Volvo | XC90 | Quick Guide | Volvo XC90 2014 Quick Guide

Volvo XC90 2014 Quick Guide
web edition
quick guide
Gefeliciteerd met uw nieuwe Volvo!
Het is altijd spannend een nieuwe auto te leren kennen.
Neem deze Quick Guide door om snel vertrouwd te raken met enkele van de
meest gebruikelijke functies.
Alle waarschuwingsteksten, andere belangrijke gegevens en meer gedetailleerde
informatie vindt u alleen in de gebruikershandleiding – deze folder bevat slechts
een kleine greep daaruit.
In de gebruikershandleiding staat bovendien de meest recente en meest actuele
informatie.
Opties staan aangegeven met een sterretje (*).
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
transpondersleutel
Vergrendelt portieren, achterklep en
tankvulklep en activeert het alarm*.
Ontgrendelt portierenA, achterklep en
tankvulklep en deactiveert het alarm.
Ontgrendelt achterklep – hij wordt niet
geopend.
‘Approach’-verlichting. Activeert interieurverlichting, stadslichten vóór en
achterlichten, kentekenplaatverlichting
en buitenspiegelverlichting*.
Paniekfunctie. In een noodsituatie ca.
3 seconden lang ingedrukt houden of
2 keer achtereen kort indrukken om
het alarm te laten afgaan. Uit te schakelen met een willekeurige knop op de
transpondersleutel of automatisch, als
u 25 seconden niets doet.
Als geen van de portieren noch de achterklep
binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend,
worden deze na enige tijd automatisch opnieuw
vergrendeld.
A
Het sleutelblad kan worden gebruikt om het
dashboardkastje te vergrendelen/ontgrendelen.
koude start
Motor starten
Benzine 3.2: Rempedaal intrappen, transpondersleutel naar stand III draaien en meteen
loslaten – de motor start automatisch.
Alle andere benzinemotoren: Rempedaal
intrappen, transpondersleutel naar stand
III draaien en loslaten, wanneer de motor
aanslaat.
Diesel: Voorgloeien door de sleutel naar
stand II te draaien en vast te houden, totdat
het symbool op het instrumentenpaneel
dooft – daarna meteen naar stand III draaien
en loslaten, wanneer de motor aanslaat.
NB
Na een koude start is het stationaire toerental mogelijk enige tijd verhoogd. Dit om
ervoor te zorgen dat het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op temperatuur
komt en optimaal kan werken.
ruitenwissers en regensensor*
1 Regensensor Aan/Uit, met hendel in
stand 0.
2 Gevoeligheid sensor of duur intervalfunctie
instellen.
3 Wisser achterruit – intervalfunctie/normale
functie.
A
Enkele wisslag
0
Uit
B
Intervalfunctie, zie ook (2).
C
Normale wissnelheid.
D
Hoge wissnelheid.
E
Sproeiers voorruit en koplampen.
F
Sproeier achterruit.
Er brandt een groene led in knop (1),
wanneer de regensensor actief is.
VERLICHTINGSBEDIENING
Dagrijverlichting ingeschakeld tijdens het
rijden. Dimlicht uitgeschakeld. Grootlichtsignalering werkt maar continu groot
licht niet.
Dagrijverlichting terwijl de auto rijdt.
Automatische overschakeling op parkeerlichten tijdens het parkeren.
Activeert het dimlicht en continu groot
licht of grootlichtsignalering.
Handmatige koplamphoogteregeling
(automatisch bij Xenon-verlichting*).
Display- en instrumentenverlichting.
Automatische regeling van dagrijverlichting en dimlicht.
Mistachterlicht (alleen bestuurderszijde).
parkeerrem
A
Grootlichtsignalen.
B
Wisselen groot licht/dimlicht en ‘Follow
Me Home’-verlichting.
regeneratie (dieselmodel)
In bepaalde omstandigheden verschijnt op het
display van het instrumentenpaneel de melding ROETFILTER VOL. In dat geval moet het
roetfilter van het uitlaatsysteem geregenereerd
worden. Dat gebeurt automatisch door ca.
20 minuten op matige snelheid te rijden.
Wanneer de melding verdwijnt, heeft regeneratie plaatsgevonden.
Inschakelen
1. Rempedaal stevig intrappen – daarna parkeerrempedaal (1) bedienen.
2. Rempedaal loslaten. Als de auto rijdt, parkeerrempedaal verder intrappen.
3. Bij parkeren – stand P kiezen.
Uitschakelen
1. Rempedaal stevig intrappen en daarna aan
handgreep (2) trekken – het parkeerrempedaal komt omhoog.
2. Rempedaal loslaten.
tankdop
Tankdop tijdens het tanken ophangen aan de
binnenkant van de tankvulklep.
AUDIOSYSTEEM
1 Indrukken voor Aan/Uit. Eraan draaien om
CD-SPELERB
2 Geluidsweergave: Indrukken om te kiezen
3 Cd wisselenC of kiezen met 1–6.
4 Bij kort indrukken wordt alleen de beluis-
het volume bij te regelen.
uit BASS, Dolby Pro Logic II* – eraan
draaien om bij te regelen. Geluidsbron: Eraan draaien om te kiezen uit CD, ‘streaming
audio’ via Bluetooth® of AUX/USB*A.
terde cd uitgeworpen. Bij lang indrukken
worden alle cd’s uitgeworpenC.
6 Van cd-track wisselen.
RADIO
5 Ca. 2 seconden indrukken om automatisch
de 10 best doorkomende zenders op
te slaan. Op het display verschijnt
AUTOSTORE tijdens het zoeken.
Opgeslagen zender kiezen met 0–9.
6 Kort indrukken voor de volgende goed
doorkomende zender. Maximaal 20 zenders
opslaan door 0–9 op FM1 of FM2 bij de gewenste zender ingedrukt te houden, totdat
het display de keuze bevestigt.
A
AUX/USB-aansluiting voor bijv. mp3-speler. Volume
van de speler op halverwege de maximale stand
zetten voor de beste geluidskwaliteit. Een op de
USB-aansluiting aangesloten iPod® wordt ook
geladen.
B
Cd’s met mp3- en WMA-bestanden kunnen ook
worden afgespeeld.
C
Alleen cd-wisselaar*.
Geïntegreerd kinderzitje
Opklappen
1. Handgreep voor op het kinderzitje naar voren
halen en vervolgens omhoog, zodat het
kinderzitje omhoogkomt.
2. Achterkant geïntegreerd kinderzitje optillen
en zitje met beide handen naar achteren
duwen en omlaag, totdat het wordt vergrendeld. Sluiting van veiligheidsgordel zo nodig
omlaagduwen.
Neerklappen
1. Handgreep voor op het kinderzitje naar voren
halen om het zitje vrij te geven.
2. Zitje naar voren trekken en in het midden
omlaagduwen, totdat het wordt vergrendeld.
Om de ruggedeelten van de achterbank te kunnen neerklappen moet het geïntegreerde kinderzitje in de onderste stand vergrendeld staan.
elektronische klimaatregeling, Ecc
AUTOMATISCHE REGELING
In de stand AUTO regelt het ECC-systeem automatisch alle functies voor een groter bedieningsgemak en optimale luchtkwaliteit.
4 Eraan draaien voor onafhankelijke
temperatuurinstelling links/rechts in
passagiersruimte.
6 Indrukken om de gekozen temperatuur en
de overige functies automatisch te laten
regelen.
HANDMATIGE REGELING
1 Eraan draaien om de ventilatorsnelheid te
wijzigen.
2 MAN – Recirculatie Aan/Uit.
AUT – Interior Air Quality System* Aan/Uit.
3 AC – Airconditioning aan/uit. Voor koeling
interieur en ontwaseming ruiten.
5 Luchtverdeling. De luchtstroom richten op
bijvoorbeeld de vloer, de blaasmonden in
het dashboard, de voorruit, e.d.
7 Elektrische verwarming voorstoelen Aan/Uit.
8 Maximale ontwaseming. Alle lucht op maximale snelheid naar de voorruit en zijruiten.
9 Elektrische verwarming achterruit en
buitenspiegels.
PASSAGIERSAIRBAG DEACTIVEREN, PACOS*
PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch)
Sleutelblad gebruiken voor omzetten ON/OFF.
OFF – Airbag gedeactiveerd. PASSENGER
AIRBAG OFF verschijnt op het waarschuwingslampje boven de achteruitkijkspiegel.
Kinderen op een zittingverhoger of in een
kinderzitje mogen op de voorstoel zitten, maar
nooit passagiers groter dan 1,40 m.
ON – Airbag geactiveerd. Passagiers groter
dan 1,40 m mogen op de voorstoel zitten, maar
nooit kinderen op een zittingverhoger of in een
kinderzitje.
WAARSCHUWING
Onoordeelkundig gebruik kan levensgevaarlijke situaties opleveren. Bij twijfel over
het juiste gebruik de gebruikershandleiding
raadplegen.
INSTRUMENTENPANEEL
1 Display boordcomputer. Functie kiezen
met (9).
2 Kort indrukken om te wisselen tussen T1
3
4
5
6
7
8
9
10
& T2. Lang indrukken om actuele teller te
resetten.
Displayregel 1: Kilometerteller.
Displayregel 2: T1 & T2 – onafhankelijke
dagtellers die altijd actief zijn.
Displayregel 1: Klok.
Displayregel 2: Buitentemperatuur.
Klok instellen: Tot in de eindstand links-/
rechtsom draaien en vasthouden om de
klok in te stellen (4).
Brandstofmeter
Laag brandstofpeil. Bij een brandend lampje zo spoedig mogelijk tanken.
Indrukken om een melding te laten verschijnen/verdwijnen.
Eraan draaien om de boordcomputeropties
te zien.
Kort indrukken om de actuele boordcomputerfunctie op nul te stellen. Lang indrukken
om alle boordcomputerfuncties op nul te
stellen.
NB
Displaymelding KILOMETER TOT LEGE
TANK is een schatting van de actieradius op
basis van eerdere rijomstandigheden.
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES
Geel symbool: NB - aanwijzing op
het display volgen.
Rood symbool: WAARSCHUWING
– Zo spoedig mogelijk stoppen,
aanwijzing op het display volgen.
DSTC* stabiliteitssysteem - knippert
bij een actief systeem.
Voorgloeifunctie motor (diesel). Motor
starten wanneer het lampje gedoofd
is.
Oliepeil laag. Zo spoedig mogelijk
stoppen, motoroliepeil controlerenA.
Fout in remsysteem. Zo spoedig
mogelijk stoppen, remvloeistofpeil
controlerenA.
A
Auto laten bergen als het symbool blijft branden.
RICHTINGAANWIJZERS
A
B
Korte serie – 3 knippersignalen.
Onafgebroken serie knippersignalen.
Stuurwiel instellen
WAARSCHUWING
Stuurwiel instellen vóórdat u gaat rijden –
nooit tijdens het rijden.
BLIS, Blind Spot Information System*
Als het controlelampje voor BLIS oplicht zonder
dat u voertuigen in de dode hoeken kunt waarnemen, zijn reflecties op een nat wegdek, eigen
schaduwen op betonnen wegen of een laag
staande zon in de camera daarvan mogelijk de
oorzaak.
instap derde zitrij
Bij een storing in het BLIS verschijnt op het display de melding BLINDE-HOEKSYST. SERVICE
VEREIST.
autoverzorging
Voor de lak is het beter om de auto met de
hand te wassen dan in een automatische
wasstraat. Een nieuwe laklaag is bovendien
kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt
daarom geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen met
de hand te wassen.
Schoon water en een spons gebruiken. Erop
letten dat vuil en zand krassen op de lak kunnen veroorzaken.
Houder voor
boodschappentassen*
Buitenste ruggedeelten tweede zitrij
neerklappen
1. Handgreep (1) optillen en ruggedeelte vooroverklappen om de stoel te verzetten.
2. Handgreep (1) optillen en ruggedeelte weer
rechtop zetten om de stoel terug te zetten.
elektrisch bedienbare voorstoel instellen
Lendensteun.
Voorkant zitgedeelte omhoog/omlaag.
Vooruit/achteruit.
Stoel omhoog/omlaag.
Hellingshoek rugleuning.
transpondersleutel en Elektrisch
bedienbare bestuurdersstoel*
In alle transpondersleutels kunnen stoelinstellingen voor verschillende bestuurders worden
opgeslagen. Ga als volgt te werk:
• Stoel naar wens instellen.
• Auto zoals gebruikelijk vergrendelen door
de vergrendelknop op de transpondersleutel in te drukken. Daarmee ligt de stoelpositie opgeslagen in het geheugen van de
transpondersleutelA.
• Auto ontgrendelen (door op de ontgrendelknop op dezelfde transpondersleutel
te drukken) en bestuurdersportier openen.
De bestuurdersstoel neemt automatisch
de positie in die in het geheugen van de
transpondersleutel is opgeslagen (als de
stand van de stoel na vergrendeling van de
auto werd gewijzigd).
A
OPBERGRUIMTE
1 Bekerhouder.
2 Pal om het achterste deel van de
middenconsole eruit te tillen (geldt niet voor
modellen met het Rear Seat Entertainmentsysteem*).
Deze instelling is niet van invloed op de instellingen die zijn
opgeslagen met de geheugenfunctie* voor de elektrisch
bedienbare stoel*. Zie de gebruikershandleiding voor meer
informatie.
TP 17050 (Dutch). AT 1346. Printed in Sweden, Göteborg 2013. Copyright © 2000–2013 Volvo Car Corporation.
1
2
3
4
5
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising