Volvo | XC60 | Gebruikershandleiding | Volvo XC60 2011 Early Gebruikershandleiding

Volvo XC60 2011 Early Gebruikershandleiding
VOLVO XC60
INSTRUCTIEBOEKJE
Web Edition
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het
ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw
Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om
vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
00 01 02
4
00 Inleiding
01 Veiligheid
Belangrijke informatie................................. 8
Volvo en het milieu.................................... 13
Veiligheidsgordels ....................................
Airbags......................................................
Airbag activeren/deactiveren*...................
SIPS-airbags (zij-airbags) ........................
Opblaasgordijnen (IC-systeem) ...............
WHIPS ......................................................
Roll-Over Protection System (ROPS)........
Activering van de veiligheidssystemen ....
Safety mode..............................................
Kinderen en veiligheid...............................
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm
18
21
24
26
28
29
31
32
33
34
Transpondersleutel/sleutelblad.................
Batterij vervangen transpondersleutel/
PCC*.........................................................
Keyless drive*............................................
Vergrendelen/ontgrendelen......................
Kinderslot..................................................
Alarm*.......................................................
48
54
56
59
64
65
Inhoud
03 04 05
03 Bestuurdersmilieu
04 Comfort en rijplezier
Instrumenten, schakelaars en bediening. . 70
Sleutelstanden.......................................... 78
Stoelen en achterbank.............................. 80
Stuurwiel................................................... 85
Verlichting................................................. 86
Wissers en -sproeiers............................... 96
Ruiten en spiegels..................................... 99
Kompas*................................................. 104
Elektrisch bedienbaar panoramadak* .... 106
Alcoguard*.............................................. 109
Motor starten.......................................... 113
Motor starten, hulpaccu.......................... 115
Versnellingsbakken................................. 116
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel
Drive)*...................................................... 121
Bedrijfsrem.............................................. 122
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control).......................................................... 124
Parkeerrem.............................................. 126
Menu- en meldingsfuncties....................
Klimaatregeling.......................................
Motor- en interieurverwarming op brandstof*.........................................................
Extra verwarming*...................................
Audiosysteem.........................................
Boordcomputer.......................................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem,
DSTC.......................................................
Rijeigenschappen aanpassen.................
Cruisecontrol*.........................................
Adaptieve cruisecontrol*.........................
Afstandscontrole*....................................
City Safety™...........................................
Collision Warning with Auto Brake*........
Driver Alert System – DAC*.....................
Driver Alert System – (LDW)*..................
Park Assist*.............................................
Park Assist-camera*...............................
BLIS* – Blind Spot Information System. .
Interieurcomfort......................................
Bluetooth handsfree*..............................
Geïntegreerde telefoon*..........................
HomeLinkŸ *............................................ 129
05 Tijdens het rijden
134
141
149
152
153
167
Rijadviezen..............................................
Tanken....................................................
Brandstof................................................
Lading vervoeren....................................
Bagageruimte..........................................
Rijden met een aanhanger......................
Slepen en bergen....................................
228
231
232
236
239
242
249
169
171
172
174
182
185
190
196
199
202
205
208
212
215
221
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5
Inhoud
06 07 08
06 Wielen en banden
Algemene informatie ..............................
Wielen verwisselen .................................
Bandenspanning ....................................
Gevarendriehoek en EHBO-set*.............
Provisorische bandenreparatie (TMK)* . .
6
07 Onderhoud en service
254
259
262
263
264
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Motorruimte............................................
Gloeilampen............................................
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof.
Accu........................................................
Zekeringen..............................................
Verzorging...............................................
08 Specificaties
270
277
283
285
288
296
Type-aanduidingen.................................
Maten en gewichten................................
Motorspecificaties...................................
Motorolie.................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen...............
Brandstof................................................
Wielen en banden, maten en spanning ..
Elektrisch systeem..................................
Typegoedkeuring....................................
Displaysymbolen.....................................
304
306
310
311
313
315
317
319
320
321
Inhoud
09
09 Alfabetisch register
Alfabetisch register................................. 324
7
Inleiding
Belangrijke informatie
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
©
Volvo Car Corporation
Optie
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje* in het instructieboekje.
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit instructieboekje ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
De uitrusting die in het instructieboek wordt
beschreven is niet op alle auto’s aanwezig –
welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
8
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Displaymeldingen
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
In de auto zijn displays aanwezig waarop meldingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld Audioinstellingen).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
Inleiding
Belangrijke informatie
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met
mogelijk dodelijke afloop.
Informatie
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
G031593
Gevaar voor materiële schade
G031592
Gevaar voor lichamelijk letsel
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
9
Inleiding
Belangrijke informatie
Procedurelijsten
Opsommingslijsten
Accessoires en extra uitrusting
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
• Koelvloeistof
• Motorolie
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
een hoofdstuk wordt voortgezet op de volgende pagina.
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt geladen. Volvo adviseert u daarom altijd contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats,
voordat u accessoires monteert die in verbinding staan met of van invloed zijn op het elektrische systeem.
Vastlegging van gegevens
Lasersensor
De rij- en veiligheidssystemen van de auto
maken gebruik van computers die de functie
van de auto controleren en onderling gegevens
uitwisselen. Een of meer van deze computers
leggen bij een aanrijding of bijna-aanrijding
mogelijk informatie vast over de systemen die
ze bij normale ritten bewaken. De vastgelegde
informatie wordt mogelijk gebruikt door:
Deze auto is voorzien van een sensor die
laserstraling uitzendt. Het is daarom essentieel
dat u de aangegeven instructies opvolgt bij het
hanteren van de lasersensor.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
10
Bijvoorbeeld:
Zie ommezijde
`` Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
•
•
•
•
Volvo Car Corporation
Service- of reparatiewerkplaatsen
Politie en andere instanties
Derden die wettige aanspraken maken op
kennisname van de informatie of iemand
die door de autobezitter gevolmachtigd is
tot kennisname van de informatie.
De volgende twee stickers met Engelse tekst
zitten op de lasersensormodule:
Inleiding
Belangrijke informatie
Maximale pulsenergie
WAARSCHUWING
2,64 μJ
Maximaal gem. vermogen
45 mW
Als u de instructies in dit boekje niet opvolgt,
is het gevaar voor oogletsel groot!
Pulsduur
33 ns
•
Divergentie (horizontaal × verticaal)
28° × 12°
Kijk nooit van een afstand van 100 mm
of minder in de lasersensor (waaruit uiteenlopende, onzichtbare laserstralen
komen) met vergrotende optiek zoals
een vergrootglas, microscoop, objectief
of soortgelijke optische instrumenten.
•
Laat het testen, repareren, demonteren,
afstellen en/of vervangen van de lasersensor of delen ervan over aan een
erkende werkplaats, bij voorkeur aan
een erkende Volvo-werkplaats.
•
Stel de lasersensor niet bij en voer geen
onderhoud uit dat niet uitdrukkelijk in dit
boekje staat aangegeven om blootstelling aan schadelijke straling tegen te
gaan.
•
De reparateur dient de speciaal opgestelde werkplaatsinformatie voor de
lasersensor te volgen.
•
Demonteer de lasersensor niet (en verwijder de lenzen evenmin). Een gedemonteerde lasersensor is een laserproduct klasse 3B volgens de IEC-norm
60825-1. Een laserproduct klasse 3B is
niet veilig voor de ogen en houdt dan
ook een gevaar voor oogletsel in.
Op de bovenste sticker in de afbeelding staat
de classificatie van het laserlicht:
• Laserstraling - Niet rechtstreeks in de
straal kijken met optische instrumenten Klasse 1M laserproduct.
Op de onderste sticker staan de fysische
eigenschappen van het laserlicht:
• IEC 60825-1:1993 + A2:2001. Voldoet aan
de normen van de FDA (Amerikaanse keuringsdienst van waren) betreffende de uitvoering van laserproducten met uitzondering van de afwijkingen conform “Laser
Notice No. 50”, d.d. 26 juli 2001.
Stralingsgegevens voor lasersensor
De fysische gegevens staan nader omschreven in de volgende tabel.
11
Inleiding
Belangrijke informatie
•
Koppel de connector van de lasersensor los voordat u deze van de voorruit
demonteert.
•
Zorg dat de lasersensor op de voorruit
gemonteerd is alvorens de connector
aan te sluiten.
•
De lasersensor zendt laserlicht uit wanneer de transpondersleutel in stand II
staat, ook al is de motor afgezet (zie
pagina 78 voor de sleutelstanden).
Voor meer informatie over de lasersensor, zie
pagina 185.
Informatie op internet
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
12
Inleiding
Volvo en het milieu
G000000
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation die van invloed zijn
op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het verkeer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
13
Inleiding
Volvo en het milieu
Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Ze voldoen dan ook aan de eisen van de norm
Öko-Tex 1001 – een enorme stap op weg naar
een gezonder milieu in de passagiersruimte.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoorbeeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte stoffen. De leren bekledingsvarianten zijn chroomvrij gelooid en voldoen
aan de gestelde certificeringseisen.
1
14
Meer informatie staat op www.oekotex.com
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
Volvo stelt duidelijke milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen – hier volgen enkele tips:
• Voorkom stationair draaien – zet de motor
af wanneer u langere tijd stilstaat. Houdt u
zich aan de plaatselijke voorschriften.
• Rijd economisch – rijd anticiperend.
• Voer service en onderhoud uit volgens de
aanwijzingen in het instructieboekje – houd
de geadviseerde intervallen in het Serviceen garantieboekje aan.
• Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming*, als de auto hiermee is
uitgerust – dit verbetert de startgewilligheid, beperkt de slijtage bij koud weer en
zorgt ervoor dat de motor sneller op
bedrijfstemperatuur komt, waardoor het
brandstofverbruik en de uitstoot afnemen.
• Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand – bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
• Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor het
milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. Neem contact
op met een werkplaats bij twijfel over de
juiste manier van verwerken van dergelijk
afval – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Wanneer u deze tips opvolgt, kunt u geld
besparen, zuiniger omspringen met de hulpbronnen op aarde en uw auto langer doen
meegaan. Zie pagina 228 en 316 voor meer
informatie en meer tips.
Recycling
Milieumatig verantwoorde recycling van de
auto vormt een belangrijk aspect van de milieuzorg van Volvo. De auto is nagenoeg geheel
te recyclen. De laatste eigenaar van de auto
Inleiding
Volvo en het milieu
wordt daarom verzocht contact op te nemen
met een dealer voor de locatie van een gecertificeerd/erkend recyclingsbedrijf.
Milieu-aspecten van het
instructieboekje
Het FSC-symbool geeft aan dat de papiervezels waarvan deze publicatie gemaakt is
afkomstig zijn uit FSC-gecertificeerde bossen
of andere gecontroleerde bronnen.
15
Veiligheidsgordels ..................................................................................
Airbags....................................................................................................
Airbag activeren/deactiveren*.................................................................
SIPS-airbags (zij-airbags) .......................................................................
Opblaasgordijnen (IC-systeem) .............................................................
WHIPS ....................................................................................................
Roll-Over Protection System (ROPS)......................................................
Activering van de veiligheidssystemen ..................................................
Safety mode............................................................................................
Kinderen en veiligheid.............................................................................
16
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
18
21
24
26
28
29
31
32
33
34
VEILIGHEID
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
Algemene informatie
Op de achterbank passen de borglippen van
de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende
sluitingen1.
Veiligheidsgordel losmaken
Druk op de rode knop van de gordelsluiting en
laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen trekken. Als de gordel niet volledig wordt
opgerold, moet u de gordel handmatig zo ver
terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan
niet verder worden uitgetrokken:
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben.
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet
te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel
biedt de beste bescherming bij een normale
rijhouding.
Veiligheidsgordel omdoen
Trek de gordel langzaam uit en maak deze vast
door de borglip in de gordelsluiting te steken.
Een duidelijke “klik” geeft aan dat de gordel
vastzit.
1
18
Bepaalde markten.
• wanneer u de gordel te snel uittrekt
• wanneer u remt of optrekt
• als de auto sterk overhelt.
Let erop dat:
• u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
• er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken
• de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
• u de heupgordel over de heupen spant
door de diagonale schoudergordel in de
richting van de schouder omhoog te trekken.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordel en zwangerschap
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
Gordelwaarschuwing
G020998
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook
als deze versleten of beschadigd is. De
nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld voor montage op dezelfde
positie als de vervangen veiligheidsgordel.
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel altijd op de juiste manier
draagt. De veiligheidsgordel moet strak langs
de schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten en
tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens gedraaid zit.
G017726
WAARSCHUWING
01
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de gordel niet draagt. Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid. De
waarschuwingslampjes zitten in de plafondconsole en op het instrumentenpaneel.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
``
19
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Achterbank
Bepaalde markten
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder en een eventuele voorpassagier
de gordel niet dragen. Op lage snelheden klinkt
de eerste 6 seconden lang een geluidssignaal.
• Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. Bij gebruik
van de veiligheidsgordels of het openen
van een van de achterportieren verschijnt
er een melding op het informatiedisplay.
De melding verdwijnt automatisch na ca.
30 seconden rijden, maar kan ook handmatig worden verwijderd door op de knop
READ op de richtingaanwijzerhendel te
drukken.
• Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingslampje. De waarschuwing
stopt wanneer de gordel weer is omgedaan, maar kan ook handmatig worden
bevestigd door op de knop READ te drukken.
De melding op het informatiedisplay, die aangeeft welke veiligheidsgordels er gebruikt worden, is altijd beschikbaar. Druk op de knop
READ om de opgeslagen meldingen te zien.
20
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een
voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter in de
stoel gedrukt houden.
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel aan passagierszijde nooit aanbrengen in de gordelsluiting aan bestuurderszijde. De gesp van
de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de
gordelsluiting aan de juiste zijde. De veiligheidsgordels nooit beschadigen en geen
vreemde voorwerpen aanbrengen in de gordelsluiting. De veiligheidsgordels en de gordelsluiting werken anders mogelijk niet naar
behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat
gevaar voor ernstige verwondingen.
01 Veiligheid
Airbags
Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer u de transpondersleutel in sleutelstand II of III zet. Het
symbool dooft na ca. 6 seconden, wanneer de
regelmodule heeft vastgesteld dat het airbagsysteem geen storingen vertoont.
WAARSCHUWING
Airbagsysteem
Behalve het brandende waarschuwingssymbool verschijnt er, in die gevallen waarin dat
nodig is, een melding op het informatiedisplay.
Als het waarschuwingssymbool niet werkt,
gaat het waarschuwingsdriehoekje branden en
verschijnt er SRS airbag Service vereist of
SRS airbag Service spoed op het display.
Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
G018665
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
symbool kan ook duiden op een storing in
de gordelspanners, het SIPS- en het IC-systeem of op een andere storing in het systeem. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Airbagsysteem, auto met stuur links.
G018666
Waarschuwingssymbool op
instrumentenpaneel
01
Airbagsysteem, auto met stuur rechts.
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer air``
21
01 Veiligheid
01
Airbags
bags worden opgeblazen. Daarbij worden de
airbags warm. Om de klap op te vangen loopt
de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u voor reparatie contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het airbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig
lichamelijk letsel tot gevolg.
N.B.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet.
Het is dan ook mogelijk dat er bij ongelukken slechts één (of geen enkele) van de airbags wordt opgeblazen. Het airbagsysteem
registreert de botskracht waaraan de auto
blootstaat en stemt de activering van een of
meerdere airbags daarop af.
Ook de capaciteit van de airbags wordt
afgestemd op de botskracht waaraan de
auto blootstaat.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur rechts.
Airbag aan de bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de bestuurderszijde ook een airbag in het
stuurwiel. Deze zit opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links.
22
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
01 Veiligheid
Airbags
Airbag aan de passagierszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de passagierszijde ook een airbag in het stuurwiel. Deze zit opgevouwen in een ruimte boven
het dashboardkastje. Het paneel is voorzien
van het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
01
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is.
Laat nooit iemand voor de passagierstoel
zitten of staan.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht.
23
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
PACOS deactiveren met sleutel*
Algemene informatie
De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto
is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde
aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen (zie
onder het navolgende kopje “Activering/deactivering”).
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Volvo adviseert u het sleutelblad
van de transpondersleutel te gebruiken om de
stand te wijzigen.
Voor informatie over het sleutelblad, zie
pagina 52.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor de inzittenden.
24
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen PACOSschakelaar (Passenger Airbag Cut Off
Switch) heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, als het brandende symbool
op
de plafondconsole aangeeft dat de passagiersairbag geactiveerd is. Het niet opvolgen van deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de melding op het
plafondpaneel (zie pagina 25) aangeeft
dat de airbag (SRS) aan die kant gedeactiveerd is. Dit duidt op een ernstige storing.
Bezoek zo spoedig mogelijk een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
G032072
01
Locatie van de schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag.
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Een tekstmelding en een brandend symbool op
het plafondpaneel op de plafondconsole geven
aan dat de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
N.B.
Bij het omdraaien van de transpondersleutel
naar sleutelstand II of III brandt
ca. 6 seconden lang het waarschuwingssymbool voor de airbags op het instrumentenpaneel (zie pagina 21).
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft. Voor meer informatie
over de verschillende sleutelstanden van de
transpondersleutel, zie pagina 78.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, als de airbag gedeactiveerd is.
G017800
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
01
Berichten
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is.
Een waarschuwingssymbool op de plafondpaneel op de plafondconsole geeft aan of de passagiersairbag voorin geactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
2
G017724
2
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
25
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u reparatiewerk over te
laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het SIPSairbagsysteem kunnen aanleiding
geven tot storingen in de werking met
mogelijk ernstig lichamelijk letsel tot
gevolg.
•
Plaats geen voorwerpen tussen de
stoelen en de portierpanelen, omdat dit
gebied binnen de actieradius van de
SIPS-airbag ligt.
•
Volvo adviseert u alleen stoelhoezen te
gebruiken die door Volvo zijn goedgekeurd. Andere stoelhoezen kunnen de
SIPS-airbags in hun werking hinderen.
•
De SIPS-airbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd een
veiligheidsgordel.
G032949
•
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en de heupen en vormen een
belangrijk onderdeel van het SIPS-systeem.
Het SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de sensoren. De
SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleuningframes van de voorstoelen.
1
26
Positie
G024377
SIPS-airbag
Bestuurdersplaats, auto met stuur links.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geactiveerde1 airbag.
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag, zie pagina 24.
G024378
01
Passagiersplaats, auto met stuur links.
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrij-
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
ding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding
op voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
27
01 Veiligheid
01
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
Eigenschappen
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen
zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo
adviseert u uitsluitend originele Volvoonderdelen, bestemd voor montage op
deze plaatsen, te gebruiken.
De opblaasgordijnen van het IC-systeem (Inflatable Curtain) maken deel uit van het SIPSsysteem en de airbags. Ze zitten verborgen
achter de plafondbekleding langs beide zijden
van de auto en beschermen inzittenden op de
buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de opblaasgordijnen
activeren. Het systeem helpt voorkomen dat
de bestuurder en eventuele passagiers bij een
botsing met hun hoofd tegen de binnenkant
van de auto slaan.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de portierruiten. Anders is het mogelijk dat het
opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding geen bescherming meer
biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
28
01 Veiligheid
WHIPS
Bescherming tegen whiplash-letsel,
WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de veiligheidsgordel.
01
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet nadelig beïnvloedt
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of het
WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de
bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPSsysteem kunnen hinderen.
``
29
01 Veiligheid
01
WHIPS
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren. Volvo adviseert u het te laten
controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk intact
is.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor een
controle van het systeem, ook na een lichte
aanrijding van achteren.
Plaats geen voorwerpen op de achterbank die het
WHIPS-systeem kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt omgeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het omgeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
30
01 Veiligheid
Roll-Over Protection System (ROPS)
01
Functie
Het Roll-Over Protection System (ROPS) van
Volvo is ontwikkeld om het gevaar te beperken
dat de auto over de kop slaat en maximale
bescherming te bieden als een ongeluk onvermijdelijk blijkt.
Het systeem bestaat uit een stabilisatiesysteem, het Roll Stability Control (RSC) dat het
gevaar beperkt dat de auto kantelt en over de
kop slaat wanneer u bijvoorbeeld krachtig
afremt of in de slip raakt.
Het RSC-systeem maakt gebruik van een gyrosensor die wijzigingen in de helling overdwars
registreert. Aan de hand van deze informatie
wordt vervolgens berekend hoe groot de kans
is dat de auto over de kop slaat. Als het gevaar
reëel is, treedt het DSTC-systeem in werking.
Het motortoerental wordt daarbij verlaagd en
één of meer van de wielen worden afgeremd,
totdat de auto zijn stabiliteit hervonden heeft.
Zie pagina 169 voor meer informatie over het
DSTC-systeem.
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
RSC-systeem voor een betere wegligging.
Dit mag echter voor u geen reden zijn om
sneller te gaan rijden. Neem altijd de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen bij het rijden.
31
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
01
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
Gordelspanners
voorstoelen
Bij een frontale botsing en/of aanrijding
in de zij, van achteren en/of kantelen
Gordelspanners
achterbank
A
Bij een frontale botsing en/of aanrijding
in de zij en/of kantelen
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing.A
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in
de zij
Opblaasgordijnen
(IC)
Bij een aanrijding in
de zij en/of kantelen
WHIPS-systeem
Bij aanrijdingen van
achteren
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen,
ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd
raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van
het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid
van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d.
zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
32
• Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen airbags.
• Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
• Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordelspanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regelmodule van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u hem te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
01 Veiligheid
Safety mode
Rijden na een aanrijding
G021062
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat
er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Safety mode Zie
instructieb. op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van de
auto is verminderd. Safety mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt wanneer de
aanrijding een belangrijke onderdeel van de
auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren
voor een van de veiligheidssystemen of het
remsysteem, kan hebben beschadigd.
Auto proberen te starten
Neem de transpondersleutel uit en open het
bestuurdersportier. Als er vervolgens een melding verschijnt dat het contact ingeschakeld is,
dient u op de startknop te drukken. Sluit het
portier vervolgens en plaats de transpondersleutel terug. De elektronica van de auto probeert nu te resetten naar de normale stand.
Probeer vervolgens de auto te starten.
Als de melding Safety mode Zie
instructieb. nog steeds op het display staat,
mag u niet met de auto rijden en hem evenmin
verslepen. Verborgen schade kan de auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als
het lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
Auto verzetten
Als de melding Normal mode wordt weergegeven nadat de Safety mode Zie
instructieb. is gereset, mag u de auto voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie verrijden. Verrijd de auto niet verder dan nodig.
01
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een
slechte functie van de auto. Volvo adviseert
u de auto altijd in een erkende Volvo-werkplaats te laten controleren en naar Normal
Mode te laten resetten nadat de melding
Safety mode Zie instructieb. is verschenen.
WAARSCHUWING
Probeer onder geen beding de auto
opnieuw te starten, als u brandstof ruikt terwijl de melding Safety mode wordt weergegeven. Verlaat de auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de Safety mode staat. De
auto moet worden weggesleept. Volvo adviseert u hem te laten wegslepen naar een
erkende Volvo-werkplaats.
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
33
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Kinderen moeten comfortabel en veilig
kunnen zitten
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3–
4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar op/
in een comfortkussen of een kinderzitje dat in
de rijrichting geplaatst is.
De plaats van het kind in de auto en de vereiste
uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en de
lengte van het kind (voor meer informatie, zie
pagina 36).
optimale voorwaarden voor een veilig vervoer
van uw kind(eren), u weet bovendien zeker dat
de producten passen en eenvoudig in het
gebruik zijn.
N.B.
Neem voor duidelijker instructies voor de
bevestiging van kinderveiligheidsproducten
contact op met de producent.
Kinderzitjes
N.B.
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
• een kinderzitje/comfortkussen op de pas-
34
G020739
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
1
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Door scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigd raken.
Raadpleeg voor de juiste montage de montage-instructies bij het kinderzitje.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten (kinderzitjes, comfortkussen en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto zijn
ontwikkeld. Wanneer u voor kinderveiligheidsproducten van Volvo kiest schept u niet alleen
N.B.
Bij gebruik van op de markt verkrijgbare kinderveiligheidsproducten is het van belang
dat u de bijgeleverde montage-instructies
zorgvuldig doorleest en nauwkeurig
opvolgt.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag, zie pagina 24.
sagiersstoel, zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd1 is.
• en of meer kinderzitjes/comfortkussen op
de achterbank.
Plaats kinderzitjes/comfortkussens altijd op de
achterbank als de airbag aan de passagierszijde geactiveerd is. Als de airbag wordt opge-
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
blazen, kan een kind op de passagiersstoel
ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is geactiveerd.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag (SRS) geactiveerd is.
WAARSCHUWING
01
Sticker airbag
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
Sticker aan passagierszijde, op de korte kant van
het dashboard, zie afbeelding op pagina 24.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
``
35
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Aanbevolen kinderzitjes2
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 0
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met ISOFIX-systeem.
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met ISOFIX-systeem.
Groep 0+
Typegoedkeuring: E5 04301146.
Typegoedkeuring: E5 03301146.
max. 13 kg
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) –
achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) –
achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) –
achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 04301146.
Typegoedkeuring: E1 03301146.
Typegoedkeuring: E1 03301146.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen
tussen het kinderzitje en het dashboard.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135.
Typegoedkeuring: E5 03135.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
max. 10 kg
Middelste zitplaats achterbank
Typegoedkeuring: E5 03135.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
2
36
Om andere veiligheidszitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 1
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192.
Typegoedkeuring: E5 04192.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen
tussen het kinderzitje en het dashboard.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135.
Typegoedkeuring: E5 03135.
9–18 kg
01
Middelste zitplaats achterbank
Typegoedkeuring: E5 03135.
Britax Fixway – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem en bevestigingsband.
Britax Fixway – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171.
Typegoedkeuring: E5 03171.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
``
37
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 2
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband
Typegoedkeuring: E5 04192.
Typegoedkeuring: E5 04192.
Typegoedkeuring: E5 04192.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – in rijrichting
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – in rijrichting
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E5 04191.
Typegoedkeuring: E5 04191.
15–25 kg
38
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 2/3
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169.
Typegoedkeuring: E1 04301169.
Typegoedkeuring: E1 04301169.
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Typegoedkeuring: E5 03139.
Typegoedkeuring: E5 03139.
Typegoedkeuring: E5 03139.
15–36 kg
01
Geïntegreerd kinderzitje (Integrated
Booster Cushion) – verkrijgbaar als
fabrieksoptie.
Typegoedkeuring: E5 03168.
``
39
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Geïntegreerde kinderzitjes met twee
standen*
De geïntegreerde kinderzitjes zijn speciaal ontworpen om kinderen optimale bescherming te
bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels zijn de kinderzitjes goedgekeurd voor kinderen met een gewicht van 15
tot 36 kg en een lengte van 0,95 tot 1,40 m.
Kinderzitje met twee standen uitklappen
Stand 1
Zorg alvorens weg te rijden dat:
• het geïntegreerde kinderzitje met twee
standen correct ingesteld (zie onderstaande tabel) en vergrendeld is
• de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens slap
hangt of verdraaid is
Goede positie: de gordel loopt midden over de
schouder.
• de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt (zie voorgaande afbeeldingen)
• de heupgordel laag over het bekken loopt,
zodat deze maximale bescherming biedt.
Gewicht
Lengte
Verkeerde positie: de hoofdsteun moet even hoog
afgesteld zijn als het hoofd en de gordel mag niet
onder de schouder door lopen.
40
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Stand 1
Stand 2
22–36 kg
15–25 kg
1,15–1,40 m
0,95–1,20 m
Trek de handgreep naar voren en omhoog
om het kinderzitje vrij te geven.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Duw het kinderzitje naar achteren om het te
vergrendelen.
Stand 2
Til het kinderzitje aan de voorkant op en
duw het achteruit tegen het ruggedeelte aan
om het te vergrendelen.
01
pen in het zitgedeelte. Het is echter niet mogelijk het kinderzitje vanuit de bovenste stand in
de onderste stand te zetten.
WAARSCHUWING
Werk vanuit de onderste stand. Druk op de
knop.
Volvo adviseert u reparatie- en vervangingswerk over te laten aan een erkende Volvowerkplaats. Verricht geen wijzigingen in of
aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje. Als een geïntegreerd kinderzitje aan
grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u het geïntegreerde kinderzitje in zijn geheel vervangen.
Ook als het geïntegreerde kinderzitje er
intact uitziet, kunnen er toch beschermende
eigenschappen verloren zijn gegaan. Het
geïntegreerde kinderzitje moet ook worden
vervangen als het erg versleten is.
Trek de handgreep naar voren om het zitje
vrij te geven.
N.B.
Het is niet mogelijk het kinderzitje vanuit
stand 2 in stand 1 te zetten. U moet het zitje
dan eerst volledig neerklappen in het zitgedeelte. Zie de tekst onder het kopje Kinderzitje met twee standen neerklappen.
Kinderzitje met twee standen
neerklappen
Het kinderzitje is zowel vanuit de bovenste als
vanuit de onderste stand volledig neer te klap-
``
41
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Duw het zitje met uw hand omlaag om het
zitje te vergrendelen.
WAARSCHUWING
Als u de gebruiksinstructies voor het kinderzitje met twee standen niet opvolgt, is
het bij een aanrijding niet uitgesloten dat het
kind ernstig letsel oploopt.
BELANGRIJK
Kinderslot achterportieren
De bedieningsknoppen voor de ruiten in de
achterportieren en de openingshandgrepen op
de achterportieren zijn te blokkeren, zodat de
achterportieren en de zijruiten niet meer van de
binnenzijde kunnen worden geopend. Voor
meer informatie, zie pagina 64.
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
veiligheidszitjes
Controleer voordat u het kinderzitje weer
neerklapt of er geen losse voorwerpen
(zoals stukken speelgoed) in het gebied
onder het zitje liggen.
N.B.
Het ISOFIX-bevestigingssysteem is als
accessoire verkrijgbaar voor de passagiersstoel.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
Afmetingscategorieën
Veiligheidszitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen
daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen.
N.B.
Bij het omklappen van het ruggedeelte van
de achterbank dient u eerst het kinderzitje
neer te klappen.
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-bevestigingssysteem zijn er daarom afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen
van het juiste kinderzitje (zie volgende tabel).
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie voorgaande afbeelding) geven de positie van deze bevestigingspunten aan.
42
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
AfmeBeschrijving
tingscategorie
N.B.
AfmeBeschrijving
tingscategorie
A
Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd kinderzitje
E
Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
B
Beperkte grootte (optie 1), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
F
Overdwars gemonteerd
babyzitje, links
B1
Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
C
Normale grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
D
Beperkte grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
G
01
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, dient uw model op de lijst
met auto’s te staan waarvoor het kinderzitje
zich leent.
N.B.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een Volvo-werkplaats over de ISOFIX-kinderzitjes die Volvo aanbeveelt.
Overdwars gemonteerd
babyzitje, rechts
WAARSCHUWING
Plaats een kind nooit op de passagiersstoel
voorin, als de auto is uitgerust met een
geactiveerde airbag aan die kant.
Verschillende soorten ISOFIX-veiligheidszitjes
Type kinderzitje
Babyzitje, overdwars
Gewicht
max. 10 kg
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
F
–
–
G
–
–
``
43
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Type kinderzitje
A
44
Gewicht
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
Babyzitje, achterstevoren
max. 10 kg
E
OK
OK
Babyzitje, achterstevoren
max. 13 kg
E
OK
OK
D
OK
OK
C
OK
OK
D
OK
OK
C
OK
OK
B
OKA
OKA
B1
OKA
OKA
A
OKA
OKA
Veiligheidszitje, achterstevoren
9–18 kg
Kinderzitje, in rijrichting
9–18 kg
Volvo adviseert een achterstevoren gemonteerd veiligheidszitje voor deze categorie.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
01
N.B.
Bij auto’s met hoofdsteunen op de beide
buitenste zitplaatsen van de achterbank
gaat het monteren van dergelijke veiligheidszitjes makkelijker, als u deze hoofdsteunen omklapt.
N.B.
Bij een bagageruimte die met een bagagerolhoes kan worden afgedekt, dient de rolhoes te worden verwijderd voordat er een
kinderzitje aan de bevestigingspunten kan
worden vastgezet.
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes die in
de rijrichting worden gemonteerd. Deze bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte
van de achterbank.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen. Volvo adviseert u kleine kinderen zo lang mogelijk in een
achterstevoren gemonteerd kinderzitje te blijven vervoeren.
Haal de bevestigingsband van een kinderzitje altijd onder de hoofdsteun van de achterbank door, voordat u de gordel in de sluiting aanbrengt.
WAARSCHUWING
45
Transpondersleutel/sleutelblad...............................................................
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*..........................................
Keyless drive*..........................................................................................
Vergrendelen/ontgrendelen....................................................................
Kinderslot................................................................................................
Alarm*......................................................................................................
46
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
48
54
56
59
64
65
SLOTEN EN ALARM
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Algemene informatie
02
Bij de auto worden 2 transpondersleutels of
PCC’s (Personal Car Communicator geleverd.
U gebruikt ze om de auto te starten en deze te
vergrendelen en ontgrendelen.
U kunt extra transpondersleutels bestellen. Er
zijn maximaal 6 transpondersleutels voor één
en dezelfde auto te programmeren en te
gebruiken.
PCC’s kennen meer functies dan een transpondersleutel in standaarduitvoering. De rest
van dit hoofdstuk gaat over functies die voorkomen op zowel de PCC als op de transpondersleutel.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar de elektrisch
bedienbare zijruiten en het schuifdak verbreekt door de transpondersleutel uit te
nemen.
Zoekgeraakte transpondersleutel
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u
een nieuwe bestellen bij een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Neem de resterende transpondersleu1
48
tels mee naar de werkplaats. Ter voorkoming
van diefstal moet de code van de zoekgeraakte
transpondersleutel uit het systeem worden
gewist.
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren onder
Instellingen van de auto
Autosleutelgeheugen Aantal sleutels.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 134.
Sleutelgeheugen1, buitenspiegels en
bestuurdersstoel
De instellingen worden automatisch gekoppeld aan de transpondersleutel die op dat
moment in gebruik is, zie pagina 81 en
101.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto
Autosleutelgeheugen Pos. stoelen en
spiegels.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 134.
Voor auto’s met Keyless drive-systeem, zie
pagina 56.
Alleen in combinatie met elektrisch bedienbare bestuurdersstoel en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel, lichten de richtingaanwijzers een bepaald aantal malen op
om aan te geven dat de auto op de juiste
manier vergrendeld/ontgrendeld is.
• Vergrendelen - lichten eenmaal op
• Ontgrendelen - lichten tweemaal op.
Bij het vergrendelen gebeurt dit alleen als alle
portieren na het sluiten correct zijn vergrendeld.
Functie kiezen
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
resp. Instellingen van de auto
Lichtinstellingen Auto is op slot, lampje
en Instellingen van de auto
Lichtinstellingen Auto is open, lampje.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 134.
Elektronische startblokkering
Elke transpondersleutel heeft zijn eigen, unieke
code. U kunt alleen in de auto rijden, wanneer
u een transpondersleutel met de juiste code
gebruikt.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
De onderstaande foutmeldingen op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel houden verband met de elektronische startblokkering:
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Sleutelfout
Opnieuw insteken
Storing tijdens het
uitlezen van de
transpondersleutel
tijdens het starten –
Sleutel uitnemen,
opnieuw aanbrengen en een nieuwe
startpoging doen.
Startblokkering
Start opnieuw
Autosleutel niet
gevonden
Storing tijdens het
uitlezen van de PCC
tijdens het starten –
Nieuwe startpoging
doen.
Storing in het startblokkeringssysteem
tijdens het starten.
Het wordt geadviseerd contact op te
nemen met een
erkende Volvowerkplaats, als de
storing aanhoudt.
(Geldt alleen voor
Keyless drive met
PCC.)
02
Voor het starten van de auto, zie pagina 113.
Als de storing aanhoudt: Transpondersleutel in het
contactsleutel
duwen en een
nieuwe startpoging
doen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
49
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Functies
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden)
worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend.
02
Transpondersleutel.
G021079
G021078
De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren
is dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal indrukken van de knop eerst het bestuurdersportier
ontgrendeld wordt en bij de tweede maal
indrukken – één en ander binnen 10 seconden
– de resterende portieren te ontgrendelen.
PCC*, Personal Car Communicator.
Informatie
Vergrendelen
Functietoetsen
Ontgrendelen
“Approach”-verlichting
Achterklep
Paniekfunctie
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en de achterklep en activeert het alarm.
Bij lang indrukken (ten minste 2 seconden)
worden alle zijruiten en het schuifdak* tegelijkertijd gesloten.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand met de handen
bekneld raakt wanneer u het schuifdak en
de zijruiten vanaf de transpondersleutel
sluit.
Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren
en de achterklep en deactiveert het alarm.
50
De functie is te wijzigingen in het menusysteem
onder Instellingen van de auto
Instellingen vergrendelen Portieren
ontgrendelen met de beide opties Alle
portieren en 1st chauffeur, dan rest. Voor
een beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 134.
Duur naderingslicht – Bestemd om de
verlichting van de auto op afstand in te schakelen. Voor meer informatie, zie pagina 91.
Achterklep – Ontgrendelt alleen de achterklep en deactiveert de alarmfunctie voor de
achterklep. Bij auto’s met elektrische achterklepbediening* wordt de klep geopend bij lang
indrukken. Voor meer informatie, zie
pagina 61.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de toets ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
3 seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd.
Specifieke functies, PCC*
N.B.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de
informatietoets – op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen – blijkt dat
geen van de controlelampjes gaat branden
(en dat evenmin na 7 seconden alsook
nadat de controlelampjes op de PCC om de
beurt oplichtten), dient u contact op te
nemen met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
U kunt deze functie met dezelfde toets weer
uitschakelen, als de functie minimaal 5 seconden actief geweest is. Als u niets doet, wordt
de functie na 2 minuten en 45 seconden automatisch uitgeschakeld.
Bereik transpondersleutel
Als de auto niet reageert bij bediening van een
toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
G021080
De functies van de transpondersleutel zijn tot
op ca. 20 m afstand van de auto te gebruiken.
De controlelampjes verstrekken informatie
zoals aangegeven op de volgende afbeelding:
PCC*, Personal Car Communicator.
Informatietoets
Controlelampjes
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functies
van de transpondersleutel door radiogolven
in de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d. Het is altijd
mogelijk de auto te vergrendelen/ontgrendelen met het sleutelblad, zie pagina 52.
02
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan
de hand van de controlelampjes.
Gebruik van de informatietoets
Druk op de informatietoets
.
> Ca. 7 seconden lang lichten de controlelampjes op de PCC om de beurt op.
Dit geeft aan dat informatie over de auto
wordt uitgelezen.
Als u gedurende dit tijdsbestek op een
van de andere toetsen drukt, wordt de
uitlezing beëindigd.
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
51
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
De beide rode controlelampjes lichten
beurtelings rood op: het alarm is minder
dan 5 minuten geleden afgegaan.
Bereik PCC
Het bereik van de PCC voor vergrendeling,
ontgrendeling en bediening van de achterklep
is ca. 20 m rond de auto, voor de overige functies geldt een maximumbereik van ca. 100 m.
Als de auto niet reageert bij bediening van een
toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatietoets door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
N.B.
Als binnen het bereik van de PCC geen
van de controlelampjes brandt bij het
indrukken van de informatietoets, vertoont
de communicatie tussen de PCC en de auto
mogelijk storingen onder invloed van radiogolven in de lucht, omringende gebouwen,
topografische omstandigheden e.d.
• het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren/deactiveren, zie
pagina 64.
• de toegang tot het dashboardkastje te
blokkeren.
• de airbag voor de voorpassagier
(PACOS)* te activeren/deactiveren, zie
pagina 24.
Sleutelblad verwijderen
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad waarmee u enkele functies
kunt activeren en bepaalde handelingen kunt
uitvoeren.
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Functies sleutelblad
Als de PCC op dermate grote afstand van de
auto is dat er geen informatie over de auto kan
worden uitgelezen, wordt de laatst bekende
status van de auto weergegeven zonder dat de
lampjes op de PCC om de beurt oplichten.
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
bedienen is vanaf de transpondersleutel,
zie pagina 57.
Afneembaar sleutelblad
Buiten bereik PCC
Als er meerdere PCC’s voor de auto in gebruik
zijn, geeft uitsluitend de PCC waarmee de auto
52
de laatste keer vergrendeld/ontgrendeld werd
de juiste status aan.
• het bestuurdersportier handmatig te openen, als de centrale vergrendeling niet te
G021082
Continu rood licht: het alarm is afgegaan
na vergrendeling van de auto.
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar achteren.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Sleutelblad aanbrengen
Plaats het sleutelblad voorzichtig terug in de
transpondersleutel.
02
1. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
Portier ontgrendelen met sleutelblad
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurdersportier op de volgende manier ontgrendelen en
openen:
1. Ontgrendel het bestuurdersportier met het
sleutelblad in de slotcilinder van de portierhandgreep.
N.B.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendeld hebt en vervolgens opent, gaat
het alarm af.
2. Schakel het alarm uit door de transpondersleutel in het contactslot te steken.
Voor auto’s met Keyless drive-systeem, zie
pagina 57.
53
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
Accu vervangen
02
Batterij vervangen
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde –.
Vervang de batterijen, als:
• het informatiesymbool oplicht en Vervang
batterij autosleutel op het display staat
Transpondersleutel (1 batterij)
en/of
1. Werk de batterij voorzichtig los.
• de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van
20 m rond de auto bevindt.
2. Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
Openen
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Steek een kruiskopschroevendraaier
met een dikte van 3 mm in de opening achter de veerbelaste pal en werk de transpondersleutel voorzichtig open.
N.B.
Houd de transpondersleutel met de toetsen
omhoog om te voorkomen dat de batterijen
bij het openen van de afdekking op de grond
vallen.
BELANGRIJK
Kom niet met uw vingers aan de polen van
de batterijen of de contactvlakken, omdat
ze daardoor slechter kunnen presteren.
54
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
PCC* (2 batterijen)
1. Werk de batterijen voorzichtig los.
2. Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde
(+) omhoog.
3. Leg het witte plasticvel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
Batterijtype
Gebruik batterijen met het opschrift CR2430,
3 V (twee per transpondersleutel en twee per
PCC).
In elkaar zetten
1. Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
02
BELANGRIJK
Zorg dat de oude batterij(en) wordt/worden
afgevoerd op een milieuontlastende manier.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
55
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
02
Vergrendelings- en startsysteem
zonder sleutel (alleen PCC1)
Algemene informatie
maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of
de achterklep bevinden. Dit betekent dat u de
PCC bij u moet dragen om een portier te vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u aan de
ene kant van de auto staat, is het niet mogelijk
om met de PCC een portier aan de andere kant
te vergrendelen of ontgrendelen.
De rode cirkels op de nevenstaande afbeelding
geven het dekkingsgebied van de systeemantennes aan.
Met de Keyless drive-functie van de PCC kunt
u zonder een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen, starten en vergrendelen. U hoeft de
PCC alleen bij u te dragen. Het systeem maakt
het eenvoudiger om de auto te openen wanneer u bijvoorbeeld uw handen vol hebt.
Beide PCC’s van de auto ondersteunen de
Keyless drive-functie. U kunt meer PCC’s bijbestellen, zie pagina 48.
Bereik PCC
Om een portier of de achterklep te kunnen openen moet de PCC zich binnen een straal van
1
56
Personal Car Communicator, zie pagina 51.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als alle PCC’s uit de auto worden genomen
terwijl de motor loopt, sleutelstand II actief is
(zie pagina 78) of alle portieren worden gesloten, verschijnt er een waarschuwingsmelding
op het informatiedisplay en klinkt er een
geluidssignaal.
Wanneer een van de PCC’s weer in de auto is
gelegd, verdwijnen de waarschuwingsmelding
en het geluidssignaal nadat:
• er is een portier geopend of gesloten
• de transpondersleutel is in het contactslot
gestoken
• de knop READ is ingedrukt.
Veilig gebruik van uw PCC
Als u een PCC met Keyless drive-functie in de
auto laat liggen, wordt de PCC bij het vergrendelen van de auto tijdelijk gedeactiveerd.
Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet
meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
PCC in de auto vindt, wordt de PCC weer
geactiveerd. Pas daarom goed op al uw PCC’s.
BELANGRIJK
Laat een PCC nooit onbeheerd in de auto
liggen.
Storingen in de functie van een PCC
De Keyless drive-functie kan verstoord worden
door elektromagnetische velden en afschermingen. Leg de PCC daarom niet dicht bij een
mobiele telefoon of metalen voorwerpen.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de PCC en het sleutelblad als transpondersleutel gebruiken, zie pagina 50.
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
Vergrendelen
Ontgrendelen
Er wordt ontgrendeld wanneer iemand een
portierhandgreep beetpakt of op het met rubber beklede drukplaatje van de achterklep
drukt – open het portier of de achterklep op de
normale manier.
Ontgrendelen met sleutelblad
> De kunststof afdekking komt automatisch los, wanneer u het blad recht
omhoog de opening induwt.
02
2. Steek het sleutelblad in de slotcilinder en
ontgrendel het portier.
3. Plaats de kunststof afdekking na ontgrendeling terug.
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af. Het wordt uitgeschakeld door de PCC in het contactslot te
steken, zie pagina 66.
Bij auto’s met Keyless drive-systeem zit er een
knop op de buitenhandgreep van de portieren.
Vergrendel de portieren en de achterklep door
op de vergrendelingsknop op een van de portierhandgrepen aan de buitenkant te drukken.
Alle portieren inclusief de achterklep moeten
zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen – de auto wordt anders niet vergrendeld.
N.B.
Bij een auto met een automatische versnellingsbak dient de keuzehendel in stand P te
worden gezet, aangezien de auto anders
niet vergrendeld of op alarm gezet kan worden.
2
Sleutelgeheugen2, bestuurdersstoel en
buitenspiegels
Geheugenfunctie van PCC
Om bij de slotcilinder te komen dient de kunststof afdekking van de portierhandgreep te worden verwijderd:
1. Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht
omhoog in de opening aan de onderkant
van de portierhandgreep/afdekking – niet
wrikken.
Als meerdere personen met elke hun eigen
PCC met Keyless drive-functie naar de auto
lopen, nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de stand in die ligt opgeslagen in
de PCC van degene die het bestuurdersportier
opent.
Wanneer het bestuurdersportier bijvoorbeeld
werd geopend door persoon A met PCC A,
Alleen in combinatie met elektrisch bedienbare bestuurdersstoel en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
57
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
maar persoon B met PCC B zal gaan rijden, zijn
de instellingen als volgt te wijzigen:
02
Locatie antennes
WAARSCHUWING
Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de antennes van het Keyless drive-systeem. Dit om
eventuele storingen in de pacemaker als
gevolg van het Keyless drive-systeem uit te
sluiten.
• Staand naast het bestuurdersportier of zittend achter het stuur drukt persoon B op
de ontgrendelingstoets van zijn PCC, zie
pagina 50.
• Kies een van de drie mogelijk positiegeheugens voor de stoel met de stoelknoppen 1–3, zie pagina 81.
• Zet de stoel en de spiegels handmatig in
G021179
de juiste stand (zie pagina 81 en 101).
Vergrendelingsinstellingen
De Keyless drive-functie is aan te passen door
in het menusysteem aan te geven welke portieren er ontgrendeld moeten worden; dit
onder Instellingen van de auto
Instellingen vergrendelen Op afstand
openen.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 134.
Het Keyless drive-systeem werkt met een aantal antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn in de auto:
Achterklep, bij de wissermotor
Portierhandgreep, linksachter
Plafond, in het midden, boven de achterbank
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk.
58
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Van de buitenzijde
Met de transpondersleutel kunt u alle portieren
en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/ontgrendelen. Het is mogelijk een andere ontgrendelingsvolgorde te kiezen, zie Ontgrendelen
met transpondersleutel 50.
Van de binnenzijde
Centrale vergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen 2 minuten na ontgrendeling van de buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden alle sloten automatisch weer vergrendeld.
Deze functie beperkt de kans dat u de auto per
ongeluk onvergrendeld kunt laten staan. (Voor
auto’s met alarmsysteem, zie pagina 65.)
02
Vergrendelen
• Druk nadat u de voorportieren hebt gesloten op de knop voor de centrale vergrendeling
.
Bij lang indrukken (ten minste 2 seconden)
worden alle zijruiten en het schuifdak* tegelijkertijd gesloten.
WAARSCHUWING
Automatische hervergrendeling
• Trek eenmaal aan de openingshandgreep
en laat deze vervolgens los – het portier is
ontgrendeld. Wanneer u nogmaals aan de
handgreep trekt wordt het portier
geopend.
Als u niet met de transpondersleutel kunt vergrendelen/ontgrendelen is de batterij mogelijk
leeg – vergrendel/ontgrendel het bestuurdersportier dan met het afneembare sleutelblad, zie
pagina 52.
Let erop dat inzittenden in de auto kunnen
worden opgesloten, als u die van de buitenzijde vergrendelt.
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden)
worden alle zijruiten* tegelijkertijd geopend.
Centrale vergrendeling.
Met de knop voor de centrale vergrendeling op
de voorportieren kunt u alle portieren en de
achterklep tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen.
Alle portieren zijn ook afzonderlijk te vergrendelen met hun vergrendelingsknop – het portier
moet uiteraard dichtstaan.
Doorluchtfunctie
Ontgrendelen
Bij lang indrukken van de knop voor centrale
vergrendeling
(ten minste 4 seconden)
worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend –
om bijv. bij warm weer snel voor frisse lucht in
de auto te zorgen.
Een portier kan op twee manieren van de binnenkant worden ontgrendeld:
Automatische vergrendeling
• Bij het indrukken van de knop voor centrale
Bij het wegrijden worden de portieren en de
achterklep automatisch vergrendeld.
• Druk de rechterkant
van de knop in om
te vergrendelen en de linkerkant
om te
ontgrendelen.
vergrendeling
.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto Instellingen
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
59
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
02
vergrendelen Portieren autom. op slot.
(Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 134.)
• Houd voor het ontgrendelen de omge-
• De achterklep wordt weliswaar ontgren-
keerde volgorde aan.
deld maar blijft dichtstaan – druk lichtjes
tegen op het met rubber bekleding drukplaatje onder de buitenhandgreep en open
de klep.
Achterklep
Dashboardkastje
Ontgrendelen met transpondersleutel
Als de klep niet binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend, wordt de klep weer vergrendeld en het alarm opnieuw geactiveerd.
Van de binnenzijde ontgrendelen
Het dashboardkastje valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel. (Voor informatie over het sleutelblad, zie pagina 52).
Dashboardkastje vergrendelen:
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
Bij auto’s met alarm* dooft de alarmindicatie op
het dashboard om aan te geven dat niet alle
onderdelen van de auto beveiligd zijn. De
niveausensoren en bewegingsmelders alsmede de sensoren in de opening van de achterklep worden buiten werking gesteld.
Neem het sleutelblad uit.
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van
het dashboardkastje.
60
Met de toets
op de transpondersleutel is
het mogelijk om de alarmfunctie voor de achterklep te deactiveren* zodat u de achterklep
apart kunt ontgrendelen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Om de achterklep te ontgrendelen:
Druk op de knop (1) op het verlichtingspaneel.
> De klep wordt ontgrendeld en kan binnen 2 minuten worden geopend (als de
auto vanaf de binnenzijde vergrendeld
werd).
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Vergrendelen met transpondersleutel
BELANGRIJK
Druk op de toets voor vergrendeling op de
, zie pagina 50.
transpondersleutel
> Bij auto’s met alarm* gaat de alarmindicatie op het dashboard knipperen om
aan te geven dat het alarm geactiveerd
is.
Let op de dakhoogte bij het gebruik van de
elektrische achterklepbediening. Maak
geen gebruik van de elektrische achterklepbediening bij een geringe dakhoogte of
houd de achterklep goed in de gaten om de
openingsfunctie tijdig te kunnen onderbreken (zie onder het kopje “Openingsfunctie
achterklep onderbreken”).
kel treedt de beveiliging tegen overbelasting in
werking.
• Gebeurt dit tijdens het openen dan wordt
02
de elektrische achterklepbediening uitgeschakeld en de achterklep vrijgegeven.
• Gebeurt dit tijdens het sluiten dan gaat de
achterklep weer helemaal open.
WAARSCHUWING
Elektrische achterklepbediening*
G031965
N.B.
•
Om oververhitting tegen te gaan wordt
het systeem bij continu gebruik gedurende 60 seconden automatisch uitgeschakeld. Ca. 10 minuten later is het
opnieuw klaar voor gebruik.
•
Als de startaccu ontladen of losgekoppeld is geweest, moet de achterklep
eenmaal handmatig worden geopend
en gesloten om het systeem te resetten.
Sneeuw en wind
Als de achterklep tijdens het openen omlaagkomt door bijvoorbeeld een dikke laag sneeuw
of harde wind, dan wordt de achterklep automatisch gesloten.
Beveiliging tegen overbelasting
Let op het gevaar voor beknelling tijdens het
openen/sluiten. Controleer alvorens de achterklep te openen/sluiten of er niemand in
de buurt van de achterklep staat, omdat
ernstig beknellingsletsel anders niet uitgesloten kan worden.
Bedien de achterklep altijd onder toezicht.
Achterklep handmatig bedienen
Het systeem wordt uitgeschakeld, als het met
rubber beklede drukplaatje onder de buitenhandgreep een tweede maal wordt bediend. U
kunt de achterklep vervolgens handmatig openen/sluiten.
Achterklep openen
De achterklep is op drie manieren te
openen, waarvan twee met behulp
van deze knop:
Als de achterklep tijdens het openen/sluiten in
zekere mate wordt gehinderd door een obsta``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
61
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
– houd de knop ingedrukt totdat de achterklep wordt geopend.
02
• Knop op transpondersleutel lang indrukken – houd de knop ingedrukt totdat de
achterklep wordt geopend.
• Met rubber beklede drukplaatje onder buitenhandgreep licht indrukken en de klep
openen.
Achterklep sluiten
De achterklep is te sluiten met deze
knop op de achterklep of handmatig.
• Druk op de knop – de klep wordt automatisch gesloten.
Openings-/sluitfunctie achterklep
onderbreken
Dit kan op vier manieren, waarvan
drie met behulp van deze knop:
•
•
•
•
Druk op de knop op het verlichtingspaneel
Druk op de knop op de transpondersleutel
Druk op de knop op de achterklep
Druk op het met rubber beklede drukplatje onder de buitenhandgreep.
De beweging van de achterklep wordt op
dezelfde manier onderbroken als bij activering
van de beveiliging tegen overbelasting (zie
1
62
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
“Beveiliging tegen overbelasting” elders in dit
hoofdstuk).
Tijdelijk deactiveren
Safelock-functie*1
Bij activering van de Safelock-functie worden
alle vergrendelingsknoppen en openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het
openen van de portieren van de binnenzijde
onmogelijk maakt.
Met de transpondersleutel activeert u de Safelock-functie die ca. 10 seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt.
G031384
• Knop op verlichtingspaneel lang indrukken
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
N.B.
Als er binnen deze vertragingsperiode een
van de portieren wordt geopend, wordt de
functie geannuleerd en het alarm uitgeschakeld.
Navigatie
ENTER
MENU
EXIT
Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen. Het bestuurdersportier is ook te ontgrendelen met het afneembare sleutelblad.
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen. Dat gaat als volgt:
1. Open het menusysteem en ga naar
Instellingen van de auto (voor een gedetailleerde beschrijving van het menusysteem (zie pagina 134)).
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
2. Kies Verlaagde guard.
3. Kies Eenmalig inschakelen.
> Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt de melding Beveil.
verlaagd Zie instructieb. en de Safelock-functie wordt uitgeschakeld bij
vergrendeling van de auto.
Als u geen wijzigingen in het vergrendelingssysteem wenst
of
Druk op EXIT en vergrendel de auto.
of
Kies Vraag bij uitgang.
> Iedere keer dat u de motor afzet, verschijnt op het display van het audiosysteem de melding ENTER om guard te
verm. totdat motor is gestart. EXIT
voor annuleren. – kies dan een van de
volgende alternatieven:
Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen
Druk op ENTER en vergrendel de auto. (Let
erop dat ook de bewegingsmelders en
niveausensoren* van het alarmsysteem
worden uitgeschakeld, zie pagina 66.)
> De volgende keer dat u de motor start,
wordt het systeem gereset waarna op
het display van het instrumentenpaneel
de melding Beveil. volledig verschijnt.
Daarmee zijn de Safelock-functie en de
bewegingsmelders en niveausensoren
van het alarmsysteem opnieuw ingeschakeld.
02
Vergrendel de auto zonder een keuze te
maken.
N.B.
•
Let erop dat de auto bij het vergrendelen op alarm wordt gezet.
•
Wanneer een van de portieren van de
binnenzijde wordt geopend, gaat het
alarm af.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto achter zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren. Zo voorkomt u dat iemand opgesloten raakt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
63
02 Sloten en alarm
Kinderslot
02
Handmatig kinderslot op
achterportieren
N.B.
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde openen.
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
•
Op auto’s met een elektrisch kinderslot
zit geen handmatig kinderslot.
G021077
Elektrisch kinderslot op
achterportieren* en achterste zijruiten
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten
achter op de korte kant van de achterportieren,
zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan.
Doe het volgende om het kinderslot te activeren/deactiveren:
64
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de cilinder te verdraaien, zie pagina 52.
Bedieningspaneel bestuurdersportier.
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
• zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
• portieren niet van de binnenkant te ope-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wanneer het elektrische kinderslot actief is,
zijn de achterste:
op het bestuurdersportier te bedienen
nen.
Het kinderslot wordt in alle contactslotstanden
(zie pagina 78) geactiveerd/gedeactiveerd en
dat met een vertraging van maximaal
2 minuten nadat de transpondersleutel uit het
contactslot is genomen. Als binnen deze tijd
een van de portieren wordt geopend, wordt de
functie gedeactiveerd.
Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het informatiedisplay staat de melding Kinderslot Actief en het lampje in
de knop brandt, wanneer het slot geactiveerd is.
02 Sloten en alarm
Alarm*
Algemene informatie
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
• een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend
• er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is)
• de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*)
• een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
• de sirene wordt losgekoppeld.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het informatiedisplay. Neem dan contact op met een
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
N.B.
De bewegingsmelders laten het alarm
afgaan bij bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het alarm kan dan ook
afgaan, als u de auto met een ruit of schuifdak open laat staan of als u de interieurverwarming gebruikt.
N.B.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
02
Alarmindicatie
Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten
van de auto alle ruiten en het schuifdak. Bij
gebruik van de geïntegreerde interieurverwarming van de auto (of een draagbare variant daarvan op stroom) dan dient u de
blaasmonden dusdanig af te stellen dat
deze niet omhoogwijzen.
N.B.
Een van de sensoren van het alarm zit onder
de bekerhouder in de middenconsole en
reageert op metalen.
Bewaar geen parkeergeld, sleutels en soortgelijke metalen voorwerpen in de bekerhouder van de middenconsole, omdat dit ertoe
kan leiden dat het alarm ten onrechte
afgaat.
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
• De led is uit – het alarm is uitgeschakeld
• De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld
• De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm (tot aan het
moment dat u de transpondersleutel in het
contactslot steekt en sleutelstand I wordt
bereikt) – het alarm is afgegaan.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
02 Sloten en alarm
Alarm*
Alarm activeren
02
Druk op de vergrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Alarm deactiveren
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel.
sirene heeft zijn eigen accu die volledig
onafhankelijk is van de startaccu in de
auto.
• Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
Transpondersleutel defect
Geactiveerd alarm uitschakelen
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel of steek de transpondersleutel in het contactslot.
Overige alarmfuncties
Automatische herinschakeling van het
alarm
De functie voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarm in te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto wordt
bovendien opnieuw vergrendeld.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
• Er klinkt een sirene totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
30 seconden lang automatisch uit. De
66
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als u het alarm niet kunt uitschakelen met de
transpondersleutel (als bijv. de batterij van de
sleutel leeg is), kunt u als volgt het alarmsysteem van de auto deactiveren en de motor
starten:
1. Open het bestuurdersportier met het sleutelblad.
> Het alarm gaat af, de alarmindicatie
knippert snel en de sirene klinkt.
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
> Het alarm wordt gedeactiveerd en de
alarmindicatie gaat uit.
3. Start de motor.
Beperkt alarmniveau
Om te voorkomen dat het alarm afgaat – wanneer er bijv. een hond in de auto wordt achtergelaten of gebruik wordt gemaakt van een
veerverbinding – kunt u de bewegingsmelder
en de niveausensoren tijdelijk uitschakelen.
De te volgen procedure is identiek aan die bij
tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie,
zie pagina 62.
02 Sloten en alarm
02
67
Instrumenten, schakelaars en bediening................................................ 70
Sleutelstanden........................................................................................ 78
Stoelen en achterbank............................................................................ 80
Stuurwiel................................................................................................. 85
Verlichting............................................................................................... 86
Wissers en -sproeiers............................................................................. 96
Ruiten en spiegels................................................................................... 99
Kompas*................................................................................................ 104
Elektrisch bedienbaar panoramadak* .................................................. 106
Alcoguard*............................................................................................ 109
Motor starten........................................................................................ 113
Motor starten, hulpaccu........................................................................ 115
Versnellingsbakken............................................................................... 116
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)*.......................................... 121
Bedrijfsrem............................................................................................ 122
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)...................................... 124
Parkeerrem............................................................................................ 126
HomeLinkŸ *.......................................................................................... 129
68
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BESTUURDERSMILIEU
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenoverzicht
03
Auto met stuur links.
70
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers,
groot licht/dimlicht,
boordcomputer
86,
89, 138,
167
Klimaatregeling, ECC
144
Versnellingspook/keuzehendel
116
Cruisecontrol
172, 174
171
Claxon, airbag
22, 85
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
Instrumentenpaneel
73, 77
Wissers en -sproeiers
96, 97
Menu-, audio- en telefoonfuncties
134,
153, 215
Stuurwielafstelling
85
Ontgrendeling motorkap
270
Knop START/STOP
113
Parkeerrem
126
Contactslot
78
Stoelinstelling*
81
Informatiedisplay voor
menufuncties
134
60, 86,
231
Openingshandgreep portier
–
Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling
tankvulklep en achterklep
Bedieningspaneel
59, 64,
99, 101
Alarmlichten
89
Menufuncties en audiosysteem
134, 154
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
71
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
Auto met stuur rechts.
72
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Informatiedisplay voor
menufuncties
134
Ontgrendeling motorkap
270
Stuurwielafstelling
85
Contactslot
78
Knop START/STOP
113
Cruisecontrol
172, 174
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers,
groot licht/dimlicht,
boordcomputer
86,
89, 138,
167
Instrumentenpaneel
73, 77
171
Claxon, airbag
22, 85
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
Menu-, audio- en telefoonfuncties
134,
153, 215
Versnellingspook/keuzehendel
116
Wissers en -sproeiers
96, 97
Klimaatregeling, ECC
144
Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling
tankvulklep en achterklep
60, 86,
231
Menufuncties en audiosysteem
134, 154
Alarmlichten
89
Openingshandgreep portier
–
Bedieningspaneel
59, 64,
99, 101
Stoelinstelling*
81
Parkeerrem
126
Informatiedisplays
03
Op de informatiedisplays verschijnt informatie
over bepaalde functies van de auto zoals de
cruisecontrol, boordcomputer en meldingen.
De informatie verschijnt in tekstvorm en met
symbolen.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van de informatiedisplays.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
73
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Meters
Controle-, informatie- en
waarschuwingssymbolen
5 seconden alle symbolen uit behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk.
Controle- en informatiesymbolen
Symbool
03
Betekenis
Storing in ABL
Uitlaatgasreinigingssysteem
Storing in ABS
Meters op het instrumentenpaneel.
Snelheidsmeter
Brandstofmeter. Zie ook boordcomputer
(pagina 167) en tanken (pagina 231).
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Controle- en waarschuwingssymbolen.
Symbolen groot licht en richtingaanwijzers
Controle- en informatiesymbolen
Controle- en
waarschuwingssymbolen1
Als de motor niet aanslaat of als de functietest
wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan na
74
Stabiliteitssysteem
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Functietest
Alle controle- en waarschuwingssymbolen
gaan branden in sleutelstand II of wanneer u
de motor start. Alle symbolen moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het
symbool voor de parkeerrem. Dit gaat pas uit,
als de auto van de parkeerrem wordt gehaald.
1
Mistachterlicht aan
Bij bepaalde motortypes is het symbool voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 271.
Laag peil in brandstoftank
Informatie, lees displaymelding
Groot licht aan
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Symbool
Betekenis
Richtingaanwijzers links
Mistachterlicht aan
Dit symbool brandt wanneer u het mistachterlicht hebt ingeschakeld. Er is slechts één mistachterlicht - dat zit aan de bestuurderszijde.
Stabiliteitssysteem
Richtingaanwijzers rechts
Storing in ABL
Het symbool brandt, als er een storing is opgetreden in het ABL-systeem (Active Bending
Lights).
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan het symbool gaan branden. Rijd voor
een controle naar een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Storing in ABS
Als het symbool brandt, is het systeem defect.
Het normale remsysteem van de auto werkt
dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
3. Als het symbool blijft branden, rijd dan naar
een werkplaats om het ABS te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor
een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
N.B.
Wanneer de servicemelding verschijnt, kunt
u het lampje doven en de melding verwijderen met de knop READ. Ook als u niets doet
gebeurt dat enige tijd later automatisch.
Het knipperende symbool geeft aan dat het
stabiliteitssysteem werkt. Als het symbool continu brandt is er sprake van een storing in het
systeem.
Groot licht aan
Voorgloeifunctie motor (diesel)*
Richtingaanwijzers links/rechts
Het symbool gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. De voorverwarming start
als de temperatuur lager wordt dan 2 °C. De
auto kan worden gestart als het symbool
gedoofd is.
Laag peil in brandstoftank
Het symbool brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft
Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen bij
gebruik van de alarmlichten.
Controle- en waarschuwingssymbolen
Symbool
Betekenis
Wanneer het symbool gaat branden is het
brandstofpeil te laag. Tank dan zo spoedig
mogelijk.
Lage oliedrukA
Informatie, lees displaymelding
Parkeerrem aangezet
Als er een afwijking is in een van de systemen
in de auto, gaat het informatiesymbool branden en verschijnt er een melding op het display. U verwijdert de melding met behulp van
de knop READ, zie pagina 138. Dit gebeurt
automatisch als u enige tijd niets doet (hoe lang
hangt van de bewuste functie af). Het informatiesymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
03
Airbags (SRS)
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
75
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Symbool
Betekenis
Storing in remsysteem
Waarschuwing
03
A
Bij bepaalde motortypes is het symbool voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 271 en 272).
Gordelwaarschuwing
Het symbool brandt als de bestuurder of de
voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of
als iemand op de achterbank de gordel heeft
losgenomen.
Lage oliedruk
Dynamo laadt niet bij
Als het symbool tijdens het rijden oplicht, is de
druk van de motorolie te laag. Zet de motor
onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het symbool oplicht
terwijl het oliepeil in orde is, moet u contact
opnemen met een werkplaats. Volvo adviseert
dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
Het symbool gaat tijdens het rijden branden,
als er sprake is van een storing in het elektrisch
systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Parkeerrem aangezet
Het symbool brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet. Het symbool knippert
tijdens het aanzetten en gaat daarna continu
branden.
Een knipperend symbool houdt in dat er een
storing is opgetreden. Lees de melding op het
informatiedisplay.
Airbags (SRS)
Als het symbool tijdens het rijden oplicht of
blijft branden, is er een storing geregistreerd in
76
de gordelsluiting of in het SRS-, SIPS- of ICsysteem. Rijd de auto zo spoedig mogelijk naar
een werkplaats om het systeem te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Storing in remsysteem
Als het symbool oplicht, is het remvloeistofpeil
mogelijk te laag. Breng de auto op een veilige
plaats tot stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir, zie pagina 275.
Als de waarschuwingssymbolen voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er
een storing in de remkrachtverdeling zijn opgetreden.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
• Rijd verder als beide symbolen uitgaan.
• Als de symbolen echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren, zie pagina 275. Als de
symbolen blijven branden ondanks dat
het peil van de remvloeistof in orde is,
moet u de auto uiterst voorzichtig naar
een werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies
controleren door een werkplaats. Volvo
adviseert dat u daarvoor contact opneemt
met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of
de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt
tegelijkertijd een verklarende melding op het
informatiedisplay. Het waarschuwingssymbool blijft branden totdat de storing is verholpen, maar de melding kunt u verwijderen met
de knop READ, zie pagina 138. Het waarschuwingssymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het waarschuwingssymbool branden.
geactiveerde dagteller op nul. De afgelegde
afstand staat op het display.
Klok
Dagtellers
03
Actie:
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de melding met de knop READ.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren, de motorkap2 of de
achterklep niet goed afgesloten is, gaat het
informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende melding
op het instrumentenpaneel. Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier, het kofferdeksel of de motorkap dat/die
open is.
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatiesymbool branden.
2
Klok en instelknop.
Dagteller en bedieningsknop.
Display voor dagtellers
Knop om te wisselen tussen de dagtellers
T1 en T2 alsook de dagtellers op nul te
stellen.
De dagtellers worden gebruikt om korte afstanden te meten.
Door kort op de knop te drukken, kunt u van
dagteller (T1 en T2) wisselen. Als u de knop
lang indrukt (meer dan 2 seconden), zet u de
Knop om de klok in te stellen.
Informatiedisplay voor de tijdaanduiding.
Draai de knop rechts- of linksom om de tijd in
te stellen. De ingestelde tijd verschijnt op het
informatiedisplay.
Bij de weergave van een melding kan de tijdsaanduiding korte tijd worden vervangen door
een symbool, zie pagina 138.
Alleen auto’s met alarm*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
77
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
Transpondersleutel aanbrengen en
verwijderen
Vreemde voorwerpen in het contactslot
kunnen tot functiestoringen leiden of
schade aan het slot toebrengen.
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie
pagina 52.
03
Contactsleutel met naar binnen getrokken transpondersleutel.
N.B.
Voor auto’s met Keyless drive-functie*, zie
pagina 56.
Sleutel aanbrengen
Houd de transpondersleutel beet aan de kant
van het afneembare sleutelblad en plaats de
sleutel in het contactslot. Bij licht indrukken van
de sleutel wordt deze verder naar binnen
getrokken.
78
BELANGRIJK
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Sleutelstand 0
Steek de transpondersleutel in het contactslot
en druk lichtjes op de sleutel – de sleutel wordt
verder naar binnen getrokken.
Sleutelstand I
Met de transpondersleutel naar binnen getrokken in het contactslot – druk kort op START/
STOP ENGINE.
Sleutel verwijderen
Sleutelstand II
Verwijder de transpondersleutel door er lichte
druk op uit te oefenen. (Een automaatbak*
dient in stand P te staan.)
Met de transpondersleutel naar binnen getrokken in het contactslot – druk ca. 2 seconden
lang op START/STOP ENGINE.
Terug naar sleutelstand 0
Functies
De drie verschillende sleutelstanden zijn te
activeren zonder daarvoor de motor te hoeven
starten. De tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende sleutelstanden.
N.B.
Om sleutelstand I of II te activeren zonder
de motor te starten – voer een van de volgende punten uit zonder het rem-/koppelingspedaal te bedienen.
Om terug te gaan naar sleutelstand 0 vanuit
stand I of II – druk kort op START/STOP
ENGINE.
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
Stand
Functie
0
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht. Het
stuurslot is opgeheven. Het
audiosysteem is te gebruiken.
I
Panoramadak*, elektrisch
bedienbare zijruiten, 12V-aansluitingen in passagiersruimte, RTI*,
telefoon*, interieurventilator, ECC
en ruitenwissers zijn te gebruiken.
II
De koplampen worden ontstoken. Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden
lang. Alle uitrusting werkt,
behalve de elektrische verwarming van de stoel en die van de
achterruit die pas werken wanneer de motor loopt.
03
Voor informatie over de functie van het audiosysteem bij een uitgenomen transpondersleutel, zie pagina 153.
Motor starten en afzetten
Voor informatie over het starten/afzetten van
de motor, zie pagina 113.
Slepen
Voor belangrijke informatie over de transpondersleutel bij het slepen, zie pagina 249.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
79
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Voorstoelen
WAARSCHUWING
De stand van de bestuurdersstoel instellen
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden. Controleer of de stoel vergrendeld
staat om letsel te voorkomen bij hard afremmen of een aanrijding.
03
Rugleuning voorstoel omklappen
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
WAARSCHUWING
Pak het ruggedeelte nadat u het rechtop
gezet hebt beet en controleer of het stevig
vergrendeld staat om letsel te voorkomen
bij hard afremmen of een aanrijding.
Lendensteun wijzigen, aan de knop1
draaien.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
1
80
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren
en omlaag.
Zet de rugleuning rechtop.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Elektrisch bedienbare stoel*
Voorbereidingen
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. U verstelt de
stoel normaal gesproken in sleutelstand I.
Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk.
2. Houd de knop voor vastlegging van de
instelling ingedrukt, terwijl u op de geheugenknop van uw keuze drukt.
Stoel met geheugenfunctie*
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd een van de geheugenknoppen ingedrukt,
totdat de stoel en de buitenspiegels tot stilstand komen. Bij het loslaten van de knop zal
de instelling van de stoel onmiddellijk worden
beëindigd.
03
Geheugen* van transpondersleutel2
De stand van de bestuurdersstoel en de buitenspiegels3 wordt vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit en omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen door
een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit het
geval is, moet u de sleutel in stand I of 0 zetten
en enige tijd wachten voordat u de stoel
opnieuw probeert te verstellen.
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
2
3
Instelling vastleggen
Geheugenknop
Geheugenknop
Geheugenknop
Knop voor vastlegging van de instelling
Voor het sleutelgeheugen bij Keyless drive, zie pagina 57.
Alleen als de auto is uitgerust met elektrisch bedienbare bestuurdersstoel en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld, nemen
de bestuurdersstoel en de buitenspiegels
automatisch de in het sleutelgeheugen vastgelegde standen in.
03
N.B.
De bestuurdersstoel en de buitenspiegels
worden niet verzet, als ze al in de opgeslagen stand staan.
U kunt de standen in het sleutelgeheugen ook
activeren door (terwijl het bestuurdersportier
openstaat) de ontgrendelingsknop op de
transpondersleutel te bedienen.
U kunt het sleutelgeheugen activeren/deactiveren onder Autosleutelgeheugen Pos.
stoelen en spiegels. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 134.
N.B.
Het geheugen van de twee transpondersleutels en de drie geheugens van de stoel
werken volledig onafhankelijk van elkaar.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
82
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten dient u
de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te bedienen. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
Achterbank
Middelste hoofdsteun achterbank
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen. Zorg dat er geen
voorwerpen voor, achter of onder de stoel
liggen tijdens het verstellen. Zorg er tevens
voor dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
Stoelen met elektrische verwarming
Voor stoelen met elektrische verwarming, zie
pagina 144.
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de
passagier zodat deze zo mogelijk het hele achterhoofd bedekt. Trek de hoofdsteun zo ver
omhoog als nodig is.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de knop (in het midden tussen het ruggedeelte
en de hoofdsteun, zie afbeelding) indrukken
terwijl u de hoofdsteun omlaagduwt.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Buitenste hoofdsteunen achterbank
handmatig omklappen
De drie ruggedeelten zijn op verschillende
manieren neer te klappen.
N.B.
Zet de voorstoelen zo nodig naar voren en/
of de rugleuningen ervan rechtop, zodat u
de ruggedeelten van de achterbank helemaal kunt neerklappen.
• Het linker gedeelte is apart neer te klappen.
• Het middelste gedeelte is eveneens apart
neer te klappen.
• Het rechter gedeelte kan alleen samen met
Trek aan de pal bij de hoofdsteun om de hoofdsteun om te klappen.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig
rechtop totdat deze hoorbaar vastklikt.
Ruggedeelte achterbank omklappen
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels
mogen evenmin zijn ingestoken. Schade
aan de bekleding van de achterbank is
anders namelijk niet uitgesloten.
het middelste gedeelte worden neergeklapt.
• Voor het omklappen van de complete rugleuning dienen de verschillende gedeelten
ieder apart omgeklapt te worden.
03
Bij het omklappen van het middelste ruggedeelte dient u de middelste hoofdsteun
vrij te geven en omlaag te zetten, zie
pagina 82.
De buitenste hoofdsteunen worden automatisch neergeklapt, wanneer u de buitenste ruggedeelten omklapt. Trek de blokvan het ruggedeelte
keerhandgreep
omhoog en klap het ruggedeelte om. Een
rode markering bij de pal
geeft aan dat
het ruggedeelte niet langer geblokkeerd
staat.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
``
83
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
N.B.
De rode markering mag niet langer zichtbaar zijn, wanneer het ruggedeelte weer
rechtop staat. Het ruggedeelte staat niet
geblokkeerd, als de rode markering wel
zichtbaar is.
03
WAARSCHUWING
Controleer of de ruggedeelten en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop
zetten goed vergrendeld staan.
Buitenste hoofdsteunen achterbank
elektrisch omklappen*
1. De transpondersleutel moet in stand I of
II staan.
84
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Druk op de knop om de beide buitenste
hoofdsteunen op de achterbank om te
klappen en het zicht naar achteren te verbeteren.
WAARSCHUWING
Klap de buitenste hoofdsteunen niet om, als
er iemand op een van beide buitenste zitplaatsen van de achterbank zit.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig
rechtop totdat deze hoorbaar vastklikt.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop
zetten vergrendeld staan.
03 Bestuurdersmilieu
Stuurwiel
Instellen
WAARSCHUWING
Claxon
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
controleer of het in de gekozen stand vergrendeld staat.
G021138
Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te stellen, zie pagina 171.
03
Toetsensets*
Stuurwiel afstellen.
Claxon.
Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling
Druk op het midden van het stuurwiel om te
claxonneren.
Mogelijke stuurwielstanden
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de diepte verstellen:
1. Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te geven.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
3. Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
Toetsensets op stuurwiel.
Cruisecontrol, zie pagina 172
Adaptieve cruisecontrol, zie pagina 174
Audio- en telefoonfuncties, zie
pagina 153.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Bedieningspaneel verlichting
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze
functie is in te stellen met het duimwiel.
Groot licht/dimlicht
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Koplamphoogteregeling
03
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen. Stel de koplampen lager af als de
auto zwaar beladen is.
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel voor het afstellen van de verlichting van het display en het instrumentenpaneel
Mistachterlicht
Bedieningspaneel verlichting
Duimwiel1 voor koplamphoogteregeling
Instrumentenverlichting
Afhankelijk van de sleutelstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht, zie
pagina 78.
1
86
Niet aanwezig bij auto’s met xenonkoplampen*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Laat de motor draaien of zet de transpondersleutel in stand I.
2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om
de koplampen hoger of lager af te stellen.
Auto’s met xenonkoplampen* zijn uitgerust
met automatische koplamphoogteregeling,
zodat het duimwiel ontbreekt.
Verlichtingsdraaiknop en stuurhendel.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor grootlicht
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Stand
Betekenis
AutomatischA/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsignalen.
Stadslichten vóór en achterlichten
Dimlicht. In deze stand werken
het groot licht en de grootlichtsignalen.
A
Geldt voor bepaalde markten.
N.B.
Het groot licht is alleen te activeren in stand
.
Grootlichtsignalen
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de stand
voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe.
Het groot licht brandt totdat u de hendel loslaat.
Dimlicht
Als de verlichtingsdraaiknop in stand2 staat,
gaat bij het starten van de motor het dimlicht
automatisch
branden. U kunt het auto-
2
matische dimlicht zo nodig in een werkplaats
buiten werking laten stellen. Volvo adviseert u
contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
Actieve xenonkoplampen, ABL*
In stand
is het dimlicht altijd automatisch ingeschakeld wanneer de motor loopt of
als de transpondersleutel in stand II staat.
03
Groot licht
Het groot licht is alleen te ontsteken met de
. Schakel
verlichtingsdraaiknop in stand
het groot licht in of uit door de stuurhendel tot
in de eindstand naar het stuurwiel te halen en
vervolgens los te laten.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
op het instrumentenpahet symbool
neel.
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen (Active Bending Lights, ABL) draaien
de lichtbundels van de koplampen mee om
optimale verlichting te verkrijgen in bochten en
op kruisingen om op die manier de veiligheid
te verhogen.
De functie wordt automatisch ingeschakeld bij
het starten van de motor. Wanneer de functie
een storing vertoont, brandt het symbool
op het instrumentenpaneel en op het
informatiedisplay verschijnen een verklarende
melding plus een ander brandend symbool.
Geldt voor bepaalde markten.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
87
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Symbool
03
Display
Betekenis
Koplampfout Service vereist
Het systeem
is defect.
Bezoek een
werkplaats
als de melding niet
verdwijnt.
Volvo adviseert u contact op te
nemen met
een erkende
Volvo-werkplaats.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
U kunt de functie3 deactiveren/activeren onder
Instellingen van de auto Lichtinstellingen
Actieve koplampen. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 134.
Voor het aanpassen van de lichtbundel, zie
pagina 92.
3
88
Geactiveerd bij levering vanuit de fabriek.
Stadslichten vóór en achterlichten
Remlichten
De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt. Voor informatie over de noodremlichten en de automatische alarmlichten, zie
pagina 122.
Mistachterlicht
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stads-/parkeerlichten vóór en achterlichten.
Draai de verlichtingsdraaiknop naar de middelste stand (ook de kentekenplaatverlichting
gaat branden).
Om het achteropkomende verkeer te waarschuwen worden de achterlichten ook bij het
openen van de achterklep automatisch ingeschakeld.
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht dat uit een lamp aan de
achterzijde van de auto bestaat, is alleen in te
schakelen wanneer u het groot licht/dimlicht
voert.
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het
controlesymbool voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en het lampje
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
in de knop branden, wanneer het mistachterlicht ingeschakeld is.
Het mistachterlicht dooft automatisch bij het
afzetten van de motor.
N.B.
De regels voor het gebruik van het mistachterlicht verschillen van land tot land.
Alarmlichten
zodra de snelheid van de auto tot onder de
30 km/h is gedaald, automatisch de alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de auto tot stilstand is gekomen, blijven de alarmlichten knipperen. Wanneer u weer wegrijdt, worden ze
automatisch uitgeschakeld. U kunt ook op de
knop voor de alarmlichten drukken. Voor meer
informatie over de noodremlichten en de automatische alarmlichten, zie pagina 122.
Richtingaanwijzers/knipperlichten
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eerste stand en laat de hendel vervolgens los. De richtingaanwijzers lichten
driemaal op. U kunt de functie activeren/
deactiveren onder Instellingen van de
auto Lichtinstellingen Knipperl.
aan, 3 x
knipp.. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 135.
03
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de tweede stand.
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Richtingaanwijzersymbolen
Voor de richtingaanwijzersymbolen, zie
pagina 74.
Knop voor alarmlichten.
Richtingaanwijzers/knipperlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren. Beide richtingaanwijzersymbolen op het
instrumentenpaneel knipperen bij gebruik van
de alarmlichten.
Als de auto dermate hard wordt afgeremd dat
de noodremlichten in werking treden, worden,
``
89
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Verlichting in interieur
Plafondverlichting voorin
De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen op de plafondconsole.
Plafondverlichting achterin
G021149
03
Plafondverlichting achterin bij auto’s met panoramadak.
Leeslampje linkerzijde
G021150
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes en interieurverlichting voorin.
Instapverlichting
Leeslampje rechterzijde
Interieurverlichting
Alle verlichting in het interieur kan handmatig
in- en uitgeschakeld worden binnen 30 minuten nadat:
• u de motor hebt afgezet en de transpondersleutel in stand 0 staat
• de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
U kunt de lampjes in- en uitschakelen met een
druk op de bijbehorende knop.
Plafondverlichting achterin bij auto’s zonder panoramadak.
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) worden in- en uitgeschakeld bij het
openen c.q. sluiten van een portier.
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
Make-upspiegel
De verlichting van de make-upspiegel, zie
pagina 214, wordt bij het openen en sluiten
van het klepje in- en uitgeschakeld.
90
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Bagageruimteverlichting
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen en sluiten van de achterklep automatisch
in- en uitgeschakeld.
Automatische verlichting
Met de knop voor de interieurverlichting kunt u
drie verlichtingsstanden selecteren:
• Uit – rechterkant ingedrukt, automatische
interieurverlichting gedeactiveerd.
• Neutrale stand – automatische verlichting
geactiveerd.
• Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
Neutrale stand
Met de knop in de neutrale stand wordt de
interieurverlichting als volgt automatisch in- en
uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
• u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt (zie pagina 50 of 53)
•
u de motor hebt afgezet en de transpondersleutel in stand 0 staat.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
• u de motor start
• de auto wordt vergrendeld.
De interieurverlichting gaat aan en blijft twee
minuten lang branden, wanneer een van de
portieren openstaat.
opritverlichting. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 134.
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na twee minuten
automatisch worden uitgeschakeld.
“Approach”-verlichting
“Follow Me Home”-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als “Follow Me Home”-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2. Haal de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe en laat de hendel los. De functie is op dezelfde manier te
activeren als de grootlichtsignalen, zie
pagina 86.
U activeert de “Approach”-verlichting met de
transpondersleutel, zie pagina 50, om de verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
03
Wanneer de functie met de afstandsbediening
wordt geactiveerd, gaan de parkeerlichten, de
verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het
interieur en de instapverlichting branden.
De duur van de “Approach”-verlichting kan
worden ingesteld onder Instellingen van de
auto Lichtinstellingen Duur
naderingslicht. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 134.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wanneer de functie wordt geactiveerd, gaan
de dimlichten, de parkeerlichten, de richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het interieur en de instapverlichting
branden.
De duur van de “Follow Me Home”-verlichting
kan worden ingesteld onder Instellingen van
de auto Lichtinstellingen Duur
``
91
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Lichtbundel aanpassen
de juiste lichtbundel wordt ook de berm beter
verlicht.
Actieve xenonkoplampen*
Bij het aanpassen van de lichtbundel voor
links- of rechtsrijdend verkeer dient de auto stil
te staan.
03
G021151
1. Open het menusysteem en ga naar
Instellingen van de auto
Lichtinstellingen.
2. Kies uit Tijdelijke RH lampen en
Tijdelijke LH-lampen.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 134
Lichtbundel linksrijdend verkeer.
Halogeenkoplampen
Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel
aan door bepaalde delen van het koplampglas
af te plakken. De sterkte van de lichtbundel
neemt daardoor iets af.
G021152
Koplampen afplakken
92
1. Trek de mallen A en B over voor een auto
met het stuur links of de mallen C en D voor
een auto met het stuur rechts in een schaal
van 1:1, zie pagina 95:
Lichtbundel rechtsrijdend verkeer.
• A = LHD Right (auto met het stuur links,
Om verblinding van tegenliggers te voorkomen
kunt u de lichtbundel van de koplampen aanpassen voor links- en rechtsrijdend verkeer. Bij
• B = LHD Left (auto met het stuur links,
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
rechter koplampglas)
linker koplampglas)
• C = RHD Right (auto met het stuur
rechts, rechter koplampglas)
• D = RHD Left (auto met het stuur rechts,
linker koplampglas)
2. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip ze uit.
3. Breng de zelfklevende mallen aan de hand
van de afbeelding, zie pagina 93, en de
afmetingen in de onderstaande lijst aan op
de juiste afstand tot de rand van de
koplampglazen:
• Mal A en D: horizontale lijn ca. 104 mm,
verticale lijn ca. 20 mm
• Mal B en C: horizontale lijn ca. 167 mm,
verticale lijn ca. 14 mm
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Positie van de mallen
03
Bovenste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met het stuur rechts, mallen
``
93
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
C en D.
03
94
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Mallen voor halogeenkoplampen
03
95
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
Ruitenwissers1
Intervalstand
Regensensor*
Met het duimwiel kunt u het aantal
wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd.
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel.
Ononderbroken wissen
03
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt
op het rechter
het regensensorsymbool
display van het instrumentenpaneel.
Activeren en gevoeligheid instellen
BELANGRIJK
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor aan/uit
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Enkele slag
Haal de hendel omhoog en laat deze
los om de wissers een enkele slag te
laten maken.
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit (alsmede de achterruit) sneeuw- en ijsvrij zijn.
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit, wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
Servicestand wisserbladen
Bij reiniging van voorruit/wisserbladen en vervanging van wisserbladen, zie pagina 283 en
296.
1
96
Wisserbladen vervangen zie pagina 283, servicestand wisserbladen zie pagina 283 en sproeiervloeistof bijvullen zie pagina 284.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Om de regensensor te activeren dient de motor
te lopen of de transpondersleutel in stand I of
II te staan en de ruitenwisserhendel in stand 0
of die voor een enkele wisslag.
Activeer de regensensor door op de knop
te drukken. De ruitenwissers maken een
slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid (de wissers maken een extra slag,
als u het duimwiel omhoogdraait).
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
Deactiveren
Koplamp- en ruitensproeiers
Schakel de regensensor uit met een druk op de
of haal de hendel omlaag naar een
knop
ander wisprogramma.
stof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid.
Ruitenwisser en sproeier achterklep
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de transpondersleutel uit het
contactslot neemt of vijf minuten nadat u de
motor hebt afgezet.
03
BELANGRIJK
De ruitenwissers op de voorruit kunnen in
een automatische wasstraat spontaan
inschakelen en daarbij beschadigd raken.
Schakel de regensensor uit terwijl de motor
loopt of als de transpondersleutel in stand
I of II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en dat in de knop doven.
Sproeierfunctie.
Ruitensproeiers voorruit
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de
ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen
en worden de koplampen gesproeid.
Verwarmde sproeikoppen*
Ruitenwisser achterklep – intervalstand
Ruitenwisser achterklep – continu wissen
Wanneer u de hendel naar voren haalt (zie pijl
op bovenstaande afbeelding), activeert u de
ruitenwisser/-sproeier van de achterklep.
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch
verwarmd om te voorkomen dat de ruitensproeiervloeistof bevriest.
Hogedruksproeiers koplampen*
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloei``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
97
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
N.B.
De achterruitwisser is beveiligd tegen oververhitting zodat de wissermotor wordt uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een periode van
afkoelen (30 seconden of langer afhankelijk
van de motor- en de omgevingstemperatuur).
03
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de
intervalstand van de ruitenwisser op de achterklep starten2. Bij het inschakelen van een
andere versnelling valt de ruitenwisser op de
achterklep stil.
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al
op continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging plaats.
N.B.
Bij auto’s met een geactiveerde regensensor wordt de ruitenwisser op de achterklep
automatisch geactiveerd, als u in de regen
achteruitrijdt.
2
98
Deze functie (intervalstand tijdens het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-dealer.
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Algemene informatie
Warmtereflecterende voorruit*
Gelaagd glas
De voorruit en het panoramadak zijn
voorzien van gelaagd glas. Het is verstevigd en biedt een betere bescherming tegen inbraak en een verbeterde geluidsisolatie. Overige glazen oppervlakken*.
op dat deel van de voorruit waar geen warmtereflecterende film is aangebracht (zie gemarkeerd veld op bovenstaande afbeelding).
Elektrisch bedienbare ruiten
03
Water- en vuilafstotende laag*
De ruiten zijn voorzien van een speciale laag die bij hevige regenval voor
een beter zicht zorgt. Voor het onderhoud, zie
pagina 297.
Veld waar geen IR-film is aangebracht.
Maten
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de ruiten van ijs te ontdoen. Gebruik de elektrische verwarming om de buitenspiegels van
ijs te ontdoen, zie pagina 102.
A
47 mm
B
87 mm
De voorruit is voorzien van een warmtereflecterende film (IR) die de ingestraalde warmte in
de passagiersruimte beperkt.
Montage van elektronische uitrusting, zoals
een transponder, achter een ruit met een
warmtereflecterende film heeft mogelijk een
negatieve invloed op de werking en prestaties
van de uitrusting.
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot op achterportieren*
en achterste zijruiten, zie pagina 64.
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat achterpassagiers niet met
hun handen bekneld raken, wanneer u de
zijruiten vanaf het bestuurdersportier sluit.
Voor optimale werking van dient de elektronische uitrusting dan ook gemonteerd te worden
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
99
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
WAARSCHUWING
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet met
hun handen bekneld raken. Dit geldt ook als
u gebruik maakt van de transpondersleutel.
03
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten: let er bij het
verlaten van de auto op dat u de stroomtoevoer naar de elektrisch bedienbare zijruiten verbreekt door de transpondersleutel
uit te nemen.
Bediening
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier kunt u alle ruiten tegelijk bedienen.
Vanaf het bedieningspaneel op een van de
overige portieren kunt u alleen de zijruit in dat
portier bedienen. De zijruiten zijn alleen te
bedienen vanaf één bedieningspaneel tegelijk.
Handmatige bediening
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken moet de transpondersleutel in stand
I of II staan. Ook als u na het afzetten van de
motor de transpondersleutel hebt verwijderd,
hebt u nog enkele minuten lang de tijd om de
ruiten te bedienen. Na het openen van een portier is dat echter niet meer mogelijk.
Automatische bediening
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun beweging worden gehinderd. Wanneer sluiten
onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming, kan
de beveiliging tegen overbelasting worden
opgeheven. U doet dat door de bedieningsknop voor de bewuste zijruit omhoog te trekken en in deze stand vast te houden, totdat de
zijruit dicht is. De beveiliging tegen overbelasting wordt enige tijd later opnieuw geactiveerd.
Om de elektrisch bedienbare zijruiten vanaf de
buitenzijde te bedienen met de transpondersleutel of vanaf de binnenzijde met de centrale
vergrendeling, zie pagina 50 en 59.
N.B.
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
100
U kunt de rijwindgeluiden tijdens ritten met
geopende achterportierruiten beperken
door ook de voorportierruiten een stukje te
openen.
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch bedienbare zijruiten komen steeds verder omhoog of omlaag zolang u de bedieningsknop bedient.
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog
of duw er een omlaag en laat deze vervolgens
los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
Bediening met transpondersleutel en
centrale vergrendeling
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt de
automatische openingsfunctie pas weer naar
behoren wanneer u deze hebt gereset.
1. Trek de knop aan de voorkant omhoog om
de ruit helemaal te sluiten en houd de knop
een seconde in deze stand vast.
2. Laat de knop korte tijd los.
3. Trek de voorkant van de knop opnieuw een
seconde omhoog.
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting werkt
alleen als de automatische openingsfunctie
voor zijruiten gereset is.
Buitenspiegels
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
WAARSCHUWING
De spiegels zijn groothoekig voor optimaal
zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken
dan ze in werkelijkheid zijn.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt:
1. Druk de knoppen L en R tegelijkertijd in (de
transpondersleutel moet minimaal in sleutelstand I staan).
2. Laat ze na ca. 1 seconde los. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Bedieningsknoppen buitenspiegels.
Instellen
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
1
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Stand vastleggen*
De stand van de buitenspiegels en de bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld en het
bestuurdersportier wordt geopend, nemen de
buitenspiegels en de bestuurdersstoel de vastgelegde standen in.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Autosleutelgeheugen Pos. stoelen en
spiegels. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 134.
03
Buitenspiegel kantelen bij parkeren1
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld
worden, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg te kan zien.
Schakel de achteruitversnelling in en druk
op de knop L of R.
Bij het inschakelen van een andere versnelling
nemen de gekantelde buitenspiegels na ca.
10 seconden de oorspronkelijke stand weer in.
Dat gebeurt eerder als u de knop L of R drukt.
Automatisch kantelende buitenspiegel
bij parkeren1
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
worden de buitenspiegels automatisch
omlaaggekanteld, zodat u bijvoorbeeld tijdens
het parkeren de kant van de weg kan zien.
Wanneer de auto uit de achteruitversnelling
wordt gehaald, nemen de buitenspiegels na
enige tijd automatisch de oorspronkelijke
stand weer in.
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen, zie pagina 81.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
101
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto Instellingen
zijspiegels Autotilt linkerspiegel c.q.
Autotilt rechterspiegel. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 134.
03
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
“Approach”-verlichting en “Follow Me
Home”-verlichting
de verwarming na enige tijd automatisch uitgeschakeld.
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden, als u de “Approach”-verlichting of de “Follow Me Home”-verlichting selecteert, zie
pagina 91.
De verwarming kan automatisch worden ingeschakeld als de auto wordt gestart bij een buitentemperatuur lager dan +7 °C. De functie
voor automatische ontwaseming moet in dat
geval gedeactiveerd worden onder
Klimaatinstellingen Aut. defroster
achterr.. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 134.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto Instellingen
zijspiegels Spiegels in bij vegrend.. Voor
een beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 134.
Achteruitkijkspiegel
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de
neutrale stand worden teruggezet zodat het
elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt:
1. Klap de spiegels in met de knoppen L
en R.
2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen
L en R.
3. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
102
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en de buitenspiegels te ontwasemen en
te ontdooien.
Bij eenmaal indrukken van de knop gaat de
verwarming van start. Het brandende lampje in
de knop geeft aan dat de functie actief is.
Schakel de verwarming uit zodra het ijs/de
condens verdwenen is om de accu niet onnodig te belasten. Als u echter niets doet, wordt
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje in de
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
dimstand, wanneer u de verlichting van het
achteropkomende verkeer als hinderlijk
ervaart:
1. Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2. Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje naar de voorruit toe te duwen.
03
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd. Het hendeltje is niet aanwezig op
spiegels met autodimfunctie.
Een kompas* is alleen een optie voor een achteruitkijkspiegel met autodimfunctie, zie
pagina 104.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
103
03 Bestuurdersmilieu
Kompas*
Bediening
Kalibreren
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas is ingesteld op het geografische
gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het
kompas dient te worden gekalibreerd, als u
met de auto meerdere magnetische zones
doorkruist.
03
G030295
1. Breng de auto tot stilstand op een groot en
open terrein waar geen stalen constructies
of hoogspanningsdraden zijn.
2. Start de motor.
Magnetische zones.
Achteruitkijkspiegel met kompas.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst. Er worden acht verschillende richtingen
met Engelse afkortingen weergegeven: N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd
wanneer u de motor start of wanneer sleutelstand II actief is, zie pagina 78. Om het kompas
handmatig in of uit te schakelen kunt u een
paperclip of iets dergelijks nemen en het
knopje aan de onderzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
104
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Voor optimale kalibratie dient u alle elektrische apparatuur (klimaatregeling, ontwaseming e.d.) uit te schakelen en de portieren
dicht te houden.
3. Houd het knopje aan de onderzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 6 seconden lang
ingedrukt (met een rechtgebogen paperclip bijvoorbeeld), totdat het teken C verschijnt.
4. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden lang
ingedrukt. Het cijfer van de huidige magnetische zone verschijnt.
5. Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van de gewenste magnetische
zone (1–15) verschijnt (zie de kaart met de
magnetische zones van het kompas).
6. Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt.
7. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 10 km/h, totdat een kompasrichting op het display verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie afgerond is. Rijd daarna nog 2 rondjes om de
kalibratie fijn af te stellen.
03 Bestuurdersmilieu
Kompas*
8. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
03
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
105
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar panoramadak*
Algemene informatie
03
WAARSCHUWING
Het panoramadak is opgesplitst in twee segmenten waarvan alleen het voorste horizontaal
opengeschoven of aan de achterkant verticaal
opengekanteld (ventilatiestand) kan worden.
Tussen de bewegende delen van het panoramadak kunnen inzittenden (kinderen!) of
voorwerpen bekneld raken.
Aan de binnenkant van het panoramadak zit
een zonnescherm gemaakt van geperforeerd
textiel voor extra bescherming tegen bijvoorbeeld het felle zonlicht.
•
Bedien het panoramadak daarom altijd
onder toezicht.
•
Laat kinderen niet met de bedieningsknoppen spelen.
•
Neem bij het verlaten van de auto altijd
de transpondersleutel/PCC* mee om zo
bediening van het panoramadak te
voorkomen.
Bediening
Sluiten, handmatig
Sluiten, automatisch
Het panoramadak en het gordijn zijn te bedienen in sleutelstand I of II.
Volautomatische bediening
1. Gordijn maximaal openen - duw de bedieningsknop achteruit naar de stand voor
automatisch openen en laat de knop weer
los.
2. Panoramadak vervolgens maximaal openen - duw de bedieningsknop een tweede
maal achteruit naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
Sluit het panoramadak/gordijn door de voorgaande procedure in omgekeerde volgorde te
volgen - duw de bedieningsknop nu echter
vooruit naar de stand voor automatisch sluiten.
Versneld openen/sluiten
Het panoramadak en het gordijn zijn ook tegelijkertijd te openen/sluiten:
Het panoramadak en het gordijn zijn te bedienen met een bedieningsknop aan het plafond.
De knop is actief in sleutelstand I of II, zie
pagina 78.
• Openen - duw de bedieningsknop tweemaal achteruit naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
• Sluiten - duw de bedieningsknop tweeOpenen, automatisch
Openen, handmatig
106
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
maal vooruit naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar panoramadak*
Handmatige bediening
Ventilatiestand
1. Gordijn openen - duw de bedieningsknop
achteruit naar het drukpunt voor handmatig openen. Het gordijn wordt zolang u de
bedieningsknop ingedrukt houdt steeds
verder geopend.
Sluiten met transpondersleutel of knop
voor centrale vergrendeling
03
2. Panoramadak kantelen - duw de bedieningsknop een tweede maal achteruit naar
het drukpunt voor handmatig openen
3. Panoramadak openen - duw de bedieningsknop een derde maal achteruit naar
het drukpunt voor handmatig openen. Het
panoramadak wordt zolang u de bedieningsknop ingedrukt houdt steeds verder
geopend.
Sluit het panoramadak/gordijn door de voorgaande procedure in omgekeerde volgorde te
volgen - duw de bedieningsknop nu echter
vooruit naar de stand voor handmatig sluiten.
N.B.
Voordat het panoramadak handmatig kunnen worden geopend moet het gordijn volledig geopend zijn. Omgekeerd geldt dat
het panoramadak volledig gesloten moet
zijn voordat het gordijn kan worden gesloten.
Ventilatiestand, achterkant verticaal opengekanteld.
Kantel het schuifdak open door de achterkant van de knop omhoog te duwen.
Kantel het schuifdak dicht door de achterkant van de knop omlaag te trekken.
Bij activering van de ventilatiestand wordt het
voorste segment van het panoramadak aan de
achterkant opengekanteld. Als het gordijn
helemaal dichtstaat bij activering van de ventilatiestand, schuift het automatisch
ca. 50 mm open.
Houd de vergrendelingsknop lang ingedrukt,
zie pagina 50 (transpondersleutel) en 59 (knop
voor centrale vergrendeling), om het panoramadak en alle zijruiten te sluiten. De buitenspiegels worden ingeklapt*, terwijl de portieren
en de achterklep worden vergrendeld. Druk
nogmaals op de vergrendelingsknop om het
sluiten te onderbreken.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand bekneld raakt, als u
het panoramadak sluit vanaf de transpondersleutel.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
107
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar panoramadak*
Windscherm
03
Bij het panoramadak hoort een windscherm
dat opgeklapt wordt bij een geopend panoramadak.
108
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu
Alcoguard*
Algemene informatie over het
alcoholslot
Functies
Batterij
Het alcoholslot voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
Voordat de motor kan worden gestart, moet u
een blaastest afgeven om vast te stellen dat u
niet onder de invloed van alcohol bent. Het
alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte
van de grenswaarde voor verkeersdeelname
die in uw land geldt.
Het controlelampje (4) van de blaasunit geeft
de ladingstoestand van de batterij aan:
WAARSCHUWING
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u niet
ontslaat van uw verantwoordelijkheden als
bestuurder. De bestuurder dient altijd nuchter te blijven en de auto op een veilige
manier te besturen.
Bediening
1. Mondstuk voor blaastest.
Lampje (4)
Ladingstoestand
batterij
Knippert groen
Wordt opgeladen
Groen
Volledig opgeladen
Oranje
Half opgeladen
Rood
Ontladen – plaats de
lader in de houder of
sluit de voedingskabel uit het dashboardkastje aan.
2. Schakelaar.
3. Zendertoets.
4. Lampje voor ladingstoestand batterij.
03
5. Lampje voor resultaat blaastest.
6. Lampje dat aangeeft dat het systeem
gereed is voor een blaastest.
N.B.
Bewaar de blaasunit in zijn houder. Zo blijft
de ingebouwde batterij opgeladen en kan
het alcoholslot automatisch worden geactiveerd bij het openen van de auto.
Alvorens de motor te starten
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd
en gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
109
03 Bestuurdersmilieu
Alcoguard*
1. Wanneer het controlelampje (6) groen
oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik.
Resultaat van de blaastest
2. Neem de blaasunit uit de houder. Als de
blaasunit zich buiten de auto bevindt tijdens het ontgrendelen, dan dient u de unit
eerst te activeren met de schakelaar (2).
03
3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep
adem en blaas gelijkmatig totdat er
ca. 5 seconden later een “klikgeluid” klinkt.
Het resultaat is een van de alternatieven in
de volgende tabel Resultaat van de
blaastest.
Betekenis
Groen lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Start de motor –
geen alcohol gemeten.
Oranje lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
4. Als er geen melding verschijnt, kan er wat
mis zijn gegaan tijdens de gegevensoverdracht naar de auto – druk in dat geval op
de toets (3) om de testgegevens handmatig naar de auto te zenden.
Rood lampje + Test
afgekeurd Wacht 1
minuut
5. Klap het mondstuk omlaag en plaats de
blaasunit terug in de houder.
6. Start vervolgens binnen 5 minuten na een
goedgekeurde blaastest de motor – anders
is een nieuwe blaastest vereist.
Lampje (5) + displaymelding
A
Motor kan worden
gestart – gemeten
promillage boven
0,1 promille maar
onder de geldende
grenswaardeA.
Motor kan niet worden gestart – gemeten promillage
boven de geldende
grenswaardeA.
De grenswaarde verschilt van land tot land (ga na wat er in
uw land geldt). Zie ook het gedeelte Algemene informatie
over het alcoholslot op pagina 109
N.B.
Binnen 30 minuten na afloop van een rit kan
de motor opnieuw gestart worden zonder
dat er een nieuwe blaastest nodig is.
1
110
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Waar u op moet letten
Alvorens een blaastest te doen
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig
mogelijk meetresultaat:
• Ca. 5 minuten voor de blaastest niet eten
of drinken.
• De voorruit niet te lang sproeien – de alcohol in de sproeiervloeistof kan een verkeerd meetresultaat opleveren.
Van bestuurder wisselen
Om bij het wisselen van bestuurder een nieuwe
blaastest te kunnen doen schakelaar (2) en de
zendtoets (3) gelijktijdig ca. 3 seconden lang
ingedrukt houden. De startblokkering van de
auto wordt dan opnieuw geactiveerd, zodat er
eerst een goedgekeurde blaastest nodig is
voordat de motor kan worden gestart.
Kalibreren en onderhoud plegen
Het alcoholslot dient om de 12 maanden in een
werkplaats1 gecontroleerd en gekalibreerd te
worden.
Wanneer er nog 30 dagen resteren tot aan een
geplande kalibratiebeurt, verschijnt
Alcoguard Kalibr. vereist op het display. Als
er niet binnen 30 dagen gekalibreerd wordt,
dan kan de motor niet langer op de normale
03 Bestuurdersmilieu
Alcoguard*
wijze gestart worden – de motor is dan alleen
te starten via de bypass-functie, zie
pagina 111, gedeelte over Noodsituatie.
De melding is te verwijderen met een druk op
de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders
spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt
iedere keer dat de motor gestart wordt
opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats1 verdwijnt de melding permanent.
Koud en warm weer
Hoe kouder het buiten is, hoe langer het duurt
voordat de blaasunit gereed is voor gebruik:
Temperatuur (°C)
Maximale
opwarmtijd
(seconden)
+10 — +85
10
–5 — +10
60
–40 — –5
180
Bij temperaturen lager dan –20 °C of hoger dan
+60 ’C is extra voeding voor de blaasunit vereist. Op het display verschijnt Alcoguard
Stroom kabel aansluiten. Sluit de voedingskabel uit het dashboardkastje in dat geval aan
1
op de blaasunit en wacht totdat het controlelampje (6) groen oplicht.
de noodfunctie. Deze instelling is achteraf nog
te wijzigen in een werkplaats1.
Bij extreme koude kunt u de opwarmtijd verkorten door de blaasunit mee naar binnen te
nemen.
Bypass-functie activeren
Noodsituatie
In noodsituaties of wanneer de blaasunit defect
of zoekgeraakt is, kunt u het alcoholslot omzeilen om toch in de auto te kunnen rijden.
N.B.
Alle activeringen via een doorverbinding
(bypass) worden geregistreerd en opgeslagen in een geheugen, zie pagina 10 in het
hoofdstuk Vastlegging van gegevens.
Na activering van de bypass-functie blijft
Alcoguard Bypass actief op het display
staan totdat het systeem gereset wordt in een
werkplaats1.
Het is mogelijk de bypass-functie te testen
zonder dat er een foutmelding wordt aangemaakt – loop in dat geval alle stappen door
maar start de motor niet. De foutmelding wordt
gewist bij het vergrendelen van de auto.
• Houd de knop READ op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het display verschijnen achtereenvolgens
Bypass actief Wacht 1 minuut en
Alcoguard Bypass actief – daarna kunt u
de motor starten.
03
Deze functie is meerdere malen te activeren.
De foutmelding die verschijnt tijdens het rijden
is echter alleen te wissen in een werkplaats1.
Noodfunctie activeren
• Houd de knop READ op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het display verschijnt Alcoguard Bypass
actief waarna u de motor kunt starten.
Deze functie is eenmaal te gebruiken en moet
daarna gereset worden in een werkplaats1.
Bij installatie van het alcoholslot geeft u aan of
omzeilen mogelijk moet zijn via de bypass- of
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
111
03 Bestuurdersmilieu
Alcoguard*
Symbolen en displayteksten
Naast de eerder beschreven meldingen kan
ook het volgende op het display van het instrumentenpaneel verschijnen:
03
1
112
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
Alcoguard Blaas
zachter
U blies te hard –
blaas minder hard.
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
Alcoguard Blaas
harder
Alcoguard Herstart mogelijk
Motor stond minder
dan 30 minuten af –
motor kan worden
gestart zonder
nieuwe blaastest.
U blies niet hard
genoeg – blaas harder.
Alcoguard wacht
Verwarmt voor
Alcoguard Service
vereist
Bezoek een werkplaats1.
Opwarming niet
gereed – wacht de
melding Alcoguard
Blaas 5 seconden
af.
Alcoguard Geen
signaal
Overdracht mislukt –
verstuur het resultaat handmatig via
toets (3) of doe een
nieuwe blaastest.
Alcoguard Test
ongeldig
De test is mislukt –
doe een nieuwe
blaastest.
Alcoguard Blaas
langer
U blies te kort –
blaas langer.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
Benzine- en dieselmotoren
2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt1. (Bij auto’s met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.)
3. Druk op de knop START/STOP ENGINE
en laat deze vervolgens los.
De startmotor blijft maximaal
10 seconden draaien (60 seconden bij dieselmodellen), totdat de motor is aangeslagen.
Als de motor niet aanslaat - doe een nieuwe
startpoging door de knop START/STOP
ENGINE ingedrukt te houden totdat de motor
wel aanslaat.
Contactslot met naar binnen getrokken transpondersleutel en START/STOP ENGINE-knop.
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie
pagina 52.
03
Keyless drive
Loop de punten 2–3 door voor benzine- en dieselmotoren. Voor meer informatie over Keyless
drive, zie pagina 56.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel uit het contactslot – met
name wanneer er kinderen in de auto achterblijven. Voor informatie over het verwijderen van de sleutel uit het contactslot, zie
pagina 78.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot – druk lichtjes op de sleutel totdat
deze verder naar binnen wordt getrokken.
Let erop dat u bij een auto met alcoholslot
eerst een goedgekeurde blaastest moet
afgeven, voordat de motor kan worden
gestart, zie pagina 109.
1
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat het
motortoerental merkbaar hoger ligt dan normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
N.B.
De motor kan alleen worden gestart, als een
van de transpondersleutels met Keyless
drive*-functie in de passagiersruimte of in
de bagageruimte is.
WAARSCHUWING
Neem de transpondersleutel bij een auto
met Keyless drive-functie* nooit tijdens het
rijden of slepen uit het contactslot.
Als de auto rolt is het indrukken van de knop START/STOP ENGINE voldoende om de motor te starten.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
113
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
Motor afzetten
Om de motor af te zetten – druk op START/
STOP ENGINE.
03
Als de auto een automatische versnellingsbak
heeft en de keuzehendel niet in stand P staat
of als de auto rijdt – druk tweemaal op de knop
of houdt de knop ingedrukt totdat de motor
afslaat.
Stuurslotfout
Het stuurslot wordt opgeheven, wanneer u de
START/STOP ENGINE-knop indrukt met de
transpondersleutel in het contactslot geduwd.
Het stuurslot wordt geactiveerd, wanneer u na
het afzetten van de motor het bestuurdersportier opent.
Sleutelstanden
Voor informatie over de verschillende standen
van de transpondersleutel, zie pagina 78
114
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, hulpaccu
Starten met hulpaccu
4. Sluit de ene klem van de rode startkabel
aan op de pluspool van de hulpaccu
.
5. Haal de clips op de voorste dekplaat van
de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat, zie pagina 286.
6. Sluit de andere klem van de rode startkabel
van de uitgeputte
aan op de pluspool
accu.
7. Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
van de hulpaccu.
op de minpool
10. Start de motor van de auto met de lege
accu. Raak de aansluitingen niet aan tijdens de startpoging. Er bestaat namelijk
gevaar voor vonkvorming.
11. Verwijder de startkabels. Verwijder eerst
de zwarte kabel en daarna de rode.
Zorg dat geen van de klemmen aan de
zwarte startkabel contact kan maken met
de pluspool van de accu of met de aangesloten klemmen van de rode startkabel.
03
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto
starten met stroom van een hulpaccu.
Bij gebruik van een hulpaccu wordt u het volgende geadviseerd om explosiegevaar te voorkomen:
1. Zet de transpondersleutel in sleutelstand 0, zie pagina 78.
2. Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
3. Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de auto’s
elkaar niet raken.
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
8. Sluit de andere klem aan op het massapunt
(rechter motorsteun bovenaan, buitenste
boutkop)
. Controleer of de aansluitklemmen van de startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat er tijdens de
startpoging vonken ontstaan.
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst,
moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in uw
ogen krijgt.
9. Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
115
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Geartronic*
rem met een druk op de knop, zie
pagina 126.
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
03
Achteruitrijstand (R)
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
Neutrale stand (N)
Schakelpatroon zesversnellingsbak.
• Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
• Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af.
Blokkering achteruitversnelling
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
•
Begin vanuit de neutraalstand N en schakel alleen de achteruitversnelling R in, wanneer de auto stilstaat.
D: automatisch schakelen. M (+/–): handmatig
schakelen.
Het informatiedisplay geeft de stand van de
keuzehendel aan met behulp van de volgende
tekens: P, R, N, D, S, 1, 2, 3, 4, 5 of 6, zie
pagina 73.
Schakelstanden
Parkeerstand (P)
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert. U moet het rempedaal bedienen om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer de elektrische parkeer-
116
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
Rijstand (D)
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand D in
stand R zet.
Geartronic, handmatig schakelen (+/–)
Met de automatische versnellingsbak Geartronic kunt u ook handmatig schakelen. Bij het
loslaten van het gaspedaal wordt de auto op
de motor afgeremd.
Handmatig schakelen is te activeren door de
hendel vanuit stand D helemaal naar rechts in
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
stand +/– te zetten. Op het informatiedisplay
verandert het teken D in een van de cijfers “1–
6” afhankelijk van de ingeschakelde versnelling, zie pagina 73.
• Duw de hendel naar voren naar de + (plus)
om een hogere versnelling in te schakelen
en laat deze weer los – de hendel veert
terug naar de neutrale stand tussen + en
–.
N.B.
Als de versnellingsbak een sportstand kent,
is handmatig schakelen pas te activeren
wanneer u de keuzehendel vooruit of achter
in stand (+/–) hebt gezet. Op het informatiedisplay verandert de S dan in een van de
tekens 1–6 om aan te geven welke versnelling er ingeschakeld is.
Geartronic, Sportstand (S)1
of
• Trek de hendel naar achteren naar de –
(min) om een lagere versnelling in te schakelen en laat deze weer los.
Handmatig schakelen (+/–) kan op elk moment
tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug
als de bestuurder langzamer gaat rijden dan
wat voor de gekozen versnelling gepast is.
Om de automatische rijstand te hervatten:
• Zet de hendel helemaal naar links in stand
D.
De sportstand levert een sportiever rijgedrag
op en maakt het mogelijk om hogere toeren te
maken in de versnellingen. De motor reageert
bovendien sneller op de commando’s die u
met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van
de sportstand wordt tevens de voorkeur gegeven aan de lagere versnellingen, zodat er met
enige vertraging wordt opgeschakeld.
De Sport-stand is te activeren door de hendel
vanuit stand D helemaal naar rechts in stand
+/– te zetten. Op het informatiedisplay verandert het teken D in S.
De sportstand kan op elk moment tijdens het
rijden ingeschakeld worden.
Geartronic, winterstand
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e versnelling in te schakelen.
1
1. Bedien het rempedaal en haal de keuzehendel vanuit stand D naar stand +/– – het
symbool D op het display van het instrumentenpaneel verandert in een 1.
2. Schakel op naar de 3e versnelling door de
hendel twee keer naar voren naar de +
(plus) te duwen – op het display verandert
de 1 in een 3.
03
3. Laat het rempedaal los en geef voorzichtig
gas.
Bij activering van de “winterstand” van de versnellingsbak rijdt de auto met een lager motortoerental en minder kracht op de aandrijfwielen
weg.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen, is
het stuurprogramma van de versnellingsbak
Alleen de modellen D5 en T6.
``
117
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
voorzien van een terugschakelblokkering
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
03
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt
er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
Mechanische keuzehendelblokkering
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de
blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Schakelblokkering, vrijstand (N)
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
standen P, R, N en D.
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen
halen, moet de transpondersleutel in stand II
staan en moet het rempedaal worden bediend,
zie pagina 78.
Automatische keuzehendelblokkering
De automatische versnellingsbak kent enkele
bijzondere beveiligingsfuncties:
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens 3 seconden stilgestaan (of de
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd.
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Sleutelblokkering, Keylock
De keuzehendel moet in stand P staan om de
transpondersleutel uit het contactslot te kunnen nemen. In alle andere standen is de transpondersleutel geblokkeerd.
Parkeerstand (P)
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de
keuzehendel verzet.
G021351
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
parkeerstand (P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl
de transpondersleutel in stand II staat, zie
pagina 78.
G031390
Stilstaande auto met draaiende motor:
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu, moet
u de keuzehendel uit stand P halen voordat u
de auto kunt verslepen.
Til de rubbermat in het vak achter de middenconsole uit de auto en open het luikje.
118
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Steek het sleutelblad zo ver mogelijk naar
binnen. Duw het sleutelblad omlaag en
houd het in deze stand vast. (Voor informatie over het sleutelblad, zie pagina 52.)
Haal de keuzehendel uit stand P.
Automatische versnellingsbak
Powershift*2
een hydraulische koppelomvormer die de
kracht van de motor overbrengt op de motor.
Een Powershift-versnellingsbak werkt verder
op dezelfde manier en heeft bedieningselementen en functies die vergelijkbaar zijn met
die van de automatische versnellingsbak Geartronic, die in het voorgaande gedeelte werd
besproken.
HSA
HSA (Hill Start Assist) zorgt ervoor dat de remdruk enkele seconden lang op peil blijft als u
uw voet van het rempedaal naar het gaspedaal
verplaatst voordat u wegrijdt of achteruitrijdt
op een oplopende helling.
De tijdelijke remwerking wordt na enige seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van
het gaspedaal.
Waar u op moet letten
D: automatisch schakelen. M (+/–): handmatig
schakelen.
Powershift is een zestraps automaat die in
tegenstelling tot een conventionele automatische versnellingsbak voorzien is van dubbele
mechanische lamellenkoppelingen. Een conventionele automatische versnellingsbak heeft
2
De dubbele koppeling van de versnellingsbak
is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die geactiveerd wordt, als de versnellingsbak te warm wordt – bijvoorbeeld als u de
auto te lang met het gaspedaal stilhoudt op een
oplopende helling.
schuwingssymbool dat gaat branden en een
melding op het informatiedisplay. Ook bij langzaam fileverkeer (10 km/h of lager) op oplopende hellingen of met een aanhanger/caravan
achter de auto kan de versnellingsbak te warm
worden. De versnellingsbak koelt af tijdens stilstand, wanneer het rempedaal bediend wordt
en de motor stationair loopt.
03
Oververhitting tijdens langzaam fileverkeer is te
voorkomen door in etappes te rijden: Sta stil en
wacht met uw voet op het rempedaal totdat de
afstand tot uw voorliggers lang genoeg is om
een stukje verder vooruit te rijden, rem en
wacht weer enige tijd met uw voet op het rempedaal.
BELANGRIJK
Bedien de bedrijfsrem om de auto stil te
houden op oplopende hellingen – maak
geen gebruik van het gaspedaal. De versnellingsbak kan dan oververhit raken.
Displaymelding en maatregel
In bepaalde situaties kan er een bepaalde melding op het display verschijnen in combinatie
met een brandend symbool.
Een te warme versnellingsbak uit zich in een
auto die gaat schudden en trillen, een waar-
Alleen viercilindermodel 2.0, 2.0T, 2.0F.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
119
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Symbool
Display
Rijeigenschappen
Maatregel
Oververh versnb zet auto stil
Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental.
Versnellingsbak oververhit. Houd de auto
stil met het rempedaal.A
Oververh versnb Stop auto z.s.m.
Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit.
Versnellingsbak oververhit. Parkeer de
auto zo spoedig mogelijk.A
Koeling versn.b. laat motor lopen
Geen aandrijving wegens oververhitting
van de versnellingsbak.
Versnellingsbak oververhit. Voor optimale
koeling: Laat de motor stationair lopen met
de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
03
A
Voor optimale koeling: Laat de motor stationair lopen met de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
De tabel schetst drie gevallen van oververhitting van de versnellingsbak met verschillende
ernstigheidsgraad. De elektronica waarschuwt
de bestuurder niet alleen met een displaymelding maar ook middels tijdelijke veranderingen
in het rijgedrag. Volg in het voorkomende geval
de aanwijzingen op het informatiedisplay.
N.B.
De voorbeelden in de tabel duiden niet op
defecten in de auto, maar geven aan dat een
beveiligingsfunctie geactiveerd werd om
schade aan autocomponenten te voorkomen.
WAARSCHUWING
Als u het waarschuwingssymbool met de
tekst Oververh versnb Stop auto z.s.m.
negeert, kan de versnellingsbaktemperatuur dusdanig oplopen dat de krachtoverbrenging tussen de motor en de versnellingsbak tijdelijk wordt verbroken om te
voorkomen dat de koppeling defect raakt –
de auto wordt dan niet meer aangedreven
totdat de versnellingsbaktemperatuur tot
een aanvaardbaar niveau is gedaald.
Voor andere displaymeldingen en de voorgestelde maatregelen bij auto’s met een automatische versnellingsbak, zie pagina 138.
Na uitvoering van de maatregel verdwijnt de
displaymelding automatisch. U kunt de mel-
120
ding ook eerder doen verdwijnen met een druk
op de knop READ van de richtingaanwijzerhendel.
03 Bestuurdersmilieu
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)*
De vierwielaandrijving is altijd
ingeschakeld
03
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven.
Het motorkoppel wordt automatisch over de
voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt
het vermogen over het wielpaar dat op dat
moment de beste grip op het wegdek heeft. Dit
om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin te voorkomen. Bij normaal rijden worden
de voorwielen naar verhouding iets sterker
aangedreven dan de achterwielen.
De vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid
tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
121
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
Algemene informatie
De auto is uitgerust met twee remkringen. Als
een van de remkringen defect raakt, betekent
dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal dieper moet
intrappen voor dezelfde remmende werking.
03
De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt
versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
Wanneer u met de motor afgezet remt doet het
rempedaal stug aan en kost het u meer kracht
om de auto te remmen.
In bergachtig gebied of bij het rijden met een
zware belading kunt u de remmen ontzien door
op de motor af te remmen. U benut de remmende werking van de motor het best, wanneer u tijdens het afdalen dezelfde versnelling
inschakelt als bij het oprijden van een helling.
Voor algemener informatie over een zware
belasting van de auto, zie pagina 311.
Antiblokkeerremsysteem
De auto is uitgerust met ABS (Anti-lock Braking
System) dat voorkomt dat de wielen blokkeren
tijdens het remmen. Zo blijft de auto bestuur-
122
baar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is
om obstakels te ontwijken. Bij activering van
deze functie kunt u trillingen in het rempedaal
voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u het rempedaal loslaat nadat de
motor is aangeslagen, gaat een kortdurende,
automatische test van het ABS van start. Het
is mogelijk dat er opnieuw een automatisch
test van het ABS plaatsvindt, wanneer de auto
een snelheid van 40 km/h bereikt. Ook deze
test kan waarneembaar zijn in de vorm van trillingen in het rempedaal.
Remschijven schoonmaken
Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe
leiden dat de aanspreekduur van de remmen
wordt verlengd. Door de remblokken schoon te
maken beperkt u deze verlenging.
U wordt geadviseerd de remschijven handmatig schoon te maken, wanneer u op natte
wegen rijdt, de auto net hebt gewassen of op
het punt staat deze langdurig te parkeren. U
maakt de remschijven handmatig schoon door
korte tijd licht te remmen.
Remkrachtverhoging bij noodstops
Noodremlichten en automatische
alarmlichten
De noodremlichten worden geactiveerd om
achterliggers erop te attenderen dat u krachtig
remt. Daarbij knipperen de remlichten in plaats
van dat ze continu branden, zoals bij normaal
remmen.
De noodremlichten worden geactiveerd bij
snelheden hoger dan 50 km/h als het ABS
actief is en/of bij krachtig remmen. Wanneer de
auto is afgeremd tot een rijsnelheid lager dan
10 km/h, gaan de remlichten continu branden
in plaats van te knipperen. Ondertussen worden de alarmlichten geactiveerd en deze blijven knipperen totdat u het motortoerental met
het gaspedaal wijzigt of de alarmlichten uitschakelt met de bijbehorende knop, zie
pagina 89.
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assist) helpt de remkracht
verhogen om op die manier de remweg te verkorten. Het EBA registreert de wijze waarop u
het rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de
remkracht. De remkracht kan worden verhoogd tot aan het niveau waarbij het ABS
ingrijpt. De EBA-regeling wordt uitgeschakeld
wanneer u de druk op het rempedaal verlaagt.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
Symbolen op instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Brandt continu – controleer het
remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag ligt en
controleer tevens de oorzaak
van het remvloeistofverlies.
03
Brandt 2 seconden lang continu
bij het starten van de motor – er
is de laatste keer dat de motor
liep een storing in het ABS
opgetreden.
WAARSCHUWING
Als
en
tegelijkertijd branden,
kan er een storing in het remsysteem zijn
opgetreden.
Als het remvloeistofpeil in dat geval in orde
is, moet u de auto voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
123
03 Bestuurdersmilieu
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)
Algemene informatie
03
HDC is te vergelijken met een automatische
motorrem. Wanneer u op een aflopende helling
het gaspedaal loslaat, wordt de auto normaal
gesproken op de motor afgeremd doordat
deze in dat geval een laag stationair toerental
nastreeft. Naarmate de helling steiler en de
auto zwaarder beladen is, rolt de auto ondanks
de motorrem sneller omlaag. Om in dergelijke
gevallen snelheid te minderen dient u bij te
remmen met het rempedaal.
WAARSCHUWING
HDC heeft niet in alle situaties het beoogde
effect en is uitsluitend bedoeld als hulpmiddel.
U als bestuurder bent er altijd verantwoordelijk voor dat de auto op een veilige manier
wordt bestuurd.
Functie
Met het HDC-systeem is het mogelijk om op
steile aflopende hellingen de snelheid te verhogen/verlagen met het gaspedaal, zonder het
rempedaal te gebruiken. De gevoeligheid van
het gaspedaal neemt af, doordat het motortoerental tot aan de maximale pedaalweg
alleen binnen een beperkt toerentalgebied te
regelen valt. Het remsysteem grijpt in en zorgt
voor een lage en gelijkmatige snelheid, zodat u
zich volledig kunt richten op de besturing.
HDC is met name handig op steile aflopende
hellingen met een oneffen oppervlak en op
gladde weggedeelten. Denk bijvoorbeeld aan
een boot op een trailer die u vanaf een boothelling achteruit te water laat.
124
Het systeem werkt alleen in de eerste versnelling en in de achteruitversnelling. Bij een automatische versnellingsbak geldt dat de 1e versnelling moet zijn ingeschakeld, wat wordt
aangegeven met het cijfer 1 op het boordcomputerdisplay, zie pagina 116.
N.B.
HDC valt niet te activeren wanneer de keuzehendel van een automaat in stand D staat.
Bediening
HDC is met een schakelaar op de middenconsole naar wens in en uit te schakelen. Het
lampje in de schakelaar brandt wanneer de
functie ingeschakeld is. Wanneer HDC actief is,
en op het display
brandt het symbool
staat de melding Afdalingsrem- regeling
AAN.
Bij een geactiveerd HDC-systeem kan de auto
bij het afremmen op de motor maximaal
10 km/h voorruit rijden en 7 km/h achteruit. Met
het gaspedaal kunt u echter een willekeurige
andere snelheid binnen het snelheidsinterval
kiezen dat bij de ingeschakelde versnelling
hoort. Zodra u het gaspedaal loslaat wordt de
rijsnelheid snel verlaagd tot 10 of 7 km/h, ongeacht de hellingshoek en zonder dat u daarvoor
het rempedaal hoeft te bedienen.
Bij activering van het systeem gaan automatisch de remlichten branden. Met het rempedaal kunt u de auto altijd remmen of helemaal
tot stilstand brengen.
HDC wordt gedeactiveerd:
03 Bestuurdersmilieu
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)
• bij het indrukken van de aan/uit-knop op
de middenconsole
• bij het inschakelen van een hogere versnelling dan de 1e bij een handgeschakelde versnellingsbak
• bij het inschakelen van een hogere versnelling dan de 1e bij een automatische
versnellingsbak of bij het inschakelen van
stand D.
03
Het systeem is op ieder moment uit te schakelen. Als u dit op een steile aflopende helling
doet, zal het remvermogen niet meteen maar
geleidelijk worden verlaagd.
N.B.
Bij een geactiveerd HDC-systeem is het
mogelijk dat de motor met enige vertraging
op het gaspedaal reageert.
125
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Elektrische parkeerrem
Parkeerrem aanzetten
loslaat of het gaspedaal bedient, wordt de parkeerrem gelost.
Functie
03
Wanneer de parkeerrem wordt geactiveerd,
hoort u een zwak elektromotorgeluid. Het
geluid is tevens waarneembaar bij een automatische functiecontrole van de parkeerrem.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen. Als u de parkeerrem tijdens het rijden aanzet, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd.
Daarbij werkt de rem op alle vier de wielen.
Wanneer de auto bijna stilstaat, worden alleen
de achterwielen geremd.
N.B.
Tijdens een noodstop bij snelheden hoger
dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele
remmanoeuvre een geluidssignaal.
Op een helling parkeren
Draai bij het parkeren op een oplopende helling
de wielen van de trottoirband af, als de neus
van de auto naar de top van helling wijst.
Handgreep parkeerrem.
Lage accuspanning
1. Trap het rempedaal stevig in.
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is,
zie pagina 115.
2. Druk op de handgreep.
3. Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
• Zet de versnellingspook bij het parkeren
altijd in de 1e versnelling (handbak) en de
keuzehendel in stand P (automaat).
Het symbool op het instrumentenpaneel knippert, totdat de parkeerrem
volledig is aangezet. Wanneer het symbool
continu brandt, is de parkeerrem aangezet.
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens het rijden aanzetten door de handgreep
ingedrukt te houden. Wanneer u de handgreep
126
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
WAARSCHUWING
Maak er gewoonte van om bij het parkeren
op een helling altijd de parkeerrem aan te
zetten – het inschakelen van een versnelling
bij een handbak of stand P bij een automaat
is niet voldoende om de auto in alle situaties
stil te houden.
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Parkeerrem lossen
Auto met automatische versnellingsbak
pende helling achteruitrolt, wanneer de parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt dit
voorkomen door bij het wegrijden de handgreep ingedrukt te houden. Laat de handgreep
weer los zodra de koppeling aangrijpt.
Handmatig lossen
Auto met Keyless drive-functie
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
Los de parkeerrem handmatig door op de knop
START/STOP ENGINE te drukken, het rem- of
koppelingspedaal te bedienen en aan de handgreep te trekken.
Automatisch lossen
1. Start de motor.
2. Laat het koppelingspedaal los en geef gas.
2. Trap het rempedaal stevig in.
03
3. Trek aan de handgreep.
Automatisch lossen
Handgreep parkeerrem.
Auto met handgeschakelde
versnellingsbak
Handmatig lossen
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
2. Trap het rempedaal stevig in.
3. Trek aan de handgreep.
N.B.
De parkeerrem is ook handmatig te lossen
door het koppelingspedaal te bedienen in
plaats van het rempedaal. Volvo adviseert u
echter het rempedaal te gebruiken.
1. Doe de veiligheidsgordel om.
2. Start de motor.
3. Zet de keuzehendel in stand D of R en geef
gas.
N.B.
Om veiligheidsredenen wordt de parkeerrem alleen automatisch gelost wanneer bij
het starten van de motor is gebleken dat de
bestuurder de veiligheidsgordel draagt. Bij
auto’s met een automatische versnellingsbak wordt de parkeerrem onmiddellijk
gelost bij het bedienen van het gaspedaal
met de keuzehendel in stand D of R.
Symbolen
Symbool
Betekenis
Lees de melding op het informatiedisplay
Een knipperend symbool houdt
in dat de parkeerrem wordt aangezet. Als het symbool in een
andere situatie gaat knipperen,
is er sprake van een storing.
Lees de melding op het informatiedisplay.
Zware belading op oplopende hellingen
Bij een zware belading zoals een aanhanger is
het mogelijk dat de auto op een steile, oplo``
127
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Berichten
Parkeerrem Service vereist - Er is een storing opgetreden. Bezoek een werkplaats als de
storing aanhoudt – geadviseerd wordt een
Volvo-werkplaats.
Als u de auto moet parkeren voordat de storing
kon worden verholpen, dient u de wielen net als
bij het parkeren op een helling van de trottoirband/berm af te draaien en de versnellingspook in de 1e versnelling (handbak) te zetten
en de keuzehendel in stand P (automaat).
03
Remblokken vervangen
Parkeerrem niet geheel gelost - Door een
storing kan de parkeerrem niet worden gelost.
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats. Als u bij deze
foutmelding wegrijdt zonder de parkeerrem te
lossen, klinkt er een waarschuwingszoemer.
Parkeerrem niet aangezet - Door een storing
kan de parkeerrem niet worden aangezet. Probeer of u de rem kunt aanzetten en lossen.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een Volvo-werkplaats.
Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met
een handbak, wanneer er langzaam wordt
gereden met het portier open. De melding
maakt u erop attent dat de parkeerrem mogelijk onbedoeld werd gelost.
128
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een werkplaats met het oog op de
constructie van de elektrische parkeerrem –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ *
Algemene informatie
N.B.
HomeLinkŸ is dusdanig geconstrueerd dat
het niet werkt als de auto van de buitenzijde
vergrendeld is.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen wel goed bewaart voor eventuele
programmering in een later stadium (zoals
bij de aankoop van een nieuwe auto).
Wis de programmering van de knoppen
wanneer u de auto verkoopt.
HomeLinkŸ is een programmeerbare afstandsbediening waarmee u tot drie verschillende
systemen (bijvoorbeeld elektrische garagedeur, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting)
kunt bedienen en daarmee de originele
afstandsbedieningen vervangt. HomeLinkŸ
wordt geleverd in een uitvoering die ingebouwd is in de linker zonneklep.
Het HomeLinkŸ-paneel bestaat uit drie programmeerbare knoppen en een controlelampje.
Gebruik geen zonwering bestaande uit
metaalfolie op auto’s die zijn uitgerust met
HomeLinkŸ. Het gebruik ervan kan namelijk
negatieve gevolgen hebben voor de werking.
Bediening
Zodra HomeLinkŸ geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke originele afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in voor activering van de elektrische garagedeur, het
alarmsysteem etc. Het controlelampje brandt
zolang u de knop ingedrukt houdt.
N.B.
Als het contact niet wordt ingeschakeld,
blijft HomeLinkŸ tot 30 minuten na opening
van het bestuurdersportier werken.
Uiteraard kunt u de originele afstandsbedieningen naast HomeLinkŸ blijven gebruiken.
WAARSCHUWING
Als u HomeLinkŸ gebruikt om een garagedeur of toegangshek te bedienen, dient u
erop toe te zien dat er niemand in de buurt
van de garagedeur of het toegangshek is
tijdens de bediening.
03
Maak geen gebruik van de HomeLinkŸafstandsbediening voor een elektrische
garagedeur zonder veiligheidsstop en veiligheidsretour. De garagedeur dient onmiddellijk te reageren bij registratie van een
obstakel, tot stilstand te komen en meteen
de omgekeerde beweging te maken. Een
garagedeur die dat niet doet kan aanleiding
geven tot lichamelijk letsel. Neem voor meer
informatie contact op met de leverancier via
internet: www.homelink.com.
Eerste keer programmeren
Bij stap 1 wordt het complete geheugen van
HomeLinkŸ gewist. Voer dit punt dan ook
alleen uit, wanneer u slechts één knop wilt
omprogrammeren.
1. Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen. Het knipperende lampje geeft aan dat HomeLinkŸ
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
129
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ *
in de “inleerstand” staat en klaar is voor
programmering.
2. Leg de originele afstandsbediening op
5–30 cm afstand van HomeLinkŸ. Houd het
controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLinkŸ hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
03
• Brandt niet continu: Het controlelampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 seconden continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rollende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸ-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
3. Druk de te programmeren knop van
HomeLinkŸ en de te kopiëren knop van de
originele afstandsbediening gelijktijdig in.
Laat de knoppen pas los wanneer het controlelampje dat langzaam knippert sneller
gaat knipperen. Een snel knipperend
lampje geeft aan dat de programmering
gelukt is.
5. Zoek de “inleerknop1” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLinkŸ in te
drukken en op het controlelampje te letten:
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
• Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de programmering afgerond is. De garage1
130
deur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸknop.
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLinkŸ terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal deze volgorde van indrukken, vasthouden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke knop te
programmeren:
1. Druk op de gewenste knop van
HomeLinkŸ en houd deze ingedrukt totdat
punt 3 afgerond is.
2. Plaats wanneer het controlelampje van
HomeLinkŸ begint te knipperen (na ca. 20
seconden) de originele afstandsbediening
op 5–30 cm afstand van HomeLinkŸ. Houd
het controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
3. Druk de te kopiëren knop op de originele
afstandsbediening in. Het controlelampje
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ *
begint te knipperen. Laat beide knoppen
weer los, wanneer het lampje dat langzaam
knipperde sneller gaat knipperen. Een snel
knipperend lampje geeft aan dat de programmering gelukt is.
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
• Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de programmering afgerond is. De garagedeur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸknop.
• Brandt niet continu: Het controlelampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 seconden continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rollende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸ-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
5. Zoek de “inleerknop2” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
2
03
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLinkŸ terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal deze volgorde van indrukken, vasthouden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
Programmering wissen
Het is alleen mogelijk de programmering van
alle HomeLinkŸ-knoppen tegelijk te wissen en
niet van één bepaalde knop afzonderlijk.
Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen.
> HomeLinkŸ staat vervolgens in de
“Learn Mode” waarna deze opnieuw
geprogrammeerd kan worden, zie
pagina 129.
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
131
Menu- en meldingsfuncties...................................................................
Klimaatregeling.....................................................................................
Motor- en interieurverwarming op brandstof*.......................................
Extra verwarming*.................................................................................
Audiosysteem.......................................................................................
Boordcomputer.....................................................................................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC...........................................
Rijeigenschappen aanpassen...............................................................
Cruisecontrol*.......................................................................................
Adaptieve cruisecontrol*.......................................................................
Afstandscontrole*..................................................................................
City Safety™.........................................................................................
Collision Warning with Auto Brake*......................................................
Driver Alert System – DAC*...................................................................
Driver Alert System – (LDW)*................................................................
Park Assist*...........................................................................................
Park Assist-camera*..............................................................................
BLIS* – Blind Spot Information System................................................
Interieurcomfort.....................................................................................
Bluetooth handsfree*............................................................................
Geïntegreerde telefoon*........................................................................
132
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
134
141
149
152
153
167
169
171
172
174
182
185
190
196
199
202
205
208
212
215
221
COMFORT EN RIJPLEZIER
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Bediening
Niet alle autofuncties hebben aparte functietoetsen zodat instellen/activeren/deactiveren
via een menusysteem verloopt.
Navigatie in deze menu’s vindt plaats met
enkele van de knoppen op de middenconsole
of met de toetsenset rechts op het stuurwiel.
04
EXIT – stap terugdoen binnen het menusysteem. Bij lang indrukken verlaat u het
menusysteem.
ENTER – menu-opties selecteren
Paden
Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan
op het display van de middenconsole. De
paden naar de menufuncties worden als volgt
weergegeven:
Nummertoetsen 1–9
Toetsenset* op stuurwiel
Tal van functies behoren tot de standaarduitrusting, andere zijn zogeheten opties. Het aanbod verschilt per markt.
Instellingen van de auto
vergrendelen
Instellingen
Hier volgt een voorbeeld van de wijze waarop
u een functie kunt opzoeken en aanpassen met
de toetsen op de middenconsole:
Bedieningselementen op
middenconsole
1. Druk op MENU.
2. Ga naar het gewenste menu, bijv.
Instellingen van de auto, met de navigatieknoppen en druk op ENTER – er wordt
een submenu geopend.
ENTER
EXIT
Navigatietoetsen – omhoog/omlaag.
Middenconsole met bedieningselementen voor
menufuncties.
Navigatietoets – menu-opties doorbladeren en selecteren
MENU – menusysteem openen
134
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als de toetsen ENTER en EXIT op het stuurwiel
zitten, hebben deze toetsen (ook de navigatietoetsen) dezelfde functie als die op de middenconsole.
3. Ga naar Instellingen vergrendelen en
druk op ENTER – er wordt een nieuw submenu geopend.
4. Ga naar Portieren ontgrendelen en druk
op ENTER – er wordt een submenu met te
selecteren functies geopend.
5. Kies uit de opties en druk op ENTER – er
verschijnt een kruisje in het lege vakje van
de optie.
6. Sluit de programmering af door de menu’s
één voor één te verlaten door EXIT telkens
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
kort in te drukken of deze eenmaal lang in
te drukken.
U kunt de navigatietoetsen gebruiken in de
plaats van ENTER en EXIT bij het navigeren
binnen het menusysteem. De pijl naar rechts
komt in dat geval overeen met ENTER en de
pijl naar links met EXIT.
De menu-opties zijn genummerd zodat u ze
ook rechtstreeks kunt selecteren met de nummertoetsen (alleen 1–9).
Instellingen vergrendelen
Verlaagde
guard1
Hoofdmenu AM
Audio-instellingen
Bandenspanning*
Geluidspodium
Instellingen zijspiegels*
Equalizer voor
Inst. botswaarschuwing*
Equalizer achter
Instellingen parkeercam.*
Autom. volumeregeling
Lane departure warning*
Reset alle audio-instellingen
Stuurkrachtniveau*
Menu-overzicht
Instellingen unit
De telefoon en de geluidsbronnen hebben elk
hun eigen hoofdmenu. Het hoofdmenu van een
bepaalde geluidsbron (bijv. CD) is alleen te
openen, wanneer deze geluidsbron actief is,
zie pagina 154.
Driver Alert ingesch.
Klimaatinstellingen
Hoofdmenu FM
Nieuws
TP (verkeersinformatie)
Autom. blower afstellen
Radiotekst
Timer recirculatie
PTY (programmatype)
De volgende menu-opties maken deel uit van
Hoofdmenu:
Aut. defroster achterr.
Geav. radio-instellingen
Autosleutelgeheugen
Tijdgrens stoelverwarming
Pos. stoelen en spiegels*
Instellingen van de auto
Informatie
Lichtinstellingen
1
2
3
04
FM-instellingen
Audio-instellingen2
Stoelverwarming uit tijdens start
Hoofdmenu DAB*3
Reset klimaatinst.
Hoofdmenu CD
Random
Uit
Aanwezig bij bepaalde modellen.
Voor submenu’s, zie “Hoofdmenu AM/Audio-instellingen”.
Zie pagina 163.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
135
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Map4
Enkele
Cd-instellingen
Nummer-informatie*
Nieuws
TP (verkeersinformatie)
TP (verkeersinformatie)
Audio-instellingen2
Nummer-informatie
Laatste 10 gemiste opr.
Laatste 10 ink. opr.
Laatste 10 gekozen nummers
Nummer-informatie
Kopiëren van mob. tel.
136
wijzigen7
Nieuws
Telefoon
TP (verkeersinformatie)
Telefoon aansluiten8
Alleen bij systemen die audiobestanden in de formaten mp3 en wma kunnen afspelen.
Alleen bij systemen met een cd-wisselaar.
Voor submenu’s, zie “Hoofdmenu AM/Audio-instellingen”.
Geldt niet voor auto’s zonder geïntegreerde telefoon.
Verschijnt alleen als er een telefoon aangesloten is.
Verschijnt alleen als er geen telefoon aangesloten is.
Geldt voor auto’s met geïntegreerde telefoon en BluetoothTM handsfree.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Oproepregister
Laatste 10 gemiste opr.
Telefoonboek
Zoeken
Bluetooth*
Audio-instellingen2
Hoofdmenu Bluetooth9
Laatste 10 gekozen nummers
Zoeken
USB-instellingen
Telefooninstellingen
Laatste 10 ink. opr.
Telefoonboek
Hoofdmenu USB
Voicemail-nummer
Telefoonboek synchr.
Oproepregister
AUX-ingangsvolume
Automatisch antwoord
Geluiden en volume
Hoofdmenu Bluetooth6
Hoofdmenu AUX
Audio-instellingen2
Gespreksopties
Nieuws
Audio-instellingen2
4
5
2
6
7
8
9
Bluetooth-info voor auto
iPod-instellingen
disc5
Alle discs5
04
Van mob. tel. aansluiten
Hoofdmenu iPod
Disc4
Telefoon verwijderen
Kopiëren van mob. tel.
Bluetooth*
Telefoon aansluiten10
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Telefoon verwijderen
Telefoonboek
Telefoon wijzigen9
Van mob. tel. aansluiten
Zoeken
Autotelefoon
Bluetooth-info voor auto
Nieuwe contactpersoon
Telefoon toevoegen
Alles kopiëren
Toegevoegde telefoons11
Gespreksopties
Automatisch antwoord
Sneltoetsfunctie
Voicemail-nummer
SIM wissen
Netwerkselectie
Telefoon wissen
SIM-beveiliging
Geheugenstatus
PIN-code bewerken
Telefoon wijzigen
Autotelefoon
Telefoon toevoegen
Toegevoegde telefoons11
Telefooninstellingen
Geluiden en volume
Telefoonboek synchr.
Hoofdmenu geïntegreerde telefoon
Berichten
04
Geluiden en volume
Lezen
IDIS
Nieuw bericht schrijven
Reset Telefooninst.
Alle berichten verw.
Berichtinstellingen
Gespreksopties
Verzend mijn nummer
Oproepregister
Laatste 10 gemiste opr.
Wisselgesprek
Laatste 10 ink. opr.
Automatisch antwoord
Laatste 10 gekozen nummers
Autom. terugbellen
Lijst wissen
Voicemail-nummer
Gespreksduur
Omleidingen
10 Verschijnt alleen als er geen telefoon
11 Maximaal 5 telefoons.
9 Geldt voor auto’s met geïntegreerde
Telefooninstellingen
aangesloten is.
telefoon en BluetoothTM handsfree.
``
137
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Instrumentenpaneel
Menu-overzicht
Melding
Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de bijbehorende functie en software.
Actieradius
Gemiddeld
Momentaan
Gem. snelheid
DSTC
04
City Safety
Informatiedisplay en bedieningselementen voor
menufuncties.
READ – meldingenlijst openen en meldingen bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
RESET – geactiveerde functie op nul stellen. Wordt in bepaalde gevallen gebruikt
om een functie te selecteren/activeren (zie
de uitleg bij de verschillende functies).
Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s
die op de informatiedisplays van het instrumentenpaneel verschijnen. Welke menu’s verschijnen hangt af van de sleutelstand, zie
pagina 78. Als er een melding is, moet u deze
eerst bevestigen met de knop READ voordat u
de menu’s kunt bekijken.
138
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Actuele snelheid12
Melding op informatiedisplay.
Bandenspanning Kalibratie*
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay. Foutmeldingen blijven in het
geheugen opgeslagen, totdat u de onderliggende storing hebt laten verhelpen.
Timer standkach 1/2*
Timer standvent 1/2*
Timerstand verw.*
Directe start Standverw.*
Directe start El standverw*
Druk op READ om de meldingen door te bladeren en te bevestigen.
Directe start Standvent.*
Extra verwarming auto*
Start restverw.*
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt bij gebruik van de boordcomputer,
moet u de melding lezen (druk op de knop
READ) voordat u de eerdere activiteit kunt
hervatten.
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Stop auto
z.s.m.A
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af. Grote kans op
schade. Volvo adviseert
u contact op te nemen
met een erkende Volvowerkplaats.
Zie instructieb.A
Lees het instructieboekje.
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd om een
afspraak te maken voor
een servicebeurt. Volvo
adviseert u contact op
te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Onderhoudster- mijn verstreken
Als u de onderhoudstermijn niet respecteert,
vallen beschadigde
onderdelen niet langer
onder de garantie.
Volvo adviseert dat u
voor servicewerk contact opneemt met een
erkende Volvo-werkplaats.
Zet motor afA
Service spoedA
Service vereistA
12 Alleen
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af. Grote kans op
schade. Volvo adviseert
u contact op te nemen
met een erkende Volvowerkplaats.
Volvo adviseert u de
auto onmiddellijk te
laten controleren door
een erkende Volvowerkplaats.
Volvo adviseert u de
auto zo spoedig mogelijk te laten controleren
door een erkende
Volvo-werkplaats.
Tijd voor periodiek onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt. Volvo adviseert u contact op te
nemen met een
erkende Volvo-werkplaats. Het moment
hangt af van de afgelegde afstand, het aantal maanden dat sinds
de laatste servicebeurt
is verstreken, het aantal
draaiuren van de motor
en de gebruikte oliekwaliteit.
Versn.olie Verversen
Volvo adviseert u de
auto zo spoedig mogelijk te laten controleren
door een erkende
Volvo-werkplaats.
Versnellingsbak beperkte
werking
De versnellingsbak
werkt niet op maximale
capaciteit. Rijd voorzichtig totdat de melding verdwijntB.
04
Doe bij herhaaldelijke
verschijning het volgende: Volvo adviseert
u contact op te nemen
met een erkende Volvowerkplaats.
bepaalde markten.
``
139
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
04
140
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Versn.bak heet
Rijd langzamer
Rijd voorzichtiger of
breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand. Zet de versnellingsbak in de neutraal
en laat de motor stationair draaien totdat de
melding verdwijntB.
Tijdelijk UITA
De bijbehorende functie
is tijdelijk uitgeschakeld
en wordt na enige tijd
rijden of de volgende
keer dat u de motor
start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
Versn.bak heet
Stop auto
z.s.m.
Kritieke storing. Breng
de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende VolvowerkplaatsB.
Accuspann.
laag Spaarstand
Het audiosysteem is
uitgeschakeld om
stroom te besparen.
Laad de accu bij.
A
B
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over
de locatie van de storing.
Voor meer meldingen met betrekking tot de automatische
versnellingsbak, zie pagina 119.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Algemene informatie
Airconditioning
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling (ECC). De klimaatregeling zorgt ervoor
dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd
of van vocht ontdaan wordt.
N.B.
U kunt de airconditioning (AC) uitschakelen,
maar voor optimaal klimaatcomfort in de
passagiersruimte en om te voorkomen dat
de ruiten beslaan dient u de airconditioning
altijd te laten aanstaan.
Positie van de sensoren
• De zonnesensor* zit boven op het dashboard.
• De interieurtemperatuursensor zit onder
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
• De buitentemperatuursensor zit op de buitenspiegel.
• De vochtsensor* zit in de achteruitkijkspiegel.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
Werkelijke temperatuur
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
Het systeem beschikt over een zonnesensor*
die de stand van de zon registreert. Daardoor
kan de temperatuur van de lucht uit de blaasmonden links en rechts afwijken, ondanks dat
de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
Zijruiten en panoramadak
Voor optimale werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een eventueel panoramadak gesloten houden.
Beslagen ruiten
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwasemingsfunctie om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen.
Houd de binnenzijde van de ruiten schoon om
de kans te beperken dat ze beslaan.
Tijdelijke uitschakeling van
airconditioning
Wanneer de motor het maximale vermogen
nodigt heeft (bijvoorbeeld als u volgas optrekt
of met een aanhanger achter de auto een helling oprijdt), is het mogelijk dat de airconditioning tijdelijk wordt uitgeschakeld. Er kan dan
een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
Condenswater
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
04
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
Storingen opsporen en verhelpen
Wendt u zich tot een werkplaats die gecertificeerd is om storingen in de klimaatregeling op
te sporen en te verhelpen. Volvo adviseert u
contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a, zie pagina 313. Het bevat
geen chloor, waardoor het koudemiddel
onschadelijk voor de ozonlaag is. Laat het bijvullen/vervangen van koudemiddel over een
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
141
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
gecertificeerde werkplaats. Volvo adviseert u
contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
Doorluchtfunctie
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te
openen en weer te sluiten en op die manier snel
voor frisse lucht in de auto te zorgen, zie
pagina 59.
04
Interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter. U moet het filter
regelmatig vervangen. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen
vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker
vervangen.
N.B.
Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
Clean Zone Interior Package (CZIP)*
Wanneer u voor deze optie hebt gekozen zijn
er nog minder stoffen in het interieur verwerkt
die aanleiding kunnen geven tot allergieën of
astma. Zie voor meer informatie over CZIP de
brochure die u bij aankoop hebt ontvangen.
142
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het volgende is inbegrepen:
• Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer
de auto via de transpondersleutel wordt
ontgrendeld. De ventilator vult het interieur
op die manier met verse lucht. De functie
start als dat nodig is en stopt na bij het
openen van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt de functie na enige tijd automatisch beëindigd. De tijd dat de ventilatorfunctie werkt zal langzaam maar zeker
korter worden, totdat de auto 4 jaar oud is.
• Het Interior Air Quality System (IAQS) is
een volautomatisch systeem dat de lucht
in de passagiersruimte ontdoet van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes,
koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon.
N.B.
Bij auto’s met CZIP dient het IAQS-luchtfilter om de 15.000 km of tenminste eenmaal
per jaar te worden vervangen (afhankelijk
van wat het eerst wordt bereikt). Echter,
maximaal 75.000 km per 5 jaar. Bij auto’s
zonder CZIP dient het IAQS-filter tijdens de
reguliere onderhoudsbeurt te worden vervangen.
Gebruik van beproefde materialen in het
interieur.
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is. De vloerbekleding
in zowel de passagiersruimte als de bagageruimte zijn eenvoudig te verwijderen en schoon
te maken. Gebruik daarvoor schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten die door
Volvo worden geadviseerd, zie pagina 298.
Menu-instellingen
Het is mogelijk de basisinstellingen voor drie
van de functies van de klimaatregeling te wijzigen via de middenconsole, zie pagina 134:
• Ventilatorfunctie in automatische stand*,
zie pagina 145.
• De door de timer geregelde recirculatie van
de lucht in de passagiersruimte, zie
pagina 146.
• Automatische verwarming van de achterruit, zie pagina 102.
Bij gebruik van RESET via het display worden
de standaardinstellingen hervat voor alle functies van de klimaatregeling.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Luchtverdeling
Blaasmonden in dashboard
Blaasmonden in portierstijlen
G032070
04
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
20 blaasmonden verspreid over het interieur.
Open
Dicht
Dicht
Open
In de stand AUTO* vindt de luchtverdeling
geheel automatisch plaats.
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Luchtstroom omhoog of omlaag
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij
te regelen, zie pagina 148.
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste
zijruiten om deze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden op de achterste zijruiten
om deze te ontwasemen.
Om de temperatuur in de passagiersruimte
aangenaam te houden komt er altijd een
bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
Richt de blaasmonden naar binnen toe voor
een behaaglijke temperatuur achter in de auto.
N.B.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn
voor luchtstromen en tocht.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
143
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Klimaatregeling
Recirculatie/Interior Air Quality System
Elektronische klimaatregeling, ECC
Temperatuurregeling, linkerzijde
Driemaal op de knop drukken levert het laagste
verwarmingsniveau op – een van de lampjes
brandt.
Gebruik
Ventilator
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of
te verlagen. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO selecteert.
De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan gene-
04
geerd.
Ventilator
Luchtverdeling
Elektrisch verwarmde voorstoel, linkerzijde
AUTO
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
Elektrisch verwarmde stoelen/
achterbank*
Temperatuurregeling, rechterzijde
Voorstoelen
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming, zie pagina 102
Max. ontwaseming
144
N.B.
Elektrisch verwarmde voorstoel, rechterzijde
AC ON/OFF – Airconditioning aan/uit
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Tweemaal op de knop drukken levert een lager
verwarmingsniveau op – twee van de lampjes
branden.
Eenmaal op de knop drukken
levert het maximale verwarmingsniveau op – alle drie de
lampjes branden.
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de verwarming uitgeschakeld – geen van de
lampjes brandt.
Bij het starten staat de verwarming normaal uit.
Werd de verwarming ingeschakeld, dan wordt
deze bij het afzetten van de motor automatisch
uitgeschakeld. Automatische inschakeling van
de verwarming is te activeren/deactiveren in
het menu onder: Klimaatinstellingen
Stoelverwarming uit tijdens start
De stoelverwarming wordt na enige tijd automatisch uitgeschakeld. De functie is te deactiveren/activeren in het menu onder:
Klimaatinstellingen Tijdgrens
stoelverwarming
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 134.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Luchtverdeling
WAARSCHUWING
De stoelverwarming niet gebruiken wanneer
u de temperatuurstijging door verminderde
gevoeligheid niet waarneemt of om enigerlei
reden de stoelverwarming niet goed weet te
bedienen. Brandwonden zijn anders niet uitgesloten.
Achterbank1
De gestileerde menselijke
gedaante op de nevenstaande afbeelding bestaat
uit drie knoppen. Bij het
indrukken van een van de
luchtverdelingsknoppen licht
het lampje op dat bij dat deel
van de gestileerde menselijke gedaante hoort,
zie pagina 148.
• Laag - Automatische ventilatorregeling.
Geringe luchtstroom geniet de prioriteit.
• Normaal - Automatische ventilatorregeling.
• Hoog - Automatische ventilatorregeling.
Grotere luchtstroom geniet de prioriteit.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 134.
Temperatuurregeling
Met deze knop kunt u de temperatuur aan de bestuurdersen passagierszijde onafhankelijk van elkaar instellen.
Auto
De functie AUTO regelt automatisch de temperatuur, de
airconditioning, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de
luchtverdeling.
04
Bij het starten van de motor
wordt de laatst verrichte
G021376
instelling hervat.
U stelt de verwarming van de achterbank op
dezelfde manier in als die van de voorstoelen.
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Wanneer u op de knop
AUTO drukt, vindt activering van de Air Quality
Sensor plaats waarbij alle handmatige instellingen worden opgeheven. Op het display verschijnt AUTO KLIMAAT.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een
hogere of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen onder
Klimaatinstellingen Autom. blower
afstellen. Kies uit Laag, Normaal of Hoog:
1
Vervalt als u voor een geïntegreerd kinderzitje met twee standen kiest.
``
145
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
AC – Airconditioning AAN/UIT
ON: De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De
binnenkomende lucht wordt
dan automatisch afgekoeld
en van vocht ontdaan.
OFF: Bij activering van de
ontwaseming wordt de airconditioning automatisch ingeschakeld (uit te schakelen met de
knop AC).
04
Ontwaseming
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten
snel te ontwasemen en te ontdooien. Er stroomt lucht naar
de ruiten. Het lampje in de
ontwasemingsknop brandt,
wanneer de functie is ingeschakeld.
Bij activering van deze functie vindt bovendien
het volgende plaats om de lucht in het interieur
zoveel mogelijk van vocht te ontdoen:
• de airconditioning wordt automatisch
ingeschakeld
• de recirculatie en het Interior Air Quality
System worden automatisch uitgeschakeld.
De airconditioning is handmatig uit te schakelen met de knop AC. Bij het uitschakelen van
146
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
de ontwaseming hervat de klimaatregeling de
voorgaande instellingen.
Recirculatie/Interior Air Quality System
N.B.
Wanneer u de ontwaseming selecteert,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Recirculatie
Wanneer de recirculatie actief
is, brandt het oranje lampje
rechts in de knop. U kunt deze
functie inschakelen als u vieze
lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden. De
lucht in de passagiersruimte
wordt dan gerecirculeerd. Er komt met andere
woorden geen lucht van buiten de auto in, wanneer deze functie actief is.
N.B.
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
kan de binnenzijde van de ruiten beslaan.
Timer
Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd de handmatig geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit beperkt
de kans op ijs, beslagen ruiten en een slechte
luchtkwaliteit. U kunt de functie activeren/
deactiveren onder Klimaatinstellingen
Timer recirculatie. Voor een beschrijving van
het menusysteem, zie pagina 134.
Interior Air Quality System*
Het Interior Air Quality System
ontdoet de binnenkomende
lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes
en verontreinigingen in de
passagiersruimte te beperken. Als de Air Quality Sensor
een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten waarna de lucht in de passagiersruimte wordt gerecirculeerd. Wanneer u
de knop AUTO hebt ingedrukt, is de Air Quality
Sensor altijd ingeschakeld.
Recirculatie/Interior Air Quality Sensor
activeren
Selecteer een van de drie
functies door verschillende
malen op de knop te drukken.
• Het oranje lampje links brandt – de Air Quality Sensor is uitgeschakeld. Er is geen
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
recirculatie, maar alleen verse lucht van
buiten.
• Het groene lampje in het midden brandt –
de recirculatie is niet actief (tenzij dit nodig
is voor koeling bij warm weer).
• Het oranje lampje rechts brandt – de recirculatie is ingeschakeld.
Recirculatie activeren
Schakel de recirculatie in of
uit door verschillende malen
op de nevenstaande knop te
drukken. Het lampje brandt
wanneer de recirculatie actief
is.
N.B.
Voor optimale kwaliteit van de lucht in de
passagiersruimte dient u de Air Quality Sensor ingeschakeld te houden.
04
Bij koud weer gelden er beperkingen voor
de recirculatiefunctie om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
Als de ruiten toch beslaan, moet u de Air
Quality Sensor uitschakelen en alle ruiten
(voorruit, zijruiten en achteruit) ontwasemen.
``
147
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Luchtverdelingstabel
04
148
Luchtverdeling
Toepassing
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de ruiten. Er
komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden. De lucht
wordt niet gerecirculeerd.
De airconditioning is altijd
ingeschakeld.
om snel te ontdooien en
te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de
ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden
in het dashboard.
om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen bij
koud weer.
Lucht naar de voorruit en
de zijruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
om wasem en ijsvorming
bij koud en vochtig weer
te voorkomen (niet te lage
ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit
de blaasmonden in het
dashboard.
bij zonnig weer en matige
buitentemperaturen.
Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden van het dashboard.
om een comfortabel klimaat te verkrijgen bij
warm en droog weer.
Lucht naar de vloer. Er
komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard en op de ruiten.
om warme of koude lucht
naar de vloer te sturen
Luchtstroom op hoofden borsthoogte uit de
blaasmonden in het dashboard.
om een efficiënte koeling
te verkrijgen bij warm
weer.
Luchtstroom naar de ruiten, uit de blaasmonden
in het dashboard en naar
de vloer.
om koele lucht naar de
vloer te sturen of warme
lucht naar de rest van het
lichaam bij koud weer of
bij warm en droog weer.
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Verwarming op brandstof
Tanken
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig
deze melding door op de knop READ op de
richtingaanwijzerhendel te drukken, zie
pagina 150.
Algemene informatie over de
standverwarming
U kunt de standverwarming die de motor en
het interieur verwarmt meteen inschakelen of
vertraagd met een timerfunctie.
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop
de auto de gewenste temperatuur bereikt
heeft. De elektronica van de auto rekent aan de
hand van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
Bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C
wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij temperaturen van –5 °C of lager is de maximale
bedrijfstijd van de standverwarming 50 minuten.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming moet
de auto in de buitenlucht staan.
N.B.
Bij gebruik van de standverwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
Accu en brandstof
BELANGRIJK
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren.
04
Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto rijden als
de standverwarming aanstond. Dit om te
zorgen dat de dynamo evenveel energie kan
bijladen als de standverwarming verbruikt.
Controleer op het informatiedisplay of de
standverwarming uit is. Wanneer de verwarming aanstaat, staat op het informatiedisplay de melding Standverw. AAN.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de standverwarming altijd voldoende brandstof.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
149
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
G025102
04
Display
Betekenis
Brandstofkachel AAN
De verwarming is
ingeschakeld en
werkt.
Timer
ingesteld
Brandstofkachel
Verwarmingstimer
geactiveerd bij uitnemen transpondersleutel en verlaten van de auto –
motor en passagiersruimte warm
op ingesteld tijdstip.
READ-knop
G025102
Duimwiel
Symbolen en displaymeldingen
Wanneer u de instellingen van een
van de timers of Directe start activeert, gaat het informatiesymbool op het
instrumentenpaneel branden en op het informatiedisplay verschijnen een verklarende melding plus een ander brandend symbool. In de
onderstaande tabel staan de voorkomende
symbolen en displaymeldingen.
150
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G025102
RESET-knop
Voor meer informatie over het informatiedisplay en de knop READ, zie pagina 138.
Symbool
G025102
Symbool
G025102
Bediening
Verwarming stop
Accuspann.
laag
De verwarming
werd uitgeschakeld om te zorgen
dat er voldoende
stroom is om de
motor te starten.
Display
Betekenis
Verw niet
besch
Brandstofp.
laag
De verwarming
kan niet worden
ingeschakeld door
een te laag brandstofpeil (ca. 7 liter)
– dit om het mogelijk te maken de
motor te starten en
nog ca. 50 km te
rijden.
Standkachel Service vereist
Verwarming
defect. Neem voor
reparatie contact
op met een werkplaats. Volvo adviseert u contact op
te nemen met een
erkende Volvowerkplaats.
Een displaymelding verdwijnt automatisch na
enige tijd. U kunt een melding ook eerder doen
verdwijnen met een druk op de knop READ van
de richtingaanwijzerhendel.
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Meteen inschakelen/uitschakelen
1. Gebruik het duimwiel om naar Directe
start Standverw. te gaan.
2. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en
UIT.
AAN: De standverwarming is handmatig of via
de timerfunctie ingeschakeld.
UIT: De standverwarming is uitgeschakeld.
Bij directe start van de standverwarming zal
deze 50 minuten lang geactiveerd blijven.
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur heeft bereikt.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming aanstaat.
Timers instellen
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de
auto op temperatuur moet zijn omdat u die
wenst te gebruiken.
Kies uit TIMER 1 en TIMER 2.
N.B.
De timers zijn alleen te programmeren wanneer de transpondersleutel in contactslotstand I staat, zie pagina 78 – programmeer
daarom voordat u de motor start.
Timergestuurde verwarming voortijdig
uitschakelen
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Doe het volgende:
1. Druk op READ.
1. Gebruik het duimwiel om naar Timer
standkach 1 te gaan.
2. Druk kort op de knop RESET zodat de uuraanduiding gaat knipperen.
3. Stel de gewenste uuraanduiding in met het
duimwiel.
4. Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
5. Stel de gewenste minuutaanduiding in met
het duimwiel.
6. Druk kort op de knop RESET om de instelling te bevestigen.
7. Druk op de knop RESET om de timer te
activeren.
Wanneer u Timer standkach 1 hebt ingesteld,
kunt u een tweede uitschakeltijd programmeren onder Timer standkach 2 door aan het
duimwiel te draaien.
2. Ga met het duimwiel naar Timer
standkach 1 of 2.
> De tekst AAN knippert op het display.
3. Druk op RESET.
> De tekst UIT brandt continu en de verwarming wordt uitgeschakeld.
04
Een timergestuurde verwarming is ook uit te
schakelen volgens de instructies in het
gedeelte “Meteen inschakelen/uitschakelen”,
zie pagina 151.
Klok/timer
De timers van de verwarming zijn gekoppeld
aan de klok in de auto.
N.B.
Als u de klok van de auto bijstelt, worden
eventuele timerinstellingen gewist.
U stelt de andere uitschakeltijd op dezelfde
manier in als bij Timer standkach 1.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
151
04 Comfort en rijplezier
Extra verwarming*
Algemene informatie over de extra
verwarming
Interieurverwarming*
Als de extra verwarming wordt uitgebreid met
een timerfunctie, kan deze dienstdoen als interieurverwarming op brandstof, zie pagina 149.
In landen met een koud klimaat1 is wellicht een
extra verwarming vereist om de motor op
bedrijfstemperatuur te brengen en een
behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren.
Extra verwarming op elektriciteit
Bij auto’s met bepaalde benzinemotoren2 is
een extra verwarming op elektriciteit ingebouwd in de klimaatregeling.
Extra verwarming op brandstof
04
Op auto’s met een dieselmotor is een extra
verwarming op brandstof gemonteerd.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is terwijl de motor loopt.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm genoeg is of wanneer
de motor wordt afgezet.
N.B.
Bij gebruik van de extra verwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
Automatische stand of uitschakelen
Bij korte ritten kan de extra verwarming desgewenst worden uitgeschakeld.
1
2
152
Knop READ
Duimwiel
Knop RESET
1. Gebruik het duimwiel om naar Extra
verwarming auto te gaan.
2. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en
UIT.
N.B.
De menu-opties zijn alleen zichtbaar in contactslotstand I – verricht eventuele aanpassingen daarom voordat u de motor start.
Een erkende Volvo-dealer kan u informeren over de desbetreffende geografische gebieden.
Een erkende Volvo-dealer kan u informeren over de desbetreffende motoren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
In een gematigde1 klimaatzone worden dieselmodellen uitgerust met een extra verwarming
op elektriciteit in plaats van één op brandstof.
De verwarming is niet handmatig te regelen,
maar wordt nadat de motor is aangeslagen
automatisch geactiveerd bij buitentemperaturen lager dan 14 °C en wordt gedeactiveerd
wanneer de ingestelde interieurtemperatuur is
bereikt.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Algemene informatie
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschillende opties en in drie basisuitvoeringen:
• Performance
• High Performance
• Premium Sound
Als het audiosysteem aanstaat wanneer u de
motor afzet, wordt het de volgende keer dat u
de motor start automatisch ingeschakeld.
Toetsenset op stuurwiel*
Overzicht
Bij het inschakelen van het audiosysteem geeft
het display de uitvoering aan.
Dolby Surround Pro Logic II en het symbool
zijn handelsmerken van Dolby
Laboratories Licensing Corporation. Dolby
Surround Pro Logic II System is vervaardigd
onder licentie van Dolby Laboratories
Licensing Corporation.
04
Menu-opties bevestigen, telefoongesprekken aannemen.
Ingang voor externe geluidsbron: AUX en
USB (bijv. iPodŸ)1
Naar een hoger niveau gaan binnen het
menusysteem. Actieve functie annuleren,
telefoongesprekken beëindigen/weigeren,
ingevoerde tekens wissen.
Toetsenset op stuurwiel
Volume
Informatiedisplay
Kort indrukken om een track op een cd of
een van de voorkeurzenders te selecteren.
Lang indrukken om een track op een cd
vooruit/achteruit te spoelen of de eerstvolgende goed doorkomende radiozender te
zoeken.
Transpondersleutel en sleutelstanden
U kunt het audiosysteem 15 minuten achtereen
beluisteren, wanneer er geen transpondersleutel in het contactslot steekt.
N.B.
Neem de transpondersleutel uit het contactslot om het audiosysteem te beluisteren
wanneer de motor afgezet is. Zo voorkomt
u dat de accu onnodig belast wordt.
1
Bedieningspaneel in middenconsole
Bedieningspaneel met hoofdtelefoonaansluiting*
Alleen de uitvoeringen High Performance en Premium Sound hebben een USB-aansluiting. iPod is het gedeponeerde handelsmerk van Apple Computer Inc.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
153
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Achterste bedieningspaneel met
hoofdtelefoonaansluiting*
Voor de beste geluidsweergave adviseren wij u
een hoofdtelefoon te gebruiken met een impedantie van 16–32 ohm en een gevoeligheid van
102 dB of meer.
matig gedeactiveerd, wanneer u MODE lang
indrukt of automatisch bij het uitschakelen van
het contact.
Audiofuncties
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken
Kort op (2) drukken om een track op een cd of
een van de voorkeurzenders te selecteren.
Lang indrukken om een track op een cd vooruit/achteruit te spoelen of de eerstvolgende
goed doorkomende radiozender op te zoeken.
Beperkingen
04
• Welke geluidsbron (FM, AM, CD e.d.) er via
de luidsprekers wordt weergegeven valt
niet te sturen vanaf het achterste bedieningspaneel.
Middenconsole, bedieningstoetsen voor audiofuncties.
AM, FM en CD - Interne geluidsbronnen.
VOLUME – Volume, resp. links en rechts.
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken.
MODE – Kiezen uit AM, FM, CD, AUX,
USB*(bijvoorbeeld iPodŸ), DAB1/DAB2*
en Aan/Uit. Voor aansluiting via AUX of
USB, zie pagina 156.
Hoofdtelefoonaansluiting (3,5 mm).
Activeren/deactiveren
U activeert het bedieningspaneel met een druk
op MODE. Het bedieningspaneel wordt hand-
154
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
MODE – Kiezen uit de externe geluidsbronnen (AUX, USB* en DAB1/DAB2*).
Voor aansluiting via AUX of USB, zie
pagina 156.
SOUND – Druk- en draaiknoppen voor het
aanpassen van de geluidsweergave.
Navigatietoets
VOLUME - Volume en aan/uit.
Geluidssterkte en automatische
volumeregeling
Het audiosysteem zorgt voor compensatie van
hinderlijke rijgeluiden in de passagiersruimte
door het volume af te stemmen op de snelheid
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
van de auto. U hebt de keuze uit drie compensatieniveaus: laag, medium en hoog. Kies een
niveau onder Audio-instellingen Autom.
volumeregeling.
Geluidssterkte externe geluidsbron
Een mp3-speler zonder USB-kabel kan op de
AUX-ingang worden aangesloten, zie
pagina 156.
N.B.
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler
daarom niet tijdens het beluisteren op via de
12V-aansluiting.
1. Zet het audiosysteem in de stand AUX met
de knop MODE, druk op MENU en navigeer vervolgens met (4) naar AUXingangsvolume, zie pagina 153.
U stelt de opties in door aan de draaiknop te
draaien.
N.B.
Druk op MENU om de Audio-instellingen te
openen. Voor meer informatie (zie
pagina 134).
• Bas – Niveau van de lage tonen.
• Treble - Niveau van de hoge tonen.
• Fader – Balans tussen luidsprekers voor
en achter.
• Balans – Balans tussen luidsprekers links
en rechts.
• Subwoofer* – Niveau voor de lagetonenluidspreker. Door de draaiknop
naar de
Min te draaien kunt u de subwoofer deactiveren. De onderstaande afbeelding geeft
de locatie van de subwoofer aan.
04
Positie van de subwoofer.
• Surround* – Instellingen voor de zogeheten Ambient Surround Sound.
Onder Surround kunt u 3-kanaals stereo of
Dolby Surround Pro Logic II activeren door 3ch of Dpl2 te selecteren. Vervolgens worden u
de volgende opties voorgeschoteld:
• Middenniveau* – Niveau voor de middenluidspreker.
2. Draai aan de knop SOUND of druk op
/
van de navigatietoets, zie pagina 153.
• Surround-niveau* – Niveau voor de zoge-
Geluidsregeling
Equalizer
Door te drukken op de knop SOUND kunt u de
onderstaande opties doorlopen.
2
heten Ambient Surround Sound.
Met de equalizer2 kunt u de niveaus voor de
verschillende frequentiebanden ieder apart
instellen.
Alleen High Performance en Premium Sound.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
155
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
1. Ga naar Audio-instellingen en kies
Equalizer voor of Equalizer achter.
Stel het niveau voor de frequentieband bij
/
van de navigatietoets. Druk op
met
/
om een andere frequentieband te
kiezen.
2. Leg de instelling vast met ENTER of annuleer uw keuze met EXIT.
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals Bas, Treble en
Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld om u de
mogelijkheid te bieden de geluidsweergave
naar wens af te stellen.
AUX, USB3 en externe geluidsbron
Algemene informatie
Geluidspodium
04
De geluidsweergave is dusdanig in te stellen
dat deze optimaal is voor de bestuurder*, voor
de inzittenden voorin of voor de achterpassagiers. Kies een van de opties onder Audioinstellingen Geluidspodium.
156
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
Via de USB-aansluiting* of AUX-ingang in de middenconsole is het mogelijk een externe geluidsbron aan te sluiten op het Infotainmentsysteem
van de auto.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
De AUX-ingang biedt de mogelijk een externe
geluidsbron aan te sluiten, zoals een iPodŸ of
mp3-speler. Lees meer op pagina 155
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Als u USB kiest, verschijnt Apparaat
aansl. op het display.
2. Sluit uw iPodŸ, mp3-speler of USBgeheugen aan op de USB-aansluiting* in
het opbergvak van de middenconsole (zie
voorgaande afbeelding).
Wanneer de bestanden zijn ingelezen, verschijnt de trackinformatie op het display
waarna u een track kunt selecteren.
Het audiosysteem is gekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking.
Alleen High Performance en Premium Sound.
Selecteer de aansluiting met de toets MODE:
De tekst Bezig met laden verschijnt op het
display, terwijl het systeem de bestanden op
het opslagmedium inleest. Dat kan enige tijd
duren.
Optimale geluidsweergave
3
Als u ervoor kiest om een iPodŸ, mp3-speler
of USB-geheugen aan te sluiten op de USBaansluiting*, kunt u de geluidsbron bedienen
via de geluidsregeling van de auto.
U kunt op drie manieren tracks selecteren:
• Met de knop TUNING, zie pagina 153.
• de linker of rechter toets van de navigatiebediening (4), zie pagina 153, of.
• de toetsenset op het stuurwiel, zie
pagina 153.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning van
muziekbestanden in de muziekformaten
mp3, wma en wav. Er zijn echter muziekformaten die niet door het systeem worden
ondersteund. Het systeem biedt verder
ondersteuning voor de meeste iPodŸmodellen die in 2005 of later gemaakt zijn.
iPodŸ Shuffle wordt echter niet ondersteund.
Geluidsbronnen
USB-geheugen
Om het gebruik van een USB-geheugen te vereenvoudigen is het beter alleen muziekbestanden in het geheugen op te slaan. Het inlezen
duurt aanzienlijk langer, wanneer er behalve
compatibele muziekbestanden nog andere
bestanden op het opslagmedium staan.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor
draagbare media die werken met USB 2.0
en het bestandssysteem FAT32 en kan
maximaal 500 mappen en 64.000 bestanden aan. Het geheugen dient een grootte
van minimaal 256 MB te hebben.
N.B.
Bij gebruik van een langer USB-geheugen
wordt geadviseerd de bijgeleverde USBadapterkabel te gebruiken. Dit om mechanische slijtage aan de USB-ingang en het
aangesloten USB-geheugen tegen te gaan.
N.B.
Wanneer u muziek op een aangesloten
iPodŸ beluistert, hanteert het infotainmentsysteem een menustructuur vergelijkbaar
met die van de iPodŸ.
Zie voor meer informatie over USB en iPodŸ bij
een audiosysteem in de uitvoering Performance het extra instructieboekje bij USB en
iPodŸ Music Interface.
04
Cd-functies
Mp3-speler
Veel mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem die niet ondersteund worden door het Infotainmentsysteem. Om een
dergelijke mp3-speler te kunnen gebruiken
binnen het systeem, dient de speler in de stand
USB Removable device/Mass Storage
Device te staan.
G031443
In de USB- of iPodŸ-stand werkt het audiosysteem op dezelfde manier als bij het beluisteren van muziekbestanden op een cd in de cdspeler. Voor meer informatie, zie pagina 158.
iPodŸ
Een iPodŸ wordt middels de aansluitkabel bijgeladen en gevoed door de USB-aansluiting.
Als de batterij van de speler echter helemaal
uitgeput is, dan dient u deze eerst op te laden
alvorens de speler aan te sluiten.
Middenconsole, bedieningstoetsen voor cd-functies.
Cd uitwerpen
Opening voor het invoeren/uitwerpen van
cd’s
``
157
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Vooruit-/achteruitspoelen en wisselen van
cd-tracks
2. Steek een cd in de invoeropening van de
cd-wisselaar.
Navigatietoets voor het wisselen van cdtracks
Disc uitwerpen
Cd doorzoeken
Positie in cd-wisselaar kiezen (alleen
audiosysteem High Performance en Premium Sound)*
04
Weergave starten (cd-speler)
Met een korte druk op de uitwerptoets kunt u
één enkele disc uitwerpen.
Een eventuele muziek-cd in de speler wordt
automatisch afgespeeld, wanneer u op CD
drukt. Steek anders een cd in de invoeropening
en druk op CD.
Met een lange druk op de uitwerptoets kunt u
alle discs uitwerpen. Alle discs in het magazijn
worden dan één voor één uitgeworpen.
Weergave starten (cd-wisselaar*)
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler onderbroken.
Start de cd-speler door op de knop CD te drukken. Een eventuele muziek-cd in de speler
wordt vervolgens automatisch afgespeeld.
Steek anders een cd in de invoeropening en
druk op CD.
Cd aanbrengen (cd-wisselaar*)
1. Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen
1–6 of
/
van de navigatietoets (4).
Op het display staat aangegeven welke
sleuf leeg is. De melding Disc plaatsen
geeft aan dat u een volgende cd kunt aanbrengen. De cd-wisselaar biedt plaats aan
zes cd’s.
158
U hebt ca. 12 seconden de tijd om een uitgeworpen disc uit te nemen. Als de disc na afloop
van deze periode nog in de cd-speler zit, wordt
de disc weer ingenomen en verder afgespeeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Pauze
disc en de hoeveelheid gegevens die erop
staan, kan het enige tijd duren voordat de
weergave van start gaat.
Navigeren en afspelen
Als er een disc met muziekbestanden in de cdspeler zit, kunt u met ENTER de mapstructuur
openen. U navigeert op dezelfde manier in de
mapstructuur als in de menustructuur van het
audiosysteem. Muziekbestanden worden aanen mappen met
geduid met het symbool
. Met een druk op ENTER gaat het afspelen van de muziekbestanden van start.
Wanneer een bepaald muziekbestand helemaal afgespeeld is, worden de overige bestanden in dezelfde map afgespeeld. Nadat alle
bestanden in een bepaalde map zijn afgespeeld, wordt er automatisch van map gewisseld.
Muziekbestanden
De cd-speler ondersteunt ook muziekbestanden in mp3- en wma-formaat.
N.B.
De speler kan bepaalde muziekbestanden
met kopieerbeveiliging niet lezen.
Wanneer u een cd met muziekbestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele
bestandsstructuur op de disc automatisch
geladen. Afhankelijk van de kwaliteit van de
Vooruit-/achteruitspoelen en van track/
muziekbestand op de cd wisselen
Druk kort op
/
van de navigatietoets om
tracks/muziekbestanden op een cd te selecteren. Druk lang om cd-tracks/muziekbestanden
versneld vooruit/achteruit te spoelen. U kunt
daarvoor ook gebruik maken van de toetsenset
op het stuurwiel. U kunt ook van track wisselen
door aan de knop TUNING te draaien.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Bij activering van deze functie worden van alle
tracks/muziekbestanden op een cd de eerste
tien seconden weergegeven. Druk op SCAN
om de functie te activeren. Beëindig de functie
met EXIT of SCAN om de weergave van de
actuele tracks/muziekbestanden op de cd
voort te zetten.
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen
tracks/muziekbestanden op de cd op de
gebruikelijke manier doorbladeren.
N.B.
Bij gebruik van de linker of rechter pijl wordt
alleen een nieuwe willekeurige track op de
afgespeelde cd geselecteerd.
Afhankelijk van het type willekeurige afspeelvolgorde dat geselecteerd is, verschijnt er een
bepaalde displaymelding:
• RANDOM houdt in dat de tracks op
slechts een van de muziek-cd’s worden
afgespeeld
• RND ALL houdt in dat alle tracks op alle
muziek-cd’s in de cd-speler worden afgespeeld.
• RANDOM FOLDER houdt in dat de
Radiofuncties
muziekbestanden in een willekeurige map
op de gekozen cd worden afgespeeld.
Cd-speler
Activeer/deactiveer de functie tijdens het
afspelen van een normale muziek-cd onder
Random.
Activeer/deactiveer de functie bij het beluisteren van een disc met muziekbestanden onder
Random Map.
G031441
Cd doorzoeken
Cd-wisselaar
Activeer/deactiveer de functie bij het afspelen
van een normale muziek-cd onder Random
Enkele disc of Random Alle discs. Het
alternatief Alle discs geldt alleen voor de
muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
04
Middenconsole, bedieningselementen voor radiofuncties.
Navigatietoets voor het automatisch zoeken van zenders
Activeer/deactiveer de functie bij het beluisteren van een cd met muziekbestanden onder
Random Map. Wanneer u een andere cd
kiest, wordt de functie gedeactiveerd.
Geselecteerde functie beëindigen
Nummer-informatie
Automatisch zenders vastleggen
Eventuele nummer-informatie op de muziekcd kan via het display worden weergegeven.
Bij Premium Sound en High Performance geldt
dit ook voor cd’s met mp3- en wma-bestanden. Activeer/deactiveer de functie in de stand
CD onder Cd-instellingen Nummerinformatie.
Voorkeurtoetsen en handmatig voorkeurzenders vastleggen
Handmatig zenders zoeken
Frequentieband doorzoeken
Frequentieband AM en FM (FM1 en FM2)
kiezen
Automatisch zenders zoeken
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
``
159
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
2. Druk op
/
van de navigatietoets.
Handmatig zenders zoeken
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
2. Draai aan TUNING.
Voorkeuren
04
U kunt per frequentieband 10 voorkeurzenders
vastleggen. De FM-band heeft
2 geheugenbanken met voorkeurzenders:
FM1 en FM2. U kiest een voorkeurzender met
de sneltoetsen.
De voorkeurzenders kunnen handmatig of
automatisch worden vastgelegd.
Voorkeurzenders handmatig vastleggen
1. Stem af op een zender.
2. Houd een van de voorkeurtoetsen ingedrukt, totdat de melding Kanaal
opgeslagen op het display verschijnt.
Automatisch zenders vastleggen
Deze functie is met name handig in gebieden,
waar u de radiozenders en hun frequenties niet
kent. De 10 best te ontvangen radiozenders
worden automatisch in een aparte geheugenbank vastgelegd.
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
2. Houd AUTO ingedrukt, totdat Autom.
opslaan op het display verschijnt.
160
Wanneer Autom. opslaan van het display verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De radio
gaat over op de automatische stand en de melding Auto verschijnt op het display. De automatisch vastgelegde voorkeurzenders zijn vervolgens rechtstreeks te kiezen met de voorkeurtoetsen. De automatische vastlegfunctie
voor radiozenders is te beëindigen met EXIT.
De radio blijft in de automatische stand staan,
totdat u op AUTO of FM drukt.
U kunt gebruik maken van de automatisch
vastgelegde radiozenders door de radio als
volgt in de automatische stand te zetten:
1. Druk op AUTO.
> De tekst Auto verschijnt op het display.
2. Druk op een voorkeurtoets.
Frequentieband doorzoeken
Deze functie doorzoekt de actuele frequentieband automatisch op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. 8 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
1. Kies een frequentieband met AM of FM.
2. Druk op SCAN.
De tekst SCAN verschijnt op het display. Druk
tot slot op SCAN of EXIT.
RDS-functies
RDS (Radio Data System) verbindt FM-zenders
in een netwerk met elkaar. Een FM-zender in
een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDS-radio onder meer de volgende mogelijkheden biedt:
• Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
• Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
• Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
N.B.
Sommige radiozenders maken geen
gebruik van RDS of alleen in beperkte mate.
Als er een zender met het gewenste programmatype is aangetroffen, kan de radio vervolgens op deze zender overschakelen en de
weergave van de actieve geluidsbron onderbreken. Als de cd-speler bijvoorbeeld actief is,
wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De uitzending met het gekozen programmatype wordt weergegeven op een vooraf
bepaald volume, zie pagina 162. Na afloop van
de uitzending van het gekozen programmatype
geeft de radio de voorgaande geluidsbron
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
opnieuw weer op het volume dat u daarvoor
had ingesteld.
stemd verkeersinformatie kan doorgeven,
staat er
op het display.
De programmafuncties alarm (ALARM!), verkeersinformatie (TP (verkeersinformatie)),
nieuws (Nieuws) en programmatype (PTY
(programmatype)) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste. Voor meer instellingen die te maken hebben met het onderbreken
van uitzendingen (EON en Regionaal), zie
pagina 162. Druk op EXIT om de weergave
van de onderbroken geluidsbron te hervatten.
Activeer/deactiveer de functie onder FMinstellingen TP (verkeersinformatie).
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor verkeersinformatie via de (actuele) zender die u beluistert of
via alle zenders.
Ga naar FM-instellingen Geav. radioinstellingen TP-zender... om wijzigingen aan te brengen.
Alarm
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het display, wanneer er
een alarmmelding wordt verzonden.
Nieuws
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een uitzending met verkeersinformatie via
het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd. Het symbool TP
(verkeersinformatie) geeft aan dat de functie
actief is. Als de zender waarop u hebt afge-
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een nieuwsuitzending via het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. Het
symbool NEWS geeft aan dat de functie actief
is.
Activeer/deactiveer de functie onder FMinstellingen Nieuws.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor een nieuwsuitzending via de (actuele) zender die u beluistert
of via alle zenders.
Ga naar FM-instellingen Geav. radioinstellingen Nieuwszender om wijzigingen aan te brengen.
Programmatype, PTY
Met de functie PTY is het mogelijk verschillende programmatypes te kiezen zoals popmuziek en klassieke muziek. Het symbool
PTY geeft aan dat de functie actief is. Bij activering van deze functie wordt de weergave van
de actieve geluidsbron onderbroken voor een
uitzending van het gekozen programmatype
via het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd.
04
1. Activeer de functie in de stand FM door een
programmatype te selecteren onder FMinstellingen PTY PTY selecteren.
2. Deactiveer de functie door de PTY te wissen onder FM-instellingen Alle PTY's
wissen.
PTY zoeken
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen van
het gekozen programmatype.
1. Kies een PTY onder FM-instellingen
PTY PTY selecteren.
2. Ga naar FM-instellingen PTY
(programmatype) PTY zoeken.
``
161
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Als de radio een uitzending van een van de
gekozen programmatypes vindt, verschijnt >|
om te zoeken op het display.
van de navigatietoets om verDruk op
der te zoeken naar een andere uitzending
van een van de gekozen programmatypes.
Programmatype weergeven
04
Het is mogelijk het programmatype van de zender die u op dat moment beluistert op het display weer te geven.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen PTY
PTY weergeven
N.B.
Niet alle radiozenders ondersteunen deze
functie.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op het
display worden weergegeven.
4
162
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder Radiotekst.
Fabrieksstandaard.
Automatische afstemfunctie, AF
Bij activering van deze functie wordt er automatisch afgestemd op het sterkste signaal
voor een bepaalde radiozender. Soms moet de
radio de gehele FM-band doorzoeken om een
sterk zendersignaal te vinden. In dat geval valt
de radio stil en verschijnt de melding PI
zoeken EXIT voor annuleren op het display.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen Geav.
radio-instellingen AF.
actieve geluidsbron kan worden onderbroken
voor uitzendingen van een bepaald programmatype.
• Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij
is.
• Afstand4 – Ook onderbreking als de zendmast van de zender ver weg staat en zijn
signaal storingen vertoont.
Regionale radioprogramma’s, REG
Deze functie maakt het mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is. Het symbool REG geeft aan dat de handsfree-functie
actief is.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen Geav.
radio-instellingen Regionaal.
EON (Enhanced Other Networks)
Deze functie is met name handig in stedelijke
gebieden met een groot aantal regionale radiozenders. Bij activering van de functie is de
afstand tot de zendmast van een radiozender
bepalend voor de vraag of de weergave van de
Activeer/deactiveer de functie in de stand
FM door een van de alternatieven te kiezen
onder FM-instellingen Geav. radioinstellingen EON:
• Uit – Geen onderbreking voor een uitzending van een bepaald programmatype via
andere zenders.
RDS-functies resetten
Met deze kunt u alle fabriekinstellingen voor
RDS herstellen.
Reset in de stand FM onder FMinstellingen Geav. radio-instellingen
Alles resetten.
Volumeregeling programmatypes
De onderbrekende uitzendingen van het gekozen programmatype (bijv. NEWS of TP) worden weergegeven op het volume dat voor het
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Rockmuziek
programmatype is gekozen. Als u het volume
tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het
nieuwe volume opgeslagen voor een volgende
onderbreking.
1.5
Geav. radio-instellingen
Melodie
1.5.1
TP-zender
Licht klassiek
1.5.2
Nieuwszender
Klassiek
1.5.3
AF
Menusysteem FM
Overige muziek
1.5.4
EON
Hoofdmenu FM
Het weer
Uit
Economie
Plaatselijk
FM-instellingen
1.1
Nieuws
1.2
TP (verkeersinformatie)
1.3
Radiotekst
1.4
PTY (programmatype)
1.4.1
Voor kinderen
Alle PTY's wissen
Actualiteit
Informatie
Regionaal
Religie
1.5.6
Reset alle FM-inst.
Reizen
Digitale radio (DAB)*
Vrije tijd
Algemene informatie
Jazzmuziek
DAB (Digital Audio Broadcasting) is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen.
Countrymuziek
Sport
04
Nationale muziek
Educatie
Gouwe Ouwe
Drama
Volksmuziek
Cultuur
Varia
1.5.5
Doe mee!
PTY selecteren
Wetenschap
Afstand
Maatschappelijk
N.B.
Dit systeem biedt geen ondersteuning voor
DAB+.
Documentaires
1.4.2
PTY zoeken
1.4.3
PTY-tekst weergeven
Popmuziek
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
163
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Service en Ensemble
• Voor onderhoud - Kanaal, radiokanaal
(het systeem biedt alleen ondersteuning
voor geluidsdiensten).
• Ensemble - Een groep radiokanalen die
op dezelfde frequentie zenden.
Radiokanalen programmeren (Groep
leren)
04
Wanneer de auto een nieuw zendgebied binnenrijdt is het mogelijk het systeem de gelegenheid te geven de te ontvangen kanaalgroepen te programmeren.
Tijdens het programmeren van de kanaalgroepen wordt een bijgewerkte lijst van al de te
beluisteren kanaalgroepen aangemaakt. De
lijst wordt niet automatisch bijgewerkt. U start
de programmeerfunctie via het menu Groep
leren of rechtstreeks door lang op AUTO te
drukken. Het kan tot één minuut duren voordat
een kanaalgroep geprogrammeerd is als u
zowel Band III als LBand hebt geselecteerd.
Frequentieband
DAB zendt uit op twee
Band III en LBand.
frequentiebanden5:
• Band III – Over het hele land6
• LBand - Voornamelijk in de grote steden
5
6
164
Wanneer u alleen voor Band III kiest, verloopt
het programmeren van kanalen sneller dan als
u voor zowel Band III als LBand hebt gekozen.
Het is echter niet zeker dat alle kanaalgroepen
ook daadwerkelijk worden gevonden. De
gekozen frequentieband is niet van invloed op
de opgeslagen voorkeuren.
Navigeren aan de hand van lijsten
Er zijn drie soorten basislijsten die u kunt
gebruiken om te navigeren:
• Ensemble - Geeft de te beluisteren
kanaalgroepen weer na programmering
van de kanaalgroepen.
• Voor onderhoud - Geeft de kanalen weer
ongeacht de kanaalgroep waartoe ze
behoren. De lijst is tevens te filteren met
behulp van DAB PTY (zie onder).
• Subkanaal - Subkanalen van het gekozen
kanaal.
De scanfunctie is ook te kiezen in de stand
DAB-PTY. Dan worden alleen kanalen van het
gekozen programmatype weergegeven.
Beëindig de scanfunctie door nogmaals op
de SCAN te drukken of druk op EXIT.
Subkanaal
Secundaire componenten worden vaak aangeduid als subkanalen. Dergelijke componenten zijn van tijdelijke aard en kunnen bijvoorbeeld uit vertalingen van het hoofdprogramma
bestaan.
Als er een of meer subkanalen bestaan verschijnt het symbool > rechts van de kanaalnaam op het display. Als er slechts één subkanaal bestaat verschijnt het symbool > links
van de kanaalnaam op het display.
Om een subkanaal te bereiken:
Druk op
.
De lijsten zijn toegankelijk via het menu. U kunt
de kanaalgroepen ook bereiken door op
ENTER te drukken.
Om te navigeren tussen subkanalen:
Scannen
Subkanalen zijn alleen te bereiken via het gekozen hoofdkanaal en niet via een ander hoofdkanaal.
Tijdens het scannen wordt van alle kanalen een
fragment van 10 seconden weergegeven.
Druk op SCAN om de functie te activeren
De beide frequentiebanden zijn niet in alle gebieden/landen in gebruik.
In de aanloopfase is de dekking van DAB-radio beperkt tot de grote steden.
Druk op
of op
.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
DAB-PTY (programmatype)
DAB PTY selecteert een specifiek type radio-
Bij het beluisteren van een subkanaal verschijnt de subkanaalnaam
programma. Er bestaan 29 verschillende programmatypes voor verschillende soorten programmacategorieën. Wanneer u een bepaald
programmatype hebt gekozen, navigeert u
alleen binnen de kanalen die programma’s van
het gekozen type uitzenden.
2. Ensemble - Voegt de naam van de kanaalgroep toe aan de kanaalnaam
Verlaat deze stand als volgt:
Druk op EXIT
Het is ook mogelijk een voorkeurkanaal te kiezen of DAB PTY te beëindigen via het menu.
Bij gebruik van DAB-links tussen kanalen (zie
onder) is het mogelijk dat de DAB-radio de
PTY-stand verlaten.
DAB naar DAB link
Het is mogelijk om van een kanaal dat slecht of
helemaal niet te ontvangen is over te schakelen
op hetzelfde kanaal in een andere kanaalgroep
met een betere ontvangst. Bij het veranderen
van kanaalgroep kan enige vertraging in de
geluidsweergave optreden. Vanaf het moment
dat het huidige kanaal verdwijnt en het nieuwe
kanaal toegankelijk wordt kan het geluid dan
ook enige tijd stilvallen.
DAB-displayinstellingen
1. Basis - Alleen de kanaalnaam verschijnt
als de hoofdcomponent wordt beluisterd.
3. Ensemble +PTY - Voegt de naam van het
programmatype toe aan de kanaalnaam
wel beschikbaar is. U kunt uiteraard ook een
ander kanaal kiezen.
N.B.
De DAB-functie van het audiosysteem biedt
geen ondersteuning voor alle mogelijkheden van de DAB-standaard.
Voorkeuren
U kunt per frequentieband 10 voorkeurzenders
vastleggen. DAB heeft 2 geheugenbanken met
voorkeurzenders: DAB1 en DAB2. U kiest een
voorkeurzender met de sneltoetsen.
Een voorkeur bestaat uit een kanaal zonder
eventuele subkanalen. Als er tijdens het beluisteren van een subkanaal een voorkeurkanaal
vastgelegd wordt, wordt alleen de kanaal-ID
geregistreerd. Dit komt omdat de subkanalen
van tijdelijke aard zijn. Bij activering van het bijbehorende voorkeurkanaal zal dan ook het
hoofdkanaal worden weergegeven waartoe het
subkanaal behoorde. De voorkeurkanalen zijn
niet gebonden aan de kanalenlijst.
Een vastgelegd kanaal hoeft niet in de kanalenlijst te staan om te kunnen worden beluisterd. Als u een kanaal kiest dat niet beschikbaar is, verschijnt het nummer van het voorkeurkanaal waarna het geluid stilvalt totdat u
een ander voorkeurkanaal hebt gekozen dat
Menusysteem DAB
Hoofdmenu DAB
04
1.
Selecteer groep
2.
Selecteer dienst
3.
Selecteer subkanaal
4.
DAB PTY
4.1.
DAP PTY uit
4.2.
Nieuws
4.3.
Actualiteit
4.4.
Informatie
4.5.
Sport
4.6.
Educatie
4.7.
Drama
4.8.
Cultuur
4.9.
Wetenschap
4.10.
Varia
``
165
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
5.
166
4.11.
Popmuziek
4.12.
Rockmuziek
4.13.
Rustige muziek
4.14.
Licht klassiek
4.15.
Klassieke muziek
4.16.
Overige muziek
4.17.
Het weer
4.18.
Economie
4.19.
Kinderprogramma’s
4.20.
Feitelijk
4.21.
Religie
4.22.
Doe mee !
4.23.
Reizen
4.24.
Vrije tijd
4.25.
Jazz en blues
4.26.
Countrymuziek
4.27.
Nationale muziek
4.28.
Gouwe Ouwe
4.29.
Volksmuziek
4.30.
Documentaire
Groep leren
6.
DAB-instellingen
6.1.
DAB-displayinstellingen
6.1.1.
Groepsnaam
6.1.2.
Groepsnaam
en PTY
6.1.3.
Basis
6.2.
DAB naar DAB link
6.3.
FM-verkeer
6.4.
DAB-band selecteren
6.5.
6.4.1.
Band III
6.4.2.
LBand
6.4.3.
LBand & Band
III
DAB resetten
04 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Algemene informatie
Functies
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt tijdens het gebruik van de boordcomputer, dient u deze melding eerst te
bevestigen voordat u de boordcomputer
weer kunt activeren. Bevestig de waarschuwingsmelding door te drukken op READ.
Informatiedisplay en bedieningstoetsen.
READ - bevestigen
Duimwiel – menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren
RESET – op nul stellen
De menu’s van de boordcomputer volgens elkaar op in een eindeloze lus. Een van de
menuopties is een gedoofd scherm – het geeft
tevens het begin/eind van de lus aan.
Neem contact op met een erkende werkplaats,
als u de eenheid wilt wijzigen waarin de afstand
en de snelheid worden weergegeven. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid sinds de laatste maal
dat de waarde op nul gesteld werd. U stelt de
waarde op nul met RESET.
Momentaan
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stilstaat, geeft het display “----” aan.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een extra verwarming en/of standverwarming* op brandstof hebt gebruikt.
Km actieradius
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km en de resterende hoeveelheid
brandstof. Het display geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
04
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een langere actieradius. Voor meer informatie over de
wijze waarop u het brandstofverbruik kunt
beperken, zie pagina 13.
Wanneer “---- km actieradius” op het display
staat, zijn geen garanties meer te geven voor
de resterende actieradius. Tank dan zo spoedig mogelijk.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u van rijstijl bent veranderd.
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat de waarde op nul gesteld
werd. U stelt de waarde op nul met RESET.
Op nul stellen
1. Selecteer --- km/h gem. snelheid of --.l/100km gemiddeld.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
167
04 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
2. Houd RESET ca. 1 seconde ingedrukt om
de waarde voor de gekozen functie op nul
te stellen. Als u RESET ten minste
3 seconden lang ingedrukt houdt, stelt u de
gemiddelde snelheid en het gemiddelde
brandstofverbruik gelijktijdig op nul.
Actuele snelheid*1
04
Bij een snelheidsmeter met een kilometerschaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in km/h. Bij een snelheidsmeter met een milesschaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in mph.
1
168
Alleen bepaalde markten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van
het systeem waarneembaar zijn in de vorm van
pulserende geluiden. Tijdens het gas geven
kan de auto langzamer optrekken dan u verwacht.
Antislipregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
Motorremregeling, EDC
EDC (Engine Drag Control) voorkomt ongewenste blokkering van de wielen zoals na
terugschakeling of bij gladheid tijdens het
afremmen op de motor in een lage versnelling.
Een van de gevolgen van ongewenste blokkering van de wielen is dat u de auto moeilijk
onder controle kunt houden.
Trailer Stability Assist*, TSA
Het systeem heeft tot taak de auto met een
aanhanger/caravan te stabiliseren wanneer de
combinatie de neiging tot pendelbewegingen
vertoont, zie pagina 247.
G021409
Algemene informatie over DSTC
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem DSTC
(Dynamic Stability and Traction Control) helpt
de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Bediening
Beperkte functie
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en u
gas geeft. Het systeem grijpt bij doorslippende
wielen dan later in, zodat er een hogere mate
van doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden.
De aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt verbeterd, omdat er dan geen beperkingen meer gelden voor de tractie.
04
1. Draai aan het duimwiel (1) totdat het menu
DSTC verschijnt. DSTC AAN betekent dat
de werking van het systeem ongewijzigd is.
DSTC Spin Control UIT betekent dat er
beperkingen gelden voor de werking van
het systeem.
2. Houd RESET (2) ingedrukt totdat het menu
DSTC zich wijzigt.
Er blijven beperkingen gelden voor het systeem, totdat u de motor afzet – de volgende
keer dat u de motor start, staat het DSTC weer
in de normale stand.
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
169
04 Comfort en rijplezier
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
Berichten op informatiedisplay
DSTC Tijdelijk UIT geeft aan dat de functie
van de regeling tijdelijk beperkt is wegens een
te hoge temperatuur van de remschijven.
Het systeem wordt automatisch opnieuw
ingeschakeld, wanneer de remmen weer
voldoende zijn afgekoeld.
DSTC Service vereist betekent dat het systeem wegens een storing werd uitgeschakeld.
04
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
> Als de melding een volgende keer dat u
motor start opnieuw verschijnt – rijd de
auto dan naar een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Symbolen op instrumentenpaneel
Als de symbolen
en
gelijktijdig
verschijnen – lees de melding op het informatiedisplay.
Als alleen het symbool
dat het volgende:
oplicht, betekent
• Een knipperend symbool geeft aan dat het
systeem op dat moment ingrijpt.
• Een symbool dat 2 seconden lang continu
blijft branden, duidt op de systeemtest tijdens het starten van de motor.
170
• Een symbool dat na het starten van de
motor of tijdens het rijden oplicht, duidt op
een storing in het systeem.
04 Comfort en rijplezier
Rijeigenschappen aanpassen
Actieve chassisregeling (Four-C)*
Bediening
Het actieve chassissysteem FOUR-C
(Continously Controlled Chassis Concept)
stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van
de auto. U hebt de keuze uit drie standen:
Comfort, Sport en Advanced.
en stuurgevoeligheid. Ga naar Instellingen
van de auto Stuurkrachtniveau in het
menusysteem en kies Laag, Medium of
Hoog.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 135. Dit menu is niet te openen wanneer de auto rijdt.
Comfort
In deze stand rijdt de auto comfortabeler op
een ruw en oneffen wegdek. De vering verloopt
soepel waardoor de bewegingen van de carrosserie minimaal en aangenaam zijn.
Sport
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor een
actievere rijstijl heeft de auto een sportiever
karakter. De auto reageert sneller op de bewegingen van het stuurwiel dan in de stand
Comfort. De vering is stugger dan normaal en
de carrosserie volgt het wegdek om in bochten
de mate van overhellen te beperken.
Advanced
U wordt geadviseerd deze stand alleen te activeren op zeer rechte en vlakke wegen.
De bewegingen van de schokdempers zijn
geoptimaliseerd voor maximale grip en minimale overhelling in bochten.
04
Chassisstanden.
Gebruik de knoppen op de middenconsole om
van stand te veranderen. De chassisstand die
actief is bij het afzetten van de motor zal de
volgende keer dat u de motor start opnieuw
geactiveerd worden.
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging*
Naarmate de rijsnelheid hoger wordt neemt de
stuurbekrachtiging af, waardoor u een beter
gevoel met de weg krijgt. Op snelwegen stuurt
de auto zwaarder en directer. Bij het parkeren
en op lage snelheden is de auto lichter en met
minder moeite te besturen.
U hebt de keuze uit drie niveaus van stuurbekrachtiging voor een maximum aan weggevoel
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
171
04 Comfort en rijplezier
Cruisecontrol*
Bediening
De cruisecontrol is vervolgens te activeren met
of
, waarna de actuele snelheid in het
geheugen opgeslagen wordt – de melding (---)
km/h op het display maakt plaats voor de
gekozen snelheid, bijv. 100 km/h.
N.B.
Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet
mogelijk de cruisecontrol in te schakelen.
G021411
04
Toetsenset op stuurwiel en display.
Cruisecontrol – Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
Activeren en snelheid aanpassen.
Gekozen snelheid (tussen haakjes = standbystand).
Activeren en snelheid instellen
Schakel de cruisecontrol in met een druk op de
stuurtoets CRUISE – het symbool
gaat
branden op het display (5) en de haakjes rond
(---) km/h geven aan dat de cruisecontrol
stand-by staat.
172
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Snelheid wijzigen
In de actieve stand kunt u de snelheid verhogen of verlagen door de knop
of
kort of
lang in te drukken – de laatst gewijzigde
waarde wordt opgeslagen in het geheugen.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling van de cruisecontrol ongewijzigd – de auto
hervat de ingestelde snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
N.B.
Als een van de toetsen van de cruisecontrol
langer dan ca. 1 minuut ingedrukt wordt,
wordt de cruisecontrol uitgeschakeld. Om
de cruisecontrol in dat geval te resetten
moet u de motor afzetten.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Druk op
om de cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten – de ingestelde snelheid verschijnt tussen haakjes op
het display (5), bijv. (100) km/h.
Automatische stand-bystand
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld
en stand-by gezet, als:
•
•
•
•
•
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
het rijpedaal wordt bediend
de snelheid daalt tot onder ca. 30 km/h
het koppelingspedaal wordt bediend
de schakelhendel in de neutraalstand
wordt gezet (automatische versnellingsbak)
• u meer dan 1 minuut lang een hogere snelheid aanhoudt dan ingesteld.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Ingestelde snelheid hervatten
Een cruisecontrol in stand-bystand is opnieuw
te activeren bij een druk op de stuurtoets
–
in dat geval wordt de laatst opgeslagen snelheid hervat.
04 Comfort en rijplezier
Cruisecontrol*
N.B.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met
kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden.
Uitschakelen
De cruisecontrol wordt uitgeschakeld bij
gebruik van de stuurtoets CRUISE of bij het
afzetten van de motor – de ingestelde snelheid
wordt uit het geheugen verwijderd en valt niet
langer te hervatten met de toets
.
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
173
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Algemene informatie over ACC
04
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een veilige afstand
tot voorliggers te houden. Het systeem biedt u
een comfortabeler rijervaring op lange ritten op
snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met
een gelijkmatige verkeersstroom.
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt.
U stelt de gewenste snelheid en het tijdsverschil ten opzichte van de voorligger. Wanneer
de radarsensor een voorligger registreert die
langzamer rijdt dan u, wordt uw snelheid automatisch aangepast. Wanneer de weg voor u
weer vrij is, hervat de auto de ingestelde snelheid.
In het onderdeel Functie en verder wordt
geïnformeerd over de beperkingen die u als
bestuurder moet kennen, voordat u de
adaptieve cruisecontrol gebruikt.
Als de auto een voorligger te dicht nadert terwijl
de adaptieve cruisecontrol uitgeschakeld is of
stand-by staat, wordt u door Distance Alert (zie
pagina 182) geattendeerd op de korte afstand.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
174
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Functie
Functie-overzicht.
Waarschuwingslampje, afremmen noodzakelijk
Toetsenset stuurwiel
Radarsensor
De adaptieve cruisecontrol bestaat uit een
cruisecontrol die gekoppeld is aan een
afstandshouder.
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra
u merkt dat het systeem een voorligger niet
registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
De afstand tot het verkeer voor u wordt in principe gemeten met een radarsensor. De cruisecontrol regelt de snelheid door de stand van de
gasklep aan te passen en zo nodig af te remmen. Het is volkomen normaal dat de remmen
enige geluiden produceren, wanneer de adaptieve cruisecontrol ze aanspreekt.
WAARSCHUWING
Het rempedaal komt omlaag, wanneer de
cruisecontrol remt. Houd uw voet dan ook
niet onder het rempedaal om beknelling te
voorkomen.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
door u ingestelde volgtijd ten opzichte van
voorliggers in dezelfde rijstrook aan te houden.
Als de radarsensor geen voorligger registreert,
houdt de auto in plaats daarvan de snelheid
aan die op de cruisecontrol werd ingesteld. Dit
gebeurt ook als de snelheid van de voorligger
de ingestelde snelheid van de adaptieve
cruisecontrol overschrijdt.
De cruisecontrol streeft ernaar de snelheid zo
weinig mogelijk aan te passen. In situaties
waarin krachtig moet worden geremd, dient u
dan ook zelf te remmen. Dit is bijvoorbeeld het
geval bij grote snelheidsverschillen of als het
voertuig dat voor u rijdt krachtig remt. Door
beperkingen van de radarsensor is het mogelijk
dat er onverwachts of helemaal niet wordt
geremd (zie pagina 178).
De adaptieve cruisecontrol is te activeren om
een volgtijd aan te houden ten opzichte van
een voorligger bij snelheden vanaf 30 km/h tot
een maximumsnelheid van 200 km/h. Als de
snelheid tot onder 30 km/h daalt of als het
motortoerental te laag wordt, wordt de cruise-
control stand-by gezet, waarna er niet langer
automatisch wordt afgeremd – u moet dan zelf
remmen om een veilige afstand te houden tot
voorliggers.
Waarschuwingslampje – afremmen
noodzakelijk
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol bedraagt ca. 25 % van dat van het normale
remsysteem van de auto.
Als de auto harder moet worden afgeremd dan
de adaptieve cruisecontrol aankan en u remt
zelf niet bij, dan maakt de cruisecontrol u er
middels het waarschuwingslampje van Collision Warning en een geluidssignaal (zie
pagina 191) attent op dat u onmiddellijk moet
ingrijpen.
04
N.B.
Het waarschuwingslampje is soms moeilijk
te ontdekken in de felle zon of bij het gebruik
van een zonnebril.
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol waarschuwt
alleen voor de voertuigen die de radarsensor heeft geregistreerd. Het is dan ook
mogelijk dat een waarschuwing uitblijft of
pas na enige vertraging wordt gegeven.
Wacht een waarschuwing dan ook niet af,
maar rem zelf wanneer u dat nodig acht.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
175
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Steile wegen en/of zware belading
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in eerste instantie bestemd is voor gebruik tijdens
ritten op vlakke weggedeelten. De cruisecontrol heeft mogelijk moeite om de juiste volgafstand ten opzichte van voorliggers aan te houden bij ritten op steile wegen, bij vervoer van
zware belading of met een aanhanger/caravan
achter de auto – blijf dan extra alert en rem zo
nodig zelf.
04
Bediening
Activeren en snelheid aanpassen.
Gekozen snelheid (tussen haakjes = standbystand).
Volgtijd – Aan, tijdens aanpassing.
Volgtijd – Aan, ná aanpassing.
Activeren en snelheid instellen
Schakel de cruisecontrol in met een druk op de
stuurtoets
– het symbool
gaat branden
op het display. De haakjes (6) bij (---) geven
aan dat de cruisecontrol stand-by staat.
De cruisecontrol is vervolgens te activeren met
of
, waarna de actuele snelheid in het
geheugen opgeslagen wordt – de melding
(---) op het display maakt plaats voor de gekozen snelheid, bijv. 100 zonder haakjes.
Wanneer het symbool
verandert in
, heeft de radarsensor een voertuig geregistreerd.
Toetsenset op stuurwiel en display.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol – Aan/Uit of stand-bystand.
Volgtijd – Verlengen/verkorten.
176
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Alleen wanneer het symbool
(met auto) brandt, regelt
de cruisecontrol de afstand tot voorliggers.
N.B.
Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet
mogelijk de cruisecontrol in te schakelen.
Snelheid wijzigen
In de actieve stand kunt u de snelheid verhoof
lang
gen of verlagen door de knop ,
heeft dezelfde
of kort in te drukken. De knop
functie als
maar levert een minder grote
snelheidsverhoging op. De laatst gewijzigde
waarde wordt opgeslagen in het geheugen.
N.B.
Als een van de toetsen van de cruisecontrol
langer dan ca. 1 minuut ingedrukt wordt,
wordt de cruisecontrol uitgeschakeld. Om
de cruisecontrol in dat geval te resetten
moet u de motor afzetten.
In bepaalde situaties is het niet mogelijk de
adaptieve cruisecontrol te activeren. Op het
display staat dan ACC niet beschikbaar,
zie pagina 180.
Volgtijd instellen
U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het display als 1–5 horizontale streepjes weergegeven – hoe meer streepjes, des
te langer de volgtijd. Eén
streepje komt overeen met ca. 1 seconde en 5
streepjes met ca. 2,5 seconden.
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
U kunt de volgtijd verlengen met de stuurtoets
en verkorten met
.
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot de
adaptieve cruisecontrol de volgtijd iets.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in bepaalde situaties aanzienlijke variaties in de volgtijd toe.
Let erop dat een korte volgtijd u bij plotselinge
wijzigingen in de verkeersstroom minder tijd
geeft om te reageren en in te grijpen.
Tijdens het instellen van de
volgtijd verschijnt het bijbehorende aantal horizontale
streepjes op het display. Deze
streepjes verdwijnen na
enkele seconden, waarna een
verkleinde uitvoering ervan
rechts op het display verschijnt. Hetzelfde
symbool verschijnt ook wanneer de afstandscontrole geactiveerd is (zie pagina 182).
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Als de adaptieve cruisecontrol niet lijkt te
reageren na activering, is het mogelijk dat
de volgtijd tot de voorligger geen snelheidsverhoging toelaat.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Druk op de stuurtoets
om de cruisecontrol
tijdelijk uit te schakelen en stand-by te zetten –
de ingestelde snelheid verschijnt tussen haakjes op het display, bijv. (100).
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld
en stand-by gezet, als:
• het rijpedaal wordt bediend
• het koppelingspedaal meer dan 1 minuut1
lang wordt bediend
• de schakelhendel in de neutraalstand
wordt gezet (automatische versnellingsbak)
1
• u meer dan 1 minuut lang een hogere snelheid aanhoudt dan ingesteld
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling van de cruisecontrol ongewijzigd – de auto
hervat de laatst opgeslagen snelheid zodra u
het gaspedaal loslaat.
Automatische stand-bystand
04
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen zoals het stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC). Als een van dergelijke
systeem uitvalt, wordt de cruisecontrol automatisch uitgeschakeld.
Bij automatische deactivering klinkt een waarschuwingssignaal en op het display verschijnt
de melding ACC gedeactiveerd. U moet in
dat geval zelf ingrijpen om de snelheid en
afstand ten opzichte van de voorligger aan te
passen.
Automatische deactivering is mogelijk, wanneer:
• het toerental van de motor te laag/hoog
wordt
• de snelheid daalt tot onder 30 km/h
• de wielen hun grip op het wegdek verliezen
Bij ontkoppelen en opschakelen of terugschakelen wordt de cruisecontrol niet stand-by gezet.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
177
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
• de remmen een hoge temperatuur hebben
• de radarsensor wordt gehinderd door natte
sneeuw of hevige regenval (de radargolven
worden geblokkeerd).
Ingestelde snelheid hervatten
Een cruisecontrol in stand-bystand is opnieuw
–
te activeren bij een druk op de stuurtoets
in dat geval wordt de laatst opgeslagen snelheid hervat.
04
N.B.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met
kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden.
Uitschakelen
In de stand-bystand is de cruisecontrol uit te
schakelen met de stuurtoets
, in de actieve
stand bij lang indrukken van dezelfde toets.
Daarbij wordt de ingestelde snelheid gewist
waarna deze niet meer te hervatten is met de
.
toets
Radarsensor en de beperkingen ervan
De radarsensor wordt niet alleen gebruikt door
de adaptieve cruisecontrol maar ook door het
Collision Warning with Auto Brake (zie
pagina 190) en de afstandscontrole (zie
178
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
pagina 182). De radarsensor dient om personenauto’s of grotere voertuigen te registreren
die in dezelfde richting als u en in dezelfde rijstrook rijden.
Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk dat het gebruik ervan onwettig wordt.
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
In het onderdeel Functie en verder wordt
geïnformeerd over de beperkingen die u als
bestuurder moet kennen, voordat u de
adaptieve cruisecontrol gebruikt.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
WAARSCHUWING
Het is niet toegestaan accessoires of
andere voorwerpen voor de grille te monteren.
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra
u merkt dat het systeem een voorligger niet
registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
De radarsensor heeft veel meer moeite om een
voertuig voor u te ontdekken:
• als de radarsensor gehinderd wordt door
bijvoorbeeld hevige regenval of als
sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
N.B.
Houd het gebied voor de radarsensor
schoon.
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
• als de snelheid van de voorligger te veel
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van de
rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
afwijkt van die van uw eigen auto.
Voorbeeldsituaties waarin de
cruisecontrol niet optimaal werkt
In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen wordt een voertuig niet ontdekt of later dan verwacht.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding Radar afgedekt
Zie instructieb. verschijnt, worden de radarsignalen van de radarsensor gehinderd zodat
voorliggers niet kunnen worden geregistreerd.
04
G021414
Dit betekent dat de adaptieve cruisecontrol, de
afstandscontrole en het Collision Warning with
Auto Brake evenmin werken.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en passende maatregelen.
De ACC kan kleine voertuigen niet registreren
(donkere driehoek: blikveld van de ACC).
Soms kan de radarsensor een voertuig op
korte afstand niet registreren, bijvoorbeeld
als een inhalend voertuig invoegt tussen u
en uw voorligger.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
179
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Oorzaak
Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak staan.
Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft
dat de radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
04
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Stand-bystand of geen voertuig ontdekt in actieve stand.
Voertuig ontdekt in actieve stand waarop de adaptieve cruisecontrol uw snelheid afstemt.
Volgtijd geactiveerd, tijdens aanpassing.
Volgtijd geactiveerd, na aanpassing.
180
DSTC inschakelen voor
ACC
De cruisecontrol kan alleen worden geactiveerd, wanneer het stabiliteits- en tractieregelsysteem
(DSTC) in de normale stand staat.
ACC gedeactiveerd
De adaptieve cruisecontrol werd uitgeschakeld – u dient zelf uw snelheid aan te passen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Symbool
Melding
Betekenis
ACC niet beschikbaar
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld.
Dit kan onder meer gebeuren wanneer:
• de remmen een hoge temperatuur hebben
• de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
Radar afgedekt Zie
instructieb.
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
• De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor
afdekken.
04
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 178.
ACC Service vereist
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
• Neem contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
181
04 Comfort en rijplezier
Afstandscontrole*
Algemene informatie
De afstandscontrole (Distance Alert) is een
functie die u inlicht over de volgtijd ten opzichte
van de voorligger.
De afstandscontrole is actief bij snelheden
hoger dan 30 km/h en reageert uitsluitend op
voorliggers die in dezelfde richting als u rijden.
Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde
richting rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven.
N.B.
Volgtijd instellen
Zolang de adaptieve cruisecontrol wordt
gebruikt staat de afstandscontrole uit.
WAARSCHUWING
Distance Alert reageert alleen, als de
afstand tot voorliggers korter is dan de ingestelde waarde – de rijsnelheid wordt niet
aangepast.
04
Bediening
Bedieningselementen en display.
Volgtijd – Verlengen/verkorten
Volgtijd – Aan, tijdens aanpassing
Volgtijd – Aan, ná aanpassing
U kunt de volgtijd verlengen met
ten met
.
Er brandt continu een beperkt gebied van het
rode waarschuwingslampje op de voorruit, als
de afstand tot de voorligger gelijk is aan de
ingestelde volgtijd.
182
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Het brandende
lampje in de schakelaar geeft aan dat de functie geactiveerd is.
en verkor-
04 Comfort en rijplezier
Afstandscontrole*
U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het display als 1–5 horizontale streepjes weergegeven – hoe meer streepjes, des
te langer de volgtijd. Eén
streepje komt overeen met ca. 1 seconde ten
opzichte van de voorligger en 5 streepjes met
ca. 2,5 seconden.
Tijdens het instellen van de
volgtijd verschijnt het bijbehorende aantal horizontale
streepjes op het display. Deze
streepjes verdwijnen na
enkele seconden, waarna een
verkleinde uitvoering ervan
rechts op het display verschijnt. Hetzelfde
symbool verschijnt ook wanneer de adaptieve
cruisecontrole geactiveerd is.
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt
door de adaptieve cruisecontrol (zie
pagina 176).
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Beperkingen
De afstandscontrole, adaptieve cruisecontrol
en Collision Warning maakt gebruik van
dezelfde radarsensor. Voor meer informatie
over de radarsensor en de beperkingen ervan,
zie pagina 178.
N.B.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk waar te nemen.
In slechte weersomstandigheden en op slingerende wegen heeft de radarsensor soms
moeite om voorliggers te registreren.
04
Ook voorliggers met geringe afmetingen
(zoals motorfietsen) zijn soms moeilijk te
ontdekken. Dat kan betekenen dat het
geprojecteerde waarschuwingslampje pas
bij kortere volgtijden oplicht of dat helemaal
niet gaat branden.
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk dat
het lampje door beperkingen in het bereik
van de sensor op kortere afstand oplicht.
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Ingestelde volgtijd tijdens regeling.
Ingestelde volgtijd ná regeling.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
183
04 Comfort en rijplezier
Afstandscontrole*
Symbool
Melding
Betekenis
Radar afgedekt.
De afstandscontrole werkt tijdelijk niet.
Zie instructieb.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 178.
CWS-systeem Service vereist
04
184
Afstandscontrole en Collision Warning with Auto Brake werken niet of gedeeltelijk.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
City Safety™
Algemene informatie
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen
een botsing te voorkomen tijdens filerijden
e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot
bijna-ongelukken kunnen leiden.
De functie die actief is bij snelheid tot
30 km/h helpt u door automatisch te remmen,
wanneer het gevaar voor een botsing met een
voorligger reëel is en u zelf niet snel genoeg
remt en/of uitwijkt.
City Safety™ wordt geactiveerd in situaties
waar de bestuurder eigenlijk al veel eerder had
moeten remmen, zodat de functie niet altijd
uitkomst biedt.
City Safety™ is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
Gebruik City Safety™ niet om uw rijgedrag aan
te passen – als u er blind op vertrouwt dat City
Safety™ remt, raakt u vroeg of laat betrokken
bij een botsing.
U en eventuele passagiers zullen normaal
alleen merken dat City Safety™ actief is, wanneer een botsing dreigt.
Bij auto’s met Collision Warning with Auto
Brake* vullen de beide systemen elkaar aan.
Voor meer informatie over het Collision Warning with Auto Brake, zie pagina 190.
Functie
BELANGRIJK
Laat de onderdelen van City Safety™ alleen
onderhouden en vervangen in een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
04
City Safety™ werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
City Safety™ reageert niet op tegenliggers
noch op kleinere voertuigen zoals motorfietsen en fietsen of op voetgangers en dieren.
City Safety™ kan een botsing alleen voorkomen bij een snelheidsverschil kleiner dan
15 km/h tussen de beide voertuigen – bij
grotere snelheidsverschillen kan het systeem alleen de snelheid waarbij de botsing
plaatsvindt zoveel mogelijk beperken. Voor
maximale remwerking moet de bestuurder
het rempedaal bedienen.
Wacht nooit op het ingrijpen van City
Safety™. De bestuurder is er verantwoordelijk voor om voldoende afstand en de
juiste snelheid te houden.
Zend- en ontvangstoog van de lasersensor.
City Safety™ registreert het verkeer vóór de
auto middels een lasersensor boven aan de
voorruit. Wanneer het gevaar voor een botsing
reëel is, zal City Safety™ automatisch remmen,
hetgeen aandoet als een krachtige remmannoeuvre.
Bij een snelheidsverschil van 4–15 km/h ten
opzichte van de voorligger kan City Safety™
een botsing geheel voorkomen.
City Safety™ start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u net
achter uw voorligger tot stilstand komt. Voor
veel bestuurders die dit niet gewend zijn is een
dergelijke remmanoeuvre onprettig.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
185
04 Comfort en rijplezier
City Safety™
Bij een snelheidsverschil van 15–30 km/h tussen de beide voertuigen kan City Safety™ een
botsing niet geheel op eigen kracht voorkomen
– voor het maximale remvermogen dient u zelf
het rempedaal te bedienen. In dat geval is het
ook bij snelheidsverschillen groter dan
15 km/h mogelijk een botsing te voorkomen.
Na het starten van de motor is City Safety™ op
een van de volgende manieren uit te schakelen:
Om City Safety™ opnieuw in te schakelen:
• Volg de dezelfde procedure als bij het uit-
Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het display van het instrumentenpaneel de melding dat het systeem actief is/was.
schakelen, maar kies nu de optie Aan.
Beperkingen
04
Wanneer City Safety™ remt, gaan de remlichten branden.
G021409
N.B.
Display en richtingaanwijzerhendel.
Duimwiel
Bediening
N.B.
De functie City Safety™ is na het starten van
de motor via sleutelstand I en II (zie
pagina 78 voor de sleutelstanden) altijd
ingeschakeld.
Aan en Uit
Soms is het handig om City Safety™ uit te kunnen schakelen, bijvoorbeeld wanneer bebladerde takken langs de motorkap en voorruit
kunnen schampen.
186
WAARSCHUWING
De lasersensor geeft ook laserlicht af, wanneer u City Safety™ handmatig uitgeschakeld hebt.
RESET
1. Blader met behulp het duimwiel naar City
Safety op het display.
2. Druk de knop RESET 1 seconde lang in om
over te gaan op Uit.
De volgende keer dat de motor wordt gestart
is de functie echter weer actief, ook al stond
het systeem uit toen de motor werd afgezet.
De City Safety™-sensor is erop gebouwd om
auto’s en andere voertuigen vóór u te ontdekken, zowel overdag als ’s nachts.
De sensor kent echter beperkingen en werkt
bijv. minder goed bij hevige sneeuw- of regenval, in dichte mist of in dikke stofwolken of
stuifsneeuw. Condens, vuil, sneeuw en ijs op
de voorruit kunnen voor storingen in de werken
zorgen.
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/wimpels
die uitstekende lading markeren of accessoires
zoals verstralers en frontbars die boven de
motorkap uitsteken.
Het infrarode licht van de City Safety™-sensor
meet de reflectie van het licht. De sensor kan
geen obstakels met een gering reflecterend
vermogen waarnemen. De achterkant van
voertuigen weerkaatst veelal voldoende licht
04 Comfort en rijplezier
City Safety™
dankzij de kentekenplaat en de achterlichtreflectoren.
tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet te
bedienen.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor City
Safety™ minder goed in staat is aanrijdingen
te voorkomen. In dergelijke situaties zullen het
ABS en DSTC voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
•
City Safety™ kan niet worden geactiveerd,
wanneer u achteruitrijdt.
Houd de voorruit in het gebied vóór de
lasersensor vrij van sneeuw, ijs, condens en vuil (zie de afbeelding met de
positie van de sensor op pagina 185).
•
Plak of bevestig geen zaken op de voorruit vóór de lasersensor
•
Haal sneeuw en ijs van de motorkap –
de laag sneeuw en ijs mag niet dikker
zijn dan 5 cm.
City Safety™ wordt niet geactiveerd op lage
snelheden (onder 4 km/h), wat betekent dat het
systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u een
voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens
het parkeren.
De commando’s die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety™ niet
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando’s geeft via stuurwiel, rem- of gaspedaal, zelfs al is een botsing onvermijdelijk.
Nadat City Safety™ een aanrijding met een
stilstaand obstakel heeft voorkomt, blijft de
auto maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de
auto wordt afgeremd wegens een rijdende
voorligger, wordt de snelheid begrensd tot
dezelfde snelheid als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer City
Safety™ de auto tot stilstand heeft gebracht,
N.B.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de lasersensoren is vuil of
bedekt met sneeuw
of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
lasersensor van vuil,
sneeuw en ijs.
Het blikveld van de
lasersensor wordt
gehinderd.
Verwijder het voorwerp dat het zicht
blokkeert.
04
Storingen opsporen en verhelpen
Als de melding Voorruitsensoren afgedekt
op het display van het instrumentenpaneel verschijnt, worden de lasersensoren gehinderd
zodat ze geen voertuigen vóór de auto kunnen
registreren. Dit betekent op zijn beurt dat City
Safety™ niet werkt.
De melding Voorruitsensoren afgedekt verschijnt echter niet in alle situaties waarbij de
sensoren gehinderd worden – let er daarom op
dat u de voorruit en met name het gebied vóór
de lasersensor zorgvuldig schoonhoudt.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en suggesties voor passende maatregelen.
``
187
04 Comfort en rijplezier
City Safety™
BELANGRIJK
Als het voorruitoppervlak vóór een van
beide “ogen” barsten, krassen of steenslagschade vertoont van 0,5 × 3,0 mm (of groter), neem dan contact op met een erkende
werkplaats om de voorruit te laten repareren
of vervangen (zie de afbeelding met de positie van de sensor op pagina 185) – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
04
Als u niets doet, presteert City Safety™
mogelijk minder goed.
Om optimale prestaties van City Safety™ te
garanderen geldt bovendien het volgende:
188
•
monteer bij vervanging van de voorruit
hetzelfde type of een ander type, door
Volvo goedgekeurde voorruit
•
monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander
type, door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
Lasersensor
Symbolen en meldingen op display
De functie City Safety™ maakt gebruik van een
sensor die laserlicht uitzendt. Neem contact op
met een gekwalificeerde werkplaats als de
lasersensor een storing vertoont of nagekeken
moet worden – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Terwijl City Safety™ automatisch remt, kunnen
één of meer symbolen op het instrumentenpaneel gaan branden en meldingen op het bijbehorende display verschijnen.
WAARSCHUWING
Kijk nooit van een afstand van 100 mm of
minder in de lasersensor (waaruit uiteenlopende, onzichtbare laserstralen komen) met
vergrotende optiek zoals een vergrootglas,
microscoop, objectief of soortgelijke optische instrumenten – er bestaat gevaar voor
oogletsel (de afbeelding op pagina 185
geeft de positie van de sensor aan).
Voor meer informatie over de lasersensor, zie
pagina 10.
Meldingen kunt u van het display halen door de
READ-knop op de richtingaanwijzerhendel
kort in te drukken.
04 Comfort en rijplezier
City Safety™
Symbool
Melding
Betekenis/Maatregel
Autom. remmen door City
Safety
City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
Voorruitsensoren afgedekt
De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt.
• Verwijder het voorwerp dat de sensoren hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór de sensoren schoon.
04
Voor meer informatie over de beperkingen van de lasersensoren, zie pagina 186.
City Safety Service vereist
City Safety™ werkt niet.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
–
City Safety AAN/UIT
City Safety™ is handmatig in/uit te schakelen, waarna UIT of AAN kan worden gekozen (zie hoofdstuk
“Aan en Uit”).
–
City Safety niet beschikbaar
Als de melding Niet beschikbaar verschijnt in plaats van de opties Uit of Aan, dan is City Safety™
uitgeschakeld wegens een technische storing.
Voor die tijd heeft de melding City Safety Service vereist op het display gestaan.
189
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning with Auto Brake*
Algemene informatie
Het CWAB (Collision Warning with Auto
Brake) is een hulpmiddel dat bestemd is om u
te waarschuwen wanneer het gevaar bestaat
dat u op een (stilstaande of rijdende) voorligger
botst.
Collision Warning kent drie hulpfuncties.
• Collision Warning – Waarschuwt voor een
naderende botsing.
04
• Brake Support – Helpt u om efficiënt te
remmen in een kritieke situatie.
• Auto Brake – Remt de auto automatisch
af als een botsing onvermijdelijk is. De Auto
Brake is alleen bedoeld om de botssnelheid te verlagen en kan een botsing dan
ook niet voorkomen.
Collision Warning wordt geactiveerd in situaties waar de bestuurder eigenlijk al veel eerder
had moeten remmen, zodat de functie niet
altijd uitkomst biedt.
Collision Warning with Auto Brake is erop
gebouwd om zo laat mogelijk geactiveerd te
worden om onnodige ingrepen te voorkomen.
Gebruik Collision Warning niet om uw rijgedrag
aan te passen – als u er blind op vertrouwt dat
Collision Warning with Auto Brake remt, raakt
u vroeg of laat betrokken bij een botsing.
190
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Collision Warning en City Safety™ vullen elkaar
aan. Voor meer informatie over City Safety™,
zie pagina 185.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de Collision Warning over aan een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
De Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties en verkeers-, weers- of wegomstandigheden. De Collision Warning reageert
niet op tegenliggers noch op voetgangers
en dieren.
Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer de
kans op een botsing groot is. In de onderdeel Functie en de navolgende onderdelen
staat informatie over de beperkingen die u
moet kennen, voordat u de Collision Warning met Auto Brake gebruikt.
De Auto Brake is alleen in staat de botssnelheid te beperken. Voor het maximale
remvermogen dient u echter zelf het rempedaal te bedienen.
Wacht daarom nooit het waarschuwingssignaal van de Collision Warning af. Als
bestuurder bent u ervoor verantwoordelijk
dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt, ook als u gebruik maakt van de Collision Warning.
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning with Auto Brake*
Functie
Support in werking. De Brake Support treft de
nodige voorbereidingen voor een snelle remmanoeuvre waarna de remmen licht worden
aangezet. Dit is te merken aan een lichte schok.
Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid
bedient, wordt het maximale remvermogen
geleverd ook al trapt u het pedaal niet zo ver
in.
Auto Brake
Functie-overzicht.
Visueel waarschuwingssignaal bij gevaar
voor een botsing
Radarsensor
Camerasensor
Collision Warning
De radarsensor registreert (stilstaande of rijdende) voorliggers.
Bij gevaar voor een botsing met een voorligger
wordt u daarop attent gemaakt met behulp van
een rood waarschuwingslampje dat knippert
en een waarschuwingszoemer.
Brake Support
Als het gevaar voor een botsing na de Collision
Warning verder toeneemt, treedt de Brake
Als u niet op de waarschuwing reageert treedt
– als een botsing onvermijdelijk is – de Auto
Brake in werking zonder dat u daarvoor het
rempedaal hoeft te bedienen. De auto wordt
daarbij afgeremd om de botssnelheid te beperken. Voor het maximale remvermogen dient u
zelf bij te remmen.
Bediening
Via een menusysteem op het display van de
middenconsole zijn eventuele instellingen te
verrichten. Voor informatie over het gebruik
van het menusysteem, zie pagina 134.
N.B.
De functies Brake Support en Auto Brake
zijn altijd actief – ze kunnen niet uitgeschakeld worden.
Aan en Uit
Doe het volgende om Collision Warning in- of
uit te schakelen: Maak in het menu
Instellingen van de auto Inst.
botswaarschuwing een keuze uit de opties
Aan en Uit.
Bij het starten van de motor geldt automatisch
de instelling die actief was toen de motor werd
afgezet.
Waarschuwingssignalen activeren/
deactiveren
04
Als bij het starten van de motor blijkt dat u
ervoor gekozen hebt het systeem in te schakelen, wordt het waarschuwingslampje automatisch geactiveerd.
De waarschuwingszoemer is apart te activeren/deactiveren via de opties Aan en Uit in het
menusysteem onder Instellingen van de auto
Inst. botswaarschuwing
Waarschuwingsgeluid.
Waarschuwingsafstand instellen
De waarschuwingsafstand is de afstand waarbij het visuele waarschuwingssignaal en de
waarschuwingszoemer worden afgegeven.
Kies uit de opties Lang, Normaal of Kort in
het menusysteem onder Instellingen van de
auto Inst. botswaarschuwing
Waarschuwingsafstand.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
191
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning with Auto Brake*
De waarschuwingsafstand is bepalend voor de
gevoeligheid van het systeem. Bij de waarschuwingsafstand Lang wordt eerder gewaarschuwd. Ga altijd uit van de instelling Lang,
maar als deze instelling te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u overgaan op
de waarschuwingsafstand Normaal.
04
Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij
dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort.
N.B.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en de
waarschuwingszoemer door de cruisecontrol gehanteerd, ook al hebt u de Collision
Warning gedeactiveerd.
De Collision Warning waarschuwt u bij
gevaar voor een botsing, maar de functie is
niet in staat uw reactietijd te verkorten.
Voor een optimale werking van de Collision
Warning dient u de afstandscontrole altijd in
te stellen op volgtijd 4–5 (zie pagina 182).
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden
afgegeven (bijvoorbeeld als het snelheidsverschil groot is of als uw voorligger sterk
afremt).
Instellingen controleren
U kunt de actuele instellingen controleren op
het display van de middenconsole. Open het
menu en ga naar Instellingen van de auto
Inst. botswaarschuwing, zie pagina 135.
Beperkingen
Collision Warning is actief bij een snelheid
vanaf ca. 7 km/h.
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook
het gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk
als u niet recht vooruit kijkt. Houd de waarschuwingszoemer daarom altijd ingeschakeld.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor het
systeem minder goed in staat is aanrijdingen te
voorkomen. In dergelijke situaties zullen het
ABS en DSTC voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
192
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan
korte tijd buiten werking worden gesteld,
wanneer de temperatuur in het interieur bijvoorbeeld door de felle zon te hoog is opgelopen. Als dit gebeurt, wordt er een waarschuwingszoemer afgegeven ook al hebt u
dit uitgeschakeld via het menusysteem.
•
Waarschuwingen kunnen eveneens uitblijven bij een zeer geringe afstand tot
de voorligger of bij relatief grote stuuren pedaalbewegingen zoals bij een zeer
actieve rijstijl.
WAARSCHUWING
Als de radar- of camerasensor op grond van
de verkeerssituatie of anderszins problemen heeft voorliggers te ontdekken, is het
mogelijk dat het systeem pas laat, onterecht
of helemaal geen waarschuwing geeft en
remt.
Bij hoge rijsnelheden (meer dan 70 km/h) is
het bereik waarbinnen de sensoren langzaam rijdende of stilstaande voorliggers
kunnen registreren beperkt, waardoor er
minder efficiënt of helemaal niet voor dergelijke voertuigen wordt gewaarschuwd.
In het donker wordt er mogelijk niet gewaarschuwd voor langzaam rijdende of stilstaande voorliggers.
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning with Auto Brake*
De Collision Warning maakt gebruik van
dezelfde radarsensor als die van de adaptieve
cruisecontrol. Voor meer informatie over de
radarsensor en de beperkingen ervan, zie
pagina 178.
Wanneer het systeem geen of pas laat waarschuwingen afgeeft, treedt de Brake Support
mogelijk niet of pas laat in werking.
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd
en de signalen als storend ervaart, kunt u de
waarschuwingsafstand verkleinen. Het systeem waarschuwt dan minder snel en minder
vaak.
Collision Warning with Auto Brake kan niet
worden geactiveerd, wanneer u achteruitrijdt.
Collision Warning with Auto Brake wordt niet
geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h),
wat betekent dat het systeem niet ingrijpt in
situaties waarbij uw auto een voorligger uiterst
langzaam nadert zoals tijdens het parkeren.
De commando’s die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat Collision Warning
with Auto Brake niet ingrijpt in situaties waarbij
u duidelijke commando’s geeft via stuurwiel,
rem- of gaspedaal, zelfs al is een botsing
onvermijdelijk.
Nadat Auto Brake een aanrijding met een stilstaand obstakel heeft voorkomt, blijft de auto
maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de auto
wordt afgeremd wegens een rijdende voorligger, wordt de snelheid begrensd tot dezelfde
snelheid als die van de voorligger.
gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of helemaal uitgeschakeld
worden.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer Auto
Brake de auto tot stilstand heeft gebracht, tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet te
bedienen.
Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde of onduidelijke rijstrookmarkeringen
kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen
voor de functies die van de camera gebruik
maken om bijvoorbeeld het wegdek af te tasten
en andere voertuigen te ontdekken.
Beperkingen van de camerasensor
De camerasensor van de auto maakt gebruikt
van de drie hulpfuncties Collision Warning with
Auto Brake, Driver Alert Control, zie
pagina 196, en Lane Departure Warning, zie
pagina 199.
N.B.
Houd de voorruit vóór de camerasensor vrij
van sneeuw, ijs, condens en vuil.
Plak of monteer geen stickers of andere
voorwerpen op de voorruit in het gebied
vóór de camerasensor, omdat één of meer
systemen die gebruik maken van de camera
daardoor mogelijk niet goed of helemaal
niet werken.
De camerasensor kent ongeveer dezelfde
beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in
dat de sensor minder goed “ziet” bij hevige
regen- of sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke omstandigheden kunnen functies die
Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera
de eerste ca. 15 minuten na het starten van de
motor niet om de camerafunctie te ontzien.
04
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding
Voorruitsensoren afgedekt staat, betekent
dit dat de camerasensor afgedekt is en geen
voertuigen of rijstrookmarkeringen vóór de
auto kan ontdekken.
Dit betekent ook dat er beperkingen gelden
voor de functies Collision Warning with Auto
Brake, Lane Departure Warning en Driver Alert
Control.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en passende maatregelen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
193
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning with Auto Brake*
04
Oorzaak
Maatregel
Oorzaak
Maatregel
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de camera
is vuil of bedekt met
sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
camera van vuil,
sneeuw en ijs.
Valt niets aan te
doen. Bij hevige
neerslag werkt de
camera soms niet.
Wacht even. Het kan
enige minuten duren
voordat de camera
het zicht opnieuw
heeft gemeten.
Er is vuil tussen de
binnenkant van de
voorruit en de
camera gekomen.
Bij dichte mist en
hevige regen- of
sneeuwval heeft de
camera een minder
goed zicht.
Het voorruitoppervlak vóór de camera
is schoongemaakt,
maar de melding
blijft.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de
voorruit achter de
camerabehuizing te
laten schoonmaken
– geadviseerd wordt
een erkende Volvowerkplaats.
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
CWS-systeem UIT
Collision Warning is uitgeschakeld.
Verschijnt bij het starten van de motor.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets READ drukt.
CWS-systeem niet
beschikbaar
Het is niet mogelijk Collision Warning te activeren.
Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets READ drukt.
Remassistent geactiveerd
De Auto Brake was actief.
De melding verdwijnt na bediening van de toets READ.
194
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning with Auto Brake*
Symbool
Melding
Betekenis
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
• Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 193.
Radar afgedekt Zie
instructieb.
Collision Warning with Auto Brake werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd
door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
04
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 178.
CWS-systeem Service vereist
Collision Warning with Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
195
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
Algemene informatie over Driver Alert
System
Driver Alert System is bestemd om u te helpen
als de auto op een ongecontroleerde manier
wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden.
Driver Alert System bestaat uit twee hulpfuncties die allebei tegelijk of ieder apart in te schakelen zijn:
04
• Driver Alert Control (DAC)
• Lane Departure Warning (LDW), zie
WAARSCHUWING
Driver Alert System heeft niet in alle situaties
het beoogde effect en is uitsluitend bedoeld
als hulpmiddel.
U als bestuurder bent er altijd verantwoordelijk voor dat de auto op een veilige manier
wordt bestuurd.
Algemene informatie over Driver Alert
Control (DAC)
pagina 199.
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in het
rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie op
de grotere wegen. De functie is niet bedoeld
voor gebruik in het stadsverkeer.
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. In dat
geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd.
Het is daarom van groot belang dat u bij opkomende vermoeidheid de auto op een geschikte
plek parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel of niet heeft
gewaarschuwd.
De functie wordt weer uitgeschakeld zodra de
snelheid onder de 60 km/h daalt.
Beide functies maken gebruik van een camera
die alleen rijstroken met aan weerszijden
geschilderde zijmarkeringen kan onderscheiden.
De functie is bedoeld om de aandacht van de
bestuurder te trekken wanneer de auto op een
ongecontroleerde manier bestuurd wordt
(omdat u bijvoorbeeld afgeleid wordt of bijna in
slaap valt).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Ook de camerasensor kent zijn beperkingen
(zie pagina 193).
Een ingeschakelde functie wordt pas daadwerkelijk geactiveerd bij snelheden hoger dan
65 km/h. Bij lagere snelheden staat de functie
stand-by.
196
Een camera tast de geschilderde rijstrookmarkeringen af en vergelijkt de wegrichting met uw
stuurbewegingen. U wordt gewaarschuwd
wanneer de auto de wegrichting op een ongecontroleerde manier volgt.
N.B.
Gebruik de functie niet om langer achtereen
te kunnen rijden. Plan altijd op gezette tijden
rustpauzes in en zorg dat u uitgerust bent.
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
Beperkingen
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen.
Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
• gebruik van de functie LDW.
• zijdelingse rukwinden.
• spoorvorming in het wegdek.
Bediening
Via het menusysteem op het display van de
middenconsole zijn bepaalde instellingen te
verrichten. Voor informatie over het gebruik
van het menusysteem, zie pagina 134.
De actuele status valt te controleren op het
boordcomputerdisplay met behulp van de linker stuurhendel.
Duimwiel. Draai eraan totdat Driver
Alert op het display verschijnt. Op de
tweede regel staan de opties Uit, Niet
beschikbaar of Niveaumarkering.
READ bevestigt en wist een opgeslagen
waarschuwing.
Driver Alert Control activeren
Ga in het menusysteem van het display op de
middenconsole naar Instellingen van de auto
Driver Alert. Kies de optie Aan.
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing altijd serieus,
omdat u bij slaperigheid uw lichamelijke
conditie vaak minder goed kunt inschatten.
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand om rust te houden.
Studies hebben aangetoond dat rijden bij
vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als rijden onder invloed.
04
De functie wordt geactiveerd bij een
snelheid hoger dan 65 km/h en blijft
actief, zolang de snelheid boven
60 km/h ligt.
Op het display staat een niveaumarkering in de
vorm van 1–5 balkjes, waarbij een klein aantal
balkjes voor ongecontroleerd rijgedrag staat.
Omgekeerd geldt dat een groot aantal balkjes
voor stabiel rijgedrag staat.
Als de auto zwalkneigingen vertoont wordt u
gewaarschuwd met een zoemersignaal en de
displaymelding Driver Alert Tijd voor pauze.
Als u uw rijgedrag niet corrigeert wordt enige
tijd later opnieuw gewaarschuwd.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
197
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Driver Alert UIT
De functie is niet ingeschakeld.
Driver Alert niet beschikbaar
De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor
meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 193.
Driver Alert
De functie analyseert uw rijstijl.
Het aantal balkjes varieert van 1 tot 5, waarbij een klein aantal balkjes voor ongecontroleerd rijgedrag
staat. Omgekeerd geldt dat een groot aantal balkjes voor stabiel rijgedrag staat.
04
Driver Alert Tijd voor pauze
De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
• Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 193.
Driver Alert Sys Service
vereist
Het systeem is defect.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
198
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – (LDW)*
Algemene informatie over Lane
Departure Warning (LDW)
Bediening en functie
Als de camera de rijstrookmarkeringen op het
wegdek niet langer registreert of als de rijsnelheid tot onder de 60 km/h daalt, neemt de
functie de stand-bystand weer in en verschijnt
opnieuw de melding Lane Depart Warn niet
beschikbaar.
Als de auto zonder duidelijke reden de linker of
rechter rijstrookmarkering overschrijdt wordt u
gewaarschuwd met een zoemersignaal.
In de volgende situaties wordt echter niet
gewaarschuwd:
De functie is bedoeld om het gevaar te beperken voor eenzijdige ongelukken, waarbij de
auto bijvoorbeeld de rijstrook verlaat en in de
wegberm of op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer dreigt terecht te komen.
LDW maakt gebruik van een camera die de
geschilderde rijstrookmarkeringen aftast. U
wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal,
als de auto een rijstrookmarkering overschrijdt.
1
U schakelt de functie in en uit met de bijbehorende schakelaar op de middenconsole. Het
lampje in de schakelaar brandt wanneer de
functie ingeschakeld is.
Wanneer de functie stand-by staat, verschijnt
op het boordcomputerdisplay de melding
Lane Depart Warn niet beschikbaar.
Vanuit de stand-bystand wordt de functie LDW
automatisch geactiveerd, zodra de camera de
rijstrookmarkeringen heeft geregistreerd en de
rijsnelheid is opgelopen tot boven 65 km/h. Op
het boordcomputerdisplay staat in dat geval de
melding Lane Depart Warn beschikbaar.
•
•
•
•
•
04
Bij gebruik van de richtingaanwijzers
Bij bediening van het rempedaal1
Bij snelle bediening van het gaspedaal1
Bij snelle stuurbewegingen1
Bij dusdanig scherpe bochten dat de auto
overhelt.
Ook de camerasensor kent zijn beperkingen.
Voor meer informatie (zie pagina 193).
N.B.
Iedere keer dat de wielen een markeringsstreep passeren wordt er slechts eenmaal
gewaarschuwd. Er wordt dan ook niet meer
gewaarschuwd, wanneer u met één wiel aan
weerszijden zijden van de rijstrookmarkering blijft rijden.
Wanneer gekozen is voor Verhoogde gevoeligheid wordt echter wel een waarschuwing gegeven, zie pagina 201.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
199
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – (LDW)*
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Lane departure warning
AAN/UIT
De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld.
Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
De melding verdwijnt automatisch na 5 seconden.
Lane Depart Warn niet
beschikbaar
De snelheid is lager dan 60 km/h, de weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de
camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor,
zie pagina 193.
Lane Depart Warn
beschikbaar
De functie tast de rijstrookmarkeringen af.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
04
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
• Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 193.
Driver Alert Sys Service
vereist
Het systeem is defect.
• Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
200
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – (LDW)*
Persoonlijke instellingen
Gebruik het menusysteem van het display op
de middenconsole om naar Instellingen van
de auto Lane departure warning te gaan,
zie pagina 135.
Kies uit de opties:
Aan bij starten – Wanneer u voor deze optie
kiest, staat de functie iedere keer dat u de
motor staat stand-by. Anders is de functiestatus bij het afzetten van de motor bepalend.
04
Verhoogde gevoeligheid – Wanneer u voor
deze optie kiest verhoogt u de gevoeligheid
van het systeem, zodat er eerder wordt
gewaarschuwd en minder beperkingen gelden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
201
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
Algemene informatie
Functie
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het beeldscherm van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
1
Active
2
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
Active
• Park Assist aan de achterzijde
• Park Assist aan de voor- en achterzijde.
3
WAARSCHUWING
04
•
Hoewel de Park Assist handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij eventuele fouten.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de sensoren zitten, zal het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Houd mensen, dieren e.d. in de buurt
van de auto daarom in de gaten.
Active
Displayweergave in verschillende situaties.
Bij het starten van de motor wordt het systeem
automatisch geactiveerd wat wordt aangegeven door het brandende lampje in de Aan/Uitknop. Wanneer u Park Assist met deze knop
uitschakelt, dooft het lampje.
Displayweergave bij een auto met alleen
sensoren aan de achterzijde – beide sensoren aan de rechterzijde hebben een
obstakel waargenomen.
Displayweergave bij een auto met sensoren aan voor- en achterzijde – de sensor
rechtsvoor heeft een obstakel waargenomen op een afstand van 30 cm of minder.
Displayweergave bij een auto met sensoren aan voor- en achterzijde – er zijn geen
obstakels voor of achter de auto waargenomen.
Op het beeldscherm van de middenconsole
verschijnt een schematische weergave van de
onderlinge posities van de auto en een eventueel obstakel.
202
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
De gemarkeerde sector(en) geeft/geven aan
welke van de vier sensoren een obstakel heeft/
hebben waargenomen. De gemarkeerde sector ligt dichter bij het autosymbool, naarmate
de afstand tussen de auto en het waargenomen obstakel kleiner is.
Park Assist aan de achterzijde
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
een andere geluidsbron van het audiosysteem
beluistert, wordt het volume daarvan tijdelijk
verlaagd.
Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is het
balkje van de gemarkeerde sensor geheel
gevuld (zie afbeelding (2)). Als er zowel voor als
achter de auto obstakels binnen deze afstand
zijn waargenomen, komen de geluidssignalen
beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en
rechterzijde.
N.B.
De Hulp bij parkeren wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter de auto hebt hangen die met originele
trekhaakbedrading van Volvo aangesloten
is.
Park Assist aan de voorzijde
04
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. Bij obstakels achter de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers
achterin.
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager op
de trekhaak moet u het systeem uitschakelen
– anders reageren de sensoren op de aanhanger of fietsdrager.
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. Bij obstakels voor de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers
voorin.
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snelheden tot 15 km/h. Het lampje in de knop
brandt om aan te geven dat het systeem actief
is. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij
snelheden lager dan 10 km/h.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
203
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
N.B.
Sensoren schoonmaken
N.B.
Park Assist aan de voorzijde wordt gedeactiveerd, wanneer u de parkeerrem zet of de
keuzehendel in stand P zet bij een auto met
automatische versnellingsbak.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
BELANGRIJK
G031402
04
Bij auto’s met verstralers erop letten dat de
lampen de sensoren niet blokkeren en voor
obstakels worden gehouden.
Aanduiding voor systeemstoringen
Positie van de voorste sensoren.
Als het informatiesymbool continu
brandt en op het informatiedisplay de
melding Park Assist Service vereist verschijnt, dan is Park Assist defect.
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan de parkeerhulp ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door externe
geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van dezelfde frequentie als de sensoren van het systeem.
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen e.d.
204
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Positie van de achterste sensoren.
De sensoren werken alleen naar behoren, wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water
en autoshampoo.
04 Comfort en rijplezier
Park Assist-camera*
Algemene informatie
De Park Assist-camera is een hulpsysteem dat
automatisch geactiveerd wordt bij het inschakelen van de achteruitversnelling (de functie is
te wijzigen in het instellingenmenu, zie
pagina 135).
De cameraweergave verschijnt op het beeldscherm van de middenconsole.
WAARSCHUWING
•
De parkeercamera is alleen bedoeld als
hulpmiddel en zodat de bestuurder
eindverantwoordelijk blijft tijdens het
achteruitrijden.
•
De camera kent dode hoeken waarin
registratie van obstakels niet mogelijk
is.
•
Houd mensen en dieren in de buurt van
de auto in de gaten.
De camera toont wat er achter de auto is en of
er iets of iemand van de zijkanten opduikt.
De camera beslaat een breed gebied achter de
auto alsook een deel van de bumper en een
eventuele trekhaak.
Voorwerpen op het beeldschermen lijken
mogelijk over te hellen – dit is volkomen normaal.
N.B.
Voorwerpen op het beeldscherm kunnen
dichterbij zijn dan ze lijken.
(Road and Traffic Information System) met
gps-navigatie.
Als een andere schermweergave actief is,
neemt de parkeercamerafunctie het scherm
automatisch over om de cameraweergave te
tonen.
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
wordt met behulp van ononderbroken lijnen
grafisch aangegeven waar de achterwielen van
de auto uitkomen bij de huidige stuuruitslag –
dit vereenvoudigt het achteruit inparkeren,
achteruitrijden in nauwe ruimten en aankoppelen van aanhangers. Twee onderbroken lijnen
illustreren bij benadering de buitenmaten van
de auto – de hulplijnen zijn uit te schakelen in
het instellingenmenu.
Als de auto tevens uitgerust is met Park Assistsensoren*, illustreren gekleurde velden op grafische wijze de afstand tot geregistreerde
obstakels, zie pagina 207.
De camera wordt ca. 5 seconden nadat uitschakeling van de achteruitversnelling
gedeactiveerd of eerder als de rijsnelheid
oploopt tot boven 10 km/h.
De Park Assist-camera is alleen te monteren in
auto’s met een origineel Volvo RTI-systeem*
04
Camerapositie bij de openingshandgreep.
Lichtomstandigheden
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit kan ertoe leiden dat de beeldweergave
ietwat kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit
betreft. Slechte lichtomstandigheden leveren
mogelijk een iets slechtere beeldkwaliteit op.
N.B.
Houd voor optimale werking de cameralenzen vrij van vuil, sneeuw en ijs. Dit is met
name van belang in slechte lichtomstandigheden.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
205
04 Comfort en rijplezier
Park Assist-camera*
Hulplijnen
04
Voorbeeld van hoe hulplijnen voor de bestuurder
getoond worden.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd
als stonden ze op de grond achter de auto. De
lijnen zijn bovendien afhankelijk van de stuuruitslag, zodat u ook bij het draaien kunt zien
welke baan de auto zal nemen.
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de lijnen op het
scherm de baan van de auto aan – niet
die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen lijnen op het
scherm, wanneer er een aanhanger/
caravan is aangesloten op het elektrische systeem van de auto.
•
De Park Assist-camera wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een
aanhanger/caravan achter de auto hebt
hangen die met originele trekhaakbedrading van Volvo aangesloten is.
BELANGRIJK
Let erop dat de schermweergave alleen het
gebied recht achter de auto weergeeft –
houd de zijkanten en de voorkant van de
auto daarom goed in de gaten wanneer u
tijdens het achteruitrijden aan het stuurwiel
draait.
Grenslijnen
Lijnen van het systeem.
Grenslijn 30cm-zone achter auto
Grenslijn vrije achteruitrijzone
“Wielsporen”
De ononderbroken lijn (1) grenst een gebied af
dat minder dan ca. 30 cm verwijderd is van de
achterbumper.
De onderbroken lijn (2) grenst een zone af die
tot ca. 1,5 m achter de achterbumper strekt.
Het vormt tegelijkertijd de grens voor de uitstekende delen van de auto, zoals buitenspiegels en hoeken – ook tijdens het maken van
een bocht.
De brede “wielsporen” (3) tussen de zijlijnen
geven aan waar de wielen zich zullen bevinden
en kunnen tot ca. 3,2 m achter de achterbum-
206
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Park Assist-camera*
per reiken zolang er geen obstakel in de weg
staat.
Auto’s uitgerust met Park Assistsensoren*
Instellingen
Druk voor het instellen van het systeem op
MENU en ga naar Hoofdmenu Instellingen
van de auto Instellingen parkeercam..
Overig
Beperkingen
N.B.
Fietsdragers of andere accessoires achter
op de auto kunnen het blikveld van de
camera blokkeren.
• Aankoppelen van een aanhanger/caravan
– met een druk op CAM is inzoomen op de
trekhaak mogelijk.
• Wissel tussen de normale en ingezoomde
weergave door te draaien aan TUNE of te
drukken op CAM. Draai aan TUNE als er
meerdere camera’s gemonteerd zijn.
• Als er meerdere camera’s* op de auto
De afstand wordt aangegeven met gekleurde
velden (4 st., voor elke sensor één).
Als de auto ook is uitgerust met Park Assistsensoren (zie pagina 202), kan de afstand
nauwkeuriger worden weergegeven en geven
gekleurde velden aan welke van de 4 sensoren
een obstakel registreert/registreren.
De kleur van de velden verandert naarmate de
afstand tot het obstakel afneemt – van geel via
oranje in rood.
• GEEL: Meer dan 1,5 m
• ORANJE: 0,3–1,5 m
• ROOD: Minder dan 0,3 m
gemonteerd zijn, kan er van camera gewisseld worden door aan TUNE te draaien,
meerdere malen op CAM te drukken of
gebruik te maken van de toetsenset op de
middenconsole.
• Druk wanneer er een camera actief is op
Ook als de geblokkeerde gebied er op het
scherm relatief klein uitziet, kan het werkelijke
verborgen gebied dusdanig groot zijn dat
obstakels pas worden geregistreerd wanneer u
er bijna bovenop zit.
04
Waar u op moet letten
• Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw
en ijs.
• Maak de cameralens regelmatig schoon
met lauw water en autoshampoo – wees
voorzichtig om geen krassen in de lens te
maken.
OK/MENU om het menu met instellingen
te openen.
• De camera is uit te schakelen door lang op
CAM te drukken. Bij een korte druk op
CAM wordt de camera weer geactiveerd.
De standaardinstelling is dat de camera
wordt geactiveerd bij het inschakelen van
de achteruitversnelling.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
207
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
Algemene informatie over BLIS
WAARSCHUWING
Het systeem vormt een aanvulling op – geen
vervanging voor – een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige
manier van rijstrook wordt gewisseld.
G031404
04
BLIS-camera
Controlelampje
BLIS-symbool
BLIS is een op cameratechniek gebaseerd
informatiesysteem dat de bestuurder in
bepaalde omstandigheden waarschuwt, wanneer er zich een voertuig in de zogeheten dode
hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Dode hoeken
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
Wanneer een camera (1) een voertuig heeft
waargenomen in de dode hoek, licht een controlelampje (2) op dat continu blijft branden.
N.B.
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden.
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een melding op het display van het informatiepaneel.
Controleer de cameralenzen in dat geval en
maak ze zo nodig schoon.
208
U kunt het systeem zo nodig tijdelijk uitschakelen, zie het onderdeel Activeren/deactiveren.
Afstand A = ca. 9,5 m en afstand B = ca. 3 m
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
Activeren/deactiveren
nen. (Voor een beschrijving van de meldingsfuncties, zie pagina 138.)
Wanneer BLIS werkt
Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Inhalen
Het systeem reageert als:
• het snelheidsverschil tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is dan 10 km/h
• het snelheidsverschil tussen u en het inhaKnop voor activering/deactivering.
BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
Na het starten van de motor is het systeem te
deactiveren/heractiveren door op de knop
BLIS te drukken.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het BLIS
gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien
een displaymelding op het instrumentenpaneel.
Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje
in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes in de
portieren driemaal op. Druk op de knop
READ om de displaymelding te laten verdwij-
lende voertuig kleiner is dan 70 km/h.
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een voertuig de koplampen niet heeft ontstoken, zal het
systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger achter
een auto of vrachtwagen, omdat daar geen
brandende koplampen op zitten.
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
04
De BLIS-camera’s kennen ongeveer
dezelfde beperkingen als het menselijk oog.
Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval, fel tegenlicht of
dichte mist.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan het
zicht ontnemen op andere voertuigen op
aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
Daglicht en donker
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van
de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een
vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig
schoon om krassen te voorkomen.
BELANGRIJK
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
209
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
Displaymeldingen
04
Melding
Betekenis
BLIS AAN
BLIS-systeem geactiveerd.
BLIS Service vereist
BLIS werkt niet –
neem contact op
met een werkplaats.
BLIS-camera
afgedekt
De BLIS-camera is
bedekt met vuil,
sneeuw of ijs – maak
de lenzen schoon.
Melding
Betekenis
BLIS Beperkte
functie
Beperkte gegevensoverdracht tussen
de camera van het
BLIS en het elektrische systeem van
de auto.
De camera wordt
automatisch gereset, wanneer de
gegevensoverdracht tussen de
camera van het BLIS
en het elektrische
systeem van de auto
weer normaal wordt.
BLIS UIT
BLIS-systeem uitgeschakeld.
Beperkingen
Soms kan het controlelampje voor BLIS oplichten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken
kunt waarnemen.
N.B.
Als het controlelampje voor BLIS soms
oplicht zonder dat u andere voertuigen in de
dode hoeken kunt waarnemen, betekent dit
niet dat het systeem een storing vertoont.
Bij een storing in het BLIS-systeem verschijnt op het display de melding BLIS
Service vereist.
Hier volgen enkele afbeeldingen van situaties
waarin het controlelampje voor BLIS kan gaan
branden, hoewel er zich geen voertuigen in de
dode hoek bevinden.
BELANGRIJK
Laat reparaties van de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Reflecties op een glad en nat wegdek.
210
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen.
04
Laag staande zon in de camera.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
211
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergmogelijkheden
G031433
04
212
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergvak in portierpaneel
Middenconsole
Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje
Opbergvakken, bekerhouder
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken.
Dashboardkastje
Kledinghaak
Bekerhouder* in armsteun, achterbank
04
Opbergvak
Kledinghaak
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
WAARSCHUWING
Bewaar losse voorwerpen, zoals mobiele
telefoon, camera, afstandsbediening voor
extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje
of andere opbergruimten. Bij krachtig
afremmen of een botsing kunnen deze
anders inzittenden verwonden.
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd’s) en
USB*/AUX-ingang onder de armsteun.
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder
en een voorpassagier. (Als u voor een
asbak en aansteker hebt gekozen, zit er
een aansteker op de plaats van de 12Vaansluiting voorin, zie pagina 214, en een
uitneembare asbak in de bekerhouder.)
Bewaar geen parkeergeld, sleutels en soortgelijke metalen voorwerpen in de bekerhouder,
omdat dergelijke voorwerpen ertoe kunnen leiden dat het alarm* ten onrechte afgaat, zie
pagina 65.
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje en
eventuele kaarten opbergen. Aan de binnenkant van de klep zit een houder voor pennen.
Het dashboardkastje kan worden vergrendeld
met behulp van het sleutelblad, zie pagina 52.
Aansteker en asbak*
De asbak in de middenconsole is te verwijderen door deze recht omhoog te tillen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
213
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Vloermatten*
12V-aansluiting
foon of koelbox. De transpondersleutel moet
ten minste in sleutelstand I staan, anders geeft
de aansluiting geen stroom, zie pagina 78.
Volvo biedt vloermatten die speciaal vervaardigd zijn.
BELANGRIJK
WAARSCHUWING
U kunt maximaal 10 A (120 W) via de aansluiting afnemen bij gebruik van één aansluiting tegelijk. Bij gelijktijdig gebruik van
de beide aansluitingen geldt een waarde
van 7,5 A (90 W) per aansluiting.
Zorg dat de vloermat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat de mat
kan gaan glijden en achter of onder de
pedalen blijft haken.
G031435
04
Make-upspiegel
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
12V-aansluiting, voorin.
Elektrische aansluiting in bagageruimte*
G021440
G021438
Voor meer informatie, zie pagina 238.
Make-upspiegel met verlichting.
De verlichting van de make-upspiegel (aan
zowel de bestuurderszijde* als de passagierszijde) wordt bij het openen en sluiten van het
klepje in- en uitgeschakeld.
214
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
12V-aansluiting in middenconsole, achterin.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals een mobiele tele-
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
Algemene informatie
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats of www.volvocars.com te
bezoeken voor informatie over compatibele
telefoons.
Telefoonfuncties, overzicht
bedieningselementen
EXIT - Telefoongesprekken beëindigen/
weigeren, ingevoerde tekens wissen,
actieve functie annuleren. De toetsenset
op het stuurwiel biedt dezelfde functie.
ENTER – Gesprek aannemen. Met een
druk op de toets ziet u de laatst gekozen
nummers. De toetsenset op het stuurwiel
biedt dezelfde functie.
Beknopte bedieningsinstructies
04
U regelt de menufuncties vanaf de middenconsole of via de toetsenset op het stuurwiel. Voor
algemene informatie over de menufuncties, zie
pagina 134.
Systeemoverzicht.
Mobiele telefoon
Microfoon
N.B.
Toetsenset op stuurwiel
Als de auto is uitgerust met zowel
BluetoothTM-handsfree als een geïntegreerde telefoon, bevat het telefoonmenu
een extra menu (voor het wisselen van telefoon), zie pagina 135.
Middenconsole
BluetoothTM
Een mobiele telefoon met BluetoothTM is
draadloos aan te sluiten op het audiosysteem.
Het audiosysteem werkt dan als handsfree en
biedt u de mogelijkheid om enkele functies van
uw mobiele telefoon op afstand te bedienen. U
kunt de mobiele telefoon via de knoppen op de
telefoon bedienen of de telefoon nu aangesloten is of niet.
Navigatietoets
Bedieningspaneel op middenconsole.
VOLUME – De toetsenset op het stuurwiel
biedt dezelfde functie.
Cijfer- en lettertoetsen
PHONE – Aan/uit en stand-by
Activeren/deactiveren
Wanneer u kort op PHONE drukt, activeert u
de handsfree-functie. De melding
TELEFOON boven aan het display geeft aan
dat het systeem in de telefoonstand staat. Het
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
215
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
symbool
geeft aan dat de handsfreefunctie actief is.
Wanneer u PHONE lang indrukt, deactiveert u
de handsfree-functie en koppelt u een aangesloten telefoon los.
Mobiele telefoon aansluiten
04
Hoe u een mobiele telefoon aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde mobiele telefoon al
dan niet eerder aangesloten was. Als het de
eerste keer is dat u de mobiele telefoon aansluit, dan moet u een van de onderstaande
instructies kiezen:
Alternatief 1 – via het menusysteem van de
auto
1. Maak de mobiele telefoon identificeerbaar/
zichtbaar via BluetoothTM (zie daarvoor de
gebruiksaanwijzing bij de mobiele telefoon
of www.volvocars.com).
2. Activeer de handsfree-functie met
PHONE.
> De menu-optie Telefoon toevoegen
verschijnt op het display. Als u al eerder
een of meer mobiele telefoons hebt
geregistreerd, worden ook deze weergegeven.
3. Kies Telefoon toevoegen.
> Het audiosysteem zoekt naar mobiele
telefoons in de nabije omgeving. Er
wordt ongeveer 30 seconden gezocht.
De gevonden mobiele telefoons verschijnen met hun BluetoothTM-naam op
het display. De handsfree-functie verschijnt onder de BluetoothTM-naam My
Car op de mobiele telefoon.
4. Kies een van de mobiele telefoons op het
display van het audiosysteem.
5. Voer via het toetsenblok van de te registreren mobiele telefoon de cijfercode in die
op het display van het audiosysteem staat.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wanneer er een aansluiting tot stand gebracht
en de
is, verschijnen het symbool
BluetoothTM-naam op het display. U kunt de
mobiele telefoon vervolgens bedienen via het
audiosysteem.
Bellen
Alternatief 2 – via het menusysteem van de
telefoon
1. Controleer of de melding TELEFOON
boven aan het display staat en of het symzichtbaar is.
bool
1. Activeer de handsfree-functie met
PHONE. Schakel een eventueel eerder
aangesloten telefoon uit.
2. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek, zie pagina 218.
2. Zoek met de BluetoothTM-functie van de
mobiele telefoon (zie gebruiksaanwijzing
bij de mobiele telefoon).
U beëindigt het gesprek met EXIT.
3. Kies My Car in de lijst met gevonden eenheden op uw mobiele telefoon.
4. Voer de pincode ‘1234’ in op uw mobiele
telefoon, als er om de pincode wordt
gevraagd.
5. Kies voor aansluiting op My Car vanaf de
mobiele telefoon.
216
De mobiele telefoon wordt vervolgens geregistreerd en automatisch aangesloten op het
audiosysteem, terwijl de melding Bezig met
synchr. op het display staat. Voor meer informatie over het registreren van mobiele telefoons, zie pagina 218.
3. Druk op ENTER.
Mobiele telefoon uitschakelen
De mobiele telefoon wordt automatisch losgekoppeld, als de telefoon buiten het bereik van
het audiosysteem komt. Voor meer informatie
over de aansluiting, zie pagina 218.
U kunt een aansluiting handmatig verbreken
wanneer u de handsfree-functie deactiveert
door PHONE lang in te drukken. De handsfree-
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
functie wordt eveneens gedeactiveerd bij het
afzetten van de motor of het openen van een
portier1.
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld,
kunt u een eventueel lopend gesprek voortzetten via de ingebouwde microfoon en luidspreker van de mobiele telefoon.
Menu tijdens gesprek
Audio-instellingen
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om toegang te krijgen tot de volgende
functies:
Tel.-gespreksvol.
• Microfoon dempen – Microfoon van het
audiosysteem uitschakelen.
• Gesprek naar mobiel – Gesprek doorschakelen naar de mobiele telefoon.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons moet u om
over te schakelen van de handsfree op de
handset eerst ter bevestiging op het toetsenblok van de mobiel drukken.
Gespreksfuncties
Inkomend gesprek
U neemt een gesprek aan met ENTER, ook al
staat het audiosysteem in bijvoorbeeld de
stand CD of FM. Met EXIT kunt u een gesprek
weigeren of beëindigen.
Automatisch antwoord
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beantwoorden.
1
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de
aansluiting verbroken bij gebruik van de
ruggespraakfunctie (dempen). Dit is volkomen normaal. De handsfree-functie stelt
vervolgens de vraag of u opnieuw wilt aansluiten.
• Telefoonboek – In het telefoonboek van
de mobiele telefoon zoeken.
U kunt het gespreksvolume bijregelen wanneer
de handsfree-functie in de telefoonstand staat.
Maak gebruik van de toetsenset op het stuurwiel of van VOLUME.
Volume audiosysteem
Zolang er geen telefoongesprek wordt
gevoerd, kunt u het volume van het audiosysteem op de gebruikelijke wijze bijregelen met
VOLUME. Om het volume van het audiosysteem echter tijdens een lopend telefoongesprek bij te regelen moet u eerst overschakelen
op een van de geluidsbronnen.
04
Het is mogelijk de weergave van de actieve
geluidsbron te onderdrukken bij inkomende
telefoongesprekken onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Radio dempen.
N.B.
Tijdens een lopend gesprek is het niet
mogelijk een tweede gesprek te beginnen.
Beltoonvolume
Ga naar Telefooninstellingen Geluiden en
volume Beltoonvolume en stel bij met
/
van de navigatietoets.
Activeer/deactiveer de functie onder
Gespreksopties Automatisch
antwoord.
Alleen Keyless drive.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
217
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
Belsignalen
Automatische aansluiting
U kunt een van de ingebouwde beltonen van
de handsfree-functie kiezen onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Belsignalen Belsignaal 1 enz.
Wanneer de handsfree-functie actief is en de
laatst aangesloten mobiele telefoon binnen het
bereik ligt, wordt deze telefoon automatisch
opnieuw aangesloten. Terwijl het audiosysteem op zoek is naar de laatst aangesloten
telefoon staat de naam van deze telefoon op
het display. Druk op EXIT om handmatig een
andere telefoon aan te sluiten.
N.B.
Ook bij gebruik van een van de ingebouwde
beltonen van het handsfree-systeem, zijn de
beltonen van de aangesloten mobiele telefoon nog altijd hoorbaar.
04
Ga om de beltonen2 van de aangesloten telefoon te gebruiken naar Telefooninstellingen
Geluiden en volume Belsignalen
Gebruik signaal mob. tel..
Meer informatie over registratie en
aansluiting
Er kunnen maximaal vijf mobiele telefoons worden geregistreerd. U hoeft een mobiele telefoon slechts eenmaal te registreren. Wanneer
een mobiele telefoon eenmaal geregistreerd is,
hoeft deze niet langer zichtbaar/identificeerbaar te zijn. U kunt slechts één mobiele telefoon tegelijk aansluiten. Het is mogelijk de registratie van een telefoon te verwijderen onder
Bluetooth Telefoon verwijderen.
2
218
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Hoofdmenu Bluetooth Bluetooth
Telefoon aansluiten of Hoofdmenu
Bluetooth Bluetooth Telefoon
wijzigen Telefoon toevoegen.
• Bij auto’s met geïntegreerde telefoon en
BluetoothTM-handsfree vindt de aansluiting plaats onder Hoofdmenu Bluetooth
Bluetooth Telefoon aansluiten of
Hoofdmenu Bluetooth Telefoon
wijzigen Telefoon toevoegen.
Handmatige aansluiting
Ga als volgt te werk, als u in plaats van de laatst
aangesloten mobiele telefoon een nieuwe
mobiele telefoon wilt aansluiten of wilt overschakelen op een andere eerder aangesloten
mobiele telefoon:
1. Zet het audiosysteem in de telefoonstand.
2. Druk op PHONE en kies een van de telefoons in de lijst.
Aansluiting is ook mogelijk via het menusysteem.
Welke van de twee mogelijke versies van het
menusysteem er op uw auto zit, hangt af van
de vraag of de auto alleen voorzien is van
BluetoothTM-handsfree of ook een geïntegreerde telefoon.
• Bij auto’s met alleen BluetoothTM-handsfree vindt de aansluiting plaats onder
Telefoonboek
Voor alle telefoonboekfuncties geldt dat de
melding TELEFOON boven aan het display
zichtbaar
moet staan en dat het symbool
moet zijn.
Het audiosysteem slaat van elk van de geregistreerde mobiele telefoons een kopie van het
telefoonboek op. Het telefoonboek wordt bij
iedere aansluiting automatisch naar het audiosysteem gekopieerd.
U kunt de functie deactiveren onder
Telefooninstellingen Telefoonboek
synchr.. Bij het zoeken van contactpersonen werkt u alleen met het telefoonboek
van de aangesloten mobiele telefoon.
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
N.B.
Als de mobiele telefoon geen ondersteuning
biedt voor het kopiëren van het telefoonboek, verschijnt na afloop van het kopiëren
de melding Lijst is leeg.
Spraakherkenning
U kunt gebruik maken van de spraakherkenningsfunctie (voice tags) van de mobiele telefoon door ENTER ingedrukt te houden.
N.B.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het display.
Contactpersonen zoeken
U kunt het eenvoudigst naar bepaalde gegevens in het telefoonboek zoeken door de knoppen 2–9 lang in te drukken. Het telefoonboek
wordt dan doorzocht op posten die beginnen
met de eerste letter van de ingedrukte toets.
Het telefoonboek is eveneens te bereiken met
/
van de navigatietoets of met
/
van de toetsenset op het stuurwiel. U een zoekopdracht tevens starten vanuit het zoekmenu
van het telefoonboek onder Telefoonboek
Zoeken:
1. Voer de eerste letter in van het contact dat
u zoekt en druk op ENTER of druk meteen
op ENTER.
2. Ga naar het contact van uw keuze en druk
op ENTER om het bijbehorende nummer
te bellen.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de spraakherkenningsfunctie. Volvo adviseert u contact op te nemen
met een erkende Volvo-dealer of
www.volvocars.com te bezoeken voor
informatie over compatibele telefoons.
Voicemail-nummer
U kunt het voicemail-nummer wijzigen onder
Gespreksopties Voicemail-nummer. Als
er nog geen nummer opgeslagen is, kunt u het
bijbehorende menu openen door lang op 1 te
drukken. Druk vervolgens lang op 1 om het
ingevoerde nummer te gebruiken.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de lijst
met gebelde nummers in omgekeerde volgorde weergegeven.
Tekst invoeren
Met de toetsenset op de middenconsole kunt
u tekst invoeren. Druk eenmaal om het eerste
teken op de toets in te voeren, tweemaal om
het tweede teken in te voeren enz. (zie navolgende tabel).
04
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens. Gebruik
/
van de navigatietoets om de verschillende tekens te doorlopen.
Toets
Functie
Spatie . 1 - ? ! , : " ' ( )
Gesprekslijsten
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar de handsfree-functie gekopieerd en worden vervolgens tijdens de aansluiting bijgehouden. Druk op ENTER om de laatst
gebelde nummers te bekijken. De overige
gesprekslijsten staan onder Oproepregister.
ABC2ÄÅÀÆÇ
DEF3ÈÉ
GHI4Ì
JKL5
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
219
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
Toets
Functie
MNO6ÑÖÒØ
PQRS7ß
TUV8ÜÙ
WXYZ9
04
Kort indrukken om twee tekens
op dezelfde toets na elkaar in te
voeren.
+0@*#&$£/%
Wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters
220
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Algemene informatie
Beknopte bedieningsinstructies
Simkaart
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart
(Subscriber Identity Module). Voor het aanbrengen ervan, zie pagina 224. Ook zonder
een simkaart is het mogelijk het alarmnummer
te bellen.
N.B.
Systeemoverzicht.
Microfoon
De geïntegreerde telefoon kan geen simkaart van het type 3G lezen. Een gecombineerde simkaart voor 3G én gsm werkt echter wel. Informeer bij uw netwerkprovider of
de simkaart moet worden vervangen.
Simkaartlezer
Toetsenset, zie pagina 153.
Bedieningspaneel
Handset*
Veiligheid
Laat reparatiewerk aan de telefoon over aan
een werkplaats. Geadviseerd wordt contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Schakel de geïntegreerde telefoon uit tijdens
het tanken en in gebieden waar met explosieven wordt gewerkt. Afhankelijk van de rijsnelheid blokkeert IDIS bepaalde functies van het
menusysteem, zie pagina 223.
Menu’s en bedieningselementen
U regelt de menufuncties via het bedieningspaneel (4) en de toetsenset (3) op het stuurwiel.
Voor algemene informatie over de menufuncties, zie pagina 134. Voor informatie over de
bedieningselementen van de telefoon, zie
pagina 215.
N.B.
Als de auto is uitgerust met zowel
BluetoothTM-handsfree als een geïntegreerde telefoon, bevat het telefoonmenu
een extra menu (voor het wisselen van telefoon), zie pagina 135.
Aan/uit
Schakel de telefoon in door kort op PHONE te
drukken. Voer zo nodig de pincode in. Het
geeft aan dat de telefoon ingesymbool
schakeld is. Wanneer dit symbool verschijnt,
kunt u inkomende gesprekken ook aannemen
als het menu CD op het display staat. Om
gebruik te maken van de telefoonmenu’s en te
bellen dient u kort op PHONE te drukken. De
tekst TELEFOON geeft aan dat het telefoonmenu actief is.
04
Schakel de telefoon uit door lang op PHONE
te drukken.
Gespreksfuncties
Bellen
1. Schakel de telefoon in.
2. Druk kort op PHONE, als de tekst
TELEFOON niet op het display staat.
3. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek, zie pagina 222.
4. Druk op ENTER voor handsfree bellen of
neem de handset* op. Duw de handset
omlaag om deze te kunnen opnemen.
Gesprekken beëindigen
Beëindig een gesprek met EXIT of leg de handset* op.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
221
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Inkomend gesprek
Tijdens lopende gesprekken
Ruggespraakstand
Druk op ENTER voor handsfree bellen of neem
de handset* op. Als de handset* bij een inkomend gesprek niet op de houder ligt, dient u
het gesprek aan te nemen met ENTER.
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om het gespreksmenu te openen.
Bij gebruik van de ruggespraakstand wordt de
microfoon gedeactiveerd, zie pagina 221.
Bellen
Beëindig een gesprek met EXIT of leg de handset* op. Weiger een gesprek met EXIT.
Automatisch antwoord
Zie pagina 217.
04
Wisselgesprek
Deze functie maakt het mogelijk om tijdens een
lopend gesprek een nieuw gesprek aan te
nemen. U kunt het nieuwe gesprek op de
gebruikelijke manier aannemen waarbij het
lopende gesprek in de wacht gezet wordt.
Activeer/deactiveer de functie onder
Gespreksopties Wisselgesprek.
Automatisch doorschakelen
Inkomende gesprekken kunnen automatisch
worden doorgeschakeld afhankelijk van het
gesprekstype en de situatie waarin ze zich aandienen.
222
Activeer/deactiveer de functie onder
Gespreksopties Omleidingen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Zet het lopende gesprek in de wacht onder
Wacht.
2. Voer het nummer van de derde partij in of
maak gebruik van de menu-optie
Telefoonboek.
Wissel van gesprekspartner met de menuoptie Verwisselen.
Tel. vergadering
Activeer/deactiveer de microfoon met de
menu-optie Microfoon ingeschakeld/
Microfoon dempen.
Audio-instellingen
Tel.-gespreksvol.
De telefoon maakt gebruik van de luidsprekers
in de voorportieren. U kunt het gespreksvolume bijregelen, wanneer de tekst
TELEFOON boven aan het display staat.
Bij een conferentiegesprek (telefonische vergadering) zijn minstens drie gesprekspartners
betrokken. U kunt tijdens een wisselgesprek
waarbij er een gesprek in de wacht staat een
conferentiegesprek starten. Met de menuoptie Deelnemen start u het conferentiegesprek.
Volume audiosysteem
Bij het afsluiten van een conferentiegesprek
worden alle lopende gesprekken beëindigd.
U kunt het belsignaal wijzigen onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Belsignalen.
Wisselen tussen handset* en handsfree
Maak gebruik van de toetsenset op het
stuurwiel of van VOLUME.
Zie pagina 154.
Signalen en volume
Schakel over van handsfree op de handset*
door de handset op te nemen of voor te kiezen
in het menu.
U kunt de pieptoon bij bericht activeren/deactiveren onder Telefooninstellingen
Geluiden en volume Pieptoon bij bericht.
Schakel van de handset* over op handsfree
door in het menu te kiezen voor Handsfree.
Het beltoonvolume regelt u onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Beltoonvolume. Stel bij met
navigatietoets.
/
van de
Telefoonboek
Contactgegevens kunnen op de simkaart of in
het telefoongeheugen worden vastgelegd.
Contactpersonen vastleggen in
telefoonboek
U kunt alle contactpersonen verwijderen onder
Telefoonboek SIM wissen of Telefoon
wissen.
3. De inhoud van het bericht verschijnt op het
display. Wanneer u nogmaals op ENTER
drukt, verschijnen meer opties.
Kopiëren tussen simkaart en
telefoonboek
Berichten schrijven en verzenden
Ga naar Telefoonboek Alles kopiëren
SIM naar telefoon of Telefoon naar SIM en
druk op ENTER.
1. Ga naar Berichten Nieuw bericht
schrijven en druk op ENTER.
2. Schrijf de tekst en druk op ENTER. Voor
informatie over het invoeren van tekst, zie
pagina 219.
1. Druk op MENU en ga naar Telefoonboek
Nieuwe contactpersoon.
Voicemail-nummer
Zie pagina 219.
3. Ga naar Verzenden en druk op ENTER.
2. Voer een naam in en druk op ENTER. Zie
onder voor informatie over het invoeren
van tekst.
Overige functies en instellingen
4. Voer een telefoonnummer in en druk op
ENTER.
IDIS
Berichtinstellingen
Zie pagina 219.
IDIS (Intelligent Drive Information System) kan
in veeleisende rijsituaties de beltonen van inkomende telefoongesprekken pas na enige vertraging doorgeven of helemaal onderdrukken.
Op die manier kunt u de aandacht bij het verkeer houden.
De berichtinstellingen hoeft u normaal gesproken niet te wijzigen. Uw netwerkprovider kan u
meer informatie verstrekken over deze instellingen. Onder Berichten
Berichtinstellingen hebt u de keuze uit drie
opties:
Contactpersonen zoeken
• SMSC-nummer - Geeft het nummer van
3. Voer een nummer in en druk op ENTER.
4. Ga naar SIM-kaart of
Telefoongeheugen en druk op ENTER.
Tekst invoeren
Zie pagina 219.
IDIS is uit te schakelen onder
Telefooninstellingen IDIS.
Contactpersonen verwijderen
Berichten lezen
U kunt een contactpersoon uit het telefoonboek verwijderen door de naam van de persoon te markeren en op ENTER te drukken. Ga
vervolgens naar Wissen en druk op ENTER.
1. Ga naar Berichten
ENTER.
Lezen en druk op
2. Ga naar het bericht van uw keuze en druk
op ENTER.
04
de berichtencentrale aan die de berichten
moet doorgeven.
• Geldigheidsduur - Geeft aan hoe lang de
berichtencentrale een bericht moet bewaren.
• Type bericht.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
223
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
bewaard met de ingekomen, uitgaande en
gemiste oproepen. U kunt de uitgaande
gesprekken ook bekijken door te drukken op
ENTER. De telefoonnummers op de lijsten zijn
vast te leggen in het telefoonboek.
Gespreksduur
04
De gespreksduur wordt vastgelegd onder
Oproepregister Gespreksduur.
Reset de waarden onder Oproepregister
Gespreksduur Reset timers.
Eigen nummer tonen/verbergen
Het is mogelijk de weergave van uw eigen telefoonnummer tijdelijk te blokkeren onder
Gespreksopties Verzend mijn nummer.
IMEI-nummer
Om de telefoon te kunnen blokkeren moet u het
IMEI-nummer van de telefoon aan uw provider
hebben doorgegeven.
Toets *#06# op uw telefoon in om het nummer op het display te zien. Noteer dit nummer en bewaar het op een veilige plaats.
kiezen onder Telefooninstellingen
Netwerkselectie.
Fabrieksinstellingen herstellen
Code en beveiliging simkaart
Het is mogelijk alle fabrieksinstellingen van de
telefoon te herstellen onder
Telefooninstellingen Reset Telefooninst..
Door een pincode in te stellen voor de simkaart
kunt u voorkomen dat onbevoegden gebruik
kunnen maken van uw simkaart.
Simkaart aanbrengen
U wijzigt de code onder Telefooninstellingen
PIN-code bewerken.
U wijzigt het beveiligingsniveau onder
Telefooninstellingen SIM-beveiliging.
De optie Aan levert het hoogste beveiligingsniveau op. U moet dan iedere keer dat u de
telefoon inschakelt opnieuw de pincode invoeren.
De optie Automatisch is het op een na hoogste beveiligingsniveau. De telefoon onthoudt
de pincode dan en voert deze bij het inschakelen van de telefoon automatisch in. Bij
gebruik van de simkaart in een andere telefoon,
moet de code echter wel handmatig worden
ingevoerd.
G021450
Gesprekslijsten
Onder Oproepregister worden lijsten
De optie Uit staat voor het laagste beveiligingsniveau. De simkaart is dan helemaal zonder code te gebruiken.
U kunt de telefoon automatisch een netwerk
laten kiezen of handmatig een bepaald netwerk
224
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G021451
Netwerkselectie
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Zorg dat de telefoon gedeactiveerd is. Trek
de simkaarthouder uit het dashboardkastje
tevoorschijn.
Plaats de simkaart met het laag metaal
omhoog
in de simkaarthouder en breng
de behuizing van de simkaarthouder
aan. Plaats de simkaarthouder terug.
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
225
Rijadviezen............................................................................................
Tanken..................................................................................................
Brandstof..............................................................................................
Lading vervoeren..................................................................................
Bagageruimte........................................................................................
Rijden met een aanhanger....................................................................
Slepen en bergen..................................................................................
226
228
231
232
236
239
242
249
TIJDENS HET RIJDEN
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen
Algemene informatie
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie.
• Rijd niet met open zijruiten.
• Gebruik geen winterbanden buiten het
winterseizoen.
• Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen.
• Bij een auto met motortype D5 in combinatie met een zestraps handbak geldt normaal de 2e versnelling als wegrijversnelling.
Zie pagina 13 en 316 voor meer informatie en
meer tips.
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden (zoals
op een aflopende helling), omdat daarbij
belangrijke systemen zoals de stuur- en
rembekrachtiging wegvallen.
• Neem geen spullen in de auto mee die u
niet gebruikt – hoe groter de belading, des
te hoger het brandstofverbruik.
05
• Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk
is.
• Rijd in de hoogst mogelijke versnelling,
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid – lagere toeren leveren
een lager brandstofverbruik op.
• Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor
het brandstofverbruik toeneemt – verwijder
lastdagers die u niet gebruikt.
• Laat de motor niet stationair warmdraaien,
maar belast de motor in plaats daarvan zo
snel mogelijk licht – een koude motor verbruikt meer brandstof dan een warme.
228
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij waterpartijen dieper dan 25 cm kan er
water in de transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen
daarbij af, waardoor de genoemde systemen minder lang meegaan.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten – sleep de auto
uit de waterpartij naar een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats. Kans op motorschade.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
• Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en modder.
• Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken – elektrische
storingen zijn anders niet uitgesloten.
Motor, versnellingsbak en koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bij zware belasting op steile hellingen en warm weer, bestaat
het gevaar dat de motor en de aandrijflijn oververhit raken – met name bij het vervoer van een
zware lading.
Voor informatie over oververhitting bij het
gebruik van een aanhanger, zie pagina 243.
• Verwijder verstralers die voor de grille zitten tijdens ritten bij warm weer.
• Als de temperatuur in het koelsysteem van
de motor te hoog oploopt, gaat het waarschuwingssymbool branden en verschijnt
op het informatiedisplay de melding
Motortemp. hoog Stop auto z.s.m. –
breng de auto in dat geval zo spoedig
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen
mogelijk tot stilstand en laat de motor
enkele minuten stationair lopen zodat deze
kan afkoelen.
Geopende achterklep
WAARSCHUWING
• Als de displaymelding Motortemp. hoog
•
•
•
Zet motor af of Koelvl.peil laag Zet
motor af verschijnt, dient u nadat de auto
tot stilstand is gekomen ook de motor af te
zetten.
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een ingebouwde beveiliging geactiveerd die er onder meer voor zorgt dat het
waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat branden en dat de melding
Versn.bak heet Rijd langzamer of
Versn.bak heet Stop auto z.s.m. verschijnt – volg het gegeven advies en verlaag de snelheid of breng de auto op een
veilige manier tot stilstand om de motor te
laten afkoelen door deze enkele minuten
stationair te laten draaien.
Bij oververhitting kan de airconditioning
zichzelf tijdelijk uitschakelen.
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator na het
afzetten van de motor nog enige tijd kan
blijven werken.
Rijd niet met een geopende achterklep. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de bagageruimte de passagiersruimte in worden gezogen.
Accu niet overmatig belasten
systemen uit of verlaagt de belasting van de
accu door bijvoorbeeld de interieurventilator
lager te zetten en/of het audiosysteem uit te
schakelen.
Laad de startaccu dan op door de motor te
starten en deze minstens 15 minuten lang
te laten lopen – de accu wordt beter opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met
een stationair lopende motor.
De elektrische functies van de auto belasten de
startaccu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in sleutelstand
II staan, wanneer u de motor hebt afgezet.
Maak in plaats daarvan gebruik van de stand
I – het stroomverbruik is dan minder.
Voorbereidingen bij lange reizen
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van dergelijke onderdelen/systemen zijn:
• Controleer alle lampen en de profieldiepte
•
•
•
•
ruitenwisser
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder
op het volgende:
audiosysteem (hoog volume)
• De koelvloeistof van de motor moet ten
interieurventilator
koplampen.
Als de accuspanning laag is, verschijnt op het
informatiedisplay de melding Accuspann.
laag Spaarstand. De energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens bepaalde onderdelen/
• Controleer of de motor naar behoren functioneert en of het brandstofverbruik in orde
is.
• Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
05
van de banden.
• In sommige landen bent u wettelijk verplicht een gevarendriehoek mee te nemen.
Rijden tijdens de winter
minste 50 % glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie is de motor
beschermd tegen stukvriezen tot
ca. –35 °C. Voor optimale bescherming
``
229
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen
tegen vorst is het zaak geen verschillende
soorten glycol met elkaar te mengen.
• Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn
niet in alle landen toegestaan.
• De viscositeit van de motorolie is belangrijk. Wanneer u oliesoorten met een lagere
viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat
de motor bij koud weer gemakkelijker aan
en neemt bovendien het brandstofverbruik
tijdens de koude start af. Voor meer informatie over geschikte oliesoorten (zie
pagina 312).
BELANGRIJK
05
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of
warm weer.
• Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de accu. De accu
wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
• Giet ruitensproeiervloeistof in het sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming te voorkomen.
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of
ijs adviseert Volvo u om de auto rondom van
winterbanden te voorzien.
230
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de nieuwe auto bij gladheid
reageert.
05 Tijdens het rijden
Tanken
Tanken
Tankvulklep handmatig openen
Tankdop open-/dichtdraaien
De tankvulklep kan handmatig worden
geopend, als openen met de schakelaar in de
passagiersruimte niet mogelijk is.
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam
open.
Tankvulklep openen/sluiten
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel – bij het loslaten van de knop
springt de klep open.
De vulklep zit in het rechter achterspatbord,
zoals de pijl bij het symbool
op het informatiedisplay al aangeeft.
Sluit de klep door deze dusdanig in te drukken
dat u een klik hoort.
1. Open/verwijder het zijluikje in de bagageruimte (aan de kant van de tankvulklep) en
zoek de groene kabel met handgreep op.
2. Trek de kabel voorzichtig recht naar achteren toe totdat de tankvulklep met een
duidelijke klik wordt geopend.
BELANGRIJK
Trek voorzichtig aan de lus – er is slechts
weinig kracht nodig om de klep te ontgrendelen.
05
Breng na het tanken de tankdop weer aan en
draai deze zo ver dicht dat u één of meer klikken hoort.
Brandstof tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
231
05 Tijdens het rijden
Brandstof
Algemene informatie over brandstof
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een
nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
05
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp
inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol, mengsels ervan
en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen
bij inwendig gebruik aanleiding geven tot
blijvend letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Roep onmiddellijk medische hulp in bij het
inslikken van brandstof.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. De beltoon kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
De katalysatoren bestaan uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben
een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen
een chemische reactie zonder dat ze daar zelf
actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
BELANGRIJK
Bij menging van verschillende soorten
brandstof of gebruik van een andere brandstofkwaliteit dan aanbevolen, vervallen de
garanties van Volvo en eventuele aanvullende servicecontracten; dit geldt voor alle
motoren. N.B. Dit geldt niet voor auto’s met
een motor die is aangepast voor het gebruik
van ethanol (E85).
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.
Katalysatoren
De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor in
232
het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen.
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
05 Tijdens het rijden
Brandstof
Benzine
Dieselolie
De benzine moet voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren lopen op benzine
met een octaangetal van 95 en 98 RON.
Gebruik benzine met een octaangetal van
91 RON alleen bij wijze van hoge uitzondering.
De dieselolie moet voldoen aan de norm NENEN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreinigingen zoals een te
hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen
gebruik van dieselolie van gerenommeerde
oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van
twijfelachtige kwaliteit in de tank.
• 95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
• 98 RON wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken.
Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
1
•
Tank alleen loodvrije benzine om
schade aan te katalysator te voorkomen.
•
Giet geen additieven (dopes) in de benzine zonder het uitdrukkelijke advies
van Volvo.
Bij lage temperaturen (–6 °C tot –40 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot
startproblemen leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie
bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen
rond het vriespunt. Deze dieselolie is dunner bij
lage temperaturen en beperkt de kans op vlokvorming in het brandstofsysteem.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie.
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen:
•
•
•
•
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
RME 1 (koolzaadmethylester) of plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
05
Wanneer u de tank leegrijdt
Op grond van zijn constructie moet het brandstofsysteem mogelijk eerst ontlucht worden
om een dieselmotor na bijtanken opnieuw te
kunnen starten.
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid RME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
``
233
05 Tijdens het rijden
Brandstof
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de
motor start:
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot en druk licht op de sleutel zodat
deze verder naar binnen wordt getrokken
(zie pagina 78).
2. Druk op de START-knop zonder rem- en/
of koppelingspedaal te bedienen.
3. Wacht ca. 1 minuut.
05
4. Om de motor te starten: Bedien rem- en/of
koppelingspedaal en druk nogmaals op de
START-knop.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aanleiding geven tot motorstoringen.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er vervuilde brandstof is
gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter,
waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te
verbranden en het filter te legen wordt een
zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet
de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregenereerd. De regeneratie duurt normaal
10–20 minuten. Bij een lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer duren. Gedurende de
regeneratie kan het brandstofverbruik iets stijgen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht de oranje waarschuwings-
234
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
driehoek op het instrumentenpaneel op en verschijnt de melding Roetfilter vol Zie
instructieb. op het display van het instrumentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden tot de motor voldoende op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog
20 minuten verder.
N.B.
Tijdens de regeneratie is tijdelijk mogelijk
een geringe beperking van het motorvermogen te bespeuren.
Wanneer het filter geregenereerd is, wordt de
waarschuwingsmelding automatisch gewist.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met roetdeeltjes
gevuld is, vertoont de motor soms startproblemen. Het filter is dan onbruikbaar geworden. Het is in dat geval mogelijk dat u het
filter moet vervangen.
05 Tijdens het rijden
Brandstof
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
Het gebruik van extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Zie de
informatie over gewichten op pagina 306 en
de tabel op pagina 315.
Ook de rijstijl en andere niet-technische factoren kunnen van invloed zijn op het brandstofverbruik.
Bij gebruik van brandstof met een octaangetal
van 91(RON), neemt het brandstofverbruik toe
terwijl het motorvermogen lager wordt.
N.B.
05
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger/caravan of ritten op
grote hoogte kan, afhankelijk van de
gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen overlaten.
235
05 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie over vervoer van
lading
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde
informatie over de gewichten, zie pagina 306.
De achterklep is te openen met de
knop op het verlichtingspaneel of
met de transpondersleutel, zie pagina 60.
• Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing bij een snelheid van 50 km/h zich kan
gedragen als een voorwerp met een gewicht
van 1000 kg.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
05
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Aandachtspunten bij in-/uitladen
• Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning van de stoel ervoor.
• Breng brede voorwerpen in het midden
aan.
• Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op
neergeklapte ruggedeelten.
• Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
236
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding
mogelijk geen bescherming meer.
•
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen en hoeken af met iets
zachts.
Zet de motor af en schakel de parkeerrem
in bij het in- en uitladen van lange voorwerpen. Lange voorwerpen kunnen namelijk
tegen de versnellingspook of keuzehendel
aan komen en zo per ongeluk een versnelling inschakelen – de auto kan dan in beweging komen.
Voorstoel
Voor het vervoer van extra lange lading kunt u
ook de rugleuning van de passagiersstoel
omklappen, zie pagina 80.
Lading op het dak
Lastdragers gebruiken
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden, wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo ontwikkeld zijn.
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
05 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
• Controleer regelmatig of de lastdragers en
Verankeringsogen
Houder voor boodschappentassen*
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
• Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
• Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
• Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto. Voor informatie over de maximale
dakbelasting, inclusief lastdragers en een
eventuele skibox, zie pagina 306.
G017745
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
De inklapbare verankeringsogen in de bagageruimte gebruikt u om bagagebanden aan
vast te zetten.
WAARSCHUWING
Ruggedeelte achterbank omklappen
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die
in de weg liggen of uitsteken kunnen bij een
krachtige remmanoeuvre verwondingen
veroorzaken.
Om het in- en uitladen van de bagageruimte te
vereenvoudigen kunt u de ruggedeelten van de
achterbank neerklappen, zie pagina 82.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
Houder voor boodschappentassen onder het
vloerluik.
1. Klap de houder omhoog die deel uitmaakt
van het vloerluik.
05
2. Zet de boodschappentassen met de spanband vast en bevestig de draaggrepen aan
de haken.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
237
05 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
12V-aansluiting*
05
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen. Via de aansluiting is ook stroom
af te nemen, wanneer de transpondersleutel
niet in het contactslot steekt.
N.B.
Let erop dat u de aansluiting niet gebruikt
wanneer de motor is afgezet, omdat anders
het risico bestaat dat de accu uitgeput
raakt.
238
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Tijdens het rijden
Bagageruimte
Veiligheidsnet
WAARSCHUWING
Ook bij correcte montage van het veiligheidsnet moet de bagage in de bagageruimte altijd goed worden verankerd.
Aanbrengen
overliggende zijde – de bevestigingshaken
met telescoopveren maken het aanbrengen eenvoudiger.
Let erop dat u de bevestigingshaken van de
stang in de voorste eindstand van de beide
plafondbevestigingen duwt.
G034213
N.B.
Het veiligheidsnet wordt aan vier bevestigingspunten vastgezet.
Een veiligheidsnet voorkomt dat bagage of
huisdieren in de bagageruimte bij krachtig
afremmen de passagiersruimte in worden
geslingerd. U moet het veiligheidsnet, uit voorzorg, altijd op de juiste manier bevestigen en
verankeren.
Het veiligheidsnet is het gemakkelijkst aan
te brengen via een van de achterportieren.
WAARSCHUWING
Controleer altijd of de bovenste bevestigingen van het veiligheidsnet goed zijn aangebracht en of de spanbanden stevig vastzitten.
Een beschadigd net mag u niet meer gebruiken.
Het net is gemaakt van stevig nylonmateriaal
en kan op twee verschillende plaatsen in de
auto worden bevestigd:
1. Vouw het veiligheidsnet open en zorg dat
de gedeelde bovenste stang in uitgeklapte
stand geblokkeerd wordt.
• Montage achterin – achter het ruggedeelte
2. Haak het ene uiteinde van de stang vast
aan de voorste of achterste plafondbevestiging, met de sluiting van de spanbanden
naar u toe.
van de achterbank
• Montage voorin – achter de rugleuning van
de voorstoelen.
05
Montage achterin.
4. Montage achterin: Haak, met het net
bevestigd aan de achterste plafondbevestigingen, de spanbanden van het veiligheidsnet vast in de vloerverankeringsogen
voor in de bagageruimte.
3. Haak het andere uiteinde van de stang vast
aan de plafondbevestiging aan de tegen``
239
05 Tijdens het rijden
Bagageruimte
BELANGRIJK
Als de stoel/rugleuning te hard achteruitgeduwd wordt tegen het veiligheidsnet, kan
het net en/of zijn plafondbevestigingen
beschadigd raken.
5. Span het veiligheidsnet aan met de spanbanden.
Klap de stang in het midden dubbel en rol
het net op.
Het ingeklapte en opgerolde veiligheidsnet kan
worden opgeborgen onder de vloer in de bagageruimte.
Veiligheidsrek*
Demonteren en opbergen
Montage voorin.
Montage voorin: Haak, met het net bevestigd aan de voorste plafondbevestigingen,
de spanbanden van het veiligheidsnet vast
in de verankeringsogen achter op de stoelrails – dit gaat eenvoudiger als u de rugleuningen rechtop zet en de stoelen iets verder
naar voren zet.
Let erop dat u de stoel/rugleuning niet te
hard tegen het net duwt bij het terugduwen
van de stoel – zorg dat de stoel/rugleuning
het net precies raakt.
G031978
05
Het veiligheidsnet is eenvoudig te demonteren en
in te klappen.
Haal de spanning van het net door de knop
op de sluiting van de spanband in te drukken en de spanband een stukje te vieren.
Duw de borghaak in en neem de beide
haken van de spanband los.
240
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Een veiligheidsrek voorkomt dat bagage of
huisdieren in de bagageruimte bij krachtig
afremmen de passagiersruimte in worden
geslingerd.
Opklappen
Pak het veiligheidsrek helemaal onderaan beet
en trek het naar achteren/omhoog.
05 Tijdens het rijden
Bagageruimte
BELANGRIJK
Bagagerolhoes*
Duw beide kanten vast. De rolhoes moet
hoorbaar vastklikken en de rode markering
moet verdwijnen.
> Controleer of beide eindstukken vergrendeld zijn.
Bij montage van een bagagerolhoes is
opklappen/neerklappen van het veiligheidsrek niet mogelijk.
Bagagerolhoes verwijderen
Normaal laat u het veiligheidsrek gemonteerd
in de auto zitten, omdat het eenvoudig tegen
het plafond op te klappen is en zo niet in de
weg zit als u de bagageruimte wenst te verlengen. U kunt het veiligheidsrek desgewenst
demonteren en uit de auto nemen.
1. Duw op de knop van het ene eindstuk en
til het uit de holte.
Voor informatie over het vereiste gereedschappen en de te volgen methode bij montage/
demontage, zie de montagevoorschriften1 die
bij aankoop bijgeleverd werden.
Bij het terugplaatsen moet u het veiligheidsrek,
uit voorzorg, altijd op de juiste manier bevestigen en verankeren.
G031977
Monteren/demonteren
Trek de bagagerolhoes over de lading heen uit
en haak de hoes vast in de uitsparingen die bij
de achterste stijlen van de bagageruimte zitten.
BELANGRIJK
Bij montage van de bagagerolhoes is
opklappen/neerklappen van het veiligheidsrek niet mogelijk.
2. Kantel de rolhoes voorzichtig omhoog en
naar buiten, zodat het andere eindstuk
automatisch loskomt.
Achterste dekplaat bagagerolhoes
omlaagklappen
Bij een opgerolde bagagerolhoes steekt de
dekplaat achter aan de rolhoes horizontaal iets
uit in de bagageruimte.
05
Trek de dekplaat voorzichtig naar achteren
van de consoles af en klap de plaat
omlaag.
Bagagerolhoes bevestigen
Breng het ene eindstuk van de rolhoes aan
in de holte van het zijpaneel.
Breng het andere eindstuk van de rolhoes
aan in de tegenoverliggende holte.
1
Montagevoorschriften nr. 30715972.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
241
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 306.
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd,
wordt de auto compleet aangeleverd met de
benodigde randuitrusting voor het gebruik van
een aanhanger.
• De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
05
• Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om
te controleren of uw auto van de nodige
uitrusting is voorzien om met een aanhanger te kunnen rijden.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
• Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
de positie van de bandenspanningstabel,
zie pagina 262.
• Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
• Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
242
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
zersymbool op het instrumentenpaneel sneller
dan normaal en op het display verschijnt de
tekst Lampfout - Knip- perl. aanhanger.
Als een van de remlichten op de aanhanger
defect is, dan verschijnt de tekst Lampfout Rem- licht aanhanger.
• Om veiligheidsredenen dient u de toelaatbare maximumsnelheid voor auto’s met
een aanhanger/caravan niet te overschrijden. Neem de geldende bepalingen in acht
ten aanzien van de toelaatbare snelheden
en gewichten.
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
• Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Trekhaakbedrading
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een 7polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhanger
Als een van de richtingaanwijzers op de aanhanger defect is, knippert het richtingaanwij-
Niveauregeling*
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling nemen de achterste schokdempers tijdens het rijden altijd dezelfde rijhoogte in ongeacht de belading (tenzij het
maximaal toelaatbare gewicht wordt overschreden). Wanneer de auto stilstaat, zakt de
achtertrein omlaag.
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten die Volvo hanteert, zie
pagina 308.
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
N.B.
De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald.
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht
van de auto.
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
Handgeschakelde versnellingsbak
Oververhitting
Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept
in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk
gevaar voor overhitting.
• Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmotoren) – anders kan de olietemperatuur te hoog oplopen.
Dieselmotor 5-cil.
• Bij gevaar voor overhitting dient u het optimale motortoerental van 2300–3000 omw/
min aan te houden voor optimale koelvloeistofcirculatie.
BELANGRIJK
Zie tevens de specifieke informatie over
langzaam rijden met een aanhanger voor
auto’s met een automatische versnellingsbak van het type Powershift op pagina
119.
Automatische versnellingsbak
Oververhitting
Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept
in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk
gevaar voor overhitting.
• Een automatische versnellingsbak kiest
altijd de juiste versnelling voor het motortoerental.
• Bij gevaar voor oververhitting gaat een
oranje informatielampje op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een displaymelding – volg het gegeven advies.
Op een helling parkeren
1. Trap het rempedaal in.
2. Activeer de parkeerrem.
3. Zet de keuzehendel in stand P.
4. Haal uw voet van het rempedaal.
• Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
• Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
Steile hellingen
Op een helling wegrijden
• Blokkeer een automatische versnellings-
1. Trap het rempedaal in.
bak niet met een hogere versnelling dan de
motor “aankan” – rijden in een hoge versnelling bij een laag motortoerental is niet
altijd zuinig.
05
2. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
3. Los de parkeerrem.
4. Haal uw voet van het rempedaal en rijd
weg.
``
243
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Trekhaak
Afneembare trekhaak opbergen
Specificaties
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, dienen de montagevoorschriften
voor het bevestigen van het afneembare
gedeelte zorgvuldig te worden opgevolgd, zie
pagina 245.
WAARSCHUWING
Volg de montage-instructies nauwkeurig op.
•
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u
begint te rijden.
•
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
05
Belangrijke controlepunten
• U moet de kogel van de trekhaak regelmatig schoonmaken en met vet insmeren.
N.B.
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper
gebruikt, hoeft de kogel niet te worden ingevet.
244
Opbergruimte trekhaak.
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd de trekhaak los en
berg deze op de daarvoor bestemde plaats
op, goed vastgezet met de bijbehorende
riem.
G021485
•
G031713
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
1013
B
69
C
855
D
428
E
109
F
296
G
Langsligger
H
Middelpunt kogel
Het controlevenster moet rood van kleur
zijn.
05
G021489
A
G021487
Afmetingen, bevestigingspunten
(mm)
Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
recht naar achteren te trekken
.
G021488
G018928
Trekhaak bevestigen
Breng de trekhaak aan en duw deze naar
binnen totdat u een klik hoort.
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
``
245
05 Tijdens het rijden
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
Controleer of de trekhaak vastzit door deze
stevig omhoog, omlaag en naar achteren
te bewegen.
WAARSCHUWING
05
G000000
Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze
verwijderen en opnieuw monteren zoals
eerder werd beschreven.
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
BELANGRIJK
G021495
G021494
G021490
Rijden met een aanhanger
Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
Trekhaak verwijderen
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst; houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
246
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
WAARSCHUWING
Zet de trekhaak goed vast, wanneer u deze
in de auto bewaart, zie pagina 244.
het verschijnsel pas bij zeer hoge snelheden
op. Als de aanhanger/caravan echter overmatig beladen is of als het gewicht van de lading
verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld te ver naar
achteren), bestaat er ook op lagere snelheden
van 70–90 km/h gevaar voor pendelbewegingen.
Een pendelbeweging begint altijd met een van
de onderstaande factoren, zoals:
Druk de vergrendelingsknop
in en draai
totdat u een klik hoort.
deze linksom
• De auto met aanhanger/caravan staat
G018929
bloot aan rukwinden.
• De auto met aanhanger/caravan rijdt over
een oneffen wegdek of over hobbels.
Duw de afdekking er zo ver op dat deze
vastklikt.
Trailer Stability Assist (TSA)
Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u de
trekhaak schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
Het TSA-systeem (Trailer Stability Assist) heeft
tot taak de auto met een aanhanger/caravan te
stabiliseren wanneer de combinatie de neiging
tot pendelbewegingen vertoont.
De TSA-regeling maakt deel uit van het DSTCsysteem (Dynamic Stability and Traction
Control), zie pagina 169.
Functie
Bij alle combinaties van auto en aanhanger/
caravan kan het bekende verschijnsel met pendelbewegingen optreden. Doorgaans treedt
• Grote stuurbewegingen.
05
Bediening
Een pendelbeweging is vaak niet of nauwelijks
te dempen, waardoor de combinatie moeilijk
bestuurbaar wordt en het gevaar bestaat op de
verkeerde weghelft of naast de weg te belanden.
Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen van de auto in de gaten en dan met name
de dwarsbewegingen. Als een neiging tot pendelbewegingen geregistreerd wordt, worden
de voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig
afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd
wordt. Vaak is dit voldoende om de auto weer
onder controle te krijgen.
``
247
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Als de pendelbeweging ondanks de eerste
ingreep van het TSA-systeem niet wordt
gedempt, worden alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de
motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging
vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de
combinatie weer stabiel is, beëindigt het TSAsysteem de regeling waarna u de auto weer
volledig onder controle hebt.
Overig
Het TSA-systeem kan ingrijpen bij snelheden
van 60–160 km/h.
N.B.
05
Als u ervoor kiest om het DSTC-systeem uit
te schakelen (te beperken), wordt ook het
TSA-systeem uitgeschakeld, zie
pagina 169.
Het TSA-systeem grijpt mogelijk niet in als u
met grote stuurbewegingen de pendelbeweging zelf tracht op te heffen, aangezien het
TSA-niet dan niet kan bepalen of de pendelbeweging wordt veroorzaakt door de aanhanger/caravan of door de bestuurder.
Wanneer het TSA-systeem actief is,
knippert het DSTC-symbool op het
instrumentenpaneel.
248
05 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
Slepen
WAARSCHUWING
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor slepen.
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot om het stuurslot op te heffen zodat
de auto bestuurbaar wordt, zie pagina 78.
2. Laat de transpondersleutel tijdens het slepen in het contactslot zitten.
3. Houd, wanneer de slepende auto afremt,
de sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen
– zo voorkomt u schokken.
•
De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan.
•
Neem de transpondersleutel nooit tijdens het rijden uit het contactslot, ook
niet als de auto gesleept wordt.
Vermijd slepen.
BELANGRIJK
Let erop dat u de auto altijd dusdanig wegsleept dat de wielen in de rijrichting draaien.
•
•
Een auto die op een gevaarlijke plek in
het verkeer staat, mag echter over een
korte afstand (tot 10 km) en op lage
snelheid (tot 10 km/h) worden versleept.
Berg de auto altijd zo dat de wielen in
de rijrichting draaien.
•
Om de auto over afstanden groter dan
10 km te verslepen, dienen de aangedreven wielen geheven te worden – het
wordt geadviseerd een professioneel
bergingsbedrijf in te schakelen.
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de parkeerrem.
Automatische versnellingsbak
Geartronic
WAARSCHUWING
Het stuurslot moet worden opgeheven,
voordat u de auto sleept.
BELANGRIJK
Handgeschakelde versnellingsbak
4. Sta klaar om te remmen om de auto tot
stilstand te brengen.
•
motor lopen voor voldoende smering van de
versnellingsbak en daarom mogen deze
modellen niet worden gesleept.
De snelheidslimiet voor het wegslepen
van een auto met automatische versnellingsbak is 80 km/h. U mag de auto over
een afstand van maximaal 80 km verslepen.
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
Automatische versnellingsbak
Powershift
Bij de modellen 2.0, 2.0T en 2.0F met een automatische Powershift-versnellingsbak moet de
05
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik
een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden gestart,
zie pagina 115.
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
``
249
05 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
Sleepoog
Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd
in een draadbus achter een afdekking in de
bumper, voor of achter.
Sleepoog bevestigen
in bepaalde gevallen onder de dorpel verborgen zitten.
De afdekking op het bevestigingspunt voor
het sleepoog bestaat in twee versies die op
verschillende manieren moeten worden
geopend:
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
• U opent de versie met een uitsparing
door een muntstuk of iets dergelijks in
de uitsparing aan te brengen en de
afdekking los te werken. Klap de afdekking daarna helemaal los en verwijder
deze.
• Bij de andere versie zit er een markering
langs de ene zijde of in een hoek: Duw
met uw vinger op deze markering terwijl
u de tegenoverliggende zijde/hoek met
een muntstuk of iets dergelijks openklapt – de afdekking klapt rond de middellijn open en kan vervolgens worden
verwijderd.
05
Schroef het sleepoog tot aan de flens naar
binnen. Draai het oog stevig vast met bijvoorbeeld een wielsleutel.
Neem het sleepoog erbij dat onder het
vloerluik in de bagageruimte ligt – het kan
250
N.B.
Bij sommige auto’s met een afneembare
trekhaak kunt u het sleepoog niet in de achterste bevestiging aanbrengen wanneer het
kogelsegment gemonteerd is. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak.
Om die reden wordt geadviseerd het kogelsegment van de afneembare trekhaak in de
auto te bewaren, wanneer u de trekhaak niet
nodig hebt.
Bergen
Roep professionele hulp in voor berging.
BELANGRIJK
Draai het sleepoog na gebruik los en leg
het weer op zijn plek.
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de
rijrichting draaien.
Plaats de afdekking tot slot weer in de
bumper terug.
•
Voor auto’s met vierwielaandrijving
(AWD) gelden, bij het bergen met een
geheven vooras, zowel een maximale
snelheid van 70 km/h als een maximale
afstand van 50 km.
05 Tijdens het rijden
05
251
Algemene informatie ............................................................................
Wielen verwisselen ...............................................................................
Bandenspanning ..................................................................................
Gevarendriehoek en EHBO-set*...........................................................
Provisorische bandenreparatie (TMK)* ................................................
252
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
254
259
262
263
264
WIELEN EN BANDEN
06 Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van de
auto.
schappen van de auto af en kunnen de banden
regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren.
Nieuwe banden
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen).
N.B.
Draairichting
Let erop dat de banden op beide assen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben en van hetzelfde merk zijn.
Houd de aanbevolen bandenspanning aan die
in de bandenspanningstabel staat, zie
pagina 318.
G021778
Onderhoud van banden
06
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band. Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van
voor naar achter verwisseld worden, nooit van
links naar rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de remeigen-
254
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken wordt, als banden zelden of nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de
band worden aangetast. Dit geldt voor alle
banden die u voor toekomstig gebruik hebt
opgeslagen. Scheurvorming of verkleuring zijn
de zichtbare kenmerken van een band die
ongeschikt is voor gebruik.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden
hard en neemt de grip op het wegdek stukje bij
beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt
in het bijzonder voor winterbanden. De laatste
cijfers van de cijferreeks geven de week en het
jaar van productie aan. Het is de zogeheten
DOT-code (Department of Transportation) van
de band en bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld
1510. De band op de afbeelding is de 15e week
van het jaar 2010 geproduceerd.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de band
noteren waar de band zat: bijvoorbeeld L voor
links, R voor rechts.
06 Wielen en banden
Algemene informatie
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 262. De rijstijl, de
bandenspanning, het klimaat en de staat van
de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de
voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit
en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in de slijtage (>1 mm verschil in profieldiepte) van de banden, dienen de minst versleten banden altijd op de achteras te zitten.
Slippende voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende achterwielen, omdat de
auto rechtuit blijft rijden in plaats van uit te breken met de achterkant waarbij u mogelijk de
controle over de auto verliest. Daarom is
belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de
voorwielen grip verliezen.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Banden met slijtage-indicatoren
Velgen en wielbouten
BELANGRIJK
Haal de wielbouten aan met 140 Nm. Als u
ze te strak aanhaalt, kan de boutverbinding
beschadigd raken.
G021829
Slijtage en onderhoud
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van de
originele accessoires van Volvo. Controleer het
aanhaalmoment met een momentsleutel.
Afsluitbare wielbouten*
Slijtage-indicatoren.
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de band staan. De letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant
van de band geven aan dat een band is uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van het
profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Afsluitbare wielbouten* zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Onder de
vloer in de bagageruimte is ruimte om de dop
voor de afsluitbare wielbouten in op te bergen.
06
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan ertoe leiden dat
u de controle over de auto verliest.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
255
06 Wielen en banden
Algemene informatie
Gereedschap
Plaats het blok schuimrubber en het reservewiel in omgekeerde volgorde terug.
Let erop dat er op het bovenste blok schuimrubber een pijl staat. Deze pijl dient naar de
voorkant van de auto wijzen.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte
wanneer u ze niet nodig hebt.
Onder de vloer in de bagageruimte vindt u het
sleepoog van de auto, de krik* en de wielsleutel*. Er is tevens ruimte om de dop voor de
afsluitbare wielbouten in op te bergen.
Krik*
06
Houd de schroef van de krik altijd goed ingevet.
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van het reservewiel. Houd de schroef
van de krik altijd goed ingevet.
Gereedschap, terugplaatsen
Plaats het gereedschap en de krik* na gebruik
op de juiste manier terug. De krik past alleen
als deze tot in de juiste stand omlaaggedraaid
wordt.
256
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een
minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
Winterbanden
Sneeuwkettingen gebruiken
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van
de motorvariant. Gebruik altijd het juiste type
winterbanden op alle vier de wielen.
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving).
N.B.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor advies
over de beste soort velgen en banden.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten.
WAARSCHUWING
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of
vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen. Bij twijfel adviseert Volvo u
een erkende Volvo-werkplaats om advies te
vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan
ernstige schade aan de auto veroorzaken en
aanleiding geven tot een ongeluk.
06 Wielen en banden
Algemene informatie
BELANGRIJK
16
Het is alleen toegestaan enkelzijdige sneeuwkettingen te gebruiken. Gebruik originele
Volvo-sneeuwkettingen of vergelijkbare
sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het
model en op de band- en velgafmetingen.
Bij twijfel wordt geadviseerd om contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Velgdiameter van de
band
50
Bolling in mm
(afstand tussen de
verticale aslijn door
het wiel en het contactvlak met de naaf)
Bandenmaten
Specificaties
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat niet alle velg- en bandcombinaties goedgekeurd zijn. Voor de toegestane combinaties. zie pagina 317
Afmetingen wiel (velg)
Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50.
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding:
235/60 R18 103 V.
235
Breedte van de band (mm)
60
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
7
Velgbreedte in inch
18
Velgdiameter van de band
J
Profiel velgrand
103
Aanduiding van het draagvermogen
van de band, lastindex (LI)
V
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band, snelheidsklasse (SS).
(In dit geval 270 km/h.)
Lastindex
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen, wat wordt aangeduid met de lastindex (LI).
Het gewicht van de auto bepaalt het draagvermogen van de banden. De minimaal toelaatbare index staat in de tabel, zie pagina 317.
Snelheidsklassen
Iedere band is berekend op een bepaalde
maximumsnelheid, wat wordt aangeduid met
de snelheidsklasse (Speed Symbol: SS).
De snelheidsklasse van de banden dient minimaal overeen te komen met de topsnelheid van
de auto. De minimaal toelaatbare snelheidsklasse staat in de tabel, zie pagina 317.
De enige uitzondering hierop vormen winterbanden (zowel banden met als zonder
‘spikes’), waarvoor een lagere snelheidsklasse
gebruikt mag worden. Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van
160 km/h).
06
De gesteldheid van het wegdek is bepalend
voor de maximumsnelheid en niet de snelheidsklasse op de banden.
``
257
06 Wielen en banden
Algemene informatie
N.B.
De aangegeven snelheid in de tabel is de
maximumsnelheid.
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
WAARSCHUWING
06
258
De auto moet worden uitgerust met banden
die minimaal de gespecificeerde lastindex
(LI) en snelheidsklasse (SS) hebben. Bij
gebruik van banden met een te lage lastindex of snelheidsklasse kunnen de banden
oververhit raken.
06 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Verwijderen
Zet een gevarendriehoek zie pagina 263 op,
als u een wiel langs een drukke weg moet verwisselen. Zorg ervoor dat de auto en de krik*
op een stevige en horizontale ondergrond
staan.
1. Haal de parkeerrem aan en schakel de
achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven
op de kriksticker.
Op de sticker staat tevens de maximale hefcapaciteit bij de vermelde minimale hefhoogte.
2. Neem het reservewiel*, de krik* en de wielsleutel* erbij die onder de vloer in de bagageruimte liggen. Bij gebruik van een andere
krik, zie pagina 270.
3. Verwijder een volledige wielsierdop (indien
aanwezig).
4. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor bijvoorbeeld grote houten blokken of grote stenen.
Eventuele volledige wielsierdoppen dienen te worden verwijderd.
WAARSCHUWING
5. Draai de wielbouten ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto.
06
6. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Bij elk steunpunt zit een
uitsparing in de kunststof afdekking. Draai
de voet van de krik met de slinger zo ver
omlaag dat de voet plat tegen de grond
aankomt.
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
259
06 Wielen en banden
Wielen verwisselen
BELANGRIJK
De ondergrond dient vast en egaal te zijn en
niet te hellen.
Aanbrengen
1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel
en de naaf.
2. Breng het wiel aan. Haal de wielbouten
stevig aan.
7.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
N.B.
De ventieluitsparing in de wieldop bij het
monteren aanbrengen over het ventiel in de
velg.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op de krik
staat.
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
Parkeer de auto dusdanig dat de auto en
liever nog een vangrail u en eventuele uitgestapte passagiers afschermen van het
verkeer op de rijbaan.
Reservewiel*
06
Controleer of de krik goed aan het kriksteunpunt bevestigd is (zie afbeelding) en
zorg dat de voet recht onder het steunpunt
zit.
BELANGRIJK
De kriksteun is de achterste van de twee
uitsparingen achteraan.
8. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielbouten en til het wiel eraf.
260
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
4. Draai de wielbouten kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielbouten stevig aanhaalt. Haal ze aan met 140 Nm. Controleer
het aanhaalmoment met een momentsleutel.
Een compact reservewiel (Temporary Spare) is
alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en dient
dan ook zo spoedig mogelijk door een normaal
wiel te worden vervangen. Het rijgedrag van de
auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een
compact reservewiel. Het compacte reservewiel is kleiner dan een normaal wiel. De bodemspeling verandert er daarom door. Wees voorzichtig bij hoge trottoirbanden en reinig de auto
niet in een autowasstraat. Als het reservewiel
op de vooras zit, kunt u evenmin sneeuwkettingen omleggen. Bij vierwielaangedreven
06 Wielen en banden
Wielen verwisselen
auto’s is de achterwielaandrijving uit te schakelen. Het reservewiel mag niet worden gerepareerd. In de bandenspanningstabel, zie
pagina 318, staat de juiste bandenspanning
voor het reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik
van een compact reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag
in de ruimte voor het reservewiel. Dezelfde
doorloopbout waarmee het blok schuimrubber
vastzitten houdt ook het reservewiel in positie.
Het blok schuimrubber bevat al het gereedschap.
06
Reservewiel erbij nemen
1. Pak vloer in de bagageruimte aan de achterzijde beet en klap deze naar voren toe
omhoog.
2. Draai de bevestigingsbout los.
3. Til het blok schuimrubber met het gereedschap erin uit de auto.
4. Til het reservewiel uit de auto.
261
06 Wielen en banden
Bandenspanning
Bandenspanning
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik
wordt geadviseerd de aangegeven bandenspanning (zowel bij maximale als lichte belading) aan te houden bij snelheden tot
160 km/h.
Bandenspanning controleren
G021830
Controleer iedere maand de bandenspanning.
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) staat de juiste bandenspanning voor uw
auto aangegeven bij verschillende belading en
snelheid. De bandenspanning staat ook in de
bandenspanningstabel, zie pagina 318.
06
• Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
• ECO-bandenspanning1
• Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare)
N.B.
De bandenspanning hangt af van de temperatuur.
1
262
De ECO-bandenspanning levert brandstofbesparing op.
Dit geldt eveneens voor het reservewiel.
Controleer de bandenspanning wanneer de
banden koud zijn. De aangegeven bandenspanning geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur). Al
na enkele kilometers rijden worden de banden
warm en loopt de spanning op.
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de
levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit en beschadigd raken. De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de
stuureigenschappen en de geproduceerde
weggeluiden.
N.B.
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
06 Wielen en banden
Gevarendriehoek en EHBO-set*
Gevarendriehoek
Til de vloer in de bagageruimte op en haal
de gevarendriehoek tevoorschijn.
Onder de vloer in de bagageruimte ligt een
EHBO-set.
Neem de gevarendriehoek uit de houder,
klap de driehoek uit en bevestig de twee
losse zijden aan elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op
om achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek na
gebruik stevig in de bagageruimte vastzit.
EHBO-set*
06
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
263
06 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie (TMK)*
Algemene informatie
N.B.
Overzicht
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
De bandenreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de provisorische bandenreparatieset af te dichten die grote groeven,
scheuren en dergelijke vertonen.
06
De bandenreparatieset (TMK, Temporary
Mobility Kit) wordt gebruikt om een lek te dichten alsook om de bandenspanning te controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren. De set
bestaat uit een compressor en een bus met
afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties
uit te voeren. De fles met het afdichtmiddel
moet worden vervangen voordat de houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens na het
gebruik.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
264
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
12V-aansluitingen* voor de compressor zitten
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de bagageruimte. Gebruik de
elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Locatie bandenreparatieset
Kabel
Zet een gevarendriehoek op bij het afdichten
van een band langs een drukke weg. De bandenreparatieset zit onder de vloer in de bagageruimte, zie pagina 263.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden vervangen.
Knop
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
Luchtslang
Bus met afdichtmiddel
Manometer
06 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie (TMK)*
Lekke band repareren
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
3. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Voor het gebruik de verzegeling van de bus
niet verbreken. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
4. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
G014338
5. Draai de bus in de bushouder vast.
Voor informatie over de werking van de onderdelen (zie voorgaande afbeelding).
1. Open het deksel van de bandenreparatieset.
2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de sticker op het stuurwiel.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
6. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
7. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
8. Zet de knop in stand I.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te
bezoeken.
N.B.
06
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30 seconden weer dalen.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
265
06 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie (TMK)*
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen. (Laat eventueel lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als de bandenspanning te
hoog is.)
WAARSCHUWING
06
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd
een erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
11. Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12V-aansluiting.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
266
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het vervangen over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
• Als de spanning lager is dan 1,3 bar,
werd de band onvoldoende afgedicht.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
• Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot
de spanning die staat aangegeven in de
bandenspanningstabel, zie pagina 318
(1 bar = 100 kPa). Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
3. Zorg dat de compressor uitstaat. Koppel
de luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
U wordt geadviseerd om naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats te rijden en er
de beschadigde band te laten vervangen/repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door
dat er afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden vervangen.
06 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie (TMK)*
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd worden.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
3. Sluit de kabel aan op een van de 12V-aansluitingen in de auto en start de motor.
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
5. Pomp de band op tot de druk die op/in de
bandenspanningstabel staat aangegeven,
zie pagina 318. (Laat eventueel lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als
de bandenspanning te hoog is.)
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug.
Bus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen bus
als klein chemisch afval (KCA).
06
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-ethanol en natuurrubberlatex.
Gevaarlijk bij inwendig gebruik. Kan aanleiding geven tot overgevoeligheid bij huidcontact.
Contact met huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
267
Motorruimte..........................................................................................
Gloeilampen..........................................................................................
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof...............................................
Accu......................................................................................................
Zekeringen............................................................................................
Verzorging.............................................................................................
268
270
277
283
285
288
296
ONDERHOUD EN SERVICE
07 Onderhoud en service
Motorruimte
Algemene informatie
Serviceprogramma van Volvo
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om
service- en onderhoudswerkzaamheden over
te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog
mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
Regelmatig controleren
07
Controleer regelmatig de volgende oliën en
vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
•
•
•
•
270
Koelvloeistof
Motorolie
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Ruitensproeiervloeistof
WAARSCHUWING
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
Auto omhoogbrengen
N.B.
Volvo adviseert alleen de krik te gebruiken
die bij het desbetreffende model hoort. Volg
bij gebruik van een andere krik dan door
Volvo geadviseerd de gebruiksaanwijzingen
die bij deze krik werden geleverd
Als u de auto met een garagekrik omhoogbrengt, moet u de krik tegen de voorkant van
het subframe van de motor aanbrengen.
Zorg dat de spatplaat onder de motor niet
beschadigd raakt. Let erop dat u de garagekrik
dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af
kan glijden. Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
omhoogbrengt, moet u ervoor zorgen dat de
voorste en achterste dragerarmen onder de
steunpunten bij de drempelkokers komen te
zitten. Zie voorgaande afbeelding.
Motorkap openen en sluiten
07 Onderhoud en service
Motorruimte
Motorruimte, overzicht
Vulopening voor ruitensproeiervloeistof
Luchtfilter
WAARSCHUWING
G031911
Het ontstekingssysteem werkt met zeer
hoge spanning. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd de
transpondersleutel altijd in stand 0 bij werkzaamheden in de motorruimte, zie
pagina 78.
Trek aan de handgreep bij de pedalen.
Wanneer de motorkap ontgrendeld is, gaat
een informatiesymbool branden, zie
pagina 74.
Haal de borghaak naar links om de motorkap te openen. (De borghaak zit tussen de
koplamp en de grille zoals afgebeeld.)
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte
er anders uitzien.
Expansiereservoir voor koelsysteem
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
de transpondersleutel in stand II staat of als
de motor warm is.
Oliepeil motor controleren
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
Peilstok voor motorolie
Radiateur
Vulopening voor motorolie
07
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(auto met stuur links)
Accu
Relais- en zekeringenkastje, motorruimte
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
``
271
07 Onderhoud en service
Motorruimte
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden,
zie pagina 311.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van
een waarschuwingslampje voor de oliedruk. Bij
modellen met een olieniveausensor wordt
gewaarschuwd met een waarschuwingssymbool midden op het instrumentenpaneel en
met displaymeldingen. Op bepaalde modellen
zijn beide systemen aanwezig. Neem voor
meer informatie contact op met een erkende
Volvo-werkplaats.
Vulopening en peilstok
Peilstok1 en vulpijp, dieselmotor.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het bijvullen als bij het verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
07
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een lage
oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien van
1
272
Dieselmotoren zijn voorzien van elektronische peilaanduiding.
Houd voor het verversen van motorolie de
intervallen aan die staan aangegeven in het
Service- en garantieboekje.
BELANGRIJK
Gebruik voor het bijvullen van olie een oliesoort van dezelfde kwaliteit en met dezelfde
viscositeit (zie pagina 312).
Peilstok en vulpijp, benzinemotor.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst.
De betrouwbaarste meting wordt verkregen bij
een koude motor vóór de start. Meteen na het
07 Onderhoud en service
Motorruimte
afzetten van de motor krijgt u een verkeerd
resultaat. De peilstok geeft dan een te laag peil
aan, omdat de olie geen tijd heeft gehad om
terug te lopen naar het oliecarter.
2. Controleer het peil met de peilstok. De olie
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
3. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje
dan bij het MIN-streepje op de peilstok ligt.
BELANGRIJK
G021737
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAXstreepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
Parkeer de auto op een vlakke ondergrond, zet
de motor af en wacht ten minste
10 tot 15 minuten zodat de olie weer kan teruglopen in het oliecarter. Voor de bij te vullen
hoeveelheid (zie pagina 312 en verder).
Oliepeil controleren bij een koude motor
1. Veeg de peilstok schoon.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
Oliepeil controleren bij een
warmgelopen motor
1. Parkeer de auto op een vlakke ondergrond,
zet de motor af en wacht ten minste
10–15 minuten zodat de olie weer kan
teruglopen in het oliecarter.
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje
dan bij het MIN-streepje op de peilstok ligt.
Voor motoren met elektronische
peilaanduiding2
Wanneer de motor afgezet is, kunt u het duimwiel gebruiken om het oliepeil te laten controleren door de elektronische peilaanduiding, zie
pagina 138.
Oliepeil controleren:
1. Zet het contact in stand II, zie pagina 113.
2. Draai het duimwiel naar Motoroliepeil
Een ogenblik....
> Vervolgens verschijnt het motoroliepeil.
N.B.
Het oliepeil wordt alleen tijdens het rijden
bijgewerkt. Het systeem kan wijzigingen in
het peil door het bijvullen of aftappen van
olie niet meteen registreren.
Na het bijvullen of aftappen van motorolie
dient u dan ook ca. 30 km met de auto te
rijden, voordat de peilaanduiding juist is.
07
2. Veeg de peilstok schoon.
3. Controleer het oliepeil met de peilstok.
4. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
2
Geldt alleen voor dieselmodel.
``
273
07 Onderhoud en service
Motorruimte
Koelvloeistof
Melding
07
274
Motoroliepeil OK
In orde.
Motoroliepeil Een
ogenblik...
Het systeem wordt
opgestart, verschijnt
ca. 2 seconden lang.
Motoroliepeil Vul 1
l olie bij
Motorolie bijvullen
Motoroliepeil Service vereist
Verschijnt wanneer
het systeem een
storing geregistreerd heeft die verholpen moet worden, voordat de
juiste peilaanduiding
kan worden gegeven.
Koelvloeistof controleren en bijvullen
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
neemt toe, zowel wanneer de concentratie
koelvloeistof te laag is als wanneer deze te
hoog is. Voor de hoeveelheden, zie
pagina 313.
BELANGRIJK
•
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
•
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De temperaturen kunnen plaatselijk hoog oplopen,
wat schade (scheurvorming) aan de
cilinderkop kan veroorzaken.
07 Onderhoud en service
Motorruimte
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie pagina 313.
Controleer de koelvloeistof regelmatig
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem dusdanig hoog
oplopen dat er gevaar voor motorschade ontstaat.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor op bedrijfstemperatuur is, moet u langzaam de dop
van het expansiereservoir losdraaien om de
overdruk te laten ontsnappen.
pagina 313. Wanneer u vaak met uw auto in
de bergen rijdt of in landen met een tropisch
klimaat en een hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad, moet u de remvloeistof ieder jaar
verversen.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Geadviseerd wordt de oorzaak van het remvloeistofverlies te laten controleren door
een erkende Volvo-werkplaats.
Bijvullen
ruimte. U moet het ronde deksel eerst verwijderen om bij de dop van het reservoir te komen.
1. Open het deksel dat in de dekplaat zit door
het te verdraaien.
2. Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan (aan de binnenkant van het reservoir).
BELANGRIJK
Vergeet niet de dop terug te plaatsen.
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Rem- en koppelingsvloeistof
Peil controleren
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan die aan de buitenkant van het reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil regelmatig.
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of
iedere tweede geplande servicebeurt.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit van de remvloeistof, zie
07
Het vloeistofreservoir zit aan de bestuurderszijde.
Het vloeistofreservoir gaat schuil achter de
dekplaat op de koude zone van de motor``
275
07 Onderhoud en service
Motorruimte
BELANGRIJK
Houd bij een controle het gebied rond het
reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
goed schoon. De dop niet losdraaien.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan.
Voor de aanbevolen vloeistofkwaliteit en de
aan te houden hoeveelheden, zie pagina 313.
N.B.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u
de auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar.
07
276
07 Onderhoud en service
Gloeilampen
Algemene informatie
Alle gloeilampen van de auto vermeld, zie
pagina 282. Gloeilampen en puntverlichting
van een bijzonder type of lampen die alleen in
een werkplaats te vervangen zijn:
• Interieurverlichting aan het plafond, lees-
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
lampjes
•
•
•
•
•
•
•
•
Verlichting dashboardkastje
Instapverlichting
Richtingaanwijzers, buitenspiegels
Koplampen
Alle gloeilampen in de koplamphuis zijn te vervangen door het complete koplamphuis via de
motorruimte los te nemen en te verwijderen.
WAARSCHUWING
Schakel altijd het contact uit en neem de
transpondersleutel uit, voordat u gloeilampen vervangt.
Koplamphuis verwijderen
“Approach”-verlichting
1. Druk kort op de knop START/STOP
ENGINE.
Rem-, mist- en achteruitrijlichten
2. (Bovenste afbeelding)
Sidemarkers achterzijde, achterlichten
Xenon-, actieve xenonlampen
Alle led-lampen
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van xenonlampen,
moet u de koplampen door een werkplaats
laten vervangen – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Omdat de lampen voorzien zijn van een ontstekingsgedeelte dat een hoge spanning opwekt, dient
u er extra voorzichtig mee om te gaan.
Trek de borgpennen van het koplamphuis naar buiten.
Trek het koplamphuis recht naar voren
toe.
BELANGRIJK
Trek niet aan de kabel, maar alleen aan de
connector.
07
3. (Onderste afbeelding)
Koppel de connector van het koplamphuis los door met uw duim de clip omlaag
te duwen.
``
277
07 Onderhoud en service
Gloeilampen
Trek ondertussen met uw andere hand
de connector los.
4. Til het koplamphuis naar buiten en leg het
op een zachte ondergrond om krassen op
de lens te voorkomen.
5. Vervang de kapotte gloeilamp, .
Het koplamphuis moet gemonteerd zijn en de
connector correct aangesloten zijn, voordat u
de verlichting inschakelt of de transpondersleutel in het contactslot steekt.
Dimlicht, halogeen
Afdekking verwijderen
Koplamphuis aanbrengen
1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 277.
2. Verwijder de afdekking.
3. Koppel de connector van de lamp los.
Lees de tekst op zie pagina 277 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
07
5. Trek de lamp recht naar buiten toe los.
Ga bij het aanbrengen na of de lange borgpen
vastzit. De pen moet in beide ogen vastzitten.
1. Open de borgklemmen door deze naar buiten te duwen.
1. Sluit de connector dusdanig aan dat u een
klik hoort.
2. Trek de afdekking recht naar buiten toe los.
6. Breng de nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan zodat deze vastklikt. U kunt deze
op één manier terugplaatsen.
Plaats de afdekking in omgekeerde volgorde
terug.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
2. Plaats het koplamphuis terug en breng de
borgpennen aan. Controleer of u ze op de
juiste manier hebt ingebracht.
3. Controleer de verlichting.
278
4. Haal de gloeilamp los door de houder
omlaag te duwen.
07 Onderhoud en service
Gloeilampen
Groot licht, halogeen
Verstralers, xenon*
Richtingaanwijzers/knipperlichten
1. Haal het koplamphuis los.
1. Haal het koplamphuis los.
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking.
2. Verwijder de afdekking, zie pagina 278.
3. Haal de gloeilamp los door deze rechtsom
te draaien en vervolgens recht naar buiten
te trekken
3. Koppel de connector van de gloeilamp los.
2. Haal de lamphouder los door deze linksom
te draaien.
4. Koppel de connector van de lamp los.
5. Vervang de gloeilamp, steek de nieuwe
lamp in de lampvoet en draai de gloeilamp
rechtsom vast. U kunt deze op één manier
terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
4. Trek de lamphouder recht naar buiten toe
los.
5. Vervang de gloeilamp en steek deze in de
lampvoet. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
3. Trek aan de lamphouder om de gloeilamp
tevoorschijn te halen.
4. Haal de kapotte gloeilamp los door deze in
te duwen en linksom te draaien.
5. Breng een nieuwe gloeilamp aan door de
lamp omlaag te duwen en rechtsom te
draaien.
07
6. Breng de lamphouder aan en draai deze
rechtsom.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
279
07 Onderhoud en service
Gloeilampen
Sidemarker
Mistachterlicht
Lees de tekst op zie pagina 277 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
Het mistachterlicht is vanaf de achterkant van
de bumper te bereiken
1. Haal het koplamphuis los.
1. Haal de gloeilamphouder los door deze
linksom te draaien.
2. Draai lamphouder linksom en verwijder
deze.
3. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de
nieuwe aan. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
07
4. Breng de lamphouder in de lampvoet aan
en draai deze rechtsom.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
280
2. Haal de kapotte gloeilamp los door de
gloeilamp in te duwen en linksom te
draaien.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan door de
lamp omlaag te duwen en rechtsom te
draaien.
4. Breng de gloeilamphouder aan en draai
deze rechtsom.
Positie gloeilampen achterlamphuis
Lampglas, rechterzijde
Achterlicht (led)/Sidemarker
Zijreflector, achteraan
Remlichten
Achteruitrijlicht
Richtingaanwijzer
Remlicht (led)
07 Onderhoud en service
Gloeilampen
Kentekenplaatverlichting
Bagageruimteverlichting
De gloeilampen van zowel de remlichten als de
achteruitrijlichten zijn via de bagageruimte te
vervangen.
1. Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en wrik deze iets heen en weer,
zodat het lamphuis loskomt.
G031942
Rem- en achteruitrijlichten
1. Open het paneel.
2. Haal voorzichtig het complete gloeilamphuis los en trek het naar buiten.
2. Haal de gloeilamphouder los door deze
linksom te draaien.
3. Vervang de gloeilamp.
3. Haal de kapotte gloeilamp los door deze in
te duwen en linksom te draaien.
4. Breng een nieuwe gloeilamp aan door de
lamp omlaag te duwen en rechtsom te
draaien.
4. Plaats het complete gloeilamphuis terug
en draai de boutjes vast.
2. Vervang de gloeilamp.
3. Controleer of de gloeilamp werkt en druk
het lamphuis weer vast.
07
5. Breng de gloeilamphouder aan en draai
deze rechtsom.
``
281
07 Onderhoud en service
Gloeilampen
Verlichting make-upspiegel
Spiegelglas aanbrengen
Spiegelglas verwijderen
1. Duw de drie borgnokjes aan de bovenkant
van het spiegelglas terug.
2. Duw vervolgens de onderste drie nokjes
vast.
Specificatie gloeilampen
1. Steek in het midden aan de onderkant een
schroevendraaier achter het glas om het
borgnokje aan de rand voorzichtig los te
werken.
07
2. Steek de schroevendraaier aan zowel de
linker- als de rechterzijde achter het glas
(bij de zwarte rubberdelen) en wrik voorzichtig, zodat het glas aan de onderkant
loskomt.
3. Maak het spiegelglas voorzichtig los en
verwijder het compleet met afdekklep.
4. Vervang de gloeilamp.
282
Verlichting
W
Type
Verstralers, xenon,
ABL
65
H9
Dimlicht, halogeen
55
H7 LL
Groot licht, halogeen
65
H9
Richtingaanwijzers
voorzijde
21
PY21W
Bagageruimte-,
kentekenplaatverlichting
5
Buislampje
Make-upspiegel
SV8,5
1,2
Buislampje
SV5,5
Sidemarkers voorzijde
5
W3WLL
Verlichting dashboardkastje
5
Buislampje
SV8,5
07 Onderhoud en service
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
Wisserbladen
Servicestand
Wisserbladen vervangen
Haal de wisserarm van de ruit af. Druk op
de knop die op de wisserbladhouder zit en
trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar
binnen dat u een klik hoort.
Controleer of het blad goed vastzit.
1. Zet de transpondersleutel in sleutelstand
0, zie pagina 78, maar laat de transpondersleutel in het contactslot zitten.
2. Duw de rechter stuurhendel
ca. 1 seconde lang omhoog. De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan.
G021763
De wisserbladen dienen in de servicestand te
staan om ze te kunnen vervangen, reinigen of
optillen (om bijvoorbeeld ijs van de voorruit te
krabben).
N.B.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
07
Een volgende keer dat u de auto start nemen
de ruitenwissers de ruststand weer in.
``
283
07 Onderhoud en service
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
Wisserbladen vervangen, achterklep
BELANGRIJK
Controleer de wisserbladen regelmatig. Bij
achterstallig onderhoud gaan de wisserbladen minder lang mee.
G032770
Vulopening voor
ruitensproeiervloeistof
1. Klap de wisserarm uit.
2. Pak het wisserblad aan de binnenkant (bij
de pijl) beet.
3. Draai het wisserblad linksom om de aanslag op de wisserarm als hefboom te
gebruiken zodat het wisserblad makkelijker loskomt.
4. Duw het nieuwe wisserblad vast. Controleer of het goed vastzit.
07
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
5. Klap de wisserarm terug.
BELANGRIJK
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie pagina 296 en verder.
284
Gebruik tijdens de wintermaanden ruitensproeier-antivries in het reservoir om te
voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het
reservoir en de slangen bevriest.
Voor de hoeveelheden, zie pagina 313.
07 Onderhoud en service
Accu
Waarschuwingssymbolen op de accu
Vermijd vonken en open
vuur.
Draag een veiligheidsbril.
BELANGRIJK
Gebruik nooit een snellader voor het opladen van de accu.
WAARSCHUWING
Explosiegevaar.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat
bij de auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
N.B.
Zamel oude accu’s op een milieuvriendelijke manier in, omdat ze lood bevatten.
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een verkeerde aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst,
moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in uw
ogen krijgt.
Gebruik
De accu bevat een bijtend
zuur.
• Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
• Koppel de accu nooit los, wanneer de
motor draait.
07
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
``
285
07 Onderhoud en service
Accu
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
Vervangen
Verwijderen
De levensduur van de accu wordt bepaald
door uiteenlopende factoren, waaronder de
rijomstandigheden en het klimaat. De accu
verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als
er langere tijd achtereen niet of slechts korte
afstanden met de auto wordt gereden. Ook
bij strenge vorst neemt de startcapaciteit af.
Om de accu in optimale conditie te houden
wordt geadviseerd wekelijks minstens
15 minuten met de auto te rijden of de accu
aan te sluiten op een acculader met automatische druppellading.
Voor de maximale levensduur dient de accu
altijd volledig opgeladen te blijven.
Schakel het contact uit en wacht 5 minuten.
Haal de clips op de voorste dekplaat los en
verwijder de dekplaat.
07
Haal de rubber strip los om de achterste
afdekking bloot te leggen.
Neem de achterste afdekking los door
deze een kwartslag te verdraaien en vervolgens op te tillen.
286
07 Onderhoud en service
Accu
WAARSCHUWING
Zorg dat u de plus- en minkabels in de juiste
volgorde loskoppelt en/of aansluit.
2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig
opzij totdat de accu tegen de achterkant
van de accubak aankomt.
3. Bevestig de accu met behulp van de accuklem.
4. Sluit de ontluchtingsslang aan.
Koppel de zwarte minkabel los
5. Sluit de rode pluskabel aan.
Koppel de rode pluskabel los
6. Sluit de zwarte minkabel aan.
Koppel de ontluchtingsslang van de accu
los
7. Duw de achterste afdekking vast (zie Verwijderen).
Draai het boutje los waarmee de accuklem
vastzit.
8. Plaats de rubber strip terug (zie Verwijderen).
Haal de accu opzij en til deze op.
9. Plaats de voorste afdekking terug en
bevestig deze met de clips (zie Verwijderen).
Aanbrengen
07
1. Laat de accu in de accubak zakken.
287
07 Onderhoud en service
Zekeringen
Algemene informatie
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, worden alle verschillende
elektrische functies en onderdelen door een
aantal zekeringen beschermd.
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een storing vertoont. U wordt
dan geadviseerd een bezoek te brengen aan
een erkende Volvo-werkplaats voor een controle.
WAARSCHUWING
Vervang een zekering nooit door vreemde
voorwerpen of een zekering met een hoger
amperage dan gespecificeerd is. Anders
zijn aanzienlijke schade aan het elektrische
systeem en brand niet uitgesloten.
Positie relais- en zekeringhouders
Vervangen
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
07
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
Positie van de relais- en zekeringhouders, auto
met het stuur links – bij auto’s met het stuur
rechts zit de relais- en zekeringhouder onder
het dashboardkastje aan de andere kant.
,
Onder dashboardkastje
Bagageruimte
Motorruimte
288
07 Onderhoud en service
Zekeringen
Motorruimte
07
``
289
07 Onderhoud en service
Zekeringen
Algemene informatie over de zekeringen
in de motorruimte
Functie
A
Functie
A
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Hoofdzekering CEM
KL30B
50
-
-
50
Koplamphoogteregeling*
(xenon, Active Xenon)
10
Hoofdzekering CEM
KL30A
Hoofdzekering CEM
20
60
Motorruimte voorin
Hoofdzekering RJBA
KL30
15-voeding ABS
5
Motorruimte onderin
Hoofdzekering CJB KL30
60
5
Hoofdzekering CJB 15E
KL30
60
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging*
Regelmodule motor,
transmissie. SRS
10
Elektrisch verwarmde
sproeikoppen*
10
Vacuümpomp I5T en GTDI
5
Verlichtingspaneel
5
-
-
-
-
-
-
Relais box motorruimte
5
Verstralers*
20
Posities (zie voorgaande afbeelding)
Motorruimte bovenin
Deze zekeringen zitten allemaal in het zekeringenkastje in de motorruimte. De zekeringen in
zitten onder
.
• 1–7 en 42–44 zijn van het type “MidiFuse”
en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
• 8–15 en 34 zijn van het type “JCASE” en
voor het vervangen ervan wordt geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken.
07
• 16–33 en 35–41 zijn van het type “MiniFuse”.
Positie van de relais- en zekeringhouders, auto
met het stuur links – bij auto’s met het stuur
rechts zit de relais- en zekeringhouder onder
het dashboardkastje aan de andere kant.
290
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
-
-
PTC-luchtvoorverwarming*
100
Koplampsproeiers*
20
Ruitenwissers
30
Standverwarming*
25
Interieurventilator
40
-
-
ABS-pomp
40
ABS-kleppen
20
07 Onderhoud en service
Zekeringen
Functie
A
Functie
A
Functie
A
Claxon
15
Regelmodule motor, gasklep benzine
10
Carterventilatieverwarming (5-cil. diesel)
5
Regelmodule motor
10
15
Regelmodule motor, gasklep diesel
15
Regelmodule automatische versnellingsbak*
Gloeibougies (5-cil. diesel)
70
60
Compressor AC
15
Koelventilator (4-/5-cil.
benzine)
Relais sproeiers
5
Koelventilator (6-cil.), (5cil. diesel)
80
Relais startmotor
30
Luchtmassameter, kleppen (5-cil. diesel)
Bobines 4-cil. benzine,
regelmodule gloeiregeling
10
-
Bobines 5- en 6-cil. benzine
20
-
-
15
Inspuitsysteem (4-, 5- en
6-cil. benzine), luchtmassameter (5- en 6-cil. benzine), ECM (6-cil.)
-
Motorkleppen
10
EVAP, lambdasonde,
inspuiting (benzine)
15
Lambdasonde (4-cil. benzine, 5-cil. diesel)
10
Vacuümpomp, carterventilatie (5-cil. turbo, 2.0
GTDI)
-
Elektrohydraulische stuurbekrachtiging (1.6D)
80
Elektrohydraulische stuurbekrachtiging (overige
modellen)
100
-
07
20
Dieselfilterverwarming
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
291
07 Onderhoud en service
Zekeringen
Onder dashboardkastje
Posities
Hou
der
A
07
Functie
A
Hoofdzekering regelmodule audio
40
Lagetonenluidspreker
292
-
-
-
-
Hou
der
A
Functie
A
-
-
-
-
-
-
12V-aansluiting bagageruimte
Hou
der
A
Functie
A
Bedieningspaneel
bestuurdersportier
20
Bedieningspaneel voorste
passagiersportier
20
Bedieningspaneel achterste passagiersportier
rechts
20
07 Onderhoud en service
Zekeringen
Hou
der
A
Functie
A
Bedieningspaneel achterste passagiersportier links
Functie
A
20
Aansteker
15
Keyless drive*
20
Rear Seat Entertainment
(RSE)*
Elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel*
20
Stoelverwarming passagierszijde
15
Elektrisch bedienbare
passagiersstoel*
20
Stoelverwarming bestuurderszijde
15
Omklapbare hoofdsteunen*
15
-
-
Radio, display, RTI*
10
Infotainment
15
Hou
der
A
A
Ruitenwisser achter
15
Interieurverlichting, elektrisch bedienbare voorstoel*
7,5
5
-
Adaptieve cruisecontrol
(ACC)*, Collision Warning*
10
Zittingverwarming passagierszijde* rechtsachter
15
Interieurverlichting, regensensor
7,5
Zittingverwarming passagierszijde* linksachter
15
Stuurwieleenheid
7,5
Park Assist*
5
Centrale vergrendeling
achter, tankvulklep
10
Sproeiers
15
Ruitenwissers
15
Opening achterklep
10
Vergrendeling achterklep
10
-
5
Parkeercamera*
-
-
RTI*
5
Functie
Informatiedisplay (DIM)
Telefoon, BluetoothTM*
Schuifdak*, interieurverlichting plafond, klimaatsensor
Hou
der
B
Regelmodule AWD*
10
Actieve chassisregeling
FOUR-C*
10
07
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
293
07 Onderhoud en service
Zekeringen
Hou
der
B
Functie
A
Brandstofpomp
Functie
A
20
Schuifdak*
20
Ontvanger transpondersleutel, alarm*, klimaatregeling
5
Startblokkering
5
Stuurslot
15
Alarm/OBDII
5
-
-
Airbag
A
10
City Safety
07
294
Hou
der
B
Collision Warning, radarsensor vooraan
5
Gaspedaal, elektrische
motorverwarming (diesel),
elektrisch verstelbare buitenspiegels*, achterbankverwarming*
7,5
Infotainment (ICM), cd &
radioA
15
Remlichten
5
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Uitgezonderd Premium of High Performance.
07 Onderhoud en service
Zekeringen
Kofferbak/bagageruimte
Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde.
Posities
Zekeringhouder achterin
A
A
Zekeringhouder achterin
A
Zekeringhouder achterin
-
-
30
POT (elektrische achterklepbediening)*
30
Elektrische parkeerrem links
Elektrische parkeerrem
rechts
30
-
Elektrisch verwarmde achterruit
30
Trekhaakaansluiting 2*
15
Trekhaakaansluiting 1*
40
-
07
-
-
-
-
-
-
-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
295
07 Onderhoud en service
Verzorging
Auto wassen
BELANGRIJK
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg
dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens
het tanken bijvoorbeeld.
• Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk
van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel
doen verkleuren. U wordt geadviseerd een
dergelijke verkleuring te laten herstellen
door een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
• Spoel het onderstel af.
• Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Spuit niet rechtstreeks in de
richting van de sloten.
• Was de auto met een spons, autoshampoo
zeepoplossing of autoshampoo.
•
Gebruik een koud ontvettingsmiddel voor
hardnekkig vuil.
• Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
07
Wisserbladen schoonmaken
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit gaan
wisserbladen minder lang mee.
Bij het reinigen:
Zet de wisserbladen in de servicestand, zie
pagina 283.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
N.B.
Reinig de wisserbladen en de voorruit regelmatig met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
296
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken,
maar de borstels van de wasstraat kunnen niet
overal even goed bij. Voor het beste resultaat
wordt u geadviseerd de auto met de hand te
wassen.
N.B.
U wordt geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen
met de hand te wassen. Een nieuwe laklaag
is namelijk kwetsbaarder dan een oude
laag.
Hogedrukreinigers
en een ruime hoeveelheid lauw water.
• Reinig de wisserbladen met een lauwe
Automatische wasstraten
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen). Spuit niet rechtstreeks in de richting van
de sloten.
07 Onderhoud en service
Verzorging
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de handrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de
remblokken warm, zodat het vocht verdampt.
Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
Kunststof en rubber exterieuronderdelen
en sieronderdelen
Voor het schoonmaken en verzorgen van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende
strips, wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel te gebruiken dat bij de Volvowerkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het gebruik
van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij gebruik van ontvetters op kunststof en
rubber onderdelen waar nodig alleen voorzichtig wrijven. Gebruik een zachte schoonmaakspons.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende deklaag beschadigen of verwijderen.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
Velgen
Gebruik alleen de velgreinigingsmiddelen die
Volvo adviseert.
bestemde, fijne schuurpasta (“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op.
Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel
als was.
BELANGRIJK
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling, bescherming, glansverzegeling e.d.
kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade
als gevolg van dergelijke behandelingen valt
niet onder de Volvo-garantie.
Poetsen en in de was zetten
Waterafstotende laag*
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met een teerverwijderaar of terpentine. U kunt hardnekkige
vlekken met een speciaal voor autolak
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak
ontstaan.
07
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
297
07 Onderhoud en service
Verzorging
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling
te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel
dat verkrijgbaar is bij een erkende Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de eerste keer na
drie jaar en daarna ieder jaar.
07
298
beschermingslaag regelmatig controleren en
zo nodig bijwerken.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
Interieur reinigen
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij,
voldoet aan de norm Öko-Tex 100 en is behandeld om de bekleding in oorspronkelijke staat
te bewaren.
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Maak de bekleding regelmatig schoon
en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het
autoverzorgingsproduct op.
Roestwering, controleren en
onderhouden
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de
balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
Bij vlekken op de vloerbekleding kunt u, na
stofzuigen, het speciale reinigingsmiddel van
Volvo gebruiken.
Vlekken op stoffen bekleding en
plafondbekleding
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar voor het eerst te
worden nabehandeld. De auto moet daarna om
de drie jaar een nabehandeling ondergaan. U
wordt geadviseerd om contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats, als de auto
een nabehandeling nodig heeft.
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is
bij erkende Volvo-werkplaatsen. Gebruik water
en een synthetisch wasmiddel bij het schoonmaken van veiligheidsgordels. Zorg dat de gordel droog is, voordat deze weer wordt opgerold.
Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot
corrosie. Het is daarom belangrijk de auto
schoon te houden. Om de roestwering van de
auto in optimale staat te houden moet u de
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
BELANGRIJK
Naarmate leren bekleding ouder wordt, krijgt
het een fraai patina. Het leer wordt veredeld en
bewerkt zodat het zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer is voorzien van een
beschermende toplaag, maar om de goede
eigenschappen en het fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist. Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt
schoonmaken en de beschermende laag kunt
herstellen, mits u de instructies opvolgt. Na
enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt het
leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van de
oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina
maakt deel van het natuurlijke verouderingsproces van het leer en geeft aan dat het om een
natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo eenà viermaal per jaar (zo nodig vaker) beschermende crème op te brengen. De Volvo Leather
Care-set is verkrijgbaar bij de Volvo-dealer.
07 Onderhoud en service
Verzorging
•
•
BELANGRIJK
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Sommige geverfde kledingstukken
(zoals spijkerbroeken en suède kleding)
kunnen afgeven en voor verkleuring van
de bekleding zorgen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen.
Dergelijke middelen kunnen bekleding
van textiel, vinyl en leer beschadigen.
Reinigingsvoorschriften voor leren
stuurwiel
• Verwijder vuil en stof met een ietwat vochtige spons en een neutrale zeepoplossing.
• Leer moet kunnen ademen. Dek het leren
stuurwiel nooit af met kunststof bescherming.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te krijgen.
• Gebruik natuurlijke oliën. Voor het beste
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
Groep 1 (inkt, wijn, koffie, melk, zweet en
bloed)
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
resultaat wordt geadviseerd het leerverzorgingsmiddel van Volvo te gebruiken.
Bij vlekken op het stuurwiel:
Gebruik een zachte doek of spons. Neem
een ammoniaoplossing in een concentratie
van 5 %. (Gebruik voor bloedvlekken een
oplossing van 2 dl water en 25 g zout.)
Groep 2 (vet, olie, saus en chocolade)
Groep 3 (vuil, stof in droge vorm)
1. Gebruik een zachte borstel om het vuil te
verwijderen.
2. Dezelfde procedure als voor groep I.
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water
bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken
geadviseerd, die verkrijgbaar zijn bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit
sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige
vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel
gebruiken dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats.
Matten en bagageruimte
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen.
07
1. Dezelfde procedure als voor groep I.
2. Dep met een absorberende papieren of
stoffen doek.
``
299
07 Onderhoud en service
Verzorging
Geringe lakschade herstellen
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct
herstellen. De meest voorkomende soorten
lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken,
krassen en plekjes op de spatbordranden en
portieren.
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. Voor de positie van de productsticker, zie pagina 304.
Steenslagschade herstellen
N.B.
G021832
• grondlak (primer) in een bus
• spuitbus of bijwerkpen1
• afplaktape
Kleurcode
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
2. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng deze met een fijn kwastje of een luciKleurcode van de auto
1
300
3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
Benodigdheden
07
fer aan. Breng de lak met een kwastje aan,
wanneer de primer droog is.
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen werden geleverd.
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na
reiniging van het beschadigde gebied de
ontbrekende lak aan te brengen.
07 Onderhoud en service
07
301
Type-aanduidingen...............................................................................
Maten en gewichten..............................................................................
Motorspecificaties.................................................................................
Motorolie...............................................................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen.............................................................
Brandstof..............................................................................................
Wielen en banden, maten en spanning ................................................
Elektrisch systeem................................................................................
Typegoedkeuring..................................................................................
Displaysymbolen...................................................................................
302
304
306
310
311
313
315
317
319
320
321
SPECIFICATIES
08 Specificaties
Type-aanduidingen
Positie van stickers en plaatjes
08
304
08 Specificaties
Type-aanduidingen
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer. Bij het openen van het rechter
achtportier is de sticker zichtbaar.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
Sticker voor standverwarming.
Motorcode, onderdeel- en serienummer.
Motoroliesticker met de kwaliteit en viscositeit van de te gebruiken olie.
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Identificatienummer van de auto (VIN,
Vehicle Identification Number)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
08
305
08 Specificaties
Maten en gewichten
Maten
08
306
Maten
mm
A
Wielbasis
2774
B
Lengte
4627
C
Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt
1789
D
Laadlengte, vloer
E
Hoogte
F
Laadhoogte
G
Spoorbreedte vooras
972
1713
802
1632
Maten
mm
H
Spoorbreedte achteras
1586
I
Laadbreedte, vloer
1090
J
Breedte
1891
K
Breedte incl. buitenspiegels
2120
Gewichten
Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het
gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de
resterende oliën/vloeistoffen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (bij
gebruik van een aanhanger (zie tabel op pagina
308)) zijn van invloed op het laadvermogen en
zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
08 Specificaties
Maten en gewichten
N.B.
Het gedocumenteerde rijklaar gewicht geldt
voor een auto in standaarduitvoering –
d.w.z. een auto zonder extra uitrusting of
accessoires. Dit betekent dat voor ieder
accessoire dat wordt toegevoegd het laadvermogen van de auto met het gewicht van
het desbetreffende accessoire moet worden verminderd.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 100 kg.
Voorbeelden van accessoires die een vermindering van het laadvermogen betekenen
zijn auto’s in de uitvoeringen Kinetic,
Momentum en Summum alsmede zaken als
trekhaken, lastdragers, skiboxen, audiosystemen, verstralers, gps-systemen, brandstofkachels, veiligheidsrekken, matten,
bagagerolhoezen/-afdekkingen, elektrisch
bediende stoelen, etc.
Een weegbrug is een betrouwbaar instrument om het rijklaar gewicht voor uw auto
te bepalen.
Voor informatie over de positie van de sticker, zie
pagina 304.
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
08
``
307
08 Specificaties
Maten en gewichten
Trekgewicht en kogeldruk
A
Motor
Versnellingsbak
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
Alle
Alle
0–1200
50
2.0T
Automaat, MPS6
1800
90
3.2
Automaat, TF-80SC
1800
90
3.2 AWD
Automaat, TF-80SC
1800
90
T6 AWD
Automaat, TF-80SC
2000
90
D3
Automaat, TF-80SC
1600
90
D3
Handbak, M66
1600
75
D5 AWD
Automaat, TF-80SC
2000
90
D5 AWD
Handbak, M66
1800
90
2.4D AWDA
Automaat, TF-80SC
2000
90
2.4D AWDA
Handbak, M66
1800
90
Bepaalde markten
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
750
08
308
Max. kogeldruk (kg)
50
08 Specificaties
Maten en gewichten
N.B.
Voor aanhangers/caravans zwaarder dan
1800 kg wordt een trillingsdemper op de
trekhaak geadviseerd.
08
309
08 Specificaties
Motorspecificaties
Motorspecificaties
A
08
310
Model
Motorcode
Vermogen (kW
bij omw/
min)
Vermogen (pk
bij omw/
min)
Motorkoppel
(Nm bij omw/
min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
(mm)
Slaglengte
(mm)
Slagvolume (liter)
Compressieverhouding
2.0T
B4204T6
149/6000
203/6000
300/1750–4000
4
88
83,1
1,999
10,0:1
T6
B6304T2
210/5600
285/5600
400/1500–4800
6
82
93,2
2,953
9,3:1
T6
B6304T4
224/5600
304/5600
440/2100–4200
6
82
93,2
2,953
9,3:1
3.2
B6324S5
185/6200
245/6200
320/3200
6
84
96,0
3,192
10,8:1
D3
D5204T2
120/3000
163/3000
400/1400–2850
5
81
77,0
1,984
16,5:1
D5
D5244T10
151/4000
205/4000
420/1500–3250
5
81
93,2
2,400
16,5:1
2.4D
D5244T16A
120/4000
163/4000
420/1500–2500
5
81
93,2
2,400
16,5:1
Bepaalde markten
08 Specificaties
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden van
ongunstige rijomstandigheden.
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• in temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere ritten bij lage temperaturen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Viscositeitsdiagram
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het bijvullen als bij het verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
08
``
311
08 Specificaties
Motorolie
Motoroliekwaliteit
Motortype
Motorcode
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN en MAX (liter)
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
T6
B6304T4
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
1,2
6,8
3.2
B6324S5
Viscositeit: SAE 0W-30
1,2
6,8
D3
D5204T2
1,0
5,9
D3
D5244T16
1,0
5,9
D5
D5244T10
1,0
5,9
2.0T
B4204T6
0,6
4,1
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 5W-30
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden ACEA A5/B5 SAE 0W-30
gebruiken.
08
312
08 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Overige vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistof
Systeem
Koelvloeistof
2.0T, T6, 3.2, D3, D5, 2.4D
8,9
Door Volvo aanbevolen koelvloeistof
aangelengd met 50 % waterA, zie verpakking.
Remvloeistof
Remsysteem
0,6
DOT 4+
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Stuurbekrachtiging
Ruitensproeiervloeistof
Brandstof
A
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven kwaliteit
–
WSS M2C204-A2 of een vergelijkbaar
product.
Auto’s met koplampsproeiers
6,5
Auto’s zonder koplampsproeiers
4,5
Door Volvo aanbevolen ruitensproeierantivries aangelengd met water.
Benzinemotor
ca. 70
Benzine, zie pagina 233
Dieselmotor
ca. 70
Dieselolie, zie pagina 233
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
Handgeschakelde versnellingsbak
M66
Automatische versnellingsbak
Hoeveelheid (liter)
1,9
Hoeveelheid (liter)
MPS6
7,3
TF-80SC
7,0
Voorgeschreven versnellingsbakolie
BOT 350M3
Voorgeschreven versnellingsbakolie
BOT 341
08
``
313
08 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft u
de versnellingsbakolie nooit te verversen.
Onder ongunstige rijomstandigheden moet
de olie mogelijk wel worden ververst, zie
pagina 313.
08
314
08 Specificaties
Brandstof
CO2-uitstoot en brandstofverbruik
A
A
B
C
2.0T
262
11,3
161
6,9
198
8,5
T6 AWD
354
15,2
188
8,1
249
10,7
3.2 AWD
322
13,8
176
7,6
229
9,9
D3
197
7,5
129
4,9
154
5,9
D3
234
8,9
148
5,6
179
6,8
D5 AWD
234
8,9
139
5,3
174
6,6
D5 AWD
250
9,5
146
5,5
184
7,0
2.4D AWDA
234
8,9
139
5,3
174
6,6
2.4D AWDA
250
9,5
146
5,5
184
7,0
Bepaalde markten
08
``
315
08 Specificaties
Brandstof
A = stadsverkeer (l/100 km)
B = snelwegrit (l/100 km)
C = combinatierit (l/100 km)
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in
de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op speciale EU-rijcycli1, die gelden voor een auto met
rijklaar gewicht in standaarduitvoering zonder
extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting
neemt het autogewicht toe. Dit alsook de mate
van belading van de auto zorgt voor een verhoging van het brandstofverbruik en de uitstoot van kooldioxide.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor
een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte
van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken
aan factoren als:
• uw rijstijl.
• de grotere rolweerstand als u kiest voor
grotere wielen dan de standaardwielen op
de basisuitvoering van het model.
08
316
1
• de grotere luchtweerstand bij hogere snelheden.
• de brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de staat van de auto.
Ook wanneer u slechts enkele van de hier
genoemde tips opvolgt, is al een aanzienlijk
lager brandstofverbruik mogelijk. Raadpleeg
voor meer informatie de richtlijnen waar eerder
aan gerefereerd werd1.
• De bandenkeuze is mogelijk van invloed op
het brandstofverbruik – informeer bij uw
dealer naar passende banden.
Zie pagina 14 en 228 voor meer informatie en
meer tips.
Zie pagina 232 voor meer algemene informatie
over brandstof.
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik mogelijk bij een vergelijking met de EUrijcycli1 die gehanteerd worden bij certificering
van de auto en waarop de verbruikscijfers in de
tabel gebaseerd zijn.
Waar u op moet letten
Tips voor de bestuurder om het brandstofverbruik te beperken:
• Rijd rustig en voorkom onnodig optrekken
en krachtig remmen.
• Houd de juiste bandenspanning aan en
controleer regelmatig of dat nog steeds zo
is – houd voor de beste resultaten de zogeheten ECO-bandenspanning aan, zie de
bandenspanningstabel op pagina 262.
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (“EU-rijcycli”) conform de EU-richtlijn 80/1268/EEC (Euro 4), EU Regulation no 682/2008
(Euro 5) alsmede UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer – de meting begint met een koude start van de motor.
Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. – Bij een auto met motortype D5 in
combinatie met een zestraps handbak geldt normaal de 2e versnelling als wegrijversnelling. De waarde voor combinatierit, die in de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een combinatie van
een stadsrit en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en
leiden tot de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
08 Specificaties
Wielen en banden, maten en spanning
Goedgekeurde maten
In bepaalde landen staan niet alle goedgekeurde maten aangegeven op het kentekenbewijs of andere autopapieren. In de onder-
Motor
staande tabel staan alle goedgekeurde combinaties velg- en bandcombinaties alsook de
minimaal toelaatbare lastindex (LI) en -snelheidsklasse (SS). Voor het juiste gebruik van de
tabel zijn gegevens over de motor, de voorwie-
FWD/
handb./
AWD
autom.
LI
SS
laandrijving (FWD) of vierwielaandrijving (AWD)
alsook het type versnellingsbak vereist. Voor
meer informatie over deze gegevens, zie
pagina 304.
235/65R17
235/60R18
235/55R19
255/45R20
7,5Jx17x55
8Jx18x55
8Jx19x55
8Jx20x55
7,5Jx18x55
7,5Jx19x55
D5
D5244T10
AWD
handb./
autom.
101
V
Ⴋ
Ⴋ
Ⴋ
Ⴋ
2.4
D5244T16
AWD
autom.
101
H
Ⴋ
Ⴋ
Ⴋ
Ⴋ
D3
D5204T2
FWD
handb./
autom.
101
H
Ⴋ
Ⴋ
Ⴋ
Ⴋ
2.0
B4204T6
FWD
autom.
101
V
Ⴋ
Ⴋ
Ⴋ
Ⴋ
3.2
B6324S5
AWD
autom.
101
V
Ⴋ
Ⴋ
Ⴋ
Ⴋ
T6
B6324T4
AWD
autom.
101
V
Ⴋ
Ⴋ
Ⴋ
Ⴋ
08
``
317
08 Specificaties
Wielen en banden, maten en spanning
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
Variant
Bandenmaat
Snelheid
Belading, 1–3 inzittenden
Max. belading
(km/h)
Alle motoren
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
235/65 R 17
Tot 160
240
240
270
270
270
235/60 R 18
160 +
240
240
270
270
-
max. 80
420
420
420
420
-
235/55 R 19
255/45 R 20
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
08
318
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
08 Specificaties
Elektrisch systeem
Elektrisch systeem
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar. Het elektrische systeem is
enkelpolig en gebruikt het chassis en het
motorblok als geleiders.
De accucapaciteit is afhankelijk van de uitrusting op de auto.
BELANGRIJK
Let er bij het vervangen van de accu op, dat
de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele
accu heeft (zie sticker op de accu).
Accu
Spanning (V)
Koudestartvermogen,
Reservecapaciteit
CCA, Cold Cranking Amperes (A)
(minuten)
12
520–700
100–135
12
700–800
135–160
08
319
08 Specificaties
Typegoedkeuring
Afstandsbedieningssysteem
Land
A, B, CY, CZ, D, DK,
E, EST, F, FIN, GB,
GR, H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P, PL, S,
SK, SLO
IS, LI, N, CH
HR
ROK
Hierbij verklaart Delphi dat het
gebruikte transpondersleutelsysteem in
overeenstemming is
met de essentiële
eigenschappen en
overige relevante
bepalingen zoals
beschreven in de
EU-richtlijn 1999/5/
EG.
Delphi 15-07-2003,
Duitsland RLPD1-03-0151
BR
RC
08
CCAB06LP1940T4
320
08 Specificaties
Displaysymbolen
Algemene informatie
Er worden tal van verschillende displaysymbolen gebruikt in de auto. De symbolen zijn
onderverdeeld in waarschuwings-, controleen informatiesymbolen. Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende symbolen
met hun betekenis en een verwijzing naar de
pagina(’s) in het boek waar u meer informatie
kunt vinden. Voor meer informatie over de symbolen en displaymeldingen, zie pagina 74, 75
en 138.
Displaysymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
op instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Pagina
Lage oliedruk
75
Handrem
75, 126,
127
gaat
Het rode waarschuwingssymbool
branden, wanneer er een storing geregistreerd
is die mogelijk van invloed is op de veiligheid
en/of rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding
op het informatiedisplay.
Airbags - SRS
21, 75
Gordelwaarschuwing
18, 75
Dynamo laadt niet bij
75
gaat
Het oranje informatiesymbool
branden en er verschijnt een verklarende tekst
op het informatiedisplay, wanneer er een afwijking in een van de autosystemen is opgetreden. Het oranje informatiesymbool kan ook
gaan branden in combinatie met andere symbolen.
Storing in remsysteem
75, 123
Waarschuwing,
Safety mode
21, 33,
75, 77
Controle- en informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Pagina
Storing in ABL-systeem*
74, 87
Uitlaatgasreinigingssysteem
74
Storing in ABS-systeem
74, 123
Mistachterlicht aan
74, 88
Stabiliteitsregeling,
DSTC; afdalingsremregeling; Trailer Stability Assist
74, 124,
170, 248
Voorgloeifunctie
motor (diesel)
74
Laag peil in brandstoftank
74, 150
Informatie, lees displaymelding
74
Groot licht aan
74, 87
08
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
321
08 Specificaties
Displaysymbolen
Symbool
Betekenis
Pagina
Richtingaanwijzers
links
74
Richtingaanwijzers
rechts
74
Symbool
Overige informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
322
Pagina
Betekenis
Pagina
Adaptieve cruisecontrol*; afstandscontrole* (Distance Alert)
176, 182
ABL*
87
Adaptieve cruisecontrol*; afstandscontrole* (Distance Alert)
176, 182
Tankvulklep rechts
231
Accuspanning laag
150
176
Handrem
127
180, 194
Regensensor*
96
Driver Alert System*
197, 198
Driver Alert System*;
Lane Departure Warning*
198, 200
Driver Alert System*;
Lane Departure Warning*
200
Driver Alert System*;
Tijd voor pauze
198
Betekenis
Pagina
Adaptieve cruisecontrol*
Adaptieve cruisecontrol*
172, 176,
180
Radarsensor*
Adaptieve cruisecontrol*
180
Adaptieve cruisecontrol*; afstandscontrole* (Distance Alert)
180, 183
Adaptieve cruisecontrol*; afstandscontrole* (Distance Alert)
180, 183
Adaptieve cruisecontrol*
180
G025102
08
Betekenis
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Camerasensor*;
lasersensor*
188, 194,
198, 200
Auto Brake*;
afstandscontrole*
(Distance Alert); City
SafetyTM; Collision
Warning*
183, 188,
194
Motor- en interieurverwarming op
brandstof*
150
Symbool
08 Specificaties
Displaysymbolen
Informatiesymbolen op display
middenconsole
Symbool
Informatiesymbolen op display
plafondconsole
Betekenis
Pagina
Audiobestanden
Symbool
Betekenis
Pagina
158
Gordelwaarschuwing
19
Map op cd
158
Airbag passagiersstoel, geactiveerd
24, 25
Verkeersinformatie
161
215, 221
Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd
25
Telefoon*
BluetoothTM-handsfree*
216, 218
Parkeerhulp*
202
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
323
09 Alfabetisch register
09
A
Achteruitkijkspiegel.................................. 102
autodimfunctie.................................... 103
Aanbevolen veiligheidzitjes, tabel.............. 36
Actief chassis (FOUR-C).......................... 171
Aanhanger...............................................
kabel...................................................
pendelbeweging.................................
rijden met een aanhanger...................
Actieve koplampen (ABL).......................... 87
242
242
247
242
Aanpassen, lichtbundel............................. 92
Aanrijding................................................... 33
Adaptieve cruisecontrol........................... 174
radarsensor......................................... 178
Storingen opsporen............................ 179
HomeLinkŸ
66
66
66
66
Alarmlichten............................................... 89
Alcoholslot............................................... 109
Allergenen................................................ 142
All Wheel Drive (vierwielaandrijving)........ 121
Afstandsbediening
programmeerbaar .............................. 129
Antislipregeling........................................ 169
Aanstekeropening.................................... 213
ACC – Adaptieve cruisecontrol................ 174
Afstandscontrole...................................... 182
Approach-verlichting................................. 91
ACC gedeactiveerd.................................. 172
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 24
bestuurders- en passagierszijde.......... 22
deactiveren met sleutel......................... 24
Audio
achterste bedieningspaneel...............
hoofdtelefoonaansluiting....................
instellingen..........................................
surround.............................................
Accu................................................. 285, 319
onderhoud.......................................... 285
starten met hulpaccu.......................... 115
symbolen op de accu......................... 285
transpondersleutel/PCC....................... 54
waarschuwingssymbolen................... 285
Achterklep.................................................. 61
openen.................................................. 61
vergrendelen/ontgrendelen.................. 60
Achterruit, elektrische verwarming.......... 102
Achterste bedieningspaneel
audiosysteem..................................... 154
324
Actieve xenonkoplampen.......................... 87
beperkt alarmniveau.............................
deactiveren...........................................
geactiveerd alarm uitschakelen............
tijdelijk uitschakelen..............................
AIRBAG ............................................... 22, 23
Airbagsysteem .......................................... 21
Airconditioning......................................... 146
algemene informatie........................... 141
Airconditioning, AC.................................. 146
Alarm..........................................................
activeren...............................................
alarmindicatie.......................................
alarmsignalen........................................
alarmsysteem controleren....................
65
66
65
66
51
Antispin ................................................... 169
154
154
154
153
Audiosysteem.......................................... 153
functies............................................... 154
overzicht............................................. 153
Auto
klimaatinstelling.................................. 145
Autobekleding.......................................... 298
Automatische hervergrendeling................. 59
Automatische motorrem.......................... 124
09 Alfabetisch register
09
Automatische schakelblokkering deactiveren............................................................ 118
Automatische vergrendeling...................... 59
Automatische versnellingsbak.................
aanhanger...........................................
handmatig schakelen (Geartronic)......
slepen en bergen................................
116
243
116
249
Automatische wasstraten........................ 296
Auto wassen............................................ 296
AUX.......................................................... 153
AWD, vierwielaandrijving......................... 121
Banden
bandenreparatie................................. 264
draairichting........................................ 254
maten.................................................. 317
onderhoud.......................................... 254
rijeigenschappen................................ 254
slijtage-indicator................................. 255
snelheidsaanduidingen....................... 257
spanning..................................... 262, 317
specificaties................................ 257, 317
winterbanden...................................... 256
Bedieningsknoppen
middenconsole................................... 134
Bedieningspaneel verlichting..................... 86
B
Bagagenet............................................... 239
Bagagerolhoes......................................... 241
Bagageruimte
bagagenet........................................... 239
bagagerolhoes.................................... 241
krikpunten........................................... 237
veiligheidsrek...................................... 240
verlichting............................................. 91
Bagage verankeren (Lading vervoeren)... 237
Bedrijfsrem.............................................. 122
Bellen............................................... 216, 221
Benzinekwaliteit....................................... 233
Bergen..................................................... 250
Berichten en symbolen
Afstandscontrole................................ 183
Collision Warning met Auto
Brake.......................................... 188, 194
Driver Alert Control............................. 198
Lane Departure Warning..................... 200
Berichten en symbolen voor adaptieve
cruisecontrol............................................ 180
Berichten op instrumentenpaneel............ 138
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 296
Beslagen ruiten........................................
ontwasemen.......................................
ontwasemen met blaasmonden.........
timerfunctie.........................................
146
141
148
146
Blaasmonden........................................... 143
BLIS, Blind Spot Information System...... 208
BLIS-systeem (Blind Spot Information System).......................................................... 208
Blokkering achteruitversnelling................ 116
Bluetooth
gesprek naar mobiel........................... 217
handsfree............................................ 215
microfoon dempen............................. 217
Boordcomputer....................................... 167
Botsing, zie Aanrijding............................... 33
Brandstof.................................................
brandstofbesparing............................
brandstoffilter.....................................
brandstofverbruik...............................
232
262
234
315
Buitenafmetingen..................................... 306
Buitenspiegels......................................... 101
Buitenspiegels resetten........................... 102
325
09 Alfabetisch register
09
C
Dakbelasting, max. gewicht .................... 306
Camerasensor................................. 186, 193
Dashboardkastje...................................... 213
vergrendelen......................................... 60
Chassisstanden....................................... 171
Dieselolie................................................. 233
City Safety™............................................ 185
Displayverlichting....................................... 86
Claxon........................................................ 85
Dolby Surround Pro Logic II.................... 153
Claxonneren............................................... 85
Doorluchtfunctie................................ 59, 142
Clean Zone Interior Package (CZIP)........ 142
Doorwaaddiepte...................................... 228
CO2-uitstoot ............................................ 315
Driver Alert Control.................................. 196
Collision Warning............................. 190, 191
radarsensor......................... 178, 185, 191
Driver Alert System.................................. 196
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem........... 170
Elektrische aansluiting
bagageruimte...................................... 238
voorstoel............................................. 214
Elektrische parkeerrem............................
automatisch lossen.............................
handmatig lossen...............................
lage accuspanning..............................
126
127
127
126
Elektrische verwarming
achterruit............................................. 102
buitenspiegels..................................... 102
stoelen en achterbank........................ 144
Elektrisch inklapbare buitenspiegels....... 101
Collision Warning met Auto Brake*.......... 190
Elektronische startblokkering.................... 48
Condens aan binnenkant lampglazen..... 296
Etiketten................................................... 304
Contactsleutels.......................................... 78
Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 274
Cruisecontrol........................................... 172
CZIP (Clear Zone Interior Package)......... 142
E
ECC, elektronische klimaatregeling......... 144
Extra verwarming..................................... 152
Extra verwarming (diesel)......................... 152
ECO-bandenspanning............................. 262
EHBO-kit ................................................. 263
F
EHBO-set................................................. 263
D
DAB, menusysteem................................. 165
DAB-radio................................................ 163
Dagtellers................................................... 77
326
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 99
Elektrisch bedienbare ruiten resetten...... 100
Elektrisch bedienbare stoel....................... 81
Elektrisch bediend panoramadak............ 106
elektrische aansluiting............................. 214
FM, menusysteem................................... 163
Follow Me home-verlichting...................... 91
FOUR-C – Actief chassis......................... 171
FSC, milieulabel......................................... 15
09 Alfabetisch register
09
G
Gloeilampen achterlamphuis:
positie................................................. 280
I
Geartronic................................................ 116
Gordelwaarschuwing................................. 19
IAQS – Interior Air Quality System........... 142
Geïntegreerde telefoon............................ 221
Gordijn
panoramadak...................................... 106
IC-systeem – Inflatable Curtain................. 28
Gelaagd glas.............................................. 99
Geluidssterkte
beltoon, telefoon................................. 217
telefoon............................................... 217
telefoon/mediaspeler.......................... 217
Gereedschap........................................... 260
Gesprek in de wacht zetten..................... 222
Gesprekken
functies tijdens lopende gesprekken.............................................. 221, 222
gebruik........................................ 216, 221
inkomende.................................. 216, 222
telefoonvolume................................... 222
wissel-................................................. 222
Gevarendriehoek..................................... 263
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 306
Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............ 86
IDIS – Intelligent Driver Information System........................................................... 223
IMEI-nummer........................................... 224
H
In de was zetten....................................... 297
Informatiedisplays...................................... 73
Handgeschakelde versnellingsbak.......... 116
slepen en bergen................................ 249
Informatie- en waarschuwingssymbolen... 74
Handmatig schakelen (Geartronic).......... 116
Instructieboekje, milieulabel...................... 15
Handrem.................................................. 126
Instrumenten, schakelaars en bediening... 70
HDC......................................................... 124
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 70
auto met stuur rechts........................... 72
Hill Descent Control................................. 124
Hogedruksproeiers koplampen................. 97
Hoge motortemperatuur.......................... 242
HomeLinkŸ .............................................. 129
Glazen
gelaagd/verstevigd............................... 99
Hoofdsteun
middelste zitplaats achterbank............. 82
omklappen...................................... 83, 84
Gloeilampen, zie Verlichting.................... 277
Hoofdtelefoonaansluiting......................... 154
Houder voor boodschappentassen ........ 237
Informatietoets, PCC................................. 51
Instrumentenpaneel................................. 138
Instrumentenverlichting, zie Verlichting..... 86
Interieurcomfort....................................... 212
Interieurfilter............................................. 142
Interieurverlichting, zie Verlichting............. 90
Interieurverwarming
op brandstof....................................... 149
Intervalstand.............................................. 96
327
09 Alfabetisch register
09
iPodŸ, aansluiting.................................... 156
K
Katalysator............................................... 232
bergen................................................. 249
Koelsysteem............................................ 228
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 298
Kofferbak
lading vervoeren................................. 236
Lichtbundel aanpassen.............................. 92
Active Bending Lights .......................... 92
halogeenkoplampen............................. 92
Kompas................................................... 104
kalibreren............................................ 104
Keuzehendelblokkering........................... 118
Koplamphoogteregeling............................ 86
Keuzehendelblokkering, mechanisch uitschakelen................................................. 118
Koudemiddel........................................... 141
M
Krik........................................................... 260
Make-upspiegel................................. 90, 214
Max. dakbelasting .................................. 306
Keyless drive...................................... 56, 113
Kinderen....................................................
kinderslot..............................................
kinderzitjes en SIPS-airbags.................
positie in de auto..................................
veiligheid...............................................
34
42
26
34
34
Kinderslot................................................... 64
Kinderzitje.................................................. 34
Meldingen op informatiedisplay............... 170
L
Lading vervoeren
algemene informatie...........................
bagageruimte......................................
krikpunten...........................................
lading op het dak................................
Meldingen voor BLIS............................... 210
Menu- en meldingsfuncties..................... 134
236
236
237
236
Menusysteem
DAB.................................................... 165
FM....................................................... 163
Lak
kleurcode............................................ 300
schade en herstel............................... 300
Meters op het instrumentenpaneel
brandstofmeter..................................... 74
snelheidsmeter..................................... 74
toerenteller............................................ 74
Lampen, zie Verlichting............................ 277
Middenconsole........................................ 134
Klok, instellen............................................. 77
Lampjes................................................... 170
Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 15
Knipperlichten............................................ 89
Lane Departure Warning.......................... 199
Knippersignalen, PCC............................... 51
Lekke band, zie Banden.......................... 260
Mistlichten
achter.................................................... 88
Kleurcode, lak.......................................... 300
Klimaatregeling........................................ 141
algemene informatie........................... 141
sensoren............................................. 141
328
Luchtverdeling................................. 143, 148
Koplampen.............................................. 277
09 Alfabetisch register
09
Mobiele telefoon
aansluiten........................................... 218
handsfree............................................ 215
telefoon registreren............................. 215
Motor
oververhitting...................................... 242
starten................................................. 113
Motorolie.......................................... 271, 311
filter..................................................... 272
hoeveelheden..................................... 311
oliekwaliteit......................................... 311
ongunstige rijomstandigheden........... 311
Motorremregeling ................................... 169
Motorruimte
koelvloeistof........................................
olie......................................................
overzicht.............................................
stuurbekrachtigingsvloeistof...............
274
272
271
275
Motorspecificaties................................... 310
Motorverwarming
op brandstof....................................... 149
N
P
Noodoproepen......................................... 221
PACOS....................................................... 24
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 263
PACOS, schakelaar voor activering/deactivering....................................................... 24
Paniekfunctie............................................. 50
O
Olie, zie ook Motorolie............................. 311
Oliepeil laag............................................. 272
Panoramadak
gordijn................................................. 106
openen en sluiten............................... 106
ventilatiestand..................................... 107
Omklappen, ruggedeelte achterbank........ 83
Park Assist............................................... 202
sensoren voor Park Assist.................. 204
Onderhoud
roestwering......................................... 298
Parkeerhulpcamera.................................. 205
Ontgrendelen
van de binnenzijde................................ 59
van de buitenzijde................................. 59
Ontwaseming........................................... 146
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte....................................................... 212
opblaasgordijn........................................... 28
Openen, motorkap................................... 270
Passagiersruimte..................................... 212
PCC (Personal Car Communicator)
bereik transpondersleutel............... 51, 52
functies................................................. 50
Peilstok, elektronisch............................... 273
Poetsen.................................................... 297
Powershift-versnellingsbak.............. 119, 249
Provisorische bandenreparatie................ 264
Oververhitting.......................................... 242
329
09 Alfabetisch register
09
R
Radarsensor............................................ 174
beperkingen........................................ 178
S
Recirculatie.............................................. 146
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 306
trekgewicht......................................... 306
Safelock-functie......................................... 62
deactiveren........................................... 62
onderbreking........................................ 62
Regensensor.............................................. 96
Rijden tijdens de winter........................... 229
Safety mode.............................................. 33
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 288
Rijeigenschappen aanpassen.................. 171
Rem- en koppelingsvloeistof................... 275
Roestwering............................................. 298
Remlichten................................................. 88
Roetfilter.................................................. 234
Remmen.................................................. 122
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 122
elektrische parkeerrem....................... 126
noodremlichten..................................... 88
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA .................................................... 122
remlichten............................................. 88
remsysteem........................................ 122
remvloeistof bijvullen.......................... 275
symbolen op instrumentenpaneel...... 123
Roetfilter vol............................................. 234
Schoonmaken
automatische wasstraten...................
auto wassen.......................................
bekleding............................................
veiligheidsgordels...............................
velgen.................................................
Rolbeugels................................................. 31
Serviceprogramma.................................. 270
ROPS (Roll-Over Protection System)........ 31
Signaalingang, externe............................ 153
ROPS (Roll-Over Protection System) (Rolbeugels)..................................................... 31
Simkaart................................................... 224
Rugleuning................................................. 80
voorstoel, omklappen........................... 80
SIPS-airbags.............................................. 26
Ruiten en spiegels..................................... 99
Ruitensproeiers.......................................... 97
Slepen...................................................... 249
sleepoog............................................. 250
Ruitensproeiervloeistof, bijvullen............. 284
Sleutel........................................................ 48
Ruitenwissers............................................ 96
regensensor.......................................... 96
Sleutelblad................................................. 52
Reservewiel.............................................. 260
compact reservewiel........................... 260
Richtingaanwijzers..................................... 89
Rijadviezen............................................... 228
Rijden....................................................... 228
koelsysteem........................................ 228
330
met een aanhanger............................. 242
met geopende achterklep................... 229
Rijklaar gewicht........................................ 306
296
296
298
298
297
SIPS-airbag............................................... 26
Sleepoog.................................................. 250
Sleutelblokkering..................................... 118
Sleutelloos starten (Keyless drive)..... 56, 113
Sleutelstanden........................................... 78
09 Alfabetisch register
09
Sloten
automatische vergrendeling................. 59
ontgrendelen......................................... 59
vergrendelen......................................... 59
Smeermiddelen........................................ 313
Smeermiddelen, hoeveelheden............... 313
Spiegels
achteruitkijk-.......................................
buiten-................................................
elektrische verwarming.......................
elektrisch inklapbare...........................
kompas...............................................
102
101
102
101
104
Spin Control............................................. 169
Sproeiers
achterruit............................................... 97
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 284
voorruit.................................................. 97
Sproeikoppen, verwarmde........................ 97
Stabiliteits- en tractieregelsysteem......... 169
Stabiliteitssysteem................................... 169
Stadslichten vóór en achterlichten............ 88
Standverwarming.....................................
accu en brandstof...............................
op een helling parkeren......................
tijd instellen.........................................
149
149
149
151
Startblokkering.......................................... 48
Starten met hulpaccu.............................. 115
Steenslagplekken en krassen.................. 300
Stickers.................................................... 304
Stoel, zie Stoelen en achterbank............... 80
Stoelen en achterbank............................... 80
elektrische bediening............................ 81
elektrische verwarming....................... 144
hoofdsteunen achterbank..................... 82
ruggedeelte achterbank omklappen..... 83
rugleuning voorstoel omklappen.......... 80
Stoel met geheugenfunctie........................ 81
Storingen in de adaptieve cruisecontrole
opsporen.................................................. 179
Storingen in de camerasensor opsporen.................................................... 187, 193
Storingsmeldingen
Driver Alert Control............................. 198
Lane Departure Warning..................... 200
zie Berichten en symbolen................. 180
Storingsmeldingen voor adaptieve cruisecontrol...................................................... 180
Stuurbekrachtiging, snelheidsafhankelijke........................................................... 171
Stuurkrachtniveau, zie Stuurbekrachtiging.......................................................... 171
Stuurslot.................................................. 114
Stuurwiel.................................................... 85
stuurwielafstelling................................. 85
toetsenset............. 85, 134, 153, 172, 221
toetsenset adaptieve cruisecontrol.... 176
Stuurwiel afstellen...................................... 85
Surround.................................................. 153
Symbolen
controlesymbolen................................. 74
informatiesymbolen.............................. 74
waarschuwingssymbolen..................... 74
Symbolen en meldingen
Afstandscontrole................................ 183
Botswaarschuwing met brake support............................................. 188, 194
Driver Alert Control............................. 198
Lane Departure Warning..................... 200
Symbolen en meldingen voor adaptieve
cruisecontrol............................................ 180
Storingsmeldingen voor BLIS.................. 210
Storingsmeldingen voor de afstandscontrole.......................................................... 183
331
09 Alfabetisch register
09
T
Totaalgewicht.......................................... 306
Traction Control....................................... 169
Tanken.....................................................
tankdop...............................................
tanken.................................................
tankvulklep, elektrisch openen...........
tankvulklep, handmatig openen.........
231
231
231
231
231
Telefoon
aan/uit.................................................
aansluiten...........................................
bellen..................................................
beltoon................................................
berichten.............................................
geïntegreerd, overzicht.......................
gesprek beantwoorden.......................
handsfree............................................
inkomende gesprekken......................
Simkaart..............................................
telefoonboek.......................................
telefoonboek, sneltoets......................
telefoon registreren.............................
221
218
216
222
223
221
217
215
216
224
218
218
215
Transmissie.............................................. 116
Uitstoot van kooldioxide.......................... 235
USB, aansluiting...................................... 156
Transponder.............................................. 99
Transpondersleutel....................................
afneembaar sleutelblad........................
batterij vervangen.................................
bereik transpondersleutel.....................
functies.................................................
48
52
54
51
50
V
Veiligheidsgordel
achterbank............................................ 20
gordelspanners..................................... 20
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring..................................................... 320
Veiligheidsgordels...................................... 18
Trekgewicht............................................. 306
Veiligheidszitje...........................................
aanbevolen...........................................
afmetingscategorieën voor veiligheidszitjes met ISOFIX-bevestigingssysteem......................................................
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................
geïntegreerd kinderzitje met twee standen........................................................
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................
Trekhaak..................................................
afneembaar, aanbrengen ...................
afneembaar, verwijderen ...................
specificaties........................................
244
245
246
244
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 244
Trillingsdemper........................................ 244
Telefoonboek........................................... 223
TSA, Trailer Stability Assist ............. 169, 247
Temperatuur
werkelijke temperatuur....................... 141
Type-aanduidingen.................................. 304
Temperatuurregeling............................... 145
332
Trailer Stability Assist ..................... 169, 247
U
Typegoedkeuring, transpondersleutelsysteem......................................................... 320
Veiligheidsrek........................................... 240
34
36
42
45
40
42
Timer........................................................ 146
Velgen
schoonmaken..................................... 297
Toetsensets op stuurwiel... 85, 134, 172, 221
Ventilatie.................................................. 143
09 Alfabetisch register
09
Ventilator.................................................. 144
Vergrendelen/ontgrendelen
aan de binnenzijde................................ 59
achterklep............................................. 60
Vergrendelingsindicatie ............................ 48
Verlichting................................................ 277
"Approach"-verlichting......................... 91
Actieve xenonkoplampen..................... 87
automatische verlichting, interieur........ 91
bedieningsknoppen.............................. 90
displayverlichting.................................. 86
Follow Me Home-verlichting................. 91
gloeilampen, specificaties.................. 282
groot licht/dimlicht................................ 86
in interieur............................................. 90
instrumentenverlichting........................ 86
koplamphoogteverstelling.................... 86
mistachterlicht...................................... 88
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten......................................... 88
Verlichting, gloeilampen vervangen.........
bagageruimte......................................
dimlicht, halogeen..............................
groot licht, halogeen...........................
groot licht, xenonlamp........................
kentekenplaatverlichting.....................
make-upspiegel..................................
277
281
278
279
279
281
282
richtingaanwijzer................................. 279
sidemarker.......................................... 280
Verlichting instrumentenpaneel................. 86
Versnellingsbak........................................ 116
automatische...................................... 116
handgeschakelde............................... 116
Verwarmde sproeikoppen.......................... 97
Verwarming.............................................. 145
W
Waarschuwingsgeluid
Collision Warning................................ 191
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol...................... 174
Collision Warning................................ 191
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 169
Vloeistoffen en oliën................................. 313
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)........................................
dynamo laadt niet bij............................
gordelwaarschuwing............................
lage oliedruk.........................................
parkeerrem aangezet............................
storing in remsysteem..........................
waarschuwing.......................................
Vloermatten............................................. 214
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem. . 21
Volgtijd instellen....................................... 182
Warmtereflecterende voorruit.................... 99
Verzorging................................................ 296
Verzorging, leren bekleding..................... 298
Vierwielaandrijving, AWD......................... 121
Vlekken.................................................... 298
Vloeistoffen, hoeveelheden...................... 313
75
75
75
75
75
75
75
Water- en vuilafstotende laag.................... 99
Water- en vuilafstotende laag, schoonmaken........................................................... 297
Whiplash-letsel, WHIPS............................. 29
WHIPS
kinderzitje/comfortkussen.................... 29
whiplash-letsel...................................... 29
333
09 Alfabetisch register
09
Wielen
aanbrengen.........................................
reservewiel..........................................
sneeuwkettingen.................................
velgen.................................................
verwisselen.........................................
260
260
256
255
259
Wielen en banden.................................... 254
Winterbanden.......................................... 256
Wisselgesprek......................................... 222
Wisserbladen...........................................
schoonmaken.....................................
servicestand.......................................
vervangen...........................................
vervangen achterklep.........................
283
284
283
283
284
Wissers en -sproeiers................................ 96
Z
Zekeringen...............................................
algemene informatie...........................
houder in bagageruimte.....................
relais-/zekeringenkastje in motorruimte..................................................
vervangen...........................................
288
288
295
289
288
Zekeringenkastje..................................... 288
dashboardkastje................................. 292
334
Zekeringentabel
zekeringen in motorruimte.................. 290
Zuinig rijden............................................. 228
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 19
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&&,,.9jiX]!6I&%'%!Eg^ciZY^cHlZYZc!<ŽiZWdg\'%&%!8deng^\]i©'%%%"'%&%Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising