Volvo | XC60 | Quick Guide | Volvo XC60 2009 Quick Guide

Volvo XC60 2009 Quick Guide
VOLVO XC60
QUICK GUIDE
WEB EDITION
GEFELICITEERD MET UW NIEUWE VOLVO!
Het ontdekken van een nieuwe auto is een spannende bezigheid.
Neem deze Quick Guide door om nog meer plezier te beleven aan uw nieuwe
Volvo. Zie voor meer informatie het instructieboekje.
Waarschuwingsteksten en andere belangrijke informatie vindt u alleen in het
instructieboekje – niet in deze brochure. Het instructieboekje bevat bovendien
de recentste gegevens.
Opties staan aangegeven met een sterretje (*).
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
TRANSPONDERSLEUTEL, PCC (PERSONAL CAR COMMUNICATOR)*, MET KEYLESS
DRIVE
Vergrendelt de portieren alsmede de
achterklep en activeert het alarm*.
1
Ontgrendelt de portieren A alsmede
de achterklep en deactiveert het alarm.
2
Ontgrendelt de achterklep – hij wordt
niet geopend.B
3
Activeert de Approach-verlichting
in buitenspiegels* alsmede interieur-,
instap- en kentekenplaatverlichting.
Richtingaanwijzers en stadslichten
vóór/achterlichten branden.
4
“Paniek”-toets – In een noodsituatie
ca. 3 seconden lang ingedrukt houden
om het alarm te laten afgaan.
Geldt alleen voor PCC
1 Groen lampje: De auto is vergrendeld.
2 Oranje lampje: De auto is ontgrendeld.
3 De rode lampjes lichten beurtelings op:
Er zit mogelijk iemand in de auto.
4 Rood lampje: Het alarm is afgegaan.
De autostatus wordt gecontroleerd,
wanneer de auto zich binnen 20 m bevindt:
Toets indrukken en 7 seconden wachten.
Bij het indrukken van de toets zonder
ontvangst verschijnt de meest recente
status uit het geheugen.
A
Als geen van de portieren noch de achterklep
binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend,
worden deze na enige tijd automatisch opnieuw
vergrendeld.
B
Auto met elektrische achterklepbediening – klep
wordt geopend.
BELANGRIJK
Met Keyless drive hoeft de PCC alleen in de
auto aanwezig te zijn. Laat de PCC bijvoorbeeld in uw binnenzak zitten.
Bij het gebruik van de buitenhandgreep van
een van de portieren wordt de auto ontgrendeld.
Om de auto na het parkeren te vergrendelen,
hoeft u alleen het portier te sluiten en de
knop op de portierhandgreep in te drukken.
CITY SAFETY
remmen en zo een botsing te voorkomen of
de ernst ervan te verminderen. Wanneer het
systeem ingrijpt en remt, gaan de remlichten
branden en verschijnt op het display van het instrumentenpaneel de melding dat het systeem
actief is/was.
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen
een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d.,
waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer
vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot
bijna-ongelukken kunnen leiden.
City Safety™ is actief bij snelheden tot 30 km/h
en helpt de bestuurder door automatisch te
WAARSCHUWING
•
Kijk nooit van een afstand van 100 mm
of minder in de lasersensor (rood gemarkeerd op de afbeelding). Voor meer
informatie het instructieboekje lezen.
MOTOR STARTEN/AFZETTEN, MET TRANSPONDERSLEUTEL
STARTEN
De transpondersleutel plaatsen in het
contactslot. A
De transpondersleutel licht aandrukken
waarna deze naar binnen schuift.
Het koppelings- of rempedaal bedienen.
A
B
Op de knop START/STOP/ENGINE drukken
om de motor te startenB.
Niet bij Keyless drive, het is voldoende dat de PCC in de auto aanwezig is (bijv. in uw binnenzak).
Tijdens de koude start ligt het stationaire toerental mogelijk hoger dan normaal.
MOTOR AFZETTEN EN TRANSPONDERSLEUTEL UITNEMEN
De auto parkeren en op de knop START/
STOP/ENGINE drukken om de motor af te
zetten.
De transpondersleutel licht aandrukken,
waarna deze naar buiten schuift. Bij auto’s met
een automatische versnellingsbak dient de
keuzehendel in stand P te staan.
LEERVERZORGING
BLIS, BLIND SPOT INFORMATION
SYSTEM
Leren bekleding heeft regelmatige verzorging
nodig. Gebruik daarom één- à viermaal per
jaar (zo nodig vaker) een leerverzorgingsproduct. Leerverzorgingsproducten zijn verkrijgbaar bij de erkende Volvo-werkplaats.
Als het controlelampje voor BLIS soms oplicht
zonder dat u andere voertuigen in de dode
hoeken kunt waarnemen, is er wellicht sprake
van reflecties op een glad en nat wegdek of
laag staande zon in de camera. Bij een storing
in het systeem verschijnt op het display de
melding BLIS Service vereist.
AUDIOSYSTEEM
1 Indrukken voor AAN/UIT.
Omdraaien om het volume te regelen.
Voor elk van de functies radio, TP,
handsfree* en RTI wordt het volume apart
opgeslagen en een volgende keer opnieuw
gehanteerd.
2 Een van de standen AM, FM1, FM2, CD of
MODE selecteren.
MODE gebruiken om de functie AUXA te
activeren en het volume bij te stellen van
de geluidsbron die op de AUX-ingang
aangesloten is.
3 Geluidsweergave regelen
Knop indrukken om uit te kiezen
uit BAS, TREBLE, FADER, BALANS,
Dolby Pro Logic II* of SUBWOOFER*.
Knop omdraaien om bij te regelen.
A
AUX-ingang voor bijvoorbeeld een mp3-speler (voor
optimale geluidsweergave het volume op half zetten).
RADIO
CD
3 Omdraaien om een radiozender te
4 Andere track op cd met pijl-links/pijl-
kiezen.
4 Zender zoeken met de pijl-links/pijl-rechts.
Tot 20 zenders opslaan (tien voor FM1 en
tien voor FM2) op door 0–9 ingedrukt te
houden, waarna een bevestiging op het
display verschijnt.
5 De 10 best doorkomende radiozenders
automatisch opslaan.
Ca. 2 seconden lang AUTO indrukken.
Tijdens het zoeken staat de tekst Autom.
opslaan op het display.
Daarna op de toetsen 0–9 drukken om de
gevonden radiozenders te beluisteren.
rechts of aan (3) draaien.
Cd kiezen* met pijl-omhoog/pijl-omlaag.
6 Cd uitwerpen
Indrukken om de actuele cd uit te werpen.
Knop ingedrukt houden om alle cd’s in
de cd-wisselaar* uit te werpen.
7 Cd-wisselaar*. Een cd (1–6) selecteren.
DIGITALE RADIO (DAB)*
DAB (Digital Audio Broadcasting) is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen
dat een hoge radiokwaliteit en meer radiozenders biedt.
AUX EN USB* (bijv. iPod®)
Via de AUX- of USB-aansluiting in de middenconsole is het mogelijk een iPod® of mp3-speler
aan te sluiten op het Infotainmentsysteem van
de auto.
ELEKTRONISCHE KLIMAATREGELING, ECC*
AUTOMATISCHE REGELING
In de stand AUTO regelt het ECC-systeem
automatisch alle functies voor een groter bedieningsgemak en optimale luchtkwaliteit.
HANDMATIGE REGELING
Ventilatorsnelheid
Luchtverdeling
1 Temperatuur
Knoppen omdraaien voor de gewenste
temperatuur. Ingestelde temperatuur staat
op display.
2 Op AUTO drukken om de temperatuur en
de overige functies automatisch te laten
regelen.
Ontwaseming om de voorruit en zijruiten snel van condens te ontdoen.
Interior Air Quality System (IAQS).
UIT/AUT/Recirculatie.
Airconditioning AAN/UIT
Elektrische verwarming achterruit en buitenspiegels. Automatische
uitschakeling.
OPBERGMOGELIJKHEDEN, 12V-AANSLUITINGEN EN AUX-INGANG
De 12V-aansluitingen in de middenconsole
werken alleen in contactslotstand I of hoger. De
12V-aansluiting rechts in de bagageruimte is
altijd ingeschakeld.
BELANGRIJK
Bij gebruik van de 12V-aansluiting in de bagageruimte kan de accu ontladen raken.
BOORDCOMPUTER EN DAGTELLERS
1 Laag brandstofpeil
Het lampje licht op, wanneer er nog maar
weinig brandstof in de tank zit.
Tank zo spoedig mogelijk.
2 Dagtellers
De auto is uitgerust met twee onafhankelijke dagtellers, T1 en T2, die altijd aanstaan.
Zie toets (6) om te wisselen tussen T1 en T2
en om de dagtellerwaarde te resetten.
3 Brandstofmeter
Pijl die aangeeft aan welke kant van de auto
de tankvuldop zit.
4 Actieradius
Aan het duimwiel (8) van de boordcomputer
draaien om de berekende actieradius te
bekijken.
BELANGRIJK
“Km actieradius” is een indicatie van het
aantal kilometers dat u met de resterende
brandstofvoorraad kunt afleggen op basis
van de eerdere rijomstandigheden.
7
8
9
5 Klok
6
7
8
9
Knop (6) rechts- of linksom draaien om de
tijd in te stellen.
Multifunctionele knop. Lang indrukken
voor het resetten van de gekozen dagteller.
Kort indrukken om te wisselen tussen T1
en T2.
Omdraaien om de klok bij te stellen.
Indrukken om eventuele meldingen op het
display te bekijken.
Nogmaals indrukken om een melding te
laten verdwijnen.
Boordcomputer
Gewenste functie instellen met het duimwiel.
Alle functies van de boordcomputer resetten.
STUURWIEL INSTELLEN
TANKEN
WAARSCHUWING! Het stuurwiel instellen
vóórdat u gaat rijden. Nooit tijdens het rijden.
Op de knop drukken om de tankvulklep te
openen.
VERLICHTINGSBEDIENING
Verlichting display en instrumentenpaneel
Mistlampen (vóór)
Mistachterlicht (alleen bestuurderszijde)
Automatisch dimlicht. Grootsignalen
geven is mogelijk, maar het normale
groot licht werkt niet.
Stadslichten voor/achterlichten
Dimlicht. Dimlicht dooft bij het afzetten
van de motor. Groot licht te activeren
met de hendel.
Koplamphoogteregeling, dimlicht.
Automatisch bij Bi-Xenonverlichting*.
1. Grootlichtsignalen.
2. Wisselen tussen groot licht/dimlicht.
BESTUURDERSONDERSTEUNENDE
SYSTEMEN*
Om de bestuurder te helpen om tijdig te
remmen, een veilige afstand tot voorliggers
te houden of een goede positie binnen de
rijstrook aan te houden, is de auto mogelijk
uitgerust met een of meer van de volgende
systemen:
BLUETOOTH*
1. Maak de mobiele telefoon identificeerbaar/zichtbaar
2. Houd de knop PHONE van het audiosysteem ingedrukt
•
Adaptieve cruisecontrol*
3. Kies Telefoon toevoegen in het display
van het audiosysteem
•
Afstandscontrole*
4. Kies de telefoon die u wilt aansluiten
•
Collision Warning met Auto Brake*
•
Driver Alert System*
5. Voer via de toetsen van de mobiele telefoon de cijfers in die op het display van
het audiosysteem staan.
ELEKTRISCH BEDIENBAAR PANORAMADAK*
de ventilatiestand wordt het gordijn automatisch geopend/gesloten.
1
Knop eenmaal indrukken om het gordijn te
bedienen en tweemaal voor het panoramadak. Bij handmatige bediening eerst het
gordijn maximaal openen om het dak te kunnen bedienen. Bij activering/deactivering van
Automatisch maximaal openen
Handmatig openen
Handmatig sluiten
Automatisch maximaal sluiten
Ventilatiestand activeren
Ventilatiestand deactiveren
SLEUTELSTANDEN (0 & I)
VOORSTOEL INSTELLEN
Koppelingspedaal of rempedaal niet bedienen.
MET TRANSPONDERSLEUTEL
STAND 0
STAND I
Het audiosysteem en de interieurverlichting
zijn altijd in en uit te schakelen, ongeacht de
sleutelstand.
Verlichting instrumenten en klok ingeschakeld, stuurslot opgeheven.
Panoramadak*, elektrisch bedienbare
I zijruiten, ventilator, ECC, ruitenwissers,
12V-aansluiting in middenconsole, RTI.
PARKEERREM
1
2
3
4
5
Lendensteun
Hellingshoek ruggedeelte
Stoel omhoog/omlaag
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Vooruit/achteruit
ELEKTRISCHE ACHTERKLEPBEDIENING*
Aanzetten
Op de handgreep drukken.
Het lampje knippert, totdat de rem
volledig is aangezet waarna het lampje
continu brandt.
Lossen
Sleutelstand 0 of I.
Het koppelings- of rempedaal bedienen.
2
Handgreep uittrekken.
Automatisch lossen
Een versnelling inschakelen en wegrijden. (Bij
auto’s met een automatische versnellingsbak
dient u de veiligheidsgordel te dragen.)
Openen
De knop voor de achterklep op het verlichtingspaneel of op de transpondersleutel indrukken totdat de achterklep wordt geopend,
of het met rubber beklede drukplaatje onder
de buitenhandgreep licht indrukken en de klep
openen.
Sluiten
Druk op de bedieningsknop op de achterklep
of sluit de klep handmatig.
TP 10623 (Dutch). AT 0835. Printed in Sweden, Göteborg 2008. Copyright © 2000–2008 Volvo Car Corporation.
0
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising