Volvo | XC60 | Quick Guide | Volvo XC60 2011 Late Quick Guide

Volvo XC60 2011 Late Quick Guide
VOLVO XC60
QUICK GUIDE
WEB EDITION
GEFELICITEERD MET UW NIEUWE VOLVO!
Het ontdekken van een nieuwe auto is een spannende bezigheid.
Neem deze Quick Guide door om snel vertrouwd te raken met enkele van de
meest gebruikelijke functies.
Alle waarschuwingsteksten, andere belangrijke gegevens en meer
gedetailleerde informatie vindt u alleen in het instructieboekje – deze folder
bevat slechts een kleine greep daaruit.
In het instructieboekje staat bovendien de meest recente en meest actuele
informatie.
Opties staan aangegeven met een sterretje (*).
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
TRANSPONDERSLEUTEL MET PCC* (PERSONAL CAR COMMUNICATOR)
PCC*
1 Groen lampje: De auto is vergrendeld.
2 Oranje lampje: De auto is ontgrendeld.
3 Rood lampje: Het alarm is afgegaan.
4 Rode lampjes lichten beurtelings op: Het
alarm ging minder dan 5 minuten geleden
af.
Portieren en achterklep vergrendelen en
alarm* activeren. Na 10–25 seconden
worden de sloten en binnenste openingshandgrepen geblokkeerd. De portieren
zijn daarna ook niet meer van de buitenzijde te openen.
PortierenA alsmede achterklep ontgrendelen en alarm deactiveren.
Achterklep ontgrendelen – hij wordt niet
geopendB.
“Approach”-verlichting. Buitenspiegelverlichting*, richtingaanwijzers en
stadslichten, alsmede kentekenplaat-,
interieur- en instapverlichting activeren.
Paniekfunctie. In een noodsituatie ca. 3
seconden lang ingedrukt houden om het
alarm te laten afgaan.
Informatie over de status van de auto
die binnen een straal van 20 meter te
ontvangen is.
– Toets indrukken en 7 seconden wachten.
Bij het indrukken van de toets zonder
ontvangst verschijnt de meest recente
status uit het geheugen.
A
Als geen van de portieren noch de achterklep binnen
2 minuten na ontgrendeling wordt geopend, worden
deze na enige tijd automatisch opnieuw vergrendeld.
B
Elektrisch bedienbare achterklep gaat open.
ELEKTRONISCHE KLIMAATREGELING, ECC*
HANDMATIGE REGELING
2 Elektrische verwarming linker/rechter stoel.
3 Max. ontwaseming. Alle lucht op maximale
snelheid naar de voorruit en zijruiten.
4 Eraan draaien om ventilatorsnelheid te wijziAUTOMATISCHE REGELING
In de stand AUTO regelt het ECC-systeem automatisch alle functies voor een groter bedieningsgemak en optimale luchtkwaliteit.
1 Eraan draaien voor onafhankelijke temperatuurinstelling links/rechts in de passagiersruimte. De gekozen temperatuur staat op het
display.
8 Indrukken om de gekozen temperatuur en
de overige functies automatisch te laten
regelen.
5
6
7
9
gen.
Luchtverdeling.
Elektrische verwarming achterruit en buitenspiegels Aan/Uit.
Recirculatie.
AC – Airconditioning Aan/Uit. Voor koeling
interieur en ontwaseming ruiten.
MOTOR STARTEN
– Transpondersleutel in het contactslot plaatsen
en tot aan de aanslag naar binnen duwen.
– Het koppelings- of rempedaal bedienen.
KOUDE START
– Knop kort indrukken om de
motor te starten.
N.B.
Na een koude start is het stationaire toerental
verhoogd ongeacht buitentemperatuur. Het
tijdelijk verhoogde stationaire toerental is
onderdeel van Volvo’s effectieve uitlaatgasreinigingssysteem.
MOTOR AFZETTEN EN TRANSPONDERSLEUTEL UITNEMEN
1. Knop kort indrukken – motor
slaat af.
BLIS, BLIND SPOT INFORMATION
SYSTEM*
Als het controlelampje voor BLIS soms oplicht
zonder dat u andere voertuigen in de dode
hoeken kunt waarnemen, is er wellicht sprake
van reflecties op een glad en nat wegdek of
laag staande zon in de camera.
Bij een storing in het systeem verschijnt op het
display de melding BLIS Service vereist.
RUITENWISSERS EN REGENSENSOR*
1 Regensensor Aan/Uit, met hendel in stand 0.
2 Gevoeligheid sensor of duur intervalfunctie
instellen.
3 Wisser achterruit – intervalfunctie/normale
functie.
A
Enkele wisslag
0
Uit
B
Intervalfunctie, zie ook (2).
C
Normale wissnelheid.
D
Hoge wissnelheid.
E
Sproeiers voorruit en koplampen.
F
Sproeier achterruit.
Brandt bij een actieve regensensor.
SLEUTELSTANDEN
Om de volgende sleutelstanden te bereiken zonder de motor te starten: Rem- en/of koppelingspedaal niet bedienen.
Stand
Actieve functies
Transpondersleutel niet ingeduwd–
Audiosysteem en interieurverlichting.
Transpondersleutel naar binnen geduwd
– Verlichting instrumenten/klok, stuurslot
opgeheven.
Sleutel naar binnen geduwd en START
kort ingedrukt – Schuifdak*, elektrisch
bedienbare ruiten, ventilator, ECC, ruitenwissers, 12V-aansluitingen, RTI*.
Om sleutelstand 0/I te verlaten en alle stroomverbruikers uit te schakelen: Sleutel uit contactslot nemen.
AUDIOSYSTEEM
1 Eraan draaien om het volume bij regelen.
2 Lang indrukken om AAN/UIT te zetten. Kort
indrukken om geluid aan/uit te zetten.
3 Indrukken om te kiezen uit AM, FM1, FM2,
DAB1* of DAB2*.
5 Indrukken om te kiezen uit DISC, USB*,
iPod®*, AUXA, Media BT* of Tv*.
RADIO
6 Eraan draaien om een zender te kiezen.
7 Zender zoeken met de pijl-links/pijl-rechts.
Lang indrukken om de best doorkomende
zenders door te bladeren of kort indrukken
om de vastgelegde zenders door te bladeren. Zenders opslaan door bij de gewenste
zender een van de cijfertoetsen 0–9 ingedrukt te houden, totdat er een bevestiging
op het display verschijnt.
A
AUX-aansluiting voor bijvoorbeeld een mp3-speler
(voor optimale geluidsweergave het spelervolume op
half zetten). Volume geluidsbron aangesloten op AUXaansluiting aanpassen met TUNE (6).
iPod® is het gedeponeerde handelsmerk van Apple
Computer Inc.
B
8 Indrukken om te kiezen uit Bas, Treble of
Surround* – Aan VOL (1) draaien om bij te
regelen.
Cd-/dvd*-speler
5 Bij indrukken wordt de cd uitgeworpen.
6 Eraan draaien om van cd-track in de
afspeellijst te wisselen.
7 Van cd-track wisselen met de pijl-links/
pijl-rechts of lang indrukken om vooruit of
achteruit te spoelen.
Via de AUX- of USB-aansluiting in de middenconsole is het mogelijk een iPod®B of mp3-speler aan te sluiten op het audiosysteem. Een op
de USB-aansluiting aangesloten iPod® wordt
bovendien bijgeladen.
DIGITALE RADIO (DAB)*
Het systeem voor digitale overdracht van
radiosignalen Digital Audio Broadcasting biedt
kwaliteitsradio en meer kanalen.
BESTUURDERSONDERSTEUNENDE SYSTEMEN
Pedestrian Detection (voetgangersdetectie)
waarschuwt en remt niet bij rijsnelheden
boven 80 km/h en werkt niet in het donker
of in tunnels. Het kan geen voetgangers
registreren die niet geheel zichtbaar zijn,
een lengte van minder dan 80 cm hebben
of kleding dragen die de lichaamscontouren
verhullen.
CITY SAFETY™ EN COLLISION WARNING MET
FULL AUTO BRAKE EN PEDESTRIAN DETECTION*
Deze systemen helpen de bestuurder een botsing te voorkomen in situaties waarbij wijzigingen
in de afstand tot voorliggers in combinatie met
onoplettendheid tot een incident kunnen leiden.
WAARSCHUWING
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op de juiste wijze bestuurt en
voldoende afstand houdt afhankelijk van de
rijsnelheid.
City Safety™ is slechts een hulpmiddel en
ontslaat bestuurders nooit van hun plicht
de aandacht bij het verkeer op de weg te
houden en de auto op een veilige manier te
besturen.
ANDERE BESTUURDERSONDERSTEUNENDE
SYSTEMEN*
Om de bestuurder te helpen en bijvoorbeeld
tijdig te remmen, voldoende afstand te houden
tot voorliggers, op voertuigen te letten die in de
zogeheten dode hoek en in dezelfde richting rijden of een optimale positie op de weg te houden,
kan de auto zijn uitgerust met tal van systemen:
Adaptieve cruisecontrol*
Afstandscontrole*
BLIS (Blind Spot Information System)*
Driver Alert Control*
Lane Departure Warning*.
Zie het hoofdstuk “Comfort en rijplezier” in het
instructieboekje voor meer informatie over deze
systemen en hun beperkingen.
OPBERGMOGELIJKHEDEN, 12V-AANSLUITINGEN & AUX/USB*
De 12V-aansluitingen in de passagiersruimte
werken in sleutelstand I of II. De 12V-aansluiting* in de bagageruimte is altijd actief.
Met de AUX/USB*-aansluiting is het mogelijk
om muziek op bijvoorbeeld een mp3-speler te
beluisteren via het audiosysteem van de auto.
BELANGRIJK
Bij gebruik van de 12V-aansluiting in de bagageruimte met de motor afgezet kan de accu
uitgeput raken.
BOORDCOMPUTER EN DAGTELLER
1 T1 & T2 – onafhankelijke dagtellers die altijd
2
3
4
5
6
7
8
actief zijn.
Brandstofmeter. De pijl van het symbool
geeft de kant aan waar de tankdop zit.
Laag brandstofpeil. Bij een brandend
lampje zo spoedig mogelijk tanken.
Display voor boordcomputer. Functie kiezen met (8).
Klok. In te stellen in het menusysteem MY
CAR of met (6).
Kort indrukken om te wisselen tussen T1
& T2. Lang indrukken om actuele teller te
resetten.
Klok instellen: Tot aan de aanslag draaien
en vervolgens met een ‘klik’ verder draaien.
Indrukken om een melding te laten verschijnen/verdwijnen.
Eraan draaien om de boordcomputeropties
te zien.
STUURWIEL INSTELLEN
7
8
9
9 Kort indrukken om de actuele boordcomputerfunctie op nul te stellen.
Lang indrukken om alle boordcomputerfuncties op nul te stellen.
N.B.
Displaymelding ---- km actieradius is een
indicatie van het aantal kilometers dat u met
de resterende brandstofvoorraad kunt afleggen op basis van de eerdere rijomstandigheden.
BEPERKT ALARMNIVEAU
Om te voorkomen dat het alarm afgaat – wanneer er bijvoorbeeld een hond in de auto wordt
achtergelaten of gebruik wordt gemaakt van
een veerverbinding/autotrein – dient u de
bewegingsmelder tijdelijk uit te schakelen.
Zie het hoofdstuk “Sloten en alarm” in het
instructieboekje.
WAARSCHUWING
Het stuurwiel instellen vóórdat u gaat rijden
– nooit tijdens het rijden.
VERLICHTINGSBEDIENING
Verlichting display en instrumentenpaneel.
Mistachterlicht (alleen bestuurderszijde).
Automatisch dimlicht. Grootlichtsignalen geven is mogelijk, maar het normale
groot licht werkt niet.
Stadslichten voor/achterlichten
Dimlicht. Dooft bij het afzetten van de
motor. Het is mogelijk groot licht te
voeren.
Tankvulklep openen.
A
Grootlichtsignalen
B
Wisselen groot licht/dimlicht en “Follow
Me Home”-verlichting.
BESTUURDERSONDERSTEUNENDE
SYSTEMEN
Om de bestuurder te helpen om tijdig te remmen, een veilige afstand tot voorliggers te houden of een goede positie binnen de rijstrook
aan te houden, is de auto mogelijk uitgerust
met een of meer van de volgende systemen:
• Adaptieve cruisecontrol*
• Afstandscontrole*
• Botswaarschuwing met automatische rem*
• Driver Alert System*.
Handmatige koplamphoogteregeling
(automatisch bij Xenon-verlichting*).
Achterklep ontgrendelen.
BLUETOOTH*
1. Mobiele telefoon identificeerbaar/zichtbaar
maken.
2. PHONE-toets audiosysteem ingedrukt
houden.
3. Telefoon toevoegen kiezen op het display
van het audiosysteem.
4. Aan te sluiten telefoon kiezen.
5. Via de toetsenset van de mobiele telefoon
de cijfers invoeren die op het display van
het audiosysteem staan.
ELEKTRISCH BEDIENBAAR PANORAMADAK*
Bij handmatige bediening eerst het zonnescherm maximaal openen om het dak te kunnen
bedienen.
Bij activering/deactivering van de ventilatiestand
wordt het zonnescherm automatisch geopend/
gesloten.
Automatisch maximaal openen.
Handmatig openen.
C Handmatig sluiten.
D Automatisch maximaal sluiten.
E Ventilatiestand activeren.
F Ventilatiestand deactiveren.
A
B
Knop eenmaal indrukken om het zonnescherm
te bedienen en tweemaal voor het panoramadak.
EBA, EMERGENCY BRAKE ASSIST
VOORSTOEL INSTELLEN
De remkrachtverhoging bij noodstops helpt
de remkracht verhogen om op die manier de
remweg te verkorten. Het EBA-systeem wordt
geactiveerd wanneer u krachtig remt. Wanneer
EBA geactiveerd wordt, zakt het rempedaal
iets verder omlaag dan normaal.
– Rempedaal bedienen zolang dat nodig is
– de remmen worden volledig gelost, als u het
rempedaal loslaat.
Voor de lak is het beter om de auto met de
hand te wassen dan in een automatische
wasstraat. Een nieuwe laklaag is bovendien
kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt
daarom geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen met
de hand te wassen.
Schoon water en een spons gebruiken. Erop
letten dat vuil en zand krassen op de lak kunnen veroorzaken.
PARKEERREM
Lendensteun
Hellingshoek ruggedeelte.
Stoel omhoog/omlaag.
VOORKANT ZITGEDEELTE OMHOOG/
OMLAAG.
5 Vooruit/achteruit.
6 Rugleuning passagiersstoel omklappen.
1
2
3
4
ELEKTRISCHE ACHTERKLEPBEDIENING*
Aanzetten
– Op de handgreep drukken. Het waarschuwingslampje knippert, totdat de parkeerrem
volledig is aangezet – waarna het lampje
continu brandt.
Lossen
1. Sleutelstand 0 of I.
2. Rempedaal bedienen en voorzichtig aan
knop trekken.
Automatisch lossen
– Wegrijden. (Bij auto’s met automatische
versnellingsbak dient de bestuurder de
veiligheidsgordel te dragen.)
Openen
– Knop voor achterklep op verlichtingspaneel/
transpondersleutel ingedrukt houden totdat
achterklep wordt geopend.
– Of met rubber beklede drukplaatje onder buitenhandgreep licht indrukken en klep openen.
Sluiten
– Op sluitknop op achterklep drukken of klep
handmatig sluiten.
TP 12769 (Dutch). AT 1046. Printed in Sweden, Göteborg 2010. Copyright © 2000–2010 Volvo Car Corporation.
AUTOVERZORGING
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising