedenplank demonteren
Span het bagagenet met de spanbanden.
Bagagenet demonteren
Het bagagenet is eenvoudig te demonteren en
op te vouwen.
1.
2.
3.
4.
Verminder de spanning in het bagagenet
door de knop in de sluiting van de spanband
in te drukken en aan weerszijden iets van de
spanbanden uit te voeren.
Duw de borghaken in en neem de beide
haken van de spanband los.
Neem de bovenste bevestigingen los en
neem het net los van de plafondbevestigingen.
Vouw het net op en bewaar het in zijn hoes.
Plaats een eventuele kledinghaak terug als u
dat wenst.
Gerelateerde informatie
572
De losgenomen hoedenplank is onder de laadvloer op te bergen.
•
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 565)
•
Verankeringsogen (p. 567)
Neem aan beide zijden de hefogen van de
hoedenplank los.
Haak de voorkant van de hoedenplank los en
demonteer de hoedenplank.
Klap de laadvloer omhoog en zet deze in
geopende vast met de steunarm.
Keer de hoedenplank om en leg deze met de
bovenkant omlaag en de achterkant naar
voren in de ruimte onder de laadvloer.
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Met een in delen opvouwbare laadvloer*:
EHBO-set*
Gevarendriehoek
1.
De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen
van eerste hulp.
Gebruik de gevarendriehoek om medeweggebruikers te waarschuwen, als u onderweg met
pech stil komt te staan.
Bewaar de EHBO-set achter de elastische band
voor zover aanwezig.
Activeer ook de alarmlichten.
Opbergmogelijkheid
De gevarendriehoek zit in de ruimte aan de binnenkant van de achterklep.
Gevarendriehoek opzetten
Vouw de opvouwbare laadvloer naar voren
toe op, keer de hoedenplank om en leg deze
met de bovenzijde omlaag en de achterkant
naar voren neer.
2.
Klap de opvouwbare vloer weer naar achteren toe uit.
Gerelateerde informatie
•
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van
het model afwijkingen mogelijk zijn.
Gerelateerde informatie
•
Bagageruimte (p. 564)
Bagageruimte (p. 564)
}}
* Optie/accessoire. 573
LAADMOGELIJKHEDEN, OPBERGMOGELIJKHEDEN EN INTERIEUR
Gerelateerde informatie
||
•
•
Open de klep door eerst de knop een kwartslag te draaien en vervolgens de klep uit zijn
bevestigingen aan de boven- en onderkant
te trekken.
Druk de borging waarmee de gevarendriehoek vastzit licht naar rechts en verwijder de
houder.
Haal de gevarendriehoek uit de houder, klap
de gevarendriehoek uit en zet de uiteinden in
elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek
uit.
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op om
achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
Zorg er na gebruik voor dat de gevarendriehoek
en de houder goed vastzitten in hun opbergruimte en dat de klep helemaal dichtstaat.
574
Bagageruimte (p. 564)
Alarmlichten (p. 149)
ONDERHOUD EN SERVICE
ONDERHOUD EN SERVICE
Serviceprogramma van Volvo
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die
omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo.
Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen beschikken
over het personeel, het speciale gereedschap en
de servicehandboeken waardoor zij u een zo
hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Om de garantie van Volvo te laten gelden,
moet u het Service- en garantieboekje controleren en volgen.
Gerelateerde informatie
576
•
•
Autostatus (p. 578)
•
Uitrusting aansluiten op de diagnoseaansluiting van de auto (p. 38)
•
•
•
Onderhoud aan klimaatregeling (p. 583)
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie (p. 579)
Onderhoud van het remsysteem (p. 407)
Overzicht motorruimte (p. 585)
Gegevensoverdracht tussen auto en
werkplaats via wifi
Volvo-werkplaatsen hebben een speciaal wifinetwerk voor beveiligde gegevensoverdracht
tussen uw auto en de werkplaats. Dit betekent
eenvoudigere en effectievere werkplaatsbezoekjes doordat de overdracht van diagnosegegevens en software via het werkplaatsnetwerk kan
plaatsvinden.
Bij een werkplaatsbezoek is het mogelijk dat de
onderhoudsmonteur uw auto via wifi met het
werkplaatsnetwerk wil verbinden om de auto op
storingen te kunnen controleren en software te
downloaden. De auto kan alleen een verbinding
maken met het werkplaatsnetwerk voor een dergelijke vorm van communicatie. De auto is niet
met andere wifi-netwerken te verbinden zoals het
netwerk thuis.
Verbinding via transpondersleutel
De servicemonteur verricht doorgaans de verbinding aan de hand van de knoppen op de transpondersleutel. Het is daarom belangrijk dat u een
transpondersleutel met knoppen meeneemt tijdens het werkplaatsbezoek. Wanneer de monteur
de vergrendelingsknop op de transpondersleutel
driemaal indrukt, maakt de auto via wifi een verbinding met het werkplaatsnetwerk.
Wanneer de auto een Wi-Fi-verbinding heeft, verop het middendisplay.
schijnt het symbool
WAARSCHUWING
Het is niet toegestaan om in de auto te rijden,
wanneer deze aangesloten is op het werkplaatsnetwerk en -systeem.
Gerelateerde informatie
•
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 577)
•
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie (p. 579)
ONDERHOUD EN SERVICE
Download Center
Meerdere systemen in de auto zijn bij te werken
vanaf het middendisplay bij een auto met internetverbinding1.
De app Download Center is
te starten vanaf het appscherm
op het middendisplay. Met de
app kunt u:
•
•
•
kaartgegevens bijwerken voor Sensus
Navigation*
apps downloaden, bijwerken en verwijderen.
•
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 577)
•
•
•
•
•
Apps downloaden (p. 475)
Apps bijwerken (p. 475)
Apps verwijderen (p. 476)
Auto met actieve internetverbinding* (p. 509)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 106)
N.B.
Het downloaden van data kan van invloed zijn
op andere diensten die gebruik maken van
gegevensuitwisseling, zoals de internetradio.
Als u deze invloed op andere diensten als
hinderlijk ervaart, kunt u het downloaden
annuleren. Het is ook mogelijk om andere
diensten te annuleren of tijdelijk te onderbreken.
Via Download Center zijn updates te downloaden voor connectiviteits- en infotainmentfuncties
van de auto. Updates zijn één voor één te verrichten of allemaal in één keer.
Op updates controleren
Als er een update beschikbaar
is, verschijnt de melding
Nieuwe sofwareupdates
beschikbaar op de statusbalk
van het middendisplay.
systeemsoftware zoeken en bijwerken
Gerelateerde informatie
1
2
Systeemupdates hanteren via
Download Center
N.B.
Een update kan worden onderbroken als u
het contact uitzet en de auto verlaat.
Om systeemupdates te kunnen verrichten moet
de auto een internetverbinding2 hebben.
–
Ga naar Download Center in het appscherm van het middendisplay.
> Als er sinds het laatste gebruik van het
infotainmentsysteem geen controle is verricht, gaat de controle alsnog van start. Er
vindt geen controle plaats tijdens het
installeren van software.
Het getal op de knop Systeem-updates
geeft aan hoeveel updates er beschikbaar
zijn. Bij eenmaal drukken verschijnt er een
lijst met de updates die u in de auto kunt
installeren.
Bij gebruik van internet vindt gegevensuitwisseling (dataverkeer) plaats, waarvoor mogelijk extra kosten in rekening worden gebracht.
Bij gebruik van internet vindt gegevensuitwisseling (dataverkeer) plaats, waarvoor mogelijk extra kosten in rekening worden gebracht.
De update hoeft echter niet voltooid te zijn
voordat u de auto verlaat, omdat de update
wordt vervolgd als u de auto de volgende keer
gebruikt.
Alle systeemsoftwareproducten
bijwerken
–
Kies Alles installeren onder aan de lijst.
Als u geen lijst wenst te zien, kunt u ook de optie
Alles installeren kiezen bij Systeem-updates.
}}
* Optie/accessoire. 577
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Afzonderlijk systeemsoftwareproduct
bijwerken
Kies Installeren voor het gewenste softwareproduct.
–
Softwaredownloads annuleren
Druk op het kruisje in de activiteitsindicator
die bij aanvang van het downloaden
Installeren verving.
–
Let erop dat alleen de download te annuleren is,
zodat u een eventuele installatiefase niet meer
kunt annuleren zodra deze van start gegaan is.
Updatecontrole op de achtergrond
uitschakelen
Autostatus
Via het middendisplay is de algemene status van
de auto te bekijken en zijn ook serviceafspraken
te maken3.
De app Auto status is te starten vanaf het appscherm op
het middendisplay. De app
heeft vier tabbladen:
• Berichten - statusmeldingen
• Status – controle van het motoroliepeil en
het AdBlue-peil4
• TPMS - controle van de bandenspanning
• Afspraken - afspraakinformatie en autogegevens3.
Gerelateerde informatie
•
Opgeslagen bestuurdersdisplaymeldingen
hanteren (p. 98)
•
•
•
Motorolie controleren en bijvullen (p. 586)
Bandenspanningscontrolesysteem* (p. 537)
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie (p. 579)
Bij aanlevering van de auto uit de fabriek wordt
automatisch gecontroleerd op software-updates,
maar deze functie is te deactiveren.
•
Autogegevens naar de werkplaats sturen
(p. 580)
1.
Tik op Instellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
•
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 106)
2.
Tik op Systeem
•
Uitlaatgasreiniging met AdBlue® (p. 444)
3.
Deselecteer Achtergrondcontroles op
software-updates.
Download Center.
Gerelateerde informatie
•
•
•
3
578
Download Center (p. 577)
Auto met actieve internetverbinding* (p. 509)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 106)
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Afspraak maken voor servicebeurt
en reparatie5
Deze dienst vormt een handige manier om rechtstreeks vanuit de auto een afspraak voor service
of reparatie te maken.
Wanneer het tijd is voor service en in sommige
gevallen ook wanneer de auto aan reparatie toe
is, verschijnt een melding op het bestuurdersdisplay en op het middendisplay. Het tijdstip voor
service wordt bepaald door de verstreken tijd, het
aantal uren dat de motor gedraaid heeft of het
aantal gereden kilometers sinds de laatste servicebeurt.
Voordat de dienst te gebruiken is
•
•
•
4
3
5
6
7
Registreer een Volvo ID en koppel deze aan
de auto.
Kies de Volvo-dealer waar u contact mee wilt
opnemen door naar www.volvocars.com te
gaan en in te loggen.
Om gegevens voor werkplaatsafspraken te
kunnen versturen en ontvangen moet de
auto een actieve internetverbinding6 hebben.
Werkplaatsafspraak maken
7.
Vul een afspraakaanvraag in, wanneer u dat wilt
of wanneer er een melding verschijnt dat er service of reparatie vereist is.
1.
Open de app Auto status vanuit het appscherm op het middendisplay.
2.
Tik op Afspraken.
3.
Tik op Afspraak aanvragen.
4.
Zorg ervoor dat u het juiste Volvo-id invult.
5.
Zorg ervoor dat u de gewenste Dealer invult.
6.
Vul het veld Informatie voor de garage in
als er iets is dat u tijdens het bezoek aan de
werkplaats wilt laten doen of als u andere
belangrijke informatie hebt voor de werkplaats.
AdBlue Geldt voor een auto met dieselmotor.
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor bepaalde markten.
Bij gebruik van internet vindt gegevensuitwisseling (dataverkeer) plaats, waarvoor mogelijk extra kosten in rekening worden gebracht.
Het tijdsbestek kan per markt verschillen.
Tik op Afspraakverzoek verzenden.
> U ontvangt binnen enkele dagen7 een email met een boekingsvoorstel.
Dezelfde communicatie krijgt u ook per email en als u naar www.volvocars.com gaat
en inlogt.
Als u de boekingsaanvraag hebt verstuurd, verdwijnt voor bepaalde markten
de melding dat de auto service nodig
heeft van het bestuurdersdisplay.
8.
Tik op Verzoek annuleren als u de aanvraag wilt annuleren.
De afspraakaanvraag die vanuit de auto wordt
verstuurd bevat autogegevens voor de werkplanning van de werkplaats.
De dealer neemt opnieuw contact op met een
digitaal boekingsvoorstel. U kunt in de auto ook
beschikken over informatie over uw dealer. Ook
kunt u op elk gewenst moment contact opnemen
met uw werkplaats.
Voorstel voor afspraak accepteren
Wanneer de auto een boekingsvoorstel heeft
ontvangen, verschijnt een melding boven aan het
middendisplay.
}}
579
ONDERHOUD EN SERVICE
||
1.
Tik op de melding.
2.
Als het voorstel u schikt, tikt u op
Accepteren. Tik anders op Nieuw voorstel
verzenden of Afwijzen.
Op bepaalde markten herinnert het systeem u tijdig aan geplande afspraken en het navigatiesysteem8 kan bovendien in routebegeleiding naar de
werkplaats voorzien.
Autogegevens naar de werkplaats
sturen9
U kunt op ieder gewenst moment autogegevens
naar de werkplaats sturen, bijv. als u een werkplaatsafspraak boekt en de werkplaats wilt helpen bij het inplannen van het bezoek. Autogegevens versturen is niet hetzelfde als een werkplaatsafspraak maken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Autostatus (p. 578)
Autogegevens naar de werkplaats sturen
(p. 580)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 106)
1.
Open de app Auto status vanuit het appscherm op het middendisplay.
2.
Tik op Afspraken.
3.
Tik op Autodata verzenden.
> Boven aan het middendisplay verschijnt
een melding dat er autogegevens worden
verzonden. U kunt de gegevensoverdracht
annuleren door op het kruisje in de activiteitsindicator te drukken.
Volvo ID (p. 26)
Auto met actieve internetverbinding* (p. 509)
De gegevens worden verstuurd via de
internetverbinding10 van de auto.
8 Geldt voor Sensus Navigation*.
9 Geldt voor bepaalde markten.
10 Bij gebruik van internet vindt gegevensuitwisseling
11 Vehicle Identification Number.
580
De autogegevens zijn opvraagbaar voor alle dealers die over het voertuigidentificatienummer
(VIN11) beschikken.
Onderdelen van de autogegevens
De gegevens die worden verstuurd zijn de laatst
vastgelegde gegevens (tijdens het laatste
gebruik van de auto) en bestaan uit informatie
over het volgende:
•
•
•
•
•
•
•
•
servicebehoefte
tijd sinds laatste servicebeurt
functiestatus
vloeistofpeilen
kilometerstand
identificatienummer van de auto (VIN11)
softwareversie van de auto
diagnosegegevens van de auto.
Gerelateerde informatie
•
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie (p. 579)
•
•
Autostatus (p. 578)
•
Auto met actieve internetverbinding* (p. 509)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 106)
(dataverkeer) plaats, waarvoor mogelijk extra kosten in rekening worden gebracht.
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Auto opnemen
Bij het opnemen van de auto is het belangrijk
dat u de krik onder de voorziene steunpunten in
het onderstel van de auto plaatst.
WAARSCHUWING
Als de auto met behulp van een garagekrik
omhoog wordt gebracht, moet deze onder
een van de vier hefpunten worden geplaatst.
Plaats de garagekrik zorgvuldig, zodat de auto
er niet vanaf kan glijden. Zorg dat de krikplaat
is voorzien van een rubberbescherming, zodat
de auto stabiel staat en niet wordt beschadigd. Gebruik altijd bokken of iets dergelijks.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken
die bij de auto hoort. Volg bij gebruik van een
andere krik dan door Volvo geadviseerd de
aanwijzingen die bij deze krik werden geleverd.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band. Als de auto vaker moet worden
opgekrikt of voor langere tijd zoals bij het
onderling roteren van de banden wordt het
gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg
in dat geval de gebruiksaanwijzing van de
desbetreffende krik.
}}
581
ONDERHOUD EN SERVICE
||
De driehoeken op de kunststof afdekking geven aan waar de kriksteunpunten/hefpunten (rood gemarkeerd) zitten.
Gerelateerde informatie
•
•
582
Wielen demonteren (p. 544)
Krik* (p. 543)
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Onderhoud aan klimaatregeling
Gerelateerde informatie
Service en reparatie aan het aircosysteem
mogen uitsluitend door een erkende werkplaats
worden uitgevoerd.
•
Storingen opsporen en verhelpen
Serviceprogramma van Volvo (p. 576)
Motorkap openen en sluiten
De motorkap opent u met behulp van een hendel in het interieur en een hendel onder de kap.
Motorkap openen
De airconditioning bevat een fluorescerend traceermiddel. Bij zoeken naar lekken moet ultraviolet licht worden gebruikt.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Auto's met koudemiddel R134a
WAARSCHUWING
In het aircosysteem zit koudemiddel R134a
onder druk. Service en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend worden uitgevoerd
door een erkende werkplaats.
Trek aan de hendel bij de pedalen om de kap
te openen vanuit de volledig gesloten positie.
Auto's met koudemiddel R1234yf
WAARSCHUWING
In de airco-installatie zit koudemiddel
R1234yf onder druk. Conform de SAE-norm
J2845 (“Technician Training for Safe Service
and Containment of Refrigerants Used in
Mobile A/C System”) mogen service en reparatie aan het koudemiddelsysteem alleen worden uitgevoerd door een daartoe bekwaam en
bevoegd technicus om de veiligheid van het
systeem te garanderen.
}}
583
ONDERHOUD EN SERVICE
Draai de hendel onder de kap omhoog om
de borghaak van de motorkapvergrendeling
te ontgrendelen en til de kap omhoog.
||
Waarschuwingen – motorkap niet
gesloten
Wanneer de kap is ontgrendeld, gaan
het waarschuwingslampje en de grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay branden in combinatie met een
geluidssignaal. Als de auto in beweging komt,
klinkt er meerdere keren een geluidssignaal.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Let op dat de sluitroute
onder de motorkap vrij is. Anders bestaat er
gevaar voor persoonlijk letsel.
WAARSCHUWING
Controleer of de motorkap bij sluiten goed
vergrendelt. De motorkap moet aan weerszijden hoorbaar ingrijpen.
Motorkap volledig gesloten.
N.B.
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingssymbool brandt of het
waarschuwingssymbool klinkt, ook al is de
kap goed dicht, ga dan naar een werkplaats geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Rijd nooit met geopende motorkap!
Mocht u tijdens het rijden merken dat de
motorkap niet helemaal dicht is, stop dan
onmiddellijk en sluit de kap goed.
Motorkap sluiten
584
1.
Druk de motorkap omlaag totdat deze uit
zichzelf verder zakt.
2.
Wanneer de motorkap tegen de motorkapvergrendeling aan is gekomen, drukt u op de
kap om deze volledig te sluiten.
Gerelateerde informatie
Motorkap niet volledig gesloten.
•
•
Overzicht motorruimte (p. 585)
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 48)
ONDERHOUD EN SERVICE
Overzicht motorruimte
WAARSCHUWING
Het overzicht laat een aantal servicespecifieke
componenten zien.
Let erop dat de koelventilator (die voor in de
motorruimte zit, achter de radiateur) tot zo'n
6 minuten na uitschakeling van de motor kan
aanslaan of blijven draaien.
Motorolie
Om de aanbevolen service-intervallen en garanties te kunnen hanteren dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Als de motor warm
is, bestaat er brandgevaar.
WAARSCHUWING
Het ontstekingssysteem werkt met een zeer
hoge en levensgevaarlijke spanning. Houd het
elektrische systeem van de auto altijd in contactslotstand 0 bij werkzaamheden in de
motorruimte.
Afhankelijk van model en motortype kan de motorruimte
er anders uitzien.
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer het
elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat of wanneer de motor warm
is.
Expansiereservoir voor koelsysteem
Vulpijp voor sproeiervloeistof12
Reservoir voor remvloeistof (aan bestuurderszijde)
Relais- en zekeringenhouder
Luchtfilter
Vulpijp voor motorolie
12
Vul regelmatig sproeiervloeistof bij, tijdens het tanken bijvoorbeeld.
Volvo adviseert:
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Motorkap openen en sluiten (p. 583)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 625)
Koelvloeistof bijvullen (p. 588)
Zekeringen in motorruimte (p. 602)
Motorolie controleren en bijvullen (p. 586)
Contactslotstanden (p. 400)
}}
585
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Als u de motorolie niet regelmatig controleert
zodat het peil te laag wordt, is ernstige motorschade niet uit te sluiten.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De
oliesoort werd met grote zorg geselecteerd
lettend op de levensduur van de motor, de
startgewilligheid, het brandstofverbruik en de
milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit
en dat zowel bij het bijvullen als bij het verversen van olie. Een negatieve invloed op de
levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact is
anders niet uitgesloten.
Indien u geen motorolie van de voorgeschreven kwaliteit en viscositeit gebruikt, kunnen
aan de motor gerelateerde onderdelen
beschadigd raken. Volvo Cars wijst garantieaanspraken voor dit type schade af.
Volvo adviseert de olie in een erkende Volvowerkplaats te laten verversen.
586
Volvo gebruikt verschillende systemen om te
waarschuwen voor een te laag/hoog oliepeil of
een te lage oliedruk. Bij motorvarianten met een
oliedruksensor wordt gebruikgemaakt van het
waarschuwingssymbool voor een lage oliedruk
op het bestuurdersdisplay. Bij varianten
met een oliepeilsensor wordt u geïnformeerd via
een waarschuwingssymbool
op het
bestuurdersdisplay en met displayteksten.
Bepaalde varianten zijn voorzien van allebei.
Neem voor meer informatie contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Houd voor het verversen van de motorolie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan die
staan aangegeven in het Service- en garantieboekje. Het is toegestaan een oliesoort te
gebruiken met een hogere kwaliteit dan aangegeven. Voor ritten onder ongunstige omstandigheden adviseert Volvo een olie van een hogere
kwaliteit dan de aangegeven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Motorolie controleren en bijvullen (p. 586)
Specificaties van de motorolie (p. 637)
Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie (p. 639)
Motorolie controleren en bijvullen
Een elektronische oliepeilsensor detecteert het
oliepeil.
ONDERHOUD EN SERVICE
BELANGRIJK
Verschijnt dit symbool in combinatie met een melding over een
gering oliepeil (bijvoorbeeld
Motoroliepeil laag 1 liter
bijvullen), vul dan niet meer bij dan aangegeven (bijvoorbeeld 1 liter (1 quart)).
WAARSCHUWING
Vulpijp13.
In sommige gevallen moet olie worden bijgevuld
tussen de servicebeurten door.
Aanpassing van het motoroliepeil is niet nodig,
voordat er een melding op het bestuurdersdisplay
verschijnt.
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
Oliepeil op het middendisplay bekijken
Wanneer de auto is ingeschakeld, kunt u het
middendisplay gebruiken om het oliepeil weer te
geven middels de elektronische oliepeilsensor.
Het is zaak het oliepeil regelmatig te controleren.
WAARSCHUWING
Verschijnt dit symbool in combinatie
met de melding Motoroliepeil
Service vereist, bezoek dan een
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Het oliepeil is
mogelijk te hoog.
13
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok.
Grafische weergave van het oliepeil op het middendisplay.
1.
Open de app Auto status vanuit het appscherm op het middendisplay.
2.
Tik op Status om het oliepeil weer te geven.
N.B.
Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het
even voordat het systeem wijzigingen in het
oliepeil kan waarnemen. De auto moet zo'n
ca. 30 km (20 miles) hebben gereden en vervolgens 5 minuten op een vlakke ondergrond
hebben stilgestaan met de motor afgezet,
voordat het weergegeven oliepeil correct is.
}}
587
ONDERHOUD EN SERVICE
||
N.B.
Als niet aan de gestelde voorwaarden voor
meting van het oliepeil is voldaan (verstreken
tijd na motoruitschakeling, hellingshoek van
de auto, buitentemperatuur e.d.), zal de melding Geen waarde beschikbaar op het
middendisplay verschijnen. Dit betekent niet
dat een van de autosystemen een storing vertoont.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Motorolie (p. 585)
Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie (p. 639)
Specificaties van de motorolie (p. 637)
Contactslotstanden (p. 400)
Koelvloeistof bijvullen
De koelvloeistof koelt de verbrandingsmotor af
tot de juiste bedrijfstemperatuur. De warmte die
de motor overdraagt op de koelvloeistof is te
benutten voor verwarming van de passagiersruimte.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Vul
het reservoir nooit alleen met schoon water. Het
gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer
de koelvloeistofconcentratie te laag is als wanneer deze te hoog is.
Als er een plasje koelvloeistof onder de auto ontstaat, als er witte rook/damp uit de uitlaatpijp
komt of als u meer dan 2 liter (zo'n 2 quarts)
koelvloeistof moet bijvullen, bel dan een takelwagen om bij een startpoging motorschade te voorkomen door een lek in het koelsysteem.
Autostatus (p. 578)
WAARSCHUWING
De koelvloeistof is mogelijk erg heet; open de
dop nooit wanneer de koelvloeistof heet is.
Als u moet bijvullen, moet u de dop langzaam
van het expansiereservoir draaien om de overdruk af te laten.
588
Expansiereservoir voor koelsysteem.
–
Draai de dop van het expansiereservoir los
en vul indien nodig koelvloeistof bij. De koelvloeistof mag niet hoger staan dan de MAXmarkering binnen in het expansiereservoir.
ONDERHOUD EN SERVICE
BELANGRIJK
Lampen vervangen
•
Schadelijk bij inname. Kan schade veroorzaken aan organen (nieren).
•
Gebruik kant-en-klare koelvloeistof volgens de aanbevelingen van Volvo. Zorg er
bij gebruik van geconcentreerde koelvloeistof voor dat het mengsel voor 50 %
uit koelvloeistof en 50 % water van goedgekeurde kwaliteit bestaat.
Lamptypes verschillen per model en uitrustingsniveau. Als een gloeilamp14 kapotgaat, is deze te
vervangen volgens de instructies in de gebruikershandleiding.
•
Meng geen verschillende soorten koelvloeistof met elkaar.
•
Gebruik bij het vervangen van grotere
componenten van het koelsysteem alleen
verse koelvloeistof om de corrosiewering
van het systeem op peil te houden.
•
•
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. Als dat niet het
geval is, kunnen er hoge temperaturen
optreden met gevaar voor beschadiging
(barsten) van de cilinderkop.
Hoge concentraties chloor, chloriden en
andere zoutverbindingen kunnen aanleiding geven tot corrosie in het koelsysteem.
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt
voor een laagje op de reflector die dan kapot
kan gaan.
Neem contact op met een werkplaats15, als
geen gloeilampen maar andere lampen defect
raken.
N.B.
Bij een storing aan led16-lampen moet in de
meeste gevallen het hele lamphuis worden vervangen.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de
kapotte gloeilamp is vervangen, wordt geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken.
N.B.
Neem voor informatie over lampen die in de
gebruikershandleiding niet genoemd worden
contact op met een erkende Volvo-dealer of
Volvo-monteur.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen
en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit
is een natuurlijk verschijnsel en alle externe
verlichting is erop gebouwd om dit zoveel
mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt
normaal uit het lamphuis, wanneer de lamp
enige tijd brandt.
WAARSCHUWING
Bij het vervangen van een lamp moet het
elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0 staan.
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
•
•
14
15
Overzicht motorruimte (p. 585)
Specificaties van de koelvloeistof (p. 640)
Sommige auto's hebben geen gloeilampen.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
•
•
Positie buitenverlichting (p. 590)
Richtingaanwijzerlamp achter vervangen
(p. 591)
}}
589
ONDERHOUD EN SERVICE
•
•
Remlichtlamp vervangen (p. 592)
Positie buitenverlichting
Gloeilamp mistachterlicht vervangen
(p. 593)
•
Lampspecificaties (p. 594)
De buitenverlichting van de auto omvat meerdere verschillende lampen. Laat vervanging van
een led17-lamp over aan een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Lampen achterzijde
Koplampen
Remlicht – derde (led)
Mistachterlicht
Achterlicht (led)
Richtingaanwijzer
Dagrijlicht/stadslichten voor/achterlichten/
richtingaanwijzers (led)
Remlichten
Groot licht (led)
Dimlicht (led)
Mistlampen voor/bochtverlichting* (LED)
16
17
590
Achteruitrijlicht (led)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Lampen vervangen (p. 589)
Lampspecificaties (p. 594)
Verlichtingsbediening (p. 140)
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
Lichtdiode (Light Emmitting Diode)
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Richtingaanwijzerlamp achter
vervangen
De lampen voor richtingaanwijzers zitten achter
een paneel aan de zijkant van de bagageruimte.
3.
Draai het verende boutje linksom los, duw de
clips aan de zijkanten naar binnen en
demonteer de steunbrug. Dat gaat het eenvoudigst als u het boutje in de steunbrug laat
zitten.
4.
Neem de grijze lamphouder los door deze
linksom te draaien en naar buiten te trekken.
5.
Haal de gloeilamp los door deze in te duwen
en linksom te draaien.
1.
Druk op de bovenrand van de paneelafdekking om deze los te nemen.
6.
Plaats een nieuwe gloeilamp door deze in de
houder te duwen en rechtsom te draaien.
2.
Haal de isolatie opzij om bij de steunbrug te
kunnen.
7.
Zet de lamphouder vast door deze rechtsom
te draaien.
8.
Monteer de steunbrug met het bijbehorende
verende boutje en zorg ervoor dat de clips in
de juiste positie komen te zitten. Haal het
verende boutje tot aan de aanslag aan, max.
2 Nm (1,5 ft lbs).
9.
Klap de isolatie terug, haak vervolgens de
paneelafdekking vast en duw deze in positie
terug.
}}
591
ONDERHOUD EN SERVICE
||
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt
voor een laagje op de reflector die dan kapot
kan gaan.
Remlichtlamp vervangen
De remlichtlampen zitten achter een paneel aan
de zijkant van de bagageruimte.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Positie buitenverlichting (p. 590)
Lampspecificaties (p. 594)
Lampen vervangen (p. 589)
3.
Neem de zwarte lamphouder los door deze
linksom te draaien en naar buiten te trekken.
4.
Haal de gloeilamp los door deze in te duwen
en linksom te draaien
1.
Druk op de bovenrand van de paneelafdekking om deze los te nemen.
5.
2.
Haal de isolatie opzij om bij de remlichtlamp
te kunnen.
Plaats een nieuwe gloeilamp door deze in de
houder te duwen en rechtsom te draaien.
6.
Zet de lamphouder vast door deze rechtsom
te draaien.
7.
Klap de isolatie terug, haak vervolgens de
paneelafdekking vast en duw deze in positie
terug.
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt
voor een laagje op de reflector die dan kapot
kan gaan.
592
ONDERHOUD EN SERVICE
Gerelateerde informatie
•
•
Positie buitenverlichting (p. 590)
Lampspecificaties (p. 594)
Gloeilamp mistachterlicht
vervangen
5.
Plaats een nieuwe gloeilamp door deze in de
houder te duwen en rechtsom te draaien.
Het mistachterlicht zit in de achterbumper aan
de bestuurderszijde.
6.
Zet de lamphouder vast door deze rechtsom
te draaien.
7.
Bevestig de stekker.
8.
Steek de haak van het brede deel van het
mistachterlicht in de achterbumper en roteer
het zodat de clips vastklikken.
Gerelateerde informatie
•
•
Positie buitenverlichting (p. 590)
Lampspecificaties (p. 594)
Alleen aan de bestuurderszijde zit een mistachterlicht.
1.
Haal het mistachterlicht aan de bestuurderszijde los door aan de korte zijde van de lampeenheid een plat voorwerp zoals een tafelmes of een schroevendraaier naar binnen te
steken en het mistachterlicht ermee los te
werken.
2.
Neem de stekker los.
3.
Neem de lamphouder los door deze linksom
te draaien en naar buiten te trekken.
4.
Haal de gloeilamp los door deze in te duwen
en linksom te draaien.
593
ONDERHOUD EN SERVICE
Lampspecificaties
Specificaties van vervangbare gloeilampen.
Neem contact op met een werkplaats18, als
geen gloeilampen maar andere lampen defect
raken. Bij een storing aan led19-lampen moet in
de meeste gevallen het hele lamphuis worden
vervangen.
Functie
WA
Type
Richtingaanwijzers achter
24
PY24W
Remlichten
21
H21W LL
Mistachterlicht
21
H21W LL
A
Watt
Gerelateerde informatie
•
•
18
19
594
Positie buitenverlichting (p. 590)
Lampen vervangen (p. 589)
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
ONDERHOUD EN SERVICE
Startaccu
Het elektrische systeem is enkelpolig en
gebruikt het chassis en het motorblok als geleiders.
De startaccu dient voor inschakeling van het
elektrische systeem en aandrijving van de startmotor en andere uitrusting in de auto.
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van een startkabel, kan volstaan om de
accu tot ontploffing te brengen.
•
Sluit de startkabels niet aan op een component va het brandstofsysteem of op
bewegende onderdelen. Pas op voor hete
motoronderdelen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat
ernstige chemische brandwonden kan
veroorzaken.
Laat de hulpaccu vervangen in een werkplaats20.
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar.
De startaccu is een 12V-accu die speciaal ontwikkeld is met het oog op de CO2-verlagende
systemen Start/Stop en regeneratief laden en de
werking van uiteenlopende autosystemen ondersteunt.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal startpogingen, de weersomstandigheden en dergelijke zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
•
Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor draait.
•
Controleer of de kabels van de startaccu op
de juiste manier zijn aangesloten en stevig
vastzitten.
20
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
•
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw
huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
Rook niet in de buurt van de accu.
Laadpunten
Negatief laadpunt
Positief laadpunt
BELANGRIJK
Gebruik voor het opladen van de startaccu of
de hulpaccu alleen een moderne acculader
met laadspanningsregeling. Maak geen
gebruik van een eventuele snellaadfunctie,
omdat de accu daarbij beschadigd kan raken.
Bij het aansluiten van een externe startaccu of
acculader worden de laadpunten van de accu in
de motorruimte gebruikt.
}}
595
ONDERHOUD EN SERVICE
||
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt na aansluiting van een externe startaccu of acculader de energiebesparingsfunctie voor het
infotainmentsysteem mogelijk tijdelijk uit
en/of verschijnt er tijdelijk geen displaytekst
over de ladingstoestand van de startaccu op
het bestuurdersdisplay:
•
Gebruik de minpool van de startaccu in
de auto nooit voor aansluiting van een
externe startaccu of acculader – alleen
het negatieve laadpunt van de auto
mag als massapunt dienen.
N.B.
Positie
Als de startaccu vaak ontladen wordt, heeft
dat een negatief effect op zijn levensduur.
De levensduur van de startaccu hangt af van
meerdere factoren, waaronder de rijomstandigheden en het klimaat. De startcapaciteit
van de accu daalt in de loop van de tijd geleidelijk en daarom moet de accu worden opgeladen als de auto langere tijd niet wordt
gebruikt of als er alleen korte ritten mee worden gemaakt. Extreme kou beperkt de startcapaciteit ook.
Om de startaccu in een goede conditie te
houden wordt geadviseerd om minimaal 15
minuten per week te rijden of de accu aan te
sluiten op een acculader met automatische
druppellading.
Een startaccu die constant volledig opgeladen wordt gehouden, heeft een maximale
levensduur.
De startaccu zit in de motorruimte.
WAARSCHUWING
Als de startaccu losgekoppeld is geweest,
werkt de automatische openings-/sluitingsfunctie pas weer naar behoren nadat deze is
gereset. Resetten is nodig om de inklembeveiliging te laten werken.
BELANGRIJK
Bij bepaalde modellen is de accu bevestigd
met een spanband. Let op dat de spanband
altijd goed strak zit.
596
ONDERHOUD EN SERVICE
Specificaties van de startaccu
Accutype
H6 AGM
Spanning (V)
KoudestartvermogenA
12
–
CCAB
(A)
760
Afmetingen, l×b×h
278×175×190 mm (10,9×6,9×7,5 inch)
Capaciteit (Ah)
70
A
B
Volgens EN-norm.
Cold Cranking Amperes.
Volvo adviseert om accu's altijd te laten vervangen door een erkende Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Bij vervanging van de accu moet u erop letten
dat u een accu van dezelfde afmetingen, met
hetzelfde koudestartvermogen en van hetzelfde type gebruikt als de originele accu (zie
de sticker op de accu).
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Symbolen op de accu's (p. 599)
Hulpaccu (p. 598)
Starthulp met andere accu (p. 451)
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
(p. 157)
Accu's recyclen (p. 600)
597
ONDERHOUD EN SERVICE
Hulpaccu
Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien van
twee 12V-accu's – één extra krachtige startaccu
en een hulpaccu die gebruikt wordt voor de
startprocedure middels het Start/Stop-systeem.
Een tijdelijke functiebeperking van het Start/
Stop-systeem op grond van een hoge stroomafname houdt het volgende in:
Er vindt automatische motorstart plaats zonder dat u het rempedaal loslaat.
•
De hulpaccu vergt doorgaans niet meer service
dan de normale startaccu. Neem bij vragen of
problemen contact op met een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt het
Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader:
•
De hulpaccu zit onder in de motorruimte. Ook afgebeeld
is de startaccu (bovenaan).
N.B.
•
Hoe hoger de stroomafname in de auto
(extra koeling/verwarming e.d.), hoe meer
de accu’s moeten worden bijgeladen =
hoe hoger het brandstofverbruik.
•
Wanneer de capaciteit van de startaccu
tot onder de ondergrens is gedaald,
wordt het Start/Stop-systeem uitgeschakeld.
Gebruik de minpool van de startaccu in
de auto nooit voor aansluiting van een
externe startaccu of acculader – alleen
het negatieve laadpunt van de auto
mag als massapunt dienen.
N.B.
Als de startaccu dermate ontladen is dat de
elektrische standaardsystemen van de auto's
zijn uitgeschakeld en als u de motor vervolgens start met een externe accu of acculader,
dan blijft het Start/Stop-systeem mogelijk
actief. Als het Start/Stop-systeem kort daarna
een automatische motorstop verricht, is de
kans groot dat een volgende automatische
motorstart mislukt door onvoldoende capaciteit van de startaccu, omdat de accu niet
genoeg is opgeladen.
Als de auto starthulp heeft gekregen of de
accu onvoldoende is opgeladen met een
acculader, wordt geadviseerd het Start/Stopsysteem uit te schakelen totdat de auto de
startaccu voldoende bijgeladen heeft. Bij een
buitentemperatuur van zo'n +15 °C (60 °F)
moet de accu ten minste 1 uur lang door de
auto worden opgeladen. Bij lagere buitentemperaturen kan de laadduur toenemen tot zo'n
3–4 uur. Geadviseerd wordt de accu op te
laden met een externe acculader.
Specificaties van de hulpaccu
Type
Spanning (V)
KoudestartvermogenA
CCAB (A)
598
AGM
12
–
170
ONDERHOUD EN SERVICE
Afmetingen, l×b×h
150×90×130 mm
(5,9×3,5×5,1 inch)
Capaciteit (Ah)
A
B
10
Symbolen op de accu's
Op de accu's zitten symbolen die informatie verstrekken en waarschuwen.
Vermijd vonken en open
vuur.
Volgens EN-norm.
Cold Cranking Amperes.
BELANGRIJK
Bij vervanging van de accu moet u erop letten
dat u een accu van dezelfde afmetingen, met
hetzelfde koudestartvermogen en van hetzelfde type gebruikt als de originele accu (zie
de sticker op de accu).
Draag een veiligheidsbril.
Explosiegevaar.
Zie voor meer informatie de
gebruikershandleiding die
bij de auto hoort.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bestemd voor inzameling.
Startaccu (p. 595)
Start/Stop-systeem (p. 425)
Symbolen op de accu's (p. 599)
Accu's recyclen (p. 600)
Bewaar accu's buiten het
bereik van kinderen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Startaccu (p. 595)
Hulpaccu (p. 598)
Accu's recyclen (p. 600)
De accu bevat een bijtend
zuur.
599
ONDERHOUD EN SERVICE
Accu's recyclen
Een uitgewerkte startaccu of hulpaccu moet op
een milieuvriendelijke manier worden gerecycled
- deze bevat namelijk lood.
Neem contact op met een werkplaats bij twijfel
over de juiste manier van verwerken van dergelijk
afval - geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Startaccu (p. 595)
Hulpaccu (p. 598)
Symbolen op de accu's (p. 599)
Zekeringen en relais- en
zekeringenhouders
Positie van relais- en
zekeringenhouders
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door enkele zekeringen beschermd.
WAARSCHUWING
Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een
zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit kan
aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot brand leiden.
Motorruimte
Als een van de elektrische onderdelen of functies
niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende
zekering overbelast werd en daardoor gesmolten
is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt,
betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een
storing vertoont. Volvo adviseert u om dan voor
controle contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
600
Onder linker voorstoel
Gerelateerde informatie
•
•
•
Zekering vervangen (p. 601)
Zekeringen in motorruimte (p. 602)
Zekeringen onder linker voorstoel (p. 605)
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekering vervangen
Gerelateerde informatie
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door enkele zekeringen beschermd.
•
Zekeringen en relais- en zekeringenhouders
(p. 600)
•
•
Zekeringen in motorruimte (p. 602)
1.
Zoek in de zekeringentabel op waar de zekering zit.
2.
Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3.
Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
Zekeringen onder linker voorstoel (p. 605)
WAARSCHUWING
Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een
zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit kan
aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot brand leiden.
WAARSCHUWING
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats voor de zekeringen die niet in de
gebruikershandleiding worden genoemd. Als
dat op een verkeerde manier gebeurt, kan dat
ernstige schade aan de elektrische systemen
veroorzaken.
601
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen in motorruimte
De zekeringen in de motorruimte beschermen
onder meer de motor- en remfuncties.
602
ONDERHOUD EN SERVICE
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
In de relais- en zekeringenhouder is tevens plaats
voor enkele reservezekeringen.
Posities
Aan de binnenkant van het deksel zit een sticker
met de positie van de verschillende zekeringen.
•
De zekeringen 1–30, 46–50 en 54–56 zijn
van het type "Micro".
•
De zekeringen 31–45 en 51–53 zijn van het
type "MCase" en moet u laten vervangen in
een werkplaats21.
Functie
USB-poort in tunnelconsole,
achter*
5
12V-aansluiting in tunnelconsole, voorin
15
-
21
Ampère
-
12V-aansluiting in kofferbak/
bagageruimte*
15
Motorregeleenheid
20
Bobines; bougies
15
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Functie
Magneetkleppen (benzine);
klep; thermostaat voor motorkoelsysteem (benzine); koelpomp voor EGR (diesel);
regeleenheid gloeibougies
(diesel)
Ampère
15
Motorregeleenheid
Magneetkleppen (benzine);
klep; thermostaat voor motorkoelsysteem (benzine); koelpomp voor EGR (diesel);
regeleenheid gloeibougies
(diesel); vacuümregelaars;
klep; Power Pulse-klep (diesel)
10
Middelste lambdasonde (benzine), achterste lambdasonde
(diesel)
15
NOx-sensor (diesel)
15
-
-
Rechter koplamp
20
Linker koplamp
20
Airbags
5
Functie
Ampère
Gaspedaalsensor
5
Voeding bij ingeschakeld contact: Motorregeleenheid;
transmissiecomponenten;
elektrische stuurbekrachtiging;
centrale elektronicamodule;
regeleenheid remsysteem
5
Elektrische hulpverwarming*;
OBD-II schutbord
5
Alcoholslot*
5
-
-
Interne relaisspoelen
5
-
-
Rempedaalsensor
5
-
-
Regeleenheid voor het inschakelen/wijzigen van schakelstanden van de automatische
versnellingsbak
5
Regeleenheid transmissie
15
Motorregeleenheid
5
}}
* Optie/accessoire. 603
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Functie
-
-
-
-
Claxon
20
Sirene alarmsysteem*
5
Voorruitwissers
30
Regeleenheid voor remsysteem (kleppen, parkeerrem)
40
Regeleenheid voor remsysteem (ABS-pomp)
40
Actuator voor transmissie
Rechter koplamp; linker koplamp
25
30
-
-
-
-
Regeleenheid trekhaak*
25
Regeleenheid trekhaak*
40
-
604
Ampère
Functie
Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel*
Ampère
Gerelateerde informatie
•
Zekeringen en relais- en zekeringenhouders
(p. 600)
•
Zekering vervangen (p. 601)
20
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Brandstoffilterverwarming
(diesel)
30
Elektrische voorruitverwarming* links
40
Elektrische voorruitverwarming* rechts
40
Regelfunctie voor hulpaccu
5
Linker koplamp
20
Rechter koplamp
20
-
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen onder linker voorstoel
De zekeringen onder de linker voorstoel
beschermen onder meer de elektrische aansluitingen, displays en portiermodules.
}}
605
ONDERHOUD EN SERVICE
||
De relais- en zekeringenhouder in de motorruimte biedt plaats aan enkele reservezekeringen. Aan de binnenkant van het deksel zit een
speciale trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
•
606
Functie
Ampère
20
Stuurslot
7,5
Standverwarming*
25
Regeleenheid voor klimaatregeling
7,5
De zekeringen 1–8, 40–42 en 55–58 zijn
van het type "MCase" en moet u laten vervangen in een werkplaats22.
Regeleenheid voor reductie
van stikstofoxiden (diesel)
30
Bewegingsmelder*
5
Bestuurdersdisplay
5
De zekeringen 9–34, 50–54 en 60–91 zijn
van het type "Micro".
Portiermodule in portier
rechtsachter
20
Knoppenset op middenconsole
5
Portiermodule in portier linksachter
20
Stuurwieleenheid
5
20
Module voor startknop en voor
bediening, parkeerrem
5
Portiermodule in portier linksvoor
Middendisplay
5
Veringsmodule
20
20
Regeleenheid voor Connected
Car; regeleenheid voor Volvo
On Call
5
Portiermodule in portier
rechtsvoor
Achterbankverwarming*
15
Module voor multibandantenne
5
Relaisspoelen
5
Detectiemodule schopbeweging* (om de elektrisch
bedienbare achterklep te openen)
5
Functie
22
Ampère
Elektrisch bedienbare stoel*,
rechts
Posities
•
Functie
Ampère
Regeleenheid audio (versterker)A
40
Centrale elektronicamodule A:
sensoren, radarsensoren, elektrisch bedienbare stoelen*.
40
Centrale elektronicamodule B:
sensoren, radarsensoren, elektrisch bedienbare stoelen*.
40
Ventilatormodule voor klimaatregeling voorin
40
Elektrische achterklepbediening*
25
Zonnesensor
-
-
-
-
Regeleenheid voor reductie
van stikstofoxiden (diesel)
15
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Functie
Regeleenheid Sensus
Ampère
15
Tv*B
Diagnoseaansluiting OBDII
10
Alcoholslot*
5
Vergrendelmotor voor rugleuning linksachter
15
Vergrendelmotor voor rugleuning rechtsachter
15
Elektrische achterruitverwarming
30
Module voor gordelspanners
links
Functie
Ampère
Functie
Ampère
Koplampsproeiers*
25
-
-
Achterruitsproeier
25
Regeleenheid voor airbags en
gordelspanners
5
Achterruitwisser
15
-
-
-
-
Panoramadak met zonnescherm*
20
-
-
Zonnesensor
5
-
-
-
-
40
Module voor gordelspanners
5
Module voor gordelspanners
rechts
40
Blind Spot Information
(BLIS)*; regeleenheid exterieur achteruitrijgeluid
5
Interieurverlichting; auto-dimfunctie achteruitkijkspiegel*;
gecombineerde regen- en
lichtsensor*; bedieningspanelen in achterportieren en
bagageruimte
Vochtsensor
5
-
Regeleenheid voor brandstofpomp
20
-
Koelvloeistofpomp
10
Regeleenheid All Wheel Drive
(AWD)*
Module voor elektrische stuurverwarming*
15
Luchtvochtigheidssensor
5
7,5
-
-
-
Regeleenheid voor rijhulpsystemen
5
-
Alcoholslot*
5
15
Draadloze telefoonoplader*;
USB-poort
5
Koelvloeistofpomp
10
-
-
Parkeerhulpcamera*
5
-
-
A
B
Geldt voor bepaalde varianten.
Geldt voor bepaalde markten.
}}
* Optie/accessoire. 607
ONDERHOUD EN SERVICE
||
608
Gerelateerde informatie
•
Zekeringen en relais- en zekeringenhouders
(p. 600)
•
Zekering vervangen (p. 601)
ONDERHOUD EN SERVICE
Interieur reinigen
BELANGRIJK
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Reinig het interieur regelmatig en
behandel vlekken meteen voor het beste resultaat. Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
•
Sommige geverfde kledingstukken (zoals
spijkerbroeken en suède kleding) kunnen
afgeven en voor verkleuring van de bekleding zorgen. In dat geval is het belangrijk
om de verkleurde delen van de bekleding
zo spoedig mogelijk te reinigen en te verzorgen.
•
Reinig het interieur nooit met sterke
oplosmiddelen zoals sproeiervloeistof,
wasbenzine, terpentine of geconcentreerde alcohol, omdat zowel de bekleding als de overige interieurmatermalen
daarbij beschadigd kunnen raken.
•
Spuit reinigingsmiddelen nooit rechtstreeks op componenten met elektrische
knoppen of bedieningselementen. Maak
ze in plaats daarvan schoon met een
doek die u met het reinigingsmiddel
bevochtigd hebt.
•
Scherpe voorwerpen en klittenbandsluitingen kunnen de textielbekleding van de
auto beschadigen.
•
Gebruik reinigingsmiddelen alleen voor
de beoogde materialen.
•
•
•
•
•
Veiligheidsgordels reinigen (p. 611)
Vloermatten en inlegmatten reinigen
(p. 611)
Leren bekleding reinigen (p. 612)
Leren stuurwiel reinigen (p. 613)
Interieuronderdelen van kunststof, metaal en
hout reinigen (p. 613)
Gerelateerde informatie
•
•
Middendisplay reinigen (p. 610)
Textielbekleding en hemelbekleding reinigen
(p. 611)
609
ONDERHOUD EN SERVICE
Middendisplay reinigen
BELANGRIJK
Vuil, vlekken en vettige vingerafdrukken kunnen
ertoe leiden dat het middendisplay minder goed
werkt en minder goed af te lezen is. Reinig het
scherm regelmatig met een microvezeldoek.
De microvezeldoek moet bij het schoonmaken van het middendisplay vrij van zand en
vuil zijn.
BELANGRIJK
Breng alleen lichte druk aan op het scherm
bij het reinigen van het middendisplay. Bij te
hard drukken kan het display beschadigd
raken.
BELANGRIJK
Spuit geen vloeistoffen of bijtende chemicaliën rechtstreeks op het middendisplay.
Gebruik geen ruitenreiniger, reinigingsmiddelen, sprays, oplosmiddelen, alcoholen, ammonia-oplossingen of schurende reinigingsmiddelen.
Om het middendisplay te reinigen:
1.
Schakel het middendisplay uit door lang op
de homeknop te drukken.
2.
Neem het scherm af met de meegeleverde
microvezeldoek of gebruik een andere microvezeldoek van vergelijkbare kwaliteit. Neem
het scherm in kleine cirkelende bewegingen
af met een schone en droge microvezeldoek.
U kunt de microvezeldoek zo nodig licht
bevochtigen met schoon water.
3.
610
Activeer het display door kort op de homeknop te drukken.
Gebruikt nooit schurende poetsdoeken,
papieren handdoeken of zijdepapier omdat
deze aanleiding kunnen geven tot krassen op
het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Interieur reinigen (p. 609)
Textielbekleding en hemelbekleding reinigen
(p. 611)
Veiligheidsgordels reinigen (p. 611)
•
•
•
•
Vloermatten en inlegmatten reinigen
(p. 611)
Leren bekleding reinigen (p. 612)
Leren stuurwiel reinigen (p. 613)
Interieuronderdelen van kunststof, metaal en
hout reinigen (p. 613)
ONDERHOUD EN SERVICE
Textielbekleding en hemelbekleding
reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Reinig het interieur regelmatig en
behandel vlekken meteen voor het beste resultaat. Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
Stoffen bekleding en hemelbekleding
Vermijd schrapen of wrijven bij het verwijderen
van een vlek op textielbekleding of de plafondbekleding om schade aan de bekleding tegen te
gaan. Gebruik evenmin sterke vlekverwijderaars
om verkleuring van de bekleding te voorkomen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Interieur reinigen (p. 609)
Middendisplay reinigen (p. 610)
Veiligheidsgordels reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Reinig het interieur regelmatig en
behandel vlekken meteen voor het beste resultaat. Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
Veiligheidsgordels
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel en
in het bijzonder het textielreinigingsmiddel dat bij
erkende Volvo-dealers verkrijgbaar is. Zorg dat de
gordel droog is, voordat deze weer wordt opgerold.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Veiligheidsgordels reinigen (p. 611)
Interieur reinigen (p. 609)
Middendisplay reinigen (p. 610)
Textielbekleding en hemelbekleding reinigen
(p. 611)
Vloermatten en inlegmatten reinigen
(p. 611)
•
Vloermatten en inlegmatten reinigen
(p. 611)
Leren bekleding reinigen (p. 612)
•
•
•
Leren bekleding reinigen (p. 612)
Leren stuurwiel reinigen (p. 613)
Interieuronderdelen van kunststof, metaal en
hout reinigen (p. 613)
Vloermatten en inlegmatten
reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Reinig het interieur regelmatig en
behandel vlekken meteen voor het beste resultaat. Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
Inlegmatten en vloermat
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart schoon te
kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en
stof te verwijderen.
N.B.
Schud de inlegmatten niet te sterk en sla ze
niet met te grote kracht uit tegen voorwerpen,
omdat de inlegmatten daarbij kunnen breken.
Elk van beide inlegmatten zit met pennen vast.
Leren stuurwiel reinigen (p. 613)
Verwijder de inlegmat door de inlegmat bij elk
van beide pennen vast te pakken en recht
omhoog t