Volvo | XC60 | Gebruikershandleiding | Volvo XC60 2017 Early Gebruikershandleiding

Volvo XC60 2017 Early Gebruikershandleiding
GEBRUIKERSHANDLEIDING
VÄLKOMMEN!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto's ter wereld. Uw Volvo is
ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw Volvo te hebben, adviseren we u om de
instructies en de onderhoudsinformatie in deze gebruikershandleiding
door te nemen. De gebruikershandleiding is tevens beschikbaar als
mobiele app (Volvo Manual) en op de supportsite van Volvo Cars
(support.volvocars.com).
INHOUD
INLEIDING
2
VEILIGHEID
Zo kunt u gebruikersinformatie vinden
12
Algemeen over veiligheidsgordels
28
Kinderzitje - positie
53
Digitale gebruikershandleiding in auto
13
Veiligheidsgordel - om doen
29
54
Supportsite van Volvo Cars
16
Veiligheidsgordel - losmaken
29
Kinderzitje - geïntegreerde zittingverhoger met twee standen*
Gebruikershandleiding lezen
17
Veiligheidsgordel - zwangerschap
30
55
Vastlegging van gegevens
20
Gordelwaarschuwing
Geïntegreerde zittingverhoger met
twee standen* - uitklappen
30
Accessoires en extra uitrusting
21
Gordelspanners
31
Geïntegreerde zittingverhoger met
twee standen* - inklappen
57
Volvo ID
22
Veiligheid - waarschuwingssymbool
31
Kinderzitje - ISOFIX
57
58
Milieubeleid
23
Airbagsysteem
32
ISOFIX - afmetingscategorieën
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding
26
Airbag aan de bestuurderszijde
33
ISOFIX - soorten kinderzitjes
59
Gelaagd glas
26
Passagiersairbag
34
61
Passagiersairbag - activering/deactivering*
35
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
SIPS-airbags
37
Opblaasgordijnen (IC)
38
Algemene informatie over WHIPS
(whiplash-bescherming)
39
WHIPS - zithouding
40
Roll Over Protection System (ROPS)
41
Bij activering van de systemen
41
Algemene informatie over de Safety
mode
42
Safety mode - startpoging
43
Safety mode - auto verrijden
44
Algemene informatie over kinderveiligheid
44
Kinderzitje
46
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS
EN BEDIENING
Elektrische stuurverwarming*
94
Panoramadak* - bediening
116
Bedieningspaneel verlichting
94
Menufuncties - instrumentenpaneel
118
parkeerlichten
96
Menu-overzicht - instrumentenpaneel
119
Dagrijlicht
97
Berichten
119
70
Tunneldetectie*
97
Meldingen - functies
121
70
Groot licht/dimlicht
98
MY CAR
121
99
Boordcomputer
122
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel
124
Instrumenten en bediening, auto met
stuur links - overzicht
64
Instrumenten en bediening, auto met
stuur rechts - overzicht
67
Instrumentenpaneel
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
71
Automatisch groot licht*
Eco guide & Power guide*
74
Actieve xenonkoplampen*
101
Instrumentenpaneel - betekenis controlelampjes
75
Koplampen - lichtbundel aanpassen
102
77
Mistachterlicht
102
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel
128
Instrumentenpaneel - betekenis
waarschuwingssymbolen
Remlichten
103
Boordcomputer - rijstatistieken*
131
Alarmlichten
103
Richtingaanwijzer
104
Interieurverlichting
104
Follow Me Home-verlichting
106
Approach-verlichting
106
Buitentemperatuur
79
Dagtellers
80
Klok
80
Instrumentenpaneel - licentieovereenkomst
80
Displaysymbolen
81
Wissers en sproeiers
107
Volvo Sensus
84
Elektrisch bediende ruiten
109
Sleutelstanden
85
Buitenspiegels
111
contactslotstanden - functies in verschillende standen
86
Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming
112
Voorstoelen
87
Achteruitkijkspiegel
113
Voorstoelen - elektrisch bediend*
88
Kompas*
113
Achterbank
90
Panoramadak* - algemeen
115
Stuurwiel
92
3
KLIMAAT
4
LAAD- EN
OPBERGMOGELIJKHEDEN
Algemene informatie over de klimaatregeling
134
Motor- en interieurverwarming* direct uitschakelen
151
Opbergmogelijkheden
Werkelijke temperatuur
158
134
Motor- en interieurverwarming* - timers
151
Middenconsole
Sensoren - klimaat
160
135
153
Middenconsole - aansteker en asbak*
Luchtkwaliteit
160
135
Motor- en interieurverwarming* meldingen
Luchtkwaliteit - interieurfilter
155
160
135
Extra verwarming*
Dashboardkastje
Luchtkwaliteit - Clean Zone Interior
Package (CZIP)*
155
161
136
Extra verwarming op brandstof*
Inlegmatten*
Extra verwarming op stroom*
156
Make-upspiegel
161
Luchtkwaliteit - IAQS*
136
Middenconsole - 12V-aansluiting
161
Luchtkwaliteit - materialen
137
Lading vervoeren
163
Menu-instellingen - klimaat
137
Lading vervoeren - lange lading
164
Luchtverdeling passagiersruimte
137
Lading op het dak
164
Elektronische klimaatregeling, ECC
140
Verankeringsogen
165
Elektrisch verwarmde voorstoelen*
141
Lading vervoeren - houder voor
boodschappentassen*
165
Elektrisch verwarmde achterbank*
142
12V-aansluiting - bagageruimte*
165
Ventilator
142
Bagagenet*
Automatische regeling
166
143
Veiligheidsrek
Temperatuurregeling passagiersruimte
168
143
Bagagerolhoes
Airconditioning
168
144
Voorruit ontwasemen en ontdooien
144
Luchtverdeling - recirculatie
145
Luchtverdeling - tabel
147
Motor- en interieurverwarming*
149
Motor- en interieurverwarming* direct inschakelen
150
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel
172
Transpondersleutel - verlies
172
Transpondersleutel - personalisering*
173
BESTUURDERSONDERSTEUNIN
G
Keyless Drive* - ontgrendelen met
sleutelblad
185
Actief chassis - FOUR-C*
200
Keyless Drive* - vergrendelingsinstellingen
186
Stuurkrachtinstelling*
200
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - algemeen
201
Vergrendelen/ontgrendelen - indicatie
174
Elektronische startblokkering
Keyless Drive* - locatie antennes
186
175
Op afstand bediende startblokkering
met opsporingssysteem*
175
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf
de buitenkant
187
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - bediening
202
Transpondersleutel - functies
Vergrendelen/ontgrendelen - van de
binnenzijde
187
176
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - symbolen en meldingen
203
Transpondersleutel - bereik
177
Doorluchtfunctie
188
Snelheidsbegrenzer
205
Transpondersleutel met PCC* unieke functies
177
Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje
189
Snelheidsbegrenzer - beknopte
bedieningsinstructies
205
Transpondersleutel met PCC* - bereik
178
Vergrendelen/ontgrendelen - achterklep
189
Snelheidsbegrenzer - snelheid wijzigen
206
Afneembaar sleutelblad
179
Elektrische achterklepbediening*
191
206
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/aanbrengen
179
Safelock-functie*
193
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren en stand-bystand
Kinderslot - handmatige activering
194
180
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding snelheid
207
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen
208
Transpondersleutel - batterij vervangen
181
Keyless Drive*
182
Keyless drive* - bereik transpondersleutel
Kinderslot - elektrische activering*
194
Alarm
195
Alarmindicatie
196
183
Alarmsysteem - automatische herinschakeling
196
Keyless Drive* - veilig gebruik van de
transpondersleutel
183
Alarmsysteem - transpondersleutel
defect
197
Keyless Drive* - storingen in de
functie van de transpondersleutel
184
Alarmsignalen
197
Beperkt alarmniveau
197
Typegoedkeuring - transpondersleutelsysteem
198
Keyless Drive* - vergrendelen
184
Keyless Drive* - ontgrendelen
185
Cruisecontrol*
208
Cruisecontrol* - snelheid regelen
209
Cruisecontrol* tijdelijk deactiveren en
stand-bystand
210
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid
hervatten
210
Cruisecontrol* - uitschakelen
211
Afstandswaarschuwing*
211
Afstandswaarschuwing* - beperkingen
212
5
Afstandswaarschuwing* - symbolen
en meldingen
214
City Safety™ - beperkingen
235
City Safety™ - lasersensor
237
Adaptieve cruisecontrol - ACC*
215
City Safety™ - symbolen en meldingen
239
Adaptieve cruisecontrol* - werking
216
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
218
Collision Warning*
240
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid
regelen
219
Collision Warning* - werking
241
Collision Warning* - detectie van fietsers
242
Adaptieve cruisecontrol* - tijdsverschil instellen
220
Collision Warning* - detectie van
voetgangers
243
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke
deactivering en stand-by
221
Collision Warning* - bediening
244
Collision Warning* - beperkingen
246
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen
222
Collision Warning* - beperkingen van
de camerasensor
247
261
Rijbaanassistent (LDW)*
262
Rijbaanassistent (LDW) - functie
262
Rijbaanassistent (LDW) - bediening
263
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen
264
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen
en meldingen
265
Rijbaanassistent (LKA)*
266
Rijbaanassistent (LKA) - werking
267
Rijbaanassistent (LKA) - bediening
268
Rijbaanassistent (LKA) - beperkingen
269
Rijbaanassistent (LKA) - symbolen
en meldingen
270
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
222
222
Collision Warning* - symbolen en
meldingen
249
Adaptieve cruisecontrol* - File-assistent
Adaptieve cruisecontrol* - van
cruisecontrol-functie wisselen
224
BLIS*
251
Parkeerhulp*
271
BLIS* - bediening
252
Park Assist* - functie
271
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen
225
CTA*
253
Parkeerhulp* - aan de achterzijde
273
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen
en meldingen
226
BLIS - symbolen en meldingen
255
Park Assist* - aan de voorzijde
273
Verkeersbordinformatie (RSI)*
256
Park Assist* - storingsindicatie
274
Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening
256
Park Assist* - sensoren schoonmaken
275
Parkeerhulpcamera*
275
Verkeersbordinformatie (RSI)* beperkingen
258
Parkeerhulpcamera - instellingen
278
Driver Alert System*
259
Park Assist-camera - beperkingen
279
Driver Alert Control (DAC)*
259
Driver Alert Control (DAC)* - bediening
260
Radarsensor
228
Radarsensor - beperkingen
228
Typegoedkeuring - radarsysteem
City Safety™
City Safety™ - werking
City Safety™ - bediening
6
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en meldingen
230
233
233
234
Actieve parkeerhulp (PAP)*
279
Actieve parkeerhulp (PAP)* - werking
280
STARTEN EN RIJDEN
Actieve parkeerhulp (PAP)* - werking
281
Motor starten
286
Start/Stop* - instellingen
306
Actieve parkeerhulp (PAP)* - beperkingen
283
Motor afzetten
287
Start/Stop* - symbolen en meldingen
307
Actieve parkeerhulp (PAP)* - symbolen en meldingen
Stuurslotfout
284
287
Bedrijfsrem
309
Afstandsstart (ERS)*
287
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
310
Afstandsstart (ERS) - bediening
288
311
Afstandsstart (ERS) - symbolen en
meldingen
289
Bedrijfsrem - noodremlichten en
automatische alarmlichten
291
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops
311
Starthulp met andere accu
Versnellingsbakken
292
Parkeerrem
312
Handgeschakelde versnellingsbak
292
Doorwaaddiepte
316
Schakelindicator*
293
Oververhitting
316
Automatische versnellingsbak Geartronic*
294
Rijden met een geopend(e) achterklep/kofferklep
317
Keuzehendelblokkering
297
Overbelasting - startaccu
317
Hellingrem (HSA)*
298
Voorbereidingen bij lange reizen
318
Vierwielaandrijving - AWD*
299
Rijden tijdens de winter
318
Hill Descent Control (HDC)*
299
Tankvulklep - openen/sluiten
319
Start/Stop*
301
Tankvulklep - handmatig openen
319
Start/Stop* - functie en bediening
301
Brandstof tanken
319
Start/Stop* - automatische motorafslag werkt niet
303
Brandstof - gebruik
320
Brandstof - benzine
321
304
Brandstof - diesel
322
Start/Stop* - automatische motorstart werkt niet
305
Roetfilter dieselmotor (DPF)
323
Katalysatoren
324
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop
bij handgeschakelde versnellingsbak
305
Zuinig rijden
325
Start/Stop* - automatische motorstart
7
WIELEN EN BANDEN
Rijden met een aanhanger*
326
Banden - onderhoud
338
Rijden met een aanhanger* - handgeschakelde versnellingsbak
327
Banden - draairichting
339
Rijden met een aanhanger* - automatische versnellingsbak
Banden - slijtage-indicator
327
340
Banden - bandenspanning
340
Trekhaak*
328
Wiel- en velgmaten
342
Afneembare trekhaak* - opbergen
329
Banden - maten
342
Afneembare trekhaak* - specificaties
329
Banden - lastindex
343
Afneembare trekhaak* - monteren/
demonteren
330
Banden - snelheidsklassen
343
Wielbouten
344
Trailer Stability Assist (TSA)
333
Winterbanden
344
334
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
345
Sleepoog
335
Wielen verwisselen - monteren
347
Bergen
336
Gevarendriehoek
348
Gereedschap
349
Krik*
349
Slepen
8
EHBO-set*
350
Bandenspanningscontrole*
350
Bandenspanningscontrole (TM)*
351
Noodreparatieset voor banden*
353
Noodreparatieset voor banden* - positie
353
Noodreparatieset voor banden* overzicht
354
Noodreparatieset voor banden* bediening
355
Noodreparatieset voor banden* reparatieresultaat controleren
357
Noodreparatieset voor banden* banden oppompen
358
ONDERHOUD EN SERVICE
Serviceprogramma van Volvo
362
Afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie*
362
Lamp vervangen - kentekenplaatverlichting
383
Lamp vervangen - verlichting in
bagageruimte
383
Auto opnemen
365
Motorkap - openen en sluiten
367
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel
384
Motorruimte - overzicht
367
Lampen - specificaties
384
Motorruimte - controle
369
Wisserbladen
385
Motorolie - algemeen
369
Sproeiervloeistof - bijvullen
387
Motorolie - controleren en bijvullen
370
Startaccu - algemeen
388
Koelvloeistof - peil
373
Accu - symbolen
389
Rem- en koppelingsvloeistof - peil
374
Startaccu - vervangen
390
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil
375
Accu - Start/Stop
392
Klimaatregeling - storingen opsporen
en verhelpen
376
Elektrisch systeem
394
Lamp vervangen - algemeen
376
Zekeringen - algemeen
394
Lamp vervangen - koplampen
377
Zekeringen - in motorruimte
396
Lampen verwisselen - afdekkap
groot-/dimlichtlampen
379
Zekeringen - onder dashboardkastje
400
402
Lamp vervangen - dimlicht
379
Zekeringen - in regeleenheid onder
dashboardkastje
Lamp vervangen - groot licht
380
Zekeringen - in bagageruimte
404
Lamp vervangen - verstraler
381
Zekeringen - in de koude zone van
de motorruimte
406
Lampen vervangen - richtingaanwijzers voorzijde
381
Wasstraat
408
Lamp vervangen - verlichting achter
382
Poetsen en in de was zetten
410
Lamp vervangen - positie lampen
achterzijde
383
Water- en vuilafstotende laag
410
Roestwering
411
Interieur reinigen
411
Lakschade
413
9
SPECIFICATIES
ALFABETISCH REGISTER
Type-aanduidingen
416
Maten
419
Gewichten
420
Trekgewicht en kogeldruk
421
Motorspecificaties
423
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
424
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid
425
Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid
427
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid 428
10
Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid
430
Stuurbekrachtigingsvloeistof - kwaliteit
430
Brandstoftank - inhoud
431
Specificaties voor airconditioning
432
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
434
Banden - goedgekeurde bandenspanning
437
Alfabetisch register
439
INLEIDING
INLEIDING
Zo kunt u gebruikersinformatie
vinden
Gebruikersinformatie is beschikbaar in verschillende productformaten, zowel digitaal als in
drukvorm. De gebruikershandleiding is te raadplegen via het beeldscherm in de auto, via de
mobiele app en op de supportsite van Volvo
Cars. In het dashboardkastje ligt een Quick
Guide en een supplement bij de gebruikershandleiding met onder meer informatie over
zekeringen en specificaties. U kunt een gebruikershandleiding in drukvorm bestellen.
Beeldscherm van de auto1
Via het beeldscherm van de
auto is de gebruikershandleiding raadpleegbaar in digitale
vorm. Druk op de knop MY
CAR op de middenconsole,
daarna op OK/MENU en kies
Gebruikershandleiding. De
informatie is zoekbaar en tevens ingedeeld in
categorieën.
Lees meer onder Digitale gebruikershandleiding
in de auto.
Mobiele app
Op App Store of Google Play:
zoek naar "Volvo Manual",
download de app naar uw
smartphone of tablet en kies
uw model.
De app bevat instructievideo's
en biedt de mogelijkheid tot visuele navigatie aan
de hand van afbeeldingen van het auto-exterieur
en -interieur. De navigatie tussen de verschillende paragrafen van de gebruikershandleiding
verloopt eenvoudig en de inhoud is doorzoekbaar.
Lees meer onder Gebruikershandleiding op
mobiele apparaten .
1 Op
2 Op
12
markten zonder gebruikershandleiding op het beeldscherm wordt een volledige gebruikershandleiding in drukvorm verstrekt.
markten zonder gebruikershandleiding op het beeldscherm wordt een volledige gebruikershandleiding in drukvorm verstrekt.
Supportsite van Volvo Cars
Bezoek support.volvocars.com
en kies uw land. Hier vindt u
gebruikershandleidingen online
en in PDF-formaat. Op de supportsite van Volvo Cars vindt u
tevens instructievideo's en
meer informatie over het
gebruik en het bezit van uw Volvo. De site is
beschikbaar voor de meeste markten. Lees meer
op de supportsite van Volvo Cars.
Informatie in drukvorm
In het dashboardkastje ligt een
supplement bij de gebruikershandleiding2 met informatie
over zekeringen en specificaties plus een overzicht van
belangrijke en nuttige informatie.
Ook in drukvorm beschikbaar is een Quick Guide
met beknopte informatie over de meeste
gebruikte autofuncties om aan de slag te kunnen.
Afhankelijk van het gekozen uitrustingsniveau, de
markt en dergelijke liggen er aanvullende documenten met gebruikersinformatie in drukvorm in
de auto.
INLEIDING
Het is mogelijk een gedrukt exemplaar van de
gebruikershandleiding en het bijbehorende supplement te bestellen. Neem voor bestelling contact op met een Volvo-dealer. Lees Gebruikershandleiding doornemenGebruikershandleiding
doornemen.
Taalinstelling wijzen voor het display
van de auto
Wanneer u de taalinstelling voor het display van
de auto wijzigt, is het mogelijk dat bepaalde informatie niet overeenkomt met de wettelijke bepalingen en voorschriften die in uw land gelden. Het
is beter geen taal in te stellen die u niet begrijpt,
omdat het anders lastig is om de weg te vinden
in de menustructuur op het display.
Gerelateerde informatie
•
Digitale gebruikershandleiding in auto
(p. 13)
•
•
Supportsite van Volvo Cars (p. 16)
Gebruikershandleiding lezen (p. 17)
Digitale gebruikershandleiding in
auto
De gebruikershandleiding is weer te geven op
het beeldscherm in de auto3. De informatie is
doorzoekbaar en de navigatie tussen de verschillende paragrafen verloopt eenvoudig.
Digitale gebruikershandleiding openen - druk op
de MY CAR-knop op de middenconsole, druk op
OK/MENU en kies Gebruikershandleiding.
Voor elementaire navigatiefuncties, zie Systeembediening. Hier volgt een gedetailleerde beschrijving.
BELANGRIJK
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat
u de auto op veilig wijze bestuurt en dat u de
geldende wetgeving en voorschriften in acht
neemt. Het is ook belangrijk dat u de auto
volgens Volvo's adviezen in de gebruikershandleiding onderhoudt en bedient.
Bij afwijkingen in de informatie op het beeldscherm en in de gedrukte informatie, geldt
altijd de informatie in drukvorm.
3
Geldt voor bepaalde automodellen.
Startpagina van de gebruikershandleiding.
U kunt op vier verschillende manieren informatie
vinden in de digitale gebruikershandleiding:
}}
13
INLEIDING
||
• Zoeken - Zoekfunctie om een artikel te vinden.
Zoeken
• Categorieën - Alle artikelen geordend naar
categorieën.
• Favorieten - Snelkoppeling naar favoriete
artikelen.
• Quick Guide - Een selectie van artikelen
Om over te schakelen op de invoer van cijfers of speciale tekens of om te zoeken,
draait u aan TUNE, totdat een van de opties
(zie verklaring in volgende tabel) in de lijst
voor het wisselen van invoerstand (2) verschijnt en druk vervolgens op OK/MENU.
123/A
BC
Met OK/MENU kunt u wisselen
tussen cijfers en letters.
MEER
Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van speciale
tekens.
OK
Voer de zoekopdracht uit. Draai aan
TUNE om een treffer te kiezen en
druk vervolgens op om OK/MENU
het bijbehorende artikel te openen.
Gebruik het schrijfwiel om een zoekterm in te
voeren, bijvoorbeeld "veiligheidsgordel".
a|A
1.
Draai aan TUNE tot de gewenste letter verschijnt en druk ter bevestiging op OK/
MENU. Ook de cijfer- en lettertoetsen van
het bedieningspaneel op de middenconsole
zijn te gebruiken.
||}
Tussen kleine en hoofdletters wisselen met OK/MENU.
2.
Ga verder met de volgende letter enzovoort.
voor veelgebruikte functies.
Kies het informatiesymbool in de rechter onderhoek voor informatie over de digitale gebruikershandleiding.
N.B.
3.
Zoeken met behulp van het schrijfwiel.
Tekenlijst.
De digitale gebruikershandleiding is tijdens
het rijden niet beschikbaar.
Invoerstand wijzigen (zie de volgende tabel).
Van het tekstwiel naar het zoekveld
wisselen. De cursor verplaatsen met
TUNE. Eventuele verkeerde spelling
wissen met EXIT. Om terug te gaan
naar het tekstwiel op OK/MENU
drukken.
Let erop dat de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel te
gebruiken zijn bij bewerkingen in
het zoekveld.
14
INLEIDING
Tekst invoeren met numeriek toetsenbord
Categorieën
De artikelen van de gebruikershandleiding zijn
geordend naar hoofdcategorieën en ondercategorieën. Hetzelfde artikel ligt mogelijk in meerdere categorieën zodat het gemakkelijker te vinden is.
nen. Druk op EXIT om terug te gaan naar de
vorige weergave.
In een artikel navigeren
Draai aan TUNE om door de categorieboom te
navigeren en druk op OK/MENU om een cate) of artikel (aangeduid
gorie (aangeduid met
met
) te openen. Druk op EXIT om terug te
gaan naar de vorige weergave.
Numeriek toetsenbord.
Favorieten
Een andere manier om tekens in te toetsen/
voeren is met behulp van de knoppen op de middenconsole: 0–9, * en #.
Hier vindt u de artikelen die als favorieten zijn
opgeslagen. Om een artikel als favoriet te markeren, zie de rubriek "In een artikel navigeren" hieronder.
Zo wordt bij een druk op 9 een kolom weergegeven met alle tekens4 onder deze toets, zoals w, x,
y, z en 9. Bij snel indrukken van de toets bladert
u met de cursor door deze tekens.
Draai aan TUNE om in de favorietenlijst te navigeren en druk op OK/MENU om een artikel te
openen. Druk op EXIT om terug te gaan naar de
vorige weergave.
•
•
Blijf met de cursor op het te kiezen teken
staan - het teken verschijnt op de schrijfregel.
Wis/annuleer uw keuze met EXIT.
Houd om een cijfer in te voeren de toets met het
gewenste cijfer ingedrukt.
4
Quick Guide
Hier vindt u een aantal artikelen om de meest
gebruikte functies van de auto te leren kennen.
De artikelen zijn ook via categorieën bereikbaar,
maar staan hier om er snel bij te kunnen.
Draai aan TUNE om in de Quick Guide te navigeren en druk op OK/MENU om een artikel te ope-
De schrijftekens voor de verschillende toetsen kunnen per markt/land/taal variëren.
Home - naar de startpagina van de gebruikershandleiding gaan.
Favoriet - het artikel als favoriet toevoegen/
verwijderen. U kunt ook op de FAV-knop op
de middenconsole drukken om een artikel
als favoriet toe te voegen/te verwijderen.
Gemarkeerde link - naar een gelinkt artikel
gaan.
Speciale teksten - als het artikel waarschuwings-, belangrijk- of NB-teksten bevat, worden het bijbehorende symbool en het aantal
van dergelijke teksten in het artikel getoond.
Draai aan TUNE om de links door te nemen of
een artikel omhoog of omlaag te schuiven. Als
}}
15
INLEIDING
het beeldscherm naar het begin/eind van een
artikel is geschoven, zijn de opties Home en
Favoriet bereikbaar door een stap omhoog/
omlaag te gaan. Druk op OK/MENU om de
keuze/gemarkeerde link te activeren. Druk op
EXIT om terug te gaan naar de vorige weergave.
Supportsite van Volvo Cars
Op de homepage en supportsite van Volvo Cars
vindt u meer informatie over uw auto. Vanaf de
homepage kunt u tevens doorlinken naar My
Volvo, een persoonlijke internetpagina voor u en
uw auto.
Support op internet
Ga naar support.volvocars.com of gebruik de QRcode hieronder om de pagina te bezoeken. De
supportsite is voor de meeste markten beschikbaar.
5 Geldt
16
Downloadbare informatie van de
supportsite
Kaarten
Voor auto's met Sensus Navigation* zijn via de
supportsite kaarten te downloaden.
Mobiele apps
Voor bepaalde Volvo-modellen van modeljaar
2014 en 2015 is de gebruikershandleiding als
app beschikbaar. Ook de VOC*-app kan hier worden gedownload.
Gebruikershandleidingen van eerdere
modeljaren
Gebruikershandleidingen van eerdere modeljaren
zijn hier beschikbaar in pdf. Ook de Quick Guide
en supplementen zijn via de supportsite te downloaden. Kies model en modeljaar om de gewenste publicatie te downloaden.
QR-code naar de supportsite.
Contact
De informatie op de supportsite is zoekbaar en
bovendien ingedeeld in verschillende categorieën. Hier vindt u support voor zaken zoals diensten en functies waarvoor internet vereist is,
Volvo On Call (VOC)*, het navigatiesysteem* en
apps. De verschillende procedures worden aan
de hand van video's en stapsgewijze instructies
uiteengezet, bijvoorbeeld hoe u de auto via een
mobiele telefoon met internet verbindt.
Op de supportsite staan de contactgegevens van
de klantenservice en de dichtstbijzijnde Volvodealer.
My Volvo op internet5
Via www.volvocars.com kunt u doorlinken naar My
Volvo web, een persoonlijke website voor u en uw
Volvo.
Maak een persoonlijke Volvo ID aan en log in op
My Volvo web voor een overzicht van zaken zoals
onderhoud, contracten en garanties. Op My Volvo
voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INLEIDING
web vindt u ook informatie over modelspecifieke
accessoires en softwareproducten voor uw Volvo.
Gerelateerde informatie
•
Volvo ID (p. 22)
Gebruikershandleiding lezen
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om de gebruikershandleiding
te lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Gebruikershandleiding op mobiele
apparaten
Het doornemen van de gebruikershandleiding is
een goede manier om vertrouwd te raken met
nieuwe functies, tips te krijgen voor hoe u de
auto in verschillende situaties het beste kunt
bedienen en te leren hoe u optimaal gebruik kunt
maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt.
Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in de gebruikershandleiding.
Er vindt voortdurend productontwikkeling plaats
ter verbetering van ons product. Aanpassingen
kunnen ertoe leiden dat de gegevens, beschrijvingen en illustraties in de gebruikershandleiding
afwijken van de werkelijke uitrusting op uw auto.
We behouden ons het recht voor om zonder
voorafgaande mededeling wijzigingen aan te
brengen.
© Volvo Car Corporation
BELANGRIJK
Laat deze handleiding altijd in de auto liggen.
Anders ontbreekt bij eventuele problemen de
noodzakelijke informatie over hoe en waar u
professionele hulp kunt krijgen.
N.B.
De gebruikershandleiding is te downloaden
als app (geldt voor bepaalde modellen en
mobiele telefoons), zie www.volvocars.com.
De app biedt tevens video’s en doorzoekbare
informatie en eenvoudige navigatie tussen de
verschillende hoofdstukken.
Opties/accessoires
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje* in de gebruikershandleiding.
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden
in de gebruikershandleiding ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
17
INLEIDING
||
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
De uitrusting die in de gebruikershandleiding
wordt beschreven is niet op alle auto's aanwezig
– welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven informatie over
kans op letsel.
BELANGRIJK
Belangrijk-teksten geven informatie over kans
op materiële schade.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips en
adviezen die het gebruik van bepaalde mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
18
Voetnoot
Gevaar voor lichamelijk letsel
In de gebruikershandleiding komt informatie voor
in de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling op
de tekst waar het nummer van de voetnoot naar
verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een tabel
verwijst, worden letters gebruikt in plaats van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop menuteksten en displaymeldingen kunnen worden
weergegeven. Dergelijke teksten in de gebruikershandleiding onderscheiden zich van de normale tekst. Voorbeeld van menuteksten en displaymeldingen: Media, Locatie wordt
verstuurd.
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de auto
om belangrijke informatie op een simpele en duidelijke manier over te dragen. De stickers in de
auto zijn van de onderstaande aflopende waarschuwings-/informatiegraad.
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een geel waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op
een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met mogelijk
dodelijke afloop.
INLEIDING
Gevaar voor materiële schade
Informatie
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een bepaalde
volgorde moeten worden uitgevoerd, staan
genummerd in de gebruikershandleiding.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op
een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
G031593
G031592
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
De in de gebruikershandleiding afgebeelde
stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw auto
aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn alleen
bedoeld om aan te geven hoe de stickers er
in grote lijnen uitzien en waar u ze ongeveer
kunt aantreffen. Op de stickers van de auto
vindt u de informatie die op uw auto van toepassing is.
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant
is, worden de instructies voorafgegaan door
letters.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Pijlen met een letter dienen om een beweging weer te geven waarbij de onderlinge
volgorde niet van belang is.
Als er geen reeks afbeeldingen bij een stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij de
afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
}}
19
INLEIDING
||
Opsommingslijsten
Vastlegging van gegevens
Bij opsommingen in de gebruikershandleiding
wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
In het kader van de veiligheids- en kwaliteitsinspanningen van Volvo worden bepaalde gegevens over de bediening, de werking en bijnaaanrijdingen door de auto vastgelegd.
Bijvoorbeeld:
•
•
Koelvloeistof
Motorolie
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie verwijst naar andere artikelen met aanverwante informatie.
Afbeeldingen
De afbeeldingen in de handleiding zijn soms
schematisch en kunnen dan ook afwijken van uw
uitvoering van de auto afhankelijk van het uitrustingsniveau en de markt.
Zie ommezijde
}} Dit symbool staat rechts onderaan, wanneer
een artikel wordt voortgezet op de volgende
pagina.
Vervolg van de vorige pagina
|| Dit symbool staat links bovenaan wanneer
een artikel wordt voortgezet van de vorige pagina.
Gerelateerde informatie
Deze auto is uitgerust met een "Event Data
Recorder" (EDR). Het belangrijkste doel daarvan
is het vastleggen en opnemen van gegevens bij
verkeersongevallen of bijna-ongelukken, zoals
wanneer de airbag wordt geactiveerd of als de
auto een wegversperring raakt. De gegevens
worden geregistreerd om meer inzicht te krijgen
in hoe de systemen van de auto in dit soort situaties werken. De EDR is zodanig vormgegeven
dat deze gedurende een korte tijd gegevens
vastlegt die verband houden met de autodynamiek en de veiligheidssystemen, normaal gesproken 30 seconden of korter.
De EDR in deze auto is zodanig geconstrueerd
dat deze bij verkeersongevallen of bijna-ongelukken gegevens vastlegt die verband houden met:
•
de wijze waarop de verschillende autosystemen werkten;
•
de vraag of u en passagiers in de gordel
zaten;
•
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 26)
•
de vraag of u het gas- of rempedaal
bediende;
•
Supportsite van Volvo Cars (p. 16)
•
hoe snel u reed.
Dit kan een bijdrage leveren aan een beter
inzicht in de omstandigheden waarin bepaalde
20
verkeersongevallen en schades ontstaan. De
EDR legt alleen gegevens vast, als er sprake is
van een niet-alledaagse aanrijdingssituatie - bij
normale rijomstandigheden registreert de EDR
geen gegevens. Ook registreert het systeem
nooit wie de auto bestuurt of wat de geografische positie is voor de aanrijding of bijna-aanrijding. Andere partijen, zoals de politie, kunnen
echter gebruik maken van de vastgelegde gegevens in combinatie met het type persoonlijk identificeerbare informatie dat bij een verkeersongeval routinematig wordt verzameld. Om de geregistreerde gegevens te kunnen interpreteren zijn
speciale apparatuur en toegang tot de auto of de
EDR vereist.
De auto is naast de EDR ook uitgerust met een
aantal computers, die tot taak hebben de werking
van de auto continu te controleren en bewaken.
Deze kunnen tijdens normale rijomstandigheden
gegevens vastleggen, maar vooral wanneer deze
een fout registreren die betrekking heeft op de
bediening en werking van de auto of bij activering
van de actieve rijhulp (zoals City Safety en de
automatische remfunctie).
Een deel van de vastgelegde gegevens heeft de
monteur nodig om service en onderhoud te kunnen verrichten met als doel eventuele storingen
die in de auto zijn opgetreden te diagnosticeren
en verhelpen. De geregistreerde informatie heeft
Volvo ook nodig om te kunnen voldoen aan de
juridische eisen conform de wet- en regelgeving.
De in de auto geregistreerde informatie ligt
INLEIDING
opgeslagen in de computers totdat de auto een
servicebeurt krijgt of wordt gerepareerd.
Naast het bovenstaande kan de geregistreerde
informatie ook in een samengestelde vorm worden gebruikt voor verzekerings- en productontwikkelingsdoeleinden om de veiligheid en kwaliteit van Volvo's auto's te verbeteren.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet zonder de toestemming van de eigenaar van de auto
vrijgeven aan derden. Vanwege nationale wet- en
regelgeving kan Volvo echter worden gedwongen
om dit type informatie af te geven aan de politie
of andere autoriteiten die het wettelijke recht
hebben om hiertoe toegang te krijgen. Om de
door vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen
en interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij Volvo en
de werkplaatsen die een contract hebben met
Volvo. Volvo ziet erop toe dat de gegevens, die in
verband met reparatie en onderhoud worden
doorgegeven aan Volvo, zorgvuldig worden opgeslagen en gehanteerd en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden
gebruikt. Neem voor meer informatie contact op
met een Volvo-dealer.
Accessoires en extra uitrusting
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires en extra uitrusting kan een nadelige
invloed hebben op de werking van de elektronische systemen van de auto.
Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de
bijbehorende software in de computersystemen
van de auto wordt geladen. Volvo adviseert u
daarom altijd contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires
of extra uitrusting monteert die in verbinding
staan/staat met of van invloed zijn/is op het
elektrische systeem.
Warmtereflecterende voorruit*
De voorruit is voorzien van een warmtereflecterende film (IR) die de ingestraalde warmte in de
passagiersruimte beperkt.
Montage van elektronische uitrusting, zoals een
transponder, achter een ruit met een warmtereflecterende film heeft mogelijk een negatieve
invloed op de werking en prestaties van de uitrusting.
Veld waar geen IR-film is aangebracht.
A is de afstand tussen de bovenkant van de voorruit en het begin van het veld. B is de afstand
tussen de bovenkant van de voorruit en het eind
van het veld.
Maten
A
47 mm
B
87 mm
Voor optimale werking van moet de elektronische
uitrusting gemonteerd worden op dat deel van de
voorruit waar geen warmtereflecterende film is
aangebracht (zie gemarkeerd veld op afbeelding).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
21
INLEIDING
Volvo ID
Volvo ID aanmaken
Volvo ID is uw persoonlijke ID die u toegang
biedt tot diverse diensten6.
Om een Volvo ID aan te maken moet u een persoonlijk e-mailadres opgeven. Om de registratie
te voltooien moet u de instructies opvolgen in het
e-mailbericht dat automatisch wordt verstuurd
naar het opgegeven e-mailadres. Een Volvo ID
kan via de volgende diensten worden aangemaakt:
Voorbeeld van diensten:
•
My Volvo - Uw persoonlijke website voor u en
uw auto.
•
Connected Car* - bepaalde functies en diensten vereisen dat u uw auto hebt geregistreerd op een persoonlijke Volvo ID, bijvoorbeeld om een adres van een kaartdienst op
internet rechtstreeks naar uw auto te kunnen
sturen.
•
22
My Volvo - Geef het e-mailadres aan en volg
de instructies.
•
Bij een Connected Car* - Geef het e-mailadres aan in de app die Volvo ID vereist en
volg de instructies. Of druk twee keer op de
verbindingsknop
op de middenconsole en
kies Apps Instellingen en volg de
instructies.
•
Volvo On Call, VOC* - Laad de nieuwste versie van de VOC-app. Kies op de startpagina
voor het aanmaken van een Volvo ID, geen
een e-mailadres aan en volg de instructies.
Volvo On Call, VOC* - Volvo ID wordt
gebruikt bij het inloggen op de mobiele app
Volvo On Call.
Voordelen van Volvo ID
•
Een gebruikersnaam en een wachtwoord
voor online diensten, dat wil zeggen u hoeft
slechts één gebruikersnaam en één wachtwoord te onthouden.
•
Bij het wijzigen van een gebruikersnaam/
wachtwoord voor een dienst (bijvoorbeeld
VOC) worden deze ook automatisch voor
andere diensten gewijzigd (bijvoorbeeld My
Volvo)
6
•
Gerelateerde informatie
•
Supportsite van Volvo Cars (p. 16)
Het aanbod aan diensten kan veranderen en hangt af van het uitrustingsniveau en de markt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INLEIDING
Milieubeleid
Volvo Car Corporation werkt voortdurend aan de
ontwikkeling van veiliger en effectievere produc-
Milieuzorg is een van de kernwaarden van Volvo
Cars die van invloed is op alle activiteiten. De
milieu-activiteiten gaan uit van de volledige
levensduur van de auto en houden rekening met
de milieu-effecten, van ontwikkeling tot sloop en
recycling. Volvo Cars hanteert het uitgangspunt
dat de milieu-effecten van nieuwe producten
geringer moeten zijn dan die van de producten
waarvoor ze in de plaats komen.
Een van de resultaten van de inspanningen van
Volvo op milieugebied is de ontwikkeling van de
Drive-E-aandrijflijnen, die effectiever werken en
minder vervuilend zijn. Ook het persoonlijke
ten en oplossingen om de milieu-effecten te
beperken.
milieu heeft de volle aandacht van Volvo - de
lucht in een Volvo is door de klimaatregeling bijvoorbeeld schoner dan de lucht buiten.
van de samenwerkingspartners dat ze aan deze
normen voldoen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieu-eisen. Alle productie-eenheden van Volvo
hebben een ISO 14001-certificaat, wat een systematische benadering van de milieu-aspecten
van de productie betekent om voortdurend verbeteringen aan te brengen en de milieu-effecten te
beperken. Dit ISO-certificaat betekent ook dat de
geldende wettelijke bepalingen en voorschriften
op milieugebied wordt nageleefd. Volvo eist ook
Omdat de milieu-effecten van auto's voor een
groot deel toe te schrijven zijn aan het gebruik
ervan richt Volvo Cars zich op het beperken van
het brandstofverbruik, de uitstoot van kooldioxide
en andere verontreinigende stoffen. De auto's
van Volvo zijn concurrerend in hun klasse wat het
brandstofverbruik betreft. Een lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
Brandstofverbruik
}}
23
INLEIDING
||
Bijdragen aan een schoner milieu
Een zuinige auto levert niet alleen een beperking
van de milieu-effecten op, maar betekent ook
lagere kosten voor de eigenaar van de auto. Als
bestuurder kunt u eenvoudig brandstof en geld
besparen en zo een bijdrage leveren aan een
schoner milieu. Hier volgen enkele tips en adviezen:
•
Plan een effectieve gemiddelde snelheid.
Snelheden hoger dan zo'n 80 km/h (50
mph) en lager dan 50 km/h (30 mph) zorgen
voor een hoger energieverbruik.
•
Neem de intervallen voor onderhoud en service aan de auto in acht die in het Serviceen garantieboekje geadviseerd worden.
•
Voorkom stationair draaien – zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat. Houd u aan
de plaatselijke voorschriften.
•
•
Rijd anticiperend - bij onnodig vaak stoppen
en optrekken en een ongelijkmatige snelheid
stijgt het brandstofverbruik.
Gebruik vóór een koude start altijd de motorverwarming*, als de auto hiermee is uitgerust
– dit verbetert de startgewilligheid, beperkt
de slijtage bij koud weer en zorgt ervoor dat
de motor sneller op bedrijfstemperatuur
komt, waardoor het brandstofverbruik en de
uitstoot afnemen.
Let er tevens op dat u afvalstoffen die schadelijk
zijn voor het milieu, zoals accu's en olie, op een
milieuvriendelijke manier afvoert. Neem contact
24
op met een werkplaats bij twijfel over de juiste
manier van verwerken van dergelijk afval – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
waarna de lucht in de passagiersruimte wordt
gerecirculeerd. Iets dergelijks kan zich voordoen
in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Wanneer u deze tips opvolgt, kunt u geld besparen, zuiniger omspringen met de hulpbronnen op
aarde en uw auto langer doen meegaan. Voor
meer informatie en advies zie Eco guide (p. 74),
Zuinig rijden (p. 325) en Brandstofverbruik
(p. 434).
Het IAQS is onderdeel van het CZIP (Clean Zone
Interior Package)* dat voorzien is van een speciale ventilatorfunctie die aanslaat, wanneer de
auto via de transpondersleutel wordt ontgrendeld.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
"Schoon aan binnen- en buitenkant" – een concept dat een schone passagiersruimte combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies
ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen
niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Het luchtkwaliteitssysteem IAQS* (Interior Air
Quality System) zorgt ervoor dat de lucht die de
passagiersruimte binnenkomt, schoner is dan de
lucht buiten in het verkeer.
Het systeem ontdoet de lucht in de passagiersruimte van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon. Als de Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de
buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten
Interieur
De gebruikte materialen voor het interieur van
een Volvo zijn zorgvuldig geselecteerd en uitvoerig getest op comfort en hypoallergeniteit.
Bepaalde afwerkingsdetails zijn handmatig aangebracht: zo is de stuurwielbekleding met de
hand genaaid. Het interieur is getest op de afwezigheid van sterke geuren of stoffen die klachten
kunnen geven bij hoge temperaturen of direct
zonlicht.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en een
laag brandstofverbruik. U draagt zo tevens bij aan
een schoner milieu. Wanneer u de reparaties en
het onderhoud aan de auto toevertrouwt aan de
werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een
onderdeel van Volvo's systeem. Volvo stelt duidelijke milieu-eisen aan de outillage van de werkplaatsen om te voorkomen dat er schadelijke
stoffen in het milieu vrijkomen. Het werkplaatspersoneel beschikt over de kennis en het
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INLEIDING
gereedschap om optimale milieuzorg te garanderen.
Recycling
Omdat Volvo werkt vanuit een levensduurperspectief is het ook belangrijk dat autowrakken op
milieuvriendelijke wijze worden gerecycled. De
auto is nagenoeg geheel te recyclen. De laatste
eigenaar van de auto wordt daarom verzocht contact op te nemen met een dealer voor de locatie
van een gecertificeerd/erkend recyclingbedrijf.
Gerelateerde informatie
•
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 26)
25
INLEIDING
Milieu-aspecten van de
gebruikershandleiding
De papiervezels waarvan deze publicatie
gemaakt is afkomstig zijn uit Forest Stewardship
Council®-gecertificeerde bossen of andere
gecontroleerde bronnen.
Gelaagd glas
De voorruit en het panoramadak zijn
voorzien van gelaagd glas. Het is verstevigd en biedt een betere bescherming tegen inbraak en een verbeterde
geluidsisolatie. Overige glazen oppervlakken*.
Het FSC®-symbool geeft aan dat de papiervezels
waarvan een gebruikershandleiding in drukvorm
gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen.
Gerelateerde informatie
•
26
Milieubeleid (p. 23)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
VEILIGHEID
VEILIGHEID
Algemeen over veiligheidsgordels
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel tijdens het rijden om hebben.
Waar u op moet letten
•
Gebruik geen klemmen of andere accessoires waardoor u de veiligheidsgordel niet
strak langs uw lichaam kunt trekken.
•
De veiligheidsgordel mag niet gedraaid zitten.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u daarvoor contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten
heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn
geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de veiligheidsgordel niet of verkeerd wordt
gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed
zijn op het effect van de airbag.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bedoeld voor slechts
één persoon.
Span de heupgordel over de heupen door de diagonale
schoudergordel in de richting van de schouder omhoog
te trekken. De heupgordel moet laag zitten (niet over de
buik).
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te
ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt
de beste bescherming bij een normale rijhouding.
Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet draagt,
wordt de bewuste persoon er middels waarschuwingssymbolen en geluidssignalen (p. 30) aan
herinnerd de gordel om te doen (p. 29).
28
Gerelateerde informatie
•
•
•
Veiligheidsgordel - zwangerschap (p. 30)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 29)
Gordelspanners (p. 31)
VEILIGHEID
Veiligheidsgordel - om doen
Veiligheidsgordel - losmaken
Doe de veiligheidsgordel (p. 28) om voordat u
gaat rijden.
Maak de veiligheidsgordel (p. 28) pas los als de
auto stilstaat.
Rol de gordel langzaam af en maak deze vast
door de borglip in de gordelsluiting te steken.
Een duidelijke "klik" geeft aan dat de gordel vastzit.
Druk op de rode knop van de gordelsluiting en
laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen
trekken. Als de gordel niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
Gerelateerde informatie
Verkeerde positie veiligheidsgordel. De veiligheidsgordel
moet over de schouder lopen.
•
•
Veiligheidsgordel - om doen (p. 29)
Gordelwaarschuwing (p. 30)
Op de achterbank past de borglip van de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende sluiting1.
Waar u op moet letten
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken:
Goede positie veiligheidsgordel.
•
•
•
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
1
Veiligheidsgordel - zwangerschap (p. 30)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 29)
Gordelspanners (p. 31)
Gordelwaarschuwing (p. 30)
Bepaalde markten.
29
VEILIGHEID
Veiligheidsgordel - zwangerschap
auto volledig onder controle hebben (wat inhoudt
dat ze met gemak bij het stuur en de pedalen
moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand
tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te
maken.
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk de
veiligheidsgordel (p. 28) altijd op de juiste
manier te dragen.
Gerelateerde informatie
Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet
draagt, gaan er waarschuwingssymbolen branden en worden er geluidssignalen afgegeven om
de bewuste persoon eraan te herinneren de veiligheidsgordel om te doen (p. 29).
Veiligheidsgordel - om doen (p. 29)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 29)
De veiligheidsgordel moet strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de borsten en tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel moet
vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik liggen. Het
mag nooit over de buik omhoog kunnen glijden.
De veiligheidsgordel moet zo strak mogelijk over
het lichaam lopen zonder onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens
gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel (p. 87) en het
stuurwiel (p. 92) dusdanig verstellen dat ze de
30
G017726
G020998
•
•
Gordelwaarschuwing
Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de
snelheid. De waarschuwingssymbolen zitten op
de plafondconsole en op het instrumentenpaneel
(p. 70).
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet voor
kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
•
Aangeven welke veiligheidsgordel (p. 28) van
de achterbank er worden gebruikt. Bij
gebruik van de veiligheidsgordels of het ope-
VEILIGHEID
nen van een van de achterportieren verschijnt er een melding op het instrumentenpaneel. De melding verdwijnt automatisch na
ca. 30 seconden rijden, maar kan ook handmatig worden verwijderd door op de knop
OK op de richtingaanwijzerhendel (p. 118)
te drukken.
•
Waarschuwen dat iemand op de achterbank
de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er
wordt gewaarschuwd met een melding op
het instrumentenpaneel in combinatie met
een geluidssignaal en een waarschuwingslampje. De waarschuwing stopt wanneer de
gordel weer is omgedaan, maar kan ook
handmatig worden bevestigd door op de
knop OK te drukken.
De melding op het instrumentenpaneel, die aangeeft welke veiligheidsgordels er gebruikt worden, is altijd beschikbaar. Druk op de knop OK
om de opgeslagen meldingen te zien.
Bepaalde markten
Er gaat een waarschuwingssymbool branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder en een eventuele voorpassagier de
gordel niet dragen. Op lage snelheden klinkt de
eerste 6 seconden lang een geluidssignaal.
Gordelspanners
Veiligheid - waarschuwingssymbool
Alle veiligheidsgordels (p. 28) zijn uitgerust met
gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij
een voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter in
de stoel gedrukt houden.
Het waarschuwingslampje verschijnt, als er tijdens de storingsdiagnose een storing wordt
geconstateerd of als het systeem geactiveerd is.
Waar nodig verschijnt het waarschuwingslampje
in combinatie met een melding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel (p. 70).
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel aan passagierszijde nooit aanbrengen in de gordelsluiting aan bestuurderszijde. De gesp van de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de gordelsluiting aan de juiste zijde. De veiligheidsgordels nooit beschadigen en geen vreemde
voorwerpen aanbrengen in de gordelsluiting.
De veiligheidsgordels en de gordelsluiting
werken anders mogelijk niet naar behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat gevaar voor
ernstige verwondingen.
Gevarendriehoek en waarschuwingssymbool voor het
airbagsysteem (p. 32) op een analoog instrumentenpaneel.
}}
31
VEILIGHEID
||
Als het waarschuwingssymbool niet werkt, gaat
het waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt er SRS airbag Service vereist of SRS
airbag Service spoed op het display. Volvo
adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Airbagsysteem
Bij een frontale botsing helpt het airbagsysteem
voorkomen dat u en eventuele inzittenden letsel
aan hoofd en borstkas oplopen.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de Safety mode
(p. 42)
Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 86) staat. Het symbool dooft na ca. 6 seconden, wanneer de regelmodule heeft vastgesteld dat het airbagsysteem
geen storingen vertoont.
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden
korte tijd oplicht, betekent dit dat het airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het symbool kan ook duiden op een storing in de gordelspanners, het SIPS- en het IC-systeem of
op een andere storing in het systeem. Volvo
adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
32
G018665
Gevarendriehoek en waarschuwingssymbool voor het
airbagsysteem op een digitaal instrumentenpaneel.
Airbagsysteem, van bovenaf gezien bij een auto met het
stuur links.
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u voor reparatie contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Verkeerde ingrepen in het airbagsysteem
kunnen aanleiding geven tot storingen in de
werking met mogelijk ernstig lichamelijk letsel
tot gevolg.
Airbag aan de bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel
(p. 28) aan de bestuurderszijde ook een airbag
(p. 32) in het stuurwiel.
De airbag zit opgevouwen in het midden van het
stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het
opschrift AIRBAG.
G018666
N.B.
Airbagsysteem, van bovenaf gezien bij een auto met het
stuur rechts.
Het SRS bestaat uit airbags en sensoren. Bij een
voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna één of meer airbags worden opgeblazen en warm worden. De airbags vangen de
klap van de aanrijding op voor de inzittende.
Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de
aanrijding op voor de inzittende, waarna de airbags weer leeglopen. Daarbij treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het
totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen
van de airbag, neemt enkele tienden van een
seconde in beslag.
WAARSCHUWING
De sensoren reageren verschillend, afhankelijk van het verloop van de botsing en of er al
dan niet een veiligheidsgordel wordt gebruikt.
Geldt voor alle gordelposities.
Er kunnen dus ongelukken ontstaan als
slechts één (of geen) van de airbags wordt
geactiveerd. De sensoren registreren de
kracht waaraan de auto bij de botsing wordt
blootgesteld en passen zich hierop aan, zodat
één of meer airbags worden opgeblazen.
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de gordel niet of verkeerd wordt gebruikt,
kan dit bij een botsing van invloed zijn op het
effect van de airbag.
Gerelateerde informatie
•
Passagiersairbag (p. 34)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Airbag aan de bestuurderszijde (p. 33)
Passagiersairbag (p. 34)
Veiligheid - waarschuwingssymbool (p. 31)
33
VEILIGHEID
Passagiersairbag
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel
(p. 28) aan de passagierszijde ook een airbag
(p. 32).
De airbag zit opgevouwen in een ruimte boven
het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van
het opschrift AIRBAG.
Positie van de passagiersairbag in een auto met het
stuur rechts.
Sticker op portierstijl aan passagierszijde. Bij het openen
van het passagiersportier is de sticker zichtbaar.
Sticker voor passagiersairbag
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag
is aangebracht als hierboven.
WAARSCHUWING
Plaats een achterstevoren gemonteerd kinderzitje nooit op een stoel met een geactiveerde airbag. Het niet opvolgen van deze
aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties
voor of ernstig letsel van het kind opleveren.
Positie van de passagiersairbag in een auto met het
stuur links.
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
34
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de gordel niet of verkeerd wordt gebruikt,
kan dit bij een botsing van invloed zijn op het
effect van de airbag.
Schakelaar - PACOS*
De passagiersairbag (SRS) voorin is te deactiveren, (p. 35) met een schakelaar als de auto is
uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut Off
Switch).
Om geen letsel op te lopen wanneer de airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo
rechtop mogelijk zitten met de voeten op de
vloer en de rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet vast zitten.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen vóór of bovenop het
dashboard op de plek waar de airbag voor de
passagiersstoel zit.
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen PACOS-schakelaar (Passenger Airbag Cut Off Switch)
heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Airbag aan de bestuurderszijde (p. 33)
Kinderzitje (p. 46)
Passagiersairbag - activering/
deactivering*
Passagiersairbag (p. 34) voorin is te deactiveren
met een schakelaar als de auto is uitgerust met
PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch).
Schakelaar - PACOS
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS zit aan de passagierszijde aan de zijkant van het dashboard en u
kunt erbij door het portier aan die kant te openen.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Gebruik het sleutelblad (p. 179) van
de transpondersleutel om van stand te veranderen.
WAARSCHUWING
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
Locatie van de schakelaar voor de airbag.
ON - de airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen alle passagiers
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
35
VEILIGHEID
||
(kinderen en volwassenen) veilig in de rijrichting op de passagiersstoel zitten.
OFF - de airbag is gedeactiveerd. Met de
schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje veilig op de passagiersstoel voorin zitten.
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
N.B.
WAARSCHUWING
Wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 86) staat, brandt ca. 6 seconden
lang het waarschuwingssymbool (p. 31) voor
de airbag op het instrumentenpaneel.
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft.
Bevestig een tegen de rijrichting in geplaatst
kinderzitje nooit op de passagiersstoel voorin,
als de passagiersairbag geactiveerd is en als
teken daarvan het symbool
op de plafondconsole brandt. Het niet opvolgen van
deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties voor het kind opleveren.
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
2
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
2
G017800
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
Hiermee wordt aangegeven dat de passagiersairbag
geactiveerd is.
Een waarschuwingssymbool op de plafondconsole geeft aan of de passagiersairbag voorin
geactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
36
G017724
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Hiermee wordt aangeduid dat de passagiersairbag
gedeactiveerd is.
Een tekstmelding en een brandend lampje op de
plafondconsole geven aan dat de passagiersairbag gedeactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen als het waarschuwingssymbool(p. 31) voor het airbagsysteem op het
instrumentenpaneel oplicht, terwijl de melding
op de plafondconsole aangeeft dat de airbag
aan die kant gedeactiveerd is. Dit duidt op
een ernstige storing. Bezoek zo spoedig
mogelijk een werkplaats. Volvo adviseert u
daarvoor contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS (Side Impact
Protection System) over balken, stijlen, vloer,
dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de bestuurders- en
de passagierszijde beschermen de borstkas en
de heupen en vormen een belangrijk onderdeel
van het SIPS.
waarna de airbags weer leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen opgeblazen
aan de kant van de aanrijding.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties
voor de passagiers opleveren.
Bestuurdersplaats, auto met stuur links.
Gerelateerde informatie
Kinderzitje (p. 46)
G032949
•
Het SIPS bestaat uit twee hoofdonderdelen: de
SIPS-airbags en de sensoren. De SIPS-airbags
zijn aangebracht in de rugleuningframes van de
voorstoelen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren
activeren. De SIPS-airbags worden vervolgens
opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de
klap van de aanrijding op voor de inzittende,
Passagiersplaats, auto met stuur links.
}}
37
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
•
•
•
•
Volvo adviseert u de reparatie uitsluitend
door een erkende Volvo-werkplaats te
laten uitvoeren. Een verkeerde ingreep in
het SIPS-systeem kan tot een onjuiste
werking leiden met ernstig letsel als
gevolg.
Plaats geen voorwerpen in het gebied
tussen de buitenzijde van de stoel en het
portierpaneel, aangezien dit gebied door
de zijairbag kan worden beïnvloed.
Volvo adviseert om uitsluitend door Volvo
goedgekeurde overtrekbekleding te
gebruiken. Andere bekleding kan de werking van de zijairbags hinderen.
De zijairbag vormt een aanvulling op de
veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
SIPS en kinderzitjes
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende
werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet
negatief.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Airbag aan de bestuurderszijde (p. 33)
Opblaasgordijnen (IC)
WAARSCHUWING
Het systeem helpt voorkomen dat de bestuurder
en eventuele passagiers bij een botsing met hun
hoofd tegen de binnenkant van de auto slaan.
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan
de plafondhandgrepen. De haak is alleen
bedoeld voor niet al te zware kledingstukken
(en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo adviseert u uitsluitend originele Volvo-onderdelen,
bestemd voor montage op deze plaatsen, te
gebruiken.
WAARSCHUWING
De auto mag niet zo worden beladen dat de
lading hoger dan 50 mm onder de bovenkant
van de portierruiten uitkomt. Anders kan het
beschermende vermogen van het opblaasgordijn, dat in de hemelbekleding verborgen zit,
uitblijven.
De opblaasgordijnen van het IC (Inflatable
Curtain) maken deel uit van het SIPS (p. 37) en
het airbagsysteem (p. 32). Deze is langs de beide
kanten van de plafondbekleding gemonteerd en
beschermt de bestuurder en passagiers op de
buitenste stoelen van de auto. Bij een voldoende
krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op
hun beurt de opblaasgordijnen activeren.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Passagiersairbag (p. 34)
Opblaasgordijnen (IC) (p. 38)
Gerelateerde informatie
•
38
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 28)
VEILIGHEID
Algemene informatie over WHIPS
(whiplash-bescherming)
voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WHIPS (Whiplash Protection System) biedt
bescherming tegen whiplash-letsel. Het systeem
bestaat uit energieabsorberende rugleuningen
en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Eigenschappen van de stoel
Bij activering van het WHIPS klappen de rugleuningen van de voorstoelen naar achteren, zodat
de zithouding van bestuurder en voorpassagier
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
Voer zelf nooit wijzigingen of reparaties aan
de stoel of het WHIPS-systeem uit. Volvo
adviseert u daarvoor contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
WHIPS en kinderzitjes
Het WHIPS beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet
negatief.
Gerelateerde informatie
Het WHIPS wordt geactiveerd bij een aanrijding
van achteren, afhankelijk van de hoek waaronder
en de snelheid waarmee het achteropkomende
•
•
WHIPS - zithouding (p. 40)
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 28)
39
VEILIGHEID
WHIPS - zithouding
Voor optimale bescherming door het WHIPS
(p. 39) moeten bestuurder en voorpassagier de
juiste zithouding innemen en zorgen dat het systeem niet wordt gehinderd.
Zithouding
WAARSCHUWING
Plaats dozen e.d. niet zodanig, dat deze vastgeklemd zitten tussen het zitkussen van de
achterbank en de rugleuning van de voorstoel.
Denk eraan dat u de werking van het WHIPSsysteem niet hindert.
Stel voordat u wegrijdt de juiste zithouding in
voor de voorstoel (p. 87).
Het WHIPS kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs
al ziet de stoel er intact uit.
U en een eventuele voorpassagier moeten zoveel
mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen
en de afstand tussen hoofd en hoofdsteun zo
klein mogelijk houden.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats om het systeem te laten controleren, ook bij zachtere
aanrijdingen van achteren.
Functie
Plaats geen voorwerpen op de achterbank die het
WHIPS kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPS kunnen hinderen.
40
WAARSCHUWING
Als de stoel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals bij een aanrijding van achteren,
is een controle van het WHIPS vereist. Volvo
adviseert om dit door een erkende Volvowerkplaats te laten controleren.
Als een rugleuning van de achterbank is neergeklapt, moet de bijbehorende voorstoel verder naar voren worden gezet zodat deze niet
in contact komt met de neergeklapte rugleuning.
VEILIGHEID
Roll Over Protection System (ROPS)
Het Roll-Over Protection System (ROPS) van
Volvo is ontwikkeld om het gevaar te beperken
dat de auto over de kop slaat en maximale
bescherming te bieden als een ongeluk onvermijdelijk blijkt.
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
RSC-systeem voor een betere wegligging. Dit
mag echter voor u geen reden zijn om sneller
te gaan rijden. Neem altijd de gebruikelijke
voorzorgsmaatregelen bij het rijden.
Bij activering van de systemen
Bij een aanrijding werken de verschillende persoonsveiligheidssystemen van Volvo samen om
de schade te verkleinen.
Systeem
Activering
Het systeem omvat twee delen: een preventief
stabiliseringssysteem en een beschermingssysteem.
gordelspanner (p. 31) voorstoel
Het stabiliseringssysteem Roll Stability Control
(RSC) beperkt het gevaar dat de auto kantelt en
over de kop slaat, wanneer u bijvoorbeeld abrupt
uitwijkt of in de slip raakt.
Bij een frontale botsing
en/of aanrijding in de zij,
van achteren en/of kantelen
Gordelspanners
achterbank
Bij een frontale botsing
en/of aanrijding in de zij,
van achteren en/of kantelen
Airbags
Bij een frontale botsing.A
Het RSC maakt gebruik van een gyrosensor die
wijzigingen in de helling overdwars registreert.
Aan de hand van deze informatie wordt vervolgens berekend hoe groot de kans is dat de auto
over de kop slaat. Als het gevaar reëel is, treedt
het ESC (p. 201) in werking. Het motortoerental
wordt daarbij verlaagd en één of meer van de
wielen worden afgeremd, totdat de auto zijn stabiliteit hervonden heeft.
(Stuur- (p. 33) en
passagiersairbag
(p. 34))
Als de auto toch mocht kantelen, treedt het
beschermingssysteem in werking en worden,
afhankelijk van de situatie, de gordelspanners
(p. 31) en/of opblaasgordijnen (p. 38) geactiveerd.
A
SIPS-airbags
(p. 37)
Bij een aanrijding in de
zijA
Opblaasgordijnen
(IC) (p. 38)
Bij een aanrijding in de zij
en/of kantelen en/of
bepaalde frontale aanrijdingenA
WHIPS-systeem
(p. 39)
Bij aanrijdingen van achteren
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen,
ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt.
}}
41
VEILIGHEID
Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van het
lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid van de
auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van
invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags (p. 32) werden opgeblazen,
adviseert Volvo u het volgende:
•
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen
airbags.
•
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in de
auto over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
•
Neem altijd contact op met een arts.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Dat kan
het besturen van de auto bemoeilijken. Ook
andere veiligheidssystemen kunnen beschadigd zijn. De rook en stof die bij het opblazen
van de airbags worden gevormd, kunnen bij
een intensieve blootstelling irritaties aan de
huid en ogen/letsel veroorzaken. Bij last met
koud water wassen. Het snelle opblazen kan
ook, in combinatie met het materiaal van de
airbag, voor wrijvings- en brandwonden op de
huid zorgen.
Algemene informatie over de Safety
mode
Safety Mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt, wanneer tijdens een aanrijding
mogelijk belangrijke onderdelen zijn beschadigd
zoals de brandstofleidingen, de sensoren voor
de veiligheidssystemen of het remsysteem.
N.B.
De airbags en de gordelspanners worden bij
een botsing slechts eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit in
de middenconsole. Als de middenconsole
doorweekt geraakt is, moet u de accukabels
loskoppelen. Probeer de auto niet te starten,
omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen
worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u de te auto te laten wegslepen naar
een erkende Volvo-werkplaats.
42
De gevarendriehoek op het analoge instrumentenpaneel.
VEILIGHEID
Gerelateerde informatie
•
•
Safety mode - startpoging (p. 43)
Safety mode - auto verrijden (p. 44)
Safety mode - startpoging
Als de auto in de Safety mode (p. 42) staat, is
een startpoging mogelijk als alles in orde lijkt te
zijn en u gecontroleerd hebt dat er geen sprake
is van brandstoflekkage.
Controleer eerst of er geen brandstof uit de auto
is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur
waarneembaar zijn.
De gevarendriehoek op het digitale instrumentenpaneel.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje op het bestuurdersdisplay van
het instrumentenpaneel (p. 70) verschijnen. Dit
betekent dat de functionaliteit van de auto is verminderd.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een slechte
functie van de auto. Volvo adviseert u de auto
altijd in een erkende Volvo-werkplaats te laten
controleren en naar Normal Mode te laten
resetten nadat de melding Veiligheidsstand
Zie instructieboek is verschenen.
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat
er geen brandstof lekt, kunt u proberen de motor
te starten.
Neem de transpondersleutel uit en open het
bestuurdersportier. Als er vervolgens een melding
verschijnt dat het contact ingeschakeld is, dient u
op de startknop te drukken. Sluit het portier vervolgens en plaats de transpondersleutel terug.
De elektronica van de auto probeert nu te resetten naar de normale stand. Probeer vervolgens
de auto te starten.
Als de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje nog steeds op het display
staat mag u niet met de auto rijden en hem evenmin verslepen. U moet hem dan laten bergen
(p. 336). Verborgen schade kan de auto tijdens
het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als het lijkt
dat u nog met de auto kunt rijden.
}}
43
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt
terwijl de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboek getoond wordt. Verlaat de
auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept zolang
deze in de Safety mode staat. De auto moet
op een bergingsvoertuig worden afgevoerd.
Volvo adviseert u hem te laten afvoeren naar
een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Safety mode - auto verrijden (p. 44)
Safety mode - auto verrijden
Als Normal mode verschijnt, wanneer de
Veiligheidsstand Zie instructieboekje na een
startpoging (p. 43) werd gereset, mag u de auto
voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie verrijden.
Verrijd de auto niet verder dan nodig.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de Safety mode
(p. 42)
Algemene informatie over
kinderveiligheid
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten
(kinderzitjes, comfortkussens en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto zijn ontwikkeld.
Met kinderveiligheidsproducten van Volvo schept
u optimale voorwaarden voor een veilig vervoer
van kinderen in de auto. U weet bovendien zeker
dat de producten passen en eenvoudig in het
gebruik zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot zitten.
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een tegen de rijrichting in geplaatst
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3–4
jaar) en daarna op een comfortkussen of een in
een de rijrichting geplaatst kinderzitje totdat ze
een lengte van 1,40 m hebben.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het te gebruiken type kinderzitje voor kinderen in verschillende leeftijdscategorieën en gewichtsklassen verschillen van land tot land. Ga na wat er
in uw land geldt.
44
VEILIGHEID
N.B.
Bij vragen over de montage van kinderveiligheidsproducten neemt u voor duidelijke aanwijzingen contact op met de producent.
Kinderslot
De achterportieren en de achterportierruiten* zijn
handmatig te blokkeren (p. 194) of elektronisch
te blokkeren (p. 194)*, zodat ze niet meer van de
binnenzijde te openen zijn.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Kinderzitje - positie (p. 53)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 57)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 61)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
45
VEILIGHEID
Kinderzitje
Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen
zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de juiste
wijze gebruikt.
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is
het belangrijk om de meegeleverde montagehandleiding te lezen.
46
WAARSCHUWING
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
niet vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan de
veren, rails of balken onder de stoel. Scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigen.
Raadpleeg voor de juiste montage de montageinstructies bij het kinderzitje.
VEILIGHEID
Aanbevolen kinderzitjes2
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag, alleen tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes)
Categorie 0
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen in
de rijrichting geplaatste
kinderzitjes)
Buitenste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) - tegen
de rijrichting in geplaatst kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem.
max. 10 kg
Categorie 0+
Typegoedkeuring: E1 04301146
max. 13 kg
(L)
Categorie 0
max. 10 kg
Categorie 0+
max. 13 kg
Volvo-babyzitje (Volvo Infant
Seat) – tegen de rijrichting in
geplaatst kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1
04301146
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – tegen
de rijrichting in geplaatst kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 04301146
(U)
(U)
Categorie 0
max. 10 kg
Categorie 0+
max. 13 kg
Middelste zitplaats achterbank
Tegen de rijrichting in geplaatst
kinderzitje (Child Seat) – tegen
de rijrichting in geplaatst kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
Volvo-babyzitje (Volvo Infant
Seat) – tegen de rijrichting in
geplaatst kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1
04301146
(U)
Tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje
(Child Seat) – tegen de rijrichting in
geplaatst kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
(L)
Tegen de rijrichting in
geplaatst kinderzitje (Child
Seat) – tegen de rijrichting in
geplaatst kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
2 Om
andere kinderzitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
}}
47
VEILIGHEID
||
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag, alleen tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes)
Categorie 0
Kinderzitjes met universele
goedkeuring.
max. 10 kg
Categorie 0+
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen in
de rijrichting geplaatste
kinderzitjes)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele
goedkeuring.
(U)
(U)
(U)
max. 13 kg
Categorie 1
9–18 kg
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat) –
tegen de rijrichting in geplaatst
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
Categorie 1
9–18 kg
Tegen de rijrichting in geplaatst
kinderzitje (Child Seat) – tegen
de rijrichting in geplaatst kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
Tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje
(Child Seat) – tegen de rijrichting in
geplaatst kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
Tegen de rijrichting in
geplaatst kinderzitje (Child
Seat) – tegen de rijrichting in
geplaatst kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
48
VEILIGHEID
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag, alleen tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes)
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen in
de rijrichting geplaatste
kinderzitjes)
Categorie 1
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Britax Fixway – tegen de rijrichting in
geplaatst kinderzitje bevestigd met ISOFIXsysteem en bevestigingsband.
9–18 kg
Typegoedkeuring: E5 03171
(L)
Categorie 1
9–18 kg
Tegen de rijrichting in geplaatste Volvo-kinderzitje
Tegen de rijrichting in geplaatste Volvokinderzitje
Typegoedkeuring: E5 04212
Typegoedkeuring: E5 04212
(L)
(L)
Categorie 1
In de rijrichting geplaatste kinderzitjes met universele goedkeuring.A
9–18 kg
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
(U)
Kinderzitjes met universele
goedkeuring.
(U)
(UF)
Categorie 2
15–25 kg
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat) –
tegen de rijrichting in geplaatst
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat)
– tegen de rijrichting in
geplaatst kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
}}
49
VEILIGHEID
||
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag, alleen tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes)
Categorie 2
15–25 kg
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen in
de rijrichting geplaatste
kinderzitjes)
Buitenste zitplaats achterbank
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat)
– tegen de rijrichting in
geplaatst kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Middelste zitplaats achterbank
Typegoedkeuring: E5 04191
(U)
Typegoedkeuring: E5
04191
(U)
Categorie 2
15–25 kg
Categorie 2/3
15–36 kg
Tegen de rijrichting in geplaatste Volvo-kinderzitje
Tegen de rijrichting in geplaatste Volvokinderzitje
Typegoedkeuring: E5 04212
Typegoedkeuring: E5 04212
(L)
(L)
Volvo-comfortkussen
met rugleuning (Volvo
Booster Seat with
backrest).
Typegoedkeuring: E1
04301169
(UF)
50
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
(UF)
Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat
with backrest).
Typegoedkeuring: E1
04301169
(UF)
VEILIGHEID
Gewicht
Categorie 2/3
15–36 kg
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag, alleen tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes)
Voorstoel (met geactiveerde airbag, alleen in
de rijrichting geplaatste
kinderzitjes)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster
Cushion with and
without backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion with
and without backrest).
Typegoedkeuring: E5 04216
Typegoedkeuring: E5 04216
(UF)
(UF)
Typegoedkeuring: E5
04216
(UF)
Categorie 2/3
Volvo kinderzitje
Volvo kinderzitje
Volvo kinderzitje
15–36 kg
Typegoedkeuring: E1
04301312
Typegoedkeuring: E1 04301312
Typegoedkeuring: E1
04301312
(UF, L)
(UF)
Categorie 2/3
15–36 kg
(UF)
Geïntegreerd kinderzitje (Integrated
Booster Cushion) – verkrijgbaar als
fabrieksoptie.
Typegoedkeuring: E5 04189
(B)
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of semi-universeel zijn.
U: Geschikt voor kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting geplaatste kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
B: Geïntegreerde kinderzitjes met goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
Voor kinderen in deze gewichtscategorie adviseert Volvo een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje.
}}
51
VEILIGHEID
||
52
Gerelateerde informatie
•
•
Kinderzitje - positie (p. 53)
•
•
Kinderzitje - ISOFIX (p. 57)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 61)
Algemene informatie over kinderveiligheid
(p. 44)
VEILIGHEID
Kinderzitje - positie
Sticker voor passagiersairbag
Het gewicht en de lengte van het kind zijn bepalend voor de plaats van het kind in de auto en de
vereiste uitrusting.
Het volgende is te gebruiken:
•
een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer
de passagiersairbag gedeactiveerd is.
•
een in de rijrichting geplaatst kinderzitje/een
comfortkussen op de passagiersstoel voorin,
wanneer de passagiersairbag geactiveerd is.
•
en of meer kinderzitjes/comfortkussen op de
achterbank.
WAARSCHUWING
G020739
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
Plaats een achterstevoren gemonteerd kinderzitje nooit op een stoel met een geactiveerde airbag. Het niet opvolgen van deze
aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties
voor of ernstig letsel van het kind opleveren.
Tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes en airbags
gaan niet samen.
Plaats tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes (p. 46) op de achterbank, als de passagiersairbag geactiveerd (p. 35) is. Als de airbag wordt
opgeblazen, kan een kind op de passagiersstoel
ernstig letsel oplopen.
Als de passagiersairbag gedeactiveerd is, kunt u
een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op
de passagiersstoel voorin zetten.
Sticker op portierstijl aan passagierszijde. Bij het openen
van het passagiersportier is de sticker zichtbaar.
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag
is aangebracht als hierboven.
}}
53
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
Gerelateerde informatie
•
•
Kinderzitje (p. 46)
Algemene informatie over kinderveiligheid
(p. 44)
•
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 61)
•
Kinderzitje - ISOFIX (p. 57)
Kinderzitje - geïntegreerde
zittingverhoger met twee standen*
De geïntegreerde zittingverhogers op de achterbank zorgen ervoor, dat kinderen comfortabel en
veilig kunnen zitten.
De geïntegreerde kinderzitjes zijn speciaal ontworpen om kinderen optimale bescherming te
bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels (p. 28) zijn de kinderzitjes goedgekeurd voor kinderen met een gewicht van 15 tot
36 kg en een lengte van minimaal 95 cm.
WAARSCHUWING
Zittingverhogers/kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de openingsknop van de gordelsluiting aan kunnen
liggen, mogen niet worden gebruikt aangezien
ze ervoor kunnen zorgen dat de veiligheidsgordel per ongeluk opengaat.
Laat het bovengedeelte van het kinderzitje
niet tegen de voorruit leunen.
Goede positie: de gordel loopt midden over de schouder.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor hoe een kind in
de auto moet worden geplaatst, verschillen
per land. Stel u op de hoogte van wat van toepassing is.
54
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Verkeerde positie: de gordel mag niet naast de schouder lopen.
Zorg alvorens weg te rijden dat:
•
de geïntegreerde zittingverhoger met twee
standen correct ingesteld zie tabel (p. 55)
en vergrendeld is
•
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens slap
hangt of verdraaid is;
•
de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt (zie voorgaande afbeeldingen);
•
de heupgordel laag over het bekken loopt,
zodat deze maximale bescherming biedt.
Volvo adviseert u reparatie- en vervangingswerk over te laten aan een erkende Volvowerkplaats. Verricht geen wijzigingen in of
aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje. Als een geïntegreerd kinderzitje aan
grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u het geïntegreerde kinderzitje in zijn geheel vervangen.
Ook als het geïntegreerde kinderzitje er intact
uitziet, kunnen er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het geïntegreerde kinderzitje moet ook worden vervangen als het erg versleten is.
Geïntegreerde zittingverhoger met
twee standen* - uitklappen
De geïntegreerde zittingverhoger (p. 54) op de
achterbank kan in twee standen worden uitgeklapt. In welke stand u het kinderzitje moet uitklappen hangt af van het gewicht van het kind.
Gewicht
Stand 1
Stand 2
22–36 kg
15–25 kg
Stand 13
WAARSCHUWING
Als u de gebruiksinstructies voor de zittingverhoger met twee standen niet opvolgt, is het bij
een aanrijding niet uitgesloten dat het kind
ernstig letsel oploopt.
Trek de handgreep naar voren en omhoog
om het kinderzitje vrij te geven.
U zet de zittingverhoger in een van de twee standen door deze op te klappen (p. 55) of neer te
klappen (p. 57).
3 De
}}
onderste stand.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
55
VEILIGHEID
||
Stand 24
Duw het kinderzitje naar achteren om het te
vergrendelen.
Til het kinderzitje aan de voorkant op en duw
het achteruit tegen het ruggedeelte aan om
het te vergrendelen.
Werk vanuit de onderste stand. Druk op de
knop.
N.B.
Het is niet mogelijk de zittingverhoger vanuit
stand 2 in stand 1 te zetten. U moet de verhoger eerst volledig inklappen (p. 57) in het
zitgedeelte van de achterbank.
Gerelateerde informatie
•
4 De
56
Geïntegreerde zittingverhoger met twee
standen* - inklappen (p. 57)
bovenste stand.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
VEILIGHEID
Geïntegreerde zittingverhoger met
twee standen* - inklappen
Kinderzitje - ISOFIX
ISOFIX is een bevestigingssysteem voor kinderzitjes (p. 46), gebaseerd op een internationale
standaard.
De geïntegreerde zittingverhoger (p. 54) op de
achterbank kan van de bovenste of onderste
stand worden ingeklapt naar een volledig ingeklapte stand in de zitting. Het is echter niet
mogelijk het kinderzitje vanuit de bovenste stand
in de onderste stand te zetten.
Duw het zitje met uw hand omlaag om het
zitje te vergrendelen.
BELANGRIJK
Controleer voordat u het kinderzitje weer
neerklapt of er geen losse voorwerpen (zoals
stukken speelgoed) in het gebied onder het
zitje liggen.
Trek de handgreep naar voren om het zitje
vrij te geven.
N.B.
Bij het inklappen van rugleuningen achter
moet eerst het kinderzitje worden neergeklapt.
Gerelateerde informatie
•
Geïntegreerde zittingverhoger met twee
standen* - uitklappen (p. 55)
Achter de onderkant van de ruggedeelten op de
beide buitenste zitplaatsen van de achterbank
gaan de bevestigingspunten voor het ISOFIXsysteem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten
(zie voorgaande afbeelding) geven de positie van
deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag om
bij de bevestigingspunten te komen.
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
57
VEILIGHEID
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
ISOFIX - afmetingscategorieën (p. 58)
ISOFIX - soorten kinderzitjes (p. 59)
Algemene informatie over kinderveiligheid
(p. 44)
ISOFIX - afmetingscategorieën
Voor kinderzitjes met een ISOFIX (p. 57)-bevestigingssysteem zijn er afmetingscategorieën om
gebruikers te helpen bij het kiezen van het juiste
type kinderzitje (p. 59).
Afmetingscategorie
58
Beschrijving
A
Normale grootte, in rijrichting
geplaatst kinderzitje
B
Beperkte grootte (optie 1), in rijrichting geplaatst kinderzitje
B1
Beperkte grootte (optie 2), in rijrichting geplaatst kinderzitje
C
Normale grootte, tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje
D
Beperkte grootte, tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje
E
Tegen de rijrichting in geplaatst
babyzitje
F
Overdwars gemonteerd babyzitje,
links
G
Overdwars gemonteerd babyzitje,
rechts
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
N.B.
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, moet het automodel op de
voertuiglijst van het kinderzitje staan.
N.B.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een Volvo-werkplaats over de ISOFIX-kinderzitjes die Volvo aanbeveelt.
VEILIGHEID
ISOFIX - soorten kinderzitjes
Kinderzitjes kunnen net als auto's verschillende
afmetingen hebben. Kinderzitjes passen daarType kinderzitje
Babyzitje, overdwars
door niet op alle zitplaatsen van de verschillende
modellen.
Gewicht
max. 10 kg
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
F
X
X
G
X
X
OK
Babyzitje, tegen rijrichting in
max. 10 kg
E
X
Babyzitje, tegen rijrichting in
max. 13 kg
E
X
(IL)
OK
(IL)
D
X
OK
(IL)
C
X
D
X
OK
(IL)
Kinderzitje, tegen rijrichting in
9–18 kg
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
}}
59
VEILIGHEID
||
Type kinderzitje
Kinderzitje, in rijrichting
Gewicht
9–18 kg
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
B
X
OKA
B1
X
(IUL)
OKA
(IUL)
A
X
OKA
(IUL)
X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie.
IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of
semi-universeel zijn.
IUF: Geschikt voor in rijrichting geplaatste ISOFIX-kinderzitjes met universele goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
Volvo adviseert een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje voor deze categorie.
Zorg dat u de juiste afmetingscategorie (p. 58)
kiest voor een kinderzitje met het ISOFIX-bevestigingsysteem (p. 57).
60
VEILIGHEID
Kinderzitje - bovenste
bevestigingspunten
N.B.
Klap de hoofdsteunen omlaag om het monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen
bij auto’s met neerklapbare hoofdsteunen op
de beide buitenste zitplaatsen.
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes (p. 46) die in
de rijrichting worden gemonteerd. Deze bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte van
de achterbank.
N.B.
In auto’s met een bagagerolhoes over de
bagageruimte moet deze worden verwijderd
voordat het kinderzitje in de bevestigingspunten kan worden gemonteerd.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het kinderzitje voor gedetailleerde informatie over de
manier waarop u het zitje aan de bovenste bevestigingspunten vastzet.
WAARSCHUWING
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd
kinderzitje aan te bevestigen. Volvo adviseert u
kleine kinderen zo lang mogelijk in een achterstevoren gemonteerd kinderzitje te blijven vervoeren.
De bevestigingsband van het kinderzitje altijd
door de opening in de ene poot van de hoofdsteun halen, alvorens de band aan het bevestigingspunt vast te zetten.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over kinderveiligheid
(p. 44)
•
•
Kinderzitje - positie (p. 53)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 57)
61
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instrumenten en bediening, auto
met stuur links - overzicht
In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
64
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Overzicht auto's met het stuur links
}}
65
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
66
Functie
Zie
Functie
Zie
Functie
Zie
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/
dimlicht, boordcomputer
(p. 118),
(p. 121),
(p. 104),
(p. 98) en
(p. 122).
Openingshandgreep
portier
–
Bedieningspaneel
(p. 94),
(p. 319) en
(p. 189).
Stoelverstelling*
(p. 88).
Handmatig schakelen
bij automatische versnellingsbak*
(p. 294).
(p. 187),
(p. 194),
(p. 109) en
(p. 111).
Bedieningsknoppen
verlichting, ontgrendeling tankvulklep en
achterklep
Cruisecontrol*
(p. 208) en
(p. 215).
Claxon, airbag
(p. 92) en
(p. 32).
Instrumentenpaneel
(p. 70).
Menufuncties, bediening audio, bediening
telefoon*
(p. 121) en
Sensus Infotainment-supplement.
START/STOP
ENGINE-knop
(p. 286).
Contactslot
(p. 85).
Beeldscherm voor
infotainment en weergave van menu's
(p. 121) en
Sensus Infotainment-supplement.
Alarmlichten
(p. 103).
Bedieningspaneel voor
infotainment en menufuncties
(p. 121) en
Sensus Infotainment-supplement.
Bedieningspaneel voor
klimaatregeling
(p. 140).
Versnellingspook/
keuzehendel
(p. 292) of
(p. 294).
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
(p. 200).
Wissers en -sproeiers
(p. 107).
Stuurwielafstelling
(p. 92).
Ontgrendeling motorkap
(p. 367).
Parkeerrem
(p. 312).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Buitentemperatuur (p. 79)
Dagtellers (p. 80)
Klok (p. 80)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instrumenten en bediening, auto
met stuur rechts - overzicht
In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
}}
67
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
68
Overzicht auto's met het stuur rechts
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Functie
Zie
Functie
Zie
Functie
Zie
Beeldscherm voor
infotainment en weergave van menu's
(p. 121) en
Sensus Infotainment-supplement.
Bedieningspaneel
(p. 187),
(p. 194),
(p. 109) en
(p. 111).
Bedieningspaneel voor
infotainment en menufuncties
(p. 121) en
Sensus Infotainment-supplement.
Contactslot
(p. 85).
Stoelverstelling*
(p. 88).
Alarmlichten
(p. 103).
START/STOP
ENGINE-knop
(p. 286).
Handmatig schakelen
bij automatische versnellingsbak*
(p. 294).
Bedieningsknoppen
verlichting, ontgrendeling tankvulklep en
achterklep
(p. 94),
(p. 319) en
(p. 189).
Parkeerrem
(p. 312).
Cruisecontrol*
(p. 208) en
(p. 215).
Ontgrendeling motorkap
(p. 367).
Instrumentenpaneel
(p. 70).
Stuurwielafstelling
(p. 92).
Claxon, airbag
(p. 92) en
(p. 32).
Menufuncties, bediening audio, bediening
telefoon*
(p. 121) en
Sensus Infotainment-supplement.
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/
dimlicht, boordcomputer
(p. 118),
(p. 121),
(p. 104),
(p. 98) en
(p. 122).
Wissers en -sproeiers
(p. 107).
Versnellingspook/
keuzehendel
(p. 292) of
(p. 294).
Openingshandgreep
portier
–
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
(p. 200).
Bedieningspaneel voor
klimaatregeling
(p. 140).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Buitentemperatuur (p. 79)
Dagtellers (p. 80)
Klok (p. 80)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
69
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instrumentenpaneel
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wordt informatie weergegeven over
bepaalde functies van de auto en meldingen.
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 70)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 71)
•
Instrumentenpaneel - betekenis controlelampjes (p. 75)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 77)
Instrumentenpaneel, analoog overzicht
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wordt informatie weergegeven over
bepaalde functies van de auto en meldingen.
Informatiedisplay
Informatiedisplay, analoog instrument.
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde functies
van de auto zoals de cruisecontrol, boordcomputer en meldingen. De informatie wordt weergegeven in de vorm van symbolen en tekst. Gedetailleerder informatie vindt u onder de functies die
gebruik maken van het display.
1
70
Meters en wijzers
Wanneer de aanduiding "Afstand tot lege tank:" op het display verandert in "----", wordt de markering rood van kleur.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding is
gedaald tot slechts één witte markering1,
gaat het oranje controlesymbool voor een
laag brandstofpeil branden. Zie ook Boordcomputer (p. 122) en Brandstof tanken
(p. 319).
Eco-meter. De meter geeft aan hoe zuinig u
rijdt. Hoe groter de wijzeruitslag, hoe zuiniger
u rijdt.
Snelheidsmeter
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator2/Schakelindicator3. Zie ook
Schakelindicator* (p. 293) of Automatische
versnellingsbak - Geartronic* (p. 294).
Controle- en waarschuwingssymbolen
Functietest
Alle controle- en waarschuwingssymbolen,
behalve de symbolen in het midden van het informatiedisplay, gaan branden in contactslotstand II
of bij het starten van de motor. Alle symbolen
moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het symbool voor de parkeerrem. Dit
gaat pas uit, als de auto van de parkeerrem wordt
gehaald.
Instrumentenpaneel, digitaal overzicht
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wordt informatie weergegeven over
bepaalde functies van de auto en meldingen.
Informatiedisplay
Als de motor niet aanslaat of als de functietest
wordt uitgevoerd in contactslotstand II, gaan binnen enkele seconden alle symbolen uit, behalve
het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk.
Gerelateerde informatie
Controle- en waarschuwingssymbolen, analoog instrument.
Controlelampjes
Controle- en waarschuwingssymbolen
Waarschuwingssymbolen4
2
3
4
•
•
Instrumentenpaneel (p. 70)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 77)
Instrumentenpaneel - betekenis controlelampjes (p. 75)
Informatiedisplay, digitaal instrument*.
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde functies
van de auto zoals de cruisecontrol, boordcomputer en meldingen. De informatie wordt weergegeven in de vorm van symbolen en tekst. Gedetailleerder informatie vindt u onder de functies die
gebruik maken van het display.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
Bepaalde motorvarianten hebben geen systeem dat waarschuwt bij het wegvallen van de oliedruk. Bij auto's met dergelijke motorvarianten is het symbool voor een geringe oliedruk niet in gebruik. In plaats
daarvan wordt via een displaymelding gewaarschuwd voor een lage oliedruk. Voor meer informatie, zie Motorolie - algemeen (p. 369).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
}}
71
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Meters en wijzers
Thema "Elegance"
Voor het digitale instrumentenpaneel zijn verschillende thema's te kiezen. De mogelijke thema's zijn: "Elegance", "Eco" en "Performance".
Schakelindicator6/Schakelindicator7. Zie ook
Schakelindicator* (p. 293) of Automatische
versnellingsbak - Geartronic* (p. 294).
Het is alleen mogelijk een thema te kiezen, wanneer de motor loopt.
Druk om een thema te kiezen op de OK-knop op
de linker stuurhendel en kies menu-optie
Thema's door aan het duimwiel van dezelfde
hendel te draaien. Druk op de OK-knop. Draai
aan het duimwiel om een thema te kiezen en
bevestig uw keuze door op de OK-knop te drukken.
Het uiterlijk van het beeldscherm op de middenconsole hangt bij bepaalde modelvarianten af van
het gekozen thema voor het instrumentenpaneel.
Met de linker stuurhendel kunt u ook het contrast
en de kleur van het instrumentenpaneel instellen.
Voor meer informatie over de menufuncties, zie
Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 118).
Het gekozen thema en de instellingen op het
gebied van contrast en kleur zijn voor alle transpondersleutels apart op te slaan in het autosleutelgeheugen*, zie Transpondersleutel - personalisering* (p. 173).
5
6
7
72
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Meters en wijzers, thema "Elegance".
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding is
gedaald tot slechts één witte markering5,
gaat het oranje controlesymbool voor een
laag brandstofpeil branden. Zie ook Boordcomputer (p. 122) en Brandstof tanken
(p. 319).
Temperatuurmeter koelvloeistof motor
Snelheidsmeter
Wanneer de aanduiding "Afstand tot lege tank:" op het display verandert in "----", wordt de markering rood van kleur.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Thema "Eco"
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator6/Schakelindicator7. Zie ook
Schakelindicator* (p. 293) of Automatische
versnellingsbak - Geartronic* (p. 294).
Thema "Performance"
computer (p. 122) en Brandstof tanken
(p. 319).
Temperatuurmeter koelvloeistof motor
Snelheidsmeter
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Power guide. Zie ook Eco guide & Power
guide* (p. 74).
Schakelindicator6/Schakelindicator7. Zie ook
Schakelindicator* (p. 293) of Automatische
versnellingsbak - Geartronic* (p. 294).
Meters en wijzers, thema "Eco".
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding is
gedaald tot slechts één witte markering5,
gaat het oranje controlesymbool voor een
laag brandstofpeil branden. Zie ook Boordcomputer (p. 122) en Brandstof tanken
(p. 319).
Eco guide. Zie ook Eco guide & Power
guide* (p. 74).
Snelheidsmeter
5
6
7
Meters en wijzers, thema "Performance".
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding is
gedaald tot slechts één witte markering5,
gaat het oranje controlesymbool voor een
laag brandstofpeil branden. Zie ook Boord-
Wanneer de aanduiding "Afstand tot lege tank:" op het display verandert in "----", wordt de markering rood van kleur.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
73
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Controle- en waarschuwingssymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen, digitaal instrument.
Als de motor niet aanslaat of als de functietest
wordt uitgevoerd in contactslotstand II, gaan binnen enkele seconden alle symbolen uit, behalve
het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk.
Eco guide & Power guide*
Gerelateerde informatie
De auto slaat ook statistische ritgegevens die in
de vorm van staafdiagrammen te bekijken zijn,
zie Boordcomputer - rijstatistieken* (p. 131).
•
•
Instrumentenpaneel (p. 70)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 77)
Instrumentenpaneel - betekenis controlelampjes (p. 75)
Eco guide en Power guide zijn twee van de
meters op het instrumentenpaneel (p. 70) die u
helpen om zo zuinig mogelijk met de auto te rijden.
Eco guide
Deze meter geeft een beeld van hoe zuinig u met
de auto rijdt.
Kies "Eco" om deze meter te kunnen zien, zie
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 71).
Controlelampjes
Controle- en waarschuwingssymbolen
Waarschuwingssymbolen8
Functietest
Alle controle- en waarschuwingssymbolen,
behalve de symbolen in het midden van het informatiedisplay, gaan branden in contactslotstand II
of bij het starten van de motor. Alle symbolen
moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het symbool voor de parkeerrem. Dit
gaat pas uit, als de auto van de parkeerrem wordt
gehaald.
Actuele waarde
Gemiddelde waarde
8
74
Bepaalde motorvarianten hebben geen systeem dat waarschuwt bij het wegvallen van de oliedruk. Bij auto's met dergelijke motorvarianten is het symbool voor een geringe oliedruk niet in gebruik. In plaats
daarvan wordt via een displaymelding gewaarschuwd voor een lage oliedruk. Voor meer informatie, zie Motorolie - algemeen (p. 369).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instrumentenpaneel - betekenis
controlelampjes
Actuele waarde
Hier wordt de actuele waarde getoond; hoe groter de uitslag op de schaal, hoe beter.
De controlelampjes attenderen u erop dat de bijbehorende functies ingeschakeld zijn, de desbetreffende systemen actief zijn of dat er storingen
of gebreken zijn opgetreden.
De actuele waarde wordt berekend op basis van
snelheid, motortoerental, benut motorvermogen
en het gebruik van het rempedaal.
Controlelampjes
Geadviseerd wordt een optimale snelheid
(50–80 km/h (30–50 mph)) en een laag toerental aan te houden. Bij gas geven en remmen
dalen de wijzers.
Bij zeer lage actuele waarden licht (met enige
vertraging) het rode gebied van de meter op, wat
betekent dat u onzuinig rijdt. U dient dit te voorkomen.
Gemiddelde waarde
De gemiddelde waarde volgt de actuele waarde
langzaam en beschrijft hoe de afgelopen tijd in
de auto is gereden. Hoe groter de uitslag van de
wijzers op de schaal, hoe zuiniger u hebt gereden.
Power guide
Dit instrument geeft de relatie aan tussen het
benutte en het beschikbare vermogen (Power)
van de motor.
Kies "Performance" om deze meter te kunnen
zien, zie Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 71).
9
Het vermogen is afhankelijk van het motortoerental.
Symbool
Betekenis
Storing in ABL
Beschikbaar motorvermogen
Benut vermogen
Beschikbaar motorvermogen
De kleinere wijzer bovenaan toont het beschikbare motorvermogen9. Hoe groter de uitslag op
de schaal, hoe meer vermogen er beschikbaar is
in de actuele versnelling.
Benut vermogen
De grotere wijzer onderaan toont het benutte
motorvermogen9. Hoe groter de uitslag op de
schaal, hoe meer motorvermogen er benut wordt.
Een groot verschil tussen de beide wijzers duidt
op een grote vermogensreserve.
Uitlaatgasreinigingssysteem
Storing in ABS
Mistachterlicht aan
Stabiliteitsregeling, zie Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 201)
Stabiliteitsregeling, Sport-modus,
zie Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - bediening (p. 202)
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Laag peil in brandstoftank
}}
75
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Symbool
Informatie, lees displaymelding
Storing in ABS
Als het symbool brandt, is het systeem defect.
Het normale remsysteem van de auto werkt dan
nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het symbool gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. Voorverwarming vindt
meestal plaats bij lage temperaturen.
Groot licht aan
1.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2.
Start de motor opnieuw.
Laag peil in brandstoftank
Wanneer het symbool gaat branden is het brandstofpeil te laag. Tank dan zo spoedig mogelijk.
3.
Als het symbool blijft branden, rijd dan naar
een werkplaats om het ABS te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Betekenis
Richtingaanwijzers links
Richtingaanwijzers rechts
Start/Stop, motor is automatisch
afgezet, zie Start/Stop* - functie en
bediening (p. 301)
Bandenspanningscontrolesysteem , zie Bandenspanningscontrole* (p. 350)
Storing in ABL
Het symbool brandt, als er een storing is opgetreden in het ABL-systeem (Active Bending
Lights).
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem
kan na een motorstart het symbool gaan branden. Rijd voor een controle naar een werkplaats.
Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende
Volvo-werkplaats bezoekt.
76
Mistachterlicht aan
Het symbool brandt, wanneer het mistachterlicht
is ingeschakeld.
Stabiliteitsregeling
Het knipperende symbool geeft aan dat de stabiliteitsregeling werkt. Als het symbool continu
brandt is er sprake van een storing in het systeem.
Stabiliteitsregeling, Sport-modus
De Sport-modus maakt een actievere rijervaring
mogelijk. Het systeem registreert dan of de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook het bochtenwerk aan te merken zijn als actiever dan normaal, waarna het systeem een gecontroleerde
vorm van slippen in de achtertrein toelaat, voordat
het ingrijpt en de auto stabiliseert. Het symbool
brandt, wanneer de Sport-modus is geactiveerd.
Informatie, lees displaymelding
Als er een afwijking is in een van de systemen in
de auto, gaat het informatiesymbool branden en
verschijnt er een melding op het display. U verwijdert de melding met behulp van de OK-knop, zie
Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 118). Dit
gebeurt automatisch als u enige tijd niets doet
(hoe lang hangt van de bewuste functie af). Het
informatiesymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
N.B.
Als de servicemelding verschijnt kunt u het
symbool en de melding met behulp van de
OK-knop doven. Na een tijdje doven ze ook
automatisch.
Groot licht aan
Het symbool brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft.
Richtingaanwijzers links/rechts
Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen bij
gebruik van de alarmlichten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Start/Stop
Het symbool brandt, wanneer de motor automatisch is afgezet.
Bandenspanningssysteem
Het symbool brandt bij een lage bandenspanning
of als er een storing optreedt in het bandenspanningssysteem.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren niet goed dichtstaat,
gaat het informatie- of waarschuwingssymbool
branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier
dat openstaat.
Gerelateerde informatie
•
•
Instrumentenpaneel (p. 70)
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 70)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 71)
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 77)
Instrumentenpaneel - betekenis
waarschuwingssymbolen
De waarschuwingssymbolen attenderen u erop
dat de bijbehorende belangrijke functies/systemen ingeschakeld zijn of dat er ernstige storingen of gebreken zijn opgetreden.
Waarschuwingssymbolen
Symbool
Lage oliedrukA
Parkeerrem ingeschakeld (digitaal
instrument)
Parkeerrem ingeschakeld (analoog
instrument)
Als u zo'n 7 km/h (4 mph) rijdt, gaat het
informatiesymbool branden.
Airbags (SRS)
Als u sneller dan zo'n 7 km/h (4 mph)
rijdt, gaat het waarschuwingssymbool
branden.
Gordelwaarschuwing
Als de motorkap10 niet goed dichtstaat, gaat het
waarschuwingssymbool branden en verschijnt er
een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit de motorkap.
Als de achterklep niet goed dichtstaat, gaat het
informatiesymbool branden en verschijnt er een
verklarende afbeelding op het informatiedisplay.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand
en sluit de achterklep.
10
Betekenis
Dynamo laadt niet bij
Storing in remsysteem
Waarschuwing
A
Bepaalde motorvarianten hebben geen systeem dat waarschuwt bij het wegvallen van de oliedruk. Bij auto's met dergelijke motorvarianten is het symbool voor een geringe oliedruk
}}
Alleen auto's met alarm*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
77
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
niet in gebruik. In plaats daarvan wordt via een displaymelding
gewaarschuwd voor een lage oliedruk. Voor meer informatie, zie
Motorolie - algemeen (p. 369).
Lage oliedruk
Als het symbool tijdens het rijden oplicht, is de
druk van de motorolie te laag. Zet de motor
onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het symbool oplicht terwijl het oliepeil in orde is, moet u contact opnemen met een werkplaats. Volvo adviseert dat u
daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Parkeerrem ingeschakeld
Het symbool brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet. Het symbool knippert tijdens het aanzetten en gaat daarna continu branden.
Een knipperend symbool in een andere situatie
wijst op een storing. Lees de melding op het
informatiedisplay.
Voor meer informatie, zie Parkeerrem (p. 312).
Airbags (SRS)
Als het symbool tijdens het rijden oplicht of blijft
branden, is er een storing geregistreerd in de
gordelsluiting of in het SRS, SIPS of IC. Rijd de
auto zo spoedig mogelijk naar een werkplaats om
het systeem te laten controleren. Volvo adviseert
dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
Gordelwaarschuwing
Het symbool knippert als de bestuurder of de
voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of
78
als iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
Dynamo laadt niet bij
Het symbool gaat tijdens het rijden branden, als
er sprake is van een storing in het elektrisch systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert dat
u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
Storing in remsysteem
Als het symbool oplicht, is het remvloeistofpeil
mogelijk te laag. Breng de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir, zie Rem- en koppelingsvloeistof - peil (p. 374).
2.
Start de motor opnieuw.
•
•
Rijd verder als beide symbolen uitgaan.
Als de symbolen echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren, zie Rem- en koppelingsvloeistof - peil (p. 374). Als de lampjes
blijven branden ondanks dat het peil van
de remvloeistof in orde is, moet u de auto
uiterst voorzichtig naar een werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingssymbolen voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er een
storing in de remkrachtverdeling zijn opgetreden.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
1.
Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies
controleren door een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor contact opneemt met
een erkende Volvo-werkplaats.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
WAARSCHUWING
Als de rem- en ABS-symbolen tegelijkertijd
branden, bestaat de kans dat de achtertrein
bij krachtig afremmen slipt.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat branden,
wanneer er een storing is geregistreerd die van
invloed kan zijn op de veiligheid en/of de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding op het informatiedisplay. Het symbool blijft branden totdat de
storing is verholpen, maar de melding kunt u verwijderen met de OK-knop, zie Menufuncties instrumentenpaneel (p. 118). Het waarschuwingssymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
Actie:
1.
2.
Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
Lees de informatie op het informatiedisplay.
Voer de handeling uit die de melding op het
display u voorschrijft. Wis de melding met de
OK-knop.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren niet goed dichtstaat,
gaat het informatie- of waarschuwingssymbool
branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier
dat openstaat.
Als u zo'n 7 km/h (4 mph) rijdt, gaat het
informatiesymbool branden.
11
Als u sneller dan zo'n 7 km/h (4 mph)
rijdt, gaat het waarschuwingssymbool
branden.
Buitentemperatuur
Het buitentemperatuurmeterdisplay is zichtbaar
op het instrumentenpaneel.
Als de motorkap11 niet goed dichtstaat, gaat het
waarschuwingssymbool branden en verschijnt er
een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit de motorkap.
Als de achterklep niet goed dichtstaat, gaat het
informatiesymbool branden en verschijnt er een
verklarende afbeelding op het informatiedisplay.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand
en sluit de achterklep.
Gerelateerde informatie
•
•
Instrumentenpaneel (p. 70)
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 70)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 71)
Instrumentenpaneel - betekenis controlelampjes (p. 75)
Display voor buitentemperatuurmeter, digitaal
instrumentenpaneel
Display voor buitentemperatuurmeter, analoog instrumentenpaneel
Wanneer de temperatuur tussen –5 °C en +2 °C
ligt, brandt er een sneeuwvloksymbool op het display. Het lampje wijst op het gevaar voor gladheid. Als de auto stilstaat of geparkeerd gestaan
heeft, is het mogelijk dat de buitentemperatuurmeter een te hoge waarde aangeeft.
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel (p. 70)
Alleen auto's met alarm*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
79
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Dagtellers
Klok
Het dagtellerdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
Het klokdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
Instrumentenpaneel licentieovereenkomst
Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen te verrichten of het recht om gebruik te maken van
een product waar een andere rechtspersoon
octrooi of eigendomsrechten op heeft, onder de
voorwaarden vervat in de overeenkomst. Hier
volgt een Engelse versie van de overeenkomst
tussen Volvo en producenten/ontwikkelaars.
Combined Instrument Panel Software
Open Source Software Notice
Dagteller, digitaal instrument.
Klok, digitaal instrument.
Display voor dagtellers12
De beide dagtellers T1 en T2 worden gebruikt
voor het meten van kortere ritten. De afgelegde
afstand staat op het display.
Draai aan het duimwiel van de linker stuurhendel
om de gewenste meter te tonen.
Bij lang indrukken (totdat er een wijziging plaatsvindt) van de knop RESET op de linker stuurhendel wordt de getoonde dagteller gereset. Voor
meer informatie, zie Boordcomputer (p. 122).
Display voor de tijdaanduiding13
Klok instellen
U kunt de klok aanpassen in het menusysteem
MY CAR, zie MY CAR (p. 121).
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel (p. 70)
Gerelateerde informatie
•
12
80
Instrumentenpaneel (p. 70)
Hoe het display eruitziet kan verschillen afhankelijk van de instrumentenpaneelvariant.
This product uses certain free / open source and
other software originating from third parties, that
is subject to the GNU Lesser General Public
License version 2 (LGPLv2), The FreeType
Project License ("FreeType License") and other
different and/or additional copy right licenses,
disclaimers and notices. The links to access the
exact terms of LGPLv2, and the other open
source software licenses, disclaimers,
acknowledgements and notices are provided to
you below. Please refer to the exact terms of the
relevant License, regarding your rights under said
licenses. Volvo Car Corporation (VCC) offers to
provide the source code of said free/open source
software to you for a charge covering the cost of
performing such distribution, such as the cost of
media, shipping and handling, upon written
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
request. Please contact your nearest Volvo
Dealer.
The offer is valid for a period of at least three (3)
years from the date of the distribution of this
product by VCC / or for as long as VCC offers
spare parts or customer support.
Portions of this product uses software
copyrighted © 2007 The FreeType Project
(www.freetype.org). All rights reserved.
The FreeType Project License: http://
git.savannah.gnu.org/cgit/freetype/freetype2.git/
tree/docs/FTL.TXT
•
FreeType 2
MIT License: http://opensource.org/licenses/
mit-license.html
•
Lua
Portions of this product uses software with
Copyright © 1994–2013 Lua.org, PUC-Rio
(http://www.lua.org/)
This product includes software under
following licenses:
LGPL v2.1: http://www.gnu.org/licenses/oldlicenses/lgpl-2.1.html
•
•
13
GNU FriBidi
Displaysymbolen
Er worden tal van verschillende displaysymbolen
gebruikt in de auto. De symbolen zijn onderverdeeld in waarschuwings-, controle- en informatiesymbolen.
Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende symbolen met hun betekenis en een verwijzing naar de pagina('s) in de handleiding waar
u meer informatie kunt vinden.
- Rood waarschuwingssymbool dat gaat
branden, wanneer er een storing geregistreerd is
die mogelijk van invloed is op de veiligheid en/of
rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende displaymelding op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel.
- Informatiesymbool, gaat branden, in combinatie met een verklarende tekst op het informatiedisplay van instrumentenpaneel, wanneer er
een storing in een van de autosystemen is opgetreden. Het informatiesymbool kan ook gaan
branden in combinatie met andere symbolen.
Waarschuwingssymbolen op
instrumentenpaneel
DevIL
Bij een analoog instrument wordt de tijd midden op het instrument weergegeven.
}}
81
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
82
Symbool
Betekenis
Zie
Lage oliedruk
(p. 77)
Parkeerrem ingeschakeld
Controlelampjes op
instrumentenpaneel
Symbool
Symbool
Betekenis
Zie
(p. 77),
(p. 312)
Storing in ABL*
(p. 75),
(p. 101)
Parkeerrem ingeschakeld, alternatief
symbool
(p. 77)
Uitlaatgasreinigingssysteem
(p. 75)
Storing in ABS
Airbags (SRS)
(p. 31),
(p. 77)
(p. 75),
(p. 309)
Mistachterlicht aan
Gordelwaarschuwing
(p. 28),
(p. 77)
(p. 75),
(p. 102)
Dynamo laadt niet
bij
(p. 77)
Storing in remsysteem
(p. 77),
(p. 309)
Stabiliteitsregeling,
ESC (Electronic Stability Control), afdalingsremregeling,
Trailer Stability
Assist
(p. 75),
(p. 299),
(p. 203),
(p. 333)
Waarschuwing,
Safety mode
(p. 31),
(p. 42),
(p. 77)
Stabiliteitsregeling,
Sport-modus
Betekenis
Zie
Groot licht aan
(p. 75),
(p. 98)
Richtingaanwijzers
links
(p. 75)
Richtingaanwijzers
rechts
(p. 75)
Start/Stop*, de
motor is automatisch gestart
(p. 75),
(p. 307)
Bandenspanningssysteem*
(p. 75),
(p. 350)
Informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Zie
(p. 75),
(p. 203)
Cruisecontrol*
(p. 208)
Voorgloeifunctie
motor (diesel)
(p. 75)
Adaptieve cruisecontrol*
(p. 226)
Laag peil in brandstoftank
(p. 75),
(p. 153)
Adaptieve cruisecontrol*, tijdsverschil
(p. 215),
(p. 218)
Informatie, lees displaymelding
(p. 75)
Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing* (Distance
Alert)
(p. 220),
(p. 211)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Symbool
–
Betekenis
Zie
Radarsensor*
(p. 226),
(p. 214),
(p. 249)
–
–
Voorruitsensor*,
camerasensor*,
lasersensor*
(p. 99),
(p. 239),
(p. 249),
(p. 261),
(p. 265)
Auto Brake*;
afstandswaarschuwing* (Distance
Alert); City SafetyTM;
Collision Warning*
(p. 214),
(p. 239),
(p. 249)
ABL*
Symbool
Betekenis
Zie
Regensensor*
(p. 107)
Automatisch groot
licht, AHB (Active
High Beam)*
(p. 99)
Start/Stop*
(p. 307)
Start/Stop*
Symbool
Betekenis
Zie
Motor- en interieurverwarming*
(p. 153)
Motor- en interieurverwarming* Service
vereist
(p. 153)
Geactiveerde timer*
(p. 153)
Geactiveerde timer*
(p. 153)
Accuspanning laag
(p. 153)
Tankvulklep rechts
(p. 319)
Schakelindicator
(p. 293)
Schakelstanden
(p. 294)
(p. 307)
Driver Alert System*,
rijbaanassistent
(LDW)
(p. 261),
(p. 265)
(p. 101)
Driver Alert System*;
Lane Departure Warning*
(p. 263)
Driver Alert System*;
Tijd voor pauze
(p. 260)
Driver Alert System*;
Lane Departure Warning*
(p. 265)
Driver Alert System*;
Tijd voor pauze
(p. 261)
Geregistreerde snelheidsinformatie*
(p. 256)
Parkeerrem
(p. 312)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
83
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Symbool
–
Betekenis
Volvo Sensus
Zie
Oliepeil meten
(p. 370)
–
–
Informatiesymbolen op display
plafondconsole
Symbool
Betekenis
Zie
Gordelwaarschuwing
(p. 30)
Airbag passagiersstoel,
geactiveerd
(p. 35)
Airbag passagiersstoel,
gedeactiveerd
(p. 35)
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel - betekenis controlelampjes (p. 75)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 77)
•
Meldingen - functies (p. 121)
14
84
Volvo Sensus vormt het hart van uw persoonlijke
Volvo-beleving en maakt communicatie mogelijk
tussen u, uw auto en de wereld eromheen. Sensus biedt informatie, entertainment en zo nodig
ondersteuning. Sensus omvat intuïtieve functies
voor meer rijplezier en een probleemloos autobezit.
van de auto met een eenvoudig te hanteren
bedieningsinterface. Er zijn instellingen te verrichten onder Instellingen van de auto, Audio en
media, Klimaat enzovoort
Met de knoppen en bedieningselementen op de
middenconsole en de rechter stuurknoppenset*
kunt u functies activeren en deactiveren en tal
van instellingen verrichten.
Bij het bedienen van MY CAR worden alle instellingen getoond die verband houden met het
besturen en bedienen van de auto, zoals City
Safety, sloten en alarm, automatische ventilatorsnelheid, klokinstelling enzovoort.
Dankzij de intuïtieve navigatiestructuur kunt u
altijd toegang krijgen tot hulp, informatie en
entertainment, zonder te worden afgeleid.
Sensus biedt u diverse oplossingen voor aansluiting* op de rest van de wereld en de mogelijkheid
tot intuïtieve bediening van de verschillende autofuncties.
Bij het indrukken van RADIO, MEDIA, TEL*,
*,NAV* en CAM14 kunt u andere bronnen, systemen en functies activeren, zoals AM, FM, CD,
DVD*, TV*, Bluetooth®*, navigatie* en parkeerhulpcamera*.
Voor meer informatie over alle functies/systemen, zie de desbetreffende paragrafen in de
gebruikershandleiding of het bijbehorende supplement.
Volvo Sensus presenteert tal van functies van uiteenlopende autosystemen op overzichtelijke
wijze op het display van de middenconsole. Volvo
Sensus biedt de mogelijkheid tot personalisering
Geldt voor bepaalde automodellen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Overzicht
Sleutelstanden
Transpondersleutel plaatsen
Met de transpondersleutel is het elektrische systeem van de auto in verschillende standen te zetten om het gebruik van verschillende functies/
systemen mogelijk te maken, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 86).
1.
Houd de transpondersleutel beet aan de
kant van het afneembare sleutelblad en
plaats de transpondersleutel in het contactslot.
2.
Duw de transpondersleutel vervolgens tot
aan de aanslag in het slot.
BELANGRIJK
Vreemde voorwerpen in het contactslot kunnen tot functiestoringen leiden of schade aan
het slot toebrengen.
Bedieningspaneel op middenconsole. De afbeelding is
schematisch – het aantal functies en de locatie van de
knoppen is afhankelijk van de gekozen uitrusting en de
desbetreffende markt.
De transpondersleutel niet verkeerd om insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde
met het afneembare sleutelblad, zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/aanbrengen
(p. 179).
Navigatie* - NAV, zie apart supplement (Sensus Navigation).
Audio en media - RADIO, MEDIA, TEL*, zie
desbetreffend supplement (Sensus Infotainment).
Fabrieksinstellingen - MY CAR, zie MY CAR
(p. 121).
Connected Car *, zie desbetreffend supplement (Sensus Infotainment).
Klimaatregeling (p. 134).
Parkeerhulpcamera* (p. 275) – CAM*.
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/ingeduwd.
N.B.
Transpondersleutel uitnemen
Pak de transpondersleutel beet en trek deze uit
het contactslot.
Bij auto's met passieve start en vergrendeling* hoeft u de transportsleutel niet in het
contactslot te steken, maar kunt u deze bijvoorbeeld in een binnenzak laten zitten. Voor
meer informatie over de passieve start en vergrendeling, zie Keyless Drive* (p. 182).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
contactslotstanden - functies in
verschillende standen
Om bij uitgeschakelde motor het gebruik van
een beperkt aantal functies mogelijk te maken is
het elektrische systeem van de auto met de
transpondersleutel in 3 verschillende standen te
zetten: 0, I en II. In deze gebruikershandleiding
worden deze standen in algemene zin aangeduid als "contactslotstanden".
De volgende tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende contactslotstanden.
Stand
Functies
0
•
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht.
•
Elektrisch bediende stoelen zijn
te verstellen.
•
Het audiosysteem is enige tijd te
gebruiken - zie supplement Sensus Infotainment.
•
Panoramadak, elektrisch
bediende ruiten, 12V-aansluitingen in passagiersruimte, navigatie, telefoon, interieurventilator en
ruitenwissers zijn te gebruiken.
I
II
•
•
•
De koplampen worden ontstoken.
Waarschuwings-/controlelampjes
branden 5 seconden lang.
Diverse andere systemen worden
geactiveerd. Elektrische verwarming in zittingen en achterruit kan
echter pas na starten van de
motor worden geactiveerd.
Deze contactslotstand verbruikt
veel stroom vanuit de startaccu en
moet daarom worden vermeden!
Kiezen van contactslotstand
•
contactslotstand 0 - Ontgrendel de auto het elektrische systeem van de auto staat nu
in stand 0.
N.B.
Om stand I of II te realiseren zonder dat de
motor wordt gestart moet u bij het selecteren
van deze contactslotstanden het rem-/koppelingspedaal niet bedienen.
•
contactslotstand I - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot15 geduwd druk kort op START/STOP ENGINE.
•
contactslotstand II - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot15 geduwd druk lang16 op START/STOP ENGINE.
•
Terug naar contactslotstand 0 - Om terug
te gaan naar contactslotstand 0 vanuit stand
II en I - druk kort op START/STOP ENGINE.
Audiosysteem
Voor informatie over de functie van het audiosysteem bij een uitgenomen transpondersleutel, zie
supplement Sensus Infotainment.
Motor starten en afzetten
Zie voor informatie over het starten/afzetten van
de motor, zie Motor starten (p. 286).
15
16
86
Niet nodig bij een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling*.
Ca. 2 seconden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Slepen
Voorstoelen
Lendensteun* aanpassen, druk op de knop.
Zie voor belangrijke informatie over de transpondersleutel bij het slepen, zie Slepen (p. 334).
Voor het best mogelijke zitcomfort hebben de
voorstoelen verschillende instelmogelijkheden.
Bedieningspaneel voor elektrisch bediende
stoel*, zie Voorstoelen - elektrisch bediend*
(p. 88).
Gerelateerde informatie
•
Sleutelstanden (p. 85)
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden.
Controleer of de stoel vergrendeld staat om
letsel te voorkomen bij hard afremmen of een
aanrijding.
Ruggedeelte passagiersstoel
omklappen*17
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/omlaagpompen.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
17
}}
Geldt alleen voor stoelen type comfort.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
87
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren en
omlaag.
Zet de rugleuning rechtop.
Trek de pallen aan de achterzijde van de rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
4.
Voorstoelen - elektrisch bediend*
Voor het best mogelijke zitcomfort hebben de
voorstoelen verschillende instelmogelijkheden.
De elektrisch bediende stoel kan naar voren/
achteren en omhoog/omlaag worden gezet. De
voorkant van de zitting kan worden verhoogd/
verlaagd. De hellingshoek van de rugleuning en
de stand van de lendensteun* zijn te wijzigen.
Elektrisch bedienbare stoel
Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het mogelijk
de stoel te verstellen, ook al steekt er geen sleutel in het contactslot. U verstelt de stoel normaal
gesproken in contactslotstand I. Wanneer de
motor loopt, is dat altijd mogelijk.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
WAARSCHUWING
Stoel met geheugenfunctie*
Pak het ruggedeelte nadat u het rechtop
gezet hebt beet en controleer of het stevig
vergrendeld staat om letsel te voorkomen bij
hard afremmen of een aanrijding.
•
•
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag/in/uit).
Voorbereidingen
Duw de stoel zo ver naar voren dat de hoofdsteun onder het dashboardkastje "vast" komt
te zitten.
Gerelateerde informatie
veerd wordt als een van de stoelen door een
obstakel wordt geblokkeerd. Als dit het geval is,
moet u het elektrische systeem van de auto in de
contactslotstand I of 0 zetten en enige tijd wachten voordat u de stoel opnieuw probeert te verstellen.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Voorstoelen - elektrisch bediend* (p. 88)
Stoel omhoog/omlaag
Achterbank (p. 90)
Stoel vooruit/achteruit
Hellingshoek rugleuning
Lendensteun* in/uit.
De elektrisch bediende stoelen zijn voorzien van
een beveiliging tegen overbelasting, die geacti-
88
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
De geheugenfunctie slaat de instellingen op voor
de stoel en de buitenspiegels.
Instelling vastleggen
Geheugenknop
Geheugenknop
Geheugenknop
Knop voor vastlegging van de instelling
1.
Stel de stoel en de buitenspiegels in.
2.
Houd de knop M ingedrukt, terwijl u knop 1,
2 of 3 indrukt. Houd de knoppen ingedrukt,
totdat er een akoestisch signaal klinkt en er
een tekst op het instrumentenpaneel verschijnt.
Om een andere instelling vast te leggen moet u
de stoel eerst verstellen.
De stand van de lendensteun wordt niet opgeslagen.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Druk op een van de geheugenknoppen 1–3, totdat de stoel en de buitenspiegels tot stilstand
komen. Bij het loslaten van de knop zal de instelling van de stoel en de buitenspiegels onmiddellijk worden beëindigd.
18
Geheugen* van transpondersleutel
In alle transpondersleutels kunnen verschillende
instellingen voor de bestuurdersstoel en de buitenspiegels18 voor meerdere bestuurders worden
opgeslagen, zie Transpondersleutel - personalisering* (p. 173).
Gerelateerde informatie
•
•
Voorstoelen (p. 87)
Achterbank (p. 90)
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt, kunt
u op een van de verstellingsknoppen of geheugenknoppen van de stoel drukken om de stoel
tot stilstand te brengen.
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten dient u de
ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te
bedienen. Het bestuurdersportier dient daarbij
open te staan.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Zorg ervoor dat kinderen
niet met de bediening spelen. Controleer of er
bij het instellen geen voorwerpen voor, achter
of onder de stoel liggen. Zorg dat geen van
de passagiers op de achterbank bekneld kan
raken.
Stoelen met elektrische verwarming
Voor elektrisch verwarmde stoelen/achterbank,
zie Elektrisch verwarmde voorstoelen* (p. 141)
en Elektrisch verwarmde achterbank* (p. 142).
Alleen als de auto is uitgerust met een elektrisch bediende bestuurdersstoel met geheugen en elektrisch inklapbare buitenspiegels. De stand van de lendensteun wordt niet opgeslagen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
89
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Achterbank
De rugleuning en de buitenste hoofdsteunen van
de achterbank kunnen worden neergeklapt. De
hoofdsteun van de middelste zitplaats kan aan
de lengte van de passagier worden aangepast.
Middelste hoofdsteun achterbank
WAARSCHUWING
De hoofdsteun van de middelste zitplaats
moet in de onderste stand staan, wanneer de
middelste zitplaats niet in gebruik is. Wanneer
de middelste zitplaats wel wordt gebruikt,
moet de hoofdsteun goed op de lengte van
de passagier zijn afgesteld, zodat deze zo
mogelijk diens hele achterhoofd afdekt.
Buitenste hoofdsteunen achterbank
handmatig omklappen
Trek aan de pal bij de hoofdsteun om de hoofdsteun om te klappen.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig rechtop
totdat deze hoorbaar vastklikt.
WAARSCHUWING
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de passagier zodat deze zo mogelijk het hele achterhoofd bedekt. Trek de hoofdsteun zo ver omhoog
als nodig is.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u de
knop (in het midden tussen het ruggedeelte en
de hoofdsteun, zie afbeelding) indrukken terwijl u
de hoofdsteun voorzichtig omlaagduwt.
90
De hoofdsteunen moeten na het rechtop zetten vergrendeld staan.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Ruggedeelte achterbank omklappen
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels
mogen evenmin zijn ingestoken. Schade aan
de bekleding van de achterbank is anders
namelijk niet uitgesloten.
De drie ruggedeelten zijn op verschillende manieren neer te klappen.
N.B.
U moet mogelijk de voorstoelen naar voren
zetten en/of de rugleuningen rechtop zetten
om de ruggedeelten van de achterbank volledig naar voren te kunnen klappen.
•
•
•
Het linker gedeelte is apart neer te klappen.
Het middelste gedeelte is apart neer te klappen.
Het rechter gedeelte kan alleen samen met
het middelste gedeelte worden neergeklapt.
Als de middelste rugleuning moet worden
neergeklapt - maak de hoofdsteun voor de
middelste rugleuning los en pas deze aan,
zie de eerdere paragraaf "Middelste hoofdsteun achterbank".
Als de middelste rugleuning moet worden
neergeklapt - maak de hoofdsteun voor de
middelste rugleuning los en pas deze aan,
zie de eerdere paragraaf "Middelste hoofdsteun achterbank".
De buitenste hoofdsteunen worden automatisch neergeklapt, wanneer u de buitenste
ruggedeelten omklapt. Trek de blokkeervan het ruggedeelte omhoog
handgreep
en klap het ruggedeelte om. Een rode margeeft aan dat het ruggekering bij de pal
deelte niet langer geblokkeerd staat.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
}}
91
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
N.B.
2.
Als de rugleuning is teruggeklapt, mag de
rode indicatie niet langer zichtbaar zijn. Als
deze toch zichtbaar is, is de rugleuning niet
vergrendeld.
WAARSCHUWING
Zet de buitenste hoofdsteunen niet naar
beneden als er passagiers op de buitenste
plaatsen zitten.
WAARSCHUWING
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop zetten
goed vergrendeld zijn.
Druk op de knop om de beide buitenste
hoofdsteunen op de achterbank om te klappen en het zicht naar achteren te verbeteren.
Stuurwiel
Het stuurwiel heeft meerdere verstellingsmogelijkheden en bedieningselementen voor de claxon, cruisecontrol en het menu-, het audio- en
het telefoonsysteem.
Instellen
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig rechtop
totdat deze hoorbaar vastklikt.
WAARSCHUWING
Buitenste hoofdsteunen achterbank
elektrisch omklappen*
De hoofdsteunen moeten na het rechtop zetten vergrendeld staan.
Gerelateerde informatie
•
•
Voorstoelen (p. 87)
Voorstoelen - elektrisch bediend* (p. 88)
Stuurwiel verstellen.
Ontgrendelingshendel, stuurwielverstelling
Mogelijke stuurwielstanden
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in de
diepte verstellen:
1.
92
De transpondersleutel moet in contactslotstand II staan.
1.
Trek de hendel naar u toe om het stuurwiel
vrij te geven.
2.
Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste
stand.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
3.
Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u tijdens het terugduwen van de hendel lichtje op het stuurwiel
drukken.
Toetsensets* en paddles*
Claxon
Toetsensets en paddles op stuurwiel.
Claxon.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel vóór vertrek in en zet deze
vast.
Bij auto's met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te stellen, zie Stuurkrachtinstelling* (p. 200).
Cruisecontrol* (p. 208)* en Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 215)*.
Druk op het midden van het stuurwiel om te claxonneren.
Paddle voor handmatig schakelen bij automatische versnellingsbak, zie Automatische
versnellingsbak - Geartronic* (p. 294).
•
Gerelateerde informatie
Elektrische stuurverwarming* (p. 94)
Bediening audio en telefoon, zie Sensus
Infotainment-supplement.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
93
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Elektrische stuurverwarming*
Het stuurwiel is elektrisch te verwarmen.
Functie
plaats. Activeer/deactiveer de functie in het
menusysteem MY CAR (p. 121).
Bedieningspaneel verlichting
Met het bedieningspaneel voor de verlichting
kunt u de buitenverlichting inschakelen en aanpassen. U gebruikt het ook om de display- en
instrumentenverlichting alsook de sfeerverlichting (p. 104) aan te passen.
De positie van de knop kan variëren afhankelijk van de
overige gekozen uitrusting en de markt.
Bij herhaaldelijk indrukken van de knop wordt
geschakeld tussen de volgende standen:
Functie
Indicatie
Uitgeschakeld
Lampje in knop uit
Verwarming
Lampje in knop aan
Automatische stuurverwarming
Bij automatische inschakeling van de stuurverwarming wordt bij het starten van de motor de
stuurverwarming ingeschakeld. Bij een omgevingstemperatuur lager dan zo’n 10 °C en een
koude auto vindt automatische inschakeling
94
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel voor het afstellen van de displayen instrumentenpaneelverlichting alsook de
sfeerverlichting*
Knop voor mistachterlicht
Draaiknop voor verlichting tijdens het rijden
en parkeren
Duimwiel voor koplamphoogteregeling
Een auto met actieve xenonkoplampen* heeft
automatische koplamphoogteregeling, zodat het
duimwiel voor koplamphoogteregeling ontbreekt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Standen draaiknop
Stand
Dagrijlicht, parkeerlichten en sidemarkers bij daglicht, wanneer het
elektrische systeem van de auto in
contactslotstand II staat of als de
motor draait.
N.B.
Dezelfde lampen worden gebruikt voor de
dagrijlichten en stadslichten vóór. De lichtsterkte is groter, wanneer de lampen worden
gebruikt voor de dagrijlichten.
Stand
Betekenis
Dimlicht parkeerlichten en sidemarkers achter bij slechte verlichting
overdag of bij donker of wanneer
het mistachterlicht of de continue
wisfunctie van de achterruitwisser
geactiveerd is.
Betekenis
DagrijlichtA wanneer het elektrische
systeem van de auto in contactslotstand II staat of als de motor draait.
De tunneldetectie (p. 97)* is
geactiveerd.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dagrijlicht, parkeerlichten en sidemarkers, wanneer het elektrische
systeem van de auto in contactslotstand II staat of als de motor draait.
Het automatische groot licht
(p. 99)* is te gebruiken.
U kunt het groot licht inschakelen,
wanneer u het dimlicht voert.
Parkeerlichten/sidemarkers, wanneer de auto geparkeerdB staat.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Volvo adviseert u om stand
bij ritten in de auto.
te gebruiken
WAARSCHUWING
Het verlichtingssysteem van de auto kan niet
in elke situatie bepalen of het daglicht te
zwak of sterk genoeg is, bijvoorbeeld bij mist
en regen.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op de
heersende omstandigheden en de geldende
verkeerswetgeving.
Display- en instrumentenverlichting
Afhankelijk van de contactslotstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht, zie
contactslotstanden - functies in verschillende
standen (p. 86).
Grootlichtsignalering mogelijk.
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze
functie is in te stellen met het duimwiel.
Dimlicht en parkeerlichten/sidemarkers.
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel
verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Groot licht kan worden geactiveerd.
Grootlichtsignalering mogelijk.
A
B
Aangebracht in of onder de voorbumper.
Ook bij stilstaande auto en draaiende motor, mits de draaiknop
vanuit een andere stand in deze stand wordt gezet.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
95
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U kunt dat
voorkomen door de koplamphoogte bij te stellen.
Stel de koplampen lager af als de auto zwaar
beladen is.
1.
Laat de motor draaien of zet het elektrische
systeem van de auto in de contactslotstand I.
2.
Draai het duimwiel omhoog of omlaag om de
koplampen hoger of lager af te stellen.
Inzittenden op alle zitplaatsen en maximale
belading in bagageruimte
Bestuurder plus maximale belading in bagageruimte
parkeerlichten
U schakelt de parkeerlichten in met de verlichtingsdraaiknop.
Gerelateerde informatie
•
•
•
parkeerlichten (p. 96)
Dagrijlicht (p. 97)
Groot licht/dimlicht (p. 98)
Verlichtingsdraaiknop in stand voor parkeerlichten.
Zet de draaiknop in de stand
(ook de kentekenverlichting wordt ingeschakeld).
Als het elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat of als de motor draait,
brandt het dagrijlicht in plaats van de parkeerlichten voor.
Duimwielstanden bij uiteenlopende belading.
Alleen bestuurder
Bestuurder en voorpassagier
Inzittenden op alle zitplaatsen
Als het buiten donker is en de achterklep wordt
geopend, gaan de parkeerlichten achter branden
om achteropkomend verkeer te waarschuwen. Dit
gebeurt altijd, ongeacht de stand van de draaiknop of de contactslotstand van het elektrische
systeem van de auto.
Gerelateerde informatie
•
96
Bedieningspaneel verlichting (p. 94)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Dagrijlicht
WAARSCHUWING
Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
staat en het elektrische systeem van de
auto in sleutelstand II of als de motor draait,
wordt bij daglicht automatisch het dagrijlicht
ingeschakeld.
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet in
alle gevallen kan bepalen wanneer de omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is
bij mist en regen bijvoorbeeld.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op de
heersende omstandigheden en de geldende
verkeerswetgeving.
Dagrijlicht DRL
Gerelateerde informatie
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 98)
Bedieningspaneel verlichting (p. 94)
Tunneldetectie*
De tunneldetectie zorgt voor overschakeling van
dagrijlicht op dimlicht bij het binnenrijden van
een tunnel.
De functie Tunneldetectie is aanwezig op een
auto met een regensensor*. Wanneer u een tunnel binnenrijdt, registreert de sensor dit en wordt
overgeschakeld van dagrijlicht naar dimlicht. Ca.
20 seconden na het verlaten van de tunnel, wordt
weer overgeschakeld op dagrijlicht. Als u na
afloop van deze tijd een andere tunnel inrijdt, blijft
het dimlicht branden. Zo wordt voorkomen dat de
lichtinstelling van de auto te vaak wordt gewijzigd.
Let erop dat de tunneldetectie alleen werkt, als
de verlichtingsdraaiknop in stand
staat.
Gerelateerde informatie
Verlichtingsdraaiknop in stand AUTO.
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 98)
Bedieningspaneel verlichting (p. 94)
Met de verlichtingsdraaiknop in stand
wordt het dagrijlicht (Daytime Running Lights DRL) automatisch ingeschakeld bij autoritten
overdag. Een lichtsensor boven op het dashboard
schakelt over van dagrijlicht op dimlicht, wanneer
het gaat schemeren of bij donker weer. Overschakelen op dimlicht gaat ook automatisch bij
activering van de ruitenwissers of het mistachterlicht.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
97
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Groot licht/dimlicht
Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
staat en het elektrische systeem van de
auto in contactslotstand II of als de motor loopt,
wordt in slechte lichtomstandigheden automatisch het dimlicht ingeschakeld.
Met de draaiknop in de stand
brandt altijd
het dimlicht, wanneer de motor loopt of als de
contactslotstand II actief is.
•
•
Koplampen - lichtbundel aanpassen (p. 102)
Tunneldetectie* (p. 97)
Grootlichtsignalen
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de stand
voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe.
Het groot licht brandt totdat u de hendel loslaat.
Groot licht
Het groot licht is te ontsteken met de draaiknop
19 of
. Schakel het groot licht
in stand
in of uit door de stuurhendel tot in de eindstand
naar het stuurwiel te halen en vervolgens los te
laten.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt het
op het instrumentenpaneel.
symbool
Verstralers*
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor groot licht
Dimlicht
Met de draaiknop in de stand
wordt het
dimlicht automatisch geactiveerd als het gaat
schemeren of bij donker weer. Het dimlicht wordt
ook automatisch geactiveerd bij activering van de
ruitenwissers of het mistachterlicht.
19
20
98
Als de auto beschikt over verstralers, kunt u in
het menusysteem MY CAR selecteren of deze
gedeactiveerd moeten worden of aan/uit moeten
gaan in combinatie met het groot licht20, zie MY
CAR (p. 121).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Actieve xenonkoplampen* (p. 101)
Automatisch groot licht* (p. 99)
Bedieningspaneel verlichting (p. 94)
Wanneer het dimlicht brandt.
Verstralers moeten op het elektrische systeem worden aangesloten door een werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Automatisch groot licht*
Automatisch groot licht ontdekt de koplampen
van een tegenligger of de achterlichten van een
voorligger en schakelt dan over van groot licht
naar dimlicht. De verlichting gaat terug naar
groot licht als het invallende licht ophoudt.
Automatisch groot licht - AHB
Bij automatisch groot licht met adaptatiefunctie21
blijft in tegenstelling tot wat er gebeurt bij de
standaarddimfunctie dat deel van de lichtbundel
dat naast tegen- of voorliggers valt op grootlichtsterkte branden – alleen dat deel van de lichtbundel dat rechtstreeks op de tegenliggers/voorliggers gericht is wordt gedimd.
Automatisch groot licht (Active High Beam –
AHB) is een systeem dat met een camerasensor
boven aan de voorruit de koplampen van tegenliggers of de achterlichten van voorliggers registreert en overschakelt van groot licht naar dimlicht. Het systeem kan ook rekening houden met
de straatverlichting.
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop in stand AUTO.
Wanneer de camerasensor geen tegen-/voorliggers meer waarneemt, wordt weer overgeschakeld naar groot licht.
Auto met halogeenkoplampen
Wanneer de camerasensor geen invallend licht
van voor-/tegenliggers waarneemt, schakelt de
verlichting enkele seconden later weer over naar
groot licht.
Auto met actieve xenonkoplampen
Wanneer bij automatisch groot licht met automatische in-/uitschakeling21 de camerasensor geen
invallend licht van voor-/tegenliggers meer waarneemt, schakelt de verlichting enkele seconden
later weer over naar groot licht.
21
werd in het menusysteem MY CAR), zie MY CAR
(p. 121).
De functie kan starten bij ritten in het donker,
wanneer u op een snelheid van zo'n 20 km/h
(12 mph) of hoger rijdt.
Adaptatiefunctie: Dimlicht recht vooruit in de richting van
tegenliggers, maar groot licht aan weerszijden van de
tegenliggers.
Wanneer de camerasensor geen invallend licht
van voor-/tegenliggers waarneemt, schakelt de
verlichting enkele seconden later weer over naar
volledig groot licht.
Activeren/deactiveren
AHB kan worden geactiveerd, wanneer de verstaat (op
lichtingsdraaiknop in de stand
voorwaarde dat het systeem niet gedeactiveerd
Schakel het AHB in of uit door de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel te
halen en vervolgens los te laten. Na het deactiveren van het groot licht wordt direct overgeschakeld naar dimlicht.
Auto met analoog instrumentenpaneel
Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool
op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel.
}}
Afhankelijk van het uitrustingsniveau van de auto.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
99
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt ook
op het instrumentenpaneel.
het symbool
Bij actieve xenonkoplampen geldt dit ook bij
gedeeltelijk groot licht, d.w.z. zodra de lichtbundel
iets sterker brandt dan het geval is bij dimlicht.
blijven staan. Hetzelfde
echter in stand
geldt, als de melding Voorruitsensoren
afgedekt Zie instructieboek en het symbool
verschijnen. Het symbool
dooft,
wanneer deze melding verschijnt.
Auto met digitaal instrumentenpaneel
AHB is mogelijk tijdelijk niet beschikbaar, zoals in
dichte mist of bij zware regenval. Wanneer AHB
weer beschikbaar is of als de voorruitsensoren
niet langer geblokkeerd zijn, verdwijnt de melding
branden.
en gaat het symbool
Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool
op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wit.
Als het groot licht ontstoken is, brandt het symbool blauw. Bij actieve xenonkoplampen geldt dit
ook bij gedeeltelijk groot licht, d.w.z. zodra de
lichtbundel iets sterker brandt dan het geval is bij
dimlicht.
Handmatige bediening
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór de
camerasensor, aangezien één of meer camera’s voor het systeem hierdoor slechter of niet
meer werken.
Als de melding Actief groot licht Tijdelijk niet
beschikbaar Schakel handmatig op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt, moet u handmatig tussen groot licht en
dimlicht schakelen. De verlichtingsdraaiknop kan
100
BELANGRIJK
Voorbeelden van situaties waarin u mogelijk
moet wisselen tussen groot licht en dimlicht:
WAARSCHUWING
AHB is een systeem dat u helpt om in ongunstige omstandigheden de optimale verlichting
te kiezen.
Als bestuurder bent u echter altijd verplicht
om handmatig te wisselen tussen groot licht
en dimlicht, als dat gezien de verkeerssituatie
en/of weersgesteldheid vereist is.
•
•
•
•
•
in zware regen of dichte mist
•
bij voorliggers met een zwakke voertuigverlichting
•
•
bij voetgangers op of naast de weg
•
als de verlichting van tegenliggers schuilgaat achter bijvoorbeeld vangrails
•
•
bij verkeer op verbindingswegen
•
in scherpe bochten.
bij ijsregen
bij stuifsneeuw of sneeuwmodder
bij maanlicht
bij ritten in zwak verlichte bebouwde
gebieden
bij sterk reflecterende voorwerpen zoals
borden in de buurt van de weg
op het hoogste punt van heuvels en het
laagste punt van dalen
Zie voor meer informatie over de beperkingen
van de camerasensor, zie Collision Warning* beperkingen van de camerasensor (p. 247).
Gerelateerde informatie
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 98)
Bedieningspaneel verlichting (p. 94)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Actieve xenonkoplampen*
Actieve xenonkoplampen/actieve bochtverlichting zorgen/zorgt voor optimale verlichting in
bochten en op kruisingen om op die manier de
veiligheid te verhogen.
Actieve xenonkoplampen/actieve
bochtverlichting - ABL
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde
(rechts) functie.
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen/actieve bochtverlichting (Active
Bending Lights - ABL) draaien de lichtbundels
van de koplampen mee om optimale verlichting te
verkrijgen in bochten en op kruisingen om op die
manier de veiligheid te verhogen.
Het systeem wordt automatisch geactiveerd bij
het starten van de motor (op voorwaarde dat de
22
functie niet is gedeactiveerd in het menusysteem
MY CAR, zie MY CAR (p. 121)). Wanneer de
functie een storing vertoont, brandt het symbool
op het instrumentenpaneel verschijnen
een verklarende tekst plus een ander brandend
symbool.
Symbool
Melding
Betekenis
Storing
koplampsysteem
Service
vereist
Het systeem is
defect. Bezoek een
werkplaats als de
melding niet verdwijnt. Volvo adviseert u contact op te
nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
De functie wordt geactiveerd bij gebruik van het
groot licht of dimlicht bij een rijsnelheid lager dan
zo'n 30 km/h (20 mph).
Ook tijdens het achteruitrijden gaat de bochtverlichting branden bij wijze van aanvulling op de
achteruitrijlichten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 98)
Automatisch groot licht* (p. 99)
Bedieningspaneel verlichting (p. 94)
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
U kunt de functie22 deactiveren/activeren in het
menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 121).
Bochtverlichting*
Actieve xenonkoplampen/actieve bochtverlichting
met automatisch groot licht van het adaptieve
type zijn voorzien van bochtverlichting. De actieve
bochtverlichting draait bij een scherpe bocht tijdelijk met het stuurwiel mee of in de richting die
de richtingaanwijzers aangeven.
Geactiveerd bij levering vanuit de fabriek.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 101
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Koplampen - lichtbundel aanpassen
Mistachterlicht
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen en automatisch groot licht heeft, moet
u de lichtbundelinstelling aanpassen wanneer u
een auto voor rechtsrijdend verkeer wilt gebruiken voor linksrijdend verkeer en andersom.
Bij een beperkt zicht door mist kunt u de mistachterlichten gebruiken om achterliggers tijdig
op uw aanwezigheid te attenderen.
neer u de verlichtingsdraaiknop naar
draait.
of
N.B.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistachterlicht verschillen per land.
Actieve xenonkoplampen*
Bij auto's zonder automatisch groot licht* is geen
aanpassing van de lichtbundel vereist. De lichtbundel is dusdanig dat tegenliggers niet worden
verblind.
Gerelateerde informatie
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 94)
Bij auto's met automatisch groot licht is aanpassing van de lichtbundel vereist. Bij het aanpassen
van de lichtbundel voor links- of rechtsrijdend
verkeer dient de auto stil te staan.
De lichtbundel is aan te passen in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 121).
Halogeenkoplampen
Er is geen aanpassing van de lichtbundel vereist.
De lichtbundel is dusdanig dat tegenliggers niet
worden verblind.
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen, wanof
neer de verlichtingsdraaiknop in stand
staat en het contactslot in de stand II of
wanneer de motor draait.
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het conop
trolesymbool voor het mistachterlicht
het instrumentenpaneel en het lampje in de knop
branden, wanneer het mistachterlicht ingeschakeld is.
Het mistachterlicht dooft automatisch bij een
druk op de START/STOP ENGINE-knop of wan-
102
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Remlichten
Alarmlichten
De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt.
De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig
knipperen, wanneer deze functie actief is.
Bij het bedienen van het rempedaal gaan de
remlichten branden. Ze gaan ook branden wanneer een van de rij-assistentiesystemen, Adaptieve cruisecontrol (p. 215), City Safety (p. 233)
of Collision Warning (p. 240) de auto afremmen.
Gerelateerde informatie
•
•
Richtingaanwijzer (p. 104)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 311)
Gerelateerde informatie
•
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 311)
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren.
Beide richtingaanwijzersymbolen op het instrumentenpaneel knipperen bij gebruik van de
alarmlichten.
De alarmlichten worden automatisch geactiveerd,
wanneer de auto zo sterk wordt geremd dat de
noodremlichten worden geactiveerd en de snelheid lager dan zo'n 10 km (6 mph) ligt.. De
alarmlichten blijven actief als de auto stilstaat en
worden vervolgens automatisch gedeactiveerd
als de auto weer wegrijdt of gedeactiveerd als de
knop wordt ingedrukt.
103
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Richtingaanwijzer
De richtingaanwijzers van de auto zijn te bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven knipperen,
afhankelijk van hoe ver u de hendel omhoog of
omlaag beweegt.
De hendel blijft in deze stand staan en kan handmatig in de uitgangspositie teruggezet worden of
veert automatisch terug bij het terugdraaien van
het stuurwiel.
Interieurverlichting
De interieurverlichting is te activeren/deactiveren
met de knoppen van de bedieningspanelen aan
het plafond voor- en achterin.
Richtingaanwijzersymbolen
Voor de richtingaanwijzersymbolen, zie Instrumentenpaneel - betekenis controlelampjes
(p. 75).
Gerelateerde informatie
Alarmlichten (p. 103)
G021149
•
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes
en interieurverlichting voorin.
Richtingaanwijzer.
Leeslampje linkerzijde
Korte serie knippersignalen
Leeslampje rechterzijde
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
de eerste stand en laat de hendel vervolgens
los. De richtingaanwijzers lichten driemaal op.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 121).
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
de eindstand.
104
Interieurverlichting
Alle verlichting in het interieur kan handmatig inen uitgeschakeld worden binnen 30 minuten
nadat:
•
de motor is afgezet en het elektrische systeem van de auto in 0 staat
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Plafondverlichting voorin
De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende knoppen
op de plafondconsole.
Plafondverlichting achterin
U kunt de lampjes in- en uitschakelen met een
druk op de bijbehorende knop.
Instapverlichting
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) worden in- en uitgeschakeld bij het openen
c.q. sluiten van een portier.
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
G021150
Verlichting make-upspiegel
Plafondverlichting achterin.
De verlichting van de make-upspiegel (p. 161),
wordt bij het openen en sluiten van het spiegelklepje in- en uitgeschakeld.
Verlichting in bagageruimte
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen
en sluiten van de achterklep automatisch in- en
uitgeschakeld.
Automatische verlichting
Met de knop voor de interieurverlichting kunt u
drie verlichtingsstanden selecteren:
Plafondverlichting achterin bij auto's met panoramadak.
•
Uit – rechterkant ingedrukt, automatische
interieurverlichting gedeactiveerd.
•
Neutrale stand – automatische verlichting
geactiveerd.
•
Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
Neutrale stand
Met de knop in de neutrale stand wordt de interieurverlichting als volgt automatisch in- en uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
•
u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt, zie Transpondersleutel - functies
(p. 176) of Afneembaar sleutelblad - portier
ontgrendelen (p. 180)
•
de motor is afgezet en het elektrische systeem van de auto in 0 staat.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
•
•
u de motor start
de auto wordt vergrendeld.
De interieurverlichting gaat aan en blijft twee
minuten lang branden, wanneer een van de portieren openstaat.
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig
inschakelt, zal deze na twee minuten automatisch
worden uitgeschakeld.
Sfeerverlichting*
Wanneer de reguliere interieurverlichting is uitgegaan en de motor draait, branden er enkele leds,
onder meer een bij de plafondverlichting voor een
zwakke sfeerverlichting tijdens de rit. Bovendien
kunt u door de verlichting in het donker eventuele
voorwerpen in de opbergvakken e.d. beter zien.
Deze verlichting gaat bij vergrendeling van de
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 105
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
auto even na de reguliere interieurverlichting uit.
U regelt de sterkte van de verlichting met het
duimwiel op het bedieningspaneel (p. 94).
Follow Me Home-verlichting
Approach-verlichting
De Follow Me Home-verlichting omvat het dimlicht, de parkeerlichten, de lampen in de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting en de instapverlichting.
De Approach-verlichting omvat de parkeerlichten, de lampen in de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting en de
instapverlichting.
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en als Follow Me Home-verlichting dienst te laten doen na
vergrendeling van de auto.
U activeert de Approach-verlichting met de transpondersleutel, zie Transpondersleutel - functies
(p. 176), om de verlichting van de auto op
afstand in te schakelen.
1.
Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2.
Haal de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe en laat de hendel los. De functie is op dezelfde manier te
activeren als de grootlichtsignalen, zie Groot
licht/dimlicht (p. 98).
Wanneer u de functie activeert via de transpondersleutel, gaan de parkeerlichten, de richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels,
de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in
het interieur en de instapverlichting branden.
3.
Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wanneer de functie is geactiveerd, gaan de dimlichten, de parkeerlichten, de richtingaanwijzers,
de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het interieur en de instapverlichting branden.
De duur van de Follow Me Home-verlichting is in
te stellen in het menusysteem MY CAR, zie MY
CAR (p. 121).
Gerelateerde informatie
•
106
Approach-verlichting (p. 106)
De duur van de Approach-verlichting is in te stellen in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 121).
Gerelateerde informatie
•
Follow Me Home-verlichting (p. 106)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Wissers en sproeiers
De ruitenwissers en -sproeiers reinigen de voorruit en achterruit. De koplampen worden met
hogedruksproeiers gereinigd.
Ruitenwissers23
Intervalstand
Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen,
wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale snelheid.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
BELANGRIJK
Controleer voordat u de wissers activeert of
de wisserbladen niet zijn vastgevroren en of
eventuele sneeuw- en ijsresten op voor- en
achterruit zijn verwijderd.
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor, aan/uit
Duimwiel, gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Enkele slag
Haal de hendel omhoog en laat deze
los om de wissers een enkele slag te
laten maken.
23
BELANGRIJK
Voordat u de wissers in de winter activeert,
moet u controleren of de wisserbladen niet
zijn vastgevroren en of evt. sneeuw of ijs op
de voorruit (en achterruit) is weggehaald.
BELANGRIJK
Gebruik voldoende sproeiervloeistof als de
wissers de voorruit schoonmaken. De voorruit
moet nat zijn als de ruitenwissers werken.
Servicestand wisserbladen
Voor het reinigen van voorruit/wisserbladen en
het vervangen van wisserbladen, zie Wasstraat
(p. 408) en Wisserbladen (p. 385).
Regensensor*
De regensensor registreert de hoeveelheid regen
op de voorruit en schakelt automatisch de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de
regensensor is in te stellen met het duimwiel.
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt het
regensensorsymbool
op het instrumentenpaneel.
Activeren en gevoeligheid instellen
Om de regensensor te activeren moet de motor
draaien of de transpondersleutel in stand I of II
staan en de ruitenwisserhendel in stand 0 of die
voor een enkele wisslag.
Activeer de regensensor door op de regensensorknop
te drukken. De ruitenwissers
maken een slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere gevoeligheid. (De wissers maken een extra slag, wanneer u het duimwiel omhoogdraait.)
Voor het vervangen van wisserbladen en de servicestand van de wisserbladen, zie Wisserbladen (p. 385). Voor het bijvullen van sproeiervloeistof, zie Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 387).
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 107
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Deactiveren
Koplamp- en ruitensproeiers
Deactiveer de regensensor met een druk op de
regensensorknop
of haal de hendel
omlaag naar een ander wisprogramma.
Gereduceerde sproeifunctie
Wanneer er nog zo'n 1 liter sproeiervloeistof in
het reservoir zit en op het instrumentenpaneel de
melding verschijnt dat u sproeiervloeistof moet
bijvullen, worden de koplampen en de achterruit
niet langer schoongesproeid. Dit omdat de
sproeifunctie van de voorruit en een goed zicht
door de voorruit de voorrang hebben.
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de transpondersleutel uit het
contactslot neemt of vijf minuten nadat u de
motor hebt afgezet.
BELANGRIJK
In een automatische wasstraat kunnen de ruitenwissers van de voorruit starten en beschadigd raken. Schakel de regensensor uit terwijl
de auto loopt of de transpondersleutel in
stand I of II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en het lampje in de knop
doven.
alleen iedere vijfde keer dat u de voorruitsproeiers activeert gesproeid.
Achterruit wissen en sproeien
Sproeierfunctie.
Ruitensproeiers voorruit
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel toe
te trekken.
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen en
worden de koplampen gesproeid.
Verwarmde sproeikoppen*
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch
verwarmd om te voorkomen dat de sproeiervloeistof bevriest.
Hogedruksproeiers koplampen*
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om
vloeistof te besparen, worden de koplampen
108
Ruitenwisser achterklep – intervalstand
Ruitenwisser achterklep – ononderbroken
wissen
Wanneer u de hendel naar voren haalt (zie pijl op
bovenstaande afbeelding), activeert u de ruitenwisser/-sproeier van de achterklep.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
N.B.
De achterruitwisser is beveiligd tegen oververhitting, zodat de wissermotor wordt uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een bepaalde afkoelperiode.
Elektrisch bediende ruiten
Vanaf het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bediende ruiten te
bedienen. Vanaf de bedieningspanelen van de
overige portieren zijn alleen de ruiten van het
desbetreffende portier te bedienen.
WAARSCHUWING
Let er bij het sluiten van de ruiten vanaf het
bestuurdersportier op dat kinderen en/of
andere inzittenden niet bekneld kunnen
raken.
WAARSCHUWING
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Let erop dat kinderen of andere passagiers
niet bekneld raken, wanneer/als u de ruiten
sluit met behulp van de transpondersleutel.
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl
de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de intervalstand van de ruitenwisser op de achterklep
starten24. Bij het inschakelen van een andere versnelling valt de ruitenwisser op de achterklep stil.
WAARSCHUWING
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al op
continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging
plaats.
N.B.
Op auto's met een regensensor wordt bij achteruitrijden de achterruitwisser geactiveerd,
op voorwaarde dat de sensor geactiveerd is
en het regent.
Gerelateerde informatie
•
24
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot op achterportieren* en
achterste zijruiten, zie Kinderslot - elektrische
activering* (p. 194).
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn, moet
altijd de stroom naar de elektrisch bedienbare
ruiten worden onderbroken door te kiezen
voor sleutelstand 0 en vervolgens de transpondersleutel mee te nemen uit de auto. Voor
informatie over sleutelstanden, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 86).
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 387)
Deze functie (intervalstand tijdens achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-dealer.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 109
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Bediening
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun beweging worden gehinderd. Wanneer sluiten onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming, kan de
beveiliging tegen overbelasting worden opgeheven. U doet dat door de bedieningsknop voor de
bewuste zijruit omhoog te trekken en in deze
stand vast te houden, totdat de zijruit dicht is. De
beveiliging tegen overbelasting wordt enige tijd
later opnieuw geactiveerd.
N.B.
Bedieningsknoppen elektrisch bediende zijruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
Via het bedieningspaneel van het bestuurdersportier kunnen alle elektrisch bediende ruiten
worden bediend. De bedieningspanelen van de
overige portieren kunnen alleen de ruit van het
desbetreffende portier bedienen. Er kan slechts
één bedieningspaneel tegelijk worden bediend.
Om de elektrisch bediende ruiten te kunnen
gebruiken moet de contactslotstand minimaal I
zijn - zie contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 86). Bij uitschakeling van de
motor zijn de elektrisch bediende ruiten na uitname van de transpondersleutel nog enkele
minuten te bedienen, maar niet nadat er een portier is geopend.
110
Om het pulserende windgeluid te verminderen als de beide achterruiten open staan, kunt
u de voorste ruiten ook een stukje openen.
Handmatige bediening
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen
omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch
bediende zijruiten komen steeds verder omhoog
of omlaag zolang u de bedieningsknop bedient.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog of
duw er een omlaag en laat deze vervolgens los.
De bijbehorende zijruit gaat automatisch volledig
open of dicht.
Bedienen met transpondersleutel of knop
voor centrale vergrendeling
Om de elektrisch bedienbare zijruiten vanaf de
buitenzijde te bedienen met de transpondersleutel of vanaf de binnenzijde met de knop voor cen-
trale vergrendeling, zie Transpondersleutel functies (p. 176) of Vergrendelen/ontgrendelen
- van de binnenzijde (p. 187).
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt de
automatische openingsfunctie pas weer naar
behoren wanneer u deze hebt gereset.
1.
Trek de knop aan de voorkant omhoog om
de ruit helemaal te sluiten en houd de knop
een seconde in deze stand vast.
2.
Laat de knop korte tijd los.
3.
Trek de voorkant van de knop opnieuw een
seconde omhoog.
WAARSCHUWING
Resetten is nodig om de beveiliging tegen
overbelasting te laten werken.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Buitenspiegels
WAARSCHUWING
Stel de stand van de buitenspiegels bij met het
hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier.
Beide spiegels zijn groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Instellingen vastleggen25
De instellingen van de buitenspiegels en de
bestuurdersstoel zijn voor alle transpondersleutels apart op te slaan in het autosleutelgeheugen*, zie Transpondersleutel - personalisering*
(p. 173).
Buitenspiegel kantelen bij parkeren25
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld worden, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de
kant van de weg te kan zien.
Bedieningsknoppen buitenspiegels.
Instellen
1.
2.
3.
25
Druk op knop L voor de buitenspiegel links of
op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
–
Schakel de achteruitversnelling in en druk op
de knop L of R.
Bij het inschakelen van een andere versnelling
nemen de gekantelde buitenspiegels na ca.
10 seconden de oorspronkelijke stand weer in.
Dat gebeurt eerder, als u de knop L of R indrukt.
Automatisch kantelende buitenspiegel
bij parkeren25
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
worden de buitenspiegels automatisch omlaaggekanteld, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg kan zien. Wanneer u de
Alleen in combinatie met een elektrisch bediende stoel met geheugen, zie Voorstoelen - elektrisch bediend* (p. 88).
auto uit de achteruitversnelling haalt, nemen de
buitenspiegels na enige tijd automatisch hun oorspronkelijke stand weer in.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 121).
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen25
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel
vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 121).
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de
neutrale stand worden teruggezet zodat het elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt:
1.
Klap de spiegels in met de knoppen L en R.
2.
Klap de spiegels weer uit met de knoppen L
en R.
3.
Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 111
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Autodimfunctie*
Buitenspiegels met autodimfunctie zijn alleen
mogelijk, als ook de achteruitkijkspiegel is voorzien van een dergelijke autodimfunctie, zie Achteruitkijkspiegel (p. 113).
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt:
1.
Druk de knoppen L en R gelijktijdig in (contactslotstand minimaal I).
2.
Laat ze na ca. 1 seconde los. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Ruiten en buitenspiegels elektrische verwarming
wordt de functie na enige tijd automatisch uitgeschakeld.
De elektrische verwarming dient om de voor- en
achteruit en de buitenspiegels te ontwasemen
en te ontdooien.
Zie ook Voorruit ontwasemen en ontdooien
(p. 144).
Elektrische voorruit-*, achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Bij gebruik van de afstandsstart (ERS)* wordt de
elektrisch verwarmde achterruit automatisch ontwasemd/ontdooid bij een omgevingstemperatuur
lager dan +5 °C op voorwaarde dat u voor automatisch ontdooien hebt gekozen in het menusysteem MY CAR.
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Approach-verlichting en Follow Me
Home-verlichting
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden,
wanneer u de Approach-verlichting (p. 106) of de
Follow Me Home-verlichting (p. 106) selecteert.
Gerelateerde informatie
•
•
112
Achteruitkijkspiegel (p. 113)
Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming (p. 112)
De buitenspiegels en de achterruit worden automatisch van condens/ijsvorming ontdaan, als u
de auto start bij een buitentemperatuur lager dan
+7 °C. Automatische ontwaseming is te selecteren in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 121).
Elektrische voorruitverwarming
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
Gebruik de functie om voorruit, achterruit en buitenspiegels te ontwasemen en te ontdooien.
Bij eenmaal indrukken van de desbetreffende
knop gaat de verwarming van start. Het brandende lampje in de knop geeft aan dat de functie
actief is. Schakel de verwarming uit zodra het
ijs/de condens verdwenen is om de accu niet
onnodig te belasten. Als u echter niets doet,
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Achteruitkijkspiegel
Autodimfunctie*
Kompas*
De achteruitkijkspiegel is te dimmen met een
knopje aan de onderkant van de spiegel. Ook is
het mogelijk dat de autodimfunctie van de achteruitkijkspiegel actief is.
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt te
fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch
gedimd. Bij een spiegel met autodimfunctie ontbreekt het hendeltje voor handmatig dimmen.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst.
De achteruitkijkspiegel is voorzien van twee sensoren (één aan de voorkant en één aan de achterkant) die samenwerken om hinderlijke lichtinval te identificeren en te verhelpen. De sensor
aan de voorkant registreert omgevingslicht, terwijl
de sensor aan de achterkant de koplampen van
achterliggers registreert.
Bediening
N.B.
Als de sensoren door bijvoorbeeld parkeervergunningen, transponders, zonnekleppen of
voorwerpen op de achterbank of in de bagageruimte dusdanig worden gehinderd dat er
geen licht op de sensoren valt, gelden er
beperkingen voor de autodimfunctie van de
achteruitkijkspiegel en buitenspiegels.
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties in
de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje in de dimstand, wanneer u de verlichting van het achteropkomende verkeer als hinderlijk ervaart:
Alleen een achteruitkijkspiegel met autodimfunctie is mogelijk uitgerust met een kompas
(p. 113).
1.
Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
Gerelateerde informatie
2.
Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje
naar de voorruit toe te duwen.
•
Buitenspiegels (p. 111)
Achteruitkijkspiegel met kompas.
Er worden acht verschillende richtingen met
Engelse afkortingen weergegeven: N (noord), NE
(noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW
(zuidwest), W (west) en NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd wanneer u de motor start of wanneer sleutelstand II
actief is, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 86). Om het kompas handmatig uit of in te schakelen kunt u een paperclip
of iets dergelijks nemen en het knopje aan de
onderzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 113
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Kalibreren
7.
Auto's met elektrische voorruitverwarming*: Als bij activering van de elektrische
voorruitverwarming het teken C op het display verschijnt, kalibreer dan volgens punt 6
hierboven met de elektrische voorruitverwarming ingeschakeld, zie Voorruit ontwasemen
en ontdooien (p. 144).
8.
Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
Om de juiste kompasrichting aan te geven moet
het kompas soms worden gekalibreerd.
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas dient te worden gekalibreerd, als u
met de auto meerdere magnetische zones doorkruist.
Kalibreer als volgt:
1.
Breng de auto tot stilstand op een groot en
open terrein waar geen stalen constructies
of hoogspanningsdraden zijn.
2.
Start de auto en schakel alle elektrische uitrusting (klimaatregeling, luchtdroger enzovoort) uit en zorg dat alle portieren zijn gesloten.
N.B.
Magnetische zones.
4.
Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van de gewenste magnetische
zone (1–15) verschijnt (zie de kaart met de
magnetische zones van het kompas).
5.
Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt of houd het knopje aan de
onderzijde van de achteruitkijkspiegel
ca. 6 seconden lang ingedrukt, totdat het
teken C verschijnt.
6.
Rijd langzaam een rondje in de auto met een
snelheid van hoogstens 10 km/h (6 mph),
totdat een kompasrichting op het display verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie afgerond is. Rijd daarna nog 2 rondjes om de
kalibratie fijn af te stellen.
De kalibratie kan mislukken of helemaal niet
worden uitgevoerd, als u de elektrische uitrusting niet uitschakelt.
3.
114
Houd het knopje aan de onderzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden lang (met
een paperclip of iets dergelijks) ingedrukt.
Het cijfer van de huidige magnetische zone
verschijnt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Panoramadak* - algemeen
Het panoramadak is opgesplitst in twee segmenten waarvan alleen het voorste horizontaal
opengeschoven of aan de achterkant verticaal
opengekanteld (ventilatiestand) kan worden.
Aan de binnenkant van het panoramadak zit een
zonnescherm gemaakt van geperforeerd textiel
voor extra bescherming tegen bijvoorbeeld het
felle zonlicht.
WAARSCHUWING
Windscherm
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door de bewegende
delen van het panoramadak.
•
•
•
Let altijd op bij bediening van het panoramadak.
Laat kinderen niet met de regeling spelen.
Onderbreek altijd de stroom naar het
panoramadak door te kiezen voor sleutelstand 0 en neem vervolgens de transpondersleutel/PCC* mee uit de auto. Voor
informatie over sleutelstanden, zie contactslotstanden - functies in verschillende
standen (p. 86).
WAARSCHUWING
Gevaar voor beknelling bij het sluiten van het
panoramadak. De inklembeveiliging van het
panoramadak werkt alleen bij automatisch
sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Bij het panoramadak hoort een windscherm dat
opgeklapt wordt bij een geopend panoramadak.
Gerelateerde informatie
•
Panoramadak* - bediening (p. 116)
Het panoramadak en het gordijn zijn te bedienen
met een bedieningsknop aan het plafond. De
knop is actief in contactslotstand I of II, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 86).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 115
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Panoramadak* - bediening
volgen - duw de bedieningsknop nu echter vooruit naar de stand voor automatisch sluiten.
Bij automatische bediening wordt het
gordijn/dak maximaal geopend.
Versneld openen/sluiten
Het panoramadak en het gordijn zijn ook tegelijkertijd te openen/sluiten:
In de ventilatiestand wordt de achterkant van het
voorste daksegment opengekanteld.
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door de bewegende
delen van het panoramadak.
•
•
•
Let altijd op bij bediening van het panoramadak.
Laat kinderen niet met de regeling spelen.
Onderbreek altijd de stroom naar het
panoramadak door te kiezen voor sleutelstand 0 en neem vervolgens de transpondersleutel/PCC* mee uit de auto. Voor
informatie over sleutelstanden, zie contactslotstanden - functies in verschillende
standen (p. 86).
Openen, automatisch
Openen, handmatig
Openen - duw de bedieningsknop tweemaal
achteruit naar de stand voor automatisch
openen en laat de knop weer los.
•
Sluiten - duw de bedieningsknop tweemaal
vooruit naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
Handmatige bediening
1.
Gordijn openen - duw de bedieningsknop
achteruit naar het drukpunt voor handmatig
openen. Het gordijn wordt zolang u de bedieningsknop ingedrukt houdt steeds verder
geopend.
2.
Panoramadak kantelen - duw de bedieningsknop een tweede maal achteruit naar het
drukpunt voor handmatig openen
3.
Panoramadak openen - duw de bedieningsknop een derde maal achteruit naar het
drukpunt voor handmatig openen. Het panoramadak wordt zolang u de bedieningsknop
ingedrukt houdt steeds verder geopend.
Sluiten, handmatig
Sluiten, automatisch
Het panoramadak en het gordijn zijn te bedienen
in contactslotstand I of II.
Volautomatische bediening
1.
Gordijn maximaal openen - duw de bedieningsknop achteruit naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
2.
Panoramadak vervolgens maximaal openen duw de bedieningsknop een tweede maal
achteruit naar de stand voor automatisch
openen en laat de knop weer los.
Sluit het panoramadak/gordijn door de voorgaande procedure in omgekeerde volgorde te
116
•
Sluit het panoramadak/gordijn door de voorgaande procedure in omgekeerde volgorde te
volgen - duw de bedieningsknop nu echter vooruit naar de stand voor handmatig sluiten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
N.B.
Voordat het panoramadak handmatig kunnen
worden geopend moet het gordijn volledig
geopend zijn. Omgekeerd geldt dat het panoramadak volledig gesloten moet zijn voordat
het gordijn kan worden gesloten.
Bij activering van de ventilatiestand wordt het
voorste segment van het panoramadak aan de
achterkant opengekanteld. Als het gordijn helemaal dichtstaat bij activering van de ventilatiestand, schuift het automatisch ca. 50 mm open.
Sluiten met transpondersleutel of knop
voor centrale vergrendeling
WAARSCHUWING
Gevaar voor beknelling bij het sluiten van het
panoramadak. De inklembeveiliging van het
panoramadak werkt alleen bij automatisch
sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Kantel het schuif-/kanteldak dicht door de
achterkant van de knop omlaag te trekken.
Druk lang op de knop voor centrale vergrenvan de transpondersleutel, totdat
deling
het panoramadak en alle zijruiten worden
gesloten en de portieren en de achterklep
worden vergrendeld.
WAARSCHUWING
Als u het panoramadak met de transpondersleutel of de knop voor centrale vergrendeling
sluit, moet u controleren of niemand bekneld
raakt.
een transpondersleutel
– Druk lang op de vergrendelingsknop
van
de transpondersleutel, totdat het panoramadak en alle zijruiten worden gesloten en de
portieren en de achterklep worden vergrendeld.
Kantel het schuif-/kanteldak open door de
achterkant van de knop omhoog te duwen.
–
Druk opnieuw op de knop voor centrale vergrendeling om de sluitingsbeweging te onderbreken.
Ventilatiestand
Ventilatiestand, achterkant verticaal opengekanteld.
Knop voor centrale vergrendeling
U kunt de knop voor centrale vergrendeling op
bestuurdersportier of passagiersportier* gebruiken om het schuif-/panoramadak te sluiten.
Druk nogmaals op de vergrendelingsknop van de
transpondersleutel om het sluiten te onderbreken.
Beveiliging tegen overbelasting
Het panoramadak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als het
glazen dak of het zonnescherm tijdens het sluiten
door een voorwerp wordt gehinderd. Het dak of
het scherm komt dan tot stilstand en wordt vervolgens geopend tot op ca. 50 mm van de
geblokkeerde stand (of tot de maximale ventilatiestand). De beveiliging tegen overbelasting
werkt ook bij het openen van het glazen dak of
het zonnescherm.
Wanneer sluiten onmogelijk is door bijvoorbeeld
ijsvorming rond het glazen dak, kan de beveiliging
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 117
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
tegen overbelasting worden opgeheven. U doet
dat door de bedieningsknop naar voren te duwen
of in te drukken en in deze stand vast te houden,
totdat het glazen dak dicht is.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel - functies (p. 176)
Menufuncties - instrumentenpaneel
Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s
(p. 119) die op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel (p. 70) verschijnen. Welke
menu’s er verschijnen hangt af van de sleutelstand (p. 86).
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 187)
Display (digitaal instrumentenpaneel) en bedieningsknoppen voor menufuncties.
OK – meldingenlijst openen en meldingen
bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
Display (analoog instrumentenpaneel) en bedieningsknoppen voor menufuncties.
RESET – geactiveerde functie op nul stellen.
Wordt in bepaalde gevallen gebruikt om een
functie te selecteren/activeren (zie de uitleg
bij de verschillende functies).
Een eventuele melding, (p. 119) moet u eerst
bevestigen met de knop OK, voordat u de menu’s
kunt bekijken.
Gerelateerde informatie
•
118
Meldingen - functies (p. 121)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Menu-overzicht instrumentenpaneel
Welke menu’s er op het informatiedisplay van
het instrumentenpaneel verschijnen hangt af van
de sleutelstand (p. 86).
Voor sommige van de onderstaande menu-opties
dient de auto te zijn uitgerust met de bijbehorende functie en software.
Analoog instrumentenpaneel
Digit. snlhd.
Verwarming*
Oliepeil26
Berichten
Standkachel*
Wanneer er een waarschuwings-, informatie- of
controlesymbool oplicht, verschijnt er tevens een
aanvullende melding op het informatiedisplay.
Boordcomp reset
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 70)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 71)
•
Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 118)
Melding
Betekenis
Stop auto
z.s.m.A
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade – bezoek
een werkplaatsB.
Zet motor afA
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade – bezoek
een werkplaatsB.
Service
spoedA
Bezoek een werkplaatsB om
de auto onmiddellijk te laten
controleren.
Service vereistA
Bezoek een werkplaatsB om
de auto zo spoedig mogelijk
te laten controleren.
Zie instructieb.A
Neem de gebruikershandleiding door.
Extra verw.*
TC-opties
Servicestatus
Oliepeil26
Meldingen (##)27
Digitaal instrumentenpaneel
Instellingen*
Thema's
Contraststand/Kleurstand
Servicestatus
Meldingen27
26
27
Bepaalde motoren.
Het aantal meldingen staat tussen haakjes.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 119
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
120
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd om een afspraak
te maken voor een servicebeurt – bezoek een werkplaatsB.
Versnellingsbak Beperkte
werking
De versnellingsbak werkt
niet op maximale capaciteit.
Rijd voorzichtig totdat de
melding verdwijntC.
Tijdelijk uitgeschakeldA
Tijd voor periodiek onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een werkplaatsB. Het moment hangt
af van de afgelegde afstand,
het aantal maanden dat
sinds de laatste servicebeurt
is verstreken, het aantal
draaiuren van de motor en
de gebruikte oliekwaliteit.
De bijbehorende functie is
tijdelijk uitgeschakeld en
wordt na enige tijd rijden of
de volgende keer dat u de
motor start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
Accuspanning laag
Spaarstand
Het audiosysteem is uitgeschakeld om stroom te
besparen. Laad de accu bij.
Onderhoudstermijn verstreken
Als u de onderhoudstermijn
niet respecteert, vallen
beschadigde onderdelen
niet langer onder de garantie – bezoek een werkplaatsB.
Versnellingsbak Olie verversen
Bezoek een werkplaatsB om
de auto zo spoedig mogelijk
te laten controleren.
Bezoek bij herhaaldelijke
verschijning een werkplaatsB.
Versnellingsbak heet Rijd
langzamer
Versnellingsbak heet
Stop auto
z.s.m. Wachten op afkoelen
Rijd voorzichtiger of breng
de auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand. Zet de versnellingsbak in de neutraal en
laat de motor stationair
draaien totdat de melding
verdwijntC.
Kritieke storing. Breng de
auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand en bezoek een
werkplaatsB.
A
B
C
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over de
locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Voor informatie over de automatische versnellingsbak, zie Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 294).
Gerelateerde informatie
•
•
Meldingen - functies (p. 121)
Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 118)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Meldingen - functies
MY CAR
Met de linker stuurhendel kunt u door de meldingen (p. 119) bladeren die op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnen en
deze bevestigen.
MY CAR is een menugroep voor hantering van
tal van autofuncties, zoals City Safety™, sloten
en alarm, automatische ventilatorsnelheid, klokinstelling e.d.
Wanneer er een waarschuwings-, informatie- of
controlesymbool oplicht, verschijnt er tevens een
aanvullende melding op het display. Foutmeldingen blijven in het geheugen opgeslagen, totdat
de onderliggende storing is verholpen.
Sommige functies behoren tot de standaarduitrusting, andere zijn zogeheten opties – het aanbod verschilt per markt.
Druk OK op de linker stuurhendel in om een melding te bevestigen. Gebruik het duimwiel (p. 118)
om door de meldingen te bladeren.
Bediening
Navigatie in deze menu's vindt plaats met knoppen op de middenconsole of met de knoppenset
rechts op het stuurwiel*.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt
als de boordcomputer wordt gebruikt, moet
de melding worden gelezen (druk op OK)
voordat de eerdere activiteit kan worden hervat.
Gerelateerde informatie
•
Menu-overzicht - instrumentenpaneel
(p. 119)
Bedieningspaneel op middenconsole en knoppenset op
stuurwiel. De afbeelding is schematisch – het aantal
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 121
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
functies en de locatie van de knoppen is afhankelijk van
de gekozen uitrusting en de desbetreffende markt.
MY CAR - opent het menusysteem MY CAR.
OK/MENU - knop op de middenconsole
indrukken of het duimwiel op het stuurwiel
om de gemarkeerde menu-optie te
kiezen/aan te vinken of de gekozen functie
in het geheugen op te slaan.
Menu-opties en zoekpaden
Boordcomputer
Voor een beschrijving van de menu-opties en
zoekpaden in MY CAR, zie het Sensus Infotainment-supplement.
De boordcomputer van de auto registreert en
berekent waarden zoals afgelegde afstand,
brandstofverbruik en gemiddelde snelheid tijdens het rijden.
TUNE - aan de draaiknop op de middenconsole of het duimwiel op het stuurwiel draaien
om een stap omhoog/omlaag te gaan door
de menu-opties.
EXIT
De functies en het uiterlijk van de boordcomputer
verschillen afhankelijk van de vraag of het instrumentenpaneel er een van het analoge of digitale
type is:
•
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 124)
•
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 128)
EXIT-functies
Afhankelijk van de functie en van het menuniveau
waarop de aanwijzer staat op het moment dat u
EXIT kort indrukt, kan het volgende gebeuren:
•
•
•
•
telefoongesprekken worden geweigerd
•
u beweegt omhoog in het menusysteem.
de actuele functie wordt beëindigd
de ingevoerde tekens worden gewist
de laatste gemaakte keuze wordt geannuleerd
Bij lang indrukken van EXIT springt u naar de
normaalweergave voor MY CAR of naar het
hoogste menuniveau (hoofdbronmenu) als u zich
in de normaalweergave bevindt.
28
122
De lay-out van het display en weergave kunnen variëren afhankelijk van het type.
De boordcomputerinformatie is weer te geven op het
bestuurdersdisplay28.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Dagtellers
Bereik - actieradius op tank
Eenheid wijzigen
De boordcomputer bestaat uit twee dagtellers en
een kilometerteller voor de totale kilometerstand.
De boordcomputer geeft de afstand aan die bij
benadering af te leggen is met de resterende
hoeveelheid brandstof in de tank.
In het menusysteem MY CAR kunt u de eenheid
van lengte en brandstofvolume aanpassen, zie
MY CAR (p. 121).
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de laatste maal dat de waarde op nul gesteld werd.
N.B.
Er is een bepaalde afwijking mogelijk, als er
een verwarming op brandstof* is gebruikt.
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid voor de afgelegde
afstand sinds de laatste nulstelling van de
waarde.
Wanneer de melding Afst. tot leeg "----" verschijnt, zijn geen garanties meer te geven voor de
resterende actieradius.
•
Tank dan zo spoedig mogelijk.
De actieradius wordt berekend aan de hand van
het gemiddelde brandstofverbruik over de laatste
30 km en de resterende hoeveelheid brandstof.
N.B.
Er is een bepaalde afwijking mogelijk, als u
van rijstijl verandert.
Huidig verbruik
De waarde voor het huidige verbruik wordt voortdurend (ongeveer eenmaal per seconde) bijgewerkt. Op lage snelheden wordt het verbruik
weergegeven per eenheid van tijd – op hoge
snelheden verschijnt het verbruik per eenheid van
lengte.
U kunt verschillende eenheden (km/miles) kiezen
voor de aanduiding – zie de paragraaf "Eenheid
wijzigen" (p. 122).
29
N.B.
Een wijziging van deze eenheden is niet
alleen van toepassing op de boordcomputer
maar ook op Volvo’s RTI-navigatiesysteem*.
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 124)
•
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 128)
•
Boordcomputer - rijstatistieken* (p. 131)
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een langere actieradius. Voor meer informatie over hoe u
het brandstofverbruik kunt beïnvloeden, zie Milieubeleid van Volvo Car Corporation (p. 23).
Digitale snelheidsheidsaanduiding in
een alternatieve eenheid29
Als het hoofdinstrument is ingesteld op weergave
in mph, wordt de digitale snelheid aangegeven in
km/h.
Alleen digitale instrumentenpanelen en op bepaalde markten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 123
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Boordcomputer - analoog
instrumentenpaneel
Bedieningsknoppen
De boordcomputerinformatie is weer te geven op
het instrumentenpaneel en te hanteren via de
bedieningselementen op de linker stuurhendel
en via het instrumentenpaneelmenu.
Na de automatische activering van het instrumentenpaneel bij ontgrendeling zijn bediening en
instelling meteen mogelijk. Als u na het openen
van het bestuurdersportier niet binnen
ca. 30 seconden op een van de boordcomputerknoppen drukt, dooft het instrument, waarna om
opnieuw de boordcomputer te kunnen bedienen
eerst sleutelstand II of motorstart vereist is.
Bestuurdersdisplay en bedieningselementen.
1.
Om er zeker van te zijn dat geen van de
bedieningselementen zich midden in een
procedure bevindt, moet u deze eerst "resetten" met twee keer drukken op RESET.
2.
Draai aan het duimwiel om de opties door te
bladeren en bij de rubriek van uw keuze te
stoppen met bladeren.
U kunt tijdens het rijden op ieder gewenst
moment een ander scherm met boordcomputerinformatie op het instrumentenpaneel laten weergeven. Een de mogelijke opties is om geen
boordcomputerinformatie weer te geven.
Duimwiel - menu-opties of boordcomputeropties doorbladeren.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt
tijdens het gebruik van de boordcomputer,
dient u deze melding eerst te bevestigen
voordat u de boordcomputer weer kunt activeren.
124
Kies de weer te geven boordcomputerinformatie:
OK - instrumentenpaneelmenu openen,
berichten of menu-opties bevestigen.
N.B.
•
Boordcomputeropties
RESET - actuele dagteller resetten of het
menusysteem verlaten.
Bevestig deze melding door de knop OK
op de richtingaanwijzerhendel kort in te
drukken.
Boordcomputerrubriek op instrumentenpaneel
Informatie
Dagtellers T1 en tot afst
•
RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen.
Dagtellers T2 en tot afst
•
RESET lang indrukken om dagteller T2 op nul te stellen.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Boordcomputerrubriek op instrumentenpaneel
Informatie
Afst. tot leeg
Voor meer informatie, zie de paragraaf "Bereik - actieradius op tank" (p. 122).
Brandstofvrbr
Huidig verbruik.
Gem. snelh.
•
Geen boordcomputerinformatie.
Bij deze optie blijft het display leeg - dit geeft tevens het "begin"/"einde" van de lus aan.
RESET lang indrukken om Gem. snelh. op nul te stellen.
Boordcomputerinformatie resetten
Functies in instrumentenpaneelmenu
2.
Druk op OK.
1.
Draai aan het duimwiel en stap met bladeren
wanneer u de te resetten boordcomputerrubriek ziet: T1 en tot afst, T2 en tot afst of
Gem. snelh..
In het instrumentenpaneelmenu vindt u instelmogelijkheden voor onder maar de boordcomputer.
Open het menu om de functies in de onderstaande tabel te regelen/aanpassen.
3.
Blader de functies door met het duimwiel en
kies/bevestig uw keuze met OK.
4.
Bij lang indrukken van RESET reset u de
waarde voor de gekozen rubriek.
1.
Druk na regeling/aanpassing twee keer op
RESET.
2.
U moet iedere rubriek apart op nul stellen.
Om er zeker van te zijn dat geen van de
bedieningselementen zich midden in een
procedure bevindt, moet u deze eerst "resetten" met twee keer drukken op RESET.
}}
125
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Functies
Informatie
Digit. snlhd.
Geeft de rijsnelheid digitaal weer in het midden van het instrumentenpaneel.
•
•
•
km/h
mph
Geen aanduiding
Verwarming*
•
•
•
DIRECTE START
Voor een beschrijving van het programmeren van de timer, zie Motor- en interieurverwarming* - timers (p. 151).
- Timer 1 - voert naar het menu voor selectie van het tijdstip.
- Timer 2 - voert naar het menu voor selectie van het tijdstip.
Extra verw.*
Voor meer informatie, zie Extra verwarming* (p. 155).
• Aut Aan
• Uit
TC-opties
•
•
•
•
•
Actieradius op tank
Brandstofverbruik
Gemiddelde snelheid
Dagtellers T1 en tot afst
Dagtellers T2 en tot afst
Servicestatus
126
Hier activeert u de opties die als boordcomputerrubrieken beschikbaar moeten zijn. De
symbolen voor reeds gekozen opties zijn wit en voorzien van een "vinkje", bij de rest die
grijs is ontbreekt het "vinkje".
Geef het resterend aantal maanden en het aantal kilometers tot de eerstvolgende servicebeurt aan.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Functies
Informatie
OliepeilA
Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 370).
Meldingen (##)
Voor meer informatie, zie Meldingen - functies (p. 121).
A
Bepaalde motoren.
Gerelateerde informatie
•
•
Boordcomputer (p. 122)
Boordcomputer - rijstatistieken* (p. 131)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 127
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Boordcomputer - digitaal
instrumentenpaneel
Boordcomputeropties
Bedieningsknoppen
Kies de weer te geven boordcomputerinformatie:
De boordcomputerinformatie is weer te geven op
het instrumentenpaneel en te hanteren via de
bedieningselementen op de linker stuurhendel
en via het instrumentenpaneelmenu.
Na de automatische activering van het instrumentenpaneel bij ontgrendeling zijn bediening en
instelling meteen mogelijk. Als u na het openen
van het bestuurdersportier niet binnen
ca. 30 seconden op een van de boordcomputerknoppen drukt, dooft het instrument, waarna om
opnieuw de boordcomputer te kunnen bedienen
eerst sleutelstand II of motorstart vereist is.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt
tijdens het gebruik van de boordcomputer,
dient u deze melding eerst te bevestigen
voordat u de boordcomputer weer kunt activeren.
•
Er kunnen drie boordcomputeropties tegelijk worden
weergegeven: één op elk van de drie "vensters".
OK - instrumentenpaneelmenu openen,
berichten of menu-opties bevestigen.
Duimwiel - menu-opties of boordcomputeropties doorbladeren.
Om er zeker van te zijn dat geen van de
bedieningselementen zich midden in een
procedure bevindt, moet u deze eerst "resetten" met twee keer drukken op RESET.
2.
Draai aan het duimwiel om de rubriekcombinaties door te bladeren.
3.
Stop met bladeren bij de gewenste combinatie om de desbetreffende boordcomputerinformatie continu op het instrumentenpaneel
weer te geven.
U kunt tijdens het rijden op ieder gewenst
moment een ander scherm met boordcomputerinformatie op het instrumentenpaneel laten weergeven. Een de mogelijke opties is om geen
boordcomputerinformatie weer te geven.
RESET - actuele dagteller resetten of het
menusysteem verlaten.
Bevestig deze melding door de knop OK
op de richtingaanwijzerhendel kort in te
drukken.
Rubriekcombinaties
128
1.
Informatie
Gemiddeld
Dagteller T1 + Kilometerstand
Gemiddelde snelheid
•
RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen.
Huidig verbruik
Dagteller T2 + Kilometerstand
Actieradius op tank
•
RESET lang indrukken om dagteller T2 op nul te stellen.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Rubriekcombinaties
Huidig verbruik
Informatie
Kilometerstand
km/h<>mph
Geen boordcomputerinformatie.
Boordcomputerinformatie resetten
Dagtellers
1. Draai aan het duimwiel en stop met bladeren
wanneer u de rubriekcombinatie met de te
resetten dagteller ziet.
2.
Bij lang indrukken van RESET reset u de
waarde voor de gekozen rubriek.
Gemiddelde snelheid en gemiddeld verbruik
1. Druk op OK om het instrumentenpaneelmenu te openen.
2.
km/h<>mph - zie het gedeelte Alternatieve digitale snelheidsaanduiding
(p. 122).
Bij deze optie doven alle drie de boordcomputerdisplays - dit geeft tevens het
"begin"/"einde" aan van de lus.
3.
Geef aan of u het gemiddelde brandstofverbruik of de gemiddelde snelheid wilt resetten
of allebei. Bevestig uw keuze met OK.
4.
Druk tot slot op RESET.
Functies in instrumentenpaneelmenu
In het instrumentenpaneelmenu vindt u instelmogelijkheden voor onder maar de boordcomputer.
Open het menu om de functies in de onderstaande tabel te regelen/aanpassen.
1.
Om er zeker van te zijn dat geen van de
bedieningselementen zich midden in een
procedure bevindt, moet u deze eerst "resetten" met twee keer drukken op RESET.
2.
Druk op OK.
3.
Blader de functies door met het duimwiel en
kies/bevestig uw keuze met OK.
4.
Druk na regeling/aanpassing twee keer op
RESET.
Blader met het duimwiel naar de menuoptie
Boordcomp reset en bevestig uw keuze
met OK.
Functies
Informatie
Boordcomp reset
Reset de waarde voor het gemiddelde brandstofverbruik en de gemiddelde snelheid.
•
•
Let erop dat u hiermee niet beide dagtellers T1 en T2 niet reset.
Gemiddeld
Gemiddelde snelheid
Meldingen
Voor meer informatie, zie Meldingen - functies (p. 121).
}}
129
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Functies
Informatie
Thema's
Kies het thema voor het uiterlijk van het instrumentenpaneel (p. 70).
Instellingen*
Selecteer Aut Aan of Uit.
Voor meer informatie, zie Extra verwarming* (p. 155).
Contraststand/Kleurstand
Lichtsterkte en kleurtemperatuur van het instrumentenpaneel instellen.
Standkachel*
Voor een beschrijving van het programmeren van de timer, zie Motor- en interieurverwarming* timers (p. 151).
• Directe start
• - Symbool Timer 1 - voert naar het menu voor
selectie van het tijdstip.
•
- Symbool Timer 2 - voert naar het menu voor
selectie van het tijdstip.
Servicestatus
Geef het resterend aantal maanden en het aantal kilometers tot de eerstvolgende servicebeurt aan.
OliepeilA
Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 370).
A
Bepaalde motoren.
Gerelateerde informatie
•
•
130
Boordcomputer (p. 122)
Boordcomputer - rijstatistieken* (p. 131)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Boordcomputer - rijstatistieken*
Op het beeldscherm van de middenconsole zijn
rijstatistieken van de boordcomputer weer te
geven voor een grafisch overzicht van het brandstofverbruik.
wijzer rechts beweegt afhankelijk van de gekozen
schaal omhoog of omlaag.
Instellingen
Functie
U kunt verschillende instellingen voor de rijstatistieken verrichten in het menusysteem MY CAR Verbruiksinfo.
–
• Resetten als motor min. 4 uur heeft
Open het menusysteem MY CAR (p. 121) en
kies Verbruiksinfo om een staafdiagram te
zien.
uitgestaan – markeer het vakje met ENTER
aan en verlaat het menu met EXIT. Wanneer
u deze optie markeert, worden alle statistieken 4 uur na uitschakeling van het contact
automatisch gewist. De volgende keer dat u
de motor start begint de verbruiksinfo weer
vanaf nul.
• Nieuwe rit starten – met ENTER worden
alle eerdere statistieken gewist. Verlaat het
menu met EXIT. Als u een nieuwe rijcyclus
wilt starten, voordat de 4 uur zijn verstreken,
moet u met deze optie eerst handmatig de
actuele cyclus wissen.
Verbruiksinfo30
Afhankelijk van de gekozen schaalverdeling symboliseert elke staaf een afgelegde afstand van
1 km of 10 km – de staaf helemaal rechts geeft
de actuele waarde aan voor een afstand van 1 of
10 km.
Zie ook de informatie over Eco guide (p. 74).
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer (p. 122)
Met de TUNE-knop kunt u voor elke staaf van
schaal wisselen tussen 1 km en 10 km – de aan30
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van de softwareversie en het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 131
KLIMAAT
KLIMAAT
Algemene informatie over de
klimaatregeling
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling (p. 140). De klimaatregeling zorgt ervoor
dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of
van vocht ontdaan wordt.
•
•
N.B.
Airconditioning (AC) (p. 144) uitschakelen,
maar voor optimaal klimaatcomfort in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan dient u de airconditioning altijd te
laten aanstaan.
Waar u op moet letten
•
•
134
Voor optimale werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een panoramadak*
gesloten houden.
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
(p. 188) gebruiken om alle zijruiten tegelijk
korte tijd te openen en weer te sluiten en op
die manier snel voor frisse lucht in de auto te
zorgen.
•
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor
de klimaatregeling (de opening tussen de
motorkap en de voorruit).
•
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje
water onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
Wanneer de motor het maximale vermogen
nodigt heeft (bijvoorbeeld als u volgas
optrekt), is het mogelijk dat de airconditioning tijdelijk wordt uitgeschakeld. Er kan dan
een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwaseming (p. 144) om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen. Houd
de binnenzijde van de ruiten schoon om het
risico te beperken dat ze beslaan.
Auto's met Start/Stop*
Bij automatische motorstop (p. 301) gelden er
mogelijk beperkingen voor de werking van
bepaalde apparatuur (zoals het ventilatortoerental
(p. 142) van de klimaatregeling).
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Werkelijke temperatuur (p. 134)
Menu-instellingen - klimaat (p. 137)
Werkelijke temperatuur
De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen
met de gevoelstemperatuur op basis van de
heersende omstandigheden in en rond de auto
wat de buitentemperatuur, de luchtsnelheid, de
luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte
enz. betreft.
Het systeem beschikt over een zonnesensor
(p. 135) die de stand van de zon registreert.
Daardoor kan de temperatuur van de lucht uit de
blaasmonden links en rechts afwijken, ondanks
dat de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 134)
•
Temperatuurregeling passagiersruimte
(p. 143)
Elektronische klimaatregeling, ECC (p. 140)
Luchtverdeling passagiersruimte (p. 137)
Luchtkwaliteit (p. 135)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Sensoren - klimaat
Luchtkwaliteit
Luchtkwaliteit - interieurfilter
De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren om de temperatuur (p. 134) in de auto te
regelen.
Het interieur werd dusdanig vormgegeven dat
het gerieflijk en comfortabel is – ook voor mensen met contactallergieën of astma.
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter.
•
•
•
•
•
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
De interieurtemperatuursensor zit onder het
bedieningspaneel van de klimaatregeling.
•
De buitentemperatuursensor zit in de buitenspiegel.
•
De vochtsensor* zit bij de achteruitkijkspiegel.
N.B.
Bedek of blokkeer de sensoren niet met kledingstukken of andere voorwerpen.
•
Interieurfilter (p. 135)
Materiaal in de passagiersruimte (p. 137)
Clean Zone Interior Package (CZIP)
(p. 136)*
Vervang het filter regelmatig. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen
vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde
gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
Interior Air Quality System (IAQS) (p. 136)*
N.B.
Er zijn verschillende soorten interieurfilters.
Let erop dat het juiste filter wordt gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 134)
Gerelateerde informatie
•
Luchtkwaliteit (p. 135)
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 134)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 135
KLIMAAT
Luchtkwaliteit - Clean Zone Interior
Package (CZIP)*
CZIP bestaat uit een aantal aanpassingen zodat
er minder stoffen in het interieur verwerkt zijn die
aanleiding kunnen geven tot allergieën en/of
astma.
Het volgende is inbegrepen:
•
•
Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer
de auto via de transpondersleutel wordt ontgrendeld. De ventilator vult het interieur op
die manier met verse lucht. De functie start
als dat nodig is en stopt na bij het openen
van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt
de functie na enige tijd automatisch beëindigd. De tijd dat de ventilatorfunctie werkt zal
langzaam maar zeker korter worden, totdat
de auto 4 jaar oud is.
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 134)
•
Luchtkwaliteit (p. 135)
•
Luchtkwaliteit - Clean Zone Interior Package
(CZIP)* (p. 136)
Als de Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht
meet, wordt de luchtinlaat afgesloten waarna de
lucht in de passagiersruimte wordt gerecirculeerd.
Het systeem is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
N.B.
Voor de beste lucht in het interieur moet de
luchtkwaliteitssensor altijd zijn ingeschakeld.
In een koud klimaat is de recirculatie beperkt
om het beslaan van de ruiten te voorkomen.
Het Interior Air Quality System IAQS (p. 136)
is een volautomatisch systeem dat de lucht
in de passagiersruimte ontdoet van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend
ozon.
Gerelateerde informatie
136
Luchtkwaliteit - IAQS*
Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet
de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken.
Als de ruiten beslaan, moet de luchtkwaliteitssensor worden uitgeschakeld en moet de
ontwaseming voor voorruit, achterruit en zijruiten worden ingeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 134)
•
Luchtkwaliteit (p. 135)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Luchtkwaliteit - materialen
Menu-instellingen - klimaat
Luchtverdeling passagiersruimte
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is.
Via de middenconsole is het mogelijk de basisinstellingen voor zes van de klimaatregelingsfuncties te activeren/deactiveren of wijzigen.
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
uiteenlopende blaasmonden verspreid over het
interieur.
De vloerbekleding in zowel de passagiersruimte
als de bagageruimte zijn eenvoudig te verwijderen en schoon te maken. Gebruik de door Volvo
geadviseerde schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten voor het reinigen van het interieur (p. 411).
Gerelateerde informatie
•
Luchtkwaliteit (p. 135)
•
•
•
Ventilatorstand bij automatische klimaatregeling (p. 143).
Recirculatietimer (p. 145).
Automatische achterruitverwarming
(p. 112)1.
•
•
Interior Air Quality System * (p. 136).
•
Automatische stuurverwarming (p. 94).
Automatische verwarming bestuurdersstoel
(p. 141).
Er staat meer informatie in de beschrijving van
het menusysteem (p. 121).
De basisinstellingen voor de klimaatregelingsfuncties zijn te herstellen via het menusysteem
MY CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
In de stand AUTO vindt de luchtverdeling geheel
automatisch plaats.
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij te
regelen, zie luchtverdelingstabel (p. 147).
Gerelateerde informatie
•
1
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 134)
Bij gebruik van de afstandsstart (ERS)* wordt de elektrisch verwarmde achterruit automatisch ontwasemd/ontdooid op voorwaarde dat u voor automatisch ontdooien hebt gekozen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 137
KLIMAAT
||
Blaasmonden in dashboard
Blaasmonden in portierstijlen
Open
Dicht
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Dicht
Open
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtverdeling - ventilatie vloer
Luchtstroom omhoog of omlaag
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste
zijruiten om deze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden bij koud weer op de achterste zijruiten om deze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden, bij warm weer, naar binnen toe voor een behaaglijke temperatuur achter
in de auto.
N.B.
Let erop dat kleine kinderen gevoelig kunnen
zijn voor luchtstromen en tocht.
138
Luchtverdeling
De gestileerde menselijke gedaante op de
nevenstaande afbeelding bestaat uit drie knoppen. Bij bediening van de knoppen gaat op het
beeldscherm het desbetreffende gedeelte van de
gestiliseerde menselijke gedaante (zie volgende
afbeelding) branden samen met een pijl vóór dit
gedeelte om aan te geven welke luchtverdelingsstand er gekozen is. Voor meer informatie, zie de
luchtverdelingstabel (p. 147).
KLIMAAT
Het middendisplay geeft de gekozen luchtverdelingsstand aan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 134)
Automatische regeling (p. 143)
Luchtverdeling - recirculatie (p. 145)
139
KLIMAAT
Elektronische klimaatregeling, ECC
ECC (Electronic Climate Control) handhaaft de
temperatuur die in het interieur wordt gekozen
Temperatuurregeling (p. 143), links
Elektrische voorstoelverwarming (p. 141),
linkerkant
Maximale ontwaseming (p. 144)
Ventilator (p. 142)
Luchtverdeling (p. 137) - ventilatie vloer
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
140
en kan voor de bestuurders- en passagierszijde
apart worden ingesteld.
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming (p. 112)
Elektrische voorstoelverwarming (p. 141),
rechterkant
Temperatuurregeling (p. 143), rechts
Recirculatie (p. 145)
AUTO - Automatische klimaatregeling
(p. 143)
AC - Airconditioning aan/uit (p. 144)
Met de autofunctie worden temperatuur, airconditioning, ventilatorsnelheid, recirculatie en luchtverdeling automatisch geregeld.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 134)
KLIMAAT
Elektrisch verwarmde voorstoelen*
De verwarming van de voorstoelen heeft drie
standen om het zitcomfort voor bestuurder en
voorpassagier bij kou te verhogen.
Druk herhaalde malen op de knop voor het volgende:
•
Hoogste verwarmingsstand - er branden drie
oranje velden op het middendisplay (zie
bovenstaande afbeelding).
•
Lagere verwarmingsstand - er branden twee
oranje velden op het beeldscherm.
•
Laagste verwarmingsstand - er brandt één
oranje veld op het beeldscherm.
•
Verwarming uitschakelen - geen van de
velden brandt.
Het systeem is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 134)
•
Elektrisch verwarmde achterbank* (p. 142)
WAARSCHUWING
Het middendisplay geeft het actuele verwarmingsniveau
aan.
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed
kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt
of die om een andere reden moeilijkheden
hebben om de elektrisch verwarmde stoel te
bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan.
Automatische
bestuurdersstoelverwarming
Bij activering van de automatische bestuurdersstoelverwarming wordt de bestuurdersstoel na
het starten van de motor automatisch maximaal
verwarmd.
Bij een omgevingstemperatuur onder
zo'n +10 °C en een koude auto vindt automatische inschakeling plaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 141
KLIMAAT
Elektrisch verwarmde achterbank*
WAARSCHUWING
De verwarming voor de buitenste plaatsen van
de achterbank2 heeft drie standen om het comfort voor passagiers te verhogen als het koud is.
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed
kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt
of die om een andere reden moeilijkheden
hebben om de elektrisch verwarmde stoel te
bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 134)
•
Elektrisch verwarmde voorstoelen* (p. 141)
De lampjes in de drukknoppen geven het actuele verwarmingsniveau aan.
Druk herhaalde malen op de knop voor het volgende:
•
Hoogste verwarmingsstand - er branden drie
lampjes.
•
Lagere verwarmingsstand - er branden twee
lampjes.
•
Laagste verwarmingsstand - er brandt één
lampje.
•
Verwarming uitschakelen - geen van de
lampjes brandt.
2
142
Ventilator
Houd de ventilator altijd geactiveerd om te voorkomen dat de ruiten beslaan.
N.B.
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet – wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
Ventilatorknop
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of te
verlagen. Als AUTO wordt
gekozen, wordt de ventilatorsnelheid automatisch (p. 143)
geregeld. De eerder ingestelde
ventilatorsnelheid wordt
gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 134)
•
Elektronische klimaatregeling, ECC (p. 140)
De elektrisch verwarmde achterbank vervalt als u kiest voor de geïntegreerde zittingverhoger met twee standen (p. 54).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Automatische regeling
De autofunctie regelt automatisch temperatuur
(p. 143), airconditioning (p. 144), ventilatorsnelheid (p. 142), recirculatie (p. 145) en luchtverdeling (p. 137).
Als u een of meer handmatige
functies selecteert, worden de
overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Alle
handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u
op de knop AUTO drukt. Op
het display verschijnt AUTO-KLIMAAT.
Temperatuurregeling
passagiersruimte
Bij het starten van de motor wordt de laatst verrichte temperatuurinstelling hervat.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 134)
•
•
Werkelijke temperatuur (p. 134)
Elektronische klimaatregeling, ECC (p. 140)
Het is niet mogelijk om het opwarmen/afkoelen te versnellen door een hogere/lagere
temperatuur te kiezen dan die eigenlijk
gewenst is.
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische
stand instellen in het menusysteem MY CAR.
Voor een beschrijving van het menusysteem, zie
MY CAR (p. 121).
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 134)
De actuele temperatuur voor beide zones staat aangegeven op het display van de middenconsole.
Met deze knop kunt u de temperatuur aan de bestuurdersen passagierszijde onafhankelijk van elkaar instellen.
143
KLIMAAT
Airconditioning
Voorruit ontwasemen en ontdooien
De airconditioning koelt en droogt zo nodig de
binnenkomende lucht.
U kunt de elektrische voorruitverwarming* en de
maximale ontwaseming gebruiken om de vooruit
en zijruiten snel te ontwasemen en ontdooien.
Wanneer het lampje in de knop
AC brandt, wordt de airconditioning geheel automatisch
geregeld.
Voor auto's zonder elektrische voorruitverwarming:
•
Er stroomt lucht naar de ruiten - op het
beeldscherm brandt het symbool (2).
•
Functie uitschakelen - geen van de symbolen
brandt.
Voor auto's met elektrische voorruitverwarming:
Wanneer het lampje in de knop
AC gedoofd is, is de airconditioning uitgeschakeld. De overige functies worden nog steeds automatisch geregeld. Bij activering van de maximale ontwaseming (p. 144)
wordt automatisch de airconditioning ingeschakeld, zodat de lucht optimaal gedroogd wordt.
Het middendisplay geeft de gekozen instelling aan.
Elektrische voorruitverwarming*
Maximale ontwaseming
Het lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de
functie is ingeschakeld.
•
Elektrische voorruitverwarming3 inschakelen
- op het beeldscherm brandt een symbool
(1).
•
Elektrische voorruitverwarming3 inschakelen
en lucht naar de ruiten sturen - op het beeldscherm branden de symbolen (1) en (2).
•
Functie uitschakelen - geen van de symbolen
brandt.
N.B.
Elektrische voorruitverwarming en een eventuele IR-film (p. 21) kunnen de prestaties van
transponders en andere communicatie-apparatuur beïnvloeden.
Druk voor activering van de
functies herhaalde malen op de
knop.
3
144
Als bij inschakeling van de elektrische voorruitverwarming het teken C op de achteruitkijkspiegel verschijnt, moet het kompas (p. 113)* opnieuw gekalibreerd worden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
N.B.
Aan de beide uiteinden van de voorruit zitten
driehoekige gebieden zonder elektrische verwarming, zodat het ontdooien daar mogelijk
langer duurt.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 134)
Luchtverdeling - recirculatie
Kies voor recirculatie als u vieze luchtjes, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden. Er komt
met andere woorden geen lucht van buiten de
auto in, wanneer deze functie actief is.
Wanneer de recirculatie actief
is, brandt het oranje lampje in
de knop.
N.B.
De elektrische voorruitverwarming is niet
beschikbaar, wanneer de motor automatisch
is afgezet (p. 301).
Als de maximale ontwaseming actief is, vindt
bovendien het volgende plaats om de lucht in de
passagiersruimte zoveel mogelijk van vocht te
ontdoen:
•
de airconditioning wordt automatisch ingeschakeld
•
de recirculatie en het Interior Air Quality System worden automatisch uitgeschakeld.
N.B.
De ventilator maakt meer geluid wanneer de
ventilator op maximale snelheid draait.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat
de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
BELANGRIJK
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
beslaat mogelijk de binnenzijde van de ruiten.
Timer
Bij een geactiveerde timer zal de klimaatregeling
afhankelijk van de buitentemperatuur na een
bepaalde tijd de handmatig geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit beperkt het risico van ijs,
beslagen ruiten en een slechte luchtkwaliteit.
Het systeem is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
N.B.
Wanneer u voor maximale ontwaseming kiest,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
}}
145
KLIMAAT
||
146
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 134)
•
•
Luchtverdeling passagiersruimte (p. 137)
Luchtverdeling - tabel (p. 147)
KLIMAAT
Luchtverdeling - tabel
Met drie knoppen kiest u de gewenste luchtverdeling (p. 137).
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden. De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning is altijd ingeschakeld.
om snel te ontdooien en te ontwasemen.
Lucht naar de voorruit, via de blaasmond voor ontwaseming, en de zijruiten.
Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
Om condens- of ijsvorming bij koud en vochtig weer te
voorkomen (hiervoor mag het ventilatorniveau niet te laag
zijn).
Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden in het dashboard.
om een comfortabel klimaat te verkrijgen bij warm en
droog weer.
Luchtstroom op hoofd- en borsthoogte uit de blaasmonden in het dashboard.
om een efficiënte koeling te verkrijgen bij warm weer.
}}
147
KLIMAAT
||
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit
de blaasmonden in het dashboard.
om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming
te verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de vloer en uit de blaasmonden in het dashboard.
bij zonnig weer en matige buitentemperaturen.
Lucht naar de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard en op de ruiten.
om warme of koude lucht naar de vloer te sturen.
Luchtstroom naar de ruiten, uit de blaasmonden in het dashboard en naar
de vloer.
om koele lucht naar de vloer te sturen bij warm en droog
weer of warme lucht naar de rest van het lichaam bij koud
weer.
Gerelateerde informatie
148
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 134)
•
Luchtverdeling - recirculatie (p. 145)
KLIMAAT
Motor- en interieurverwarming*
Tanken
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als het
brandstofpeil te laag is, wordt de verwarming
automatisch uitgeschakeld en verschijnt er een
melding op het informatiedisplay. Bevestig deze
melding door op de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel (p. 118) te drukken.
Met preconditioning bereidt de verwarming de
motor en het interieur voor om de slijtage en het
stroomverbruik tijdens de rit te beperken.
De verwarming is direct (p. 150) in te schakelen of vertraagd met een timer (p. 151).
Bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C
wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij temperaturen van –5 °C of lager is de maximale
bedrijfstijd van de verwarming 50 minuten.
WAARSCHUWING
Maak geen gebruik van de verwarming op
brandstof in een afgesloten ruimte. Er komen
uitlaatgassen vrij.
N.B.
Bij gebruik van de verwarming op brandstof
komt er mogelijk rook uit de rechter wielkast,
wat volkomen normaal is.
BELANGRIJK
Als de verwarming herhaaldelijk en in combinatie met korte ritten wordt gebruikt, ontlaadt
de accu met startproblemen als gevolg.
Om te garanderen dat de accu met net zo
veel energie wordt opgeladen als de verwarming verbruikt, moet u bij regelmatig gebruik
van de verwarming net zo lang met de auto
rijden als dat de verwarming wordt gebruikt.
De verwarming wordt telkens maximaal 50
minuten ingeschakeld.
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan vlam vatten. Schakel
voordat u gaat tanken de verwarming op
brandstof uit.
Controleer op het instrumentenpaneel of de
verwarming is uitgeschakeld; wanneer deze
werkt, verschijnt het verwarmingssymbool.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert,
moet u ervoor zorgen dat de voorkant van de
auto omlaagwijst. Zo krijgt de verwarming op
brandstof altijd voldoende brandstof.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen
(p. 153)
•
Extra verwarming* (p. 155)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 149
KLIMAAT
Motor- en interieurverwarming* direct inschakelen
Directe start via transpondersleutel*
De motor- en interieurverwarming zijn direct in te
schakelen.
Directe start is mogelijk via:
•
•
•
het informatiedisplay
een transpondersleutel*
De verwarmingsstatus verschijnt ook op de
boordcomputer.
een mobiele telefoon*.
Bij directe inschakeling van de motor- en interieurverwarming (p. 149) blijft de verwarming 50
minuten lang draaien.
De interieurverwarming gaat van start, zodra de
koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur
heeft bereikt.
N.B.
De auto kan worden gestart en rijden, terwijl
de verwarming aan is.
Directe start via informatiedisplay
150
Directe start via mobiele telefoon*
Controlelampje op transpondersleutel met PCC*.
De motor- en interieurverwarming zijn te activeren via de transpondersleutel:
–
Gerelateerde informatie
•
De alarmlichten geven de volgende informatie:
Motor- en interieurverwarming* - timers
(p. 151)
•
Motor- en interieurverwarming* - direct uitschakelen (p. 151)
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen
(p. 153)
•
5 korte lichtsignalen gevolgd door
ca. 3 seconden lang branden - verzoek tot
inschakeling ontvangen en verwarming
geactiveerd.
Druk op de OK-knop om het menu te openen.
2.
Ga met het duimwiel naar Verwarming en
maak een keuze met OK.
•
3.
Ga in het volgende menu naar Directe start
om de verwarming te activeren en bevestig
uw keuze met OK.
5 korte signalen - de auto heeft een verzoek tot inschakeling ontvangen maar de
verwarming is niet geactiveerd.
•
Alarmlichten lichten niet op - de auto
heeft geen verzoek tot inschakeling ontvangen.
Verlaat het menu met RESET.
Zie de mobiele app Volvo On Call* voor informatie over de instellingen die vanaf een mobiele
telefoon beschikbaar zijn en hoe dat in zijn werk
gaat.
Druk de knop voor de Approach-verlichting
2 seconden lang in.
1.
4.
Als u de info-knop
indrukt terwijl de verwarming actief is, wordt bij het weergeven van de
vergrendelingsstatus (p. 177) van de auto ook
de verwarmingsstatus getoond. Gedurende de
tijd die nodig is om de status na te gaan geeft
het controlelampje enkele malen een kort knippersignaal. Het lampje gaat continu branden, als
de verwarming actief is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Motor- en interieurverwarming* direct uitschakelen
Motor- en interieurverwarming* timers
5.
Stel de gewenste uuraanduiding in met het
duimwiel.
De motor- en interieurverwarming is direct uit te
schakelen via het informatiedisplay.
De timers van de motor- en interieurverwarming
(p. 149) zijn gekoppeld aan de klok van de auto.
6.
Druk kort op de knop OK, zodat de minuutaanduiding gaat knipperen.
1.
Druk op de knop OK om het menu te openen.
7.
Stel de gewenste minuutaanduiding in met
het duimwiel.
2.
Ga met het duimwiel naar Verwarming en
maak een keuze met OK.
8.
Druk op OK5 om de instelling te bevestigen.
9.
3.
Ga in het volgende menu naar Stop om de
verwarming te deactiveren en bevestig uw
keuze met OK.
U kunt twee verschillende uitschakeltijden instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd
wordt het tijdstip verstaan waarop de auto de
gewenste temperatuur bereikt heeft. De elektronica van de auto rekent aan de hand van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de verwarming
moet worden ingeschakeld.
Met RESET gaat u een stap terug binnen
het menusysteem.
4.
N.B.
Verlaat het menu met RESET.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - direct
inschakelen (p. 150)
•
Motor- en interieurverwarming* - timers
(p. 151)
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen
(p. 153)
4 De timers zijn alleen in te stellen, wanneer
5 Bij nogmaals indrukken van OK activeert u
de motor is afgezet.
de timer.
Als de klok van de auto wordt verzet, wordt
een eventuele programmering van de timer
gewist.
Instellen4
10. Kies de andere timer (ga verder vanaf punt
2) of verlaat het menu met RESET.
Starten
1.
Druk op de knop OK om het menu te openen.
2.
Ga met het duimwiel naar Verwarming en
maak een keuze met OK.
1.
Druk op de knop OK om het menu te openen.
3.
Kies een van de beide timers met het duimwiel en activeer deze met OK.
2.
Scrol met het duimwiel (p. 118) naar een van
de timers Verwarming en maak een keuze
met OK.
4.
Verlaat het menu met RESET.
3.
Kies een van de beide timers met het duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
4.
Druk kort op OK zodat de uuraanduiding
gaat branden.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 151
KLIMAAT
||
Uitschakelen
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Ga als volgt te
werk:
1.
Druk op de knop OK om het menu te openen.
2.
Ga met het duimwiel naar Verwarming en
maak een keuze met OK.
> Als een timer ingesteld maar niet actief is,
staat er een kloksymbool naast de ingestelde tijd.
3.
Kies een van de beide timers met het duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
4.
Schakel de timer als volgt uit:
•
•
5.
druk lang op OK of
kort op OK om verder te gaan in het
menu. Kies daarna voor uitschakeling van
de timer en bevestig uw keuze met OK.
Verlaat het menu met RESET.
Een timergestuurde verwarming is ook direct
(p. 151) uit te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
152
Motor- en interieurverwarming* - meldingen
(p. 153)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Motor- en interieurverwarming* meldingen
Symbolen en displaymeldingen ten aan zien van
de motor- en interieurverwarming (p. 149) verschillen afhankelijk van de vraag of het om een
analoog of digitaal instrumentenpaneel (p. 70)
gaat.
Wanneer een van de timers geactiveerd is, brandt
het symbool voor een geactiveerde timer op het
display met de ingestelde tijd ernaast.
Wanneer de verwarming ingeschakeld
is, brandt het verwarmingslampje op
het informatiedisplay.
Symbool
Melding
In de onderstaande tabel staan de voorkomende
symbolen en displayteksten.
Symbool voor een geactiveerde timer
op een analoog instrumentenpaneel.
Symbool voor een geactiveerde timer
op een digitaal instrumentenpaneel.
Betekenis
De verwarming is ingeschakeld en werkt.
Brandstofkachel gestopt
Zuinige stand
De verwarming werd uitgeschakeld om te zorgen dat er voldoende stroom is om de motor te starten.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 153
KLIMAAT
||
Symbool
Melding
Betekenis
Brandstofkachel gestopt
Brandstofpeil laag
De verwarming kan niet worden geactiveerd door een te laag brandstofpeil – dit om het mogelijk te maken de
motor te starten en nog ca. 50 km te rijden.
Brandstofkachel Service vereist
Verwarming defect. Neem voor reparatie contact op met een werkplaats. Volvo adviseert u contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Een tekstmelding verdwijnt automatisch na enige
tijd. U kunt een melding ook eerder laten verdwijnen met een druk op de OK-knop van de richtingaanwijzerhendel (p. 118).
154
KLIMAAT
Extra verwarming*
Extra verwarming op brandstof*
1.
In landen met een koud
is wellicht een
extra verwarming vereist om de motor op
bedrijfstemperatuur te brengen en een behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren.
De auto is uitgerust met een extra verwarming
(p. 155) op stroom (p. 156) of op brandstof.
Alvorens de motor te starten: Kies de sleutelstand I (p. 86).
2.
Druk op de knop OK om het menu te openen.
3.
Scrol met het duimwiel naar Extra verw.8 of
Instellingen9 en maak een keuze met OK.
Op auto’s met een dieselmotor is een extra verwarming op brandstof (p. 155) gemonteerd.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld,
wanneer het warm genoeg is of wanneer de
motor wordt afgezet.
4.
Kies een van de opties AAN of UIT met het
duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
5.
Verlaat het menu met RESET.
klimaat6
In een gematigde6 klimaatzone worden dieselmodellen uitgerust met een extra verwarming op
stroom (p. 156) in plaats van één op brandstof.
benzinemotoren7
Bij auto’s met bepaalde
is een
extra verwarming op elektriciteit ingebouwd in de
klimaatregeling.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* (p. 149)
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is terwijl
de motor loopt.
N.B.
Bij gebruik van de extra verwarming komt er
mogelijk rook uit de rechter wielkast, wat volkomen normaal is.
Automatische stand of uitschakelen
De automatische startprocedure van de motor
kan desgewenst worden geannuleerd.
N.B.
N.B.
De menu-opties zijn alleen zichtbaar in contactslotstand I – verricht eventuele aanpassingen daarom voordat u de motor start.
Interieurverwarming*
Als de extra verwarming is voorzien van een
timerfunctie kan deze dienstdoen als interieurverwarming (p. 149).
Volvo adviseert u de extra verwarming op
brandstof uit te schakelen tijdens korte ritten.
6
7
8
9
Een erkende Volvo-dealer kan u informeren over de desbetreffende geografische gebieden.
Een erkende Volvo-dealer kan u informeren over de desbetreffende motoren.
Analoog instrumentenpaneel.
Digitaal instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 155
KLIMAAT
Extra verwarming op stroom*
De auto is uitgerust met een extra verwarming
(p. 155) op brandstof (p. 155).
De verwarming is niet handmatig te regelen,
maar wordt nadat de motor is aangeslagen automatisch geactiveerd bij buitentemperaturen lager
dan 14 °C en wordt gedeactiveerd wanneer de
ingestelde interieurtemperatuur is bereikt.
Gerelateerde informatie
•
156
Motor- en interieurverwarming* (p. 149)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Opbergmogelijkheden
Overzicht van opbergmogelijkheden in passagiersruimte
158
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Opbergvak in portierpaneel
Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje (p. 160)
Opbergvakken, bekerhouder (p. 160)
Bekerhouder* in armsteun, achterbank
Opbergvak
WAARSCHUWING
Bewaar losse voorwerpen, zoals een mobiele
telefoon, camera, afstandsbediening voor
extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of
andere opbergruimten. Bij krachtig afremmen
of een botsing kunnen deze anders inzittenden verwonden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 159
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Middenconsole
De middenconsole zit tussen de voorstoelen.
Middenconsole - aansteker en
asbak*
Dashboardkastje
Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde.
In bekerhouder onder de middenarmsteun zit
een uitneembare asbak. De aansteker zit in de
12V-aansluiting (p. 161) voor de voorpassagiers.
De asbak in de middenconsole (p. 160) is te verwijderen door deze recht omhoog te tillen.
U activeert de aansteker door de knop in te drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg is, veert
de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit
de opening en gebruik het roodgloeiende deel
om bijvoorbeeld een sigaret mee aan te steken.
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd's) en USB*/
AUX-ingang onder de armsteun.
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder
en een voorpassagier. Als u voor een asbak
en aansteker (p. 160) hebt gekozen, zit er
een aansteker op de plaats van de 12V-aansluiting (p. 161) voorin en een uitneembare
asbak in de bekerhouder.
Bewaar geen parkeergeld, sleutels en soortgelijke metalen voorwerpen in de bekerhouder,
omdat dergelijke voorwerpen ertoe kunnen leiden
dat het alarm (p. 195)* ten onrechte afgaat.
Gerelateerde informatie
•
Opbergmogelijkheden (p. 158)
Hier kunt u bijvoorbeeld de gebruikershandleiding en eventuele kaarten in opbergen. Aan de
binnenkant van de klep zit een houder voor pennen. Het dashboardkastje is te vergrendelen*
(p. 189) met het sleutelblad (p. 179).
Gerelateerde informatie
•
Opbergmogelijkheden (p. 158)
Gerelateerde informatie
•
•
160
Opbergmogelijkheden (p. 158)
Middenconsole - aansteker en asbak*
(p. 160)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Inlegmatten*
Make-upspiegel
Middenconsole - 12V-aansluiting
De inlegmatten vangen bijvoorbeeld vuil en natte
sneeuw op. Volvo biedt inlegmatten die speciaal
vervaardigd zijn.
De make-upspiegel zit aan de achterkant van de
zonneklep.
De elektrische aansluitingen (12 V) vindt u naast
de bekerhouder1 en achter in de middenconsole.
WAARSCHUWING
Gebruik voor alle zitplaatsen slechts één
inlegmat tegelijk en controleer alvorens weg
te rijden of de mat voor de bestuurdersstoel
goed in de bevestigingsklemmen op de vloer
vastzit om te voorkomen dat deze kan gaan
glijden en achter of onder de pedalen blijft
haken.
Gerelateerde informatie
•
Interieur reinigen (p. 411)
Make-upspiegel met verlichting.
De verlichting van de make-upspiegel (aan zowel
de bestuurderszijde* als de passagierszijde)
wordt bij het openen en sluiten van het klepje inen uitgeschakeld.
12V-aansluiting in middenconsole, voorin.
Gerelateerde informatie
•
1
Lamp vervangen - verlichting make-upspiegel (p. 384)
Bij specificatie van een asbak en aansteker vervallen de bekerhouders en de 12V-aansluiting ernaast.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 161
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
||
G021440
N.B.
12V-aansluiting in middenconsole, achterin.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen,
mediaspelers of mobiele telefoons. De transpondersleutel moet ten minste in contactslotstand I
(p. 86) staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten, als
u deze niet gebruikt.
162
Extra uitrusting en accessoires – zoals beeldschermen, mediaspelers en mobiele telefoons
– die zijn aangesloten op een van de 12Vaansluitingen in de passagiersruimte worden
mogelijk geactiveerd door de klimaatregeling,
ook al is de transpondersleutel uitgenomen of
de auto vergrendeld, als bijvoorbeeld de
standverwarming ingesteld is om op een
bepaalde tijd in te schakelen.
N.B.
De compressor van de noodreparatieset voor
banden (p. 353) is door Volvo getest en
goedgekeurd.
Gerelateerde informatie
•
Middenconsole - aansteker en asbak*
(p. 160)
•
12V-aansluiting - bagageruimte* (p. 165)
Trek daarom wanneer u de extra uitrusting of
accessoires niet gebruikt de stekkers uit de
elektrische aansluitingen, omdat de startaccu
anders uitgeput kan raken!
BELANGRIJK
U kunt maximaal 10 A (120 W) via de aansluiting afnemen bij gebruik van één aansluiting tegelijk. Bij gelijktijdig gebruik van de
beide aansluitingen in de tunnelconsole geldt
een waarde van 7,5 A (90 W) per aansluiting.
Als de compressor voor bandenreparatie op
een van de beide aansluitingen is aangesloten, mag er op de andere aansluiting geen
stroomverbruiker aangesloten zijn.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Lading vervoeren
•
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto.
Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
•
Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen vast.
Het laadvermogen dient te worden verminderd
met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires.
Voor uitvoerige informatie over gewichten, zie
Gewichten (p. 420).
De achterklep is te openen met een
knop op het verlichtingspaneel of met
de transpondersleutel, zie Vergrendelen/ontgrendelen - achterklep (p. 189).
WAARSCHUWING
Afhankelijk van het gewicht en de positie van
de lading verandert het rijgedrag van de auto.
Aandachtspunten bij in-/uitladen
•
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning
van de achterbank.
Let erop dat het WHIPS niet door voorwerpen
mag worden gehinderd, als een of meer ruggedeelten van de achterbank zijn neergeklapt,
zieWHIPS - zithouding (p. 40).
•
•
Plaats de last in het midden.
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op neergeklapte ruggedeelten.
WAARSCHUWING
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Verankeringsogen (p. 165)
Bagagenet* (p. 166)
Lading vervoeren - lange lading (p. 164)
Lading op het dak (p. 164)
Een los voorwerp van 20 kg kan zich bij een
frontale botsing op een snelheid van 50 km/h
(30 mph) gedragen als een voorwerp van
1000 kg.
WAARSCHUWING
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding mogelijk geen bescherming meer.
•
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen en hoeken af met iets
zachts.
Zet de motor af en schakel de parkeerrem in
bij het in- en uitladen van lange voorwerpen.
Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen de
versnellingspook of keuzehendel aan komen
en zo per ongeluk een versnelling inschakelen
– de auto kan dan in beweging komen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 163
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Lading vervoeren - lange lading
Lading op het dak
Om het in- en uitladen (p. 163) van de bagageruimte te vereenvoudigen, kunt u de ruggedeelten van de achterbank neerklappen. Voor het
vervoer van extra lange lading kunt u ook de rugleuning van de passagiersstoel2 omklappen*.
Voor vervoer van lading op het dak adviseren we
u de door Volvo ontwikkelde lastdragers. Dit om
schade aan de auto te voorkomen en voor maximale veiligheid tijdens het rijden.
Ruggedeelte achterbank omklappen
Voor het omklappen van de ruggedeelten van de
achterbank, zie Achterbank (p. 90).
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 163)
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
•
Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading stevig vast met sjorbanden.
•
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig
over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop.
•
Naarmate u meer lading op het dak vervoert,
vangt de auto meer wind en neemt het
brandstofverbruik toe.
•
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de auto.
Voor informatie over de maximale dakbelasting, inclusief lastdragers en een eventuele
dakbox, zie Gewichten (p. 420).
2
164
Geldt alleen voor stoelen type comfort.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Verankeringsogen
Lading vervoeren - houder voor
boodschappentassen*
12V-aansluiting - bagageruimte*
Met de houder voor boodschappentassen kunt
u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat
ze omvallen en hun inhoud over de vloer van de
bagageruimte verspreiden.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen,
mediaspelers of mobiele telefoons.
G017745
De inklapbare verankeringsogen in de bagageruimte gebruikt u om bagagebanden aan vast te
zetten.
WAARSCHUWING
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die
liggen of uitsteken kunnen bij krachtig afremmen letsel veroorzaken.
Zet grote en zware voorwerpen altijd met de
veiligheidsgordel of een spanband vast.
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 163)
Houder voor boodschappentassen onder het vloerluik.
1.
Klap de houder omhoog die deel uitmaakt
van het vloerluik.
2.
Zet de boodschappentassen met de spanband vast en bevestig de draaggrepen aan
de haken.
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 163)
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting
te komen.
•
Via de aansluiting is ook stroom af te nemen,
wanneer de transpondersleutel niet in het
contactslot steekt.
BELANGRIJK
Max. 10 A (120 W).
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 165
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
||
N.B.
Denk eraan dat als de elektrische aansluiting
word gebruikt als de motor uit is, de startaccu
van de auto kan ontladen.
N.B.
Bagagenet*
•
Een bagagenet voorkomt dat bagage in de
bagageruimte bij krachtig afremmen de passagiersruimte in worden geslingerd.
Montage achterin – achter het ruggedeelte
van de achterbank
•
Montage voorin – achter de rugleuning van
de voorstoelen.
Het veiligheidsnet wordt aan vier bevestigingspunten vastgezet.
De compressor van de noodreparatieset voor
banden is door Volvo getest en goedgekeurd.
Voor informatie over het gebruik van de aanbevolen noodreparatieset voor banden (TMK)
van Volvo, zie Noodreparatieset voor banden*
(p. 353).
Aanbrengen
N.B.
Het veiligheidsnet wordt het eenvoudigst via
het ene achterportier gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
WAARSCHUWING
Lading in de bagageruimte moet goed worden vastgezet, ook met een correct gemonteerd veiligheidsnet.
Middenconsole - 12V-aansluiting (p. 161)
WAARSCHUWING
Veiligheidsnet.
Een veiligheidsnet voorkomt dat bagage of huisdieren in de bagageruimte bij krachtig afremmen
de passagiersruimte in worden geslingerd. U
moet het veiligheidsnet, uit voorzorg, altijd op de
juiste manier bevestigen en verankeren.
Het is noodzakelijk dat u controleert of de
bovenste bevestigingen van het veiligheidsnet
goed gemonteerd zijn en of de karabijnhaken
veilig zijn vastgehaakt.
Een beschadigd net mag niet worden
gebruikt.
Het net is gemaakt van stevig nylonmateriaal en
kan op twee verschillende plaatsen in de auto
worden bevestigd:
166
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Montage achterin
1. Vouw het bagagenet open.
2.
Haak de karabijnhaken van het bagagenet
vast in de vloerverankeringsogen voor in de
bagageruimte. Zorg dat de opbergvakken van
het bagagenet aan de achterkant zitten.
2.
Haak de karabijnhaken van het bagagenet
vast in de verankeringsogen achter op de
stoelrails – dit gaat eenvoudiger als u de rugleuningen rechtop zet en de stoelen iets verder naar voren zet. Zorg dat de opbergvakken
van het bagagenet aan de achterkant zitten.
3.
Haak de ene bevestigingshaak van het net
vast aan de voorste plafondbevestiging.
4.
Haak de andere bevestigingshaak van het
net vast aan de plafondbevestiging aan de
tegenoverliggende zijde.
Let erop dat u de bevestigingshaken van het
net in de voorste eindstand van de beide plafondbevestigingen duwt.
Demonteren en opbergen
Het bagagenet is eenvoudig te demonteren en
op te vouwen.
Montage achterin.
3.
Haak de ene bevestigingshaak van het net
vast aan de achterste plafondbevestiging.
4.
Haak de andere bevestigingshaak van het
net vast aan de plafondbevestiging aan de
tegenoverliggende zijde.
Let erop dat u de bevestigingshaken van het
net in de voorste eindstand van de beide plafondbevestigingen duwt.
Montage voorin
1. Vouw het bagagenet open.
Montage voorin.
Let erop dat u de stoel/rugleuning niet te
hard tegen het net duwt bij het terugduwen
van de stoel – zorg dat de stoel/rugleuning
het net precies raakt.
BELANGRIJK
1.
Druk de verende delen van de karabijnhaken
in en maak de karabijnhaken los uit de ogen.
2.
Maak de bevestigingshaken van het net los
uit de plafondbevestigingen.
3.
Vouw het net op.
Het ingeklapte en opgerolde veiligheidsnet kan
worden opgeborgen onder de vloer in de bagageruimte.
Gerelateerde informatie
•
•
Lading vervoeren (p. 163)
Veiligheidsrek (p. 168)
Als de stoel/rugleuning te hard achteruitgeduwd wordt tegen het veiligheidsnet, kan het
net en/of zijn plafondbevestigingen beschadigd raken.
167
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Veiligheidsrek
Een veiligheidsrek voorkomt dat bagage of huisdieren in de bagageruimte bij krachtig afremmen
de passagiersruimte in worden geslingerd.
plafond op te klappen is en zo niet in de weg zit
als u de bagageruimte wenst te verlengen. U
kunt het veiligheidsrek desgewenst demonteren
en uit de auto nemen.
Bagagerolhoes
Voor informatie over het vereiste gereedschappen en de te volgen methode bij montage/
demontage, zie de montagevoorschriften3 die bij
aankoop bijgeleverd werden.
G031977
Bij het terugplaatsen moet u het veiligheidsrek,
uit voorzorg, altijd op de juiste manier bevestigen
en verankeren.
G031978
Gerelateerde informatie
Opklappen
Pak het veiligheidsrek helemaal onderaan beet
en trek het naar achteren/omhoog.
BELANGRIJK
Het veiligheidsrek is niet op of neer te klappen, wanneer een bagageafdekking gemonteerd is.
Monteren/demonteren
Normaal laat u het veiligheidsrek gemonteerd in
de auto zitten, omdat het eenvoudig tegen het
3
168
•
•
•
Bagagenet* (p. 166)
Lading vervoeren (p. 163)
Verankeringsogen (p. 165)
Trek de bagagerolhoes over de lading heen uit
en haak de hoes vast in de uitsparingen die bij de
achterste stijlen van de bagageruimte zitten.
BELANGRIJK
Het veiligheidsrek is niet op of neer te klappen, wanneer de bagageafdekking gemonteerd is.
Bagagerolhoes bevestigen
Breng het ene eindstuk van de rolhoes aan
in de holte van het zijpaneel.
Breng het andere eindstuk van de rolhoes
aan in de tegenoverliggende holte.
Montagevoorschriften nr. 30715972.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Duw beide kanten vast. De rolhoes moet
hoorbaar vastklikken en de rode markering
moet verdwijnen.
> Controleer of beide eindstukken vergrendeld zijn.
Bagagerolhoes verwijderen
1.
Duw op de knop van het ene eindstuk en til
het uit de holte.
2.
Kantel de rolhoes voorzichtig omhoog en
naar buiten, zodat het andere eindstuk automatisch loskomt.
Achterste dekplaat bagagerolhoes
omlaagklappen
Bij een opgerolde bagagerolhoes steekt de dekplaat achter aan de rolhoes horizontaal iets uit in
de bagageruimte.
–
Trek de dekplaat voorzichtig naar achteren
van de consoles af en klap de plaat omlaag.
Gerelateerde informatie
•
•
Lading vervoeren (p. 163)
Lading vervoeren - lange lading (p. 164)
169
SLOTEN EN ALARM
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel
U gebruikt de transpondersleutel voor onder
meer vergrendelen/ontgrendelen en het starten
van de motor.
Er zijn twee transpondersleutelvarianten: een
transpondersleutel in basisuitvoering en een
transpondersleutel met PCC (Personal Car
Communicator)*.
Functies
Vergrendelen/ontgrendelen en afneembaar
sleutelblad
A
B
BasisA
met
PCCB
X
X
Passieve vergrendeling/
ontgrendeling
X
Keyless start
X
Info-knop en controlelampjes
X
Alle transpondersleutel zijn voorzien van een
afneembaar sleutelblad (p. 179) van metaal. Het
zichtbare deel bestaat in twee uitvoeringen om
de transponders van elkaar te kunnen onderscheiden.
Er zijn meer transpondersleutels bij te stellen,
maar alleen in de varianten die bij de auto geleverd werden. Voor dezelfde auto kunnen tot zes
sleutels worden geprogrammeerd en gebruikt.
Bij de auto worden twee transpondersleutels
geleverd.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn:
Denk eraan altijd de stroom naar de elektrisch
bedienbare ramen en het dakluik te onderbreken door de transpondersleutel eruit te halen
wanneer de bestuurder de auto verlaat.
Transpondersleutel - verlies
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u een
nieuwe bestellen bij een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Neem de resterende transpondersleutels mee
naar de Volvo-werkplaats. Ter voorkoming van
diefstal moet de code van de zoekgeraakte transpondersleutel uit het systeem worden gewist.
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - functies (p. 176)
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - functies (p. 176)
5-knops sleutel
6-knops sleutel
Een transpondersleutel met PCC heeft meer
functies dan een transpondersleutel in basisuitvoering, waaronder ondersteuning voor passieve
start en ontgrendeling/vergrendeling/ontgrendeling (Keyless drive (p. 182)) en enkele unieke
functies (p. 177).
172
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel personalisering*
Dankzij het sleutelgeheugen van de transpondersleutel (p. 172) zijn bepaalde instellingen van de
auto te personaliseren.
Het sleutelgeheugen is te gebruiken voor bijvoorbeeld de elektrische bedienbare* bestuurdersstoel.
Instellingen voor de buitenspiegels (p. 111),
bestuurdersstoel, stuurbekrachtiging (p. 200)
alsook de thema-, contrast- en kleurinstellingen
(p. 71) van het instrumentenpaneel zijn op te
slaan in het geheugen afhankelijk van het uitrustingsniveau van de auto.
U kunt de functie1 activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
Bij een geactiveerde functie worden de instellingen automatisch gekoppeld aan het sleutelgeheugen. Dit betekent dat een wijziging in een van
de instellingen automatisch wordt opgeslagen in
het geheugen voor de desbetreffende transpondersleutel.
Instellingen vastleggen
Doe het volgende om de instellingen op te slaan
en gebruik te maken van het sleutelgeheugen in
de transpondersleutel:
1.
ontgrendelingsknop op de transpondersleutel
indrukken. Het bestuurdersportier dient daarbij
open te staan.
WAARSCHUWING
Ontgrendel de auto met de transpondersleutel met het geheugen waarin u de instelling2
wilt opslaan.
2.
Zorg dat het sleutelgeheugen altijd geactiveerd staat in het menusysteem MY CAR.
3.
Verricht de gewenste instellingen van bijvoorbeeld de stoel en de buitenspiegels.
4.
De instellingen worden opgeslagen in het
geheugen van de actuele transpondersleutel.
De volgende keer dat u de auto ontgrendelt met
dezelfde transpondersleutel, nemen de stoel en
de buitenspiegels automatisch de standen in die
in het sleutelgeheugen opgeslagen zijn, op voorwaarde dat deze zijn gewijzigd ten opzichte van
de vorige keer dat u deze transpondersleutel
gebruikte.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt, kunt
u op een van de verstellingsknoppen of geheugenknoppen van de stoel drukken om de stoel
tot stilstand te brengen.
Beknellingsgevaar! Zorg ervoor dat kinderen
niet met de bediening spelen. Controleer of er
bij het instellen geen voorwerpen voor, achter
of onder de stoel liggen. Zorg dat geen van
de passagiers op de achterbank bekneld kan
raken.
Instellingen wijzigen
Als meerdere personen met elk hun eigen transpondersleutel naar de auto lopen, nemen bijvoorbeeld de bestuurdersstoel en de buitenspiegels
de stand in die ligt opgeslagen in de sleutel van
degene die het bestuurdersportier opent.
Als het bestuurdersportier bijvoorbeeld is
geopend door persoon A met
transpondersleutel A, maar persoon B met
transpondersleutel B zal gaan rijden, zijn de
instellingen als volgt te wijzigen:
•
Staand naast het bestuurdersportier of zittend achter het stuur drukt persoon B op de
ontgrendelingstoets van zijn transponder-
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten moet u de
1
2
Heet Sleutelgeheugen in MY CAR.
Deze instelling is niet van invloed op de instellingen die zijn opgeslagen met de geheugenfunctie voor de elektrisch bedienbare stoel.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 173
SLOTEN EN ALARM
||
sleutel, zie Transpondersleutel - functies
(p. 176).
•
Kies een van de drie mogelijk positiegeheugens voor de stoel met de stoelknoppen 1–3,
zie Voorstoelen - elektrisch bediend* (p. 88).
•
Zet de stoel en de buitenspiegels handmatig
in de juiste stand, zie Voorstoelen - elektrisch
bediend* (p. 88) en Buitenspiegels (p. 111).
Voor auto's met Keyless start en
ontgrendeling/vergrendeling
Het sleutelgeheugen wordt in de volgende gevallen geactiveerd:
1.
De auto wordt ontgrendeld met een druk op
de ontgrendelingsknop van de transpondersleutel of via passieve ontgrendeling.
2.
Als de auto onvergrendeld staat wordt bij het
openen van het bestuurdersportier een sleutelscan verricht. Wanneer er een unieke
transpondersleutel wordt gevonden, worden
de opgeslagen instellingen ervan geactiveerd. Zie het voorgaande punt als de auto
vergrendeld staat.
Instellingen herstellen
Wanneer automatische hervergrendeling van de
auto plaatsvindt omdat deze 30 minuten onvergrendeld heeft gestaan, wordt het sleutelgeheugen gedeactiveerd en in plaats daarvan een standaardbestuurdersprofiel gehanteerd. Om in het
gegeven geval het laatst gebruikte sleutelgeheugen weer te activeren is het volgende vereist.
Voor auto's zonder Keyless start en
ontgrendeling/vergrendeling
De instellingen in het sleutelgeheugen worden
geactiveerd, wanneer u de auto ontgrendelt met
een druk op de ontgrendelingsknop van de transpondersleutel.
3
174
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel met PCC* - unieke functies (p. 177)
Vergrendelen/ontgrendelen indicatie
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel (p. 172), lichten de
richtingaanwijzers een bepaald aantal malen op
om aan te geven dat de auto op de juiste manier
vergrendeld/ontgrendeld is.
•
Vergrendelen – eenmaal oplichten en de buitenspiegels worden ingeklapt3.
•
Ontgrendelen – tweemaal oplichten en de
buitenspiegels worden uitgeklapt3.
Bij het vergrendelen gebeurt dit alleen als alle
portieren na het sluiten correct zijn vergrendeld.
Functie kiezen
In het menusysteem MY CAR van de auto zijn
verschillende opties in te stellen voor bevestiging
bij vergrendeling/ontgrendeling middels lichtsignalen. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless Drive* (p. 182)
Alarmindicatie (p. 196)
Alleen auto’s met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
Elektronische startblokkering
Melding
Betekenis
De elektronische startblokkering is een anti-diefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de
auto kunnen starten.
Plaats
sleutel
Storing tijdens het uitlezen van
de transpondersleutel tijdens
het starten. Sleutel uit het contactslot trekken, er weer in
drukken en een nieuwe startpoging doen.
Autosleutel niet
gevonden
Storing tijdens het uitlezen van
de transpondersleutel tijdens
het starten. Nieuwe startpoging
doen.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde Volvodealer voor meer informatie over het systeem en
hulp bij de activering ervan.
Als de storing aanhoudt: Transpondersleutel in het contactsleutel duwen en een nieuwe
startpoging doen.
•
•
Elke transpondersleutel (p. 172) heeft zijn eigen,
unieke code. U kunt de auto alleen starten, wanneer u een transpondersleutel met de juiste code
gebruikt.
De onderstaande foutmeldingen op het bestuurdersdisplay houden verband met de elektronische
startblokkering:
Startblokkering
Start
opnieuw
Op afstand bediende
startblokkering met
opsporingssysteem*
De op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem4 maakt het mogelijk om de
auto op te sporen en te lokaliseren alsmede op
afstand de startblokkering te activeren, zodat de
motor afslaat.
Gerelateerde informatie
Transpondersleutel (p. 172)
Elektronische startblokkering (p. 175)
Storing in het startblokkeringssysteem tijdens het starten. Als
de storing aanhoudt: Neem dan
contact op met een werkplaats.
Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Voor het starten van de auto, zie Motor starten
(p. 286).
Gerelateerde informatie
•
4
Op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem* (p. 175)
Alleen bepaalde markten en in combinatie met Volvo On Call*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 175
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel - functies
Bij lang indrukken worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend. Voor meer informatie, zie Doorluchtfunctie (p. 188).
De transpondersleutel in basisuitvoering heeft
functies voor bijvoorbeeld vergrendeling en ontgrendeling van de portieren.
De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren is
dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal indrukken
van de knop eerst het bestuurdersportier ontgrendeld wordt en bij de tweede maal indrukken
– één en ander binnen tien seconden – de resterende portieren te ontgrendelen.
Functies
Transpondersleutel met PCC*( Personal Car
Communicator).
Informatie
Functietoetsen
Transpondersleutel in basisuitvoering.
Vergrendelen
Ontgrendelen
Approach-verlichting
Achterklep
Paniekfunctie
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en de achterklep en activeert het alarm.
Bij lang indrukken worden alle zijruiten en het
schuif-/kanteldak* tegelijkertijd gesloten. Voor
meer informatie, zie Doorluchtfunctie (p. 188).
WAARSCHUWING
Als schuifdak en ruiten met de transpondersleutel worden gesloten, moet u controleren
of er geen handen bekneld raken.
Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren
en de achterklep en deactiveert het alarm.
176
U kunt de functie wijzigen in het menusysteem
MY CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
Duur naderingslicht – Bestemd om de verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
Voor meer informatie, zie Approach-verlichting
(p. 106).
Achterklep – Ontgrendelt alleen de achterklep en deactiveert de alarmfunctie voor de achterklep. Voor meer informatie, zie Vergrendelen/
ontgrendelen - achterklep (p. 189). Bij auto's
met elektrische achterklepbediening (p. 191)*
wordt de klep geopend bij lang indrukken.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de toets ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen 3
seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers,
de interieurverlichting en de claxon geactiveerd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
U kunt deze functie met dezelfde toets weer uitschakelen, als de functie minimaal 5 seconden
actief geweest is. Anders wordt deze functie na
ca. 3 minuten automatisch uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Transpondersleutel (p. 172)
Transpondersleutel met PCC* - unieke functies (p. 177)
Transpondersleutel - bereik
De functies van de transpondersleutel (in basisuitvoering) zijn tot op ca. 20 meter afstand van
de auto te gebruiken.
Als de auto niet reageert bij bediening van een
toets – probeer het dan op minder grote afstand
opnieuw.
Transpondersleutel met PCC* unieke functies
Een transpondersleutel met PCC (Personal Car
Communicator) heeft extra functies ten opzichte
van een transpondersleutel in basisuitvoering
(p. 172) in de vorm van een informatieknop en
controlelampjes.
N.B.
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant (p. 187)
Er kunnen storingen optreden in de transpondersleutelfuncties door radiogolven in de
lucht, omringende gebouwen, topografische
omstandigheden e.d. Het is altijd mogelijk de
auto te vergrendelen/ontgrendelen met het
sleutelblad (p. 180).
Als u de transpondersleutel uit de auto neemt
terwijl de motor draait, sleutelstand I of II (p. 85)
actief is of alle portieren worden gesloten, verschijnt er een waarschuwingsmelding op het
bestuurdersdisplay en klinkt er een kort geluidssignaal.
Transpondersleutel met PCC.
De melding verdwijnt wanneer u, nadat de transpondersleutel weer in de auto terug is gebracht,
op de knop OK drukt of wanneer alle portieren
weer dichtstaan.
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan de
hand van de controlelampjes.
Informatietoets
Controlelampjes
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel (p. 172)
Transpondersleutel - functies (p. 176)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 177
SLOTEN EN ALARM
||
Transpondersleutel met PCC* bereik
Gebruik van de informatietoets
–
Druk op de informatietoets
.
> Ca. 7 seconden lang lichten de controlelampjes op de transpondersleutel om de
beurt op. Dit geeft aan dat er informatie
over de auto wordt uitgelezen.
Een transpondersleutel met PCC (Personal Car
Communicator) heeft voor vergrendeling en ontgrendeling van de portieren en de achterklep
een bereik van ca. 20 meter en ca. 100 meter
voor de overige functies.
Als u gedurende dit tijdsbestek op een
van de andere knoppen drukt, wordt de
uitlezing beëindigd.
Als de auto niet reageert bij bediening van een
toets – probeer het dan op minder grote afstand
opnieuw.
N.B.
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de informatietoets – op verschillende tijdstippen en
verschillende plaatsen – blijkt dat geen van de
controlelampjes gaat branden (en dat evenmin na 7 seconden alsook nadat de controlelampjes op de PCC om de beurt oplichtten),
dient u contact op te nemen met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld.
Continu rood licht: het alarm is afgegaan na
vergrendeling van de auto.
De beide rode controlelampjes lichten beurtelings rood op: het alarm is minder dan 5
minuten geleden afgegaan.
Gerelateerde informatie
De controlelampjes verstrekken informatie zoals
aangegeven op de volgende afbeelding:
•
Transpondersleutel met PCC* - bereik
(p. 178)
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatieknop door radiogolven in de
lucht, omringende gebouwen, topografische
omstandigheden e.d.
Buiten het bereik van de
transpondersleutel
Als de transpondersleutel dermate ver van de
auto verwijderd is dat er geen informatie over de
auto kan worden uitgelezen, wordt de laatst
bekende status van de auto weergegeven zonder
dat de controlelampjes op de transpondersleutels
om de beurt oplichten.
Als er meerdere transpondersleutels voor de auto
in gebruik zijn, geeft uitsluitend de transpondersleutel waarmee u de auto de laatste keer vergrendelde/ontgrendelde de juiste status aan.
178
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
N.B.
Als binnen het bereik van de transpondersleutel geen van de controlelampjes
brandt bij het indrukken van de informatietoets, vertoont de communicatie tussen de
transpondersleutel en de auto mogelijk storingen onder invloed van radiogolven in de
lucht, omringende gebouwen, topografische
omstandigheden e.d.
Gerelateerde informatie
•
Keyless drive* - bereik transpondersleutel
(p. 183)
•
Transpondersleutel - bereik (p. 177)
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad waarmee u enkele functies
kunt activeren en bepaalde handelingen kunt uitvoeren.
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Afneembaar sleutelblad verwijderen/aanbrengen
Het verwijderen/aanbrengen van het afneembare
sleutelblad (p. 179) gaat als volgt:
Sleutelblad verwijderen
Functies sleutelblad
U kunt het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel gebruiken om:
•
het bestuurdersportier handmatig te ontgrendelen, als de centrale vergrendeling niet te
bedienen is vanaf de transpondersleutel, zie
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 180).
•
het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren/deactiveren (p. 194).
•
de toegang tot het dashboardkastje te blokkeren.
•
de airbag voor de voorpassagier (PACOS*) te
activeren/deactiveren (p. 35).
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel - functies (p. 176)
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar achteren.
Sleutelblad aanbrengen
Plaats het sleutelblad voorzichtig terug in de
transpondersleutel (p. 172).
1.
Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
2.
Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad
goed vastzit.
Transpondersleutel (p. 172)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 179
SLOTEN EN ALARM
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 180)
Kinderslot - handmatige activering (p. 194)
Passagiersairbag - activering/deactivering*
(p. 35)
Afneembaar sleutelblad - portier
ontgrendelen
Het afneembare sleutelblad (p. 179) is te
gebruiken als de centrale vergrendeling niet kan
worden geactiveerd met de transpondersleutel
(p. 172), bijvoorbeeld als de batterij van de sleutel leeg is.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel (p. 172)
Transpondersleutel - batterij vervangen
(p. 181)
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurdersportier
op de volgende manier ontgrendelen en openen:
1.
Ontgrendel het bestuurdersportier met het
sleutelblad in de slotcilinder van de portierhandgreep. Voor een afbeelding en meer
informatie, zie Keyless Drive* - ontgrendelen
met sleutelblad (p. 185).
N.B.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendeld hebt en vervolgens opent, gaat
het alarm af.
2.
Schakel het alarm uit door de transpondersleutel in het contactslot te steken.
Voor een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling, zie Keyless Drive* - ontgrendelen met sleutelblad (p. 185).
180
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel - batterij
vervangen
N.B.
Keer de transpondersleutel met de knoppen
naar boven om te voorkomen dat de batterijen
eruit vallen als deze wordt geopend.
U moet de batterij5 in de transpondersleutel
mogelijk vervangen.
U moet de batterij in de transpondersleutel vervangen, als:
•
BELANGRIJK
het informatiesymbool op het instrumentenpaneel oplicht en Batterij autosleutel bijna
leeg Zie instructieboek op het display verschijnt
Raak nieuwe accu's en hun contactvlakken
niet met uw vingers aan, aangezien de werking hierdoor verslechtert.
en/of
•
Batterij vervangen
de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van 20
meter rond de auto bevindt.
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde –.
Transpondersleutel (één batterij)
Openen
1.
Werk de batterij voorzichtig los.
2.
Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Steek een kruiskopschroevendraaier met
een dikte van 3 mm in de opening achter de
veerbelaste pal en werk de transpondersleutel voorzichtig open.
5
Een transpondersleutel met PCC heeft twee batterijen.
Transpondersleutel met PCC* (twee
batterijen)
1.
Werk de batterijen voorzichtig los.
2.
Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde (+)
omhoog.
3.
Leg het witte plasticvel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 181
SLOTEN EN ALARM
||
Batterijtype
Gebruik batterijen met de aanduiding
CR2430, 3 V (één in een transpondersleutel in
basisuitvoering, twee in een transpondersleutel
met PCC).
N.B.
Volvo adviseert u om batterijen voor de transpondersleutel/PCC te gebruiken die voldoen
aan UN Manual of Test and Criteria, Part III,
sub-section 38.3. Voor batterijen die in de
fabriek zijn geplaatst of in een erkende Volvowerkplaats zijn vervangen is dit het geval.
In elkaar zetten
1.
Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2.
Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
3.
Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad
goed vastzit.
BELANGRIJK
Let erop dat lege batterijen op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt.
6
182
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel (p. 172)
Transpondersleutel - functies (p. 176)
Keyless Drive*
Auto's uitgerust met Keyless Drive zijn voorzien
van een passief start- en vergrendelingssysteem.
Met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling is de auto te starten, vergrendelen en ontgrendelen zonder dat de transpondersleutel
(p. 172)6 daarvoor in het contactslot hoeft te zitten. U hoeft de transpondersleutel alleen bij u te
dragen in bijvoorbeeld een binnenzak. Het systeem maakt het bijvoorbeeld eenvoudiger om de
auto te openen, wanneer u bijvoorbeeld uw handen vol hebt.
Beide transpondersleutels die bij de auto worden
geleverd ondersteunen het Keyless-systeem. U
kunt meer transpondersleutels bijbestellen.
Het elektrische systeem van de auto kan in drie
verschillende standen worden gezet - sleutelstand 0, I en II (p. 86) - met de transpondersleutel.
Gerelateerde informatie
•
Keyless drive* - bereik transpondersleutel
(p. 183)
•
Keyless Drive* - veilig gebruik van de transpondersleutel (p. 183)
•
Keyless Drive* - storingen in de functie van
de transpondersleutel (p. 184)
Geldt alleen voor een transpondersleutel met PCC.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
Keyless drive* - bereik
transpondersleutel
Om een portier of de achterklep automatisch te
ontgrendelen zonder knoppen op de transpondersleutel in te drukken, moet de transpondersleutel7 zich binnen een straal van 1,5 meter
rond de portierhandgrepen of de achterklep
bevinden.
U moet de transpondersleutel bij u dragen om
een portier te vergrendelen of ontgrendelen.
Wanneer u aan de ene kant van de auto staat, is
het niet mogelijk om met de transpondersleutel
een portier aan de andere kant te vergrendelen
of ontgrendelen.
Als u alle transpondersleutels uit de auto neemt
terwijl de motor draait, contactslotstand I of II
(p. 86) actief is of alle portieren worden gesloten,
verschijnt er een waarschuwingsmelding op het
bestuurdersdisplay en klinkt er een geluidssignaal.
Wanneer de transpondersleutel weer in de auto
wordt geplaatst, dooft de waarschuwingsmelding
en houdt het geluidssignaal op in de volgende
gevallen:
•
•
er is een portier geopend of gesloten;
•
de OK-knop is ingedrukt.
de transpondersleutel is in het contactslot
gestoken
Keyless Drive* - veilig gebruik van
de transpondersleutel
Pas goed op alle transpondersleutels van de
auto.
Als u een van de transpondersleutels8 in de auto
vergeet, worden de Keyless-functies bijvoorbeeld
bij het vergrendelen van de auto gedeactiveerd.
Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet
meer mee openen.
De volgende keer dat u de auto ontgrendelt met
een andere transpondersleutel, wordt de transpondersleutel die u in de auto was vergeten weer
geactiveerd.
BELANGRIJK
Gerelateerde informatie
•
•
Laat de transpondersleutel met PCC niet
onbeheerd in de auto liggen. Als iemand
inbreekt in de auto en de transpondersleutel
vindt, is het onder meer mogelijk om de auto
de starten door de transpondersleutel in het
contactslot te plaatsen en vervolgens op de
knop START/STOP ENGINE te drukken.
Keyless Drive* (p. 182)
Keyless Drive* - locatie antennes (p. 186)
Gerelateerde informatie
•
Keyless Drive* (p. 182)
De rode cirkels op de bovenstaande afbeelding
geven het bereik van de systeemantennes aan.
7
8
Geldt voor een transpondersleutel met PCC (Personal Car Communicator).
Geldt voor een transpondersleutel met PCC (Personal Car Communicator).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 183
SLOTEN EN ALARM
Keyless Drive* - storingen in de
functie van de transpondersleutel
De Keyless-functies (p. 182) kunnen gestoord
worden door elektromagnetische velden en
afschermingen.
Keyless Drive* - vergrendelen
N.B.
Auto's met Keyless start en ontgrendeling/
vergrendeling zijn voorzien van een knop voor
vergrendeling/ontgrendeling op de buitenhandgreep van de portieren.
N.B.
Op auto's met een automatische versnellingsbak moet de keuzehendel in de P-stand
staan. Anders kan de auto niet worden vergrendeld of op alarm worden gezet.
Gerelateerde informatie
Plaats/bewaar de PCC niet in de buurt van
een mobiele telefoon of metalen voorwerpen.
Houd een minimale afstand aan van 10-15
cm.
•
•
Keyless Drive* (p. 182)
Alarmindicatie (p. 196)
Als er desondanks toch storingen optreden, is de
transpondersleutel en het sleutelblad te gebruiken als een transpondersleutel in basisuitvoering,
zie Transpondersleutel - functies (p. 176).
Gerelateerde informatie
184
•
Transpondersleutel - batterij vervangen
(p. 181)
•
Keyless Drive* - veilig gebruik van de transpondersleutel (p. 183)
•
Keyless drive* - bereik transpondersleutel
(p. 183)
Bij auto's met Keyless Drive zit er een knop op de buitenhandgreep van de portieren.
Vergrendel de portieren en de achterklep door op
de vergrendelingsknop op een van de portierhandgrepen aan de buitenkant te drukken.
Alle portieren inclusief de achterklep moeten zijn
gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen –
de auto wordt anders niet vergrendeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
Keyless Drive* - ontgrendelen
Er wordt ontgrendeld wanneer iemand een portierhandgreep beetpakt of op het met rubber
beklede drukplaatje van de achterklep drukt –
open het portier of de achterklep op de normale
manier.
Keyless Drive* - ontgrendelen met
sleutelblad
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker voorportier
ontgrendelen of vergrendelen met het afneembare sleutelblad.
1.
Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht omhoog
in de opening aan de onderkant van de portierhandgreep/afdekking – niet wrikken.
> De kunststof afdekking komt automatisch
los, wanneer u het blad recht omhoog de
opening induwt.
2.
Steek het sleutelblad vervolgens in de slotcilinder en ontgrendel het portier.
3.
Plaats de kunststof afdekking na ontgrendeling terug.
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless Drive* (p. 182)
Keyless Drive* - vergrendelen (p. 184)
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendeld hebt en vervolgens
opent, gaat het alarm af. Het wordt uitgeschakeld door de PCC in het contactslot te steken, zie Alarmsysteem - transpondersleutel
defect (p. 197).
Opening voor het sleutelblad - voor het afnemen van de
afdekking.
Om bij de slotcilinder te komen dient de kunststof afdekking van de portierhandgreep te worden verwijderd – ook dit vindt plaats met het
sleutelblad:
Gerelateerde informatie
•
•
•
Keyless Drive* (p. 182)
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 179)
Alarm (p. 195)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 185
SLOTEN EN ALARM
Keyless Drive* vergrendelingsinstellingen
De vergrendelingsinstellingen voor auto's met
passieve start en ontgrendeling/vergrendeling
zijn aan te passen door in het menusysteem MY
CAR aan te geven welke portieren er ontgrendeld moeten worden.
Keyless Drive* - locatie antennes
WAARSCHUWING
Auto's met Keyless start en ontgrendeling/
vergrendeling zijn voorzien van een aantal antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn
in de auto.
Personen met een pacemaker mogen niet
dichter dan 22 cm bij de antennes van het
Keyless-systeem komen. Hierdoor voorkomt u
storingen tussen de pacemaker en het Keyless-systeem.
Gerelateerde informatie
Voor een beschrijving van het menusysteem, zie
MY CAR (p. 121).
•
Keyless Drive* (p. 182)
Gerelateerde informatie
•
Keyless Drive* (p. 182)
Achterklep, bij de wissermotor
Portierhandgreep, linksachter
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk.
186
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf
de buitenkant
N.B.
Let erop dat het alarm afgaat, wanneer het
portier na ontgrendeling met het sleutelblad
wordt geopend – het alarm wordt uitgeschakeld, wanneer de transpondersleutel in het
contactslot wordt geplaatst.
Met de transpondersleutel (p. 172) is vergrendeling/ontgrendeling van de buitenkant mogelijk.
Met de transpondersleutel kunt u alle portieren
en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/
ontgrendelen. U hebt de keuze uit verschillende
ontgrendelingsprocedures, zie Transpondersleutel - functies (p. 176).
Om de ontgrendelingsprocedure te kunnen activeren moet het bestuurdersportier dichtstaan –
als een van de overige portieren of de achterklep
openstaat, wordt dit/deze pas na het sluiten vergrendeld en inbegrepen in het alarmsysteem.
Voor auto's uitgerust met passieve vergrendeling* moeten alle portieren en de achterklep
dichtstaan.
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met de
transpondersleutel nog in de auto.
Als u niet met de transpondersleutel kunt vergrendelen/ontgrendelen is de batterij mogelijk
leeg – vergrendel/ontgrendel het bestuurdersportier dan met het afneembare sleutelblad, zie
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/aanbrengen (p. 179).
Vergrendelen/ontgrendelen - van
de binnenzijde
Alle portieren en de achterklep kunnen tegelijkertijd worden vergrendeld of ontgrendeld met
de knop van het bestuurdersportier en het passagiersportier* voor centrale vergrendeling.
Centrale vergrendeling
WAARSCHUWING
Let op het risico van opsluiting in de auto, als
u de auto van de buitenzijde vergrendelt – de
portieren zijn dan namelijk niet meer van de
binnenzijde te openen met de portierhandgrepen.
Voor meer informatie, zie Safelock-functie*
(p. 193).
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na ontgrendeling van de
buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden alle sloten automatisch weer vergrendeld. Dit
beperkt het risico dat u de auto per ongeluk
onvergrendeld kunt laten staan. (Voor auto's met
alarmsysteem, zie Alarm (p. 195).)
Gerelateerde informatie
•
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 187)
Keyless Drive* (p. 182)
Centrale vergrendeling.
•
Druk de rechterkant
van de knop in om
om te
te vergrendelen en de linkerkant
ontgrendelen.
Wanneer u de knop lang ingedrukt houdt, worden
ook alle zijruiten tegelijkertijd geopend*.
Ontgrendelen
Een portier kan op twee manieren van de binnenkant worden ontgrendeld:
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 187
SLOTEN EN ALARM
||
•
Bij het indrukken van de knop voor centrale
vergrendeling
.
Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten*
tegelijkertijd geopend (zie ook Doorluchtfunctie
(p. 188)).
•
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant (p. 187)
•
•
Alarm (p. 195)
Transpondersleutel - functies (p. 176)
Doorluchtfunctie
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te openen
en weer te sluiten en op die manier snel voor
frisse lucht in de auto te zorgen.
Trek eenmaal aan de openingshandgreep en
laat deze vervolgens los – het portier is ontgrendeld. Wanneer u nogmaals aan de handgreep trekt wordt het portier geopend.
Vergrendelen
•
Druk nadat u de voorportieren hebt gesloten
op de knop voor de centrale vergrendeling
.
Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten en
het schuif-/kanteldak tegelijkertijd gesloten (zie
ook Doorluchtfunctie (p. 188)).
Alle portieren zijn ook afzonderlijk te vergrendelen met hun vergrendelingsknop – het portier
moet uiteraard dichtstaan.
Automatische vergrendeling
Bij het wegrijden worden de portieren en de achterklep automatisch vergrendeld.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
188
Knop voor centrale vergrendeling
Bij lang indrukken van het
-symbool op de
knop voor centrale vergrendeling of de desbetreffende knop op de transpondersleutel worden ook
alle zijruiten tegelijkertijd geopend. Wanneer u
-symbool worden alle
hetzelfde doet bij het
zijruiten gelijktijdig gesloten.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 187)
•
Elektrisch bediende ruiten (p. 109)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
Vergrendelen/ontgrendelen dashboardkastje
Dashboardkastje (p. 160) valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel.
Voor informatie over het sleutelblad, zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/aanbrengen
(p. 179).
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel (p. 172)
Vergrendelen/ontgrendelen achterklep
De achterklep is op meerdere manieren te openen, vergrendelen en ontgrendelen.
Handmatig openen
Met rubber bekleed plaatje met elektrische schakelaar.
De achterklep wordt dichtgehouden door een
elektrische vergrendeling. Om te openen:
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van het
dashboardkastje zoals op de bovenstaande
afbeelding.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
1.
Druk lichtjes op het met rubber beklede
drukplaatje onder de buitenhandgreep – de
vergrendeling wordt vrijgegeven.
2.
Til de buitenste handgreep helemaal omhoog
om de klep te openen.
Neem het sleutelblad uit.
•
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde
volgorde aan.
}}
189
SLOTEN EN ALARM
||
BELANGRIJK
•
De achterklep is met heel weinig kracht
te ontgrendelen – druk gewoon lichtjes
op het met rubber beklede plaatje.
•
Breng geen druk aan op het met rubber
beklede plaatje bij het openen van de
achterklep – maar til de handgreep op. Bij
te veel druk kan de elektrische schakelaar in het met rubber beklede plaatje
beschadigd raken.
Ontgrendelen met transpondersleutel
te geven dat niet alle onderdelen van de auto
beveiligd zijn. De niveausensoren en bewegingsmelders alsmede de sensoren in de opening van
de achterklep worden buiten werking gesteld.
Om de achterklep te ontgrendelen:
–
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
•
De achterklep wordt weliswaar ontgrendeld
maar blijft dichtstaan – druk lichtjes tegen op
het met rubber bekleding drukplaatje onder
de buitenhandgreep en open de klep.
Druk op de knop (1) op het verlichtingspaneel.
> De klep wordt ontgrendeld en kan binnen
2 minuten worden geopend (als de auto
vanaf de binnenzijde vergrendeld werd).
Vergrendelen met transpondersleutel
–
Als de klep niet binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend, wordt de klep weer vergrendeld en het alarm opnieuw geactiveerd.
Van de binnenzijde ontgrendelen
Druk op de toets voor vergrendeling op de
, zie Transpondertranspondersleutel
sleutel - functies (p. 176).
> Bij auto's met alarm* gaat de alarmindicatie op het dashboard knipperen om aan te
geven dat het alarm geactiveerd is.
Gerelateerde informatie
Met de toets
op de transpondersleutel is het
mogelijk om de alarmfunctie voor de achterklep
te deactiveren* zodat u de achterklep apart kunt
ontgrendelen.
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 187)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant (p. 187)
Achterklep ontgrendelen
Bij auto's met alarm (p. 195)* dooft de alarmindicatie (p. 196) op het instrumentenpaneel om aan
190
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
Elektrische achterklepbediening*
U kunt de achterklep van de auto openen/sluiten
met een knop op het verlichtingspaneel, met het
met rubber beklede drukplaatje onder de buitenhandgreep en met een knop op de transpondersleutel. U sluit de klep met de sluitingsknop aan
de onderkant van de klep.
N.B.
Maximale openingshoek resetten:
•
Om oververhitting tegen te gaan wordt
het systeem na langdurig en continu
gebruik automatisch even uitgeschakeld.
Ca. 3 minuten later is het opnieuw klaar
voor gebruik.
–
•
Als bij een geopende achterklep de startaccu ontladen raakt of losgekoppeld
wordt, moet u de achterklep handmatig
sluiten om het systeem te resetten. Dit
geldt ook als de achterklep meer dan
24 uur opengestaan heeft.
G031965
Programmeerbare maximale
openingshoek
Sluitingsknop
N.B.
Let op de dakhoogte bij het gebruik van de
elektrische achterklepbediening. Maak geen
gebruik van de elektrische achterklepbediening bij een geringe dakhoogte (zie onder het
kopje “Openingsfunctie achterklep onderbreken”).
De maximale openingshoogte van de achterklep
kan worden aangepast - bijvoorbeeld als de
garage een laag plafond heeft.
De maximale openingshoek instellen:
1.
Achterklep openen; stopzetten in de gewenste openingspositie.
2.
aan de onderkant van de
Druk de knop
achterklep ten minste 3 seconden in.
> De desbetreffende stand is daarmee
opgeslagen.
Beweeg de klep handmatig naar de hoogst
op de
mogelijke stand. Druk de knop
achterklep ten minste 3 seconden in.
> Het resetten is klaar. De klep opent voortaan tot in de maximale stand.
Beveiliging tegen overbelasting
Als de achterklep tijdens het openen/sluiten in
zekere mate wordt gehinderd door een obstakel
treedt de beveiliging tegen overbelasting in werking.
•
Gebeurt dit tijdens het openen dan wordt de
elektrische achterklepbediening uitgeschakeld waarna deze stopt.
•
Gebeurt dit tijdens het sluiten dan komt de
achterklep tot stilstand om vervolgens weer
helemaal te openen.
WAARSCHUWING
Let op het gevaar voor beknelling tijdens het
openen/sluiten. Controleer alvorens de achterklep te openen/sluiten of er niemand in de
buurt van de achterklep staat, omdat ernstig
beknellingsletsel anders niet uitgesloten kan
worden.
Let altijd op bij bediening van de achterklep.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 191
SLOTEN EN ALARM
||
Voorgespannen veren
•
Knop op verlichtingspaneel lang indrukken –
houd de knop ingedrukt totdat de achterklep
wordt geopend.
•
Knop op transpondersleutel lang indrukken –
houd de knop ingedrukt totdat de achterklep
wordt geopend.
•
Druk lichtjes op het met rubber beklede
drukplaatje onder de buitenhandgreep.
Achterklep handmatig bedienen
BELANGRIJK
Bij handmatige bediening van de achterklep
is het zaak de klep langzaam te openen of
sluiten. Duw de achterklep niet met kracht
open of dicht, als de achterklep weerstand
biedt. De achterklep kan beschadigd worden
en defect raken.
Achterklep sluiten
De achterklep is te sluiten met deze
knop op de achterklep of handmatig.
De voorgespannen veren voor de elektrische achterklepbediening.
WAARSCHUWING
Open de voorgespannen veren van de elektrische achterklepbediening niet. De veren zijn
sterk voorgespannen en kunnen bij opening
letsel toebrengen.
Achterklep openen
De achterklep is op drie manieren te
openen, waarvan twee met behulp van
deze knop:
192
•
Druk op de knop – de klep wordt automatisch gesloten.
Openings-/sluitfunctie achterklep
onderbreken
Dit kan op vier manieren, waarvan drie
met behulp van deze knop:
•
•
•
•
Druk op de knop op het verlichtingspaneel
Druk op de knop op de transpondersleutel
Druk op de knop op de achterklep
Druk op het met rubber beklede drukplaatje
onder de buitenhandgreep.
- De klepbeweging wordt afgebroken en de klep
komt tot stilstand.
Het systeem wordt gedeactiveerd, als de openings-/sluitingsprocedure zoals hiervoor
beschreven, wordt onderbroken.
•
U kunt de achterklep vervolgens handmatig
openen/sluiten.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - achterklep
(p. 189)
SLOTEN EN ALARM
Safelock-functie*
Bij activering van de Safelock-functie worden
alle vergrendelknoppen en openingshandgrepen
mechanisch losgekoppeld, wat het openen van
de portieren van zowel de binnen- als de buitenzijde onmogelijk maakt.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren om te
voorkomen dat u iemand opsluit.
Voor een beschrijving van het menusysteem, zie
MY CAR (p. 121).
N.B.
Tijdelijk deactiveren
Met de transpondersleutel (p. 172) activeert u de
Safelock-functie die ca. tien seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt.
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd
bij vergrendeling van de auto.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
Bovenstaande geldt als de geblokkeerde vergrendelingsstand niet tijdelijk is gedeactiveerd.
N.B.
Als er binnen deze vertragingsperiode een
van de portieren wordt geopend, wordt de
functie geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
De auto is alleen te ontgrendelen met de transpondersleutel, wanneer de Safelock-functie
geactiveerd is. Het linker voorportier is ook te
ontgrendelen met het afneembare sleutelblad
(p. 179). Bovendien is het mogelijk om de verschillende portieren en de achterklep te ontgrendelen/openen bij auto's uitgerust met Keyless
start en ontgrendeling/vergrendeling* door de
desbetreffende portierhandgreep of de handgreep van de achterklep vast te pakken.
•
Gerelateerde informatie
•
Keyless Drive* - ontgrendelen met sleutelblad (p. 185)
•
Transpondersleutel (p. 172)
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
MY CAR
OK MENU
TUNE-knop
EXIT
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft,
kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen.
Dat is mogelijk in het menusysteem MY CAR.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 193
SLOTEN EN ALARM
Kinderslot - handmatige activering
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde kunnen openen.
N.B.
Kinderslot - elektrische activering*
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
Het elektrisch geactiveerde kinderslot voorkomt
dat kinderen achter in de auto de achterportieren of de achterste zijruiten kunnen openen.
•
Op auto’s met een elektrisch kinderslot
zit geen handmatig kinderslot.
Kinderslot activeren/deactiveren
Gerelateerde informatie
G021077
•
•
•
Kinderslot - elektrische activering* (p. 194)
Activeren
Het kinderslot is in alle sleutelstanden (p. 85)
anders dan 0 te activeren/deactiveren en dat
binnen 2 minuten na het afzetten van de motor,
op voorwaarde dat er geen portier wordt
geopend.
Doe het volgende om het kinderslot te activeren:
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 187)
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant (p. 187)
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten
achter op de korte kant van de achterportieren,
zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan.
Doe het volgende om het kinderslot te activeren/
deactiveren:
–
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad (p. 179) van de transpondersleutel om
de cilinder te verdraaien.
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Bedieningspaneel bestuurdersportier.
1.
Start de motor of kies een slotstand anders
dan 0.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
194
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
2.
Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het bestuurdersdisplay staat de melding Kinderslot actief en het lampje in
de knop brandt - het slot is geactiveerd.
Wanneer het kinderslot actief is, zijn de achterste:
•
zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel
op het bestuurdersportier te bedienen
•
portieren niet van de binnenkant te openen.
Bij het afzetten van de motor wordt de actuele
instelling vastgelegd – als het kinderslot geactiveerd was tijdens het afzetten van de motor, dan
is de functie de volgende keer dat u de motor
start eveneens actief.
Gerelateerde informatie
•
•
Kinderslot - handmatige activering (p. 194)
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 187)
Alarm
Het alarm is een systeem dat waarschuwt als er
bijvoorbeeld in de auto wordt ingebroken.
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
•
een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder*
aanwezig is)
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto's met een niveausensor*)
•
een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
•
de sirene wordt losgekoppeld.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel. Neem dan
contact op met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
De bewegingsmelders laten het alarm afgaan
bij bewegingen in de passagiersruimte – ook
eventuele luchtstromen worden geregistreerd.
Het alarm kan dan ook afgaan, als u de auto
met een ruit of schuifdak open laat staan of
als u de interieurverwarming gebruikt.
Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten
van de auto alle ruiten en het schuifdak. Bij
gebruik van de geïntegreerde interieurverwarming van de auto (of een draagbare variant
daarvan op stroom) dan dient u de blaasmonden dusdanig af te stellen dat deze niet
omhoogwijzen. U kunt ook gebruik maken van
het beperkte alarmniveau, zie Beperkt alarmniveau (p. 197).
N.B.
Onder de bekerhouder in de middenconsole
zit een van de sensoren voor het alarm: deze
sensor is gevoelig voor metalen.
Bewaar geen parkeergeld, sleutels en soortgelijke metalen voorwerpen in de bekerhouder, omdat dergelijke voorwerpen ertoe kunnen leiden dat het alarm ten onrechte afgaat.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 195
SLOTEN EN ALARM
||
N.B.
Probeer niet zelf de onderdelen van het
alarmsysteem te repareren of te wijzigen. Dergelijke pogingen kunnen van invloed zijn op
de verzekeringsvoorwaarden.
Alarmindicatie
De alarmindicatie geeft de status aan van het
alarmsysteem (p. 195).
Druk op de vergrendelingstoets op de transpondersleutel.
Alarm deactiveren
–
Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel.
Gerelateerde informatie
•
Geactiveerd alarm uitschakelen
–
Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel of steek de transpondersleutel
in het contactslot.
•
•
•
196
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
Alarmindicatie (p. 196)
•
•
Alarmsysteem - automatische herinschakeling (p. 196)
•
Gerelateerde informatie
Alarmsysteem - transpondersleutel defect
(p. 197)
De automatische herinschakeling van het alarm
voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarmsysteem (p. 195) uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch
opnieuw ingeschakeld. De auto wordt bovendien
opnieuw vergrendeld.
Alarm activeren
–
Alarmsysteem - automatische
herinschakeling
De led is uit – het alarm is uitgeschakeld
De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld
De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm (tot aan het
moment dat u de transpondersleutel in het
contactslot steekt en contactslotstand I
wordt bereikt) – het alarm is afgegaan.
Beperkt alarmniveau (p. 197)
SLOTEN EN ALARM
Alarmsysteem - transpondersleutel
defect
Als u het alarm (p. 195) niet kunt uitschakelen
met de transpondersleutel (als bijvoorbeeld de
batterij (p. 181) van de sleutel leeg is), kunt u de
auto als volgt ontgrendelen, het alarmsysteem
deactiveren en de motor starten:
1.
Open het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad (p. 185).
> Het alarm gaat af, de alarmindicatie
(p. 196) knippert snel en de sirene klinkt.
Alarmsignalen
Beperkt alarmniveau
Wanneer het alarm (p. 195) afgaat, klinkt een
sirene en knipperen alle richtingaanwijzers.
Een beperkt alarmniveau houdt in dat de bewegingsmelders en niveausensoren tijdelijk worden
uitgeschakeld.
•
Er klinkt een sirene totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na 30
seconden lang automatisch uit. De sirene
heeft zijn eigen accu en werkt volledig onafhankelijk van de startaccu in de auto.
•
Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u het
alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan ze na
vijf minuten automatisch uit.
Om te voorkomen dat het alarmsysteem (p. 195)
onbedoeld afgaat als u bijvoorbeeld een hond in
een vergrendelde auto achterlaat of een autotrein of veerverbinding gebruikt, dienen de bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk te
worden gedeactiveerd.
De te volgen procedure is identiek aan die bij tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie
(p. 193)9.
Gerelateerde informatie
•
2.
Steek de transpondersleutel in het contactslot.
> Het alarm wordt gedeactiveerd en de
alarmindicatie dooft.
3.
Start de motor.
9
Alarmindicatie (p. 196)
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
197
SLOTEN EN ALARM
Typegoedkeuring transpondersleutelsysteem
De typegoedkeuring voor het transpondersleutelsysteem staat in de tabel.
Land/regio
China
Vergrendelingssysteem standaard
Land/regio
EU, China
Passieve vergrendeling (Keyless Drive)
Land/regio
EU
Korea
198
Hongkong
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel (p. 172)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Actief chassis - FOUR-C*
Bediening
Het actieve chassissysteem FOUR-C
(Continously Controlled Chassis Concept)
stemt de eigenschappen van de schokdempers
af op de gewenste rijeigenschappen van de
auto. U hebt de keuze uit drie standen: Comfort,
Sport en Advanced.
De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
zorgt ervoor dat de stuurbekrachtiging afneemt
naarmate de rijsnelheid oploopt, waardoor u een
beter gevoel met de weg krijgt.
Comfort
Op snelwegen stuurt de auto stugger. Bij het
parkeren en op lage snelheden is de auto lichter
en met minder moeite te besturen.
In deze stand rijdt de auto comfortabeler op een
ruw en oneffen wegdek. De vering verloopt soepel waardoor de bewegingen van de carrosserie
minimaal en aangenaam zijn.
U hebt de keuze uit drie niveaus van stuurbekrachtiging voor een maximum aan weggevoel en
stuurgevoeligheid in het menusysteem MY CAR
(p. 121):
Sport
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor een
actievere rijstijl heeft de auto een sportiever
karakter. De auto reageert sneller op de bewegingen van het stuurwiel dan in de stand
Comfort. De vering is stugger dan normaal en de
carrosserie volgt het wegdek om in bochten de
mate van overhellen te beperken.
Advanced
U wordt geadviseerd deze stand alleen te activeren op zeer rechte en vlakke wegen.
De bewegingen van de schokdempers zijn geoptimaliseerd voor maximale grip en minimale overhelling in bochten.
200
Stuurkrachtinstelling*
Bedieningsknoppen.
Met de knoppen op de middenconsole kiest u de
gewenste chassisstand. Een volgende keer dat u
de motor start, is opnieuw de chassisstand actief
die gold toen u de motor afzette.
•
Ga daar naar Niv. stuurbekrachtiging en
kies Laag, Midden of Hoog.
Deze instelling is niet te beschikbaar, wanneer de
auto rijdt.
N.B.
In bepaalde situaties kan de stuurbekrachtiging te warm worden en moet deze dan tijdelijk worden gekoeld - gedurende die periode
werkt de stuurbekrachtiging met een gereduceerd vermogen en het draaien aan het stuurwiel kan dan wat zwaarder gaan.
Op het moment dat de stuurhulp tijdelijk
gereduceerd is, verschijnt er een melding op
het instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
MY CAR (p. 121)
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - algemeen
De stabiliteitsregeling ESC ((Electronic Stability
Control)) helpt u voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Tijdens het afremmen kunnen de
ingrepen van de ESC waarneembaar
zijn in de vorm van pulserende geluiden. Tijdens het gas geven kan de auto
langzamer optrekken dan u verwacht.
WAARSCHUWING
De stabiliteitsregeling ESC is slechts een
aanvullend hulpmiddel en kan niet alle situaties en alle wegomstandigheden aan.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften houdt.
De ESC bestaat uit de volgende functies:
•
•
•
•
•
•
Antislipregeling
Antispinregeling
Tractieregeling
Motorremregeling, EDC
Corner Traction Control - CTC
Trailer Stability Assist (TSA)
Antislipregeling
Deze regeling controleert de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen om
de auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
Motorremregeling, EDC
EDC (Engine Drag Control) voorkomt ongewenste blokkering van de wielen, zoals na terugschakeling of bij gladheid tijdens het afremmen op de
motor in een lage versnelling.
Een van de gevolgen van ongewenste blokkering
van de wielen is dat u de auto moeilijk onder controle kunt houden.
Corner Traction Control - CTC*
CTC zorgt voor compensatie van eventueel
onderstuur in een bocht en maakt het mogelijk
om sneller op te trekken dan normaal zonder dat
het binnenste wiel doorslipt zoals bij een gebogen oprit om zo sneller in te kunnen voegen in de
verkeersstroom.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 201
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Trailer Stability Assist* - TSA1
Het TSA (p. 333) heeft tot taak de auto met een
aanhanger/caravan te stabiliseren, wanneer de
combinatie de neiging tot pendelbewegingen vertoont. Voor meer informatie, zie Rijden met een
aanhanger* (p. 326).
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - bediening
Niveau kiezen, Sport-modus
De ESC is altijd geactiveerd – uitschakelen is niet
mogelijk.
U kunt echter de Sport-modus
kiezen voor een actievere rijervaring.
N.B.
De functie wordt gedeactiveerd als u de
Sport-stand kiest.
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening (p. 202)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) symbolen en meldingen (p. 203)
De Sport-modus is te kiezen in
het menusysteem MY CAR.
Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
Wanneer de Sport-modus actief is,
brandt dit symbool op het instrumentenpaneel continu totdat u de functie
deactiveert of totdat de motor wordt
afgezet – een volgende keer dat de motor wordt
gestart is de normale stand van de ESC opnieuw
van kracht.
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 201)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) symbolen en meldingen (p. 203)
In de Sport-modus registreert het systeem of de
gaspedaal- en stuurwielbediening alsook het
bochtenwerk als actiever dan normaal aan te
merken zijn, waarna het systeem toestaat dat de
achtertrein een gecontroleerde vorm van slippen
vertoont voordat het ingrijpt en de auto stabiliseert.
Als u de gecontroleerde vorm van slippen bijvoorbeeld beëindigt door het gaspedaal te bedienen,
grijpt de ESC in om de auto te stabiliseren.
De Sport-modus maakt tevens maximale aandrijving mogelijk, als de auto is blijven steken of over
een zachte ondergrond (zoals zand of een dikke
laag sneeuw) rijdt.
1 Trailer
202
Stability Assist is inbegrepen bij montage van een originele Volvo-trekhaak.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - symbolen en meldingen
Tabel
Symbool
Melding
Betekenis
ESC Tijdelijk UIT
Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het ESC-systeem. Het
systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen voldoende zijn afgekoeld.
ESC Service vereist
Het ESC-systeem is defect.
•
•
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
‘Melding’
Er staat een melding op het instrumentenpaneel (p. 70) - lees deze!
Brandt 2 seconden lang
continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
Knippert.
Het ESC-systeem grijpt in.
Brandt continu.
De Sport-stand is geactiveerd.
en
NB In deze stand is het ESC niet helemaal uitgeschakeld – er gelden bepaalde beperkingen.
}}
203
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
204
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 201)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening (p. 202)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsbegrenzer
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol
– u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl
de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt.
Overzicht
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 205)
•
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren en
stand-bystand (p. 206)
•
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding
snelheid (p. 207)
•
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen (p. 208)
Snelheidsbegrenzer - beknopte
bedieningsinstructies
Inschakelen en activeren
Wanneer de snelheidsbegrenzer actief is, verschijnt op het instrumentenpaneel het bijbehorende symbool (6) samen met een markering (5)
bij de ingestelde maximumsnelheid.
Zowel tijdens het rijden als bij stilstand is het
mogelijk een maximumsnelheid in te stellen en
op te slaan in het geheugen.
Tijdens het rijden
1.
om de snelheidsDruk op de stuurtoets
begrenzer in te schakelen.
> Op het instrumentenpaneel licht het symbool (6) voor de cruisecontrol op.
2.
Wanneer de auto op de gewenste maximumsnelheid rijdt: Druk op een van de stuurtoetof
, totdat op het instrumentenpasen
neel een markering (5) voor de gewenste
maximumsnelheid verschijnt.
> De snelheidsbegrenzer is daarmee actief
en de gekozen maximumsnelheid is daarmee opgeslagen in het geheugen.
Toetsenset op stuurwiel en instrumentenpaneel.
Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-bystand.
Bij stilstand
Activeren en maximumsnelheid aanpassen.
1.
Ingestelde snelheid.
Snelheidsbegrenzer actief.
om de snelheidsDruk op de stuurtoets
begrenzer in te schakelen.
}}
205
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
2.
Scrol met de
-knop, totdat op het instrumentenpaneel een markering (5) voor de
gewenste maximumsnelheid verschijnt.
> De snelheidsbegrenzer is daarmee actief
en de gekozen maximumsnelheid is daarmee opgeslagen in het geheugen.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer (p. 205)
Snelheidsbegrenzer - snelheid
wijzigen
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk
deactiveren en stand-bystand
Om aan te passen met +/- 5 km/h (+/- 5 mph):
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol
– u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl
de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt.
•
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Opgeslagen snelheid wijzigen
U wijzigt de opgeslagen maximumsnelheid door
of
kort of lang in te drukken.
de stuurknop
Kort indrukken - elke keer drukken komt
overeen met +/- 5 km/h (+/- 5 mph).
Om aan te passen met +/- 1 km/h (+/- 1 mph):
Om de snelheidsbegrenzer tijdelijk te deactiveren
en stand-by te zetten:
•
–
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste maximumsnelheid.
De laatst verrichte aanpassing wordt in het
geheugen opgeslagen.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer (p. 205)
Druk op
.
> De markering (5) op het instrumentenpaneel verkleurt van GROEN naar WIT,
waarna u tijdelijk de ingestelde maximumsnelheid kunt overschrijden.
U kunt de snelheidsbegrenzer opnieuw
, waarna
inschakelen met een druk op
de markering (5) verkleurt van WIT naar
GROEN om aan te geven dat er opnieuw
een maximumsnelheid voor de auto geldt.
Tijdelijk deactiveren met gaspedaal
De snelheidsbegrenzer is ook met het gaspedaal
stand-by te zetten, bijvoorbeeld om in noodgevallen snel te kunnen accelereren:
206
BESTUURDERSONDERSTEUNING
–
Trap het gaspedaal volledig in.
> Op het instrumentenpaneel staat de
opgeslagen maximumsnelheid met een
gekleurde markering (5) en u kunt de
ingestelde maximumsnelheid tijdelijk overschrijden – de markering (5) verkleurt dan
van GROEN naar WIT.
De snelheidsbegrenzer wordt automatisch
opnieuw geactiveerd nadat u het gaspedaal hebt losgelaten en de auto is afgeremd tot een snelheid lager dan de gekozen/opgeslagen maximumsnelheid. De
markering (5) op het display verkleurt van
WIT naar GROEN waarna de maximumsnelheid van de auto opnieuw van kracht
is.
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer - alarm
overschrijding snelheid
•
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren en
stand-bystand (p. 206)
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol
– u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl
de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt.
•
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen (p. 208)
Op steile aflopende hellingen volstaat de motorrem van de snelheidsbegrenzer mogelijk niet,
zodat de gekozen maximumsnelheid wordt overschreden. U wordt in dat geval hierop geattendeerd door een geluidssignaal.
Het signaal is hoorbaar totdat u de auto hebt
afgeremd tot een snelheid lager dan de gekozen
maximumsnelheid.
N.B.
Snelheidsbegrenzer (p. 205)
Het alarm wordt pas na 5 seconden geactiveerd, als u de snelheid met minimaal 3 km/h
(2 mph) overschrijdt en u de afgelopen 30
of
seconden geen van de toetsen
bedient.
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 205)
•
Snelheidsbegrenzer - snelheid wijzigen
(p. 206)
•
•
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen (p. 208)
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding
snelheid (p. 207)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Snelheidsbegrenzer (p. 205)
Snelheidsbegrenzer - snelheid wijzigen
(p. 206)
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 205)
207
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen
Cruisecontrol*
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol
– u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl
de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt.
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid te houden, wat zorgt
voor een comfortabeler rijervaring op lange ritten
op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met
een gelijkmatige verkeersstroom.
Om de snelheidsbegrenzer uit te schakelen:
–
Druk op de stuurtoets
.
> Op het instrumentenpaneel doven het
symbool voor de snelheidsbegrenzer (6)
en de markering voor de ingestelde snelheid (5) – de ingestelde/opgeslagen
snelheid worden gewist en zijn daarna
niet te hervatten bij een druk op de toets
.
U kunt daarna weer zonder beperkingen
de snelheid regelen met het gaspedaal.
Gerelateerde informatie
•
•
208
Stuurknoppen en instrumentenpaneel bij een auto net
cruisecontrol2.
Cruisecontrol – Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
Stuurknoppen en instrumentenpaneel bij een auto zonder cruisecontrol2.
Activeren en snelheid aanpassen.
Snelheidsbegrenzer (p. 205)
Gekozen snelheid (GRIJS = stand-bystand).
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 205)
Cruisecontrol actief - WIT symbool (GRIJS =
stand-bystand).
•
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren en
stand-bystand (p. 206)
•
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding
snelheid (p. 207)
2
Overzicht
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden
met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen passende
snelheid en/of afstand aanhoudt.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt.
Gerelateerde informatie
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 209)
Cruisecontrol* tijdelijk deactiveren en standbystand (p. 210)
Cruisecontrol* - snelheid regelen
Om aan te passen met 5 km/h (5 mph):
U kunt een snelheid activeren, instellen en een
opgeslagen snelheid wijzigen.
•
Activeren en snelheid instellen
Om aan te passen met 1 km/h (1 mph):
Om de cruisecontrol te starten:
•
•
Druk op de stuurknop CRUISE (zonder
(met snelsnelheidsbegrenzer) of op
heidsbegrenzer).
>
Op het instrumentenpaneel gaat het
symbool (6) voor de cruisecontrol branden –
de cruisecontrol staat stand-by.
Om de cruisecontrol in te schakelen:
•
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 210)
•
•
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 211)
Druk bij de gewenste snelheid op de stuurof
.
knop
>
De actuele snelheid wordt in het geheugen
opgeslagen, de markering (5) op het instrumentenpaneel gaat branden de ingestelde
snelheid en het symbool (6) verkleurt van
GRIJS naar WIT – de auto houdt de ingestelde/opgeslagen snelheid aan.
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 215)
Als u de snelheid verhoogt met het gaspedaal
/ -knop indrukt, wordt de
voordat u de
actuele rijsnelheid opgeslagen die geldt bij het
indrukken van de knop.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling
van de cruisecontrol ongewijzigd – de auto hervat
de laatst opgeslagen snelheid wanneer u het
gaspedaal loslaat.
N.B.
Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld.
Om de cruisecontrol weer te kunnen activeren, moet de auto stilstaan en de motor worden herstart.
N.B.
U wijzigt de opgeslagen snelheid door de stuurknop
of
kort of lang in te drukken.
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
De laatst verrichte aanpassing wordt in het
geheugen opgeslagen.
De cruisecontrol is niet in te schakelen bij
snelheden lager dan 30 km/h (20 mph).
Opgeslagen snelheid wijzigen
Kort indrukken - elke keer drukken komt
overeen met 5 km/h (5 mph).
Gerelateerde informatie
•
Cruisecontrol* (p. 208)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 209
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Cruisecontrol* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand
Het systeem is tijdelijk te activeren en in de
stand-bystand te zetten.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling
ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Automatische stand-bystand
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid aan te houden.
Om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen en
stand-by te zetten:
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld en
stand-by gezet in de volgende gevallen:
Na tijdelijke deactivering en de standbystand (p. 210) kunt u de eerder ingestelde
snelheid hervatten.
•
Druk op de stuurknop
>
De markering (5) en het symbool (6) op het
instrumentenpaneel verkleuren van WIT naar
GRIJS – de cruisecontrol is tijdelijk uitgeschakeld.
•
•
Om de cruisecontrol opnieuw te activeren vanuit
de stand-bystand:
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
.
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld en
automatisch stand-by gezet in de volgende gevallen:
•
•
u bedient het rempedaal
•
u haalt de versnellingspook/keuzehendel uit
stand N
•
u bedient het koppelingspedaal langer dan
1 minuut3
•
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
het toerental van de motor wordt te laag/
hoog
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph).
3
•
Druk op de stuurknop
>
De markering (5) en het symbool (6) op het
instrumentenpaneel verkleuren van GRIJS
naar WIT en de laatst ingestelde/opgeslagen
snelheid wordt hervat.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 209)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 211)
Nadat u de snelheid weer met de
-knop
hebt hervat, kan een markante snelheidstoename volgen.
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 210)
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
.
N.B.
Cruisecontrol* (p. 208)
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
210
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid
hervatten
Gerelateerde informatie
•
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 209)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 211)
Cruisecontrol* (p. 208)
Cruisecontrol* tijdelijk deactiveren en standbystand (p. 210)
Bij ontkoppelen en opschakelen of terugschakelen wordt de cruisecontrol niet stand-by gezet.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Cruisecontrol* - uitschakelen
Afstandswaarschuwing*
Hier volgt een beschrijving van hoe u het systeem uitschakelt.
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) waarschuwt u, als het tijdsverschil ten opzichte van
de voorligger te klein wordt.
De cruisecontrol wordt uitgeschakeld met de
stuurtoets (1) of bij het afzetten van de motor: de
ingestelde/opgeslagen snelheid wordt daarbij
gewist waarna deze niet meer te hervatten is met
de toets
.
Distance Alert is actief bij snelheden hoger dan
30 km/h (20 mph) en reageert uitsluitend op
voorliggers. Voor voertuigen die langzaam in
tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt
geen afstandsinformatie gegeven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
N.B.
De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld,
zolang de adaptieve cruisecontrol actief is.
WAARSCHUWING
Distance Alert reageert alleen, als de afstand
tot voorliggers korter is dan de ingestelde
waarde – de rijsnelheid wordt niet aangepast.
Bediening
Cruisecontrol* (p. 208)
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 209)
Cruisecontrol* tijdelijk deactiveren en standbystand (p. 210)
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 210)
Oranje waarschuwingssymbool4.
Er brandt continu een oranje waarschuwingssymbool op de voorruit, als de afstand tot de voorligger gelijk is aan het ingestelde tijdsverschil.
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Het brandende
lampje in de schakelaar geeft aan dat de functie
geactiveerd is.
Bij bepaalde combinaties van opties is er geen
plek vrij voor een knop op de middenconsole – in
4
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 211
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
dat geval is het systeem te bedienen via het
menusysteem MY CAR (p. 121) van de auto - ga
vandaar naar de functie
Afstandswaarschuwing.
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
Adaptieve cruisecontrol (p. 216) geactiveerd is.
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
Tijdsverschil instellen
De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt
door de adaptieve cruisecontrol (p. 216).
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Gerelateerde informatie
Bedieningselementen en symbool voor tijdsverschil.
Tijdsverschil – Verlengen/verkorten.
Tijdsverschil - Aan.
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het instrumentenpaneel
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe langer het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen met
ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger en
5 streepjes met ca. 3 seconden.
212
•
Afstandswaarschuwing* - beperkingen
(p. 212)
•
Afstandswaarschuwing* - symbolen en meldingen (p. 214)
Afstandswaarschuwing* beperkingen
Dit systeem, dat gebruik maakt van dezelfde
radarsensor als de adaptieve cruisecontrol
(p. 215) en de Collision Warning met Auto Brake
(p. 240) heeft bepaalde beperkingen.
N.B.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk waar te nemen.
In slechte weersomstandigheden en op slingerende wegen heeft de radarsensor soms
moeite om voorliggers te registreren.
Ook voorliggers met geringe afmetingen
(zoals motorfietsen) zijn soms moeilijk te ontdekken. Dat kan betekenen dat het geprojecteerde waarschuwingslampje pas bij kortere
volgtijden oplicht of dat helemaal niet gaat
branden.
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk dat
het lampje door beperkingen in het bereik van
de sensor op kortere afstand oplicht.
Voor meer informatie over de beperkingen van de
radarsensor, zie Radarsensor - beperkingen
(p. 228) en (p. 245).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandswaarschuwing* (p. 211)
Afstandswaarschuwing* - symbolen en meldingen (p. 214)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 213
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Afstandswaarschuwing* - symbolen
en meldingen
Er kunnen symbolen en meldingen op het instrumentenpaneel verschijnen bij een gereduceerde
werking op grond van de systeembeperkingen.
SymboolA
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieboekje
De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige
regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 228).
CWS-systeem Service
vereist
A
De afstandswaarschuwing en Collision Warning met Auto Brake werken niet of gedeeltelijk.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
214
Afstandswaarschuwing* (p. 211)
Afstandswaarschuwing* - beperkingen
(p. 212)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol - ACC*
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een bepaalde afstand tot voorliggers
te houden door een tijdsverschil ten opzichte
van de voorligger in te stellen.
De adaptieve cruisecontrol biedt u een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en
lange, rechte hoofdwegen met een gelijkmatige
verkeersstroom.
U stelt de gewenste snelheid (p. 219) en het
tijdsverschil (p. 220) ten opzichte van de voorligger. Wanneer de radarsensor een voorligger
registreert die langzamer rijdt dan u, wordt uw
snelheid automatisch aangepast. Wanneer de
weg voor u weer vrij is, hervat de auto de ingestelde snelheid.
Als u een voorligger te dicht nadert terwijl de
adaptieve cruisecontrol uitgeschakeld is of standby staat (p. 221), wordt u door de afstandswaarschuwing (p. 211) geattendeerd op de korte
afstand.
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden
met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen
passende snelheid of afstand aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet voor
alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Neem alle hoofdstukken over de adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het systeem te gebruiken.
Automatische versnellingsbak
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak
is de adaptieve cruisecontrol uitgebreid met een
zogeheten file-assistent (p. 222).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 216)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 218)
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen
(p. 219)
•
Adaptieve cruisecontrol* - tijdsverschil instellen (p. 220)
•
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by (p. 221)
•
Adaptieve cruisecontrol* - een ander voertuig
inhalen (p. 222)
•
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
(p. 222)
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
•
Adaptieve cruisecontrol* - File-assistent
(p. 222)
•
Adaptieve cruisecontrol* - van cruisecontrolfunctie wisselen (p. 224)
Na een servicebeurt kan het ACC-systeem
gedurende een bepaalde tijd een enigszins
beperkt bereik hebben. Het systeem wordt tijdens het rijden gekalibreerd, zodat het systeem automatisch de maximale functionaliteit
hervat.
•
•
•
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden
aangehouden, ook bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol.
BELANGRIJK
•
Radarsensor (p. 228)
Radarsensor - beperkingen (p. 228)
Adaptieve cruisecontrol* - storingen opsporen en verhelpen (p. 225)
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen (p. 226)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 215
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol* - werking
Deze bestaat uit een cruisecontrol die gekoppeld is aan een afstandshouder.
Functie-overzicht
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u
merkt dat het systeem een voorligger niet
registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Lage
aanhangers, tegenliggers, langzaam rijdende
en stilstaande voertuigen of vaste obstakels
worden eveneens genegeerd.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen,
bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten met
een dikke laag water of sneeuwmodder, op
bochtige wegen of op op- en afritten.
Functie-overzicht5.
Waarschuwingssymbool – afremmen noodzakelijk
Stuurknoppen (p. 218)
Radarsensor (p. 228)
5
6
216
De afstand tot voorliggers (p. 220) wordt hoofdzakelijk gemeten met een radarsensor (p. 228).
De cruisecontrol regelt de snelheid door de stand
van de gasklep aan te passen en zo nodig af te
remmen. Het is volkomen normaal dat de remmen enige geluiden produceren, wanneer de
adaptieve cruisecontrol ze aanspreekt.
WAARSCHUWING
Het rempedaal beweegt, wanneer de adaptieve cruisecontrol remt. Laat uw voet niet
onder het rempedaal rusten – deze kan
bekneld raken.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar het
door u ingestelde tijdsverschil (p. 220) ten
opzichte van voorliggers in dezelfde rijstrook aan
te houden. Als de radarsensor geen voorligger
registreert, houdt de auto in plaats daarvan de
snelheid aan die op de cruisecontrol werd ingesteld. Dit gebeurt ook als de snelheid van de
voorligger de ingestelde snelheid overschrijdt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In situaties waarin krachtig moet worden geremd, dient
u dan ook zelf te remmen. Dit is bijvoorbeeld het
geval bij grote snelheidsverschillen of als de
voorligger krachtig remt. Door beperkingen van
de radarsensor (p. 228) is het mogelijk dat er
onverwachts of helemaal niet wordt geremd.
De adaptieve cruisecontrol is te activeren om een
tijdsverschil aan te houden ten opzichte van een
voorligger bij snelheden vanaf 30 km/h6
(20 mph) tot een maximumsnelheid van
200 km/h (125 mph). Als de snelheid tot onder
30 km/h (20 mph) daalt of als het motortoerental te laag wordt, wordt de cruisecontrol stand-by
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
De file-assistent (p. 222) (auto's met een automatische versnellingsbak) kan een interval aan van 0–200 km/h (0–125 mph).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
(p. 221) gezet, waarna er niet langer automatisch
wordt afgeremd – u moet dan zelf remmen om
een veilige afstand te houden tot voorliggers.
N.B.
In de felle zon en bij gebruik van een zonnebril is de geprojecteerde informatie op de
voorruit mogelijk moeilijk te zien.
Waarschuwingssymbool – afremmen
noodzakelijk
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol
is meer dan zo'n 40% van de totale remcapaciteit
van de auto.
•
Adaptieve cruisecontrol* - een ander voertuig
inhalen (p. 222)
WAARSCHUWING
De adaptieve cruise control waarschuwt
alleen voor door de radareenheid gedetecteerde voertuigen – het kan dan ook voorkomen dat een waarschuwing vertraagd of helemaal niet wordt weergegeven. Wacht een
waarschuwing niet af, maar rem als dat nodig
is.
Steile wegen en/of zware belading
1. Waarschuwingslampje en geluidssignaal Collision
Warning7.
Als de auto harder moet worden afgeremd dan
de adaptieve cruisecontrol aankan en u remt zelf
niet bij, dan wordt u er middels het waarschuwingslampje van Collision Warning (p. 240) en
een geluidssignaal op attent gemaakt dat u
onmiddellijk moet ingrijpen.
7
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in eerste
instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op
vlakke weggedeelten. De cruisecontrol heeft
mogelijk moeite om de juiste volgafstand ten
opzichte van voorliggers aan te houden bij ritten
op steile aflopende wegen, bij vervoer van zware
belading of met een aanhanger/caravan achter
de auto – blijf dan extra alert en rem zo nodig
zelf.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 215)
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
(p. 222)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 217
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
De bediening van de adaptieve cruisecontrol en
de stuurknoppenset varieert, afhankelijk van of
de auto wel of niet met een snelheidsbegrenzer8
is uitgerust.
Adaptieve cruisecontrol met
snelheidsbegrenzer
Cruisecontrol – Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
Tijdsverschil – Verlengen/verkorten.
Activeren en snelheid aanpassen.
8
218
Groene markering bij opgeslagen snelheid
(WIT = stand-by).
Groene markering bij opgeslagen snelheid
(WIT = stand-by).
Tijdsverschil
Tijdsverschil
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
Adaptieve cruisecontrol zonder
snelheidsbegrenzer
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 215)
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 216)
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen (p. 226)
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol – Aan/Uit of stand-bystand.
Tijdsverschil – Verlengen/verkorten.
Activeren en snelheid aanpassen.
(Wordt niet gebruikt)
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid
regelen
•
– op het instruDruk op de stuurknop
mentenpaneel (8) gaat een vergelijkbaar WIT
symbool branden om aan te geven dat de
adaptieve cruisecontrol stand-by (p. 221)
staat.
Om de ACC te activeren:
•
Druk bij de gewenste snelheid op de stuurof
.
knop
>
De actuele snelheid wordt opgeslagen in het
geheugen, het instrumentenpaneel toont
korte tijd een "vergrootglas" (6) rond de
ingestelde snelheid en de bijbehorende markering verkleurt van WIT naar GROEN.
Als dit symbool van WIT naar GROEN
verkleurt, is de ACC actief en houdt
deze de auto op de ingestelde snel-
Adaptieve cruisecontrol met snelheidsbegrenzer
heid.
Alleen als op het symbool de
afbeelding van een ander voertuig verschijnt, wordt de
afstand tot de voorligger geregeld door de ACC.
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd:
•
de hogere snelheid met de GROENE markering is de voorgeprogrammeerde snelheid
•
de lagere snelheid is de snelheid van de
voorligger.
Opgeslagen snelheid wijzigen
U wijzigt de opgeslagen snelheid door de stuurknop
of
kort of lang in te drukken.
Om aan te passen met +/- 5 km/h (+/- 5 mph):
•
Kort indrukken - elke keer drukken komt
overeen met +/- 5 km/h (+/- 5 mph).
Om aan te passen met +/- 1 km/h (+/- 1 mph):
•
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
De laatst verrichte aanpassing wordt in het
geheugen opgeslagen.
Als u de snelheid verhoogt met het gaspedaal
/ -knop indrukt, wordt de
voordat u de
actuele rijsnelheid opgeslagen die geldt bij het
indrukken van de knop.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling
ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Adaptieve cruisecontrol zonder snelheidsbegrenzer
Om de ACC te starten:
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 219
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
N.B.
Als u een knop van de adaptieve cruisecontrol
meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld.
Om de cruisecontrol dan weer te kunnen activeren moet u de auto tot stilstand brengen en
de motor opnieuw starten.
In bepaalde situaties is heractivering van de
cruisecontrol niet mogelijk – in dat geval verschijnt Adaptieve cruise control control
niet beschikbaar op het instrumentenpaneel (p. 226).
Adaptieve cruisecontrol* tijdsverschil instellen
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het instrumentenpaneel
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe langer het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen met
ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger en
5 streepjes met ca. 3 seconden.
Om het tijdsverschil in te stellen/te wijzigen:
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 215)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 218)
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 216)
•
Draai aan het duimwiel van de stuurknoppenset (p. 218) (of gebruik de knoppen
/
bij een auto zonder snelheidsbegrenzer).
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot de
adaptieve cruisecontrol het tijdsverschil iets.
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Als de adaptieve cruisecontrol bij activering
niet lijkt te reageren, kan dat komen doordat
de volgtijd ten opzichte van de voorligger een
snelheidstoename belet.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
Lees meer over hoe u de snelheid regelt (p. 219).
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 215)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 218)
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 216)
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
(p. 222)
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen
blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in
bepaalde situaties aanzienlijke variaties in het
tijdsverschil toe.
Let erop dat korte tijdsverschillen u bij plotselinge
wijzigingen in de verkeersstroom minder tijd
geven om te reageren en in te grijpen.
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
afstandswaarschuwing (p. 211) geactiveerd is.
220
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke
deactivering en stand-by
•
u zet de keuzehendel in stand N (automatische versnellingsbak)
•
het toerental van de motor wordt te laag/
hoog
De adaptieve cruisecontrol is tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten.
•
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
•
de snelheid is gedaald tot onder zo'n
30 km/h10 (20 mph)
Tijdelijke deactivering/stand-bystand –
met snelheidsbegrenzer
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
•
•
•
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
•
Druk op de stuurknop
Dit symbool en de markering van de
opslagen snelheid verkleuren dan van
GROEN naar WIT.
Tijdelijke deactivering/stand-bystand zonder snelheidsbegrenzer
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
•
Druk op de stuurknop
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
De adaptieve cruisecontrol wordt tijdelijk gedeactiveerd en automatisch stand-by gezet in de volgende gevallen:
•
•
u bedient het rempedaal
u bedient het koppelingspedaal langer dan
1 minuut9
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling
ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Automatische stand-bystand
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen, zoals Stabiliteitsregeling ESC
(p. 201). Als een van deze systemen niet meer
werkt, wordt de adaptieve cruisecontrol automatisch uitgeschakeld.
Bij automatische deactivering klinkt er een waarschuwingssignaal en op het instrumentenpaneel
verschijnt de melding Adaptieve cruise control
geannuleerd. U moet in dat geval zelf ingrijpen
om de snelheid en afstand ten opzichte van de
voorligger aan te passen.
Automatische deactivering is mogelijk in de volgende gevallen:
•
•
u opent het portier
de remmen hebben een hoge temperatuur
de radarsensor wordt gehinderd door natte
sneeuw of hevige regenval (de radargolven
worden geblokkeerd).
Ingestelde snelheid hervatten
Een cruisecontrol in stand-bystand is opnieuw te
– in
activeren bij een druk op de stuurknop
dat geval wordt de laatst opgeslagen snelheid
hervat.
N.B.
Nadat de snelheid weer met
is hervat, kan
er een markante snelheidstoename volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 215)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 218)
Cruisecontrol* (p. 208)
u neemt de veiligheidsgordel los
9 Bij ontkoppelen en opschakelen of terugschakelen wordt de cruisecontrol niet stand-by gezet.
10 Geldt niet voor een auto met File-assistent – bij een dergelijke auto werkt het systeem tot aan
stilstand.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 221
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol* - een
ander voertuig inhalen
Adaptieve cruisecontrol* uitschakelen
Adaptieve cruisecontrol* - Fileassistent
Als u achter een voorligger rijdt en u met de richtingaanwijzer11 aangeeft te willen inhalen, helpt
de cruisecontrol door de auto kort te versnellen
ten opzichte van de voorligger.
Knoppenset met snelheidsbegrenzer
De file-assistent is een aanvulling op de adaptieve cruisecontrol die ook bij snelheden lager
dan 30 km/h (20 mph) werkt.
Het systeem werkt bij snelheden hoger dan
70 km/h (43 mph).
WAARSCHUWING
Let erop dat deze functie bij meer situaties
dan bij inhalen kan worden geactiveerd, bijv.
als de richtingaanwijzer wordt gebruikt om het
wisselen van rijbaan of een afslag naar een
andere weg aan te geven. De auto accelereert dan kort.
Gerelateerde informatie
•
•
•
11
222
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 215)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 218)
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 216)
De adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld
met de stuurknop
op de knoppenset van het
stuurwiel (p. 218): de ingestelde/opgeslagen
snelheid wordt daarbij gewist waarna deze niet
.
meer te hervatten is met de toets
Bij auto's met een automatische versnellingsbak
is de adaptieve cruisecontrol aangevuld met de
functie File-assistent (ook wel "Queue Assist"
genoemd).
Knoppenset zonder
snelheidsbegrenzer
De file-assistent biedt de volgende functies:
Bij kort indrukken van de stuurknop
zet u de
adaptieve cruisecontrol stand-by (p. 221). Bij
nogmaals kort indrukken vindt uitschakeling
plaats: de ingestelde/opgeslagen snelheid wordt
daarbij gewist waarna deze niet meer te hervat.
ten is met de toets
•
Uitgebreid snelheidsinterval – ook onder
30 km/h (20 mph) en tijdens stilstand
•
•
Van doelvoertuig veranderen
•
Automatische activering parkeerrem.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 215)
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 216)
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen (p. 226)
Beëindiging automatische remfunctie bij stilstand
Let erop dat 30 km/h (20 mph) de minimumsnelheid is waarop de adaptieve cruisecontrol in
te stellen is – ook al kan de adaptieve cruisecontrol een voorligger volgen tot aan stilstand, is het
kiezen/opslaan van een lagere snelheid dan de
genoemde 30 km/h (20 mph) niet mogelijk.
Alleen bij gebruik van de linker richtingaanwijzers bij een auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzers bij een auto met het stuur rechts.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Groter snelheidsinterval
>
De adaptieve cruisecontrol zal dan de voorligger opnieuw volgen.
N.B.
Om de adaptieve cruisecontrol te kunnen
activeren moet u het bestuurdersportier hebben gesloten en de veiligheidsgordel hebben
omgedaan.
Met een automatische versnellingsbak kan de
adaptieve cruisecontrol een voorligger volgen
met een snelheid tot 200 km/h 125 mph).
N.B.
N.B.
De File-assistent kan de auto maximaal
4 minuten stilhouden – daarna wordt de parkeerrem aangezet, waarna de Adaptieve
cruisecontrol wordt uitgeschakeld.
•
Om de Adaptieve cruisecontrole te kunnen heractiveren moet u eerst de parkeerrem lossen.
Van doelvoertuig veranderen
Om de cruisecontrol te kunnen activeren bij
een snelheid lager dan 30 km/h (20 mph)
mag er binnen redelijke afstand geen voorligger te bekennen zijn.
Bij korte stops tijdens filerijden of voor verkeerslichten wordt de functie automatisch hervat, als
de stop korter was dan ca. 3 seconden – duurt
het langer voordat een voorligger weer gaat rijden, dan wordt de adaptieve cruisecontrol in de
stand-bystand met automatische remfunctie
gezet. U dient deze vervolgens op een van de volgende manieren opnieuw te activeren:
•
Druk op de stuurknop
of
•
Trap het gaspedaal in.
.
WAARSCHUWING
Wanneer de adaptieve cruisecontrol een rijdende voorligger volgt bij snelheden hoger
dan 30 km/h (20 mph), van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig
volgt, zal de adaptieve cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren en de opgeslagen
snelheid aanhouden.
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat, kan het
gebeuren dat een stilstaande voorligger het nieuwe
doelvoertuig wordt.
Wanneer de adaptieve cruisecontrol een rijdende
voorligger volgt bij snelheden lager dan 30 km/h
(20 mph), van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig volgt, zal de adaptieve cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren.
•
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
Automatische stand-bystand bij
wijziging van doelvoertuig
De adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld
en stand-by gezet:
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(5 mph) en de adaptieve cruisecontrol niet
kan registreren of het doelobject een stilstaand voertuig is of een ander object, zoals
een verkeersdrempel.
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(5 mph) en de voorligger afslaat, zodat de
adaptieve cruisecontrol geen voorligger meer
heeft om te volgen.
Annulering automatisch remmen bij
stilstand
In bepaalde situaties annuleert de File-assistent
de automatische remfunctie bij stilstand. Dat
betekent dat de remmen worden gelost en de
}}
223
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
auto mogelijk gaat rollen – u moet daarom ingrijpen en zelf remmen om de auto stil te houden.
Adaptieve cruisecontrol* - van
cruisecontrol-functie wisselen
De File-assistent los in de volgende gevallen de
remmen en zet de adaptieve cruisecontrol standby:
Wisselen van ACC naar CC
•
•
•
•
u bedient het rempedaal
Op het instrumentenpaneel geeft een symbool
aan welke cruisecontrol actief is:
u zet de parkeerrem aan
u zet de keuzehendel in stand P, N of R
CC
ACC
Cruise Control
Adaptive Cruise Control
u de adaptieve cruisecontrol stand-by zet.
Automatische activering parkeerrem
In bepaalde situaties zet de File-assistent de parkeerrem aan om te zorgen dat de auto blijft stilstaan.
Dit vindt plaats in de volgende gevallen:
•
u opent het bestuurdersportier of maakt de
veiligheidsgordel los
•
u haalt het ESC uit de Normal-modus en zet
het in de Sport-modus
•
de File-assistent heeft de auto al meer dan
4 minuten lang stilgehouden
•
•
de motor wordt afgezet
de remmen zijn oververhit geraakt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
224
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 215)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 218)
Cruisecontrol
Wisselen van CC naar ACC
Schakel de cruisecontrol uit met 1–2 keer drukken op de
-knop zoals aangegeven in de uitschakelingsinstructie (p. 222). De volgende keer
dat het systeem wordt ingeschakeld, wordt de
adaptieve cruisecontrol geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 215)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 218)
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 216)
Adaptieve cruisecontrol
Met een druk op de knop kan het adaptieve deel
(afstandshouder) van de cruisecontrol worden
gedeactiveerd, waarna de auto alleen de ingestelde/opgeslagen snelheid aanhoudt.
•
Druk lang op de stuurtoets
– het symop het instrumentenpaneel veranbool
.
dert in
>
Daarmee is de standaardcruisecontrol
(p. 208) CC (Cruise Control) geactiveerd.
WAARSCHUWING
Na een wisseling van ACC naar CC remt de
auto niet langer automatisch - deze volgt
alleen de ingestelde snelheid.
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 216)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen
Als op het instrumentenpaneel de melding
Radar afgedekt Zie instructieboekje ver-
schijnt, betekent dit dat de radarsensor (p. 228)
van de adaptieve cruisecontrol geen voorliggers
kan ontdekken.
In de volgende tabel staan voorbeelden van
mogelijke oorzaken van het verschijnen van de
melding en passende maatregelen:
Deze melding geeft aan dat de Afstandswaarschuwing (p. 211) of Collision Warning met Auto
Brak (p. 240) evenmin werken.
Oorzaak
Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of sneeuw
werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak staan.
Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft dat de
radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 218)
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 216)
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen (p. 226)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 225
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen
en meldingen
een paar voorbeelden - volg in die gevallen het
gegeven advies op:
Soms kan de adaptieve cruisecontrol een symbool en/of een melding weergeven. Hier ziet u
Symbool
Melding
Betekenis
Het symbool is GROEN
De auto houdt de opgeslagen snelheid aan.
Het symbool is WIT
De adaptieve cruisecontrol staat stand-by.
De traditionele cruisecontrol is handmatig gekozen.
Stel ESC in op Normaal
voor activering ACC
De adaptieve cruisecontrol is pas te activeren als de Stabiliteitsregeling (p. 201) in de normale stand is gezet.
Adaptieve cruise control
geannuleerd
De adaptieve cruisecontrol werd gedeactiveerd – u dient zelf uw snelheid aan te passen.
Adaptieve cruise control
control niet beschikbaar
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden geactiveerd.
Dit kan onder meer gebeuren in de volgende gevallen:
•
•
Radar afgedekt Zie
instructieboekje
de remmen hebben een hoge temperatuur
de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
•
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door
hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
U kunt dan overschakelen op (p. 224) de traditionele cruisecontrol (CC) – een displaymelding informeert over
passende alternatieven.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 228).
226
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbool
Melding
Betekenis
Adaptieve cruise control
Service vereist
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
Remmen om stil te blijven
staan + geluidssignaalA
De auto staat stil en de cruisecontrol lost de rem, zodat de parkeerrem verder kan remmen en de auto stil kan
houden. Door een storing in de parkeerrem zal de auto echter spoedig in beweging komen.
•
•
Onder 30 km/h Voorligger
vereistA
A
Neem dan contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
U moet zelf remmen. De melding blijft staan en het geluidssignaal klinkt, totdat u het rempedaal of gaspedaal bedient.
Verschijnt wanneer u de adaptieve cruisecontrol probeert te activeren bij een snelheid lager dan 30 km/h
(20 mph) en er geen voorligger binnen de activeringsafstand te bekennen is.
Alleen auto met File-assistent.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 215)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 218)
Adaptieve cruisecontrol* - werking (p. 216)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 227
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Radarsensor
De radarsensor dient om personenauto’s of grotere voertuigen te registreren die in dezelfde
richting als u en in dezelfde rijstrook rijden.
•
•
Collision Warning* (p. 240)
Radarsensor - beperkingen
Afstandswaarschuwing* (p. 211)
Een radarsensor (p. 228) heeft bepaalde beperkingen die onder meer terug te voeren zijn op
het beperkte blikveld.
De radarsensor wordt gebruikt voor de volgende
systemen:
De adaptieve cruisecontrol heeft veel meer
moeite om een voorligger te ontdekken, als:
•
•
•
•
als de snelheid van de voorligger veel afwijkt
van die van uw eigen auto
•
als de radarsensor gehinderd wordt door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de
radarsensor afdekken.
Afstandswaarschuwing*
Adaptieve cruisecontrol*
Collision Warning met Auto-Brake en fietsers- & voetgangersdetectie*
BELANGRIJK
Bij zichtbare schade aan de grille van de auto
of het vermoeden dat de radarsensor beschadigd is:
•
Neem contact op met een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Als de grille, de radarsensor of de console
ervan beschadigd of losgeraakt is, kan de
functie ervan geheel of gedeeltelijk wegvallen
of storingen vertonen.
N.B.
Houd het oppervlak vóór de radarsensor
schoon - zie het gedeelte ‘Onderhoud’
(p. 244).
Blikveld
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen wordt een voertuig niet ontdekt of later dan verwacht.
Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk
dat het gebruik ervan onwettig wordt.
Gerelateerde informatie
•
•
228
Radarsensor - beperkingen (p. 228)
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 215)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden
met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen
passende snelheid of afstand aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u
merkt dat het systeem een voorligger niet
registreert.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet voor
alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d.
Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden
eveneens genegeerd.
Neem alle hoofdstukken over de adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het systeem te gebruiken.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen,
bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten met
een dikke laag water of sneeuwmodder, op
bochtige wegen of op op- en afritten.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden
aangehouden, ook bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol.
WAARSCHUWING
Blikveld van de ACC.
Soms kan de radarsensor een voertuig op
korte afstand pas laat registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt tussen u en uw voorligger.
Accessoires of andere voorwerpen, zoals bijv.
verstralers, mogen niet vóór de grille worden
gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 215)
Collision Warning* (p. 240)
Afstandswaarschuwing* (p. 211)
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen of
voertuigen die niet in het midden van de rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 229
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Typegoedkeuring - radarsysteem
De typegoedkeuringen voor de radareenheden
van de auto staan in de volgende tabel.
Markt
ACCA
BLISB
Symbool
Typegoedkeuring
Este equipamento opera em caráter secundário, isto é, não tem direito à proteção contra
interferência prejudicial, mesmo de estações do mesmo tipo e não pode causar interferência
a sistemas operando em caráter primário.
✓
Modelo: L2C0038TR
1071-10-3451
Brazilië
EAN: 07897843800248
Modelo: L2C0055TR
✓
1500-15-8065
EAN: 07897843840978
Europa
✓
✓
Hereby, Delphi Electronics & Safety declares that L2C0038TR / L2C0055TR are in
compliance with the essential requirements and other relevant provisions of Directive
1999/5/EC.
The Declaration of Conformity may be consulted at Delphi Electronics & Safety / 2151 E.
Lincoln Road / Kokomo, Indiana 46902 USA
TRA
✓
REGISTERED No: 0018923/09
DEALER No: DA37380/15
Verenigde Arabische
Emiraten
TRA
✓
REGISTERED No: ER37357/15
DEALER No: DA37380/15
230
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Markt
Indonesië
ACCA
BLISB
✓
Symbool
Typegoedkeuring
14785/POSTEL/2010 1982
✓
38806/SDPPI/2015 4927
Type Approval No.: TRC/LPD/2009/87
✓
Equipment type: Low Power Device (LPD)
Jordanië
✓
Type Approval No.: TRC/LPD/2015/3
Equipment Type: Low Power Device (LPD)
AGREE PAR L'ANRT MAROC
✓
Numero d'agrement : MR 4838 ANRT 2009
Date d'agrement : 22/05/2009
Marokko
AGREE PAR L’ANRT MAROC
✓
NUMÉRO D’AGRÉMENT: MR 9929 ANRT 2014
DATE D’AGRÉMENT: 26/12/2014
Singapore
✓
✓
Complies with IDA Standards DA105753
TA-2009/163
✓
APPROVED
Zuid-Afrika
✓
TA-2014/2390
APPROVED
}}
231
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Markt
ACCA
BLISB
✓
Taiwan
A
B
ACC = Adaptive Cruise Control
BLIS = Blind Spot Information
Gerelateerde informatie
•
232
Radarsensor (p. 228)
Symbool
Typegoedkeuring
CCAB09LP4590T3
✓
CCAB15LP0680T0
BESTUURDERSONDERSTEUNING
City Safety™
BELANGRIJK
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen
een botsing te voorkomen tijdens filerijden en
dergelijke, waarbij plotselinge wijzigingen in het
verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid
tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
Onderhoud en vervanging van onderdelen in
City Safety™ mogen uitsluitend door een
werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Het City Safety™ dat actief is bij een snelheid tot
50 km/h (30 mph) helpt u door automatisch te
remmen, wanneer het gevaar voor een botsing
met een voorligger reëel is en u zelf niet snel
genoeg remt en/of uitwijkt.
City Safety™ werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
City Safety™ reageert niet op voertuigen die
in een andere richting dan de eigen auto rijden, op kleine voertuigen, op motorfietsen of
op mensen en dieren.
City Safety™ kan botsingen voorkomen bij
een snelheidsverschil lager dan 15 km/h
(9 mph) - bij een groter snelheidsverschil kan
de impactsnelheid alleen worden gereduceerd. Voor maximale remwerking moet u zelf
het rempedaal intrappen.
City Safety™ is erop gebouwd om zo laat mogelijk geactiveerd te worden om onnodige ingrepen
te voorkomen.
Gebruik City Safety™ niet om uw rijgedrag aan te
passen – als u er blind op vertrouwt dat City
Safety™ remt, raakt u vroeg of laat betrokken bij
een botsing.
Bij auto's met Collision Warning met Auto Brake
(p. 240)* vullen de beide systemen elkaar aan.
City Safety registreert het verkeer vóór de auto
middels een lasersensor boven aan de voorruit.
Wanneer het gevaar voor een aanrijding reëel is,
zal City Safety automatisch remmen, wat aandoet als een krachtige remmanoeuvre.
WAARSCHUWING
City Safety™ wordt geactiveerd in situaties waar
u eigenlijk al veel eerder had moeten remmen,
zodat de functie niet altijd uitkomst biedt.
U en eventuele passagiers zullen normaal alleen
merken dat City Safety™ actief is, wanneer een
botsing dreigt.
City Safety™ - werking
Wacht nooit af totdat City Safety™ ingrijpt. U
bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de juiste afstand en snelheid aanhoudt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
City Safety™ - beperkingen (p. 235)
City Safety™ - werking (p. 233)
City Safety™ - bediening (p. 234)
City Safety™ - lasersensor (p. 237)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 239)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 233
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt
op het instrumentenpaneel de displaymelding dat
het systeem actief is/was.
N.B.
Als City Safety™ remt, gaan de remlichten
branden.
City Safety™ - bediening
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen
een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d.,
waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer
vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijnaongelukken kunnen leiden.
Aan en Uit
Gerelateerde informatie
Zend- en ontvangstoog van de lasersensor12.
Bij een snelheidsverschil van 4–15 km/h
(3–9 mph) ten opzichte van de voorligger kan
City Safety een aanrijding geheel voorkomen.
City Safety start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u net
achter uw voorligger tot stilstand komt. Voor veel
bestuurders die dit niet gewend zijn is een dergelijke remmanoeuvre onprettig.
•
•
•
•
•
234
City Safety™ wordt bij het starten van de
motor automatisch gestart.
City Safety™ (p. 233)
City Safety™ - bediening (p. 234)
City Safety™ - lasersensor (p. 237)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 239)
Bij een snelheidsverschil groter dan 15 km/h
(9 mph) tussen de voertuigen kan City Safety
een aanrijding niet geheel op eigen kracht voorkomen – voor het maximale remvermogen dient u
zelf het rempedaal te bedienen. In dat geval is
het ook bij snelheidsverschillen groter dan
15 km/h (9 mph) mogelijk een aanrijding te voorkomen.
12
N.B.
City Safety™ - beperkingen (p. 235)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Soms is het handig om City Safety™ uit te kunnen schakelen, bijvoorbeeld wanneer bebladerde
takken langs de motorkap en voorruit kunnen
schampen.
City Safety™ is te bedienen in het menusysteem
MY CAR (p. 121) en na een motorstart is het
systeem als volgt uit te schakelen:
•
Ga in MY CAR naar Rijondersteuning en
kies Uit bij City Safety.
De volgende keer dat de motor wordt gestart
is de functie echter weer actief, ook al stond
het systeem uit toen de motor werd afgezet.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
De lasersensor geeft ook laserlicht af, wanneer u City Safety™ handmatig uitgeschakeld
hebt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
City Safety™ (p. 233)
City Safety™ - beperkingen (p. 235)
City Safety™ - werking (p. 233)
City Safety™ - lasersensor (p. 237)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 239)
MY CAR (p. 121)
City Safety™ - beperkingen
De City Safety-sensor is erop gebouwd om
auto's en andere voertuigen vóór u te ontdekken,
zowel overdag als 's nachts.
Er gelden echter bepaalde beperkingen voor het
systeem.
Door de beperkingen van de sensor werkt City
Safety minder goed – of helemaal niet – bij
hevige sneeuw- of regenval, in dichte mist of in
dikke stofwolken of stuifsneeuw. Ook condens,
vuil, sneeuw en ijs op de voorruit kunnen voor
storingen in de werking zorgen.
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/wimpels
die uitstekende lading markeren of accessoires
zoals verstralers en frontbars die boven de motorkap uitsteken zorgen voor functiebeperkingen.
Het laserlicht van de sensor in City Safety meet
hoe het licht reflecteert. De sensor kan geen
obstakels met een gering reflecterend vermogen
waarnemen. De achterkant van voertuigen weerkaatst veelal voldoende licht dankzij de kentekenplaat en de achterlichtreflectoren.
Wanneer u achteruitrijdt, is City Safety tijdelijk
gedeactiveerd.
City Safety wordt niet geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h (3 mph)), wat betekent dat
het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u een
voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens
het parkeren.
De commando's die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety niet
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando's geeft via stuurwiel of gaspedaal, zelfs al is
een aanrijding onvermijdelijk.
Nadat City Safety een aanrijding met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de auto
maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de auto
wordt afgeremd wegens een rijdende voorligger,
wordt de snelheid begrensd tot dezelfde snelheid
als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer City Safety de
auto tot stilstand heeft gebracht, tenzij u daarvoor
het koppelingspedaal weet te bedienen.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor City
Safety minder goed in staat is aanrijdingen te
voorkomen. In dergelijke situaties zullen het
ABS13 en ESC14 voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
13
14
(Anti-lock Braking System) - Antiblokkeerremsysteem.
(Electronic Stability Control) - Stabiliteitsregeling.
}}
235
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
N.B.
•
Houd de voorruit in het gebied vóór de
lasersensor vrij van sneeuw, ijs, condens
en vuil (zie de afbeelding met de sensorpositie (p. 233)).
•
Plak of bevestig geen zaken op de voorruit vóór de lasersensor.
•
Haal sneeuw en ijs van de motorkap – de
laag sneeuw en ijs mag niet dikker zijn
dan 5 cm.
Storingen opsporen en verhelpen
Als de melding Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek op het instrumentenpaneel verschijnt, worden de lasersensoren gehinderd zodat
ze geen voertuigen vóór de auto kunnen registreren. Dit betekent op zijn beurt dat City Safety niet
werkt.
De melding Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek verschijnt echter niet in alle situaties waarbij de lasersensor gehinderd worden –
let er daarom op dat u de voorruit en in het bijzonder het gebied vóór de lasersensor zorgvuldig
schoonhoudt.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en suggesties voor passende maatregelen.
236
Oorzaak
BELANGRIJK
Maatregel
Het voorruitoppervlak
vóór de lasersensor is
vuil of bedekt met
sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
lasersensor van vuil,
sneeuw en ijs.
Het zicht van de
lasersensor is
geblokkeerd.
Verwijder het voorwerp dat het zicht
blokkeert.
Als het voorruitoppervlak vóór een van beide
‘ogen’ barsten, krassen of steenslag vertoont
van ca. 0,5 × 3,0 mm (of groter), neem dan
contact op met een erkende werkplaats om
de voorruit te laten vervangen (zie de afbeelding met de sensorpositie (p. 233)) – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als u niets doet, presteert City Safety™
mogelijk minder goed.
Om te voorkomen dat City Safety™ helemaal
niet, onjuist of in beperkte mate werkt, geldt
tevens het volgende:
•
Volvo adviseert u scheurtjes, krassen of
sterren in het gebied vóór de lasersensor
niet te repareren, maar de complete
voorruit te vervangen.
•
Voordat de voorruit wordt vervangen,
moet u contact opnemen met een
erkende Volvo-werkplaats om te controleren of de juiste voorruit wordt besteld
en gemonteerd.
•
monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander type,
door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety™ (p. 233)
City Safety™ - werking (p. 233)
City Safety™ - bediening (p. 234)
City Safety™ - lasersensor
Het City Safety™-systeem maakt gebruik van
een sensor die laserlicht uitzendt (zie afbeelding
(p. 233) voor de locatie van de sensor). Neem
contact op met een gekwalificeerde werkplaats
als de lasersensor een storing vertoont of nagekeken moet worden – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Het is daarom essentieel dat u de aangegeven instructies opvolgt bij
het hanteren van de lasersensor.
De volgende twee stickers gelden voor de lasersensor:
Op de onderste sticker staan de fysische eigenschappen van het laserlicht:
•
IEC 60825-1:1993 + A2:2001. Voldoet aan
de normen van de FDA (Amerikaanse keuringsdienst van waren) betreffende de uitvoering van laserproducten met uitzondering
van de afwijkingen conform ‘Laser Notice No.
50’, d.d. 26 juli 2001.
Stralingsgegevens voor lasersensor
De fysische gegevens staan nader omschreven in
de volgende tabel.
Maximale pulsenergie
2,64 µJ
Maximaal gem. vermogen
45 mW
Pulsduur
Divergentie (horizontaal × verticaal)
33 ns
28° × 12°
Op de bovenste sticker in de afbeelding staat de
classificatie van het laserlicht:
•
Laserstraling - Niet rechtstreeks in de straal
kijken met optische instrumenten - Klasse
1M laserproduct.
}}
237
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
•
WAARSCHUWING
Als u de instructies in deze handleiding niet
opvolgt, bestaat er gevaar voor oogletsel!
•
•
•
•
•
•
238
Kijk nooit van een afstand van 100 mm of
minder in de lasersensor (waaruit uiteenlopende, onzichtbare laserstralen komen)
met vergrotende optiek zoals een vergrootglas, microscoop, objectief of soortgelijke optische instrumenten.
Laat tests, reparaties, demontage, afstelling en/of vervanging van de lasersensor
of delen ervan alleen uitvoeren door een
erkende werkplaats – geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
Stel de lasersensor niet bij en voer geen
onderhoud uit dat niet uitdrukkelijk in
deze handleiding staat aangegeven om
blootstelling aan schadelijke straling
tegen te gaan.
De reparateur dient de speciaal opgestelde werkplaatsinformatie voor de
lasersensor te volgen.
Demonteer de lasersensor niet (en verwijder de lenzen evenmin). Een gedemonteerde lasersensor is een laserproduct
klasse 3B volgens de IEC-norm
60825-1. Een laserproduct klasse 3B is
niet veilig voor de ogen en houdt dan ook
een gevaar voor oogletsel in.
Koppel de connector van de lasersensor
los voordat u deze van de voorruit demonteert.
•
Zorg dat de lasersensor op de voorruit
gemonteerd is alvorens de connector aan
te sluiten.
De lasersensor zendt laserlicht uit wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 86) staat, ook al is de motor
afgezet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
City Safety™ (p. 233)
City Safety™ - beperkingen (p. 235)
City Safety™ - werking (p. 233)
City Safety™ - bediening (p. 234)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 239)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
City Safety™ - symbolen en
meldingen
tenpaneel gaan branden in combinatie met een
tekstmelding. Meldingen kunt u van het display
halen door de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel kort in te drukken.
Terwijl City Safety™ (p. 233) automatisch remt,
kunnen een of meer symbolen op het instrumenSymbool
Melding
Betekenis/Maatregel
Automatisch remmen door
City Safety
City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek
De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt.
•
Verwijder het voorwerp dat de sensor hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór de sensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de lasersensor (p. 235).
City Safety Service vereist
City Safety™ is defect.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
City Safety™ (p. 233)
City Safety™ - beperkingen (p. 235)
City Safety™ - werking (p. 233)
City Safety™ - bediening (p. 234)
City Safety™ - lasersensor (p. 237)
239
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Collision Warning*
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsersen voetgangersdetectie’ is een hulpmiddel dat
bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het
gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of
voorligger botst.
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en
voetgangersdetectie’ wordt geactiveerd in situaties waar u eigenlijk al veel eerder had moeten
remmen, zodat het systeem niet altijd uitkomst
biedt.
sers- en voetgangersdetectie’ in twee uitvoeringen voorkomen:
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 247)
Uitvoering 1
U wordt alleen met visuele en akoestische signalen gewaarschuwd15 voor obstakels – er wordt
niet automatisch geremd, u moet zelf remmen.
•
Collision Warning* - symbolen en meldingen
(p. 249)
Uitvoering 2
U wordt met visuele en akoestische signalen
gewaarschuwd voor obstakels – de auto remt
automatisch als u niet zelf binnen een redelijke
tijd reageert.
BELANGRIJK
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en
voetgangersdetectie’ is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
Onderhoud aan de componenten van ‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en
voetgangsdetectie’ mag uitsluitend worden
uitgevoerd in een werkplaats – geadviseerd
wordt een door Volvo erkende werkplaats.
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en
voetgangersdetectie’ kan een aanrijding voorkomen of de impactsnelheid verlagen.
Gebruik ‘Collision Warning met Auto Brake en
fietsers- en voetgangersdetectie’ niet om uw rijgedrag aan te passen – als u er blind op vertrouwt dat Collision Warning met Auto Brake
remt, raakt u vroeg of laat betrokken bij een aanrijding.
Twee systeemuitvoeringen
Afhankelijk van het uitrustingsniveau van de auto
kan de ‘Collision Warning met Auto Brake en fiet15
240
Gerelateerde informatie
•
•
Collision Warning* - werking (p. 241)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 243)
•
Collision Warning* - detectie van fietsers
(p. 242)
•
•
Collision Warning* - bediening (p. 244)
Collision Warning* - beperkingen (p. 246)
Geen waarschuwing voor fietsers bij ‘Uitvoering 1’.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Collision Warning* - werking
1 – Collision Warning
Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende
aanrijding.
Collision Warning kan voetgangers, fietsers of
voertuigen voor uw auto registreren die stilstaan
of zich in dezelfde richting als u bewegen.
Bij gevaar voor een aanrijding met een voetganger, fietser of voertuig, wordt uw aandacht
getrokken met een rood knipperend waarschuwingssymbool (1) en een akoestisch signaal.
2 - Brake Support17
Functie-overzicht16.
Audiovisueel waarschuwingssignaal wanneer
een botsing dreigt.
Radarsensor17
Camerasensor
Collision Warning met Auto Brake vervult drie
functies in de volgende volgorde:
1.
Collision Warning
2.
Brake Support17
3.
Auto Brake17
Collision Warning en City Safety™ (p. 233) vullen
elkaar aan.
16
17
3 - Auto Brake17
Op het laatste moment wordt de automatische
remfunctie geactiveerd.
Als u in deze fase nog steeds niet aan een uitwijkmanoeuvre bent begonnen en het aanrijdingsgevaar urgent is, schakelt de automatische
remfunctie in, ongeacht of u remt of niet. De auto
wordt daarbij maximaal afgeremd om de botssnelheid te beperken of zoveel als nodig is om
een aanrijding te voorkomen. Voor fietsers wordt
mogelijk zeer laat gewaarschuwd en geremd of
gelijktijdig gewaarschuwd en geremd.
Als het gevaar voor een aanrijding na de Collision
Warning verder is toegenomen, treedt de Brake
Support in werking.
Dit betekent dat het systeem de nodige voorbereidingen treft voor een snelle remmanoeuvre,
waarna de remmen licht worden aangezet. Dit is
te merken aan een lichte schok.
Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid
bedient, wordt het maximale remvermogen geleverd.
Brake Support helpt u eveneens bij het remmen,
als het systeem ervan uitgaat dat de remmanoeuvre alleen niet voldoende is om een botsing
te voorkomen.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Alleen met een systeem in uitvoering 2.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 241
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Collision Warning reageert niet op naderende
tegenliggers of fietsers noch op dieren.
Collision Warning* - detectie van
fietsers
Er wordt alleen gewaarschuwd, wanneer het
risico van een botsing groot is. In het onderdeel "Functie" en "Beperkingen" wordt geïnformeerd over de beperkingen die u als
bestuurder moet kennen, voordat u de Collision Warning met Auto Brake gebruikt.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h (50 mph).
In het donker en in tunnels kan niet worden
gewaarschuwd noch geremd voor voetgangers en fietsers – zelfs al brandt de straatverlichting.
Het systeem ‘ziet’ alleen de achterkant van fietsers die
zich in dezelfde richting als uw auto bewegen.
Auto Brake kan een botsing geheel voorkomen of de botssnelheid verlagen. Bedien voor
een maximale remwerking altijd het rempedaal – ook al wordt er automatisch geremd.
Wacht nooit een waarschuwingssignaal van
de Collision Warning af. U bent er altijd verantwoordelijk voor om de juiste afstand en
snelheid aan te houden – ook bij gebruik van
de Collision Warning met Auto Brake.
Gerelateerde informatie
•
18
242
Collision Warning* (p. 240)
Optimaal voorbeeld van wat het systeem als een fietser
beschouwt – met duidelijke lichaams- en fietscontouren,
recht van achteren gezien en in het verlengde van de
hartlijn door de auto.
Voor optimale prestaties van het systeem dient
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van fietsers zo uniform mogelijke
informatie over de lichaams- en fietscontouren
ontvangen – dat houdt in dat kenmerkende
(lichaams-)delen zoals fiets, hoofd, armen, schouders, benen, borstkas en buik moeten kunnen
worden waargenomen evenals een bewegingspatroon dat voor fietsers als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan fietsers niet ontdekken, als de
camera grote delen van het lichaam van de fietser of van zijn/haar fiets niet kan waarnemen.
•
Het systeem kan alleen volwassen fietsers
ontdekken die op een dames- of herenfiets
zitten.
•
De fiets moet aan de achterkant zijn voorzien
van een rode reflector die goed zichtbaar en
goedgekeurd18 is en op minstens 70 cm
boven het wegdek zit.
•
Het systeem kan fietsers alleen recht van
achteren ontdekken en alleen als deze zich
in dezelfde richting als uw auto bewegen –
niet schuin van achteren of van opzij.
•
Fietsers die dicht op de denkbeeldige snijlijnen door de zijkanten van uw auto fietsen
De reflector moet voldoen aan de aanbevelingen en voorschriften van de verkeersinstantie in het desbetreffende land.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
(links of rechts ervan) worden mogelijk laat
of helemaal niet ontdekt.
•
Bij zonsondergang en -opgang kan het systeem fietsers minder goed registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
•
Het systeem is niet in staat fietsers te registreren bij ritten in het donker of in tunnels –
zelfs al brandt de straatverlichting.
•
Voor optimale fietsersdetectie moet het systeem City Safety™ zijn geactiveerd, zie City
Safety™ (p. 233).
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 240)
Collision Warning* - detectie van
voetgangers
WAARSCHUWING
Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie is een hulpmiddel.
Fietserdetectie is niet mogelijk:
•
in alle situaties en het systeem heeft bijvoorbeeld moeite met gedeeltelijk zichtbare fietsers;
• bij fietsers in kleding die de lichaamscontouren verhult of fietsers die van de zijkant komen;
• bij fietsen waar achterop geen reflector
zit;
• bij fietsen waarop grote voorwerpen worden vervoerd.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt afhankelijk van de rijsnelheid.
Ideaalvoorbeelden van wat het systeem als voetgangers
met herkenbare lichaamscontouren beschouwt.
Voor optimale prestaties van het systeem dient
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke informatie over de lichaamscontouren ontvangen – dat houdt in dat kenmerkende
lichaamsdelen zoals hoofd, armen, schouders,
benen, borstkas en buik moeten kunnen worden
waargenomen evenals een bewegingspatroon
dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan voetgangers niet ontdekken, als
de camera grote delen van het lichaam niet kan
waarnemen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 243
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
•
Een voetganger is alleen te ontdekken wanneer deze helemaal zichtbaar is en een
lengte heeft van minimaal 80 cm.
•
Bij zonsondergang en -opgang kan de camerasensor voetgangers minder goed registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
•
De camerasensor is niet in staat voetgangers
te registreren bij ritten in het donker of in
tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
Collision Warning* - bediening
Waarschuwingssignalen Aan en Uit
Via het menusysteem MY CAR op het display van
de middenconsole zijn instellingen voor de Collision Warning te verrichten, zie (p. 121).
WAARSCHUWING
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en voetgangsdetectie’ is een hulpmiddel. Het systeem kan niet altijd alle voetgangers detecteren en heeft bijvoorbeeld moeite
met:
•
slechts gedeeltelijk zichtbare voetgangers, voetgangers die gekleed gaan in
kleding die de lichaamscontouren verhult
of voetgangers met een lengte tot korter
dan 80 cm;
voetgangers
die grote voorwerpen dra•
gen.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt afhankelijk van de rijsnelheid.
N.B.
De functies Brake Support en Auto Brake zijn
altijd actief – ze kunnen niet uitgeschakeld
worden.
1. Akoestisch en visueel waarschuwingssignaal wanneer
een botsing dreigt19.
U kunt aangeven of de geluidssignalen en het
geprojecteerde waarschuwingslampje voor de
Collision Warning moeten zijn in- of uitgeschakeld.
Bij het starten van de motor geldt automatisch de
instelling die actief was toen de motor werd afgezet.
Waarschuwingslampje en geluidssignaal
Wanneer het waarschuwingslampje en het
geluidssignaal zijn ingeschakeld, wordt het waarschuwingslampje (nr. [1] op de voorgaande
afbeelding) bij iedere motorstart getest door de
verschillende lichtpunten korte tijd te laten branden.
Na het starten van de motor zijn zowel het waarschuwingslampje als het geluidssignaal uit te
schakelen:
•
Ga naar Botswaarschuwing in
Rijondersteuning in het menusysteem MY
CAR (p. 121) - vink de functie daar uit.
Gerelateerde informatie
•
19
244
Collision Warning* (p. 240)
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Geluidssignaal
Na het starten van de motor is het geluidssignaal
apart in/uit te schakelen:
•
Ga naar Signaaltoon in
Botswaarschuwing in het menusysteem
MY CAR (p. 121) - kies daar Aan of Uit.
Vervolgens vindt de Collision Warning alleen met
lichtsignalen plaats.
Waarschuwingsafstand instellen
De waarschuwingsafstand is de afstand waarbij
een visueel signaal en een geluidssignaal worden
afgegeven.
•
Ga naar Waarschuwingsafstand in
Botswaarschuwing in het menusysteem
MY CAR (p. 121) - kies daar Lang, Normaal
of Kort.
De waarschuwingsafstand is bepalend voor de
gevoeligheid van het systeem. Bij de waarschuwingsafstand Lang wordt eerder gewaarschuwd.
Ga altijd uit van de instelling Lang, maar als deze
instelling te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in
bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u overgaan op de waarschuwingsafstand Normaal.
Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij
dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort.
N.B.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en de
waarschuwingszoemer door de cruisecontrol
gehanteerd, ook al hebt u de Collision Warning gedeactiveerd.
Instellingen controleren
De actuele instellingen zijn te controleren via het
display van de middenconsole en in het menusysteem (p. 121) MY CAR.
Onderhoud
De Collision Warning waarschuwt u bij gevaar
voor een botsing, maar het systeem is niet in
staat de reactietijd te verkorten.
Voor een optimale werking van de Collision
Warning dient u de Afstandswaarschuwing
(p. 211) altijd in te stellen op tijdsverschil 4-5.
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden afgegeven. Bijvoorbeeld bij grote snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig remt.
Camera- en radarsensor20.
De sensoren werken alleen naar behoren wanneer u vuil, ijs en sneeuw verwijdert en ze regelmatig schoonmaakt met water en autoshampoo.
WAARSCHUWING
Geen enkel automatisch systeem kan in alle
situaties een 100 % feilloze werking garanderen. Test Collision Warning met Auto Brake
daarom nooit uit op mensen of voertuigen dat kan namelijk tot ernstig letsel/ernstige
schade en levensgevaarlijke situaties leiden.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken,
neemt de functie af en kan meten onmogelijk
worden gemaakt.
Gerelateerde informatie
•
20
Collision Warning* (p. 240)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 245
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Collision Warning* - beperkingen
Het systeem heeft bepaalde beperkingen – zo is
het systeem pas actief bij snelheden van zo'n
4 km/h (3 mph) en hoger.
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit
geprojecteerde waarschuwingslampje voor de
Collision Warning (zie (1) op de afbeelding
(p. 241)) soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook
mogelijk als u niet recht vooruit kijkt. Houd de
waarschuwingszoemer daarom altijd ingeschakeld.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor het
systeem minder goed in staat is aanrijdingen te
voorkomen. In dergelijke situaties zullen het ABS
en de ESC (p. 201) voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan korte
tijd buiten werking worden gesteld, wanneer
de temperatuur in het interieur bijvoorbeeld
door de felle zon te hoog is opgelopen. Als dit
gebeurt, wordt er een waarschuwingszoemer
afgegeven ook al hebt u deze uitgeschakeld
via het menusysteem.
•
Waarschuwingen kunnen eveneens uitblijven bij een zeer geringe afstand tot de
voorligger of bij relatief grote stuur- en
pedaalbewegingen zoals bij een zeer
actieve rijstijl.
WAARSCHUWING
Als de gecombineerde camera en radarsensor op grond van de verkeerssituatie of
anderszins problemen heeft voetgangers,
voorliggers of fietsers te ontdekken, is het
mogelijk dat het systeem pas laat, onterecht
of helemaal geen waarschuwing geeft en
remt.
De sensoren hebben een beperkt bereik voor
voetgangers en fietsers21, zodat het systeem
voor dergelijke weggebruikers efficiënt waarschuwt en remingrepen verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h (30 mph). Voor stilstaande
of langzaam rijdende voorliggers wordt efficient gewaarschuwd en geremd bij rijsnelheden
tot 70 km/h (43 mph).
In het donker of bij slecht zicht wordt mogelijk
niet gewaarschuwd voor langzaam rijdende of
stilstaande voorliggers.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h (50 mph).
De Collision Warning maakt gebruik van dezelfde
radarsensor als die van de adaptieve cruisecontrol (p. 215). Lees meer over de beperkingen van
de radarsensor (p. 228).
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd en
de signalen als storend ervaart, kunt u de waarschuwingsafstand verkleinen (p. 244). Het sys-
21
246
Voor fietsers wordt mogelijk zeer laat gewaarschuwd en geremd of gelijktijdig gewaarschuwd en geremd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
teem waarschuwt dan minder snel en minder
vaak.
Collision Warning* - beperkingen
van de camerasensor
Met geactiveerde achteruitversnelling is de Collision Warning met Auto Brake tijdelijk gedeactiveerd.
"Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie" is een hulpmiddel dat
bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het
gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of
voorligger botst.
Collision Warning met Auto Brake wordt niet
geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h
(3 mph)), wat betekent dat het systeem niet
ingrijpt in situaties waarbij u een voorligger uiterst
langzaam nadert zoals tijdens het parkeren.
In situaties waarin u actief en bewust rijgedrag
laat zien, wordt Collision Warning minder actief.
Nadat Auto Brake een aanrijding met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de auto
maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de auto
wordt afgeremd wegens een rijdende voorligger,
wordt de snelheid begrensd tot dezelfde snelheid
als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer Auto Brake
de auto tot stilstand heeft gebracht, tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet te bedienen.
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 240)
Het systeem maakt gebruik van de camerasensor van de auto, die bepaalde beperkingen
heeft.
De camerasensor van de auto wordt naast de
Collision Warning met Auto Brake ook gebruikt
door de functies:
•
•
•
•
Automatisch groot licht (p. 99)
Verkeersbordinformatie (p. 256)
Driver Alert Control - DAC (p. 259)
Rijbaanassistent (p. 262)
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór de
camerasensor, aangezien één of meer camera’s voor het systeem hierdoor slechter of niet
meer werken.
De camerasensor kent ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in dat de
sensor minder goed "ziet" bij hevige regen- of
sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke
omstandigheden kunnen functies die gebruik
maken van de camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd worden.
Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde
of onduidelijke rijstrookmarkeringen kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen voor de functies die van de camera gebruik maken om bijvoorbeeld het wegdek af te tasten en andere
voertuigen en voetgangers te ontdekken.
Het blikveld van de camerasensor is beperkt,
zodat voetgangers, fietsers en voertuigen in
bepaalde situaties niet kunnen worden geregistreerd of later worden ontdekt dan verwacht.
Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera de
eerste ca. 15 minuten na het starten van de
motor niet om de camerafunctie te ontzien.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding Voorruitsensoren
afgedekt Zie instructieboek staat, betekent dit
dat de camerasensor afgedekt is en geen voetgangers, fietsers, voertuigen of rijstrookmarkeringen vóór de auto kan ontdekken.
Dit betekent tevens dat, naast Collision Warning
met automatisch remmen, de volgende functies
evenmin volledig werken:
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 247
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
•
•
•
•
Automatisch groot licht
Driver Alert Control
Rijbaanassistent
Verkeersbordinformatie
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en passende
maatregelen.
248
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak
vóór de camera is
vuil of bedekt met
sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
camera van vuil,
sneeuw en ijs.
Bij dichte mist en
hevige regen- of
sneeuwval heeft de
camera een minder
goed zicht.
Valt niets aan te doen.
Bij hevige neerslag
werkt de camera soms
niet.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak
vóór de camera is
schoongemaakt,
maar de melding
blijft.
Wacht even. Het kan
enige minuten duren
voordat de camera het
zicht opnieuw heeft
gemeten.
Er is vuil tussen de
binnenkant van de
voorruit en de
camera gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de voorruit
achter de camerabehuizing te laten
schoonmaken – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 240)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Collision Warning* - symbolen en
meldingen
"Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie" is een hulpmiddel dat
SymboolA
bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het
gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of
voorligger botst.
Melding
Betekenis
Collision warning system UIT
Collision Warning is uitgeschakeld.
Verschijnt bij het starten van de motor.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de OK-knop drukt.
CWS-systeem niet
beschikbaar
Het is niet mogelijk Collision Warning te activeren.
Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de OK-knop drukt.
Remassistent geactiveerd
De Auto Brake was actief.
Voorruitsensoren afgedekt Zie instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
De melding verdwijnt na bediening van de OK-knop.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 247).
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 249
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
SymboolA
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieboekje
Collision Warning met Auto Brake werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige
regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 228).
CWS-systeem Service
vereist
A
Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
•
250
Collision Warning* (p. 240)
Collision Warning* - werking (p. 241)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 243)
•
Collision Warning* - detectie van fietsers
(p. 242)
•
•
•
Collision Warning* - bediening (p. 244)
Collision Warning* - beperkingen (p. 246)
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 247)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BLIS*
Overzicht
BLIS (Blind Spot Information) is een functie om
u ondersteuning te bieden bij rijden in druk verkeer op wegen met meerdere rijbanen in
dezelfde richting.
Het BLIS-systeem is een hulpmiddel om u te
waarschuwen voor:
•
•
voertuigen in de dode hoek
snel inhalende voertuigen in de linker en
rechter rijbaan naast uw auto.
De BLIS-functie CTA (p. 253) (Cross Traffic
Alert) is een hulpmiddel om u te waarschuwen
voor:
•
kruisend verkeer als u achteruitrijdt met de
auto.
WAARSCHUWING
BLIS is slechts een aanvullend hulpmiddel en
werkt niet in alle situaties.
BLIS vormt geen vervanging voor een veilige
rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
Ook met BLIS moet u altijd oplettend en verantwoord blijven rijden - u bent er altijd verantwoordelijk voor dat u op een veilige manier
van rijstrook wisselt.
22
Houd dit gebied schoon - ook aan de linkerzijde.
Positie BLIS-lampje22.
Controlelampje
BLIS-symbool
N.B.
Het lampje gaat branden aan de kant van de
auto waar het systeem het voertuig heeft ontdekt. Als de auto aan beide kanten tegelijkertijd wordt ingehaald, gaan beide lampjes branden.
•
Voor optimale werking is het belangrijk dat
de oppervlakken vóór de sensoren worden
schoongehouden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
BLIS* - bediening (p. 252)
BLIS - symbolen en meldingen (p. 255)
CTA* (p. 253)
Onderhoud
De sensoren voor het BLIS-systeem zitten aan
de binnenkant van beide hoeken van achterspatbord/bumper.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 251
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BLIS* - bediening
Wanneer BLIS werkt
BLIS (Blind Spot Information) is een functie om
u ondersteuning te bieden bij rijden in druk verkeer op wegen met meerdere rijbanen in
dezelfde richting.
BLIS activeren/deactiveren
BLIS wordt geactiveerd bij het starten van de
motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes op de portierpanelen die één keer oplichten.
Het BLIS is te deactiveren/activeren in het
menusysteem MY CAR (p. 121) van de auto.
Bij deactivering/activering van BLIS dooft/brandt
het lampje in de knop en het instrumentenpaneel
bevestigt de wijziging met een displaymelding bij activering lichten de controlelampjes op de
portierpanelen eenmaal op.
Om de melding te laten verdwijnen:
•
Druk op de OK-knop van de linker stuurhendel.
of
•
Wacht ongeveer 5 seconden - de melding
verdwijnt.
BLIS activeren/deactiveren
BLIS wordt geactiveerd bij het starten van de
motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes op de portierpanelen die één keer oplichten.
Knop voor activering/deactivering.
Het BLIS is te deactiveren/activeren met een
druk op de BLIS-knop op de middenconsole.
Bij bepaalde combinaties van opties is er geen
plek vrij voor een knop op de middenconsole – in
dat geval is het systeem te bedienen via het
menusysteem MY CAR (p. 121) van de auto.
Bij deactivering/activering van BLIS dooft/brandt
het lampje in de knop en het instrumentenpaneel
bevestigt de wijziging met een displaymelding bij activering lichten de controlelampjes op de
portierpanelen eenmaal op.
Om de melding te laten verdwijnen:
•
of
•
252
Druk op de OK-knop van de linker stuurhendel.
Principe voor BLIS: 1. Zone in dode hoek. 2. Zone voor
snel inhalende voertuigen.
Het BLIS werkt bij snelheden hoger dan
10 km/h (6 mph).
Het systeem reageert, in de volgende gevallen:
•
•
u wordt ingehaald
achterliggers naderen snel.
Wanneer BLIS een voertuig binnen zone 1 of een
snel inhalend voertuig in zone 2 ontdekt, brandt
het BLIS-lampje op het portierpaneel constant.
Als u in deze stand de richtingaanwijzers activeert aan de kant waarvoor de waarschuwing
wordt gegeven, schakelt het BLIS-lampje over
van constant branden op knipperen met een feller licht.
Wacht ongeveer 5 seconden - de melding
verdwijnt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet als de auto achteruitrijdt.
Beperkingen
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken. BLIS kan
dergelijke beperkende omstandigheden niet
detecteren.
•
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers
binnen het oppervlak van de sensoren.
•
BLIS wordt gedeactiveerd, als u een aanhanger op het elektrische systeem van de auto
aansluit.
CTA*
WAARSCHUWING
Het BLIS-systeem CTA (Cross Traffic Alert) is
een hulpmiddel om u voor kruisend verkeer te
waarschuwen, als u achteruitrijdt met de auto.
CTA is een aanvulling op BLIS (p. 251).
CTA is slechts een aanvullend hulpmiddel en
werkt niet in alle situaties.
CTA activeren/deactiveren
Ook met CTA moet u altijd oplettend en verantwoord blijven rijden - u bent er altijd verantwoordelijk voor dat u op een veilige manier
achteruitrijdt.
CTA wordt geactiveerd bij het starten van de
motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes voor BLIS op de portierpanelen die één keer
oplichten.
CTA vormt geen vervanging voor een veilige
rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
Wanneer CTA werkt
BELANGRIJK
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van de
bumper mogen uitsluitend in een werkplaats
worden uitgevoerd. Een erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Gerelateerde informatie
•
•
BLIS* (p. 251)
BLIS - symbolen en meldingen (p. 255)
Aan/Uit voor de sensoren voor Parkeerhulp en CTA.
Het CTA-systeem is apart uit/in te schakelen
met de Aan/Uit-knop voor de Parkeerhulp
(p. 271). De BLIS-lampjes lichten bij heractivering eenmaal op.
Na uitschakeling van het CTA-systeem is het
BLIS-systeem echter nog steeds geactiveerd.
Principe voor CTA.
CTA vormt een aanvulling op het BLIS-systeem
door bij achteruitrijden het kruisende verkeer
vanaf de zijkant te kunnen zien, bijvoorbeeld als
de auto achteruit een parkeervak verlaat.
CTA is bedoeld om in de eerste plaats voertuigen
te ontdekken – in gunstige gevallen kunnen ook
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 253
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
kleinere voorwerpen zoals fietsen en voetgangers
worden ontdekt.
die/dat in de weg zit, zodat de dode hoek snel in
grootte afneemt.
CTA is alleen actief tijdens het achteruitrijden en
wordt automatisch geactiveerd als de achteruitversnelling wordt geactiveerd.
Voorbeelden van andere beperkingen:
•
Een geluidssignaal waarschuwt als CTA ontdekt dat iets vanaf de zijkant nadert - het
geluid komt uit de linker of rechter luidsprekers, afhankelijk van uit welke richting het
object nadert.
•
CTA waarschuwt ook doordat de BLIS-lampjes gaan branden.
•
Er wordt ook een waarschuwing gegeven
met een brandend pictogram in de grafische
PAS-voorstelling (p. 271) op het beeldscherm.
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken. CTA kan dergelijke beperkende omstandigheden niet
detecteren.
•
CTA wordt gedeactiveerd als een aanhanger
op het elektrische systeem van de auto wordt
aangesloten.
Uw auto staat ver naar achteren in een parkeervak.
Dode hoek CTA.
Detectiegebied/‘blikveld’ CTA.
Beperkingen
Het CTA werkt niet in alle situaties optimaal,
maar heeft zijn beperkingen – zo kunnen de
CTA-sensoren niet ‘door’ andere geparkeerde
voertuigen of voorwerpen die het zicht blokkeren
heen kijken.
BELANGRIJK
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van de
bumper mogen uitsluitend in een werkplaats
worden uitgevoerd. Een erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Onderhoud
De sensoren voor de BLIS- en CTA-systemen zitten aan de binnenkant van beide hoeken van
achterspatbord/bumper.
Hier volgen enkele voorbeelden van situaties
waar het ‘blikveld’ van het CTA aanvankelijk
beperkt is, zodat naderende voertuigen pas op
het laatste moment geregistreerd worden:
In schuine parkeervakken valt de ene kant van de auto
mogelijk helemaal binnen de dode hoek van het CTA.
Naarmate u verder achteruitrijdt, verandert de
hoek ten opzichte van de auto/het obstakel
254
•
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BLIS - symbolen en meldingen
In situaties waarbij het BLIS (Blind Spot
Information) (p. 251) en CTA (Cross Traffic
Alert) (p. 253) uitblijven of worden onderbroken,
kan er een symbool op het instrumentenpaneel
verschijnen in combinatie met een verklarende
melding. Neem een eventueel advies in acht.
Gerelateerde informatie
•
BLIS* (p. 251)
Voorbeelden van meldingen:
Houd dit gebied schoon - ook aan de linkerzijde.
•
•
Voor optimale werking is het belangrijk dat
de oppervlakken vóór de sensoren worden
schoongehouden.
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers
binnen het oppervlak van de sensoren.
Gerelateerde informatie
•
•
BLIS* (p. 251)
BLIS - symbolen en meldingen (p. 255)
Melding
Betekenis
CTA UIT
CTA is handmatig uitgeschakeld - BLIS is actief.
BLIS en
CTA UIT
Aanhanger
aangekoppeld
BLIS en CTA zijn tijdelijk buiten werking, omdat er een
aanhanger is aangesloten op
het elektrische systeem van de
auto.
BLIS en
CTA Service vereist
BLIS en CTA zijn buiten werking.
•
Bezoek een werkplaats
als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
Meldingen kunt u van het display halen door de
OK-knop op de richtingaanwijzerhendel kort in te
drukken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 255
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie (RSI)*
WAARSCHUWING
Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI – Road
Sign Information) helpt u onthouden welke snelheidsborden u gepasseerd bent.
RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften houdt.
Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening
Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI – Road
Sign Information) helpt u onthouden welke snelheidsborden u gepasseerd bent.
Bediening van het systeem:
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordenherkenning (RSI)* - bediening (p. 256)
•
Verkeersbordinformatie (RSI)* beperkingen
(p. 258)
Voorbeelden van leesbare snelheidsborden23.
Het verkeersbordinformatiesysteem RSI geeft
informatie over o.a. actuele snelheid, begin of
eind van een autoweg of snelweg en inhaalverboden.
Als zowel een bord met snel-/autoweg als een
bord met de maximumsnelheid wordt gepasseerd, toont RSI alleen het bordsymbool voor de
maximumsnelheid.
23
24
256
Geregistreerde snelheidsinformatie24.
Als RSI een verkeersbord registreert met de geldende snelheid, geeft het instrumentenpaneel
dat bord als symbool weer.
Samen met het symbool voor
de geldende snelheidsbeperking kan (voor zover van toepassing) ook een bord met
inhaalverbod verschijnen.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in deze instructie zijn slechts voorbeelden.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in deze instructie zijn slechts voorbeelden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Einde snelheidsbeperking of snelweg
Aanvullende borden
Wanneer het RSI een bord registreert dat het
einde van een snelheidsbeperking aangeeft (of
andere snelheidsspecifieke informatie zoals het
einde van een snelweg), verschijnt het desbetreffende verkeersbord ca. 10 seconden lang op het
instrumentenpaneel:
Het snelheidsbord dat aan dit type aanvullend
bord is gekoppeld, verschijnt alleen als u de richtingaanwijzer gebruikt.
Voorbeelden van dergelijke borden zijn:
Voorbeelden van aanvullende borden24.
Einde snelheidsbeperkingen.
Einde snelweg.
Vervolgens wordt er geen verkeersbordinformatie
weergegeven, totdat het volgende snelheidsbord
wordt geregistreerd.
Soms kent een en dezelfde weg verschillende
snelheidsbeperkingen – een aanvullend bord
geeft dan aan onder welke omstandigheden de
snelheden gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan
om een gevaarlijke weg bij bijvoorbeeld regen
en/of mist.
Het aanvullende bord met betrekking tot regen
verschijnt alleen als de ruitenwissers zijn geactiveerd.
Op bepaalde markten wordt de
geldende snelheid op een afrit
aangegeven met een aanvullend bord met een pijl.
Sommige snelheden gelden bijvoorbeeld alleen
een bepaald traject of op een bepaalde tijd van
de dag. U wordt hierop geattendeerd met een
symbool voor een aanvullend bord onder het
snelheidssymbool.
Weergave van aanvullende informatie
Een leeg vakje onder het snelheidssymbool op
het instrumentenpaneel geeft aan dat het RSI
een bord heeft geregistreerd met aanvullende
informatie over de geldende snelheidsbeperking.
Instelling in MY CAR
De beschikbare opties voor het RSI vindt u in het
menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 121).
24
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in deze instructie zijn slechts voorbeelden.
}}
257
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Road Sign Information Aan/Uit
perking met 5 km/h (5 mph) of meer. De waarschuwing bestaat uit een tijdelijk knipperend
symbool voor de maximumsnelheid als de snelheid wordt overschreden. U kunt het systeem
activeren/deactiveren in het menusysteem MY
CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
Sensus Navigation
Bij een auto met Sensus Navigation, wordt er in
de volgende gevallen snelheidsspecifieke informatie opgehaald uit de navigatie-eenheid:
Het is mogelijk de weergave van snelheidssymbolen op het instrumentenpaneel te deactiveren.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
Speed Alert
•
Bij indirecte snelheidsaanduiding25, zoals bij
borden voor autosnelwegen en autowegen.
•
Als een eerder waargenomen bord als niet
langer geldig wordt gezien en er geen nieuw
bord is gepasseerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verkeersbordinformatie (RSI)* (p. 256)
Verkeersbordinformatie (RSI)* beperkingen
(p. 258)
MY CAR (p. 121)
Verkeersbordinformatie (RSI)*
beperkingen
Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI – Road
Sign Information) helpt u onthouden welke snelheidsborden u gepasseerd bent. Het systeem
heeft de volgende beperkingen.
De camerasensor van het RSI-systeem kent
ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk
oog – lees daarover meer in het gedeelte over de
beperkingen van de camerasensor (p. 247).
Borden die indirect informeren over snelheidsbeperkingen, bijvoorbeeld naamborden van steden/
dorpen, worden niet geregistreerd door het RSIsysteem.
Hieronder volgen enkele voorbeelden die de
functie kunnen storen:
•
•
•
•
•
Verbleekte borden
Borden in een bocht
Verdraaide of beschadigde borden
Verscholen of slecht geplaatste borden
Borden die geheel of gedeeltelijk zijn afgedekt met ijs, sneeuw en/of vuil.
Gerelateerde informatie
U kunt ervoor kiezen of u een waarschuwing wil
krijgen bij een overschrijding van de snelheidsbe25
258
•
•
Verkeersbordinformatie (RSI)* (p. 256)
Verkeersbordenherkenning (RSI)* - bediening (p. 256)
Afhankelijk van de markt kunnen verschillen voorkomen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Driver Alert System*
Driver Alert System is bestemd om u te helpen
als de auto op een ongecontroleerde manier
wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden.
Driver Alert System bestaat uit verschillende
functies die tegelijk of apart in te schakelen zijn:
•
•
Driver Alert Control - DAC (p. 260).
Rijbaanassistent - LDW (p. 262).
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert Control (DAC)* (p. 259)
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 262)
Driver Alert Control (DAC)*
Het DAC-systeem is bedoeld om uw aandacht
te trekken, wanneer u de auto op een ongecontroleerde manier bestuurt (omdat u bijvoorbeeld
afgeleid wordt of bijna in slaap valt).
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in het
rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie op de
grotere wegen. De functie is niet bedoeld voor
gebruik in het stadsverkeer.
Een ingeschakelde functie wordt pas daadwerkelijk geactiveerd bij snelheden hoger dan 65 km/h
(40 mph). Bij lagere snelheden staat de functie
stand-by.
De functie wordt weer uitgeschakeld, zodra de
snelheid onder de 60 km/h (37 mph) daalt.
Beide functies maken gebruik van een camera
die alleen rijstroken met aan weerszijden geschilderde zijmarkeringen kan onderscheiden.
WAARSCHUWING
Het Driver Alert System werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt.
Een camera tast de geschilderde rijstrookmarkeringen af en vergelijkt de wegrichting met uw
stuurbewegingen. U wordt gewaarschuwd wanneer de auto de wegrichting op een ongecontroleerde manier volgt.
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. In dat
geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd. Het
is daarom van groot belang dat u bij opkomende
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 259
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
vermoeidheid de auto op een geschikte plek parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de
vraag of DAC nu wel of niet heeft gewaarschuwd.
N.B.
De functie mag niet worden gebruikt om de
rijtijd te verlengen. Plan altijd regelmatig pauzes in en zorg ervoor dat u bent uitgerust.
Beperkingen
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit
kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
zijdelingse rukwinden
spoorvorming in het wegdek.
N.B.
De camerasensor heeft zijn beperkingen
(p. 247).
Gerelateerde informatie
•
•
•
260
Driver Alert System* (p. 259)
Driver Alert Control (DAC)* - bediening
(p. 260)
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen (p. 261)
Driver Alert Control (DAC)* bediening
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing altijd serieus, omdat
u bij slaperigheid uw lichamelijke conditie
vaak minder goed kunt inschatten.
Via het menusysteem op het display van de middenconsole zijn instellingen te verrichten.
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand om rust te houden.
Aan/Uit
Het Driver Alert is stand-by te zetten via het
menusysteem MY CAR (p. 121):
•
•
Studies hebben aangetoond dat rijden bij vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als
rijden onder invloed.
Vakje aangevinkt – systeem geactiveerd.
Vakje uitgevinkt – systeem gedeactiveerd.
Functie
Driver Alert wordt geactiveerd bij een snelheid
hoger dan 65 km/h (40 mph) en blijft actief
zolang de snelheid boven 60 km/h (37 mph) ligt.
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert System* (p. 259)
Driver Alert Control (DAC)* (p. 259)
Als de auto slingert, wordt u gewaarschuwd met een geluidssignaal en de
displaymelding Driver Alert Tijd voor
pauze – tegelijkertijd gaat het bijbehorende symbool op het instrumentenpaneel branden. Als u uw rijgedrag niet corrigeert wordt
enige tijd later opnieuw gewaarschuwd.
U kunt het waarschuwingssymbool ook deactiveren:
•
Druk op de OK-knop van de linker stuurhendel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Driver Alert Control (DAC)* symbolen en meldingen
Hier volgen enkele voorbeelden:
Het DAC (p. 259) kan in uiteenlopende situaties
symbolen en meldingen op het instrumentenpaneel of op het middendisplay laten verschijnen.
SymboolA
Melding
Betekenis
Driver Alert Tijd voor pauze
De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding.
Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 247).
Driver Alert-systeem Service
vereist
A
Het systeem is defect.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Driver Alert System* (p. 259)
Driver Alert Control (DAC)* (p. 259)
Driver Alert Control (DAC)* - bediening
(p. 260)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 261
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent (LDW)*
N.B.
De rijbaanassistent (Lane Departure Warning)
dient voor gebruik op snelwegen, hoofdwegen
en dergelijke en beperkt het risico dat u in
bepaalde situaties onbedoeld de eigen rijbaan
verlaat.
Iedere keer dat de wielen een markering passeren wordt u slechts eenmaal gewaarschuwd. U wordt dan ook niet meer gewaarschuwd, wanneer u met één wiel aan weerszijden zijden van de rijstrookmarkering blijft rijden.
Werkingsprincipe van LDW
Rijbaanassistent (LDW) - functie
Het is mogelijk bepaalde instellingen te verrichten voor de Rijbaanassistent(Lane Departure
Warning).
Aan & Uit
WAARSCHUWING
De Rijbaanassistent is slechts een hulpmiddel
voor de bestuurder en werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en dat u
zich aan de geldende wetgeving en verkeersregels houdt.
(De afbeelding is schematisch – niet modelspecifiek.)
Een camera tast de zijlijnen van de weg/rijbaan
af.
Als de auto een van de zijlijnen overschrijdt, wordt
de bestuurder gewaarschuwd met een geluidssignaal.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 262)
Rijbaanassistent (LDW) - bediening (p. 263)
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen
(p. 264)
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en meldingen (p. 265)
Driver Alert System* (p. 259)
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Bij een ingeschakelde functie brandt het lampje in de knop.
De functie wordt in verschillende situaties
gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen op het instrumentenpaneel.
Persoonlijke instellingen
Via het menusysteem MY CAR op het display van
de middenconsole zijn instellingen te verrichten.
Voor een beschrijving van het menusysteem, zie
MY CAR (p. 121).
Kies uit de opties:
262
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
• Aan bij starten - De functie staat bij iedere
Rijbaanassistent (LDW) - bediening
•
Het LDW-symbool heeft GRIJZE zijlijnen –
het systeem staat stand-by, omdat de snelheid lager is dan 65 km/h (40 mph).
• Hogere gevoeligheid – Verhoogde gevoe-
De rijbaanassistent (Lane Departure Warning)
wordt in verschillende situaties gecompleteerd
met duidelijke grafische voorstellingen op het
instrumentenpaneel. Hier volgen enkele voorbeelden:
•
Het LDW-symbool heeft geen zijlijnen – het
systeem is uitgeschakeld.
motorstart stand-by. Anders is de functiestatus bij het afzetten van de motor bepalend.
ligheid, zodat er eerder wordt gewaarschuwd
en minder beperkingen gelden.
•
Gerelateerde informatie
•
Gerelateerde informatie
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 262)
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 262)
Zijlijnen van LDW-systeem.
•
Het LDW-symbool heeft WITTE zijlijnen – het
systeem is actief en detecteert/"ziet" één zijlijn of beide zijlijnen.
•
Het LDW-symbool heeft GRIJZE zijlijnen –
het systeem is actief, maar detecteert de linker noch de rechter zijlijn.
of
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 263
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent (LDW) beperkingen
De camerasensor van de Rijbaanassistent (Lane
Departure Warning) heeft beperkingen, net als
het menselijk oog.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 247).
N.B.
In de volgende situaties waarschuwt het LDW
echter niet:
•
•
•
•
•
Bij gebruik van de richtingaanwijzers
Bij bediening van het rempedaal26
Bij snelle bediening van het gaspedaal26
Bij snelle stuurbewegingen26
Bij dusdanig scherpe bochten dat de
auto overhelt.
Gerelateerde informatie
•
26
264
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 262)
Wanneer u voor ‘Hogere gevoeligheid’ hebt gekozen, wordt er echter wel gewaarschuwd, zie Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 262).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen
en meldingen
mentenpaneel verschijnen in combinatie met een
verklarende melding – volg in dat geval het
gegeven advies op.
In situaties waar de Rijbaanassistent niet wordt
geactiveerd kan er een symbool op het instruSymbool
Melding
Betekenis
Lane Departure Warning AAN/
Lane Departure Warning UIT
De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld.
Voorbeelden van meldingen:
Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
De melding verdwijnt automatisch na ca. 5 seconden.
Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Reinig het voorruitoppervlak vóór de camerasensor.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 247).
Driver Alert-systeem Service vereist
Het systeem is defect.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 262)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 265
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent (LKA)*
Werkingsprincipe van LKA
WAARSCHUWING
De rijbaanassistent dient voor gebruik op snelwegen, hoofdwegen en dergelijke en beperkt
het risico dat u in bepaalde situaties onbedoeld
de eigen rijbaan verlaat.
De Rijbaanassistent is slechts een hulpmiddel
voor de bestuurder en werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Rijbaanassistent LDW of LKA
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en dat u
zich aan de geldende wetgeving en verkeersregels houdt.
De rijbaanassistent is leverbaar in twee versies:
•
LDW - Lane Departure Warning - waarschuwt u met geluid of met stuurtrillingen.
•
LKA - Rijbaanassistentie
(Lane Keeping Aid) - stuurt de auto terug in
de rijbaan en/of waarschuwt u met geluid of
met stuurtrillingen.
De auto is uitgerust met een van beide systemen
– het hangt van de markt en het motoralternatief
af met welk systeem uw auto uitgerust is.
Bij twijfel of de auto LDW of LKA heeft:
•
266
Open het menusysteem MY CAR en ga naar
Rijondersteuning - daar staat Lane
Departure Warning als de auto LDW heeft
of Rijbaanassistentie voor LKA.
Gerelateerde informatie
(De afbeelding is schematisch – niet modelspecifiek.)
Een camera tast de zijlijnen van de weg/rijbaan
af.
Als de auto een zijlijn dreigt te overschrijden,
wordt de Rijbaanassistent actief en stuurt de
auto met een geringe stuurbeweging terug de rijbaan in.
Als de auto op een zijlijn rijdt of deze passeert,
waarschuwt de Rijbaanassistent u bovendien met
stuurtrillingen.
•
•
•
Rijbaanassistent (LKA) - werking (p. 267)
Rijbaanassistent (LKA) - bediening (p. 268)
Rijbaanassistent (LKA) - beperkingen
(p. 269)
•
Rijbaanassistent (LKA) - symbolen en meldingen (p. 270)
•
•
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 262)
Driver Alert System* (p. 259)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent (LKA) - werking
Het is mogelijk bepaalde instellingen te verrichten voor de rijbaanassistent (Lane Keeping Aid).
Aan & Uit
De rijbaanassistent is actief in het snelheidsinterval 65–200 km/h (40–125 mph) op wegen met
goed zichtbare zijlijnen. Op smalle wegen, als de
rijbaan tussen de zijlijnen minder dan 2,6 meter
breed is, wordt het systeem tijdelijk uitgeschakeld.
via het MY CAR van de auto. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 121).
In MY CAR kunt u bovendien het volgende kiezen:
•
Waarschuwing met stuurtrillingen: Alleen
vibratie - Aan of Uit.
•
•
Actief sturen: Alleen stuurhulp - Aan of Uit
Als de auto de linker of rechter zijlijn van de rijbaan nadert zonder dat u de richtingaanwijzer
hebt geactiveerd, wordt de auto bijgestuurd.
Waarschuwen met stuurtrillingen
Zowel waarschuwing met stuurtrillingen als
actief sturen: Volledige functie - Aan of Uit.
Actief bijsturen
De rijbaanassistent probeert de auto binnen de
zijlijnen van de rijbaan te houden.
LKA stuurt actief bij en waarschuwt met stuurtrillingen27.
Als de auto een zijlijn passeert, waarschuwt de
rijbaanassistent u met stuurtrillingen28. Dit
gebeurt ongeacht de vraag of de auto wel of niet
actief wordt bijgestuurd via een stuurbeweging.
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Bij een ingeschakelde functie brandt het lampje in de knop.
Bij bepaalde combinaties van opties is er geen
plek vrij voor een Aan/Uit-knop op de middenconsole – in dat geval is het systeem te bedienen
27
28
LKA grijpt in en stuurt weg.
De afbeelding toont 3 trillingen bij het passeren van de zijlijn.
De stuurtrillingen variëren - hoe langer de auto de zijlijn overschrijdt, hoe langer de trillingen duren.
}}
267
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Dynamisch bochtenwerk
Rijbaanassistent (LKA) - bediening
De rijbaanassistent (Lane Keeping Aid) wordt in
verschillende situaties gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen op het instrumentenpaneel. Hier volgen enkele voorbeelden:
N.B.
Het LKA staat uit zolang u de richtingaanwijzerhendel bedient.
LKA grijpt in aan de rechterkant.
In een scherpe binnenbocht grijpt LKA niet in.
De Rijbaanassistent grijpt in en stuurt van de zijlijn af – wordt aangeduid met:
In bepaalde gevallen staat de rijbaanassistent toe
dat de zijlijnen worden overschreden zonder in te
grijpen met actief bijsturen of een waarschuwing.
Het bij goed zicht benutten van de aangrenzende
rijbaan om bochten af te snijden is een voorbeeld.
•
RODE lijn voor de desbetreffende kant.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijbaanassistent (LKA)* (p. 266)
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 262)
Gerelateerde informatie
•
•
Rijbaanassistent (LKA)* (p. 266)
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 262)
LKA ‘ziet’ en volgt de zijlijnen.
Wanneer de Rijbaanassistent actief is en de zijlijnen detecteert/‘ziet’, heeft het LKA-symbool
WITTE lijnen.
•
268
GRIJZE zijlijn - de Rijbaanassistent ziet geen
lijn aan deze kant van de auto.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent (LKA) beperkingen
een tekstmelding aangespoord om de auto actief
te sturen.
De camerasensor van de Rijbaanassistent (Lane
Keeping Aid) heeft beperkingen, net als het
menselijk oog.
Als u de aansporing om actief te sturen niet
opvolgt, wordt de Rijbaanassistent stand-by
gezet. Het systeem is dan uitgeschakeld, totdat u
weer begint te sturen.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 247) en zie Collision Warning* - bediening (p. 244).
N.B.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijbaanassistent (LKA)* (p. 266)
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 262)
In bepaalde omstandigheden heeft de Rijbaanassistent moeite om u goed te helpen –
geadviseerd wordt om het systeem dan uit te
schakelen.
Voorbeelden van dergelijke omstandigheden
zijn:
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegen
slecht wegdek
extreem sportieve rijstijl
slecht weer in combinatie met een
beperkt zicht.
Handen aan het stuur
De Rijbaanassistent werkt alleen, wanneer u uw
handen aan het stuur houdt. LKA controleert dit
voortdurend. Als dit niet het geval is, wordt u met
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 269
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent (LKA) - symbolen
en meldingen
In situaties waar de Rijbaanassistent niet wordt
geactiveerd kan er een symbool op het instruSymbool
mentenpaneel verschijnen in combinatie met een
verklarende melding – volg in dat geval het
gegeven advies op.
Melding
Betekenis
Voorruitsensoren afgedekt
Zie instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Voorbeelden van meldingen:
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Reinig het voorruitoppervlak vóór de camerasensor.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor, zie Collision Warning* - beperkingen van de camerasensor (p. 247) en Collision Warning* - bediening (p. 244).
Rijbaanassistentie Service
vereist
Rijbaanassistentie onderbroken
Het systeem is defect.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
LKA is uitgeschakeld en staat stand-by. Wanneer het systeem weer actief is, kunt u dat aan de lijnen van het
LKA-symbool zien.
Gerelateerde informatie
•
•
270
Rijbaanassistent (LKA)* (p. 266)
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 262)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeerhulp*
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het display van de middenconsole geven de
afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Het parkeerhulpvolume is tijdens de weergave
van geluidssignalen bij te stellen met de VOLknop op de middenconsole. Het geluidsniveau
kan ook worden bijgesteld in het menu voor
audio-instellingen dat bereikbaar is met een druk
op SOUND of in het menusysteem (p. 121) MY
CAR29 van de auto.
Parkeerhulp is verkrijgbaar in twee varianten:
•
•
Parkeerhulp aan de achterzijde
Parkeerhulp aan de voor- en achterzijde.
N.B.
Wanneer het elektrische systeem van de auto
is geconfigureerd voor een trekhaak, wordt de
uitsteeklengte van de trekhaak meegerekend
bij het meten van de parkeerruimte.
29
Afhankelijk van het audio- en mediasysteem.
•
•
•
WAARSCHUWING
Park Assist* - functie
Hoewel de Park Assist handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig
bij eventuele fouten.
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de sensoren zitten, zal het systeem ze
niet kunnen ontdekken.
Houd mensen, dieren e.d. in de buurt van
de auto daarom in de gaten.
De Park Assist wordt bij het starten van de
motor automatisch geactiveerd – het lampje in
de schakelaar brandt. Wanneer u Park Assist
met deze knop uitschakelt, dooft het lampje.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Park Assist* - functie (p. 271)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 273)
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 273)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 275)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 274)
Aan/Uit voor Park Assist en CTA*.
Parkeerhulpcamera* (p. 275)
Bij een auto met CTA (p. 253) lichten de controlelampjes voor BLIS (p. 251) eenmaal op, wanneer u de Park Assist activeert met de knop.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 271
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
gevuld. Als er zowel voor als achter de auto
obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen,
wisselen de geluidssignalen uit de luidsprekers
voor- en achterin elkaar af.
•
•
Park Assist* - storingsindicatie (p. 274)
Parkeerhulpcamera* (p. 275)
BELANGRIJK
Obstakels zoals kettingen, smalle glanzende
palen of lage obstakels kunnen "afgeschaduwd" worden en worden in dat geval tijdelijk
niet geregistreerd door de sensoren – het
onderbroken geluidssignaal kan dan plotseling wegvallen in plaats van over te gaan in
het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
Displayweergave - toont linksvoor en rechtsachter een
obstakel.
De sensoren kunnen geen hoge obstakels
ontdekken, zoals uitstekende laadperrons.
Op het display van de middenconsole verschijnt
een schematische weergave van de onderlinge
posities van de auto en een eventueel obstakel.
•
De gemarkeerde sector(en) geeft/geven aan
welke van de vier sensoren een obstakel heeft/
hebben waargenomen. De gemarkeerde sector
ligt dichter bij het autosymbool, naarmate de
afstand tussen de auto en het waargenomen
obstakel kleiner is.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de auto
nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen
elkaar op. Wanneer u ondertussen het audiosysteem beluistert, wordt het volume daarvan tijdelijk
verlaagd.
Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is de sensorsector die het dichtst bij de auto ligt geheel
272
Wees in dergelijke gevallen extra voorzichtig en bedien/verrijd de auto erg
langzaam of breek de parkeermanoeuvre
af – er bestaat groot gevaar voor materiele schade aan de auto of de omgeving,
aangezien de informatie afkomstig van de
sensoren in dergelijke situaties niet altijd
betrouwbaar is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 271)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 273)
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 273)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 275)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeerhulp* - aan de achterzijde
N.B.
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het display van de middenconsole geven de
afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Bij het achteruitrijden met een aanhanger
achter de auto of een fietsdrager op de trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel
van Volvo – moet u de Park Assist mogelijk
handmatig uitschakelen om te voorkomen dat
de sensoren erop reageren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. Bij obstakels achter de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers achterin.
Parkeerhulp aan de achterzijde wordt geactiveerd
bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto wordt de parkeerhulp
automatisch uitgeschakeld – anders reageren de
sensoren op de aanhanger.
•
•
Park Assist* - aan de voorzijde
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het display van de middenconsole geven de
afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Bij het starten van de motor wordt Park Assist
automatisch geactiveerd - het lampje in de Aan/
Uit-knop brandt. Wanneer u Park Assist met deze
knop uitschakelt, dooft het lampje.
Parkeerhulp* (p. 271)
Park Assist* - functie (p. 271)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 273)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 275)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 274)
Parkeerhulpcamera* (p. 275)
Het meetbereik strekt tot zo'n 0,8 m recht voor
de auto. Bij obstakels voor de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers
voorin.
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snelheden tot 10 km/h (6 mph).
Als de Park Assist wordt gedeactiveerd door een
te hoge snelheid – 11 km/h (7 mph) of hoger –
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 273
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
wordt het systeem hervat wanneer de snelheid
daalt tot onder 10 km/h (6 mph).
N.B.
De parkeerhulp wordt gedeactiveerd wanneer
u de parkeerrem aanzet of als u bij een auto
met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P zet.
BELANGRIJK
Park Assist* - storingsindicatie
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het display van de middenconsole geven de
afstand aan tot een waargenomen obstakel.
BELANGRIJK
Parkeerhulp* (p. 271)
Park Assist* - functie (p. 271)
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
onder andere claxons, natte banden op asfalt,
pneumatische remmen en uitlaatgeluid van
motorfietsen.
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 273)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 275)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 274)
Parkeerhulpcamera* (p. 275)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
274
Parkeerhulpcamera* (p. 275)
In bepaalde omstandigheden kan het parkeerhulpsysteem ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door externe
geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van dezelfde frequentie als de sensoren
van het systeem.
Gerelateerde informatie
•
•
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 273)
Als op het instrumentenpaneel het
informatiesymbool continu brandt en
de displaymelding Park Assistsysteem Service vereist verschijnt, dan is Park
Assist defect.
Bij montage van verstralers: Let erop dat deze
de sensoren niet mogen hinderen - de verstralers kunnen dan als obstakel worden
gezien.
•
•
•
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 271)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 275)
Park Assist* - functie (p. 271)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 273)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Park Assist* - sensoren
schoonmaken
Parkeerhulpcamera*
De parkeerhulpcamera is een ondersteunend
systeem dat geactiveerd wordt bij inschakeling
van de achteruitversnelling.
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het display van de middenconsole geven de
afstand aan tot een waargenomen obstakel.
De cameraweergave verschijnt op het display van
de middenconsole.
De sensoren werken alleen naar behoren, wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water en
autoshampoo.
N.B.
Positie van de achterste sensoren.
Wanneer het elektrische systeem van de auto
is geconfigureerd voor een trekhaak, wordt de
uitsteeklengte van de trekhaak meegerekend
bij het meten van de parkeerruimte.
N.B.
G031402
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
aanleiding geven tot onterechte waarschuwingssignalen, tot systeembeperkingen of
ervoor zorgen dat het systeem niet meer
werkt.
Positie van de voorste sensoren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 271)
WAARSCHUWING
•
•
•
De parkeercamera is alleen bedoeld als
hulpmiddel en zodat de bestuurder eindverantwoordelijk blijft tijdens het achteruitrijden.
De camera kent dode hoeken waarin
registratie van obstakels niet mogelijk is.
Houd mensen en dieren in de buurt van
de auto in de gaten.
Park Assist* - functie (p. 271)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 273)
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 273)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 274)
Parkeerhulpcamera* (p. 275)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 275
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Functie en bediening
Camerapositie bij de openingshandgreep.
De camera toont wat er achter de auto is en of er
iets of iemand van de zijkanten opduikt.
De camera beslaat een breed gebied achter de
auto alsook een deel van de bumper en een
eventuele trekhaak.
Voorwerpen op het display lijken mogelijk over te
hellen – dit is volkomen normaal.
N.B.
Voorwerpen op het beeldscherm kunnen
dichterbij zijn dan ze lijken.
Als een andere schermweergave actief is, neemt
de parkeercamera het scherm automatisch over
om de camerabeelden te tonen.
276
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
wordt met behulp van ononderbroken lijnen grafisch aangegeven waar de achterwielen van de
auto uitkomen bij de actuele stuuruitslag – dit
vereenvoudigt het achteruit inparkeren, achteruitrijden in krappe ruimten en aankoppelen van aanhangers. De contouren van de auto worden bij
benadering getoond met streepjeslijnen. De hulplijnen zijn te deactiveren - zie paragraaf Instellingen (p. 278).
N.B.
Houd voor optimale werking de cameralens
vrij van vuil, sneeuw en ijs. Dit is vooral van
belang in slechte lichtomstandigheden.
Hulplijnen
Als de auto tevens uitgerust is met parkeerhulpsensoren (p. 271)*, illustreren gekleurde velden
op grafische wijze de afstand tot geregistreerde
obstakels, zie het kopje "Auto's met parkeerhulpsensoren achter" verderop.
De camera wordt ca. 5 seconden na uitschakeling van de achteruitversnelling gedeactiveerd, of
eerder als de rijsnelheid oploopt tot boven
10 km/h (6 mph) vooruit of 35 km/h (22 mph)
achteruit.
Lichtomstandigheden
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit
kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat
kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit betreft.
Slechte lichtomstandigheden leveren mogelijk
een iets slechtere beeldkwaliteit op.
Voorbeeld van hoe hulplijnen voor u worden getoond.
De lijnen op het display worden geprojecteerd als
stonden ze op de grond achter de auto. De lijnen
zijn bovendien afhankelijk van de stuuruitslag,
zodat u ook tijdens het draaien kunt zien welke
baan de auto zal nemen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de lijnen op het
scherm de baan van de auto aan – niet
die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen lijnen op het scherm,
wanneer er een aanhanger/caravan is
aangesloten op het elektrische systeem
van de auto.
•
De Park Assist-camera wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger/caravan achter de auto hebt hangen die met originele trekhaakbedrading
van Volvo aangesloten is.
BELANGRIJK
Let erop dat op het beeldscherm alleen het
gebied achter de auto wordt weergegeven,
als u voor de achterzichtcamera hebt gekozen
– let in dat geval goed op de zijkanten en
voorkant van de auto wanneer u tijdens het
achteruitrijden het stuurwiel verdraait.
Grenslijnen
Auto's met parkeerhulpsensoren
achter*
De verschillende lijnen van het systeem.
Grenslijn vrije achteruitrijzone
De afstand wordt aangegeven met gekleurde velden
(voor elke sensor één).
"Wielsporen"
Als de auto tevens uitgerust is met parkeerhulp
(p. 271) wordt voor iedere sensor die een obstakel waarneemt de afstand met gekleurde velden
weergegeven.
De onderbroken lijn (1) grenst een zone af die tot
ca. 1,5 m achter de achterbumper strekt. Het
vormt tegelijkertijd de grens voor de uitstekende
delen van de auto, zoals buitenspiegels en hoeken – ook tijdens het maken van een bocht.
De brede "wielsporen" (2) tussen de zijlijnen
geven aan waar de wielen zich zullen bevinden
en kunnen tot ca. 3,2 m achter de achterbumper
reiken zolang er geen obstakel in de weg staat.
De kleur van de velden verandert naarmate de
afstand tot het obstakel afneemt – van lichtgeel
via oranje in rood.
Kleur
Afstand (meter)
Lichtgeel
0,7–1,5
Oranje
0,5–0,7
Oranje
0,3–0,5
Rood
0–0,3
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 277
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerhulpcamera - instellingen (p. 278)
Park Assist-camera - beperkingen (p. 279)
Parkeerhulp* (p. 271)
Parkeerhulpcamera - instellingen
3.
Uitgeschakelde camera activeren
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
start de camera automatisch, maar de camera is
ook handmatig te activeren en wel als volgt:
Markeer de optie van uw keuze door op
OK/MENU te drukken en verlaat het menu
met EXIT.
Trekhaak
De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhanger/caravan. Op het display
kan een hulplijn verschijnen voor de geplande
"baan" van de trekhaak naar de aanhanger,
net als voor de "wielsporen".
U kunt kiezen uit weergave van de "wielsporen"
of de baan van de trekhaak - beide opties kunnen niet tegelijkertijd worden weergegeven.
•
Druk op CAM - het beeldscherm geeft de
actuele camerabeelden weer.
Instelling wijzigen
U kunt de instellingen van de parkeercamera wijzigen, wanneer camerabeelden op het beeldscherm worden weergegeven:
1.
2.
278
Druk op OK/MENU wanneer camerabeelden
worden weergegeven - op het beeldscherm
wordt een menu geopend met verschillende
alternatieven.
Scrol naar de gewenste optie met TUNE.
1.
Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt.
2.
Scrol naar de optie Richtlijn traject
trekhaak met TUNE.
3.
Markeer de optie van uw keuze door op
OK/MENU te drukken en verlaat het menu
met EXIT.
Zoomen
Voor nauwkeurig manoeuvreren kunt u als volgt
inzoomen op de camerabeelden:
•
Druk op CAM of draai aan TUNE
- bij nogmaals indrukken/draaien springt u
terug naar de normaalweergave.
Eventuele andere opties liggen in een lus
- druk/draai totdat de gewenste camerabeelden
verschijnen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
•
Park Assist-camera - beperkingen
Parkeerhulpcamera* (p. 275)
N.B.
Parkeerhulp* (p. 271)
Fietsdragers of andere accessoires achter op
de auto kunnen het blikveld van de camera
blokkeren.
Waar u op moet letten
Actieve parkeerhulp (PAP)*
De actieve parkeerhulp (PAP – Park Assist Pilot)
helpt u bij het parkeren door eerst te controleren
of het vak groot genoeg is en daarna het stuurwiel te draaien en de auto in het vak te parkeren.
Het instrumentenpaneel geeft met symbolen,
grafische voorstellingen en teksten aan, wanneer
u iets moet doen.
Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied er
op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke,
verborgen gebied dusdanig groot kan zijn dat
obstakels pas worden geregistreerd wanneer u er
bijna bovenop zit.
•
Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw en
ijs.
•
Maak de cameralens regelmatig schoon met
lauw water en autoshampoo – wees voorzichtig om geen krassen in de lens te maken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerhulpcamera* (p. 275)
Parkeerhulpcamera - instellingen (p. 278)
Parkeerhulp* (p. 271)
De Aan/Uit-knop zit op de middenconsole.
N.B.
Wanneer het elektrische systeem van de auto
is geconfigureerd voor een trekhaak, wordt de
uitsteeklengte van de trekhaak meegerekend
bij het meten van de parkeerruimte.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 279
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
PAP werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Actieve parkeerhulp (PAP)* werking
PAP meet de ruimte en stuurt de auto – aan
u de taak om:
Gerelateerde informatie
Actieve parkeerhulp (PAP)* - symbolen en
meldingen (p. 284)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - werking
(p. 281)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - werking
(p. 280)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - beperkingen
(p. 283)
•
•
280
•
goed op de omgeving rond de auto te letten
•
de instructies op het instrumentenpaneel
op te volgen
•
•
te schakelen (achteruit/vooruit)
•
te remmen en de auto tot stilstand te
brengen.
de snelheid te regelen en daarbij een veilige snelheid aan te houden
Parkeerhulp* (p. 271)
PAP is te activeren als na het starten van de
motor aan de volgende criteria is voldaan:
Parkeerhulpcamera* (p. 275)
•
•
30
31
De snelheid moet lager zijn dan 50 km/h
(30 mph).
N.B.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en het gebied rond de auto goed in
de gaten houdt om naderende of passerende
verkeersdeelnemers tijdig op te merken.
•
•
Het ABS30 of de ESC31 mag niet ingrijpen,
wanneer het PAP-systeem actief is – ze kunnen bijvoorbeeld worden geactiveerd op een
steile of gladde ondergrond, zie de paragrafen over Rempedaal en Stabiliteitsregeling
(p. 201) voor meer informatie.
Er mag geen aanhanger aan de auto zijn
gekoppeld.
Principe voor PAP.
Het PAP parkeert de auto aan de hand van de
volgende stappen:
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten –
bij het meten mag de snelheid niet hoger zijn
dan 30 km/h (20 mph).
2.
De auto wordt achteruit het vak ingestuurd.
3.
De auto wordt netjes in het midden van het
vak geparkeerd door voor-/achteruit te rijden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 279)
Parkeerhulp* (p. 271)
Parkeerhulpcamera* (p. 275)
(Anti-lock Braking System) - Antiblokkeerremsysteem.
(Electronic Stability Control) - Stabiliteitsregeling.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Actieve parkeerhulp (PAP)* werking
N.B.
Denk eraan dat het stuurwiel in bepaalde
standen de aanwijzingen op het instrumentenpaneel kan verbergen als het tijdens de
parkeermanoeuvre wordt verdraaid.
1 – Zoeken en meten
N.B.
PAP meet de ruimte en stuurt de auto – aan
u de taak om:
•
goed op de omgeving rond de auto te letten
•
de instructies op het instrumentenpaneel
op te volgen
•
•
te schakelen (achteruit/vooruit)
•
te remmen en de auto tot stilstand te
brengen.
de snelheid te regelen en daarbij een veilige snelheid aan te houden
N.B.
De afstand tussen de auto en parkeervakken
moet 0,5–1,5 meter bedragen, wanneer PAP
de omgeving aftast op zoek naar een passende parkeerplek.
2.
Let op het instrumentenpaneel en stop de
auto als dit met grafische voorstellingen en
teksten van u verlangd wordt.
3.
Stop de auto als hierom met grafische voorstellingen en meldingen wordt verzocht.
N.B.
PAP zoekt een geschikte ruimte om te parkeren, geeft instructies en parkeert de auto aan
de passagierskant in. Desgewenst kunt u de
auto ook aan de bestuurderszijde van de
straat parkeren:
•
Schakel de richtingaanwijzers aan
bestuurderszijde in, waarna het systeem
een geschikte parkeerplek aan deze kant
van de straat zoekt.
2 – Achteruit inparkeren
Het PAP-systeem zoekt een parkeervak en meet
of dit vak groot genoeg is. Ga als volgt te werk:
1. Activeer PAP met een druk
op deze knop en rijd niet sneller dan 30 km/h (20 mph).
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 281
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Bij het achterwaarts inparkeren stuurt PAP de
auto in het parkeervak. Ga als volgt te werk:
1.
Controleer of de ruimte achter u vrij is en
schakel de achteruitversnelling in.
2.
Rijd langzaam en voorzichtig achteruit en
raak het stuurwiel niet aan – rijd niet sneller
dan ca. 7 km/h (4 mph).
3.
3 - Positioneren
BELANGRIJK
De waarschuwingsafstand is korter, wanneer
de sensoren worden gebruikt door PAP dan
wanneer Park Assist de sensoren gebruikt.
Gerelateerde informatie
Let op het instrumentenpaneel en stop de
auto als dit met grafische voorstellingen en
teksten van u verlangd wordt.
N.B.
•
Houd uw handen weg van het stuurwiel
als de PAP-functie is geactiveerd.
Als de auto achteruit in het vak is ingeparkeerd,
wordt de auto recht gezet en gepositioneerd.
•
Let erop dat het stuurwiel niet door iets
wordt gehinderd en vrij kan draaien.
1.
•
Wacht voor het beste resultaat totdat het
stuurwiel is uitgedraaid, voordat u achteruit/vooruit rijdt.
2.
Stop de auto als hierom met grafische voorstellingen en een melding wordt verzocht.
3.
Schakel de achteruitversnelling in en rijd
voorzichtig achteruit tot met grafische voorstellingen en meldingen wordt verzocht om
te stoppen.
Schakel de 1e versnelling in of D, wacht totdat het stuurwiel is gedraaid en rijd voorzichtig vooruit.
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - symbolen en
meldingen (p. 284)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - werking
(p. 280)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - beperkingen
(p. 283)
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 271)
Parkeerhulpcamera* (p. 275)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 279)
Het systeem wordt automatisch gedeactiveerd,
waarna met grafische voorstellingen en een melding wordt aangegeven dat het insteken is afgerond. U moet mogelijk later corrigeren - alleen u
kunt beoordelen of de auto goed geparkeerd
staat.
282
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Actieve parkeerhulp (PAP)* beperkingen
De PAP-regeling wordt beëindigd:
•
als u te snel met de auto rijdt – sneller dan
7 km/h (4 mph)
•
•
als u het stuurwiel aanraakt
het parkeervak, wanneer het PAP de
beschikbare ruimte meet.
BELANGRIJK
bij een ingreep van het ABS32 of ESC33 - bijvoorbeeld als een wiel grip verliest op een
gladde ondergrond.
Een melding informeert waarom de PAP-regeling
werd beëindigd.
Onder bepaalde omstandigheden kan PAP
geen parkeerplaatsen vinden - een reden kan
zijn dat de sensoren worden verstoord door
externe geluidsbronnen, die dezelfde ultrasoonfrequenties afgeven als waar het systeem mee werkt.
•
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn o.a.
claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van motorfietsen.
Parkeervakken in smalle straten kunnen niet
altijd worden aangeboden, aangezien de
benodigde ruimte voor het manoeuvreren
onvoldoende is - het kan dan handig zijn om
zo dicht mogelijk naar de kant van de straat
te rijden waar het parkeervak zich bevindt.
•
Let erop dat de voorkant van de auto tijdens
het parkeren kan uitzwenken naar het tegemoetkomende verkeer.
•
Voorwerpen boven het detectiegebied van de
sensoren worden niet meegenomen bij het
berekenen van de parkeermanoeuvre, waardoor PAP mogelijk te vroeg het parkeervak
indraait. Vermijd daarom parkeervakken met
dergelijke hoge voorwerpen.
•
U moet bepalen of het vak dat PAP voorstelt
geschikt is om in te parkeren.
•
Gebruik goedgekeurde banden34 met de
juiste bandenspanning - dit is van invloed op
de parkeermogelijkheden van PAP.
•
Hevige regen of sneeuwval kan ertoe leiden
dat het parkeervak niet op een juiste manier
wordt gemeten.
Waar u op moet letten
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken,
neemt de functie af en kan meten onmogelijk
worden gemaakt.
32
33
34
Let erop dat de actieve parkeerhulp een hulpmiddel is – geen onfeilbare volautomatisch systeem.
Daarom moet u voorbereid zijn om het parkeren
te onderbreken. Er zijn ook een paar details waar
u bij het parkeren op moet letten, bijvoorbeeld:
•
PAP gaat uit van de onderlinge positie van
de geparkeerde voertuigen - als deze minder
goed geparkeerd staan, kunnen de banden
en velgen van uw auto beschadigd raken bij
contact met de stoeprand.
•
PAP is bedoeld voor parkeren op rechte straten - niet met sterke slingeringen of bochten.
Zorg daarom dat de auto evenwijdig staat
(Anti-lock Braking System) - Antiblokkeerremsysteem.
(Electronic Stability Control) - elektronische stabiliteitsregeling.
Met "goedgekeurde banden" wordt bedoeld: banden van hetzelfde type en merk als die bij levering af fabriek origineel waren gemonteerd.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 283
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
•
Gebruik PAP niet als u sneeuwkettingen of
een reservewiel hebt gemonteerd.
•
Gebruik PAP niet als er lading buiten de auto
steekt.
BELANGRIJK
Bij montage van een andere goedgekeurde
maat velgen en/of banden kan de omtrek van
de banden veranderen, zodat de PAP-parameters mogelijk moeten worden bijgewerkt.
Informeer bij een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Het PAP werkt alleen correct, wanneer u de bijbehorende sensoren regelmatig reinigt met water
en autoshampoo.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 271)
Parkeerhulpcamera* (p. 275)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 279)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 275)
Onderhoud
Actieve parkeerhulp (PAP)* symbolen en meldingen
Het instrumentenpaneel geeft met symbolen,
grafische voorstellingen en teksten aan, wanneer
u iets moet doen.
Het instrumentenpaneel kan verschillende symbool- en tekstcombinaties met uiteenlopende
betekenis tonen – soms met een advies voor een
geschikte oplossing.
Als een melding aangeeft dat PAP buiten werking is, wordt geadviseerd contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - werking
(p. 281)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - werking
(p. 280)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - beperkingen
(p. 283)
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 271)
Parkeerhulpcamera* (p. 275)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 279)
De PAP-sensoren zijn in de bumpers aangebracht35 - 6
voor en 4 achter.
35
284
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
STARTEN EN RIJDEN
Motor starten
De motor is te starten en uit te schakelen met
behulp van de transpondersleutel en de knop
START/STOP ENGINE.
2.
3.
Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt1. (Bij auto's met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.)
N.B.
Voor bepaalde motortypen kan het stationaire
toerental bij een koude start duidelijk hoger
dan normaal zijn. Dit gebeurt om het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op de
normale bedrijfstemperatuur te krijgen waardoor de uitlaatgasemissies afnemen en het
milieu wordt ontzien.
Druk op de knop START/STOP ENGINE en
laat deze vervolgens los.
Bij het starten van de motor blijft de startmotor
draaien, totdat de motor aanslaat of totdat de
beveiliging tegen oververhitting in werking treedt.
BELANGRIJK
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/ingeduwd en knop START/STOP ENGINE.
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde
met het afneembare sleutelblad, zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/aanbrengen
(p. 179).
1.
1
286
Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag naar
binnen.
Passieve start (Keyless Drive)*
Loop de punten 2–3 door om de motor passief
(p. 182) te starten.
N.B.
Om de motor te kunnen starten moet een van
de transpondersleutels met passieve start en
vergrendeling in de passagiers- of bagageruimte aanwezig zijn.
WAARSCHUWING
Haal na een motorstart of als de auto wordt
gesleept nooit de transpondersleutel uit het
contactslot.
WAARSCHUWING
Haal nooit de transpondersleutel uit de auto
tijdens rijden of slepen.
WAARSCHUWING
Haal altijd de transpondersleutel uit het contactslot als u uit de auto stapt en zorg ervoor
dat de sleutelstand 0 is, in het bijzonder als er
kinderen in de auto aanwezig zijn. Zie voor
informatie over hoe u dit doet Sleutelstanden
(p. 85).
Gerelateerde informatie
•
Motor afzetten (p. 287)
Als de auto rolt, is het indrukken van de knop START/STOP ENGINE voldoende om de motor te starten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Motor afzetten
Stuurslotfout
Afstandsstart (ERS)*
U zet de motor af met de knop START/STOP
ENGINE.
Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij
gebruik van de auto door onbevoegden. Er is
mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar
wanneer het stuurslot wordt opgeheven of ingeschakeld.
Met afstandsstart ((ERS – Engine Remote
Start)) kunt u de motor van de auto op afstand
starten om op die manier de passagiersruimte
voor aanvang van de rit te verwarmen/koelen.
Afstandsstart is te activeren via de transpondersleutel en/of via Volvo On Call*.
Om de motor af te zetten:
•
Druk op START/STOP ENGINE – de motor
slaat af.
Als de keuzehendel niet in stand P staat of als de
auto rolt:
•
Druk twee maal op START/STOP ENGINE
of houd de knop ingedrukt, totdat de motor
afslaat.
Functie
•
Het stuurslot wordt geactiveerd, wanneer u
na het afzetten van de motor het bestuurdersportier opent.
•
Het stuurslot wordt ontgrendeld als de transpondersleutel in het contactslot zit2 en de
START/STOP ENGINE-knop wordt ingedrukt.
Gerelateerde informatie
•
Sleutelstanden (p. 85)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Motor starten (p. 286)
De klimaatregeling start met automatische instellingen. Een via de afstandsstart geactiveerde
motor blijft maximaal 15 minuten draaien en
wordt daarna afgezet. Na twee activeringen van
de afstandsstart moet de motor eerst op de normale manier worden gestart, voordat de afstandsstart weer te gebruiken is.
Afstandsstand is alleen verkrijgbaar op auto's
met een automatische versnellingsbak en een
geïnstalleerde motorkapschakelaar3.
Sleutelstanden (p. 85)
Stuurwiel (p. 92)
N.B.
Hoelang de batterij in de transpondersleutel
meegaat, hangt van het gebruik van de
afstandsstart af. Bij frequent gebruik van de
afstandsstart moet de batterij 1 keer per jaar
worden vervangen, zie Transpondersleutel batterij vervangen (p. 181).
2
3
Bij een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling is de aanwezigheid van een transpondersleutel in de passagiersruimte voldoende.
Aanwezig op de XC60, auto's met alarmsysteem, verschillende uitvoeringen met een 4-cilindermotor of bij specificatie van ERS bij aankoop van een nieuwe auto.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 287
STARTEN EN RIJDEN
||
N.B.
Afstandsstart (ERS) - bediening
Houd rekening met lokale/nationale regelgeving/voorschriften voor stationair rijden. Neem
ook de lokale/nationale regelgeving/voorschriften in acht voor het geluidsniveau van
een draaiende motor.
Om de motor op afstand te starten, moet aan
de volgende criteria zijn voldaan:
•
De auto moet onder toezicht staan.
Er mogen zich geen personen of dieren
in of om de auto aanwezig bevinden.
De auto mag niet in een afgesloten, niet
geventileerde ruimte staan - de uitlaatgassen kunnen voor ernstig letsel bij
mensen en dieren zorgen.
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandsstart (ERS) - bediening (p. 288)
Afstandsstart (ERS) - symbolen en meldingen (p. 289)
Druk kort op de knop (2) van de sleutel.
2.
Druk vervolgens lang – minimaal 2 seconden
– op de knop (3).
Als aan de voorwaarden voor afstandsstart is voldaan, vindt bovendien het volgende plaats:
WAARSCHUWING
•
•
1.
1.
De richtingaanwijzers lichten snel enkele
malen achtereen op.
2.
De motor start.
3.
Ter bevestiging dat de motor is gestart lichten de richtingaanwijzers vervolgens
3 seconden lang op.
N.B.
Knoppen voor afstandsstart op sleutel.
Na het op afstand starten is de auto nog
steeds vergrendeld, echter met een gedeactiveerde bewegingsmelder*.
Ontgrendelen
Vergrendelen
Approach-verlichting
Met PCC5
Achterklep ontgrendelen
Informatie4
Motor op afstand starten
Om de motor op afstand te kunnen starten moet
de auto vergrendeld staan en de motorkap dichtstaan.
Het lampje voor Approach-verlichting6
gaat bij het indrukken van de knop
eerst enkele malen knipperen en
brandt vervolgens continu, mits aan alle
voorwaarden voor afstandsstart is voldaan. Dit
betekent echter niet dat de afstandsstart de
motor heeft gestart.
Doe het volgende:
4 Alleen op een PCC, zie Transpondersleutel met PCC* - unieke functies (p. 177).
5 Voor meer informatie over de PCC, zie Transpondersleutel met PCC* - unieke functies (p. 177).
6 Voor meer informatie over de Approach-verlichting, zie Transpondersleutel - functies (p. 176) en Approach-verlichting
288
(p. 106).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Om te controleren of de afstandsstart de motor
gestart heeft kunt u op de toets (5) drukken – als
de motor aangeslagen is, wordt dit aangegeven
met de lampjes bij de knoppen (2) en (3).
Actieve functies
Bij een via afstandsstart geactiveerde motor zijn
de volgende functies actief:
•
•
•
Klimaatregeling
audio-/videosysteem
Approach-verlichting.
Inactieve systemen
Bij een via afstandsstart geactiveerde motor zijn
de volgende functies niet actief:
•
•
•
•
koplampen
parkeerlichten
kentekenplaatverlichting
ruitenwisser.
Onderbreking afstandsstart
In de volgende gevallen wordt een afstandsstart
onderbroken:
•
•
•
•
•
de toets (1), (2) of (4) op de transpondersleutel wordt ingedrukt
de auto wordt ontgrendeld
er wordt een portier geopend
het gas- of rempedaal wordt bediend
de keuzehendel wordt uit stand P gehaald
•
de afstandsstart is langer dan 15 minuten
actief geweest.
Bij het afzetten van een via afstandsstart geactiveerde motor lichten de richtingaanwijzers
3 seconden lang op.
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandsstart (ERS)* (p. 287)
Afstandsstart (ERS) - symbolen en meldingen (p. 289)
Afstandsstart (ERS) - symbolen en
meldingen
In situaties waarbij ERS uitblijft of wordt onderbroken, verschijnt een symbool op het instrumentenpaneel in combinatie met een verklarende
tekstmelding.
ERS niet ingeschakeld
Melding
Betekenis
Geen starten op
afstand Te veel
pogingen
ERS is niet ingeschakeld,
omdat er maximaal 2
ERS-activeringen achtereen zijn toegestaan.
Geen starten op
afstand Brandstofpeil laag
ERS is niet ingeschakeld
vanwege een gering
brandstofpeil.
Geen starten op
afstand Hendel
niet in P
ERS is niet ingeschakeld,
omdat de keuzehendel
niet in stand P staat.
Geen starten op
afstand
Bestuurder in
auto
ERS is niet ingeschakeld,
omdat er iemand in de
auto zit.
Geen starten op
afstand Accuspanning laag
ERS is niet ingeschakeld
vanwege een geringe
accuspanning. U laadt de
accu op door de motor te
starten.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 289
STARTEN EN RIJDEN
||
Melding
Geen starten op
afstand Motorwaarschuwing
Starten op
afstand uit Koelvloeistofpeil
laag
A
290
Betekenis
ERS is niet ingeschakeld
vanwege een waarschuwingsmelding voor de
motor. Bezoek een werkplaatsA.
ERS is niet ingeschakeld
vanwege een foutmelding vanuit het koelsysteem, zie Koelvloeistof peil (p. 373).
Geen starten op
afstand Portier
open
ERS is niet ingeschakeld,
omdat er een portier (of
de achterklep) niet dichtstond.
Geen starten op
afstand Motorkap open
ERS is niet ingeschakeld,
omdat de motorkap niet
dichtstond.
Geen starten op
afstand Auto
niet op slot
ERS is niet ingeschakeld,
omdat de auto niet vergrendeld was.
Geen starten op
afstand Sleutel
in auto
ERS is niet ingeschakeld,
omdat de sleutel nog in
de auto zat.
ERS onderbroken
Melding
Betekenis
Starten op
afstand uit Hendel
niet in P
ERS is onderbroken,
omdat de keuzehendel
niet in stand P staat.
Starten op
afstand uit
Bestuurder in
auto
ERS is onderbroken,
omdat er iemand in de
auto zit.
Starten op
afstand uit Motorwaarschuwing
ERS is onderbroken
vanwege een foutmelding voor de motor.
Bezoek een werkplaatsA.
Starten op
afstand uit Koelvloeistofpeil laag
ERS is onderbroken
vanwege een foutmelding voor het koelsysteem.
Starten op
afstand uit Motorkap open
ERS is onderbroken,
omdat de motorkap
openstaat.
Melding
Betekenis
Starten op
afstand uit Accuspanning laag
ERS onderbroken,
omdat de accuspanning te gering is.
Starten op
afstand uit Brandstofpeil laag
ERS onderbroken,
omdat het brandstofpeil te gering is.
A
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandsstart (ERS)* (p. 287)
Afstandsstart (ERS) - bediening (p. 288)
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Starthulp met andere accu
4.
Als de startaccu (p. 388) uitgeput is, kunt u de
auto starten met stroom van een hulpaccu.
Bevestig de ene klem van de rode startkabel
aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten wordt
geadviseerd de volgende stappen aan te houden
om kortsluiting en andere schade te voorkomen:
1.
Zet het elektrische systeem van de auto in
de sleutelstand 0, zie contactslotstanden functies in verschillende standen (p. 86).
2.
Controleer of de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
3.
Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de beide auto's
elkaar niet raken.
11. Start de motor in de auto met de uitgeputte
accu.
5.
Haal de clips op de voorste dekplaat van de
uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat,
zie Startaccu - vervangen (p. 390).
6.
Bevestig de andere klem van de rode startkabel aan de pluspool (2) van de auto.
7.
Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
8.
Bevestig de andere klem aan een massapunt, zoals een van de hijsogen (4) op de
motor.
9.
Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen
dat er tijdens de startpoging vonken ontstaan.
10. Start de motor van de “hulpauto” en laat deze
enkele minuten draaien op een toerental dat
iets hoger ligt dan normaal,
ca. 1500 omw/min.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar voor
vonkvorming.
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde volgorde - eerst de zwarte kabel en daarna de
rode.
> Zorg dat geen van de aansluitklemmen
aan de zwarte startkabel contact kan
maken met de pluspool van de accu of
met de aangesloten klem van de rode
startkabel.
WAARSCHUWING
•
•
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van een startkabel, kan volstaan om de
accu tot ontploffing te brengen.
De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat
ernstige chemische brandwonden kan
veroorzaken.
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw
huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
}}
291
STARTEN EN RIJDEN
||
Gerelateerde informatie
•
Motor starten (p. 286)
Versnellingsbakken
Handgeschakelde versnellingsbak
Er zijn twee hoofdgroepen versnellingsbakken.
Handgeschakelde en automatische versnellingsbakken.
De versnellingsbak heeft tot taak de overbrengingsverhouding af te stemmen op de gewenste
snelheid en vermogensbehoefte.
•
•
Handgeschakelde versnellingsbak (p. 292)
Automatische versnellingsbak Geartronic
(p. 294)
BELANGRIJK
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn
te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur
van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij
gevaar voor oververhitting gaat een waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel
branden en verschijnt er een displaymelding –
volg in dat geval het gegeven advies.
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 294)
Schakelpatroon.
De handgeschakelde versnellingsbak heeft zes
versnellingen en het schakelpatroon staat in
reliëf op de schakelhendel.
•
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•
Haal uw voet na het schakelen weer van het
koppelingspedaal af.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling is niet voldoende om de
auto in alle situaties vast te houden.
292
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Blokkering achteruitversnelling
De blokkering van de achteruitversnelling beperkt
het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling
inschakelt.
•
•
Volg het schakelpatroon dat in de versnellingspook is geslagen en begin in de neutrale stand N. Druk daarna de versnellingspook naar stand R duwt.
Schakel de achteruitversnelling alleen in als
de auto stilstaat.
Gerelateerde informatie
•
•
Versnellingsbakken (p. 292)
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 428)
Schakelindicator*
Automatische versnellingsbak
De schakelindicator geeft aan, wanneer u het
beste kunt opschakelen of terugschakelen.
Belangrijk voor een milieubewuste rijstijl is het
kiezen van de juiste versnelling en tijdig schakelen.
Bepaalde uitvoeringen zijn voorzien van een indicator - GSI (Gear Shift Indicator) - die aangeeft,
wanneer u moet opschakelen of terugschakelen
om het brandstofverbruik minimaal te houden.
Met het oog op eigenschappen als de prestaties
en een trillingsvrije motorloop is het soms beter
op iets hogere toeren te schakelen. Het omcirkelde cijfer geeft de actuele versnelling aan.
Handgeschakelde versnellingsbak
Instrumentenpaneel ‘Digital’ met schakelindicator.
Het omcirkelde cijfer geeft de actuele versnelling
aan.
Schakelindicator voor handgeschakelde versnellingsbak. Er
brandt slechts één lampje
tegelijk – bij normaal rijden
brandt alleen het middelste
lampje.
Als op- of terugschakelen wordt geadviseerd,
brandt het bovenste bij ‘+’ of het onderste bij ‘-’
(op de afbeelding met rood gemarkeerd).
In het midden van het instrumentenpaneel ‘Analog’ worden
de schakelstanden en richtingaanwijzerpijlen getoond.
Gerelateerde informatie
•
•
Handgeschakelde versnellingsbak (p. 292)
Automatische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 294)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 293
STARTEN EN RIJDEN
Automatische versnellingsbak Geartronic*
De versnellingsbak Geartronic heeft twee schakelstanden - Automatisch en Handmatig.
Parkeerstand - P
Achteruitrijstand - R
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert.
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen,
moet u in contactslotstand II het rempedaal
bedienen, zie contactslotstanden - functies in
verschillende standen (p. 86).
Neutraalstand - N
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer voor de zekerheid ook de
parkeerrem (p. 312), wanneer de auto geparkeerd staat.
N.B.
D: automatisch schakelen. +/–: handmatig schakelen. S:
Sport-modus*.
Het instrumentenpaneel (p. 70) geeft de stand
van de keuzehendel aan met behulp van de volgende tekens: P, R, N, D, S*, 1, 2, 3 enzovoort.
De keuzehendel moet in de P-stand staan om
de auto te kunnen vergrendelen en op alarm
te zetten.
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan als stand P wordt
gekozen.
Schakelstanden
De automatische schakelstanden worden rechts op het
instrumentenpaneel getoond.
(Er brandt maar één lampje
tegelijk - dat van de actuele
keuzehendelstand.)
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - de P-stand van de
automatische versnellingsbak is niet voldoende om de auto in alle situaties vast te
houden.
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
Om de keuzehendel vanuit stand N in een andere
schakelstand te zetten, moet u in contactslotstand II het rempedaal bedienen, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen
(p. 86).
Rijstand - D
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug afhankelijk
van de stand van het gaspedaal en de snelheid.
Zorg ervoor dat de auto stilstaat, voordat u de
keuzehendel vanuit stand D in stand R zet.
Geartronic - Handmatig schakelen
(+S–)
Met de automatische versnellingsbak Geartronic
kunt u ook handmatig schakelen. Bij het loslaten
van het gaspedaal wordt de auto op de motor
afgeremd.
Symbool "S" voor de Sport-modus is ORANJE,
indien geactiveerd.
294
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
U activeert de handmatige schakelstand door de hendel zijwaarts vanuit
de stand D naar de eindstand bij "+S-"
te bewegen. Het symbool "+S-" op het
instrumentenpaneel verkleurt van WIT naar
ORANJE en de cijfers 1, 2, 3 enzovoort worden
in een kader getoond en komen overeen met de
zojuist ingeschakelde versnelling.
•
Duw de hendel naar voren naar de + (plus)
om een hogere versnelling in te schakelen
en laat deze weer los – de hendel veert terug
naar de neutrale stand tussen + en –.
of
•
Trek de hendel naar achteren naar de "–"
(min) om een lagere versnelling in te schakelen en laat deze weer los.
Handmatig schakelen "+S–" is tijdens het rijden
op elk moment te activeren.
Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug als u
langzamer gaat rijden dan wat voor de gekozen
versnelling gepast is.
Om de automatische rijstand te hervatten:
•
N.B.
Als de versnellingsbak een Sport-stand kent,
is handmatig schakelen pas te activeren wanneer u de keuzehendel vooruit of achteruit in
stand ‘+S–’ hebt gezet. Op het instrumentenpaneel verandert de S dan in een van de
tekens 1, 2, 3 enz. om aan te geven welke
versnelling er ingeschakeld is.
Paddles*
In plaats van handmatig schakelen met de keuzehendel kunt u ook gebruik maken van de speciale
stuurbediening, de zogeheten paddles.
Om met de stuurpaddles te kunnen schakelen
moet u ze wel eerst activeren. U doet dat door
een van de paddles in de richting van het stuurwiel te halen – het teken "D" op het instrumentenpaneel verandert dan in een cijfer dat de ingeschakelde versnelling aangeeft.
Om vervolgens te schakelen:
•
Haal een van de paddles naar achteren – in
de richting van het stuurwiel – en laat deze
weer los.
Beide "paddles" van het stuurwiel.
"–": Eerstvolgende lagere versnelling inschakelen.
"+": Eerstvolgende hogere versnelling
inschakelen.
Bij iedere bediening van de paddles wordt er
geschakeld, tenzij het motortoerental buiten het
toelaatbare bereik komt.
Na iedere schakeling geeft het instrumentenpaneel het cijfer van de ingeschakelde versnelling
weer.
Zet de hendel helemaal naar links in stand D.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 295
STARTEN EN RIJDEN
||
Automatische deactivering
Als u de stuurpaddles niet gebruikt, worden
ze na korte tijd automatisch gedeactiveerd.
Het instrumentenpaneel geeft dit aan doordat
het cijfer voor de ingeschakelde versnelling
weer verandert in ‘D’.
De sportstand levert een sportiever rijgedrag op en maakt het mogelijk om
hogere toeren te maken in de versnellingen. De motor reageert bovendien
sneller op de commando's die u met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van de sportstand
wordt tevens de voorkeur gegeven aan de lagere
versnellingen, zodat er met enige vertraging
wordt opgeschakeld.
Dit geldt echter niet bij gebruik van de motorrem. De paddles blijven in dat geval actief
zolang er op de motor wordt afgeremd.
Om de Sport-modus te activeren:
Handmatige deactivering
•
De stuurpaddles zijn ook handmatig te deactiveren:
•
Haal beide paddles in de richting van het
stuur en houd ze in deze stand vast, totdat op het instrumentenpaneel het cijfer
voor de ingeschakelde versnelling verandert in ‘D’.
U kunt de paddles ook gebruiken, wanneer de
keuzehendel in de Sport-modus* staat – de
paddles blijven dan continu actief.
296
Duw de hendel vanuit stand D zijwaarts tot
aan de aanslag in stand "+S–". Op het
instrumentenpaneel verandert het teken D in
S.
De sportstand kan op elk moment tijdens het rijden ingeschakeld worden.
Geartronic - Winterstand
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e versnelling in te schakelen.
1.
2.
7 Alleen bij bepaalde motoren.
8 Bij een auto met Sport-modus*
te duwen – op het display verandert de 1 in
een 3.
Geartronic - Sport-modus* (S)7
N.B.
Bedien het rempedaal en haal de keuzehendel vanuit stand D helemaal naar stand
"+S–". Het symbool D op het instrumentenpaneel verandert in het cijfer 18.
Schakel op naar de 3e versnelling door de
hendel twee keer naar voren naar de + (plus)
3.
Laat het rempedaal los en geef voorzichtig
gas.
Bij activering van de "winterstand" van de versnellingsbak rijdt de auto met een lager motortoerental en minder kracht op de aandrijfwielen
weg.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij de
normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Als u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat,
schakelt de versnellingsbak automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen is het
stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien
van een terugschakelblokkering, waardoor de
zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown
toe die tot een dusdanig hoog toerental leidt dat
de motor kan worden beschadigd. Als u bij hoge
motortoeren toch probeert een dergelijke kick-
verschijnt eerst "S".
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
down uit te voeren, gebeurt er niets. De auto blijft
in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen terugschakelen. Om schade aan de motor te voorkomen schakelt de auto op wanneer de motor het
maximumtoerental heeft bereikt.
Keuzehendelblokkering
Automatische keuzehendelblokkering
De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in twee
uitvoeringen: een mechanische en een automatische.
De automatische versnellingsbak kent enkele bijzondere beveiligingsfuncties:
Mechanische keuzehendelblokkering
•
Als de auto moet worden weggesleept - zie de
belangrijke informatie in paragraaf Slepen
(p. 334).
•
Versnellingsbakken (p. 292)
G021351
Gerelateerde informatie
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 428)
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de
keuzehendel verzet.
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
parkeerstand (P)
Om de keuzehendel vanuit stand P in een andere
schakelstand te zetten, moet u in contactslotstand (p. 86) II het rempedaal bedienen.
Slepen
•
Parkeerstand (P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
M: Handmatig schakelen9 - "+/-" - of "Sportstand".
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Schakelblokkering, vrijstand (N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens 3 seconden stilgestaan (of de
motor nu draait of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd.
Om de keuzehendel vanuit stand N in een andere
schakelstand te zetten, moet u in contactslotstand (p. 86) II het rempedaal bedienen.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel
vooruit of achteruit bewegen tussen de standen
P, R, N en D.
9
De afbeelding is schematisch.
}}
297
STARTEN EN RIJDEN
||
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 294)
Hellingrem (HSA)*11
U hoeft het rempedaal niet te bedienen wanneer
u wegrijdt of achteruit een helling oprijdt - het
HSA-systeem (Hill Start Assist) voorkomt dat de
auto achteruitrolt.
Het systeem zorgt ervoor dat de pedaaldruk
enkele seconden lang op peil blijft, wanneer u uw
voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst.
De tijdelijke remwerking wordt na enige seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van
het gaspedaal.
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu, moet u
de keuzehendel uit stand P halen voordat u de
auto kunt verslepen.
Gerelateerde informatie
•
Motor starten (p. 286)
Neem de rubbermat in het vak achter de
middenconsole uit te auto en zoek onder in
het vak het gat10 voor het sleutelblad
(p. 179) p.
Lokaliseer met het sleutelblad de verende
knop onder in het gat, druk met het blad de
knop omlaag en houd deze ingedrukt.
Haal de keuzehendel uit stand P en verwijder
het sleutelblad.
4.
10
11
298
Leg de rubbermat terug.
U treft mogelijk 2 gaten aan – een voor het sleutelblad en een voor bevestiging van de rubbermat.
Afhankelijk van de combinatie van motor en versnellingsbak. HSA valt niet voor alle combinaties te specificeren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Vierwielaandrijving - AWD*
Bij vierwielaandrijving is de grip op het wegdek
optimaal.
De vierwielaandrijving is altijd
ingeschakeld
De vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
Gerelateerde informatie
•
Hill Descent Control (HDC)* (p. 299)
Hill Descent Control (HDC)*
HDC is te vergelijken met een automatische
motorrem. Wanneer u op een aflopende helling
het gaspedaal loslaat, wordt de auto normaal
gesproken op de motor afgeremd doordat deze
in dat geval een laag stationair toerental
nastreeft. Naarmate de helling steiler en de auto
zwaarder beladen is, rolt de auto ondanks de
motorrem sneller omlaag – HDC zorgt voor compensatie door automatisch bij te remmen.
Algemene informatie over HDC
Bij vierwielaandrijving (All Wheel Drive) worden
alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven.
Het motorkoppel wordt automatisch over de
voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch
gestuurd koppelingssysteem verdeelt het vermogen over het wielpaar dat op dat moment de
beste grip op het wegdek heeft. Dit om optimale
wegligging te verkrijgen en wielspin te voorkomen. Bij normaal rijden worden de voorwielen
naar verhouding iets sterker aangedreven dan de
achterwielen.
Met HDC is het mogelijk om op steile aflopende
hellingen de snelheid te verhogen/verlagen met
het gaspedaal, zonder het rempedaal te gebruiken. De gevoeligheid van het gaspedaal neemt
af, doordat het motortoerental tot aan de maximale pedaalweg alleen binnen een beperkt toerentalgebied te regelen valt. Het remsysteem
grijpt in en zorgt voor een lage en gelijkmatige
snelheid, zodat u zich volledig kunt richten op de
besturing.
HDC is vooral handig op steile aflopende hellingen met een oneffen oppervlak en op gladde
weggedeelten. Denk bijvoorbeeld aan een boot
op een trailer die u vanaf een boothelling achteruit te water laat.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 299
STARTEN EN RIJDEN
||
WAARSCHUWING
HDC werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt.
Functie
Bij een handgeschakelde versnellingsbak werkt
het systeem alleen in de eerste versnelling en in
de achteruitversnelling.
Bij een automatische versnellingsbak geldt dat u
de 1 e versnelling moet hebben ingeschakeld in
de stand voor handmatig schakelen (+S-) of R
hebben gekozen. Dit wordt aangegeven met het
cijfer 1 of R op het instrumentenpaneel, zie Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 294).
N.B.
HDC kan niet worden geactiveerd op een
automatische versnellingsbak met de keuzehendel in stand D.
HDC wordt gedeactiveerd:
•
•
•
U schakelt HDC in en uit met een van de schakelaars op de middenconsole. Het lampje in de
bewuste schakelaar brandt, wanneer de functie
actief is.
Wanneer HDC actief is brand het bijbehorende symbool op het instrumentenpaneel en verschijnt de melding
Afdalingsremregeling AAN.
Bij activering van het systeem gaan automatisch
de remlichten branden. Met het rempedaal kunt u
de auto altijd remmen of helemaal tot stilstand
brengen.
HDC Aan/Uit.
300
bij het inschakelen van een versnelling
anders dan de 1 e of de achteruitversnelling
R bij een automatische versnellingsbak
Het systeem is op ieder moment uit te schakelen.
Als u dit op een steile aflopende helling doet, zal
het remvermogen niet meteen maar geleidelijk
worden verlaagd.
N.B.
Bij een geactiveerd HDC-systeem is het
mogelijk dat de motor met enige vertraging
op het gaspedaal reageert.
Bediening
Bij een geactiveerd HDC-systeem kan de auto bij
het afremmen op de motor maximaal 10 km/h
(6 mph) voorruit rijden en 7 km/h (4 mph) achteruit. Met het gaspedaal kunt u echter een willekeurige andere snelheid binnen het snelheidsinterval kiezen dat bij de ingeschakelde versnelling
hoort. Wanneer u het gaspedaal loslaat wordt de
rijsnelheid snel verlaagd tot 10 of 7 km/h (6 of
4 mph), ongeacht de hellingshoek en zonder dat
u daarvoor het rempedaal hoeft te bedienen.
met de aan/uit-knop op de middenconsole
bij het inschakelen van een versnelling
anders dan de 1 e of de achteruitversnelling
R bij een handgeschakelde versnellingsbak
Gerelateerde informatie
•
•
•
Vierwielaandrijving - AWD* (p. 299)
Automatische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 294)
Handgeschakelde versnellingsbak (p. 292)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Start/Stop*
Auto’s met een bepaalde combinatie van motor
en versnellingsbak zijn voorzien van een Start/
Stop-systeem dat in werking treedt, als de auto
bijvoorbeeld stilstaat in een file of wacht voor
een stoplicht. De motor wordt dan tijdelijk afgezet en start automatisch als er moet worden
doorgereden.
Milieuzorg vormt een van de kernwaarden van
Volvo Car Corporation en geeft richting aan al
onze activiteiten. Dit resulteerde in uiteenlopende
energiebesparende systemen waaronder Start/
Stop die stuk voor stuk bedoeld zijn om het
brandstofverbruik te verlagen en daarmee ook de
uitlaatgasemissie te beperken.
Algemene informatie over Start/Stop
Met het Start/Stop-systeem kunt u actiever milieubewust rijden doordat de motor, wanneer dat
kan, automatisch kan afslaan.
Handbak of automaat
Let erop dat er verschillen zijn in het Start/Stopsysteem, afhankelijk van de vraag of de auto een
handbak of een automaat heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Start/Stop* - functie en bediening (p. 301)
Motor starten (p. 286)
Start/Stop* - instellingen (p. 306)
Start/Stop* - automatische motorstart werkt
niet (p. 305)
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 304)
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 303)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 305)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 307)
•
Accu - Start/Stop (p. 392)
Start/Stop* - functie en bediening
Het Start/Stop-systeem wordt automatisch
geactiveerd, wanneer u de motor met een sleutel
start.
Het Start/Stop-systeem wordt
automatisch geactiveerd, wanneer u de motor met een sleutel start. U wordt op het systeem gewezen doordat op het
instrumentenpaneel het desbetreffende symbool gaat branden en het lampje in de
Aan/Uit-knop oplicht.
Alle normale autosystemen
waaronder verlichting, radio e.d. werken ook bij
een automatisch afgeslagen motor normaal, zij
het dat er mogelijk tijdelijke beperkingen gelden
voor bepaalde uitrusting (zoals het geval kan zijn
voor de ventilatorsnelheid van de klimaatregeling
of het volume van het audiosysteem).
Automatische motorafslag
Voor automatische motorafslag geldt het volgende:
De motor wordt afgezet – voor een stillere en schonere
rit.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 301
STARTEN EN RIJDEN
||
Voorwaarden
M/A
Voorwaarden
M/A
A
A
Bedien de koppeling, zet de hendel in
de neutrale stand en laat het koppelingspedaal opkomen. De motor slaat
automatisch af.
M
Zet de auto stil met het rempedaal en
houd uw voet op het pedaal. De motor
slaat automatisch af.
A
A
Automatische motorstart
M/A
A
Met de schakelhendel in de neutrale
stand:
1.
Trap het koppelingspedaal of het
gaspedaal in – de motor start.
2.
Schakel een passende versnelling
in en rijd weg.
Laat het rempedaal los. De motor start
automatisch en u kunt doorrijden.
A
Bij een aflopende helling bestaat ook
deze mogelijkheid:
M+
A
Laat het rempedaal los en laat de auto
wegrollen. De motor start dan automatisch als de snelheid hoger wordt dan
normaal stapvoets.
M = handbak, A = automaatbak.
Voorwaarden
Houd de voetdruk op het rempedaal
vast en trap het gaspedaal in - de
motor start automatisch.
M
A
A
M = handbak, A = automaatbak.
Start/Stop-systeem deactiveren
In bepaalde situaties is het
mogelijk beter om het automatische Start/Stop-systeem tijdelijk uit te schakelen – dit is
mogelijk met een druk op deze
knop.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 301)
Motor starten (p. 286)
Start/Stop* - instellingen (p. 306)
Start/Stop* - automatische motorstart werkt
niet (p. 305)
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 304)
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 303)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 305)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 307)
•
Accu - Start/Stop (p. 392)
Bij een uitgeschakeld systeem gaan
het Start/Stop-symbool op het instrumentenpaneel en het lampje van de
Aan-/Uit-knop uit.
Het Start/Stop-systeem blijft gedeactiveerd, totdat het opnieuw geactiveerd wordt met de knop
of de volgende keer dat de motor wordt gestart
met de sleutel.
302
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Start/Stop* - automatische
motorafslag werkt niet
Ook als het Start/Stop-systeem geactiveerd is,
vindt er niet altijd een automatische motorstop
plaats.
Automatische motorstop werkt niet in de volgende gevallen:
Voorwaarden
M/AA
de auto rijdt nog geen 10 km/h
(6 mph) na een sleutelstart of de laatste automatische motorstop.
M+A
u hebt de gordelsluiting geopend.
M+A
Voorwaarden
M/AA
Voorwaarden
u rijdt achteruit met de auto.
M+A
A
de capaciteit van de startaccu is
onder de toelaatbare ondergrens
gedoken.
M+A
de file-assistent van de adaptieve
cruisecontrol is geactiveerd.
de keuzehendel staat in de stand R,
SC of "+/-".
A
u maakt grote stuurbewegingen.
M+A
het roetfilter van het uitlaatsysteem is
verzadigd – pas na een automatische
regeneratie (zie Roetfilter dieselmotor
(DPF) (p. 323)) wordt het tijdelijke
uitgeschakelde Start/Stop-systeem
opnieuw geactiveerd.
M+A
de weg is erg steil.
M+A
een aanhanger is aangesloten op het
elektrische systeem van de auto.
M+A
•
•
•
•
•
M+A
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 304)
A
B
C
M/AA
M = handbak, A = automaatbak.
Alleen bij bepaalde motoren.
Sportstand.
Gerelateerde informatie
Start/Stop* (p. 301)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 301)
Motor starten (p. 286)
Start/Stop* - instellingen (p. 306)
de capaciteit van de startaccu is
onder de toelaatbare ondergrens
gedoken.
M+A
de motor is niet op de normale
bedrijfstemperatuur.
M+A
de motorkap is ontgrendeldB.
de buitentemperatuur ligt rond het
vriespunt of boven ca. 30 °C.
M+A
de versnellingsbak is niet op de normale bedrijfstemperatuur.
A
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 305)
M+A
A
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 307)
•
Accu - Start/Stop (p. 392)
de omstandigheden in de passagiersruimte wijken af van de ingestelde
waarden – wat te merken is aan het
hoge toerental van de interieurventilator.
M+A
de atmosferische luchtdruk ligt onder
het niveau bij een hoogte van zo'n
1500–2500 boven zeeniveau. De
actuele luchtdruk varieert afhankelijk
van het weertype.
•
u activeert de elektrische voorruitverwarming.
Start/Stop* - automatische motorstart werkt
niet (p. 305)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 303
STARTEN EN RIJDEN
Start/Stop* - automatische
motorstart
304
Voorwaarden
M/AA
Een motor die automatisch werd afgezet kan in
bepaalde gevallen automatisch worden gestart,
voordat u hebt aangegeven de rit te willen voortzetten.
De gordelsluiting van de bestuurder is
geopend met de keuzehendel in
stand D of N.
A
StuurbewegingenB.
A
In de volgende gevallen start de motor automatisch, ook als u het koppelingspedaal niet hebt
ingetrapt (handgeschakelde bak) of uw voet niet
van het rempedaal haalt (automaat):
De keuzehendel vanuit stand D in
stand SC, R of ‘+/-’ wordt gezet.
A
Het bestuurdersportier wordt
geopend met de keuzehendel in
stand D - een ‘belsignaal’ en een
tekstmelding geven aan dat de
Start/Stop-functie actief is.
A
Voorwaarden
M/AA
er wordt condens gevormd op de ruiten.
M+A
het milieu in de passagiersruimte wijkt
af van de voorgeselecteerde waarden.
M+A
er wordt tijdelijk veel stroom afgenomen of de capaciteit van de startaccu
is onder de toelaatbare ondergrens
gezakt.
M+A
u bedient het rempedaal met pompende bewegingen.
M+A
De motorkap wordt ontgrendeldB.
M+A
De auto begint te rollen of voert een
kleine snelheidstoename uit als de
auto automatisch is afgezet zonder
helemaal stil te staan.
M+A
A
B
C
•
•
Start/Stop* - instellingen (p. 306)
Start/Stop* - automatische motorstart werkt
niet (p. 305)
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 303)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 305)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 307)
•
Accu - Start/Stop (p. 392)
M = handbak, A = automaatbak.
Alleen bij bepaalde motoren.
Sportstand.
WAARSCHUWING
Open de motorkap niet als de motor automatisch afgeslagen is. De motor kan plotseling
automatisch starten. Voer eerst een normale
motoruitschakeling uit met de START/STOP
ENGINE-knop voordat u de motorkap
omhoog doet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Start/Stop* (p. 301)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 301)
Motor starten (p. 286)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Start/Stop* - automatische
motorstart werkt niet
De automatische motorstart werkt niet altijd na
automatische motorafslag.
In de volgende gevallen werkt de automatische
motorstart niet nadat de motor automatisch werd
afgezet:
Voorwaarden
M/A
A
er is een versnelling ingeschakeld zonder het koppelingspedaal te bedienen –
een displaymelding dring er bij u op aan
om de schakelhendel in de neutrale
stand te zetten en automatische motorstart mogelijk te maken.
M
De bestuurder zit niet in de gordel.
M
De bestuurder draagt geen gordel, de
keuzehendel staat in stand P en het
bestuurdersportier is open – de motor
moet op de normale manier worden
gestart.
A
A
M = handbak, A = automaatbak.
Start/Stop* (p. 301)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 301)
Motor starten (p. 286)
Start/Stop* - instellingen (p. 306)
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 304)
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop
bij handgeschakelde
versnellingsbak
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 303)
•
Doe het volgende, als de automatische motorstart mislukt en de motor afslaat:
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 305)
1.
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 307)
Controleer of de veiligheidsgordel van de
bestuurdersstoel goed in de gordelsluiting
vastzit.
•
Accu - Start/Stop (p. 392)
2.
Bedien het koppelingspedaal opnieuw – de
motor start automatisch.
3.
In bepaalde gevallen moet u de versnellingspook in de neutrale stand zetten. Op het
instrumentenpaneel verschijnt dan de tekst
Zet versnelling in vrij.
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 301)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 301)
Motor starten (p. 286)
Start/Stop* - instellingen (p. 306)
Start/Stop* - automatische motorstart werkt
niet (p. 305)
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 304)
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 303)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 307)
•
Accu - Start/Stop (p. 392)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 305
STARTEN EN RIJDEN
Start/Stop* - instellingen
In het menusysteem MY CAR vindt u onder de
rubriek DRIVe informatie over Volvo's Start/
Stop-systeem en adviezen voor een zuinige rijstijl.
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 307)
•
Accu - Start/Stop (p. 392)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
306
Start/Stop* (p. 301)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 301)
Motor starten (p. 286)
Start/Stop* - automatische motorstart werkt
niet (p. 305)
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 304)
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 303)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 305)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Start/Stop* - symbolen en
meldingen
Het Start/Stop-systeem kan tekstmeldingen op
het instrumentenpaneel weergeven.
Symbool
Displaymelding
Het Start/Stop-systeem kan in
bepaalde situaties aanleiding geven tot
tekstmeldingen op het instrumentenpaneel en een brandend controlelampje. Bij
enkele daarvan dient u een aanbevolen maatregel te nemen. In de volgende tabel staan enkele
voorbeelden.
Melding
Informatie/maatregel
M/AA
Auto Start/Stop Service vereist
Start/Stop werkt niet. Neem contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
M+A
Autostart Motor loopt + akoestisch signaal
Wordt geactiveerd als het bestuurdersportier wordt geopend met een automatisch afgezette
motor en de keuzehendel in de D-stand.
Druk op startknop
Geen automatische motorstart mogelijk. Voer een reguliere motorstart uit met de START/STOP
ENGINE-knop.
Trap koppeling in om te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het koppelingspedaal.
M
Bedien rem en koppeling om
te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het koppelings- of rempedaal.
M
Stand N kiezen om te starten
Er is geschakeld zonder te ontkoppelen – bedien het koppelingspedaal om de schakelhendel in
de neutrale stand te zetten.
M
A
M+A
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 307
STARTEN EN RIJDEN
||
Symbool
A
Melding
Informatie/maatregel
Kies stand P of N om te starten
Start/Stop is gedeactiveerd. Zet de keuzehendel in stand N of P en voer een normale motorstart
uit met de START/STOP ENGINE-knop.
A
Druk op startknop
De motor zal niet automatisch starten. Voer een normale motorstart uit met de START/STOP
ENGINE-knop en de keuzehendel in P of N.
A
M/AA
M = handbak, A = automaatbak.
Als een displaymelding na het uitvoeren van de
voorgestelde maatregel niet verdwijnt, dient u
contact op te nemen met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
308
Start/Stop* (p. 301)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 301)
Motor starten (p. 286)
Start/Stop* - instellingen (p. 306)
Start/Stop* - automatische motorstart werkt
niet (p. 305)
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 304)
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 303)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 305)
•
Accu - Start/Stop (p. 392)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Bedrijfsrem
U gebruikt het rempedaal om de rijsnelheid te
verlagen.
De auto is om veiligheidsredenen uitgerust met
twee remkringen. Als een van de remkringen
beschadigd raakt, neemt de rempedaalweg toe
en moet u meer druk uitoefenen voor een normale remwerking.
De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt
versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
Als u het rempedaal bedient met de motor afgezet, doet het pedaal stug aan en moet u harder
op het pedaal trappen om de auto af te remmen.
Bij auto's met de functie Hellingrem (HSA)*
(p. 298)* veert het rempedaal langzamer dan normaal terug in de uitgangspositie, als de auto op
een helling of ongelijkmatige ondergrond geparkeerd staat.
In bergachtig gebied of tijdens ritten met een
zware belading kunt u de remmen ontzien door
op de motor af te remmen. U benut de remmende werking van de motor het best, wanneer u
tijdens het afdalen dezelfde versnelling inschakelt
als bij het oprijden van een helling.
Voor meer algemene informatie over een zware
belasting van de auto, zie Motorolie - ongunstige
rijomstandigheden (p. 424).
Remmen op natte wegen
Als langere tijd wordt gereden bij harde regen en
zonder te remmen, kan bij de eerste keer remmen het remvermogen wat zijn verminderd. Dit
kan ook het geval zijn na het wassen van de auto.
In dat geval is het noodzakelijk het rempedaal
verder in te trappen. Houd om die reden meer
afstand aan tot uw voorligger.
Rem hard met de auto na op natte wegen te
hebben gereden of het wassen van de auto. De
remschijven warmen dan op, drogen sneller en
zijn beschermd tegen corrosie. Houd bij het remmen rekening met de actuele verkeerssituatie.
Remmen op met zout gestrooide
wegen
Bij ritten op wegen waar zout is gestrooid, kan
zich een zoutlaag op de remschrijven en remvoering afzetten. Dit kan de remweg verlengen. Houd
daarom extra veel afstand aan tot uw voorligger.
Let ook op dat u:
•
Af en toe remt om eventuele zoutafzetting te
verwijderen. Let op dat u andere verkeersdeelnemers niet in gevaar brengt bij het remmen.
•
Trap het rempedaal na de rit en voordat u de
volgende rit begint voorzichtig in.
Onderhoud
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te
houden, dient u de service-intervallen van Volvo
aan te houden zoals omschreven in het Serviceen garantieboekje.
De remwerking van nieuwe en vervangen remblokken en remschijven is pas optimaal als ze na
een paar honderd kilometer rijden zijn "ingesleten". Compenseer de verminderde remwerking
door harder op het rempedaal te trappen. Volvo
raadt aan om alleen remvoeringen te monteren
die zijn goedgekeurd voor uw Volvo.
BELANGRIJK
De onderdelen van het remsystemen moeten
regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 309
STARTEN EN RIJDEN
||
Symbolen en meldingen
Symbool
Betekenis
Brandt continu – controleer het
remvloeistofpeil. Vul remvloeistof
bij als het peil te laag ligt en controleer tevens de oorzaak van het
remvloeistofverlies.
Brandt tijdens het starten van de
motor 2 seconden continu - automatische functietest.
WAARSCHUWING
Als
en
tegelijk branden, kan er
een storing in het remsysteem zijn ontstaan.
Als het niveau in het remvloeistofreservoir in
dat geval normaal is, moet u voorzichtig naar
de dichtstbijzijnde werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau in
het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
De oorzaak van het remvloeistofverlies moet
worden gecontroleerd.
Gerelateerde informatie
•
•
310
Parkeerrem (p. 312)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 311)
•
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij noodstops (p. 311)
Bedrijfsrem antiblokkeerremsysteem
•
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
(p. 310)
Het antiblokkeerremsysteem, ABS Anti-lock
Braking System voorkomt dat de wielen blokkeren tijdens het remmen.
Het systeem zorgt ervoor dat de auto bestuurbaar blijft, waardoor het bijvoorbeeld gemakkelijker is om obstakels te ontwijken. Bij activering
van deze functie kunt u trillingen in het rempedaal voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u het rempedaal loslaat nadat de motor
is aangeslagen, gaat een kortdurende, automatische test van het ABS van start. Het is mogelijk
dat er op een lage snelheid nóg een automatische test van het ABS plaatsvindt. Deze test is
waarneembaar in de vorm van trillingen in het
rempedaal.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bedrijfsrem (p. 309)
Parkeerrem (p. 312)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 311)
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij noodstops (p. 311)
STARTEN EN RIJDEN
Bedrijfsrem - noodremlichten en
automatische alarmlichten
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging
bij noodstops
De noodremlichten worden geactiveerd om achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt.
Daarbij knipperen de remlichten in plaats van dat
ze continu branden, zoals bij normaal remmen.
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assist) helpt de remkracht verhogen om op die manier de remweg te verkorten.
De noodremlichten worden geactiveerd bij snelheden hoger dan 50 km/h (31 mph) als het ABS
actief is en/of bij krachtig remmen. Zodra de rijsnelheid minder dan 10 km/h (6 mph) bedraagt,
knippert het remlicht niet langer en gaat het continu branden en worden tegelijkertijd de alarmlichten (p. 103) geactiveerd. Deze knipperen, totdat u weer gas geeft of de alarmlichten zelf uitschakelt.
Het EBA registreert de wijze waarop u het rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de remkracht. De remkracht kan worden verhoogd tot
aan het niveau waarbij het ABS ingrijpt. De EBAregeling wordt uitgeschakeld wanneer u de druk
op het rempedaal verlaagt.
N.B.
Als EBA wordt geactiveerd, gaat het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Druk het
rempedaal in zo lang als dat nodig is. Als u
het rempedaal loslaat, stopt al het afremmen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bedrijfsrem (p. 309)
Parkeerrem (p. 312)
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij noodstops (p. 311)
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
(p. 310)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bedrijfsrem (p. 309)
Parkeerrem (p. 312)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 311)
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
(p. 310)
311
STARTEN EN RIJDEN
Parkeerrem
Parkeerrem aanzetten
De parkeerrem voorkomt met behulp van mechanische blokkering/vergrendeling van twee wielen
dat een stilstaande auto kan wegrollen.
ten van de handgreep wordt de rem uitgeschakeld.
N.B.
Bij activeren van de noodrem bij hogere snelheden klinkt er tijdens het remmen een signaal.
Functie
Bij activering van de elektrisch geregelde parkeerrem hoort u een zwak elektromotorgeluid.
Het geluid is tevens waarneembaar bij een automatische functietest van de parkeerrem.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen.
Als u de parkeerrem tijdens het rijden aanzet,
wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd. Daarbij
werkt de rem op alle vier de wielen. Wanneer de
auto bijna stilstaat, worden alleen de achterwielen geremd.
Op een helling parkeren
Bij het parkeren van de auto op een oplopende
helling:
Handgreep parkeerrem – aanzetten.
1.
Trap het rempedaal stevig in.
2.
Druk op de handgreep van de parkeerrem.
>
Het symbool op het instrumentenpaneel gaat knipperen – wanneer het
continu brandt, is de parkeerrem ingeschakeld.
Lage accuspanning
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is, zie
Starthulp met andere accu (p. 291).
3.
Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
Zet de schakelhendel bij het parkeren altijd in de
1e versnelling (handbak) en de keuzehendel in
stand P (automaat).
Noodrem
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens
het rijden inschakelen door de handgreep voor
de parkeerrem ingedrukt te houden. Bij het losla-
312
•
Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende
helling:
•
Draai de wielen naar de trottoirband toe.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling of de P-stand van een automatische versnellingsbak is niet voldoende
om de auto in alle situaties vast te houden.
STARTEN EN RIJDEN
Parkeerrem lossen
N.B.
De parkeerrem is ook handmatig uit te schakelen door het koppelingspedaal te bedienen
in plaats van het rempedaal. Volvo adviseert u
echter het rempedaal te gebruiken.
Automatisch lossen
1.
Start de motor.
2.
Schakel de 1 versnelling of de achteruitrijversnelling in.
3.
Laat de koppeling opkomen en geef gas.
>
De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft.
Handgreep parkeerrem – lossen.
Auto met handgeschakelde
versnellingsbak
Handmatig lossen
1.
Steek de transpondersleutel in het contactslot12.
2.
Trap het rempedaal stevig in.
3.
Trek aan de handgreep voor de parkeerrem.
>
De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft.
12
Auto met automatische versnellingsbak
Handmatig lossen
1.
Steek de transpondersleutel in het contactslot12.
Automatisch lossen
1.
Doe de veiligheidsgordel om.
2.
Start de motor.
3.
Trap het rempedaal stevig in.
4.
Zet de keuzehendel in stand D of R en geef
gas.
>
De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft.
N.B.
Om veiligheidsredenen wordt de parkeerrem
alleen automatisch uitgeschakeld, als de
motor loopt en de bestuurder de veiligheidsgordel draagt. Bij auto’s met automatische
transmissie wordt de parkeerrem onmiddellijk
uitgeschakeld, wanneer u het gaspedaal
bedient terwijl de keuzehendel in stand D of
R staat.
2.
Trap het rempedaal stevig in.
Zware belading op oplopende hellingen
3.
Trek aan de handgreep.
>
De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft.
Bij een zware belading zoals een aanhanger is
het mogelijk dat de auto op een steile, oplopende
helling achteruitrolt, wanneer de parkeerrem
automatisch wordt gelost. U kunt dit voorkomen
door bij het wegrijden de handgreep ingedrukt te
houden. Laat de handgreep weer los zodra de
koppeling aangrijpt.
Bij een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling: Druk op START/STOP ENGINE.
}}
313
STARTEN EN RIJDEN
||
Remblokken vervangen
Symbolen en meldingen
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een werkplaats met het oog op de constructie van de elektrische parkeerrem – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Voor informatie over het weergeven en wissen
van displaymeldingen op het instrumentenpaneel,
zie Meldingen - functies (p. 121).
Symbool
Melding
Betekenis/Maatregel
"Melding"
•
Lees de melding op het instrumentenpaneel.
Een knipperend symbool houdt in dat de parkeerrem wordt aangezet.
Als het symbool in een andere situatie gaat knipperen, is er sprake van een storing.
•
Parkeerrem niet
helemaal gelost
Lees de melding op het instrumentenpaneel.
Door een storing kan de parkeerrem niet worden uitgeschakeld:
•
Probeer of u de rem kunt in- en uitschakelen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt:
•
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
NB Er klinkt een waarschuwingssignaal als u doorrijdt met deze foutmelding.
314
STARTEN EN RIJDEN
Symbool
Melding
Betekenis/Maatregel
Parkeerrem niet
bekrachtigd
Door een storing kan de parkeerrem niet worden ingeschakeld:
•
Probeer of u de rem kunt uit- en inschakelen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt:
•
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Dezelfde melding verschijnt ook op auto's met een handbak, wanneer er langzaam wordt gereden met het portier open.
De melding maakt u erop attent dat de parkeerrem mogelijk onbedoeld werd gelost.
Parkeerrem Service vereist
Er is een storing opgetreden:
•
Probeer of u de rem kunt in- en uitschakelen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt:
•
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als u de auto moet parkeren voordat een eventuele storing kan worden verholpen, dient u de wielen net als bij het parkeren op een helling van de
trottoirband/berm af te draaien en de schakelhendel in de 1e versnelling (handbak) te zetten
en de keuzehendel in stand P (automaat).
Meldingen kunt u van het display halen door de
OK-knop op de richtingaanwijzerhendel kort in te
drukken.
Gerelateerde informatie
•
Bedrijfsrem (p. 309)
315
STARTEN EN RIJDEN
Doorwaaddiepte
BELANGRIJK
Met doorwaden wordt bedoeld dat de auto op
een met water bedekte rijbaan door een diepere
plas water rijdt. Waden dient met de nodige
voorzichtigheid te gebeuren.
Als er water in het luchtfilter komt, kan er
motorschade ontstaan.
Bij een diepte groter dan 35 cm kan er water
in de transmissie komen. Het smerende vermogen van de oliën neemt dan af, waardoor
de levensduur van deze systemen korter
wordt.
Stapvoets kunt u met de auto door waterpartijen
van maximaal 35 cm diep rijden. Wees extra
voorzichtig bij het doorwaden van stromend
water.
Schade aan de motor, transmissie, turbocompressor, het differentieel of de inwendige
onderdelen ervan als gevolg van waterlekkage (hydrolock) of een tekort aan olie valt
niet onder de garantie.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking
optreden.
316
•
Maak eventuele aansluitingen voor de elektrische verwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en modder.
•
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken – elektrische
storingen zijn anders niet uitgesloten.
Oververhitting
In bepaalde omstandigheden, bij zware belasting op steile hellingen en warm weer, bestaat
het gevaar dat de motor en de aandrijflijn oververhit raken – vooral bij het vervoer van een
zware lading.
Voor informatie over oververhitting bij het gebruik
van een aanhanger, zie Rijden met een aanhanger* (p. 326).
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten
tijdens ritten bij warm weer.
•
Als de temperatuur in het koelsysteem van
de motor te hoog oploopt, gaat een waarschuwingssymbool branden op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel en
verschijnt daar de melding
Motortemperatuur hoog Stop auto
z.s.m. – breng de auto in dat geval zo spoedig mogelijk tot stilstand en laat de motor
enkele minuten stationair lopen zodat deze
kan afkoelen.
•
Als de displaymelding Motortemperatuur
hoog Zet motor af of Koelvloeistofpeil
laag Stop auto z.s.m. verschijnt, dient u
nadat de auto tot stilstand is gekomen ook
de motor af te zetten.
•
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een ingebouwde beveiliging geactiveerd die er onder meer voor zorgt dat het
waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden en op het bijbehorende
Probeer de motor bij motorafslag in water niet
opnieuw te starten. Haal de auto uit het water
en breng deze naar de werkplaats - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Kans op motorschade.
Gerelateerde informatie
•
•
Bergen (p. 336)
Slepen (p. 334)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
display de tekstmelding Versnellingsbak
heet Rijd langzamer of Versnellingsbak
heet Stop auto z.s.m. Wachten op
afkoelen verschijnt. Neem het gegeven
advies in acht en verlaag de snelheid of
breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand om de versnellingsbak te laten afkoelen door de motor enkele minuten stationair
te laten draaien.
•
Bij oververhitting kan de airconditioning zichzelf tijdelijk uitschakelen.
•
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator van de
motor een tijdje werkt nadat de motor is uitgeschakeld.
Rijden met een geopend(e)
achterklep/kofferklep
Wanneer u met een geopende achterklep rijdt,
kunnen er giftige uitlaatgassen via de bagageruimte de auto in worden gezogen.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Via
de bagageruimte kunnen er giftige uitlaatgassen in de auto worden gezogen.
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 163)
Overbelasting - startaccu
De elektrische functies van de auto belasten de
startaccu (p. 388) in verschillende mate. Laat
het contactslot niet te lang achtereen in sleutelstand II (p. 86) staan wanneer u de motor hebt
afgezet. Maak in plaats daarvan gebruik van de
stand I – het stroomverbruik is dan minder.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires
het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet. Voorbeelden van
dergelijke onderdelen/systemen zijn:
•
•
•
•
interieurventilator
koplampen
ruitenwisser
audiosysteem (hoog volume).
Bij een geringe startaccuspanning verschijnt op
het informatiedisplay van het instrumentenpaneel
de tekst Accuspanning laag Spaarstand. De
energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens
bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt de
belasting van de accu door bijvoorbeeld de interieurventilator lager te zetten en/of het audiosysteem uit te schakelen.
–
Laad de startaccu dan op door de motor te
starten en deze minstens 15 minuten te
laten lopen - de startaccu wordt beter opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met
een stationair lopende motor.
317
STARTEN EN RIJDEN
Voorbereidingen bij lange reizen
Rijden tijdens de winter
Bij lange reizen is het goed om de volgende
punten te doorlopen:
Bij rijden in de winter is het belangrijk om
bepaalde controles uit te voeren, zodat u zeker
weet dat u veilig met de auto kunt rijden.
•
Controleer of de motor naar behoren functioneert en of het brandstofverbruik (p. 434) in
orde is.
•
Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
•
Controleer alle lampen en de profieldiepte
van de banden.
•
In sommige landen bent u wettelijk verplicht
een gevarendriehoek (p. 348) in de auto te
hebben.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Motorolie - controleren en bijvullen (p. 370)
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder
op het volgende:
•
De koelvloeistof (p. 373) van de motor moet
50 % glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie is de motor beschermd tegen
bevriezing tot ca. –35 °C. Om gezondheidsrisico’s te vermijden is het zaak geen verschillende soorten glycol met elkaar te mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens
in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk.
Wanneer u oliesoorten met een lagere viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat de motor
bij koud weer gemakkelijker aan en neemt
bovendien het brandstofverbruik tijdens de
koude start af. Voor meer informatie over
geschikte oliesoorten, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 424).
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 345)
Lamp vervangen - algemeen (p. 376)
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of
warm weer.
•
318
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de startaccu. De star-
taccu wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
•
Giet sproeiervloeistof (p. 387) in het sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming te voorkomen.
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of ijs
adviseert Volvo u om de auto rondom van winterbanden te voorzien.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn niet
in alle landen toegestaan.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden om
te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
Gerelateerde informatie
•
Rijden tijdens de winter (p. 318)
STARTEN EN RIJDEN
Tankvulklep - openen/sluiten
Tankvulklep - handmatig openen
Brandstof tanken
De tankvulklep is als volgt te openen/sluiten:
De tankvulklep kan handmatig worden geopend,
als openen met de schakelaar in de passagiersruimte niet mogelijk is.
Waar u tijdens het tanken op moet letten.
Tankvulklep openen/sluiten
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel – bij het loslaten van de knop springt
de klep open.
Op het display van het instrumentenpaneel wordt middels de pijl op het symbool
aangegeven aan welke kant van de auto de tankdop zit.
•
1.
Open/verwijder het zijluikje in de bagageruimte (aan de kant van de tankvulklep) en
zoek de groene kabel met handgreep op.
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank
ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam open.
2.
Trek de kabel voorzichtig recht naar achteren
toe totdat de tankvulklep met een duidelijke
klik wordt geopend.
•
Sluit de klep door deze dusdanig in te drukken dat u een klik hoort.
Breng na het tanken de tankdop weer aan
en draai deze zo ver dicht dat u één of meer
klikken hoort.
BELANGRIJK
Trek voorzichtig aan de lus – er is slechts weinig kracht nodig om de klep te ontgrendelen.
Gerelateerde informatie
•
Tankdop open-/dichtdraaien
Brandstof tanken (p. 319)
Gerelateerde informatie
•
Brandstof tanken (p. 319)
}}
319
STARTEN EN RIJDEN
||
Brandstof tanken
•
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag meteen uit de vulopening te
halen.
N.B.
Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen.
Bijvullen met jerrycan13
Gebruik voor het bijvullen met een jerrycan de
trechter die onder het vloerluik in de bagageruimte ligt.
Let erop dat u de buis van de trechter goed in de
vulpijp steekt. De vulpijp is voorzien van een te
openen afdekking. U moet de buis van de trechter langs de afdekking naar binnen steken, voordat u kunt bijvullen.
Gerelateerde informatie
•
•
Brandstof - gebruik
WAARSCHUWING
Gebruik geen brandstof met een slechtere kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een nadelige
invloed kan hebben op het motorvermogen en
het brandstofverbruik.
Op de grond gemorste brandstof kan vlam
vatten.
Schakel de verwarming op brandstof uit voordat u gaat tanken.
Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het
belsignaal kan er vonkvorming ontstaan waardoor de benzinedampen ontsteken en dat kan
tot brand en letsel leiden.
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp inroepen.
BELANGRIJK
Door mengsels van verschillende soorten
brandstoffen of het gebruik van niet aanbevolen brandstof vervallen de garanties van Volvo
en evt. aanvullende serviceovereenkomsten.
Dit geldt voor alle motoren.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen zoals
benzine, bio-ethanol, mengsels ervan en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen bij
inwendig gebruik aanleiding geven tot blijvend
letsel met mogelijk dodelijke afloop. Roep
onmiddellijk medische hulp in bij het inslikken
van brandstof.
N.B.
Tankvulklep - handmatig openen (p. 319)
Bij extreme weersomstandigheden, rijden met
een aanhanger/caravan of ritten op grote
hoogte kan, afhankelijk van de gebruikte
brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van
de auto te wensen overlaten.
Brandstof - gebruik (p. 320)
Gerelateerde informatie
•
•
13
320
Geldt alleen voor auto's met een dieselmotor.
Brandstof - diesel (p. 322)
Roetfilter dieselmotor (DPF) (p. 323)
STARTEN EN RIJDEN
•
•
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 434)
Brandstof - benzine
Brandstoftank - inhoud (p. 431)
De motor loopt op benzine.
Alcoholen-ethanol
BELANGRIJK
Maak alleen gebruik van benzine van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit brandstof
van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De benzine
moet voldoen aan de norm EN 228.
•
95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
•
98 RON wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met een
zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit
om optimale prestaties en een zo laag mogelijk
brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
•
Gebruik alleen loodvrije benzine om
schade aan de katalysator tegen te gaan.
•
Het gebruik van brandstof met metaaladditieven is niet toegestaan.
•
Gebruik geen toevoegingen die niet door
Volvo zijn aanbevolen.
•
Er is brandstof toegestaan die tot
10 volumeprocent ethanol bevat.
•
Het gebruik van EN 228 E10-benzine
(max. 10 volumeprocent ethanol) is toegestaan.
•
Een ethanolgehalte hoger dan E10
(maximaal 10 volumeprocent ethanol)
zoals bij E85 is niet toegestaan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Brandstof - gebruik (p. 320)
Zuinig rijden (p. 325)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 434)
Brandstoftank - inhoud (p. 431)
321
STARTEN EN RIJDEN
Brandstof - diesel
De dieselolie:
Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit brandstof
van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De dieselbrandstof moet voldoen aan de norm EN 590,
SS 155435 of JIS K 2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreiniging in de brandstof,
zoals metaaldeeltjes en een hoog zwavelgehalte.
•
moet voldoen aan de norm EN 590,
SS 155435 of JIS K 2204
•
moet een zwavelgehalte hebben van
maximaal 10 mg/kg;
•
mag maximaal 7 vol% FAME (Fatty Acid
Methyl Ester) bevatten.
Bij lage temperaturen (lager dan 0 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot
startproblemen leiden. De verkrijgbare brandstofkwaliteiten moeten zich lenen voor gebruik in het
actuele jaargetijde en klimaatgebied, maar in
extreme weersomstandigheden, bij gebruik van
verouderde brandstof of bij ritten door verschillende klimaatgebieden kan desondanks uitvlokking optreden.
Het risico van condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld houdt.
Houd tijdens het tanken het gebied rond de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte
oppervlakken. Maak als u gemorst hebt het
gebied met water en zeep schoon.
14
322
BELANGRIJK
De motor loopt op dieselolie.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolieachtige brandstoffen:
•
•
•
•
speciale toevoegingen (dopes)
Wanneer u de tank leegrijdt
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná bijtanken
met dieselolie) het volgende, voordat u de motor
start:
1.
Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag naar
binnen. Voor meer informatie, zie Sleutelstanden (p. 85).
2.
Druk op de START-knop zonder rem- en/of
koppelingspedaal te bedienen.
3.
Wacht ca. één minuut.
4.
Om de motor te starten: Bedien rem- en/of
koppelingspedaal en druk nogmaals op de
START-knop.
scheepsolie
stookolie
FAME14 (Fatty Acid Methyl Ester) of
plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door de
garanties van Volvo.
Dieselolie kan max. 7% FAME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
N.B.
Alvorens brandstof te tanken bij een leeggereden tank:
•
Breng de auto tot stilstand op een zo
egaal/horizontaal mogelijke ondergrond
– als de auto overhelt, bestaat er gevaar
voor luchtbellen in de brandstoftoevoer.
STARTEN EN RIJDEN
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen15
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van condenswater. Condenswater kan anders aanleiding
geven tot motorstoringen.
Voor optimale prestaties is het belangrijk de vervangingsintervallen voor het brandstoffilter aan te
houden en originele onderdelen te gebruiken.
Houd u voor het aftappen van het condenswater
aan de specificaties die in uw Service- en garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er verontreinigde brandstof is gebruikt,
moet u het brandstoffilter aftappen. Voor meer
informatie, zie Serviceprogramma van Volvo
(p. 362).
BELANGRIJK
Bepaalde speciale toevoegingen verwijderen
de waterafscheiding in het brandstoffilter.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstof - gebruik (p. 320)
Roetfilter dieselmotor (DPF) (p. 323)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 434)
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter,
waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging
mogelijk is.
Geldt alleen voor vijfcilindermotoren.
N.B.
Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter.
Om de roetdeeltjes te verbranden en het filter te
legen wordt een zogeheten regeneratie gestart.
Daarvoor moet de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
Tijdens de regeneratie kan zich het volgende
voordoen:
De regeneratie van het roetfilter vindt automatisch plaats en duurt normaal 10–20 minuten. Bij
een lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer
duren. Tijdens de regeneratie kan het brandstofverbruik iets stijgen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd
en niet geleegd wordt.
•
er kan tijdelijk een geringe beperking van
het motorvermogen te bespeuren zijn
•
het brandstofverbruik kan tijdelijk toenemen
•
er kan sprake zijn van een brandlucht.
Wanneer het filter geregenereerd is, wordt de
waarschuwingsmelding automatisch gewist.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming*
inschakelt, bereikt de motor sneller de normale
bedrijfstemperatuur.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal vol deeltjes zit, kan het
moeilijk zijn om de motor te starten en het filter wordt onbruikbaar. De kans bestaat dan
dat het filter moet worden vervangen.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes
gevuld is, licht de oranje waarschuwingsdriehoek
op het instrumentenpaneel op en verschijnt de
melding Roetfilter vol Zie instructieboekje op
het informatiedisplay.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden tot de motor voldoende op temperatuur
15
is gekomen. Daarna rijdt u nog 20 minuten verder.
Gerelateerde informatie
•
•
Brandstof - gebruik (p. 320)
Brandstof - diesel (p. 322)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 323
STARTEN EN RIJDEN
•
•
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 434)
Katalysatoren
Brandstoftank - inhoud (p. 431)
De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor in het
uitlaatsysteem gemonteerd om snel op temperatuur te komen.
De katalysatoren bestaan uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De wanden van de
kanalen zijn bekleed met platina/rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische
werking, dat wil zeggen ze versnellen een chemische reactie zonder dat ze daar zelf actief aan
deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken
en de energie-inhoud van de brandstof beter te
benutten. Voor meer informatie, zie Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 434).
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten.
De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse wordt
doorgegeven aan het elektronische systeem dat
continu de injectoren afregelt. Het lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt, wordt continu
bijgesteld. De regeling schept de ideale omstandigheden voor een effectieve verbranding van de
schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden) in de driewegkatalysator.
324
Gerelateerde informatie
•
•
Brandstof - benzine (p. 321)
Brandstof - diesel (p. 322)
STARTEN EN RIJDEN
Zuinig rijden
Rijd zuinig en milieubewust door rustig en met
vooruitziende blik te rijden én door uw rijstijl en
snelheid aan te passen aan de situatie.
•
Maak gebruik van de ECO Guide* die laat
zien hoe zuinig de auto rijdt, zie Eco guide &
Power guide* (p. 74).
•
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling,
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid – lagere toeren leveren een
lager brandstofverbruik op. Maak gebruik van
de schakelindicator (p. 293)16.
•
Rijd met gelijkmatige snelheid en met vooruitziende blik om zo weinig mogelijk te hoeven remmen.
•
Bij hoge snelheden neemt het brandstofverbruik toe – de luchtweerstand neemt toe
naarmate de snelheid stijgt.
•
Laat de motor niet stationair warmdraaien,
maar rijdt direct na het starten weg met normale belasting; een koude motor verbruikt
meer brandstof dan een warme.
•
16
Houd de juiste bandenspanning aan en controleer regelmatig of dat nog steeds zo is houd voor de beste resultaten de zogeheten
ECO -bandenspanning aan, zie Banden goedgekeurde bandenspanning (p. 437).
•
De bandenkeuze is mogelijk van invloed op
het brandstofverbruik – informeer bij uw dealer naar passende banden.
•
Gebruik geen winterbanden buiten het winterseizoen.
•
Neem geen spullen in de auto mee die u niet
gebruikt – hoe groter de belading, des te
hoger het brandstofverbruik.
•
Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk is.
•
Lading op het dak en een skibox resulteert in
een grotere luchtweerstand waardoor het
verbruik toeneemt – verwijder lastdagers die
u niet gebruikt.
•
Rijd niet met open zijruiten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstof - gebruik (p. 320)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 434)
Brandstoftank - inhoud (p. 431)
Voor informatie over het milieubeleid van Volvo
Car Corporation, zie Milieubeleid (p. 23).
Voor meer informatie over het brandstofverbruik,
zie Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 434).
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden (zoals
op een aflopende helling), omdat daarbij
belangrijke systemen zoals de stuur- en rembekrachtiging wegvallen.
Geldt voor handgeschakelde versnellingsbak.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 325
STARTEN EN RIJDEN
Rijden met een aanhanger*
Bij het rijden met een aanhanger moet u op
enkele belangrijke dingen letten, zoals de trekhaak, de aanhanger en hoe u de lading op de
aanhanger aanbrengt.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te
worden verminderd met de som van het gewicht
van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak. Voor uitgebreidere informatie, zie Gewichten (p. 420).
•
Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhanger
•
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer
de auto nog helemaal nieuw is. Wacht hiermee totdat de auto ten minste 1000 kilometer heeft gereden.
•
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast dan
normaal. Schakel dan terug naar een lagere
versnelling en pas uw snelheid aan.
Als een van de richtingaanwijzers op de aanhanger defect is, knippert het richtingaanwijzersymbool op het instrumentenpaneel sneller dan normaal en op het informatiedisplay verschijnt de
tekst Storing knipperlicht aanhanger.
•
Om veiligheidsredenen dient u de toelaatbare maximumsnelheid voor auto's met een
aanhanger/caravan niet te overschrijden.
Neem de geldende bepalingen in acht ten
aanzien van de toelaatbare snelheden en
gewichten.
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd, wordt
de auto compleet aangeleverd met de benodigde
randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
326
•
De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn.
•
Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om te
controleren of uw auto van de nodige uitrusting is voorzien om met een aanhanger te
kunnen rijden.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig
dat de druk op de trekhaak de maximale
kogeldruk niet overschrijdt.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor informatie over de bandenspanning, zie Banden goedgekeurde bandenspanning (p. 437).
•
•
Als een van de remlichten op de aanhanger
defect is, dan verschijnt de tekst Storing
remlicht aanhanger.
Niveauregeling*
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling nemen de achterste schokdempers tijdens het rijden altijd dezelfde rijhoogte in
ongeacht de belading (tenzij het maximaal toelaatbare gewicht wordt overschreden). Wanneer
de auto stilstaat, zakt de achtertrein omlaag.
Houd een lage snelheid aan, wanneer u met
een aanhanger achter de auto een lange en
steile helling oprijdt.
Aanhangergewichten
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een aanhanger.
Voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten die Volvo hanteert, zie Trekgewicht en
kogeldruk (p. 421).
Trekhaakbedrading
Als de trekhaak van de auto een 13-polige aansluiting heeft en de aanhanger een 7-polige aansluiting, hebt u een adapter nodig. Gebruik een
door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat
de kabel niet over de grond sleept.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
N.B.
De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. Nationale voertuigvoorschriften kunnen het aanhangergewicht en de snelheid verder beperken. De trekhaken zijn mogelijk gecertificeerd
voor hogere trekgewichten dan wat de auto
mag trekken.
WAARSCHUWING
Volg de vermelde aanbevelingen voor het
aanhangergewicht. Anders is het mogelijk dat
de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en
afremmen moeilijk onder controle is te houden.
Rijden met een aanhanger* handgeschakelde versnellingsbak
Rijden met een aanhanger* automatische versnellingsbak
Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept
in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk
gevaar voor oververhitting.
Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept
in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk
gevaar voor oververhitting.
Oververhitting
•
Een automatische versnellingsbak kiest altijd
de juiste versnelling voor het motortoerental.
•
Bij oververhitting gaat op het instrumentenpaneel een waarschuwingssymbool branden
en verschijnt er een melding op het bestuurdersdisplay. Neem het gegeven advies in
acht.
Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept
in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk gevaar
voor oververhitting.
•
Dieselmotor 5-cil.
•
Gerelateerde informatie
•
Rijden met een aanhanger* - handgeschakelde versnellingsbak (p. 327)
•
Rijden met een aanhanger* - automatische
versnellingsbak (p. 327)
•
•
Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmotoren) – anders kan de olietemperatuur
te hoog oplopen.
Steile hellingen
•
Bij gevaar voor oververhitting dient u het
optimale motortoerental van 2300–3000
omw/min aan te houden voor optimale koelvloeistofcirculatie.
Gerelateerde informatie
Blokkeer een automatische versnellingsbak
niet met een hogere versnelling dan de
motor "aankan" – rijden in een hoge versnelling bij een laag motortoerental is niet altijd
zuinig.
Op een helling parkeren
1.
Trap het rempedaal in.
Trekhaak* (p. 328)
2.
Activeer de parkeerrem.
Lamp vervangen - algemeen (p. 376)
3.
Zet de keuzehendel in stand P.
4.
Haal uw voet van het rempedaal.
•
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
•
Gebruik wielblokken, als u een auto met aanhanger op een steile helling parkeert.
•
Rijden met een aanhanger* (p. 326)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 327
STARTEN EN RIJDEN
||
Op een helling wegrijden
1.
Trap het rempedaal in.
2.
Zet de keuzehendel in de rijstand D.
3.
Los de parkeerrem.
4.
Haal uw voet van het rempedaal en rijd weg.
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 294)
Trekhaak*
N.B.
Een trekhaak maakt het mogelijk om bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto te hangen.
Als de auto is uitgerust met een afneembare/
demontabele trekhaak, moet u de montagevoorschriften voor bevestiging van het afneembare/
demontabele deel zorgvuldig in acht nemen, zie
Afneembare trekhaak* - monteren/demonteren
(p. 330).
Wanneer een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden
gesmeerd.
Dit geldt ook bij montage van een fietsdrager
die rond de trekkogel wordt vastgeklemd.
Gerelateerde informatie
•
Rijden met een aanhanger* (p. 326)
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
•
•
•
Volg de montage-instructies nauwkeurig
op.
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u begint
te rijden.
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Belangrijke controlepunten
•
328
U moet de kogel van de trekhaak regelmatig
schoonmaken en met vet insmeren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Afneembare trekhaak* - opbergen
Bewaar de afneembare trekhaak in de bagageruimte.
Afneembare trekhaak* specificaties
Specificaties voor een afneembare trekhaak.
Opbergruimte trekhaak.
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd de trekhaak los en
berg deze op de daarvoor bestemde plaats
op, goed vastgezet met de bijbehorende riem.
Gerelateerde informatie
•
Afneembare trekhaak* - specificaties
(p. 329)
•
Afneembare trekhaak* - monteren/demonteren (p. 330)
•
Rijden met een aanhanger* (p. 326)
Afmetingen, bevestigingspunten (mm)
G021485
G031713
Specificaties
A
1036
B
111
C
855
D
428
E
109
F
326
G
Langsligger
H
Middelpunt kogel
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 329
STARTEN EN RIJDEN
Gerelateerde informatie
Afneembare trekhaak* - monteren/
demonteren
•
Afneembare trekhaak* - monteren/demonteren (p. 330)
•
•
Afneembare trekhaak* - opbergen (p. 329)
U kunt de afneembare trekhaak als volgt monteren/demonteren:
Rijden met een aanhanger* (p. 326)
Aanbrengen
G021487
||
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel rechtsom
te draaien.
G021488
Verwijder de afdekking door eerst de bouten
. Duw de afdekeen kwartslag te draaien
king daarna schuin omlaag en trek deze tot
slot naar achteren toe los
.
Het controlevenster moet rood van kleur zijn.
330
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Breng de trekhaak aan en duw deze naar
binnen totdat u een klik hoort.
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
G021494
G000000
G021489
STARTEN EN RIJDEN
Controleer of de trekhaak vastzit door deze
stevig omhoog, omlaag en naar achteren te
bewegen.
WAARSCHUWING
G021490
Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze
verwijderen en opnieuw monteren zoals eerder werd beschreven.
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst; houd de rest van
het kogelsegment vetvrij en droog.
N.B.
Als er een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden
gesmeerd.
}}
331
STARTEN EN RIJDEN
G021495
||
Veiligheidskabel.
Plaats de afdekking terug door te zorgen dat
de haken van de afdekking in de achterkant
van de bumper grijpen. Duw de afdekking
omhoog totdat de bouten in de juiste stand
. Draai de bouten tot slot een kwartzitten
slag
om de afdekking vast te zetten. Het
is belangrijk dat de draaiknoppen van de
bouten horizontaal staan bij de montage.
Druk de vergrendelingsknop
in en draai
deze linksom
totdat u een klik hoort.
WAARSCHUWING
Controleer of de veiligheidskabel van de aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
Trekhaak verwijderen
Gerelateerde informatie
Draai de vergrendelingsknop volledig omlaag
totdat deze niet verder kan. Houd de knop in
deze stand vast terwijl u de trekhaak schuin
naar achteren toe omhoogtrekt.
•
•
•
Afneembare trekhaak* - opbergen (p. 329)
Afneembare trekhaak* - specificaties
(p. 329)
Rijden met een aanhanger* (p. 326)
WAARSCHUWING
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
332
Zet de trekhaak goed vast, wanneer u deze in
de auto bewaart, zie Afneembare trekhaak* opbergen (p. 329).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Trailer Stability Assist (TSA)17
Het TSA-systeem (Trailer Stability Assist) heeft
tot taak de auto met een aanhanger/caravan te
stabiliseren, wanneer de combinatie de neiging
tot pendelbewegingen vertoont.
TSA maakt deel uit van de stabiliteitsregeling
(p. 201) ESC18.
Functie
Bij alle combinaties van auto en aanhanger/caravan kan het bekende verschijnsel met pendelbewegingen optreden. Doorgaans treedt het verschijnsel pas bij hoge snelheden op. Als de aanhanger/caravan echter overmatig beladen is of
als het gewicht van de lading verkeerd verdeeld
is (bijvoorbeeld te ver naar achteren), bestaat er
ook op lagere snelheden gevaar voor slingeren.
Een pendelbeweging begint altijd met een van de
onderstaande factoren, zoals.:
•
De auto met aanhanger/caravan staat bloot
aan rukwinden.
•
De auto met aanhanger/caravan rijdt over
een oneffen wegdek of over hobbels.
•
Grote stuurbewegingen.
bestuurbaar wordt en het gevaar bestaat op de
verkeerde weghelft of naast de weg te belanden.
Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen
van de auto in de gaten en in het bijzonder de
dwarsbewegingen. Als een neiging tot pendelbewegingen geregistreerd wordt, worden de voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig afgeremd dat
de combinatie gestabiliseerd wordt. Vaak is dit
voldoende om de auto weer onder controle te
krijgen.
Als de pendelbeweging ondanks de eerste
ingreep van het TSA-systeem niet wordt
gedempt, worden alle wielen van de combinatie
afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de
motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging
vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de
combinatie weer stabiel is, beëindigt het systeem
de regeling waarna u de auto weer volledig onder
controle hebt. Voor meer informatie, zie Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - bediening
(p. 202).
N.B.
De TSA-functie wordt uitgeschakeld, als u de
Sport-stand kiest, zie Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - algemeen (p. 201).
Het TSA grijpt mogelijk niet in als u met grote
stuurbewegingen zelf de pendelbeweging tracht
op te heffen, aangezien het systeem dan niet kan
bepalen of de pendelbeweging wordt veroorzaakt
door de aanhanger/caravan of door u.
Wanneer het TSA actief is, knippert het
ESC18-symbool op het instrumentenpaneel.
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 201)
Overig
TSA kan op hogere snelheden ingrijpen.
Bediening
Een pendelbeweging is vaak niet of nauwelijks te
dempen, waardoor de combinatie moeilijk
17
18
Inbegrepen bij montage van een originele Volvo-trekhaak.
(Electronic Stability Control) - elektronische stabiliteitsregeling.
333
STARTEN EN RIJDEN
Slepen
WAARSCHUWING
Bij het slepen wordt de auto met behulp van een
sleepkabel voortgetrokken door een ander voertuig.
•
•
Ga alvorens te slepen na wat de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid voor slepen is.
1.
Schakel de alarmlichten van de auto in.
2.
Bevestig de sleepkabel aan het sleepoog.
3.
Ontgrendel het stuurslot door de transpondersleutel in het contactslot te plaatsen en
de START/STOP ENGINE-knop lang in te
drukken – contactslotstand II wordt geactiveerd, zie Sleutelstanden (p. 85) voor meer
informatie over de contactslotstanden.
4.
5.
6.
Laat de transpondersleutel tijdens het slepen
in het contactslot zitten.
Houd, wanneer de slepende auto afremt, de
sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen –
zo voorkomt u schokken.
Sta klaar om te remmen om de auto tot stilstand te brengen.
•
WAARSCHUWING
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet
als de motor is uitgeschakeld. Er moet
ca. 5 keer zo hard op het rempedaal worden
getrapt en de besturing gaat aanzienlijk
zwaarder dan normaal.
Sleep de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
•
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik een
hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is
dat de motor niet kan worden gestart, zie Starthulp met andere accu (p. 291).
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken bij
pogingen om de motor via slepen aan het
draaien te krijgen.
Alvorens te slepen:
–
Zet de versnellingspook in de neutrale stand
en los de parkeerrem.
Automatische versnellingsbak
Geartronic
Alvorens te slepen:
Zet de keuzehendel in stand N en los de parkeerrem.
Sleep auto's met een automatische versnellingsbak niet met een hogere snelheid dan 80 km/h (50 mph) en niet verder dan 80 km.
Starten met hulpaccu
Handgeschakelde versnellingsbak
–
334
BELANGRIJK
Controleer voordat u gaat slepen of het
stuurslot eraf is.
De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan. In stand I zijn alle airbags
gedeactiveerd.
Haal nooit de transpondersleutel uit het
contactslot als de auto wordt gesleept.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Alarmlichten (p. 103)
Sleepoog (p. 335)
Bergen (p. 336)
STARTEN EN RIJDEN
Sleepoog
Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd in
een draadbus achter een afdekking in de bumper, voor of achter.
Sleepoog bevestigen
De afdekking op het bevestigingspunt voor
het sleepoog bestaat in twee versies die op
verschillende manieren moeten worden
geopend:
•
•
wanneer men deze met een sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te trekken. Hef de auto zo
nodig met behulp van de hefinrichting van het
bergingsvoertuig op de auto.
U opent de versie met een uitsparing door
een muntstuk of iets dergelijks in de uitsparing aan te brengen en de afdekking
los te werken. Klap de afdekking daarna
helemaal los en verwijder deze.
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de laadvloer
wordt getrokken.
Bij de andere versie zit er een markering
langs de ene zijde of in een hoek: Duw
met uw vinger op deze markering terwijl u
de tegenoverliggende zijde/hoek met een
muntstuk of iets dergelijks openklapt – de
afdekking klapt rond de middellijn open
en kan vervolgens worden verwijderd.
Schroef het sleepoog tot aan de flens naar
binnen. Draai het oog stevig vast met bijvoorbeeld een wielsleutel.
Draai het sleepoog na gebruik los en leg het
weer op zijn plek.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
Gerelateerde informatie
•
•
Slepen (p. 334)
Bergen (p. 336)
Plaats de afdekking tot slot weer in de bumper terug.
Neem het sleepoog erbij dat onder het vloerluik in de bagageruimte ligt – het kan in
bepaalde gevallen onder de dorpel verborgen
zitten.
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken om
de auto op een bergingsvoertuig met laadvloer te
trekken. De positie van de auto en de bodemvrijheid bepalen of dat mogelijk is. Als de oprijbanen
van het bergingsvoertuig onder een te grote hoek
staan of als de bodemvrijheid onder de auto
onvoldoende is, kan de auto beschadigd raken
335
STARTEN EN RIJDEN
Bergen
BELANGRIJK
Met bergen wordt het afslepen bedoeld met een
ander voertuig.
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
Roep professionele hulp in voor berging.
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken om
de auto op een bergingsvoertuig met laadvloer te
trekken. De positie van de auto en de bodemvrijheid bepalen of dat mogelijk is. Als de oprijbanen
van het bergingsvoertuig onder een te grote hoek
staan of als de bodemvrijheid onder de auto
onvoldoende is, kan de auto beschadigd raken
wanneer men deze met een sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te trekken. Hef de auto zo
nodig met behulp van de hefinrichting van het
bergingsvoertuig op de auto.
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de laadvloer
wordt getrokken.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
336
Gerelateerde informatie
•
Slepen (p. 334)
WIELEN EN BANDEN
WIELEN EN BANDEN
Banden - onderhoud
Nieuwe banden
Rijeigenschappen
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat,
de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn
belangrijk voor het rijgedrag van de auto.
Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en
slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op
de voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit
en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u door
een vakman laten controleren, ook al zien ze er
intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken
wordt, als banden zelden of nooit worden
gebruikt. Daarbij kan de werking van de band
worden aangetast. Dit geldt voor alle banden die
u voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is voor
gebruik.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en
neemt de grip op het wegdek stukje bij beetje af.
Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo
nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De laatste cijfers van de
cijferreeks geven de week en het jaar van productie aan. Het is de zogeheten DOT-code
(Department of Transportation) van de band en
bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1510. De
band op de afbeelding is de 15e week van het
jaar 2010 geproduceerd.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door winterbanden of andersom, moet u op de band noteren waar de band zat: bijvoorbeeld L voor links, R
voor rechts.
338
Slijtage en onderhoud
De juiste bandenspanning (p. 340) levert een
gelijkmatiger slijtage op. De rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en de staat van de wegen
zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten.
De banden bieden onder meer draagvermogen,
grip op de ondergrond, trillingsdemping en
beschermen de wielen tegen slijtage.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, als u niet zeker bent
van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in de slijtage (> 1 mm verschil in profieldiepte) van de banden, dienen de minst versleten
banden altijd op de achteras te zitten. Slippende
voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende achterwielen, omdat de auto rechtuit blijft
rijden in plaats van uit te breken met de achterkant waarbij u mogelijk de controle over de auto
verliest. Daarom is belangrijk dat de achterwielen
nooit vóór de voorwielen grip verliezen.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan voor een oncontroleerbare auto zorgen.
Opslag
Bewaar wielen met omgelegde banden altijd liggend of hangend - nooit staand.
WIELEN EN BANDEN
Gerelateerde informatie
Banden - maten (p. 342)
Banden - snelheidsklassen (p. 343)
Banden - lastindex (p. 343)
Banden - draairichting (p. 339)
Banden - draairichting
N.B.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een bepaalde
richting draaien, staat deze richting aangegeven
met een pijl op de zijkant van de band.
Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde maat
en ook hetzelfde merk voor beide wielparen
hebt.
Houd de aanbevolen bandenspanning aan die in
de bandenspanningstabel (p. 437) staat.
Banden - slijtage-indicator (p. 340)
Gerelateerde informatie
G021778
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Banden - maten (p. 342)
Banden - snelheidsklassen (p. 343)
Banden - lastindex (p. 343)
Banden - onderhoud (p. 338)
Banden - slijtage-indicator (p. 340)
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting
hebben. Banden mogen alleen van voor naar
achter verwisseld worden, nooit van links naar
rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd
aanbrengt, nemen de remeigenschappen van de
auto af en kunnen de banden regen, sneeuw en
drab minder goed afvoeren. Monteer de banden
met het diepste profiel altijd op de achteras (om
het gevaar voor slippen te verminderen).
339
WIELEN EN BANDEN
Banden - slijtage-indicator
Een slijtage-indicator toont de status van de profieldiepte van de band.
•
•
Banden - draairichting (p. 339)
Banden - bandenspanning
Banden - onderhoud (p. 338)
Banden kunnen een verschillende bandenspanning hebben en dat wordt gemeten in de eenheid bar.
Bandenspanning controleren
Controleer iedere maand de bandenspanning.
G021829
Dit geldt eveneens voor het reservewiel.
Slijtage-indicatoren.
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het bandenprofiel staan. Op de zijkant
van de band staan de letters TWI (Tread Wear
Indicator). De slijtage-indicatoren zijn duidelijk
zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten
is dat slechts 1,6 mm van het profiel over is. Vervang de banden dan zo spoedig mogelijk. Let
erop dat een band met een gering profiel zeer
weinig grip op het wegdek heeft bij regen of
sneeuw.
Gerelateerde informatie
•
•
•
340
Banden - maten (p. 342)
Banden - snelheidsklassen (p. 343)
Banden - lastindex (p. 343)
WIELEN EN BANDEN
•
Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat.
•
•
ECO-bandenspanning1.
Bandenspanningssticker
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Bandenspanning compact reservewiel (Temporary Spare).
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve
inwerking op het brandstofverbruik, de levensduur van de banden en de rijeigenschappen van
de auto. Wanneer u met een te lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden oververhit en
beschadigd raken. De bandenspanning is van
invloed op het rijcomfort, de geproduceerde weggeluiden en de rijeigenschappen.
N.B.
In de loop van de tijd daalt de bandenspanning. Dit is een natuurlijk verschijnsel. De
bandenspanning schommelt ook door de
omgevingstemperatuur.
Banden - maten (p. 342)
Banden - snelheidsklassen (p. 343)
Banden - lastindex (p. 343)
Banden - onderhoud (p. 338)
Banden - slijtage-indicator (p. 340)
G021830
Controleer de bandenspanning als de banden
koud zijn. De aangegeven bandenspanning geldt
bij koude banden (kan verschillen naargelang van
de buitentemperatuur). Al na enkele kilometers
rijden worden de banden warm en loopt de spanning op.
1
(Zie de bandenspanningstabel in de gedrukte
versie van de Gebruikershandleiding.)
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier)
staat de juiste bandenspanning voor uw auto
aangegeven bij verschillende belading en snelheid. De bandenspanning staat ook in de bandenspanningstabel, zie Banden - goedgekeurde
bandenspanning (p. 437).
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Bij een lichte belading (maximaal 3 inzittenden)
en snelheden tot 160 km/h (100 mph) kunt u
voor brandstofbesparing de ECO-bandenspanning aanhouden. Als u echter uit bent op een
minimum aan rijgeluiden en optimaal rijcomfort
wordt geadviseerd de lagere Comfort-bandenspanning aan te houden.
De ECO-bandenspanning levert brandstofbesparing op.
341
WIELEN EN BANDEN
Wiel- en velgmaten
Banden - maten
•
Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals in
de onderstaande tabel.
De banden van de auto hebben een bepaalde
maat, zie het voorbeeld in de onderstaande
tabel.
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 437)
•
Wiel- en velgmaten (p. 342)
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd.
Dat betekent dat niet alle wiel- (velg-) en bandcombinaties goedgekeurd zijn.
Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50.
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding:235/60 R18 103 V.
235
Breedte van de band (mm)
60
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
7
Velgbreedte in inch
J
Profiel velgrand
R
Aanduiding voor radiaalbanden
16
Velgdiameter van de band
18
Velgdiameter van de band
50
Bolling in mm (afstand tussen de verticale aslijn door het wiel en het contactvlak met de naaf)
103
Aanduiding van het draagvermogen van
de band, lastindex (LI)
V
Aanduiding van de snelheidslimiet van
de band, snelheidsklasse (SS). (In dit
geval 240 km/h (149 mph)).
Gerelateerde informatie
•
•
Banden - maten (p. 342)
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 437)
De typegoedkeuring van de auto geldt in combinatie met bepaalde wielen en banden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
342
Banden - snelheidsklassen (p. 343)
Banden - lastindex (p. 343)
Banden - draairichting (p. 339)
Banden - onderhoud (p. 338)
WIELEN EN BANDEN
Banden - lastindex
Banden - snelheidsklassen
V
240 km/h (149 mph)
De lastindex geeft het vermogen van een band
aan om een bepaalde last te dragen.
Elke band is bestand tegen een bepaalde maximumsnelheid en behoort daardoor tot een
bepaalde snelheidsklasse (SS - Speed Symbol).
W
270 km/h (168 mph)
Y
300 km/h (186 mph)
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen,
wat wordt aangeduid met de lastindex (LI). Het
gewicht van de auto bepaalt het draagvermogen
van de banden. De minimaal toelaatbare index
staat in de lastindextabel, zie de paragraaf "Specificaties" in de gedrukte gebruikershandleiding.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Banden - maten (p. 342)
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 437)
Banden - snelheidsklassen (p. 343)
Banden - onderhoud (p. 338)
De snelheidsklasse van de banden moet minimaal overeenkomen met de topsnelheid van de
auto. In de tabel hieronder staat de toegestane
maximumsnelheid voor de desbetreffende snelheidsklasse (SS). De enige uitzondering hierop
vormen winterbanden, (p. 344)2, waarvoor een
lagere snelheidsklasse gebruikt mag worden. Bij
gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller
rijden dan de maximumsnelheid die voor het
gebruikte bandentype geldt (voor klasse Q geldt
bijvoorbeeld een maximumsnelheid van
160 km/h (100 mph)). De gesteldheid van het
wegdek is bepalend voor de maximumsnelheid
en niet de snelheidsklasse op de banden.
WAARSCHUWING
De auto moet worden uitgerust met banden
die minimaal de gespecificeerde lastindex
(p. 343) (LI) en snelheidsklasse (SS) hebben.
Bij gebruik van banden met een te lage lastindex of snelheidsklasse kunnen de banden
oververhit raken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden - maten (p. 342)
Banden - lastindex (p. 343)
Banden - draairichting (p. 339)
N.B.
In de tabel staat de maximaal toegestane
snelheid.
2
Q
160 km/h (100 mph) (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h (118 mph)
H
210 km/h (130 mph)
Onder winterbanden worden zowel banden met als zonder "spikes" verstaan.
343
WIELEN EN BANDEN
Wielbouten
Winterbanden
Sneeuwkettingen gebruiken
De wielen zitten op de naaf vast met wielbouten
die in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar zijn.
Winterbanden zijn banden die aan de winterse
toestand van de weg zijn aangepast.
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor modellen met voorwielaandrijving). Rijd nooit sneller
dan 50 km/h (31 mph) met sneeuwkettingen.
Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen, omdat zowel
de sneeuwkettingen als de banden daardoor
overmatig slijten.
BELANGRIJK
U dient de wielbouten aan te halen met 140
Nm. Als u ze te strak of niet strak genoeg
aanhaalt, kan de boutverbinding beschadigd
raken.
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd
zijn door Volvo en deel uitmaken van de originele
accessoires van Volvo. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel.
Gebruik geen smeermiddel op de draadwindingen van de wielbouten.
Afsluitbare wielbouten*
Afsluitbare wielbouten* zijn te gebruiken op zowel
aluminium als stalen velgen. Onder de vloer in de
bagageruimte is ruimte om de dop voor de
afsluitbare wielbouten in op te bergen.
Gerelateerde informatie
•
Wiel- en velgmaten (p. 342)
Winterbanden
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van de
motorvariant. Gebruik altijd het juiste type winterbanden op alle vier de wielen.
WAARSCHUWING
N.B.
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of
vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen. Bij twijfel adviseert Volvo u een
erkende Volvo-werkplaats om advies te vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan ernstige schade aan de auto veroorzaken en
aanleiding geven tot een ongeluk.
Volvo adviseert u om met een Volvo-dealer te
overleggen over welke velg en welk type band
het best geschikt zijn.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat de
“spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo gaan
de banden en vooral de “spikes” langer mee.
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan enkelzijdige sneeuwkettingen te gebruiken. Gebruik originele
Volvo-sneeuwkettingen of vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model
en op de band- en velgafmetingen. Bij twijfel
wordt geadviseerd om contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het gebruik
van banden met spikes verschillen per land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
344
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 345)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WIELEN EN BANDEN
Wielen verwisselen - wielen
verwijderen
De wielen van de auto kunnen worden verwisseld door bijvoorbeeld winterbanden.
Reservewiel*
Een compact reservewiel (Temporary Spare) is
alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en dient dan
ook zo spoedig mogelijk door een normaal wiel te
worden vervangen. Het rijgedrag van de auto verandert mogelijk bij gebruik van een compact
reservewiel. Het compacte reservewiel is kleiner
dan een normaal wiel. De bodemspeling verandert er daarom door. Wees voorzichtig bij hoge
trottoirbanden en reinig de auto niet in een autowasstraat. Als het reservewiel op de vooras zit,
kunt u evenmin sneeuwkettingen omleggen. Bij
vierwielaangedreven auto's is de achterwielaandrijving uit te schakelen. Het reservewiel mag niet
worden gerepareerd.
In de bandenspanningstabel (p. 437) staat de
juiste bandenspanning voor het reservewiel.
BELANGRIJK
•
Rijd met een reservewiel op de auto nooit
sneller dan 80 km/h (50 mph).
•
Rijd nooit met de auto, als deze is voorzien van meer dan één reservewiel van
het type "Temporary Spare".
Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag in
de ruimte voor het reservewiel. Dezelfde door-
loopbout waarmee het blok schuimrubber vastzit
houdt ook het reservewiel in positie. Het blok
schuimrubber bevat al het gereedschap.
Reservewiel onder bagageruimtevloer
erbij nemen
1.
Pak bagageruimtevloer aan de achterzijde
beet en klap deze naar voren toe omhoog.
2.
Draai de bevestigingsbout los.
3.
Til het blok schuimrubber met het gereedschap erin uit de auto.
4.
Til het reservewiel uit de auto.
Verwijderen
Zet een gevarendriehoek (p. 348) op, als u een
wiel moet verwisselen langs een drukke weg.
Zorg ervoor dat de auto en de krik* op een stevige en horizontale ondergrond staan.
1.
Haal de parkeerrem (p. 312) aan en schakel
de achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
WAARSCHUWING
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft en
vrij van vuil is.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken*
die bij de auto hoort, zoals aangegeven op de
kriksticker.
Op de sticker staat tevens de maximale hefcapaciteit bij de vermelde minimale hefhoogte.
2.
Neem de krik*, de wielsleutel*, het demontagegereedschap voor de wieldop* en voor de
kunststof boutafdekkingen erbij die in het
blok schuimrubber liggen. Bij gebruik van een
andere krik, zie Auto opnemen (p. 365).
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 345
WIELEN EN BANDEN
||
4.
Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in
de wielsleutel* vast.
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto.
7.
Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Breng de krik* omhoog,
zodat de flens in de carrosserie in de groef in
de kop van de krik valt.
Demontagegereedschap voor kunststof boutafdekkingen.
3.
346
Plaats wielblokken voor en achter de wielen
die op de grond blijven staan. Gebruik daarvoor bijvoorbeeld grote houten blokken of
grote stenen.
BELANGRIJK
Het sleepoog dient volledig in de wielsleutel
te worden gedraaid.
5.
Verwijder de kunststof boutafdekkingen met
het demontagegereedschap.
6.
Draai de wielbouten ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel*.
BELANGRIJK
De ondergrond dient vast en egaal te zijn en
niet te hellen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WIELEN EN BANDEN
8.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op een krik
staat.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat. Bij het verwisselen van
een wiel langs de kant van de weg moeten
eventuele passagiers op een veilige plek gaan
staan.
Aanbrengen
N.B.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met een
krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden
opgekrikt of voor langere tijd zoals bij het
onderling roteren van de banden wordt het
gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg
in dat geval de gebruiksaanwijzing van de
desbetreffende krik.
Controleer of de krik goed aan het kriksteunpunt bevestigd is (zie afbeelding) en zorg dat
de voet recht onder het steunpunt zit.
BELANGRIJK
De kriksteun is de achterste van de twee uitsparingen achteraan.
9.
Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielbouten
en til het wiel eraf.
Wielen verwisselen - monteren
Het is belangrijk dat het wiel op de juiste manier
gemonteerd wordt.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op een krik
staat.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat. Bij het verwisselen van
een wiel langs de kant van de weg moeten
eventuele passagiers op een veilige plek gaan
staan.
1.
Reinig de contactvlakken tussen het wiel en
de naaf.
2.
Breng het wiel aan. Haal de wielbouten stevig aan.
Gebruik geen smeermiddel op de draadwindingen van de wielbouten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Wielen verwisselen - monteren (p. 347)
Krik* (p. 349)
Gevarendriehoek (p. 348)
Wielbouten (p. 344)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 347
WIELEN EN BANDEN
||
3.
Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel niet
meer ongehinderd kan draaien.
Bij montage van een andere
bandenmaat
Neem bij montage van een andere bandenmaat
altijd contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor een update van de software. Bij montage van een grotere of kleinere bandenmaat en
ook bij het vervangen van zomerbanden door winterbanden is mogelijk een update van de software vereist.
Gevarendriehoek
De gevarendriehoek wordt gebruikt om andere
verkeersdeelnemers te waarschuwen voor een
stilstaande auto.
Opbergen en uitklappen
Gerelateerde informatie
•
4.
Draai de wielbouten kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielbouten stevig aanhaalt. Haal aan met 140 Nm. Controleer het
aanhaalmoment met een momentsleutel.
5.
Plaats de kunststof doppen terug op de wielbouten.
•
•
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 345)
Krik* (p. 349)
Gevarendriehoek (p. 348)
Wielbouten (p. 344)
N.B.
348
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WIELEN EN BANDEN
Gereedschap
Krik*
In de auto is onder meer een sleepoog, een krik*
en een wielsleutel* aanwezig.
Gebruik de krik om de auto op te heffen om bijvoorbeeld een wiel te verwisselen.
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van het reservewiel. Houd de schroef van
de krik altijd goed ingevet.
N.B.
Til de vloer in de bagageruimte op en haal de
gevarendriehoek tevoorschijn.
Neem de gevarendriehoek uit de houder,
klap de driehoek uit en bevestig de twee
losse zijden aan elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek
uit.
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op om
achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek na
gebruik stevig in de bagageruimte vastzit.
Onder de bagageruimtevloer vindt u het sleepoog
van de auto, de krik* en de wielsleutel*. Hier is
tevens ruimte voor de dop van de afsluitbare
wielbouten en het gereedschap voor de kunststof
boutafdekkingen.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met een
krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden
opgekrikt of voor langere tijd zoals bij het
onderling roteren van de banden wordt het
gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg
in dat geval de gebruiksaanwijzing van de
desbetreffende krik.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 353)
Sleepoog (p. 335)
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 345)
Wielbouten (p. 344)
Krik* (p. 349)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 349
WIELEN EN BANDEN
||
Gereedschap, terugplaatsen
EHBO-set*
Bandenspanningscontrole*3
De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen
van eerste hulp.
De bandenspanningscontrole waarschuwt u met
een controlesymbool op het instrumentenpaneel
voor een te lage bandenspanning in één of meer
banden van de auto.
Op bepaalde markten is bandenspanningscontrole wettelijk verplicht. Ook mét dit systeem
moet u het normale onderhoud aan de banden
blijven plegen.
Controlesymbool voor bandenspanningscontrole
Plaats het gereedschap en de krik* na gebruik op
de juiste manier terug. De krik past alleen als
deze tot in de juiste stand omlaaggedraaid wordt.
Plaats het blok schuimrubber en het reservewiel
in omgekeerde volgorde terug. Let erop dat er op
het bovenste blok schuimrubber een pijl staat.
Deze pijl dient naar de voorkant van de auto wijzen.
Gerelateerde informatie
•
Bandenspanningscontrole (TM)* (p. 351)
Onder de vloer in de bagageruimte ligt een
EHBO-set.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor
bestemde plaats in de bagageruimte wanneer
u ze niet nodig hebt.
Gerelateerde informatie
•
•
350
Gevarendriehoek (p. 348)
Noodreparatieset voor banden* (p. 353)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WIELEN EN BANDEN
Bandenspanningscontrole (TM)*5
De TM (Tyre Monitor) bepaalt aan de hand van
de rotatiesnelheid van de banden of de bandenspanning in orde is.
Systeembeschrijving
Bij een te geringe bandenspanning verandert de
diameter en daarmee ook de rotatiesnelheid van
de band. Aan de hand van onderlinge vergelijkingen kan het systeem vaststellen of de spanning
in een of meer banden te gering is.
Ook mét dit systeem moet u het normale onderhoud aan de banden blijven plegen.
BELANGRIJK
Als er een storing optreedt in het TM, gaat
het controlesymbool
op het instrumentenpaneel eerst zo'n 1 minuut lang knipperen
waarna het continu blijft branden. Er verschijnt tevens een melding op het instrumentenpaneel.
Meldingen verwijderen
1. Controleer met een manometer de bandenspanning van alle banden.
2.
Meldingen
Bij een te lage bandenspanning gaat het controlelampje ( ) op het instrumentenpaneel branden en verschijnt een van de volgende meldingen:
• Bandenspanning laag Controleren,
afstellen, kalibreren
• Bandensp.systeem Service vereist
• Bandensp.systeem Momenteel niet
besch.
3
5
Standaard op bepaalde markten.
Standaard op bepaalde markten.
3.
Pomp de band(en) op tot de juiste spanning
zoals aangegeven op de bandenspanningssticker op de B-stijl aan bestuurderszijde
(tussen voor- en achterportier).
Herkalibreer de TM in MY CAR.
WAARSCHUWING
•
•
Een verkeerde bandenspanning kan tot
bandenpech leiden, waarbij u de controle
over de auto kunt verliezen.
Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
TM kalibreren
TM kan alleen correct werken, wanneer er een
referentiewaarde voor de bandenspanning is
vastgesteld. Dit moet na iedere bandenwissel of
bandenspanningswijziging gebeuren door het
systeem te herkalibreren in MY CAR.
Zo moet u de bandenspanning aanpassen voor
ritten met een zware lading of op hoge snelheden (meer dan 160 km/h (100 mph)). Herkalibreer het systeem vervolgens.
N.B.
Controleer de bandenspanning bij koude banden om de verkeerde bandenspanning tegen
te gaan. Koude banden hebben dezelfde temperatuur als de omgeving (na ca. 3 uur stilstand). Al na enkele kilometers rijden worden
de banden warm en loopt de spanning op.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 351
WIELEN EN BANDEN
||
Herkalibreren
U verricht instellingen met de knoppen op de
middenconsole, zie MY CAR (p. 121).
1.
Zet de motor af.
2.
Pomp alle banden op tot de gewenste spanning zoals aangegeven op de bandenspanningssticker op de B-stijl aan bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier).
Let erop dat u het TM na iedere bandenwissel
of aanpassing van de bandenspanning
opnieuw moet instellen. Als er geen nieuwe
referentiewaarden worden opgeslagen, kan
het systeem niet goed werken.
Start de motor en laat de auto stilstaan.
4.
Open het menusysteem MY CAR en kies het
menu Bandencontrole.
5.
Kies Stel bandenspan. af en druk op OK.
6.
Druk nadat u alle banden gecontroleerd en
aangepast hebt op OK om de kalibratie te
starten.
7.
Rijd met de auto.
> Tijdens de rit vindt automatisch herkalibratie plaats die u op ieder gewenst
moment kunt afbreken. Wordt de motor
afgezet tijdens een lopende herkalibratie,
wordt deze tijdens een volgende rit voortgezet. Het systeem geeft geen bevestiging na afloop van de kalibratie.
De nieuwe referentiewaarde is van kracht, totdat
u de stappen 1–7 herhaalt.
352
•
Eén oranje wiel: de bandenspanning van het
desbetreffende wiel is te gering.
•
Alle wielen oranje: de bandenspanning van
twee of meer wielen is te gering.
•
Alle wielen grijs en het bericht
Bandensp.systeem Momenteel niet
besch.: bandenspanningssysteem momenteel niet actief. U moet mogelijk korte tijd
sneller dan 30 km/h (20 mph) rijden voordat
het systeem weer actief is.
•
Alle wielen grijs in combinatie met de melding Bandensp.systeem Service vereist:
er is een storing opgetreden in het systeem.
Neem contact op met een Volvo-dealer of werkplaats.
N.B.
Of raadpleeg de bandenspanningstabel.
3.
bandenspanning iets boven het aanbevolen
niveau.
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
Status systeem en banden
U kunt de actuele status van het status en de
banden controleren op het middendisplay.
1.
Open het menusysteem MY CAR.
2.
Kies het menu Bandencontrole.
> De status van de bandenspanningswaarden wordt aangegeven met kleurcodes.
De status wordt voor alle banden afzonderlijk
aangegeven met een bepaalde kleur:
•
Alle wielen groen: het systeem werkt naar
behoren en voor alle banden ligt de actuele
Gerelateerde informatie
•
Banden - bandenspanning (p. 340)
WIELEN EN BANDEN
Noodreparatieset voor banden*
U gebruikt de noodreparatieset voor banden,
Temporary Mobility Kit (TMK), om een gat te
dichten en om de bandenspanning (p. 437) te
controleren en aan te passen.
De noodreparatieset voor banden (p. 354)
bestaat uit een compressor en een bus met
afdichtmiddel. Het afdichtmiddel dient om noodreparaties uit te voeren. Het afdichtmiddel dicht
banden met een lek in het loopvlak effectief af.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden* - positie
(p. 353)
•
Noodreparatieset voor banden* - overzicht
(p. 354)
•
Noodreparatieset voor banden* - bediening
(p. 355)
•
Gereedschap (p. 349)
Noodreparatieset voor banden* positie
U gebruikt de noodreparatieset voor banden,
Temporary Mobility Kit (TMK), om een gat te
dichten en om de bandenspanning te controleren en aan te passen.
Locatie noodreparatieset voor banden
De noodreparatieset voor banden leent zich minder goed voor banden met een gat in het zijvlak.
Probeer geen banden met de noodreparatieset
voor banden af te dichten die grote groeven,
scheuren en dergelijke vertonen.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend bedoeld
voor het repareren van banden met een lek in
het loopvlak.
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd.
De noodreparatieset voor banden zit onder de
bagageruimtevloer.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden* - overzicht
(p. 354)
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 353)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 353
WIELEN EN BANDEN
Noodreparatieset voor banden* overzicht
Overzicht van de onderdelen van de noodreparatieset, Temporary Mobility Kit (TMK).
De onderdelen liggen onder de bagageruimtevloer.
Bus met afdichtmiddel
Manometer
Bus met afdichtmiddel
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden* - positie
(p. 353)
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 353)
Vervang de bus met afdichtmiddel voordat de
houdbaarheidsdatum verstreken is en na ieder
gebruik. Behandel de vervangen bus als klein
chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-Ethanol en natuurrubberlatex.
Gevaarlijk bij inname. Kan bij huidcontact
allergie veroorzaken.
Contact met de huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
WAARSCHUWING
•
Voedingskabel
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
•
Wanneer de borgvloeistof op de huid
terechtkomt, moet u de vloeistof met een
ruime hoeveelheid water en zeep verwijderen.
Mocht u de borgvloeistof in uw oog krijgen, spoel het oog dan onmiddellijk uit
met een ruime hoeveelheid water. Laat
het oog bij aanhoudende irritatie nakijken
door een arts.
Luchtslang
354
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WIELEN EN BANDEN
Noodreparatieset voor banden* bediening
1.
Repareer een lekke band met de noodreparatieset, Temporary Mobility Kit (TMK).
Plaats een gevarendriehoek en schakel de
alarmlichten in, als u een lekke band moet
afdichten langs een drukke weg.
5.
Laat een eventuele spijker of iets dergelijks
in de lekke band zitten. Het lek is zo beter af
te dichten.
Noodreparatieset voor banden
2.
Verwijder de sticker met de toegestane maximumsnelheid (die aan de ene kant van de
compressor zit) en bevestig deze op het
stuurwiel. Rijd nooit sneller dan 80 km/h
(50 mph), nadat u de noodreparatieset hebt
gebruikt.
3.
Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de voedingskabel en de luchtslang
erbij.
4.
Schroef het oranje deksel van de compressor
los en draai de drop van de bus.
N.B.
Voor het gebruik de verzegeling van de bus
niet verbreken. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
Schroef de bus tot aan de aanslag in de bushouder vast.
> De bus en de bushouder zijn voorzien van
een terugdraaiblokkering om te voorkomen dat er afdichtmiddel weglekt. U kunt
een vastgeschroefde bus niet meer uit de
bushouder losdraaien. De bus is alleen in
een werkplaats te verwijderen; geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
•
•
Wanneer de borgvloeistof op de huid
terechtkomt, moet u de vloeistof met een
ruime hoeveelheid water en zeep verwijderen.
Mocht u de borgvloeistof in uw oog krijgen,
spoel het oog dan onmiddellijk uit met een
ruime hoeveelheid water. Laat het oog bij
aanhoudende irritatie nakijken door een
arts.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
Voor informatie over de werking van de onderdelen, zie
Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 354).
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 355
WIELEN EN BANDEN
||
6.
Draai het ventieldopje van de band los.
Controleer of het drukreduceerventiel van de
luchtslang volledig vastgeschroefd is en
schroef de ventielaansluiting tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het
bandventiel.
7.
Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
8.
Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u de compressor
onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat
geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een
erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
N.B.
Zorg er bij een actieve compressor voor dat
geen van de overige 12V-aansluitingen in
gebruik is.
N.B.
Als de compressor start, kan de druk tot 6 bar
toenemen. De druk daalt echter na ca. 30
seconden.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
9.
Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor mag
niet langer dan 10 minuten werken.
356
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning moet minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar bedragen. (Laat eventueel
lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in dat
geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een
erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
11. Schakel de compressor uit en koppel de voedingskabel los.
12. Schroef de luchtslang los van het bandventiel en plaats het ventieldopje terug op de
band.
13. Plaats de beschermdop op de luchtslang om
te voorkomen dat restanten afdichtmiddel
weglekken.
WIELEN EN BANDEN
14. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie minstens 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h (50 mph), zodat het afdichtmiddel
de band kan afdichten.
N.B.
Tijdens de eerste slagen die de band ronddraait spuit er afdichtvloeistof uit het gat.
WAARSCHUWING
Houd bij het wegrijden omstanders uit de
buurt van de auto om te voorkomen dat ze
afdichtmiddel op zich krijgen. De afstand
moet minimaal twee meter zijn.
15. Controle achteraf:
Sluit de luchtslang weer aan op het bandventiel en controleer de bandenspanning met de
manometer, zie Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren
(p. 357).
Noodreparatieset voor banden* reparatieresultaat controleren
2.
Wanneer een band gerepareerd is met de noodreparatieset, Temporary Mobility Kit (TMK), moet
na zo'n 3 kilometer rijden een tweede controle
plaatsvinden.
Bandenspanning controleren
Neem de noodreparatieset voor banden erbij. De
compressor moet uitstaan.
1.
Lees de bandenspanning van de manometer
af.
•
Als de bandenspanning lager is dan 1,3
bar6, werd de band onvoldoende afgedicht. Beëindig in dat geval de rit. Neem
contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
•
Als de bandenspanning hoger is dan 1,3
bar6, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de bandenspanningstabel, zie Banden - goedgekeurde bandenspanning (p. 437).
•
Laat lucht uit de band ontsnappen, als de
bandenspanning te hoog is.
Draai het ventieldopje van de band los.
Neem de luchtslang erbij en schroef de
ventielaansluiting ervan tot aan de aanslag
vast over de draadwindingen van het bandventiel.
3.
Als de band moet worden opgepompt:
1. Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
2. Schakel de compressor in en pomp de
band op tot de vermelde spanning in de
bandenspanningstabel.
3. Schakel de compressor uit.
Gerelateerde informatie
•
•
•
6
Noodreparatieset voor banden* (p. 353)
Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren (p. 357)
Noodreparatieset voor banden* - overzicht
(p. 354)
1 bar = 100 kPa.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 357
WIELEN EN BANDEN
||
4.
Koppel de noodreparatieset voor banden los,
plaats de beschermdop op de luchtslang,
vouw de luchtslang op en plaats deze in de
daarvoor bestemde uitsparing.
Leg de TMK in de bagageruimte.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
5.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Volvo adviseert u de auto naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats te rijden om de
beschadigde band te laten vervangen/repareren.
Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er
afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
Plaats het ventieldopje terug op de band.
Rijd na het gebruik van de noodreparatieset
voor banden niet sneller dan 80 km/h
(50 mph). Volvo adviseert een bezoek aan
een erkende Volvo-werkplaats voor een
inspectie van de gerepareerde band (maximaal 200 km rijden). Het personeel kan
bepalen of de band te repareren is of moet
worden vervangen.
N.B.
•
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade aan
het ventiel door grind, vuil e.d. te voorkomen.
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn moeilijk los te draaien.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het vervangen over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
358
Gerelateerde informatie
•
•
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 353)
Noodreparatieset voor banden* banden oppompen
De originele banden van de auto kunnen worden
opgepompt met behulp van de compressor in
de noodreparatieset voor banden (p. 354).
1.
De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de voedingskabel en de luchtslang erbij.
2.
Draai het ventieldopje van de band los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het bandventiel.
3.
Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die afgesloten zijn of onvoldoende
ventilatie hebben.
Noodreparatieset voor banden* - bediening
(p. 355)
Noodreparatieset voor banden* - overzicht
(p. 354)
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
4.
Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WIELEN EN BANDEN
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor mag
niet langer dan 10 minuten werken.
5.
Pomp de band op tot de spanning die staat
aangegeven in de bandenspanningstabel, zie
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 437). Laat lucht uit de band ontsnappen,
als de bandenspanning te hoog is.
6.
Schakel de compressor uit. Koppel de luchtslang en de voedingskabel los.
7.
Plaats het ventieldopje terug op de band.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 353)
Noodreparatieset voor banden* - overzicht
(p. 354)
Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren (p. 357)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 359
ONDERHOUD EN SERVICE
ONDERHOUD EN SERVICE
Serviceprogramma van Volvo
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die
omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo.
Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen beschikken
over het personeel, het speciale gereedschap en
de servicehandboeken waardoor zij u een zo
hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Om de garantie van Volvo te laten gelden,
moet u het Service- en garantieboekje controleren en volgen.
Gerelateerde informatie
•
1
2
362
Klimaatregeling - storingen opsporen en verhelpen (p. 376)
Afspraak maken voor servicebeurt
en reparatie*1
3.
Geef de Volvo-dealer van uw keuze aan voor
service en reparatie.
Informatie over geplande afspraken voor service
en reparatie bekijken vanuit een auto met internetverbinding.
4.
Kies het communicatiekanaal van uw voorkeur (telefoon). Eventuele boekingsgegevens
worden altijd naar de auto gestuurd en per email toegezonden.
Deze dienst1 vormt een handige manier om
rechtstreeks vanuit de auto een afspraak voor
service of reparatie te maken. De autogegevens
worden doorgestuurd naar uw dealer ter voorbereiding op het werkplaatsbezoek. De dealer
neemt contact met u op om een afspraak te
plannen. Op bepaalde markten herinnert het systeem u tijdig aan geplande afspraken en het navigatiesysteem2 kan bovendien in begeleiding naar
de werkplaats voorzien.
Voorwaarden voor het maken van afspraken
vanuit de auto
• Om boekingsinformatie te kunnen versturen
vanuit de auto en te kunnen ontvangen moet
de auto internetverbinding hebben, zie het
supplement bij Sensus Infotainment voor
informatie over het tot stand brengen van
een internetverbinding.
•
Omdat de boekingsinformatie via uw eigen
mobiele abonnement wordt verzonden, krijgt
u de vraag te zien of u informatie wenst te
versturen. De vraag wordt eenmaal gesteld,
waarna het gegeven antwoord een bepaalde
tijd geldt voor de gekozen aansluiting.
•
Om de dienst te kunnen gebruiken en systeemcommunicatie mogelijk te maken via het
beeldscherm in de auto moet u meldingen/
pop-ups goedkeuren. Druk in de normaalweergave van de bron MY CAR op OK/
MENU en daarna op Service & reparatie
Berichten weergeven.
Voordat de dienst te gebruiken is
Volvo ID en My Profile
• Registreer een Volvo ID. Voor meer informatie over het aanmaken van een Volvo ID, zie
Volvo ID (p. 22).
•
Log in op de webportal My Volvo, ga naar My
Profile en doe het volgende:
1.
Controleer of de auto gekoppeld is aan My
Profile.
2.
Controleer of uw contactgegevens kloppen.
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor Sensus Navigation.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ONDERHOUD EN SERVICE
Dienst gebruiken
Alle menu’s en instellingen zijn vanuit de normaalweergave in MY CAR te bereiken door OK/
MENU in te drukken gevolgd door Service &
reparatie.
Wanneer het tijd is voor service en in sommige
gevallen ook wanneer de auto aan reparatie toe
is, wordt dat aangegeven via een melding op het
instrumentenpaneel (p. 70) en via een popupmenu op het beeldscherm.
lampje en de servicemelding op het instrumentenpaneel doven.
• Nee - Er verschijnen geen pop-upmeldingen
meer op het beeldscherm. De melding op het
instrumentenpaneel blijft staan. Na dit alternatief is het nog altijd mogelijk om vanuit de
auto handmatig een nieuw boekingsverzoek
te starten, zie onder.
• Uitstellen - Het pop-upmenu verschijnt de
volgende keer dat u de auto start opnieuw.
Handmatig afspraak maken voor
servicebeurt en reparatie1
1. Druk op de MY CAR-knop op de middenconsole en kies Service & reparatie
Dealerinformatie Verzoek service of
reparatie.
> De autogegevens worden automatisch
doorgestuurd naar uw dealer.
Servicemelding op beeldscherm.
Betekenis van de alternatieven in het popupmenu op het beeldscherm:
• Ja - Er wordt een boekingsverzoek naar uw
dealer verstuurd, die contact met u opneemt
en u een boekingsvoorstel doet. Het service-
1 Geldt
voor bepaalde markten.
2.
De dealer stuurt een boekingsvoorstel naar
de auto.
3.
Accepteer het boekingsvoorstel of vraag een
nieuw aan.
kingsherinneringen op het beeldscherm en begeleiding naar de geboekte werkplaats.
U kunt een werkplaatsbezoek ook inplannen via
My Volvo. Open Mijn afspraken en kies voor actualiseren om alle afspraken van My Volvo te zien.
Mijn afspraken1
Toon boekingsinformatie op het beeldscherm van
de auto. Accepteer het boekingsvoorstel of vraag
een nieuw aan.
–
Kies Service & reparatie
afspraken.
Mijn
Dealer bellen1
Via een telefoon met Bluetooth® handsfree die
aan de auto gekoppeld is, kunt u uw dealer bellen. Voor aansluiting van de telefoon, zie het supplement bij Sensus Infotainment.
–
Kies Service & reparatie
Dealerinformatie Dealer bellen.
Wanneer u het boekingsvoorstel accepteert,
wordt de boekingsinformatie in de auto opgeslagen, zie Mijn afspraken. De communicatie tussen
u en de auto verloopt automatisch middels boe-
}}
363
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Navigatiesysteem gebruiken1, 2
Geef uw werkplaats als bestemming of deelbestemming aan voor het navigatiesysteem.
–
–
Kies Service & reparatie
Dealerinformatie Eén bestemming
inst..
Kies Service & reparatie
Dealerinformatie Toevoegen als
tussenbestemming.
Autogegevens versturen1
De autogegevens worden verstuurd naar de centrale Volvo-database (niet naar dealers). Volvodealers kunnen de autogegevens vervolgens
opvragen aan de hand van het identificatienummer van de auto (VIN3). U vindt het nummer in
het Service- en garantieboekje van de auto en in
de linker onderhoek van de voorruit.
–
Kies Service & reparatie
versturen.
Autogegevens
Boekingsinformatie en autogegevens
Bij het maken van een afspraak voor een servicebeurt vanuit uw auto worden boekingsinformatie
en autogegevens verzonden. De autogegevens
bestaan uit gegevens op de volgende gebieden:
1 Geldt voor bepaalde markten.
2 Geldt voor Sensus Navigation.
3 Vehicle Identification Number
364
•
•
•
•
•
•
servicebehoefte
functiestatus
vloeistofpeilen
Kilometerstand
identificatienummer van de auto (VIN3)
Softwareversie van de auto.
Gerelateerde informatie
•
Volvo ID (p. 22)
ONDERHOUD EN SERVICE
Auto opnemen
Bij het opnemen van de auto is het belangrijk
dat u de krik of de dragerarmen onder de voorziene steunpunten in het onderstel van de auto
aanbrengt.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken
die bij de auto hoort. Volg bij gebruik van een
andere krik dan door Volvo geadviseerd de
aanwijzingen die bij deze krik werden geleverd.
}}
365
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Kriksteunpunten (pijlen) voor de krik van de auto en de hefpunten (rood gemarkeerd).
Als u de auto aan de voorkant heft met een garagekrik, moet u de krik onder een van de vier hefpunten zetten die verder naar binnen onder de
auto zitten. Als u de auto aan de achterkant heft
met een garagekrik, moet u de krik onder een
van de hefpunten zetten. Let erop dat u de garagekrik dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet
van af kan glijden. Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto opneemt op een tweekoloms hefbrug, kunt u de voorste en achterste dragerarmen
onder de buitenste hefpunten (kriksteunpunten)
zetten. Aan de voorkant kunt u daarvoor ook de
binnenste hefpunten gebruiken.
366
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 345)
ONDERHOUD EN SERVICE
Motorkap - openen en sluiten
Haal de borghaak naar links om de motorkap
te openen. (De borghaak zit tussen de koplamp en de radiateurgrille zoals afgebeeld.)
De motorkap is te openen, wanneer u de handgreep bij de pedalen naar achteren hebt getrokken en de pal bij de radiateurgrille naar links
hebt gehaald.
WAARSCHUWING
Motorruimte - overzicht
Het overzicht laat een aantal servicespecifieke
componenten zien.
Motorruimte 4-cil.
Controleer of de motorkap bij sluiten goed
vergrendelt.
Gerelateerde informatie
•
•
Motorruimte - controle (p. 369)
Motorruimte - overzicht (p. 367)
Afhankelijk van het model en het motortype kan de
motorruimte er anders uitzien.
Vulpijp voor motorolie
G031911
Expansiereservoir voor koelsysteem
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
Radiateur
Trek aan de handgreep bij de pedalen. Wanneer de motorkap openstaat, brandt er een
informatiesymbool op het instrumentenpaneel, zie Instrumentenpaneel - betekenis
controlelampjes (p. 75).
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(aan bestuurderszijde)
Startaccu
Relais- en zekeringhouder
}}
367
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Vulpijp voor sproeiervloeistof
Motorruimte 5-cil. diesel
WAARSCHUWING
Houd het elektrische systeem van de auto
altijd in sleutelstand 0 bij werkzaamheden in
de motorruimte, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 86).
Luchtfilter
WAARSCHUWING
De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in
het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk.
Houd het elektrische systeem van de auto
altijd in sleutelstand 0 bij werkzaamheden in
de motorruimte, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 86).
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer het
elektrische systeem van de auto in sleutelstand II staat of als de motor warm is.
Gerelateerde informatie
•
•
Afhankelijk van het model en het motortype kan de
motorruimte er anders uitzien.
Expansiereservoir voor koelsysteem
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
Vulpijp voor motorolie
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(aan bestuurderszijde)
Startaccu
Relais- en zekeringhouder
Vulpijp voor sproeiervloeistof
368
Motorkap - openen en sluiten (p. 367)
Motorruimte - controle (p. 369)
ONDERHOUD EN SERVICE
Motorruimte - controle
Motorolie - algemeen
Bepaalde oliën en vloeistoffen dienen regelmatig
gecontroleerd te worden.
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig de volgende oliën en vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
•
•
•
•
Motorolie
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Ruitensproeiervloeistof
WAARSCHUWING
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Als de motor warm
is, bestaat er brandgevaar.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Motorkap - openen en sluiten (p. 367)
Motorruimte - overzicht (p. 367)
Koelvloeistof - peil (p. 373)
Motorolie - controleren en bijvullen (p. 370)
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De
oliesoort werd met grote zorg geselecteerd
lettend op de levensduur van de motor, de
startgewilligheid, het brandstofverbruik en de
milieu-impact.
Koelvloeistof
Vergeet niet dat de koelventilator (vóór in de
motorruimte, achter de radiateur) tot enige tijd
na het afzetten van de motor automatisch kan
aanslaan.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden,
zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 424).
Volvo adviseert:
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit
en dat zowel bij het bijvullen als bij verversen
van olie. Een negatieve invloed op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het
brandstofverbruik en de milieu-impact is
anders niet uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende Volvowerkplaats te laten verversen.
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil (p. 375)
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 387)
}}
369
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag/hoog oliepeil of een
lage oliedruk. Bij motorvarianten met een oliedruksensor wordt gebruikt gemaakt van het
waarschuwingssymbool voor een lage oliedruk
op het instrumentenpaneel. Bij varianten
met een olieniveausensor wordt u geïnformeerd
via een waarschuwingssymbool
op het
instrumentenpaneel en met displayteksten.
Bepaalde varianten zijn voorzien van allebei.
Neem voor meer informatie contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Motorolie - controleren en bijvullen
Een elektronische oliepeilsensor detecteert het
oliepeil.
4-cil.
Melding en grafische voorstelling op display. Het linker
display verschijnt op een digitaal instrumentenpaneel en
het rechter op een analoog.
Houd voor het verversen van de motorolie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan die
staan aangegeven in het Service- en garantieboekje.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken met
een hogere kwaliteit dan aangegeven. Voor ritten
onder ongunstige omstandigheden adviseert
Volvo een olie van een hogere kwaliteit, zie
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 424).
Voor de bij te vullen hoeveelheid, zie Motorolie kwaliteit en hoeveelheid (p. 425).
Gerelateerde informatie
•
4
370
Motorolie - controleren en bijvullen (p. 370)
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok.
Melding
Motoroliepeil
Vulpijp4.
In sommige gevallen moet olie worden bijgevuld
tussen de servicebeurten door.
Aanpassing van het motoroliepeil is niet nodig
voordat er een melding op het bestuurdersdisplay
verschijnt, zie volgende afbeelding.
Wanneer de motor afgezet is, kunt u het duimwiel
gebruiken om het oliepeil te laten controleren
door de elektronische oliepeilsensor, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 118).
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding
Olieservice vereist moet u een werkplaats
opzoeken – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats. Het oliepeil is mogelijk te
hoog.
ONDERHOUD EN SERVICE
BELANGRIJK
Vul bij een melding dat het oliepeil gering
alleen de aangegeven hoeveelheid olie bij, bijvoorbeeld 0,5 liter.
N.B.
Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het
even voordat het systeem wijzigingen in het
oliepeil kan waarnemen. De auto moet
ca. 30 km hebben gereden en vervolgens 5
minuten op een vlakke ondergrond hebben
stilgestaan met de motor afgezet, voordat het
weergegeven oliepeil correct is.
WAARSCHUWING
2.
Draai het duimwiel op de linker stuurhendel
naar stand Oliepeil.
> Vervolgens verschijnt informatie over het
motoroliepeil.
5-cil. diesel
Voor meer informatie over de menufuncties, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 118).
N.B.
Als niet is voldaan aan de voorwaarden voor
de meting van het oliepeil (verstreken tijd na
motoruitschakeling, hellingshoek van de auto,
buitentemperatuur et cetera), zal de melding
Niet beschikbaar niet verschijnen. Dit betekent niet dat een van de autosystemen een
storing vertoont.
Vulpijp5.
Aanpassing van het motoroliepeil is niet nodig
voordat er een melding op het bestuurdersdisplay
verschijnt, zie volgende afbeelding.
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
Oliepeil meten, 4-cil.
Houd voor controle van het oliepeil de onderstaande procedure aan.
1.
5
Activeer contactslotstand II, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen
(p. 86).
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok.
}}
371
ONDERHOUD EN SERVICE
||
BELANGRIJK
Vul bij het verschijnen van de melding
Oliepeil laag 0,5 liter bijvullen slechts
0,5 liter bij.
N.B.
Melding en grafische voorstelling op display. Het linker
display verschijnt op een digitaal instrumentenpaneel en
het rechter op een analoog.
Melding
Motoroliepeil
Wanneer de motor afgezet is, kunt u het duimwiel
gebruiken om het oliepeil te laten controleren
door de elektronische oliepeilsensor, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 118).
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding
Olieservice vereist moet u een werkplaats
opzoeken – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats. Het oliepeil is mogelijk te
hoog.
372
Het systeem detecteert het oliepeil alleen tijdens het rijden. Na het bijvullen of aftappen
van olie duurt het even voordat het systeem
wijzigingen in het oliepeil kan waarnemen. De
auto dient ca. 30 km te rijden, voordat het
weergegeven oliepeil correct is.
WAARSCHUWING
Vul niet meer olie bij, als niveau (3) of (4) verschijnt zoals aangegeven op de afbeelding.
De olie mag nooit boven MAX of onder MIN
staan om motorschade tegen te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
Oliepeil meten, 5-cil. diesel
Houd voor controle van het oliepeil de onderstaande procedure aan.
1.
Activeer contactslotstand II, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen
(p. 86).
2.
Draai het duimwiel op de linker stuurhendel
naar stand Oliepeil.
> Vervolgens verschijnt informatie over het
motoroliepeil, zie de onderstaande afbeelding voor de melding en grafische voorstelling op het display. Het linker display
verschijnt op een digitaal instrumentenpaneel en het rechter op een analoog.
Voor meer informatie over de menufuncties, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 118).
ONDERHOUD EN SERVICE
Koelvloeistof - peil
De koelvloeistof koelt de verbrandingsmotor af
tot de juiste bedrijfstemperatuur. De warmte die
de motor overdraagt op de koelvloeistof is te
benutten voor verwarming van de passagiersruimte.
Peil controleren
De cijfers 1–4 geven het niveau aan. Vul niet meer olie
bij, als niveau (3) of (4) staat aangegeven. Het aanbevolen niveau is 4.
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - algemeen (p. 369)
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAXstreepje op het expansiereservoir staan. Als u het
koelsysteem niet goed gevuld houdt, kan de temperatuur in het systeem dusdanig hoog oplopen
dat er gevaar voor motorschade ontstaat.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Vul
het reservoir nooit alleen met schoon water. Het
gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer
de concentratie koelvloeistof te laag is als wanneer deze te hoog is.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan zeer heet zijn. Als er
moet worden bijgevuld terwijl de motor warm
is, moet u de dop voorzichtig van het expansievat draaien zodat de overdruk verdwijnt.
N.B.
Controleer het koelvloeistofpeil regelmatig bij
een koude motor.
Bijvullen
}}
373
ONDERHOUD EN SERVICE
BELANGRIJK
•
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen volgens de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor 50 %
uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij twijfel
over de waterkwaliteit altijd een kant-enklare koelvloeistof volgens de aanbevelingen van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander soort
koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd, dient u het
koelsysteem schoon te spoelen met leidingwater van goede kwaliteit of met
kant-en-klare koelvloeistof.
•
374
Hoge concentraties chloor, chloriden en
andere zoutverbindingen kunnen aanleiding geven tot corrosie in het koelsysteem.
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. Als dat niet het
geval is, kunnen er hoge temperaturen
optreden met gevaar voor beschadiging
(barsten) van de cilinderkop.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 427).
Rem- en koppelingsvloeistof - peil
De rem- en koppelingsvloeistof moet tussen de
MIN- en MAX-streepjes staan.
Peil controleren
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde
reservoir. De vloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje staan die aan de buitenkant van
het reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil
regelmatig.
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of iedere
tweede geplande servicebeurt.
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of in
landen met een tropisch klimaat en een hoge
relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt, dient u de
remvloeistof ieder jaar te verversen.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen remvloeistofkwaliteit, zie Remvloeistof kwaliteit en hoeveelheid (p. 430).
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Geadviseerd wordt de oorzaak van het remvloeistofverlies te laten controleren door een
erkende Volvo-werkplaats.
ONDERHOUD EN SERVICE
Bijvullen
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil
De stuurbekrachtigingsvloeistof moet tussen de
MIN- en MAX-streepjes op het reservoir staan.
Verversing van de vloeistof is niet nodig.
WAARSCHUWING
Als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de motor is afgezet en u de
auto moet laten wegslepen, stuurt de auto
aanzienlijk zwaarder. Lees de Aandachtspunten bij het slepen (p. 334).
Het vloeistofreservoir zit aan de bestuurderszijde.
Het vloeistofreservoir gaat schuil achter de dekplaat op de koude zone van de motorruimte. U
moet het ronde deksel eerst verwijderen om bij
de dop van het reservoir te komen.
Open het deksel dat in de dekplaat zit door
het te verdraaien.
Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan (aan de binnenkant van het reservoir).
BELANGRIJK
Vergeet niet de dop terug te plaatsen.
BELANGRIJK
Houd bij een controle het gebied rond het
reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
goed schoon. De dop niet losdraaien.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan.
Voor de aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie Stuurbekrachtigingsvloeistof - kwaliteit (p. 430).
375
ONDERHOUD EN SERVICE
Klimaatregeling - storingen
opsporen en verhelpen
Auto's met koudemiddel R1234yf
WAARSCHUWING
Service en reparatie aan het aircosysteem
mogen uitsluitend door een erkende werkplaats
worden uitgevoerd.
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R1234yf onder druk. Conform de
SAE-norm J2845 (“Technician Training for
Safe Service and Containment of Refrigerants
Used in Mobile A/C System”) mogen service
en reparatie aan het koudemiddelsysteem
alleen worden uitgevoerd door een daartoe
bekwaam en bevoegd technicus om de veiligheid van het systeem te garanderen.
Storingen opsporen en verhelpen
De airconditioning bevat een fluorescerend traceermiddel. Bij zoeken naar lekken moet ultraviolet licht worden gebruikt.
Volvo adviseert om contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Auto's met koudemiddel R134a
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk. Service en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door
een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
6
7
376
Lichtdioden (Light Emitting Diode)
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Serviceprogramma van Volvo (p. 362)
Lamp vervangen - algemeen
Een groot aantal van de lampen op de auto kunt
u zelf vervangen. Wend u voor vervanging van
led-lampen en xenonlampen tot een werkplaats.
De gloeilampen zijn gespecificeerd (p. 384).
Gloeilampen en andere lichtbronnen van een bijzonder type zoals led6-lampen of lampen die u
om andere redenen alleen in een werkplaats7
moet laten vervangen, zijn die in:
•
•
•
•
actieve xenonkoplampen - ABL (xenonlampen)
dagrijlicht/parkeerlichten voor
Bochtverlichting
Zijdelings gemonteerde richtingaanwijzers,
buitenspiegels
•
•
Approach-verlichting, buitenspiegels
•
•
•
parkeerlichten achter
Interieurverlichting behalve instapverlichting
vóór
Sidemarker
Richtingaanwijzers achter.
ONDERHOUD EN SERVICE
WAARSCHUWING
N.B.
Als de auto is voorzien van xenonkoplampen,
moet u de xenonlampen door een werkplaats
laten vervangen – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Werkzaamheden
aan de xenonkoplampen vergen de nodige
voorzichtigheid, aangezien dergelijke koplampen zijn voorzien van een ontstekingsgedeelte
dat een hoge spanning opwekt.
WAARSCHUWING
Bij het vervangen van een lamp moet het
elektrische systeem van de auto in sleutelstand 0 staan, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 86).
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt
voor een laagje op de reflector die dan kapot
kan gaan.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen
en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit
is een natuurlijk verschijnsel en alle externe
verlichting is erop gebouwd om dit zoveel
mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt
normaal uit het lamphuis, wanneer de lamp
enige tijd brandt.
Lamp vervangen - koplampen
Alle gloeilampen in het koplamphuis zijn te vervangen door eerst het complete koplamphuis via
de motorruimte los te nemen en te verwijderen.
Koplamphuis verwijderen
Zet het elektrische systeem van de auto in de
contactslotstand 0, zie contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 86).
Gerelateerde informatie
•
•
Lamp vervangen - koplampen (p. 377)
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde
(p. 383)
•
Lamp vervangen - verlichting make-upspiegel (p. 384)
•
Lamp vervangen - verlichting in bagageruimte (p. 383)
•
Lamp vervangen - kentekenplaatverlichting
(p. 383)
Trek de borgpennen van het koplamphuis
naar buiten.
Trek het koplamphuis recht naar voren toe.
BELANGRIJK
N.B.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de
kapotte gloeilamp is vervangen, wordt geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken.
Trek niet aan de kabel, maar alleen aan de
connector.
}}
377
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Koplamphuis bevestigen
Koppel de connector van het koplamphuis
los door met uw duim de clip omlaag te
duwen.
Trek ondertussen met uw andere hand de
connector los.
5.
Til het koplamphuis naar buiten en leg het op
een zachte ondergrond om krassen op de
lens te voorkomen.
6.
Vervang de kapotte gloeilamp.
Ga bij het bevestigen na of de lange borgpen
vastzit. De pen moet in beide ogen vastzitten.
1.
Sluit de connector dusdanig aan dat u een
klik hoort.
2.
Plaats het koplamphuis terug en breng de
borgpennen aan. Controleer of u ze goed
hebt ingestoken.
3.
Controleer de verlichting.
Zorg dat het koplamphuis gemonteerd en de
connector goed aangesloten is, voordat u de verlichting inschakelt of de transpondersleutel in het
contactslot steekt.
Gerelateerde informatie
•
•
378
Lamp vervangen - algemeen (p. 376)
Lampen verwisselen - afdekkap groot-/
dimlichtlampen (p. 379)
•
Lampen - specificaties (p. 384)
ONDERHOUD EN SERVICE
Lampen verwisselen - afdekkap
groot-/dimlichtlampen
De groot-/dimlichtlampen zijn bereikbaar door
de grotere afdekkap van de koplamp los te
maken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Lamp vervangen - koplampen (p. 377)
Lamp vervangen - dimlicht (p. 379)
Lamp vervangen - dimlicht
De lamp van het dimlicht zit achter de grote
afdekking in het koplamphuis.
Lamp vervangen - groot licht (p. 380)
Lamp vervangen - verstraler (p. 381)
N.B.
Geldt voor auto's met halogeenkoplampen.
Alvorens een gloeilamp te vervangen, zie Lamp
vervangen - koplampen (p. 377).
1.
Draai de vier bouten van de afdekking los
met een torx-sleutel, T20 (1). Verwijder ze
echter niet. (3–4 slagen is voldoende.)
2.
Duw de afdekking opzij.
3.
Verwijder de afdekking.
Plaats de afdekking in omgekeerde volgorde
terug.
1.
Neem de koplamp (p. 377) los.
2.
Verwijder de afdekking (p. 379).
3.
Koppel de connector van de lamp los.
4.
Haal de gloeilamp los door de houder
omlaag te duwen.
5.
Breng de nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan zodat deze vastklikt. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
}}
379
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 384)
Lamp vervangen - groot licht
De lamp van het groot licht zit achter de grote
afdekking in het koplamphuis.
N.B.
Geldt voor auto's met halogeenkoplampen.
380
1.
Neem de koplamp (p. 377) los.
2.
Verwijder de afdekking (p. 379).
3.
Haal de gloeilamp los door deze rechtsom te
draaien en vervolgens recht naar buiten te
trekken.
4.
Koppel de connector van de lamp los.
5.
Vervang de gloeilamp, steek de nieuwe lamp
in de lampvoet en draai de gloeilamp
rechtsom vast. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 384)
ONDERHOUD EN SERVICE
Lamp vervangen - verstraler
De verstralerlamp zit achter de grote afdekking
in het koplamphuis.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 384)
Lampen vervangen richtingaanwijzers voorzijde
U draait de lamphouder voor de richtingaanwijzerlamp linksom los.
Geldt voor auto's met xenonkoplampen*.
1.
Neem de koplamp (p. 377) los.
2.
Haal de lamphouder los door deze linksom te
draaien.
3.
Trek aan de lamphouder om de gloeilamp
tevoorschijn te halen.
1.
Neem de koplamp (p. 377) los.
2.
Verwijder de afdekking (p. 379).
3.
Koppel de connector van de gloeilamp los.
4.
4.
Trek de lamphouder recht naar buiten toe
los.
Haal de kapotte gloeilamp los door deze in
te duwen en linksom te draaien.
5.
5.
Vervang de gloeilamp en steek deze in de
lampvoet. U kunt hem slechts op één manier
terugplaatsen.
Breng een nieuwe gloeilamp aan door de
lamp omlaag te duwen en rechtsom te
draaien.
6.
Breng de lamphouder aan en draai deze
rechtsom.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 381
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 384)
Lamp vervangen - verlichting achter
Rem- en achteruitrijlichten
De lamp voor het mistachterlicht is te bereiken
via de achterzijde van de bumper.
De lampen voor de remlichten en de achteruitrijlichten zijn via de bagageruimte te vervangen.
Mistachterlicht
De lampen voor de remlichten en de achteruitrijlichten zijn vanuit de bagageruimte te vervangen.
1.
Open het paneel.
2.
Haal de gloeilamphouder los door deze
linksom te draaien.
De lamp voor het mistachterlicht is te bereiken
via de achterzijde van de bumper.
3.
Haal de kapotte gloeilamp los door deze in
te duwen en linksom te draaien.
1.
Haal de gloeilamphouder los door deze
linksom te draaien.
4.
2.
Haal de kapotte gloeilamp los door de gloeilamp in te duwen en linksom te draaien.
Breng een nieuwe gloeilamp aan door de
lamp omlaag te duwen en rechtsom te
draaien.
5.
3.
Breng een nieuwe gloeilamp aan door de
lamp omlaag te duwen en rechtsom te
draaien.
Breng de gloeilamphouder aan en draai deze
rechtsom.
4.
382
Breng de gloeilamphouder aan en draai deze
rechtsom.
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde
(p. 383)
•
Lampen - specificaties (p. 384)
ONDERHOUD EN SERVICE
Lamp vervangen kentekenplaatverlichting
Lamp vervangen - verlichting in
bagageruimte
Het overzicht geeft de positie aan van de lampen
aan achterzijde.
De kentekenplaatverlichting zit onder de handgreep van de achterklep.
De bagageruimteverlichting zit in de achterklep.
G031942
Lamp vervangen - positie lampen
achterzijde
Remlicht (led)
Parkeerlichten (led)/sidemarkers (led)
Richtingaanwijzer
Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
2.
Haal voorzichtig het complete gloeilamphuis
los en trek het naar buiten.
Achteruitrijlicht (p. 382)
3.
Vervang de gloeilamp.
Remlichten (p. 382)
4.
Plaats het complete gloeilamphuis terug en
draai de boutjes vast.
Mistachterlicht (p. 382)
Gerelateerde informatie
•
•
1.
1.
Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en wrik deze iets heen en weer, zodat
het lamphuis loskomt.
2.
Vervang de gloeilamp.
3.
Controleer of de gloeilamp werkt en druk het
lamphuis weer vast.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 384)
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 384)
Lamp vervangen - algemeen (p. 376)
Lampen - specificaties (p. 384)
383
ONDERHOUD EN SERVICE
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel
De lampjes voor de verlichting van de makeupspiegel zitten achter de lensjes.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 384)
Lampen - specificaties
De specificaties gelden voor gloeilampen. Wend
u voor vervanging van led-lampen en xenonlampen tot een werkplaats.
Lampglas verwijderen
1.
Steek een schroevendraaier achter het lampglas om de borgnokjes aan de rand voorzichtig los te werken.
2.
Klik het lampglas los.
3.
Trek met een puntbektang de gloeilamp
recht naar buiten toe opzij en vervang deze.
Let er echter op dat u niet te hard knijpt met
de tang. Het lampglas kan anders kapotgaan.
Lampglas bevestigen
1.
Plaats het lampglas terug.
2.
Duw het vast.
A
384
Verlichting
WA
Type
Dimlicht, halogeen
55
H7 LL
Groot licht, halogeen
65
H9
Verstralers, ABL
65
H9
Richtingaanwijzers
voorzijde
24
PY24W
Instapverlichting
voor
3
Lampvoet T10;
W2,1x9,5d
Verlichting dashboardkastje
5
Lampvoet SV8.5;
lengte 43 mm
Verlichting makeupspiegel
2
Lampvoet T5;
W2x4,6d
Verlichting bagageruimte
10
Lampvoet SV8.5;
lengte 43 mm
Kentekenplaatverlichting
5
C5W LL
Remlichten
21
P21W LL
Achteruitrijlicht
21
P21W LL
Mistachterlicht
21
H21W LL
Watt
ONDERHOUD EN SERVICE
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen - algemeen (p. 376)
Wisserbladen
De wisserbladen vegen neerslag van de voor- en
achterruit. In combinatie met sproeiervloeistof
reinigen ze de ruiten voor een goed zicht tijdens
het rijden.
Om de wisserbladen van de voorruit te kunnen
vervangen moeten deze eerst in de servicestand
worden gezet.
BELANGRIJK
Voordat de wisserbladen in de servicestand
worden gezet, moet u controleren of ze niet
vastgevroren zijn.
1.
Steek de transpondersleutel in het contactslot8 en druk kort op de START/STOP
ENGINE-knop om het elektrische systeem
van de auto in de contactslotstand I te zetten. Voor gedetailleerde informatie over contactslotstanden, zie contactslotstanden functies in verschillende standen (p. 86).
2.
Druk nogmaals kort op de START/STOP
ENGINE-knop om het elektrische systeem
van de auto in de contactslotstand 0 te zetten.
3.
Beweeg binnen 3 seconden de rechter
stuurhendel omhoog en houd deze
ca. 1 seconde in deze stand.
> De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal
staan.
Servicestand
Wisserbladen in servicestand.
De wisserbladen dienen in de servicestand te
staan om ze te kunnen vervangen, reinigen of
optillen (bijvoorbeeld om ijs van de voorruit te
krabben).
8
Niet nodig bij een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling.
De wisserbladen keren terug naar de beginstand
met een korte druk op de START/STOP
ENGINE-knop om het elektrische systeem van
de auto in de contactslotstand I te zetten (of bij
het starten van de auto).
}}
385
ONDERHOUD EN SERVICE
||
BELANGRIJK
Als de wisserarmen in de servicestand van de
voorruit af zijn gehaald, moet u ze tegen de
voorruit terugklappen alvorens de wissers te
activeren. Dit om lakschade aan de motorkap
tegen te gaan.
Wisserbladen vervangen
Klap de wisserarm omhoog als deze in de
servicestand staat. Druk op de knop die op
de wisserbladhouder zit en trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar binnen dat u een klik hoort.
Controleer of het blad goed vastzit.
4.
Klap de wisserarm terug op de voorruit.
Wisserbladen vervangen, achterklep
G032770
De wisserbladen keren terug vanuit de servicestand naar de beginstand met een korte druk op
de START/STOP ENGINE-knop om het elektrische systeem van de auto in de contactslotstand
I te zetten (of bij het starten van de auto).
N.B.
De wisserbladen hebben een verschillende
lengte. Het blad aan de bestuurderskant is
langer dan dat aan de passagierskant.
386
ONDERHOUD EN SERVICE
Klap de wisserarm uit.
Sproeiervloeistof - bijvullen
2.
Pak het wisserblad aan de binnenkant (bij de
pijl) beet.
3.
Draai het wisserblad linksom om de aanslag
op de wisserarm als hefboom te gebruiken
zodat het wisserblad gemakkelijker loskomt.
Om de koplampen en ruiten schoon te houden
wordt sproeiervloeistof gebruikt. Gebruik sproeiervloeistof met antivries bij temperaturen onder
het vriespunt.
1.
4.
Duw het nieuwe wisserblad vast. Controleer
of het goed vastzit.
5.
Klap de wisserarm terug.
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij koud weer
en onder het vriespunt.
BELANGRIJK
Gebruik originele sproeiervloeistof van Volvo
of een vergelijkbaar product met de aanbevolen pH-waarde tussen 6 en 8 (gebruiksklaar
mengsel, d.w.z. gelijke delen/1:1 bij neutraal
water).
Schoonmaken
BELANGRIJK
Voor het schoonmaken van de wisserbladen en
de voorruit, zie Wasstraat (p. 408).
Gebruik bij temperaturen onder nul sproeiervloeistof met antivries, zodat de vloeistof niet
vastvriest in pomp, reservoir en slangen.
BELANGRIJK
Controleer de bladen regelmatig. Verwaarloosd onderhoud verkort de levensduur van
de bladen.
Gerelateerde informatie
•
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 387)
Voor het bijvullen van de sproeiervloeistof opent
u de blauwe dop.
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
N.B.
Wanneer er nog zo'n 1 liter sproeiervloeistof
in het reservoir zit, verschijnt op het instrumentenpaneel samen met het symbool
de melding dat u sproeiervloeistof moet bijvullen.
Hoeveelheid:
•
•
Auto's met koplampsproeiers: 6,5 liter.
Auto's zonder koplampsproeiers: 4,5 liter.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Wisserbladen (p. 385)
Wissers en sproeiers (p. 107)
Motorkap - openen en sluiten (p. 367)
387
ONDERHOUD EN SERVICE
Startaccu - algemeen
De startaccu wordt gebruikt voor aandrijving van
de startmotor en andere elektrische uitrusting in
de auto.
De startaccu is een traditionele 12V-accu.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal startpogingen, de weersomstandigheden enzovoort
zijn van invloed op de levensduur en de werking
van de accu.
•
Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor draait.
•
Controleer of de kabels van de startaccu op
de juiste manier zijn aangesloten en stevig
vastzitten.
BELANGRIJK
Bij vervanging van de startaccu of hulpaccu,
bij een auto met Start/Stop-systeem, moet u
een accu van het juiste type monteren; EFB9
bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak en AGM10 bij een auto met een
automatische versnellingsbak.
BELANGRIJK
Bij vervanging van de startaccu moet u erop
letten dat u een accu met hetzelfde koudestartvermogen en van hetzelfde type gebruikt
als de originele accu (zie de sticker op de
accu).
Motor
Spanning (V)
KoudestartvermogenA
- CCAB (A)
A
B
Conform de SAE- of EN-norm.
Cold Cranking Amperes.
9 Enhanced Flooded Battery.
10 Absorbed Glass Mat.
388
Benzine
Dieselolie
12
12
520–800
700–800
N.B.
•
De grootte van de startaccubehuizing
dient overeen te komen met de afmetingen van de originele accu.
•
De hoogte van de startaccu hangt af van
de afmetingen.
WAARSCHUWING
•
•
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van een startkabel, kan volstaan om de
accu tot ontploffing te brengen.
De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat
ernstige chemische brandwonden kan
veroorzaken.
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw
huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
BELANGRIJK
Gebruik voor het opladen van de startaccu of
de hulpaccu (p. 392) alleen een moderne
acculader met laadspanningsregeling. Maak
geen gebruik van eventuele snellading omdat
de accu daarbij beschadigd kan raken.
ONDERHOUD EN SERVICE
BELANGRIJK
N.B.
Bij het negeren van het volgende valt na aansluiting van een externe startaccu of acculader de energiebesparingsfunctie voor het
infotainmentsysteem mogelijk tijdelijk uit
en/of verschijnt er tijdelijk geen melding over
de ladingstoestand van de startaccu op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel:
•
De minpool van de startaccu in de auto
mag nooit worden gebruikt voor aansluiting van een externe startaccu of acculader – alleen het autochassis dient als
massapunt te worden gebruikt.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
De levensduur van de accu wordt bepaald
door uiteenlopende factoren, waaronder de
rijomstandigheden en het klimaat. De accu
verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit
en moet daarom bijgeladen worden, als er
langere tijd achtereen niet of slechts korte
afstanden met de auto wordt gereden. Ook bij
strenge vorst neemt de startcapaciteit af.
Symbolen op de accu's
Om de accu in optimale conditie te houden
wordt geadviseerd wekelijks minstens
15 minuten met de auto te rijden of de accu
aan te sluiten op een acculader met automatische druppellading.
Zie Starthulp met andere accu (p. 291) voor
een beschrijving van de locatie van de kabelklemmen en de manier van aansluiten.
Accu - symbolen
Op de accu's zitten symbolen die informatie verstrekken en waarschuwen.
Voor de maximale levensduur dient de accu
altijd volledig opgeladen te blijven.
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie de
gebruikershandleiding die
bij de auto hoort.
Bewaar accu's buiten het
bereik van kinderen.
Gerelateerde informatie
•
•
Accu - symbolen (p. 389)
Startaccu - vervangen (p. 390)
De accu bevat een bijtend
zuur.
}}
389
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Vermijd vonken en open
vuur.
Startaccu - vervangen
De startaccu van de auto is zonder hulp van een
werkplaats te vervangen.
Demonteren
Explosiegevaar.
Om te beginnen: Neem de transpondersleutel
uit het contactslot en wacht ten minste
5 minuten, voordat u een van de elektrische aansluitingen aanraakt – zo kan de informatie in het
elektrische systeem van de auto worden opgeslagen in de verschillende regeleenheden.
Bestemd voor inzameling.
N.B.
Een uitgediende start- of steunaccu moet op
een milieuvriendelijke manier worden gerecycled - deze bevat namelijk lood.
Gerelateerde informatie
•
•
390
Startaccu - algemeen (p. 388)
Accu - Start/Stop (p. 392)
Haal de clips op de voorste dekplaat los en
verwijder de dekplaat.
ONDERHOUD EN SERVICE
Haal de rubber strip los om de achterste
afdekking bloot te leggen.
Monteren
Neem de achterste afdekking los door deze
een kwartslag te verdraaien en vervolgens op
te tillen.
Voor meer informatie over de startaccu van de
auto, zie Startaccu - algemeen (p. 388) en Starthulp met andere accu (p. 291).
WAARSCHUWING
De plus- en minkabels in de juiste volgorde
loskoppelen en/of aansluiten.
Koppel de zwarte minkabel los.
Koppel de rode pluskabel los.
1.
Laat de accu in de accubak zakken.
2.
Duw de accu naar binnen en gelijktijdig opzij
totdat de accu tegen de achterkant van de
accubak aankomt.
3.
Schroef de klem vast waarmee de accu vastzit.
4.
Sluit de ontluchtingsslang aan.
> Controleer of deze correct is aangesloten
tussen de accu en de afvoeropening in de
carrosserie.
5.
Sluit de rode pluskabel aan.
6.
Sluit de zwarte minkabel aan.
7.
Duw de achterste afdekking vast. (Zie de
voorgaande paragraaf "Demonteren".)
8.
Plaats de rubber strip. (Zie "Demonteren".)
9.
Pas de voorste afdekking in en zet het vast
met behulp van de clips. (Zie "Demonteren".)
Koppel de ontluchtingsslang van de accu los.
Draai het boutje los waarmee de accuklem
vastzit.
Haal de accu opzij.
Til het recht omhoog.
391
ONDERHOUD EN SERVICE
Accu - Start/Stop
Accu
Auto's met Start/Stop-systeem hebben behalve
de startaccu ook een hulpaccu.
Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien van
twee 12V-accu's – één extra krachtige startaccu
en een hulpaccu die gebruikt wordt voor de startprocedure middels het Start/Stop-systeem.
Voor meer informatie over het Start/Stop-systeem, zie Start/Stop* (p. 301).
Start, 12 V
KoudestartvermogenA
- CCAB
(A)
Hulp, 12 V
Start, 12 V
Auto met stuur
links:
720C
760D
Voor meer informatie over de startaccu van de
auto, zie Starthulp met andere accu (p. 291).
In de volgende tabel staan de specificaties voor
de startaccu en hulpaccu van auto's met Start/
Stop-systeem.
Accu
Auto met stuur
links:
120E
Capaciteit (Ah)
170F
Auto met stuur
rechts:
Afmetingen ,
l×b×h
(mm)
150×90×106E
278×175×190
150×90×130F
Auto met stuur
rechts:
8E
70
10F
Auto met stuur
rechts:
120
Auto met stuur
links:
Hulp, 12 V
8
A
B
C
D
E
F
Conform de EN-norm.
Cold Cranking Amperes.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak in combinatie met Start/
Stop-systeem met uitsluitend automatische motorstops, wanneer de auto helemaal stilstaat.
Overige.
150×90×106
392
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ONDERHOUD EN SERVICE
BELANGRIJK
Bij vervanging van de startaccu of hulpaccu,
bij een auto met Start/Stop-systeem, moet u
een accu van het juiste type monteren; EFB11
bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak en AGM12 bij een auto met een
automatische versnellingsbak.
•
•
Auto-start motor13 werkt zonder dat de
bestuurder de koppeling bedient (handmatige versnellingsbak).
De motor start automatisch zonder dat de
bestuurder zijn voet van het rempedaal haalt
(automatische versnellingsbak).
Locatie accu's
Bij vervangen van een hulpaccu moet u een
accu van het type AGM monteren.
Hoe hoger de stroomafname in de auto
(extra koeling/verwarming e.d.), hoe meer
de accu’s moeten worden bijgeladen =
hoe hoger het brandstofverbruik.
•
Wanneer de capaciteit van de startaccu
tot onder de ondergrens is gedaald,
wordt het Start/Stop-systeem uitgeschakeld.
Een tijdelijke functiebeperking van het
Start/Stop-systeem op grond van een hoge
stroomafname houdt het volgende in:
11
12
13
14
•
De minpool van de startaccu in de auto
mag nooit worden gebruikt voor aansluiting van een externe startaccu of acculader – alleen het autochassis dient als
massapunt te worden gebruikt.
Zie Starthulp met andere accu (p. 291) voor
een beschrijving van de locatie van de kabelklemmen en de manier van aansluiten.
N.B.
•
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt het
Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader:
A: Auto met stuur links. B: Auto met stuur rechts.
Startaccu14
Hulpaccu
De hulpaccu vergt doorgaans niet meer service
dan de normale startaccu. Neem bij vragen of
problemen contact op met een werkplaats geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Enhanced Flooded Battery.
Absorbed Glass Mat.
Auto-start is alleen mogelijk, als de versnellingspook in de neutraal staat.
Zie Startaccu - algemeen (p. 388) voor een uitvoerige beschrijving van de startaccu.
}}
393
ONDERHOUD EN SERVICE
||
N.B.
Als de startaccu dermate ontladen is dat alles
‘zwart’ is en alle elektrische standaardsystemen van de auto’s nagenoeg uitgeschakeld
zijn en u de motor vervolgens start met een
externe accu of acculader, zal het Start/Stopsysteem actief zijn. Auto-stop van de motor is
in dat geval mogelijk, maar het Start/Stopsysteem kan na auto-stop van de motor
mogelijk geen auto-start uitvoeren door
onvoldoende capaciteit van de startaccu.
Voor een geslaagde auto-start ná auto-stop
dient de accu eerst te worden opgeladen. Bij
een buitentemperatuur van +15 °C moet de
accu ten minste 1 uur lang worden opgeladen. Bij lagere buitentemperaturen wordt een
laadduur geadviseerd van 3–4 uur. Geadviseerd wordt de accu op te laden met een
externe acculader.
Als iets dergelijks niet voorhanden is, wordt
geadviseerd het Start/Stop-systeem uit te
schakelen totdat de startaccu voldoende bijgeladen is.
Voor meer informatie over het opladen van de
startaccu van de auto, zie Startaccu - algemeen (p. 388).
Gerelateerde informatie
•
394
Accu - symbolen (p. 389)
Elektrisch systeem
Zekeringen - algemeen
Het elektrische systeem is enkelpolig en
gebruikt het chassis en het motorblok als geleiders.
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal
zekeringen beschermd.
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar.
De afmetingen, het type en de prestaties van de
accu zijn afhankelijk van de uitrusting in de auto
en de functie.
BELANGRIJK
Bij vervanging van de startaccu moet u erop
letten dat u een accu met hetzelfde koudestartvermogen en van hetzelfde type gebruikt
als de originele accu (zie de sticker op de
accu).
Gerelateerde informatie
•
•
Als een van de elektrische onderdelen of functies
niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende
zekering overbelast werd en daardoor gesmolten
is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt,
betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een
storing vertoont. U wordt dan geadviseerd een
bezoek te brengen aan een erkende Volvo-werkplaats voor een controle.
Vervangen
1.
Zoek in de zekeringentabel op waar de zekering zit.
2.
Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3.
Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
Startaccu - vervangen (p. 390)
Startaccu - algemeen (p. 388)
WAARSCHUWING
Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een
zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit kan
aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot brand leiden.
ONDERHOUD EN SERVICE
Positie van relais- en zekeringhouders
•
•
•
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 402)
Zekeringen - in bagageruimte (p. 404)
Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte (p. 406)
Positie van de relais- en zekeringhouders bij
auto's met het stuur links – bij auto's met het
stuur rechts zitten de relais- en zekeringhouders
onder het dashboardkastje omgekeerd.
Motorruimte
Onder dashboardkastje
Onder dashboardkastje
Bagageruimte
Koude zone motorruimte (alleen Start/Stop)
Gerelateerde informatie
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 396)
Zekeringen - onder dashboardkastje
(p. 400)
395
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen - in motorruimte
De zekeringen in de motorruimte beveiligen
onder meer de motor- en remfuncties.
396
ONDERHOUD EN SERVICE
Algemene informatie over de
zekeringen in de motorruimte
Functie
AA
Functie
AA
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (ECM)
onder dashboardkastjeB
50
InterieurventilatorC
40
40
Posities (zie voorgaande afbeelding)
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (ECM)
onder dashboardkastje
50
Elektrische voorruitverwarming*B , rechts
ABS-pomp
40
ABS-ventielen
20
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in bagageruimteB
60
Koplampsproeiers*
20
60
Koplamphoogteregeling*;
actieve xenonkoplampen ABL*
10
Hoofdzekering voor relais-/
zekeringhouder onder dashboardkastje
60
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (ECM)
onder dashboardkastje
20
Hoofdzekering voor relais-/
zekeringhouder onder dashboardkastjeB
ABS
5
Stuurkrachtinstelling*
5
Motorruimte bovenin
Motorruimte voorin
Motorruimte onderin
Deze zekeringen zitten allemaal in de zekeringhouder in de motorruimte. De zekeringen in (C)
zitten onder (A).
Aan de binnenkant van het deksel zit een sticker
met de positie van de verschillende zekeringen.
•
•
•
15
De zekeringen 1–7 en 42–44 zijn van het
type "MidiFuse" en mogen alleen door een
werkplaats worden vervangen15.
De zekeringen 8–15 en 34 zijn van het type
"JCASE" en dienen door een werkplaats te
worden vervangen15.
De zekeringen 16–33 en 35–41 zijn van het
type "MiniFuse".
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
-
-
Extra verwarming op stroom*B
100
40
Motorregeleenheid; transmissieregeleenheid; airbags
10
Elektrische voorruitverwarming*B , links
30
Elektrische sproeikopverwarming*
10
Ruitenwissers
Standverwarming*
25
-
-
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 397
ONDERHOUD EN SERVICE
||
398
Functie
AA
Functie
Bedieningspaneel verlichting
5
-
-
-
10
-
-
Regeleenheid gloeiregeling
(5-cil. diesel)
Motorregelmodule (4-cil.)
20
-
5
Motorregeleenheid (5-cil. diesel)
15
Relais sproeiers
Verstralers*
20
Motorregelmodule (4-cil.)
Claxon
15
Relaisspoel in hoofdrelais voor
motormanagementsysteem
(4-cil.); motorregeleenheid (4cil.)
5
Relaisspoel in hoofdrelais voor
motormanagementsysteem
(5-cil. diesel); motorregeleenheid (5-cil. diesel)
10
Transmissieregeleenheid
15
Hulpkoelvloeistofpomp (4-cil.
diesel)
15
Relaisspoelen in relais- en
zekeringhouder in koude zone
motorruimte (Start/Stop)
5
AA
-
Functie
AA
Lambdasonde, voor (4-cil.);
lambdasonde, achter (4-cil.
benzine)
15
Lambdasondes (5-cil. diesel);
regeleenheid grille-afsluiting
(5-cil. diesel)
Bobines (4-cil. benzine)
15
20
Dieselfilterverwarming (diesel)
20
Luchtmassameter (4-cil.);
thermostaat (4-cil. benzine);
EVAP-klep (4-cil. benzine);
koelpomp voor EGR (4-cil. diesel)
10
Magneetkoppeling A/C (4cil.); regeleenheid gloeiregeling (4-cil. diesel); oliepomp
(4-cil. diesel)
7,5
15
Carterventilatieverwarming
(5-cil. diesel); oliepomp automatische versnellingsbak (5cil. diesel Start/Stop)
10
Luchtmassameter (5-cil. diesel); regelkleppen (5-cil. diesel)
Magneetkoppeling A/C (5-cil.
diesel); kleppen (5-cil. diesel);
oliepeilsensor
10
Koelvloeistofpomp (4-cil. benzine)
50
Gloeibougies (diesel)
70
Kleppen (4-cil.; oliepomp (4cil. benzine); lambdasonde,
midden (4-cil. benzine); lambdasonde, achter (4-cil. diesel)
15
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ONDERHOUD EN SERVICE
Functie
Koelventilator (benzine)
A
B
C
D
AA
60/80D
Koelventilator (diesel)
80
Stuurbekrachtiging
100
Ampère
Bij auto's met Start/Stop-systeem is deze zekeringpositie leeg
– zie in plaats daarvan Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte (p. 406).
Bij auto's met Start/Stop-systeem is deze zekeringpositie leeg
– zie in plaats daarvan Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte (p. 406).
Afhankelijk van de koelventilatorvariant.
Gerelateerde informatie
•
Zekeringen - onder dashboardkastje
(p. 400)
•
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 402)
•
Zekeringen - in bagageruimte (p. 404)
399
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen - onder
dashboardkastje
De zekeringen onder het dashboardkastje beveiligen onder meer de infotainment- en stoelfuncties.
Posities
AA
Hoofdzekering voor regeleenheid
audio*; hoofdzekering voor de zekeringen 16–20: Infotainment
40
Ruitensproeiers voor; ruitensproeiers achter
25
-
400
Functie
Functie
AA
-
-
-
-
-
-
12V-aansluiting bagageruimte*
15
Functie
AA
Bedieningspaneel bestuurdersportier
20
Bedieningspaneel voorste passagiersportier
20
Bedieningspaneel achterste passagiersportier rechts
20
-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ONDERHOUD EN SERVICE
Functie
AA
Functie
AA
Bedieningspaneel achterste passagiersportier links
20
Verwarming zitplaats achterbank
links*
15
Passief systeem*
20
-
Elektrisch bedienbare stoel
bestuurderszijde*
20
Stoelverwarming passagierszijde
voorin
15
Elektrisch bedienbare stoel passagierszijde*
20
Stoelverwarming bestuurderszijde
voorin
15
Parkeerhulp*; parkeercamera*;
BLIS*
5
Regeleenheid AWD*
15
Actieve chassisregeling Four-C*
10
-
-
Regeleenheid infotainment of
beeldschermB
5
Regeleenheid audio (versterker)*;
tv*; digitale radio*
10
Regeleenheid audio of regeleenheid SensusB
15
Telematica*; Bluetooth*
5
A
B
-
Ampère
Bepaalde modelvarianten.
Gerelateerde informatie
-
-
Schuif-/kanteldak*; interieurverlichting plafond; klimaatsensor*
5
12V-aansluiting middenconsole
15
Verwarming zitplaats achterbank
rechts*
15
•
•
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 396)
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 402)
Zekeringen - in bagageruimte (p. 404)
Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte (p. 406)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 401
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen - in regeleenheid onder
dashboardkastje
De zekeringen in de regeleenheid onder het
dashboardkastje beveiligen onder meer de functies voor airbags en Collision Warning.
Posities
AA
Functie
AA
Instrumentenpaneel
5
Centrale vergrendeling tankvulklep
10
Adaptieve cruisecontrol (ACC)*;
Collision Warning*
10
Elektrische stuurverwarming*
15
-
Interieurverlichting; regensensor*
7,5
Elektrische voorruitverwarming*
15
7,5
Stuurwieleenheid
7,5
Achterklep ontgrendelen
10
Omklapbare hoofdsteunen*
10
AA
Achterruitwisser
15
Interieurverlichting; bedieningspaneel zijruiten op bestuurdersportier,
elektrisch bedienbare voorstoelen*
402
Functie
Functie
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ONDERHOUD EN SERVICE
Functie
AA
Brandstofpomp
20
Bewegingsmelder voor alarm*;
bedieningspaneel klimaatregeling
5
Stuurslot
15
Sirene alarmsysteem*; diagnoseaansluiting OBDII
5
-
-
Airbags
10
Collision Warning*
5
Gaspedaalsensor; dimfunctie achteruitkijkspiegel*; achterbankverwarming*
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 396)
Zekeringen - onder dashboardkastje (p. 400)
Zekeringen - in bagageruimte (p. 404)
Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte (p. 406)
7,5
Extra verwarming op stroom*
A
Regeleenheid Infotainment (Performance); audiosysteem (Performance)
15
Remlichten
5
Schuif-/kanteldak*
20
Startblokkering
5
Ampère
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 403
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen - in bagageruimte
De zekeringen in de bagageruimte beveiligen
onder meer de elektrische parkeerrem.
Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde.
Posities
AA
Elektrische parkeerrem links
30
Elektrische parkeerrem rechts
30
Elektrische achterruitverwarming
30
Trekhaakaansluiting 2*
15
Elektrische achterklepbediening*
404
Functie
Functie
20
AA
Functie
AA
40
-
-
Trekhaakaansluiting 1*
-
-
-
-
-
A
-
-
Gerelateerde informatie
-
-
•
•
-
Ampère
Zekeringen - in motorruimte (p. 396)
Zekeringen - onder dashboardkastje (p. 400)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ONDERHOUD EN SERVICE
•
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 402)
•
Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte (p. 406)
405
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen - in de koude zone van
de motorruimte
De zekeringen in de koude zone van de motorruimte zitten in auto's met de Start/Stop-functie.
•
De zekeringen A1 en A2 zijn van het type
"MEGA Fuse" en mogen alleen door een
werkplaats worden vervangen16.
•
De zekeringen 1–11 zijn van het type "MidiFuse" en mogen alleen door een werkplaats
worden vervangen16.
•
Zekeringen 12 is van het type "MiniFuse".
Voor meer informatie over Start/Stop, zie Start/
Stop* (p. 301).
16
406
Posities
Functie
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in motorruimte
Functie
AA
175
AA
Hoofdzekering voor centrale elektronicamodule (CEM) onder dashboardkastje, relais-/zekeringhouder onder dashboardkastje, relaisen zekeringhouder in bagageruimte
175
Extra verwarming op stroom*
100
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ONDERHOUD EN SERVICE
Functie
AA
•
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 402)
Hoofdzekering voor centrale elektronicamodule (ECM) onder dashboardkastje
50
•
Zekeringen - in bagageruimte (p. 404)
Hoofdzekering voor relais-/zekeringhouder onder dashboardkastje
60
Elektrische voorruitverwarming*
60
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in bagageruimte
60
Interieurventilator
40
-
-
-
-
Startrelais
-
A
30
-
Hulpaccu
70
Centrale elektronicamodule (CEM)
- referentiespanning hulpaccu
5
Ampère
Gerelateerde informatie
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 396)
Zekeringen - onder dashboardkastje (p. 400)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 407
ONDERHOUD EN SERVICE
Wasstraat
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg
dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider
staat. Gebruik autoshampoo.
Met de hand wassen
•
•
•
408
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die
de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. U wordt geadviseerd een dergelijke
verkleuring te laten herstellen door een
erkende Volvo-werkplaats.
Spoel het onderstel af.
Spoel de hele auto eerst af om loszittend vuil
te verwijderen en het risico te beperken dat
er tijdens het reinigen krassen ontstaan.
Spuit niet rechtstreeks in de richting van de
sloten.
•
Gebruik zo nodig een koud ontvettingsmiddel
voor hardnekkig vuil. Let erop dat de verontreinigde gebieden niet zijn opgewarmd door
de zon!
•
Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
•
Reinig de wisserbladen met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
•
Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker. Als u waterdruppels op de auto niet in de felle zon laat
drogen maar meteen verwijdert, beperkt u
het risico dat u later watervlekken moet wegpoetsen.
WAARSCHUWING
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is, bestaat
er brandgevaar.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed. Maak
ze regelmatig schoon, bijvoorbeeld als u tankt.
Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen,
maar water en een niet krassende spons.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen
en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit
is een natuurlijk verschijnsel en alle externe
verlichting is erop gebouwd om dit zoveel
mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt
normaal uit het lamphuis, wanneer de lamp
enige tijd brandt.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken, maar
de borstels van de wasstraat kunnen niet overal
even goed bij. Voor het beste resultaat wordt u
geadviseerd de auto met de hand te wassen.
N.B.
De eerste maanden mag de auto alleen met
de hand worden gewassen. De reden hiervoor
is dat de lak gevoeliger is als deze nieuw is.
Hogedrukreinigers
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de spuitkop op minstens 30 cm afstand van de auto
houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen). Spuit
niet rechtstreeks in de richting van de sloten.
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test de rem na het wassen altijd, ook de parkeerrem, zodat vocht en corrosie de remvoering niet aantasten en de remmen verslechteren.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal, als
u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder
aflegt. Door de wrijving worden de remblokken
warm, zodat het vocht verdampt. Doe hetzelfde bij
zeer vochtig of koud weer.
ONDERHOUD EN SERVICE
Wisserbladen
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs en dergelijke op de voorruit
gaan wisserbladen minder lang mee.
Bij het reinigen:
- Zet de wisserbladen in de servicestand, zie Wisserbladen (p. 385).
N.B.
Reinig de wisserbladen en voorruit regelmatig
met een lauw sopje of autoshampoo. Gebruik
geen sterke oplosmiddelen.
Kunststof en rubber sieronderdelen
exterieur
Voor het schoonmaken en verzorgen van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende strips,
wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel
te gebruiken dat bij de Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij gebruik van dit reinigingsmiddel
de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
BELANGRIJK
Waxen en polijsten van kunststof en rubber
onderdelen is niet toegestaan.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber onderdelen mag u, als dat
nodig is, alleen licht wrijven. Gebruik een
zachte spons.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Poetsen en in de was zetten (p. 410)
Interieur reinigen (p. 411)
Water- en vuilafstotende laag (p. 410)
Bij het polijsten van glanzende strips kan de
glanzende oppervlaktelaag wegslijten of
beschadigd raken.
Gebruik geen poetsmiddelen met een schurende werking.
BELANGRIJK
Was de auto bij voorkeur niet met reinigingsmiddelen met een pH lager dan 3,5 of hoger
dan 11,5. Geanodiseerde onderdelen van aluminium zoals de dakrails en de sierlijsten rond
de zijruiten kunnen anders verkleuren.
Gebruik nooit metaalpolijstpasta op onderdelen van geanodiseerd aluminium om verkleuring en schade aan de finish tegen te gaan.
Velgen
Gebruik alleen de velgreinigingsmiddelen die
Volvo adviseert.
Sterke velgreinigingsmiddelen kunnen het oppervlak beschadigen en vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
409
ONDERHOUD EN SERVICE
Poetsen en in de was zetten
BELANGRIJK
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat
u begint te poetsen of de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met een teerverwijderaar of terpentine. U kunt hardnekkige vlekken
met een speciaal voor autolak bestemde, fijne
schuurpasta ("rubbing compound") verwijderen.
Waxen en polijsten van kunststof en rubber
onderdelen is niet toegestaan.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber onderdelen mag u, als dat
nodig is, alleen licht wrijven. Gebruik een
zachte spons.
Water- en vuilafstotende laag*
Bij het polijsten van glanzende strips kan de
glanzende oppervlaktelaag wegslijten of
beschadigd raken.
•
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters en dergelijke op het glasoppervlak,
omdat de waterafstotende laag daardoor
beschadigd kan raken.
•
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak ontstaan.
•
Om schade aan het glas te voorkomen dient
u voor het verwijderen van ijs alleen een
krabber van kunststof te gebruiken.
•
Om de waterafstotende eigenschappen op
de zijruiten te behouden, wordt geadviseerd
de behandeling te vernieuwen met een
nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij
een erkende Volvo-werkplaats. Gebruik het
middel de eerste keer na drie jaar en daarna
ieder jaar.
Gebruik geen poetsmiddelen met een schurende werking.
BELANGRIJK
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op. Veel
preparaten bevatten zowel poetsmiddel als was.
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling,
bescherming, glansverzegeling e.d. kunnen
lakschade veroorzaken. Lakschade als gevolg
van dergelijke behandelingen valt niet onder
de Volvo-garantie.
Gerelateerde informatie
•
410
Water- en vuilafstotende laag
De ruiten zijn voorzien van een speciale laag die
bij hevige regenval voor een beter zicht zorgt.
Wasstraat (p. 408)
De waterafstotende laag staat bloot
aan natuurlijke slijtage.
Onderhoud:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ONDERHOUD EN SERVICE
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de ruiten
van ijs te ontdoen. Gebruik de elektrische verwarming om de buitenspiegels van ijs te ontdoen, zie Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming (p. 112).
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 408)
Roestwering
Interieur reinigen
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Reinig het interieur regelmatig en voor
het beste resultaat is het zaak om vlekken
meteen te verwijderen. Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een reinigingsmiddel gebruikt.
Controleren en onderhouden
De corrosiebescherming van de auto behoeft
normaal gesproken geen onderhoud, maar door
de auto schoon te houden, wordt de kans op corrosie verder verkleind. Sterk alkalische of zure reinigingsmiddelen moeten altijd worden vermeden
op glanzende sierdetails. Repareer eventuele
steenslagplekken zo snel mogelijk na constatering.
BELANGRIJK
•
Sommige geverfde kledingstukken (zoals
spijkerbroeken en suède kleding) kunnen
afgeven en voor verkleuring van de bekleding zorgen. In dat geval is het belangrijk
om de verkleurde delen van de bekleding
zo spoedig mogelijk te reinigen en te verzorgen.
•
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen zoals
sproeiervloeistof, wasbenzine of terpentine voor het reinigen van het interieur,
omdat zowel de bekleding als de overige
interieuronderdelen daarbij beschadigd
kunnen raken.
•
Spuit reinigingsmiddelen nooit rechtstreeks op componenten met elektrische
knoppen of bedieningselementen. Maak
ze in plaats daarvan schoon met een
doek die u met het reinigingsmiddel
bevochtigd hebt.
•
Scherpe voorwerpen en klittenbandsluitingen kunnen de stoffen bekleding van
de auto beschadigen.
Gerelateerde informatie
•
Lakschade (p. 413)
}}
411
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Stoffen bekleding en plafondbekleding
Volvo biedt een universeel textielverzorgingsproduct voor stoffen bekleding en plafondbekleding,
waarmee u de bekleding in optimale staat kunt
houden, mits u de instructies opvolgt. Het textielverzorgingsproduct is verkrijgbaar bij een Volvodealer.
Leren bekleding
De leren bekleding van Volvo is behandeld om de
bekleding in oorspronkelijke staat te bewaren.
Leren bekleding is een natuurproduct dat na verloop van tijd een mooi patina krijgt. Voor het
behoud van de eigenschappen en kleur van het
leer is regelmatige reiniging en verzorging vereist.
Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct, Volvo Leather Care Kit/Wipes, waarmee u
leren bekleding kunt reinigen en de beschermende laag kunt herstellen, mits u de instructies
opvolgt.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo de
beschermende crème een- à viermaal per jaar (zo
nodig vaker) op te brengen. U kunt de Volvo Leather Care Kit/Wipes kopen bij een Volvo-dealer.
Leren stuurwiel
Leer moet kunnen ademen. Dek het leren stuurwiel nooit af met kunststof bescherming. Reinigen het leren stuurwiel bij voorkeur met Volvo
Leather Care Kit/Wipes.
412
Interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
WAARSCHUWING
Gebruik voor alle zitplaatsen slechts één
inlegmat tegelijk en controleer alvorens weg
te rijden of de mat voor de bestuurdersstoel
goed in de bevestigingsklemmen op de vloer
vastzit om te voorkomen dat deze kan gaan
glijden en achter of onder de pedalen blijft
haken.
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken geadviseerd,
die verkrijgbaar zijn bij een erkende Volvo-werkplaats.
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit
sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige
vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel
gebruiken dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats.
Veiligheidsgordels
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel en
in het bijzonder het textielreinigingsmiddel dat bij
een erkende Volvo-werkplaats verkrijgbaar is.
Zorg dat de gordel droog is, voordat deze weer
wordt opgerold.
Inlegmatten en vloermat
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart schoon te
kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en
stof te verwijderen. Elk van beide inlegmatten zit
met pennen vast.
Verwijder de inlegmat door de inlegmat bij elk
van beide pennen vast te pakken en recht
omhoog te tillen.
Breng de inlegmat aan door deze bij beide pennen vast te drukken.
Voor vlekken op de vloermat wordt geadviseerd
het speciale reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken nadat u hebt gestofzuigd. U
dient vloermatten te reinigen met de door een
Volvo-dealer geadviseerde producten.
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 408)
ONDERHOUD EN SERVICE
Lakschade
Geringe lakschade herstellen zoals
steenslagschade en krasjes
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. De meest voorkomende soorten lakschade zijn bijvoorbeeld
steenslagplekken, krassen en plekjes op de
spatbordranden, portieren en bumpers.
Geringe lakschade herstellen
Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct herstellen.
•
•
•
•
Grondlak (primer)17 - voor met kunststof
beklede bumpers en dergelijke zijn er spuitbussen met speciale hechtprimer verkrijgbaar.
basislak en heldere lak - verkrijgbaar in spuitbussen en als bijwerkpennen/-stiften18.
Kleurcode exterieur
Eventuele secundaire kleurcode exterieur
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur gebruikt.
Voor de positie van de productsticker zie Typeaanduidingen (p. 416).
Afplaktape.
fijn schuurlinnen17.
Kleurcode
De kleurcodesticker vindt u in de portierstijl van
de auto en wordt zichtbaar zodra het portier
rechtsachter wordt geopend.
17
18
G021832
Eventueel benodigd materiaal
Eventueel.
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen/-stift werden geleverd.
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan 15 °C.
1.
Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van de
lak af om eventuele lakresten te verwijderen.
Als de beschadiging tot de metaallaag
(blanke plaat) reikt, wordt grondlak (primer)
geadviseerd. Bij beschadiging van een kunststof oppervlak moet u een hechtprimer
gebruiken voor betere resultaten - spuit het
middel in de dop van de spuitbus uit en
breng het met een kwastje dun op.
}}
413
ONDERHOUD EN SERVICE
||
2.
Vóór het lakken kunt u zo nodig (bij ongelijkmatige randen bijvoorbeeld) plaatselijk licht
schuren met zeer fijn schuurlinnen. Reinig
het gebied zorgvuldig en laat het goed drogen.
3.
Roer de grondlak (primer) goed om en breng
deze met een fijn kwastje of een lucifer of
iets dergelijks op. Dek het geheel af met
basislak en heldere lak, wanneer de grondlak
droog is.
4.
Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
N.B.
Als de steenslag niet tot het metalen oppervlak (blanke plaat) is doorgedrongen en er
nog steeds een intacte laklaag aanwezig is,
moet u de basislak en heldere lak direct aanbrengen nadat u het oppervlak hebt gereinigd.
Gerelateerde informatie
•
414
Roestwering (p. 411)
SPECIFICATIES
SPECIFICATIES
Type-aanduidingen
Type-aanduiding, chassisnummer enzovoort
(voertuigspecifieke informatie) staan aangegeven op een sticker in de auto.
416
SPECIFICATIES
Positie van stickers en plaatjes
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen of
}}
417
SPECIFICATIES
||
accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om
de type-aanduiding, het chassisnummer en het
motornummer bij de hand te hebben.
N.B.
De in de gebruikershandleiding afgebeelde
stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw auto
aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn alleen
bedoeld om aan te geven hoe de stickers er
in grote lijnen uitzien en waar u ze ongeveer
kunt aantreffen. Op de stickers van de auto
vindt u de informatie die op uw auto van toepassing is.
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal
toelaatbaar gewicht, kleurcode voor lakwerk
en typegoedkeuringsnummer. De sticker zit
op de portierstijl en wordt bij het openen van
het rechter achterportier zichtbaar.
Sticker voor A/C-systeem.
Sticker voor standverwarming.
Motorcode en serienummer van de motor.
Sticker voor motorolie.
Type-aanduiding en serienummer van de versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Identificatienummer van de auto (VIN, Vehicle Identification Number).
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
418
Gerelateerde informatie
•
•
•
Gewichten (p. 420)
Motorspecificaties (p. 423)
Specificaties voor airconditioning (p. 432)
SPECIFICATIES
Maten
In de tabel ziet u de maten van de auto wat de
lengte, hoogte enzovoort betreft.
Maten
mm
Maten
mm
A
Wielbasis
2774
G
Spoorbreedte vooras
1632
B
Lengte
4644
H
Spoorbreedte achteras
1586
C
Laadlengte, vloer, achterbank
neergeklapt
I
Laadbreedte, vloer
1090
1789
J
Breedte
1891
K
Breedte incl. buitenspiegels
2120
L
Breedte incl. ingeklapte buitenspiegels
1891
D
Laadlengte, vloer
E
Hoogte
F
Laadhoogte
972
1713
802
419
SPECIFICATIES
Gewichten
Het maximale totaalgewicht staat aangegeven
op een sticker in de auto.
Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het
gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90% gevuld is en dat van de resterende oliën/vloeistoffen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk
(p. 421) (bij gebruik van een aanhanger) zijn van
invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht –
rijklaar gewicht.
N.B.
Het gedocumenteerde rijklare gewicht geldt
voor een auto in de basisuitvoering, dus een
auto zonder extra uitrusting of opties. Dat
houdt in dat voor elke optie die wordt toegevoegd, de laadcapaciteit van de auto met het
gewicht van de optie afneemt.
Voorbeelden van opties die de laadcapaciteit
verminderen zijn de onderdelen voor de verschillende uitvoeringen (zoals Kinetic/
Momentum/Summum) en andere opties
waaronder: trekhaak, lastdrager, dakbox,
audiosysteem, verstralers, gps-navigatie, verwarming op brandstof, veiligheidsrek, matten,
bagagerolhoes, elektrisch bedienbare stoelen
et cetera.
Voor informatie over de positie van de sticker, zie Typeaanduidingen (p. 416).
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
De auto wegen is een betrouwbare methode
om na te gaan wat het rijklare gewicht van uw
auto is.
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
WAARSCHUWING
Het rijgedrag van de auto verandert door hoe
zwaar de auto beladen is en hoe de lading is
geplaatst.
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 100 kg.
Gerelateerde informatie
•
•
420
Trekgewicht en kogeldruk (p. 421)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 434)
SPECIFICATIES
Trekgewicht en kogeldruk
Het trekgewicht en de kogeldruk voor het rijden
met een aanhanger staan in de tabellen.
Max. gewicht geremde aanhanger
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
N.B.
Voor aanhangers/caravans zwaarder dan
1800 kg wordt een trillingsdemper op de
trekhaak geadviseerd.
Motor
MotorcodeA
Versnellingsbak
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
Alle
Alle
Alle
Tot 1200
50
T5
B4204T11
Automaat, TG-81SC
1600
75
T5 AWD
B4204T11
Automaat, TG-81SC
1800
90
T5
B4204T15
Automaat, TG-81SC
1600
75
T5
B4204T41
Automaat, TG-81SC
1600
75
T6
B4204T9
Automaat, TG-81SC
1800
90
T6 AWD
B4204T9
Automaat, TG-81SC
2000
90
D3
D4204T4
Handgeschakeld, M66
1800
90
D3
D4204T4
Automaat, TG-81SC
1800
90
D4
D4204T14
Handgeschakeld, M66
1800
90
D4
D4204T14
Automaat, TG-81SC
1800
90
}}
421
SPECIFICATIES
||
Motor
MotorcodeA
Versnellingsbak
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
D4 AWD
D5244T21
Handgeschakeld, M66
1800
90
D4 AWD
D5244T21
Automaat, TF-80SD
2000
90
D4 AWD
D5244T17
Handgeschakeld, M66
1800
90
D4 AWD
D5244T17
Automaat, TF-80SD
2000
90
D5 AWD
D5244T22
Handgeschakeld, M66
1800
90
D5 AWD
D5244T20
Automaat, TF-80SD
2000
90
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 416).
A
Max. gewicht ongeremde aanhanger
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
750
50
Gerelateerde informatie
•
•
•
422
Gewichten (p. 420)
Rijden met een aanhanger* (p. 326)
Trailer Stability Assist (TSA) (p. 333)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SPECIFICATIES
Motorspecificaties
De motorspecificaties (vermogen enzovoort)
voor de verschillende motoralternatieven staan in
de tabel.
Motor
MotorcodeA
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
Vermogen
Vermogen
Koppel
(kW bij omw/
min)
(pk bij omw/
min)
(Nm bij omw/min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
Slaglengte
Cilinderinhoud
(mm)
(mm)
(liter)
Compressieverhouding
T5 / T5 AWD
B4204T11
180/5500
245/5500
350/1500–4800
4
82,0
93,2
1,969
10,8:1
T5
B4204T15
162/5500
220/5500
350/1500–4000
4
82,0
93,2
1,969
10,8:1
T5
B4204T41
180/5500
245/5500
350/1500–4800
4
82,0
93,2
1,969
8,6:1
T6 / T6 AWD
B4204T9
225/5700
306/5700
400/2100–4800
4
82,0
93,2
1,969
10,3:1
D3
D4204T4
110/4250
150/4250
350/1500-2500
4
82,0
93,2
1,969
15,8:1
D4
D4204T14
140/4250
190/4250
400/1750–2500
4
82,0
93,2
1,969
15,8:1
D4 AWD
D5244T21
140/4000
190/4000
420/1500–3000
5
81,0
93,2
2,400
16,5:1
D4 AWD
D5244T17
120/4000
163/4000
420/1500–2500
5
81,0
93,2
2,400
16,5:1
D5 AWD
D5244T22
162/4000
220/4000
420/1500–3500
5
81,0
93,2
2,400
16,5:1
D5 AWD
D5244T20
162/4000
220/4000
440/1500–3000
5
81,0
93,2
2,400
16,5:1
A
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 416).
Gerelateerde informatie
•
Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 427)
•
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p. 425)
423
SPECIFICATIES
Motorolie - ongunstige
rijomstandigheden
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De
oliesoort werd met grote zorg geselecteerd
lettend op de levensduur van de motor, de
startgewilligheid, het brandstofverbruik en de
milieu-impact.
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden van
ongunstige rijomstandigheden.
Controleer het oliepeil (p. 370) vaker tijdens langere ritten:
•
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit
en dat zowel bij het bijvullen als bij verversen
van olie. Een negatieve invloed op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het
brandstofverbruik en de milieu-impact is
anders niet uitgesloten.
op hoge snelheden
bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C.
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere ritten
bij lage temperaturen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige
rijomstandigheden. Ze bieden de motor extra
bescherming.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert:
Volvo adviseert de olie in een erkende Volvowerkplaats te laten verversen.
Gerelateerde informatie
•
•
424
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p. 425)
Motorolie - algemeen (p. 369)
SPECIFICATIES
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid
De motoroliekwaliteit en de te hanteren hoeveelheden voor de verschillende motoralternatieven
staan in de tabel.
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
Volvo adviseert:
Motor
MotorcodeA
Oliekwaliteit
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
D4 AWD
D5244T21
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca. 5,9
D4 AWD
D5244T17
Viscositeit: SAE 0W-30
ca. 5,9
D5 AWD
D5244T22
ca. 5,9
D5 AWD
D5244T20
ca. 5,9
}}
425
SPECIFICATIES
||
Motor
MotorcodeA
Oliekwaliteit
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
A
T5 / T5 AWD
B4204T11
T5
B4204T15
Castrol Edge Professional V 0W-20 of VCC RBS0-2AE 0W-20
ca. 5,9
T5
B4204T41
ca. 5,9
T6 / T6 AWD
B4204T9
ca. 5,9
D3
D4204T4
ca. 5,2
D4
D4204T14
ca. 5,2
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 416).
Gerelateerde informatie
426
•
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 424)
•
Motorolie - controleren en bijvullen (p. 370)
ca. 5,9
SPECIFICATIES
Koelvloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
Hoeveelheid
MotorA
(liter)
In de tabel ziet u de aan te houden hoeveelheid
koelvloeistof voor de verschillende motortypes.
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50% water2, zie
verpakking.
N.B.
T5 / T5 AWD
B4204T11
T5
B4204T15
T5
B4204T41
T6 / T6 AWD
B4204T9
A
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
B
8,3 (8,7B)
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op
de motor, zie Type-aanduidingen (p. 416).
Geldt voor een auto met een verwarming op brandstof.
Gerelateerde informatie
Hoeveelheid
MotorA
•
Koelvloeistof - peil (p. 373)
(liter)
2
D4 AWD
D5244T17
D4 AWD
D5244T21
D5 AWD
D5244T22
D5 AWD
D5244T20
D3
D4204T4
D4
D4204T14
8,9
8,9 (9,2B)
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
427
SPECIFICATIES
Transmissieolie - kwaliteit en
hoeveelheid
De voorgeschreven transmissieolie en de hoeveelheid voor de verschillende versnellingsbakopties staan in de tabel.
Handgeschakelde versnellingsbak
Handgeschakelde versnellingsbak
Hoeveelheid (liter)
ca.
M66
A
B
1,9A
ca. 1,45B
Voorgeschreven versnellingsbakolie
BOT 350M3
Betreft vijfcilindermotoren.
Betreft de overige motoren.
Automatische versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
TF-80SD
TG-81SC
A
B
ca. 7,0
ca.
6,6A
ca. 7,5B
Voorgeschreven versnellingsbakolie
AW1
AW1
Benzinemotoren
Dieselmotoren
Automatische versnellingsbak
TG-81SC
428
Hoeveelheid (liter)
Hoeveelheid (liter)
ca. 6,6
Voorgeschreven versnellingsbakolie
AW1
SPECIFICATIES
N.B.
In normale rijomstandigheden hoeft de versnellingsbakolie niet te worden ververst.
Onder ongunstige rijomstandigheden moet
de olie mogelijk wel worden ververst.
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 424)
•
Type-aanduidingen (p. 416)
429
SPECIFICATIES
Remvloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
Stuurbekrachtigingsvloeistof kwaliteit
Remvloeistof is de naam van het middel in een
hydraulisch remsysteem, dat wordt gebruikt om
druk over te brengen vanuit bijvoorbeeld een
rempedaal via een hoofdremcilinder naar een of
meerdere hulpcilinders die op hun beurt een
mechanische rem bedienen.
Stuurbekrachtigingsvloeistof is de naam van het
middel dat in het stuurbekrachtigingssysteem
van de auto wordt gebruikt.
Voorgeschreven kwaliteit: Volvo Original remvloeistof of een vergelijkbaar product.
Gerelateerde informatie
Hoeveelheid: 0,6 liter
Gerelateerde informatie
•
430
Rem- en koppelingsvloeistof - peil (p. 374)
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen stuurbekrachtigingsvloeistof.
•
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil (p. 375)
SPECIFICATIES
Brandstoftank - inhoud
De inhoud van de brandstof voor de verschillende motoralternatieven staat in de tabel.
Motor
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven kwaliteit
Benzinemotor
ca. 70
Brandstof - benzine (p. 321)
Dieselmotor
ca. 70
Brandstof - diesel (p. 322)
Gerelateerde informatie
•
•
Brandstof tanken (p. 319)
Motorspecificaties (p. 423)
431
SPECIFICATIES
Specificaties voor airconditioning
Sticker voor R1234yf
Lampje
De klimaatregeling van de auto maakt, afhankelijk van de markt, gebruik van het koudemiddel
R1234yf of R134a. Op een sticker aan de binnenkant van de motorkap staat informatie over
het koudemiddel dat in de klimaatregeling van
de auto zit.
In de onderstaande tabellen ziet u welke kwaliteit
vloeistoffen en smeermiddelen er in het aircosysteem zitten en in welke hoeveelheden.
A/C-sticker
Sticker voor R134a
Betekenis
Onderhoud aan de mobiele airco
(MAC) is voorbehouden aan een
bevoegd onderhoudsmonteur.
Brandbaar koudemiddel
De sticker zit aan de binnenkant van de motorkap.
Koudemiddel
Toelichting symbolen R1234yf
Auto's met koudemiddel R134a
Lampje
Betekenis
Motor
Gewicht
5-cilinder diesel
720 g
overige
800 g
Voorzichtigheid betrachten
Mobiele airco (MAC)
Voorgeschreven
kwaliteit
R134a
WAARSCHUWING
De sticker zit aan de binnenkant van de motorkap.
432
Type smeermiddel
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk. Service en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend worden
uitgevoerd door een erkende werkplaats.
SPECIFICATIES
Auto's met koudemiddel R1234yf
Gewicht
750 g
Verdamper
Voorgeschreven kwaliteit
BELANGRIJK
R1234yf
Het is niet toegestaan de aircocondensor te
repareren of te vervangen door een gebruikte
condensor. De nieuwe condensor moet conform de SAE-norm J2842 zijn gekeurd en
gemerkt.
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R1234yf onder druk. Conform de
SAE-norm J2845 (“Technician Training for
Safe Service and Containment of Refrigerants
Used in Mobile A/C System”) mogen service
en reparatie aan het koudemiddelsysteem
alleen worden uitgevoerd door een daartoe
bekwaam en bevoegd technicus om de veiligheid van het systeem te garanderen.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregeling - storingen opsporen en verhelpen (p. 376)
•
Type-aanduidingen (p. 416)
Compressorolie
Motor
Hoeveelheid
Voorgeschreven
kwaliteit
Viercilinderversie
60 ml
PAG SP-A2
Vijfcilinderversie
110 ml
PAG SP-A2
433
SPECIFICATIES
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
N.B.
Stadsverkeer
Het brandstofverbruik voor een auto wordt
gemeten in liter per 100 km en de CO2-uitstoot
in gram CO2 per km.
Als de gegevens over brandstofverbruik en
emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement.
Snelwegrit
Combinatierit
Uitleg
gram CO2/km
handgeschakelde versnellingsbak
liter/100 km
Automatische versnellingsbak
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
XC60
434
T5 (B4204T11)
207
8,8
128
5,5
157
6,7
T5 AWD (B4204T11)
231
9,9
143
6,1
175
7,5
T6 (B4204T9)
212
9,1
135
5,8
163
7,0
T6 AWD (B4204T9)
230
9,9
149
6,4
179
7,7
D3 (D4204T4)
127
4,9
111
4,2
117
4,5
D3 (D4204T4)
143
5,5
113
4,3
124
4,7
SPECIFICATIES
XC60
D4 (D4204T14)
127
4,9
111
4,2
117
4,5
D4 (D4204T14)
143
5,5
113
4,3
124
4,7
D4 AWD (D5244T21)
156
5,9
126
4,8
137
5,2
D4 AWD (D5244T21)
176
6,7
134
5,1
149
5,7
D4 AWD (D5244T17)
156
5,9
126
4,8
137
5,2
D4 AWD (D5244T17)
176
6,7
134
5,1
149
5,7
D5 AWD (D5244T22)
156
5,9
126
4,8
137
5,2
D5 AWD (D5244T20)
176
6,7
134
5,1
149
5,7
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in de
bovenstaande tabel zijn gebaseerd op speciale
EU-rijcycli3, die gelden voor een auto met rijklaar
gewicht in standaarduitvoering zonder extra uit3
rusting. Afhankelijk van de uitrusting neemt het
autogewicht toe. Dit alsook de mate van belading
van de auto zorgt voor een verhoging van het
brandstofverbruik en de uitstoot van kooldioxide.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor een
verhoogd brandstofverbruik ten opzichte van de
tabelwaarden. Daarbij valt te denken aan factoren
als:
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu ("EU-rijcycli") conform de EU-richtlijn EU Regulation no 692/2008, 715/2007 (Euro 5 / Euro 6) en
UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer - de meting begint met een koude start van de motor. Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h (0–75 mph). Het betreft hier een gesimuleerde rit. – Bij een auto met handgeschakelde versnellingsbak geldt de 2e
versnelling als wegrijversnelling (betreft auto's met een wielmaat tot 18"). De waarde voor combinatierit, die in de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een combinatie van een stadsrit en een snelwegrit.
CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en leiden tot de gespecificeerde waarde voor de
CO2-uitstoot.
}}
435
SPECIFICATIES
||
•
•
Uw rijstijl.
•
De grotere luchtweerstand bij hogere snelheden.
•
De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de
staat van de auto.
De grotere rolweerstand als u kiest voor grotere wielen dan de standaardwielen op de
basisuitvoering van het model.
Gerelateerde informatie
•
•
Zuinig rijden (p. 325)
Gewichten (p. 420)
Een combinatie van de bovengenoemde factoren
kan een aanzienlijk hoger verbruik opleveren.
Raadpleeg voor meer informatie de richtlijnen
waar eerder aan gerefereerd werd3.
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik
mogelijk bij een vergelijking met de EU-rijcycli3
die gehanteerd worden bij certificering van de
auto en waarop de verbruikscijfers in de tabel
gebaseerd zijn.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, rijden met
een aanhanger/caravan of ritten op grote
hoogte kunnen, afhankelijk van de gebruikte
brandstofkwaliteit, de autoprestaties te wensen overlaten.
3
436
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu ("EU-rijcycli") conform de EU-richtlijn EU Regulation no 692/2008, 715/2007 (Euro 5 / Euro 6) en
UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer - de meting begint met een koude start van de motor. Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h (0–75 mph). Het betreft hier een gesimuleerde rit. – Bij een auto met handgeschakelde versnellingsbak geldt de 2e
versnelling als wegrijversnelling (betreft auto's met een wielmaat tot 18"). De waarde voor combinatierit, die in de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een combinatie van een stadsrit en een snelwegrit.
CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en leiden tot de gespecificeerde waarde voor de
CO2-uitstoot.
SPECIFICATIES
Banden - goedgekeurde
bandenspanning
De goedgekeurde bandenspanningen voor de
verschillende motoralternatieven staan in de
tabel.
XC60
Bandenmaat
Motor
Snelheid
(km/h)
235/65 R 17
Alle motoren
N.B.
Alle motoren, banden of combinaties daarvan
zijn niet altijd beschikbaar op alle markten.
Belading, 1–3 inzittenden
Max. belading
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
0 – 160C
240
240
270
270
270
160+D
240
240
270
270
-
max. 80E
420
420
420
420
-
235/60 R 18
235/55 R 19
255/45 R 20
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
C
D
E
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
0 – 100 mph
100+ mph
max. 50 mph
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden - maten (p. 342)
Banden - bandenspanning (p. 340)
Type-aanduidingen (p. 416)
437
ALFABETISCH REGISTER
ALFABETISCH REGISTER
A
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Kompas
113
Aanbevolen kinderzitjes
tabel
Actief chassis - FOUR-C
200
Actieve parkeerhulp
bediening
Beperkingen
functie
Symbolen en meldingen
279
281
283
280
284
42
Actieve xenonkoplampen
101
aanzuiging, uitlaatgassen, giftig
317
Adaptieve bochtverlichting
101
ACC - Adaptieve cruisecontrol
215
Accu
starten met hulpaccu
291
Achterbank
elektrische verwarming
142
191
191
191
191
189
Achterlichten
positie
383
215
216
222
218
228
219
221
225
221
222
224
220
alarm
alarm controleren
alarmindicatie
alarmsignalen
beperkt alarmniveau
Achterklep
elektrisch bediend
Openen
sluiten
vergrendelen/ontgrendelen
Adaptieve cruisecontrol
functie
inhalen
overzicht
Radarsensor
snelheid instellen
stand-bystand
Storingzoeken
tijdelijk deactiveren
uitschakelen
van cruisecontrolfunctie wisselen
volgtijd instellen
Afdalingsregeling (Hill Descent Control)
299
Antispin
Aanhanger
kabel
pendelbeweging
rijden met een aanhanger
Aanrijding
46
326
326
333
326
Achterruit
elektrische verwarming
112
Achteruitkijkspiegel
autodimfunctie
113
113
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS
bestuurderszijde
passagierszijde
AIRBAG
35
33, 41
34, 35, 41
33, 34
Airbagsysteem
waarschuwingssymbool
32
31
Airconditioning
144
Airconditioning, vloeistof
hoeveelheid en kwaliteit
432
195, 196, 197
178
196
197
197
Alarm
automatische herinschakeling
transpondersleutel defect
196
197
Alarmlichten
103
All Wheel Drive (vierwielaandrijving)
299
Antislipregeling
201
201
Afneembare trekhaak
opbergen
329
Automatische hervergrendeling
Afsluitbare wielbouten
344
Automatische schakelblokkering deactiveren
297
Approach-verlichting
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie
362
106, 176
187
439
ALFABETISCH REGISTER
Automatische versnellingsbak
aanhanger
handmatige schakelstanden (Geartronic)
slepen en bergen
294
327
294
334
Automatische wasstraat
408
Automatisch groot licht
99
Auto met internetaansluiting
afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie
362
Auto opnemen
365
Autosleutelgeheugen
173
Autoverzorging
Leren bekleding
408
412
AWD, vierwielaandrijving
299
B
Bagageafdekking
168
Bagagerek
168
Bagageruimte
bagageafdekking
bagagenet
bevestigingspunten
Verlichting
168
166
165
105
Banden
band afdichten
bandenspanningscontrole
draairichting
onderhoud
profieldiepte
slijtage-indicator
spanning
specificaties
Winterbanden
Bochtverlichting
101
Boordcomputer
122, 124, 128, 131
Botsing, zie Aanrijding
42
Brandstof
brandstofbesparing
brandstoffilter
brandstofverbruik
320, 321, 322
340, 341
323
434
Brandstoftank
inhoud
431
Bandenmaat
342
Buitenmaten
419
Bandenspanningscontrole
351
Buitenspiegels
autodimfunctie
elektrische verwarming
elektrisch inklapbaar
resetten
111
112
112
112
111
Bandenspanningscontrolesysteem
350, 351
Bandenspanningstabel
340
Batterij
Hulponderhoud
StartSymbolen op de accu
transpondersleutel/PCC
Waarschuwingssymbolen
392
388
388
389
181
389
Bedrijfsrem
309, 310, 311
Bekleding
411
Benzinekwaliteit
321
Bergen
336
BLIS
Blokkering achteruitversnelling
440
353
350, 351
339
338
344
340
340, 437
437
344
251, 252
293
Buitentemperatuurmeter
79
C
Camerasensor
235, 247
Chassisstanden
200
City Safety™
233
Claxon
93
Clean Zone Interior Package (CZIP)
136
CO2-uitstoot
434
ALFABETISCH REGISTER
Collision Warning
algemene beperkingen
bediening
Radarsensor
voetgangersdetectie
werking
240, 241
246
244
228, 233
243
241
Collision Warning met Auto Brake
240
Compact reservewiel
345
Condens
Condens in koplamp
ruiten ontdoen van -
408
134
Condens in koplamp
Controlesymbolen
408
71, 74, 75
Corner Traction Control
201
Cruisecontrol
ingestelde snelheid hervatten
snelheid instellen
tijdelijk deactiveren
uitschakelen
208
210
209
210
211
CTA
253
CZIP (Clear Zone Interior Package)
136
D
Dagrijlicht
Dagteller op nul stellen
Dagtellers
420
Dashboardkastje
vergrendelen
160
189
Diesel
brandstofgebrek
322
Dieselolie
322
Distance Alert
Beperkingen
Symbolen en meldingen
211
212
214
Doorluchtfunctie
125, 129
134, 188
Doorsteekluik
164
Doorwaaddiepte
316
Draairichting
339
Driver Alert Control
bediening
259
260
Driver Alert System
259
E
ECC, elektronische klimaatregeling
140
ECO-bandenspanning
437
EcoGuide
97
80, 122
Dakbelasting, max. gewicht
74
Eerste hulp
350
EHBO-kit
350
Elektrisch bedienbare ruiten
resetten
109
110
Elektrisch bedienbare stoel
88
Elektrisch bedienbare zijruiten resetten
110
Elektrisch bediend panoramadak
115
Elektrische aansluiting
bagageruimte
161
165
Elektrische achterklepbediening
191
Elektrische parkeerrem
lage accuspanning
312
Elektrische verwarming
Achterruit
spiegels
Stoelen en achterbank
stuurwiel
Voorruit
112
112
141, 142
94
112
Elektrisch inklapbare buitenspiegels
112
Elektrisch systeem
394
Elektronische klimaatregeling, ECC
140
Elektronische startblokkering
175
ERS - Starten op afstand
287
Etiketten
416
Extra verwarming
elektrisch
op brandstof
155, 156
155
441
ALFABETISCH REGISTER
gloeilampen, specificaties
F
Fietserdetectie
242
Follow Me Home-verlichting
106
FOUR-C - Actief chassis
200
Foutmeldingen
Adaptieve cruisecontrol
Driver Alert Control
LKA
zie Meldingen en symbolen
Foutmeldingen BLIS
FSC, milieulabel
226
261
270
226, 314
255
26
G
Geartronic
Geheugenfunctie stoel
88
Gelaagd glas
26
Gereedschap
349
Gevarendriehoek
348
Gewichten
rijklaar gewicht
420
Gladde wegen
318
Gladheid
318
Glazen
gelaagd/versterkt
442
294
26
384
Gordelspanner
41
Gordelspanners
31
Gordelwaarschuwing
30
Groot licht, automatische activering
99
Groot licht/dimlicht
98
IAQS - Interior Air Quality System
handgeschakelde versnellingsbak
schakelindicatie (GSI)
slepen en bergen
292
293
334
Handgeschakelde versnellingsbak
aanhanger
327
Handmatige schakelstanden (Geartronic)
294
HDC
299
Hill Start Assist
298
Hogedruksproeiers koplampen
108
Hoge motortemperatuur
316
90, 92
90
Hoogte lichtbundel koplampen aanpassen
96
Houder voor boodschappentassen
165
Hulpaccu
392
136
In de was zetten
410
Informatiedisplay
70, 71
Informatietoets, PCC
177, 178
Inlegmatten
161
Inparkeerhulp - PAP
279
Instructieboekje, milieulabel
H
Hoofdsteun
inklappen
middelste zitplaats achterbank
I
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links
auto met stuur rechts
Instrumentenpaneel
26
64, 67
64
67
70, 71
Interieurluchtfilter
135
Interieurverlichting
automatische functie
104
105
Interieurverwarming
149
Interior Air Quality System (IAQS)
luchtreiniging
136
136
Intervalfunctie wisser
107
ALFABETISCH REGISTER
K
Katalysator
Bergen
324
334
Keuzehendelblokkering
297
Keyless Drive
182, 183, 184, 185, 186, 286
Klimaat
algemene informatie
automatische regeling
persoonlijke instellingen
sensoren
temperatuurregeling
werkelijke temperatuur
134
143
137
135
143
134
376
Keyless - ontgrendelen
185
Keyless - vergrendelen
184
Klimaatregeling
reparatie
Kilometerstand
122
Klok, instellen
Kinderen
kinderslot
kinderzitje en airbag
kinderzitje en SIPS-airbag
plaats in de auto
veiligheid
Kinderslot
Kinderveiligheidszitje
aanbevolen
afmetingscategorieën voor kinderzitjes
met ISOFIX-bevestigingssysteem
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes
types
44
53
37
53
44
194
44
46
58
61
59
Kinderzitje
geïntegreerde zittingverhoger met twee
standen
54
ISOFIX-systeem voor kinderzitjes
57
Kleurcode, lak
Koelsysteem
oververhitting
80
316
316
L
Laag oliepeil
370
Lading vervoeren
algemene informatie
bagageruimte
lading op het dak
lange lading
163
163
164
164
Lak
kleurcode
lakschade en herstel ervan
413
413
Lampen
376
Koelvloeistof
hoeveelheid en kwaliteit
427
Lasersensor
237
Koelvloeistof, controleren en bijvullen
373
Lastindex
343
Kompas
kalibreren
113
114
Lekke band
353
Koplampen
377
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften
412
Lichtbundel, aanpassen
102
Lichtbundel aanpassen
102
Lichtbundel koplampen
aanpassen
hoogteregeling
102
96
Koprolbescherming
ROPS (Roll Over Protection System)
Lane Departure Warning -(LDW)
41
Koudemiddel
376
Krik
349
262, 263
Lichtbundel koplampen aanpassen
102
Lichtsignalen, PCC
178
LKA - Rijbaanassistent
266, 267
413
443
ALFABETISCH REGISTER
Luchtreiniging
materiaal
passagiersruimte
137
135, 136, 137
Luchtverdeling
recirculatie
tabel
137
145
147
444
Middenconsole
Milieulabel, FSC, instructieboekje
Mistverlichting
achter
M
Make-upspiegel
verlichting
161
105
Maten
419
Max. dakbelasting
420
Meldingen BLIS
255
Meldingen en symbolen
Adaptieve cruisecontrol
Collision Warning with Auto
Brake
Driver Alert Control
Lane Departure Warning
LKA
Motor- en interieurverwarming
Meters
brandstofmeter
snelheidsmeter
toerenteller
226
239, 249
261
265
270
153
Meldingen op het informatiedisplay
119
Meldingsfuncties
121
Menufuncties
Instrumentenpaneel
menu-overzicht
118
119
70, 72
70, 72
70, 72
160
26
102
Motorremregeling
201
Motorruimte
controleren
koelvloeistof
Motorolie
overzicht
rem- en koppelingsvloeistof
stuurservo-olie
369
373
369
367
374
375
Motorspecificaties
423
149
MY CAR
121
Motor
oververhitting
Start/Stop
starten
uitschakelen
316
301
286
287
Motorverwarming
Motor afzetten
287
N
Motor- en interieurverwarming
directe start
direct uitschakelen
meldingen
timer
150
151
153
151
Motorkap, openen
367
Motorolie
filter
kwaliteit en hoeveelheid
ongunstige rijomstandigheden
369, 424
369
425
424
Motorolie, bijvullen
370
Motoroliepeil controleren
370
Motorrem, automatisch
299
Noodreparatieset banden
353
Noodreparatieset voor banden
band oppompen
overzicht
positie
resultaat controleren
uitvoering
358
354
353
357
355
Nooduitrusting
EHBO-kit
gevarendriehoek
350
348
ALFABETISCH REGISTER
O
Olie, zie ook Motorolie
424, 425
Onderhoud
roestwering
411
Ontgrendelen
van de binnenzijde
van de buitenzijde
187
187
Ontgrendelen met sleutelblad
185
Ontwaseming
144
Op afstand bediende startblokkering
175
Op afstand starten - ERS
287
Opbergmogelijkheden passagiersruimte
158
Opbergmogelijkheid
dashboardkastje
tunnelconsole
Opblaasgordijn
Oververhitting
160
160
38, 41
316, 326
P
PACOS
Paniekfunctie
35
176
Panoramadak
openen en sluiten
Ventilatiestand
zonnescherm
PAP - Actieve parkeerhulp
Park Assist
aan achterzijde
functie
sensoren voor Park Assist
storingsindicatie
116
117
115
Q
Queue Assist
222
279
271, 273
273
271
275
274
Parkeerhulpcamera
Instellingen
275
278
Parkeerrem
312
Partikelfilter
323
Passief startsysteem (Keyless Drive) 182,
183, 184, 185, 186, 286
PCC, Personal Car Communicator
Actieradius
functies
178, 183
176
Peilstok, elektronisch
370, 371
Personal Car Communicator
178
Poetsen
410
Positie buitenspiegels herstellen
111
Powermeter
74
Profieldiepte
344
R
Radarsensor
Beperkingen
216
228
Regeneratie
323
Regensensor
107
Reinigen
Automatische wasstraat
bekleding
veiligheidsgordels
Velgen
wasstraat
408
411
412
409
408
Rem- en koppelingsvloeistof
374
Remlichten
103
Remmen
309, 311
antiblokkeerremsysteem, ABS
310
parkeerrem
312
remkrachtverhoging bij noodstops, EBA 311
Remlichten
103
remsysteem
309, 310, 311
remvloeistof bijvullen
375
symbolen op instrumentenpaneel
310
445
ALFABETISCH REGISTER
Remvloeistof
kwaliteit en hoeveelheid
430
Reservewiel
monteren
Rugleuning
achterbank, omklappen
voorstoel, omklappen
347
Ruiten en spiegels
410
Ruitenwisser voor
Regensensor
107
107
Resetten dagteller
125, 129
Richtingaanwijzer
104
Richtingaanwijzers
104
Rijadviezen
318
Rijbaanassistent
bediening
222
263, 264, 268, 269
Rijbaanassistent - LKA
S
Safelock-functie
deactiveren
tijdelijk deactiveren
193
193
193
Rijden
koelsysteem
met geopende achterklep
318
316
317
Rijden met een aanhanger
kogeldruk
trekgewicht
326
421
421
Rijden tijdens de winter
318
Rijeigenschappen aanpassen
200
Sensus
Rijklaar gewicht
420
Serviceprogramma
362
Ritstatistiek
131
Servicestand
385
Roestwering
411
Sfeerverlichting
105
Roetfilter dieselmotor
323
SIPS-airbag
ROETFILTER VOL
323
Sleepoog
335
Slepen
sleepoog
334
335
ROPS (Roll Over Protection System)
446
266, 267
87
91
87
41
Safety mode
auto verrijden
startpoging
42
44
43
Sleutel
172, 174
Sleutelblad
179, 180
Sleutelstanden
Slijtage-indicator
Slot
kinderSnelheidsbegrenzer
alarm overschrijding snelheid
beknopte bedieningsinstructies
tijdelijk deactiveren
uitschakelen
85
340
44
205
207
205, 206
206
208
Snelheidsklassen, banden
343
Spiegel
achteruitkijk-
113
Schakelblokkering, mechanische vrijgave
297
Spiegels
buiten-
111
Schakelindicatie
293
Spin control
201
Schakelindicatie (GSI)
293
Sproeien voorruit
108
Sproeier
Achterruit
sproeiervloeistof, bijvullen
Voorruit
108
387
108
Sproeiervloeistof
387
Sproeikoppen, verwarmd
108
84
37
Stabiliteits- en tractieregeling
201, 203
ALFABETISCH REGISTER
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
bediening
202
stabiliteitsregeling
201
Stadslicht
96
Start/Stop
automatische motorafslag werkt niet
Functie en bediening
Startaccu
overbelasting
vervangen
301
303
301
291, 317, 388
317
390
Storingsmeldingen
Lane Departure Warning
265
Storingzoeken
Adaptieve cruisecontrol
225
Systeem
is afgegaan
Stuurbekrachtigingsvloeistof
kwaliteit
niveauregeling
430
375
T
Stuurkracht, snelheidsafhankelijk
200
Stuurkrachtniveau, zie Stuurkracht
200
Stuurpaddle
93
287
Lane Departure Warning
LKA
265
270
41
Tanken
Bijvullen
Tankdop
tankklep
tankvulklep, handmatig openen
319
319
319
319
Temperatuur
werkelijke temperatuur
134
Temperatuurregeling
143
TM - Tyre Monitor
351
Startblokkering
175
Stuurslotfout
Starten met hulpaccu
291
Steenslagplekken en krassen
413
Stickers
416
Stuurwiel
elektrische verwarming
paddle
Stuur afstellen
Toetsenset
92
94
93
92
93
Stuurwiel afstellen
92
Toeteren
93
Support
16
Toetsensets op stuurwiel
93
Stoel, zie Stoelen en achterbank
87
Stoelen en achterbank
87
elektrisch bediend
88
elektrische verwarming
141, 142
Hoofdsteunen achterbank
90
Ruggedeelte(n) achterbank neerklappen
91
ruggedeelte(n) achterbank vooroverklappen
87
Stoffen die allergieën en/of astma kunnen
verwekken
136
Storingsdiagnose van camerasensor
236
Symbolen
Controlesymbolen
Waarschuwingssymbolen
Symbolen en meldingen
Adaptieve cruisecontrol
Collision Warning with Auto
Brake
Driver Alert Control
71, 74, 75
71, 74
226
Totaalgewicht
Traction Control
Trailer Stability Assist
Transmissie
239, 249
261
420
TPMS - Tyre Pressure Monitoring System 350
Transponder
Transpondersleutel
Actieradius
201
202, 333
292
21
172, 173, 174
177, 183
447
ALFABETISCH REGISTER
afneembaar sleutelblad
batterij vervangen
functies
zoekgeraakt
179, 180
181
176
172
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring
198
Trekgewicht en kogeldruk
Trekhaak
afneembaar, aanbrengen
afneembaar, verwijderen
specificaties
Trekhaak, zie Trekinrichting
Trekhaak - afneembaar
monteren/demonteren
Trillingsdemper
TSA, Trailer Stability Assist
Tunnelconsole
12V-aansluiting
aansteker en asbak
Tunneldetectie
448
421
328, 329
330
332
329
328
330, 332
U
Vergrendelingsindicatie
174
Uitstoot van kooldioxide
Verkeersbordinformatie
bediening
Beperkingen
256
256
258
434
V
Veiligheidsgordel
Achterbank
gordelspanner
gordelwaarschuwing
losnemen
omdoen
zwangerschap
28
30
31
30
29
29
30
Veiligheidsrek
168
328
Velg, maten
342
202, 333
Velgen
Reinigen
409
Ventilatie
137
Ventilator
ECC
142
Vergrendelen/ontgrendelen
achterklep
binnenzijde
dashboardkastje
189
187
189
Vergrendeling
ontgrendelen
vergrendelen
187
187
161
160
97
Typeaanduidingen
416
Typegoedkeuring
radarsysteem
transpondersleutelsysteem
230
198
Verlichting
actieve xenonkoplampen
101
adaptieve bochtverlichting
101
Approach-verlichting
106, 176
automatische verlichting, interieur
105
automatisch groot licht
99
Bedieningselementen
94, 104
bochtverlichting
101
dagrijlicht
97
Follow Me Home-verlichting
106
gloeilampen, specificaties
384
groot licht/dimlicht
98
in interieur
104
Koplamphoogteregeling
96
mistachterlicht
102
Stadslicht
96
tunneldetectie
97
Verlichting display
95
Verlichting instrumentenpaneel
95
verlichting van bedieningselementen
95
Verlichting, gloeilampen vervangen
achterlamphuis
bagageruimte
kentekenplaatverlichting
make-upspiegel
richtingaanwijzers, voor
376
382
383
383
384
381
ALFABETISCH REGISTER
Verlichting, lamp vervangen
dimlicht (auto's met halogeenkoplampen)
379
groot licht (auto's met actieve xenonkoplampen)
381
groot licht (auto's met halogeenkoplampen)
380
Verlichting display
95
Verlichting instrumentenpaneel
95
Verlichtingsbediening
94
Verlichting van bedieningselementen
95
Vermogen
423
Versnellingsbak
automaat
handgeschakeld
292
294
292
Versnellingsbakolie
hoeveelheid en kwaliteit
428
Verwarmde sproeikoppen
108
Verwarming op brandstof
timer
151
Vierwielaandrijving, AWD
299
Vlekken
411
Vloeistoffen, hoeveelheden
387, 427,
428, 430, 431, 432
Vloeistoffen en oliën
427, 428, 430, 432
Voetgangersbescherming
240
Volgtijd instellen
212
Volvo ID
22
Volvo Sensus
84
Voorruit
elektrische verwarming
112, 144
W
Waarschuwingsgeluid
Collision Warning
244
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol
Collision Warning
stabiliteits- en tractieregeling
216
244
201
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)
dynamo laadt niet bij
gordelwaarschuwing
Lage oliedruk
parkeerrem ingeschakeld
storing in remsysteem
Waarschuwing
Waarschuwingssymbolen
77
77
30, 77
77
77
77
77
71, 74, 77
Warmtereflecterende voorruit
Wasstraat
21
408
Water- en vuilafstotende laag
410
Water- en vuilafstotende laag, reinigen
410
Whiplash, WHIPS
WHIPS
kinderzitje/verhogingskussen
WHIPS-systeem
zithouding
39
39
39, 41
40
Wielbouten
afsluitbare
344
344
Wielen
demonteren
monteren
Sneeuwkettingen
345
347
344
Wiel vervangen
345
Winterbanden
344
Wisserblad
achterruit vervangen
Reinigen
Servicestand
vervangen
385
386
387
385
386
Wissers en -sproeiers
107
Z
Zekeringen
algemene informatie
in bagageruimte
in koude zone motorruimte
in motorruimte
394
404
406
396
449
ALFABETISCH REGISTER
in regeleenheid onder dashboardkastje
onder het dashboardkastje
vervangen
Zekeringenkastje
450
402
400
394
395
Zij-airbag, SIPS
37, 41
Zittingverhoger
inklappen
uitklappen
zithouding
57
55
54
Zonnescherm
panoramadak
115
Zuinig rijden
325
TP 21076 (Dutch), AT 1617, MY17, Printed in Sweden, Göteborg 2016, Copyright © 2000-2016 Volvo Car Corporation
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising