Volvo | XC60 | Gebruikershandleiding | Volvo XC60 2009 Gebruikershandleiding

Volvo XC60 2009 Gebruikershandleiding
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:43:32+02:00; Page 1
VOLVO XC60
INSTRUCTIEBOEKJE
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&%+%%9jiX]!6I%-(*!Eg^ciZY^cHlZYZc!<ŽiZWdg\'%%-!8deng^\]i'%%%"'%%-Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben.
Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s
ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende
veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan
om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de
onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Dit inlegvel werd gedrukt op kringlooppapier.
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 1
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 2
Inhoud
00 01 02
2
00 Inleiding
01 Veiligheid
Belangrijke informatie................................. 6
Volvo en het milieu.................................... 11
Veiligheidsgordels ....................................
Airbagsysteem (SRS)................................
Airbag activeren/deactiveren*...................
SIPS-airbags (zij-airbags) ........................
Opblaasgordijnen (IC-systeem) ...............
WHIPS ......................................................
Roll-Over Protection System (ROPS)........
Activering van de veiligheidssystemen ....
Safety mode..............................................
Kinderen en veiligheid...............................
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm
16
19
22
24
26
27
29
30
31
32
Transpondersleutel/sleutelblad.................
Batterij vervangen transpondersleutel/
PCC*.........................................................
Keyless drive*............................................
Vergrendelen/ontgrendelen......................
Kinderslot..................................................
Alarm*........................................................
44
49
50
53
58
59
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 3
Inhoud
03 04 05
03 Bestuurdersmilieu
04 Comfort en rijplezier
Instrumenten, schakelaars en bediening. . 64
Sleutelstanden.......................................... 72
Stoelen en achterbank.............................. 74
Stuurwiel................................................... 78
Verlichting................................................. 79
Wissers en -sproeiers............................... 89
Ruiten en spiegels..................................... 92
Elektrisch bediend panoramadak*............ 96
Motor starten............................................ 98
Motor starten, hulpaccu.......................... 100
Versnellingsbakken................................. 101
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel
Drive)*...................................................... 105
Bedrijfsrem.............................................. 106
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)*......................................................... 108
Parkeerrem.............................................. 110
Menu- en meldingsfuncties....................
Klimaatregeling.......................................
Motor- en interieurverwarming op brandstof*.........................................................
Extra verwarming op brandstof*.............
Audiosysteem.........................................
Boordcomputer.......................................
Kompas*.................................................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem,
DSTC.......................................................
Rijeigenschappen aanpassen.................
Cruisecontrol*.........................................
Adaptieve cruisecontrol*.........................
Afstandscontrole.....................................
City Safety™...........................................
Collision Warning met Auto Brake*.........
Driver Alert System – DAC*.....................
Driver Alert System – (LDW)*..................
Park Assist*.............................................
Parkeercamera*......................................
BLIS* – Blind Spot Information System. .
Interieurcomfort......................................
Bluetooth handsfree*..............................
Geïntegreerde telefoon*..........................
HomeLinkŸ EU*....................................... 113
05 Tijdens het rijden
118
123
131
134
135
150
152
Rijadviezen..............................................
Tanken....................................................
Brandstof................................................
Lading vervoeren....................................
Bagageruimte..........................................
Gevarendriehoek.....................................
Rijden met een aanhanger......................
Slepen en bergen....................................
214
216
217
220
221
226
227
233
154
156
157
159
166
169
174
180
183
186
189
193
197
201
206
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 4
Inhoud
06 07
4
06 Onderhoud en specificaties
07 Alfabetisch register
Motorruimte............................................
Gloeilampen............................................
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof.
Accu........................................................
Zekeringen..............................................
Wielen en banden...................................
Verzorging...............................................
Type-aanduidingen.................................
Specificaties............................................
Typegoedkeuring....................................
Alfabetisch register................................. 293
238
244
251
253
256
264
277
282
284
292
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 5
Inhoud
5
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 6
Inleiding
Belangrijke informatie
Instructieboekje lezen
© Volvo Car Corporation
Inleiding
Optie
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje
in het instructieboekje.
De in het instructieboekje beschreven uitrusting is niet op alle auto’s aanwezig. Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit
instructieboekje ook de opties (van fabriekswege gemonteerde uitrusting) en bepaalde
accessoires (ingebouwde extra uitrusting)
beschreven. Neem contact op met de erkende
Volvo-dealer voor informatie over de standaarduitrusting, opties en accessoires.
De uitrusting van de auto’s van Volvo hangt af
van de verschillende behoeften op de diverse
markten en de landelijke en/of regionale weten regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
6
Het aanbod aan opties kan voor alle auto’s gelden, maar soms alleen voor bepaalde uitvoeringen en/of bepaalde markten. De meeste
opties worden in de fabriek gemonteerd en
kunnen niet achteraf worden ingebouwd.
Accessoires worden achteraf ingebouwd.
Neem voor meer informatie contact op met uw
erkende Volvo-werkplaats.
Speciale teksten
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Displaymeldingen
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
In de auto zijn displays aanwezig waarop meldingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld Audioinstellingen).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 7
Inleiding
Belangrijke informatie
Gevaar voor lichamelijk letsel
Gevaar voor materiële schade
G031596
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met
mogelijk dodelijke afloop.
Informatie
G031597
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
G031600
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
7
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 8
Inleiding
Belangrijke informatie
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
•
•
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
een hoofdstuk wordt voortgezet op de volgende pagina.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
De rij- en veiligheidssystemen van de auto
maken gebruik van computers die de functie
van de auto controleren en onderling gegevens
uitwisselen. Een of meer van deze computers
leggen bij een aanrijding of bijna-aanrijding
mogelijk informatie vast over de systemen die
ze bij normale ritten bewaken. De vastgelegde
informatie wordt mogelijk gebruikt door:
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
8
Koelvloeistof
Accessoires en opties
Motorolie
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt geladen. Neem daarom altijd contact op met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires monteert die in verbinding staan met of
van invloed zijn op het elektrische systeem.
Zie ommezijde
`` Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
Vastlegging van gegevens
•
•
•
•
Volvo Car Corporation
Service- of reparatiewerkplaatsen
Politie en andere instanties
Derden die wettige aanspraken maken op
kennisname van de informatie of iemand
die door de autobezitter gevolmachtigd is
tot kennisname van de informatie.
Lasersensor
Deze auto is voorzien van een sensor die
laserstraling uitzendt. Het is daarom essentieel
dat u de aangegeven instructies opvolgt bij het
hanteren van de lasersensor.
De volgende twee stickers gelden voor de
lasersensor:
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 9
Inleiding
Belangrijke informatie
G033853
Stralingsgegevens voor lasersensor
•
Op de bovenste sticker staat, in het Engels,
de classificatie van het laserlicht: Invisible
Laser radiation – Do not view directly with
optical instruments (magnifiers) – Class 1M
laser product.
Een vertaling van deze Engelse tekst staat in
het volgende waarschuwingskader.
•
Op de onderste sticker staan, in het
Engels, de fysische eigenschappen van
het laserlicht:
IEC 60825-1:1993 + A2:2001. Complies
with FDA performance standards for laser
products except for deviations pursuant to
Laser Notice No. 50, dated
July 26th, 2001.
De fysische gegevens staan nader omschreven in de volgende tabel en een vertaling van
de Engelse tekst op de sticker staat in het volgende waarschuwingskader.
Maximale pulsenergie
2,64 μJ
Maximaal gem. vermogen
45 mW
Pulsduur
33 ns
Divergentie (horizontaal × verticaal)
28° × 12°
WAARSCHUWING
Als u de instructies in dit boekje niet opvolgt,
is het gevaar voor oogletsel groot!
•
Laat tests, reparaties, demontage,
afstelling en/of vervanging van de
lasersensor of delen ervan alleen uitvoeren door een erkende Volvo-werkplaats.
•
Stel de lasersensor niet bij en voer geen
onderhoud uit dat niet uitdrukkelijk in dit
boekje staat aangegeven om blootstelling aan schadelijke straling tegen te
gaan.
•
De reparateur dient de speciaal opgestelde werkplaatsinformatie voor de
lasersensor te volgen.
•
Demonteer de lasersensor niet (en verwijder de lenzen evenmin). Een gedemonteerde lasersensor is een laserproduct klasse 3B volgens de IEC-norm
60825-1. Een laserproduct klasse 3B is
niet veilig voor de ogen en houdt dan
ook een gevaar voor oogletsel in.
•
Koppel de connector van de lasersensor los voordat u deze van de voorruit
demonteert.
•
Zorg dat de lasersensor op de voorruit
gemonteerd is alvorens de connector
aan te sluiten.
9
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
Inleiding
Belangrijke informatie
•
Kijk nooit van een afstand van 100 mm
of minder in de lasersensor (waaruit uiteenlopende, onzichtbare laserstralen
komen) met vergrotende optiek zoals
een vergrootglas, microscoop, objectief
of soortgelijke optische instrumenten.
•
De lasersensor zendt laserlicht uit wanneer de transpondersleutel in stand II
staat, ook al is de motor afgezet (zie
pagina 72 voor de sleutelstanden).
Voor meer informatie over de lasersensor, zie
pagina 171.
Instructieboekje op internet
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
10
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 10
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 11
Inleiding
Volvo en het milieu
G000000
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation die van invloed zijn
op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
Alle Volvo-modellen gaan vergezeld van een
milieuverklaring (EPI of Environmental Product
Information). Daarin staat de impact aangegeven die de auto gedurende zijn hele levenscyclus op het milieu heeft.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Lees meer op: www.volvocars.com/EPI.
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
11
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 12
Inleiding
Volvo en het milieu
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het
verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of
tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Ze voldoen dan ook aan de eisen van de norm
1
12
Meer informatie staat op www.oekotex.com
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Öko-Tex 1001 – een enorme stap op weg naar
een gezonder milieu in de passagiersruimte.
en de auto te (laten) onderhouden aan de hand
van de aanwijzingen in het instructieboekje.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoorbeeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte stoffen. De leren bekledingsvarianten zijn chroomvrij gelooid met plantaardige stoffen en voldoen aan de gestelde
certificeringseisen.
Hieronder volgen enkele tips voor hoe u het
milieu kunt ontzien (zie pagina 214 voor meer
tips om het milieu te ontzien en zuinig te rijden):
•
Verlaag het brandstofverbruik door de
zogeheten ECO-bandenspanning aan te
houden (zie pagina 275).
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
•
Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor
het brandstofverbruik toeneemt. Verwijder
ze daarom meteen na gebruik.
•
Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belasting van de auto, des
te hoger het brandstofverbruik.
•
Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming, als de auto hiermee is
uitgerust. Hierdoor nemen het brandstofverbruik en de uitstoot af.
•
•
Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
•
•
Rem af op de motor.
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
We stellen duidelijke milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door bijvoorbeeld zuinig te rijden
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling.
Een lager toerental zorgt voor een lager
verbruik.
Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 13
Inleiding
Volvo en het milieu
•
Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor
het milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. Neem contact
op met een erkende Volvo-werkplaats, als
u niet zeker weet hoe u dergelijk afval moet
verwerken.
•
•
Onderhoud uw auto regelmatig.
Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand. Bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
Door deze tips op te volgen kan het brandstofverbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of op het rijplezier. U
ontziet uw auto, bespaart geld en gebruikt minder van de hulpbronnen op aarde.
13
Veiligheidsgordels ..................................................................................
Airbagsysteem (SRS)..............................................................................
Airbag activeren/deactiveren*.................................................................
SIPS-airbags (zij-airbags) .......................................................................
Opblaasgordijnen (IC-systeem) ..............................................................
WHIPS ....................................................................................................
Roll-Over Protection System (ROPS)......................................................
Activering van de veiligheidssystemen ..................................................
Safety mode............................................................................................
Kinderen en veiligheid.............................................................................
14
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 14
16
19
22
24
26
27
29
30
31
32
G020871
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
VEILIGHEID
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 15
01
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 16
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Algemene informatie
Op de achterbank passen de borglippen van
de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende
sluitingen.
Veiligheidsgordel losmaken
Druk op de rode knop van de sluiting en laat
het oprolmechanisme de veiligheidsgordel
naar binnen trekken. Als de veiligheidsgordel
niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel
handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken:
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben.
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet
te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel
biedt de beste bescherming bij een normale
rijhouding.
Veiligheidsgordel omdoen
Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de sluiting
te steken. Een duidelijke “klik” geeft aan dat de
veiligheidsgordel vastzit.
16
•
•
•
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Let erop dat:
•
u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
•
er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken
•
de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
•
u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals op de voorgaande afbeelding.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook
als deze versleten of beschadigd is. De
nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld voor montage op dezelfde
positie als de vervangen veiligheidsgordel.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 17
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordel en zwangerschap
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
•
Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. De waarschuwing wordt gegeven bij het gebruik
van de veiligheidsgordels of bij het openen
van een van de achterportieren. De melding wordt na ca. 30 seconden automatisch gewist, maar kan ook handmatig
worden bevestigd door op de knop
READ op de richtingaanwijzerhendel te
drukken.
•
Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingslampje. De waarschuwing
stopt wanneer de gordel weer is omgedaan, maar kan ook handmatig worden
bevestigd door op de knop READ te drukken.
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel altijd op de juiste manier
draagt. De veiligheidsgordel moet strak langs
de schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten en
tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
G017726
G020998
Gordelwaarschuwing
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de gordel niet draagt. Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid. De
waarschuwingslampjes zitten in de plafondconsole en op het instrumentenpaneel.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
01
De melding op het informatiedisplay, die aangeeft welke veiligheidsgordels er gebruikt worden, is altijd beschikbaar. Druk op de knop
READ om de opgeslagen meldingen te zien.
Bepaalde markten
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder de gordel niet draagt. Op lage
snelheden klinkt de eerste 6 seconden lang een
geluidssignaal.
``
17
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een
voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter in de
stoel gedrukt houden.
18
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 18
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 19
01 Veiligheid
Airbagsysteem (SRS)
Waarschuwingssymbool op
instrumentenpaneel
Het airbagsysteem wordt continu gecontroleerd door de regelmodule. Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat
branden, wanneer u de transpondersleutel in
stand II of III zet. Het symbool dooft na ca.
6 seconden, wanneer de regelmodule heeft
vastgesteld dat het airbagsysteem geen storingen vertoont.
Behalve het brandende waarschuwingssymbool verschijnt er, in die gevallen waarin dat
nodig is, een melding op het informatiedisplay.
Als het waarschuwingslampje niet werkt, gaat
het waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt er SRS airbag Service vereist of SRS
airbag Service spoed op het display. Neem
zo spoedig mogelijk contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
G018665
o
SRS-systeem, auto met het stuur links.
G018666
1
Overzicht airbagsysteem
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
symbool kan ook duiden op een storing in
de gordelspanners, het SIPS- en het IC-systeem of op een andere storing in het SRSsysteem. Neem zo spoedig mogelijk contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
G021010
0
WAARSCHUWING
01
SRS-systeem, auto met het stuur rechts.
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer air``
19
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 20
01 Veiligheid
Airbagsysteem (SRS)
bags worden opgeblazen. Daarbij worden de
airbags warm. Om de klap op te vangen loopt
de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het airbagsysteem (SRS) kunnen storingen in de werking veroorzaken en
leiden tot ernstig letsel.
N.B.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet.
Het is dan ook mogelijk dat er bij ongelukken slechts één (of geen enkele) van de
airbags wordt opgeblazen. Het airbagsysteem registreert de botskracht waaraan de
auto blootstaat en stemt de activering van
een of meerdere airbags daarop af.
G021014
01
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur rechts.
Ook de capaciteit van de airbags wordt
afgestemd op de botskracht waaraan de
auto blootstaat.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links.
20
G021011
G021013
Airbag aan de bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de bestuurderszijde ook een airbag (SRS -
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 21
01 Veiligheid
Airbagsysteem (SRS)
Supplemental Restraint System) in het stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift SRS AIRBAG.
giersairbag die ligt opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
WAARSCHUWING
Airbag aan de passagierszijde
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de passagiersairbag geactiveerd
is 1.
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m
mogen nooit op de passagiersstoel plaatsnemen, als de passagiersairbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
Airbagsticker
Als aanvulling op de veiligheidsgordel van de
passagiersstoel heeft uw auto ook een passa-
1
G032244
G021837
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht.
01
Airbagsticker op de portierstijl.
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de passagiersairbag (zie pagina 22).
21
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 22
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
PACOS deactiveren met sleutel
Algemene informatie
De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto
is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde
aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen (zie
onder het navolgende kopje “Schakelaar voor
activering/deactivering passagiersairbag,
PACOS”). Controleer of de schakelaar in de
gewenste stand staat. Volvo adviseert u het
sleutelblad van de transpondersleutel te
gebruiken om de stand te wijzigen.
Voor informatie over het sleutelblad, zie
pagina 44.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor de inzittenden.
22
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Als de auto is uitgerust met een passagiersairbag maar geen PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch, schakelaar voor deactivering van de passagiersairbag) heeft, is
de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, als het brandende symbool
op de plafondconsole aangeeft dat de passagiersairbag geactiveerd is. Het niet opvolgen van deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de melding op het
plafondpaneel (zie pagina 23) aangeeft
dat de airbag aan die kant gedeactiveerd is.
Het duidt op een ernstige storing. Bezoek zo
spoedig mogelijk een erkende Volvo-werkplaats.
G032072
01
Locatie van de schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag.
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 23
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Een tekstmelding en een brandend symbool op
het plafondpaneel op de plafondconsole geven
aan dat de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
N.B.
Bij het omdraaien van de transpondersleutel
naar stand II of III brandt ca. 6 seconden
lang het waarschuwingssymbool voor de
airbags op het instrumentenpaneel (zie
pagina 19).
Daarna gaat op de plafondconsole de indicator branden die de status van de passagiersairbag aangeeft. Voor meer informatie
over de verschillende contactstanden van
de transpondersleutel (zie pagina 72).
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, als de airbag gedeactiveerd is.
G017800
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
01
Berichten
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is.
Een waarschuwingssymbool op de plafondpaneel op de plafondconsole geeft aan of de
passagiersairbag voorin geactiveerd is (zie
voorgaande afbeelding).
2
G017724
2
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
23
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 24
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
G032949
WAARSCHUWING
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en de heupen en vormen een
belangrijk onderdeel van het SIPS-systeem.
Het SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de sensoren. De
SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleuningframes van de voorstoelen.
•
Reparaties mogen alleen door een
erkende Volvo-werkplaats worden uitgevoerd. Ingrepen in het SIPS-systeem
kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden tot ernstig letsel.
•
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen
en de portierpanelen, omdat dit gebied
binnen de actieradius van de SIPS-airbag ligt.
•
Gebruik alleen door Volvo goedgekeurde stoelhoezen. Andere stoelhoezen kunnen de SIPS-airbags in hun
werking hinderen.
•
Positie
G024377
SIPS-airbag
Bestuurdersplaats, auto met stuur links.
De SIPS-airbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd de veiligheidsgordel.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geactiveerde1 airbag.
G024378
01
Passagiersplaats, auto met stuur links.
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrij1
24
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag, zie pagina 22.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 25
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
ding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding
op voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
G032254
Sticker
SIPS-airbagsticker op de portierstijl.
25
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 26
01 Veiligheid
01
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
Eigenschappen
WAARSCHUWING
G032025
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de handgrepen aan het plafond. De
haak is alleen bedoeld voor niet al te zware
kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
De opblaasgordijnen van het IC-systeem (Inflatable Curtain) vormen een aanvulling op het
SRS- en SIPS-systeem. Ze zitten verborgen
achter de plafondbekleding langs beide zijden
van de auto en beschermen inzittenden op de
buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de opblaasgordijnen
activeren. Het systeem helpt voorkomen dat
de bestuurder en eventuele passagiers bij een
botsing met hun hoofd tegen de binnenkant
van de auto slaan.
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, de portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Er mogen
uitsluitend originele Volvo-onderdelen,
bestemd voor montage op deze plaatsen,
worden gebruikt.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de portierruiten. Anders is het mogelijk dat het
opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding geen bescherming meer
biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
26
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 27
01 Veiligheid
WHIPS
Bescherming tegen whiplash-letsel,
WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de veiligheidsgordel.
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
01
WHIPS-systeem en kinderzitjes/
comfortkussens
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren bij een erkende Volvo-werkplaats.
Er kunnen eigenschappen van het WHIPSsysteem verloren zijn gegaan, ook al ziet de
stoel er onbeschadigd uit. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats om het
systeem te laten controleren, ook na een
lichte aanrijding van achteren.
G021018
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of het
WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
``
27
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 28
01 Veiligheid
01
WHIPS
G021842
G018567
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet nadelig beïnvloedt
Voorwerpen achter de bestuurders-/passagiersstoel.
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
28
Voorwerpen op de achterbank.
WAARSCHUWING
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt omgeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het omgeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 29
01 Veiligheid
Roll-Over Protection System (ROPS)
01
Functie
Het Roll-Over Protection System (ROPS) van
Volvo is ontwikkeld om het gevaar te beperken
dat de auto over de kop slaat en maximale
bescherming te bieden als een ongeluk onvermijdelijk blijkt.
Het systeem bestaat uit een stabilisatiesysteem, het Roll Stability Control (RSC) dat het
gevaar beperkt dat de auto kantelt en over de
kop slaat wanneer u bijvoorbeeld krachtig
afremt of in de slip raakt.
Het RSC-systeem maakt gebruik van een gyrosensor die wijzigingen in de helling overdwars
registreert. Aan de hand van deze informatie
wordt vervolgens berekend hoe groot de kans
is dat de auto over de kop slaat. Als het gevaar
reëel is, treedt het DSTC-systeem in werking.
Het motortoerental wordt daarbij verlaagd en
één of meer van de wielen worden afgeremd,
totdat de auto zijn stabiliteit hervonden heeft.
Zie 154 voor meer informatie over het DSTCsysteem.
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
RSC-systeem voor een betere wegligging.
Dit mag echter voor u geen reden zijn om
sneller te gaan rijden. Neem altijd de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen bij het rijden.
29
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 30
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
01
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
Gordelspanners
voorstoelen
Bij een frontale botsing en/of aanrijding
in de zij, van achteren en/of kantelen
Gordelspanners
achterbank
A
30
Bij een frontale botsing en/of aanrijding
in de zij en/of kantelen
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing A
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in
de zijA
Opblaasgordijnen
(IC)
Bij een aanrijding in
de zij en/of kantelenA
WHIPS-systeem
Bij aanrijdingen van
achteren
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen,
ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd
raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van
het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid
van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d.
zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
•
Sleep de auto naar een erkende Volvowerkplaats. Rijd niet met opgeblazen airbags.
•
Laat het vervangen van de onderdelen van
de veiligheidssystemen in de auto over aan
een erkende Volvo-werkplaats.
•
Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordelspanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regelmodule van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Sleep de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 31
01 Veiligheid
Safety mode
Beperkte functionaliteit
G021062
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat
er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Safety mode Zie
instructieb. op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van de
auto is verminderd. Safety mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt wanneer de
aanrijding een belangrijke onderdeel van de
auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren
voor een van de veiligheidssystemen of het
remsysteem, kan hebben beschadigd.
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
Haal de transpondersleutel uit het contact en
steek hem er opnieuw in. De elektronica van de
auto probeert te resetten naar de normale
stand. Probeer vervolgens de auto te starten.
Als de melding Safety mode Zie
instructieb. nog steeds op het display staat,
mag u niet met de auto rijden en hem evenmin
verslepen. Verborgen schade kan de auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als
het lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
01
WAARSCHUWING
Probeer onder geen beding de auto
opnieuw te starten, als u brandstof ruikt terwijl de melding Safety mode wordt weergegeven. Verlaat de auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de Safety mode staat. De
auto moet van zijn huidige plaats worden
vervoerd naar een erkende Volvo-werkplaats.
Auto verzetten
Als de melding Normal mode wordt weergegeven nadat de Safety mode Zie
instructieb. is gereset, mag u de auto voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie verrijden. Verrijd de auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een
slechte functie van de auto. Laat de auto
altijd in een erkende Volvo-werkplaats controleren en naar de normale status (Normal
mode) resetten nadat de melding Safety
mode Zie instructieb. is verschenen.
31
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 32
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Kinderen moeten comfortabel en veilig
kunnen zitten
De plaats van het kind in de auto en de vereiste
uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en de
lengte van het kind (voor meer informatie, zie
pagina 34).
N.B.
N.B.
Neem voor duidelijker instructies voor de
bevestiging van kinderveiligheidsproducten
contact op met de producent.
Bij gebruik van op de markt verkrijgbare kinderveiligheidsproducten is het van belang
dat u de bijgeleverde montage-instructies
zorgvuldig doorleest en nauwkeurig
opvolgt.
Kinderzitjes
N.B.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Door scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigd raken.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
Laat de rugleuning van het kinderzitje tegen het
dashboard steunen. Dit geldt voor auto’s zonder passagiersairbag of auto’s waarvan de
passagiersairbag gedeactiveerd is.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Door het gebruik van originele Volvoonderdelen bent u er zeker van dat de bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op
de juiste wijze zijn aangebracht en sterk
genoeg zijn.
1
32
G020739
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
Positie van kinderzitjes
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen
die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig door
Volvo getest is.
Het volgende kan worden gebruikt:
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS), zie pagina 22.
•
een kinderzitje/comfortkussen op de passagiersstoel, zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd 1 is.
•
een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank dat tegen de rugleuning
van de passagiersstoel steunt.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 33
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd is.
Als de airbag wordt opgeblazen, kan een kind
op de passagiersstoel ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de passagiersairbag (SRS) geactiveerd is.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen, als de
passagiersairbag (SRS) geactiveerd is.
01
WAARSCHUWING
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
Sticker airbag
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
Sticker op zijwand dashboard, passagierszijde.
``
33
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 34
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Aanbevolen kinderzitjes 2
Gewicht/Leeftijd
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 0
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband
en steun.
max. 10 kg
(tot 9 maanden)
Typegoedkeuring: E5 03135
Groep 0+
max. 13 kg
Groep 1
9–18 kg
(9–36 maanden)
Middelste zitplaats achterbank
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren
gemonteerd babyzitje bevestigd met ISOFIX-systeem.
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren gemonteerd babyzitje bevestigd
met ISOFIX-systeem.
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren gemonteerd babyzitje bevestigd
met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Typegoedkeuring: E1 03301146
Typegoedkeuring: E1 03301146
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband
en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Fixway – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIXsysteem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
Britax Fixway – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
2
34
Om andere veiligheidszitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 35
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht/Leeftijd
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 2/3
Volvo comfortkussen – met of zonder rugleuning.
Volvo comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Volvo comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
15–36 kg
(3 –12 jaar)
01
Geïntegreerd Volvo kinderzitje met
twee standen – verkrijgbaar als
fabrieksoptie.
Typegoedkeuring: E5 04189
Geïntegreerde kinderzitjes met twee
standen*
kinderzitjes goedgekeurd voor kinderen met
een gewicht van 15 tot 36 kg en een lengte van
0,95 tot 1,40 m.
Zorg alvorens weg te rijden dat:
het geïntegreerde kinderzitje met twee
standen correct ingesteld (zie onderstaande tabel) en vergrendeld is
•
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens slap
hangt of verdraaid is
•
de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt (zie voorgaande afbeeldingen)
•
de heupgordel laag over het bekken loopt,
zodat deze maximale bescherming biedt.
G017875
G017719
•
Goede positie: de gordel loopt over de schouder.
Verkeerde positie: het hoofd mag niet boven de
hoofdsteun uitsteken en de gordel mag niet onder
de schouder lopen.
De geïntegreerde kinderzitjes zijn speciaal ontworpen om kinderen optimaal comfort en een
goede bescherming te bieden. In combinatie
met de aanwezige veiligheidsgordels zijn de
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
35
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 36
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Stand 1
Stand 2
Gewicht 22–36 kg
15–25 kg
Lengt e
0,95–1,20 m
1,15–1,40 m
G017697
Voor aanwijzingen voor het gebruik van het
kinderzitje met twee standen, zie pagina 35–
37.
G017784
01
Kinderzitje met twee standen uitklappen
Duw het kinderzitje naar achteren om het te
vergrendelen.
Stand 1
Stand 2
Til het kinderzitje aan de voorkant op en
duw het achteruit tegen het ruggedeelte aan
om het te vergrendelen.
Trek de handgreep naar voren en omhoog
om het kinderzitje vrij te geven.
G017783
G017696
WAARSCHUWING
Werk vanuit de onderste stand. Druk op de
knop.
36
Reparatie of vervanging dient alleen te worden uitgevoerd door een erkende Volvowerkplaats. Verricht zelf geen wijzigingen in
of aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje. Als een geïntegreerd kinderzitje aan
grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u het geïntegreerde kinderzitje in zijn geheel vervangen.
Ook al ziet het geïntegreerde kinderzitje er
intact uit, kunnen er toch beschermende
eigenschappen verloren zijn gegaan. Het
geïntegreerde kinderzitje moet ook worden
vervangen als het erg versleten is.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 37
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
N.B.
01
N.B.
Het is niet mogelijk het kinderzitje vanuit
stand 2 in stand 1 te zetten. U moet het zitje
dan eerst volledig neerklappen in het zitgedeelte. Zie de tekst onder het kopje Kinderzitje met twee standen neerklappen.
Bij het omklappen van het ruggedeelte van
de achterbank dient u eerst het kinderzitje
neer te klappen.
Kinderslot achterportieren
Het kinderzitje is zowel vanuit de bovenste als
vanuit de onderste stand volledig neer te klappen in het zitgedeelte. Het is echter niet mogelijk het kinderzitje vanuit de bovenste stand in
de onderste stand te zetten.
G017694
Kinderzitje met twee standen
neerklappen
Duw het zitje met uw hand omlaag om het
zitje te vergrendelen.
WAARSCHUWING
De bedieningsknoppen voor de ruiten in de
achterportieren en de openingshandgrepen op
de achterportieren zijn te blokkeren, zodat de
achterportieren en de zijruiten niet meer van de
binnenzijde kunnen worden geopend. Voor
meer informatie, zie pagina 58.
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
veiligheidszitjes
Als u de gebruiksinstructies voor het kinderzitje met twee standen niet opvolgt, is
het bij een aanrijding niet uitgesloten dat het
kind ernstig letsel oploopt.
Trek de handgreep naar voren om het zitje
vrij te geven.
G021064
G017692
BELANGRIJK
Controleer voordat u het kinderzitje weer
neerklapt of er geen losse voorwerpen
(zoals stukken speelgoed) in het gebied
onder het zitje liggen.
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achter``
37
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 38
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
bank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie voorgaande afbeelding) geven de positie van deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
gorieën ingevoerd om gebruikers te helpen bij
het kiezen van het juiste kinderzitje (zie volgende tabel).
AfmeBeschrijving
tingscategorie
A
Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd kinderzitje
Het ISOFIX-bevestigingssysteem is als
accessoire verkrijgbaar voor de passagiersstoel.
B
Beperkte grootte (optie 1),
achterstevoren gemonteerd
kinderzitje
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
B1
N.B.
C
Normale grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
D
Beperkte grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
E
Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
Afmetingscategorieën
Veiligheidszitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen
daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen.
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-bevestigingssysteem werden daarom afmetingscate-
38
Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
AfmeBeschrijving
tingscategorie
F
Overdwars gemonteerd
babyzitje, links
G
Overdwars gemonteerd
babyzitje, rechts
WAARSCHUWING
Plaats een kind nooit op de passagiersstoel
voorin, als de auto is uitgerust met een
geactiveerde airbag aan die kant.
N.B.
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, dient uw model op de lijst
met auto’s te staan waarvoor het kinderzitje
zich leent.
N.B.
Neem contact op met een Volvo-werkplaats
voor de ISOFIX-kinderzitjes die Volvo adviseert.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 39
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Verschillende soorten ISOFIX-veiligheidszitjes
Type kinderzitje
Babyzitje, overdwars
A
Gewicht (leeftijd)
Afmetings categorie
max. 10 kg (tot 9 mnd)
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats
achterbank
F
-
-
G
-
-
Babyzitje, achterstevoren
max. 10 kg (tot 9 mnd)
E
OK
OK
Babyzitje, achterstevoren
max. 13 kg (0 –12 mnd)
E
OK
OK
D
OK
OK
C
-
OK
D
OK
OK
C
OK
OK
B
OK A
OKA
B1
OKA
OKA
A
OKA
OKA
Veiligheidszitje, achterstevoren
9–18 kg (9–36 mnd)
Kinderzitje, in rijrichting
9–18 kg (9–36 mnd)
Volvo adviseert een achterstevoren gemonteerd veiligheidszitje voor deze categorie.
``
39
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 40
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
N.B.
Bij auto’s met hoofdsteunen op de beide
buitenste zitplaatsen van de achterbank
gaat het monteren van dergelijke veiligheidszitjes makkelijker, als u deze hoofdsteunen omklapt.
G017676
N.B.
40
Bij een bagageruimte die met een bagagerolhoes kan worden afgedekt, dient de rolhoes te worden verwijderd voordat er een
kinderzitje aan de bevestigingspunten kan
worden vastgezet.
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes die in
de rijrichting worden gemonteerd. Deze bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte
van de achterbank.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen. Volvo
adviseert u kleine kinderen zo lang mogelijk in
een achterstevoren gemonteerd kinderzitje te
blijven vervoeren.
Haal de bevestigingsband van een kinderzitje altijd onder de hoofdsteun van de achterbank door, voordat u de gordel in de
sluiting aanbrengt.
WAARSCHUWING
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 41
01 Veiligheid
01
41
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
Transpondersleutel/sleutelblad...............................................................
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*..........................................
Keyless drive*..........................................................................................
Vergrendelen/ontgrendelen.....................................................................
Kinderslot................................................................................................
Alarm*......................................................................................................
42
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 42
44
49
50
53
58
59
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
SLOTEN EN ALARM
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 43
02
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 44
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Algemene informatie
02
Bij de auto worden twee transpondersleutels of
twee PCC’s (Personal Car Communicator)
geleverd. U gebruikt ze om de auto te starten
en deze te vergrendelen en ontgrendelen.
U kunt extra transpondersleutels bestellen. Er
zijn maximaal zes transpondersleutels voor
één en dezelfde auto te programmeren en te
gebruiken.
PCC’s kennen meer functies dan een transpondersleutel in standaarduitvoering. In het
vervolg van dit hoofdstuk hebben we het over
een transpondersleutel bij de bespreking van
functies die voorkomen op zowel de PCC als
op de transpondersleutel.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar de elektrisch
bedienbare zijruiten en het schuifdak verbreekt door de transpondersleutel uit te
nemen.
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad voor het mechanisch vergrendelen/ontgrendelen van het bestuurdersportier en het dashboardkastje. Het sleutelblad
44
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
wordt ook gebruik om PACOS* te deactiveren/
activeren, zie pagina 22.
Voor de functies van het sleutelblad, zie
pagina 48.
De unieke code van de sleutels is bekend bij de
erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook nieuwe
sleutels kunnen worden besteld.
Zoekgeraakte transpondersleutel
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u
een nieuwe bestellen bij een erkende Volvowerkplaats. Neem de resterende transpondersleutels mee naar de werkplaats. Ter voorkoming van diefstal moet de code van de
zoekgeraakte transpondersleutel uit het systeem worden gewist.
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren onder
Instellingen van de auto
Autosleutelgeheugen Aantal sleutels.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 118.
Sleutelgeheugen, buitenspiegels en
elektrisch bedienbare bestuurdersstoel*
De instellingen worden automatisch gekoppeld aan de bijbehorende transpondersleutel,
zie pagina 75 en zie pagina 94.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto
Autosleutelgeheugen Pos. stoelen en
spiegels. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 118.
Voor auto’s met Keyless drive-functie, zie
pagina 50.
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel, lichten de richtingaanwijzers een bepaalde aantal malen op
om aan te geven dat de auto op de juiste
manier vergrendeld/ontgrendeld is:
•
•
Vergrendelen - lichten eenmaal op
Ontgrendelen - lichten tweemaal op.
Bij het vergrendelen gebeurt dit alleen als alle
portieren na het sluiten correct zijn vergrendeld.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
resp. Instellingen van de auto
Lichtinstellingen Auto is op slot, lampje
en Instellingen van de auto
Lichtinstellingen Auto is open, lampje.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 118.
Elektronische startblokkering
Elke transpondersleutel heeft zijn eigen, unieke
code. U kunt de auto alleen starten, wanneer u
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 45
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
een transpondersleutel met de juiste code
gebruikt.
Melding
Betekenis
De onderstaande foutmeldingen op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel houden verband met de elektronische startblokkering:
Sleutelfout
Opnieuw insteken
Storing bij het uitlezen van de transpondersleutel tijdens het starten.
Probeer de auto
opnieuw te starten.
Startblokkering
Start opnieuw
Geldt alleen voor de
functie Keyless drive
van de PCC. Fout bij
het uitlezen van de
PCC tijdens de start.
Probeer de auto
opnieuw te starten.
het informatiesymbool oplicht en Vervang
batterij autosleutel op het display verschijnt
en/of
•
de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van
20 m rond de auto bevindt.
Voor het vervangen van de batterij, zie
pagina 49.
Functies
Functiestoring van
de transpondersleutel tijdens het starten. Neem contact
op met een erkende
Volvo-werkplaats,
als de storing aanhoudt.
Voor het starten van de auto, zie pagina 98.
02
G021078
Autosleutel niet
gevonden
•
Transpondersleutel.
Uitgeputte batterij in transpondersleutel
Vergrendelen
Vervang de batterijen, als:
Ontgrendelen
Approach-verlichting
``
45
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 46
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
10 seconden) worden de overige portieren ontgrendeld.
Achterklep
02
Paniekfunctie
U kunt de functie wijzigen onder Instellingen
van de auto Instellingen vergrendelen
Portieren ontgrendelen. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 118.
G021079
Approach-verlichting – Bestemd om de
verlichting van de auto op afstand in te schakelen. Voor meer informatie, zie pagina 84.
PCC* (Personal Car Communicator).
Informatie
Functietoetsen
Paniekfunctie – Bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren
en de achterklep en deactiveert het alarm.
Als u de rode toets ten minste 3 seconden lang
ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen
3 seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd.
De ontgrendelingsfunctie kan dusdanig gewijzigd worden dat bij eenmaal indrukken van de
toets niet meer alle portieren tegelijk worden
ontgrendeld, maar alleen het bestuurdersportier. Bij een tweede keer indrukken (binnen
U kunt deze functie met dezelfde toets weer
uitschakelen, als de functie minimaal 5 seconden actief geweest is. Als u niets doet, wordt
de functie na 2 minuten en 45 seconden automatisch uitgeschakeld.
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en de achterklep en activeert het alarm.
1
46
Achterklep - Ontgrendelt alleen de achterklep en deactiveert de alarmfunctie voor de
achterklep1. Voor meer informatie, zie
pagina 54.
Doorluchtfunctie*
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden) van
de toets
of
worden alle zijruiten tegelijk korte tijd geopend en weer gesloten. Daarbij
wordt een openstaand schuifdak ook gesloten.
U kunt de functie bijvoorbeeld gebruiken om bij
warm weer snel voor frisse lucht in de auto te
zorgen.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand met de handen
bekneld raakt wanneer u het schuifdak en
de zijruiten vanaf de transpondersleutel
sluit.
Bereik transpondersleutel
De transpondersleutel is te gebruiken binnen
een straal van 20 m rond de auto.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functies
van de transpondersleutel door radiogolven
in de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d. Het is altijd
mogelijk de auto te vergrendelen/ontgrendelen met het sleutelblad, zie pagina 48.
Bij auto’s met elektrische achterklepbediening* wordt de achterklep geopend, wanneer u de knop langer dan 2 seconden ingedrukt houdt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 47
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
Specifieke functies, PCC*
N.B.
G021080
Als bij herhaaldelijk gebruik van de informatietoets – op verschillende tijdstippen en
verschillende plaatsen – blijkt dat geen van
de controlelampjes gaat branden (en dat
evenmin na 7 seconden alsook nadat de
controlelampjes op de PCC om de beurt
oplichtten), dient u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
De controlelampjes verstrekken informatie
zoals aangegeven op de volgende afbeelding:
Informatietoets
iemand in de auto zit. De indicatie verschijnt alleen, als het alarm is afgegaan.
Continu rood licht: het alarm is afgegaan.
Bereik transpondersleutel
De ontgrendelingsfuncties van de PCC zijn te
gebruiken binnen een straal van 20 m rond de
auto.
De Approach-verlichting, de paniekfunctie en
de functies die gekoppeld zijn aan de informatietoets, zijn tot op 100 m van de auto te gebruiken.
N.B.
Controlelampjes
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatietoets door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan
de hand van de controlelampjes.
Buiten bereik PCC
±
Als de PCC op dermate grote afstand van de
auto is dat er geen informatie over de auto kan
worden uitgelezen, wordt de laatst bekende
status van de auto weergegeven zonder dat de
lampjes op de PCC om de beurt oplichten.
.
Ca. 7 seconden lang lichten de controlelampjes op de PCC om de beurt op. Dit
geeft aan dat de informatie over de auto
wordt uitgelezen.
Als u gedurende dit tijdsbestek op een van
de andere toetsen drukt, wordt de uitlezing
beëindigd.
G030262
Gebruik van de informatietoets
Druk op de informatietoets
02
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld.
Aangegeven twee controlelampjes lichten
beurtelings rood op: dit geeft met HBS
(Heart Beat Sensor) aan dat er mogelijk
Als er meerdere PCC’s voor de auto in gebruik
zijn, geeft alleen de PCC die gebruikt werd toen
u de auto de laatste keer vergrendelde/ontgrendelde de juiste status aan.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
47
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 48
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
N.B.
02
Als geen van de controlelampjes brandt bij
het indrukken van de informatietoets, is het
mogelijk dat er storingen optreden in de
communicatie tussen de PCC en de auto
door radiogolven in de lucht, omringende
gebouwen, topografische omstandigheden
e.d.
Heart Beat Sensor
Afneembaar sleutelblad
1. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
•
het bestuurdersportier handmatig te openen, als de centrale vergrendeling niet te
bedienen is vanaf de afstandsbediening
2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
•
de toegang tot het dashboardkastje te
blokkeren.
Portier ontgrendelen met sleutelblad
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurdersportier op de volgende manier ontgrendelen en
openen:
Sleutelblad verwijderen
De functie
werkt met behulp van een hartslagsensor (HBS, Heart Beat Sensor). HBS
vormt een aanvulling op het alarmsysteem van
de auto die op afstand afgeeft of er mogelijk
iemand in de auto zit. De indicatie verschijnt
alleen, als het alarm is afgegaan.
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af.
G021082
HBS registreert de hartslag die zich via de carrosserie van de auto voortplant. In gebieden
met veel lawaai en trillingen is het dan ook
mogelijk dat de HBS in zijn werking wordt
gestoord.
Haal de veerbelaste pal opzij.
1. Ontgrendel het bestuurdersportier met het
sleutelblad in het slot van de portierhandgreep.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar achteren.
2. Schakel het alarm uit door de transpondersleutel in het contactslot te steken.
Sleutelblad aanbrengen
Plaats het verwijderde sleutelblad voorzichtig
terug in de transpondersleutel om beschadiging te voorkomen.
48
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 49
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
Accu vervangen
Openen
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Steek een kruiskopschroevendraaier
met een dikte van 3 mm in de opening achter de veerbelaste pal en werk de transpondersleutel voorzichtig open.
N.B.
Houd de transpondersleutel met de toetsen
omhoog om te voorkomen dat de batterijen
bij het openen van de afdekking op de grond
vallen.
BELANGRIJK
Kom niet met uw vingers aan de polen van
de batterijen of de contactvlakken, omdat
ze daardoor slechter kunnen presteren.
Batterij vervangen
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde –.
Transpondersleutel (1 batterij)
PCC* (2 batterijen)
1. Werk de batterijen voorzichtig los.
2. Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde
(+) omhoog.
02
3. Leg het witte plasticvel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
Batterijtype
Gebruik batterijen met het opschrift CR2430,
3 V (twee per transpondersleutel en twee per
PCC).
In elkaar zetten
1. Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
BELANGRIJK
Zorg dat de oude batterij(en) wordt/worden
afgevoerd op een milieuontlastende manier.
1. Werk de batterij voorzichtig los.
2. Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
49
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 50
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
Keyless drive (alleen PCC)
02
Vergrendelings- en startsysteem zonder
sleutel
PCC bij u moet dragen om een portier te vergrendelen of ontgrendelen. Het is niet mogelijk
een portier te vergrendelen of ontgrendelen,
als de PCC zich aan de andere kant van de auto
bevindt.
G017871
De rode cirkels op de nevenstaande afbeelding
geven het dekkingsgebied van de systeemantennes aan.
Met de Keyless drive-functie van de PCC kunt
u zonder een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen, starten en vergrendelen. U hoeft de
PCC alleen bij u te dragen. Het systeem maakt
het eenvoudiger om de auto te openen wanneer u uw handen vol hebt.
De twee PCC’s van de auto ondersteunen de
Keyless drive-functie. U kunt meer PCC’s bijbestellen.
Bereik PCC
Om een portier of de achterklep te kunnen openen moet de PCC zich binnen een straal van
maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of
de achterklep bevinden. Dit betekent dat u de
50
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als alle PCC’s uit de auto worden genomen
terwijl de motor loopt, sleutelstand II actief is
(zie pagina 72) of alle portieren worden gesloten, verschijnt er een waarschuwingsmelding
op het informatiedisplay en klinkt er een
geluidssignaal.
Wanneer een van de PCC’s weer in de auto is
gelegd, verdwijnen de waarschuwingsmelding
en het geluidssignaal nadat:
•
•
er is een portier geopend of gesloten
•
de knop READ is ingedrukt.
de transpondersleutel is in het contactslot
gestoken
Veilig gebruik van uw PCC
Als u een PCC met Keyless drive-functie in de
auto laat liggen, wordt de PCC bij het vergrendelen van de auto tijdelijk gedeactiveerd.
Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet
meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
PCC in de auto vindt, wordt de PCC weer
geactiveerd. Pas daarom goed op al uw PCC’s.
BELANGRIJK
Laat een PCC nooit onbeheerd in de auto
liggen.
Storingen in de functie van een PCC
De Keyless drive-functie kan verstoord worden
door elektromagnetische velden en afschermingen. Leg de PCC daarom niet dicht bij een
mobiele telefoon of metalen voorwerpen.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de PCC en het sleutelblad op de normale manier gebruiken, zie pagina 45.
Ontgrendelen
Open de portieren met de handgreep of open
de achterklep met de handgreep op de klep.
Ontgrendelen met sleutelblad
Als de Keyless drive-functie van de PCC niet
werkt, kunt u het bestuurdersportier ontgrendelen met het sleutelblad. In dat geval wordt de
centrale vergrendeling niet geactiveerd.
N.B.
Bij ontgrendelen met het sleutelblad gaat
het alarm af. Voor het deactiveren, zie
pagina 59.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 51
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
Geheugenfunctie van PCC
Als meerdere personen met elke hun eigen
PCC met Keyless drive-functie naar de auto
lopen, nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de stand in die ligt opgeslagen in
de PCC van degene die het bestuurdersportier
opent.
Wanneer het bestuurdersportier bijvoorbeeld
werd geopend door persoon A met PCC A,
maar persoon B met PCC B zal gaan rijden, zijn
de instellingen als volgt te wijzen:
•
Staand naast het bestuurdersportier of zittend achter het stuur drukt persoon B op
de ontgrendelingstoets van zijn/haar PCC.
zie pagina 46.
•
Kies een van de drie mogelijk positiegeheugens voor de stoel met de stoelknoppen 1–3, zie pagina 75.
•
Stel de stoel en de spiegels handmatig in,
zie pagina 74 en zie pagina 93.
Vergrendelen
Vergrendel de portieren en de achterklep door
op de vergrendelingsknop op een van de portierhandgrepen aan de buitenkant te drukken.
Alle portieren inclusief de achterklep moeten
zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen. De auto wordt anders niet vergrendeld.
Locatie antennes
02
N.B.
Bij een auto met een automatische versnellingsbak dient de keuzehendel in stand P te
worden gezet, aangezien de auto anders
niet vergrendeld of op alarm gezet kan worden.
G021179
Sleutelgeheugen, bestuurdersstoel en
buitenspiegels
Instellingen vergrendelen
Onder Instellingen van de auto
Instellingen vergrendelen Op afstand
openen kunt u de Keyless drive-functie aanpassen door aan te geven welke portieren van
de auto er moeten worden ontgrendeld. Voor
een beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 118.
Het Keyless drive-systeem werkt met een aantal antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn in de auto.
Achterklep, bij de wissermotor
Portierhandgreep, linksachter
Plafond, boven de achterbank, in het midden
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
51
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
WAARSCHUWING
02
52
Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de antennes van het Keyless drive-systeem. Dit om
eventuele storingen in de pacemaker als
gevolg van het Keyless drive-systeem uit te
sluiten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 52
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 53
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Van de buitenzijde
Met de transpondersleutel kunt u alle portieren
en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/ontgrendelen. Vergrendelen/ontgrendelen kan op
verschillende manieren plaatsvinden, zie
pagina 118.
worden alle sloten automatisch weer vergrendeld. Deze functie voorkomt dat u de auto per
ongeluk onvergrendeld kunt laten staan. Voor
auto’s met alarmsysteem, zie pagina 59.
Van de binnenzijde
Wanneer u de knop lang ingedrukt houdt, worden ook alle zijruiten* geopend.
•
Trek eenmaal aan de openingshandgreep
en laat deze vervolgens los. Wanneer u een
tweede maal aan de handgreep trekt wordt
het portier geopend.
Bij vergrendeling zijn de vergrendelingsknoppen op de portieren en de openingshandgrepen aan de binnenzijde niet meer te bedienen:
dit is de zogeheten Safelock-functie*, zie
pagina 56.
Vergrendelen
Als u niet met de transpondersleutel kunt vergrendelen/ontgrendelen is de batterij mogelijk
leeg – vergrendel/ontgrendel het portier dan
met het afneembare sleutelblad, zie
pagina 48.
Alle portieren zijn eenmaal gesloten handmatig
te vergrendelen met de vergrendelingsknop op
de portieren.
WAARSCHUWING
Let erop dat inzittenden in de auto kunnen
worden opgesloten, als u die van de buitenzijde vergrendelt.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na ontgrendeling van de
buitenzijde met de transpondersleutel opent,
Druk nadat u de voorportieren hebt gesloten op
de knop voor de centrale vergrendeling. Bij
lang indrukken worden ook de zijruiten en het
schuifdak gesloten*.
G019216
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat, zie pagina 216.
De klep kan niet worden geopend, als u de auto
vergrendeld en het alarm ingeschakeld hebt.
02
Met de knop voor de centrale vergrendeling op
de voorportieren kunt u alle portieren en de
achterklep tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen. Druk de rechterkant van de knop in
om te vergrendelen en de linkerkant om te ontgrendelen.
Automatische vergrendeling
Bij het wegrijden kunnen de portieren en de
achterklep automatisch worden vergrendeld.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto Instellingen
vergrendelen Portieren autom. op slot.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 118.
Ontgrendelen
Een portier kan op twee manieren van de binnenkant worden ontgrendeld:
•
Druk op de knop voor centrale vergrendeling (alleen voorportieren).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
53
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 54
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Dashboardkastje
Achterklep
terklep worden automatisch buiten werking
gesteld.
02
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
N.B.
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw het sleutelblad in het slot van het
dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
Ontgrendelen met transpondersleutel
Met de transpondersleutel is het mogelijk om
de alarmfunctie voor de achterklep te deactiveren* zodat u de achterklep apart kunt ontgrendelen en openen*.
N.B.
Bij auto’s met de optie elektrische achterklepbediening wordt de achterklep
geopend. Bij andere auto’s wordt de achterklep alleen ontgrendeld (zie pagina 55).
Neem het sleutelblad uit.
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde
volgorde aan.
54
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Van de binnenzijde ontgrendelen
Bij auto’s met alarm* dooft de alarmindicatie op
het dashboard om aan te geven dat niet alle
onderdelen van de auto beveiligd zijn. De
niveausensoren en bewegingsmelders alsmede de sensoren in de opening van de ach-
G021099
Het dashboardkastje valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel. (Voor informatie over het sleutelblad, zie pagina 44.)
G021093
G031378
Bij het sluiten van de achterklep blijft deze
onvergrendeld staan, totdat u de auto met
de transpondersleutel opnieuw vergrendeld.
Voor het ontgrendelen en openen* van de
bagageklep:
±
Druk op de knop (1) op het verlichtingspaneel.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 55
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Vergrendelen met transpondersleutel
N.B.
Druk op de toets voor vergrendeling op de
transpondersleutel, zie pagina 46.
•
Om oververhitting tegen te gaan wordt
het systeem bij continu gebruik gedurende 60 seconden automatisch uitgeschakeld. Ca. 10 minuten later is het
opnieuw klaar voor gebruik.
•
Als de startaccu ontladen of losgekoppeld is geweest, moet de achterklep
eenmaal handmatig worden geopend
en gesloten om het systeem te resetten.
Bij auto’s met alarm* gaat de alarmindicatie op
het dashboard knipperen om aan te geven dat
het alarm geactiveerd is.
Elektrische achterklepbediening*
Sneeuw en wind
Als de achterklep tijdens het openen omlaagkomt door bijvoorbeeld een dikke laag sneeuw
of harde wind, dan wordt de achterklep automatisch gesloten.
G031965
Beveiliging tegen overbelasting
BELANGRIJK
Let op de dakhoogte bij het gebruik van de
elektrische achterklepbediening. Maak
geen gebruik van de elektrische achterklepbediening bij een geringe dakhoogte of
houd de achterklep goed in de gaten om de
openingsfunctie tijdig te kunnen onderbreken (zie onder het kopje “Openingsfunctie
achterklep onderbreken”).
Als de achterklep tijdens het openen/sluiten in
zekere mate wordt gehinderd door een obstakel treedt de beveiliging tegen overbelasting in
werking.
•
Gebeurt dit tijdens het openen dan wordt
de elektrische achterklepbediening uitgeschakeld en de achterklep vrijgegeven.
•
Gebeurt dit tijdens het sluiten dan gaat de
achterklep weer helemaal open.
WAARSCHUWING
Let op het gevaar voor beknelling tijdens het
openen/sluiten. Controleer alvorens de achterklep te openen/sluiten of er niemand in
de buurt van de achterklep staat, omdat
ernstig beknellingsletsel anders niet uitgesloten kan worden.
02
Bedien de achterklep altijd onder toezicht.
Achterklep handmatig bedienen
Het systeem wordt uitgeschakeld, als het met
rubber beklede drukplaatje onder de buitenhandgreep een tweede maal wordt bediend. U
kunt de achterklep vervolgens handmatig openen/sluiten.
Achterklep openen
De achterklep is op drie manieren te
openen, waarvan twee met behulp
van deze knop:
•
Knop voor achterklep op verlichtingspaneel lang indrukken – houd de knop ingedrukt totdat de achterklep wordt geopend.
•
Knop voor achterklep op transpondersleutel lang indrukken – houd de knop ingedrukt totdat de achterklep wordt geopend.
•
Met rubber beklede drukplaatje onder buitenhandgreep licht indrukken en de klep
openen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
55
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 56
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Achterklep sluiten
De achterklep is te sluiten met deze
knop op de achterklep of handmatig.
02
•
Druk op de knop - op de achterklep om de
klep automatisch te sluiten.
Openings-/sluitfunctie achterklep
onderbreken
Dit kan op vier manieren, waarvan
drie met behulp van deze knop:
•
Druk op de knop voor de achterklep op het
verlichtingspaneel
•
Druk op de toets voor de achterklep op de
transpondersleutel
•
Druk op de knop voor de achterklep op de
achterklep zelf
•
Druk op het met rubber beklede drukplatje onder de buitenhandgreep.
Safelock-functie*
MENU
Bij activering van de zogeheten Safelock-functie zijn de portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld
zijn.
EXIT
Met de transpondersleutel activeert u de Safelock-functie die 10 seconden na vergrendeling
van de portieren in werking treedt.
Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen. Het bestuurdersportier is ook te ontgrendelen met het afneembare sleutelblad.
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen. Dat gaat als volgt:
1. Open het menusysteem en ga naar
Instellingen van de auto (voor een gedetailleerde beschrijving van het menusysteem, zie pagina 118).
2. Kies Verlaagde guard.
3. Kies Eenmalig inschakelen: Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt
de melding Verlaagde guard – Zie
instructieb. en de Safelock-functie wordt
uitgeschakeld bij vergrendeling van de
auto.
Tijdelijk deactiveren
De beweging van de achterklep wordt op
dezelfde manier onderbroken als bij activering
van de beveiliging tegen overbelasting (zie
“Beveiliging tegen overbelasting”).
of
G031384
Kies Vraag bij uitgang: Iedere keer dat u
de motor afzet, verschijnt op het display
van het audiosysteem de melding ENTER
voor verlaagde beveiliging tot de motor
weer gestart wordt. EXIT voor
annuleren – kies dan een van de alternatieven:
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
Navigatie
ENTER
56
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen:
Druk op ENTER en vergrendel de auto.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 57
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
Als de auto uitgerust is met een alarmsysteem
met bewegingsmelders en niveausensoren*,
worden ook deze tegelijkertijd uitgeschakeld,
zie pagina 59.
02
De volgende keer dat u de motor start, wordt
het systeem gereset waarna op het display van
het instrumentenpaneel de melding Beveil.
volledig verschijnt. Daarmee zijn de Safelockfunctie en de bewegingsmelders en niveausensoren* van het alarmsysteem opnieuw
ingeschakeld.
of
•
Als u geen wijzigingen in het vergrendelingssysteem wenst: Vergrendel de auto
zonder een keuze te maken of druk op
EXIT en vergrendel de auto.
N.B.
Bij auto’s met alarmsysteem:
let erop dat de auto bij het vergrendelen op
alarm wordt gezet.
Wanneer een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto achter zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren. Zo voorkomt u dat iemand opgesloten raakt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
57
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 58
02 Sloten en alarm
Kinderslot
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten
achter op de korte kant van de achterportieren,
zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan.
±
Gebruik het sleutelblad om de bedieningscilinder te verdraaien en zo het kinderslot
in of uit te schakelen.
Het portier kan niet van de binnenzijde
worden geopend.
Het portier kan van de binnenzijde worden
geopend.
N.B.
Op auto’s met het elektrische kinderslot zit
geen handmatig kinderslot.
58
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G019300
Elektrisch kinderslot op
achterportieren en achterste zijruiten*
G021077
02
Handmatig kinderslot op
achterportieren
Wanneer het elektrische kinderslot actief is:
•
zijn de achterste zijruiten alleen vanaf het
bestuurdersportier te bedienen
•
zijn de achterportieren niet van de binnenzijde te openen.
1. Het kinderslot is te activeren/deactiveren
in sleutelstand I of II (zie pagina 72).
2. Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het informatiedisplay verschijnt een
melding.
Het lampje in de knop brandt, wanneer
het slot geactiveerd is.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 59
02 Sloten en alarm
Alarm*
Algemene informatie
Het alarm gaat af, als:
•
een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend
•
een verkeerde sleutel wordt gebruikt of als
het contactslot wordt gemanipuleerd
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is)
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*)
•
•
de accukabel wordt ontkoppeld
iemand de sirene probeert los te koppelen.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het informatiedisplay. Neem dan contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Een van de sensoren van het alarm zit onder
de bekerhouder in de middenconsole en
reageert op metalen.
Bewaar geen parkeergeld, sleutels en soortgelijke metalen voorwerpen in de bekerhouder van de middenconsole, omdat dit ertoe
kan leiden dat het alarm ten onrechte
afgaat.
N.B.
•
•
de led is uit – het alarm is uitgeschakeld
•
De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm (tot aan het
moment dat u de transpondersleutel in het
contactslot steekt en sleutelstand I wordt
bereikt) – het alarm is afgegaan.
02
De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld
Alarm activeren
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
•
Druk op de vergrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Alarm deactiveren
•
Alarmindicatie
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Geactiveerd alarm uitschakelen
Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel of steek de transpondersleutel in
het contactslot.
G031385
N.B.
De bewegingsmelders laten het alarm
afgaan, wanneer er bewegingen in het interieur worden waargenomen. Het alarm kan
dan ook afgaan als u bij het parkeren van de
auto een van de zijruiten laat openstaan of
gebruik maakt van een elektrische interieurverwarming. Sluit daarom voordat u de auto
verlaat alle ruiten en stel de interieurverwarming dusdanig in dat deze geen warme
lucht omhoogblaast.
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
59
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 60
02 Sloten en alarm
Alarm*
Overige alarmfuncties
02
Automatische herinschakeling van het
alarm
De functie voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarm in te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto wordt
bovendien opnieuw vergrendeld.
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot. Het alarm wordt uitgeschakeld.
De alarmindicatie knippert snel totdat u de
transpondersleutel in het contactslot hebt
gestoken.
Beperkt alarmniveau
1. Open het menusysteem en ga naar
Instellingen van de auto (voor een gedetailleerde beschrijving van het menusysteem, zie pagina 118).
2. Kies Verlaagde guard.
3. Kies Eenmalig inschakelen: Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt
de melding Beveil. verlaagd Zie
instructieb. en de bewegingsmelders en
niveausensoren worden uitgeschakeld bij
vergrendeling van de auto.
Alarmsignalen
of
•
Er klinkt 30 seconden lang een sirene. De
sirene heeft zijn eigen accu die volledig
onafhankelijk is van de standaardaccu in
de auto.
•
Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
Kies Vraag bij uitgang: Iedere keer dat u
de motor afzet, verschijnt op het display
van het audiosysteem de melding ENTER
om guard te verm. totdat motor is
gestart. EXIT voor annuleren - kies dan
een van de alternatieven:
G031384
Bij alarm gebeurt het volgende:
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
Navigatie
ENTER
Transpondersleutel defect
MENU
Als de transpondersleutel defect is, kunt u het
alarm uitschakelen en de auto als volgt starten:
EXIT
1. Open het bestuurdersportier met het sleutelblad. Het alarm gaat af en de sirene
klinkt.
60
tijdelijk uitschakelen en wel als volgt: Dat gaat
als volgt:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Om te voorkomen dat het alarm afgaat wanneer u bijvoorbeeld een hond in de auto achterlaat of gebruik maakt van een veerboot, kunt
u de bewegingsmelder en de niveausensoren
•
Als u de bewegingsmelders en niveausensoren wilt uitschakelen: Druk op ENTER en
vergrendel de auto.
Als de auto is uitgerust met Safelock-functie*,
wordt ook deze functie uitgeschakeld, zie
pagina 56.
De volgende keer dat u de motor start, wordt
het systeem gereset waarna op het display van
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 61
02 Sloten en alarm
Alarm*
het instrumentenpaneel de melding Beveil.
volledig verschijnt. Daarmee zijn de Safelockfunctie en de bewegingsmelders en niveausensoren van het alarmsysteem opnieuw ingeschakeld.
02
4. Open het bestuurdersportier. Er klinkt een
sirene en alle richtingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
of
•
3. Ontgrendel het bestuurdersportier met het
sleutelblad.
Als de sensoren niet wilt uitschakelen: Vergrendel de auto zonder een keuze te
maken of druk op EXIT en vergrendel de
auto.
Alarmsysteem testen
Bewegingsmelder in passagiersruimte
testen
1. Sluit alle zijruiten. Blijf in de auto zitten.
2. Alarm activeren, zie pagina 59.
3. Wacht 15 seconden.
4. Laat het alarm afgaan door uw armen op te
heffen tot net boven de rugleuning en ze
vervolgens horizontaal heen en weer te
bewegen. Er klinkt een sirene en alle richtingaanwijzers knipperen.
Alarmsensoren in motorkap testen
1. Ga in de auto zitten en deactiveer de bewegingsmelder, zie pagina 59.
2. Activeer het alarm, zie pagina 59. Blijf in de
auto zitten en vergrendel de portieren met
de toets op de transpondersleutel.
3. Wacht 15 seconden.
4. Ontgrendel de motorkap met de handgreep onder het dashboard. Er klinkt een
sirene en alle richtingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
Alarmsensoren in portieren testen
1. Alarm activeren, zie pagina 59.
2. Wacht 15 seconden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
61
Instrumenten, schakelaars en bediening................................................ 64
Sleutelstanden........................................................................................ 72
Stoelen en achterbank............................................................................ 74
Stuurwiel................................................................................................. 78
Verlichting............................................................................................... 79
Wissers en -sproeiers............................................................................. 89
Ruiten en spiegels................................................................................... 92
Elektrisch bediend panoramadak*.......................................................... 96
Motor starten........................................................................................... 98
Motor starten, hulpaccu........................................................................ 100
Versnellingsbakken............................................................................... 101
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)*.......................................... 105
Bedrijfsrem............................................................................................ 106
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)*..................................... 108
Parkeerrem............................................................................................ 110
HomeLinkŸ EU*..................................................................................... 113
62
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 62
G020912
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
BESTUURDERSMILIEU
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 63
03
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenoverzicht
03
Auto met stuur links.
64
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 64
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 65
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Pagina
Functie
Pagina
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers,
groot licht/dimlicht,
boordcomputer
79,
82, 121,
150
Klimaatregeling, ECC*
126
Schakelhendel
101
157, 159
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
156
Cruisecontrol
Claxon, airbag
20, 78
Wissers en -sproeiers
89, 90
Instrumentenpaneel
67, 71
Stuurwielafstelling
78
Menu-, audio- en telefoonfuncties
118,
135, 201
Ontgrendeling motorkap
238
Knop START/STOP
98
Parkeerrem*
110
Contactslot
72
Stoelinstelling*
74
Informatiedisplay voor
menufuncties
118
54, 79,
216
Openingshandgreep portier
-
Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling
tankvulklep en achterklep
Bedieningspaneel
53, 58,
92, 93
Alarmlichten
82
Menufuncties, klimaatregeling en audiosysteem
118,
126, 137
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
Auto met stuur rechts.
66
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 66
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 67
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Pagina
Functie
Pagina
Informatiedisplay voor
menufuncties
118
Ontgrendeling motorkap
238
Stuurwielafstelling
78
Contactslot
72
Knop START/STOP
98
Cruisecontrol
157, 159
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers,
groot licht/dimlicht,
boordcomputer
79,
82, 121,
150
Instrumentenpaneel
67, 71
156
Claxon, airbag
20, 78
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
Menu-, audio- en telefoonfuncties
118,
126, 137
Schakelhendel
101
Wissers en -sproeiers
89, 90
Klimaatregeling, ECC*
126
Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling
tankvulklep en achterklep
54, 79,
216
Menufuncties, klimaatregeling en audiosysteem
118,
126, 137
Alarmlichten
82
Openingshandgreep portier
-
Bedieningspaneel
53, 58,
92, 93
Stoelinstelling*
74
Parkeerrem
110
Informatiedisplays
03
G021112
Functie
Informatiedisplays.
Op de informatiedisplays verschijnt informatie
over bepaalde functies van de auto zoals de
cruisecontrol, boordcomputer en meldingen.
De informatie verschijnt in tekstvorm en met
symbolen.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van de informatiedisplays.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
67
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 68
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Meters
Controle-, informatie- en
waarschuwingssymbolen
5 seconden alle symbolen uit behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk.
Controle- en informatiesymbolen
Symbool
03
Betekenis
Richtingaanwijzers aanhanger
G018282
G021113
Uitlaatgasreinigingssysteem
Storing in ABS
Meters op het instrumentenpaneel.
Snelheidsmeter
Brandstofmeter. Zie ook boordcomputer,
pagina 150, en tanken, pagina 216.
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Controle- en waarschuwingssymbolen.
Controle- en informatiesymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen1
Symbolen groot licht en richtingaanwijzers
Als de motor niet aanslaat of als de functietest
wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan na
68
Stabiliteitssysteem
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Functietest
Alle controle- en waarschuwingslampjes gaan
branden in sleutelstand II of wanneer u de
motor start. Alle symbolen moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het
symbool voor de parkeerrem. Dit gaat pas uit,
als de auto van de parkeerrem wordt gehaald.
1
Mistachterlicht aan
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 239.
Laag peil in brandstoftank
Informatie, lees displaymelding
Groot licht aan
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 69
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Symbool
Betekenis
Richtingaanwijzers links
Richtingaanwijzers rechts
plaats rijden om het systeem te laten controleren.
Mistachterlicht
Dit symbool brandt wanneer u het mistachterlicht hebt ingeschakeld. Er is slechts één mistachterlicht - dat zit aan de bestuurderszijde.
Stabiliteitssysteem
Richtingaanwijzers aanhanger
Het symbool knippert wanneer u de richtingaanwijzers gebruikt met een aanhanger achter
de auto. Als het symbool sneller knippert dan
normaal is een van de richtingaanwijzers op de
auto of op de aanhangwagen kapot.
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan het lampje gaan branden. Rijd de
auto naar een erkende Volvo-werkplaats om
het systeem te laten controleren.
Storing in ABS
Als het symbool brandt, is het systeem defect.
Het normale remsysteem van de auto werkt
dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
3. Als het symbool echter blijft branden, moet
u de auto naar een erkende Volvo-werk-
Het knipperende symbool geeft aan dat het
stabiliteitssysteem werkt. Als het symbool continu brandt is er sprake van een storing in het
systeem.
Voorgloeifunctie motor (diesel)*
Het symbool gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. De voorverwarming start
als de temperatuur lager wordt dan 2 °C. De
auto kan worden gestart als het symbool
gedoofd is.
Laag peil in brandstoftank
Wanneer het lampje gaat branden is het brandstofpeil te laag. Tank dan zo spoedig mogelijk.
kan ook gaan branden in combinatie met
andere symbolen.
N.B.
Wanneer de servicemelding verschijnt, kunt
u het lampje doven en de melding verwijderen met de knop READ. Ook als u niets doet
gebeurt dat enige tijd later automatisch.
03
Groot licht aan
Het symbool brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft
Richtingaanwijzers links/rechts
Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen bij
gebruik van de alarmlichten.
Controle- en waarschuwingssymbolen
Symbool
Betekenis
Lage oliedrukA
Informatie, lees displaymelding
Als er een afwijking is in een van de systemen
in de auto, gaat het informatiesymbool branden en verschijnt er een melding op het display. U verwijdert de melding met behulp van
de knop READ, zie pagina 121. De melding
verdwijnt automatisch na enige tijd (afhankelijk
van de defecte functie). Het informatiesymbool
Parkeerrem aangezet
Airbags (SRS)
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
69
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 70
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Symbool
Betekenis
Storing in remsysteem
Waarschuwing
03
A
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk
niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding. Voor informatie over het controleren van het oliepeil, zie pagina 239
Lage oliedruk
Als het symbool tijdens het rijden oplicht, is de
druk van de motorolie te laag. Zet de motor
onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het symbool oplicht
terwijl het oliepeil in orde is, moet u contact
opnemen met een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Het symbool gaat ook branden als de
mechanische parkeerrem slechts een weinig is aangezet.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
Airbags (SRS)
Als het symbool tijdens het rijden oplicht of
blijft branden, is er een storing geregistreerd in
de gordelsluiting of in het SRS-, SIPS- of ICsysteem. Rijd de auto zo spoedig mogelijk naar
een erkende Volvo-werkplaats om het systeem
te laten controleren.
Gordelwaarschuwing
Het symbool brandt als de bestuurder of de
voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of
als iemand op de achterbank de gordel heeft
losgenomen.
Parkeerrem aangezet
Dynamo laadt niet bij
Het symbool brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet. Bij auto’s met een
elektrische parkeerrem knippert het symbool
tijdens het aanzetten en gaat daarna continu
branden.
Het symbool gaat tijdens het rijden branden,
als er sprake is van een storing in het elektrisch
systeem. Bezoek een erkende Volvo-werkplaats.
Een knipperend symbool houdt in dat er een
storing is opgetreden. Lees de melding op het
informatiedisplay.
Als het symbool oplicht, is het remvloeistofpeil
mogelijk te laag. Breng de auto op een veilige
plaats tot stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir, zie pagina 242.
Storing in remsysteem
Als de waarschuwingssymbolen voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er
70
een storing in de remkrachtverdeling zijn opgetreden.
•
•
Rijd verder als beide symbolen uitgaan.
Als de symbolen echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren, zie pagina 242. Als de
symbolen blijven branden ondanks dat
het peil van de remvloeistof in orde is,
moet u de auto uiterst voorzichtig naar
een erkende Volvo-werkplaats rijden
om het remsysteem te laten controleren.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies
controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 71
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd
die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of
de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt
tegelijkertijd een verklarende melding op het
informatiedisplay. Het waarschuwingslampje
blijft branden totdat de storing is verholpen,
maar de melding kunt u verwijderen met de
knop READ, zie pagina 121. Het waarschuwingslampje kan ook gaan branden in combinatie met andere lampjes.
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatiesymbool branden.
Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het waarschuwingssymbool branden.
Door kort op de knop te drukken, kunt u van
dagteller ( T1 en T2) wisselen. Als u de knop
lang indrukt (meer dan 2 seconden), zet u de
geactiveerde dagteller op nul. De afgelegde
afstand staat op het display.
03
Klok
Dagtellers
Actie:
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren, de motorkap2 of de
achterklep niet goed afgesloten is, gaat het
informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende melding
op het instrumentenpaneel. Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier, het kofferdeksel of de motorkap dat/die
open is.
2
G021123
G021125
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de melding met de knop READ.
Dagteller en bedieningsknop.
Display voor dagtellers
Klok en instelknop.
Knop om de klok in te stellen.
Informatiedisplay voor de tijdaanduiding.
Knop om te wisselen tussen de dagtellers
T1 en T2 alsook de dagtellers op nul te
stellen.
Draai de knop rechts- of linksom om de tijd in
te stellen. De ingestelde tijd verschijnt op het
informatiedisplay.
De dagtellers worden gebruikt om korte afstanden te meten.
Bij de weergave van een melding kan de tijdsaanduiding korte tijd worden vervangen door
een symbool, zie pagina 121.
Alleen auto’s met alarm*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
71
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 72
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
Functies
BELANGRIJK
Vreemde voorwerpen in het contactslot
kunnen tot functiestoringen leiden of
schade aan het slot toebrengen.
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken! Pak de sleutel beet aan het uiteinde met het sleutelblad. zie pagina 48.
03
G031372
N.B.
72
Voor auto’s met Keyless drive-functie*, zie
pagina 50.
Contactslot met transpondersleutel, knop START/
STOP.
Sleutelstand 0
Transpondersleutel aanbrengen en
verwijderen
Sleutelstand I
Steek de transpondersleutel in het contactslot.
U brengt de transpondersleutel in het contactslot aan. Bij licht indrukken van de transpondersleutel wordt deze verder naar binnen
getrokken.
Duw de transpondersleutel in het contactslot
en druk op de knop START/STOP ENGINE.
Verwijder de transpondersleutel door er lichte
druk op uit te oefenen. De sleutel komt dan
naar buiten, waarna u deze kunt uitnemen. Een
automatische versnellingsbak* moet daarbij in
stand P staan.
Om sleutelstand II te bereiken zonder de
motor te starten dient u het rem-/koppelingspedaal niet te bedienen.
Sleutelstand II
Voor informatie over de functie van het audiosysteem bij een uitgenomen transpondersleutel, zie pagina 135.
Duw de transpondersleutel in het contactslot
en druk ca. 2 seconden op de knop START/
STOP ENGINE.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Motor starten
Voor het starten van de motor, zie
pagina 98.
Zet motor af
Druk op START/STOP ENGINE.
Als de auto rolt of als de keuzehendel niet in
stand P staat bij auto’s met een automatische
versnellingsbak: Druk tweemaal achtereen op
de knop of houd de knop ingedrukt totdat de
motor afslaat.
Sleutelstand 0 hervatten
Druk op de knop START/STOP ENGINE om
vanuit stand I, II terug te gaan naar sleutelstand
0.
WAARSCHUWING
Laat bij het verslepen de transpondersleutel
in het contactslot zitten zodat de verlichting
kan worden ingeschakeld.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 73
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
Stand
Functie
0
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht. Het
stuurslot is opgeheven. Het
audiosysteem is te gebruiken.
I
Panoramadak, elektrisch bedienbare zijruiten, telefoon, interieurventilator, ECC en ruitenwissers
zijn te gebruiken.
II
De koplampen worden ontstoken. Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden
lang. Alle uitrusting werkt,
behalve de elektrische verwarming van de stoel en die van de
achterruit die pas werken wanneer de motor loopt.
03
73
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 74
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
Voorstoelen
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden. Doe dit nooit tijdens
het rijden. Controleer of de stoel in zijn stand
vergrendeld staat.
03
Rugleuning voorstoel omklappen*
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
WAARSCHUWING
Controleer of de rugleuning van de voorstoel na het rechtop zetten goed vergrendeld staat.
G021127
Elektrisch bedienbare stoel*
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
1
74
De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren
en omlaag.
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Zet de rugleuning rechtop.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G021133
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
G021129
Lendensteun wijzigen, aan de knop 1
draaien.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit en omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen door
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 75
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit het
geval is, moet u de sleutel in stand I of 0 zetten
en enige tijd wachten voordat u de stoel
opnieuw probeert te verstellen.
Instelling vastleggen
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
Geheugenknop
Geheugenknop
Geheugenknop
Knop voor vastlegging van de instelling
Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. U verstelt de
stoel normaal gesproken in sleutelstand I.
Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk.
Stoel met geheugenfunctie*
2. Houd de knop voor vastlegging van de
instelling ingedrukt, terwijl u op de geheugenknop van uw keuze drukt.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd een van de geheugenknoppen ingedrukt,
totdat de stoel en de buitenspiegels tot stilstand komen. Bij het loslaten van de knop zal
de instelling van de stoel onmiddellijk worden
beëindigd.
Geheugen* van transpondersleutel
2
G021134
De stand van de bestuurdersstoel en de buitenspiegels wordt vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
G014387
Voorbereidingen
2
03
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld, nemen
de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de in
het sleutelgeheugen vastgelegde standen in.
N.B.
De bestuurdersstoel en de buitenspiegels
worden niet verzet, als ze al in de opgeslagen stand staan.
U kunt de standen in het sleutelgeheugen ook
activeren door (terwijl het bestuurdersportier
openstaat) de ontgrendelingsknop op de
transpondersleutel te bedienen.
Voor het sleutelgeheugen bij Keyless drive, zie pagina 51.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
75
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 76
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
U kunt het sleutelgeheugen activeren/deactiveren onder Autosleutelgeheugen Pos.
stoelen en spiegels. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 118.
Achterbank
Buitenste hoofdsteunen achterbank
handmatig omklappen
Middelste hoofdsteun achterbank
N.B.
03
Het geheugen van de twee transpondersleutels en de drie geheugens van de stoel
werken volledig onafhankelijk van elkaar.
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten dient u
de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te bedienen. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen. Zorg dat er geen
voorwerpen voor, achter of onder de stoel
liggen tijdens het verstellen. Zorg er tevens
voor dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
76
G000000
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
G031380
Noodstop
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de
passagier zodat deze zo mogelijk het hele achterhoofd bedekt. Trek de hoofdsteun zo ver
omhoog als nodig is.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de knop (in het midden tussen het ruggedeelte
en de hoofdsteun, zie afbeelding) indrukken
terwijl u de hoofdsteun omlaagduwt.
Trek aan de pal bij de hoofdsteun om de hoofdsteun om te klappen.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig
rechtop totdat deze hoorbaar vastklikt.
Ruggedeelte achterbank omklappen
De drie ruggedeelten van de achterbank zijn op
verschillende manieren neer te klappen om het
u makkelijk te maken lange voorwerpen te vervoeren.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 77
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
N.B.
N.B.
•
Het linker ruggedeelte kan apart worden
neergeklapt.
•
Het middelste ruggedeelte is eveneens
apart neer te klappen.
•
Het rechter ruggedeelte kan samen met
het middelste ruggedeelte worden neergeklapt.
•
Alle ruggedeelten zijn ook tegelijkertijd
neer te klappen.
De rode markering mag niet langer zichtbaar zijn, wanneer het ruggedeelte weer
rechtop staat. Het ruggedeelte staat niet
geblokkeerd, als de rode markering wel
zichtbaar is.
G031382
Zet de voorstoelen zo nodig naar voren en/
of de rugleuningen ervan rechtop, zodat u
de ruggedeelten van de achterbank helemaal kunt neerklappen.
Bij het omklappen van het middelste ruggedeelte dient u de middelste hoofdsteun
vrij te geven en omlaag te zetten, zie
pagina 76.
03
WAARSCHUWING
Controleer of de ruggedeelten en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop
zetten goed vergrendeld staan.
De buitenste hoofdsteunen worden automatisch neergeklapt, wanneer u de buitenste ruggedeelten omklapt. Trek de blokkeerhandgreep
van het ruggedeelte
omhoog en klap het ruggedeelte om. Een
rode markering bij de blokkeerhandgreep
geeft aan dat het ruggedeelte niet langer geblokkeerd staat.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
77
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 78
03 Bestuurdersmilieu
Stuurwiel
Instellen
Claxon
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
controleer of het in de gekozen stand vergrendeld staat.
G021138
G031398
Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de kracht die nodig is om het
stuur te verdraaien in te stellen (zie
pagina 156).
03
Toetsensets*
Stuurwiel afstellen.
Claxon.
Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling
Druk op het midden van het stuurwiel om te
claxonneren.
Mogelijke stuurwielstanden
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de diepte verstellen.
G031397
1. Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te geven.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
3. Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
78
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Toetsensets op stuurwiel.
Cruisecontrol, zie pagina 157
Adaptieve cruisecontrol, zie pagina 159
Audio- en telefoonfuncties, zie
pagina 135
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 79
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Bedieningspaneel verlichting
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze
functie is in te stellen met het duimwiel.
Groot licht/dimlicht
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel voor het afstellen van de verlichting van het display en het instrumentenpaneel
Mistachterlicht
Mistlampen voorzijde*
Bedieningspaneel verlichting
03
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen. Stel de koplampen lager af als de
auto zwaar beladen is.
1. Laat de motor draaien of zet de transpondersleutel in stand I.
2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om
de koplampen hoger of lager af te stellen.
G031405
G031407
Koplamphoogteregeling
Verlichtingsdraaiknop en stuurhendel.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor grootlicht
Auto’s met actieve xenonkoplampen* zijn uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel ontbreekt.
Duimwiel1 voor koplamphoogteregeling
Instrumentenverlichting
Afhankelijk van de sleutelstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht, zie
pagina 72.
1
Niet aanwezig bij auto’s met actieve xenonkoplampen*.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
79
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 80
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Stand
Betekenis
Automatisch*/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsignalen.
Stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
03
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en
de grootlichtsignalen.
N.B.
Het groot licht is alleen te activeren in stand
.
is het dimlicht altijd automaIn stand
tisch ingeschakeld wanneer de motor loopt of
als de transpondersleutel in stand II staat.
Groot licht
Het groot licht is alleen te ontsteken met de
. Schakel
verlichtingsdraaiknop in stand
het groot licht in of uit door de stuurhendel tot
in de eindstand naar het stuurwiel te halen en
vervolgens los te laten.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
op het instrumentenpahet symbool
neel.
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de stand
voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe.
Het groot licht brandt totdat u de hendel loslaat.
80
Op bepaalde markten is in deze stand het dimlicht geactiveerd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G021143
Dimlicht
2
De functie wordt automatisch ingeschakeld bij
op
het starten van de motor. De knop
de middenconsole brandt, wanneer de functie
actief is. Bij een storing knippert de knop. De
functie is uitsluitend actief bij schemer of donker en dan alleen als de auto rijdt.
De functie is te deactiveren/activeren met de
knop.
Voor het aanpassen van de lichtbundel, zie
pagina 85.
Actieve xenonkoplampen*
Grootlichtsignalen
2
Als de verlichtingsdraaiknop in stand
staat, gaat bij het starten van de motor het
dimlicht automatisch* branden. U kunt het
automatische dimlicht zo nodig in een erkende
Volvo-werkplaats buiten werking laten stellen.
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen (ABL), draaien de lichtbundels van de
koplampen mee om optimale verlichting te verkrijgen in bochten en op kruisingen om op die
manier de veiligheid te verhogen.
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 81
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Remlichten
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
Mistlampen voorzijde*
De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt.
Noodremlichten en automatische
alarmlichten, EBL
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stads-/parkeerlichten vóór en achterlichten.
Draai de verlichtingsdraaiknop naar de middelste stand (ook de kentekenplaatverlichting
gaat branden).
Om het achteropkomende verkeer te waarschuwen worden de achterlichten ook bij het
openen van de achterklep automatisch ingeschakeld.
Het systeem wordt geactiveerd als het ABS
meer dan 0,5 seconden achtereen actief is of
bij krachtig afremmen, maar alleen bij snelheden hoger dan 50 km/h. Wanneer de snelheid
van de auto tot onder de 30 km/h is gedaald,
branden de remlichten weer op de normale
manier en worden de alarmlichten automatisch
ingeschakeld. De alarmlichten blijven knipperen totdat u weer wegrijdt, maar zijn uit te schakelen met de knop voor de alarmlichten.
03
G031409
G031408
Bij krachtig remmen of ABS-regeling worden
de noodremlichten (EBL, Emergency Brake
Lights) geactiveerd. Dit houdt in dat de remlichten fel knipperen om het achteropkomende
verkeer onmiddellijk te waarschuwen.
Knop voor mistlampen voorzijde.
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
Druk op de knop voor in- en uitschakeling. Het
lampje in de knop brandt, wanneer de mistlampen aan de voorzijde branden.
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlampen vóór verschillen van land tot land.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 82
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Mistachterlicht
N.B.
De regels voor het gebruik van het mistachterlicht verschillen van land tot land.
automatisch uitgeschakeld. U kunt ook op de
knop voor de alarmlichten drukken.
Richtingaanwijzers/knipperlichten
Alarmlichten
G031410
03
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het
controlelampje voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop branden, wanneer het mistachterlicht
ingeschakeld is.
Het mistachterlicht dooft automatisch bij het
afzetten van de motor.
82
G031414
Het mistachterlicht dat uit een lamp aan de
achterzijde van de auto bestaat, is alleen in te
schakelen wanneer u het groot licht/dimlicht
voert al dan niet gecombineerd met de mistlampen aan de voorzijde.
G031415
Knop voor mistachterlicht.
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren. Beide richtingaanwijzersymbolen op het
instrumentenpaneel knipperen bij gebruik van
de alarmlichten.
Als de auto dermate hard wordt afgeremd dat
de noodremlichten (EBL) in werking treden,
worden zodra de snelheid van de auto tot
onder de 30 km/h is gedaald automatisch de
alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de auto
tot stilstand is gekomen blijven de alarmlichten
knipperen. Wanneer u weer wegrijdt worden ze
Richtingaanwijzers/knipperlichten.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eerste stand en laat de hendel vervolgens los. De richtingaanwijzers lichten
driemaal op. U kunt de functie activeren/
deactiveren onder Instellingen van de
auto Lichtinstellingen Knipperl.
aan, 3 x knipp.. Voor een beschrijving van
het menusysteem, zie pagina 118.
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de tweede stand.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 83
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Alle verlichting in het interieur kan handmatig
in- en uitgeschakeld worden binnen 30 minuten nadat:
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
•
u de motor hebt afgezet en de transpondersleutel in stand 0 staat
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
Richtingaanwijzersymbolen
Voor de richtingaanwijzersymbolen, zie
pagina 69.
03
Plafondverlichting voorin
Verlichting in interieur
G021150
De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen op de plafondconsole.
Plafondverlichting achterin bij auto’s zonder panoramadak.
Plafondverlichting achterin
U kunt de lampjes in- en uitschakelen met een
druk op de bijbehorende knop.
Instapverlichting
G021149
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) worden in- en uitgeschakeld bij het
openen c.q. sluiten van een portier.
Leeslampje linkerzijde
Leeslampje rechterzijde
Interieurverlichting
Verlichting dashboardkastje
G031416
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes en interieurverlichting voorin.
Plafondverlichting achterin bij auto’s met panoramadak.
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
Make-upspiegel
De verlichting van de make-upspiegel, zie
pagina 199, wordt bij het openen en sluiten
van het klepje in- en uitgeschakeld.
``
83
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 84
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Bagageruimteverlichting
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen en sluiten van de achterklep automatisch
in- en uitgeschakeld.
Automatische verlichting
03
Met de knop voor de interieurverlichting kunt u
drie verlichtingsstanden selecteren:
•
Uit – rechterkant ingedrukt, automatische
interieurverlichting gedeactiveerd.
•
Neutrale stand – automatische verlichting
geactiveerd.
•
Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
Neutrale stand
Met de knop in de neutrale stand wordt de
interieurverlichting als volgt automatisch in- en
uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
•
u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt (zie pagina 46 of 48)
•
u de motor hebt afgezet en de transpondersleutel in stand 0 staat.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
•
•
84
u de motor start
de auto wordt vergrendeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De interieurverlichting gaat aan en blijft twee
minuten lang branden, wanneer een van de
portieren openstaat.
opritverlichting. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 118.
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na twee minuten
automatisch worden uitgeschakeld.
Approach-verlichting*
Follow Me Home-verlichting
Wanneer de functie met de afstandsbediening
wordt geactiveerd, gaan de parkeerlichten, de
verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het
interieur en de instapverlichting branden.
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow Me Home-verlichting dienst te laten
doen na vergrendeling van de auto.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2. Haal de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe en laat de
hendel los. De functie is op dezelfde
manier te activeren als de grootlichtsignalen, zie pagina 79.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wanneer de functie wordt geactiveerd, gaan
de dimlichten, de parkeerlichten, de richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het interieur en de instapverlichting
branden.
De duur van de Follow Me Home-verlichting
kan worden ingesteld onder Instellingen van
de auto Lichtinstellingen Duur
U activeert de Approach-verlichting met de
transpondersleutel, zie pagina 45, om de verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
De duur van de Approach-verlichting kan worden ingesteld onder Instellingen van de auto
Lichtinstellingen Duur naderingslicht.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 118.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 85
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
G021151
Lichtbundel aanpassen
de juiste lichtbundel wordt ook de berm beter
verlicht.
2. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip ze uit.
Actieve xenonkoplampen*
3. Breng de zelfklevende mallen aan de hand
van de afbeelding, zie pagina 86, en de
afmetingen in de onderstaande lijst aan op
de juiste afstand tot de rand van de
koplampglazen:
Houd de knop
op de middenconsole ten
minste 5 seconden lang ingedrukt. Bij het aanpassen van de lichtbundel dient de auto stil te
staan. De melding KOPLAMPSET VOOR
RECHTSR. VERKEER of KOPLAMPSET
VOOR LINKSR. VERKEER verschijnt op het
display.
•
Mal A en D: horizontale lijn ca. 104 mm,
verticale lijn ca. 20 mm
•
Mal B en C: horizontale lijn ca. 167 mm,
verticale lijn ca. 14 mm
03
Halogeenkoplampen
Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel
aan door bepaalde delen van het koplampglas
af te plakken. De sterkte van de lichtbundel
neemt daardoor iets af.
Lichtbundel linksrijdend verkeer.
Koplampen afplakken
G021152
1. Trek de mallen A en B over voor een auto
met het stuur links of de mallen C en D voor
een auto met het stuur rechts in een schaal
van 1:1, zie pagina 88:
Lichtbundel rechtsrijdend verkeer.
Om verblinding van tegenliggers te voorkomen
kunt u de lichtbundel van de koplampen aanpassen voor links- en rechtsrijdend verkeer. Bij
•
A = LHD Right (auto met het stuur links,
rechter koplampglas)
•
B = LHD Left (auto met het stuur links,
linker koplampglas)
•
C = RHD Right (auto met het stuur
rechts, rechter koplampglas)
•
D = RHD Left (auto met het stuur rechts,
linker koplampglas)
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 86
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Positie van de mallen
03
Bovenste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met het stuur rechts, mallen
86
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 87
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
C en D.
03
``
87
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
Mallen voor halogeenkoplampen
03
88
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 88
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 89
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
Ruitenwissers1
Intervalstand
Met het duimwiel kunt u het aantal
wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
G031420
De wissers bewegen op hoge snelheid.
BELANGRIJK
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor aan/uit
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit (alsmede de achterruit) sneeuw- en ijsvrij zijn.
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Enkele slag
Haal de hendel omhoog en laat deze
los om de wissers een enkele slag te
laten maken.
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit, wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
Regensensor*
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoe-
1
ligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel.
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt
het regensensorsymbool
op het rechter
display van het instrumentenpaneel.
03
Activeren en gevoeligheid instellen
Om de regensensor te activeren dient de motor
te lopen of de transpondersleutel in stand I of
II te staan en de ruitenwisserhendel in stand 0
of die voor een enkele wisslag.
Activeer de regensensor door op de knop
te drukken. De ruitenwissers maken een
slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid (de wissers maken een extra slag,
als u het duimwiel omhoogdraait).
Deactiveren
Schakel de regensensor uit met een druk op de
of haal de hendel omlaag naar een
knop
ander wisprogramma.
Wisserbladen vervangen en sproeiervloeistof bijvullen, zie pagina 251.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
89
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 90
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
BELANGRIJK
03
De ruitenwissers op de voorruit kunnen in
een automatische wasstraat spontaan
inschakelen en daarbij beschadigd raken.
Schakel de regensensor uit terwijl de motor
loopt of als de transpondersleutel in stand
I of II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en dat in de knop doven.
Koplamp- en ruitensproeiers
Ruitensproeiers voorruit
Ruitenwisser en sproeier achterklep
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de
ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen.
De koplampen worden om de beurt gesproeid
om te voorkomen dat de sterkte van de verlichting afneemt.
N.B.
G031422
G031420
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de sleutel uit het contactslot
neemt of vijf minuten nadat u de auto van het
contact hebt gezet.
De koplampen worden om de beurt
gesproeid.
Ruitenwisser achterklep – intervalstand
Ruitenwisser achterklep – continu wissen
G031421
G031420
Verwarmde sproeikoppen*
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch
verwarmd om te voorkomen dat de ruitensproeiervloeistof bevriest.
Wanneer u de hendel naar voren haalt (zie pijl
op bovenstaande afbeelding), activeert u de
ruitenwisser/-sproeier van de achterklep.
Hogedruksproeiers koplampen*
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid.
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de
intervalstand van de ruitenwisser op de achterklep starten2. Bij het inschakelen van een
andere versnelling valt de ruitenwisser op de
achterklep stil.
Sproeierfunctie.
2
90
Deze functie (intervalstand tijdens het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Neem daarvoor contact op met uw Volvo-dealer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 91
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al
op continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging plaats.
N.B.
Bij auto’s met een geactiveerde regensensor wordt de ruitenwisser op de achterklep
automatisch geactiveerd, als u in de regen
achteruitrijdt.
03
91
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 92
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Algemene informatie
Elektrisch bedienbare ruiten
WAARSCHUWING
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet met
hun handen bekneld raken. Dit geldt ook als
u gebruik maakt van de transpondersleutel.
Gelaagd glas
03
De voorruit en het panoramadak zijn
voorzien van gelaagd glas. Het is verstevigd en biedt een betere bescherming tegen inbraak en een verbeterde geluidsisolatie. Overige glazen oppervlakken*.
WAARSCHUWING
De ruiten zijn voorzien van een speciale laag die bij hevige regenval voor
een beter zicht zorgt. Voor het onderhoud, zie
pagina 278.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de ruiten van ijs te ontdoen. Gebruik de elektrische verwarming om de buitenspiegels van
ijs te ontdoen. Een ijskrabber kan krassen
op het spiegelglas veroorzaken!
G031423
Water- en vuilafstotende laag*
Als er kinderen in de auto zitten: let er bij het
verlaten van de auto op dat u de stroomtoevoer naar de elektrisch bedienbare zijruiten verbreekt door de transpondersleutel
uit te nemen.
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot op achterportieren*
en achterste zijruiten, zie pagina 58.
Bediening
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
WAARSCHUWING
G031424
Zorg ervoor dat achterpassagiers niet met
hun handen bekneld raken, wanneer u de
zijruiten vanaf het bestuurdersportier sluit.
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
92
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 93
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier kunt u alle ruiten tegelijk bedienen.
Vanaf het bedieningspaneel op een van de
overige portieren kunt u alleen de zijruit in dat
portier bedienen. De zijruiten zijn alleen te
bedienen vanaf één bedieningspaneel tegelijk.
Handmatige bediening
2. Laat de knop korte tijd los.
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch bedienbare zijruiten komen steeds verder omhoog of omlaag zolang u de
bedieningsknop bedient.
3. Trek de voorkant van de knop opnieuw een
seconde omhoog.
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken moet de transpondersleutel in stand
I of II staan. Ook als u na het afzetten van de
motor de transpondersleutel hebt verwijderd,
hebt u nog enkele minuten lang de tijd om de
ruiten te bedienen. Na het openen van een portier is dat echter niet meer mogelijk.
Automatische bediening
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun beweging worden gehinderd. Wanneer de zijruiten
door ijsvorming bijvoorbeeld tweemaal achtereen niet konden worden gesloten, is het mogelijk de beveiliging tegen overbelasting tijdelijk
op te heffen. U doet dat door de bedieningsknop voor de bewuste zijruit omhoog te trekken en in deze stand vast te houden, totdat de
zijruit dicht is. De beveiliging tegen overbelasting wordt enige tijd later opnieuw geactiveerd.
Met de transpondersleutel of de knoppen voor
de centrale vergrendeling kunt u alle zijruiten
automatisch openen en sluiten:
N.B.
U kunt de rijwindgeluiden tijdens ritten met
geopende achterportierruiten beperken
door ook de voorportierruiten een stukje te
openen.
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog
of duw er een omlaag en laat deze vervolgens
los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting werkt
alleen als de automatische openingsfunctie
voor zijruiten gereset is.
03
Buitenspiegels
Afstandbediening en knoppen centrale
vergrendeling
Houd de vergrendelingsknop ingedrukt
totdat de zijruiten worden geopend of
gesloten. Druk nogmaals op de vergrendelingsknop om het openen/sluiten te
onderbreken.
G031425
±
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt de
automatische openingsfunctie pas weer naar
behoren wanneer u deze hebt gereset.
1. Trek de knop aan de voorkant omhoog om
de ruit helemaal te sluiten en houd de knop
een seconde in deze stand vast.
Bedieningsknoppen buitenspiegels.
Instellen
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
``
93
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 94
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
03
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
buitenspiegels en de bestuurdersstoel de vastgelegde standen in.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Autosleutelgeheugen Pos. stoelen en
spiegels. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 118.
WAARSCHUWING
De spiegels zijn groothoekig voor optimaal
zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken
dan ze in werkelijkheid zijn.
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de
neutrale stand worden teruggezet zodat het
elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt.
1. Klap de spiegels in met de knoppen L
en R.
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld
worden, zodat de bestuurder bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg te kan
zien.
2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen
L en R.
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt.
±
1. Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
Bij het inschakelen van een andere versnelling
nemen de gekantelde buitenspiegels na ca.
10 seconden de oorspronkelijke stand weer in.
Dat gebeurt eerder als u de knop L of R drukt.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
2. Laat ze na ongeveer een seconde los. De
spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn ingeklapt.
Klap de spiegels weer uit door tegelijkertijd op
de knoppen L en R te drukken. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Stand vastleggen*
De stand van de buitenspiegels en de bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld en het
bestuurdersportier wordt geopend, nemen de
94
Buitenspiegel kantelen bij parkeren
In neutrale stand terugzetten
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Schakel de achteruitversnelling in en druk
op de knop L of R.
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto Spiegels in bij
vegrend. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 118.
3. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
Approach-verlichting en Follow Me
Home-verlichting
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden, als u de Approach-verlichting of de Follow
Me Home-verlichting selecteert, zie
pagina 84.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 95
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
een beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 118.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd. Het hendeltje is niet aanwezig op
spiegels met autodimfunctie.
Achteruitkijkspiegel
03
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en de buitenspiegels te ontwasemen en
te ontdooien.
Met één druk op de knop schakelt u de gelijktijdige verwarming van de achterruit en de buitenspiegels in. Het brandende lampje in de
knop geeft aan dat de functie actief is. De verwarming wordt afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd automatisch
uitgeschakeld.
De achterruit wordt automatisch ontwasemd/
ontdooid als u de auto start bij een buitentemperatuur lager dan +9 °C.
U kunt voor automatische ontwaseming kiezen
onder Klimaatinstellingen Aut. defroster
achterr.. Kies vervolgens uit Aan of Uit. Voor
G031427
G031426
Een kompas* is alleen een optie voor een achteruitkijkspiegel met autodimfunctie, zie
pagina 152.
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje in de
dimstand, wanneer u de verlichting van het
achteropkomende verkeer als hinderlijk
ervaart:
1. Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2. Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje naar de voorruit toe te duwen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
95
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 96
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bediend panoramadak*
Algemene informatie
03
Sluiten, handmatig
WAARSCHUWING
Het panoramadak is opgesplitst in twee segmenten waarvan alleen het voorste horizontaal
opengeschoven of aan de achterkant verticaal
opengekanteld (ventilatiestand) kan worden.
Tussen de bewegende delen van het panoramadak kunnen inzittenden (kinderen!) of
voorwerpen bekneld raken.
Aan de binnenkant van het panoramadak zit
een gordijn gemaakt van geperforeerde textiel
voor extra bescherming tegen bijvoorbeeld het
felle zonlicht.
•
Bedien het panoramadak daarom altijd
onder toezicht.
•
Laat kinderen niet met de bedieningsknoppen spelen.
•
Neem bij het verlaten van de auto altijd
de transpondersleutel/PCC* mee om zo
bediening van het panoramadak te
voorkomen.
Bediening
Sluiten, automatisch
Het panoramadak en het gordijn zijn te bedienen in sleutelstand I of II.
Volautomatische bediening
1. Gordijn maximaal openen - duw de bedieningsknop achteruit naar de stand voor
automatisch openen en laat de knop weer
los.
2. Panoramadak vervolgens maximaal openen - duw de bedieningsknop een tweede
maal achteruit naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
Sluit het panoramadak/gordijn door de voorgaande procedure in omgekeerde volgorde te
volgen - duw de bedieningsknop nu echter
vooruit naar de stand voor automatisch sluiten.
Versneld openen/sluiten
Het panoramadak en het gordijn zijn ook tegelijkertijd te openen/sluiten:
G031428
Het panoramadak en het gordijn zijn te bedienen met een bedieningsknop aan het plafond.
De knop is actief in sleutelstand I of II, zie
pagina 72.
Openen, automatisch
Openen, handmatig
96
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Openen - duw de bedieningsknop tweemaal achteruit naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
•
Sluiten - duw de bedieningsknop tweemaal vooruit naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 97
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bediend panoramadak*
Handmatige bediening
1. Gordijn openen - duw de bedieningsknop
achteruit naar het drukpunt voor handmatig openen. Het gordijn wordt zolang u de
bedieningsknop ingedrukt houdt steeds
verder geopend.
Ventilatiestand
Sluiten met transpondersleutel of knop
voor centrale vergrendeling
1
2
03
3. Panoramadak openen - duw de bedieningsknop een derde maal achteruit naar
het drukpunt voor handmatig openen. Het
panoramadak wordt zolang u de bedieningsknop ingedrukt houdt steeds verder
geopend.
Sluit het panoramadak/gordijn door de voorgaande procedure in omgekeerde volgorde te
volgen - duw de bedieningsknop nu echter
vooruit naar de stand voor handmatig sluiten.
N.B.
Voordat het panoramadak handmatig kunnen worden geopend moet het gordijn volledig geopend zijn. Omgekeerd geldt dat
het panoramadak volledig gesloten moet
zijn voordat het gordijn kan worden gesloten.
G031429
2. Panoramadak kantelen - duw de bedieningsknop een tweede maal achteruit naar
het drukpunt voor handmatig openen
Ventilatiestand, achterkant verticaal opengekanteld.
Kantel het schuifdak open door de achterkant van de knop omhoog te duwen.
Kantel het schuifdak dicht door de achterkant van de knop omlaag te trekken.
Bij activering van de ventilatiestand wordt het
voorste segment van het panoramadak aan de
achterkant opengekanteld. Als het gordijn
helemaal dichtstaat bij activering van de ventilatiestand, schuift het automatisch
ca. 50 mm open.
Houd de vergrendelingsknop lang ingedrukt,
zie pagina 45 (transpondersleutel) en 53 (knop
voor centrale vergrendeling), om het panoramadak en alle zijruiten te sluiten. De buitenspiegels worden ingeklapt*, terwijl de portieren
en de achterklep worden vergrendeld. Druk
nogmaals op de vergrendelingsknop om het
sluiten te onderbreken.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand bekneld raakt, als u
het panoramadak sluit vanaf de transpondersleutel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
97
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 98
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
Benzine- en dieselmotoren
2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt1. Trap bij auto’s met een automatische versnellingsbak op het rempedaal.
3. Druk op de knop START/STOP ENGINE
en laat deze vervolgens los.
De startmotor blijft maximaal 10 seconden
draaien (60 seconden bij dieselmodellen), totdat de motor is aangeslagen.
G031372
03
Contactslot met transpondersleutel en start-/
stopknop (voor meer informatie (zie pagina 72)).
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken!
Als de motor niet binnen 10 seconden aanslaat, kunt u een nieuwe startpoging doen door
de knop START/STOP ENGINE ingedrukt te
houden totdat de motor wel aanslaat.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel uit het contactslot. Dit
geldt in het bijzonder wanneer er kinderen
in de auto achterblijven.
Pak de sleutel beet aan het uiteinde met het
sleutelblad (zie pagina 48).
1. Plaats bij auto’s met een transpondersleutel de transpondersleutel in het contactslot. Druk licht op de sleutel zodat deze
verder naar binnen wordt getrokken.
1
98
Als de auto rolt is het indrukken van de knop START/STOP ENGINE voldoende om de motor te starten.
WAARSCHUWING
Neem de transpondersleutel nooit tijdens
het rijden of het slepen uit het contactslot.
U loopt anders het gevaar dat het stuurslot
wordt geactiveerd, waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
Neem de transpondersleutel bij een auto
met Keyless drive*-functie nooit tijdens het
rijden of slepen uit het contactslot.
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat het
motortoerental merkbaar hoger ligt dan normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Keyless drive
Loop de punten 2–3 door voor benzine- en dieselmotoren.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 99
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
N.B.
De motor kan alleen worden gestart, als een
van de transpondersleutels met Keyless
drive*-functie in de passagiersruimte of in
de bagageruimte is.
03
Stuurslotfout
Het stuurslot wordt opgeheven wanneer u de
transpondersleutel2 in het contactslot steekt
en opnieuw ingeschakeld wanneer u de transpondersleutel verwijdert.
Wanneer u bij het verlaten van de auto het
stuurslot inschakelt, beperkt u het gevaar voor
diefstal van de auto.
2
Bij auto’s met Keyless drive* wordt de eerste keer dat u op de startknop drukt, het stuurslot gedeactiveerd. Het stuurslot wordt opnieuw geactiveerd, wanneer het bestuurdersportier wordt geopend
nadat de motor is afgezet.
99
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 100
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, hulpaccu
Starten met hulpaccu
4. Sluit de ene klem van de rode startkabel
aan op de pluspool van de hulpaccu
.
5. Haal de clips op de voorste dekplaat van
de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat (zie pagina 254).
6. Sluit de andere klem van de rode startkabel
aan op de pluspool
van de uitgeputte
accu die onder een opklapbare kunststof
afdekking zit.
G021347
03
Als de accu uitgeput is, kunt u de auto starten
met stroom van een hulpaccu.
Bij gebruik van een hulpaccu wordt u het volgende geadviseerd om explosiegevaar te voorkomen:
1. Zet de transpondersleutel in stand 0 (zie
pagina 72).
2. Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
3. Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de auto’s
elkaar niet raken.
100
7. Sluit de ene klem van de zwarte startkabel
aan op de minpool
van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
8. Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het massapunt (rechter motorsteun
bovenaan, buitenste boutkop) . Controleer of de aansluitklemmen van de startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat
er tijdens de startpoging vonken ontstaan.
9. Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een toe-
rental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
10. Start de motor van de auto met de lege
accu. Raak de aansluitingen niet aan tijdens de startpoging. Er bestaat namelijk
gevaar voor vonkvorming.
11. Verwijder de startkabels. Verwijder eerst
de zwarte kabel en daarna de rode. Zorg
dat geen van de klemmen aan de zwarte
startkabel contact kan maken met de pluspool van de accu of met de aangesloten
klemmen van de rode startkabel.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst,
moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in uw
ogen krijgt.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 101
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Handbak, zesversnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Geartronic
Blokkering achteruitversnelling,
zesversnellingsbak
•
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•
Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af!
•
Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken
van hoge versnellingen.
G031963
G031962
G031961
03
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
Het informatiedisplay geeft de stand van de
keuzehendel aan met behulp van de volgende
tekens: P, R, N, D, S, 1, 2, 3, 4, 5 of 6, zie
pagina 67.
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat.
Schakelstanden
Parkeerstand (P)
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert. U moet het rempedaal bedienen om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer de elektrische parkeerrem met een druk op de knop, zie
pagina 110.
``
101
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 102
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
Achteruitrijstand (R)
03
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
Neutrale stand (N)
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
Rijstand (D)
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand D in
stand R zet.
Geartronic, handmatig schakelen (M)
Met de automatische versnellingsbak Geartronic kunt u ook handmatig schakelen. Bij het
loslaten van het gaspedaal wordt de auto op
de motor afgeremd.
Handmatig schakelen is te activeren door de
hendel vanuit stand D in stand M te duwen. Op
het informatiedisplay verandert het teken D in
1
102
Alleen bij T6-model.
een van de cijfers “1–6” afhankelijk van de
ingeschakelde versnelling, zie pagina 67.
Duw de hendel naar voren naar de + (plus) om
een hogere versnelling in te schakelen en laat
de hendel weer los. De hendel veert terug naar
de neutrale stand M.
Trek de hendel naar achteren naar de – (min)
om een lagere versnelling in te schakelen en
laat de hendel weer los.
Handmatig schakelen M kan op elk moment
tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug
als de bestuurder langzamer gaat rijden dan
wat voor de gekozen versnelling gepast is.
Om de automatische rijstand te hervatten dient
u de hendel in stand D te duwen.
N.B.
Als de versnellingsbak een sportstand kent,
is handmatig schakelen pas te activeren
wanneer u de keuzehendel vooruit of achter
in stand M hebt gezet. Op het informatiedisplay verandert de S dan in een van de
tekens 1–6 om aan te geven welke versnelling er ingeschakeld is.
Geartronic, Sportstand (S) 1
De sportstand levert een sportiever rijgedrag
op en maakt het mogelijk om hogere toeren te
maken in de versnellingen. De motor reageert
bovendien sneller op de commando’s die u
met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van
de sportstand wordt tevens de voorkeur gegeven aan de lagere versnellingen, zodat er met
enige vertraging wordt opgeschakeld.
U schakelt de sportstand in door de hendel
vanuit stand D in stand M te duwen. Op het
informatiedisplay verandert het teken D in een
S.
De sportstand kan op elk moment tijdens het
rijden ingeschakeld worden.
Geartronic, winterstand
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e versnelling in te schakelen.
1. Bedien het rempedaal en haal de keuzehendel vanuit stand D naar stand M – het
symbool D op het display van het instrumentenpaneel verandert in een 1.
2. Schakel op naar de 3e versnelling door de
hendel twee keer naar voren naar de +
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 103
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
(plus) te duwen – op het display verandert
de 1 in een 3.
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt
er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Automatische keuzehendelblokkering
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
Sleutelblokkering, Keylock
Bij activering van de “winterstand” van de versnellingsbak rijdt de auto met een lager motortoerental en minder kracht op de aandrijfwielen
weg.
Kickdown
Mechanische keuzehendelblokkering
Parkeerstand (P)
3. Laat het rempedaal los en geef voorzichtig
gas.
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
parkeerstand (P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet de transpondersleutel in stand II
staan en moet het rempedaal worden bediend,
zie pagina 72.
G021351
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
03
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de
keuzehendel verzet.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Om overtoeren van de motor te voorkomen, is
het stuurprogramma van de versnellingsbak
voorzien van een terugschakelblokkering
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
De keuzehendel moet in stand P staan om de
transpondersleutel uit het contactslot te kunnen nemen. In alle andere standen is de transpondersleutel geblokkeerd.
Stilstaande auto met draaiende motor:
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Beveiligingsfunctie
De automatische versnellingsbak kent enkele
bijzondere beveiligingsfuncties:
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de
blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
standen P, R, N en D.
Schakelblokkering, vrijstand (N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens 3 seconden stilgestaan (of de
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd.
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen
halen, moet de transpondersleutel in stand II
staan en moet het rempedaal worden bediend,
zie pagina 72.
``
103
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 104
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
Automatische schakelblokkering
deactiveren
G031390
03
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu, moet
u de keuzehendel uit stand P halen voordat u
de auto kunt verslepen.
Til de rubber vloermat achter de middenconsole uit de auto en open het luikje.
Steek het sleutelblad zo ver mogelijk naar
binnen. Duw het sleutelblad omlaag en
houd het in deze stand vast. (Voor informatie over het sleutelblad, zie pagina 48.)
Haal de keuzehendel uit stand P.
104
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 105
03 Bestuurdersmilieu
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)*
De vierwielaandrijving is altijd
ingeschakeld
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven.
Het motorkoppel wordt automatisch over de
voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt
het vermogen over het wielpaar dat op dat
moment de beste grip op het wegdek heeft. Dit
om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin te voorkomen. Bij normaal rijden worden
de voorwielen naar verhouding iets sterker
aangedreven dan de achterwielen.
03
De vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid
tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
105
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 106
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
Algemene informatie
De auto is uitgerust met twee remkringen. Als
een van de remkringen defect raakt, betekent
dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal dieper moet
intrappen voor dezelfde remmende werking.
03
De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt
versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
baar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is
om obstakels te ontwijken. Bij activering van
deze functie kunt u trillingen in het rempedaal
voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u het rempedaal loslaat nadat de
motor is aangeslagen, gaat een kortdurende,
automatische test van het ABS van start. Het
is mogelijk dat er opnieuw een automatisch
test van het ABS plaatsvindt, wanneer de auto
een snelheid van 40 km/h bereikt. Ook deze
test kan waarneembaar zijn in de vorm van trillingen in het rempedaal.
Remschijven schoonmaken
Wanneer u met de motor afgezet remt doet het
rempedaal stug aan en kost het u meer kracht
om de auto te remmen.
In bergachtig gebied of bij het rijden met een
zware belading kunt u de remmen ontzien door
op de motor af te remmen. U benut de remmende werking van de motor het best, wanneer u tijdens het afdalen dezelfde versnelling
inschakelt als bij het oprijden van een helling.
Voor algemener informatie over een zware
belasting van de auto, zie pagina 287.
Antiblokkeerremsysteem
De auto is uitgerust met ABS (Anti-lock Braking
System) dat voorkomt dat de wielen blokkeren
tijdens het remmen. Zo blijft de auto bestuur-
106
Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe
leiden dat de aanspreekduur van de remmen
wordt verlengd. Door de remblokken schoon te
maken beperkt u deze verlenging.
U wordt geadviseerd de remschijven handmatig schoon te maken, wanneer u op natte
wegen rijdt, de auto net hebt gewassen of op
het punt staat deze langdurig te parkeren. U
maakt de remschijven handmatig schoon door
korte tijd licht te remmen.
Remkrachtverhoging bij noodstops
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assistance) helpt de remkracht verhogen om op die manier de remweg
te verkorten. Het EBA-systeem registreert de
wijze waarop u het rempedaal bedient en ver-
hoogt zo nodig de remkracht. De remkracht
kan worden verhoogd tot aan het niveau waarbij het ABS ingrijpt. De EBA-regeling wordt
uitgeschakeld wanneer u de druk op het rempedaal verlaagt.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
Symbolen op instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Brandt continu – controleer het
remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag ligt en
controleer tevens de oorzaak
van het remvloeistofverlies.
Brandt 2 seconden lang continu
bij het starten van de motor – er
is de laatste keer dat de motor
liep een storing in het ABS
opgetreden.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 107
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingssymbolen
en
tegelijkertijd branden, kan er een storing in het remsysteem zijn opgetreden.
Als het remvloeistofpeil in dat geval in orde
is, moet u de auto voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats
rijden om het remsysteem te laten controleren.
03
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
107
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 108
03 Bestuurdersmilieu
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)*
Algemene informatie
03
HDC is te vergelijken met een automatische
motorrem. Wanneer u op een aflopende helling
het gaspedaal loslaat, wordt de auto normaal
gesproken op de motor afgeremd doordat
deze in dat geval een laag stationair toerental
nastreeft. Naarmate de helling steiler en de
auto zwaarder beladen is, rolt de auto ondanks
de motorrem sneller omlaag. Om in dergelijke
gevallen snelheid te minderen dient u bij te
remmen met het rempedaal.
WAARSCHUWING
HDC heeft niet in alle situaties het beoogde
effect en is uitsluitend bedoeld als hulpmiddel.
U als bestuurder bent er altijd verantwoordelijk voor dat de auto op een veilige manier
wordt bestuurd.
108
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
HDC valt niet te activeren wanneer de keuzehendel van een automaat in stand D staat.
Functie
De HDC-functie maakt het mogelijk om op
steile aflopende hellingen snelheid te meerderen/minderen zonder het rempedaal te hoeven
bedienen. De invloed van het gaspedaal wordt
aangepast. Het remsysteem grijpt automatisch
in en zorgt voor een lage en gelijkmatige snelheid, zodat u zich volledig kunt richten op de
besturing.
Bediening
G031964
HDC is met name handig op steile aflopende
hellingen met een oneffen oppervlak en op
gladde weggedeelten. Denk bijvoorbeeld aan
een boot op een trailer die u vanaf een boothelling achteruit te water laat.
Het systeem werkt alleen in de eerste versnelling en in de achteruitversnelling. Bij een automatische versnellingsbak geldt dat de 1e
versnelling moet zijn ingeschakeld, wat wordt
aangegeven met het cijfer 1 op het boordcomputerdisplay, zie pagina 101.
HDC is met een schakelaar op de middenconsole naar wens in en uit te schakelen. Het
lampje in de schakelaar brandt wanneer de
functie ingeschakeld is. Wanneer HDC actief
en op het display
is, brandt het symbool
staat de melding Afdalingsrem- regeling
AAN.
Bij een geactiveerd HDC-systeem kan de auto
bij het afremmen op de motor maximaal
10 km/h voorruit rijden en 7 km/h achteruit. Met
het gaspedaal kunt u echter een willekeurige
andere snelheid binnen het snelheidsinterval
kiezen dat bij de ingeschakelde versnelling
hoort. Zodra u het gaspedaal loslaat wordt de
rijsnelheid snel verlaagd tot 10 of 7 km/h, ongeacht de hellingshoek en zonder dat u daarvoor
het rempedaal hoeft te bedienen.
Bij activering van het systeem gaan automatisch de remlichten branden. Met het rempedaal kunt u de auto altijd remmen of helemaal
tot stilstand brengen.
HDC wordt gedeactiveerd:
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 109
03 Bestuurdersmilieu
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)*
•
bij het indrukken van de aan/uit-knop op
de middenconsole
•
bij het inschakelen van een hogere versnelling dan de 1e bij een handgeschakelde versnellingsbak
•
bij het inschakelen van een hogere versnelling dan de 1e bij een automatische
versnellingsbak of bij het inschakelen van
stand D.
03
Het systeem is op ieder moment uit te schakelen. Als u dit op een steile aflopende helling
doet, zal het remvermogen niet meteen maar
geleidelijk worden verlaagd.
N.B.
Bij activering van het HDC-systeem reageert de motor mogelijk trager dan normaal
op het gaspedaal.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
109
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 110
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Elektrische parkeerrem
loslaat of het gaspedaal bedient, wordt de parkeerrem gelost.
Parkeerrem aanzetten
De elektrische parkeerrem heeft dezelfde toepassingsgebieden als het parkeerrempedaal
zoals bij het wegrijden op een helling.
N.B.
Tijdens een noodstop bij snelheden hoger
dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele
remmanoeuvre een geluidssignaal.
Functie
Wanneer de parkeerrem wordt geactiveerd,
hoort u een zwak elektromotorgeluid. Het
geluid is tevens waarneembaar bij een automatische functiecontrole van de parkeerrem.
Op een helling parkeren
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen. Als u de parkeerrem tijdens het rijden aanzet, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd.
Daarbij werkt de rem op alle vier de wielen.
Wanneer de auto bijna stilstaat, worden alleen
de achterwielen geremd.
Handgreep parkeerrem
Lage accuspanning
3. Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is
(zie pagina 100).
G021354
03
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Druk op de handgreep.
•
Draai bij het parkeren op een oplopende helling
de wielen van de trottoirband af, als de neus
van de auto naar de top van helling wijst.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
Parkeerrem lossen
Zet de versnellingspook bij het parkeren
altijd in de 1e versnelling (handbak) en de
keuzehendel in stand P (automaat).
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens het rijden aanzetten door de handgreep
ingedrukt te houden. Wanneer u de handgreep
110
G021359
Het symbool
op het instrumentenpaneel
knippert, totdat de parkeerrem volledig is aangezet. Wanneer het symbool continu brandt, is
de parkeerrem aangezet.
Handgreep parkeerrem
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 111
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Auto met handgeschakelde
versnellingsbak
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
Handmatig lossen
3. Trap het rempedaal stevig in.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
4. Trek aan de handgreep.
2. Trap het rempedaal stevig in.
1. Doe de veiligheidsgordel om.
3. Trek aan de handgreep.
N.B.
De parkeerrem is ook handmatig te lossen
door het koppelingspedaal te bedienen in
plaats van het rempedaal. Volvo adviseert u
echter het rempedaal te gebruiken.
Automatisch lossen
1. Start de motor.
2. Laat het koppelingspedaal los en geef gas.
BELANGRIJK
Wanneer de motor loopt kan de parkeerrem,
ook met de versnellingspook in de vrijstand,
automatisch worden gelost.
Auto met automatische versnellingsbak
Handmatig lossen
1. Doe de veiligheidsgordel om.
Automatisch lossen
2. Start de motor.
3. Zet de keuzehendel in stand D of R en geef
gas.
N.B.
Om veiligheidsredenen wordt de parkeerrem alleen automatisch gelost wanneer bij
het starten van de motor is gebleken dat de
bestuurder de veiligheidsgordel draagt. Bij
auto’s met een automatische versnellingsbak wordt de parkeerrem onmiddellijk
gelost bij het bedienen van het gaspedaal
met de keuzehendel in stand D of R.
Auto met Keyless drive-functie
Los de parkeerrem handmatig door op de knop
START/STOP ENGINE te drukken, het rem- of
koppelingspedaal te bedienen en aan de handgreep te trekken.
Symbolen
Symbool
03
Betekenis
Lees de melding op het informatiedisplay.
Een knipperend symbool houdt
in dat de parkeerrem wordt aangezet. Als het symbool in een
andere situatie gaat knipperen,
is er sprake van een storing.
Lees de melding op het informatiedisplay.
Zware belading op oplopende hellingen
Bij een zware belading zoals een aanhanger is
het mogelijk dat de auto op een steile, oplopende helling achteruitrolt, wanneer de parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt dit
voorkomen door bij het wegrijden de handgreep ingedrukt te houden. Laat de handgreep
weer los zodra de koppeling aangrijpt.
``
111
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 112
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
Parkeerrem Service vereist - Er is een storing opgetreden. Bezoek een Volvo-werkplaats
als de storing niet verdwijnt.
Berichten
Als u de auto moet parkeren voordat de storing
kon worden verholpen, dient u de wielen net als
bij het parkeren op een helling van de trottoirband/berm af te draaien en de versnellingspook in de 1e versnelling (handbak) te zetten
en de keuzehendel in stand P (automaat).
G016166
03
Parkeerrem niet geheel gelost - Door een
storing kan de parkeerrem niet worden gelost.
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats. Als u
bij deze foutmelding wegrijdt zonder de parkeerrem te lossen, klinkt er een waarschuwingszoemer.
Parkeerrem niet aangezet - Door een storing
kan de parkeerrem niet worden aangezet. Probeer of u de rem kunt aanzetten en lossen.
Bezoek een Volvo-werkplaats als de melding
niet verdwijnt.
Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met
een handbak, wanneer er langzaam wordt
gereden met het portier open. De melding
maakt u erop attent dat de parkeerrem mogelijk onbedoeld werd gelost.
112
Remblokken vervangen
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een erkende Volvo-werkplaats met
het oog op de constructie van de elektrische
parkeerrem.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 113
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ EU*
Algemene informatie
N.B.
HomeLink is dusdanig geconstrueerd dat
het niet werkt als de auto van de buitenzijde
vergrendeld is.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen wel goed bewaart voor eventuele
programmering in een later stadium (zoals
bij de aankoop van een nieuwe auto).
G029471
Wis de programmering van de knoppen
wanneer u de auto verkoopt.
HomeLink is een programmeerbare afstandsbediening waarmee u tot drie verschillende
systemen (bijvoorbeeld elektrische garagedeur, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting)
kunt bedienen en daarmee de originele
afstandsbedieningen vervangt. HomeLink
wordt geleverd in een uitvoering die ingebouwd is in de linker zonneklep.
Het HomeLink-paneel bestaat uit drie programmeerbare knoppen en een controlelampje.
Gebruik geen zonwering bestaande uit
metaalfolie op auto’s die zijn uitgerust met
HomeLink. Het gebruik ervan kan namelijk
negatieve gevolgen hebben voor de werking van HomeLink.
Bediening
Zodra HomeLink geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke originele afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in voor activering van de elektrische garagedeur, het
alarmsysteem etc. Het controlelampje brandt
zolang u de knop ingedrukt houdt.
N.B.
Als het contact niet wordt ingeschakeld,
blijft HomeLink tot 30 minuten na opening
van het bestuurdersportier werken.
Uiteraard kunt u de originele afstandsbedieningen naast HomeLink blijven gebruiken.
WAARSCHUWING
Als u HomeLink gebruikt om een garagedeur of toegangshek te bedienen, dient u
erop toe te zien dat er niemand in de buurt
van de garagedeur of het toegangshek is
tijdens de bediening.
03
Maak geen gebruik van de HomeLinkafstandsbediening voor een elektrische
garagedeur zonder veiligheidsstop en retour. De garagedeur dient onmiddellijk te
reageren bij registratie van een obstakel, tot
stilstand te komen en meteen de omgekeerde beweging te maken. Een garagedeur
die dat niet doet kan aanleiding geven tot
lichamelijk letsel. Neem voor meer informatie contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com.
Eerste keer programmeren
Bij stap 1 wordt het complete geheugen van
HomeLink gewist. Voer dit punt dan ook niet
uit, wanneer u slechts één knop wilt omprogrammeren.
1. Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen. Het knipperende lampje geeft aan dat HomeLink in
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
113
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 114
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ EU*
gens geactiveerd worden bij het
indrukken van de bijbehorende HomeLink-knop.
de “inleerstand” staat en klaar is voor programmering.
2. Leg de originele afstandsbediening op
5–30 cm afstand van HomeLink. Houd het
controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
03
3. Druk de te programmeren knop van HomeLink en de te kopiëren knop van de originele afstandsbediening gelijktijdig in. Laat
de knoppen pas los wanneer het controlelampje dat langzaam knippert sneller gaat
knipperen. Een snel knipperend lampje
geeft aan dat de programmering gelukt is.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
•
1
114
Brandt continu: Een controlelampje
dat continu brandt terwijl u de knop
ingedrukt houdt, geeft aan dat de programmering afgerond is. De garagedeur, het toegangshek e.d. moet vervol-
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Brandt niet continu: Een controlelampje dat gedurende ca. 20 seconden
eerst ongeveer 2 seconden lang snel
knippert, vervolgens ca. 3 seconden
continu brandt en daarna weer snel gaat
knipperen geeft aan dat het te kopiëren
systeem een zogeheten rollende code
gebruikt. De garagedeur, het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het
indrukken van de bijbehorende HomeLink-knop. Vervolg in dat geval de programmering als volgt.
5. Zoek de “inleerknop1” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com.
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLink terwijl de “inleerknop” van het te
bedienen systeem nog knippert. Houd de
HomeLink-knop ca. 3 seconden lang ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal
deze serie van indrukken, vasthouden en
loslaten tot driemaal achtereen om de programmering te beëindigen.
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke knop te
programmeren:
1. Druk op de gewenste knop van HomeLink
en houd deze ingedrukt totdat punt 3 afgerond is.
2. Plaats wanneer het controlelampje van
HomeLink begint te knipperen (na ca. 20
seconden) de originele afstandsbediening
op 5–30 cm afstand van HomeLink. Houd
het controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
3. Druk de te kopiëren knop op de originele
afstandsbediening in. Het controlelampje
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 115
03 Bestuurdersmilieu
HomeLinkŸ EU*
begint te knipperen. Laat beide knoppen
weer los, wanneer het lampje dat langzaam
knipperde sneller gaat knipperen. Een snel
knipperend lampje geeft aan dat de programmering gelukt is.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
•
•
2
Brandt continu: Een controlelampje
dat continu brandt terwijl u de knop
ingedrukt houdt, geeft aan dat de programmering afgerond is. De garagedeur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het
indrukken van de bijbehorende HomeLink-knop.
Brandt niet continu: Een controlelampje dat gedurende ca. 20 seconden
eerst ongeveer 2 seconden lang snel
knippert, vervolgens ca. 3 seconden
continu brandt en daarna weer snel gaat
knipperen geeft aan dat het te kopiëren
systeem een zogeheten rollende code
gebruikt. De garagedeur, het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het
indrukken van de bijbehorende HomeLink-knop. Vervolg in dat geval de programmering als volgt.
5. Zoek de “inleerknop2” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com.
grammeerd kan worden, zie
pagina 113.
03
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLink terwijl de “inleerknop” van het te
bedienen systeem nog knippert. Houd de
HomeLink-knop ca. 3 seconden lang ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal
deze serie van indrukken, vasthouden en
loslaten tot driemaal achtereen om de programmering te beëindigen.
Programmering wissen
Het is alleen mogelijk de programmering van
alle HomeLink-knoppen tegelijk te wissen en
niet van één bepaalde knop afzonderlijk.
±
Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen.
> HomeLink staat vervolgens in de “Learn
Mode” waarna deze opnieuw gepro-
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
115
Menu- en meldingsfuncties...................................................................
Klimaatregeling.....................................................................................
Motor- en interieurverwarming op brandstof*.......................................
Extra verwarming op brandstof*...........................................................
Audiosysteem.......................................................................................
Boordcomputer.....................................................................................
Kompas*................................................................................................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC...........................................
Rijeigenschappen aanpassen...............................................................
Cruisecontrol*.......................................................................................
Adaptieve cruisecontrol*.......................................................................
Afstandscontrole...................................................................................
City Safety™.........................................................................................
Collision Warning met Auto Brake*.......................................................
Driver Alert System – DAC*...................................................................
Driver Alert System – (LDW)*.................................................................
Park Assist*...........................................................................................
Parkeercamera*.....................................................................................
BLIS* – Blind Spot Information System................................................
Interieurcomfort.....................................................................................
Bluetooth handsfree*............................................................................
Geïntegreerde telefoon*........................................................................
116
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 116
118
123
131
134
135
150
152
154
156
157
159
166
169
174
180
183
186
189
193
197
201
206
G020908
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
COMFORT EN RIJPLEZIER
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 117
04
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 118
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Middenconsole
ENTER – menu-opties selecteren
Sommige functies regelt u via het menusysteem vanaf de middenconsole of via de toetsenset op het stuurwiel. Welke functies dat zijn
leest u in de verschillende onderdelen.
Nummertoetsen 1–9
Toetsenset op stuurwiel*
1. Druk op MENU.
Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan
op het display van de middenconsole.
2. Ga naar het gewenste menu, bijv.
Instellingen van de auto, met behulp van
de navigatietoetsen en druk op ENTER.
Bedieningstoetsen op middenconsole
3. Ga naar het gewenste submenu, bijv.
Instellingen vergrendelen, en druk op
ENTER.
04
ENTER
EXIT
Navigatietoetsen – omhoog/omlaag.
Middenconsole met bedieningstoetsen voor meldingsfuncties.
Navigatietoets – menu-opties doorbladeren en selecteren
MENU – menusysteem openen
EXIT – stap terugdoen binnen het menusysteem. Bij lang indrukken verlaat u het
menusysteem.
118
De paden naar de menufuncties worden als
volgt weergegeven: Instellingen van de auto
Instellingen vergrendelen. Er wordt daarbij verondersteld dat u daarvóór het volgende
doet:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als de toetsen ENTER en EXIT op het stuurwiel
zitten, hebben deze toetsen (ook de navigatietoetsen) dezelfde functie als die op de middenconsole.
Paden
Via de functietoetsen krijgt u direct toegang tot
bepaalde functies, terwijl andere alleen via het
menusysteem te bereiken zijn.
U kunt de navigatietoetsen gebruiken in de
plaats van ENTER en EXIT bij het navigeren
binnen de menustructuur. De pijl naar rechts
komt in dat geval overeen met ENTER en de
pijl naar links met EXIT.
De menu-opties zijn genummerd zodat u ze
ook rechtstreeks kunt selecteren met de nummertoetsen (alleen 1–9).
Menu-overzicht
De telefoon en de geluidsbronnen hebben elk
hun eigen hoofdmenu. Het hoofdmenu van een
bepaalde geluidsbron (bijv. CD) is alleen te
openen, wanneer deze geluidsbron actief is,
zie pagina 137.
De volgende menu-opties maken deel uit van
Hoofdmenu:
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 119
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Autosleutelgeheugen
Pos. stoelen en spiegels*
Hoofdmenu AM
Audio-instellingen
Map4
Disc4
Geluidspodium
Enkele disc5
Spiegels in bij vegrend.*
Equalizer voor
Alle discs5
Inst. botswaarschuwing*
Equalizer achter
Informatie
Autom. volumeregeling
Tekst disc*
Lichtinstellingen
Reset alle audio-instellingen
Nieuws
Instellingen van de auto
Instellingen vergrendelen
Verlaagde guard1
Hoofdmenu FM
FM-instellingen
Cd-instellingen
TP (verkeersinformatie)
Instellingen parkeercam.*
Nieuws
Stuurkrachtniveau*
TP (verkeersinformatie)
AUX-ingangsvolume
Bandenspanning
Radiotekst
Audio-instellingen2
Instellingen unit
PTY (programmatype)
Geav. radio-instellingen
Klimaatinstellingen
Autom. blower afstellen
Audio-instellingen2
Aut. defroster achterr.
Hoofdmenu DAB*3
Timer recirculatie
Hoofdmenu CD
Reset klimaatinst.
Random
04
Audio-instellingen2
Hoofdmenu AUX
Hoofdmenu USB
USB-instellingen
Nieuws
TP (verkeersinformatie)
Audio-instellingen2
Uit
1
2
3
4
5
Aanwezig bij bepaalde modellen.
Voor submenu’s, zie “Hoofdmenu AM/Audio-instellingen”.
Zie pagina 146.
Alleen bij systemen die audiobestanden in de formaten mp3 en wma kunnen afspelen.
Alleen bij systemen met een cd-wisselaar.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
119
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 120
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Hoofdmenu iPod
iPod-instellingen
Oproepregister
Nieuws
Laatste 10 gemiste opr.
TP (verkeersinformatie)
Laatste 10 ink. opr.
Audio-instellingen2
Hoofdmenu Bluetooth
Laatste 10 gemiste opr.
Laatste 10 ink. opr.
04
Hoofdmenu geïntegreerde telefoon
Omleidingen
Telefooninstellingen
Laatste 10 gekozen nummers
Netwerkselectie
Lijst wissen
SIM-beveiliging
Gespreksduur
PIN-code bewerken
Telefoonboek
Geluiden en volume
Nieuwe contactpersoon
IDIS
Telefoonboek
Zoeken
Reset Telefooninst.
Zoeken
Alles kopiëren
Kopiëren van mob. tel.
SIM wissen
Telefoon aansluiten
Telefoon wijzigen
Telefoon verwijderen
Telefooninstellingen
Gespreksopties
Geluiden en volume
Telefoonboek synchr.
Telefoon wissen
Geheugenstatus
Berichten
Lezen
Nieuw bericht schrijven
Berichtinstellingen
Gespreksopties
Verzend mijn nummer
Wisselgesprek
120
Voicemail-nummer
Laatste 10 gekozen nummers
Bluetooth*
2
Automatisch antwoord
Voor submenu’s, zie “Hoofdmenu AM/Audio-instellingen”.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 121
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Menu-overzicht6
Instrumentenpaneel
Melding
Actieradius
Gemiddeld
Momentaan
Gemiddelde snelheid
Lane departure warning
Bandenspanning Kalibratie
Informatiedisplay en bedieningstoetsen voor
menufuncties.
READ – meldingenlijst openen en meldingen bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
RESET – geactiveerde functie op nul stellen. Wordt in bepaalde gevallen gebruikt
om een functie te selecteren/activeren (zie
de uitleg bij de verschillende functies).
Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s
die op de informatiedisplays van het instrumentenpaneel verschijnen. Welke menu’s verschijnen hangt af van de sleutelstand, zie
pagina 72. Als er een melding is, moet u deze
eerst bevestigen met de knop READ voordat u
de menu’s kunt bekijken.
G021365
G021364
City Safety
Actuele snelheid
Timer standkach 1/2
Timer standvent 1/2
Timerstand verw.
Directe start Standverw.
Directe start El standverw
Directe start Standvent.
Extra verwarming auto
Start restverw.
DSTC
04
Melding op informatiedisplay.
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay. Foutmeldingen blijven in het
geheugen opgeslagen, totdat u de onderliggende storing hebt laten verhelpen.
Druk op READ om de meldingen door te bladeren en te bevestigen.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt bij gebruik van de boordcomputer,
moet u de melding lezen (druk op de knop
READ) voordat u de eerdere activiteit kunt
hervatten.
``
121
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 122
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Stop auto
z.s.m.
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af. Grote kans op
schade. Bezoek een
erkende Volvo-werkplaats.
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd een afspraak
te maken voor een servicebeurt bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Tijdelijk UIT
Zet motor af
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af. Grote kans op
schade. Bezoek een
erkende Volvo-werkplaats.
Tijd voor periodiek onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt bij een
erkende Volvo-werkplaats. Het moment
hangt af van de afgelegde afstand, het aantal maanden dat sinds
de laatste servicebeurt
is verstreken, het aantal
draaiuren van de motor
en de gebruikte oliekwaliteit.
De bijbehorende functie
is tijdelijk uitgeschakeld
en wordt na enige tijd
rijden of de volgende
keer dat u de motor
start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
Spaarstand
Het audiosysteem is
uitgeschakeld om
stroom te besparen.
Laad de accu bij.
Onderhoudster- mijn verstreken
Als u de onderhoudstermijn niet respecteert,
vallen beschadigde
onderdelen niet langer
onder de garantie.
Bezoek voor het onderhoud een erkende
Volvo-werkplaats.
04
6
122
Service spoed
Laat de auto onmiddellijk nakijken door een
erkende Volvo-werkplaats.
Service vereist
Laat de auto zo spoedig
mogelijk nakijken door
een erkende Volvowerkplaats.
Zie instructieb.
Lees het instructieboekje.
Bepaalde menu-opties*.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 123
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Algemene informatie
Airconditioning
De auto is uitgerust met elektronische klimaatregeling* (ECC) of elektronische temperatuurregeling (ETC). De klimaatregeling zorgt ervoor
dat de lucht in het interieur wordt gekoeld, verwarmd of van vocht wordt ontdaan.
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen. Voor
optimaal klimaatcomfort in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten
beslaan, dient u de airconditioning echter
altijd te laten aanstaan.
Positie van de sensoren
•
De zonnesensor* zit boven op het dashboard.
•
De interieurtemperatuursensor zit onder
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
•
De buitentemperatuursensor zit op de buitenspiegel.
•
De vochtsensor* zit in de achteruitkijkspiegel.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
Werkelijke temperatuur
Zijruiten en schuifdak
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte* enz. betreft.
Voor optimale werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een eventueel schuifdak
gesloten houden.
Het systeem beschikt over een zonnesensor*
die de stand van de zon registreert. Daardoor
kan de temperatuur van de lucht uit de blaasmonden links en rechts afwijken, ondanks dat
de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
Beslagen ruiten
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwasemingsfunctie om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen.
Houd de binnenzijde van de ruiten schoon om
de kans te beperken dat ze beslaan.
Tijdelijke uitschakeling van
airconditioning
Wanneer de motor het maximale vermogen
nodigt heeft (bijvoorbeeld als u volgas optrekt
of met een aanhanger achter de auto een helling oprijdt), is het mogelijk dat de airconditioning tijdelijk wordt uitgeschakeld. Er kan dan
een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
Condenswater
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
04
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
Storingen opsporen en verhelpen
Laat controle- en reparatiewerkzaamheden
aan de klimaatregeling alleen uitvoeren door
een erkende Volvo-werkplaats.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a, zie ook pagina 289. Het
bevat geen chloor, waardoor het koudemiddel
onschadelijk voor de ozonlaag is. Laat het bijvullen/verversen van koudemiddel over aan
een erkende Volvo-werkplaats.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
123
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 124
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
ontgrendeld. De ventilator vult het interieur
op die manier met verse lucht. De functie
start als dat nodig is en stopt na bij het
openen van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt de functie na enige tijd automatisch beëindigd. De tijd dat de ventilatorfunctie werkt zal langzaam maar zeker
korter worden, totdat de auto 4 jaar oud is.
Doorluchtfunctie
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te
openen en weer te sluiten en op die manier snel
voor frisse lucht in de auto te zorgen, zie
pagina 46.
Interieurfilter
04
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter. U moet het filter
regelmatig vervangen. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen
vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker
vervangen.
N.B.
Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
Clean Zone Interior Package (CZIP)*
Wanneer u voor deze optie hebt gekozen zijn
er nog minder stoffen in het interieur verwerkt
die aanleiding kunnen geven tot allergieën of
astma. Zie voor meer informatie over CZIP de
brochure die u bij aankoop hebt ontvangen.
Het volgende is inbegrepen:
•
124
Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer
de auto via de transpondersleutel wordt
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Interior Air Quality System (IAQS). Een volautomatisch systeem dat de lucht in de
passagiersruimte ontdoet van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon.
Gebruik van beproefde materialen in het
interieur.
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is. De vloerbekleding
in zowel de passagiersruimte als de bagageruimte zijn eenvoudig te verwijderen en schoon
te maken. Gebruik daarvoor schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten die door
Volvo worden geadviseerd, zie pagina 279.
N.B.
Bij auto’s met CZIP dient het IAQS-luchtfilter om de 15.000 km of tenminste eenmaal
per jaar te worden vervangen. Bij auto’s
zonder CZIP dient het IAQS-luchtfilter tijdens de reguliere onderhoudsbeurt te worden vervangen.
Menu-instellingen
Het is mogelijk de basisinstellingen voor drie
van de functies van de klimaatregeling te wijzigen via de middenconsole, zie pagina 118:
•
Ventilatorfunctie in automatische stand*,
zie pagina 127.
•
Tijdgestuurde recirculatie van lucht in passagiersruimte, zie pagina 129.
•
Automatische verwarming van de achterruit, zie pagina 95.
Bij gebruik van RESET via het display worden
de standaardinstellingen hervat voor alle functies van de klimaatregeling.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 125
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Blaasmonden in portierstijlen
G032070
G031437
Blaasmonden in dashboard
G033202
Luchtverdeling
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
20 blaasmonden verspreid over het interieur.
Open
Dicht
Dicht
Open
In de stand AUTO* vindt de luchtverdeling
geheel automatisch plaats.
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Luchtstroom omhoog of omlaag
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij
te regelen, zie pagina 130.
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste
zijruiten om deze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden op de achterste zijruiten
om deze te ontwasemen.
Om de temperatuur in de passagiersruimte
aangenaam te houden komt er altijd een
bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
Richt de blaasmonden naar binnen toe voor
een behaaglijke temperatuur achter in de auto.
04
N.B.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn
voor luchtstromen en tocht.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
125
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 126
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Klimaatregeling
Max. ontwaseming
Elektronische temperatuurregeling, ETC
Recirculatie
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming, zie pagina 95
Max. ontwaseming
Elektronische klimaatregeling, ECC
Recirculatie/Interior Air Quality System
Temperatuurregeling, linkerzijde
Gebruik
Ventilator 1
Ventilator
Luchtverdeling
Ventilator
Elektrisch verwarmde voorstoel, linkerzijde
Luchtverdeling
Elektrisch verwarmde voorstoel, rechterzijde
Elektrisch verwarmde voorstoel, linkerzijde
Temperatuurregeling
AUTO
AC ON/OFF – Airconditioning aan/uit
Elektrisch verwarmde voorstoel, rechterzijde
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming, zie pagina 95
Temperatuurregeling, rechterzijde
AC ON/OFF – Airconditioning aan/uit
1
126
Geldt alleen voor ECC.
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of
te verlagen. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO selecteert.
De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan gene-
G033203
04
geerd.
N.B.
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 127
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Elektrisch verwarmde stoelen/
achterbank*
Auto1
Achterbank
De functie AUTO regelt automatisch de temperatuur, de
airconditioning, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de
luchtverdeling.
Voorstoelen
Eenmaal op de knop drukken
levert het maximale verwarmingsniveau op – alle drie de
lampjes branden.
G021376
Tweemaal op de knop drukken levert een lager verwarmingsniveau op – twee van de lampjes branden.
Driemaal op de knop drukken levert het laagste
verwarmingsniveau op – een van de lampjes
brandt.
U stelt de verwarming van de achterbank op
2
dezelfde manier in als die van de voorstoelen .
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de verwarming uitgeschakeld – geen van de
lampjes brandt.
Luchtverdeling
De gestileerde menselijke
gedaante op de nevenstaande afbeelding bestaat
uit drie knoppen. Bij het
indrukken van een van de
luchtverdelingsknoppen licht
het lampje op dat bij dat deel
van de gestileerde menselijke gedaante hoort,
zie pagina 130.
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Wanneer u op de knop
AUTO drukt, vindt activering van de Air Quality
Sensor plaats waarbij alle handmatige instellingen worden opgeheven. Op het display verschijnt AUTO KLIMAAT.
04
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen onder
Klimaatinstellingen Autom. blower
afstellen. Kies uit Laag, Normaal of Hoog.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 118.
• Laag - Automatische ventilatorregeling.
Geringe luchtstroom geniet de prioriteit.
• Normaal - Automatische ventilatorregeling.
• Hoog - Automatische ventilatorregeling.
Grotere luchtstroom geniet de prioriteit.
2
1
Vervalt als u voor een geïntegreerd kinderzitje met twee standen kiest.
Geldt alleen voor ECC.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
127
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 128
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Temperatuurregeling
Ontwaseming
ETC: Met deze draaiknop
kunt u de interieurtemperatuur instellen.
04
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte instelling hervat.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een
hogere of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
AC – Airconditioning AAN/UIT
ON: De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De
binnenkomende lucht wordt
dan automatisch afgekoeld
en van vocht ontdaan.
OFF: Bij activering van de
ontwaseming wordt de airconditioning automatisch ingeschakeld (uit te schakelen met de
knop AC).
128
Recirculatie/Interior Air Quality System
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten
snel te ontwasemen en te ontdooien. Er stroomt lucht naar
de ruiten. Het lampje in de
ontwasemingsknop brandt,
wanneer de functie is inge-
ECC: Met deze knop kunt u
de temperatuur aan de
bestuurders- en passagierszijde onafhankelijk van elkaar
instellen.
schakeld.
Bij activering van deze functie vindt bovendien
het volgende plaats om de lucht in het interieur
zoveel mogelijk van vocht te ontdoen:
•
de airconditioning wordt automatisch
ingeschakeld
•
de recirculatie en het Interior Air Quality
System worden automatische uitgeschakeld.
De airconditioning is handmatig uit te schakelen met de knop AC. Bij het uitschakelen van
de ontwaseming hervat de klimaatregeling de
voorgaande instellingen.
Recirculatie
ECC - Wanneer de recirculatie actief is, brandt het oranje
lampje rechts in de knop. U
kunt deze functie inschakelen
als u vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt
houden. De lucht in de passagiersruimte wordt dan gerecirculeerd. Er komt
met andere woorden geen lucht van buiten de
auto in, wanneer deze functie actief is.
ETC - Wanneer de recirculatie
actief is, brandt het oranje
lampje rechts in de knop. U
kunt deze functie inschakelen
als u vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt
houden. De lucht in de passagiersruimte wordt dan gerecirculeerd. Er komt
met andere woorden geen lucht van buiten de
auto in, wanneer deze functie actief is.
N.B.
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
kan de binnenzijde van de ruiten beslaan.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 129
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Timer
Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd de handmatig
geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit
beperkt de kans op ijs, beslagen ruiten en een
slechte luchtkwaliteit. U kunt de functie activeren/deactiveren onder Klimaatinstellingen
Timer recirculatie. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 118.
Recirculatie/Interior Air Quality Sensor
activeren 3
Selecteer een van de drie
functies door verschillende
malen op de knop te drukken.
•
N.B.
Wanneer u de ontwaseming selecteert,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Interior Air Quality System*
Het Interior Air Quality System
ontdoet de binnenkomende
lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes
en verontreinigingen in de
passagiersruimte te beperken. Als de Air Quality Sensor
een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten waarna de lucht in de passagiersruimte wordt gerecirculeerd. Wanneer u
de knop AUTO hebt ingedrukt, is de Air Quality
Sensor altijd ingeschakeld.
3
•
•
Het oranje lampje links brandt – de Air Quality Sensor is uitgeschakeld. Er is geen
recirculatie, maar alleen verse lucht van
buiten.
Het groene lampje in het midden brandt –
de recirculatie is niet actief (tenzij dit nodig
is voor koeling bij warm weer).
Het oranje lampje rechts brandt – de recirculatie is ingeschakeld.
N.B.
Voor optimale kwaliteit van de lucht in de
passagiersruimte dient u de Air Quality Sensor ingeschakeld te houden.
Bij koud weer gelden er beperkingen voor
de recirculatiefunctie om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
Als de ruiten toch beslaan, moet u de Air
Quality Sensor uitschakelen en alle ruiten
(voorruit, zijruiten en achteruit) ontwasemen.
04
Recirculatie activeren
Schakel de recirculatie3 in of
uit door verschillende malen
op de nevenstaande knop te
drukken. Het lampje brandt
wanneer de recirculatie actief
is.
Geldt alleen voor ECC.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
129
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 130
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
Luchtverdelingstabel
04
130
Luchtverdeling
Toepassing
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de ruiten. Er
komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden. De lucht
wordt niet gerecirculeerd.
De airconditioning is altijd
ingeschakeld.
Om snel te ontdooien en
te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de
ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden
in het dashboard.
Om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen bij
koud weer.
Lucht naar de voorruit en
de zijruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
Om wasem en ijsvorming
bij koud en vochtig weer
te voorkomen (niet te lage
ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit
de blaasmonden in het
dashboard.
Bij zonnig weer en matige
buitentemperaturen.
Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden van het dashboard.
Om een comfortabel klimaat te verkrijgen bij
warm en droog weer.
Lucht naar de vloer. Er
komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard en op de ruiten.
om warme of koude lucht
naar de vloer te sturen
Luchtstroom op hoofden borsthoogte uit de
blaasmonden in het dashboard.
om een efficiënte koeling
te verkrijgen bij warm
weer.
Luchtstroom naar de ruiten, uit de blaasmonden
in het dashboard en naar
de vloer.
om koele lucht naar de
vloer te sturen of warme
lucht naar de rest van het
lichaam bij koud weer of
bij warm en droog weer.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 131
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Verwarming op brandstof
Algemene informatie over de
standverwarming
Tanken
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig
deze melding door op de knop READ op de
richtingaanwijzerhendel te drukken, zie
pagina 132.
WARNING! ACHTUNG!
AVERTISSEMENT!
U kunt de standverwarming die de motor en
het interieur verwarmt meteen inschakelen of
vertraagd met een timerfunctie.
Bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C
wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij temperaturen van –10 °C of lager is de maximale
bedrijfstijd van de standverwarming 50 minuten.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming moet
de auto in de buitenlucht staan.
N.B.
Bij gebruik van de standverwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
BELANGRIJK
G031391
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop
de auto de gewenste temperatuur bereikt
heeft. De elektronica van de auto rekent aan de
hand van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren.
04
Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto rijden als
de standverwarming aanstond. Dit om te
zorgen dat de dynamo evenveel energie kan
bijladen als de standverwarming verbruikt.
Controleer op het informatiedisplay of de
standverwarming uit is. Wanneer de verwarming aanstaat, staat op het informatiedisplay de melding Standverw. AAN.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de standverwarming altijd voldoende brandstof.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
131
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 132
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
G025102
G021364
04
Duimwiel
Knop RESET
Voor meer informatie over het informatiedisplay en de knop READ, zie pagina 121.
132
G025102
Knop READ
Display
Betekenis
Brandstofkachel AAN
De verwarming is
ingeschakeld en
werkt.
Timer
ingesteld
Brandstofkachel
Herinnering aan de
ingestelde uitschakeltijd voor de verwarming tijdens het
uitnemen van de
transpondersleutel.
Verwarming stop
Accuspann.
laag
De verwarming werd
uitgeschakeld om te
zorgen dat er voldoende stroom is
om de motor te starten.
Symbool
G025102
G025102
Symbool
G025102
Bediening
Display
Betekenis
Verw niet
besch
Brandstofp.
laag
De verwarming werd
uitgeschakeld om te
zorgen dat er na het
starten van de motor
nog ca. 50 km kan
worden gereden.
Standkachel Service vereist
Verwarming defect.
Neem voor reparatie
contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Een displaymeldingen verdwijnt automatisch
na enige tijd. U kunt een melding ook eerder
doen verdwijnen met een druk op de knop
READ van de richtingaanwijzerhendel.
Symbolen en displaymeldingen
Meteen inschakelen/uitschakelen
Wanneer u de instellingen van een
van de timers of Directe start activeert, gaat het informatiesymbool op het
instrumentenpaneel branden en op het informatiedisplay verschijnen een verklarende melding plus een ander brandend symbool. In de
onderstaande tabel staan de voorkomende
symbolen en displaymeldingen.
1. Gebruik het duimwiel om naar Directe
start Standverw. te gaan.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en
UIT.
AAN: De standverwarming is handmatig of via
de timerfunctie ingeschakeld.
UIT: De standverwarming is uitgeschakeld.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 133
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Bij directe start van de standverwarming zal
deze 50 minuten lang geactiveerd blijven.
4. Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur heeft bereikt.
5. Stel de gewenste minuutaanduiding in met
het duimwiel.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming aanstaat.
Timers instellen
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de
auto op temperatuur moet zijn omdat u die
wenst te gebruiken.
Kies uit TIMER 1 en TIMER 2.
N.B.
De timers zijn alleen te programmeren met
de transpondersleutel in slotstand I, zie
pagina 72.
6. Druk kort op de knop RESET om de instelling te bevestigen.
7. Druk op de knop RESET om de timer te
activeren.
Wanneer u Timer standkach 1 hebt ingesteld,
kunt u een tweede uitschakeltijd programmeren onder Timer standkach 2 door aan het
duimwiel te draaien.
Een timergestuurde verwarming is ook uit te
schakelen volgens de instructies in het
gedeelte “Meteen inschakelen/uitschakelen”
zie pagina 132.
Klok/timer
De timers van de verwarming zijn gekoppeld
aan de klok in de auto.
N.B.
Als u de klok van de auto bijstelt, worden
eventuele timerinstellingen gewist.
04
U stelt de andere uitschakeltijd op dezelfde
manier in als bij Timer standkach 1.
Timergestuurde verwarming voortijdig
uitschakelen
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Doe dat als
volgt:
1. Druk op READ.
1. Gebruik het duimwiel om naar Timer
standkach 1 te gaan.
2. Druk kort op de knop RESET zodat de uuraanduiding gaat knipperen.
3. Stel de gewenste uuraanduiding in met het
duimwiel.
2. Ga met het duimwiel naar Timer
standkach 1 of 2.
> De tekst AAN knippert op het display.
3. Druk op RESET.
> De tekst UIT brandt continu en de verwarming wordt uitgeschakeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 134
04 Comfort en rijplezier
Extra verwarming op brandstof*
Extra verwarming (diesel)
N.B.
Bij gebruik van de extra verwarming is het
volkomen normaal dat er rook uit de rechter
wielkast komt.
Automatische stand of uitschakelen
Bij korte ritten kan de extra verwarming desgewenst worden uitgeschakeld.
G021364
04
Knop READ
Duimwiel
Knop RESET
Bij koud weer moet de extra verwarming van
dieselmodellen wellicht worden ingeschakeld
om de passagiersruimte voldoende te verwarmen.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is
terwijl de motor loopt.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm genoeg is of wanneer
de motor wordt afgezet.
134
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Gebruik het duimwiel om naar Extra
verwarming auto te gaan.
2. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en
UIT.
Interieurverwarming*
Als de extraverwarming wordt uitgebreid met
een timerfunctie, kan deze dienstdoen als interieurverwarming op brandstof, zie pagina 131.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 135
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Algemene informatie
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschillende opties en in drie basisuitvoeringen:
•
•
•
Performance
High Performance
Als het audiosysteem aanstaat wanneer u de
motor afzet, wordt het de volgende keer dat u
de motor start automatisch ingeschakeld.
Toetsenset op stuurwiel
Overzicht
Premium Sound
5
G031438
Dolby Surround Pro Logic II en het symbool
zijn handelsmerken van Dolby
Laboratories Licensing Corporation. Dolby
Surround Pro Logic II System is vervaardigd
onder licentie van Dolby Laboratories
Licensing Corporation.
G021399
Bij het inschakelen van het audiosysteem geeft
het display de uitvoering aan.
U kunt het audiosysteem 15 minuten achtereen
beluisteren, wanneer er geen transpondersleutel in het contactslot steekt.
N.B.
Neem de transpondersleutel uit het contactslot om het audiosysteem te beluisteren
wanneer de motor afgezet is. Zo voorkomt
u dat de accu onnodig belast wordt.
1
Menu-opties bevestigen, telefoongesprekken aannemen.
Ingang voor externe geluidsbron: AUX en
USB (bijv. iPodŸ)1
Naar een hoger niveau gaan binnen het
menusysteem. Actieve functie annuleren,
telefoongesprekken beëindigen/weigeren,
ingevoerde tekens wissen.
Toetsenset op stuurwiel
Belvolume
Informatiedisplay
Kort indrukken om een track op een cd of
een van de voorkeurzenders te selecteren.
Lang indrukken om een track op een cd
vooruit/achteruit te spoelen of de eerstvolgende goed doorkomende radiozender op
te zoeken.
Transpondersleutel en sleutelstanden
Bedieningspaneel in middenconsole
Bedieningspaneel met hoofdtelefoonaansluiting*
04
Alleen de uitvoeringen High Performance en Premium Sound hebben een USB-aansluiting. iPod is het gedeponeerde handelsmerk van Apple Computer Inc.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
135
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 136
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Achterste bedieningspaneel met
hoofdtelefoonaansluiting
Voor de beste geluidsweergave adviseren wij u
een hoofdtelefoon te gebruiken met een impedantie van 16–32 ohm en een gevoeligheid van
102 dB of meer.
Activeren/deactiveren
U activeert het bedieningspaneel met een druk
op MODE. Het bedieningspaneel wordt handmatig gedeactiveerd, wanneer u MODE lang
indrukt of automatisch bij het uitschakelen van
het contact.
Favoriete menufunctie opslaan met MY
KEY
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken
04
G031439
Kort op
drukken om een track op een cd of
een van de voorkeurzenders te selecteren.
Lang indrukken om een track op een cd vooruit/achteruit te spoelen of de eerstvolgende
goed doorkomende radiozender op te zoeken.
Beperkingen
•
Welke geluidsbron (FM, AM, CD e.d.) er via
de luidsprekers wordt weergegeven valt
niet te sturen vanaf het achterste bedieningspaneel.
VOLUME – Volume, resp. links en rechts.
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken.
MODE – Kiezen uit AM, FM, CD, AUX,
USB*/iPod, DAB1/DAB2* en Aan/Uit. Voor
aansluiting via AUX of USB, zie
pagina 135.
Hoofdtelefoonaansluiting (3,5 mm).
2
136
Menufuncties en MY KEY2
Sommige functies kunt u regelen via het menusysteem van de middenconsole. Voor meer
informatie over de menufuncties (zie
pagina 118). Voor informatie over de werking
van het audiosysteem in combinatie met een
BluetoothTM-handsfree of -telefoon (zie
pagina 203).
MY KEY komt te vervallen, als er bij wijze van optie een telefoon in de auto wordt ingebouwd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Navigeer naar de menufunctie die u wilt
opslaan. Niet alle functies zijn op te slaan
als favoriet.
2. Houd MY KEY meer dan 2 seconden lang
ingedrukt.
De volgende menufuncties kunt u onder
MY KEY opslaan:
Cd-speler/-wisselaar
• Random
• Nieuws
• TP
• Nummer-informatie
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 137
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Audiofuncties
FM
•
•
•
•
•
van de auto. U hebt de keuze uit drie compensatieniveaus: laag, medium en hoog. Kies een
niveau onder Audio-instellingen Autom.
volumeregeling.
Nieuws
TP
Radiotekst
PTY zoeken
Geluidsregeling
PTY-tekst weergeven
Door te drukken op de knop
kunt u de
onderstaande opties doorlopen. U stelt de
opties in door aan de draaiknop te draaien.
G031440
Audio-instellingen
• Audiomodus
• Autom. volumereg.
Activeer de opgeslagen menufunctie vervolgens door kort op MY KEY te drukken.
Middenconsole, bedieningstoetsen voor audiofuncties.
AM, FM en CD - Interne geluidsbronnen.
MODE – Kiezen uit de externe geluidsbronnen (AUX, USB* en DAB1/DAB2*).
Voor aansluiting via AUX of USB, zie
pagina 135.
SOUND – Druk- en draaiknoppen voor het
aanpassen van de geluidsweergave.
Navigatietoets
VOLUME - Volume en aan/uit.
N.B.
04
Druk op MENU om de overige audio-instellingen te openen. Voor meer informatie (zie
pagina 118).
• Bas – Niveau van de lage tonen.
• Treble - Niveau van de hoge tonen.
• Fader – Balans tussen luidsprekers voor
en achter.
• Balans – Balans tussen luidsprekers links
en rechts.
• Subwoofer* – Niveau voor de lagetonenluidspreker. MIN deactiveert de subwoofer.
Geluidssterkte en automatische
volumeregeling
Het audiosysteem zorgt voor compensatie van
hinderlijke rijgeluiden in de passagiersruimte
door het volume af te stemmen op de snelheid
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
137
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 138
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Stel het niveau voor de frequentieband bij
met
/
van de navigatietoets. Druk op
/
om een andere frequentieband te
kiezen.
2. Leg de instelling vast met ENTER of annuleer uw keuze met EXIT.
G031960
Geluidspodium*
04
Positie van de subwoofer.
• Surround* – Instellingen voor de zogeheten Ambient Surround Sound.
Onder Surround kunt u 3-kanaals stereo of
Dolby Surround Pro Logic II activeren door 3channel of DPLII te selecteren. Vervolgens
worden u de volgende opties voorgeschoteld:
• Middenniveau* – Niveau voor de middenluidspreker.
• Surround-niveau* – Niveau voor de zogeheten Ambient Surround Sound.
Equalizer*
Met de equalizer kunt u de niveaus voor de
verschillende frequentiebanden ieder apart
instellen.
1. Ga naar Audio-instellingen en kies
Equalizer voor of Equalizer achter.
138
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De geluidsweergave is dusdanig in te stellen
dat deze optimaal is voor de bestuurder, voor
de inzittenden voorin of voor de achterpassagiers. Kies een van de opties onder Audioinstellingen Geluidspodium.
mogelijkheid te bieden de geluidsweergave
naar wens af te stellen.
Geluidssterkte externe geluidsbron
Een mp3-speler zonder USB-kabel kan op de
AUX-ingang worden aangesloten, zie
pagina 135.
N.B.
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler
daarom niet tijdens het beluisteren op via de
12V-aansluiting.
Optimale geluidsweergave
Het audiosysteem is gekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking.
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals Bas, Treble en
Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld om u de
De geluidsbron die op de AUX-ingang wordt
aangesloten kan een ander volume hebben
dan dat van het audiosysteem. Corrigeer dit
door het ingangsvolume van de AUX-ingang
aan te passen:
1. Zet het audiosysteem in de stand AUX met
de knop MODE en navigeer vervolgens
met
naar AUX-ingangsvolume.
2. Draai aan de knop
of druk op
van de navigatietoets.
/
Audiofuncties resetten
Alle fabriekswaarden voor de audio-instellingen zijn te herstellen.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 139
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
±
Reset in de stand FM onder Audioinstellingen Gevanceerde audio-inst.
Alles resetten.
1. Als u USB kiest, verschijnt Apparaat
aansl. op het display. Voor informatie over
de AUX-ingang, zie pagina 135.
2. Sluit uw iPodŸ, mp3-speler of USBgeheugen aan op de USB-aansluiting in
het opbergvak van de middenconsole (zie
voorgaande afbeelding).
AUX, USB en iPodŸ*
Algemene informatie
De tekst Bezig met laden verschijnt op het
display, terwijl het systeem de bestanden op
het opslagmedium inleest. Dit duurt even.
Wanneer de bestanden zijn ingelezen, verschijnt de trackinformatie op het display
waarna u een track kunt selecteren.
G031959
U kunt op twee manieren tracks selecteren:
Via de AUX- of USB-aansluiting in de middenconsole is het mogelijk een iPodŸ of mp3-speler aan
te sluiten op het Infotainmentsysteem van de auto.
De AUX-ingang biedt de mogelijk een externe
geluidsbron aan te sluiten, zoals een iPodŸ of
mp3-speler.
Als u ervoor kiest om een iPodŸ, mp3-speler
of USB-geheugen aan te sluiten op de USBaansluiting, kunt u het geluidsmedium bedienen via de geluidsregeling van de auto.
U kiest met de knop MODE:
1. Draai de knop TUNING
rechtsom
links- of
2. of maak gebruik van de pijl-links of pijlrechts van de navigatieknoppen
om
naar de track van uw keuze te springen.
U kunt ook van track wisselen met de toetenset
op het stuurwiel
In de USB- of iPodŸ-stand werkt het Infotainmentsysteem op dezelfde manier als bij het
beluisteren van muziekbestanden op een cd in
de cd-speler. Voor meer informatie (zie
pagina 141).
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning van
muziekbestanden in de muziekformaten
mp3, wma en wav. Er zijn echter varianten
van deze muziekformaten die niet door het
systeem worden ondersteund. Het systeem
biedt verder ondersteuning voor de meeste
iPodŸ-modellen die in 2005 of later
gemaakt zijn. iPodŸ Shuffle wordt echter
niet ondersteund.
USB-geheugen
04
Om het gebruik van een USB-geheugen te vereenvoudigen is het beter alleen muziekbestanden in het geheugen op te slaan. Het inlezen
duurt aanzienlijk langer, wanneer er behalve
compatibele muziekbestanden nog andere
bestanden op het opslagmedium staan.
N.B.
Het systeem biedt alleen ondersteuning
voor draagbare opslagmedia die compatibel zijn met USB 2.0 en bestandssysteem
FAT32. De speler of het USB-geheugen kan
maximaal 500 mappen en 64.000 bestanden bevatten en dient een minimale opslagcapaciteit van 128 MB te hebben.
Mp3-speler
Veel mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem die niet ondersteund wor``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
139
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 140
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
den door het Infotainmentsysteem. Om een
dergelijke mp3-speler te kunnen gebruiken
binnen het systeem, dient de speler in de stand
USB Removable device/Mass Storage Device
te staan.
Cd-functies
wordt vervolgens automatisch afgespeeld.
Steek anders een cd in de invoeropening en
druk op CD.
Weergave starten (cd-wisselaar)
Als er een cd-sleuf met een muziek-cd is gekozen, gaat de weergave automatisch van start
wanneer u op CD drukt. Kies als dat niet het
geval is een cd met de cijfertoetsen 1-6 of
/
van de navigatietoets.
iPodŸ
N.B.
Wanneer u muziek op een aangesloten
iPodŸ beluistert, hanteert het Infotainmentsysteem een menusysteem vergelijkbaar
met die van de iPodŸ.
Zie voor meer informatie over USB/iPod bij een
audiosysteem in de uitvoering Performance
het extra instructieboekje bij USB och iPodŸ
Music Interface.
G031443
04
Een iPodŸ wordt middels de aansluitkabel bijgeladen en gevoed door de USB-aansluiting.
Als de batterij van de speler echter helemaal
uitgeput is, dan dient u deze eerst op te laden
alvorens de speler aan te sluiten.
Middenconsole, bedieningstoetsen voor cd-functies.
Cd uitwerpen
Opening voor het invoeren en uitwerpen
van cd’s
Vooruit-/achteruitspoelen en wisselen van
cd-tracks
Navigatietoets voor het wisselen van cdtracks
Cd doorzoeken
Positie in cd-wisselaar kiezen (alleen
audiosysteem High Performance en Premium Sound)*
Weergave starten (cd-speler)
Start de cd-speler door op de knop CD te drukken. Een eventuele muziek-cd in de speler
140
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Cd aanbrengen (cd-wisselaar)
1. Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen
1-6 of
/
van de navigatietoets.
Op het display staat aangegeven welke
sleuf leeg is. De melding Disc plaatsen
geeft aan dat u een volgende cd kunt aanbrengen. De cd-wisselaar biedt plaats aan
6 cd’s.
2. Steek een cd in de invoeropening van de
cd-wisselaar.
Disc uitwerpen
U hebt ca. 12 seconden de tijd om een uitgeworpen disc uit te nemen. Als de disc na afloop
van deze periode nog in de cd-speler zit, wordt
de disc weer ingenomen en verder afgespeeld.
Met een korte druk op de uitwerptoets kunt u
één enkele disc uitwerpen.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 141
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Met een lange druk op de uitwerptoets kunt u
alle discs uitwerpen. Alle discs in het magazijn
worden dan één voor één uitgeworpen.
Pauze
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler onderbroken tenzij iemand gebruik maakt van een
van de koptelefoons. Bij het verhogen van het
volume wordt er verder gespeeld.
Muziekbestanden3
De cd-speler ondersteunt ook muziekbestanden in mp3- en wma-formaat.
N.B.
De speler kan bepaalde muziekbestanden
met kopieerbeveiliging niet lezen.
Wanneer u een cd met muziekbestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele
bestandsstructuur op de disc automatisch
geladen. Afhankelijk van de kwaliteit van de
disc en de hoeveelheid gegevens die erop
staan, kan het enige tijd duren voordat de
weergave van start gaat.
Navigeren en afspelen
Als er een disc met muziekbestanden in de cdspeler zit, kunt u met ENTER de bestands3
structuur openen. U navigeert op dezelfde
manier in de bestandsstructuur als in het
menusysteem van het audiosysteem. Muziekbestanden worden aangeduid met het symbool
en mappen met
. Met een druk
op ENTER gaat het afspelen van de muziekbestanden van start.
Wanneer een bepaald muziekbestand helemaal afgespeeld is, worden de overige bestanden in dezelfde map afgespeeld. Nadat alle
bestanden in een bepaalde map zijn afgespeeld, wordt er automatisch van map gewisseld.
Vooruit-/achteruitspoelen en van cdtrack of gecomprimeerd muziekbestand
wisselen
Druk kort op
/
van de navigatietoets om
cd-tracks of gecomprimeerde muziekbestanden te selecteren. Druk lang om cd-tracks of
gecomprimeerde muziekbestanden versneld
vooruit/achteruit te spoelen. U kunt daarvoor
ook gebruik maken van de toetsenset op het
stuurwiel. U kunt ook van track wisselen door
aan de knop TUNING te draaien.
Cd doorzoeken
Bij activering van deze functie worden van alle
cd-tracks of gecomprimeerde muziekbestanden de eerste tien seconden weergegeven.
Druk op SCAN om de functie te activeren.
Beëindig de functie met EXIT of SCAN om de
weergave van de actuele cd-tracks of gecomprimeerde muziekbestanden voort te zetten.
Willekeurige afspeelvolgorde (Random)
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen cdtracks/gecomprimeerde muziekbestanden op
de gebruikelijke manier doorbladeren.
04
N.B.
Bij gebruik van de linker of rechter pijl wordt
alleen een nieuwe willekeurige track op de
afgespeelde cd geselecteerd.
Afhankelijk van het type willekeurige afspeelvolgorde dat geselecteerd is, verschijnt er een
bepaalde displaymelding:
• RANDOM houdt in dat de tracks op
slechts een van de muziek-cd’s worden
afgespeeld
• RND ALL houdt in dat alle tracks op alle
muziek-cd’s in de cd-speler* worden afgespeeld.
• RANDOM FOLDER houdt in dat alle
gecomprimeerde muziekbestanden in de
High Performance en Premium Sound
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
141
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 142
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
map van de actuele cd’s worden afgespeeld.
Radiofuncties
2. Druk op
Handmatig zenders zoeken
Activeer/deactiveer de functie tijdens het
afspelen van een normale muziek-cd onder
Random.
2. Draai aan TUNING.
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
Preset
Activeer/deactiveer de functie bij het afspelen
van een normale muziek-cd onder Random
Enkele disc of Random Alle discs. De
optie Alle discs geldt voor alle muziek-cd’s in
de cd-wisselaar.
Nummer-informatie
Eventuele nummer-informatie op de muziekcd kan via het display worden weergegeven.
Bij Premium Sound en High Performance geldt
dit ook voor cd’s met mp3- en wma-bestanden. Activeer/deactiveer de functie in de stand
CD onder Cd-instellingen Nummerinformatie.
G031441
Cd-wisselaar
Activeer/deactiveer de functie bij het beluisteren van een cd met muziekbestanden onder
Random Map. Wanneer u een andere cd
kiest, wordt de functie gedeactiveerd.
Middenconsole, bedieningstoetsen voor radiofuncties.
U kunt per frequentieband 10 voorkeurzenders
vastleggen. De FM-band heeft 2 geheugenbanken met voorkeurzenders: FM1 en FM2. U
kiest een voorkeurzender met de voorkeurtoetsen.
De voorkeurzenders kunnen handmatig of
automatisch worden vastgelegd.
Navigatietoets voor het automatisch zoeken van zenders
Voorkeurzenders handmatig vastleggen
Geselecteerde functie beëindigen
Handmatig zenders zoeken.
2. Houd een van de voorkeurtoetsen ingedrukt, totdat de melding Kanaal
opgeslagen op het display verschijnt.
Frequentieband doorzoeken
Automatisch zenders vastleggen.
Automatisch zenders vastleggen.
Voorkeurtoetsen en handmatig voorkeurzenders vastleggen.
Frequentieband AM en FM (FM1 en FM2)
kiezen
Automatisch zenders zoeken
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
142
van de navigatietoets.
Cd-speler
Activeer/deactiveer de functie bij het beluisteren van een disc met gecomprimeerde muziekbestanden onder Random Map.
04
/
1. Stem af op een zender of een frequentie.
Deze functie is met name handig in gebieden,
waar u de radiozenders en hun frequenties niet
kent. De 10 best te ontvangen radiozenders
worden automatisch in een aparte geheugenbank vastgelegd. De automatische zenderopslag is niet van invloed op de onderlinge positie
van de handmatig vastgelegde zenders.
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 143
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
van de uitzending van het gekozen programmatype geeft de radio de voorgaande geluidsbron opnieuw weer op het volume dat u
daarvoor had ingesteld.
2. Houd AUTO ingedrukt, totdat Autom.
opslaan.. op het display verschijnt.
De tekst SCAN verschijnt op het display. Druk
tot slot op SCAN of EXIT.
Wanneer Autom. opslaan.. van het display
verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De radio
gaat over op de automatische stand en de melding Auto verschijnt op het display. De automatisch vastgelegde voorkeurzenders zijn vervolgens rechtstreeks te kiezen met de
voorkeurtoetsen. De automatische vastlegfunctie voor radiozenders is te beëindigen met
EXIT.
RDS-functies
De radio blijft in de automatische stand staan,
totdat u op AUTO of FM drukt.
•
Zoeken op programmatype zoals zenders
die nieuws doorgeven.
De programmafuncties alarm (ALARM!), verkeersinformatie (TP), nieuws (NEWS) en programmatype(PTY) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste. Zie EON en REG (zie
pagina 145) voor meer instellingen die te
maken hebben met het onderbreken van uitzendingen. Druk op EXIT om de weergave van
de onderbroken geluidsbron te hervatten.
U kunt gebruik maken van de automatisch
vastgelegde radiozenders door de radio als
volgt in de automatische stand te zetten:
•
Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
Alarm
1. Druk op AUTO.
> De tekst Auto verschijnt op het display.
2. Druk op een voorkeurtoets.
Frequentieband doorzoeken
Deze functie doorzoekt de actuele frequentieband automatisch op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. 8 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
1. Kies een frequentieband met AM of FM.
2. Druk op SCAN.
RDS (Radio Data System) verbindt FM-zenders
in een netwerk met elkaar. Een FM-zender in
een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDS-radio onder meer de
volgende mogelijkheden biedt:
•
Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
N.B.
Sommige radiozenders maken geen
gebruik van RDS of alleen in beperkte mate.
Als er een zender met het gewenste programmatype is aangetroffen, kan de radio vervolgens op deze zender overschakelen en de
weergave van de actieve geluidsbron onderbreken. Als de cd-speler bijvoorbeeld actief is,
wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De uitzending met het gekozen programmatype wordt weergegeven op een vooraf
bepaald volume (zie pagina 145). Na afloop
04
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het display, wanneer er
een alarmmelding wordt verzonden.
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een uitzending met verkeersinformatie via
het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd. Het symbool TP geeft aan dat de
functie actief is. Als de zender waarop u hebt
``
143
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 144
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven,
staat er
op het display.
±
Activeer/deactiveer de functie onder FMinstellingen TP.
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor verkeersinformatie via de (actuele) zender die u beluistert of
via alle zenders binnen hetzelfde netwerk.
04
±
Ga naar FM-instellingen Geav. radioinstellingen TP TP-zender om wijzigingen aan te brengen.
Nieuws
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een nieuwsuitzending via het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. Het
symbool NEWS geeft aan dat de functie actief
is.
±
Activeer/deactiveer de functie onder FMinstellingen Nieuws.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor nieuws via de
(actuele) zender die u beluistert of via alle zenders binnen hetzelfde netwerk.
144
±
Ga naar FM-instellingen Geav. radioinstellingen Nieuwszender om wijzigingen aan te brengen.
±
Programmatype, PTY
Met de functie PTY is het mogelijk verschillende programmatypes te kiezen zoals popmuziek en klassieke muziek. Het symbool PTY
geeft aan dat de functie actief is. Bij activering
van deze functie wordt de weergave van de
actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending van het gekozen programmatype via
het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd.
1. Activeer de functie in de stand FM door een
programmatype te selecteren onder FMinstellingen PTY PTY selecteren.
2. Deactiveer de functie door de PTY’s te wissen onder FM-instellingen Alle PTY’s
wissen.
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen van
het gekozen programmatype.
1. Kies een of meer PTY’s onder FMinstellingen PTY PTY selecteren.
PTY
PTY
Druk op
van de navigatietoets om verder te zoeken naar een andere uitzending
van een van de gekozen programmatypes.
Programmatype weergeven
Het is mogelijk het programmatype van de zender die u op dat moment beluistert op het
display weer te geven.
±
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen PTY
PTY weergeven
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op het
display worden weergegeven.
±
PTY zoeken
2. Ga naar FM-instellingen
zoeken.
Als de radio een uitzending van een van de
gekozen programmatypes vindt, verschijnt >|
om te zoeken op het display.
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder Radiotekst.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 145
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Geavanceerde radio-instellingen
Automatische afstemfunctie, AF
Bij activering van deze functie wordt er automatisch afgestemd op het sterkste signaal
voor een bepaalde radiozender. Soms moet de
radio de gehele FM-band doorzoeken om een
sterk zendersignaal te vinden. In dat geval valt
de radio stil en verschijnt de melding PI
zoeken op het display. Druk op EXIT om te
annuleren, wat ook op het display verschijnt.
±
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen Geav.
radio-instellingen AF.
afstand tot de zendmast van een radiozender
bepalend voor de vraag of de weergave van de
actieve geluidsbron kan worden onderbroken
voor uitzendingen van een bepaald programmatype.
±
• Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij
is.
• Afstand4 – Ook onderbreking als de zend-
±
Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen Geav.
radio-instellingen Regionaal.
EON (Enhanced Other Networks)
Deze functie is met name handig in stedelijke
gebieden met een groot aantal regionale radiozenders. Bij activering van de functie is de
4
De onderbrekende uitzendingen van het gekozen programmatype (bijv. NIEUWS of TP) worden weergegeven op het volume dat voor het
programmatype is gekozen. Als u het volume
tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het
nieuwe volume opgeslagen voor een volgende
onderbreking. Er is echter een minimumniveau.
Menusysteem FM
04
Hoofdmenu FM
FM-instellingen
1.1
Nieuws
1.2
TP (verkeersinformatie)
• Uit – Geen onderbreking voor een uitzen-
1.3
Radiotekst
ding van een bepaald programmatype via
andere zenders.
1.4
PTY (programmatype)
mast van de zender ver weg staat en het
signaal zwak is.
Regionale radioprogramma’s, Regionaal
Deze functie maakt het mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is. Het symbool Regionaal geeft aan dat de handsfreefunctie actief is.
Activeer/deactiveer de functie in de stand
FM door een van de alternatieven te kiezen
onder FM-instellingen Geav. radioinstellingen EON:
Volumeregeling programmatypes
1.4.1
RDS-functies resetten
Met deze kunt u alle fabriekinstellingen voor
RDS herstellen.
±
Reset in de stand FM onder FMinstellingen Geav. radio-instellingen
Alles resetten.
PTY selecteren
Alle PTY’s wissen
Actualiteit
Informatie
Sport
Educatie
Drama
Fabrieksstandaard.
``
145
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 146
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
Kunst & cultuur
Documentaires
Digitale radio (DAB)*
Wetenschap
Alarmtest
Algemene informatie
Varia
ALARM!
DAB (Digital Audio Broadcasting) is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen.
Popmuziek
1.4.2
PTY zoeken
Rockmuziek
1.4.3
PTY-tekst weergeven
Melodie
04
Geav. radio-instellingen
Licht klassiek
1.5.1
TP-zender
Klassiek
1.5.2
Nieuwszender
Overige muziek
1.5.3
AF
Het weer
1.5.4
EON
Economie
Uit
Voor kinderen
Plaatselijk
Maatschappelijk
Afstand
Religie
1.5.5
Regionaal
Doe mee!
1.5.6
Reset FM-instellingen
Reizen
Vrije tijd
Jazzmuziek
Countrymuziek
Nationale muziek
Gouwe Ouwe
Volksmuziek
146
1.5.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Dit systeem biedt geen ondersteuning voor
DAB+.
Service en Ensemble
• Service - Kanaal, radiokanaal (het systeem biedt alleen ondersteuning voor
geluidsdiensten).
• Ensemble - Een groep radiokanalen die
op dezelfde frequentie zenden.
Radiokanalen programmeren (Groep
leren)
Wanneer de auto een nieuw zendgebied binnenrijdt is het mogelijk het systeem de gelegenheid te geven de te ontvangen kanaalgroepen te programmeren.
Tijdens het programmeren van de kanaalgroepen wordt een bijgewerkte lijst van al de te
beluisteren kanaalgroepen aangemaakt. De
lijst wordt niet automatisch bijgewerkt. U start
de programmeerfunctie via het menu
Ensemble learn of rechtstreeks door lang op
AUTO te drukken. Het kan tot één minuut
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 147
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
duren voordat een kanaalgroep geprogrammeerd is als u zowel Band III als LBand hebt
geselecteerd.
Frequentieband
DAB zendt uit op twee
Band III en LBand.
frequentiebanden5:
• Band III – Over het hele land6
• LBand - Voornamelijk in de grote steden
Wanneer u alleen voor Band III kiest, verloopt
het programmeren van kanalen sneller dan als
u voor zowel Band III als LBand hebt gekozen.
Het is echter niet zeker dat alle kanaalgroepen
ook daadwerkelijk worden gevonden. De
gekozen frequentieband is niet van invloed op
de opgeslagen voorkeuren.
Navigeren aan de hand van lijsten
Er zijn drie soorten basislijsten die u kunt
gebruiken om te navigeren:
• Ensemble list - Geeft de te beluisteren
kanaalgroepen weer na programmering
van de kanaalgroepen.
• Service list - Geeft de kanalen weer ongeacht de kanaalgroep waartoe ze behoren.
De lijst is tevens te filteren met behulp van
DAB PTY (zie onder).
5
6
• Subchannel list - Subkanalen van het
gekozen kanaal.
De lijsten zijn toegankelijk via het menu. U kunt
de kanaalgroepen ook bereiken door op
ENTER te drukken.
Scannen
Tijdens het scannen wordt van alle kanalen een
fragment van 10 seconden weergegeven.
±
Druk op SCAN om de functie te activeren.
De scanfunctie is ook te kiezen in de stand
DAB-PTY. Dan worden alleen kanalen van het
gekozen programmatype weergegeven.
±
Beëindig de scanfunctie door nogmaals op
de SCAN te drukken of druk op EXIT.
Subkanaal
Secundaire componenten worden vaak aangeduid als subkanalen. Dergelijke componenten zijn van tijdelijke aard en kunnen bijvoorbeeld uit vertalingen van het hoofdprogramma
bestaan.
Als er een of meer subkanalen bestaan verschijnt het symbool > rechts van de kanaalnaam op het display. Als er slechts één
subkanaal bestaat verschijnt het symbool >
links van de kanaalnaam op het display.
Om een subkanaal te bereiken:
±
Druk op
Om te navigeren tussen subkanalen:
±
Druk op
of op
Subkanalen zijn alleen te bereiken via het gekozen hoofdkanaal en niet via een ander hoofdkanaal.
DAB-PTY (programmatype)
DAB PTY selecteert een specifiek type radio-
04
programma. Er bestaan 29 verschillende programmatypes voor verschillende soorten programmacategorieën. Wanneer u een bepaald
programmatype hebt gekozen, navigeert u
alleen binnen de kanalen die programma’s van
het gekozen type uitzenden.
Verlaat deze stand als volgt:
±
Druk op EXIT
Het is ook mogelijk een voorkeurkanaal te kiezen of DAB-PTY te beëindigen via het menu.
Bij gebruik van DAB-links tussen kanalen (zie
onder) is het mogelijk dat de DAB-radio de
PTY-stand verlaten.
De beide frequentiebanden zijn niet in alle gebieden/landen in gebruik.
In de aanloopfase is de dekking van DAB-radio beperkt tot de grote steden.
``
147
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 148
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
DAB naar DAB link
Het is mogelijk om van een kanaal die slecht of
helemaal niet te ontvangen is over te schakelen
op hetzelfde kanaal in een andere kanaalgroep
met een betere ontvangst. Bij het veranderen
van kanaalgroep kan enige vertraging in de
geluidsweergave optreden. Vanaf het moment
dat het huidige kanaal verdwijnt en het nieuwe
kanaal toegankelijk wordt kan het geluid dan
ook enige tijd stilvallen.
04
DAB-displayinstellingen
1. Basis - Alleen de kanaalnaam verschijnt
als de hoofdcomponent wordt beluisterd.
Bij het beluisteren van een subkanaal verschijnt de subkanaalnaam
2. Ensemble mode - Voegt de naam van de
kanaalgroep toe aan de kanaalnaam
3. Ensemble + PTY - Voegt de naam van het
programmatype toe aan de kanaalnaam
148
gistreerd. Dit komt omdat de subkanalen van
tijdelijke aard zijn. Bij activering van het bijbehorende voorkeurkanaal zal dan ook het
hoofdkanaal worden weergegeven waartoe het
subkanaal behoorde. De voorkeurkanalen zijn
niet gebonden aan de kanalenlijst.
Een vastgelegd kanaal hoeft niet in de kanalenlijst te staan om te kunnen worden beluisterd. Als u een kanaal kiest dat niet beschikbaar is, verschijnt het nummer van het
voorkeurkanaal waarna het geluid stilvalt totdat u een ander voorkeurkanaal hebt gekozen
dat wel beschikbaar is. U kunt uiteraard ook
een ander kanaal kiezen.
N.B.
De DAB-functie van het audiosysteem biedt
geen ondersteuning voor alle mogelijkheden van de DAB-standaard.
4.2.
Nieuws
4.3.
Actualiteit
4.4.
Informatie
4.5.
Sport
4.6.
Educatie
4.7.
Drama
4.8.
Kunst & cultuur
4.9.
Wetenschap
4.10.
Varia
4.11.
Popmuziek
4.12
Rockmuziek
4.13.
Melodie
4.14.
Licht klassiek
4.15.
Klassieke muziek
4.16.
Overige muziek
Preset
Menusysteem DAB
4.17.
Het weer
U kunt per frequentieband 10 voorkeurzenders
vastleggen. DAB heeft 2 geheugenbanken met
voorkeurzenders: DAB1 en DAB2. U kiest een
voorkeurzender met de voorkeurtoetsen.
Hoofdmenu DAB
4.18.
Economie
1.
Selecteer groep
4.19
Voor kinderen
2.
Selecteer dienst
4.20.
Maatschappelijk
Een preset bestaat uit een kanaal zonder eventuele subkanalen. Als er tijdens het beluisteren
van een subkanaal een voorkeurkanaal vastgelegd wordt, wordt alleen de kanaal-ID gere-
3.
Selecteer subkanaal
4.21.
Religie
4.
DAB PTY
4.22.
Doe mee!
4.1.
4.23.
Reizen
DAP PTY uit
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 149
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
4.24.
Vrije tijd
4.25.
Jazzmuziek
4.26.
Countrymuziek
4.27.
Nationale muziek
4.28.
Gouwe Ouwe
4.29.
Volksmuziek
4.30.
Documentaires
4.31.
Alarmtest
4.32.
ALARM!
5.
Groep leren
6.
DAB-instellingen
6.1.
DAB-instellingen
6.1.1.
Groepsnaam
6.1.2.
Groepsnaam en PTY
6.1.3.
Basis
6.2.
DAB naar DAB link
6.3.
FM-verkeer
6.4.
DAB-band selecteren
6.5.
04
6.4.1.
Band III
6.4.2.
LBand
6.4.3.
LBand & Band III
DAB resetten
149
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 150
04 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
Algemene informatie
Functies
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u deze melding eerst bevestigen
om naar de boordcomputerfunctie terug te
keren. U bevestigt door op READ te drukken.
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stilstaat, geeft het display “ ----” aan.
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt
gesteld. U stelt de waarde op nul met RESET.
N.B.
G021364
04
Informatiedisplay en bedieningstoetsen.
READ - bevestigen
Duimwiel – menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren.
RESET – op nul stellen
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel in stappen omhoog- of omlaagdraaien. Wanneer u na
het laatste menu nogmaals aan het wieltje
draait, keert u terug naar de uitgangspositie.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats, als u de eenheid wilt wijzigen
waarin de afstand en de snelheid worden weergegeven.
Actuele snelheid*
Bij een snelheidsmeter met een kilometerschaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in km/h. Bij een snelheidsmeter met een milesschaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in mph.
Gemiddelde snelheid
De auto berekent de gemiddelde snelheid
sinds de laatste maal dat u deze waarde op nul
hebt gesteld. U stelt de waarde op nul met
RESET.
Momentaan
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
1
150
Alleen dieselmodellen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een extra verwarming 1 en/of standverwarming* op brandstof hebt gebruikt.
Km actieradius
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km en de resterende hoeveelheid
brandstof. Het display geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Wanneer “ --- km actieradius” op het display
staat, zijn geen garanties meer te geven voor
de resterende actieradius. Tank dan zo spoedig mogelijk.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 151
04 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming* op brandstof hebt
gebruikt of van rijstijl bent veranderd.
Op nul stellen
1. Selecteer Gemiddelde snelheid of
Gemiddeld.
2. Houd RESET ca. 1 seconde ingedrukt om
de waarde voor de gekozen functie op nul
te stellen. Als u RESET ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt, stelt u de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig op nul.
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
151
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 152
04 Comfort en rijplezier
Kompas*
Bediening
Kalibratie
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas is ingesteld op het geografische
gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het
kompas dient te worden gekalibreerd, als u
met de auto meerdere magnetische zones
doorkruist.
G031611
04
Achteruitkijkspiegel met kompas.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst. Er worden acht verschillende richtingen
met Engelse afkortingen weergegeven: N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd
wanneer u de motor start of wanneer sleutelstand II actief is (zie pagina 72). Om het kompas handmatig in of uit te schakelen kunt u een
paperclip of iets dergelijks nemen en het
knopje aan de onderzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
152
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G030295
1. Breng de auto tot stilstand op een groot en
open terrein waar geen stalen constructies
of hoogspanningsdraden zijn.
2. Start de motor.
Magnetische zones.
N.B.
Voor optimale kalibratie dient u alle elektrische apparatuur (klimaatregeling, ontwaseming e.d.) uit te schakelen en de portieren
dicht te houden.
3. Houd het knopje aan de onderzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 6 seconden lang
ingedrukt (met een rechtgebogen paperclip bijvoorbeeld), totdat het teken C verschijnt.
4. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden lang
ingedrukt. Het cijfer van de huidige magnetische zone verschijnt.
5. Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van de gewenste magnetische
zone ( 1–15) verschijnt (zie de kaart met de
magnetische zones van het kompas).
6. Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt.
7. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 10 km/h, totdat een kompasrichting op het display verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie
afgerond is. Rijd daarna nog 2 rondjes om
de kalibratie fijn af te stellen.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 153
04 Comfort en rijplezier
Kompas*
8. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
153
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 154
04 Comfort en rijplezier
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
Algemene informatie over DSTC
DSTC Service vereist
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC,
Dynamic Stability and Traction Control) helpt
de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Wegens een storing werd het systeem uitgeschakeld.
04
De tractie wordt verbeterd doordat het systeem de aandrijfkracht over de wielen verdeelt.
Het systeem grijpt voornamelijk in bij lage snelheden op slechte wegen.
Lees de melding op het informatiedisplay, als
de symbolen
en
gelijktijdig
oplichten.
Als alleen het symbool
dat het volgende:
oplicht, betekent
•
Een knipperend symbool geeft aan dat het
systeem op dat moment ingrijpt.
•
Een symbool dat 2 seconden brandt geeft
aan dat de systeemtest bij het starten van
de motor loopt.
Berichten op informatiedisplay
•
Een symbool dat na het starten van de
motor of tijdens het rijden oplicht, duidt op
een storing in het systeem.
Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor
het systeem. Het systeem wordt automatisch
opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen
weer voldoende zijn afgekoeld.
154
Symbolen op instrumentenpaneel
Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van
het systeem waarneembaar zijn in de vorm van
pulserende geluiden. Tijdens het gas geven
kan de auto langzamer optrekken dan u verwacht.
DSTC Tijdelijk UIT
Bediening
Beperkte functie
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en u
gas geeft. Het systeem grijpt bij doorslippende
wielen dan later in, zodat er een hogere mate
van doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden.
G021409
Het systeem stemt de aandrijfkracht en remkracht van elk van de wielen dusdanig af dat ze
niet doorslippen. Dit verhoogt de bestuurbaarheid en daarmee ook de veiligheid bij snelle
uitwijkmanoeuvres bijvoorbeeld.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand
en zet de motor af. Bezoek een erkende Volvowerkplaats, als de melding opnieuw verschijnt
nadat u de motor weer hebt gestart.
De aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt verbeterd, omdat er dan geen beperkingen meer gelden voor de tractie.
1. Draai aan het duimwiel
totdat het menu
DSTC verschijnt. DSTC AAN betekent dat
de werking van het systeem ongewijzigd is.
DSTC Spin Control UIT betekent dat er
beperkingen gelden voor de werking van
het systeem.
2. Houd RESET
ingedrukt totdat het
menu DSTC zich wijzigt.
De beperkingen voor de werking van het systeem blijven van kracht totdat u de motor een
volgende keer opnieuw start.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 155
04 Comfort en rijplezier
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
04
155
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 156
04 Comfort en rijplezier
Rijeigenschappen aanpassen
Actief chassis (FOUR-C)*
vinden dat bij u past qua weggevoel en stuurgevoeligheid. Ga naar Instellingen van de
auto Stuurkrachtniveau in het menusysteem.
Bediening
Het actieve chassissysteem FOUR-C
(Continuously Controlled Chassis Concept)
stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van
de auto. U hebt de keuze uit drie standen:
Comfort, Sport en Advanced.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 118. Dit menu is niet te openen wanneer de auto rijdt.
04
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor
lange ritten rijdt de auto comfortabeler dan normaal. De vering verloopt soepel waardoor de
bewegingen van de carrosserie minimaal en
aangenaam zijn.
Sport
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor een
actievere rijstijl heeft de auto een sportiever
karakter. De auto reageert sneller op de bewegingen van het stuurwiel dan in de stand
Comfort. De vering is stugger dan normaal en
de carrosserie volgt het wegdek om bij het
snelle bochtenwerk de mate van overhellen te
beperken.
Advanced
U wordt geadviseerd deze stand alleen te activeren op zeer rechte en vlakke wegen.
De bewegingen van de schokdempers zijn
geoptimaliseerd voor maximale grip en minimale overhelling in bochten.
156
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G031392
Comfort
Chassisstanden.
Gebruik de knoppen op de middenconsole om
van stand te veranderen. De chassisstand die
actief is bij het afzetten van de motor zal de
volgende keer dat u de motor start opnieuw
geactiveerd worden.
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging*
Naarmate de rijsnelheid hoger wordt neemt de
stuurbekrachtiging af, waardoor u een beter
gevoel met de weg krijgt. Op snelwegen stuurt
de auto zwaarder en directer. Bij het parkeren
en op lage snelheden is de auto lichter en met
minder moeite te besturen.
De mate van stuurbekrachtiging is in te stellen
op drie niveaus, zodat u altijd het niveau kunt
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 157
04 Comfort en rijplezier
Cruisecontrol*
Bediening
De cruisecontrol is vervolgens te activeren met
de
of de
, waarna de actuele snelheid
wordt vastgezet en als ingestelde snelheid
dient. De displaytekens (---) km/h veranderen
in de ingestelde snelheid, bijvoorbeeld 100 km/h.
N.B.
G021411
Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet
mogelijk de cruisecontrol in te schakelen.
Display en bedieningstoetsen.
Stand-by zetten
Ingestelde snelheid hervatten
Deactiveren
Snelheid activeren/instellen
Ingestelde snelheid (tussen haakjes =
stand-bystand)
Activeren en snelheid instellen
U kunt de cruisecontrol alleen activeren nadat
u deze stand-by hebt gezet met een druk op
de knop CRUISE
. Het symbool
op het
display licht op en de melding (---) km/h
verschijnt om aan te geven dat de cruisecontrol
stand-by staat.
Deactiveren
U schakelt de cruisecontrol uit met CRUISE of
door de motor af zetten. De ingestelde snelheid
wordt daarbij gewist.
Onderbreking
Druk op
om de cruisecontrol te onderbreken. De vastgelegde snelheid staat tussen
haakjes op het display (bijvoorbeeld (100) km/ h).
Automatische onderbreking
Ingestelde snelheid verhogen/verlagen
In de actieve stand kunt u de snelheid verhogen of verlagen door de knop
of
korte of
lang in te drukken.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid met het
gaspedaal (zoals bij het inhalen) is niet van
invloed op de instelling van de cruisecontrol.
Als u het gaspedaal loslaat, neemt de auto
automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
N.B.
Als een van de toetsen van de cruisecontrol
langer dan ca. één minuut ingedrukt wordt,
wordt de cruisecontrol uitgeschakeld. Om
de cruisecontrol in dat geval te resetten
moet u de motor afzetten.
04
De cruisecontrol wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer de aangedreven wielen doorslippen of als de snelheid bij het oprijden van
een steile helling daalt tot onder ca. 30 km/h.
De cruisecontrol wordt uitgeschakeld wanneer
u het rempedaal bedient, de keuzehendel in de
vrijstand zet of het gaspedaal lang (ca.
60 seconden) bedient. De cruisecontrol gaat
dan stand-by en slaat de ingestelde snelheid
op.
Ingestelde snelheid hervatten
De cruisecontrol kan na een onderbreking
opnieuw geactiveerd worden door te drukken
op . Het systeem hervat dan de eerder ingestelde snelheid.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
04 Comfort en rijplezier
Cruisecontrol*
N.B.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met
kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden.
04
158
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 158
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 159
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Algemene informatie
Functie
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control, ACC) vormt een hulpmiddel om u te
ontlasten bij lange ritten op rechte weggedeelten met een gelijkmatige verkeersstroom zoals
op snelwegen en provinciale wegen.
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra
u merkt dat het systeem een voertuig voor
u niet registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers en dieren. Het systeem reageert evenmin op tegenliggers, op langzaam rijdende voorliggers of stilstaande
voertuigen noch op vaste obstakels.
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
In het onderdeel Functie en verder wordt
geïnformeerd over de beperkingen die u als
bestuurder moet kennen, voordat u de
adaptieve cruisecontrol gebruikt.
Als bestuurder bent u ervoor verantwoordelijk dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt, ook als u gebruik maakt van de
adaptieve cruisecontrol.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
erkende Volvo-werkplaats.
G031393
U dient altijd rekening te houden met de
verkeersomstandigheden en in te grijpen,
wanneer de adaptieve cruisecontrol geen
passende snelheid of afstand aanhoudt.
Functie-overzicht.
Waarschuwingslampje, afremmen noodzakelijk
Bedieningsknoppen
Radarsensor
De adaptieve cruisecontrol bestaat uit een
cruisecontrol die gekoppeld is aan een
afstandshouder.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of drukke verkeersstromen, bij
gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten
met een dikke laag water of sneeuwmodder,
vele bochten of op- en afritten.
04
De afstand tot het verkeer voor u wordt gemeten met een radarsensor. De snelheid wordt
afgeregeld door de stand van het gasklep aan
te passen en zo nodig af te remmen. Het is volkomen normaal dat de remmen enige geluiden
produceren, wanneer de adaptieve cruisecontrol ze aanspreekt.
WAARSCHUWING
Het rempedaal komt omlaag, wanneer de
cruisecontrol remt. Houd uw voet dan ook
niet onder het rempedaal om beknelling te
voorkomen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 160
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
04
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In
situaties waarin krachtig moet worden geremd,
dient u dan ook zelf te remmen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij grote snelheidsverschillen of
als het voertuig dat voor u rijdt krachtig remt.
Door beperkingen van de radarsensor is het
mogelijk dat er onverwachts of helemaal niet
wordt geremd (zie pagina 162).
De adaptieve cruisecontrol is alleen te activeren bij snelheden hoger dan 30 km/h. Als de
snelheid tot onder 30 km/h daalt of als het
motortoerental te laag wordt, wordt de adaptieve cruisecontrol automatisch uitgeschakeld
zodat er niet langer wordt afgeremd. U moet
het remmen in dat geval meteen overnemen
om een passende afstand te kunnen houden
tot de voorligger te kunnen. De hoogste snelheid die u kunt instellen is 200 km/h.
Waarschuwingslampje, afremmen
noodzakelijk
Bediening
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol bedraagt ca. 30 % van dat van het normale
remsysteem van de auto.
Als uw auto harder moet afremmen dan de
adaptieve cruisecontrol aankan en u remt zelf
niet bij,dan maakt de cruisecontrol u er middels
het waarschuwingslampje van de Collision
Warning en een geluidssignaal attent op dat u
onmiddellijk moet ingrijpen.
N.B.
Het waarschuwingslampje is soms moeilijk
te ontdekken in de felle zon of bij het gebruik
van een zonnebril.
G017350
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
afstand tot het voertuig dat voor u op dezelfde
rijstrook rijdt op een bepaalde tijdswaarde te
houden. Als de radarsensor geen voertuig voor
u registreert, wordt alleen de ingestelde snelheid aangehouden. Dit gebeurt ook als de snelheid van de voorligger de ingestelde snelheid
van de adaptieve cruisecontrol overschrijdt.
Display en bedieningstoetsen.
Instellingen activeren en hervatten, snelheid verhogen
Stand-bystand, in-/uitschakelen
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol waarschuwt
alleen voor de voertuigen die de radarsensor heeft geregistreerd. Het is dan ook
mogelijk dat een waarschuwing uitblijft of
pas na enige vertraging wordt gegeven.
Wacht een waarschuwing dan ook niet af,
maar rem zelf wanneer u dat nodig acht.
Volgtijd instellen
Activeren en snelheid instellen
Ingestelde snelheid (tussen haakjes =
stand-bystand)
Ingestelde volgtijd tijdens regeling
Ingestelde volgtijd ná regeling
Activeren en snelheid instellen
U kunt de cruisecontrol alleen activeren nadat
u deze stand-by hebt gezet met een druk op
de knop
. Het symbool
op het display
160
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 161
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
licht op en de tekens (---) verschijnen om aan
te geven dat de cruisecontrol stand-by staat.
De cruisecontrol is vervolgens te activeren met
de
of de
, waarna de actuele snelheid
wordt vastgezet en als ingestelde snelheid
dient. De displaytekens (---) veranderen in de
ingestelde snelheid, bijvoorbeeld 100.
Wanneer de radarsensor een
voorligger registreert, verschijnt links op het display
een autosymbool. Alleen
wanneer dit symbool brandt,
wordt de afstand tot de voorligger aangepast.
N.B.
Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet
mogelijk de cruisecontrol in te schakelen.
Ingestelde snelheid verhogen/verlagen
In de actieve stand kunt u de snelheid verhogen of verlagen door de knop ,
of
lang
of kort in te drukken. De knop
heeft dezelfde
functie als
maar levert een minder grote
snelheidsverhoging op.
N.B.
Als een van de toetsen van de cruisecontrol
langer dan ca. één minuut ingedrukt wordt,
wordt de cruisecontrol uitgeschakeld. Om
de cruisecontrol in dat geval te resetten
moet u de motor afzetten.
In bepaalde situaties is het niet mogelijk de
adaptieve cruisecontrol te activeren. Dan
verschijnt ACC niet beschikbaar op het
display (zie pagina 164).
Volgtijd instellen
U kunt de ingestelde volgtijd tot een voorligger
en verkleinen met
.
vergroten met
U hebt de keuze uit vijf verschillende volgtijden die op
het display als 1–5 horizontale
streepjes worden weergegeven – hoe meer streepjes, des
te langer de volgtijd (voor de
tabel (zie pagina 166)).
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot de
adaptieve cruisecontrol de volgtijd iets.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in bepaalde situaties aanzienlijke variaties in de volgtijd toe.
Let erop dat korte volgtijden u bij plotselinge
wijzigingen in de verkeersstroom minder tijd
geven om te reageren.
Tijdens het instellen van de
volgtijd verschijnt het bijbehorende aantal horizontale
streepjes op het display. Deze
streepjes verdwijnen na
enkele seconden, waarna een
verkleinde uitvoering ervan
rechts op het display verschijnt. Hetzelfde
symbool verschijnt ook wanneer de afstandscontrole geactiveerd is (zie pagina 166).
04
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Als de adaptieve cruisecontrol niet lijkt te
reageren na activering, is het mogelijk dat
de volgtijd tot de voorligger geen snelheidsverhoging toelaat.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
Instellingen deactiveren en hervatten
Bij een korte druk op
of actief ingrijpen van
uw kant zoals het bedienen van het rempedaal
wordt de adaptieve cruisecontrol gedeactiveerd. De ingestelde snelheid staat dan tussen
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
161
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 162
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
haakjes op het display bijvoorbeeld ( 100). U
kunt de ingestelde snelheid en volgtijd hervatten met een druk op
.
Wanneer de adaptieve cruisecontrol actief is,
wordt de ingestelde snelheid iedere keer dat u
op
drukt in stapjes van 1 km/h verhoogd.
N.B.
04
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met
kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden.
Wanneer u
kort indrukt in de stand-bystand
of lang indrukt in de actieve stand, wordt de
adaptieve cruisecontrol uitgeschakeld. Daarbij
wordt de ingestelde snelheid gewist waarna u
deze niet meer kunt hervatten.
Deactivering bij ingreep bestuurder
De cruisecontrol wordt gedeactiveerd wanneer
u het rempedaal bedient, de keuzehendel in de
vrijstand zet of het gaspedaal lang bedient. De
cruisecontrol gaat dan stand-by, waarna u de
snelheid van de auto zelf dient te regelen.
Wanneer u het gaspedaal korte tijd bedient
zoals bij een inhaalmanoeuvre, wordt de
cruisecontrol tijdelijk gedeactiveerd. Zodra u
het gaspedaal loslaat, wordt de cruisecontrol
echter weer geactiveerd.
162
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Automatisch deactiveren
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen zoals het stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC). Als een van dergelijke
systeem uitvalt, wordt de cruisecontrol automatisch uitgeschakeld.
Bij automatische deactivering klinkt een waarschuwingssignaal en op het display verschijnt
de melding ACC gedeactiveerd. U moet in
dat geval zelf ingrijpen om de snelheid ten
opzichte van de voorligger aan te passen.
Automatische deactivering is mogelijk, wanneer:
•
•
•
•
•
Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk dat het gebruik ervan onwettig wordt.
WAARSCHUWING
Het is niet toegestaan accessoires of
andere voorwerpen voor de grille te monteren.
De radarsensor heeft veel meer moeite om een
voertuig voor u te ontdekken:
•
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
de wielen hun grip op het wegdek verliezen
N.B.
de remmen een hoge temperatuur hebben
Houd het gebied voor de radarsensor
schoon.
het toerental van de motor te laag wordt
de radarsensor wordt gehinderd door natte
sneeuw of hevige regenval (de radargolven
worden geblokkeerd).
Radarsensor en de beperkingen ervan
De radarsensor wordt niet alleen gebruikt door
de adaptieve cruisecontrol maar ook door de
Collision Warning with Auto Brake (zie
pagina 174) en de afstandscontrole (zie
pagina 166). De sensor dient om personenauto’s of grotere voertuigen te registreren die
in dezelfde richting als u rijden.
als de radarsensor gehinderd wordt door
bijvoorbeeld hevige regenval of als
sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
•
als de snelheid van de voorligger te veel
afwijkt van die van uw eigen auto.
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen kan de sensor helemaal
geen voertuigen ontdekken of later reageren
op een voertuig dan u verwacht.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 163
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van de
rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding Radar afgedekt
Zie instructieb. verschijnt, worden de radar-
04
signalen van de radarsensor gehinderd zodat
voorliggers niet kunnen worden geregistreerd.
G021414
Dit betekent dat de adaptieve cruisecontrol, de
afstandscontrole en de Collision Warning with
Auto Brake evenmin werken.
In de onderstaande tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
passende maatregelen.
Bereik van de radarsensor (grijs gearceerd).
Soms kan de radarsensor een voertuig op
geringe afstand niet registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt
tussen u en uw voorligger.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
163
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 164
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Oorzaak
Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak staan.
Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft
dat de radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
04
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Stand-bystand of geen voertuig ontdekt in actieve stand.
Voertuig ontdekt in actieve stand waarop de adaptieve cruisecontrol uw snelheid afstemt.
Ingestelde volgtijd tijdens regeling.
Ingestelde volgtijd ná regeling.
DSTC inschakelen
voor ACC.
164
De adaptieve cruisecontrol kan alleen worden geactiveerd wanneer het stabiliteits en tractieregelsysteem (DSTC) ingeschakeld is.
ACC
De adaptieve cruisecontrol werd uitgeschakeld.
Gedeactiveerd
U dient zelf uw snelheid aan te passen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 165
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
Symbool
Melding
Betekenis
ACC
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld.
Niet beschikbaar
Dit kan onder meer gebeuren wanneer:
•
•
de remmen een hoge temperatuur hebben
de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
Radar afgedekt
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
Zie instructieb.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
04
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor (zie pagina 162).
ACC
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
Service vereist
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
165
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 166
04 Comfort en rijplezier
Afstandscontrole
Algemene informatie
Volgtijd instellen
N.B.
De afstandscontrole (Distance Alert) is een
functie die de volgtijd ten opzichte van de voorligger aangeeft.
De afstandsinformatie wordt alleen verstrekt
voor voorliggers die in dezelfde richting rijden.
Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde
richting rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven.
Zolang de adaptieve cruisecontrol wordt
gebruikt staat de afstandscontrole uit.
De afstandscontrole werkt bij snelheden hoger
dan 30 km/h.
U hebt de keuze uit vijf verschillende volgtijden die op
het display als 1–5 horizontale
streepjes worden weergegeven – hoe meer streepjes, des
te langer de volgtijd.
WAARSCHUWING
De afstandscontrole geeft alleen de afstand
tot voorliggers aan en past de rijsnelheid
van de auto dan ook niet aan.
04
Een deel van het op de voorruit geprojecteerde
rode waarschuwingslampje brandt continu, als
de afstand tot de voorligger kleiner wordt dan
de ingestelde volgtijd.
G031396
G031394
Bediening
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Het brandende
lampje in de schakelaar geeft aan dat de functie geactiveerd is.
166
Links op het stuurwiel zitten de knoppen waarmee u de volgtijd ten opzichte van voorliggers
instelt. U kunt de volgtijd verlengen met
en
.
verkorten met
Aantal streepjes
Volgtijd (seconden)
1
1,0
2
1,4
3
1,8
4
2,2
5
2,6
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 167
04 Comfort en rijplezier
Afstandscontrole
Tijdens het instellen van de
volgtijd verschijnt het bijbehorende aantal horizontale
streepjes op het display. Deze
streepjes verdwijnen na
enkele seconden, waarna een
verkleinde uitvoering ervan
rechts op het display verschijnt. Hetzelfde
symbool verschijnt ook wanneer de adaptieve
cruisecontrole geactiveerd is.
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt
door de adaptieve cruisecontrol (zie
pagina 159).
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Beperkingen
De afstandscontrole, adaptieve cruisecontrol
en Collision Warning maakt gebruik van
dezelfde radarsensor. Voor meer informatie
over de radarsensor en de beperkingen ervan,
zie pagina 162.
Dat kan betekenen dat het geprojecteerde
waarschuwingslampje pas bij kortere volgtijden oplicht of dat helemaal niet gaat branden.
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk dat het
lampje door beperkingen in het bereik van de
sensor op kortere afstand oplicht (zie
pagina 162).
N.B.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk te ontdekken.
04
In slechte weersomstandigheden en op slingerende wegen heeft de radarsensor soms
moeite om voorliggers te registreren. Ook
voorliggers met geringe afmetingen (zoals
motorfietsen) zijn soms moeilijk te ontdekken.
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Ingestelde volgtijd tijdens regeling.
Ingestelde volgtijd ná regeling.
``
167
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 168
04 Comfort en rijplezier
Afstandscontrole
Symbool
Melding
Betekenis
Radar afgedekt.
De afstandscontrole werkt tijdelijk niet.
Zie instructieb.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor zie pagina 162
04
168
CWS-systeem
De afstandscontrole alsmede de Collision Warning with Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
Service vereist
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats als de melding niet verdwijnt.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 169
04 Comfort en rijplezier
City Safety™
Algemene informatie
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen
een botsing te voorkomen tijdens filerijden
e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot
bijna-ongelukken kunnen leiden.
De functie die actief is bij snelheid tot 30 km/h
helpt de bestuurder door automatisch te remmen.
City Safety™ wordt geactiveerd in situaties
waar de bestuurder eigenlijk al veel eerder had
moeten remmen, zodat de functie niet altijd
uitkomst biedt.
Gebruik City Safety™ niet om uw rijgedrag aan
te passen – als u er blind op vertrouwt dat City
Safety™ remt, raakt u vroeg of laat betrokken
bij een botsing.
U en eventuele passagiers zullen normaal
alleen merken dat City Safety™ actief is, wanneer een botsing dreigt.
Bij auto’s met Collision Warning met Auto
Brake* vullen de beide systemen elkaar aan.
Voor meer informatie over de Collision Warning
met Auto Brake, zie pagina 174.
BELANGRIJK
Functie
Laat de onderdelen van City Safety™ alleen
onderhouden en vervangen door een
erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
City Safety™ werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
City Safety™ reageert niet op tegenliggers
noch op kleinere voertuigen zoals fietsen en
motorfietsen of op voetgangers en dieren.
City Safety™ kan een botsing alleen voorkomen bij een snelheidsverschil kleiner dan
15 km/h tussen de beide voertuigen – bij
grotere snelheidsverschillen kan het systeem alleen de snelheid waarbij de botsing
plaatsvindt zoveel mogelijk beperken. Voor
maximale remwerking moet de bestuurder
het rempedaal bedienen.
Wacht nooit op het ingrijpen van City
Safety™. De bestuurder is er verantwoordelijk voor om voldoende afstand en de
juiste snelheid te houden.
04
Zend- en ontvangstoog van de lasersensor.
City Safety™ registreert het verkeer vóór de
auto middels een lasersensor boven aan de
voorruit. Wanneer het gevaar voor een botsing
reëel is, zal City Safety™ automatisch remmen
op ca. 50 % van het maximale remvermogen.
Bij een snelheidsverschil tot 15 km/h ten
opzichte van de voorligger kan City Safety™
een botsing geheel voorkomen.
Bij een snelheidsverschil van 15–30 km/h tussen de beide voertuigen kan City Safety™ een
botsing niet geheel op eigen kracht voorkomen
– voor het maximale remvermogen dient u zelf
het rempedaal te bedienen. In dat geval is het
ook bij snelheidsverschillen groter dan
15 km/h mogelijk een botsing te voorkomen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
169
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 170
04 Comfort en rijplezier
City Safety™
Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het display van het instrumentenpaneel de melding dat het systeem actief is/was.
WAARSCHUWING
De lasersensor geeft ook laserlicht af, wanneer u City Safety™ handmatig uitgeschakeld hebt.
N.B.
Wanneer City Safety™ remt, gaan de remlichten branden.
Om City Safety™ opnieuw in te schakelen:
•
G021409
Bediening
04
N.B.
De functie City Safety™ is na het starten van
de motor via sleutelstand I en II (zie
pagina 72 voor de sleutelstanden) altijd
ingeschakeld.
Aan en Uit
Soms is het handig om City Safety™ uit te kunnen schakelen, bijvoorbeeld tijdens terreinritten waarbij bebladerde takken langs de motorkap/voorruit of iets dergelijks kunnen schampen.
170
Display en richtingaanwijzerhendel.
Duimwiel
RESET-knop
Wanneer de motor loopt, is City Safety™ als
volgt uit te schakelen:
1. Blader met behulp het duimwiel naar City
Safety op het display.
2. Houd de RESET-knop 1 seconde lang
ingedrukt om over te gaan op Uit.
De volgende keer dat de motor wordt gestart
is de functie echter weer actief, ook al stond
het systeem uit toen de motor werd afgezet.
Volg de dezelfde procedure als bij het uitschakelen, maar kies nu de optie Aan met
de RESET-knop.
of
•
Zet de motor af en neem de transpondersleutel uit in stand I, duw de transpondersleutel vervolgens weer naar binnen in
stand II en start de motor – City Safety™ is
daarmee weer geactiveerd (zie pagina 72
voor de sleutelstanden).
Beperkingen
De sensor van City Safetys™ is erop gebouwd
om auto’s en andere voertuigen vóór u te ontdekken zowel overdag als ’s nachts.
De sensor kent echter beperkingen en werkt
bijv. minder goed bij hevige sneeuw- of regenval, in dichte mist of in dikke stofwolken of
stuifsneeuw. Condens, vuil, sneeuw en ijs op
de voorruit kunnen voor storingen in de werken
zorgen.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 171
04 Comfort en rijplezier
City Safety™
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/wimpels
die uitstekende lading markeren of accessoires
zoals verstralers en frontbars die boven de
motorkap uitsteken.
Voertuigen met een geringe reflectie kunnen de
werking van de sensor verstoren.
N.B.
•
Houd de voorruit in het gebied vóór de
lasersensor vrij van sneeuw, ijs, condens en vuil (zie de afbeelding met de
positie van de sensor op pagina 169).
•
Plak of bevestig geen zaken op de voorruit vóór de lasersensor
•
Haal sneeuw en ijs van de motorkap –
de laag sneeuw en ijs mag niet dikker
zijn dan 5 cm.
Storingen opsporen en verhelpen
Als de melding Voorruitsensoren afgedekt
op het display van het instrumentenpaneel verschijnt, worden de lasersensoren gehinderd
zodat ze geen voertuigen vóór de auto kunnen
registreren. Dit betekent op zijn beurt dat City
Safety™ niet werkt.
dat u de voorruit en met name het gebied vóór
de lasersensor zorgvuldig schoonhoudt.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en suggesties voor passende maatregelen.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de lasersensoren is vuil of
bedekt met sneeuw
of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
lasersensor van vuil,
sneeuw en ijs.
Het blikveld van de
lasersensor wordt
gehinderd.
Verwijder het voorwerp dat het zicht
blokkeert.
BELANGRIJK
Als het voorruitoppervlak vóór een van
beide “ogen” barsten, krassen of steenslagschade vertoont van 0,5 × 3,0 mm (of groter), neem dan contact op met een erkende
Volvo-werkplaats om de voorruit te laten
repareren of vervangen (zie de afbeelding
met de positie van de sensor op pagina
169). Als u niets doet, presteert City
Safety™ mogelijk minder goed.
Om optimale prestaties van City Safetys™
te garanderen geldt bovendien het volgende:
•
monteer bij vervanging van de voorruit
hetzelfde type of een ander type, door
Volvo goedgekeurde voorruit
•
monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander
type, door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
04
Lasersensor
De functie City Safety™ maakt gebruik van een
sensor die laserlicht uitzendt. Het is daarom
essentieel dat u de aangegeven instructies
opvolgt bij het hanteren van de lasersensor.
De melding Voorruitsensoren afgedekt verschijnt echter niet in alle situaties waarbij de
sensoren gehinderd worden – let er daarom op
``
171
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 172
04 Comfort en rijplezier
City Safety™
Voor meer informatie over de lasersensor, zie
pagina 8.
WAARSCHUWING
Kijk nooit van een afstand van 100 mm of
minder in de lasersensor (waaruit uiteenlopende, onzichtbare laserstralen komen) met
vergrotende optiek zoals een vergrootglas,
microscoop, objectief of soortgelijke optische instrumenten – er bestaat gevaar voor
oogletsel (de afbeelding op pagina 169
geeft de positie van de sensor aan).
Meldingen kunt u van het display halen door de
READ-knop op de richtingaanwijzerhendel
kort in te drukken.
Symbolen en meldingen op display
Terwijl City Safety™ automatisch remt, kunnen
één of meer symbolen op het instrumentenpaneel gaan branden en meldingen op het bijbehorende display verschijnen.
04
Symbool
Melding
Betekenis/Maatregel
Autom. remmen door City
Safety
City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
Voorruitsensoren afgedekt
De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt.
•
Verwijder het voorwerp dat de sensoren hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór de sensoren schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de lasersensoren (zie pagina 170).
City Safety Service vereist
City Safety™ werkt niet.
•
172
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats als de melding niet verdwijnt.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 173
04 Comfort en rijplezier
City Safety™
Symbool
Melding
Betekenis/Maatregel
City Safety AAN/UIT
City Safety™ is handmatig in/uit te schakelen, waarna UIT of AAN kan worden gekozen (zie hoofdstuk
“Aan en Uit”).
City Safety niet beschikbaar
Als de melding Niet beschikbaar verschijnt in plaats van de opties Uit of Aan, dan is City Safety™
uitgeschakeld wegens een technische storing.
Voor die tijd heeft de melding City Safety Service vereist op het display gestaan.
04
173
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 174
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning met Auto Brake*
De Collision Warning met Auto Brake is een
hulpmiddel dat bestemd is om u te waarschuwen wanneer het gevaar bestaat dat u op een
(stilstaande of rijdende) voorligger botst.
De Collision Warning kent drie hulpfuncties.
•
Collision Warning waarschuwt voor een
naderende botsing.
•
Brake Support helpt u om efficiënt te remmen in een kritieke situatie.
•
Auto Brake remt de auto automatisch af
als een botsing onvermijdelijk is. De Auto
Brake is alleen bedoeld om de botssnelheid te verlagen en kan een botsing dan
ook niet voorkomen.
04
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de botswaarschuwing over aan een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Functie
De botswaarschuwing werkt niet in alle rijsituaties en verkeers-, weers- of wegomstandigheden. De botswaarschuwing reageert niet op tegenliggers noch op
voetgangers en dieren.
Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer de
kans op een botsing groot is. In de onderdeel Functie en de navolgende onderdelen
staat informatie over de beperkingen die u
moet kennen, voordat u de botswaarschuwing met remassistent gebruikt.
De remassistent is alleen in staat de botssnelheid te beperken. Voor het maximale
remvermogen dient u echter zelf het rempedaal te bedienen.
Wacht daarom nooit het waarschuwingssignaal van de botswaarschuwing af. Als
bestuurder bent u ervoor verantwoordelijk
dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt, ook als u gebruik maakt van de botswaarschuwing.
G032740
Algemene informatie
Functie-overzicht.
Visueel waarschuwingssignaal bij gevaar
voor een botsing
Radarsensor
Camerasensor
Collision Warning
De radarsensor registreert (stilstaande of rijdende) voorliggers. Bij gevaar voor een botsing
met een voorligger wordt u daarop attent
gemaakt met behulp van een rood waarschuwingslampje dat knippert en een waarschuwingszoemer.
De Collision Warning is actief bij een snelheid
vanaf 7 km/h.
174
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 175
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning met Auto Brake*
Brake Support
Als het gevaar voor een botsing na de Collision
Warning verder toeneemt, treedt de remassistent in werking. De remassistent treft de nodige
voorbereidingen voor een snelle remmanoeuvre waarna de remmen licht worden aangezet. Dit is te merken aan een lichte schok.
Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid
bedient, wordt het maximale remvermogen
geleverd ook al trapt u het pedaal niet zo ver
in.
Auto Brake
Als u niet op de waarschuwing reageert treedt,
als een botsing onvermijdelijk is, de Auto Brake
in werking zonder dat u daarvoor het rempedaal hoeft te bedienen. De auto wordt daarbij
afgeremd om de botssnelheid te beperken.
Voor het maximale remvermogen dient u zelf
bij te remmen.
Bediening
Via een menusysteem op het display van de
middenconsole zijn eventuele instellingen te
verrichten. Voor informatie over het gebruik
van het menusysteem, zie pagina 118.
N.B.
De remassistent is altijd actief en kan niet
worden uitgeschakeld.
Kies uit de opties Lang, Normaal of Kort
onder Instellingen van de auto Inst.
botswaarschuwing
Waarschuwingsafstand.
Doe het volgende om de Collision Warning inof uit te schakelen. Maak in het menu
Instellingen van de auto Inst.
botswaarschuwing een keuze uit de opties
Aan en Uit. Bij het starten van de motor geldt
automatisch de instelling die actief was toen de
motor werd afgezet.
De waarschuwingsafstand is bepalend voor de
gevoeligheid van het systeem. Bij de waarschuwingsafstand Lang wordt eerder gewaarschuwd. Ga altijd uit van de instelling Lang,
maar als deze instelling te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u overgaan op
de waarschuwingsafstand Normaal.
Waarschuwingssignalen activeren/
deactiveren
Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij
dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort.
Aan en Uit
Als bij het starten van de motor blijkt dat u
ervoor gekozen hebt het systeem in te schakelen worden de waarschuwingszoemer en het
waarschuwingslampje automatisch geactiveerd.
De waarschuwingszoemer is apart te activeren/deactiveren via de opties Aan en Uit onder
Instellingen van de auto Inst.
botswaarschuwing
Waarschuwingsgeluid.
Waarschuwingsafstand instellen
De waarschuwingsafstand is de afstand waarbij het visuele waarschuwingssignaal en de
waarschuwingszoemer worden afgegeven.
04
N.B.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en de
waarschuwingszoemer door de cruisecontrol gehanteerd, ook al hebt u de Collision
Warning gedeactiveerd.
De Collision Warning waarschuwt u bij
gevaar voor een botsing, maar de functie is
niet in staat uw reactietijd te verkorten.
Voor een optimale werking van de Collision
Warning dient u de afstandscontrole altijd in
te stellen op volgtijd 4–5 (zie pagina 166).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
175
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 176
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning met Auto Brake*
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden
afgegeven (bijvoorbeeld als het snelheidsverschil groot is of als uw voorligger sterk
afremt).
Instellingen controleren
04
U kunt de actuele instellingen controleren op
het display van de middenconsole. Open het
menu en ga naar Instellingen van de auto
Inst. botswaarschuwing, zie pagina 118.
Beperkingen
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook
het gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk
als u niet recht vooruit kijkt. Houd de waarschuwingszoemer daarom altijd ingeschakeld.
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan
korte tijd buiten werking worden gesteld,
wanneer de temperatuur in het interieur bijvoorbeeld door de felle zon te hoog is opgelopen. Als dit gebeurt, wordt er een waarschuwingszoemer afgegeven ook al hebt u
dit uitgeschakeld via het menusysteem.
•
Waarschuwingen kunnen eveneens uitblijven bij een zeer geringe afstand tot
de voorligger of bij relatief grote stuuren pedaalbewegingen zoals bij een zeer
actieve rijstijl.
WAARSCHUWING
Als de radar- of camerasensor op grond van
de verkeerssituatie of anderszins problemen heeft voorliggers te ontdekken, is het
mogelijk dat het systeem pas laat, onterecht
of helemaal geen waarschuwing geeft en
remt.
Bij hoge rijsnelheden (meer dan 70 km/h) is
het bereik waarbinnen de sensoren langzaam rijdende of stilstaande voorliggers
kunnen registreren beperkt, waardoor er
minder efficiënt of helemaal niet voor dergelijke voertuigen wordt gewaarschuwd.
In het donker wordt er mogelijk niet gewaarschuwd voor langzaam rijdende of stilstaande voorliggers.
176
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De Collision Warning maakt gebruik van
dezelfde radarsensor als die van de adaptieve
cruisecontrol. Voor meer informatie over de
radarsensor en de beperkingen ervan, zie
pagina 162.
Wanneer het systeem geen of pas laat waarschuwingen afgeeft, treedt de remassistent
mogelijk niet of pas laat in werking.
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd
en de signalen als storend ervaart, kunt u de
waarschuwingsafstand verkleinen. Het systeem waarschuwt dan minder snel en minder
vaak.
Beperkingen van de camerasensor
De camerasensor van de auto maakt gebruikt
van de drie hulpfuncties Collision Warning met
Auto Brake, Driver Alert Control, zie
pagina 180, en Lane Departure Warning, zie
pagina 183.
N.B.
Houd de voorruit vóór de camerasensor vrij
van sneeuw, ijs, condens en vuil.
Plak of monteer geen stickers of andere
voorwerpen op de voorruit in het gebied
vóór de camerasensor, omdat één of meer
systemen die gebruik maken van de camera
daardoor mogelijk niet goed of helemaal
niet werken.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 177
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning met Auto Brake*
De camerasensor kent ongeveer dezelfde
beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in
dat de sensor minder goed “ziet” bij hevige
regen- of sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke omstandigheden kunnen functies die
gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of helemaal uitgeschakeld
worden.
Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde of onduidelijke rijstrookmarkeringen
kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen
voor de functies die van de camera gebruik
maken om bijvoorbeeld het wegdek af te tasten
en andere voertuigen te ontdekken.
Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera
de eerste ca. 15 minuten na het starten van de
motor niet om de camerafunctie te ontzien.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding
Voorruitsensoren afgedekt staat, betekent
dit dat de camerasensor afgedekt is en geen
voertuigen of rijstrookmarkeringen vóór de
auto kan ontdekken.
Dit betekent ook dat er beperkingen gelden
voor de functies Collision Warning met Auto
Brake, Lane Departure Warning en Driver Alert
Control.
In de onderstaande tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
passende maatregelen.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de camera
is vuil of bedekt met
sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
camera van vuil,
sneeuw en ijs.
Bij dichte mist en
hevige regen- of
sneeuwval heeft de
camera een minder
goed zicht.
Valt niets aan te
doen. Bij hevige
neerslag werkt de
camera soms niet.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de camera
is schoongemaakt,
maar de melding
blijft.
Wacht even. Het kan
enige minuten duren
voordat de camera
het zicht opnieuw
heeft gemeten.
Er is vuil tussen de
binnenkant van de
voorruit en de
camera gekomen.
Bezoek een erkende
Volvo-werkplaats
om de binnenkant
van de voorruit achter de camerabehuizing te laten schoonmaken.
Hangende voorwerpen, zoals vlaggen/
wimpels, die uitstekende lading markeren.
Markeer de lading
op een andere
manier of accepteer
enige beperkingen
in de functie.
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
177
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 178
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning met Auto Brake*
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
CWS-systeem UIT
De Collision Warning is uitgeschakeld.
Verschijnt bij het starten van de motor.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets READ drukt.
CWS-systeem niet
beschikbaar
04
Het is niet mogelijk de Collision Warning te activeren.
Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets READ drukt.
Remassistent geactiveerd
De Auto Brake was actief.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 176.
178
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 179
04 Comfort en rijplezier
Collision Warning met Auto Brake*
Symbool
Melding
Betekenis
Radar afgedekt. Zie
instructieb.
De Collision Warning en de Auto Brake werken tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor zie pagina 162
CWS-systeem Service vereist
De Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats als de melding niet verdwijnt.
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
179
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 180
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
Inleiding
Driver Alert System is bestemd om u te helpen
als de auto op een ongecontroleerde manier
wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden.
Algemene informatie over Driver Alert
Control (DAC)
Driver Alert System bestaat uit twee hulpfuncties die allebei tegelijk of ieder apart in te schakelen zijn:
Driver Alert Control (DAC)
Lane Departure Warning (LDW), zie
pagina 183.
Een ingeschakelde functie wordt pas daadwerkelijk geactiveerd bij snelheden hoger dan
65 km/h. Bij lagere snelheden staat de functie
stand-by.
De functie wordt weer uitgeschakeld zodra de
snelheid onder de 60 km/h daalt.
Beide functies maken gebruik van een camera
die alleen rijstroken met aan weerszijden
geschilderde zijmarkeringen kan onderscheiden.
WAARSCHUWING
Driver Alert System heeft niet in alle situaties
het beoogde effect en is uitsluitend bedoeld
als hulpmiddel.
U als bestuurder bent er altijd verantwoordelijk voor dat de auto op een veilige manier
wordt bestuurd.
180
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G017332
04
•
•
De functie is bedoeld om de aandacht van de
bestuurder te trekken wanneer de auto op een
ongecontroleerde manier bestuurd wordt
(omdat u bijvoorbeeld afgeleid wordt of bijna in
slaap valt).
Een camera tast de geschilderde rijstrookmarkeringen af en vergelijkt de wegrichting met uw
stuurbewegingen. U wordt gewaarschuwd
wanneer de auto de wegrichting op een ongecontroleerde manier volgt.
N.B.
De camerasensor kent zijn beperkingen (zie
pagina 176).
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in het
rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie op
de grotere wegen. De functie is niet bedoeld
voor gebruik in het stadsverkeer.
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. In dat
geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd.
Het is daarom van groot belang dat u bij opkomende vermoeidheid de auto op een geschikte
plek parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel of niet heeft
gewaarschuwd, zie pagina 181.
N.B.
Gebruik de functie niet om langer achtereen
te kunnen rijden. Plan altijd op gezette tijden
rustpauzes in en zorg dat u uitgerust bent.
Beperkingen
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen.
Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
•
gebruik van de functie LDW.
zijdelingse rukwinden.
spoorvorming in het wegdek.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 181
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
Bediening
Duimwiel. Draai aan het duimwiel totdat D
river Alert op het display verschijnt. Op de
tweede regel staan de opties Uit, Niet
beschikbaar of Niveaumarkering.
Via het menusysteem op het display van de
middenconsole zijn bepaalde instellingen te
verrichten. Voor informatie over het gebruik
van het menusysteem, zie pagina 118.
G017329
De actuele status valt te controleren op het
boordcomputerdisplay met behulp van de linker stuurhendel.
Knop READ. Bevestigt en wist een opgeslagen waarschuwing.
Driver Alert Control activeren
Ga in het menusysteem van het display op de
middenconsole naar Instellingen van de auto
Driver Alert. Kies de optie Aan.
De functie wordt geactiveerd bij een
snelheid hoger dan 65 km/h en blijft
actief zolang de snelheid boven de
60 km/h ligt. Op het display staat een
niveaumarkering in de vorm van 1–5 balkjes,
waarbij een klein aantal balkjes voor ongecontroleerd rijgedrag staat. Omgekeerd geldt dat
een groot aantal balkjes voor stabiel rijgedrag
staat.
Als de auto zwalkneigingen vertoont wordt u
gewaarschuwd met een zoemersignaal en de
displaymelding Driver Alert Tijd voor pauze.
Als u uw rijgedrag niet corrigeert wordt enige
tijd later opnieuw gewaarschuwd.
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing altijd serieus,
omdat u bij slaperigheid uw lichamelijke
conditie vaak minder goed kan inschatten.
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand om rust te houden.
04
Studies hebben aangetoond dat rijden bij
vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als rijden onder invloed.
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Driver Alert UIT
De functie is niet ingeschakeld.
Driver Alert niet beschikbaar
De snelheid is lager dan 60 km/h, de weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de
camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor,
zie pagina 176.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
181
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 182
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – DAC*
Symbool
Melding
Betekenis
Driver Alert
De functie analyseert uw rijstijl.
Het aantal balkjes varieert van 1 tot 5, waarbij een klein aantal balkjes voor ongecontroleerd rijgedrag
staat. Omgekeerd geldt dat een groot aantal balkjes voor stabiel rijgedrag staat.
04
Driver Alert Tijd voor pauze
De auto vertoont zwalkend rijgedrag; u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 176.
Driver Alert Sys Service
vereist
182
Het systeem is defect.
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats als de melding niet verdwijnt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 183
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – (LDW)*
Bediening en functie
Algemene informatie over Lane
Departure Warning (LDW)
Als de camera de rijstrookmarkeringen op het
wegdek niet langer registreert of als de rijsnelheid tot onder de 60 km/h daalt, neemt de
functie de stand-bystand weer in en verschijnt
opnieuw de melding Lane Depart Warn niet
beschikbaar.
De functie is bedoeld om het gevaar te beperken voor eenzijdige ongelukken, waarbij de
auto bijvoorbeeld de rijstrook verlaat en in de
wegberm of op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer dreigt terecht te komen.
LDW maakt gebruik van een camera die de
geschilderde rijstrookmarkeringen aftast. U
wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal,
als de auto een rijstrookmarkering overschrijdt.
1
G032014
G032699
Als de auto zonder duidelijke reden de linker of
rechter rijstrookmarkering overschrijdt wordt u
gewaarschuwd met een zoemersignaal.
U schakelt de functie in en uit met de bijbehorende schakelaar op de middenconsole. Het
lampje in de schakelaar brandt wanneer de
functie ingeschakeld is.
Wanneer de functie stand-by staat, verschijnt
op het boordcomputerdisplay de melding
Lane Depart Warn niet beschikbaar.
Vanuit de stand-bystand wordt de functie LDW
automatisch geactiveerd, zodra de camera de
rijstrookmarkeringen heeft geregistreerd en de
rijsnelheid is opgelopen tot boven 65 km/h. Op
het boordcomputerdisplay staat in dat geval de
melding Lane Depart Warn beschikbaar.
In de volgende situaties wordt echter niet
gewaarschuwd:
•
•
•
•
•
04
bij gebruik van de richtingaanwijzers
bij bediening van het rempedaal 1
Bij snelle bediening van het gaspedaal1
Bij snelle stuurbewegingen1
Bij dusdanig scherpe bochten dat de auto
overhelt.
Ook de camerasensor kent zijn beperkingen.
Voor meer informatie, zie pagina 176.
N.B.
Iedere keer dat de wielen een markeringsstreep passeren wordt er slechts eenmaal
gewaarschuwd. Er wordt dan ook niet meer
gewaarschuwd, wanneer u met één wiel aan
weerszijden zijden van de rijstrookmarkering blijft rijden.
Wanneer gekozen is voor Verhoogde gevoeligheid wordt echter wel een waarschuwing gegeven (zie Persoonlijke instellingen).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
183
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 184
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – (LDW)*
Symbolen en meldingen op display
Symbool
Melding
Betekenis
Lane departure warning
AAN/UIT
De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld.
Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
De melding verdwijnt automatisch na 5 seconden.
04
Lane Depart Warn
beschikbaar
De functie tast de rijstrookmarkeringen af.
Lane Depart Warn niet
beschikbaar
De snelheid is lager dan 60 km/h, de weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de
camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor,
zie pagina 176.
Voorruitsensoren afgedekt
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 176.
Driver Alert Sys Service
vereist
184
Het systeem is defect. Bezoek een erkende Volvo-werkplaats als de melding niet verdwijnt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 185
04 Comfort en rijplezier
Driver Alert System – (LDW)*
Persoonlijke instellingen
Ga in het menusysteem van het display op de
middenconsole naar Instellingen van de auto
Lane departure warning. Kies de gewenste optie, zie pagina 118.
Aan bij starten: Wanneer u voor deze optie
kiest, staat de functie iedere keer dat u de
motor staat stand-by. Anders is de functiestatus bij het afzetten van de motor bepalend.
Verhoogde gevoeligheid: Wanneer u voor
deze optie kiest verhoogt u de gevoeligheid
van het systeem, zodat er eerder wordt
gewaarschuwd en minder beperkingen gelden.
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
185
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 186
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
Algemene informatie1
Functie
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
naar het audiosysteem luistert, wordt het
volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het bovenste display in de middenconsole
geven de afstand aan tot een waargenomen
obstakel.
1
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
•
•
Park Assist aan de achterzijde
Active
Park Assist aan de voor- en achterzijde.
2
G031399
04
WAARSCHUWING
Hoewel de Hulp bij parkeren handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij
eventuele fouten. Wanneer er obstakels in
de dode hoeken van de sensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
Active
Bij het starten van de motor wordt het systeem
automatisch geactiveerd wat wordt aangegeven door het brandende lampje in de Aan/Uitknop. Wanneer u Park Assist met deze knop
uitschakelt, dooft het lampje.
Op het display van de middenconsole verschijnt een schematische weergave van de
onderlinge posities van de auto en een eventueel obstakel.
Markeringsbalkjes geven aan welke van de vier
sensoren een obstakel heeft waargenomen. De
markeringsbalkjes zijn langer naarmate de
afstand tussen de auto en het waargenomen
obstakel kleiner is.
1
186
Afhankelijk van de markt is Park Assist een standaardfunctie, optie of accessoire.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
Active
Displayweergave in verschillende situaties.
Displayweergave bij een auto met alleen
sensoren aan de achterzijde. Beide sensoren aan de rechterzijde hebben een obstakel waargenomen.
Displayweergave bij een auto met sensoren aan voor- en achterzijde. De sensor
rechtsvoor heeft een obstakel waargenomen op een afstand van 30 cm of kleiner.
Displayweergave bij een auto met sensoren aan voor- en achterzijde. Geen obstakel voor of achter de auto waargenomen.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 187
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en verschijnt een markeringsbalkje van maximale
lengte (zie afbeelding (2)). Als er zowel voor als
achter de auto obstakels binnen deze afstand
zijn waargenomen, komen de geluidssignalen
beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en
rechterzijde.
Park Assist aan de achterzijde
de trekhaak moet u het systeem uitschakelen.
Als u dat niet doet, reageren de sensoren op
de aanhanger/fietsdrager.
N.B.
De Hulp bij parkeren wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter de auto hebt hangen die met originele
trekhaakbedrading van Volvo aangesloten
is.
hogere snelheden wordt het systeem gedeactiveerd. Het lampje in de knop blijft echter branden om aan te geven dat het systeem een
volgende keer dat u de auto parkeert opnieuw
actief is. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan 10 km/h.
N.B.
De Hulp bij parkeren aan de voorzijde wordt
uitgeschakeld bij het aanzetten van de parkeerrem.
04
Park Assist aan de voorzijde
BELANGRIJK
Bij auto’s met verstralers erop letten dat de
lampen de sensoren niet blokkeren en voor
obstakels worden gehouden.
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. Bij obstakels achter de auto komen de
geluidssignalen uit de luidsprekers achterin.
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager op
G031401
G031400
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het informatiesymbool continu
brandt en op het informatiedisplay de
melding Park Assist Service vereist verschijnt, dan is Park Assist defect.
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen bij obstakels vóór
de auto komen uit de luidspreker voorin.
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snelheden tot 15 km/h, ook als u achteruitrijdt. Bij
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
187
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 188
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan de parkeerhulp ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door externe
geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van dezelfde frequentie als de sensoren van het systeem.
G031403
04
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen e.d.
Positie van de achterste sensoren.
Sensoren schoonmaken
De sensoren werken alleen naar behoren, wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water
en autoshampoo.
N.B.
G031402
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
Positie van de voorste sensoren.
188
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 189
04 Comfort en rijplezier
Parkeercamera*
Algemene informatie over PAC
Functie
N.B.
De parkeercamera, PAC (Park Assist Camera)
geeft op een beeldscherm aan wat zich achter
de auto bevindt tijdens het achteruitrijden.
Het is mogelijk dat voorwerpen op het
beeldscherm verder weg lijken dan in werkelijkheid het geval is.
Met lijnen op de schermweergave geeft het
systeem tevens aan waar de auto uitkomt
afhankelijk van de stuuruitslag, wat het achteruit inparkeren, achteruitrijden in nauwe ruimten
en aankoppelen van aanhangers vereenvoudigt.
WAARSCHUWING
•
•
•
De parkeercamera is alleen bedoeld als
hulpmiddel en zodat de bestuurder
eindverantwoordelijk blijft tijdens het
achteruitrijden.
De camera kent dode hoeken waarin
registratie van obstakels niet mogelijk
is.
Houd mensen en dieren in de buurt van
de auto in de gaten.
G031930
PAC is alleen te installeren op auto’s met een
origineel Volvo RTI-systeem* (Road and Traffic
Information System) met gps-navigatie.
Lichtomstandigheden
De bestuurder ziet wat er achter de auto is en
of er iets of iemand van de zijkanten opduikt.
De parkeercamera zit bij de openingshandgreep op de achterklep.
De krachtige groothoeklens van de camera
geeft een brede blik op het gebied achter de
auto en op de bumper en trekhaak van de auto.
De elektronische beeldverwerking van het systeem corrigeert het zogeheten visoogeffect om
een zo realistisch mogelijk beeld te verkrijgen.
Toch kan het lijken alsof voorwerpen op het
beeldscherm overhellen. Dit is volkomen normaal.
De automatische registratiefunctie van de
lichtomstandigheden stemt de gevoeligheid
van de parkeercamera voortdurend bij. Dit kan
ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat kan
variëren wat lichtsterkte en kwaliteit betreft. Bij
slechte lichtomstandigheden of in het donker
zorgt de camera voor compensatie door de
lichtgevoeligheid te verhogen, wat kan resulteren in een iets minder goede beeldkwaliteit.
04
Als u de schermweergave te donker vindt, kunt
u de lichtsterkte verhogen met het duimwiel (1)
voor de instrumentenverlichting (zie
pagina 79).
N.B.
In slechte lichtomstandigheden is het extra
belangrijk dat de cameralens vrij is van vuil,
sneeuw en ijs.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
189
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 190
04 Comfort en rijplezier
Parkeercamera*
Bediening
Hulplijnen
BELANGRIJK
Let erop dat de schermweergave alleen het
gebied recht achter de auto weergeeft –
houd de zijkanten en de voorkant van de
auto daarom goed in de gaten wanneer u
tijdens het achteruitrijden aan het stuurwiel
draait.
Activeren
De parkeercamera wordt geactiveerd bij het
inschakelen van de achteruitrijversnelling, mits
de functie geselecteerd werd in het menusysteem (zie pagina 118).
Als het RTI actief is, wordt het navigatiescherm
automatisch vervangen door de cameraweergave van het PAC-systeem.
Deactiveren
Na afloop van het achteruitrijden blijft de
schermweergave dan ook nog
ca. 15 seconden staan. Bij snelheden vooruit
hoger dan 10 km/h of hoger verdwijnt de
schermweergave eerder.
Vervolgens hervat het systeem de stand die het
had voordat u de achteruitrijversnelling inschakelde (dit houdt bijvoorbeeld in dat het RTIsysteem eventueel opnieuw geactiveerd
wordt).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd
als stonden ze op de grond achter de auto. De
lijnen zijn bovendien afhankelijk van de stuuruitslag, zodat u ook bij het draaien kunt zien
welke baan de auto zal nemen.
G031929
De parkeercamera kent een bepaalde mate
van vertraging, zodat de schermweergave van
het gebied achter de auto ook verschijnt wanneer u de auto uit de achteruitrijversnelling
haalt en even vooruitrijdt om de positie van de
auto te corrigeren.
190
G000000
04
Zijlijnen
N.B.
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/
caravan geven de lijnen op het scherm de
baan van de auto aan – niet van de aanhanger/caravan.
De zijlijnen geven de baan van de auto aan tijdens het achteruitrijden. Ze markeren
ca. 10 cm "lucht" tussen de binnenkant van de
lijn en de buitenkant van de buitenspiegels –
ook tijdens het draaien.
•
De zijlijnen reiken tot 2,0 m achter de bumper.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 191
04 Comfort en rijplezier
Parkeercamera*
Dwarslijnen
Markering (kleur)
Afstand tot
obstakel (m)
Een RODE dwarslijn geeft een afstand aan
van 0,3 m
Groen
0,8-1,5
Oranje
0,3-0,8
Een ORANJE dwarslijn geeft een afstand
aan van 1,5 m
Rood
0–0,3
De korte dwarslijnen geven de resterende
afstand tussen het obstakel en de bumper aan.
•
•
Auto’s uitgerust met Park Assist
Als een van de buitenste sensoren van de Park Assist een
obstakel registreert dat op
minder dan 0,4 m afstand ligt
maar buiten het blikveld van
de parkeercamera (PAC) ligt,
verschijnt ook een buitenspiegelsymbool op de schermweergave.
G031931
Controleer in dat geval de buitenspiegels op
eventuele obstakels.
Als de auto ook uitgerust is met Park Assist*
aan de achterzijde (zie pagina 186) geven de
gekleurde markeringen de resterende afstand
tot aan het obstakel aan (bijvoorbeeld tijdens
het achteruit inparkeren).
1
Instellingen
Druk voor de activeringsinstellingen van het
systeem op MENU en ga naar Hoofdmenu
Instellingen van de auto . Kies vervolgens uit de volgende opties:
Instellingen parkeercam.
• Markeer Parkeer assist. lijnen om zijlijnen weer te geven tijdens het achteruitrijden.
•
Markeer Afstandsinformatie om
afstandslijnen weer te geven tijdens het
achteruitrijden1.
Activeren systeem
• Markeer Automatisch om PAC te activeren tijdens het achteruitrijden.
•
Markeer Uit om PAC permanent uit te
schakelen.
04
Beperkingen
N.B.
Fietsdragers of andere accessoires achter
op de auto kunnen het blikveld van de
camera blokkeren.
Ook als de geblokkeerde gebied er op het
scherm relatief klein uitziet, kan het werkelijke
verborgen gebied dusdanig groot zijn dat
obstakels pas worden geregistreerd wanneer u
er bijna bovenop zit.
Alleen als Park Assist gemonteerd is.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
191
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
04 Comfort en rijplezier
Parkeercamera*
Waar u op moet letten
•
Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw
en ijs.
•
Maak de cameralens regelmatig schoon
met lauw water en autoshampoo – wees
voorzichtig om geen krassen in de lens te
maken.
04
192
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 192
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 193
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
WAARSCHUWING
G031404
Het systeem vormt een aanvulling op – geen
vervanging voor – een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige
manier van rijstrook wordt gewisseld.
BLIS-camera
U kunt het systeem tijdelijk uitschakelen met
een druk op de knop BLIS, zie pagina 194.
Dode hoeken
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
04
Wanneer een camera
een voertuig heeft
waargenomen in de dode hoek, licht een controlelampje
op dat continu blijft branden.
G017834
Algemene informatie over BLIS
Controlelampje
BLIS-symbool
BLIS is een op cameratechniek gebaseerd
informatiesysteem dat de bestuurder in
bepaalde omstandigheden waarschuwt, wanneer er zich een voertuig in de zogeheten dode
hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
BELANGRIJK
Laat reparaties van de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een erkende Volvowerkplaats.
N.B.
Afstand A = ca. 9,5 m en afstand B = ca. 3 m
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden.
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een melding op het display van het informatiepaneel.
Controleer de cameralenzen in dat geval en
maak ze zo nodig schoon.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
193
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 194
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
Activeren/deactiveren
nen. Voor meer informatie over de meldingsfuncties, zie pagina 121.
Wanneer BLIS werkt
BLIS
Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Inhalen
Het systeem reageert als:
G031406
04
Knop voor activering/deactivering.
BLIS wordt bij het starten van de motor geactiveerd, waarna de controlelampjes op de portierpanelen driemaal oplichten.
Na het starten van de motor kunt u het systeem
deactiveren/heractiveren door op de knop
BLIS te drukken.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het BLIS
gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien
een displaymelding op het instrumentenpaneel.
Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje
in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes op de
portieren driemaal op. Druk op de knop
READ om de displaymelding te laten verdwij-
194
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
het snelheidsverschil tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is dan 10 km/h
•
het snelheidsverschil tussen u en het inhalende voertuig kleiner is dan 70 km/h.
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan het
zicht ontnemen op andere voertuigen op
aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
Daglicht en donker
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een voertuig de koplampen niet heeft ontstoken, zal het
systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger achter
een auto of vrachtwagen, omdat daar geen
brandende koplampen op zitten.
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kunnen hinder ondervinden van de aanwezigheid van felle lichtbronnen of juist de afwezigheid van lichtbronnen (wegenverlichting of voertuigverlichting) bij ritten in het donker. Het systeem
kan uit de afwezigheid van licht ten onrechte
opmaken dat de camera’s zijn afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een displaymelding op het informatiedisplay.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden kan
het systeem tijdelijk minder presteren en
verschijnt er een displaymelding (zie
pagina 195). Wanneer de displaymelding
spontaan verdwijnt, werkt het BLIS weer
naar behoren.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer
dezelfde beperkingen als het menselijk oog.
Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval en dichte mist.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 195
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van
de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een
vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig
schoon om krassen te voorkomen.
Melding
Betekenis
BLIS Beperkte
functie
De BLIS-camera
wordt gehinderd
door bijvoorbeeld
mist of fel zonlicht
recht in de camera.
BELANGRIJK
De camera herstelt
zichzelf zodra de
omstandigheden
weer normaal zijn.
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
BLIS UIT
Displaymeldingen
Melding
Betekenis
BLIS AAN
Het BLIS-systeem is
ingeschakeld
BLIS Service vereist
Het BLIS-systeem is
defect.
Neem contact op
met een erkende
Volvo-werkplaats.
BLIS-camera
afgedekt
De BLIS-camera is
bedekt met vuil,
sneeuw of ijs. Maak
de lenzen schoon.
Hier volgen enkele afbeeldingen van situaties
waarin het controlelampje voor BLIS kan gaan
branden, hoewel er zich geen voertuigen in de
dode hoek bevinden.
Het BLIS-systeem is
uitgeschakeld
04
Reflecties op een glad en nat wegdek.
Beperkingen
Soms kan het controlelampje voor BLIS oplichten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken
kunt waarnemen.
N.B.
Als het controlelampje voor BLIS soms
oplicht zonder dat u andere voertuigen in de
dode hoeken kunt waarnemen, betekent dit
niet dat het systeem een storing vertoont.
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen.
Bij een storing in het BLIS-systeem verschijnt op het display de melding BLIS
Service vereist.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
195
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
Laag staande zon in de camera.
04
196
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 196
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 197
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergmogelijkheden
G031433
04
``
197
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 198
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
Opbergvak in portierpaneel
Middenconsole
Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje
Opbergvakken, bekerhouder
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken.
Dashboardkastje
Kledinghaak
04
Bekerhouder* in armsteun, achterin
Opbergvak
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd’s) en
USB*/AUX-ingang onder de armsteun.
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder
en een voorpassagier. (Als u voor een
asbak en aansteker hebt gekozen, zit er
een aansteker op de plaats van de 12Vaansluiting voorin, zie pagina 199, en een
uitneembare asbak in de bekerhouder.)
Bewaar geen parkeergeld, sleutels en soortgelijke metalen voorwerpen in de bekerhouder,
omdat dergelijke voorwerpen ertoe kunnen leiden dat het alarm* ten onrechte afgaat, zie
pagina 59.
Aansteker en asbak*
De asbak in de middenconsole is te verwijderen door deze recht omhoog te tillen.
198
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G024206
Kledinghaak
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje en
eventuele kaarten opbergen. Aan de binnenkant van de klep zit een houders voor pennen.
Het dashboardkastje kan worden vergrendeld
met behulp van het sleutelblad, zie pagina 44.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 199
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
12V-aansluiting
Vloermatten*
telefoon of koelbox. U kunt maximaal 10 A via
de aansluiting afnemen. De transpondersleutel
moet ten minste in stand I staan, anders geeft
de aansluiting geen stroom, zie pagina 72.
Volvo biedt vloermatten die speciaal vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Zorg dat de vloermat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat de mat
kan gaan glijden en achter of onder de
pedalen blijft haken.
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
G031435
Elektrische aansluiting in bagageruimte*
Make-upspiegel
04
G021440
G021438
G031436
12V-aansluiting, voorin.
Make-upspiegel met verlichting.
De verlichting van de make-upspiegel (aan respectievelijk de bestuurderszijde* en de passagierszijde) wordt bij het openen en sluiten van
het klepje in- en uitgeschakeld.
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen. De aansluiting werkt onafhankelijk van de stand van het contactslot.
12V-aansluiting in middenconsole, achterin.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals een mobiele
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
199
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
N.B.
Let erop dat u de aansluiting niet gebruikt,
wanneer de motor is afgezet. Als u de aansluiting dan namelijk wel gebruikt, bestaat
de kans dat de accu uitgeput raakt.
04
200
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 200
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 201
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
Algemene informatie
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Voor informatie over de
telefoons die compatibel zijn kunt u terecht
bij de erkende Volvo-werkplaats en
www.volvocars.com.
Telefoonfuncties, overzicht
bedieningstoetsen
ENTER – Gesprek aannemen. Met een
druk op de toets ziet u de laatst gekozen
nummers. De toetsenset op het stuurwiel
biedt dezelfde functie.
Beknopte bedieningsinstructies
G021443
U regelt de menufuncties vanaf de middenconsole of via de toetsenset op het stuurwiel. Voor
algemene informatie over de menufuncties (zie
pagina 118).
Systeemoverzicht.
Mobiele telefoon
04
Activeren/deactiveren
Microfoon
Toetsenset op stuurwiel
G031456
Middenconsole
BluetoothTM
Een mobiele telefoon met BluetoothTM is
draadloos aan te sluiten op het audiosysteem.
Het audiosysteem werkt dan als handsfree en
biedt u de mogelijkheid om enkele functies van
uw mobiele telefoon op afstand te bedienen. U
kunt de mobiele telefoon via de knoppen op de
telefoon bedienen of de telefoon nu aangesloten is of niet.
EXIT - Telefoongesprekken beëindigen/
weigeren, ingevoerde tekens wissen,
actieve functie annuleren. De toetsenset
op het stuurwiel biedt dezelfde functie.
Bedieningspaneel op middenconsole.
Wanneer u kort op PHONE drukt, activeert u
de handsfree-functie. De melding
TELEFOON boven aan het display geeft aan
dat het systeem in de telefoonstand staat. Het
symbool
geeft aan dat de handsfreefunctie actief is.
VOLUME – De toetsenset op het stuurwiel
biedt dezelfde functie.
Wanneer u PHONE lang indrukt, deactiveert u
de handsfree-functie en koppelt u een aangesloten telefoon los.
Cijfer- en lettertoetsen
Mobiele telefoon aansluiten
PHONE – Aan/uit en stand-by
Hoe u een mobiele telefoon aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde mobiele telefoon al
dan niet eerder aangesloten was. Als het de
Navigatietoets
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
201
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 202
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
04
eerste keer is dat u de mobiele telefoon aansluit, dan moet u de onderstaande instructies
volgen:
5. Voer via het toetsenblok van de te registreren mobiele telefoon de cijfercode in die
op het display van het audiosysteem staat.
BluetoothTM-naam op het display. U kunt de
mobiele telefoon vervolgens bedienen via het
audiosysteem.
Alternatief 1 – via het menusysteem van de
auto
Alternatief 2 – via het menusysteem van de
telefoon
Bellen
1. Maak de mobiele telefoon identificeerbaar/
zichtbaar via BluetoothTM (zie daarvoor de
gebruiksaanwijzing bij de mobiele telefoon
of www.volvocars.com).
1. Activeer de handsfree-functie met
PHONE. Schakel een eventueel eerder
aangesloten telefoon uit.
2. Activeer de handsfree-functie met
PHONE.
> De menu-optie Telefoon toevoegen
verschijnt op het display. Als u al eerder
een of meer mobiele telefoons hebt
geregistreerd, worden ook deze weergegeven.
3. Kies Telefoon toevoegen.
> Het audiosysteem zoekt naar mobiele
telefoons in de nabije omgeving. Er
wordt ongeveer 30 seconden gezocht.
De gevonden mobiele telefoons verschijnen met hun BluetoothTM-naam op
het display. De handsfree-functie verschijnt onder de BluetoothTM-naam My
Car op de mobiele telefoon.
4. Kies een van de mobiele telefoons op het
display van het audiosysteem.
1
202
Alleen Keyless drive
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Zoek met de BluetoothTM-functie van de
mobiele telefoon (zie gebruiksaanwijzing
bij de mobiele telefoon).
3. Kies My Car in de lijst met gevonden eenheden op uw mobiele telefoon.
4. Voer de pincode ‘1234’ in op uw mobiele
telefoon, als er om de pincode wordt
gevraagd.
5. Kies voor aansluiting op My Car vanaf de
mobiele telefoon.
De mobiele telefoon wordt vervolgens geregistreerd en automatisch aangesloten op het
audiosysteem, terwijl de melding Bezig met
synchr. op het display staat. Voor meer informatie over het registreren van mobiele telefoons (zie pagina 204).
Wanneer er een aansluiting tot stand gebracht
is, verschijnen het symbool
en de
1. Controleer of de melding TELEFOON
boven aan het display staat en of het symbool
zichtbaar is.
2. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek, zie pagina 204.
3. Druk op ENTER.
U beëindigt het gesprek met EXIT.
Mobiele telefoon uitschakelen
De mobiele telefoon wordt automatisch losgekoppeld, als de telefoon buiten het bereik van
het audiosysteem komt. Voor meer informatie
over de aansluiting (zie pagina 204).
U kunt een aansluiting handmatig verbreken
wanneer u de handsfree-functie deactiveert
door PHONE lang in te drukken. De handsfreefunctie wordt eveneens gedeactiveerd bij het
afzetten van de motor of het openen van een
portier1.
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld,
kunt u een eventueel lopend gesprek voortzet-
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 203
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
ten via de ingebouwde microfoon en luidspreker van de mobiele telefoon.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons moet u om
over te schakelen van de handsfree op de
handset eerst ter bevestiging op het toetsenblok van de mobiel drukken.
Gespreksfuncties
Inkomend gesprek
U neemt een gesprek aan met ENTER, ook al
staat het audiosysteem in bijvoorbeeld de
stand CD of FM. Met EXIT kunt u een gesprek
weigeren of beëindigen.
Automatisch antwoord
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beantwoorden.
±
Activeer/deactiveer de functie onder
Telefooninstellingen Gespreksopties
Automatisch antwoord.
Menu tijdens gesprek
• Microfoon dempen – Microfoon van het
audiosysteem uitschakelen.
• Gesprek naar mobiel – Gesprek doorschakelen naar de mobiele telefoon.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de
aansluiting verbroken bij gebruik van de
ruggespraakfunctie (dempen). Dit is volkomen normaal. De handsfree-functie stelt
vervolgens de vraag of u opnieuw wilt aansluiten.
• Telefoonboek – In het telefoonboek van
de mobiele telefoon zoeken.
N.B.
Tijdens een lopend gesprek is het niet
mogelijk een tweede gesprek te beginnen.
Audio-instellingen
Tel.-gespreksvol.
U kunt het gespreksvolume bijregelen wanneer
de handsfree-functie in de telefoonstand staat.
Maak gebruik van de toetsenset op het stuurwiel of van VOLUME.
Volume audiosysteem
Zolang er geen telefoongesprek wordt
gevoerd, kunt u het volume van het audiosysteem op de gebruikelijke wijze bijregelen met
VOLUME. Om het volume van het audiosysteem echter tijdens een lopend telefoongesprek bij te regelen moet u eerst overschakelen
op een van de geluidsbronnen.
04
Het is mogelijk de weergave van de actieve
geluidsbron te onderdrukken bij inkomende
telefoongesprekken onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Radio dempen.
Beltoonvolume
Ga naar Telefooninstellingen Geluiden en
volume Beltoonvolume en stel bij met
/
van de navigatietoets.
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om toegang te krijgen tot de volgende
functies:
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
203
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 204
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
Belsignalen
Automatische aansluiting
Telefoonboek
U kunt een van de ingebouwde beltonen van
de handsfree-functie kiezen onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Belsignalen Belsignaal 1, 2, 3 enz.
Wanneer de handsfree-functie actief is en de
laatst aangesloten mobiele telefoon binnen het
bereik ligt, wordt deze telefoon automatisch
opnieuw aangesloten. Terwijl het audiosysteem op zoek is naar de laatst aangesloten
telefoon staat de naam van deze telefoon op
het display. Druk op EXIT om handmatig een
andere telefoon aan te sluiten.
Voor alle telefoonboekfuncties geldt dat de
melding TELEFOON boven aan het display
moet staan en dat het symbool
zichtbaar
moet zijn.
N.B.
Ook bij gebruik van een van de ingebouwde
beltonen van het handsfree-systeem, zijn de
beltonen van de aangesloten mobiele telefoon nog altijd hoorbaar.
04
Ga om de beltonen2 van de aangesloten telefoon te gebruiken naar Telefooninstellingen
Geluiden en volume Belsignalen
Gebruik signaal mob. tel..
Meer informatie over registratie en
aansluiting
Er kunnen maximaal vijf mobiele telefoons worden geregistreerd. U hoeft een mobiele telefoon slechts eenmaal te registreren. Wanneer
een mobiele telefoon eenmaal geregistreerd is,
hoeft deze niet langer zichtbaar/identificeerbaar te zijn. U kunt slechts één mobiele telefoon tegelijk aansluiten. Het is mogelijk de
registratie van een telefoon te verwijderen
onder Bluetooth Telefoon verwijderen.
2
204
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Handmatige aansluiting
Ga als volgt te werk, als u in plaats van de laatst
aangesloten mobiele telefoon een nieuwe
mobiele telefoon wilt aansluiten of wilt overschakelen op een andere eerder aangesloten
mobiele telefoon:
1. Zet het audiosysteem in de telefoonstand.
2. Druk op PHONE en kies een van de telefoons in de lijst.
Aansluiting is ook mogelijk via het menusysteem onder Bluetooth Telefoon
aansluiten of Telefoon wijzigen.
Het audiosysteem slaat van elk van de geregistreerde mobiele telefoons een kopie van het
telefoonboek op. Het telefoonboek wordt bij
iedere aansluiting automatisch naar het audiosysteem gekopieerd.
±
U kunt de functie deactiveren onder
Telefooninstellingen Telefoonboek
synchr.. Bij het zoeken van contacten
werkt u alleen met het telefoonboek van de
aangesloten mobiele telefoon.
N.B.
Als de mobiele telefoon geen ondersteuning
biedt voor het kopiëren van het telefoonboek, verschijnt na afloop van het kopiëren
de melding Lijst is leeg.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het display.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 205
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
Contacten zoeken
U kunt het eenvoudigst naar bepaalde gegevens in het telefoonboek zoeken door de knoppen 2–9 lang in te drukken. Het telefoonboek
wordt dan doorzocht op posten die beginnen
met de eerste letter van de ingedrukte toets.
Het telefoonboek is eveneens te bereiken met
/
van de navigatietoets of met
/
van de toetsenset op het stuurwiel. U een zoekopdracht tevens starten vanuit het zoekmenu
van het telefoonboek onder Telefoonboek
Zoeken:
1. Voer de eerste letter in van het contact dat
u zoekt en druk op ENTER of druk meteen
op ENTER.
2. Ga naar het contact van uw keuze en druk
op ENTER om het bijbehorende nummer
te bellen.
Spraakherkenning
U kunt gebruik maken van de spraakherkenningsfunctie (voice tags) van de mobiele telefoon door ENTER ingedrukt te houden.
Voicemail-nummer
U kunt het voicemail-nummer wijzigen onder
Telefooninstellingen Gespreksopties
Voicemail-nummer. Als er nog geen nummer
opgeslagen is, kunt u het bijbehorende menu
openen door lang op 1 te drukken. Druk ver-
volgens lang op 1 om het ingevoerde nummer
te gebruiken.
Gesprekslijsten
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar de handsfree-functie gekopieerd en worden vervolgens tijdens de aansluiting bijgehouden. Druk op ENTER om de laatst
gebelde nummers te bekijken. De overige
gesprekslijsten staan onder Oproepregister.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de lijst
met gebelde nummers in omgekeerde volgorde weergegeven.
Tekst invoeren
Met de toetsenset op de middenconsole kunt
u tekst invoeren. Druk eenmaal om het eerste
teken op de toets in te voeren, tweemaal om
het tweede teken in te voeren enz. (zie navolgende tabel).
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens. Gebruik
/
van de navigatietoets om de verschillende tekens te doorlopen.
Toets
Functie
spatie .1-? ! , : " ' ( )
ABC2ÄÅÀÆÇ
DEF3ÈÉ
GHI4Ì
04
JKL5
MNO6ÑÖÒØ
PQRS7ß
TUV8ÜÙ
WXYZ9
Kort indrukken om twee tekens
op dezelfde toets na elkaar in te
voeren.
+0@*#&$£/%
Wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
205
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 206
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Algemene informatie
Beknopte bedieningsinstructies
Simkaart
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart
(Subscriber Identity Module). Voor het aanbrengen ervan, zie pagina 209. Ook zonder
een simkaart is het mogelijk het alarmnummer
te bellen.
5
G033204
Systeemoverzicht.
Microfoon
De geïntegreerde telefoon kan geen simkaart van het type 3G lezen. Een gecombineerde simkaart voor 3G én gsm werkt
echter wel. Informeer bij uw netwerkprovider of de simkaart moet worden vervangen.
Simkaartlezer
Toetsenset, zie pagina 135.
Bedieningspaneel
Handset
Veiligheid
Laat reparatiewerkzaamheden aan het telefoonsysteem over aan een erkende Volvowerkplaats. Schakel de geïntegreerde telefoon
uit tijdens het tanken en in gebieden waar met
explosieven wordt gewerkt. Afhankelijk van de
rijsnelheid blokkeert IDIS bepaalde functies
van het menusysteem, zie pagina 208.
206
Schakel de telefoon uit door lang op PHONE
te drukken.
Gespreksfuncties
N.B.
04
als het menu CD op het display staat. Om
gebruik te maken van de telefoonmenu’s en te
bellen dient u kort op PHONE te drukken. De
tekst TELEFOON geeft aan dat het telefoonmenu actief is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Menu’s en bedieningstoetsen
U regelt de menufuncties via het bedieningspaneel
en de toetsenset
op het stuurwiel. Voor algemene informatie over de menufuncties, zie pagina 118. Voor informatie over
de bedieningstoetsen van de telefoon, zie
pagina 201.
Aan/uit
Schakel de telefoon in door kort op PHONE te
drukken. Voer zo nodig de pincode in. Het
symbool
geeft aan dat de telefoon ingeschakeld is. Wanneer dit symbool verschijnt,
kunt u inkomende gesprekken ook aannemen
Bellen
1. Schakel de telefoon in.
2. Druk kort op PHONE, als de tekst
TELEFOON niet op het display staat.
3. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek, zie pagina 201.
4. Druk op ENTER voor handsfree bellen of
neem de handset op. Duw de handset
omlaag om deze te kunnen opnemen.
Gesprekken beëindigen
Beëindig een gesprek met EXIT of leg de handset op.
Inkomend gesprek
Druk op ENTER voor handsfree bellen of neem
de handset op. Als de handset bij een inkomend gesprek niet op de houder ligt, dient u
het gesprek aan te nemen met ENTER.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 207
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Beëindig een gesprek met EXIT of leg de handset op. Weiger een gesprek met EXIT.
Automatisch antwoord
Tijdens lopende gesprekken
Ruggespraakstand
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om het gespreksmenu te openen.
Bij gebruik van de ruggespraakstand wordt de
microfoon gedeactiveerd, zie pagina 206.
Zie pagina 203.
Bellen
Wisselgesprek
1. Zet het lopende gesprek in de wacht onder
Wacht.
Deze functie maakt het mogelijk om tijdens een
lopend gesprek een nieuw gesprek aan te
nemen. U kunt het nieuwe gesprek op de
gebruikelijke manier aannemen waarbij het
lopende gesprek in de wacht gezet wordt.
±
Activeer/deactiveer de functie onder
Telefooninstellingen Gespreksopties
Wisselgesprek.
Automatisch doorschakelen
Inkomende gesprekken kunnen automatisch
worden doorgeschakeld afhankelijk van het
gesprekstype en de situatie waarin ze zich aandienen.
±
Activeer/deactiveer de functie onder
Gespreksopties Omleidingen.
2. Voer het nummer van de derde partij in of
maak gebruik van de menu-optie
Telefoonboek.
Wissel van gesprekspartner met de menuoptie Verwisselen.
Tel. vergadering
Bij een conferentiegesprek (telefonische vergadering) zijn minstens drie gesprekspartners
betrokken. U kunt tijdens een wisselgesprek
waarbij er een gesprek in de wacht staat een
conferentiegesprek starten. Met de menuoptie Deelnemen start u het conferentiegesprek.
Bij het afsluiten van een conferentiegesprek
worden alle lopende gesprekken beëindigd.
Wisselen tussen handset en handsfree
Schakel over van handsfree op de handset
door de handset op te nemen of voor
Handset te kiezen in het menu.
Schakel van de handset over op handsfree
door in het menu te kiezen voor Handsfree.
±
Activeer/deactiveer de microfoon met de
menu-optie Microfoon aan/uit.
Audio-instellingen
Tel.-gespreksvol.
De telefoon maakt gebruik van de luidsprekers
in de voorportieren. U kunt het gespreksvolume bijregelen, wanneer de tekst
TELEFOON boven aan het display staat.
±
04
Maak gebruik van de toetsenset op het
stuurwiel of van VOLUME.
Volume audiosysteem
Zie pagina 137.
Signalen en volume
U kunt het belsignaal wijzigen onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Belsignalen.
U kunt de pieptoon bij bericht activeren/deactiveren onder Telefooninstellingen
Geluiden en volume Pieptoon bij bericht.
Het beltoonvolume regelt u onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
207
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 208
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Beltoonvolume. Stel bij met
navigatietoets.
/
van de
Telefoonboek
Contactgegevens kunnen op de simkaart of in
het telefoongeheugen worden vastgelegd.
Contacten vastleggen in telefoonboek
1. Druk op MENU en ga naar Telefoonboek
Nieuwe contactpersoon.
04
2. Voer een naam in en druk op ENTER. Zie
onder voor informatie over het invoeren
van tekst.
3. Voer een nummer in en druk op ENTER.
4. Ga naar SIM-kaart of
Telefoongeheugen en druk op ENTER.
Tekst invoeren
Zie pagina 205.
Contacten zoeken
Zie pagina 205.
Contacten verwijderen
U kunt een contact uit het telefoonboek verwijderen door de naam van de persoon te markeren en op ENTER te drukken. Ga vervolgens
naar Wissen en druk op ENTER.
U kunt alle contacten verwijderen onder
Telefoonboek SIM wissen of Telefoon
wissen.
3. De inhoud van het bericht verschijnt op het
display. Wanneer u nogmaals op ENTER
drukt, verschijnen meer opties.
Kopiëren tussen simkaart en
telefoonboek
Berichten schrijven en verzenden
Ga naar Telefoonboek Alles kopiëren
SIM naar telefoon of Telefoon naar SIM en
druk op ENTER.
Voicemail-nummer
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Schrijf de tekst en druk op ENTER. Voor
informatie over het invoeren van tekst, zie
pagina 205.
Zie pagina 205.
3. Ga naar Verzenden en druk op ENTER.
Overige functies en instellingen
4. Voer een telefoonnummer in en druk op
ENTER.
IDIS
Berichtinstellingen
IDIS (Intelligent Driver Information System) kan
in veeleisende rijsituaties de beltonen van inkomende telefoongesprekken pas na enige vertraging doorgeven of helemaal onderdrukken.
Op die manier kunt u de aandacht bij het verkeer houden.
De berichtinstellingen hoeft u normaal gesproken niet te wijzigen. Uw netwerkprovider kan u
meer informatie verstrekken over deze instellingen. Onder Berichten
Berichtinstellingen hebt u de keuze uit drie
opties:
±
• SMSC-nummer - Geeft het nummer van
IDIS is uit te schakelen onder
Telefooninstellingen IDIS.
Berichten lezen
1. Ga naar Berichten
ENTER.
Lezen en druk op
2. Ga naar het bericht van uw keuze en druk
op ENTER.
208
1. Ga naar Berichten Nieuw bericht
schrijven en druk op ENTER.
de berichtencentrale aan die de berichten
moet doorgeven.
• Geldigheidsduur - Geeft aan hoe lang de
berichtencentrale een bericht moet bewaren.
• Type bericht.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 209
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
bewaard met de ingekomen, uitgaande en
gemiste oproepen. U kunt de uitgaande
gesprekken ook bekijken door te drukken op
ENTER. De telefoonnummers op de lijsten zijn
vast te leggen in het telefoonboek.
Gespreksduur
De gespreksduur wordt vastgelegd onder
Oproepregister Gespreksduur.
±
Reset de waarden onder Oproepregister
Gespreksduur Reset timers.
Eigen nummer tonen/verbergen
Het is mogelijk de weergave van uw eigen telefoonnummer tijdelijk te blokkeren onder
Gespreksopties Verzend mijn nummer.
IMEI-nummer
Om de telefoon te kunnen blokkeren moet u het
IMEI-nummer van de telefoon aan uw provider
hebben doorgegeven.
±
Toets *#06# op uw telefoon in om het nummer op het display te zien. Noteer dit nummer en bewaar het op een veilige plaats.
kiezen onder Telefooninstellingen
Netwerkselectie.
Code en beveiliging simkaart
Door een pincode in te stellen voor de simkaart
kunt u voorkomen dat onbevoegden gebruik
kunnen maken van uw simkaart.
Fabrieksinstellingen herstellen
Het is mogelijk alle fabrieksinstellingen van de
telefoon te herstellen onder
Telefooninstellingen Reset Telefooninst.
Simkaart aanbrengen
U wijzigt de code onder Telefooninstellingen
PIN-code bewerken.
U wijzigt het beveiligingsniveau onder
Telefooninstellingen SIM-beveiliging.
04
De optie Aan levert het hoogste beveiligingsniveau op. U moet dan iedere keer dat u de
telefoon inschakelt opnieuw de pincode invoeren.
De optie Automatisch is het op een na hoogste beveiligingsniveau. De telefoon onthoudt
de pincode dan en voert deze bij het inschakelen van de telefoon automatisch in. Bij
gebruik van de simkaart in een andere telefoon,
moet de code echter wel handmatig worden
ingevoerd.
G021450
Gesprekslijsten
Onder Oproepregister worden lijsten
De optie Uit staat voor het laagste beveiligingsniveau. De simkaart is dan helemaal zonder code te gebruiken.
U kunt de telefoon automatisch een netwerk
laten kiezen of handmatig een bepaald netwerk
G021451
Netwerkselectie
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
209
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
Zorg dat de telefoon gedeactiveerd is. Trek
de simkaarthouder uit het dashboardkastje
tevoorschijn.
Plaats de simkaart met het laagje metaal
omhoog
in de simkaarthouder en breng
de behuizing van de simkaarthouder
aan. Plaats de simkaarthouder terug.
04
210
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 210
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 211
04 Comfort en rijplezier
04
211
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
Rijadviezen............................................................................................
Tanken..................................................................................................
Brandstof..............................................................................................
Lading vervoeren..................................................................................
Bagageruimte........................................................................................
Gevarendriehoek...................................................................................
Rijden met een aanhanger....................................................................
Slepen en bergen..................................................................................
212
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 212
214
216
217
220
221
226
227
233
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
TIJDENS HET RIJDEN
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 213
05
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 214
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen
•
Zuinig rijden
werking in orde is. Bij water en vuil op de
remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
Zuinig en milieubewust rijden houdt in dat u
anticiperend en rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op de verkeerssituatie (Voor meer
tips om het milieu te sparen (zie pagina 12)).
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling
schoon na ritten in water en modder.
•
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
Algemene informatie
•
Laat de motor niet stationair lopen, maar
rijd zo snel mogelijk met lichte belasting.
•
Een koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
•
Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
•
Gebruik geen winterbanden op sneeuwvrije wegen.
•
Verwijder de lastdrager wanneer u deze
niet nodig hebt.
•
Gebruik bij koud weer de standverwarming* zodat de motor sneller op temperatuur komt.
05
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de rem-
214
Laat de auto niet langdurig in water staan dat
tot boven de dorpelbalken komt om elektrische
storingen te voorkomen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator na het
afzetten van de motor nog enige tijd kan
blijven werken.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten tijdens ritten bij extreem warm weer.
Bij waterpartijen dieper dan 25 cm kan er
water in de transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen
daarbij af, waardoor de genoemde systemen minder lang meegaan.
•
Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmotoren), wanneer u met een aanhanger of caravan achter de auto in heuvelachtig gebied rijdt. De olietemperatuur kan
te hoog oplopen.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten – sleep de auto
uit de waterpartij naar een erkende Volvowerkplaats. Kans op motorschade.
Motor en koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een zware
lading, bestaat het gevaar dat de motor en het
koelsysteem oververhit raken. Doe het volgende om te voorkomen dat de motor oververhit raakt:
Geopende achterklep
Rijd niet met een geopende achterklep. Rijd
alleen een kort stukje, als u geen andere keus
hebt. Doe alle ruiten dicht, stuur de lucht naar
de voorruit en de vloer en laat de ventilator op
de hoogste snelheid draaien.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 215
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de bagageruimte de passagiersruimte in worden gezogen.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten de
accu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in sleutelstand II
staan, wanneer u de motor hebt afgezet.
Gebruik liever sleutelstand I, omdat er op die
manier minder stroom wordt afgenomen.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
•
•
•
•
Voorbereidingen bij lange reizen
•
Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
•
Controleer alle lampen en de profieldiepte
van de banden.
•
In sommige landen bent u wettelijk verplicht een gevarendriehoek mee te nemen.
Rijden tijdens de winter
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder
op het volgende:
•
ruitenwisser
audiosysteem (hoog volume)
stadslicht
Controleer of de motor naar behoren functioneert en of het brandstofverbruik in orde
is.
•
interieurventilator
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
melding op het display. De energiebesparingsfunctie schakelt bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt de belasting van de accu
door bijvoorbeeld de ventilator lager te zetten
tijdens de koude start af. Voor meer informatie over geschikte oliesoorten (zie
pagina 287).
en het audiosysteem uit te schakelen. U laadt
de accu op door de motor te starten.
de koelvloeistof van de motor moet ten
minste 50 % glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie is de motor
beschermd tot ca. –35 °C. Voor optimale
bescherming tegen vorst is het zaak geen
verschillende soorten glycol met elkaar te
mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk. Wanneer u oliesoorten met een lagere
viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat
de motor bij koud weer gemakkelijker aan
en neemt bovendien het brandstofverbruik
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of
warm weer.
•
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de accu. De accu
wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
•
Giet ruitensproeiervloeistof in het sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming te voorkomen.
05
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of
ijs adviseert Volvo u om de auto rondom van
winterbanden te voorzien.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn
niet in alle landen toegestaan.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de nieuwe auto bij gladheid
reageert.
215
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 216
05 Tijdens het rijden
Tanken
Tanken
Tankdop open-/dichtdraaien
Tankvulklep openen/sluiten
Brandstof tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
WARNING! ACHTUNG!
AVERTISSEMENT!
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
05
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel. De vulklep zit in het rechter
achterspatbord, zoals de pijl in het symbool
op het informatiedisplay al aangeeft.
Sluit de klep door deze dusdanig in te drukken
dat u een klik hoort.
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam
open.
Breng na het tanken de tankdop weer aan en
draai deze zo ver dicht dat u één of meer klikken hoort.
N.B.
Als de tankdop niet goed vastgedraaid is of als de motor loopt tijdens het
tanken, gaat het lampje voor een storing in
het uitlaatgasreinigingssysteem mogelijk
branden. Dit heeft echter geen gevolgen
voor de prestaties van de auto.
216
G021461
G021459
G031391
Tankvulklep handmatig openen
De tankvulklep kan handmatig worden
geopend, als openen met de schakelaar in de
passagiersruimte niet mogelijk is.
1. Open het zijluikje in de kofferbak (aan de
kant van de tankvulklep).
2. Zoek de groene kabel met handgreep op.
3. Trek deze recht naar achteren totdat de
tankvulklep met een duidelijke klik wordt
geopend.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 217
05 Tijdens het rijden
Brandstof
Algemene informatie over brandstof
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een
nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Mocht u toch brandstof in de ogen krijgen,
neem dan eventuele contactlenzen uit en
spoel de ogen ten minste 15 minuten lang
met een ruime hoeveelheid schoon water en
roep medische hulp in.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol, mengsels ervan
en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen
bij inwendig gebruik aanleiding geven tot
blijvend letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Roep onmiddellijk medische hulp in bij het
inslikken van brandstof.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. De beltoon kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
BELANGRIJK
Het gebruik van andere brandstoffen dan
Volvo adviseert voor de verschillende
motortypes kan aanleiding geven tot motorschade en slechtere prestaties.
Bij het gebruik van andere brandstoffen vervallen tevens de Volvo-garanties en eventuele aanvullende onderhoudsovereenkomsten.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.
Benzine
De benzine moet voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren lopen op benzine
met een octaangetal van 95 en 98 RON.
Gebruik benzine met een octaangetal van
91 RON alleen bij wijze van hoge uitzondering.
•
95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
•
98 RON wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
05
BELANGRIJK
•
Tank alleen loodvrije benzine om
schade aan te katalysator te voorkomen.
•
Giet nooit alcohol bij de benzine, omdat
het brandstofsysteem daardoor schade
kan oplopen en de Volvo-garantie vervalt.
•
Giet geen additieven (dopes) in de benzine zonder het uitdrukkelijke advies
van Volvo.
``
217
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 218
05 Tijdens het rijden
Brandstof
Katalysatoren
Dieselolie
De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor in
het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen.
De dieselolie moet voldoen aan de norm NENEN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreinigingen zoals een te
hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen
gebruik van dieselolie van gerenommeerde
oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van
twijfelachtige kwaliteit in de tank.
De katalysatoren bestaan uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben
een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen
een chemische reactie zonder dat ze daar zelf
actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
05
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
1
218
Bij lage temperaturen (–6 °C tot –40 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot
startproblemen leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie
bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen
rond het vriespunt. Deze dieselolie is dunner bij
lage temperaturen en beperkt de kans op vlokvorming in het brandstofsysteem.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid RME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie.
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen:
•
•
•
•
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
RME 1 (koolzaadmethylester) of plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
Wanneer u de tank leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden.
Het brandstofsysteem wordt automatisch ontlucht, als de contactsleutel ca. 60 seconden
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 219
05 Tijdens het rijden
Brandstof
lang in stand II (zie pagina 72) staat voordat u
een nieuwe startpoging doet.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aanleiding geven tot motorstoringen.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er vervuilde brandstof is
gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter,
waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te
verbranden en het filter te legen wordt een
zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet
de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregenereerd. De regeneratie duurt normaal
10–20 minuten. Bij een lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer duren. Gedurende de
regeneratie kan het brandstofverbruik iets stijgen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht de oranje waarschuwingsdriehoek op het instrumentenpaneel op en
verschijnt de melding Roetfilter vol Zie
instructieb. op het display van het instrumentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden tot de motor voldoende op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog ca.
20 minuten verder.
Wanneer het filter geregenereerd is, wordt de
waarschuwingsmelding automatisch gewist.
Gebruik bij koud weer de standverwarming*
zodat de motor sneller op bedrijfstemperatuur
komt.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met roetdeeltjes
gevuld is, vertoont de motor soms startproblemen. Het filter is dan onbruikbaar geworden. Het is in dat geval mogelijk dat u het
filter moet vervangen.
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
Het gebruik van extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Tabel,
zie pagina 291.
Ook de rijstijl en andere niet-technische factoren kunnen van invloed zijn op het brandstofverbruik.
05
Bij gebruik van brandstof met een octaangetal
van 91(RON), neemt het brandstofverbruik toe
terwijl het motorvermogen lager wordt.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
219
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 220
05 Tijdens het rijden
Lading vervoeren
Het laadvermogen is afhankelijk van wat er op
de auto gemonteerd is, zoals een trekhaak,
lasdragers of een skibox. De laadcapaciteit van
de auto moet tevens worden verminderd met
het gewicht van het aantal inzittenden.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Lading vervoeren in bagageruimte
•
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning van de stoel ervoor.
•
Breng brede voorwerpen in het midden
aan.
•
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan.
05
220
•
Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
•
Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing bij een snelheid van 50 km/h zich kan
gedragen als een voorwerp met een gewicht
van 1000 kg.
Ruggedeelte achterbank omklappen
Om het in- en uitladen van de bagageruimte te
vereenvoudigen kunt u de ruggedeelten van de
achterbank neerklappen, zie pagina 76.
Bagage verankeren
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
WAARSCHUWING
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding
mogelijk geen bescherming meer. Zorg dat
de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt. Bij krachtig remmen kan de bagage
anders gaan schuiven en inzittenden verwonden.
G031966
Algemene informatie
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen met iets zachts af.
Zet de motor af en zet de parkeerrem aan
bij het in- en uitladen van lange voorwerpen!
Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen
de versnellingspook of keuzehendel aan
komen en zo per ongeluk een versnelling
inschakelen, waarna de auto kan gaan rollen.
Op elk van de hoeken in de bagageruimte zitten bevestigingspunten voor het verankeren
van lading.
WAARSCHUWING
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die
in de weg liggen of uitsteken kunnen bij een
krachtige remmanoeuvre verwondingen
veroorzaken.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 221
05 Tijdens het rijden
Bagageruimte
Veiligheidsnet*
Houder voor boodschappentassen*
WAARSCHUWING
Ook bij correcte montage van het veiligheidsnet moet de bagage in de bagageruimte altijd goed worden verankerd.
Aanbrengen
G034213
G017745
N.B.
Houder voor boodschappentassen onder het
vloerluik.
Het veiligheidsnet wordt aan vier bevestigingspunten vastgezet.
Met de houder voor boodschappentassen kunt
u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat
ze omvallen en hun inhoud over de vloer van
de bagageruimte verspreiden.
Een veiligheidsnet voorkomt dat bagage of
huisdieren in de bagageruimte bij krachtig
afremmen de passagiersruimte in worden
geslingerd. U moet het veiligheidsnet, uit voorzorg, altijd op de juiste manier bevestigen en
verankeren.
1. Open het luik dat deel uitmaakt van de
vloer in de bagageruimte.
2. Zet de boodschappentassen met de spanband vast.
Het veiligheidsnet is het gemakkelijkst aan
te brengen via een van de achterportieren.
WAARSCHUWING
Controleer altijd of de bovenste bevestigingen van het veiligheidsnet goed zijn aangebracht en of de spanbanden stevig vastzitten.
05
Een beschadigd net mag u niet meer gebruiken.
Het net is gemaakt van stevig nylonmateriaal
en kan op twee verschillende plaatsen in de
auto worden bevestigd:
1. Vouw het veiligheidsnet open en zorg dat
de gedeelde bovenste stang in uitgeklapte
stand geblokkeerd wordt.
•
Montage achterin – achter het ruggedeelte
van de achterbank
•
Montage voorin – achter de rugleuning van
de voorstoelen.
2. Haak het ene uiteinde van de stang vast
aan de voorste of achterste plafondbevestiging, met de sluiting van de spanbanden
naar u toe.
3. Haak het andere uiteinde van de stang vast
aan de plafondbevestiging aan de tegen``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
221
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 222
05 Tijdens het rijden
Bagageruimte
overliggende zijde – de bevestigingshaken
met telescoopveren maken het aanbrengen eenvoudiger.
BELANGRIJK
Als de stoel/rugleuning te hard achteruitgeduwd wordt tegen het veiligheidsnet, kan
het net en/of zijn plafondbevestigingen
beschadigd raken.
- Let erop dat u de bevestigingshaken van
de stang in de voorste eindstand van de
beide plafondbevestigingen duwt.
5. Span het veiligheidsnet aan met de spanbanden.
Demonteren en opbergen
Montage voorin.
05
Montage achterin.
4. Montage achterin: Haak, met het net
bevestigd aan de achterste plafondbevestigingen, de spanbanden van het veiligheidsnet vast in de vloerverankeringsogen
voor in de bagageruimte.
Montage voorin: Haak, met het net bevestigd aan de voorste plafondbevestigingen,
de spanbanden van het veiligheidsnet vast
in de verankeringsogen achter op de stoelrails – dit gaat eenvoudiger als u de rugleuningen rechtop zet en de stoelen iets verder
naar voren zet.
Let erop dat u de stoel/rugleuning niet te
hard tegen het net duwt bij het terugduwen
van de stoel – zorg dat de stoel/rugleuning
het net precies raakt.
Het veiligheidsnet is eenvoudig te demonteren en
in te klappen.
Haal de spanning van het net door de knop
op de sluiting van de spanband in te drukken en de spanband een stukje te vieren.
Duw de borghaak in en neem de beide
haken van de spanband los.
222
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 223
05 Tijdens het rijden
Bagageruimte
Klap de stang in het midden dubbel en rol
het net op.
Het ingeklapte en opgerolde veiligheidsnet kan
worden opgeborgen onder de vloer in de bagageruimte.
BELANGRIJK
Bij montage van een bagagerolhoes is
opklappen/neerklappen van het veiligheidsrek niet mogelijk.
G018369
Aanbrengen
Veiligheidsrek*
Het veiligheidsrek is het makkelijkst neergeklapt met twee personen via de achterportieren aan te brengen en te verwijderen.
Bij het aanbrengen dient de handgreep (zie
afbeelding
– ) aan de voorkant van het
rek te zitten.
05
G031978
G018367
N.B.
Opklappen
Pak het veiligheidsrek helemaal onderaan beet
en trek het naar achteren/omhoog.
G018368
Een veiligheidsrek voorkomt dat bagage of
huisdieren in de bagageruimte bij krachtig
afremmen de passagiersruimte in worden
geslingerd. U moet het veiligheidsrek uit voorzorg altijd op de juiste manier bevestigen en
verankeren.
Om het veiligheidsrek te kunnen monteren
dient u de ruggedeelten neer te klappen, zie
pagina 76.
Zet de handgreep in de montagestand (zie
afbeelding). Om de handgreep in deze
stand te kunnen draaien moet u de handgreep licht indrukken (zie pijl).
Duw de gasveer op het rek vast en breng
het rek in de plafondbevestiging aan.
Draai de handgreep 90°
. Breng zo
nodig lichte druk aan (zie afbeelding (1)).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
223
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 224
05 Tijdens het rijden
Bagageruimte
Klem het rek vast door de handgreep 90°
te verdraaien.
Bagagerolhoes aanbrengen
Breng het ene eindstuk van de rolhoes aan
in de holte van het zijpaneel.
Verwijderen
Breng het andere eindstuk van de rolhoes
aan in de tegenoverliggende holte.
Om het rek te verwijderen moet u de punten
onder het kopje “Aanbrengen” in omgekeerde
volgorde uitvoeren.
Duw beide kanten vast. De rolhoes moet
hoorbaar vastklikken en de rode markering
moet verdwijnen.
> Controleer of beide eindstukken vergrendeld zijn.
Bagagerolhoes*
Bagagerolhoes verwijderen
G031977
05
Trek de bagagerolhoes over de lading heen uit
en haak de hoes vast in de openingen die bij
de achterste stijlen van de laadruimte zitten.
BELANGRIJK
Bij montage van de bagagerolhoes is
opklappen/neerklappen van het veiligheidsrek niet mogelijk.
224
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Lange lading
Voor het vervoer van extra lange lading kunt u
ook de rugleuning van de passagiersstoel
omklappen, zie pagina 74.
Lading op het dak
Lastdragers gebruiken
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden, wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo ontwikkeld zijn.
1. Duw op de knop van het ene eindstuk en
til het uit de holte.
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
2. Kantel de rolhoes voorzichtig omhoog en
naar buiten, zodat het andere eindstuk
automatisch loskomt.
•
Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
•
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
Bij een opgerolde bagagerolhoes steekt de
dekplaat achter aan de rolhoes horizontaal iets
uit in de bagageruimte.
•
Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
±
•
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
Achterste dekplaat bagagerolhoes
omlaagklappen
Trek de dekplaat voorzichtig naar achteren
van de consoles af en klap de plaat
omlaag.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 225
05 Tijdens het rijden
Bagageruimte
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto.
Voor informatie over de maximale dakbelasting, inclusief lastdragers en een eventuele skibox, zie pagina 284.
05
225
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 226
05 Tijdens het rijden
Gevarendriehoek
Neem de gevarendriehoek uit de houder,
klap de driehoek uit en bevestig de twee
losse zijden aan elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek*. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op
om achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek na
gebruik stevig in de bagageruimte vastzit.
EHBO-set
05
Til de vloermat op en haal de gevarendriehoek tevoorschijn.
226
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Onder de vloer in de bagageruimte ligt een
EHBO-set
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 227
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd,
wordt de auto compleet aangeleverd met de
benodigde randuitrusting voor het gebruik van
een aanhanger.
•
De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
•
Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om
te controleren of uw auto van de nodige
uitrusting is voorzien om met een aanhanger te kunnen rijden.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
de positie van de bandenspanningstabel,
zie pagina 275.
•
Maak de trekhaak regelmatig schoon en
vet de kogel van tijd tot tijd in.
•
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
•
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
•
Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
•
Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kan de motor oververhit
raken. Als de temperatuur in het koelsysteem van de motor te hoog oploopt, gaat
het waarschuwingslampje branden en verschijnt op het informatiedisplay de melding
Motortemp. hoog Stop auto z.s.m..
Breng de auto in dat geval zo spoedig
mogelijk tot stilstand en laat de motor
enkele minuten stationair lopen zodat deze
kan afkoelen. Als de melding Motortemp.
hoog Zet motor af of Koelvl.peil laag
Zet motor af verschijnt, dient u nadat de
auto tot stilstand is gekomen ook de motor
af te zetten.
•
De automatische versnellingsbak is voorzien van een ingebouwde beveiliging die bij
oververhitting in werking treedt. Als de
temperatuur in de versnellingsbak te hoog
oploopt, gaat het waarschuwingslampje
branden en verschijnt op het informatiedisplay de melding Versn.bak heet Rijd
langzamer of Versn.bak heet Stop auto
z.s.m.. Volg in dat geval het advies op en
matig uw snelheid of breng de auto op een
veilige plek tot stilstand om de motor
enkele minuten stationair te laten lopen
zodat de versnellingsbak kan afkoelen. Bij
oververhitting is het mogelijk dat de airconditioning tijdelijk wordt uitgeschakeld.
•
Rijd om veiligheidsredenen niet sneller dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
•
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
Trekhaakbedrading
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een 7polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
05
Richtingaanwijzers aanhanger
Het symbool op het instrumentenpaneel knippert wanneer u de richtingaanwijzers gebruikt
met een aanhanger achter de auto. Als het
symbool sneller knippert dan normaal is een
van de richtingaanwijzers op de auto of op de
aanhangwagen kapot, zie pagina 69.
Automatische versnellingsbak
Op een helling parkeren
1. Activeer de parkeerrem.
2. Zet de keuzehendel in stand P.
Op een helling wegrijden
1. Zet de keuzehendel in stand D.
``
227
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 228
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
2. Los de parkeerrem.
WAARSCHUWING
Steile hellingen
Schakel geen hogere, handmatige versnelling in dan de motor “aankan”. Rijden in
hoge versnellingen is niet altijd zuinig.
•
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 15 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Niveauregeling
05
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling nemen de achterste schokdempers tijdens het rijden altijd dezelfde rijhoogte in ongeacht de belading (tenzij het
maximaal toelaatbare gewicht wordt overschreden). Wanneer de auto stilstaat, zakt de
achtertrein omlaag. Dit is volkomen normaal.
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het monteren van het kogelsegment zorgvuldig worden opgevolgd, zie pagina 229.
WAARSCHUWING
Let op het volgende als uw auto is uitgerust
met de afneembare trekhaak van Volvo:
•
Volg de montagevoorschriften voor het
kogelsegment nauwkeurig op.
•
Zorg dat het kogelsegment met de sleutel vergrendeld is voordat u begint te
rijden.
•
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Belangrijke controlepunten
•
228
Kogelsegment opbergen
Trekhaak
Aanhangergewichten
Let erop dat er op grond van de wetgeving voor
motorvoertuigen in uw land verdere beperkingen van het aanhangergewicht en de snelheid
kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat
de trekhaak gespecificeerd is voor hogere
gewichten dan het maximaal toelaatbare aanhangergewicht van de auto. Voor het maximaal
toelaatbare aanhangergewicht dat Volvo hanteert, zie pagina 286.
N.B.
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper
gebruikt, hoeft de kogel niet te worden ingevet.
U moet de kogel van het kogelsegment
regelmatig schoonmaken en met vet
insmeren.
G031713
•
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
Opbergruimte kogelsegment.
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd het kogelsegment
los en berg het op de daarvoor bestemde
plaats op, goed vastgezet met de bijbehorende riem.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 229
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
Kogelsegment aanbrengen
Specificaties
H
C
G031973
A
1013
B
69
C
855
D
428
E
109
F
296
G
Langsligger
H
Middelpunt kogel
Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
recht naar achteren te trekken
.
05
G021487
F
Afmetingen, bevestigingspunten
(mm)
B
A
E
G031974
G021485
G
G018928
D
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
``
229
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 230
05 Tijdens het rijden
Het controlevenster moet rood van kleur
zijn.
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
G021494
G021490
G021488
Rijden met een aanhanger
Controleer of het kogelsegment vastzit
door het stevig omhoog, omlaag en naar
achteren te bewegen.
WAARSCHUWING
05
Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
230
G000000
G021489
Als het kogelsegment niet goed zit, moet u
het verwijderen en het opnieuw monteren
zoals eerder werd beschreven.
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst. Houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 231
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
WAARSCHUWING
G021495
Zet het losse kogelsegment goed vast, wanneer u het in de auto bewaart (zie
pagina 228).
Veiligheidskabel.
Druk de vergrendelingsknop
in en draai
totdat u een klik hoort.
deze linksom
G018929
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
Duw de afdekking er zo ver op dat deze
vastklikt.
05
Trailer Stability Assist (TSA)
Kogelsegment verwijderen
Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
Het TSA-systeem (Trailer Stability Assist) heeft
tot taak de auto met een aanhanger/caravan te
stabiliseren wanneer de combinatie de neiging
tot pendelbewegingen vertoont.
De TSA-regeling maakt deel uit van het DSTCsysteem (Dynamic Stability and Traction
Control), zie pagina 154.
Functie
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
Bij alle combinaties van auto en aanhanger/
caravan kan het bekende verschijnsel met pen``
231
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 232
05 Tijdens het rijden
Rijden met een aanhanger
delbewegingen optreden. Doorgaans treedt
het verschijnsel pas bij zeer hoge snelheden
op. Als de aanhanger/caravan echter overmatig beladen is of als het gewicht van de lading
verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld te ver naar
achteren), bestaat er ook op lagere snelheden
van 70–90 km/h gevaar voor pendelbewegingen.
Een pendelbeweging begint altijd met een van
de onderstaande factoren, zoals:
05
•
De auto met aanhanger/caravan staat
bloot aan rukwinden.
•
De auto met aanhanger/caravan rijdt over
een oneffen wegdek of over hobbels.
•
Grote stuurbewegingen.
Bediening
Een pendelbeweging is vaak niet of nauwelijks
te dempen, waardoor de combinatie moeilijk
bestuurbaar wordt en het gevaar bestaat op de
verkeerde weghelft of naast de weg te belanden.
Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen van de auto in de gaten en dan met name
de dwarsbewegingen. Als een neiging tot pendelbewegingen geregistreerd wordt, worden
de voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig
afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd
wordt. Vaak is dit voldoende om de auto weer
onder controle te krijgen.
232
Als de pendelbeweging ondanks de eerste
ingreep van het TSA-systeem niet wordt
gedempt, worden alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de
motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging
vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de
combinatie weer stabiel is, beëindigt het TSAsysteem de regeling waarna u de auto weer
volledig onder controle hebt.
Overig
Het TSA-systeem kan ingrijpen bij snelheden
van 60–160 km/h.
N.B.
Als u ervoor kiest om het DSTC-systeem uit
te schakelen (te beperken), wordt ook het
TSA-systeem uitgeschakeld (zie
pagina 154).
Het TSA-systeem grijpt mogelijk niet in als u
met grote stuurbewegingen de pendelbeweging zelf tracht op te heffen, aangezien het
TSA-niet dan niet kan bepalen of de pendelbeweging wordt veroorzaakt door de aanhanger/caravan of door de bestuurder.
Wanneer het TSA-systeem actief is,
knippert het DSTC-symbool op het
instrumentenpaneel.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 233
05 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
Slepen
WAARSCHUWING
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor slepen.
Het stuurslot blijft in de stand staan die het
had toen de spanning werd verbroken. Het
stuurslot moet worden opgeheven, voordat
u de auto sleept. Het contactslot moet in
stand II staan. Neem de transpondersleutel
nooit tijdens het rijden of slepen uit het contactslot.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot om het stuurslot op te heffen zodat
de auto bestuurbaar wordt (zie pagina 72).
2. Laat de transpondersleutel tijdens het slepen in het contactslot zitten.
WAARSCHUWING
3. Zorg om schokken te voorkomen dat de
sleepkabel altijd strak staat door met uw
voet lichte druk op het rempedaal uit te
oefenen.
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
4. Sta klaar om te remmen om de auto tot
stilstand te brengen.
Handgeschakelde versnellingsbak
WAARSCHUWING
Steek voordat de auto wordt versleept de
transpondersleutel in het contactslot om het
stuurslot op te heffen (zodat de auto
bestuurbaar wordt).
±
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de handrem.
Automatische versnellingsbak
±
Zet de keuzehendel in stand N en los de
handrem.
BELANGRIJK
Let erop dat u de auto altijd dusdanig wegsleept dat de wielen in de rijrichting draaien.
•
De snelheidslimiet voor het wegslepen
van een auto met automatische versnellingsbak is 80 km/h. U mag de auto over
een afstand van maximaal 80 km verslepen.
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik
een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden gestart
(zie pagina 100).
05
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
Sleepoog
Gebruik het sleepoog als de auto over de weg
moet worden versleept. Bevestig het sleepoog
in de opening rechts in de bumper.
Draai het sleepoog na het gebruik weer los en
leg het op zijn opbergplaats terug.
``
233
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 234
05 Tijdens het rijden
Slepen en bergen
Schroef het sleepoog stevig tot aan de
flens vast. Gebruik de wielsleutel om het
sleepoog vast te draaien.
Sleepoog aanbrengen
N.B.
Bij sommige auto’s met een afneembare
trekhaak kunt u het sleepoog niet in de achterste bevestiging aanbrengen wanneer het
kogelsegment gemonteerd is. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak.
Neem het sleepoog tevoorschijn dat onder
het vloerluik in de bagageruimte ligt.
> Het sleepoog ligt in bepaalde gevallen
verborgen onder de dorpel.
Om die reden wordt geadviseerd het kogelsegment van de afneembare trekhaak in de
auto te bewaren, wanneer u de trekhaak niet
nodig hebt.
05
Bergen
BELANGRIJK
Let erop dat u de auto altijd dusdanig wegsleept dat de wielen in de rijrichting draaien.
G031971
•
Maak de onderkant van de afdekking los
met een schroevendraaier of een muntstuk.
234
Voor auto’s met vierwielaandrijving
(AWD) gelden, bij het bergen met een
geheven vooras, zowel een maximale
snelheid van 70 km/h als een maximale
afstand van 50 km.
WAARSCHUWING
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging. Roep professionele hulp in voor berging.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 235
05 Tijdens het rijden
05
235
Motorruimte...........................................................................................
Gloeilampen..........................................................................................
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof...............................................
Accu......................................................................................................
Zekeringen............................................................................................
Wielen en banden.................................................................................
Verzorging.............................................................................................
Type-aanduidingen...............................................................................
Specificaties..........................................................................................
Typegoedkeuring..................................................................................
236
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 236
238
244
251
253
256
264
277
282
284
292
G020922
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
ONDERHOUD EN SPECIFICATIES
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 237
06
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 238
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
Algemene informatie
Serviceprogramma van Volvo
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Laat service- en
reparatiewerkzaamheden door een erkende
Volvo-werkplaats uitvoeren. Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken
waardoor zij u een zo hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
een informatiesymbool branden, zie
pagina 68.
WAARSCHUWING
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
Haal de borghaak naar links om de motorkap te openen. (De borghaak zit tussen de
koplamp en de grille zoals afgebeeld.)
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
Motorkap openen en sluiten
Motorruimte, overzicht
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
06
G031910
BELANGRIJK
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig de volgende oliën en
vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
238
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte
er anders uitzien.
Koelvloeistof
Motorolie
G031911
•
•
•
•
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Ruitensproeiervloeistof
Trek aan de handgreep bij de pedalen.
Wanneer de motorkap ontgrendeld is, gaat
Expansiereservoir voor koelsysteem
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 239
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
Peilstok voor motorolie
Oliepeil motor controleren
BELANGRIJK
Radiateur
Vulopening voor motorolie
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(auto met stuur links)
Accu
Relais- en zekeringenkastje, motorruimte
G021733
Vulopening voor ruitensproeiervloeistof
Luchtfilter.
Sticker met oliekwaliteit.
WAARSCHUWING
Het ontstekingssysteem werkt zeer hoge
spanningen op. De spanning van het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd
daarom altijd contactslotstand 0 aan bij
werkzaamheden in de motorruimte (zie
pagina 72).
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het contactslot in stand II staat of als de
motor warm is.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol. Zie
voor ritten onder ongunstige omstandigheden
de aanbevelingen van Volvo, zie pagina 287.
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. Om de
aanbevolen service-intervallen aan te kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat zowel
bij het bijvullen als verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten. Volvo Car Corporation wijst alle
garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
06
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een lage
oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien van
een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van
een waarschuwingslampje voor de oliedruk. Bij
modellen met een olieniveausensor wordt
gewaarschuwd met een waarschuwingssymbool midden op het instrumentenpaneel en
met displayteksten. Op bepaalde modellen zijn
beide systemen aanwezig. Neem voor meer
``
239
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 240
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
informatie contact op met een erkende Volvowerkplaats.
Vulopening en peilstok
Houd voor het verversen en het vervangen de
intervallen aan die staan aangegeven in het
Service- en garantieboekje.
BELANGRIJK
G031914
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst.
Benzinemotor.
06
De betrouwbaarste meting wordt verkregen bij
een koude motor vóór de start. Meteen na het
afzetten van de motor krijgt u een verkeerd
resultaat. De peilstok geeft dan een te laag peil
aan, omdat de olie geen tijd heeft gehad om
terug te lopen naar het oliecarter.
G021737
Gebruik voor het bijvullen van olie een oliesoort van dezelfde kwaliteit en met dezelfde
viscositeit (zie pagina 289).
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
Parkeer de auto op een vlakke ondergrond, zet
de motor af en wacht ten minste
10 tot 15 minuten zodat de olie weer kan teruglopen in het oliecarter. Voor de bij te vullen
hoeveelheid, zie pagina 287 en verder.
Oliepeil controleren bij een koude motor
1. Veeg de peilstok schoon.
G031915
2. Controleer het peil met de peilstok. De olie
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Dieselmotor.
240
3. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje
dan bij het MIN-streepje op de peilstok ligt.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 241
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
BELANGRIJK
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAXstreepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
Koelvloeistof
BELANGRIJK
Koelvloeistof controleren en bijvullen
WAARSCHUWING
Oliepeil controleren bij een
warmgelopen motor
1. Veeg de peilstok schoon.
G031918
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
•
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit, zie
pagina 289. Gebruik bij twijfel over de
waterkwaliteit altijd een kant-en-klare
koelvloeistof volgens de aanbevelingen
van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof, zie pagina 289.
2. Controleer het oliepeil met de peilstok.
3. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje
dan bij het MIN-streepje op de peilstok ligt.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
neemt toe, zowel wanneer de concentratie
koelvloeistof te laag is als wanneer deze te
hoog is. Voor de hoeveelheden, zie
pagina 289.
•
06
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De temperaturen kunnen plaatselijk hoog oplopen,
wat schade (scheurvorming) aan de
cilinderkop kan veroorzaken.
``
241
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 242
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem dusdanig hoog
oplopen dat er gevaar voor motorschade ontstaat.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor op bedrijfstemperatuur is, moet u langzaam de dop
van het expansiereservoir losdraaien om de
overdruk te laten ontsnappen.
klimaat en een hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad, moet u de remvloeistof ieder jaar
verversen.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies
controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
Bijvullen
1. Open het deksel dat in de dekplaat zit door
het te verdraaien.
2. Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan (aan de binnenkant van het reservoir).
BELANGRIJK
Vergeet niet het deksel terug te plaatsen.
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Rem- en koppelingsvloeistof
Peil controleren
242
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan die aan de buitenkant van het reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil regelmatig.
G031921
06
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of
iedere tweede geplande servicebeurt.
Het vloeistofreservoir zit aan de bestuurderszijde.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit van de remvloeistof, zie
pagina 289. Wanneer u vaak met uw auto in
de bergen rijdt of in landen met een tropisch
Het vloeistofreservoir gaat schuil achter de
dekplaat op de koude zone van de motorruimte. U moet het ronde deksel eerst verwijderen om bij de dop van het reservoir te komen.
BELANGRIJK
Houd bij een controle van het peil in het
reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
het gebied eromheen goed schoon.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 243
06 Onderhoud en specificaties
Motorruimte
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. De
betrouwbaarste meting wordt verkregen bij
een koude motor vóór de start. U hoeft de
vloeistof niet te verversen. De vloeistof moet
tussen het MIN- en MAX-streepje staan. Voor
de aanbevolen vloeistofkwaliteit en de aan te
houden hoeveelheden, zie pagina 289.
N.B.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u
de auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar.
06
243
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 244
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
Algemene informatie
Alle gloeilampen van de auto zijn vermeld, zie
pagina 250. Gloeilampen en puntverlichting
van een bijzonder type of lampen die alleen in
een werkplaats te vervangen zijn:
•
Interieurverlichting aan het plafond, leeslampjes
•
•
•
•
•
•
•
Verlichting dashboardkastje
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
Lamphuis voorzijde
WAARSCHUWING
Schakel altijd het contact uit en neem de
transpondersleutel uit, voordat u gloeilampen vervangt.
Koplamphuis verwijderen
Richtingaanwijzers, buitenspiegels
1. Druk kort op de START-/STOP-knop en
neem de transpondersleutel uit.
Richtingaanwijzers achter
Approach-verlichting
2. (Bovenste afbeelding)
Parkeerlicht
Trek de borgpennen van het lamphuis
omhoog.
G031935
Actieve xenonkoplampen
Leds
het lamphuis via de motorruimte los te maken
en het in zijn geheel te verwijderen.
Trek het lamphuis recht naar voren toe.
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
Als de auto is voorzien van xenonkoplampen, moet u de xenonlamp door een
erkende Volvo-werkplaats laten vervangen.
Omdat de xenonkoplampen voorzien zijn
van een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt, dient u er extra voorzichtig mee om te gaan.
Trek alleen aan de connector en niet aan de
kabel.
3. (Onderste afbeelding)
G031936
06
Alle gloeilampen in de koplamphuizen (behalve
die voor het mistlicht) zijn te vervangen door
244
Koppel de connector van het lamphuis
los door met uw duim de clip omlaag te
duwen.
Trek ondertussen met uw andere hand
de connector los.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 245
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
4. Til het lamphuis naar buiten en leg het op
een zachte ondergrond om krassen op de
lens te voorkomen.
Afdekking verwijderen
Dimlicht, halogeen
5. Vervang de kapotte gloeilamp.
G032356
Lees de tekst op zie pagina 244 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
Ga bij het aanbrengen na of de lange borgpen
vastzit. De pen moet in beide ogen vastzitten.
1. Sluit de connector dusdanig aan dat u een
klik hoort.
2. Plaats het lamphuis terug en breng de
borgpennen aan. Controleer of u ze op de
juiste manier hebt ingebracht.
1. Open de borgklemmen door deze naar buiten te duwen.
2. Trek de afdekking recht naar buiten toe los.
Plaats de afdekking in omgekeerde volgorde
terug.
G032251
G032250
Koplamphuis aanbrengen
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking.
3. Haal de gloeilamp los door de houder
omlaag te duwen.
4. Koppel de connector van de gloeilamp los.
06
5. Breng de nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan zodat deze vastklikt. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
3. Controleer de verlichting.
Het lamphuis moet zijn aangesloten en gemonteerd zijn, voordat u de verlichting inschakelt of
de transpondersleutel in het contactslot steekt.
``
245
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 246
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
06
G032358
Richtingaanwijzers/knipperlichten
G032253
Verstralers, xenon*
G032252
Groot licht, halogeen
1. Haal het koplamphuis los.
1. Haal het koplamphuis los.
1. Haal het koplamphuis los.
2. Verwijder de afdekking.
2. Verwijder de afdekking.
3. Koppel de connector van de gloeilamp los.
3. Koppel de connector van de gloeilamp los.
2. Haal de lamphouder los door deze linksom
te draaien.
4. Trek de lamphouder recht naar buiten toe
los.
4. Trek de lamphouder recht naar buiten toe
los.
5. Vervang de gloeilamp en steek deze in de
lampvoet. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
5. Vervang de gloeilamp en steek deze in de
lampvoet. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
3. Trek aan de lamphouder om de gloeilamp
tevoorschijn te halen.
4. Haal de kapotte gloeilamp los door deze in
te duwen en linksom te draaien.
5. Breng een nieuwe gloeilamp aan door de
lamp omlaag te duwen en rechtsom te
draaien.
6. Breng de lamphouder aan en draai deze
rechtsom.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
246
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 247
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
1. Haal het koplamphuis los.
Verwijder de afdekking door de bovenste hoek
ervan, die aan de kant van de grille (zie bovenstaande afbeelding) naar buiten te trekken.
2. Draai lamphouder linksom en verwijder
deze.
1. Trek de afdekking vervolgens recht naar
buiten, naar het midden van de auto toe
(zie bovenstaande afbeelding).
3. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de
nieuwe aan. U kunt hem slechts op één
manier terugplaatsen.
2. Draai het boutje van het lamphuis los en
verwijder de mistlamp.
4. Breng de lamphouder in de lampvoet aan
en draai deze rechtsom.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
G032359
G032357
Lees de tekst op zie pagina 244 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
Mistachterlicht
G031937
Mistlampen voorzijde
Sidemarker
Het mistachterlicht is vanaf de achterkant van
de bumper te bereiken
1. Haal de lamphouder los door deze linksom
te draaien.
2. Haal de kapotte gloeilamp los door de
lamp in te duwen en linksom te draaien.
3. Draai gloeilamp linksom en verwijder deze.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan door de
lamp omlaag te duwen en rechtsom te
draaien.
4. Breng een nieuwe gloeilamp aan en draai
deze rechtsom vast.
4. Breng de lamphouder aan en draai deze
rechtsom.
06
5. Plaats de lamphouder terug. Zorg dat het
opschrift TOP op de lamphouder omhoogwijst.
``
247
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 248
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
G032485
G031939
Lampglas, rechterzijde
Achterlicht (led)/Sidemarker
Zijreflector, achteraan
Remlichten
06
Achteruitrijlicht
Richtingaanwijzer
Remlicht (led)
Kentekenplaatverlichting
Remlichten en achteruitrijlichten
De gloeilampen van zowel de remlichten als de
achteruitrijlichten zijn via de bagageruimte te
vervangen.
1. Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
1. Open het paneel.
2. Haal voorzichtig het complete lamphuis los
en trek het naar buiten.
2. Haal de lamphouder los door deze linksom
te draaien.
3. Vervang de gloeilamp.
3. Haal de kapotte gloeilamp los door deze in
te duwen en linksom te draaien.
4. Breng een nieuwe gloeilamp aan door de
lamp omlaag te duwen en rechtsom te
draaien.
5. Breng de lamphouder aan en draai deze
rechtsom.
248
G031940
Positie gloeilampen achterlamphuis
4. Plaats het complete lamphuis terug en
draai de boutjes vast.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 249
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
Bagageruimteverlichting
Instapverlichting
Verlichting make-upspiegel
G031943
G031942
G031941
Spiegelglas verwijderen
Lees de tekst op zie pagina 244 door alvorens
een gloeilamp te vervangen.
1. Steek een schroevendraaier achter de
korte kant van de lens die naar de middenconsole wijst en verdraai de schroevendraaier iets, zodat de lens loskomt (geldt
voor beide lampjes).
2. Draai voorzichtig totdat de lens loskomt.
3. Vervang de gloeilamp.
4. Plaats de lens terug.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en wrik deze iets heen en weer,
zodat het lamphuis loskomt.
2. Vervang de gloeilamp.
3. Controleer of de gloeilamp werkt en druk
het lamphuis weer vast.
1. Steek in het midden aan de onderkant een
schroevendraaier achter het glas om het
borgnokje aan de rand voorzichtig los te
werken.
2. Steek de schroevendraaier aan zowel de
linker- als de rechterzijde achter het glas
(bij de zwarte rubberdelen) en wrik voorzichtig, zodat het glas aan de onderkant
loskomt.
06
3. Maak het spiegelglas voorzichtig los en
verwijder het compleet met afdekklep.
4. Vervang de gloeilamp.
``
249
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 250
06 Onderhoud en specificaties
Gloeilampen
Spiegelglas aanbrengen
1. Duw de drie borgnokjes aan de bovenkant
van het spiegelglas terug.
2. Duw vervolgens de onderste drie nokjes
vast.
Specificatie gloeilampen
Verlichting
06
Vermogen
(W)
Type
Verstralers, xenon,
ABL
65
H9
Dimlicht, halogeen
55
H7 LL
Groot licht, halogeen
65
H9
Richtingaanwijzers
voorzijde
21
PY21W
Mistlampen voorzijde
35
H8
Instap-, bagageruimte-, kentekenplaatverlichting
5
Buislampje
Make-upspiegel
SV8,5
1,2
Buislampje
SV5,5
250
Verlichting
Vermogen
(W)
Type
Sidemarkers voorzijde
5
W3WLL
Verlichting dashboardkastje
5
Buislampje
SV8,5
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 251
06 Onderhoud en specificaties
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
Wisserbladen
Voor meer informatie over de wissers en
sproeiers, zie pagina 89.
Servicestand
G021761
Om de wisserbladen te kunnen vervangen of
schoonmaken moet u ze eerst in de servicestand zetten.
G021763
1. Zet de transpondersleutel in stand 0, zie
pagina 72, maar laat de sleutel in het contactslot zitten.
2. Duw de rechter stuurhendel
ca. 1 seconde lang omhoog. De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan.
N.B.
G021762
Een volgende keer dat u de auto start nemen
de ruitenwissers de ruststand weer in.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
Wisserbladen vervangen
Haal de wisserarm van de ruit af. Druk op
de knop die op de wisserbladhouder zit en
trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los.
06
G021760
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar
binnen dat u een klik hoort.
Controleer of het blad goed vastzit.
``
251
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 252
06 Onderhoud en specificaties
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof
Wisserbladen vervangen, achterklep
Voor de hoeveelheden, zie pagina 289.
BELANGRIJK
Controleer de wisserbladen regelmatig. Bij
achterstallig onderhoud gaan de wisserbladen minder lang mee.
G032770
Vulopening voor
ruitensproeiervloeistof
1. Trek de wisserarm recht naar buiten toe
van de voorruit af.
06
3. Draai het wisserblad linksom om de aanslag op de wisserarm als hefboom te
gebruiken zodat het wisserblad makkelijker loskomt.
4. Duw het nieuwe wisserblad vast. Controleer of het goed vastzit.
5. Klap de wisserarm terug.
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie pagina 277.
252
G031927
2. Pak het wisserblad aan de binnenkant (bij
de pijl) beet.
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
BELANGRIJK
Gebruik tijdens de wintermaanden ruitensproeier-antivries in het reservoir om te
voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het
reservoir en de slangen bevriest.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 253
06 Onderhoud en specificaties
Accu
Waarschuwingssymbolen op de accu
Vermijd vonken en open
vuur.
Draag een veiligheidsbril.
BELANGRIJK
Gebruik nooit een snellader voor het opladen van de accu.
WAARSCHUWING
Explosiegevaar.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat
bij de auto hoort.
N.B.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
Zamel oude accu’s op een milieuvriendelijke manier in, omdat ze lood bevatten.
Gebruik
De accu bevat een bijtend
zuur.
•
Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
•
Koppel de accu nooit los, wanneer de
motor draait.
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst,
moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in uw
ogen krijgt.
N.B.
06
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
``
253
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 254
06 Onderhoud en specificaties
Accu
Vervangen
WAARSCHUWING
Zorg dat u de plus- en minkabels in de juiste
volgorde loskoppelt en/of aansluit.
G021768
Verwijderen
Koppel de zwarte minkabel los
Koppel de rode pluskabel los
Koppel de ontluchtingsslang van de accu
los
Draai het boutje los waarmee de accuklem
vastzit.
G021769
Haal de accu opzij en til deze op.
06
Aanbrengen
Schakel het contact uit en wacht 5 minuten.
Haal de clips op de voorste dekplaat los en
verwijder de dekplaat.
Haal de rubber strip los om de achterste
afdekking bloot te leggen.
G021771
Neem de achterste afdekking los door
deze een kwartslag te verdraaien en vervolgens op te tillen.
1. Laat de accu in de accubak zakken.
254
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 255
06 Onderhoud en specificaties
Accu
2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig
opzij totdat de accu tegen de achterkant
van de accubak aankomt.
3. Schroef de accu vast met het boutje in de
steun.
4. Sluit de ontluchtingsslang aan.
5. Sluit de rode pluskabel aan.
6. Sluit de zwarte minkabel aan.
7. Duw de achterste afdekking vast (zie Verwijderen).
8. Plaats de rubber strip terug (zie Verwijderen).
9. Plaats de voorste afdekking terug en
bevestig deze met de clips (zie Verwijderen).
06
255
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 256
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Algemene informatie
Positie zekeringenkastjes
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een storing vertoont. Bezoek
in dat geval een erkende Volvo-werkplaats
voor een controle.
Vervangen
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
06
Positie van de zekeringenkastjes, auto met het
stuur links.
Bij auto’s met het stuur rechts zit het zekeringenkastje,
, onder het dashboardkastje aan
de andere kant.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
Onder dashboardkastje
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
Kofferbak
WAARSCHUWING
Vervang een zekering nooit door vreemde
voorwerpen of een zekering met een hoger
amperage dan gespecificeerd is. Anders
zijn aanzienlijke schade aan het elektrische
systeem en brand niet uitgesloten.
256
G031925
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, worden alle verschillende
elektrische functies en onderdelen door een
aantal zekeringen beschermd.
Motorruimte
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 257
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Motorruimte
G025600
G031926
06
``
257
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 258
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Algemene informatie over de zekeringen
in de motorruimte
Functie
A
Hoofdzekering RJBA
KL30
60
Hoofdzekering RJBB
KL30
60
Hoofdzekering RJBD
KL30
50
Motorruimte voorin
Motorruimte onderin
-
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Posities (zie voorgaande afbeelding)
Motorruimte bovenin
Deze zekeringen zitten allemaal in het zekeringenkastje in de motorruimte. De zekeringen in
zitten onder
.
•
06
•
•
1–7 en 42–44 zijn van het type “MidiFuse”
en mogen alleen door een erkende Volvowerkplaats worden vervangen.
8–15 en 34 zijn van het type “JCASE” en
mogen alleen door een erkende Volvowerkplaats worden vervangen.
16–33 en 35–41 zijn van type “MiniFuse”.
Pos.
Functie
A
Hoofdzekering CEM
KL30A
50
Hoofdzekering CEM
KL30B
50
Pos.
PTC-luchtvoorverwarming*
-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
100
30
Standverwarming*
25
Interieurventilator
40
-
-
ABS-pomp
40
ABS-kleppen
20
-
Functie
A
Hoofdzekering CEM
20
Radar, regelmodule ACC*
5
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging
5
Regelmodule motor,
transmissie. SRS
10
Elektrisch verwarmde
sproeikoppen
10
-
-
Verlichtingspaneel
5
Koplampsproeiers
15
12V-aansluiting voor- en
achterin
15
Schuifdak*, Plafondconsole/ECC*
5
Relais box motorruimte
5
Verstralers*
20
Claxon
15
Regelmodule motor
10
-
Ruitenwissers
Koplamphoogteregeling*,
(Active Bi-Xenon*)
258
-
Pos.
10
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 259
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Pos.
Functie
A
Regelmodule automatische versnellingsbak*
15
Compressor AC
15
Relais sproeiers
5
Relais startmotor
30
Bobines
20
Voorgloei-inrichting (5-cil.
diesel)
10
Regelmodule motor, gasklep benzine
10
Regelmodule motor, gasklep diesel
15
Inspuitsysteem, luchtmassameter
15
Motorkleppen
10
EVAP, lambdasonde,
inspuiting (benzine)
15
Lambdasonde (diesel)
10
Pos.
Functie
A
Verwarming dieselfilter,
verwarming carterventilatie (diesel)
15
Gloeibougies (diesel)
Koelventilator
70
80
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
259
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 260
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Onder dashboardkastje
1 2 3
4
5
6
7 8
9 10 11 12 13 14
G032918
15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
1. Klap de interieurbekleding opzij die het
zekeringenkastje afdekt.
06
2. Druk op de vergrendeling van het deksel en
klap het naar boven toe open.
Functie
A
ABS-regeling
5
3. Daarmee hebt u toegang gekregen tot de
zekeringen.
Gaspedaal*, luchtvoorverwarming (PTC)*, elektrisch
bedienbare stoelen
Posities
-
Pos.
260
Pos.
7,5
-
Functie
A
5
ICM-display, cd-speler en
radio, RSE-systeem*
15
Regensensor*
SRS-systeem
10
Stuurwieleenheid
7,5
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Pos.
Functie
A
-
-
Groot licht
15
Schuifdak*
20
Achteruitrijlichten
7,5
-
-
Mistlampen vóór*
15
Ruitenwissers
15
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 261
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Pos.
Functie
A
Adaptieve cruisecontrol
(ACC)*
10
Plafonverlichting, bedieningspaneel bestuurdersportier/elektr. bedienbare
passagiersstoel*
Functie
A
Knop START/STOP
5
Schakelaar remlichten
5
7,5
Informatiedisplay
5
Elektr. bedienbare
bestuurdersstoel*
5
Ruitenwisser, achterruit
15
Ontvanger transpondersleutel, alarmsensoren
5
Brandstofpomp
20
Elektrisch stuurslot
20
-
Pos.
06
-
Slot tankvulklep/achterklep
10
Sirene alarmsysteem, ECC
5
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
261
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 262
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Bagageruimte
Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde.
06
Posities
Pos
.
262
Module
Functie
(zwart).
A
Pos
.
(zwart).
A
25
Trekhaakaansluiting 2*
15
Elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel*
25
-
12V-aansluiting bagageruimte
15
Trekhaakaansluiting 1*
40
30
POT (elektrische achterklepbediening)*
30
Elektrisch verwarmde achterruit
Module
Functie
(zwart).
Bedieningspaneel achterportier rechts
-
Bedieningspaneel bestuurdersportier
25
Bedieningspaneel passagiersportier
25
Bedieningspaneel achterportier links
25
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
-
A
-
Pos
.
Module
Functie
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 263
06 Onderhoud en specificaties
Zekeringen
Pos
.
(wit). Functie
A
Park Assist, parkeercamera*
5
RTI-display*
Regelmodule FOUR-C*
15
-
Verwarming voorstoel
bestuurderszijde*
15
Lagetonenluidspreker*
25
Verwarming voorstoel passagierszijde*
15
DAB-radio
5
Versterker audiosysteem*
25
Achterbankverwarming
rechts*
15
Audiosysteem
15
Regelmodule AWD
10
Telefoon, Bluetooth*
5
Achterbankverwarming
links*
15
Module
-
Pos
.
-
Module
Functie
(blauw).
A
10
-
-
-
06
-
Elektrisch bedienbare passagiersstoel*
25
Keyless drive*
20
Elektrische parkeerrem links
30
Elektrische parkeerrem
rechts
30
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
263
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 264
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Algemene informatie
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag
van de auto.
Draairichting
schappen van de auto af en kunnen de banden
regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren.
Nieuwe banden
N.B.
Let erop dat de banden op beide assen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben en van hetzelfde merk zijn.
Onderhoud van banden
G021778
Leeftijd van de banden
06
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band. Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van
voor naar achter verwisseld worden, nooit van
links naar rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de remeigen-
264
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken wordt, als banden zelden of nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de
band worden aangetast. Dit geldt ook voor
reservebanden, winterbanden en banden die u
voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is
voor gebruik.
G021823
Houd de aanbevolen bandenspanning aan die
in de bandenspanningstabel staat, zie
pagina 276.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden
hard en neemt de grip op het wegdek stukje bij
beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt
in het bijzonder voor winterbanden. De week
en het jaar van productie worden aangeduid
met de DOT-code (Department of Transportation) bestaande uit vier cijfers, bijvoorbeeld
1502. De band op de afbeelding is in de 15e
week van het jaar 2002 geproduceerd.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de band
noteren waar de band zat: bijvoorbeeld L voor
links, R voor rechts.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 265
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 276. De rijstijl, de
bandenspanning, het klimaat en de staat van
de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en
slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op
de voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km
uit en doe dat daarna om de 10.000 km
opnieuw. Neem contact op met een erkende
Volvo-werkplaats als u niet zeker bent van de
profieldiepte.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan ertoe leiden dat
u de controle over de auto verliest.
Banden met slijtage-indicatoren
Velgen en wielbouten
BELANGRIJK
Haal de wielbouten aan met 140 Nm. Als u
ze te strak aanhaalt, kan de boutverbinding
beschadigd raken.
G021829
Slijtage en onderhoud
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van de
originele accessoires van Volvo. Controleer het
aanhaalmoment met een momentsleutel.
Afsluitbare wielbouten
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de band staan. De letters TWI (TREAD Wear Indicator) op de zijkant
van de band geven aan dat een band is uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van het
profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Afsluitbare wielbouten zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen.
Winterbanden
Volvo raadt winterbanden met bepaalde afmetingen aan. De bandenmaat is afhankelijk van
de motorvariant. Gebruik altijd het juiste type
winterbanden op alle vier de wielen.
06
N.B.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats voor advies over de beste soort
velgen en banden.
``
265
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 266
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een
minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
06
Sneeuwkettingen gebruiken
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan enkelzijdige sneeuwkettingen te gebruiken. Gebruik originele
Volvo-sneeuwkettingen of vergelijkbare
sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het
model en op de band- en velgafmetingen.
Neem daarover contact op met een erkende
Volvo-werkplaats.
266
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving).
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. Maak nooit
gebruik van sneeuwkettingen met zogeheten
snelsluitingen, omdat de ruimte tussen de
schijfremmen en de wielen te gering is.
Bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS)*
Het bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS, Tyre Pressure Monitoring System)
waarschuwt de bestuurder, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is. Het
systeem maakt gebruik van sensoren in de
ventielen van de banden. Bij snelheden van ca.
40 km/h controleert het systeem de bandenspanning. Als de spanning dan te laag is, gaat
het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een melding op het display.
Controleer het systeem altijd na het verwisselen van wielen om er zeker van te zijn dat de
vervangende wielen compatibel zijn met het
systeem.
Voor informatie over de juiste bandenspanning, zie pagina 276.
Ook mét dit systeem moet u het normale
onderhoud aan de banden blijven plegen.
BELANGRIJK
Als er een storing optreedt in het bandenspanningscontrolesysteem, gaat het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden. Bovendien verschijnt de
melding BANDENSP.SYSTEEM
SERVICE VEREIST. Dit kan meerdere oorzaken hebben. Het is bijvoorbeeld mogelijk
dat er een wiel gemonteerd werd met een
sensor die niet past bij het bandenspanningscontrolesysteem van Volvo.
Bandenspanningscontrolesysteem
afstellen
Om de aanbevolen bandenspanning van Volvo
aan te kunnen houden is het mogelijk het bandenspanningscontrolesysteem af te stellen,
bijvoorbeeld bij een zware belading.
N.B.
De motor mag daarbij niet lopen.
U verricht instellingen met de knoppen op de
middenconsole, zie pagina 118
1. Pomp de banden tot de juiste spanning op
en activeer de sleutelstand I of II.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 267
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
2. Kies Instellingen van de auto
Bandenspanning
U verricht dergelijke afstellingen met de knoppen op de middenconsole. zie pagina 118
3. Kies Bandenspanning Kalibratie.
1. Activeer de sleutelstand I of II.
4. Druk op ENTER.
2. Kies Instellingen van de auto
Bandenspanning
5. Rijd ten minste 1 minuut op een snelheid
van 40 km/h of hoger.
Bij een lage bandenspanning
Doe het volgende, wanneer de melding
Bandenspanning laag op het display verschijnt:
1. Controleer de bandenspanning van alle
vier de wielen. De banden moeten koud
zijn, zie pagina 276.
2. Pomp de band(en) tot de juiste spanning
op.
3. Rijd ten minste 1 minuut onafgebroken in
de auto op een snelheid van 40 km/h of
hoger en ga na of de melding verdwijnt.
Bandenspanningscontrole deactiveren/
activeren
3. Kies Bandensp.systeem en druk op
ENTER.
> Bij het activeren van het systeem verschijnt een X op het display. Het kruis
verdwijnt als u het systeem deactiveert.
Adviezen
Er zitten alleen TPMS-sensoren in de ventielen
van de wielen die in de fabriek werden gemonteerd.
•
Bij een compact reservewiel (Temporary
Spare) ontbreekt een dergelijke sensor.
•
Bij gebruik van wielen zonder TPMS-sensor zal iedere keer dat u meer dan 10 minuten lang sneller rijdt dan 40 km/h de
melding Bandensp.systeem Service
vereist verschijnen.
•
Volvo adviseert TPMS-sensoren te laten
monteren op alle wielen van de auto.
•
Volvo raadt het af sensoren van het ene
wiel over te zetten op een ander wiel.
N.B.
De motor mag daarbij niet lopen.
WAARSCHUWING
Houd bij het oppompen van een band met
TPMS het mondstuk recht tegen het ventiel
aan om het ventiel niet te beschadigen.
Runflat-banden*
Als er zogeheten runflat-banden (SST-banden,
Self Supporting Tyres) op de auto zitten, hebt
u ook TPMS.
Dergelijke banden zijn voorzien van een speciaal verstevigde zijwand, zodat u ook als er een
hoeveelheid lucht uit de band ontsnapt is, kunt
blijven rijden. Deze banden zijn op speciale velgen gemonteerd. (Om dergelijke velgen kunnen ook standaardbanden worden gelegd.)
Als de bandenspanning van een SST-band
daalt, gaat het oranje TPMS-lampje op het
instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een melding op het display. Houd in dat geval
een snelheid van maximaal 80 km/h aan.
06
Rijd voorzichtig. Controleer altijd de bandenspanning van alle vier de banden om na te gaan
welke band er moet worden vervangen. Laat
de band zo spoedig mogelijk controleren.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
267
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 268
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
WAARSCHUWING
Laat de montage van SST-banden over aan
de vakman.
Gebruik SST-banden alleen in combinatie
met TPMS.
Rijd niet sneller dan 80 km/h, nadat er een
waarschuwingsmelding voor een lage bandenspanning is verschenen.
Vervang de lekke band na maximaal 80 kilometer rijden.
Rijd voorzichtig.
Vervang een SST-band bij beschadiging of
lekkage.
Gereedschap
06
In een blok schuimrubber dat in de bagageruimte ligt vindt u al het bijgeleverde gereedschap. Het gereedschap bestaat in een sleepoog, een krik* en een wielsleutel*. Het blok
schuimrubber is vastgeschroefd aan een console onder in de ruimte voor het reservewiel.
Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag
in de ruimte voor het reservewiel. Twee blokken schuimrubber, waarvan één onder het wiel
en één erbovenop/erbinnenin, houden het
reservewiel in positie. Het bovenste bevat al
het gereedschap.
Krik*
Dezelfde doorloopbout waarmee de blokken
schuimrubber vastzitten houdt ook het reservewiel in positie.
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van banden. Houd de schroef van de
krik altijd goed ingevet.
Reservewiel*
Het compacte reservewiel (Temporary Spare)
is alleen bestemd voor tijdelijk gebruik. Vervang het zo spoedig mogelijk door een normaal
wiel. Het rijgedrag van de auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een compact reservewiel. In de bandenspanningstabel staat de
juiste bandenspanning voor het reservewiel,
zie pagina 276.
BELANGRIJK
G031900
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik
van een compact reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
268
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Reservewiel erbij nemen
1. Pak het vloerluik en de vloermat aan de
achterkant beet en klap ze naar voren toe
open.
2. Draai de bevestigingsbout los.
3. Til het blok schuimrubber met het gereedschap erin uit de auto.
4. Til het reservewiel uit de auto.
U hoeft de onderste twee blokken niet te verwijderen.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 269
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Wielen verwisselen
Gereedschap, terugplaatsen
Verwijderen
WAARSCHUWING
Plaats het gereedschap en de krik na gebruik
op de juiste manier terug. De krik past alleen
als deze in de juiste opbergstand wordt gezet.
Plaats het blok schuimrubber en het reservewiel in omgekeerde volgorde terug.
Let erop dat er op het bovenste blok schuimrubber een pijl staat. Deze pijl dient naar de
voorkant van de auto wijzen.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte
wanneer u ze niet nodig hebt.
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
G021779
1. Haal de handrem aan en schakel de eerste
versnelling in of zet de keuzehendel in
stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
4. Draai de wielbouten ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
N.B.
06
Gebruik de krik die bij de auto hoort.
2. Neem het reservewiel, de krik, de wielsleutel en de sleutel voor de afsluitbare wielmoeren erbij.
3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor grote houten blokken of grote
stenen.
G031901
G029336
Zet een gevarendriehoek zie pagina 226 op, als
u een wiel langs een drukke weg moet verwisselen. Zorg ervoor dat de auto en de krik* op
een stevige en horizontale ondergrond staan.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
269
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 270
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het
kriksteunpunt.
De kriksteun is de achterste van de twee
uitsparingen achteraan.
5. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Bij elk steunpunt zit een
uitsparing in de kunststof afdekking. Draai
de voet van de krik met de slinger zo ver
omlaag dat de voet plat tegen de grond
aankomt.
6. Controleer of de krik goed aan het kriksteunpunt bevestigd is (zie afbeelding) en
zorg dat de voet recht onder het steunpunt
zit.
7. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielbouten en til het wiel eraf.
Aanbrengen
1. Reinig de contactvlakken op het wiel en de
naaf.
2. Breng het wiel aan. Haal de wielbouten
dusdanig aan dat er geen speling tussen
het wiel en de remschijf zit.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien en verwijder de krik
4. Draai de wielbouten kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielbouten stevig aanhaalt. Haal ze aan met 140 Nm. Controleer
het aanhaalmoment met een momentsleutel.
5. Breng de wieldop aan (auto’s met stalen
velgen).
N.B.
De ventieluitsparing in de wieldop bij het
monteren aanbrengen over het ventiel in de
velg.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op de krik
staat.
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
06
G021780
G032149
Parkeer de auto dusdanig dat de auto en
liever nog een vangrail u en eventuele uitgestapte passagiers afschermen van het
verkeer op de rijbaan.
270
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 271
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Noodreparatie banden*
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
G032468
De bandenreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
met de noodreparatieset geen banden af te
dichten die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
Algemene informatie
De bandenreparatieset wordt gebruikt om een
lek te dichten alsook om de bandenspanning
te controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren. De set bestaat uit een compressor en een
bus met afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties uit te voeren. De fles met het afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de
houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens
na het gebruik.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Vervang de
tijdelijk afgedichte band zo spoedig mogelijk (maximale rijafstand 200 km).
Overzicht
12V-aansluitingen voor de compressor zitten
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de bagageruimte. Gebruik de
elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
Bandenreparatieset erbij nemen
Zet een gevarendriehoek op bij werkzaamheden langs een drukke weg. De bandenreparatieset zit in het blok schuimrubber onder de
vloer in de bagageruimte.
06
Sticker, toegestane maximumsnelheid
1. Pak het vloerluik en de vloermat aan de
achterkant beet en klap ze naar voren toe
open.
Knop
2. Draai de bevestigingsbout los.
Fleshouder (oranje deksel)
3. Til de bandenreparatieset op.
Beschermdop
Leg de onderdelen na het gebruik terug.
Drukreduceerventiel
Kabel
Luchtslang
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
271
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 272
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de sticker op het stuurwiel.
Bus met afdichtmiddel
Manometer
WAARSCHUWING
Lekke band repareren
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
3. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Verbreek de verzegeling van de bus niet
handmatig. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
06
G014338
4. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
Voor informatie over de werking van de onderdelen (zie voorgaande afbeelding).
1. Open het deksel van de bandenreparatieset.
272
slang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Draai de bus in de bushouder vast.
6. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de lucht-
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
7. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Neem contact op met
een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30seconden weer dalen.
8. Zet de knop in stand I.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 273
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
•
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen.
11. Schakel de compressor uit en haal de
kabel los uit de 12V-aansluiting.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
•
Als de spanning lager is dan 1,3 bar,
werd de band onvoldoende afgedicht.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot
de spanning die staat aangegeven in de
bandenspanningstabel. Laat lucht uit de
band ontsnappen, als de bandenspanning te hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
3. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ventieldopje terug.
4. Leg de bandenreparatieset terug in de
bagageruimte.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Laat het vervangen over
aan een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Rijd naar de dichtstbijzijnde erkende Volvowerkplaats om de beschadigde band te laten
vervangen/repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er afdichtmiddel in de
band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Bezoek een
erkende Volvo-werkplaats om de afgedichte band te laten controleren (maximale
rijafstand 200 km).
06
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
``
273
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 274
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd worden.
(laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is).
Specificaties
Maataanduiding
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding:
7. Plaats het ventieldopje terug.
235/60 R18 94 W.
Bus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen bus
als klein chemisch afval (KCA).
235
Breedte van de band (mm)
60
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
3. Sluit de kabel aan op een van de 12V-aansluitingen in de auto en start de motor.
06
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
WAARSCHUWING
R
Aanduiding voor radiaalbanden
De bus bevat 1,2-ethanol en natuurrubberlatex.
18
Velgdiameter van de band (")
Gevaarlijk bij inwendig gebruik. Kan aanleiding geven tot overgevoeligheid bij huidcontact.
94
Aanduiding van het draagvermogen
van de band
W
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval 270 km/h).
Contact met huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
Snelheidsaanduidingen
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven
1
274
Op bepaalde markten wordt hiervan afgeweken.
N.B.
Geef de bus af bij een inzamelingsstation
voor opslag van KCA.
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto.1
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 275
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
De gesteldheid van het wegdek is bepalend
voor de maximumsnelheid en niet de snelheidsaanduiding op de banden.
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) staat de juiste bandenspanning voor uw
auto aangegeven bij verschillende belading en
snelheid. De bandenspanning staat ook in de
bandenspanningstabel (zie verderop).
N.B.
De aangegeven snelheid in de tabel is de
maximumsnelheid.
Bandenspanning
•
Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
•
•
ECO-bandenspanning
Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare)
N.B.
De bandenspanning hangt af van de temperatuur.
G021830
De enige uitzondering daarop vormt het
gebruik van winterbanden (zowel banden met
als zonder “spikes”). Bij gebruik van dergelijke
banden mag u niet sneller rijden dan de maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van 160 km/h).
06
``
275
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 276
06 Onderhoud en specificaties
Wielen en banden
Aanbevolen bandenspanning
Variant
Alle motoren
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)
Belading(1 – 3 inzittenden)
Max. belasting
ECO-bandenspanningA
Voor (kPa)B
Achter
(kPa)
Voor (kPa)
Achter (kPa)
Voor/achter
(kPa)
235/65 R 17
Tot 160
240
240
270
270
270
235/60 R 18
160 +
240
240
270
270
-
max. 80
420
420
420
420
-
235/55 R 19
ReservewielC
A
B
C
06
T 125/80 R 17
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
Compact reservewiel.
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
koude banden (kan verschillen naargelang van
de buitentemperatuur).
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de
levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit en beschadigd raken. De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de
stuureigenschappen en de geproduceerde
weggeluiden.
Bandenspanning controleren
Controleer iedere maand de bandenspanning.
Dit geldt eveneens voor het reservewiel. Al na
enkele kilometers rijden worden de banden
warm en loopt de spanning op. Controleer de
bandenspanning wanneer de banden koud
zijn. De aangegeven bandenspanning geldt bij
276
N.B.
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 277
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg
dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
•
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk
van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel
doen verkleuren. U wordt geadviseerd een
dergelijke verkleuring te laten herstellen
door een erkende Volvo-werkplaats.
•
•
Spoel het onderstel af.
•
Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Spuit niet rechtstreeks in de
richting van de sloten.
•
Reinig de wisserbladen met een lauwe
zeepoplossing of autoshampoo.
•
Gebruik een koud ontvettingsmiddel voor
hardnekkig vuil.
•
Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens
het tanken bijvoorbeeld.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken,
maar de borstels van de wasstraat kunnen niet
overal even goed bij. Voor het beste resultaat
wordt u geadviseerd de auto met de hand te
wassen.
N.B.
U wordt geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen
met de hand te wassen. Een nieuwe laklaag
is namelijk kwetsbaarder dan een oude
laag.
Hogedrukreinigers
Wisserbladen schoonmaken
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit gaan
wisserbladen minder lang mee.
N.B.
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen). Spuit niet rechtstreeks in de richting van
de sloten.
06
Reinig de wisserbladen en de voorruit regelmatig met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
``
277
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 278
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de handrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de
remblokken warm, zodat het vocht verdampt.
Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
Kunststof en rubber exterieuronderdelen
en sieronderdelen
06
278
Voor het schoonmaken van gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende strips, wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel te
gebruiken dat bij de Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig
op.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij gebruik van ontvetters op kunststof en
rubber onderdelen waar nodig alleen voorzichtig wrijven. Gebruik een zachte schoonmaakspons.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende deklaag beschadigen of verwijderen.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
Velgen
Gebruik alleen de reinigingsmiddelen die Volvo
adviseert. Sterke velgreinigingsmiddelen kunnen het oppervlak beschadigen en vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
Poetsen en in de was zetten
verwijderaar van Volvo of met terpentine. U
kunt hardnekkige vlekken met een speciaal
voor autolak bestemde, fijne schuurpasta
(“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op.
Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel
als was.
BELANGRIJK
Lakbehandelingen zoals lakconservering,
verzegeling, bescherming, glansverzegeling
e.d. kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade als gevolg van dergelijke behandelingen valt niet onder de Volvo-garantie.
Voorste zijruiten met waterafstotende
laag schoonmaken*
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak
ontstaan.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met de teer-
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 279
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling
te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel
dat verkrijgbaar is bij een erkende Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de eerste keer na
drie jaar en daarna ieder jaar.
Roestwering, controleren en
onderhouden
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de
balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar voor het eerst te
worden nabehandeld. De auto moet daarna om
de drie jaar een nabehandeling ondergaan.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats, als de auto een nabehandeling
nodig heeft.
Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot
corrosie. Het is daarom belangrijk de auto
schoon te houden. Om de roestwering van de
auto in optimale staat te houden moet u de
beschermingslaag regelmatig controleren en
zo nodig bijwerken.
Interieur reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Maak de bekleding regelmatig schoon
en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het
autoverzorgingsproduct op.
Vlekken op stoffen bekleding en
plafondbekleding
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is
bij erkende Volvo-werkplaatsen. Gebruik water
en een synthetisch wasmiddel bij het schoonmaken van veiligheidsgordels. Zorg dat de gordel droog is, voordat deze weer wordt opgerold.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Het leer wordt veredeld en bewerkt zodat het
zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer
is voorzien van een beschermende toplaag,
maar om de goede eigenschappen en het
fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist. Volvo biedt een
universeel leerverzorgingsproduct waarmee u
leren bekleding kunt schoonmaken en de
beschermende laag kunt herstellen mits u het
volgens de instructies opvolgt. Na enig tijd in
gebruikt te zijn geweest krijgt het leer zijn
natuurlijke patina, afhankelijk van de oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina maakt
deel van het natuurlijke verouderingsproces
van het leer en geeft aan dat het om een natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo de
beschermende crème een- à viermaal per jaar
(zo nodig vaker) op te brengen. Vraag bij de
erkende Volvo-werkplaats naar het speciale
leerverzorgingsproduct van Volvo.
06
BELANGRIJK
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen. Dergelijke middelen kunnen bekleding van textiel,
vinyl en leer beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en
voldoet aan de norm Öko-Tex 100.
``
279
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 280
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
BELANGRIJK
Let erop dat de bekleding kan verkleuren bij
contact met materialen die afgeven (nieuwe
spijkerbroek, gekleurde suède kleding e.d.).
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te krijgen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
06
4. Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
280
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water
bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken
geadviseerd, die verkrijgbaar zijn bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Benodigdheden
•
•
•
•
grondlak (primer) in een bus
lak in een bus of een lakstift
kwastje
afplaktape
Kleurcode
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit
sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige
vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel
gebruiken dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats.
Matten en bagageruimte
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen.
Lakschade herstellen
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade
meteen herstellen. De meest voorkomende
soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op de spatbordranden en portieren.
Het is belangrijk dat u exact de juiste lakkleur
gebruikt. De kleurcode van de autolak staat op
het typeplaatje, zie pagina 282.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 281
06 Onderhoud en specificaties
Verzorging
4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
Steenslagschade herstellen
N.B.
G021832
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na
reiniging van het beschadigde gebied de
ontbrekende lak aan te brengen.
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
06
2. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng deze met een fijn kwastje of een lucifer aan. Breng de lak met een kwastje aan,
wanneer de primer droog is.
3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
281
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
06 Onderhoud en specificaties
Type-aanduidingen
Positie van stickers en plaatjes
06
282
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 282
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 283
06 Onderhoud en specificaties
Type-aanduidingen
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
Sticker voor standverwarming.
Type-aanduiding van de motor, onderdeelen serienummer.
Motoroliesticker met de kwaliteit en viscositeit van de te gebruiken olie.
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak
06
Automatische versnellingsbak
Identificatienummer van de auto (VIN,
Vehicle Identification Number)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
283
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 284
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Maten
06
284
Maten
mm
A
Wielbasis
2774
B
Lengte
4628
C
Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt
1789
D
Laadlengte, vloer
E
Hoogte
F
Laadhoogte
G
Spoorbreedte vooras
972
1713
802
1632
Maten
mm
H
Spoorbreedte achteras
1586
I
Laadbreedte, vloer
1090
J
Breedte
1891
K
Breedte incl. buitenspiegels
2142
Gewichten
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen e.d. inbegrepen. Het gewicht van
de passagiers en de gemonteerde accessoires
zoals een trekhaak, lastdragers, skibox e.d.
alsmede de kogeldruk (bij gebruik van een aanhanger (zie tabel)) zijn van invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar
gewicht. Toelaatbare belasting (zonder
bestuurder) = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 285
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Max. voorasdruk
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
G017755
Max. dakbelasting: 100 kg.
Voor informatie over de positie van de sticker (zie
pagina 238).
Max. totaalgewicht
06
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
``
285
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 286
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Trekgewicht en kogeldruk
Model
Transmissie
Aanhangergewicht geremd (kg)
Kogeldruk (kg)
Aanhangergewicht
ongeremd (kg)
Kogeldruk (kg)
Achtergordels
Achtergordels
Tot 1200
50
max. 750
50
T6
Automaat (TF–80SC) AWD
2000
90
max. 750
50
D5
Automaat AWD
2000
90
max. 750
50
D5
Handbak AWD
1800
75
max. 750
50
2.4D
Automaat AWD
2000
90
max. 750
50
2.4D
Handbak AWD
1600
75
max. 750
50
N.B.
06
286
Bij aanhangers zwaarder dan 1800 kg wordt
geadviseerd een stabilisatorkoppeling te
gebruiken.
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 287
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Motorspecificaties
Model
VoorVermogloeifunc- gen (kW
tie
bij
omw/
min)
Vermogen (pk
bij
omw/
min)
Motorkoppel
(Nm bij omw/
min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring (mm)
Slaglengte
(mm)
Slagvolume (liter)
Compressieverhouding
T6
B6304T2
210/5600
285/5600
400/1500–4800
6
82
93,2
2,953
9,3:1
D5
D5244T4
136/4000
185/4000
400/2000–2750
5
81
93,1
2,400
17,3:1
2.4D
D5244T5
120/4000
163/4000
340/1750–2750
5
81
93,1
2,400
17,3:1
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
•
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
•
doe dat ook bij korte ritten (over afstanden
kleiner dan 10 km) bij lage temperaturen
(onder 5 °C).
op hoge snelheden
in temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
BELANGRIJK
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. Om de aanbevolen service-intervallen aan te kunnen
houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen een
oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit
(zie sticker in motorruimte) en dat zowel bij
het bijvullen als verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
06
``
287
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 288
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
G021834
uitgesloten. Volvo Car Corporation wijst alle
garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Viscositeitsdiagram
06
288
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 289
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Oliesticker
Motortype
Bij te vullen hoeveelheid tussen MIN - MAX (liter)
Hoeveelheid
(liter)
B6304T2
1,2
7,4
D5
D5244T4
1,5
6,0
2.4D
D5244T5
G032078
T6
Wanneer de nevenstaande sticker in de motorruimte zit, geldt het volgende. Voor informatie
over de positie van de sticker (zie pagina 238).
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W-30
06
Overige vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistof
Systeem
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven kwaliteit
Versn.olie
Handbak (M66)
2,0
Versnellingsbakolie: MTF 97309
Versn.olie
Automaat (TF-80SC)
7,0
Versnellingsbakolie: JWS 3309
``
289
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 290
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Vloeistof
Systeem
Koelvloeistof
Benzinemotor T6
Dieselmotor D5
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven kwaliteit
8,9
12,65
Koelvloeistof met corrosiewerende dope aangelengd met waterA (zie verpakking).
Dieselmotor 2.4D
Airconditioning
-
Olie: PAG
Koudemiddel: R134a (HFC134a)B
Remvloeistof
0,6
DOT 4+
Stuurbekrachtiging
1,2
Stuurbekrachtigingsvloeistof WSS M2C204A2 of een soortgelijk product.
Auto’s met koplampsproeiers
6,5
Auto’s zonder koplampsproeiers
4,5
Bij vorst wordt geadviseerd een door Volvo
aanbevolen ruitensproeier-antivries aangelengd met water te gebruiken.
Ruitensproeiervloeistof
A
B
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
De hoeveelheid koudemiddel verschilt per motortype. Neem voor de juiste informatie contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
06
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft u
de versnellingsbakolie nooit te verversen.
Onder ongunstige rijomstandigheden moet
de olie mogelijk wel worden ververst, zie
pagina 287.
290
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 291
06 Onderhoud en specificaties
Specificaties
Verbruik, uitstoot en tankinhoud
Model
Voorgloeifunctie
Transmissie
Verbruik (in
liter/100 km)
Uitstoot van kooldioxide (CO2, in
g/km)
Tankinhoud (liter)
T6
B6304T2
Automaat (TF–80SC) AWD
11,9
284
ca. 70
D5
D5244T4
Handbak (M66) AWD
7,5
199
ca. 70
D5
D5244T4
Automaat (TF–80SC) AWD
8,3
219
ca. 70
2.4D
D5244T5
Handbak (M66) AWD
7,5
199
ca. 70
2.4D
D5244T5
Automaat (TF–80SC) AWD
8,3
219
ca. 70
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus
conform de EU-richtlijn 80/1268(combinatierit).
Elektrisch systeem
BELANGRIJK
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders
worden gebruikt. De minpool is verbonden met
het chassis.
Let er bij het vervangen van de accu op, dat
de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele
accu heeft (zie sticker op de accu).
06
De rijstijl en andere niet-technische factoren
zijn van invloed op het brandstofverbruik. Voor
meer informatie (zie pagina 12).
Prestaties accu
Spanning (V)
Koudestartcapaciteit (A)
Reservecapaciteit (min.)
T6
12
520–700
100–135
D5, 2.4D
12
700–800
135–160
291
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 292
06 Onderhoud en specificaties
Typegoedkeuring
Afstandsbedieningssysteem
Land
A, B, CY, CZ, D, DK,
E, EST, F, FIN, GB,
GR, H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P, PL, S,
SK, SLO
IS, LI, N, CH
HR
ROK
06
Hierbij verklaart Delphi dat het
transpondersleutelsysteem in overeenstemming is met de
essentiële eigenschappen en overige relevante bepalingen zoals
beschreven in de
EU-richtlijn 1999/5/
EG.
Delphi 15-07-2003,
Duitsland RLPD1-03-0151
BR
RC
CCAB06LP1940T4
292
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 293
07 Alfabetisch register
A
Achteruitkijkspiegel.................................... 95
autodimfunctie...................................... 95
Aanbevolen veiligheidzitjes, tabel.............. 34
Actief chassis (FOUR-C).......................... 156
Aanhanger................................................
kabel...................................................
pendelbeweging.................................
rijden met een aanhanger...................
Actieve xenonkoplampen.......................... 80
227
227
231
227
Aanpassen, lichtbundel............................. 85
Adaptieve cruisecontrol........................... 159
radarsensor......................................... 162
Storingen opsporen............................ 163
alarmsysteem controleren....................
alarmsysteem testen............................
beperkt alarmniveau.............................
deactiveren...........................................
geactiveerd alarm uitschakelen............
tijdelijk uitschakelen..............................
47
61
60
59
59
60
Alarmlichten............................................... 82
Alarmsysteem testen................................. 61
Aanrijding................................................... 31
Afstandsbediening
programmeerbaar............................... 113
Aanstekeropening.................................... 198
achterbank.......................................... 199
voorstoel............................................. 199
Afstandsbediening, zie Transpondersleutel............................................................... 44
All Wheel Drive (vierwielaandrijving)........ 105
Approach-verlichting................................. 84
ACC – Adaptieve cruisecontrol................ 159
Afstandsbedieningssysteem, typegoedkeuring..................................................... 292
ACC gedeactiveerd.................................. 157
Afstandscontrole...................................... 166
Accu......................................................... 253
onderhoud.......................................... 253
starten met hulpaccu.......................... 100
symbolen op de accu......................... 253
transpondersleutel/PCC....................... 49
waarschuwingssymbolen................... 253
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 22
bestuurders- en passagierszijde.......... 20
deactiveren/activeren........................... 22
136
136
137
135
Achterklep.................................................. 55
openen.................................................. 55
vergrendelen/ontgrendelen............ 46, 54
Achterruit, elektrische verwarming............ 95
Achterste bedieningspaneel
audiosysteem..................................... 136
Airconditioning......................................... 128
algemene informatie........................... 123
Airconditioning, AC.................................. 128
Alarm..........................................................
activeren...............................................
alarmindicatie.......................................
alarmsignalen........................................
59
59
59
60
Allergenen................................................ 124
Antislipregeling........................................ 154
Audio
achterste bedieningspaneel...............
hoofdtelefoonaansluiting....................
instellingen..........................................
surround.............................................
Audiosysteem.......................................... 135
functies............................................... 137
overzicht............................................. 135
07
AUTO
klimaatinstelling.................................. 127
Autobekleding.......................................... 279
Automatische hervergrendeling................. 53
Automatische motorrem.......................... 108
293
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 294
07 Alfabetisch register
Automatische schakelblokkering deactiveren............................................................ 104
Automatische vergrendeling...................... 53
Automatische versnellingsbak................. 101
handmatig schakelen (Geartronic)...... 102
slepen en bergen................................ 233
Automatische wasstraten........................ 277
Auto wassen............................................ 277
draairichting........................................
onderhoud..........................................
rijeigenschappen................................
slijtage-indicator.................................
snelheidsaanduidingen.......................
spanning.............................................
specificaties........................................
winterbanden......................................
264
264
264
265
274
275
274
265
AUX.......................................................... 135
Bedieningsknoppen
middenconsole................................... 118
AWD, vierwielaandrijving......................... 105
Bedieningspaneel verlichting..................... 79
Blaasmonden........................................... 125
BLIS, Blind Spot Information System...... 193
BLIS-systeem (Blind Spot Information System).......................................................... 193
Blokkering achteruitversnelling................ 101
B
Bellen............................................... 202, 206
Benzinekwaliteit....................................... 217
Boordcomputer........................................ 150
Bagagenet............................................... 221
Bergen..................................................... 234
Botsing, zie Aanrijding............................... 31
Bagagerolhoes......................................... 224
Berichten en symbolen
Afstandscontrole................................ 167
Botswaarschuwing met remassistent.............................................. 172, 178
Driver Alert Control............................. 181
Lane Departure Warning..................... 184
Botswaarschuwing.................................. 174
radarsensor......................... 162, 169, 174
Bagageruimte
bagagenet........................................... 221
bagagerolhoes.................................... 224
krikpunten........................................... 220
veiligheidsrek...................................... 223
verlichting............................................. 84
Bagage verankeren (Lading vervoeren)... 220
Banden
bandenreparatie................................. 271
bandenspanningscontrolesysteem..... 266
294
128
123
130
129
Bluetooth
gesprek naar mobiel........................... 203
handsfree............................................ 201
microfoon dempen............................. 203
Bedrijfsrem............................................... 106
07
Beslagen ruiten........................................
ontwasemen.......................................
ontwasemen met blaasmonden.........
timerfunctie.........................................
Berichten en symbolen voor adaptieve
cruisecontrol............................................ 164
Berichten op instrumentenpaneel............ 121
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 277
Botswaarschuwing met remassistent*.... 174
Brandstof................................................. 217
brandstofbesparing.................... 275, 276
brandstoffilter..................................... 219
brandstofverbruik............................... 219
Buitenafmetingen..................................... 284
Buitenspiegels........................................... 93
Buitenspiegels resetten............................. 94
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 295
07 Alfabetisch register
C
Camerasensor................................. 170, 176
Chassisstanden....................................... 156
City Safety™............................................ 169
Doorluchtfunctie................................ 46, 124
Doorwaaddiepte...................................... 214
Driver Alert Control.................................. 180
Driver Alert System.................................. 180
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem........... 154
Elektrische verwarming
achterruit............................................... 95
buitenspiegels....................................... 95
stoelen en achterbank........................ 127
Elektrisch inklapbare buitenspiegels......... 94
Claxon........................................................ 78
Elektronische startblokkering.................... 44
Claxonneren............................................... 78
Extra verwarming..................................... 134
Clean Zone Interior.................................. 124
Condens aan binnenkant lampglazen..... 277
Contactsleutels.......................................... 72
Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 241
Cruisecontrol........................................... 157
E
Extra verwarming (diesel)......................... 134
ECC, elektronische klimaatregeling......... 126
ECO-bandenspanning............................. 275
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 92
Elektrisch bedienbare ruiten resetten........ 93
Elektrisch bedienbare stoel....................... 74
D
DAB, menusysteem................................. 148
DAB-radio................................................ 146
Dagtellers................................................... 71
Dashboardkastje...................................... 198
Vergrendelen........................................ 54
Dieselolie.................................................. 218
Displayverlichting....................................... 79
Dolby Surround Pro Logic II.................... 135
F
FM, menusysteem................................... 145
Follow-Me-Home-verlichting..................... 84
FOUR-C – Actief chassis......................... 156
Elektrisch bediend panoramadak.............. 96
Elektrische aansluiting
achterbank.......................................... 199
bagageruimte...................................... 199
voorstoel............................................. 199
Elektrische parkeerrem............................
automatisch lossen.............................
handmatig lossen...............................
lage accuspanning..............................
110
111
111
110
G
Geartronic................................................ 102
07
Geïntegreerde telefoon............................ 206
Gelaagd glas.............................................. 92
Geluidssterkte
beltoon, telefoon................................. 203
telefoon............................................... 203
telefoon/mediaspeler.......................... 203
295
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 296
07 Alfabetisch register
Gereedschap........................................... 268
Gesprek in de wacht zetten..................... 207
Gesprekken
functies tijdens lopende gesprekken.............................................. 206, 207
gebruik........................................ 202, 206
inkomende.................................. 202, 206
telefoonvolume................................... 207
wissel-................................................. 207
Gevarendriehoek..................................... 226
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 284
Glazen
gelaagd/verstevigd............................... 92
Global opening........................................ 124
Gloeilampen, zie Verlichting.................... 244
Gloeilampen achterlamphuis:
positie................................................. 248
Gordelwaarschuwing................................. 17
07
Gordijn
panoramadak........................................ 96
Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............ 79
H
In de was zetten....................................... 278
Handgeschakelde versnellingsbak.......... 101
slepen en bergen................................ 233
Informatie- en waarschuwingssymbolen... 68
Handmatig schakelen (Geartronic).......... 102
Handrem.................................................. 110
Informatietoets, PCC................................. 47
Instrumenten, schakelaars en bediening... 64
HDC......................................................... 108
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 64
auto met stuur rechts........................... 66
Hill Descent Control................................. 108
Instrumentenpaneel................................. 121
Hogedruksproeiers koplampen................. 90
Instrumentenverlichting, zie Verlichting..... 79
Hoge motortemperatuur.......................... 227
Interieurcomfort....................................... 197
HomeLinkŸ EU........................................ 113
Interieurfilter..................................... 124, 219
Hoofdsteun
middelste zitplaats achterbank............. 76
omklappen............................................ 76
Interieurverlichting, zie Verlichting............. 83
HBS – Heart Beat Sensor.......................... 48
Hoofdtelefoonaansluiting......................... 136
Interieurverwarming
op brandstof....................................... 131
Intervalstand.............................................. 89
iPodŸ, aansluiting.................................... 139
I
IAQS – Interior Air Quality System........... 124
IC-systeem – Inflatable Curtain................. 26
IDIS – Intelligent Driver Information System........................................................... 208
IMEI-nummer........................................... 209
296
Informatiedisplays...................................... 67
K
Katalysator............................................... 218
bergen................................................. 233
Keuzehendelblokkering........................... 103
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 297
07 Alfabetisch register
M
Keuzehendelblokkering, mechanisch uitschakelen................................................. 104
Koplamphoogteverstelling
Actieve xenonkoplampen..................... 79
Keyless drive........................................ 50, 98
Koudemiddel............................................ 123
Make-upspiegel................................. 83, 199
Kinderen.....................................................
kinderslot..............................................
kinderzitjes en SIPS-airbags.................
positie in de auto..................................
veiligheid...............................................
Krik........................................................... 268
Meldingen op informatiedisplay............... 154
32
37
24
32
32
Kinderslot................................................... 58
Kinderzitje.................................................. 32
Kleurcode, lak.......................................... 280
Klimaatregeling........................................ 123
algemene informatie........................... 123
sensoren............................................. 123
Meldingen voor BLIS............................... 195
Menu- en meldingsfuncties..................... 118
L
Lading vervoeren
algemene informatie...........................
bagageruimte......................................
krikpunten...........................................
lading op het dak................................
220
220
220
224
Klok, instellen............................................. 71
Lak
kleurcode............................................ 280
schade en herstel............................... 280
Knipperlichten............................................ 82
Lampen, zie Verlichting............................ 244
Knippersignalen, PCC............................... 47
Lampjes................................................... 154
Kogelsegment
aanbrengen......................................... 229
verwijderen......................................... 231
Lane Departure Warning.......................... 183
Kompas.................................................... 152
kalibreren............................................ 152
zone instellen...................................... 152
Koplampen.............................................. 244
Koplamphoogteregeling............................ 79
Lekke band, zie Banden.......................... 268
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 279
Lichtbundel aanpassen.............................. 85
Actieve xenonkoplampen..................... 85
Halogeenkoplampen............................. 85
Luchtverdeling................................. 125, 130
Menusysteem
DAB.................................................... 148
FM....................................................... 145
Meters op het instrumentenpaneel
brandstofmeter..................................... 68
snelheidsmeter..................................... 68
toerenteller............................................ 68
Middenconsole........................................ 118
Mistlichten
achter.................................................... 82
vóór....................................................... 81
Mistlichten, aan/uit.................................... 81
Mobiele telefoon
aansluiten........................................... 204
handsfree............................................ 201
telefoon registreren............................. 201
07
Motor
oververhitting...................................... 227
starten................................................... 98
297
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 298
07 Alfabetisch register
Motorolie.......................................... 239, 287
filter..................................................... 240
hoeveelheden..................................... 287
oliekwaliteit......................................... 287
ongunstige rijomstandigheden........... 287
Motorruimte
koelvloeistof........................................
olie......................................................
overzicht.............................................
stuurbekrachtigingsvloeistof...............
Ontgrendelen
van de binnenzijde................................ 53
van de buitenzijde................................. 53
PCC (Personal Car Communicator)
bereik transpondersleutel............... 46, 47
functies................................................. 45
Poetsen.................................................... 278
Provisorische bandenreparatie................ 271
Ontwaseming........................................... 128
241
240
238
242
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte....................................................... 197
Openen, motorkap................................... 238
Motorverwarming
op brandstof....................................... 131
Oververhitting.......................................... 227
MY KEY.................................................... 136
P
N
PACOS....................................................... 22
Noodoproepen......................................... 206
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 226
07
O
R
Radarsensor............................................ 159
beperkingen........................................ 162
Recirculatie.............................................. 128
Regensensor.............................................. 89
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 256
PACOS, schakelaar voor activering/deactivering....................................................... 22
Rem- en koppelingsvloeistof................... 242
Paniekfunctie............................................. 46
Remmen.................................................. 106
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 106
elektrische parkeerrem....................... 110
noodremlichten, EBL............................ 81
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA..................................................... 106
remlichten............................................. 81
remsysteem........................................ 106
Panoramadak
gordijn................................................... 96
openen en sluiten................................. 96
ventilatiestand....................................... 97
Olie, zie ook Motorolie............................. 287
Park Assist............................................... 186
sensoren voor Park Assist.................. 188
Oliepeil laag............................................. 240
Passagiersruimte..................................... 197
Omklappen, ruggedeelte achterbank........ 76
298
Onderhoud
roestwering......................................... 279
Remlichten................................................. 81
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 299
07 Alfabetisch register
remvloeistof bijvullen.......................... 242
symbolen op instrumentenpaneel...... 106
Rugleuning................................................. 74
voorstoel, omklappen........................... 74
SIPS-airbag................................................ 24
Reservewiel.............................................. 268
Compact reservewiel.......................... 268
Ruiten en spiegels..................................... 92
Sleepoog.................................................. 233
Ruitensproeiers.......................................... 90
Richtingaanwijzers..................................... 82
Ruitensproeiervloeistof, bijvullen............. 252
Slepen...................................................... 233
sleepoog............................................. 233
Rijadviezen............................................... 214
Ruitenwissers............................................. 89
regensensor.......................................... 89
Sleutel........................................................ 44
Runflat-banden........................................ 267
Sleutelblokkering..................................... 103
Rijden.......................................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
met geopende achterklep...................
214
214
227
214
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 284
trekgewicht......................................... 284
Rijden tijdens de winter........................... 215
Rijeigenschappen aanpassen.................. 156
Rijklaar gewicht........................................ 284
Roestwering............................................. 279
Roetfilter.................................................. 219
ROETFILTER VOL.................................... 219
Rolbeugels................................................. 29
ROPS (Roll-Over Protection System)........ 29
ROPS (Roll-Over Protection System) (Rolbeugels)..................................................... 29
SIPS-airbags.............................................. 24
Sleutelblad................................................. 48
Sleutelloos starten (Keyless drive)....... 50, 98
S
Sleutelstanden........................................... 72
Safelock-functie......................................... 56
deactiveren........................................... 56
onderbreking........................................ 56
Safety mode............................................... 31
Schoonmaken
automatische wasstraten...................
auto wassen.......................................
bekleding............................................
veiligheidsgordels...............................
velgen.................................................
277
277
279
279
278
Serviceprogramma.................................. 238
Signaalingang, externe............................ 135
Simkaart................................................... 209
Sloten
automatische vergrendeling................. 53
ontgrendelen......................................... 53
Vergrendelen........................................ 53
Spiegels
achteruitkijk-......................................... 95
buiten-.................................................. 93
elektrische verwarming......................... 95
elektrisch inklapbare............................. 94
kompas............................................... 152
07
Spin Control............................................. 154
Sproeiers
achterruit............................................... 90
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 252
voorruit.................................................. 90
299
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 300
07 Alfabetisch register
Sproeikoppen, verwarmde........................ 90
SRS-AIRBAG....................................... 20, 21
SRS-systeem............................................. 19
schakelaar voor activering/deactivering........................................................ 22
SST, Self Supporting run flat Tyres......... 267
Stabiliteits- en tractieregelsysteem......... 154
Stabiliteitssysteem................................... 154
Stadslichten vóór en achterlichten............ 81
Standverwarming.....................................
accu en brandstof...............................
op een helling parkeren......................
tijd instellen.........................................
131
131
131
133
Storingsmeldingen
Driver Alert Control............................. 181
Lane Departure Warning..................... 184
zie Berichten en symbolen................. 164
Storingsmeldingen voor adaptieve cruisecontrol...................................................... 164
Storingsmeldingen voor BLIS.................. 195
Symbolen en meldingen
Afstandscontrole................................ 167
Botswaarschuwing met remassistent.............................................. 172, 178
Driver Alert Control............................. 181
Lane Departure Warning..................... 184
Symbolen en meldingen voor adaptieve
cruisecontrol............................................ 164
Storingsmeldingen voor de afstandscontrole.......................................................... 167
T
Steenslagplekken en krassen.................. 280
Stuurkrachtniveau, zie Stuurbekrachtiging.......................................................... 156
Sticker SIPS-airbags.................................. 25
Stuurslot.................................................... 99
Stoel, zie Stoelen en achterbank............... 74
Stuurwiel.................................................... 78
stuurwielafstelling................................. 78
toetsenset............. 78, 118, 135, 157, 206
toetsenset adaptieve cruisecontrol.... 160
Tanken.....................................................
tankdop...............................................
tanken.................................................
tankvulklep, elektrisch openen...........
tankvulklep, handmatig openen.........
216
216
216
216
216
Telefoon
aan/uit.................................................
aansluiten...........................................
bellen..................................................
beltoon................................................
Berichten............................................
206
204
202
207
208
Starten met hulpaccu.............................. 100
Stoelen en achterbank............................... 74
elektrische bediening............................ 74
elektrische verwarming....................... 127
hoofdsteunen achterbank..................... 76
ruggedeelte achterbank omklappen..... 76
rugleuning voorstoel omklappen.......... 74
Stoel met geheugenfunctie........................ 75
300
Storingen in de camerasensor opsporen.................................................... 171, 177
Symbolen
controlesymbolen................................. 68
informatiesymbolen.............................. 68
waarschuwingssymbolen..................... 68
Stuurbekrachtiging, snelheidsafhankelijke........................................................... 156
Startblokkering.......................................... 44
07
Storingen in de adaptieve cruisecontrole
opsporen.................................................. 163
Stuurwiel afstellen...................................... 78
Surround.................................................. 135
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 301
07 Alfabetisch register
geïntegreerd, overzicht.......................
gesprek beantwoorden.......................
handsfree............................................
inkomende gesprekken......................
Simkaart..............................................
telefoonboek.......................................
telefoonboek, sneltoets......................
telefoon registreren.............................
206
203
201
202
209
204
204
201
Telefoonboek........................................... 208
Temperatuur
werkelijke temperatuur....................... 123
Trekgewicht............................................. 284
Trekhaak.................................................. 228
specificaties........................................ 229
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 228
Trillingsdemper........................................ 228
Type-aanduidingen.................................. 282
Typegoedkeuring, afstandsbedieningssysteem................................................... 292
U
Timer........................................................ 129
Uitstoot van kooldioxide.......................... 219
Toetsensets op stuurwiel... 78, 118, 157, 206
USB, aansluiting...................................... 139
Totaalgewicht.......................................... 284
Traction Control....................................... 154
Trailer Stability Assist.............................. 231
Transmissie.............................................. 101
Transpondersleutel....................................
accu......................................................
afneembaar sleutelblad........................
batterij vervangen.................................
bereik transpondersleutel.....................
functies.................................................
44
45
44
49
46
45
38
40
35
37
Velgen
schoonmaken..................................... 278
Temperatuurregeling................................ 128
TPMS (Tyre Pressure Monitoring)............ 266
afmetingscategorieën voor veiligheidszitjes met ISOFIX-bevestigingssysteem......................................................
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................
geïntegreerd kinderzitje met twee standen........................................................
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................
V
Veiligheidsgordel
achterbank............................................ 17
gordelspanners..................................... 18
Veiligheidsgordels...................................... 16
Veiligheidsrek........................................... 223
Veiligheidszitje........................................... 32
aanbevolen........................................... 34
Ventilatie.................................................. 125
Ventilator.................................................. 126
Vergrendelen/ontgrendelen
aan de binnenzijde................................ 53
achterklep....................................... 46, 54
Verlichting................................................ 244
Actieve xenonkoplampen, ABL............ 80
Approach-verlichting............................ 84
automatische verlichting, interieur........ 84
bedieningsknoppen.............................. 83
displayverlichting.................................. 79
Follow-Me-Home-verlichting................ 84
gloeilampen, specificaties.................. 250
groot licht/dimlicht................................ 79
in interieur............................................. 83
instrumentenverlichting........................ 79
07
301
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 302
07 Alfabetisch register
koplamphoogteverstelling....................
mistachterlicht......................................
mistlichten............................................
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten.........................................
Verlichting, gloeilampen vervangen.........
bagageruimte......................................
dimlicht, halogeen..............................
groot licht, actieve xenonkoplampen.
groot licht, halogeen...........................
instapverlichting..................................
kentekenplaatverlichting.....................
make-upspiegel..................................
mistlampen vóór.................................
richtingaanwijzer.................................
sidemarker..........................................
79
82
81
81
244
249
245
246
246
249
248
249
247
246
247
302
Volgtijd instellen....................................... 166
W
Waarschuwingsgeluid
botswaarschuwing.............................. 174
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol...................... 159
botswaarschuwing.............................. 174
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 154
Versnellingsbak........................................ 101
automatische...................................... 101
handgeschakelde............................... 101
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)........................................
dynamo laadt niet bij............................
gordelwaarschuwing............................
lage oliedruk.........................................
parkeerrem aangezet............................
storing in remsysteem..........................
waarschuwing.......................................
Verwarmde sproeikoppen.......................... 90
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem. . 19
Verwarming.............................................. 128
Water- en vuilafstotende laag.................... 92
Verzorging................................................ 277
Verzorging, leren bekleding..................... 279
Water- en vuilafstotende laag, schoonmaken........................................................... 278
Vierwielaandrijving, AWD......................... 105
Whiplash-letsel.......................................... 27
Vlekken.................................................... 279
Whiplash-letsel, WHIPS............................. 27
Verlichting instrumentenpaneel................. 79
07
Vloermatten.............................................. 199
69
69
69
69
69
69
69
WHIPS
kinderzitje/comfortkussen.................... 27
whiplash-letsel...................................... 27
Wielen
aanbrengen.........................................
reservewiel..........................................
sneeuwkettingen.................................
velgen.................................................
verwisselen.........................................
270
268
266
265
269
Wielen en banden.................................... 264
Winterbanden.......................................... 265
Wisselgesprek.......................................... 207
Wisserbladen...........................................
schoonmaken.....................................
servicestand.......................................
vervangen...........................................
vervangen achterklep.........................
251
252
251
251
252
Wissers en -sproeiers................................ 89
Z
Zekeringen............................................... 256
algemene informatie........................... 256
houder in bagageruimte..................... 262
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 303
07 Alfabetisch register
relais-/zekeringenkastje in motorruimte.................................................. 257
vervangen........................................... 256
Zekeringenkastje...................................... 256
dashboardkastje................................. 260
Zekeringentabel
zekeringen in bagageruimte............... 262
zekeringen in motorruimte.................. 258
Zuinig rijden............................................. 214
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 17
07
303
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
07 Alfabetisch register
07
304
2008-06-25T09:39:59+02:00; Page 304
XC60 (Y413); 9; 3
evastarck
2008-06-25T09:43:32+02:00; Page 1
VOLVO XC60
INSTRUCTIEBOEKJE
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&%+%%9jiX]!6I%-(*!Eg^ciZY^cHlZYZc!<ŽiZWdg\'%%-!8deng^\]i'%%%"'%%-Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising