Volvo | XC90 | Gebruikershandleiding | Volvo XC90 2012 Gebruikershandleiding

Volvo XC90 2012 Gebruikershandleiding
VOLVO XC90
Instructieboekje
Web Edition
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het
ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw
Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om
vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
00 01 02
00 Inleiding
01 Veiligheid
Belangrijke informatie................................. 8
Volvo en het milieu.................................... 12
Veiligheidsgordels ....................................
Symbolen, airbags....................................
Airbags......................................................
Airbag activeren/deactiveren*...................
SIPS-airbags (zij-airbags).........................
Opblaasgordijn (IC-systeem)....................
WHIPS-systeem........................................
Rolbeugels (ROPS)...................................
Activering van de veiligheidssystemen.....
Kinderen en veiligheid...............................
18
21
22
24
26
28
29
31
32
33
02 Instrumenten, schakelaars en
bediening
Overzicht auto’s met het stuur links.........
Overzicht auto’s met het stuur rechts.......
Bedieningspaneel op bestuurdersportier..
Instrumentenpaneel..................................
Controle- en waarschuwingslampjes........
Informatiedisplay.......................................
Schakelaars op middenconsole................
Verlichtingspaneel.....................................
Linker stuurhendel....................................
Boordcomputer*.......................................
Rechter stuurhendel..................................
Cruisecontrol*...........................................
Parkeerrem, elektrische aansluiting, e.d.. .
Elektrisch bedienbare ruiten.....................
Ruiten en spiegels.....................................
Elektrisch bedienbaar schuifdak*..............
50
52
54
55
57
61
63
66
68
69
71
73
75
77
80
85
HomeLinkŸ *.............................................. 87
2
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Inhoud
03 04 05
03 Klimaatregeling
04 Interieur
Algemene informatie over de klimaatregeling............................................................ 92
Elektronische klimaatregeling, ECC.......... 96
Standverwarming op brandstof* .............. 99
Voorstoelen.............................................
Voorstoelen (Executive) .........................
Interieurverlichting...................................
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte......................................................
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte (Executive) ...................................
Achterbank..............................................
Lading vervoeren....................................
Bagageruimte..........................................
05 Sloten en alarm
104
107
108
110
Transpondersleutel - sleutel met afstandsbediening................................................ 128
Vergrendelen en ontgrendelen................ 130
Kinderslot................................................ 134
Alarm*..................................................... 136
115
116
118
119
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
Inhoud
06 07 08
06 Starten en rijden
Algemene informatie...............................
Tanken....................................................
Motor starten..........................................
Automatische versnellingsbak................
Vierwielaandrijving*.................................
Remsysteem...........................................
Stabiliteits- en tractieregeling*................
Park Assist*.............................................
BLIS (Blind Spot Information System)*...
Slepen en bergen....................................
Starten met hulpaccu..............................
Rijden met een aanhanger......................
Trekhaak* ...............................................
Afneembare trekhaak* ...........................
Lichtbundel aanpassen...........................
4
07 Wielen en banden
140
143
149
151
154
155
157
159
161
165
167
169
171
173
177
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie...............................
Bandenspanning.....................................
Gevarendriehoek* en reservewiel*..........
Wielen verwisselen..................................
Noodreparatie banden* ..........................
08 Verzorging
184
188
189
192
195
Schoonmaken......................................... 202
Lakschade herstellen.............................. 207
Roestwering............................................ 208
Inhoud
09 10 11
09 Onderhoud en service
Volvo Service..........................................
Onderhoud..............................................
Motorkap en motorruimte.......................
Oliën en vloeistoffen...............................
Wisserbladen..........................................
Startaccu.................................................
Gloeilampen vervangen..........................
Zekeringen..............................................
10 Infotainment
212
213
215
217
222
224
227
234
Algemene informatie...............................
Audio, bedieningspanelen......................
Functies audiosysteem...........................
Radiofuncties..........................................
Cd-functies.............................................
Menusysteem, audiosysteem.................
Telefoonfuncties*....................................
Menusysteem, telefoon ..........................
Bluetooth handsfree*..............................
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment)
met twee tv-schermen* ..........................
11 Specificaties
248
249
252
257
264
267
268
276
280
287
Type-aanduiding.....................................
Maten en gewichten................................
Motorspecificaties...................................
Motorolie.................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen...............
Brandstof................................................
Wielen en banden, maten en spanning ..
Katalysator..............................................
Elektrisch systeem..................................
Typegoedkeuring ...................................
Displaysymbolen.....................................
292
294
297
298
300
302
304
305
306
308
309
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5
Inhoud
12
12 Alfabetisch register
Alfabetisch register................................. 312
6
Inhoud
7
Inleiding
Belangrijke informatie
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
©
Volvo Car Corporation
Optie
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje* in het instructieboekje.
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit instructieboekje ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
De uitrusting die in het instructieboek wordt
beschreven is niet op alle auto’s aanwezig –
welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
8
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Displaymeldingen
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
In de auto zijn displays aanwezig waarop meldingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld PORTIEREN
OPEN).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
Inleiding
Belangrijke informatie
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met
mogelijk dodelijke afloop.
Informatie
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
G031593
Gevaar voor materiële schade
G031592
Gevaar voor lichamelijk letsel
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
9
Inleiding
Belangrijke informatie
Procedurelijsten
Opsommingslijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
• Koelvloeistof
• Motorolie
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
een hoofdstuk wordt voortgezet op de volgende pagina.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
10
Bijvoorbeeld:
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
Zie ommezijde
`` Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
Vastlegging van gegevens
Uw auto is voorzien van enkele computers met
als taak de werking en functionaliteit van de
auto continue te bewaken. Bepaalde computers leggen mogelijk ook gegevens vast bij
registratie van een storing tijdens normale ritten. Bovendien worden er gegevens opgeslagen bij een aanrijding of bijna-aanrijding. Vastlegging van de gegevens is enerzijds bedoeld
om technici te helpen bij het vaststellen en verhelpen van storingen in de auto en anderzijds
om ervoor te zorgen dat Volvo voldoet aan de
geldende wet- en regelgeving. Volvo gebruikt
de gegevens bovendien voor onderzoek ter
verbetering van de kwaliteit en veiligheid, daar
de gegevens kunnen bijdragen tot een groter
inzicht in de omstandigheden waarin ongelukken en/of letsel ontstaan. De gegevens kunnen
duidelijkheid geven over de status en werking
van verschillende autosystemen en -modulen
waaronder die voor de motor, gasklep, besturing en remmen. De gegevens kunnen informatie bevatten over de rijstijl van de bestuurder, zoals de rijsnelheid, het gebruik van het
rem- of gaspedaal en de stuuruitslag en het wel
of niet dragen van de veiligheidsgordel door
bestuurder en eventuele passagier(s). De
gegevens kunnen om de eerder vermelde
redenen voor een begrensde tijd worden vastgelegd tijdens het rijden, tijdens een aanrijding
of bij een bijna-ongeluk. Volvo kan de gegevens opslaan zolang deze kunnen bijdragen tot
een verbetering en verdere verhoging van de
veiligheid en kwaliteit en zolang de wet- en
regelgeving waaraan Volvo gehouden is dit
voorschrijft.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet
zonder de toestemming van de eigenaar van
de auto vrijgeven aan derden. Volvo Car Corporation kan echter op last van de nationale
wet- en regelgeving gedwongen worden om
dergelijke gegevens te verstrekken aan instanties, zoals de politie, of anderen die krachtens
de wet de gegevens kunnen opeisen.
Om de door de computers van de auto vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen en interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij Volvo, en de
werkplaatsen die een contract hebben met
Inleiding
Belangrijke informatie
Volvo. Volvo ziet erop toe dat de gegevens, die
in verband met reparatie en onderhoud worden
doorgegeven aan Volvo, zorgvuldig worden
opgeslagen en gehanteerd en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden gebruikt. Neem voor meer informatie contact op met een Volvo-dealer.
Accessoires en extra uitrusting
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt geladen. U wordt daarom altijd geadviseerd contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires monteert die in
verbinding staan met of van invloed zijn op het
elektrische systeem.
Informatie op internet
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
11
Inleiding
Volvo en het milieu
G000000
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation die van invloed zijn
op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
12
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het verkeer.
Inleiding
Volvo en het milieu
Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Interieur
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
We stellen duidelijke milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen – hier volgen enkele tips:
• Voorkom stationair draaien – zet de motor
af wanneer u langere tijd stilstaat. Houdt u
zich aan de plaatselijke voorschriften.
• Rijd economisch – rijd anticiperend.
• Voer service en onderhoud uit volgens de
aanwijzingen in het instructieboekje – houd
de geadviseerde intervallen in het Serviceen garantieboekje aan.
• Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming*, als de auto hiermee is
uitgerust – dit verbetert de startgewilligheid, beperkt de slijtage bij koud weer en
zorgt ervoor dat de motor sneller op
bedrijfstemperatuur komt, waardoor het
brandstofverbruik en de uitstoot afnemen.
• Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand – bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
juiste manier van verwerken van dergelijk
afval – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Wanneer u deze tips opvolgt, kunt u geld
besparen, zuiniger omspringen met de hulpbronnen op aarde en uw auto langer doen
meegaan. Zie pagina 140 en 302 voor meer
informatie en meer tips.
Recycling
Milieumatig verantwoorde recycling van de
auto vormt een belangrijk aspect van de milieuzorg van Volvo. De auto is nagenoeg geheel
te recyclen. De laatste eigenaar van de auto
wordt daarom verzocht contact op te nemen
met een dealer voor de locatie van een gecertificeerd/erkend recyclingsbedrijf.
Milieu-aspecten van het
instructieboekje
Het Forest Stewardship CouncilŸ-symbool
geeft aan dat de papiervezels waarvan deze
publicatie gemaakt is afkomstig zijn uit FSCŸgecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen.
• Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor het
milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. Neem contact
op met een werkplaats bij twijfel over de
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
13
Inleiding
Volvo en het milieu
14
Inleiding
15
Veiligheidsgordels ..................................................................................
Symbolen, airbags..................................................................................
Airbags....................................................................................................
Airbag activeren/deactiveren*.................................................................
SIPS-airbags (zij-airbags)........................................................................
Opblaasgordijn (IC-systeem)..................................................................
WHIPS-systeem......................................................................................
Rolbeugels (ROPS).................................................................................
Activering van de veiligheidssystemen...................................................
Kinderen en veiligheid.............................................................................
16
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
18
21
22
24
26
28
29
31
32
33
VEILIGHEID
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
Draag altijd een veiligheidsgordel
ting te steken. Een duidelijke “klik” geeft
aan dat de veiligheidsgordel vastzit.
Veiligheidsgordel losmaken
–
Druk op de rode knop van de sluiting en
laat het oprolmechanisme de veiligheidsgordel naar binnen trekken. Als de veiligheidsgordel niet volledig wordt opgerold,
moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
G020104
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en
kan niet verder worden uitgetrokken
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben. Voor optimale bescherming
van de veiligheidsgordel is het van belang dat
de gordel goed tegen het lichaam ligt. Laat de
rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
De veiligheidsgordel omdoen:
–
18
Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de slui-
• wanneer u de gordel te snel uittrekt
• wanneer u remt of optrekt
• als de auto sterk overhelt.
Let erop dat
• u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
• er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken
• de heupgordel moet laag zitten (niet over
de buik)
• u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats. Als een veiligheidsgordel aan
grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren,
zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk
niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd
is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn
goedgekeurd en bedoeld voor montage op
dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordel en zwangerschap
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
Gordelwaarschuwing
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de gordel
nergens gedraaid zit.
dens het starten). De waarschuwingslampjes
zitten in de plafondconsole en op het instrumentenpaneel.
N.B.
De gordelwaarschuwing is bestemd voor
volwassenen inzittenden. Als u een kinderzitje op de passagiersstoel hebt aangebracht en het met de veiligheidsgordel hebt
vastgezet, wordt er geen gordelwaarschuwing gegeven.
Bepaalde markten
G020105
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder de gordel niet draagt. Op lage
snelheden klinkt de eerste 6 seconden lang een
geluidssignaal.
Gordelspanners
G027049
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel draagt. Nog belangrijker
is het dat u de veiligheidsgordel dan op de
juiste manier draagt. De veiligheidsgordel moet
strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de
borsten en tegen de zijkant van de buik ligt.
01
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder en een eventuele voorpassagier
de gordel niet dragen. Of er geluidssignalen
klinken, hangt af van de snelheid (op lage snelheden) en in bepaalde gevallen van de tijd (tij-
Alle veiligheidsgordels (met uitzondering van
de gordel midden achter) hebben gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam
spant. De veiligheidsgordel kan de passagier
daarmee beter in de stoel gedrukt houden.
19
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel aan passagierszijde nooit aanbrengen in de gordelsluiting aan bestuurderszijde. De gesp van
de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de
gordelsluiting aan de juiste zijde. De veiligheidsgordels nooit beschadigen en geen
vreemde voorwerpen aanbrengen in de gordelsluiting. De veiligheidsgordels en de gordelsluiting werken anders mogelijk niet naar
behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat
gevaar voor ernstige verwondingen.
20
01 Veiligheid
Symbolen, airbags
Waarschuwingslampje op
instrumentenpaneel
01
G027284
Behalve het brandende waarschuwingslampje verschijnt er, in die
gevallen waarin dat nodig is, een
melding op het display. Als het
waarschuwingslampje niet werkt,
gaat het waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt er
SRS-AIRBAG SERVICE SPOED
op het informatiedisplay. Volvo
adviseert u daarvoor zo spoedig mogelijk contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer u de transpondersleutel naar sleutelstand I, II of III draait.
Het lampje dooft na ca. 6 seconden, wanneer
de regelmodule heeft vastgesteld dat het airbagsysteem geen storingen vertoont.
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
lampje kan ook duiden op een storing in de
gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het
IC-systeem. Neem zo spoedig mogelijk
contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
21
01 Veiligheid
01
Airbags
Airbagsysteem
N.B.
G020110
G020111
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet.
SRS-systeem, auto met het stuur rechts
SRS-systeem, auto met het stuur links.
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer airbags worden opgeblazen. Daarbij worden de
airbags warm. Om de klap op te vangen loopt
de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
22
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u voor reparatie contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het airbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig
lichamelijk letsel tot gevolg.
Het is dan ook mogelijk dat er bij ongelukken slechts één (of geen enkele) van de airbags wordt opgeblazen. Het SRS-systeem
registreert de botskracht waaraan de auto
blootstaat en stemt de activering van een of
meerdere airbags daarop af.
De airbags werken dusdanig dat de capaciteit ervan wordt afgestemd op de botskracht waaraan de auto blootstaat.
01 Veiligheid
Airbags
Airbag aan de bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de bestuurderszijde ook een airbag in het
stuurwiel. Deze zit opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift SRS AIRBAG.
01
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
G020113
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
Positie van de airbag aan de passagierszijde in een
auto met het stuur links of rechts.
Airbag aan de passagierszijde
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht.
1
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de passagierszijde ook een airbag aan
dezelfde zijde. Deze zit opgevouwen in een
ruimte boven het dashboardkastje. Het paneel
is voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is.1
Laat nooit iemand voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m
mogen nooit op de passagiersstoel voorin
plaatsnemen, als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag, zie pagina 24.
23
01 Veiligheid
01
Airbag activeren/deactiveren*
PACOS deactiveren met sleutel*
Algemene informatie
De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto
is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de passagiersairbag geactiveerd
is. Het niet opvolgen van deze aanbeveling
kan levensgevaarlijke situaties opleveren
voor het kind.
WAARSCHUWING
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag (PACOS) zit aan de passagierszijde, aan de zijkant van het dashboard
en u kunt erbij door het portier aan die kant te
openen (zie onder het kopje Activeren/deactiveren verderop).
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Volvo adviseert u het sleutelblad
te gebruiken om de stand te wijzigen.
Voor informatie over het sleutelblad, zie
pagina 128.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties
opleveren.
24
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen PACOS
heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de melding op de
achteruitkijkspiegel aangeeft dat de airbag
aan die kant gedeactiveerd is. Dit duidt op
een ernstige storing. Bezoek zo spoedig
mogelijk een werkplaats. Volvo adviseert u
daarvoor contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats
Locatie van de schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een comfortkussen beslist
niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een comfortkussen
aan de passagierszijde op de voorstoel zitten, maar passagiers groter dan 1,40 m
beslist niet.
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
WAARSCHUWING
01
Melding
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is. Laat evenmin personen die kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
G027050
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, als de airbag gedeactiveerd is.
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
Een melding op de achteruitkijkspiegel geeft
aan dat de airbag aan de passagierszijde
voorin gedeactiveerd is (zie voorgaande
afbeelding).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
25
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
SIPS-airbag
G020118
WAARSCHUWING
•
Volvo adviseert u reparaties over te
laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het SIPSairbagsysteem kunnen aanleiding
geven tot storingen in de werking met
mogelijk ernstig lichamelijk letsel tot
gevolg.
•
Plaats geen voorwerpen tussen de
stoelen en de portierpanelen, omdat dit
gebied binnen de actieradius van de
SIPS-airbag ligt.
•
Volvo adviseert u alleen stoelhoezen te
gebruiken die door Volvo zijn goedgekeurd. Andere stoelhoezen kunnen de
SIPS-airbags in hun werking hinderen.
•
De SIPS-airbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd de veiligheidsgordel.
Positie van de SIPS-airbags.
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en de heupen en vormen een
belangrijk onderdeel van het systeem. De
SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleuningframes van de voorstoelen.
1
26
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geactiveerde1 airbag.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS), zie pagina 24.
Positie
Bestuurdersplaats, auto met stuur links
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren.
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
Passagiersplaats, auto met het stuur links
De SIPS-airbags worden vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel.
Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van
de aanrijding op voor de inzittende, waarna de
airbags weer leeglopen. De SIPS-airbag wordt
normaal gesproken alleen opgeblazen aan de
kant van de aanrijding.
27
01 Veiligheid
01
Opblaasgordijn (IC-systeem)
Eigenschappen
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen
zoals paraplu’s).
G027047
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo
adviseert u uitsluitend originele Volvoonderdelen, bestemd voor montage op
deze plaatsen, te gebruiken.
De opblaasgordijnen van het IC-systeem (Inflatable Curtain) maken deel uit van het SIPSsysteem en de airbags. Ze zitten verborgen
achter de plafondbekleding langs beide zijden
van de auto en beschermen inzittenden op de
buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de opblaasgordijnen
activeren. Het systeem helpt voorkomen dat
de bestuurder en eventuele passagiers bij een
botsing met hun hoofd tegen de binnenkant
van de auto slaan.
28
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de zijruiten.
Anders is het mogelijk dat het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding geen bescherming meer biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
01 Veiligheid
WHIPS-systeem
01
G020347
Bescherming tegen whiplash-letsel, WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de veiligheidsgordel.
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of het
WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
WHIPS-systeem en kinderzitjes/
comfortkussens
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zo veel mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
29
01 Veiligheid
01
WHIPS-systeem
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet nadelig beïnvloedt
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
G020125
G020126
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk intact
is.
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de
bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPSsysteem kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
30
Plaats geen voorwerpen op de achterbank die het
WHIPS-systeem kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt neergeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het neergeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor een
controle van het systeem, ook na een lichte
aanrijding van achteren.
01 Veiligheid
Rolbeugels (ROPS)
Functie
Het Roll-Over Protection System (ROPS) van
Volvo is ontwikkeld om het gevaar te beperken
dat de auto over de kop slaat en maximale
bescherming te bieden als een ongeluk onvermijdelijk blijkt.
01
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
RSC-systeem voor een betere wegligging.
Dit mag echter voor u geen reden zijn om
sneller te gaan rijden. Neem altijd de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen bij het rijden.
Het systeem bestaat uit:
• een stabilisatiesysteem, het RSC (Roll Stability Control) dat het gevaar beperkt dat de
auto kantelt en over de kop slaat wanneer
u bijvoorbeeld krachtig afremt of in de slip
raakt.
• een aanvulling op de inzittendenbeveiliging
door het gebruik van carrosserieverstevigingen, opblaasgordijnen en gordelspanners op alle zitplaatsen. Zie ook pagina
19 en 28.
Het RSC-systeem maakt gebruik van een gyrosensor die wijzigingen in de helling overdwars
registreert. Aan de hand van deze informatie
wordt vervolgens berekend hoe groot de kans
is dat de auto over de kop slaat. Als het gevaar
reëel is, treedt het DSTC-systeem in werking.
Het motortoerental wordt daarbij verlaagd en
één of meer van de wielen worden afgeremd,
totdat de auto zijn stabiliteit hervonden heeft.
Zie pagina 157 voor meer informatie over het
DSTC-systeem.
31
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
01
A
Systeem
Activering
Gordelspanners
Bij een frontale botsing en/of kantelen.
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsingA
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zijA
Opblaasgordijn (IC-systeem)
Bij een aanrijding in de zij en/of kantelenA.
WHIPS-systeem
Bij aanrijdingen van achteren.
RSC-systeem
Wanneer de auto bijvoorbeeld krachtig afremt of in de slip raakt.
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van het lichaam waarmee de
auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
• Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen airbags.
• Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
• Neem altijd contact op met een arts.
32
N.B.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordelspanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regelmodule van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u hem te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en veilig
kunnen zitten
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3–
4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar op/
in een comfortkussen of een kinderzitje dat in
de rijrichting geplaatst is.
De plaats van het kind in de auto en de vereiste
uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en de
lengte van het kind (voor meer informatie, zie
pagina 35).
delen op de juiste wijze zijn aangebracht en
sterk genoeg zijn.
N.B.
Neem voor duidelijker instructies voor de
bevestiging van kinderveiligheidsproducten
contact op met de producent.
01
N.B.
Bij gebruik van andere op de markt verkrijgbare kinderveiligheidsproducten is het van
belang dat u de bijgeleverde montageinstructies zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Door scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigd raken.
Kinderzitjes
N.B.
Raadpleeg voor de juiste montage de montage-instructies bij het kinderzitje.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
• een kinderzitje/comfortkussen op de passagiersstoel, zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd1 is.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Volvo adviseert u originele Volvo-onderdelen te gebruiken om er zeker van te zijn dat
de bevestigingspunten en bevestigingsonder-
1
G020128
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
• en of meer kinderzitjes/comfortkussen op
de achterbank.
Plaats kinderzitjes/comfortkussens altijd op de
achterbank als de airbag aan de passagierszijde geactiveerd is. Als de airbag wordt geactiveerd, kan een kind aan de passagierszijde
ernstig letsel oplopen.
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag (SRS), zie pagina 24.
33
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
WAARSCHUWING
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is geactiveerd.2
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
2
34
WAARSCHUWING
Sticker airbag
Gebruik geen comfortkussens/kinderzitjes
met stalen beugels of andere constructies
die tegen de ontgrendelingsknop van de
gordelsluiting kunnen aankomen. Dit om te
voorkomen dat de veiligheidsgordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS), zie pagina 24.
Sticker aan passagierszijde, op de korte kant van
het dashboard, zie afbeelding op pagina 24.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Aanbevolen kinderzitjes3
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Groep 0
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel
<10 kg
Typegoedkeuring: E1 04301146
Groep 0+
(U)
<13 kg
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
(U)
3
Om andere zitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
``
35
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Groep 1
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
9–18 kg
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
(U)
Groep 2
15–25 kg
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – in rijrichting gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E5 04191
(L)
36
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Groep 2/3
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and without backrest).
15–36 kg
Typegoedkeuring: E5 03139
01
(UF)
Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
(UF)
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of
semi-universeel zijn.
U: Geschikt voor kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
``
37
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Tweede zitrij, buitenste zitplaatsenA
Tweede zitrij, middelste zitplaatsA
Groep 0
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) - achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met ISOFIX-systeem.
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) - achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met ISOFIX-systeem.
Typegoedkeuring: E1 04301146
Typegoedkeuring: E1 04301146
(U)
(U)
<10 kg
Groep 0+
<13 kg
Derde zitrij bij zevenzitter
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) - achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met ISOFIX-systeem.
Typegoedkeuring: E1 04301146
(U)
38
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje
(Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje
(Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
(L)
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
(U)
(U)
(U)
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Tweede zitrij, buitenste zitplaatsenA
Groep 1
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible
Child Seat) – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
9–18 kg
Tweede zitrij, middelste zitplaatsA
01
Derde zitrij bij zevenzitter
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje
(Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje
(Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
(L)
Britax Fixway – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIXsysteem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
(L)
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
(U)
(U)
(U)
``
39
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Tweede zitrij, buitenste zitplaatsenA
Groep 2
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible
Child Seat) – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband
15–25 kg
Tweede zitrij, middelste zitplaatsA
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
40
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible
Child Seat) – in rijrichting gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible
Child Seat) – in rijrichting gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E5 04191
Typegoedkeuring: E5 04191
(L)
(L)
Derde zitrij bij zevenzitter
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht
Tweede zitrij, buitenste zitplaatsenA
Tweede zitrij, middelste zitplaatsA
Derde zitrij bij zevenzitter
Groep 2/3
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
(UF)
(UF)
(UF)
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
(UF)
(UF)
(UF)
15–36 kg
01
Geïntegreerd kinderzitje (Integrated
Booster Cushion) – verkrijgbaar als
fabrieksoptie.
Typegoedkeuring: E5 03167
(B)
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of
semi-universeel zijn.
U: Geschikt voor kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
B: Geïntegreerde kinderzitjes met goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
Bij zevenzitters moet de zitrij in de achterste stand staan bij gebruik van een kinderzitje.
``
41
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Geïntegreerd kinderzitje*
WAARSCHUWING
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is geactiveerd.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag (SRS) geactiveerd is.4
G031071
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
Trek aan de handgreep zodat het kinderzitje omhoogkomt.
Pak het zitje met beide handen vast en duw
het naar achteren.
Druk het zitje zo ver achteruit dat het vergrendelt.
WAARSCHUWING
Het kinderzitje moet in de vergrendelde
stand staan voordat u het kind in het zitje
aanbrengt.
Geïntegreerd kinderzitje opklappen
Zorg dat:
• het kinderzitje in de vergrendelde stand
staat.
Het geïntegreerde kinderzitje van Volvo op de
middelste zitplaats achterin is speciaal ontworpen om kinderen maximale bescherming te
bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels is het geïntegreerde kinderzitje
goedgekeurd voor kinderen met een gewicht
van 15 tot 36 kg.
• de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt, nergens slap
hangt of verdraaid is en dat de veiligheidsgordel goed over de schouder ligt.
• de heupgordel laag over het bekken loopt
om maximale bescherming te bieden.
G020808
• de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt.
• Stel de stand van de hoofdsteun zorgvuldig af op de lengte van het kind.
4
42
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS), zie pagina 24.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
1. Trek aan de handgreep.
Volvo adviseert u reparatie- en vervangingswerk over te laten aan een erkende Volvowerkplaats. Verricht geen wijzigingen in of
aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje.
Als een geïntegreerd kinderzitje aan grote
krachten heeft blootgestaan zoals tijdens
een aanrijding, moet u het geïntegreerde
kinderzitje in zijn geheel vervangen. Ook als
het geïntegreerde kinderzitje er intact uitziet, kunnen er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het geïntegreerde kinderzitje moet ook worden vervangen als het erg versleten is.
Kinderzitje inklappen
2. Duw het zitje zo ver omlaag dat het vastklikt.
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes*
N.B.
Let erop dat u het geïntegreerde kinderzitje
eerst moet inklappen voordat u de ruggedeelten van de achterbank voorover kunt
klappen.
Kinderslot achterportieren
De bedieningsknoppen voor de ruiten in de
achterportieren en de openingshandgrepen op
de achterportieren zijn te blokkeren, zodat de
achterportieren en de zijruiten niet meer van de
binnenzijde kunnen worden geopend. Voor
meer informatie, zie pagina 134.
G015268
WAARSCHUWING
01
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie voorgaande afbeelding) geven de positie van deze bevestigingspunten aan.
G030708
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
43
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
N.B.
Het ISOFIX-bevestigingssysteem is als
accessoire verkrijgbaar voor de passagiersstoel.
B1
Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
C
Normale grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
Afmetingscategorieën
D
Veiligheidszitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen
daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen.
Beperkte grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
E
Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
F
Overdwars gemonteerd
babyzitje, links
G
Overdwars gemonteerd
babyzitje, rechts
Houdt u zich altijd aan de montage-instructies
van de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/
babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten
vastzet.
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-bevestigingssysteem zijn er daarom afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen
van het juiste kinderzitje (zie volgende tabel).
AfmeBeschrijving
tingscategorie
44
AfmeBeschrijving
tingscategorie
A
Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd kinderzitje
B
Beperkte grootte (optie 1), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
N.B.
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, dient uw model op de lijst
met auto’s te staan waarvoor het kinderzitje
zich leent.
N.B.
WAARSCHUWING
Plaats een kind nooit op de passagiersstoel
voorin, als de auto is uitgerust met een
geactiveerde airbag aan die kant.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een Volvo-werkplaats over de ISOFIX-kinderzitjes die Volvo aanbeveelt.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Verschillende soorten ISOFIX-kinderzitjes
Type kinderzitje
Babyzitje, overdwars
Babyzitje, achterstevoren
Gewicht
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
max. 10 kg
F
X
X
(tot 9 maanden)
G
X
X
max. 10 kg
E
X
OK
(tot 9 maanden)
Babyzitje, achterstevoren
max. 13 kg
(tot 12 maanden)
(IL)
E
X
OK
(IL)
D
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
Kinderzitje, achterstevoren
9–18 kg
(9–36 maanden)
D
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
``
45
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Type kinderzitje
Kinderzitje, in rijrichting
Gewicht
Afmetingscategorie
9–18 kg
B
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
X
OKA
(9–36 maanden)
(IUF)
B1
X
OKA
(IUF)
A
X
OKA
(IUF)
X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie.
IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep
merken of semi-universeel zijn.
IUF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerd ISOFIX-kinderzitje met universele goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
46
Volvo adviseert een achterstevoren gemonteerd kinderzitje voor deze categorie.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Bevestigingspunten voor kinderzitjes
N.B.
Bij een zevenzitter zitten deze bevestigingspunten alleen op de tweede zitrij.
G027032
Klap het ruggedeelte naar voren om bij de
bevestigingspunten te komen. Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het kinderzitje voor
gedetailleerde informatie over de manier
waarop u het zitje aan de bovenste bevestigingspunten vastzet.
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes. Deze bevestigingspunten zitten achter op de zitgedeelten
van de achterbank.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen. Volvo adviseert u kleine kinderen zo lang mogelijk in een
achterstevoren gemonteerd kinderzitje te blijven vervoeren.
Veiligheidsgordel met speciale
blokkeerfunctie (ALR/ELR)5
De veiligheidsgordel op de middelste zitplaats
van de tweede zitrij is voorzien van een speciale blokkeerfunctie (ALR/ELR). De blokkeerfunctie helpt de gordel aangespannen te houden, waardoor het gemakkelijker wordt een
kinderzitje aan te brengen.
01
“klik” geeft aan dat de veiligheidsgordel
vastzit.
4. Laat het oprolmechanisme de veiligheidsgordel naar binnen trekken en span de gordel rond het kinderzitje. De veiligheidsgordel maakt dan een mechanisch geluid, wat
volkomen normaal is.
De functie wordt automatisch opgeheven,
wanneer u de veiligheidsgordel uit de gordelsluiting haalt en loslaat.
Bij problemen tijdens de montage van kinderveiligheidsproducten moet u contact opnemen
met de fabrikant voor nadere inlichtingen over
de montage.
Doe het volgende om een kinderzitje met de
veiligheidsgordel vast te zetten:
1. Bevestig de veiligheidsgordel aan het kinderzitje volgens de aanwijzingen die de
fabrikant van het zitje heeft verstrekt.
2. Trek de veiligheidsgordel volledig uit.
3. Zet de veiligheidsgordel vast door de borglip in de sluiting te steken. Een duidelijke
5
Automatic Locking Retractor/Emergency Locking Retractor.
47
Overzicht auto’s met het stuur links.......................................................
Overzicht auto’s met het stuur rechts.....................................................
Bedieningspaneel op bestuurdersportier................................................
Instrumentenpaneel................................................................................
Controle- en waarschuwingslampjes......................................................
Informatiedisplay.....................................................................................
Schakelaars op middenconsole..............................................................
Verlichtingspaneel...................................................................................
Linker stuurhendel..................................................................................
Boordcomputer*......................................................................................
Rechter stuurhendel................................................................................
Cruisecontrol*.........................................................................................
Parkeerrem, elektrische aansluiting, e.d.................................................
Elektrisch bedienbare ruiten...................................................................
Ruiten en spiegels...................................................................................
Elektrisch bedienbaar schuifdak*............................................................
50
52
54
55
57
61
63
66
68
69
71
73
75
77
80
85
HomeLinkŸ *............................................................................................ 87
48
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
02
50
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
Verlichtingspaneel
Claxon
Blaasmond
Cruisecontrol
Display
Richtingaanwijzers, wisselen groot lichtdimlicht, knop READ
Temperatuurmeter
Kilometerteller, dagteller, cruisecontrol
Snelheidsmeter
Richtingaanwijzers
Toerenteller
02
Parkeerrem
Handgreep voor lossen parkeerrem
Schakelaars leeslampjes
Interieurverlichting
Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak
Buitentemperatuurmeter, klok, schakelstandindicatie
Gordelwaarschuwing
Brandstofmeter
Achteruitkijkspiegel
Controle- en waarschuwingslampjes
Blaasmonden
Dashboardkastje
Alarmlichten
Audiosysteem
Klimaatregeling
Ruitenwissers
Toetsenset voor telefoon/audiosysteem
Instrumentenpaneel
51
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
02
52
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
Verlichtingspaneel
Claxon
Blaasmond
Instrumentenpaneel
Controle- en waarschuwingslampjes
Toetsenset telefoon-/audiosysteem
Brandstofmeter
Ruitenwissers
Buitentemperatuurmeter, klok, schakelstandindicatie
Handgreep voor lossen parkeerrem
Toerenteller
Richtingaanwijzers
Snelheidsmeter
Kilometerteller, dagteller, cruisecontrol
Temperatuurmeter
02
Schakelaars leeslampjes
Interieurverlichting
Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak
Gordelwaarschuwing
Achteruitkijkspiegel
Display
Blaasmonden
Dashboardkastje
Alarmlichten
Audiosysteem
Klimaatregeling
Richtingaanwijzers, wisselen groot lichtdimlicht, knop READ
Parkeerrem
Cruisecontrol
53
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
Bedieningspaneel
G029570
02
Vergrendelingsknop, simultaanvergrendeling alle portieren
Blokkeerknop ruitbediening achterportieren
Knop, elektrisch bedienbare ruiten
Knop, buitenspiegels
54
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
G026973
02
knop langer dan 2 seconden in te drukken.
Wissel van dagteller door de knop korte tijd
in te drukken.
Temperatuurmeter – Geeft de temperatuur
in het koelsysteem van de motor aan. Op
het display verschijnt een melding, als de
temperatuur abnormaal hoog is en de
naald tot in het rode gebied uitslaat. Let
erop dat verstralers voor de luchtinlaat het
koelvermogen verminderen.
Aanduiding voor cruisecontrol.
Display – Op het display worden informatieve meldingen en waarschuwingsmeldingen weergegeven.
Grootlichtindicatie
Snelheidsmeter – Geeft de snelheid van de
auto aan.
Dagtellers, T1 en T2 – Dienen om kortere
afstanden op te meten. Het rechter cijfer
geeft de afstand in honderden meters aan.
U kunt de dagtellers op nul zetten door de
Kilometerteller – Geeft het totale aantal
kilometers aan dat er met de auto is gereden.
Waarschuwingslampje – Als er een storing
optreedt, licht het waarschuwingslampje
op en verschijnt er een melding op het display.
Toerenteller – Geeft het motortoerental aan
in duizenden toeren per minuut. Laat de
naald van de toerenteller niet tot in het rode
gebied uitslaan.
Aanduiding voor automatische versnellingsbak – Hier ziet u welke schakelstand
er actief is.
Buitentemperatuurmeter – Geeft de buitentemperatuur aan. Wanneer de temperatuur in het interval van 5°C tot +2°C ligt,
verschijnt er een sneeuwvlokje op het display. Het symbool wijst op het gevaar voor
gladheid. Wanneer de auto stilstaat of
geparkeerd gestaan heeft, is het mogelijk
dat de buitentemperatuurmeter een te
hoge waarde aangeeft.
Knop voor de klok – Draai aan de knop om
de tijd in te stellen.
``
55
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
02
Wanneer het lampje op het hoofdinstrument gaat branden is het brandstofpeil te
laag. Tank dan zo spoedig mogelijk. Zie
ook de boordcomputer, pagina 69.
Controle- en waarschuwingslampjes
Indicatorlampjes richtingaanwijzers, links/
rechts
56
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Functietest, lampjes
Als de motor niet binnen 5 seconden aanslaat, gaan alle lampjes uit
behalve de lampjes voor storingen
in het uitlaatgasreinigingssysteem
van de auto en een te lage oliedruk.
Afhankelijk van de uitrusting van
de auto is het mogelijk dat
bepaalde lampjes geen functie
hebben.
Lampjes in het midden van het
instrumentenpaneel
Het waarschuwingslampje licht
rood of oranje op afhankelijk van
de ernst van de geregistreerde storing.
02
Rood lampje
1. Stop de auto zo spoedig mogelijk. Rijd niet
verder met de auto.
2. Lees de informatie op het display.
3. Verhelp het probleem aan de hand van de
aanwijzingen of neem contact op met een
werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor
een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Het lampje blijft branden en de displaytekst
staan totdat de storing is verholpen.
Alle controle- en waarschuwingslampjes1 gaan
branden, wanneer u de transpondersleutel
voor het starten naar stand II draait. De werking
van de lampjes wordt dan gecontroleerd. Alle
symbolen moeten weer uitgaan als de motor
wordt gestart, behalve het symbool voor de
parkeerrem. Dit gaat pas uit als de auto van de
parkeerrem wordt gehaald.
1
Oranje lampje
–
Lees de melding op het display. Verhelp de
storing!
U kunt de displaytekst verwijderen met een
druk op de knop READ, zie pagina 61. Wanneer u 2 minuten niets doet, verdwijnt de displaytekst automatisch.
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 217.
``
57
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Storing in remsysteem
N.B.
02
Wanneer de melding TIJD VOOR REG.
SERVICE verschijnt, kunt u het waarschuwingslampje laten doven en de melding verwijderen met de knop READ. De melding
verdwijnt automatisch als u 2 minuten niets
doet.
Controlelampjes
Storing in ABS
Als het lampje brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog
wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
3. Volvo adviseert u naar een erkende Volvowerkplaats te rijden voor een controle van
het ABS-systeem, als het lampje blijft
branden.
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag.
moet u het peil in het remvloeistofreservoir
controleren, zie pagina 220.
• Als de lampjes blijven branden ondanks
1. Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en controleer het peil in het remvloeistofreservoir, zie pagina 220.
2. Als de vloeistof onder het MIN-merkje van
het reservoir staat, kunt u beter niet verder
rijden met de auto. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats te laten slepen
voor een controle van het remsysteem.
Als de waarschuwingslampjes
voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er een storing in de remkrachtverdeling zijn
opgetreden.
dat het peil van de remvloeistof in orde is,
moet u de auto uiterst voorzichtig naar een
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren.
• Als de vloeistof lager staat dan het MINstreepje van het remvloeistofreservoir
dient u niet verder te rijden met de auto.
Laat de auto naar een erkende Volvo-werkplaats slepen om het remsysteem te laten
controleren.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
Gordelwaarschuwing
1. Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
58
• Rijd verder als beide lampjes uitgaan.
• Als de lampjes echter blijven branden,
Het lampje brandt als de bestuurder of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als
iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Te lage oliedruk2
Dynamo laadt niet bij
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie
te laag. Zet de motor onmiddellijk
af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het symbool oplicht terwijl het oliepeil in orde is, moet
u contact opnemen met een erkende Volvowerkplaats.
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is er sprake van een storing in het elektrische systeem.
Volvo adviseert u een bezoek te
brengen aan een erkende Volvowerkplaats voor een controle.
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan het lampje
gaan branden. Volvo adviseert u
naar een erkende Volvo-werkplaats te rijden voor een controle.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje gaat branden wanneer
de motor wordt voorverwarmd. De
voorverwarming start als de temperatuur lager wordt dan 2°C. De
auto kan worden gestart als het
lampje gedoofd is.
Dit lampje brandt wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
02
Controlelampje voor aanhanger
Het lampje knippert wanneer u de
richtingaanwijzers gebruikt met
een aanhanger achter de auto. Als
het lampje niet knippert, is een van
de lampjes op de auto of op de
aanhanger defect.
Stabiliteitssysteem STC of DSTC
Voor informatie over de functies en
lampjes van het systeem, zie
pagina 158.
Parkeerrem aangezet
Airbags (SRS)
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing in de gordelsluiting of in het
SRS-, SIPS- of IC-systeem geregistreerd. Volvo adviseert u de
auto zo spoedig mogelijk naar een erkende
Volvo-werkplaats te rijden om het systeem te
laten controleren.
Mistachterlicht
Het lampje brandt, wanneer de
parkeerrem bediend wordt. Trap
het parkeerrempedaal altijd helemaal omlaag.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
N.B.
Het lampje geeft alleen aan dát u de parkeerrem hebt bediend maar niet hoe hard!
Als een van de portieren of de achterklep niet
goed afgesloten is, wordt u daarop attent
gemaakt.
Lage snelheid
Als de auto met een snelheid van maximaal
7 km/h rijdt, gaat het informatielampje branden
en verschijnt een van de volgende meldingen
op het display: BESTUURDERS- PORTIER
2
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 217.
59
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
02
OPEN, PASSAGIERS- PORTIER OPEN,
ACHTERPORTIER LINKS OPEN of
ACHTERPORTIER RECHTS OPEN . Breng
de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en
sluit het portier dat of de motorkap die openstaat.
Hoge snelheid
Als de auto sneller rijdt dan
7 km/h, gaat het lampje branden
en wordt tegelijkertijd een van de
meldingen uit de vorige alinea op
het display weergegeven.
Waarschuwing achterklep
Als de achterklep open is, verschijnt
ACHTERKLEP OPEN op het display.
60
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Berichten
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt bij gebruik van de boordcomputer,
moet u de melding lezen (druk op de knop
READ) voordat u de eerdere activiteit kunt
hervatten.
Betekenis
STOP AUTO
Z.S.M.A
Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
ZET DE MOTOR
AFA
Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
SERVICE SPOEDA
Volvo adviseert u de
auto onmiddellijk te
laten controleren
door een erkende
Volvo-werkplaats.
ZIE HANDLEIDINGA
Lees het instructieboekje.
G026979
Melding
Wanneer een waarschuwings- of controlelampje oplicht, verschijnt er tevens een aanvullende melding op het display.
–
Druk op de knop READ (A).
Blader met de knop READ de meldingen door.
Meldingen blijven in het geheugen vastgelegd
totdat u de onderliggende storing hebt laten
verhelpen.
Melding
Betekenis
SERVICE VEREISTA
Volvo adviseert u de
auto zo spoedig
mogelijk te laten
controleren door
een erkende Volvowerkplaats.
TIJD VOOR REG.
SERVICE
Tijd voor een servicebeurt. Volvo adviseert u de servicebeurt over te laten
aan een erkende
Volvo-werkplaats.
Het moment hangt
af van de afgelegde
afstand, het aantal
maanden dat sinds
de laatste servicebeurt is verstreken
en het aantal draaiuren van de motor.
02
61
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
02
A
62
Melding
Betekenis
ROETFILTER VOL
ZIE HANDLEIDING
Het roetfilter van
dieselmodellen is
aan regeneratie toe
(zie pagina 147).
STC SPIN CONTROL UIT/DSTC
SPIN CONTROL
UIT
Er gelden beperkingen voor de stabiliteits- en tractieregeling (zie pagina 157
voor meer varianten).
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over
de locatie van de storing.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Knop
G026944
02
N.B.
De onderlinge positie van de knoppen kan
variëren.
Airconditioning achter in
passagiersruimte*
Druk op de knop om de airconditioning achter in de passagiersruimte in te schakelen. De
airconditioning achter in de
passagiersruimte wordt
gedeactiveerd, wanneer u het
contact uitschakelt.
Kinderslot op achterportieren*
Met deze knop kunt u het elektrische kinderslot op de achterportieren in- of uitschakelen.
De transpondersleutel moet
daarbij in stand I of II staan.
Wanneer het kinderslot geactiveerd is, brandt het lampje in de knop. Er verschijnt een melding op het display, wanneer u
het kinderslot in- of uitschakelt, zie
pagina 134.
Inklapbare buitenspiegels*
Met deze knop kunt u de elektrisch bedienbare buitenspiegels in- en uitklappen.
Ga als volgt te werk, als een van de buitenspiegels per ongeluk in- of uitgeklapt is:
1. Klap de buitenspiegel die verzet is terug in
de normale stand.
2. Draai de transpondersleutel naar stand II.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
63
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
3. Klap de buitenspiegel met behulp van de
knop eerst in en vervolgens opnieuw uit.
02
De buitenspiegels staan daarna weer in hun
oorspronkelijke stand.
Park Assist*
Het systeem is bij het starten
van de motor altijd geactiveerd.
Druk op de knop om Park
Assist uit te schakelen of
opnieuw in te schakelen. Zie
ook pagina 159.
Safelock-functie* en alarmsensoren
deactiveren
Met deze knop kunt u de Safelock-functie desgewenst uitschakelen (Safelock houdt in
dat portieren na vergrendeling
niet meer van de binnenzijde te
openen zijn). Met deze knop
kunt u ook de bewegingsmelder en de niveausensoren van het alarmsysteem buiten werking
stellen*. Het lampje in de knop brandt, wanneer
de functies zijn uitgeschakeld of buiten werking
zijn gesteld, zie pagina 133 en 137.
64
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Verstralers*
Elektrische aansluiting/Aansteker*
Druk op deze knop als u de verstralers van de auto’s tegelijk
met het groot licht wilt voeren
of als u de verstralers wilt uitschakelen.
Actieve xenonkoplampen*
Als de auto is uitgerust met
actieve xenonkoplampen
(Active Bending Lights, ABL),
draaien de lichtbundels van de
koplampen mee met het stuurwiel. De functie wordt bij het
starten van de motor automatisch geactiveerd
en kan met de bijbehorende knop worden uitgeschakeld/ingeschakeld. Het lampje in de
knop brandt, wanneer de functie actief is
Lichtbundel aanpassen aan links-/
rechtsrijdend verkeer
Houd de knop ten minste 5 seconden lang
ingedrukt. Bij het aanpassen van de lichtbundel dient de auto stil te staan. De melding
KOPLAMPSET VERKEER RECHTS of
KOPLAMPSET VERKEER LINKS verschijnt
op het display. Voor meer informatie over halogeen- of Dual Xenon-koplampen en het aanpassen van de lichtbundels, zie pagina 177.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken,
zoals een mobiele telefoon of
koelbox.
De transpondersleutel moet ten minste in
stand I staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken. Om veiligheidsredenen moet u het
deksel altijd op de aansluiting laten zitten, wanneer deze niet in gebruik is. De maximale
stroomsterkte is 10 A.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
BELANGRIJK
U kunt maximaal 10 A (120 W) via de aansluiting afnemen bij gebruik van één aansluiting tegelijk. Bij gelijktijdig gebruik van
de beide aansluitingen geldt een waarde
van 7,5 A (90 W) per aansluiting.
BLIS (Blind Spot Information System)*
Druk op de knop om het systeem te deactiveren of te heractiveren (voor meer informatie,
zie pagina 161).
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen op een
plaats waar deze gevaar of hinder voor het verkeer kan opleveren. Druk op de knop om de
functie te activeren.
02
N.B.
De regels voor het gebruik van de alarmlichten verschillen van land tot land.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en de
buitenspiegels snel te ontwasemen en te ontdooien. Wanneer
u op de knop drukt, wordt de
verwarming van de achterruit
en de buitenspiegels geactiveerd. Het lampje in de knop
gaat daarbij branden. De verwarming wordt na ca. 12 minuten automatisch uitgeschakeld.
Alarmlichten
AM FM
CD
LUM
VO E
POWER
Elektrisch verwarmde voorstoelen
7
PQRS
*
3
DEF
5
6
JKL
MNO
8
9
TUV WXYZ
0
#
G027096
2
ABC
1
4
GHI
Voor voorstoelen met elektrische verwarming, zie
pagina 96 of 98 voor meer
informatie.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Algemene informatie
02
Stand
Betekenis
Automatisch/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsignalen.
3. U schakelt het groot licht in door de linker
stuurhendel tot in de eindstand naar het
stuur toe te halen en de hendel weer los te
laten, zie pagina 68.
De verlichting wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de transpondersleutel naar
stand I of 0 draait.
Dagrijlicht als de auto rijdt.
Automatisch overschakelen
naar parkeerlicht als de auto
wordt geparkeerd.
Parkeerlicht achter en achterlicht
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en
de grootlichtsignalen.
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen, ongeacht
de stand van de transpondersleutel.
–
Bedieningspaneel verlichting
Automatisch dagrijlicht
Duimwiel voor koplamphoogteregeling
Mistachterlicht
Duimwiel voor afstelling van de verlichting
van het instrumentenpaneel
Koplampen
Automatisch dimlicht*
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer u
de transpondersleutel naar stand II draait,
behalve wanneer de verlichtingsdraaiknop (1)
in de middelste stand staat. U kunt het automatische dimlicht zo nodig buiten werking
laten stellen. Volvo adviseert u dit over te laten
aan een erkende Volvo-werkplaats.
Automatisch dimlicht, groot licht
1. Draai de transpondersleutel naar stand II.
2. U schakelt het dimlicht in door de verlichtingsdraaiknop (1) helemaal rechtsom te
draaien.
66
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar de
middelste stand.
Met de transpondersleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór, de achterlichten en de kentekenplaatverlichting altijd
aan.
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen.
1. Draai de transpondersleutel naar stand II.
2. Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar een
van de eindstanden.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
3. Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te stellen.
Auto’s met xenonkoplampen* zijn uitgerust
met automatische koplamphoogteregeling,
zodat het duimwiel (3) ontbreekt.
Dagrijlicht
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlichten verschillen van land tot land.
Actieve xenonkoplampen*
De instrumentenverlichting brandt, wanneer de
transpondersleutel in stand II staat en de verlichtingsdraaiknop (1) in een van de eindstanden. De verlichting wordt bij daglicht automatisch gedimd en valt bij donker handmatig te
regelen.
Rol het duimwiel (5) omhoog of omlaag voor
een fellere of zwakkere verlichting.
G020789
N.B.
Mistachterlicht
–
Druk op de knop (4).
Het controlelampje voor het mistachterlicht op
het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop branden, wanneer het mistachterlicht is
ingeschakeld.
02
Druk de knop (2) in en draai de verlichtingsdraaiknop (1) rechtsom naar de eindstand om
automatische dagrijlichten overdag te activeren. Een lichtsensor zorgt ervoor dat er bij
schemering of onvoldoende daglicht wordt
overgeschakeld van het dagrijlicht op het dimlicht. Het lampje in de knop brandt wanneer de
dagrijlichten zijn geactiveerd.
Instrumentenverlichting
Het mistachterlicht kan alleen in combinatie
met de koplampen worden ontstoken.
Om stroom te besparen is het overdag mogelijk
het dagrijlicht (DRL, Daytime Running Light) te
kiezen in plaats van het dimlicht. De in de spoiler gemonteerde dagrijlichten maken gebruik
van de krachtige en zuinige led-techniek.
Om het stroomverbruik zoveel mogelijk te
beperken worden ook de achterlichten
gedoofd bij automatische overschakeling
van dimlicht op dagrijlicht.
Lichtbundel actieve/niet-actieve koplampen.
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen (Active Bending Lights, ABL), draaien
de lichtbundels van de koplampen mee met het
stuurwiel. De functie wordt automatisch ingeschakeld bij het starten van de motor en is te
activeren/deactiveren met de knop op de middenconsole, zie pagina 64.
WAARSCHUWING
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet
in alle gevallen kan bepalen wanneer de
omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is bij mist en regen bijvoorbeeld.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op
de heersende omstandigheden en de geldende verkeerswetgeving.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
67
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Standen stuurhendel
02
Richtingaanwijzers
Wisselen tussen groot licht en dimlicht
Onafgebroken serie knippersignalen
De transpondersleutel moet in stand II staan
om het groot licht te kunnen inschakelen.
–
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eindstand (2).
De hendel blijft in de eindstand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Korte serie knippersignalen
G026954
–
Korte serie knippersignalen, richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen, richtingaanwijzers
Grootlichtsignalen
“Follow Me Home”-verlichting en wisselen
tussen groot licht en dimlicht
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar stand (1) en laat deze weer los,
waarna de hendel terugveert naar de uitgangspositie. U kunt de stuurhendel ook in
stand (2) zetten en daarna meteen terugduwen in de uitgangspositie.
De richtingaanwijzers lichten driemaal op. De
korte serie knippersignalen wordt onmiddellijk
beëindigd, als u de richtingaanwijzers gebruikt
om te signaleren dat u een bocht in de tegenovergestelde richting wilt maken.
1. Draai de verlichtingsdraaiknop rechtsom
naar de eindstand, zie pagina 66.
2. Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
Grootlichtsignalen
–
Haal de hendel lichtjes tot in stand (3) naar
het stuurwiel toe.
Het groot licht blijft vervolgens branden, totdat
u de hendel weer loslaat.
“Follow Me Home”-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als “Follow Me Home”-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto. De
inschakelduur bedraagt 30 seconden1, maar is
te wijzigen in 60 of 90 seconden.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2. Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
1
68
Fabriekinstelling.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer*
Algemene informatie
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u de melding bevestigen. Doe dat
door op de knop READ te drukken waarna
u naar de boordcomputerfunctie terugkeert.
Functies
Op de boordcomputer staat de volgende informatie:
RESET - op nul stellen
GEM. SNELHEID
G026956
Duimwiel - menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren
•
•
•
•
•
•
READ - bevestigen
Bedieningsknoppen
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel (B) in
stappen omhoog- of omlaagdraaien. Wanneer
u na het laatste menu nogmaals aan het wieltje
draait, keert u terug naar de uitgangspositie.
--- KM/U GEM. SNELHEID
--.- KM/L HUIDIG
--.- KM/L GEMIDDELD
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stilstaat, geeft het display “----” aan. Tijdens
regeneratie2 van het roetfilter kan het brandstofverbruik tijdelijk stijgen, zie pagina 147.
02
GEMIDDELD
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt
gesteld. U stelt de waarde op nul met RESET.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming* op brandstof hebt
gebruikt.
--- KILOMETER TOT LEGE TANK
DSTC AAN , zie pagina 157
--- MPH HUIDIGE
SNELHEID1*
Wanneer u het contact uitschakelt, wordt de
gemiddelde snelheid opgeslagen om als uitgangswaarde te dienen bij het vervolg van de
rit. U stelt de waarde op nul met de knop
RESET.
HUIDIG
KILOMETER TOT LEGE TANK
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km en de resterende hoeveelheid
brandstof. Het display geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Wanneer “--- KILOMETER TOT LEGE
TANK ” op het display staat, zijn geen garanties meer te geven voor de resterende actieradius. Tank dan zo spoedig mogelijk.
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
1
2
Alleen op bepaalde markten.
Geldt alleen voor dieselmodellen met roetfilter.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
69
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer*
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming* op brandstof hebt
gebruikt of van rijstijl bent veranderd.
02
MPH HUIDIGE SNELHEID*1
Bij een snelheidsmeter met een kilometerschaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in km/h. Bij een snelheidsmeter met een milesschaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in mph.
Op nul stellen
1. Selecteer --- KM/U GEM. SNELHEID of
--.- KM/L GEMIDDELD
2. Houd de knop RESET (C) ten minste vijf
seconden lang ingedrukt om de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig te resetten.
1
70
Alleen op bepaalde markten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitenwissers
Intervalstand
U kunt het interval tussen de wisslagen zelf instellen. Draai het
duimwiel omhoog voor een korter
wisinterval. Draai het omlaag om
het interval te verlengen.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
G026953
De wissers bewegen op hoge snelheid.
Werking wisser-/sproeiersysteem, voorruit.
Duimwiel
BELANGRIJK
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit (alsmede de achterruit) sneeuw- en ijsvrij zijn.
Regensensor, Aan/Uit
Ruitenwissers uitgeschakeld
De ruitenwissers zijn uitgeschakeld als de hendel in stand 0 staat.
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit, wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
Regensensor*
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met het
duimwiel.
02
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid of omlaag voor een lagere gevoeligheid. (De wissers maken een extra slag, als
u het duimwiel omhoog draait).
Aan/Uit
Om de regensensor te activeren dient de transpondersleutel in stand I of II te staan en de ruitenwisserhendel in stand 0 (niet geactiveerd).
U activeert u de regensensor door:
–
Druk op de knop. Het lampje in de knop
gaat branden om aan te geven dat de
regensensor actief is.
U schakelt de regensensor op een van de volgende manieren weer uit:
• Druk op de knop. Het lampje in de knop
dooft.
• Haal de hendel omlaag naar een ander wisEnkele slag
Beweeg de hendel omhoog om
een enkele slag te maken.
programma. Als u de hendel omhoogduwt,
blijft de regensensor actief. De wissers
maken een extra slag en keren terug naar
de regensensorstand, wanneer u de hendel laat terugveren naar stand 0.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
71
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
02
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld wanneer u de transpondersleutel uit het
contactslot neemt of 5 minuten nadat u het
contact hebt uitgezet.
BELANGRIJK
De ruitenwissers op de voorruit kunnen in
een automatische wasstraat spontaan
inschakelen en daarbij beschadigd raken.
Schakel de regensensor met een druk op
knop (2) uit, als de transpondersleutel in
stand I of II staat.
het activeren van de ruitensproeiers. Wanneer
u de hendel kort naar het stuurwiel haalt, wordt
alleen de voorruit gesproeid.
Gereduceerde sproeifunctie
Wanneer er nog ca. 1 liter ruitensproeiervloeistof in het reservoir zit, worden de koplampen
en de achterruit niet langer schoongesproeid.
Dit omdat het sproeifunctie van de voorruit de
voorrang heeft.
Ruitenwisser en sproeier achterklep
terklep. De ruitenwisser maakt na het sproeien
nog enkele extra slagen. De knop aan het uiteinde van de hendel is een schakelaar met drie
mogelijke standen:
Intervalstand: Druk het bovenste gedeelte
van de knop in.
Neutrale stand: Wisser/sproeier uitgeschakeld.
Continu wissen: Druk het onderste
gedeelte van de knop in.
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de
ruitenwisser van de achterklep de intervalstand1 innemen. Als de ruitenwisser van de
achterklep echter al op normale snelheid
werkt, vindt er geen wijziging plaats.
Ruiten-/koplampsproeiers
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken. De wissers maken nog enkele
slagen nadat u de hendel hebt losgelaten.
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid (gerekend over een periode van 10 minuten). Wanneer er meer dan 10 minuten zijn verstreken
sinds de laatste sproeibeurt van de voorruit,
worden ook de koplampen weer gesproeid bij
1
72
G027127
Hogedruksproeiers koplampen*
Werking wisser-/sproeiersysteem, achterklep.
Wanneer u de hendel naar voren haalt, activeert u de ruitenwisser/-sproeier van de ach-
Deze functie (intervalstand tijdens het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-dealer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
Inschakelen
Snelheid verhogen of verlagen
N.B.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op
de instelling van de cruisecontrol. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
02
Tijdelijk uitschakelen
G027098
G026949
–
De bedieningsorganen voor de cruisecontrol
vindt u links op het stuurwiel.
Gewenste snelheid instellen:
1. Druk op de knop CRUISE. Op het instrumentenpaneel verschijnt de tekst
CRUISE.
2. Druk kort op + of – om de snelheid van de
auto vast te zetten. De melding CRUISE
ON verschijnt.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld
bij snelheden lager dan 30 km/h of hoger dan
200 km/h.
1
–
U kunt de snelheid verhogen of verlagen
door de knop + of – in te drukken. De snelheid die de auto heeft op het moment dat
u de knop loslaat, zal vervolgens worden
geprogrammeerd.
Een korte druk (minder dan een halve seconde)
op + of – komt overeen met een snelheidswijziging van 1 km/h of 1 mph1.
Druk op 0 om de cruisecontrol tijdelijk uit
te schakelen. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE. De eerder ingestelde
snelheid blijft na een tijdelijke uitschakeling
in het geheugen opgeslagen.
De cruisecontrol wordt bovendien tijdelijk uitgeschakeld, als:
• u het rempedaal of koppelingspedaal
bedient
• de snelheid heuvelop lager wordt dan
25–30 km/h
• u de keuzehendel in stand N zet
• als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren
• een tijdelijke snelheidsverhoging langer
dan 1 minuut heeft geduurd.
Afhankelijk van het motortype.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
73
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
Snelheid hervatten
Druk op de knop om de eerder
ingestelde snelheid te hervatten.
Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE ON.
02
Uitschakelen
–
74
Druk op CRUISE om de cruisecontrol uit te
schakelen. CRUISE ON verdwijnt van het
instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Parkeerrem, elektrische aansluiting, e.d.
Parkeerrem
2. Trap het parkeerrempedaal stevig en zo
ver mogelijk in.
3. Haal uw voet van het rempedaal en controleer of de auto blijft stilstaan.
02
4. Als de auto rolt dient u het parkeerrempedaal nog verder in te trappen.
5. Zet bij het parkeren de versnellingsbak in
stand P.
Parkeerrem, auto met stuur links.
G026994
G026992
Op een helling parkeren
Parkeerrem, auto met stuur rechts.
Parkeerrempedaal
Handgreep waarmee de parkeerrem wordt
gelost
Op vloerhoogte vindt u het parkeerrempedaal
(zie afbeelding), waarmee u de parkeerrem
kunt aanzetten die op de achterwielen werkt.
N.B.
Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel geeft alleen aan dat u het
parkeerrempedaal bedient en niet hoe hard!
Parkeerrem aanzetten
Draai bij het parkeren op een oplopende helling
de wielen van de trottoirband af, als de neus
van de auto naar de top van helling wijst.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
WAARSCHUWING
Maak er een gewoonte van om bij het parkeren op een helling altijd de parkeerrem
aan te zetten – stand P bij een automaat is
niet voldoende om de auto in alle situaties
stil te houden.
Parkeerrem lossen
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek aan de handgreep.
1. Trap het rempedaal stevig in.
75
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Parkeerrem, elektrische aansluiting, e.d.
Elektrische aansluiting achterin
Stuurwielafstelling
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken, zoals een mobiele telefoon of koelbox. De aansluiting is
bedoeld voor accessoires die op 12 V werken.
De transpondersleutel moet ten minste in
stand I staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
BELANGRIJK
U kunt maximaal 10 A (120 W) via de aansluiting afnemen bij gebruik van één aansluiting tegelijk. Bij gelijktijdig gebruik van
de beide aansluitingen geldt een waarde
van 7,5 A (90 W) per aansluiting.
76
G026999
G028425
02
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen. Duw de hendel aan de linkerzijde van de stuurkolom omlaag. Zet het
stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
Duw de hendel weer in positie terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als
dit veel moeite kost, kunt u lichte druk op het
stuurwiel aanbrengen terwijl u de blokkeerhendel terugduwt.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
nooit tijdens het rijden. Controleer of het
stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd
staat.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Bediening
Zijruit openen:
–
Druk het voorste deel van de knop omlaag.
Zijruit sluiten:
–
Trek het voorste deel van de knop
omhoog.
N.B.
U kunt de rijwindgeluiden tijdens ritten met
geopende achterportierruiten beperken
door ook de voorportierruiten een stukje te
openen.
WAARSCHUWING
Bestuurdersportier
Als er kinderen in de auto zitten:
•
02
Let erop dat u altijd de stroomtoevoer
naar de elektrisch bedienbare ruiten
verbreekt door de transpondersleutel te
verwijderen.
•
Let er bij het sluiten van de zijruiten op
dat kinderen of andere inzittenden niet
bekneld kunnen raken.
Wanneer u de achterste zijruiten vanaf het
bestuurdersportier sluit, dient u erop te letten op dat achterpassagiers niet met hun
handen bekneld kunnen raken.
G029571
Met de schakelaars op de portieren kunt u de
ruiten elektrisch bedienen. De ruiten zijn te
bedienen wanneer de contactsleutel in stand
I of II staat. Ook wanneer de auto stilstaat en u
de transpondersleutel hebt uitgenomen, kunt u
de ruiten nog steeds enige tijd openen en sluiten zolang geen van de portieren wordt
geopend. Bedien de ruiten altijd onder toezicht.
Knoppen voor elektrisch bedienbare zijruiten.
Knop voor elektrisch bedienbare zijruiten
voorin
Knop voor elektrisch bedienbare zijruiten
achterin
Vanaf de bestuurdersstoel kunt u alle zijruiten
elektrisch bedienen. U kunt de zijruiten op twee
manieren openen en sluiten:
• Druk een van de bedieningsknoppen (A) of
(B) voorzichtig omlaag of trek er één voorzichtig omhoog. De elektrisch bedienbare
zijruiten komen steeds verder omhoog of
omlaag zolang u de knoppen bedient.
• Druk een van de bedieningsknoppen (A) of
(B) omlaag of trek er één omhoog en laat
77
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
N.B.
Alleen op bepaalde markten werkt de automatische sluitingsfunctie ook aan de passagierszijde.
U kunt de elektrische bediening van de ruiten
in de achterportieren blokkeren met de knop
op het bedieningspaneel op het bestuurdersportier. Let erop dat u altijd de stroomtoevoer
voor de elektrisch bedienbare ruiten verbreekt
(d.w.z. de transpondersleutel verwijdert), wanneer u kinderen alleen in de auto achterlaat.
Passagiersstoel, voorin
Het lampje in de knop brandt
De ruiten in de achterportieren zijn alleen vanaf
het bestuurdersportier te bedienen.
Het lampje in de knop is uit
Elektrisch bedienbare zijruiten in
achterportieren blokkeren
De zijruiten in de achterportieren zijn zowel met
de knoppen op de portieren als met de knoppen op het bestuurdersportier te bedienen.
G029573
02
deze vervolgens los. De zijruiten gaan dan
automatisch open of dicht. Als een zijruit
door iets worden geblokkeerd, wordt de
op- of neergaande beweging van die zijruit
afgebroken.
G029572
Met de knoppen voor elektrische bediening
van de ruiten op het passagiersportier kunt u
alleen de ruit in het passagiersportier bedienen.
Elektrisch bedienbare zijruiten blokkeren en elektrisch bedienbaar kinderslot*.
78
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Elektrisch bedienbare zijruiten in de
achterportieren
WAARSCHUWING
02
G029574
Wanneer u de achterste zijruiten vanaf het
bestuurdersportier sluit, dient u erop te letten op dat achterpassagiers niet bekneld
kunnen raken.
De zijruiten in de achterportieren zijn zowel met
de knoppen op de beide portieren als met de
knoppen op het bestuurdersportier te bedienen. Als het lampje brandt in de knop waarmee
u de elektrische bediening van de achterste zijruiten blokkeert (op het bedieningspaneel op
het bestuurdersportier), zijn de zijruiten in de
achterportieren alleen vanaf het bestuurdersportier te bedienen.
79
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
Achteruitkijkspiegel
Achteruitkijkspiegel met kompas*
voorbeeld een rechtgebogen paperclip. Het
knopje ligt ca. 2,5 cm diep in de spiegel.
02
Kompaszone instellen
Z
O
N
E
Normale stand
Dimstand.
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel in de autodimstand,
wanneer u de verlichting van het achteropkomend verkeer als hinderlijk ervaart.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd.
80
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
In de linker bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst. Er worden acht verschillende richtingen
met Engelse afkortingen weergegeven: N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd,
wanneer u het contactslot in stand II zet of
wanneer de motor loopt, tenzij u het kompas
hebt uitgeschakeld. U kunt het kompas uitschakelen of opnieuw inschakelen door op het
verzonken knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel te drukken. Gebruik bij-
C
A
L
Z
O
N
E
G026950
Dimfunctie
G026965
G026660
C
A
L
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas is ingesteld op het geografische
gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het
kompas dient te worden gekalibreerd, als u
met de auto meerdere magnetische zones
doorkruist.
1. Contactslotstand II.
2. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden lang
ingedrukt (met een rechtgebogen paperclip bijvoorbeeld), totdat de tekst ZONE
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
verschijnt. Het nummer van de huidige
magnetische zone verschijnt.
3. Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van het gewenste geografische gebied (1–15) verschijnt. Enkele
seconden later staat de kompasrichting
weer op het display, wat aangeeft dat er
van zone is gewisseld.
02
``
81
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
02
Magnetische zones voor kompas.
82
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
Kalibreren
Buitenspiegels
WAARSCHUWING
Het kompas moet soms voor de nauwkeurigheid worden gekalibreerd. Schakel voor de
beste resultaten alle grote stroomverbruikers
uit zoals de interieurverlichting, de interieurventilator, de elektrische achterruitverwarming
e.d. en zorg dat er geen metalen of magnetische voorwerpen in de buurt van de spiegel
zijn.
Stel de spiegels af, voordat u gaat rijden!
Buitenspiegels met geheugen*
Als er buitenspiegels met geheugen op de auto
zitten, werkt het geheugen synchroon met dat
van de bestuurdersstoel, zie pagina 105.
Geheugenfunctie van
afstandsbediening*
3. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 8 km/h, totdat
de tekst CAL van het display verdwijnt. Dit
geeft aan dat de kalibratie afgerond is. Dit
geeft aan dat de kalibratie afgerond is.
4. Alternatieve kalibratiestap: Rijd op de normale manier weg. CAL verdwijnt van het
display, wanneer de kalibratie is afgerond.
G029575
1. Breng de auto op een groot en open terrein
tot stilstand en laat de motor lopen.
2. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ingedrukt (met bijvoorbeeld een paperclip), totdat de melding
CAL opnieuw verschijnt (ca. 6 seconden
lang).
02
De knoppen waarmee u de twee buitenspiegels bedient, vindt u voor op de armleuning van
het bestuurdersportier. De buitenspiegels zijn
te bedienen met het contact in stand I of II.
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
dooft.
Wanneer u de auto met een van de afstandsbedieningen ontgrendelt en de instelling van de
buitenspiegels wijzigt, wordt de nieuwe positie
van de spiegels in de afstandsbediening opgeslagen. De volgende keer dat u de auto ontgrendelt met dezelfde afstandsbediening en
het bestuurdersportier binnen vijf minuten na
ontgrendeling opent, gaan de buitenspiegels in
de opgeslagen positie staan.
Gelaagde zijruiten*
De ruiten van gelaagd glas in de voor- en achterportieren zorgen voor een verbeterde
geluidsisolatie van de passagiersruimte en
leveren een verhoogde bescherming tegen
inbraak op.
Buitenspiegels resetten, zie pagina 63.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
83
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
02
Water- en vuilafstotende laag op
voorste zijruiten*
Zijruiten met de speciale water- en vuilafstotende laag zijn voorzien van een
klein symbool. Voor informatie over het onderhoud van dergelijke zijruiten en spiegels, zie
pagina 203.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de ruiten van ijs te ontdoen. Er kan daarbij schade
aan de waterafstotende laag ontstaan.
84
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Openingsstanden
Ventilatiestand
WAARSCHUWING
Openen:
Als er kinderen in de auto zitten:
Verbreek bij het verlaten van de auto de
stroomtoevoer naar het schuifdak door de
transpondersleutel uit te nemen.
–
02
Duw de achterkant van de knop (5)
omhoog.
Sluiten:
–
Trek de achterkant van de knop (6) omlaag.
U kunt het schuifdak vanuit de ventilatiestand
rechtstreeks in de comfortstand zetten: trek de
knop achteruit in de eindstand (4) en laat de
knop los.
G007503
Automatische bediening
Trek de knop door het weerstandspunt (3) in de
achterste eindstand (4) of via het weerstandspunt (2) in de voorste eindstand (1) en laat de
knop vervolgens los. Het schuifdak schuift dan
tot in de comfortstand open of helemaal dicht.
G027010
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. U kunt het schuifdak in
twee standen openen:
Ventilatiestand, achterkant omhoog
Schuifstand, achteruit/vooruit
De transpondersleutel moet daarbij in stand I
of II staan.
Sluiten, automatisch
Doe het volgende om het schuifdak vanuit de
comfortstand volledig te openen:
–
Sluiten, handmatig
Openen, handmatig
Openen, automatisch
Openen, ventilatiestand
Sluiten, ventilatiestand
Trek de knop nogmaals achteruit in de
eindstand (4) en laat de knop vervolgens
los.
Handmatige bediening
Openen:
–
Trek de knop achteruit naar het weerstandspunt (3). Het schuifdak schuift
steeds verder open zolang u de knop in
deze stand vasthoudt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Sluiten:
02
–
Duw de knop vooruit naar het weerstandspunt (2). Het schuifdak schuift steeds verder dicht zolang u de knop in deze stand
vasthoudt.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
van het schuifdak. Pak de handgreep vast en
schuif het scherm naar voren om het te sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een voorwerp wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
WAARSCHUWING
Zonnescherm
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
G020157
Let er bij het sluiten van het schuifdak op dat
niemand met zijn handen bekneld kan
raken.
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen
86
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ *
Algemene informatie
N.B.
HomeLinkŸ is dusdanig geconstrueerd dat
het niet werkt als de auto van de buitenzijde
vergrendeld is.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen wel goed bewaart voor eventuele
programmering in een later stadium (zoals
bij de aankoop van een nieuwe auto).
G030070
Wis de programmering van de knoppen
wanneer u de auto verkoopt.
HomeLinkŸ is een programmeerbare afstandsbediening waarmee u tot drie verschillende
systemen (bijvoorbeeld elektrische garagedeur, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting)
kunt bedienen en daarmee de originele
afstandsbedieningen vervangt. HomeLinkŸ
wordt geleverd in een uitvoering die ingebouwd is in de linker zonneklep.
Het HomeLinkŸ-paneel bestaat uit drie programmeerbare knoppen en een controlelampje.
Gebruik geen zonwering bestaande uit
metaalfolie op auto’s die zijn uitgerust met
HomeLinkŸ. Het gebruik ervan kan namelijk
negatieve gevolgen hebben voor de werking.
Bediening
Zodra HomeLinkŸ geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke originele afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in voor activering van de elektrische garagedeur, het
alarmsysteem etc. Het controlelampje brandt
zolang u de knop ingedrukt houdt.
N.B.
Als het contact niet wordt ingeschakeld,
blijft HomeLinkŸ tot 30 minuten na opening
van het bestuurdersportier werken.
Uiteraard kunt u de originele afstandsbedieningen naast HomeLinkŸ blijven gebruiken.
02
WAARSCHUWING
Als u HomeLinkŸ gebruikt om een garagedeur of toegangshek te bedienen, dient u
erop toe te zien dat er niemand in de buurt
van de garagedeur of het toegangshek is
tijdens de bediening.
Maak geen gebruik van de HomeLinkŸafstandsbediening voor een elektrische
garagedeur zonder veiligheidsstop en veiligheidsretour. De garagedeur dient onmiddellijk te reageren bij registratie van een
obstakel, tot stilstand te komen en meteen
de omgekeerde beweging te maken. Een
garagedeur die dat niet doet kan aanleiding
geven tot lichamelijk letsel. Neem voor meer
informatie contact op met de leverancier via
internet: www.homelink.com.
Eerste keer programmeren
Bij stap 1 wordt het complete geheugen van
HomeLinkŸ gewist. Voer dit punt dan ook
alleen uit, wanneer u slechts één knop wilt
omprogrammeren.
1. Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen. Het knipperende lampje geeft aan dat HomeLinkŸ
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
87
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ *
in de “inleerstand” staat en klaar is voor
programmering.
02
2. Leg de originele afstandsbediening op
5–30 cm afstand van HomeLinkŸ. Houd het
controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLinkŸ hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
• Brandt niet continu: Het controlelampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 seconden continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rollende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸ-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
3. Druk de te programmeren knop van
HomeLinkŸ en de te kopiëren knop van de
originele afstandsbediening gelijktijdig in.
Laat de knoppen pas los wanneer het controlelampje dat langzaam knippert sneller
gaat knipperen. Een snel knipperend
lampje geeft aan dat de programmering
gelukt is.
5. Zoek de “inleerknop1” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLinkŸ in te
drukken en op het controlelampje te letten:
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
• Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de programmering afgerond is. De garage1
88
deur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸknop.
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLinkŸ terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal deze volgorde van indrukken, vasthouden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke knop te
programmeren:
1. Druk op de gewenste knop van
HomeLinkŸ en houd deze ingedrukt totdat
punt 3 afgerond is.
2. Plaats wanneer het controlelampje van
HomeLinkŸ begint te knipperen (na ca. 20
seconden) de originele afstandsbediening
op 5–30 cm afstand van HomeLinkŸ. Houd
het controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
3. Druk de te kopiëren knop op de originele
afstandsbediening in. Het controlelampje
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ *
begint te knipperen. Laat beide knoppen
weer los, wanneer het lampje dat langzaam
knipperde sneller gaat knipperen. Een snel
knipperend lampje geeft aan dat de programmering gelukt is.
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
• Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de programmering afgerond is. De garagedeur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸknop.
• Brandt niet continu: Het controlelampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 seconden continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rollende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸ-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
5. Zoek de “inleerknop2” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
2
02
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLinkŸ terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal deze volgorde van indrukken, vasthouden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
Programmering wissen
Het is alleen mogelijk de programmering van
alle HomeLinkŸ-knoppen tegelijk te wissen en
niet van één bepaalde knop afzonderlijk.
–
Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen.
> HomeLinkŸ staat vervolgens in de
“Learn Mode” waarna deze opnieuw
geprogrammeerd kan worden, zie
pagina 87.
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
89
Algemene informatie over de klimaatregeling......................................... 92
Elektronische klimaatregeling, ECC........................................................ 96
Standverwarming op brandstof* ............................................................ 99
90
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAATREGELING
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
03
Airconditioning
Sneeuw en ijs
De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in
het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht
ontdaan wordt. De auto is voorzien van automatische klimaatregeling (ECC).
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen. Voor
optimale luchtkwaliteit in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten
beslaan, moet u de airconditioning echter
altijd aan laten staan.
Beslagen ruiten
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
te voorkomen dat ze beslaan. Gebruik een normaal poetsmiddel voor glaswerk.
Combifilter
Zorg dat u het combifilter/pollenfilter op
gezette tijden vervangt. Volvo adviseert u daarover contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Storingen opsporen en verhelpen
Volvo adviseert u controle- en reparatiewerkzaamheden aan de klimaatregeling over te aan
een erkende Volvo-werkplaats.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor, waardoor het koudemiddel onschadelijk voor de
ozonlaag is. Voor het bijvullen/verversen van
koudemiddel mag alleen R134a worden
gebruikt, zie ook pagina 300. Volvo adviseert
u dergelijke werkzaamheden over te laten aan
een erkende Volvo-werkplaats.
Werkelijke temperatuur
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
Positie van de sensoren
• De zonnesensor zit boven op het dashboard.
• De interieurtemperatuursensor zit achter
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
Zijruiten en schuifdak
Werking interieurventilator
Wanneer de motor is afgezet (ook al staat de
transpondersleutel in stand I of II), zal de interieurventilator automatisch worden uitgeschakeld. Dit gebeurt om te voorkomen dat de accu
uitgeput raakt.
Om de interieurventilator te activeren moet u
de ventilatorknop in de gewenste snelheidsstand draaien.
92
Elektronische klimaatregeling (ECC)
Voor een goede werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een eventueel schuifdak
gesloten houden.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt de airconditioning tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur
kan dan korte tijd iets oplopen.
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Condenswater
Luchtverdeling
Blaasmonden in dashboard
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
Om de klimaatregeling te ventileren kan de
interieurventilator tot 50 minuten na het afzetten van de motor aanslaan. De ventilator slaat
ca. 15 minuten later automatisch af.
03
G028577
Bij gebruik van ECC wordt ook de airconditioning automatisch geregeld en alleen dan ingeschakeld wanneer de lucht in de passagiersruimte moet worden afgekoeld en de binnenkomende lucht van vocht moet worden ontdaan. Zo wordt meer brandstof bespaard dan
bij gebruik van conventionele systemen, waarbij de airconditioning de lucht voortdurend
afkoelt tot net boven het vriespunt.
G027043
Brandstofbesparing
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
meerdere blaasmonden die op verschillende
punten in de auto zijn aangebracht.
Open
Dicht
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag.
1. Richt de buitenste blaasmonden op de
voorste zijruiten om ze te ontwasemen.
2. Bij koud weer: Doe de middelste blaasmonden dicht om de temperatuur in de
auto zo comfortabel mogelijk te houden en
de ruiten optimaal te ontwasemen.
``
93
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Blaasmonden in portierstijlen
Geventileerde voorstoelen (Executive)
Voor maximale ventilatie:
–
Houd
ca. 2 seconden lang ingedrukt.
Om de ventilatie in stapjes te verlagen:
–
.
Om de ventilatie uit te schakelen:
03
Open
Dicht
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag.
1. Richt de buitenste blaasmonden op de
achterste zijruiten om ze te ontwasemen.
2. Richt de blaasmonden naar binnen toe
voor een behaaglijke temperatuur achter in
de auto.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn voor
luchtstromen en tocht.
G030244
0
G027064
–
Houd
ca. 2 seconden lang ingedrukt.
Het is mogelijk de stoelventilatie te combineren
met de elektrische stoelverwarming. U kunt de
functie bijvoorbeeld gebruiken om uw kleding
van vocht te ontdoen.
Het ventilatiesysteem is te activeren, wanneer
de motor loopt.
Bediening van ventilatie voorstoelen.
Het ventilatiesysteem bestaat uit ventilatoren
in de zittingen en de rugleuningen die lucht
door de bekleding heen aanzuigen. Naarmate
de lucht in het interieur kouder is, neemt het
koelingseffect toe.
De ventilatie is bij te regelen met een bedieningsknop op de zijkant van de voorstoelen en
kent drie mogelijke standen.
Om de ventilatie van de stoel te starten:
–
Druk kort op
.
Om de ventilatie in stapjes te verhogen:
–
94
Druk kort op
Druk kort op
.
N.B.
Wie tochtgevoelig is dient de stoelventilatie
met beleid te gebruiken. Voor langdurig
gebruik wordt comfortniveau I geadviseerd.
BELANGRIJK
Bij een interieurtemperatuur lager dan 5°C
is het niet mogelijk de stoelventilatie in te
schakelen. Dit om te voorkomen dat de
inzittende die op de bewuste stoel zit het te
koud krijgt.
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Achterbankverwarming buitenste
zitplaatsen (Executive)
G030976
03
Knop voor in-/uitschakeling achterbankverwarming.
De achterbankverwarming is te bedienen met
de knop op de bovenstaande afbeelding. Achter op de beide zijkanten van de middenconsole zit voor beide buitenste zitplaatsen een
knop.
Om de achterbankverwarming te starten:
–
Druk op de knop.
> Het lampje in de knop gaat branden.
Om de verwarming uit te schakelen:
–
Druk op de knop.
> Het lampje dooft.
95
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
Bedieningspaneel
03
AC – Aan/uit (ON/OFF)
Temperatuur rechterzijde
Recirculatie/Combifilter met Air Quality
Sensor*
Temperatuur linkerzijde
Recirculatie
AUTO
Luchtverdeling
Interieurtemperatuursensor
Ontdooien voorruit en zijruiten
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
Elektrisch verwarmde voorstoelen
96
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Ventilator
Ventilator achter in passagiersruimte*
Functies
1. AC, Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat aan. De airconditioning wordt automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan automatisch
afgekoeld en van vocht ontdaan.
OFF: De airconditioning staat uit. Bij activering
van de ontwaseming wordt de airconditioning
automatisch ingeschakeld (uit te schakelen
met de knop AC).
2. Interior Air Quality System,
recirculatie/combifilter*
Bepaalde auto’s zijn uitgerust met een zogeheten combifilter en een Air Quality Sensor. Het
combifilter ontdoet de binnenkomende lucht
van gassen en stofdeeltjes en beperkt zo eventuele hinderlijke geuren en verontreinigingen.
De Air Quality Sensor meet de concentratie van
de verontreinigingen in de buitenlucht. Wanneer de sensor een verhoogde concentratie
registreert, wordt de luchtinlaat afgesloten en
recirculeert de lucht in de passagiersruimte. De
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
lucht in de passagiersruimte wordt ook tijdens
de recirculatie door het combifilter gereinigd.
Wanneer de Interior Air Quality
Sensor actief is, brandt het
groene lampje bij AUT.
• U de Air Quality Sensor altijd hebt ingeschakeld.
• Er bij koud weer beperkingen voor de recirculatiefunctie gelden om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
• U de Air Quality Sensor uitschakelt, wanneer de ruiten beslaan.
Bediening:
–
Druk op AUTO om de Air Quality Sensor te
activeren (normale instelling).
Of:
Kies uit drie verschillende functies door
te
verschillende malen op de knop
drukken:
•
Het lampje bij MAN brandt om aan te
geven dat de recirculatiefunctie
opnieuw ingeschakeld is.
• Geen van de lampjes brandt om aan te
geven dat de recirculatiefunctie niet is
ingeschakeld (voor zover recirculatie
niet nodig is om voor verkoeling te zorgen bij warm weer).
• Het lampje bij AUT brandt om aan te
geven dat de Air Quality Sensor
opnieuw ingeschakeld is.
Let erop dat:
• Wanneer de ruiten beslaan, u beter ook de
ontwaseming van de voorruit, de zijruiten
en de achterruit kunt inschakelen.
• Raadpleeg het serviceprogramma van
Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval voor het combifilter. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het combifilter mogelijk vaker vervangen.
3. Recirculatie
U kunt de recirculatie inschakelen als u vieze
lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt
houden. De lucht in de passagiersruimte wordt
dan gerecirculeerd. Er komt met andere woorden geen lucht van buiten de auto in, wanneer
deze functie actief is.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de binnenkant van de ruiten ontstaan.
Met de timerfunctie (op modellen met een
combifilter en Air Quality Sensor ontbreekt de
timerfunctie) beperkt u de kans op ijs, wasem
en een slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
1. Druk de knop
langer dan 3 seconden in. Het lampje knippert 5 seconden. De
lucht in de auto wordt afhankelijk van de
buitentemperatuur 3–12 minuten lang
gerecirculeerd.
03
2. Telkens wanneer u op
drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
–
nogmaals maar dan
Druk de knop
langer dan 3 seconden in. Het lampje gaat
5 seconden branden ter bevestiging van
uw keuze.
4. AUTO
Bij activering van de functie AUTO wordt de
klimaatregeling automatisch dusdanig ingesteld dat de gewenste temperatuur wordt
bereikt. De automatische functie regelt de verwarming, de airconditioning, de Air Quality
Sensor, de ventilatorsnelheid, de recirculatie
en de luchtverdeling. Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige
functies nog steeds automatisch geregeld. Alle
handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u op AUTO drukt.
``
97
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
5. Luchtverdeling
• Wanneer u de bovenste knop hebt ingedrukt, stroomt er lucht uit de openingen bij
de ruiten
• Wanneer u de middelste knop hebt inge03
drukt, stroomt er lucht uit de openingen ter
hoogte van bovenlichaam en hoofd
• Wanneer u de onderste knop hebt ingedrukt, stroomt er lucht uit de openingen ter
hoogte van benen en voeten
Druk op AUTO, wanneer u de automatische
luchtverdeling weer wilt activeren.
6. Interieurtemperatuursensor
8. Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Met deze knop kunt u de achterruit en de buitenspiegels snel ontdoen van condens of ijs,
zie pagina 65 voor meer informatie over deze
functie.
9. Elektrisch verwarmde voorstoelen
Doe het volgende om de voorstoel te verwarmen:
De interieurtemperatuursensor registreert de
temperatuur in het interieur.
1. Eenmaal indrukken: Hoge verwarmingsstand – beide lampje branden.
7. Ontwaseming voorruit en zijruiten
2. Nogmaals indrukken: Lage verwarmingsstand – een van de lampjes brandt.
U gebruikt de ontwaseming om de voorruit en
de zijruiten snel te ontwasemen en te ontdooien. Er stroom dan op hoge snelheid lucht
naar de ruiten. Het lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de functie ingeschakeld
is.
Bij activering van deze functie gebeurt bovendien het volgende om de lucht in het interieur
zo veel mogelijk van vocht te ontdoen:
• de airconditioning (AC) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC);
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
98
Bij het uitschakelen van de ontwaseming
hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3. Nogmaals indrukken: Verwarming uitgeschakeld – geen van de lampjes brandt.
Volvo adviseert u de temperatuur in een
erkende Volvo-werkplaats te laten bijstellen.
10 en 11. Temperatuurknoppen
Met de twee draaiknoppen kunt u de temperatuur aan de bestuurderszijde en de passagierszijde instellen.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een
hoger of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
12. Ventilator
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te
verhogen of te verlagen. De ventilatorsnelheid
wordt automatisch geregeld, als u AUTO
selecteert. De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan genegeerd.
N.B.
Als u de knop linksom hebt gedraaid en de
ventilatorindicatie op het display gedoofd is,
zijn de ventilator en de airconditioning uitgeschakeld.
13. Ventilator, achter in
passagiersruimte (optie bij zevenzitters)
U kunt de snelheid waarmee de ventilator
draait verhogen of verlagen door aan de knop
te draaien. Dit geldt alleen, als u voor zowel
airconditioning voorin als achterin* hebt gekozen. De knop voor airconditioning achter in de
passagiersruimte vindt u op de middenconsole, zie pagina 63.
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof*
Algemene informatie over
verwarmingen
G027095
U kunt de standverwarming meteen inschakelen of twee verschillende uitschakeltijden
instellen met TIMER 1 en TIMER 2. Onder de
uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan
waarop de auto de gewenste temperatuur
bereikt heeft. De elektronica van de auto rekent
aan de hand van de buitentemperatuur zelf uit
wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
Knop READ
Duimwiel
Knop RESET
Voordat u de standverwarming kunt programmeren, moet het elektrische systeem worden
“gewekt”.
Dat doet u door:
• op de knop READ te drukken, of
• het groot licht te activeren, of,
• draai de transpondersleutel naar sleutelstand I.
03
Bij een buitentemperatuur hoger dan 25 °C
wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij temperaturen van –10 °C en lager is de maximale
bedrijfstijd van de standverwarming 60 minuten.
Als de standverwarming ondanks herhaalde
startpogingen niet aanslaat, adviseert Volvo u
contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats. Er verschijnt een melding op het
display.
Waarschuwingssticker op de tankvulklep.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming moet
de auto in de buitenlucht staan.
Schakel voor het tanken de standverwarming uit. Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Controleer op het display of de standverwarming uit is. (Als de standverwarming
werkt, verschijnt er PARK.VERW. AAN op
het display.)
Displaytekst
Wanneer u de geprogrammeerde functies
TIMER 1, TIMER 2 en Directe start
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
99
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof*
03
activeert, brandt het oranje waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel.
3. Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in uren aan te geven.
Wanneer u de auto verlaat, ontvangt u een melding met de status van de standverwarming.
De melding verdwijnt wanneer u de auto vanaf
de buitenzijde vergrendelt met de transpondersleutel.
4. Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
naar de voet van de helling wijst. De standverwarming krijgt dan voldoende brandstof.
Klok/timer
Als u na het instellen van de timer(s) van de
verwarming de klok van de auto bijstelt, worden alle timerinstellingen geannuleerd.
Timers instellen
Om veiligheidsredenen kunt u uitsluitend tijden
voor het komende etmaal programmeren en
dus niet voor meerdere dagen tegelijk.
1. Draai aan het duimwiel totdat TIMER 1 of
2 op het display verschijnt.
2. Druk kort op de knop RESET zodat de uuraanduiding gaat knipperen.
100
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5. Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in minuten aan te geven.
6. Druk kort op de knop RESET om de instelling te bevestigen.
7. Druk op de knop RESET om de timer te
activeren.
Timergestuurde standverwarming
voortijdig uitschakelen
Doe het volgende om de timergestuurde
standverwarming uit te schakelen voordat de
timer dat doet:
1. Druk op READ.
2. Ga met het duimwiel naar TIMER
PARK.VERW 1 of 2. De tekst AAN knippert op het display.
3. Druk op RESET. De tekst UIT brandt continu en de standverwarming wordt uitgeschakeld.
Standverwarming meteen inschakelen
1. Draai aan het duimwiel totdat DIRECTE
START op het display verschijnt.
2. Druk op RESET om een van de opties
AAN of UIT te selecteren.
3. Kies AAN.
De verwarming zal vervolgens 60 minuten lang
blijven werken. De verwarming van het interieur
gaat van start, zodra de koelvloeistof in de
motor een temperatuur van 30 °C heeft bereikt.
Standverwarming meteen
uitschakelen
1. Draai aan het duimwiel totdat DIRECTE
START op het display verschijnt.
2. Druk op RESET om een van de opties
AAN of UIT te selecteren.
3. Kies UIT.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming nog aanstaat.
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof*
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld. Er verschijnt een melding op het display. Er verschijnt dan een melding op het display. Bevestig deze melding door op de knop READ te
drukken.
03
BELANGRIJK
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren. Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto rijden als de standverwarming aanstond. Dit
om te zorgen dat de dynamo evenveel
stroom kan bijladen als de standverwarming
verbruikt.
Extra verwarming (diesel)*
Bij koud weer kan extra verwarming nodig zijn
om de passagiersruimte voldoende te verwarmen.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is terwijl de motor loopt. De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm
genoeg is of wanneer de motor wordt afgezet.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
101
Voorstoelen...........................................................................................
Voorstoelen (Executive) ........................................................................
Interieurverlichting.................................................................................
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte..........................................
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte (Executive) .......................
Achterbank............................................................................................
Lading vervoeren..................................................................................
Bagageruimte........................................................................................
102
104
107
108
110
115
116
118
119
INTERIEUR
04 Interieur
Voorstoelen
Zithouding
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen (bestuurders- en passagierszijde*).
Rugleuning voorstoelen omklappen
Lendensteun wijzigen1, aan de knop
draaien.
Hellingshoek rugleuning wijzigen – aan de
knop draaien.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
04
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld voor een optimale zit- en rijhouding.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager zetten,
omhoog-/omlaagpompen (bestuurdersen passagierszijde*).
1
104
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
Controleer of de stoel in zijn stand vergrendeld staat.
G014805
G027960
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden.
De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
1. Schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren.
2. Zet de rugleuning rechtop (90 graden).
3. Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning tijdens het omklappen naar
voren.
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
04 Interieur
Voorstoelen
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
Elektrisch bedienbare stoel*
WAARSCHUWING
Pak het ruggedeelte nadat u het rechtop
gezet hebt beet en controleer of het stevig
vergrendeld staat om letsel te voorkomen
bij hard afremmen of een aanrijding.
contact uitschakelen en enige tijd wachten
voordat u de stoel opnieuw probeert te verstellen. U kunt slechts één verstelfunctie van
de stoel tegelijk activeren.
Geheugenfunctie*
Inlegmatten*
04
Volvo biedt inlegmatten die speciaal voor de
auto vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat
voor de bestuurdersstoel goed ligt en aan
de pennen vastzit zodat hij niet naast of
onder de pedalen klem kan komen te zitten.
Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. Het is altijd
mogelijk de stoel te verstellen, wanneer de
contactsleutel in stand I of II staat.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit
Stoel omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
Er wordt een beveiliging tegen overbelasting
geactiveerd, als een van de stoelen wordt
geblokkeerd. Als dit het geval is, moet u het
Knoppen voor geheugenfunctie.
Instelling vastleggen
1. Verstel de stoel.
2. Houd de knop MEM ingedrukt, terwijl u
knop 1, 2 of 3 indrukt.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Druk op een van de geheugenknoppen 1–3,
totdat de stoel tot stilstand komt. Bij het losla-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
105
04 Interieur
Voorstoelen
ten van de knop zal de instelling van de stoel
onmiddellijk worden beëindigd.
Geheugen van transpondersleutel
De positie van de bestuurdersstoel wordt vastgelegd, wanneer u de auto met de transpondersleutel vergrendelt. Een volgende keer dat
de auto met dezelfde transpondersleutel wordt
ontgrendeld en het bestuurdersportier wordt
geopend, nemen de bestuurdersstoel en de
buitenspiegels de vastgelegde standen in.
04
N.B.
Het sleutelgeheugen werkt onafhankelijk
van de geheugenfunctie van de stoel.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de instelknoppen of geheugenknoppen van de stoel drukken om de stoel
tot stilstand te brengen.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen.
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter of
onder de stoel liggen tijdens het verstellen.
Zorg er tevens voor dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
106
04 Interieur
Voorstoelen (Executive)
Voorstoelen type Comfort
Massage
Lendensteun instellen
Massage
Knop voor activering massagefunctie.
Harde massage
Lendensteun
Zachte massage
Elk van beide voorstoelen is voorzien van een
rugleuning met massagefunctie. De massagefunctie maakt gebruik van luchtkussens die u
een harde of zachte massage geven. Na selectie van de gewenste massagefunctie wordt er
als volgt gemasseerd: 6 minuten massage – 4
minuten pauze – 6 minuten massage enz.
Wanneer de knop in de middelste stand staat
of de transpondersleutel in stand 0, is de massagefunctie niet actief.
G030229
G030180
G030183
04
Knop voor instelling lendensteun.
De lendensteun is traploos in te stellen met
behulp van de luchtkussens die ook gebruikt
worden voor de massafunctie. De luchtkussens op verschillende hoogte in de rugleuning
zijn stuk voor stuk apart traploos harder of
zachter op te blazen (zie bovenstaande afbeelding).
De lendensteun is in te stellen wanneer de
massagefunctie niet actief is.
De stand wordt opgeslagen in een geheugen
zodat de lendensteun na afloop van de massagefunctie of na langdurig parkeren automatisch de laatst opgeslagen stand weer inneemt.
107
04 Interieur
Interieurverlichting
Leeslampjes voorin en
interieurverlichting
II en ook wanneer de motor loopt. De verlichting kan ook worden ingeschakeld binnen 10
minuten nadat:
Plafondverlichting achterin
• de motor afgezet is en het contact in stand
0 is gezet;
• de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart
De verlichting dooft daarna automatisch.
Plafondverlichting voorin
04
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes voorin en interieurverlichting.
Leeslampje linksvoor
Interieurverlichting
Leeslampje rechtsvoor
De interieurverlichting1 wordt in- en uitgeschakeld door kort op knop (2) te drukken. Ook de
automatische verlichting wordt dan geactiveerd c.q. gedeactiveerd, zie pagina 109.
Alle lampjes in het interieur kunnen worden
ingeschakeld met het contactslot in stand I of
1
108
De instapverlichting wordt tegelijk met de interieurverlichting in- of uitgeschakeld.
G027153
G026960
De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen op de plafondconsole.
Leeslampjes achterin
Leeslampje linksachter, aan/uit
Leeslampje rechtsachter, aan/uit
De leeslampjes achterin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen.
Bij zevenzitters zijn er ook leeslampjes voor de
derde zitrij.
Instapverlichting
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) wordt in- en uitgeschakeld bij het openen c.q. sluiten van een portier.
04 Interieur
Interieurverlichting
Kofferbakverlichting
Een lampje aan de binnenkant van de achterklep dient als kofferbakverlichting.
Het achterste plafondlampje en het lampje in
de achterklep worden bij het openen en sluiten
van de achterklep automatisch in- en uitgeschakeld.
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
Automatische verlichting
Verlichting dashboardkastje
U kunt de automatische verlichting uitschakelen door knop (2), zie pagina 108, meer dan 3
seconden ingedrukt te houden. Bij kort indrukken van de knop schakelt u de automatische
verlichting weer in.
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
Bij een geactiveerde automatische verlichting
gaat de interieurverlichting automatisch2 30
seconden lang branden wanneer:
04
• de auto wordt ontgrendeld met een sleutel
of transpondersleutel
Make-upspiegel*
• u de contactsleutel na het afzetten van de
motor naar stand 0 draait.
De interieurverlichting gaat aan en blijft 10
minuten lang branden, wanneer een van de
portieren wordt geopend tenzij u de interieurverlichting hebt uitgeschakeld.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
• u de motor start;
• de auto wordt ontgrendeld met een sleutel
G027045
of transpondersleutel.
2
De geprogrammeerde inschakelduur (resp. 30
seconden en 10 minuten) is te wijzigen in een
Volvo-werkplaats.
De functie is afhankelijk van de lichtinval en wordt alleen geactiveerd wanneer het donker is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
109
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergmogelijkheden
04
110
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak op derde zitrij
Pennenvak
Dashboardkastje
Opbergvakken en bekerhouders
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje
Aflegvlak in middenconsole
Bekerhouders voor achterpassagiers
ATTENTION
Pakjdskdl ioiuip kjöpp opoodidåuswi
Opbergvak (ook aan de voorkant van de
voorstoelzitting)
AIRBAG
MY KEY
L E CTOR
SE
SOUND
ENTER
04
EXIT
MENU
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre.
In de middenconsole vindt u een vak waarin u
pennen kunnen bewaren.
80
G027025
WAARSCHUWING
G027030
Houder voor boodschappentassen
In het dashboardkastje kunt u bijvoorbeeld het
instructieboekje, wegenkaarten, pennen en
tankpassen bewaren.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
111
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Kledinghaak
Asbak voor achterpassagiers*
Bekerhouder/flessenhouder voor
achterpassagiers
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
U opent de asbak door de bovenkant van het
klepje naar buiten toe te klappen.
Leeg de asbak als volgt:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Trek het insteekelement aan de onderkant
openen.
1. Open de asbak.
U kunt het insteekelement voor bekers als volgt
verwijderen:
2. Duw het klepje omlaag en kantel het achterover.
–
3. Til de asbak vervolgens uit de middenconsole.
112
G027063
G027018
G027028
04
Wanneer u de twee klemmen losmaakt,
kunt u de bekerhouder gebruiken als flessenhouder voor twee grote petflessen.
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Aflegvlak in middenconsole
Opbergvakken en bekerhouders
(zevenzitter)
Bekerhouders
U kunt de opbergvakken gebruiken om bijvoorbeeld cd’s en boeken in te bewaren.
In de middenconsole zit een aflegvak om bijvoorbeeld eten en drinken op weg te zetten. U
moet daarvoor de middenarmsteun naar achteren toe wegklappen, zodat de achterpassagiers het onderliggende blad als “tafeltje” kunnen gebruiken.
G027020
G027019
G027040
04
Bekerhouders voor de bestuurders- en passagierszijde.
Asbak*
–
Om de asbak te legen moet u het insteekelement uitnemen.
Onder het aflegvlak zit een opbergvak om bijvoorbeeld cd’s in te bewaren.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
113
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak op derde zitrij (zevenzitter)
G027026
04
U kunt de opbergvakken gebruiken om bijvoorbeeld pennen en kleine voorwerpen in te bewaren.
114
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte (Executive)
Koelbox
G027068
04
Onder de opklapbare armsteun is een koelbox
weggewerkt. Pas de koelstand aan met de
knop (zie afbeelding). De box werkt wanneer de
motor loopt of de transpondersleutel in stand
II staat.
WAARSCHUWING
Draai de flessen goed dicht voordat u ze in
het koelbox bewaart en zorg dat het deurtje
dicht blijft tijdens het rijden.
115
04 Interieur
Achterbank
Achterbank, tweede zitrij (zevenzitter)
Verschuifbare stoel (zevenzitter)
Achterkant middenconsole
verwijderen
Ruggedeelte vooroverklappen om in te
stappen
Til de handgreep (1) omhoog en duw de stoel
tegelijkertijd naar voren. Doe dit in omgekeerde
volgorde om de stoel in de oorspronkelijke
stand terug te zetten.
Stoel vooruit-/achteruitzetten
Til de beugel (2) op om de stoel verder naar
voren of achteren te zetten.
116
U kunt de middelste stoel van de tweede zitrij
iets verder naar voren zetten dan de resterende
stoelen. Wanneer u de middelste stoel naar
voren schuift kunt u een kind op het geïntegreerde kinderzitje beter in de gaten houden
vanaf de voorstoelen.
Til de beugel (A) op om de stoel naar voren of
achteren te zetten.
G028445
G027033
G027027
04
Om de middelste stoel van de tweede zitrij naar
voren te kunnen schuiven, moet u eerst de
middenconsole verwijderen. U doet dat als
volgt.
1. Verwijder de achterkant van de middenconsole door de pal recht naar buiten toe
te trekken zoals aangegeven op de bovenstaande afbeelding.
2. Til de console vervolgens uit de auto.
04 Interieur
Achterbank
Hoofdsteunen achterbank, middelste
zitplaats
WAARSCHUWING
Zet de hoofdsteun alleen in de laagste positie, wanneer u het ruggedeelte van de stoel
vooroverklapt of wanneer er niemand op de
stoel zit.
Nadat u de stoelen op de tweede en derde
zitrij rechtop gezet hebt, moet u controleren
of het ruggedeelte van de stoelen geblokkeerd staat. Als dat niet het geval is, kan het
beveiligingssysteem zijn werk niet doen.
04
G027015
N.B.
U kunt de hoofdsteun niet helemaal verwijderen.
U kunt de hoofdsteun in het midden van de
achterbank naargelang van de lengte van de
passagier afstellen. Trek de hoofdsteun zo ver
omhoog als nodig is.
–
Als u de hoofdsteun omlaag wilt duwen,
moet u tegelijkertijd de pal indrukken. Zie
afbeelding.
117
04 Interieur
Lading vervoeren
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde
informatie over de gewichten, zie pagina 294.
• Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
• Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
04
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Lading op het dak
Lastdragers gebruiken
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden, wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo ontwikkeld zijn.
Volg de montagevoorschriften die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
• Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
• Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
118
De maximale dakbelasting is 100 kg inclusief de lastdragers en een eventuele skibox.
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto.
04 Interieur
Bagageruimte
Bagageruimte vergroten, tweede zitrij
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels
mogen evenmin zijn ingestoken. Schade
aan de bekleding van de achterbank is
anders namelijk niet uitgesloten.
3. Hef de blokkering (1) op en klap het ruggedeelte voorover. Duw het ruggedeelte
aan om het in neergeklapte stand te blokkeren.
WAARSCHUWING
Om veiligheidsredenen mag u geen passagiers op de derde zitrij vervoeren, als de
hoofdsteunen van de buitenste zitplaatsen
van de tweede zitrij omlaaggeklapt zijn.
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels
mogen evenmin zijn ingestoken. Schade
aan de bekleding van de achterbank is
anders namelijk niet uitgesloten.
Schuif de tweede zitrij helemaal naar voren toe
– zie pagina 104.
Til de handgreep omhoog.
Bagageruimte vergroten, derde
zitrij1
04
Schuif het zitgedeelte in de achterste
stand. Klap de verankeringsogen links en
rechts dusdanig in, dat ze niet beschadigd
raken wanneer u de ruggedeelten vooroverklapt.
Klap het ruggedeelte voorover. (De hoofdsteun wordt automatisch ingeklapt bij het
vooroverklappen van het ruggedeelte.)
G027022
Derde zitrij omhoogklappen
2. Klap de hoofdsteunen omlaag.
G027016
1. Zet de stoelen in de achterste stand1.
1. Zet het ruggedeelte van de stoelen weer
rechtop.
2. Trek aan het oog en trek het zitgedeelte tot
aan het "klikgeluid" naar buiten.
3. Zet de hoofdsteun rechtop.
> U kunt de stoel daarna weer gebruiken.
1
Alleen zevenzitter
119
04 Interieur
Bagageruimte
Algemene informatie
en daarbij ernstige verwondingen kunnen toebrengen.
Achterklep openen
Voor informatie over het openen van de achterklep – zie pagina 132.
Lading in de bagageruimte
Let erop dat een voorwerp met een gewicht
van 20 kg bij een frontale botsing op een snelheid van 50 km/h zich gedraagt als een voorwerp met een gewicht van 1000 kg.
Let op het volgende bij het inladen:
• Duw zware lading niet te dicht tegen de
voorstoelen aan. Het neergeklapte ruggedeelte wordt anders onnodig zwaar belast.
04
• Breng de lading zo dicht mogelijk tegen de
rugleuning van de achterbank aan.
• Leg zware voorwerpen zo veel mogelijk
plat op de vloer.
G027031
• Breng zware lading dusdanig aan dat deze
Veiligheidsgordels en airbags bieden de
bestuurder en eventuele passagiers een goede
bescherming, met name bij frontale botsingen.
Zorg echter ook voor een goede afscherming
in de rug. Let er bij het vervoer van lading in de
bagageruimte op dat voorwerpen die niet goed
zijn vastgezet of op de juiste manier zijn ingeladen bij een aanrijding of een krachtige remmanoeuvre met hoge snelheid en met grote
kracht naar voren kunnen worden geslingerd
120
recht voor de deellijn in de rugleuning van
de achterbank komt te zitten.
• Dek scherpe randen met iets zachts af.
• Zet de lading met sjorbanden aan de verankeringsogen vast.
• Zorg dat de lading nooit boven de rugleuning uitsteekt, wanneer u geen gebruik
maakt van een bagagenet.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt! Als dat namelijk wel het
geval is, kan de lading bij een krachtige remmanoeuvre of een aanrijding naar voren
worden geslingerd en u of eventuele passagiers ernstig verwonden. Let er ook op dat
u lading altijd goed verankert (vastbindt).
Wanneer u het ruggedeelte van de achterbank hebt neergeklapt, moet u zorgen dat
de lading niet uitsteekt boven de denkbeeldige, horizontale lijn op 50 mm onder de
bovenkant van de ruiten in de achterportieren. Zorg er bovendien voor dat de lading
op 10 cm afstand van de zijruiten zit. Anders
is het mogelijk dat het opblaasgordijn dat
schuilgaat achter de plafondbekleding geen
bescherming meer biedt.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Zet de motor af en zet de parkeerrem aan
bij het in- en uitladen van lange voorwerpen!
Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen
de versnellingspook of keuzehendel aan
komen en zo per ongeluk een versnelling
inschakelen, waarna de auto kan gaan rollen.
04 Interieur
Bagageruimte
Bagagenet
Bagagenet aanbrengen
voorste plafondbevestigingen hebt vastgezet.
Geldt alleen voor zevenzitter:
1. Zorg dat het net voor de armleuning van
het zijpaneel komt te liggen bij aanspanning.
2. Trek het bagagenet strak met de trekbanden.
04
G027058
Bagagenet opvouwen
Het bagagenet voorkomt dat bagage of lading
uit de bagageruimte de passagiersruimte kan
binnendringen bij krachtige remmanoeuvres.
Als de auto is uitgerust met een bagagerolhoes, moet u deze verwijderen voordat u het
bagagenet aanbrengt.
Het bagagenet is gemaakt van stevig nylonmateriaal en kan op twee verschillende manieren worden bevestigd:
1. Haak de bovenste stang achter de voorste
of achterste plafondbevestigingen vast.
• Achter het ruggedeelte van de achterbank
• Achter de voorstoelen, als u de achterbank
hebt neergeklapt.
2. Haak het andere uiteinde van de stang aan
de tegenoverliggende plafondbevestiging
vast.
3. Haak de banden van het bagagenet vast
aan de ogen op de vloer, wanneer u het net
aan de achterste plafondbevestigingen
hebt vastgezet.
4. Maak gebruik van de verankeringsogen op
de stoelrails, wanneer u het net aan de
``
121
04 Interieur
Bagageruimte
U kunt het bagagenet opvouwen en opbergen
onder de vloerplaat van de bagageruimte
(geldt voor vijfzitters).
–
Stalen veiligheidsrek*
2. Breng een van de bevestigingspennen van
het veiligheidsrek in de bijbehorende houder aan die zich boven het achterportier
achter de tweede zitrij bevindt.
Druk de knoppen (1) op de scharnieren van
het bagagenet in om de scharnieren te ontgrendelen en het net op te vouwen.
WAARSCHUWING
Een beschadigd net mag u niet meer gebruiken.
Het veiligheidsrek in de bagageruimte voorkomt dat bagage of huisdieren bij krachtige
remmanoeuvres de passagiersruimte in worden geslingerd.
U moet het veiligheidsrek voor de veiligheid
altijd op de juiste manier bevestigen en verankeren.
Breng het veiligheidsrek als volgt aan:
1. Til het veiligheidsrek via de achterklep of
een van de achterportieren in de auto (in
het laatste geval moet u eerst de tweede
zitrij neerklappen).
122
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G027057
G027056
04
Controleer altijd of de bovenste bevestigingen van het veiligheidsnet goed zijn aangebracht en of de spanbanden stevig vastzitten.
3. Duw de bevestigingspen van het veiligheidsrek naar voren toe in de houder.
4. Breng de andere bevestigingspen van het
veiligheidsrek in de houder boven het
tegenoverliggende portier en duw ook hier
de bevestigingspen vooruit in de houder.
5. Steek de bevestigingsbeugel vanaf de
onderzijde door de onderste houder van
het veiligheidsrek zoals aangegeven op de
afbeelding.
04 Interieur
Bagageruimte
6. Breng de veer op de bevestigingsbeugel
aan en draai de draaiknop erop vast.
Elektrische aansluiting in
bagageruimte
Bagagerolhoes*
7. Bevestig de haak van de bevestigingsbeugel in het verankeringsoog en draai aan de
draaiknop, totdat de bevestigingsbeugel in
het verankeringsoog vastgrijpt.
8. Doe hetzelfde aan de andere kant van het
rek.
9. Draai de beide bevestigingsbeugels beurtelings vast.
04
10. Breng de beschermdoppen aan op het
blootliggende schroefdraadsegment
boven de draaiknoppen.
WAARSCHUWING
Geldt voor zevenzitters: Om veiligheidsredenen mag u geen passagiers op de derde
zitrij vervoeren, als u het bagagenet achter
de tweede zitrij hebt gemonteerd.
Verwijder het kapje, wanneer u de aansluiting
wilt gebruiken. De elektrische aansluiting werkt
onafhankelijk van de stand van het contactslot.
Als bij het uitschakelen van het contact blijkt
dat de stroomsterkte die via de aansluiting
wordt afgenomen hoger is dan 0,1 A, verschijnt
er een waarschuwing op het display.
N.B.
Denk eraan dat als de elektrische aansluiting word gebruikt als de motor uit is, de
startaccu van de auto kan ontladen.
Trek de bagagerolhoes over de bagage heen
uit en haak de hoes vast in de openingen die in
de achterste stijlen van de bagageruimte zitten.
Bagagerolhoes verwijderen
Druk het eindstuk van de bagagerolhoes naar
binnen toe en trek het naar boven toe los. Bij
het aanbrengen moet u de eindstukken van de
bagagerolhoes in de houders omlaag drukken.
WAARSCHUWING
Leg geen voorwerpen op de bagagerolhoes. Ze kunnen de inzittenden verwonden
bij afremmen of uitwijkmanoeuvres.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
123
04 Interieur
Bagageruimte
Houder voor boodschappentassen*
Vloervak bagageruimte, inhoud
N.B.
Bepaalde producten in de EHBO-kit zijn
verzien van een uiterste houdbaarheidsdatum. U dient de producten te vervangen,
voordat de aangegeven data zijn verstreken.
Vloervlak bagageruimte openen
(vijfzitter)
–
04
Til het luik in de vloer van de bagageruimte
op.
Doe het volgende als uw auto is uitgerust met
een houder voor boodschappentassen:
–
Positie EHBO-kit bij vijfzitters.
Open het luik in de bagageruimte. Hang of bind
de boodschappentassen vast met bagagebanden of houders.
Positie EHBO-kit bij zevenzitters.
Onder de vloer van de bagageruimte vindt u het
volgende:
•
•
•
•
124
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Til het luik op en maak de bagagebanden
van de houder voor de boodschappentassen los.
Gevarendriehoek*
Gereedschapstas
EHBO-kit*
Krik (alternatieve positie)
Vloervak bagageruimte openen
(zevenzitter)
–
Til het luik op.
Doe het volgende als uw auto is uitgerust met
een houder voor boodschappentassen:
–
Klap het bovenste luik open, maak de
bagagebanden van een eventuele houder
voor boodschappentassen los en klap vervolgens het onderste luik open.
04 Interieur
Bagageruimte
BELANGRIJK
Let erop dat er geen voorwerpen onder de
stoelkussens liggen wanneer u de stoelen
hebt neergeklapt. Dergelijke voorwerpen
kunnen de stoelkussens en de verstelmechanismen namelijk beschadigen.
04
125
Transpondersleutel - sleutel met afstandsbediening............................
Vergrendelen en ontgrendelen..............................................................
Kinderslot..............................................................................................
Alarm*....................................................................................................
126
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
128
130
134
136
SLOTEN EN ALARM
05 Sloten en alarm
Transpondersleutel - sleutel met afstandsbediening
Sleutels, elektronische startblokkering
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Functies afstandsbediening
Er kunnen maximaal zes transpondersleutels
voor één en dezelfde auto worden geprogrammeerd en gebruikt.
05
Transpondersleutel. De hoofdsleutel past op alle
sloten.
Bij de auto worden twee transpondersleutels
geleverd – ze zijn inklapbaar en voorzien van
een ingebouwde afstandsbediening.
Verlies van een sleutel
Als u een van de transpondersleutels verliest,
wordt u geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken en alle resterende sleutels
van de auto mee te nemen. Ter voorkoming van
diefstal moet de code van de zoekgeraakte
sleutel uit het systeem worden gewist. Tegelijkertijd moeten de codesignalen van de resterende sleutels opnieuw in het systeem worden
geprogrammeerd.
128
De sleutels zijn voorzien van gecodeerde
chips. Deze code moet overeenkomen met die
van de lezer (ontvanger) in het contactslot. U
kunt de auto alleen starten, wanneer u een
sleutel met de juiste code gebruikt.
G027013
G030177
Elektronische startblokkering
N.B.
Het sleutelblad van de transpondersleutel
moet volledig zijn uitgeklapt (zie afbeelding)
bij het starten van de auto. Anders bestaat
het risico dat de startblokkering in werking
treedt en de motor niet kan worden gestart.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de transpondersleutel nooit samen met
andere sleutels of metalen voorwerpen aan
dezelfde sleutelbos hangen. Anders kan de
elektronische startblokkering per ongeluk worden geactiveerd, zodat de auto niet kan worden gestart.
Ontgrendelen
–
Bij eenmaal indrukken van de knop worden
alle portieren, de achterklep en de tankvulklep ontgrendeld.
Achterklep
• Bij eenmaal indrukken van de knop wordt
alleen de achterklep ontgrendeld.
• Bij tweemaal indrukken wordt de klep ontgrendeld en komt deze een stukje omhoog.
Paniekfunctie
U kunt gebruik maken van de paniekfunctie om
in noodgevallen de aandacht van anderen te
trekken. Als u de rode knop ten minste drie
05 Sloten en alarm
Transpondersleutel - sleutel met afstandsbediening
seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal
achtereen binnen drie seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd. U schakelt de
paniekfunctie weer uit met een druk op een
willekeurige knop van de transpondersleutel.
Als u niets doet, wordt de paniekfunctie na 25
seconden automatisch uitgeschakeld.
“Approach”-verlichting
Doe het volgende, wanneer u op de auto toeloopt:
–
Druk op de gele knop van uw transpondersleutel.
Vergrendelen
Met de knop vergrendelt u alle portieren, de
achterklep en de tankvulklep. Voor de tankvulklep geldt een vertraging van ca. 10 minuten.
Sleutel in-/uitklappen
U kunt de transpondersleutel inklappen door
de knop in te drukken, terwijl u het mechanische gedeelte (sleutelblad) inklapt.
De ingeklapte sleutel wordt automatisch uitgeklapt met een druk op de knop.
Batterij transpondersleutel vervangen
De interieurverlichting, stadslichten vóór en
achterlichten, kentekenplaatverlichting en buitenspiegelverlichting* gaan dan branden. Ook
de verlichting van een aangesloten aanhanger
gaat branden. De lampen blijven 30, 60 of 90
seconden branden. In een werkplaats kunt u
een passende inschakelduur laten instellen –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
dersleutel, moet u de batterij bij de eerstvolgende servicebeurt vervangen.
1. Haal de afdekking los door deze met een
smalle schroevendraaier aan de achterkant voorzichtig open te wrikken.
2. Vervang de batterij (type CR 2032, 3 V) en
zorg dat de pluspool omhoogwijst. Kom
niet met uw vingers aan de polen van de
batterij of de contactvlakken.
3. Plaats de afdekking terug. Zorg dat het
afdichtrubber goed zit en intact is, zodat er
geen vocht kan binnendringen.
4. Geef de lege batterij af bij uw Volvo-dealer,
zodat de batterij op milieuvriendelijke wijze
wordt verwerkt.
05
Doe het volgende om de Approach-verlichting
uit te schakelen:
–
Druk nogmaals op de gele knop van uw
afstandsbediening.
Als de sloten niet meer bij de gebruikelijke
afstand reageren op signalen van de transpon-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
129
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Van de buitenzijde
N.B.
Automatische vergrendeling
Ook als er een portier of de achterklep
openstaat, is het mogelijk de auto te vergrendelen1. Wanneer het portier/de achterklep vervolgens wordt gesloten, bestaat het
gevaar dat u zich buitensluit met de sleutels
nog in de auto.
05
Let op het risico van opsluiting in de auto,
als u de auto van de buitenzijde vergrendelt
– de portieren zijn dan namelijk niet meer
van de binnenzijde te openen met de portierhandgrepen. Lees meer daarover in het
onderdeel “Safelock-functie” elders in dit
boekje.
Met de transpondersleutel kunt u alle portieren
en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/ontgrendelen.
Automatische hervergrendeling
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat. De tankvulklep
blijft 10 minuten lang onvergrendeld staan,
nadat u de auto vergrendeld hebt – dit om tanken mogelijk te maken wanneer de auto vergrendeld en het alarm geactiveerd is.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen 2 minuten na ontgrendeling van de buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden alle sloten automatisch weer vergrendeld.
Deze functie beperkt de kans dat u de auto per
ongeluk onvergrendeld kunt laten staan.
Voor auto’s met alarmsysteem, zie
pagina 136.
G029646
G026963
WAARSCHUWING
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier kunt u de automatische vergrendeling activeren of deactiveren. Bij automatische
vergrendeling worden de portieren automatisch vergrendeld wanneer de auto een snelheid bereikt van meer dan 7 km/h. De portieren
blijven vergrendeld totdat een portier van de
binnenzijde worden geopend of alle portieren
tegelijkertijd worden ontgrendeld vanaf het
bedieningspaneel.
Activeren/deactiveren
De transpondersleutel moet in sleutelstand I of
II staan, zie pagina 149.
1
130
Niet op alle markten.
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
• Druk op de knop READ op de linker stuurhendel om eventuele meldingen op het display te bevestigen.
Alle portieren zijn te vergrendelen met de vergrendelknop op het bedieningspaneel van het
bewuste portier.
Achterklep
• Houd de knop voor centrale vergrendeling
ingedrukt, totdat er een nieuwe melding
over de vergrendelingsstatus op het display verschijnt.
Dashboardkastje
De melding AUTOLOCK AAN (automatische
vergrendeling tijdens het wegrijden) of
AUTOLOCK UIT verschijnt op het display.
ATTENTION
Pakjdskdl ioiuip kjöpp opoodidåuswi
G028485
Van de binnenzijde
AIRBAG
MY KEY
L E CTOR
SE
SOUND
ENTER
05
EXIT
80
G027025
MENU
G029646
Het dashboardkastje is te vergrendelen met
het sleutelblad van de transpondersleutel.
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier (of het passagiersportier) zijn alle
portieren en de achterklep gelijktijdig te vergrendelen dan wel te ontgrendelen.
Met de transpondersleutel is het mogelijk om
de alarmfunctie voor de achterklep te deactiveren, zodat u de achterklep apart kunt ontgrendelen.
1. Druk op de toets
op de transpondersleutel – de klep wordt ontgrendeld waarna
deze te openen is.
> De niveausensoren en bewegingsmelders van het alarm* alsmede de sensor
in de achterklepopening worden buiten
werking gesteld. De portieren blijven
vergrendeld en beveiligd.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
131
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
2. Als de overige portieren nog steeds vergrendeld zijn bij het sluiten van de achterklep, blijft de achterklep ook na sluiting
onvergrendeld en onbewaakt staan. De
overige portieren zijn echter nog steeds
vergrendeld en bewaakt.
Safelock-functie*2
Achterklep openen
De Safelock-functie houdt in dat de openingshandgrepen van de portieren in de passagiersruimte mechanisch ontkoppeld zijn - de portieren kunnen daarom niet van de binnenzijde
worden geopend.
3. Om de achterklep te vergrendelen en in het
alarm te betrekken dient u op de toets
LOCK op de afstandsbediening te drukken.
Als u van de knop
gebruik maakt om de
achterklep te ontgrendelen zonder de klep
te openen, wordt de klep ca. 2 minuten
automatisch opnieuw vergrendeld.
05
G027005
N.B.
1. U kunt de achterklep openen door de
handgreep omlaag te trekken zoals afgebeeld.
2. Klap het achterschot omlaag door de
handgreep op te tillen.
De Safelock-functie is van de buitenzijde te
activeren met de toets LOCK op de transpondersleutel of door het bestuurdersportier te
vergrendelen met het sleutelblad. De functie
treedt 10–25 seconden na vergrendeling van
de portieren in werking. Alle portieren moeten
zijn gesloten, voordat u de Safelock-functie
kunt activeren.
Bij Safelock is de auto alleen met de toets
UNLOCK op de transpondersleutel te ontgrendelen. Het bestuurdersportier is ook handmatig te ontgrendelen met het sleutelblad.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren om te
voorkomen dat u iemand opsluit.
2
132
Niet op alle markten en alleen in combinatie met alarmsysteem.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Op het display verschijnt een melding zolang
de transpondersleutel in het contactslot steekt.
Tijdelijk deactiveren
De volgende keer dat u de motor start, wordt
het systeem gereset, waarna de bewegingsmelders en niveausensoren van het alarmsysteem alsmede de Safelock-functie opnieuw
zijn ingeschakeld.
G027230
N.B.
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd bij vergrendeling van de auto.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
05
Knop voor tijdelijke deactivering Safelock-functie.
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot, draai deze naar sleutelstand II en
vervolgens terug naar stand I of 0.
2. Druk op de knop. Let erop dat ook de*
bewegingsmelders en niveausensoren van
het alarmsysteem worden uitgeschakeld,
zie pagina 137.
Het lampje in de knop brandt, totdat de auto
vergrendeld wordt met de transpondersleutel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
05 Sloten en alarm
Kinderslot
Handbediend kinderslot,
achterportieren en achterklep
De bediening van de kindersloten vindt u onder
op de achterklep en achter op de korte kant
van de achterportieren. De bediening is alleen
bereikbaar wanneer de achterklep of het desbetreffende portier openstaat.
Uitgeschakeld kinderslot – de achterklep
kan wel van de binnenzijde worden
geopend.
Ingeschakeld kinderslot – de achterportieren kunnen niet van de binnenzijde worden
geopend: Naar buiten toe draaien.
Ingeschakeld kinderslot – de achterklep
kan niet van de binnenzijde worden
geopend.
Uitgeschakeld kinderslot – de achterportieren kunnen wel van de binnenzijde worden geopend: Naar binnen toe draaien.
Achterportieren
Elektrisch kinderslot, achterportieren*
Achterklep
REAR
AC
Bedieningsknop kinderslot, achterklep.
Bedieningscilinder kinderslot, linker en rechter
achterportier.
U bedient het kinderslot op de achterklep door
de knop in een van beide eindstanden opzij te
duwen (gebruik daarvoor een plat metalen
voorwerp zoals een schroevendraaier):
U bedient het kinderslot op de achterportieren
door de cilinder in een van beide eindstanden
te draaien (gebruik daarvoor een plat metalen
voorwerp zoals een schroevendraaier).
G027105
G021512
G021513
05
Gebruik de knop op de middenconsole om het
kinderslot op de achterportieren in of uit te
schakelen.
1. Draai de contactsleutel naar stand I of II,
zie pagina 149.
2. Druk op de knop.
134
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Sloten en alarm
Kinderslot
Het lampje in de knop licht op om aan te geven
dat de bedieningsknoppen voor de achterste
zijruiten en de achterportieren vergrendeld zijn.
Er verschijnt een melding op het display, wanneer het kinderslot geactiveerd/gedeactiveerd
wordt.
N.B.
Zolang het kinderslot actief is zijn de achterportieren niet van de binnenzijde te openen.
05
135
05 Sloten en alarm
Alarm*
Alarmsysteem
Alarmindicatie
N.B.
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontroleerd.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Het alarm gaat af, als:
• een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend
Alarmfunctie inschakelen
–
• het contactslot wordt omgedraaid met een
verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd;
• er een beweging in de passagiersruimte
G026963
wordt waargenomen (als er een bewegingsmelder aanwezig is);
• de auto wordt opgetakeld of weggesleept
05
BELANGRIJK
(op auto’s met een niveausensor);
• de accukabel wordt ontkoppeld;
• iemand de sirene probeert los te koppelen.
Druk op de knop LOCK van de transpondersleutel. De richtingaanwijzers van de
auto geven een lang lichtsignaal af ter
bevestiging dat het alarm is ingeschakeld
en dat alle portieren zijn vergrendeld.
De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af en de led op het
dashboard licht om de twee seconden eenmaal op ter bevestiging dat het alarm volledig is ingeschakeld.
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
• De led is uit – het alarm is uitgeschakeld.
• De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld.
• De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm tot aan het
moment dat u de transpondersleutel naar
sleutelstand II draait – het alarm is afgegaan.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een displaymelding. Neem
dan contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
136
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Alarmfunctie uitschakelen
–
Druk op de knop UNLOCK van de transpondersleutel. De richtingaanwijzers van
de auto geven twee korte lichtsignalen af
ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld.
> Voor handmatige uitschakeling – zie het
volgende gedeelte ‘Geactiveerd alarm
uitschakelen’.
05 Sloten en alarm
Alarm*
Automatische inschakeling van het
alarm
De functie voorkomt dat u de auto onbedoeld
kunt achterlaten zonder het alarm in te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent (en de auto werd met de transpondersleutel ontgrendeld), dan wordt het
alarm automatisch weer ingeschakeld. De auto
wordt tegelijkertijd vergrendeld.
Automatische activering van het alarm
In bepaalde landen (zoals in België, Israël e.d.)
wordt het alarm na enige vertraging automatisch ingeschakeld, wanneer het bestuurdersportier werd geopend en gesloten maar daarna
niet werd vergrendeld.
Transpondersleutel defect
Als u het alarm niet kunt uitschakelen met de transpondersleutel (als bijv. de batterij
van de sleutel leeg is), kunt u
de auto als volgt ontgrendelen, het alarmsysteem deactiveren en de motor starten:
1. Ontgrendel het bestuurdersportier handmatig en open het – het alarm gaat af en de
sirene klinkt.
Beperkt alarmniveau
Om te voorkomen dat het alarm afgaat – wanneer er bijv. een hond in een vergrendelde auto
wordt achtergelaten of bij gebruik van een
autotrein of een veerverbinding – dient u de
bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk uit te schakelen.
De te volgen procedure is identiek aan die bij
tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie
- zie pagina 132.
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot – het alarm wordt uitgeschakeld.
> De alarmindicatie knippert snel, totdat u
de transpondersleutel naar sleutelstand
II draait.
05
Alarmsignalen
Geactiveerd alarm uitschakelen
Bij alarm gebeurt het volgende:
–
• Er klinkt een sirene totdat u het alarm uit-
Druk op de knop UNLOCK van de transpondersleutel of steek de sleutel in het
contactslot.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
schakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
25 seconden automatisch uit. De sirene
heeft zijn eigen accu en werkt volledig
onafhankelijk van de startaccu in de auto.
• Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
137
Algemene informatie.............................................................................
Tanken..................................................................................................
Motor starten........................................................................................
Automatische versnellingsbak..............................................................
Vierwielaandrijving*...............................................................................
Remsysteem.........................................................................................
Stabiliteits- en tractieregeling*..............................................................
Park Assist*...........................................................................................
BLIS (Blind Spot Information System)*.................................................
Slepen en bergen..................................................................................
Starten met hulpaccu............................................................................
Rijden met een aanhanger....................................................................
Trekhaak* .............................................................................................
Afneembare trekhaak* ..........................................................................
Lichtbundel aanpassen.........................................................................
138
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
140
143
149
151
154
155
157
159
161
165
167
169
171
173
177
STARTEN EN RIJDEN
06 Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie.
• Rijd niet met open zijruiten.
• Gebruik geen winterbanden buiten het
winterseizoen.
• Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen.
• Neem geen spullen in de auto mee die u
niet gebruikt – hoe groter de belading, des
te hoger het brandstofverbruik.
• Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk
is.
•
06
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling,
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid – lagere toeren leveren
een lager brandstofverbruik op.
• Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor
het brandstofverbruik toeneemt – verwijder
lastdagers die u niet gebruikt.
• Laat de motor niet stationair warmdraaien,
maar belast de motor in plaats daarvan zo
snel mogelijk licht – een koude motor verbruikt meer brandstof dan een warme.
Zie pagina 13 en 302 voor meer informatie en
meer tips.
140
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden (zoals
op een aflopende helling), omdat daarbij
belangrijke systemen zoals de stuur- en
rembekrachtiging wegvallen.
N.B.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en modder.
BELANGRIJK
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 40 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken komt om
elektrische storingen te voorkomen.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten. Sleep de auto
uit de waterpartij.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Motor, versnellingsbak en
koelsysteem
Bij diepe waterpartijen kan er water in de
transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen daarbij af,
waardoor de genoemde systemen minder
lang meegaan.
In bepaalde omstandigheden, bij zware belasting op steile hellingen en warm weer, bestaat
het gevaar dat de motor en de aandrijflijn oververhit raken – met name bij het vervoer van een
zware lading.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
• Verwijder verstralers die voor de grille zitten tijdens ritten bij warm weer.
• Bij gevaar voor oververhitting wordt een
ingebouwde beveiliging geactiveerd die er
onder meer voor zorgt dat het oranje informatielampje op het instrumentenpaneel
gaat branden en dat er een melding met
een advies verschijnt – volg het advies op.
06 Starten en rijden
Algemene informatie
• Als de temperatuurmeter voor de koelvloeistof tot in het rode gebied uitslaat,
dient u de auto te stoppen en de motor
enkele minuten stationair te laten draaien.
• Bij oververhitting kan de airconditioning
zichzelf tijdelijk uitschakelen.
• Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
Voor aanvullende informatie over oververhitting bij gebruik van een aanhanger/caravan –
zie pagina 169.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator na het
afzetten van de motor nog enige tijd kan
blijven werken.
Geopende achterklep
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de bagageruimte de passagiersruimte in worden gezogen.
Accu niet overmatig belasten
–
De elektrische functies van de auto belasten de
accu in verschillende mate. Laat de transpondersleutel niet te lang achtereen in sleutelstand
II staan, als u de motor hebt afgezet. Maak in
plaats daarvan gebruik van de stand I – het
stroomverbruik is dan minder.
Op oneffen wegen rijden
Let erop dat de 12V-aansluiting in de bagageruimte ook spanning levert, wanneer u de
transpondersleutel uit het contactslot hebt
genomen.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrische systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van dergelijke onderdelen/systemen zijn:
•
•
•
•
interieurventilator
ruitenwisser
audiosysteem (hoog volume)
koplampen.
Als de accuspanning laag is, verschijnt op het
informatiedisplay de melding ACCUSPAN.
LAAG ENERGIEBESPARING. De energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens bepaalde
onderdelen/systemen uit of verlaagt de belasting van de accu door bijvoorbeeld de interieurventilator lager te zetten en/of het audiosysteem uit te schakelen.
Laad de startaccu dan op door de motor te
starten en deze minstens 15 minuten lang
te laten lopen – de accu wordt beter opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met
een stationair lopende motor.
Hoewel de Volvo XC90 voornamelijk geconstrueerd is voor het gebruik op verharde
wegen, biedt de auto ook goede eigenschappen op onverharde en slecht onderhouden
wegen. De auto gaat echter langer mee als u
op het volgende let:
• Rijd langzaam als het wegdek oneffen is –
om schade aan het onderstel van de auto
te voorkomen.
• Als de ondergrond rul is of uit droog zand
of sneeuw bestaat, verdient het altijd de
voorkeur om de auto in beweging te houden en overschakelen te voorkomen.
Breng de auto niet tot stilstand.
06
• Als de weg buitengewoon steil is zodat het
gevaar bestaat dat de auto kantelt, moet u
de auto nooit op de helling proberen te
keren maar achteruit terugrijden.
• Rijd nooit schuin maar altijd recht een helling op en af.
141
06 Starten en rijden
Algemene informatie
N.B.
Rijd bij voorkeur geen steile helling op of af,
wanneer het brandstofniveau laag is. De
katalysator kan beschadigd raken, als de
motor onvoldoende brandstof krijgt. Zorg er
bij het beklimmen van een buitengewoon
steile helling voor dat de brandstoftank voor
meer dan de helft gevuld is, om motoruitval
te voorkomen.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
06
142
06 Starten en rijden
Tanken
Tankvulklep openen
G027073
wellicht handmatig ontgrendelen. Doe in dat
geval het volgende:
De tankdop vindt u achter de tankvulklep in het
spatbord rechtsachter. De dop is op te hangen aan
de binnenzijde van de tankvulklep.
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat.
06
N.B.
De tankvulklep blijft tien minuten lang
onvergrendeld staan, nadat u de auto hebt
vergrendeld. De tankvulklep wordt daarna
automatisch vergrendeld.
Tankvulklep handmatig openen
Wanneer u de tankvulklep niet op de normale
manier kunt openen, moet u de tankvulklep
143
06 Starten en rijden
Tanken
Stap 1–3.
1. Til de vloerbekleding in de bagageruimte
aan de rechter achterhoek op.
06
4. Steek uw hand door de opening en zoek
de vergrendeling op. De vergrendeling zit
ter hoogte van de achterkant van de tankvulklep.
2. Open de afdekking door de handgreep op
te tillen en naar buiten trekken.
5. Trek de pal voorzichtig recht naar achteren
- de tankvulklep kan daarna worden uitgeklapt.
3. Haal de isolatie opzij om bij de elektrische
vergrendeling van de tankvulklep te
komen.
Na het tanken kan de tankvulklep weer worden
vergrendeld door deze eerst te sluiten en
daarna de pal naar voren te drukken.
Stap 4–5.
144
06 Starten en rijden
Tanken
WAARSCHUWING
Er zitten onderdelen met scherpe randen
achter het paneel. Beweeg uw hand daarom
langzaam en voorzichtig.
Tankdop
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam
open
N.B.
Plaats de tankdop na het tanken terug.
Draai de dop zo ver dicht dat u een of meer
duidelijke klikken hoort.
Brandstof tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan aangegeven in dit hoofdstuk,
omdat dit een nadelige invloed kan hebben op
het motorvermogen en het brandstofverbruik.
Algemene informatie over brandstof
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp
inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol, mengsels ervan
en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen
bij inwendig gebruik aanleiding geven tot
blijvend letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Roep onmiddellijk medische hulp in bij het
inslikken van brandstof.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan door de hete uitlaatgassen ontvlammen.
BELANGRIJK
Bij menging van verschillende soorten
brandstof of gebruik van een andere brandstofkwaliteit dan aanbevolen, vervallen de
garanties van Volvo en eventuele aanvullende servicecontracten; dit geldt voor alle
motoren. N.B. Dit geldt niet voor auto’s met
een motor die is aangepast voor het gebruik
van ethanol (E85).
Voor gedetailleerde informatie over brandstofverbruik, CO2-uitstoot en tankinhoud, zie
pagina 302.
Benzine
Benzine dient te voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren kunnen op benzine met een octaangetal van 91, 95 en
98 RON lopen.
06
• 91 RON mag u niet gebruiken voor viercilindermotoren en slechts bij hoge uitzondering in de overige motortypes.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
• 95 RON is te gebruiken in normale rijom-
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. De beltoon kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
• 98 RON wordt geadviseerd voor een maxi-
standigheden.
male prestaties tegen een minimaal brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
145
06 Starten en rijden
Tanken
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken.
Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
•
Tank alleen loodvrije benzine om
schade aan te katalysator te voorkomen.
•
Giet geen additieven (dopes) in de benzine zonder het uitdrukkelijke advies
van Volvo.
Katalysator
06
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. Hij is dicht bij de motor in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op temperatuur te komen. De katalysator bestaat uit een
monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De
wanden van de kanalen zijn bekleed met platina/rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen een chemische reactie zonder dat ze
daar zelf actief aan deelnemen.
1
146
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
Dieselolie
De dieselolie moet voldoen aan de norm NENEN 590 of JIS K2204.
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie.
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid RME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen: speciale toevoegingen (dopes), scheepsolie, stookolie,
RME1 (biodiesel) of plantaardige olie. Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreinigingen zoals een te hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen gebruik van dieselolie
van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet
nooit dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de
tank.
Bij lage temperaturen (–40 °C tot –6 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot
startproblemen leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie
bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen
rond het vriespunt. Deze brandstof is dunner
bij lage temperaturen en beperkt de kans op
vlokvorming in het brandstofsysteem.
06 Starten en rijden
Tanken
BELANGRIJK
Gebruik speciale winterbrandstof tijdens de
wintermaanden.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
Wanneer u de tank leegrijdt
Op grond van zijn constructie moet het brandstofsysteem mogelijk eerst ontlucht worden
om een dieselmotor na bijtanken opnieuw te
kunnen starten.
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de
motor start:
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot en draai deze naar sleutelstand II
(zie pagina 149).
2. Wacht ca. 1 minuut.
3. Om de motor te starten: Bedien rem- en/of
koppelingspedaal en draai de transpondersleutel naar de startstand III.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aanleiding geven tot motorstoringen.
Houdt u zich voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en garantieboekje staan aangegeven.
Ook wanneer u vermoedt dat er vervuilde
brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter
aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn mogelijk uitgerust met een
roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te verbranden en het filter te legen wordt
een zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor
moet de motor de normale bedrijfstemperatuur
hebben.
De regeneratie van het filter vindt automatisch
plaats en duurt normaal 10–20 minuten. Bij een
lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer
duren. Gedurende de regeneratie kan het
brandstofverbruik iets stijgen.
Om de motor tijdens de regeneratie zwaarder
te belasten is het mogelijk dat de achterruitverwarming zonder verdere indicatie spontaan
aanslaat.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht het oranje informatiesymbool op het instrumentenpaneel op en verschijnt de melding ROETFILTER VOL ZIE
HANDLEIDING op het display van het instrumentenpaneel.
06
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden tot de motor voldoende op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog ca.
20 minuten verder.
147
06 Starten en rijden
Tanken
N.B.
Tijdens de regeneratie is tijdelijk mogelijk
een geringe beperking van het motorvermogen te bespeuren.
Na afloop van de regeneratie verdwijnt de melding automatisch.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met deeltjes gevuld is,
kan het onbruikbaar worden. De motor start
dan moeilijk en de kans bestaat dat het filter
moet worden vervangen.
06
148
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Starten en rijden
Motor starten
Voordat de motor wordt gestart
–
N.B.
Zet de handrem aan.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat het
motortoerental merkbaar hoger ligt dan normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Automatische versnellingsbak
–
Zet de keuzehendel in stand P of N.
WAARSCHUWING
Neem de transpondersleutel nooit tijdens
het rijden uit het contactslot, ook niet als de
auto gesleept wordt. U loopt anders het
gevaar dat het stuurslot wordt geactiveerd,
waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
2. Draai de sleutel naar stand III, wanneer het
controlelampje uitgaat.
> De startmotor wordt geactiveerd.
Contact- en stuurslot
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot wordt geactiveerd, wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt.
Motor starten
Bij het slepen moet de transpondersleutel in
sleutelstand II staan.
BELANGRIJK
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
N.B.
Het sleutelblad van de transpondersleutel
moet volledig zijn uitgeklapt bij het starten
van de auto, zie pagina 128. Anders is het
risico aanwezig dat de startblokkering in
werking treedt zodat de motor niet kan worden gestart.
de motor wordt voorverwarmd, zie
pagina 59.
I – Radiostand
Het stuurslot is uitgeschakeld. U kunt bepaalde functies gebruiken. Het elektrische systeem van de motor is
echter uitgeschakeld.
Benzine
–
Draai de transpondersleutel naar sleutelstand III. Als de motor niet binnen
5–10 seconden aanslaat, moet u de sleutel
loslaten en een nieuwe startpoging doen.
Dieselolie
1. Draai de transpondersleutel naar sleutelstand II.
Een controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden om aan te geven dat
06
II – Rijstand
De stand waarin de transpondersleutel tijdens het rijden
staat. Het complete elektrische systeem is geactiveerd.
149
06 Starten en rijden
Motor starten
III – Startstand
De startmotor wordt geactiveerd. Wanneer u de transpondersleutel loslaat zodra
de motor is aangeslagen,
veert de sleutel automatisch
terug naar de rijstand.
Als het u moeite kost om de sleutel om te
draaien, is het mogelijk dat de stand van de
voorwielen voor spanningen in het stuurslot
zorgt. Draai de contactsleutel in dat geval om,
terwijl u het stuurwiel heen en weer draait.
Transpondersleutels en elektronische
startblokkering
Laat de transpondersleutel nooit samen met
andere sleutels of metalen voorwerpen aan
dezelfde sleutelbos hangen. Als u dat wel doet,
kan de elektronische startblokkering onbedoeld worden geactiveerd.
Laat de motor meteen na een koude start nooit
op te hoge toeren draaien!
Neem contact op met een Volvo-werkplaats,
als de motor niet aanslaat of overslaat – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Automatisch starten (3.2)
Met de functie Automatisch starten hoeft u de
transpondersleutel niet langer in de sleutelstand III vast te houden totdat de motor is aangeslagen.
06
• Draai de sleutel naar de startstand en laat
deze weer los – de startmotor blijft vervolgens automatisch (tot tien seconden lang)
draaien totdat de motor is aangeslagen.
N.B.
Zorg dat het stuurwiel geblokkeerd is, wanneer u de auto verlaat. Zo beperkt u de kans
op diefstal.
150
WAARSCHUWING
Draai de transpondersleutel nooit naar
sleutelstand I of 0 en neem de transpondersleutel nooit uit het contactslot, wanneer de
auto rijdt. Anders loopt u het gevaar dat het
stuurslot wordt geactiveerd, waardoor de
auto onbestuurbaar wordt.
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel uit het contactslot – dit
geldt in het bijzonder wanneer er kinderen
in de auto achterblijven.
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Schakelstanden
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek bij het parkeren altijd de
handrem aan.
Keuzehendelblokkering
R – Achteruitrijstand
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
P – Parkeerstand
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert.
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
Stand N is de neutrale stand. In deze stand
kunt u de motor starten en er is geen versnelling ingeschakeld. Trek de handrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in
stand N staat.
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand R in
stand D zet.
G020237
G027997
N – Vrijstand
U kunt de keuzehendel altijd ongehinderd heen
en weer halen tussen de standen N en D. Om
de hendel in een van de overige standen te
zetten, moet u een blokkering opheffen door
op de blokkeerknop op de keuzehendel te
drukken.
06
Wanneer u de blokkeerknop indrukt, kunt u de
hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
standen N, R en P.
N.B.
U moet het rempedaal bedienen om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen.
151
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Handmatige schakelstanden
Tijdens het rijden
Handmatig schakelen kan op elk moment tijdens het rijden geactiveerd worden. De ingeschakelde versnelling is geblokkeerd, totdat u
een andere versnelling kiest.
G026990
Als u de keuzehendel naar de – (min) beweegt,
schakelt de versnellingsbak automatisch een
versnelling terug en wordt er tegelijkertijd op de
motor afgeremd als u het gaspedaal loslaat.
Als u de keuzehendel naar de + (plus) beweegt,
schakelt de versnellingsbak een versnelling op.
De 3 e versnelling is de hoogste versnelling die
u bij het wegrijden kunt inschakelen.
W – Winterprogramma
06
Om van de automatische rijstand D naar een
handmatige stand over te schakelen, moet u
de keuzehendel in stand M zetten. Om van
stand M naar de automatische rijstand D over
te schakelen, moet u de keuzehendel in stand
D zetten.
Bij de vijftraps automaat zijn de 3e, 4e en 5e1
versnelling voorzien van lock-up (geblokkeerde versnellingen) om beter op de motor te
kunnen afremmen en het brandstofverbruik te
verlagen.
Druk op de knop W om het winterprogramma in en uit te schakelen.
Wanneer het winterprogramma
ingeschakeld is, brandt het lampje
W op het instrumentenpaneel.
In het winterprogramma geldt de 3e versnelling
als wegrijversnelling om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen komen. In het winterprogramma worden de lagere versnellingen alleen
bij kickdown ingeschakeld.
U kunt het programma W altijd inschakelen
ongeacht de stand van de keuzehendel. Het
1
152
Bij de zestraps automaat zijn ook de 2e en 6e versnelling voorzien van lock-up.
programma werkt echter alleen, wanneer de
keuzehendel in stand D staat.
Koude start
Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk dat
het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt omdat
de versnellingsbakolie bij lagere temperaturen
stroperiger wordt. Wanneer u bij lage temperaturen wegrijdt, schakelt de versnellingsbak
later op dan normaal om de uitstoot van uitlaatgassen te beperken.
N.B.
Afhankelijk van de motortemperatuur tijdens de start is het mogelijk dat het motortoerental van bepaalde motortypen na een
koude start iets hoger is dan normaal.
Adaptief systeem
De versnellingsbak wordt afgeregeld aan de
hand van een zogeheten adaptief schakelsysteem dat voortdurend “leert” hoe de versnellingsbak zich gedraagt. Het systeem registreert
de manier waarop de versnellingsbak schakelt,
zodat er in elke situatie optimaal wordt geschakeld.
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Lock-upfunctie
Beveiligingssystemen
De versnellingen zijn voorzien van lock-up
(geblokkeerde versnellingen) om beter op de
motor te kunnen afremmen en het brandstofverbruik te verlagen.
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveiligingssystemen:
Sleutelblokkering, Keylock
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
De keuzehendel moet in stand P staan om de
transpondersleutel te kunnen uitnemen. In alle
andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Parkeerstand (stand P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
–
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Om overtoeren te voorkomen, is het stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien van
een terugschakelblokkering waardoor de
zogeheten kickdown niet mogelijk is.
06
Kickdown is niet mogelijk in een handmatige
schakelstand.
153
06 Starten en rijden
Vierwielaandrijving*
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel
Drive)
De vierwielaandrijving is permanent ingeschakeld.
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven. Het
motorkoppel wordt automatisch over de vooren achterwielen verdeeld. Een elektronisch
gestuurd koppelingssysteem verdeelt het vermogen over het wielpaar dat op dat moment
de beste grip op het wegdek heeft. Dit om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin te
voorkomen.
Bij normaal rijden worden de voorwielen naar
verhouding iets sterker aangedreven dan de
achterwielen.
Vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
06
154
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Starten en rijden
Remsysteem
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een uitgeschakelde motor, moet u ongeveer vijfmaal
zoveel druk uitoefenen op het rempedaal als
wanneer de motor loopt. Als u bij het starten
van de motor op het rempedaal trapt, kan het
rempedaal iets omlaagkomen. Dit is volkomen
normaal omdat de rembekrachtiging geactiveerd wordt. Bij een auto met EBA (Emergency
Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te
merken zijn.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
N.B.
Als geremd moet worden met een uitgeschakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal – dus niet pompen.
Remkringen
Het nevenstaande lampje licht op,
wanneer er een remkring defect is.
Als er een storing in een van de
remkringen optreedt, is remmen
nog steeds mogelijk. U moet het rempedaal
echter verder intrappen en het pedaal kan minder stug aanvoelen. U moet harder op het
pedaal trappen om de normale remkracht te
verkrijgen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat. Daardoor kunnen de wrijvingseigenschappen van
de remblokken gewijzigd worden, zodat u een
bepaalde verlenging van de aanspreekduur
van de remmen kunt merken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de remblokken waardoor het vocht verdampt. Deze
procedure is ook aan te raden voordat u de
auto voor langere tijd in dergelijke weersomstandigheden parkeert.
Als de remmen zwaar belast worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met vergelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als u niet
bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandigheden vaak laag is, worden de remmen niet even
goed gekoeld als bij snelle ritten op vlakke
wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugschakelen
dan het rempedaal gebruiken. Gebruik
dezelfde versnelling die u zou gebruiken wanneer u een helling oprijdt. Op die manier kunt u
beter op de motor afremmen en hoeft u de rem
slechts korte tijd te gebruiken.
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
06
Antiblokkeerremsysteem (ABS)
Het ABS (Anti-lock Braking System) voorkomt dat de wielen tijdens het remmen geblokkeerd
raken.
Zo blijft de auto bestuurbaar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is om obstakels te ontwijken.
155
06 Starten en rijden
Remsysteem
Wanneer u na het starten van de motor wegrijdt
en een snelheid van ca. 20 km/hhebt bereikt,
gaat er een korte zelftest van het ABS van start.
Dit kunt u zowel horen als voelen aan de pulsaties in het rempedaal.
Om het ABS maximaal te benutten:
1. Trap zo hard. Mogelijk op het rempedaal
(er zijn pulsaties voelbaar).
2. Stuur de auto in de rijrichting. Blijf druk op
het rempedaal uitoefenen.
Aarzel niet om op een terrein zonder verkeer te
testen hoe het ABS in verschillende weersomstandigheden reageert.
Het waarschuwingslampje voor ABS licht twee
seconden op, als er de vorige keer dat de
motor liep een storing in het ABS is opgetreden.
06
Elektronische remkrachtverdeling,
EBD
Het EBD-systeem (Electronic Brakeforce Distribution) vormt een geïntegreerd onderdeel
van het ABS-systeem. Het EBD-systeem regelt
de remkracht op de achterwielen altijd dusdanig af dat de maximale remwerking wordt verkregen. Wanneer het systeem de remkracht
afregelt, treden er merkbare pulsaties in het
rempedaal op.
156
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
kan er een storing in de remkrachtverdeling
zijn opgetreden. Als het remvloeistofpeil in
dat geval in orde is, moet u de auto voorzichtig naar de dichtstbijzijnde werkplaats
rijden om het remsysteem te laten controleren – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Remkrachtverhoging, EBA
Het EBA (Emergency Brake Assistance) is dusdanig geconstrueerd dat u, wanneer u krachtig
moet remmen, altijd meteen het maximale remvermogen kunt afnemen. Het systeem registreert het moment waarop u krachtig wilt
afremmen door de snelheid te meten waarmee
u het rempedaal bedient. Blijf remmen zonder
het rempedaal los te laten. De regeling wordt
uitgeschakeld, wanneer u het rempedaal loslaat. Het systeem is altijd actief. U kunt het dan
ook niet uitschakelen.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregeling*
Algemene informatie
Beperkte functie
Bediening
1. Draai aan het duimwiel (1) totdat het menu
DSTC wordt geopend.
De stabiliteits- en tractieregeling DSTC
(Dynamic Stability and Traction Control) verbetert de aandrijving van de auto en helpt de
bestuurder om slippen te voorkomen.
DSTC AAN betekent dat de werking van
het systeem ongewijzigd is.
Bij een ingreep van het systeem kunnen er
merkbare pulsaties optreden in het rem- of
gaspedaal. Tijdens het gas geven kan de auto
langzamer optrekken dan u verwacht.
DSTC SPIN CONTROL UIT betekent dat
er beperkingen gelden voor de werking van
het systeem.
G028511
Antislipregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Duimwiel
Antispinregeling
RESET-knop
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en u
gas geeft.
Het systeem grijpt bij doorslippende wielen
dan later in, zodat er een hogere mate van
doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere
bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden. De
aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt eveneens verbeterd, omdat er dan geen
beperkingen meer gelden voor de te geven
hoeveelheid gas.
2. Houd RESET (2) ingedrukt totdat het menu
zich wijzigt.
Er blijven beperkingen gelden voor het systeem, totdat u de motor afzet – de volgende keer dat u de motor start, staat het
DSTC weer in de normale stand.
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
06
N.B.
DSTC AAN verschijnt iedere keer dat u de
motor start enkele seconden op het display.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregeling*
Displaymeldingen
Het lampje brandt continu
ANTI-SKID TIJDELIJK UIT geeft aan dat de
functie van de regeling tijdelijk beperkt is
wegens een te hoge remtemperatuur.
Op het display staat ondertussen ANTI-SKID
SERVICE VEREIST .
–
Het systeem wordt automatisch opnieuw
ingeschakeld, wanneer de remmen weer
voldoende zijn afgekoeld.
ANTI-SKID SERVICE VEREIST betekent dat
het systeem wegens een storing werd uitgeschakeld.
–
06
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
> Als de melding een volgende keer dat u
motor start opnieuw verschijnt – rijd de
auto dan naar een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Symbolen op instrumentenpaneel
DSTC-systeem
• Geeft aan dat er sprake is van een storing
in het DSTC-systeem.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
• Als het waarschuwingslampje dooft, was
er geen sprake van een werkelijke storing.
U hoeft dan geen bezoek aan een werkplaats te brengen.
• Als het waarschuwingslampje blijft branden dient een werkplaats het systeem te
controleren – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Het oranje lampje brandt continu
Waarschuwingslampje
Op het display staat ondertussen
TRACTIECONTROLE
TIJDELIJK UIT.
• Geeft aan dat de functie van de regeling
Het lampje licht bij het starten van de
motor op om na ca. 2 seconden weer te
doven
• Geeft aan dat de systeemtest loopt.
Het lampje knippert
• Geeft aan het systeem actief is.
158
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
tijdelijk beperkt is wegens een te hoge remtemperatuur.
De regeling wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remtemperatuur weer
normaal is.
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
DSTC-systeem voor een betere wegligging.
Dit mag echter voor u geen reden zijn om
sneller te gaan rijden.
Wees altijd gepast voorzichtig in bochten en
op gladde wegen.
06 Starten en rijden
Park Assist*
Algemene informatie1
Varianten
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
• Park Assist aan de achterzijde
• Park Assist aan de voor- en achterzijde
Functie
Het systeem wordt bij het starten van de motor
automatisch ingeschakeld. Daarbij gaat het
lampje branden in de knop voor Park Assist op
het schakelaarpaneel.
Parkeerhulp voor- en achterzijde.
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen geven de
afstand tot een waargenomen obstakel aan.
WAARSCHUWING
Hoewel de Hulp bij parkeren handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij
eventuele fouten. Wanneer er obstakels in
de dode hoeken van de sensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
1
nen deze afstand liggen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linkeren rechterzijde.
Park Assist achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. Park Assist aan de achterzijde wordt
geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling. De geluidssignalen komen uit de
luidsprekers achterin.
Op het display verschijnt de melding
PARK.HULP ACTIEF, als u de achteruitversnelling inschakelt of als de voorste sensoren
een obstakel registreren.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager op
de trekhaak moet u het systeem uitschakelen.
Als u dat niet doet, reageren de sensoren op
de aanhanger of fietsdrager.
De Park Assist is actief bij snelheden tot
15 km/h. Bij hogere snelheden wordt het systeem gedeactiveerd. Het systeem wordt
opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan
10 km/h.
Park Assist aan de achterzijde wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger
achter de auto hebt hangen die met een originele aanhangerkabel van Volvo aangesloten is.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, hoe sneller de geluidssignalen elkaar opvolgen. Wanneer u ondertussen een
andere geluidsbron van het audiosysteem
beluistert, wordt het volume daarvan tijdelijk
verlaagd.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het
geluidssignaal uit een ononderbroken toon. Als
er zowel voor als achter de auto obstakels bin-
06
Park Assist aan de voorzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen komen uit de luidspreker voorin.
Het is niet mogelijk Park Assist te combineren
met verstralers, omdat de sensoren op de verstralers reageren.
Afhankelijk van de markt is Park Assist een standaardfunctie, optie of accessoire.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
06 Starten en rijden
Park Assist*
Aanduiding voor systeemstoringen
Sensoren schoonmaken
Aan/Uit
Als het informatiesymbool continu
brandt en op het display de melding PARK.HULP SERVICE
VEREIST verschijnt, dan is Park
Assist defect.
06
G026946
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen e.d.
G027104
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan de parkeerhulp ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door externe
geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van dezelfde frequentie als de sensoren van het systeem.
De positie van de knop binnen de rij kan variëren.
Sensoren voor Park Assist.
U kunt Park Assist uitschakelen met de knop
op het schakelaarpaneel, waarna het lampje in
de knop dooft. Park Assist wordt weer ingeschakeld, wanneer u nogmaals op de knop
drukt waarna het lampje gaat branden.
De sensoren werken alleen naar behoren, wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water
en autoshampoo.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
160
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
Algemene informatie
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder in bepaalde omstandigheden waarschuwt,
wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
Dode hoeken
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
BLIS is gebaseerd op digitale cameratechniek.
De camera’s (1) zitten onder de buitenspiegels.
G020295
Wanneer een camera een voertuig heeft waargenomen in de dode hoek, licht een controlelampje (2) op dat continu blijft branden.
Buitenspiegel met BLIS-systeem.
BLIS-camera
Controlelampje
N.B.
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden.
Dode hoeken die de BLIS-camera’s in de gaten
houden.
Afstand A = ca. 3,0 m
Afstand B = ca. 9,5 m
BLIS-symbool
WAARSCHUWING
Het systeem vormt een aanvulling op – geen
vervanging voor – een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige
manier van rijstrook wordt gewisseld.
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een melding op het display van het informatiepaneel.
Controleer de cameralenzen in dat geval en
maak ze zo nodig schoon. U kunt het systeem
tijdelijk uitschakelen met een druk op de knop
BLIS, zie pagina 162.
06
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van
de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een
vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig
schoon om krassen te voorkomen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
161
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
Wanneer BLIS werkt
Het systeem is alleen actief bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Inhalen
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is
dan 10 km/h.
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het inhalende voertuig kleiner is
dan 70 km/h.
06
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan het
zicht ontnemen op andere voertuigen op
aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
Daglicht en donker
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het sys-
162
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
teem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
Activeren/deactiveren
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een voertuig de koplampen niet heeft ontstoken, zal het
systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger achter
een auto of vrachtwagen, omdat daar geen
brandende koplampen op zitten.
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer
dezelfde beperkingen als het menselijk oog.
Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval, fel tegenlicht en
dichte mist.
G026955
BELANGRIJK
Knop voor activering/deactivering.
BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
U kunt het systeem deactiveren/heractiveren
door op BLIS te drukken.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het BLIS
gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien
een displaymelding op het instrumentenpaneel.
Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje
in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes in de
portieren driemaal op. Druk op de knop
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
READ om de displaymelding te laten verdwijnen. Voor meer informatie over de meldingsfuncties, zie pagina 61.
Systeemmeldingen BLIS
DisplaymeldingA
Betekenis
BLINDE-HOEKINFO. SYSTEEM
AAN
BLIS-systeem geactiveerd.
BLINDE-HOEKSYST. SERVICE
VEREIST
BLIS werkt niet –
neem contact op
met een werkplaats.
BLINDE-HOEKSYST. FUNCTIE
BEPERKT
Beperkte gegevensoverdracht tussen
de camera van het
BLIS en het elektrische systeem van
de auto.
De camera wordt
automatisch gereset, wanneer de
gegevensoverdracht tussen de
camera van het BLIS
en het elektrische
systeem van de auto
weer normaal wordt.
A
DisplaymeldingA
Betekenis
BLINDE-HOEKSYST. R CAMERA
GEBLOK.
Rechter camera
afgedekt - reinig de
lens.
BLINDE-HOEKSYST. L CAMERA
GEBLOK.
Linker camera afgedekt - maak de lens
schoon.
BLINDE-HOEKSYST. CAMERA'S
GEBLOK.
Een of meer
camera’s – maak de
lenzen schoon.
BLINDE-HOEKINFO. SYSTEEM
UIT
BLIS-systeem uitgeschakeld.
Er verschijnen alleen meldingen, als de transpondersleutel in
sleutelstand II staat (of als de motor loopt) en BLIS actief is
(de bestuurder heeft het systeem niet gedeactiveerd).
Beperkingen
Soms kan het controlelampje voor BLIS oplichten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken
kunt waarnemen.
N.B.
Als het BLIS-controlelampje zo nu en dan
gaat branden terwijl er geen ander voertuig
in de dode hoek aanwezig is, betekent dit
niet dat er een storing is opgetreden in het
systeem.
Bij een storing in het BLIS-systeem toont
het display de tekst BLINDE-HOEKSYST.
SERVICE VEREIST.
Hier volgen enkele afbeeldingen van situaties
waarin het controlelampje voor BLIS kan gaan
branden, hoewel er zich geen voertuigen in de
dode hoek bevinden.
06
BELANGRIJK
Laat reparaties aan de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Reflecties op een glad en nat wegdek.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
163
06 Starten en rijden
G018177
BLIS (Blind Spot Information System)*
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen.
Laag staande zon in de camera.
06
164
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Starten met hulpaccu
WAARSCHUWING
Gebruik een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden
gestart. Probeer de motor niet aan te slepen,
zie pagina 167.
Het stuurslot blijft in de stand staan die gold
bij het verbreken van de spanning. Het
stuurslot moet worden opgeheven, voordat
u de auto sleept.
De transpondersleutel moet in sleutelstand
II staan. Neem de transpondersleutel nooit
tijdens het rijden uit het contactslot, ook niet
als de auto gesleept wordt.
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
WAARSCHUWING
Slepen
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
Sleep de auto altijd met de voorkant van de
auto in de rijrichting.
1. Zorg ervoor dat de contactsleutel in stand
I staat, zodat het stuurslot niet werkt en de
auto bestuurbaar is
Automatische versnellingsbak
2. Voor de auto die sleept geldt: Rijd rustig.
De snelheidslimiet voor het wegslepen van een
auto met automatische versnellingsbak is
80 km/h. U mag de auto over een afstand van
maximaal 80 km verslepen.
–
Zet de keuzehendel in stand N en los de
handrem.
Sleepoog
Voordat u gaat slepen moet het sleepoog in de
bumper vastgeschroefd worden. De uitsparing
en afdekking voor het sleepoog zitten aan de
rechterzijde van de voor- en achterbumper.
06
G028528
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor slepen.
Voor de auto die wordt gesleept geldt:
Houd om schokken te voorkomen de
sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen.
Het sleepoog vindt u in de gereedschapstas in
de bagageruimte.
Doe het volgende:
1. Maak de onderkant van de afdekking (A)
los met een schroevendraaier of een muntstuk.
2. Schroef het sleepoog (B) vast.
165
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
3. Schroef het sleepoog tot aan de flens vast
(C). Maak bij voorkeur gebruik van de wielsleutel.
• Draai het sleepoog na gebruik los en plaats
het afdekkapje terug.
BELANGRIJK
Wanneer de afneembare trekhaak gemonteerd is, kunt u het sleepoog niet aanbrengen in de achterste bevestiging. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak. Om
die reden wordt geadviseerd de afneembare trekhaak in de auto te bewaren, wanneer u de trekhaak niet nodig hebt.
Bergen
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
06
BELANGRIJK
•
166
Voor auto’s met vierwielaandrijving
(AWD) gelden, bij het bergen met een
geheven vooras, zowel een maximale
snelheid van 70 km/h als een maximale
afstand van 50 km.
WAARSCHUWING
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging. Roep professionele hulp in voor berging.
06 Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Starten met een hulpaccu
3. Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de beide
auto’s elkaar niet raken.
9. Start de motor van de “hulpauto” en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
ca. 1500 omw/min.
4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
10. Start de motor in de auto met de uitgeputte
accu.
BELANGRIJK
G030860
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
Hoewel de startaccu achter in de auto gemonteerd
is (zie pagina 225), zitten er ook aansluitpunten in
de motorruimte.
Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto
starten met stroom van een hulpaccu.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan te
houden om kortsluiting en andere schade te
voorkomen:
1. Draai de transpondersleutel naar sleutelstand 0.
2. Controleer of de hulpaccu een spanning
van 12 V levert.
5. Bevestig de andere klem van de rode startkabel aan de pluspool (2) van de auto.
> U dient eerst de veerbelaste afdekking
op de extra pluspool van de auto
omhoog te klappen!
6. Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar voor
vonkvorming.
11. Verwijder de startkabels in omgekeerde
volgorde - eerst de zwarte kabel en daarna
de rode.
> Zorg dat geen van de aansluitklemmen
aan de zwarte startkabel contact kan
maken met de pluspool van de accu of
met de aangesloten klem van de rode
startkabel!
06
7. Bevestig de andere klem aan een massapunt, bijv. een van de hijsogen (4) op de
motor.
8. Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat er tijdens de startpoging vonken
ontstaan.
167
06 Starten en rijden
Starten met hulpaccu
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan om
de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water
spoelen. Neem onmiddellijk contact op
met een arts, als u accuzuur in uw ogen
krijgt.
Zie voor meer informatie over de startaccu van
de auto, zie pagina 224.
06
168
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 294.
Als de trekhaak in een erkende Volvo-werkplaats wordt gemonteerd, is de auto bij aanlevering voorzien van de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
• De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
• Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om
te controleren of uw auto van de nodige
uitrusting is voorzien om met een aanhanger te kunnen rijden.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
• Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
de positie van de bandenspanningstabel,
zie pagina 188.
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
• Om veiligheidsredenen dient u de toelaatbare maximumsnelheid voor auto’s met
een aanhanger/caravan niet te overschrijden. Neem de geldende bepalingen in acht
ten aanzien van de toelaatbare snelheden
en gewichten.
N.B.
De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald.
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht
van de auto.
Automatische versnellingsbak
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten die Volvo hanteert, zie
pagina 294.
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
N.B.
Sommige modellen moeten worden uitgerust met een oliekoeler voor de automatische versnellingsbak om gebruik te maken
van een aanhanger. Informeer dan ook bij
de dichtstbijzijnde Volvo-dealer naar wat er
voor uw auto geldt, als u achteraf een trekhaak monteert.
06
Oververhitting
Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept
in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk
gevaar voor oververhitting.
• Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
• Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
169
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
• Een automatische versnellingsbak kiest
altijd de juiste versnelling voor het motortoerental.
• Bij gevaar voor oververhitting gaat een
oranje informatielampje op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een displaymelding – volg het gegeven advies.
• Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de handrem.
• Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
Op een helling wegrijden
1. Trap het rempedaal in.
Steile hellingen
• Blokkeer een automatische versnellingsbak niet met een hogere versnelling dan de
motor “aankan” – rijden in een hoge versnelling bij een laag motortoerental is niet
altijd zuinig.
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
• Vermijd hellingen met een percentage van
06
meer dan 12 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Op een helling parkeren
1. Trap het rempedaal in.
2. Activeer de handrem.
3. Zet de keuzehendel in stand P.
4. Haal uw voet van het rempedaal.
170
2. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
3. Los de handrem.
4. Haal uw voet van het rempedaal en rijd
weg.
Niveauregeling
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling, neemt de achtertrein van de
auto tijdens het rijden altijd de juiste rijhoogte
aan, ongeacht de belading. Wanneer de auto
stilstaat, zakt de achtertrein omlaag. Dit is volkomen normaal. Bij het wegrijden met lading
wordt het niveau na enige tijd rijden naar boven
toe bijgesteld.
06 Starten en rijden
Trekhaak*
Trekhaak
Aanhangerkabel
Trekhaak opbergen
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, dienen de montagevoorschriften
voor het bevestigen van het afneembare
gedeelte zorgvuldig te worden opgevolgd, zie
pagina 173.
WAARSCHUWING
Volg de montage-instructies nauwkeurig op.
•
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u
begint te rijden.
•
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Belangrijke controlepunten
•
U moet de kogel van de trekhaak regelmatig schoonmaken en met vet insmeren.
Opbergruimte trekhaak.
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd de trekhaak los en
berg deze op de daarvoor bestemde plaats
op, goed vastgezet met de bijbehorende
riem.
G014589
•
G031114
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een 7polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
06
N.B.
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper
gebruikt, hoeft de kogel niet te worden ingevet.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
171
06 Starten en rijden
Trekhaak*
G027109
G026682
G027108
Specificaties
Afmetingen voor bevestigingspunten (mm)
06
172
Vaste of afneembare trekhaak
A
B
C
D
E
F
G
1110
85
1081
541
122
50
354
1
Langsligger
2
Middelpunt kogel
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
1. Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
recht naar achteren te trekken
.
2. Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
G020302
G020301
G017317
Trekhaak monteren
3. Controleer of het controlevenster (3) rood
van kleur is. Als het venster niet rood van
kleur is, moet u (1) indrukken en de borgknop linksom (2) draaien totdat u een klik
hoort.
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
173
06 Starten en rijden
4. Breng de trekhaak aan en duw deze naar
binnen totdat u een klik hoort.
06
174
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5. Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
G020307
G020306
G020304
Afneembare trekhaak*
6. Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
7. Controleer of de trekhaak vastzit door deze
stevig omhoog, omlaag en naar achteren
te bewegen.
WAARSCHUWING
Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze
verwijderen en opnieuw monteren zoals
eerder werd beschreven.
G020301
G020310
G020309
Trekhaak verwijderen
8. Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
1. Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
06
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst; houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
175
06 Starten en rijden
2. Druk de vergrendelingsknop (1) in en draai
deze linksom (2) totdat u een klik hoort.
06
3. Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u de
trekhaak schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
WAARSCHUWING
Zet de trekhaak goed vast, wanneer u deze
in de auto bewaart, zie pagina 171.
176
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G017318
G020314
G020312
Afneembare trekhaak*
4. Duw de afdekking erop.
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
Breng de afplaktape in positie aan ten opzichte
van de stip (5) in het koplampglas. Deze stip
moet overeenkomen met de rode stip op de
mal. De lange rode lijn op de afbeeldingen
komt overeen met de lijn in het koplampglas
ten opzichte waarvan u de mal moet inpassen.
Meet de mallen na het overtrekken ter controle
nog eens op om te zorgen dat de lichtbundel
voldoende wordt afgedekt.
G020317
De mallen kunnen worden gebruikt voor
modellen met het stuur links of rechts en moeten worden aangebracht zoals aangegeven op
de afbeelding.
Lichtbundel voor linksrijdend verkeer.
De bovenste afbeelding geeft de positie op een
model met het stuur links aan. De onderste
afbeelding geeft de positie op een model met
het stuur rechts aan.
Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
U kunt de lichtbundel van de koplampen
afplakken om te voorkomen dat u tegenliggers
verblindt. Daarbij wordt de lichtopbrengst iets
lager.
Koplampen afplakken
Trek de mallen over, zie pagina 180. Knip een
stuk zelfklevend en watervast materiaal zoals
ondoorzichtige tape langs de randen van de
mallen uit.
Halogeenkoplampen
Xenonkoplampen
Trek mal 3 en 4 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een stuk
zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Breng de mallen dusdanig aan dat de pijlen
naar het midden van de auto wijzen en dat de
stippen op de mallen overeenkomen met de
stippen op de koplampglazen. Pas de merkjes
> < op de mallen in ten opzichte van de lijn op
het koplampglas.
Referentiematen mal 3
De lijn tussen de merkjes > < en op de mallen
moet ca. 140 mm lang zijn.
Referentiematen mal 4
De lijn tussen de merkjes > < en op de mallen
moet ca. 112 mm lang zijn.
Lichtbundel aanpassen bij actieve xenonkoplampen (ABL), zie pagina 64.
06
Trek mal 1 en 2 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een stuk
zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Breng de mallen dusdanig aan dat de pijlen
naar het midden van de auto wijzen en dat de
stippen op de mallen overeenkomen met de
stippen op de koplampglazen.
Referentiematen mal 1 en 2
De lange kant van de mallen moet ca. 82 mm
lang zijn.
``
177
06 Starten en rijden
G030200
Lichtbundel aanpassen
Auto met stuur links afgeplakt voor linksrijdend verkeer.
Maskering op glas rechter halogeenkoplamp
Maskering op glas linker halogeenkoplamp
06
Maskering op rechter xenonkoplamp
Maskering op linker xenonkoplamp
Referentiepunt op koplampglas.
178
06 Starten en rijden
G030201
Lichtbundel aanpassen
Auto met stuur rechts afgeplakt voor rechtsrijdend
verkeer.
Maskering op glas linker halogeenkoplamp
Maskering op glas rechter halogeenkoplamp
06
Maskering op linker xenonkoplamp
Maskering op rechter xenonkoplamp
Referentiepunt op koplampglas.
``
179
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
06
Afplakmallen.
180
06 Starten en rijden
06
181
Algemene informatie.............................................................................
Bandenspanning...................................................................................
Gevarendriehoek* en reservewiel*........................................................
Wielen verwisselen................................................................................
Noodreparatie banden* ........................................................................
182
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
184
188
189
192
195
WIELEN EN BANDEN
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen en banden
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van de
auto.
Let er bij het verwisselen van banden op dat de
nieuwe banden op alle vier de wielen van hetzelfde type zijn, dezelfde afmetingen hebben
en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbevolen bandenspanning aan die in de bandenspanningstabel staat, zie pagina 304.
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding:
235/60R18 103 V.
235
Breedte van de band (mm)
60
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
07
R
Aanduiding voor radiaalbanden
18
Velgdiameter van de band (")
103
Aanduiding van het draagvermogen van de band (in dit geval
615 kg)
V
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval
240 km/h).
Snelheidsklassen
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto. De enige uitzondering daarop vormt
het gebruik van winterbanden (zowel banden
met als zonder “spikes”). Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van
160 km/h).
Q
160 km/h (alleen
voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
Nieuwe banden
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en niet
de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de maximumsnelheid is.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden
hard en neemt de grip op het wegdek stukje bij
184
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken wordt, als banden zelden of nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de
band worden aangetast. In dit geval dient u de
band niet meer te gebruiken.Dit geldt ook voor
reservebanden, winterbanden en banden die u
voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is
voor gebruik.
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
Gelijkmatige slijtage en onderhoud
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 304. De rijstijl, de
bandenspanning, het klimaat en de staat van
de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de
voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit
en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in de slijtage (>1 mm verschil in profieldiepte) van de banden, dienen de minst versleten banden altijd op de achteras te zitten.
Slippende voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende achterwielen, omdat de
auto rechtuit blijft rijden in plaats van uit te breken met de achterkant waarbij u mogelijk de
controle over de auto verliest. Daarom is
belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de
voorwielen grip verliezen.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Banden met slijtage-indicatoren
G020323
beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt
in het bijzonder voor winterbanden. De laatste
cijfers van de cijferreeks geven de week en het
jaar van productie aan. Het is de zogeheten
DOT-code (Department of Transportation) van
de band en bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld
1510. De band op de afbeelding is de 15e week
van het jaar 2010 geproduceerd.
Slijtage-indicatoren.
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de band staan. De letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant
van de band geven aan dat een band is uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van het
profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
07
``
185
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Winterbanden
Sneeuwkettingen
Volvo raadt winterbanden met bepaalde winterbandenmaten aan. De bandenmaat is
afhankelijk van de motorvariant. Gebruik altijd
het juiste type winterbanden op alle vier de
wielen.
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen. Dit geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving.
N.B.
Neem contact op met een Volvo-dealer voor
advies over de beste soort velgen en banden.
Zomer- en winterbanden
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. Controleer of
de sneeuwketting nergens tegenaan komt en
goed omgelegd en aangespannen is.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
N.B.
07
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom wordt geadviseerd een
minimale profieldiepte van vier mm aan te houden voor winterbanden.
186
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of
vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen. Bij twijfel adviseert Volvo u
een erkende Volvo-werkplaats om advies te
vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan
ernstige schade aan de auto veroorzaken en
aanleiding geven tot een ongeluk.
G020325
WAARSCHUWING
De pijl geeft de draairichting van de band aan
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, zie pagina 192,
moet u op de banden noteren waar ze zaten:
bijvoorbeeld L voor links, R voor rechts. Bij
banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band. Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van
voor naar achter verwisseld worden, nooit van
links naar rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de remeigenschappen van de auto af en kunnen de banden
07 Wielen en banden
Algemene informatie
regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren.
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen).
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte.
07
187
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Aanbevolen bandenspanning
Bandenspanning controleren
Controleer regelmatig de bandenspanning.
N.B.
G020791
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
In de bandenspanningstabel voor op de portierstijl aan de bestuurderszijde staat de juiste
bandenspanning voor uw auto aangegeven bij
verschillende belading en snelheid.
Op de sticker staan:
• Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
07
• ECO-bandenspanning1
• Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare).
1
188
De ECO-bandenspanning levert brandstofbesparing op.
Al na enkele kilometers rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. Laat
daarom geen lucht uit de banden ontsnappen
als u de spanning controleert bij warme banden. Als de spanning bij warme banden echter
te laag is, moet u de band harder oppompen.
Onvoldoende opgepompte banden hebben
een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met
een te lage bandenspanning rijdt, kunnen de
banden oververhit raken en kapotgaan.
Voor informatie over de juiste bandenspanning, zie pagina 304. De aangegeven bandenspanning geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur).
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de stuureigenschappen en de geproduceerde weggeluiden.
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel*
Gevarendriehoek
Doe het volgende na gebruik:
–
Berg de onderdelen in de omgekeerde
volgorde weer op.
BELANGRIJK
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
Zorg dat de opberghoes met de gevarendriehoek goed vastzit in de bagageruimte.
G027065
Compact reservewiel (Temporary
Spare)*
Houdt u zich aan de bepalingen die gelden
voor het gebruik van een gevarendriehoek* in
uw land.
Gebruik de gevarendriehoek als volgt:
1. Haal de opberghoes met de gevarendriehoek los. De hoes zit met klittenband vast.
2. Haal de gevarendriehoek uit de hoes (A).
3. Klap de vier steunpootjes van de gevarendriehoek uit.
4. Klap de beide rode driehoekszijden uit. Zet
de gevarendriehoek op een passend punt
achter de auto op om achteropkomend
verkeer tijdig te waarschuwen.
Een compact reservewiel (Temporary Spare) is
alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en dient
dan ook zo spoedig mogelijk door een normaal
wiel te worden vervangen. Het rijgedrag van de
auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een
compact reservewiel. Het compacte reservewiel is kleiner dan een normaal wiel. De bodemspeling verandert er daarom door. Wees voorzichtig bij hoge trottoirbanden en reinig de auto
niet in een autowasstraat. Als het reservewiel
op de vooras zit, kunt u evenmin sneeuwkettingen omleggen. Bij vierwielaangedreven
auto’s is de achterwielaandrijving uit te schakelen. Het reservewiel mag niet worden gerepareerd. In de bandenspanningstabel, zie
pagina 304, staat de juiste bandenspanning
voor het reservewiel.
07
BELANGRIJK
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik
van een compact reservewiel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
189
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel*
Reservewiel tevoorschijn halen
Het reservewiel zit onder de auto. De krik*, de
gereedschapstas* en de slingerdelen vindt u
onder het vloerluik. De slinger bestaat uit twee
delen. Het ene deel zit bij de gevarendriehoek,
terwijl het andere deel in de gereedschapstas
opgeborgen is.
07
N.B.
In de gereedschapstas zit een speciale sleutel om de naafdop te verwijderen (bepaalde
wielopties).
De positie van de krik hangt af van het aantal
zitplaatsen:
Zevenzitter
Vijfzitter
Maak het reservewiel als volgt los:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
De kabel kan schade aan de auto toebrengen, als deze tijdens het rijden loshangt.
1. Klap het onderste gedeelte van de achterklep omlaag en til het vloerluik in de bagageruimte op.
5. Haal het wiel van de kabel af en draai de
kabel rechtsom omhoog met de slinger.
2. Haal de twee delen van de slinger tevoorschijn en monteer ze.
6. Leg de lekke band in de bagageruimte. U
vindt een plastic zak in de gereedschapstas om de band in op te bergen.
3. Steek de slinger in de lier.
190
4. Laat het wiel zakken door de slinger tot aan
de aanslag linksom te draaien.
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel*
N.B.
De reservewielruimte onder de auto is uitsluitend bestemd voor het originele reservewiel. U kunt er dan ook geen andere merken reservewielen aanbrengen.
Reservewiel terugplaatsen
Het is het handigst als iemand u helpt bij het
terugplaatsen van het reservewiel. Eén van uw
beiden draait aan de slinger, terwijl de ander
het wiel in de juiste richting duwt.
1. Vier de kabel met de slinger en breng de
anker aan het uiteinde van de kabel in het
gat in het midden van de velg aan.
2. Haal de kabel een stukje omhoog door de
slinger langzaam (rechtsom) te draaien.
3. Kantel het reservewiel om het langs de uitlaatpijp te halen.
4. Houd de achterkant van het wiel omlaag,
terwijl u het met de slinger omhooghaalt.
5. Breng het wiel boven op de achteras,
tegen de vloerplaat aan.
6. Draai de slinger tot aan de aanslag
rechtsom.
7. Controleer of het wiel stevig vastzit.
WAARSCHUWING
Controleer of u gebruik maakt van de juiste
steunpunten. Tussen de kriksteunpunten
op de auto is een speciaal kriksteunpunt
voor productiedoeleinden aangebracht dat
voorzien is van een pen. Het steunpunt is
echter niet sterk genoeg om de auto onder
op te krikken. Bij twijfel over de positie van
de verschillende kriksteunpunten adviseert
Volvo u om contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats. Wanneer u de
krik op een verkeerd punt aanbrengt, kan er
schade aan portier en carrosserie ontstaan.
Gereedschap, terugplaatsen
Plaats het gereedschap en de krik* na gebruik
op de juiste manier terug. De krik past alleen
als deze in de juiste opbergstand (zie nevenstaande afbeelding) wordt gezet.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte
wanneer u ze niet nodig hebt.
07
EHBO-set*
Onder de vloer in de bagageruimte ligt een
EHBO-kit.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
191
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen demonteren
WAARSCHUWING
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
N.B.
G026997
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven
op de kriksticker.
Let erop dat u de gevarendriehoek opzet, wanneer u de band moet verwisselen aan de kant
van de weg. Er zitten twee kriksteunpunten aan
weerszijden van de auto. Deze steunpunten
zitten in het midden onder de portieren.
1. Parkeer de auto op een vlakke en stevige
ondergrond.
07
2. Zet de keuzehendel in stand P en zet de
handrem aan.
3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
bijvoorbeeld wielblokken of grote stenen.
192
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Op de sticker staat tevens de maximale hefcapaciteit bij de vermelde minimale hefhoogte.
4. Haal de krik*, de wielsleutel en de slinger
tevoorschijn, zie pagina 190 voor de positie
ervan. Bij gebruik van een andere krik, zie
pagina 213.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder een auto die slechts op
een krik steunt! De auto kan namelijk van de
krik vallen en letsel toebrengen.
Gebruik de krik die bij de auto werd geleverd
alleen voor het verwisselen van banden.
Voor de overige werkzaamheden moet u
gebruik maken van een garagekrik en
steunbokken onder het geheven deel van de
auto aanbrengen.
Zorg dat u schroef van de krik altijd goed
ingevet houdt.
Als de ondergrond te zacht is, kan de krik
opzij wegglijden zodat de auto van de krik
valt. Zorg dat er zich niemand onder de auto
bevindt, wanneer u een band verwisselt.
5. Draai de wielbouten ½–1 slag los met de
wielsleutel. Draai de bouten linksom los.
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt.
WAARSCHUWING
G020332
Wanneer u de auto op het verkeerde punt
opkrikt, kan de auto van de krik vallen. Er
bestaat dan gevaar voor verwondingen!
6. Plaats de krik onder een kriksteunpunt en
breng de krik zo ver omhoog dat deze
tegen de bodemplaat van de auto aankomt. Bij elk steunpunt zit een uitsparing in
de kunststof afdekking. Controleer of u de
krik juist hebt aangebracht onder het kriksteunpunt, voordat u de auto van de grond
krikt. Stel de krik vervolgens dusdanig af
dat de voet van de krik loodrecht onder het
kriksteunpunt van de auto zit. Zie afbeelding.
8. Draai de wielbouten los en verwijder het
wiel.
Wielen monteren
1. Reinig de contactvlakken op het wiel en de
naaf.
2. Breng het wiel aan. Draai de wielbouten
vast.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat de wielen
niet meer ongehinderd kunnen draaien.
4. Draai de wielbouten kruiselings telkens iets
strakker vast. Aanhaalmoment: 140 Nm
(14,0 kpm). Het is belangrijk dat u het juiste
aanhaalmoment aanhoudt. Controleer het
aanhaalmoment dan ook met een
momentsleutel.
5. Schroef de krik weer volledig in elkaar,
voordat u deze in de bagageruimte teruglegt. Bind de krik vervolgens weer vast.
6. Controleer of het nieuwe wiel de juiste bandenspanning heeft.
BELANGRIJK
G027000
De ondergrond dient vast en egaal te zijn en
niet te hellen.
7. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt.
07
N.B.
Dit type wielbout mag ook voor stalen velgen worden gebruikt.
Let erop dat u de juiste soort bouten gebruikt.
Volvo adviseert u bij twijfel contact op te
193
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
nemen met de dichtstbijzijnde Volvo-werkplaats.
07
194
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
N.B.
De krik is optioneel op auto’s met de bandenreparatieset.
12V-aansluitingen voor de compressor zitten
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de bagageruimte/kofferbak.
Gebruik de elektrische aansluiting die het
dichtst bij de lekke band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden vervangen.
Noodreparatieset erbij nemen
Sticker, toegestane maximumsnelheid
De noodreparatieset met compressor en
gereedschap zit onder de vloer in de bagageruimte.
Knop
1. Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
Bushouder (oranje deksel)
2. Til de noodreparatieset op.
De noodreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de set voor noodreparatie te
repareren die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
Overzicht
G020400
Algemene informatie
De noodreparatieset wordt gebruikt om een lek
te dichten alsook om de bandenspanning te
controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren.
De set bestaat uit een compressor en een bus
met afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties uit te voeren. De bus met het afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de
houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens
na het gebruik.
Kabel
Beschermdop
Drukreduceerventiel
07
Luchtslang
Bus met afdichtmiddel
Manometer
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
195
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
Lekke band repareren
3. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Voor het gebruik de verzegeling van de bus
niet verbreken. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
G019723
4. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
Voor informatie over de werking van de onderdelen (zie voorgaande afbeelding).
1. Open het deksel van de noodreparatieset.
2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de sticker op het stuurwiel.
07
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Draai de bus in de bushouder vast.
6. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
7. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
196
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te
bezoeken.
N.B.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30seconden weer dalen.
8. Zet de knop in stand I.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd
een erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen.
11. Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12V-aansluiting.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
in dat geval de rit. Neem contact op met
een Volvo-werkplaats.
4. Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de bandenspanningstabel. Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ventieldopje terug.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het vervangen over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
3. Als de spanning lager is dan 1,3 bar, werd
de band onvoldoende afgedicht. Beëindig
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
7. Volvo adviseert u naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats te rijden om
daar de beschadigde band te laten vervangen/repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er afdichtmiddel in de
band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden vervangen.
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
07
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
6. Leg de noodreparatieset in de kofferbak
terug.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
197
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
WAARSCHUWING
Inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd worden.
3. Sluit de kabel aan op een van de 12V-aansluitingen in de auto en start de motor.
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
Spuitbus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus wanneer de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen
bus als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-ethanol en natuurrubberlatex.
Gevaarlijk bij inwendig gebruik. Kan aanleiding geven tot overgevoeligheid bij huidcontact.
Contact met huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
N.B.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
07
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug.
198
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Geef de bus af bij een inzamelingsstation
voor opslag van KCA.
07 Wielen en banden
07
199
Schoonmaken....................................................................................... 202
Lakschade herstellen............................................................................ 207
Roestwering.......................................................................................... 208
200
VERZORGING
08 Verzorging
Schoonmaken
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Gebruik autoshampoo. Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot corrosie.
• Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan oplopen. Zorg dat de auto op een spoelvloer
met afvoerscheiding staat.
• Spoel het onderstel zorgvuldig schoon.
• Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
• Als het vuil hardnekkig is, kunt u de auto
met een koud ontvettingsmiddel wassen.
• Droog de auto af met een schoon en zacht
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Wisserbladen schoonmaken
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit gaan
wisserbladen minder lang mee.
stuk zeemleer of een trekker.
N.B.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens
het tanken bijvoorbeeld.
08
202
Reinig de wisserbladen en de voorruit regelmatig met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Vogelpoep verwijderen
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de
lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. Een dergelijke verkleuring is alleen te herstellen door de vakman.
Verchroomde velgen
BELANGRIJK
Velgreinigingsmiddelen kunnen vlekken
veroorzaken op verchroomde velgen. Was
de auto met een spons, autoshampoo en
een ruime hoeveelheid lauw water.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er echter
op dat een wasbeurt in een automatische wasstraat nooit een alternatief vormt voor een
gedegen wasbeurt met de hand. Dit omdat de
borstels van de wasstraat niet overal even
goed bij kunnen.
BELANGRIJK
Een nieuwe laklaag is bovendien kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt daarom
geadviseerd de eerste maanden na aankoop van een nieuwe auto deze alleen met
de hand te wassen.
Hogedrukreinigers
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen).
08 Verzorging
Schoonmaken
BELANGRIJK
Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij gebruik
van een hogedrukreiniger: Houd bij het wassen de spuitkop van de hogedrukreiniger
ten minste 30 cm van de carrosserie af.
Spuit niet rechtstreeks in de richting van de
sloten.
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de handrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Zo verwarmt en droogt u de
remblokken. Doe hetzelfde bij zeer vochtig of
koud weer.
Kunststof en rubber exterieuronderdelen
en sieronderdelen
Voor het schoonmaken en onderhouden van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen (zoals glimmende
strips), wordt geadviseerd het speciale reini-
gingsmiddel te gebruiken dat bij de erkende
Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het
gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij gebruik van ontvetters op kunststof en
rubber onderdelen waar nodig alleen voorzichtig wrijven. Gebruik een zachte schoonmaakspons.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende laag beschadigen of verwijderen.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met een teerverwijderaar of met terpentine. U kunt hard-
nekkige vlekken met een speciaal voor autolak
bestemde, fijne schuurpasta (“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op.
Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel
als was.
BELANGRIJK
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling, bescherming, glansverzegeling e.d.
kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade
als gevolg van dergelijke behandelingen valt
niet onder de Volvo-garantie.
Waterafstotende laag*
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak
ontstaan.
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08
203
08 Verzorging
Schoonmaken
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
N.B.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de
eerste keer na drie jaar en daarna ieder jaar.
Interieur reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Maak de bekleding regelmatig schoon
en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het
autoverzorgingsproduct op.
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
Matten en bagageruimte
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen.
Elk van beide inlegmatten zit met pennen vast.
08
204
–
Pak de inlegmat bij elk van beide pennen
vast en til de mat recht omhoog.
Breng de inlegmat aan door deze bij beide
pennen vast te drukken.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat
voor de bestuurdersstoel goed ligt en aan
de pennen vastzit zodat hij niet naast of
onder de pedalen klem kan komen te zitten.
Voor vlekken op de vloermat wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken nadat u hebt gestofzuigd. U dient vloermatten te reinigen met de
door uw Volvo-dealer geadviseerde producten!
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding en hemelbekleding
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is
bij erkende Volvo-werkplaatsen.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en
is behandeld om de bekleding in oorspronkelijke staat te bewaren.
Naarmate leren bekleding ouder wordt, krijgt
het een fraai patina. Het leer wordt veredeld en
bewerkt zodat het zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer is voorzien van een
beschermende toplaag, maar om de goede
eigenschappen en het fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist. Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt
schoonmaken en de beschermende laag kunt
herstellen, mits u de instructies opvolgt. Na
enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt het
leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van de
oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina
maakt deel van het natuurlijke verouderingsproces van het leer en geeft aan dat het om een
natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo eenà viermaal per jaar (zo nodig vaker) beschermende crème op te brengen. De Volvo Leather
Care-set is verkrijgbaar bij de Volvo-dealer.
08 Verzorging
Schoonmaken
BELANGRIJK
•
Sommige geverfde kledingstukken
(zoals spijkerbroeken en suède kleding)
kunnen afgeven en voor verkleuring van
de bekleding zorgen.
•
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen.
Dergelijke middelen kunnen bekleding
van textiel, vinyl en leer beschadigen.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te krijgen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
Groep 1 (inkt, wijn, koffie, melk, zweet en
bloed)
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
leerverzorgingsmiddel gebruikt.
–
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen kunnen het leer
beschadigen. (Ringen bijvoorbeeld.)
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
• Verwijder vuil en stof met een ietwat vochtige spons en een neutrale zeepoplossing.
• Leer moet kunnen ademen. Dek het leren
stuurwiel nooit af met kunststof bescherming.
• Gebruik natuurlijke oliën. Voor het beste
resultaat wordt geadviseerd het leerverzorgingsmiddel van Volvo te gebruiken.
Bij vlekken op het stuurwiel:
Gebruik een zachte doek of spons. Neem
een ammoniaoplossing in een concentratie
van 5 %. (Gebruik voor bloedvlekken een
oplossing van 2 dl water en 25 g zout.)
Groep 2 (vet, olie, saus en chocolade)
1. Dezelfde procedure als voor groep I.
2. Dep met een absorberende papieren of
stoffen doek.
Groep 3 (vuil, stof in droge vorm)
1. Gebruik een zachte borstel om het vuil te
verwijderen.
2. Dezelfde procedure als voor groep I.
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen wordt een speciaal reinigingsmiddel
geadviseerd dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats. Krab of wrijf nooit over een
vlek. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan met name het textielreinigingsmiddel
dat bij de erkende Volvo-werkplaats verkrijg-
08
205
08 Verzorging
Schoonmaken
baar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
08
206
08 Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
Steenslagplekken en krassen
wijdering van het vuil de ontbrekende lak aan
te brengen.
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade
meteen herstellen. De meest voorkomende
soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op de spatbordranden en portieren.
Als de steenslagplek wel tot op het
blanke plaatwerk is doorgedrongen
1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
G020345
Kleurcode
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
2. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng deze met een fijn kwastje of een lucifer aan. Breng de lak met een kwastje aan,
wanneer de primer droog is.
3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
Benodigdheden
Typeplaatje.
Kleurcode van de auto
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. Voor de positie van de productsticker, zie pagina 292.
1
• Grondlak (primer) in een bus
• Spuitbus of bijwerkpen1
• Afplaktape.
Steenslagplekken en krassen
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na ver-
08
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen werden geleverd.
207
08 Verzorging
Roestwering
Controleren en onderhouden
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de
balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
U kunt de roestwering van de auto als volgt
onderhouden.
• Houd de auto schoon. Spoel het onderstel
af. Houd bij het gebruik van een hogedrukreiniger de spuitkop ten minste 30 cm van
gelakte onderdelen af.
• Controleer de roestwering regelmatig en
werk deze zo nodig bij.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar te worden nabehandeld. De auto moet daarna om de drie jaar
een nabehandeling ondergaan. Volvo adviseert
u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats, als de auto aan een nabehandeling
toe is.
08
208
08 Verzorging
08
209
Volvo Service........................................................................................
Onderhoud............................................................................................
Motorkap en motorruimte.....................................................................
Oliën en vloeistoffen..............................................................................
Wisserbladen........................................................................................
Startaccu...............................................................................................
Gloeilampen vervangen........................................................................
Zekeringen............................................................................................
210
212
213
215
217
222
224
227
234
ONDERHOUD EN SERVICE
09 Onderhoud en service
09
Volvo Service
Serviceprogramma van Volvo
Speciale servicewerkzaamheden
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
zorgvuldig getest. De auto werd nogmaals
gecontroleerd naar de normen van Volvo Car
Corporation, net voordat de auto aan u werd
geleverd.
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem van de auto kunnen alleen
worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
elektronische apparatuur. Volvo adviseert u
ook om contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats, voordat u servicewerkzaamheden aan het elektrische systeem laat
uitvoeren.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van uw Volvo op een hoog
peil te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om
ook service- en onderhoudswerkzaamheden
over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen beschikken over
het personeel, het speciale gereedschap en de
servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog
mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
212
09 Onderhoud en service
Onderhoud
Voordat u met werkzaamheden begint
Regelmatig controleren
De startaccu
Controleer regelmatig het volgende, bijvoorbeeld bij het tanken:
Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor loopt
(bij het vervangen van de accu bijvoorbeeld).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn ontkoppeld tijdens het opladen.
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u de
accu op een milieubewuste manier verwerkt.
Neem hiervoor contact op met de erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. De ontsteking moet daarom altijd
zijn uitgeschakeld bij werkzaamheden in de
motorruimte.
Raak geen bougies of bobines aan als de
ontsteking is ingeschakeld of als de motor
warm is.
Auto omhoogbrengen
• Koelvloeistof – De koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje op het
expansiereservoir staan.
• Motorolie – De olie moet tussen het MINen MAX-streepje staan.
• Stuurbekrachtigingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
• Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir
G027001
Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
09
moet goed gevuld zijn. Vul bij temperaturen rond het vriespunt sproeiervloeistof
met antivries bij.
• Rem- en koppelingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat de radiateurventilator (vóór
in de motorruimte achter de radiateur) enige
tijd na uitschakeling van de motor automatisch kan starten.
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is,
bestaat er brandgevaar.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken
die bij de auto hoort. Volg bij gebruik van
een andere krik dan door Volvo geadviseerd
de gebruiksaanwijzingen die bij deze krik
werden geleverd.
Als u de auto met een garagekrik omhoogbrengt, moet u de krik tegen de voorzijde van
het subframe van de motor aanbrengen.
Zorg dat de spatplaat onder de motor niet
beschadigd raakt. Let erop dat u de garagekrik
dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af
213
09 Onderhoud en service
09
Onderhoud
kan glijden. Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
omhoogbrengt, moet u zorgen dat de voorste
en achterste dragerarmen onder de hefpunten
komen te zitten. Zie voorgaande afbeelding.
214
09 Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
Motorkap openen
1. Trek aan de ontgrendelingshandgreep
uiterst links onder het dashboard (of rechts
op modellen met het stuur rechts). U hoort
dat de slotpal losschiet.
2. Steek uw hand rechts onder de voorzijde
van de motorkap (onder de grille).
3. Duw de handgreep van de slotpal omhoog.
09
WAARSCHUWING
Sluit de motorkap door uw ene hand er
bovenop te leggen en de kap vervolgens
omlaag te duwen. Houd de motorkap tijdens het sluiten niet aan de grille beet. Dit
om te voorkomen dat u met uw vingers
tegen motoronderdelen aankomt en daarbij
verwondingen oploopt.
4. Laat de handgreep weer los en open de
motorkap.
G026995
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
215
09 Onderhoud en service
09
Motorkap en motorruimte
G027074
Motorruimte
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(zit aan de bestuurderszijde)
Relais en zekeringen
Luchtfilter (de uitvoering van het deksel is
afhankelijk van het motortype)
Radiateur
Peilstok, motorolie
Vultuit, motorolie
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof (De plaatsing is afhankelijk van de
motorvariant.)
216
Expansiereservoir, koelsysteem
Chassisnummerplaatje (VIN)
Startaccu (in de bagageruimte)
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Oliepeil motor controleren
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden,
zie pagina 298.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het bijvullen als bij het verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag/hoog oliepeil of
een lage/hoge oliedruk. Bij de modellen die zijn
voorzien van een oliedruksensor wordt gebruik
gemaakt van een waarschuwingslampje voor
de oliedruk. Bij modellen met een olieniveau-
09
sensor wordt gewaarschuwd met een waarschuwingssymbool midden op het instrumentenpaneel en met displaymeldingen. Op
bepaalde modellen zijn beide systemen aanwezig. Neem voor meer informatie contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
Houd voor het verversen van de motorolie en
het vervangen van het oliefilter de intervallen
aan die staan aangegeven in het Service- en
garantieboekje.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden
beveelt Volvo een olie met een hogere kwaliteit
aan, zie pagina 298.
Voor de bij te vullen hoeveelheid (zie
pagina 299 en verder).
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
217
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
5. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
dient u 0,5 liter bij te vullen. Als de olie daar
ver onder staat, moet u wellicht meer bijvullen.
Peil controleren
Ruitensproeiervloeistof bijvullen
6. Als u het peil daarna nogmaals wenst te
controleren, moet u dat na enige tijd rijden
doen. Herhaal vervolgens de stappen 1–4.
WAARSCHUWING
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
Peil meten en zo nodig corrigeren
1. Zorg dat de auto op een vlakke ondergrond
geparkeerd staat. Het is belangrijk dat u na
het afzetten van de motor ten minste
5 minuten wacht, zodat de olie weer kan
teruglopen in het oliecarter.
2. Trek de peilstok tevoorschijn en veeg deze
schoon.
3. Steek de peilstok weer naar binnen.
4. Trek de peilstok tevoorschijn en controleer
het peil.
218
G027097
G020336
Vul nooit bij tot boven de MAX-aanduiding.
De olie mag nooit boven MAX of onder
MIN staan om motorschade tegen te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
Positie van reservoir voor ruitensproeiervloeistof.
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir. Giet tijdens de wintermaanden sproeiervloeistof met antivries in het reservoir om te
voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het
reservoir en de slangen bevriest. Zie pagina
300 voor de hoeveelheden.
N.B.
Vermeng het water met geconcentreerde
sproeiervloeistof voordat u gaat bijvullen.
TIP! Maak bij het bijvullen van ruitensproeiervloeistof ook meteen de wisserbladen schoon.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Koelvloeistof controleren en bijvullen
BELANGRIJK
Het is uitermate belangrijk dat u een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen
gebruikt volgens de aanbevelingen van
Volvo. Een nieuwe auto is voorzien van koelvloeistof die bestand is tegen temperaturen
tot ca. –35°C.
Zie pagina 300 voor de hoeveelheden.
BELANGRIJK
•
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
•
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. Als dat niet
het geval is, kunnen er hoge temperaturen optreden met gevaar voor
beschadiging (barsten) van de cilinderkop.
G027087
Controleer de koelvloeistof regelmatig
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
neemt toe, zowel wanneer de concentratie
koelvloeistof te laag is als wanneer deze te
hoog is.
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem plaatselijk dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor schade
(scheurvorming) aan de cilinderkop ontstaat.
Vul koelvloeistof bij, wanneer het peil tot onder
het MIN-streepje is gezakt.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor warm is,
dient u langzaam de dop van het expansiereservoir los te draaien om de overdruk te
laten ontsnappen.
09
219
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
09
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit, zie de tabel onder Vloeistoffen en smeermiddelen op pagina 300.
Rem- en koppelingsvloeistof
controleren en bijvullen
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of
in landen met een tropisch klimaat en een hoge
relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt, dient u
de remvloeistof ieder jaar te verversen.
WAARSCHUWING
Stuurbekrachtigingsvloeistof
controleren en bijvullen
FULL
ADD
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
G000000
G026991
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
De rem- en koppelingsvloeistof zit in één reservoir1. De vloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje staan. Controleer het peil regelmatig. Ververs de remvloeistof om de twee jaar
of iedere tweede geplande servicebeurt.
Zie pagina 300 voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van de
remvloeistof.
1
220
Positie verschilt op auto met het stuur links of rechts.
N.B.
Controleer tijdens iedere servicebeurt ook
het vloeistofpeil.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof
moet tussen het ADD- en FULL-streepje
staan. Zie pagina 300 voor de hoeveelheden
en de aanbevolen vloeistofkwaliteit.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
09
N.B.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u
de auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar. De auto zal echter veel zwaarder dan normaal sturen en er is meer kracht
nodig om het stuurwiel te verdraaien.
221
09 Onderhoud en service
09
Wisserbladen
Wisserbladen
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie pagina 202.
BELANGRIJK
Controleer regelmatig de wisserbladen. Bij
achterstallig onderhoud gaan de wisserbladen minder lang mee.
Wisserbladen voorruit vervangen
N.B.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
1. Klap de wisserarm naar buiten en houd het
wisserblad vast.
2. Duw de geribde borgveren van het wisserblad in, terwijl u het blad bij de verlenging
van de arm lostrekt.
3. Breng het nieuwe wisserblad in omgekeerde volgorde aan en controleer of het
goed vastzit.
222
09 Onderhoud en service
Wisserbladen
09
G026959
Wisserblad achterruit vervangen
1. Klap de wisserarm naar achteren toe uit.
2. Verwijder het wisserblad door het naar
boven/buiten (zie afbeelding) in de richting
van de achterklep te halen.
3. Duw het nieuwe wisserblad vast.
4. Controleer of het blad goed vastzit.
223
09 Onderhoud en service
09
Startaccu
Gebruik
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de startaccu.
• Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor loopt.
• Controleer of de kabels van de startaccu
op de juiste manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
WAARSCHUWING
•
224
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan om
de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water
spoelen. Neem onmiddellijk contact op
met een arts, als u accuzuur in uw ogen
krijgt.
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
De levensduur van de accu wordt bepaald
door uiteenlopende factoren, waaronder de
rijomstandigheden en het klimaat. De accu
verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als
er langere tijd achtereen niet of slechts korte
afstanden met de auto wordt gereden. Ook
bij strenge vorst neemt de startcapaciteit af.
Om de accu in optimale conditie te houden
wordt geadviseerd wekelijks minstens
15 minuten met de auto te rijden of de accu
aan te sluiten op een acculader met automatische druppellading.
Symbolen op de accu
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat
bij de auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
Voor de maximale levensduur dient de accu
altijd volledig opgeladen te blijven.
De accu bevat een bijtend
zuur.
09 Onderhoud en service
Startaccu
Vermijd vonken en open
vuur.
Accu vervangen
Demonteren
09
WAARSCHUWING
De plus- en minkabels in de juiste volgorde
loskoppelen en/of aansluiten.
5. Koppel de rode pluskabel los.
6. Koppel de ontluchtingsslang van de accu
los.
Explosiegevaar.
7. Haal de klem los waarmee de accu vastzit.
8. Til de accu uit de auto.
Monteren
Bestemd voor inzameling.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
Zamel oude accu’s op een milieubewuste
manier in, omdat ze lood bevatten.
2. Wacht ten minste 5 minuten, voordat u een
van de elektrische aansluitingen aanraakt.
> Het elektrische systeem van de auto
dient belangrijke gegevens weg te
schrijven naar de regelmodules.
WARNING
REMOVAL OF BATTERY
DISCONNECT
O CABLE FIRST
xxxx xxxxx xx xxxxx
xxxx xxxxx xx xxxxx
xxxx xxxxx xxxxx
xxxx xx
+
-
DRAIN PIPE
3. Schroef de console los evenals de dekplaat die over de accu heen zit
4. Koppel de zwarte minkabel los.
G027076
N.B.
1. Til de accu op zijn plaats.
2. Schroef de klem vast waarmee de accu
vastzit.
225
09 Onderhoud en service
09
Startaccu
3. Sluit de ontluchtingsslang aan.
> Controleer of deze correct is aangesloten tussen de accu en de afvoeropening
in de carrosserie.
4. Sluit de rode pluskabel aan.
5. Sluit de zwarte minkabel aan.
6. Breng de dekplaat en console weer aan.
226
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Gloeilampen en andere lichtbronnen van een
bijzonder type of lampen die alleen in een
werkplaats te vervangen zijn te vinden in:
• Actieve xenonkoplampen - ABL (xenonlampen)
• Dagrijlicht (DRL) in bumper
• Richtingaanwijzers, buitenspiegelverlichting en “Approach”-verlichting
• Leeslampjes en verlichting dashboardkastje
•
•
•
•
Interieurverlichting aan het plafond
Stadslichten achter
Remlichten
Derde remlicht
Bij een storing in het dagrijlicht (DRL) in de
bumper wordt het lampelement in zijn geheel
vervangen.
Bij een storing in de stadslichten achter of de
remlichten wordt het achterlamphuis in zijn
geheel vervangen.
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van xenonkoplampen, moet u de xenonlampen door een
werkplaats laten vervangen – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats. Werkzaamheden aan de Xenonkoplampen vergen de nodige voorzichtigheid, aangezien
dergelijke koplampen zijn voorzien van een
ontstekingsgedeelte dat een hoge spanning
opwekt.
Gloeilampen in koplamphuis
vervangen
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
G027081
Algemene informatie
Op pagina 306 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
09
Bij het vervangen van de gloeilampen van het
dimlicht, groot licht en de stadslichten moet u
eerst het lampelement in zijn geheel verwijderen. Verwijder de gloeilampen door het lampelement als volgt te verwijderen en volg daarna
de specifieke aanwijzingen voor de verschillende gloeilampen op.
Lamphuis losmaken:
1. Schakel alle lichten uit en draai de transpondersleutel naar stand 0.
2. Open de motorkap.
227
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Positie van gloeilampen in
koplamphuis
3. Maak het lampelement los door de twee
borgpennen omhoog te trekken waarmee
het element vastzit.
4. Til het lampelement recht omhoog naar
buiten.
BELANGRIJK
6. Til het koplampelement in zijn geheel naar
buiten en leg het op een zachte ondergrond neer om krassen op de lens te voorkomen.
Plaats het koplampelement in omgekeerde
volgorde terug. Controleer na afloop of u de
borgpennen correct hebt ingestoken.
G027082
5. Koppel de connector los door de kliksluiting eerst vanaf de onderkant in te drukken
en vervolgens vanaf de bovenkant iets
omhoog te trekken.
G027083
Trek alleen aan de connector en niet aan de
kabel.
Dimlicht
Groot licht
Richtingaanwijzer
Stadslicht/parkeerlicht voor
Sidemarker
228
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Dimlicht, halogeen
8. Draai de afdekking weer vast. Het opschrift
HAUT moet omhoogwijzen.
5. Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te zitten.
Groot licht
6. Duw de connector weer vast en plaats de
afdekking terug.
Halogeenkoplampen
09
G027088
Sidemarkers en stadslichten/
parkeerlichten voor
1. Draai de buitenste afdekking linksom los.
4. Trek de lamp naar buiten.
1. Trek de buitenste afdekking recht naar
achteren toe los en trek de connector los.
5. Breng de nieuwe gloeilamp aan. U kunt
hem slechts op één manier aanbrengen.
2. Maak de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts zodat de veerklem loskomt en
haal de klem vervolgens schuin naar buiten
toe omlaag.
6. Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te zitten.
3. Trek de lamp naar buiten.
7. Druk de connector in positie terug.
G028409
3. Maak de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts zodat de veerklem loskomt en
haal de klem vervolgens schuin naar buiten
toe omlaag.
G027085
2. Trek de connector los.
4. Breng de nieuwe gloeilamp aan. U kunt
hem slechts op één manier aanbrengen.
De lamphouders zijn voorzien van een bajonetfitting.
1. Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
2. Trek de gloeilamp recht naar buiten.
``
229
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
3. Breng de nieuwe gloeilamp aan door deze
voorzichtig in de uitsparingen te duwen.
Gloeilampen in achterlamphuis
4. Plaats de lamphouder terug en draai deze
rechtsom.
Richtingaanwijzer
Richtingaanwijzer
G027089
Achteruitrijlicht
De lamphouder is voorzien van een bajonetfitting.
1. Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
2. Duw de gloeilamp naar binnen, draai de
lamp linksom en verwijder deze.
3. Breng de nieuwe gloeilamp aan door deze
in de uitsparingen te duwen en vervolgens
rechtsom te draaien.
230
N.B.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de
kapotte gloeilamp is vervangen, dan wordt
u geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
Gloeilampen vervangen
1. Schakel alle lichten uit en draai de transpondersleutel naar stand 0.
6. Trek het lampelement in zijn geheel recht
naar achteren.
2. Klap het onderste gedeelte van de achterklep omlaag en open het vloerluik. (Als uw
auto is uitgerust met een houder voor
boodschappentassen*, moet u de steunband van deze houder losnemen.)
7. Maak de bijeengebonden extra kabellengte los om ruimte te maken.
3. Verwijder het hoekstuk.
4. Open het luik in het zijpaneel door de pal
omhoog en naar u toe te trekken.
5. Neem ringsleutel nr. 10 uit de gereedschapstas en draai de moeren los.
8. Leg het element op een zachte ondergrond
neer om krassen op het lampglas te voorkomen.
9. Trek de lamphouder linksom naar buiten.
10. Draai de gloeilamp linksom los. (Geldt voor
de richtingaanwijzers, achteruitrijlichten en
remlichten).
12. Vervang de gloeilamp.
13. Plaats de lamphouder in de uitsparing
terug en draai de houder rechtsom.
14. Duw de extra kabellengte terug.
15. Plaats het lampelement over de schroefgaten heen. Duw het element in positie.
16. Draai de moeren vast.
17. Plaats het zijpaneel en het hoekstuk terug.
11. Trek de gloeilamp recht naar buiten. (Geldt
voor de achterlichten).
``
231
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Mistachterlicht
Kentekenplaatverlichting
Instapverlichting
1. Steek een platte schroevendraaier bij de
pijl op de afbeelding naar binnen.
1. Schakel alle lichten uit en draai de transpondersleutel naar stand 0.
De instapverlichting vindt u onder het dashboard aan de bestuurders- en passagierszijde.
2. Beweeg het lampelement naar buiten toe.
2. Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat de
lens loskomt.
G027079
09
3. Draai de lamphouder linksom om deze te
verwijderen.
4. Draai de gloeilamp linksom om deze te verwijderen.
5. Vervang de gloeilamp.
232
3. Haal voorzichtig het complete lamphuis los
en trek het naar buiten.
2. Verwijder de kapotte gloeilamp.
4. Vervang de gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
5. Plaats het complete lamphuis terug en
draai de boutjes vast.
4. Plaats de lens terug.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Verlichting make-upspiegel
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
1. Steek een platte schroevendraaier naast
de middelste clip onder aan het spiegelelement. Beweeg het spiegelelement
omhoog, zodat de middelste clip loskomt.
G027080
Gloeilamp in bagageruimte
09
2. Verwijder de kapotte gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan. Controleer of de gloeilamp werkt.
4. Plaats het lamphuis terug.
2. Trek de schroevendraaier naar de linkeren de rechterkant zodat de buitenste clips
loskomen.
3. Til het spiegelelement naar buiten.
4. Vervang de gloeilampjes.
5. Plaats het spiegelelement met de bovenkant naar voren gekanteld terug. Let erop
dat de bovenste clips goed ingedrukt zijn,
voordat u het spiegelelement in positie
terugklapt.
233
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
G032337
Algemene informatie
De kabelloop kan per motortype ietwat verschillen. De onderdelen op de lijst zitten echter altijd op de aangegeven positie.
Om te voorkomen dat het elektrisch systeem
van uw auto beschadigd raakt door kortsluiting
of overbelasting, zijn alle verschillende elektrische functies en componenten door een aantal
zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op vijf verschillende plaatsen in de auto:
Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte.
Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde achter de
geluidsisolatie).
234
Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde in de zijkant van
het dashboard).
Zekeringenkastje in de bagageruimte.
Zekeringenkastje in de bagageruimte, Executive*.
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is.
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
WAARSCHUWING
Vervang een zekering nooit door vreemde
voorwerpen of een zekering met een hoger
amperage dan gespecificeerd is. Anders
zijn aanzienlijke schade aan het elektrische
systeem en brand niet uitgesloten.
Aan de binnenkant van het deksel in het dashboard zitten enkele reservezekeringen. U vindt
er tevens een trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt,
betekent dit dat het bijbehorende onderdeel
een storing vertoont. Volvo adviseert u in dat
geval ter controle een bezoek te brengen aan
een erkende Volvo-werkplaats.
235
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
G026972
Relais- en zekeringenkastje in motorruimte
1.
236
ABS
30 A
2.
ABS
3.
Hogedruksproeiers koplampen
35 A
4.
Standverwarming*
25 A
5.
Verstralers*
20 A
6.
Relais startmotor
35 A
7.
Ruitenwissers
25 A
8.
Brandstofpomp
15 A
9.
30 A
10.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11.
Regelmodule transmissie
(TCM)
12.
15 A
Bobines (benzine), regelmodule motor (ECM), verstuivers
(diesel)
20 A
Gaspedaalsensor (APM), ACcompressor
10 A
13.
Regelmodule motor (ECM)
(benzine), verstuivers (benzine), luchtmassameter (benzine)
15 A
luchtmassameter (diesel)
5A
Stelmotoren inlaatspruitstuk
(6-cil.)
10 A
Regelmodule gasklep, magneetklep, SWIRL (luchtmengklep), brandstofdrukregelaar
(diesel)
15 A
09 Onderhoud en service
Zekeringen
14.
Lambdasonde (benzine)
20 A
lambdasonde (diesel)
10 A
Carterventilatieverwarming
(benzine), AC-koppeling (benzine), magneetkleppen, ECM
(benzine), voorgloeiregeling
(diesel)
15 A
16.
Dimlicht links
20 A
17.
Dimlicht rechts
20 A
18.
-
19.
Regelmodule motor (ECM)
voeding, motorrelais
5A
20.
Achterlicht
15 A
21.
Vacuümpomp (benzine)
20 A
15.
09
-
``
237
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
G028412
Relais- en zekeringenkastje in de passagiersruimte (aan de bestuurderszijde achter de geluidsisolatie)
238
1.
Stoelverwarming, rechterzijde
15 A
9.
Voeding remlichtschakelaar
2.
Stoelverwarming, linkerzijde
15 A
10.
3.
Claxon
15 A
4.
-
Instrumentenpaneel (DIM), klimaatregeling (CCM), standverwarming, elektrisch
bedienbare bestuurdersstoel
10 A
5.
Infotainment
Elektrische aansluiting vooren achterin en koelvak*
15 A
6.
-
-
7.
-
-
8.
Sirene alarmsysteem*
10 A
5A
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11.
5A
12.
-
-
13.
-
-
14.
-
-
15.
ABS, STC/DSTC
5A
16.
Elektronische stuurbekrachtiging (ECPS)*, actieve xenonkoplampen (ABL)*, koplamphoogteregeling*
10 A
17.
Dagrijlicht (DRL) links
7,5 A
18.
Dagrijlicht (DRL) rechts
7,5 A
19.
-
-
20.
-
-
09 Onderhoud en service
Zekeringen
21.
Regelmodule transmissie
(TCM)
10 A
22.
Groot licht, links
10 A
23.
Groot licht rechts
10 A
24.
-
-
25.
-
-
26.
-
-
27.
-
-
28.
Elektrisch bedienbare passagiersstoel*, Rear Seat Entertainment (RSE)*A
A
35.
-
-
36.
-
-
09
Zie ook zekering 8 in het hoofdstuk "Relais- en zekeringenkastje in de passagiersruimte (aan de bestuurderszijde in de
zijkant van het dashboard)".
5A
29.
Brandstofpomp
7,5 A
30.
BLIS*
31.
-
-
32.
-
-
33.
Vacuümpomp (benzine)
20 A
34.
Sproeierpomp
15 A
5A
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
239
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
G032316
Relais- en zekeringenkastje in de passagiersruimte (aan de bestuurderszijde in de zijkant van het dashboard)
Een sticker in het deksel van het relais- en zekeringkastje dat aan de zijkant van het dashboard zit, geeft de positie en het amperage van de verschillende zekeringen
aan.
1.
2.
3.
4.
5.
240
Ventilator klimaatregeling
Audiosysteem (versterker)*
Elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel*
Elektrisch bedienbare
passagiersstoel*
Regelmodule linker voorportier
30 A
30 A
6.
25 A
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10.
25 A
7.
-
8.
Radio, cd-speler, Rear
Seat Entertainment
(RSE)*A
15 A
RTI-display, RTI-module,
MMM
10 A
25 A
25 A
Regelmodule rechter
voorportier
9.
-
OBDII, verlichtingsdraaiknop (LSM), stuurhoeksensor (SAS), stuurregelmodule (SWM)
5A
09 Onderhoud en service
Zekeringen
11.
Contactslot, SRS-systeem, regelmodule motor
ECM (benzine), uitschakeling SRS passagierszijde
(PACOS), elektronische
startblokkering (IMMO),
regelmodule transmissie
(TCM)
7,5 A
Interieurverlichting plafond (RCM), bovenste
elektronische regelmodule
(UEM)
10 A
13.
Schuifdak*
15 A
14.
Telematica*, Bluetooth*
5A
12.
15–38.
A
-
09
-
Zie ook zekering 28 in het hoofdstuk "Relais- en zekeringenkastje in de passagiersruimte (aan de bestuurderszijde achter de geluidsisolatie)".
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
241
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Zekeringen in de bagageruimte
1.
2.
Achteruitrijlicht
10 A
Parkeerlichten/achterlichten,
mistachterlicht, bagageruimteverlichting, kentekenplaatverlichting, remlichten
20 A
3.
Accessoires (AEM)*
15 A
4.
-
5.
Elektronica (REM)
6.
-
7.
8.
9.
10 A
10.
11.
242
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Trekhaakaansluiting* (30-voeding)
15 A
Elektrische aansluiting bagageruimte
15 A
Achterportier, rechts: Ruitbediening, blokkering ruitbediening
Achterportier, links: Ruitbediening, blokkering ruitbediening
-
20 A
12.
-
-
13.
Verwarming dieselfilter
15 A
14.
Airconditioning achterin (AC)*
15 A
15.
-
-
16.
-
-
17.
Accessoires Infotainment*
18.
-
19.
Ruitenwisser, achterklep
5A
-
20 A
-
15 A
09 Onderhoud en service
Zekeringen
20.
Trekhaakaansluiting* (15-voeding)
20 A
21.
-
-
22.
-
-
23.
AWD
24.
-
-
25.
-
-
26.
Park Assist*
5A
27.
Hoofdzekering: Trekhaakaansluiting, Park Assist, AWD
30 A
28.
Centrale vergrendeling (PCL)
15 A
29.
Aanhangerverlichting, links:
Achterlicht, richtingaanwijzer*
25 A
Aanhangerverlichting, rechts:
Remlicht, mistachterlicht,
richtingaanwijzer*
25 A
Hoofdzekering: Zekering 37,
38
40 A
30.
31.
7,5 A
32.
-
-
33.
-
-
34.
-
-
35.
-
-
36.
-
-
37.
Elektrisch verwarmde achterruit
20 A
Elektrisch verwarmde achterruit
20 A
38.
09
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
243
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Zekeringen in de bagageruimte, Executive*
Het zekeringenkastje zit achter het dekpaneel
aan de linkerzijde.
1.
2.
3.
4.
244
Relais verwarming achterbank,
Relais massagefunctie voorstoel
5A
Verwarming linker zitplaats achterbank
15 A
Verwarming rechter zitplaats
achterbank
15 A
Ventilatiefunctie voorstoel,
Massagefunctie voorstoel
10 A
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5.
-
-
6.
-
-
09 Onderhoud en service
09
245
Algemene informatie.............................................................................
Audio, bedieningspanelen.....................................................................
Functies audiosysteem.........................................................................
Radiofuncties........................................................................................
Cd-functies...........................................................................................
Menusysteem, audiosysteem...............................................................
Telefoonfuncties*..................................................................................
Menusysteem, telefoon ........................................................................
Bluetooth handsfree*............................................................................
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee tv-schermen* .......
246
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
248
249
252
257
264
267
268
276
280
287
INFOTAINMENT
10 Infotainment
Algemene informatie
Infotainment
10
Het Infotainmentsysteem heeft geïntegreerde
audio- en telefoonfuncties.
Het Infotainmentsysteem kunt u handig en
eenvoudig bedienen vanaf het gemeenschappelijke bedieningspaneel of de toetsenset op
het stuur.
De XC90 is uit te rusten met Dolby Surround
Pro Logic II1. Dit systeem zorgt voor een zeer
realistische geluidsweergave met een breed en
natuurlijk geluidsprofiel.
Het Infotainmentsysteem biedt u en eventuele
passagiers de mogelijkheid een hoofdtelefoon* aan te sluiten zodat iedereen naar een
verschillende geluidsbron kan luisteren.
Dolby Surround Pro Logic II1
Dolby Surround Pro Logic II verdeelt de twee
kanalen van het stereogeluid over de luidsprekers links, midden, rechts en achterin. Dit levert
een realistischer geluidsweergave op dan bij
normale tweekanaals stereo.
1
248
Betreft Premium Sound.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Dolby Surround Pro Logic II en het
Dolby-logo zijn handelsmerken van
Dolby Laboratories Licensing
Corporation. Dolby Surround Pro
Logic II System is vervaardigd onder licentie
van Dolby Laboratories Licensing
Corporation.
10 Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Bediening audiofuncties
10
CD – Sneltoets
VOLUME – Volume (draaiknop)
POWER – Audiosysteem aan/uit
AM/FM – Sneltoets voor wisselen FM1,
FM2 en AM
Display
ENTER – Menu-opties kiezen, een keuze
activeren of de mapstructuur openen en
audiobestanden afspelen als er een schijf
met audiobestanden in de cd-speler zit.
Voor meer informatie, zie pagina 264.
PHONE – Telefoon aan/uit/stand-by
MY KEY – Programmeerbare sneltoets
voor favoriete functie
SELECTOR – Geluidsbron kiezen (draaiknop)
SOUND – Geluidsregeling
EXIT/CLEAR – Terugbladeren in menu’s,
een keuze annuleren, de telefoon stand-by
zetten of het voorgaande teken wissen bij
invoer van cijfers en/of tekens
Cd-speler en cd-wisselaar*
Track, zender opzoeken/wisselen of vooruit- en achteruitbladeren bij invoer van
tekst en cijfers
Sneltoetsen radiozenders/keuzetoets sleuf
cd-wisselaar* (1-6), alfanumerieke toetsen
voor telefoon en sneltoetsen in menu’s
IR* – ontvanger voor afstandsbedieningen
Simkaarthouder
MENU – Keuzetoetsen menuopties
Uitwerpen, cd-speler en cd-wisselaar*
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
249
10 Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Toetsenset op stuurwiel
10
Menufuncties
Sneltoetsen
De menu-opties zijn genummerd en kunnen
rechtstreeks worden gekozen via de toetsenset (1-6).
Audio, telefoon*
Persoonlijke sneltoets, MY KEY
Onder MY KEY kunt u uw favoriete menufunctie opslaan, zoals TP.
G027112
–
Wanneer de tekst My Key opgeslagen. op het
display verschijnt, is de functie opgeslagen.
–
Met de vier toetsen van de toetsenset op het
stuurwiel kunt u zowel het audiosysteem als de
telefoon regelen. De functie van de toetsen
hangt af van het systeem dat u geactiveerd
hebt. Met de toetsenset op het stuur kunt u het
volume regelen en een andere radiozender of
een andere track op een cd selecteren. Met de
bovenste twee toetsen van de toetsenset
(Yes en No) kunt u een telefoongesprek aannemen of beëindigen. Druk op No om te wisselen tussen audiomenu en telefoonmenu.
Kies de functie die u wilt opslaan door MY
KEY meer dan twee seconden lang ingedrukt te houden.
Activeer de menufunctie vervolgens door
kort op MY KEY te drukken.
Sommige Infotainmentfuncties zijn toegankelijk via een menusysteem. Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan op het display. De
menu-opties staan in het midden van het display.
Functies die op te slaan zijn onder MY
KEY
• Met MENU opent u het menusysteem. Met
Tekst disc
de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de navigaloopt u de menu-opties door.
tieknop
• Met ENTER kiest u of activeert/deactiveert
u een menu-optie.
• Met EXIT gaat u een stap terug binnen het
menusysteem. Bij lang indrukken van
EXIT verlaat u het menusysteem.
Random
TP
News
Radio text
PTY zoeken
AF
Regional
250
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Surround
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken
Bedieningspaneel met
hoofdtelefoonaansluiting*
Kort op
/
drukken om een track op
een cd of een van de voorkeurzenders te selecteren. Druk dezelfde knop lang in om tracks op
de cd versneld vooruit/achteruit te spoelen of
automatisch radiozenders te zoeken.
10
Beperkingen
Welke geluidsbron (FM, AM, CD e.d.) er via de
luidsprekers wordt weergegeven valt niet te
sturen vanaf het achterste bedieningspaneel.
G026982
Eventuele RDS-teksten kunnen achterwege
blijven, als de radio via de hoofdtelefoons
wordt beluisterd terwijl er een andere geluidsbron via de luidsprekers wordt weergegeven.
Voor de beste geluidsweergave adviseren wij u
een hoofdtelefoon te gebruiken met een impedantie van 16–32 ohm en een gevoeligheid van
102 dB of meer.
Activeren/deactiveren
U activeert het bedieningspaneel met een druk
op SEL wanneer het audiosysteem ingeschakeld is. Het bedieningspaneel wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u het audiosysteem uitschakelt of SEL lang indrukt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
251
10 Infotainment
Functies audiosysteem
Aan/uit-knop – audiosysteem
Volumeregeling
Draai de knop
rechtsom of linksom om het
volume te verhogen of te verlagen. De volumeregeling verloopt elektronisch en kent geen
eindstanden. U kunt het volume ook verhogen
of verlagen met de toetsen (+) of (–) van de
toetsenset op het stuurwiel mits de telefoon
niet actief is.
10
G027115
Geluidsbron kiezen
Druk op de knop POWER
om het audiosysteem in of uit te schakelen.
Als u de motor afzet terwijl het audiosysteem
actief is, zal het audiosysteem de volgende
keer dat u de motor start opnieuw actief zijn.
Bij herhaalde malen indrukken van de toets
AM/FM
loopt u de radiostanden FM1, FM2
en AM door. Met een druk op CD
activeert
u de cd-speler/cd-wisselaar.
Draai aan SELECTOR
om te kiezen uit de
externe geluidsbronnen AUX, USB*, BT* en de
interne geluidsbronnen CD en CDC* (cd-wisselaar).
Externe geluidsbronnen
AUX
Op de AUX-ingang kan bijvoorbeeld een
iPodŸ of een mp3-speler worden aangesloten.
AUX-ingang en schakelaar audio voor AUX/RSE*.
AUX-ingang (3,5 mm)
Schakelaar audio AUX/RSE*
Als de auto is uitgerust met RSE*, zit er een
schakelaar voor audio afkomstig van AUX en
RSE. De schakelaar kan in twee standen staan:
• AUX - Het geluid van een externe geluidsbron wordt via het audiosysteem weergegeven.
• RSE - Het geluid van het RSE wordt via het
audiosysteem weergegeven.
252
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Infotainment
Functies audiosysteem
BELANGRIJK
USB*
Laat dat de afdekking van de bekerhouders
openstaan, terwijl de stekker in de AUXingang steekt.
N.B.
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler
in dat geval niet op tijdens het beluisteren.
Soms wijkt het volume waarop de externe
geluidsbron (AUX) wordt weergegeven af van
dat van de interne geluidsbronnen. Als de
geluidssterkte van de externe geluidsbron te
hoog of te laag is, kan de geluidskwaliteit verslechteren. U kunt dat tegengaan door het
ingangsvolume van de externe geluidsbron
aan te passen:
1. Selecteer Volume AUX-ingang in het
menu en druk op ENTER.
2. Regel het volume met SELECTOR of met
de pijl-omhoog/pijl-omlaag
. Druk
daarna op ENTER.
N.B.
Werkt niet met de toetsenset op het stuurwiel.
2. Sluit uw iPodŸ, mp3-speler of USBgeheugen aan op de USB-aansluiting*, zie
voorgaande afbeelding.
> De tekst Bezig met laden verschijnt op
het display, wanneer het systeem de
bestandshiërarchie op het opslagmedium inleest. Dit duurt enige tijd.
10
Na het inlezen verschijnen de trackgegevens
op het display.
U kunt vervolgens vooruit-/achteruitspoelen en
/
van track wisselen met de toetsen
:
USB-aansluiting*.
Als u ervoor kiest om een iPodŸ, mp3-speler
of USB-geheugen aan te sluiten op de USBaansluiting*, kunt u het geluidsmedium bedienen via de geluidsregeling van de auto.
N.B.
Sluit mediaspeler/USB-geheugen met de
kabel aan op de poort, voer de gegevens in
en sluit het dashboardkastje.
1. Kies USB met de toets SELECTOR.
> De tekst Eenheid aansluiten verschijnt
op het display.
• Bij kort indrukken loopt u de tracks door.
• Bij lang indrukken spoelt u vooruit/achteruit.
U kunt daarvoor ook gebruik maken van de
toetsenset op het stuurwiel.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning van
muziekbestanden in de muziekformaten
mp3, wma en wav. Er zijn echter muziekformaten die niet door het systeem worden
ondersteund. Het systeem biedt verder
ondersteuning voor de meeste iPodŸmodellen die in 2005 of later gemaakt zijn.
iPodŸ Shuffle wordt echter niet ondersteund.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
253
10 Infotainment
Functies audiosysteem
USB-geheugen
10
Om het gebruik van een USB-geheugen te vereenvoudigen is het beter alleen muziekbestanden in het geheugen op te slaan. Het inlezen
duurt aanzienlijk langer, wanneer er behalve
compatibele muziekbestanden nog andere
bestanden op het opslagmedium staan.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor
draagbare media die werken met USB 2.0
en het bestandssysteem FAT32 en kan
maximaal 500 mappen en 64.000 bestanden aan. Het geheugen dient een grootte
van minimaal 256 MB te hebben.
iPodŸ
iPodŸ
Een
wordt middels de aansluitkabel bijgeladen en gevoed door de USB-aansluiting.
Als de batterij van de speler echter helemaal
uitgeput is, dan dient u deze eerst op te laden
alvorens de speler aan te sluiten.
Streaming audio via
BluetoothŸ*
Algemene informatie
Als de auto is uitgerust met BluetoothŸ-handsfree* en er een mobiele telefoon is aangesloten, kunnen er draadloos “streaming audio”bestanden op de mobiele telefoon worden
weergegeven via het audiosysteem. Navigatie
en regeling van het geluid zijn in dat geval te
254
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
verrichten via de toetsen op de middenconsole
of via de toetsenset* op het stuurwiel. Bij sommige mobiele telefoons is het ook mogelijk op
de telefoon zelf van track te wisselen.
Voor weergave van de audiobestanden moet
er eerst een telefoon aan het systeem gekoppeld en op de auto aangesloten worden. Voor
informatie over het koppelen en aansluiten, zie
pagina 281. Ook moet u BT als geluidsbron
hebben gekozen, zie pagina 252.
Afspelen
Draai aan SELECTOR om BT als geluidsbron
te kiezen.
U kunt vervolgens vooruit-/achteruitspoelen en
van audiobestand wisselen met de toetsen
/
:
• Bij kort indrukken loopt u de audiobestanden door.
• Bij lang indrukken spoelt u vooruit/achteruit.
N.B.
De mobiele telefoon met BluetoothŸ moet
ondersteuning bieden voor de profielen
Audio/Video Remote Control Profile
(AVRCP) en Advanced Audio Distribution
Profile (A2DP). De telefoon dient AVRCP
versie 1.3 en A2DP 1.2 te hanteren. Anders
werken bepaalde functies mogelijk niet.
N.B.
Niet alle verkrijgbare mobiele telefoons zijn
volledig compatibel met de BluetoothŸfunctie van het audiosysteem in de auto.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-dealer of
www.volvocars.com te bezoeken voor
informatie over compatibele telefoons en
externe mediaspelers.
U kunt daarvoor ook gebruik maken van de
toetsenset op het stuurwiel.
Optimale geluidsweergave
Het audiosysteem is gekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking.
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals Bass, Treble en
Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld om u de
10 Infotainment
Functies audiosysteem
mogelijkheid te bieden de geluidsweergave
naar wens af te stellen.
N.B.
Geluidsregeling
1. Druk op de toets SOUND
normaal gesproken op de middelste stand
afgesteld.
U kunt het niveau van de middenluidspreker
alleen bijregelen, als u voor Dolby Pro Logic
II (DPL II) of driekanaals stereoweergave (3CH) hebt gekozen in het menu.
.
2. Druk net zolang op de toets SOUND totdat
de aanduiding van de functie verschijnt die
u wilt bijregelen. U hebt de keuze uit LAGE
TONEN, HOGE TONEN, FADER,
BALANS, MIDDEN* of SURROUND*.
3. Regel het niveau bij met de knop
SELECTOR
. Op het display verschijnt
een schaal van MIN tot MAX. De functie is
Programmatype
Displaytekst
Lage tonen
LAGE TONEN
Hoge tonen
HOGE TONEN
Balans tussen luidsprekers links en rechts
BALANS
Balans tussen luidsprekers voor en achter
FADER
Niveau voor de middenluidspreker
MIDDEN*
Niveau voor “Ambient
Surround Sound”
SURROUND*
Surround*
De Surround-instellingen zijn bepalend voor
het ruimtelijke effect van de geluidsweergave.
De instellingen voor de verschillende geluidsbronnen alsmede de activering en deactivering
ervan worden elk apart vastgelegd.
10
op het display geeft aan dat
Het symbool
Dolby Pro Logic II actief is. De Surround-functie kent drie verschillende standen:
• Pro Logic II
• 3 kanalen
• Uit Tweekanaals stereo
Surround-functie activeren/deactiveren
1. Druk op MENU, ga naar AUDIOMODUS
en druk op ENTER.
2. Kies voor SURROUND en druk op
ENTER.
3. Kies voor Pro Logic II, 3 kanalen of Uit
en druk op ENTER.
Dolby Surround Pro Logic II is het handelsmerk van Dolby Laboratories Licensing
Corporation. Dolby Pro Logic II Surround
System is vervaardigd onder licentie van Dolby
Laboratories Licensing Corporation.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
255
10 Infotainment
Functies audiosysteem
10
Equalizer voor1
Equalizer achter1
De functie Equalizer FR gebruikt u om de
geluidsweergave van de voorste luidsprekers
fijn af te regelen.
De functie Equalizer RR gebruikt u om de
geluidsweergave van de achterste luidsprekers fijn af te regelen.
1. Selecteer AUDIOMODUS in het menu en
druk op ENTER.
1. Selecteer AUDIOMODUS in het menu en
druk op ENTER.
2. Kies voor Equalizer voor en druk op
ENTER.
2. Kies voor Equalizer achter en druk op
ENTER.
3. Stel het gewenste niveau in met de keuzetoetsen voor de menu-opties (pijlomhoog/pijl-omlaag) of met de knop
SELECTOR.
3. Stel het gewenste niveau in met de keuzetoetsen voor de menu-opties (pijlomhoog/pijl-omlaag) of met de knop
SELECTOR.
4. Druk op ENTER om de volgende frequentie te kiezen. U hebt de keuze uit vijf frequenties.
4. Druk op ENTER om de volgende frequentie te kiezen. U hebt de keuze uit vijf frequenties.
5. Druk op ENTER totdat u in het menusysteem bent aangekomen om de wijzigingen
die u aanbracht op te slaan.
5. Druk op ENTER totdat u in het menusysteem bent aangekomen om de wijzigingen
die u aanbracht op te slaan.
1
256
Bepaalde systeemuitvoeringen.
10 Infotainment
Radiofuncties
Bekende frequentie handmatig
instellen
Zenders zoeken
AM FM
LUM
VO E
MY KEY
PHONE
LE CTOR
SE
SOUND
POWER
EXI T
ENTER
2
ABC
1
4
GHI
7
PQRS
AUTO
CLEAR
5
6
JK L
MNO
8
9
TUV WXYZ
0
AUTOSTORE, automatisch zenders
opslaan
MENU
2. Laat de toets los, wanneer de gewenste
frequentie op het display verschijnt.
SCAN
#
G027114
*
3
DEF
10
1. Kies een golflengte AM/FM1/FM2 met de
knop SELECTOR (3) of de toets AM/FM
(1).
2. Druk de toets
of
korte tijd in
om de eerstvolgende goed doorkomende
zender op te zoeken.
3. Druk nogmaals op een van de toetsen om
een andere zender te zoeken.
3. Als u de frequentie nog iets wilt bijregelen,
of
korte
kunt u de pijltoetsen
tijd indrukken.
Wanneer u de laatste toets loslaat, hebt u nog
5 seconden de tijd om handmatig instellingen
te verrichten.
G027119
CD
1. Druk op de toets
of
en houd
deze ingedrukt. Op het display verschijnt
de tekst MAN. De radio loopt de frequenties aanvankelijk langzaam in de gekozen
richting door om na enige seconden te versnellen.
U kunt tot 10 radiozenders per radiostand
(AM, FM1 en FM2), dus in totaal 30 zenders
opslaan.
Zenders opslaan
U kunt als volgt een favoriete radiozender
opslaan onder een van de sneltoetsen 0–9 (2)
voor radiozenders:
1. Stel de gewenste radiozender in.
2. Druk op de sneltoets waaronder u de zender wilt opslaan en houd deze toets ingedrukt. Het geluid valt enige seconden weg.
De tekst Kanaal opgeslagen verschijnt
op het display. De zender is daarmee
opgeslagen.
Met AUTO (1) kunt u tot 10 goed te ontvangen
radiozenders opzoeken en ze automatisch
vastleggen in een aparte geheugenbank. Deze
functie is vooral handig in gebieden, waar u de
radiozenders en hun frequenties niet kent.
Automatische opslag starten
1. Kies de frequentieband met AM/FM.
2. Houd AUTO (1) ingedrukt, totdat Autom.
opslaan op het display verschijnt.
``
257
10 Infotainment
Radiofuncties
10
Wanneer Autom. opslaan van het display verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De radio
gaat over op de automatische stand en de melding AUTO verschijnt op het display. De automatisch vastgelegde voorkeurzenders zijn vervolgens rechtstreeks te kiezen met de sneltoetsen 0–9. Als er geen radiozender kont worden gevonden met een signaal dat krachtig
genoeg is, verschijnt de tekst Geen zndr
gevonden.
Automatische vastlegfunctie beëindigen
–
Druk op EXIT.
Automatisch vastgelegde
voorkeurzender kiezen
Wanneer u de radio in de stand Auto zet, kunt
u gebruik maken van de automatisch vastgelegde voorkeurzenders.
1. Druk kort op AUTO (1). De tekst AUTO
verschijnt op het display.
2. Druk op een van de sneltoetsen 0–9.
3. De radio blijft in de automatische stand
staan, totdat u de toetsen AUTO (1), EXIT
of AM/FM korte tijd indrukt.
1
258
Welke RDS-functies beschikbaar zijn hangt af van de markt.
Scannen
RDS-functies1
De functie SCAN (2) doorzoekt een frequentieband automatisch op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. 8 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
RDS (Radio Data System) verbindt FM-zenders
in een netwerk met elkaar. Een FM-zender in
een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDS-radio onder meer de volgende mogelijkheden biedt:
Scan-functie activeren/deactiveren
• Automatisch overschakelen op een beter
1. Kies de frequentieband met AM/FM.
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
2. Druk op SCAN (2) om de functie te activeren. De tekst SCAN verschijnt op het display.
• Zoeken op programmatype zoals zenders
3. Druk tot slot op SCAN of EXIT.
• Weergeven van informatieve tekst over het
Gevonden zender als voorkeurzender
vastleggen
Tijdens de functie SCAN kunt u een gevonden
zender als voorkeurzender vastleggen.
–
Druk op een van de sneltoetsen 0–9 en
houd deze ingedrukt, totdat de melding
Station stored op het display verschijnt.
De functie SCAN wordt beëindigd, waarna u de
vastgelegde zender als voorkeurzender kunt
gebruiken.
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
beluisterde radioprogramma.
N.B.
Sommige radiozenders maken geen
gebruik van RDS of slechts in beperkte
mate.
10 Infotainment
Radiofuncties
Volumeregeling, NEWS/TP/ALARM
N.B.
Als u bijvoorbeeld een cd beluistert op het
moment dat de radio een verkeersbulletin
ontvangt, wordt de cd-speler in de pauzestand gezet. De melding wordt weergegeven op het volume dat u van tevoren met de
volumeknop hebt ingesteld voor het beluisteren van het bericht. Het systeem hervat na
afloop onmiddellijk het oude volume en
speelt (in het gegeven geval) de cd verder
af. Als u het volume tijdens de weergave van
het bericht bijregelt, wordt het nieuwe
volume opgeslagen en bij een volgend
bericht opnieuw gehanteerd.
Bij activering van deze functie krijgt u nieuwsbulletins binnen van RDS-zenders. Als u een
andere geluidsbron dan de radio beluistert,
wordt deze weergave onderbroken en ontvangt u de bulletins op het volume dat u voor
het beluisteren hebt ingesteld. Na afloop van
het bulletin hervat het audiosysteem de weergave van de voorgaande geluidsbron op het
oude volume.
Doe het volgende om een nieuwsbulletin voortijdig af te breken;
–
Druk op de toets EXIT. De functie NEWS
blijft echter actief, zodat de radio op het
volgende nieuwsbulletin wacht.
Verkeersinformatie, TP
Nieuws, NEWS
Met de functie NEWS kunt u ervoor zorgen dat
de weergave van andere geluidsbronnen zoals
een cd wordt onderbroken voor een nieuwsbulletin.
1. Kies een golflengte met de knop
SELECTOR of de toets AM/FM.
2. Selecteer News in het menu en druk op
ENTER.
3. De tekst News verschijnt op het display.
4. Kies nogmaals voor News en druk op
ENTER om de functie News te deactiveren.
Bij activering van deze functie krijgt u verkeersinformatie binnen van RDS-zenders. Als u een
andere geluidsbron dan de radio beluistert,
wordt deze weergave onderbroken en ontvangt u de verkeersinformatie op het volume
dat u tevoren hebt ingesteld. Na afloop van de
verkeersinformatie hervat het audiosysteem de
weergave van de voorgaande geluidsbron op
het oude volume.
1. Selecteer TP in het menu en druk op
ENTER.
2. De tekst TP verschijnt op het display.
3. Kies nogmaals voor TP en druk op
ENTER om de functie TP te deactiveren.
Wanneer de functie actief is, verschijnt de tekst
TP op het display. Als de zender waarop u hebt
afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven,
staat er
op het display. De weergave van
een geluidsbron kan dan ook alleen worden
op het
onderbroken, wanneer de tekst
display staat.
10
Doe het volgende om een verkeersbulletin
voortijdig af te breken;
–
Druk op de toets EXIT. De functie TP blijft
echter actief, zodat de radio op het volgende verkeersbulletin wacht.
TP Search
Met de functie TP SEARCH kunt u naar verkeersinformatie blijven luisteren tijdens internationale ritten (in Europa) zonder dat u daarvoor zelf van zender hoeft te wisselen.
1. Selecteer RADIO-INSTELLINGEN in het
menu en druk op ENTER.
2. Kies voor TP en druk op ENTER.
3. Kies voor TP zoeken en druk op ENTER.
Om de functie te deactiveren moet u nogmaals
voor TP zoeken kiezen en op ENTER drukken.
259
10 Infotainment
Radiofuncties
Radio text
10
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Dergelijke informatie kan
dan in tekstvorm op het display verschijnen.
1. Druk op de toets MENU.
2. Selecteer Radio text in het menu en druk
op ENTER.
3. Kies nogmaals voor Radio text en druk op
ENTER om de functie te deactiveren.
Alarm
Alarmmeldingen worden altijd automatisch
doorgegeven, zodat u de functie niet kunt
deactiveren. Er verschijnt Alarm! op het display van de radio, wanneer er een alarmmelding wordt verzonden. Deze functie wordt
gebruikt om u attent te maken op ernstige
ongelukken of calamiteiten, zoals ingestorte
bruggen of ongelukken in kerncentrales.
Programmatype weergeven
1. Selecteer RADIO-INSTELLINGEN in het
menu en druk op ENTER.
2. Selecteer PTY in het menu en druk op
ENTER.
3. Kies voor PTY weergeven en druk op
ENTER.
Het PTY van de door u beluisterde zender verschijnt vervolgens op het display.
Programmatypes
Children’s progs
Gouwe Ouwe
Informatie
Jazzmuziek
Klassieke muziek
Culture
N.B.
Niet alle radiozenders zijn voorzien van een
PTY-code.
Licht klassiek
Melodie
Nationale muziek
Programmatypes
Popmuziek
Actualiteit
Reizen
Religie
Rockmuziek
Varia
Programmatype, PTY
Met de functie PTY is het mogelijk verschillende programmatypes te kiezen zoals popmuziek en klassieke muziek. De melding PTY
geeft aan dat de functie actief is.
Maatschappelijk
Countrymuziek
Sport
Documentaires
Drama
Finance
Doe mee
Volksmuziek
Educatie
Vrije tijd
260
10 Infotainment
Radiofuncties
Programmatypes
Science
Weather & Metro
Overige muziek
Zender zoeken met een bepaald
programmatype
U kunt de radio een zender met een bepaald
soort programma’s laten opzoeken op de aangegeven golflengte.
1. Kies FM 1 of FM 2 en druk op de toets
MENU.
2. Kies voor RADIO-INSTELLINGEN en
druk op ENTER.
3. Kies voor PTY en druk op ENTER.
4. Kies voor PTY selecteren en druk op
ENTER.
5. Druk op ENTER om één of meer van de
opgesomde programmatypes te selecteren. Het symbool PTY verschijnt op het
display, wanneer u uw eerste keuze maakt.
De functie PTY van de radio staat vervolgens stand-by.
CLEAR drukken om de PTY-lijst te verlaten.
7. Kies voor PTY zoeken en druk op
ENTER. Als de radio een zender met het
gekozen programmatype heeft gevonden,
wordt deze zender via de luidsprekers
weergegeven.
Verkeersinformatie, TP STATION
In het menu TP STATION kunt u aangeven van
welke radiozender u verkeersinformatie wenst
te ontvangen.
Let erop dat de functie alleen werkt wanneer
op het display staat.
het symbool
8. Als de radio een zender heeft gevonden die
niet in de smaak valt, kunt u de radio verder
/
.
laten zoeken met de toetsen
TP STATION activeren/deactiveren
9. Als er geen zender met het gekozen programmatype kan worden gevonden, gaat
de radio terug naar de voorgaande frequentie. De functie PTY staat dan standby, totdat er een programma van het gekozen type wordt uitgezonden. Wanneer dat
het geval is, gaat de radio automatisch
over op de zender die het geselecteerde
programmatype uitzendt.
1. Selecteer RADIO-INSTELLINGEN in het
menu en druk op ENTER.
Om de functie PTY standby te deactiveren,
moet u het menu openen en voor Alle PTY’s
resetten kiezen. Het symbool PTY verdwijnt
dan van het display en de radio keert terug naar
de normale weergavestand.
10
Stem af op de radiozender met de verkeersinformatie die u wilt ontvangen.
2. Kies voor TP en druk op ENTER.
3. Kies voor TP-ZENDER en druk op
ENTER.
4. Selecteer Actuele instellen om de functie
te activeren of RESETTEN om de functie
te deactiveren en druk daarna op ENTER.
N.B.
U zult vervolgens alleen verkeersinformatie
van de opgeslagen zender doorkrijgen.
6. Wanneer u alle programmatypes van uw
keuze geselecteerd hebt, moet u op EXIT/
261
10 Infotainment
Radiofuncties
10
Nieuws, NEWS STATION
Automatische afstemfunctie, AF
EON (Enhanced Other Networks)
Onder NEWS STATION kunt u aangeven van
welke radiozender u nieuws wenst te ontvangen.
Bij activering van functie AF wordt er automatisch afgestemd op het sterkste signaal voor
een bepaalde radiozender. Soms moet de
radio de gehele FM-band doorzoeken om een
sterk zendersignaal te vinden. In dat geval valt
de radio stil en verschijnt de tekst PI zoeken
EXIT voor annuleren op het display.
De functie EON is vooral handig in stedelijke
gebieden met een groot aantal regionale radiozenders. Bij activering van de functie is de
afstand tot de zendmast van een radiozender
bepalend voor de vraag of de weergave van de
actieve geluidsbron kan worden onderbroken
voor uitzendingen van een bepaald programmatype.
Let erop dat functie alleen werkt als de ingestelde zender een RDS-zender is.
NEWS STATION activeren/deactiveren
Stem af op de radiozender met het nieuws dat
u wilt ontvangen.
1. Selecteer RADIO-INSTELLINGEN in het
menu en druk op ENTER.
2. Kies voor NIEUWSZENDER en druk op
ENTER.
3. Kies voor TP STATION en druk op
ENTER.
4. Selecteer Actuele instellen om de functie
te activeren of RESETTEN om de functie
te deactiveren en druk daarna op ENTER.
N.B.
U zult vervolgens alleen nieuws van de
opgeslagen zender doorkrijgen.
AF activeren/deactiveren
1. Selecteer RADIO-INSTELLINGEN in het
menu en druk op ENTER.
2. Kies voor AF en druk op ENTER.
Om de functie AF te deactiveren, moet u nogmaals AF kiezen en op ENTER drukken.
262
• Afstand2 – Ook onderbreking als de zendmast van de zender ver weg staat en zijn
signaal storingen vertoont.
ding van een bepaald programmatype via
andere zenders.
Deze functie maakt het mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is.
EON activeren/deactiveren
1. Selecteer RADIO-INSTELLINGEN in het
1. Selecteer RADIO-INSTELLINGEN in het
menu en druk op ENTER.
2. Kies voor EON en druk op ENTER.
2. Kies voor Regional en druk op ENTER.
4. Om de functie REG te deactiveren moet u
nogmaals voor REG kiezen en op ENTER
drukken.
Standaard-/Fabrieksinstelling.
de zendmast van de radiozender dichtbij
is.
• Uit – Geen onderbreking voor een uitzenRegionale radioprogramma’s, REG
3. De tekst REG verschijnt op het display.
2
• Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer
menu en druk op ENTER.
3. Kies voor Plaatselijk, Afstand of Uit en
druk op ENTER.
10 Infotainment
Radiofuncties
RDS-instellingen resetten
Met de functie Reset alles kunt u alle fabriekinstellingen voor RDS herstellen.
10
1. Selecteer RADIO-INSTELLINGEN in het
menu en druk op ENTER.
2. Kies voor Alles resetten en druk op
ENTER.
3. Druk nogmaals op ENTER om de functie
te activeren.
263
10 Infotainment
Cd-functies
10
Cd aanbrengen (cd-wisselaar)
Pauzeren
–
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler gepauzeerd. Bij het verhogen van het volume wordt
er verder gespeeld.
Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen 1–
6 of met de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de
navigatieknop.
Op het display staat aangegeven welke sleuf
leeg is. De melding Disc plaatsen geeft aan
dat u een volgende cd kunt aanbrengen. De
cd-wisselaar biedt plaats aan 6 cd’s.
G027116
–
Weergave starten (cd-speler)
Een eventuele muziek-cd in de speler wordt
automatisch afgespeeld, wanneer u het audiosysteem in de stand CD zet. Steek anders een
cd in de invoeropening en schakel met
SELECTOR (4) of CD (1) over op de stand CD.
Weergave starten (cd-wisselaar)
Als er een cd-sleuf met een muziek-cd is gekozen, gaat de weergave automatisch van start
wanneer u het audiosysteem inschakelt. Schakel als dat niet het geval is over op de cd-wisselaarstand met SELECTOR (4) of CD (1) en
kies een cd met de cijfertoetsen 1 - 6.
264
Steek een cd in de invoeropening (2) van
de cd-wisselaar.
Cd uitwerpen
U hebt max. 12 seconden de tijd om een uitgeworpen schijf uit te nemen. Als de schijf na
afloop van deze periode nog in de cd-speler zit,
wordt de schijf weer ingenomen en verder
afgespeeld.
Enkele cd’s (cd-speler/cd-wisselaar)
Met een korte druk op de uitwerpknop (3) kunt
u één enkele cd uitwerpen.
Alle cd’s (cd-wisselaar)
Met een lange druk op de uitwerptoets kunt u
alle cd’s uitwerpen. Alle cd’s in het magazijn
worden dan één voor één uitgeworpen. Op het
display verschijnt de tekst UITWERPEN.
De functie is alleen te activeren wanneer de
auto stilstaat. Het uitwerpen wordt onderbroken, als de auto begint te rijden.
Muziekbestanden
De cd-speler ondersteunt behalve standaard
muziek-cd’s ook muziekbestanden in mp3- en
wma-formaat.
N.B.
Sommige muziekbestanden met kopieerbeveiliging kan de speler niet lezen.
Wanneer u een cd met muziekbestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele mapstructuur op de schijf automatisch geladen.
Afhankelijk van de kwaliteit van de schijf kan
het enige tijd duren voordat de schijf wordt
afgespeeld.
Navigeren en afspelen
Als er een disc met muziekbestanden in de cdspeler zit, kunt u met ENTER de mapstructuur
openen. U navigeert op dezelfde manier in de
mapstructuur als in de menustructuur van het
audiosysteem. Muziekbestanden worden aanen mappen
geduid met het symbool
. Druk op
/
, als het dismet
play niet breed genoeg is om de naam van het
10 Infotainment
Cd-functies
muziekbestand in zijn geheel weer te geven.
Met een druk op ENTER. gaat het afspelen van
het gemarkeerde muziekbestand van start.
Wanneer een bepaald muziekbestand helemaal afgespeeld is, worden de overige bestanden in dezelfde map weergegeven. Nadat alle
bestanden in een bepaalde map zijn afgespeeld, wordt er automatisch van map gewisseld.
Versneld vooruit-/achteruitspoelen/Van
track en muziekbestand wisselen
Door kort op
/
te drukken kunt u de
tracks/muziekbestanden op een cd doornemen. Door lang op dezelfde toetsen te drukken
kunt u tracks/muziekbestanden op een cd versneld vooruit-/achteruitspoelen. U kunt daarvoor ook gebruik maken van toetsenset op het
stuurwiel.
Cd doorzoeken
Bij activering van deze functie worden van alle
tracks/muziekbestanden op een cd de eerste
10 seconden weergegeven. Druk op SCAN om
de functie te activeren. Beëindig de functie met
EXIT of SCAN om de weergave van het actuele
nummer/muziekbestand voort te zetten. De
functie SCAN werkt alleen voor de geselecteerde cd. De tekst SCAN verschijnt op het
display, wanneer de functie actief is.
N.B.
Als de functie Disc Text actief is, verschijnt
de melding SCAN niet op het display.
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen
tracks/muziekbestanden op de cd op de
gebruikelijke manier doorbladeren.
N.B.
Bij gebruik van de pijl-links of pijl-rechts
wordt alleen een nieuwe willekeurige track
op de afgespeelde cd geselecteerd.
Activeren/deactiveren (cd-speler)
Tijdens het afspelen van een normale muziekcd:
–
Selecteer RANDOM in het menu en druk
op ENTER.
Tijdens het afspelen van een cd met muziekbestanden:
–
Kies voor Disc of Map in het menu en druk
op ENTER.
Activeren/deactiveren (cd-wisselaar)
Tijdens het afspelen van een normale muziekcd:
1. Selecteer Random in het menu en druk op
ENTER.
2. Ga naar Enkele disc of Alle discs en druk
op ENTER.
10
Het alternatief Alle discs geldt alleen voor de
muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
Tijdens het afspelen van een cd met muziekbestanden:
1. Kies voor Enkele disc of Map in het menu
en druk op ENTER.
2. Ga naar de gewenste cd of map en druk op
ENTER.
Wanneer u een andere cd kiest, wordt de functie gedeactiveerd.
Afhankelijk van het type willekeurige afspeelvolgorde dat geselecteerd is, verschijnt er een
bepaalde displaymelding:
• RANDOM houdt in dat de tracks op
slechts een van de muziek-cd’s worden
afgespeeld.
• RANDOM ALL houdt in dat alle tracks op
alle muziek-cd’s in de cd-speler worden
afgespeeld.
• RANDOM Map houdt in dat de muziekbestanden in een willekeurige map op de
gekozen cd worden afgespeeld.
265
10 Infotainment
Cd-functies
N.B.
Als de functie Disc Text actief is, verschijnen
deze meldingen niet.
10
Tekst disc
Eventuele titelgegevens op een cd kunnen via
het display worden weergegeven.
Activeren/deactiveren
Start de weergave van een cd.
–
Selecteer Tekst disc in het menu en druk
op ENTER.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs
helemaal uitblijft.
WAARSCHUWING
Speel uitsluitend standaard-cd’s af (met een
diameter van 12 cm). Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket losraken en schade aan de cd-speler veroorzaken.
266
10 Infotainment
Menusysteem, audiosysteem
MENU FM1
MENU AM
1.
News
1.
2.
TP
3.
Radio text
MENU CD
4.
RADIO-INSTELLINGEN
1.
Random
4.1.
PTY
2.
News
4.2.
TP
3.
TP
4.3.
NIEUWSZENDER
4.
Tekst disc
4.4.
AF
5.
AUDIOMODUS*2
4.5.
Regional
4.6.
EON
4.7.
Alles resetten
5.
AUDIOMODUS*
5.1.
1
2
Surround
5.2.
Equalizer voor
5.3.
Equalizer achter
5.4.
Alles resetten
AUDIOMODUS*2
10
MENU AUX
1.
Volume AUX-ingang
2.
News
3.
TP
4.
AUDIOMODUS*2
Welke RDS-functies beschikbaar zijn hangt af van de markt.
Zie MENU FM.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
267
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
Onderdelen van het telefoonsysteem
268
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Toetsenset* op stuurwiel – Met de toetsenset op het stuurwiel kunt u de meeste
functies van uw telefoonsysteem regelen.
Wanneer de telefoonsysteem in de actieve
stand staat, kunt u de toetsenset op het
stuurwiel alleen gebruiken voor de telefoonfuncties. In de actieve stand staan er
altijd telefoongegevens op het display.
Microfoon – De microfoon voor de handsfree-functie zit aan het plafond bij de zonneklep.
Simkaartlezer – U brengt de simkaart aan
de voorkant van het bedieningspaneel in.
Bedieningspaneel op middenconsole –
Alle telefoonfuncties (behalve het
gespreksvolume) zijn te regelen via het
bedieningspaneel.
Antenne – De antenne is tegen de voorruit
aangebracht, achter de achteruitkijkspiegel.
Algemene informatie
Bediening
• De verkeersveiligheid staat altijd voorop.
• Schakel het telefoonsysteem uit tijdens het
10
tanken.
• Schakel het systeem uit in gebieden waar
met explosieven wordt gewerkt.
• Volvo adviseert u servicewerkzaamheden
aan het telefoonsysteem over te laten aan
een erkende Volvo-werkplaats.
Noodoproepen
Ook zonder een simkaart is het mogelijk het
alarmnummer te bellen. Uw auto moet zich
echter wel binnen het dekkingsgebied van een
gsm-provider bevinden.
G027117
Onderdelen van het telefoonsysteem
Display
1. Activeer het telefoonsysteem.
2. Kies het alarmnummer van het land waarin
u zich bevindt (112 binnen de EU).
3. Druk op de knop ENTER op het bedieningspaneel of die van de toetsenset op
het stuurwiel.
ENTER – Gesprekken beantwoorden,
menuselecties verrichten of telefoon activeren die stand-by staat
Aan/uit/stand-by
EXIT/CLEAR – Een gesprek beëindigen/
weigeren, terugbladeren in menu’s, een
keuze annuleren of ingevoerde cijfers/
tekens wissen
Simkaarthouder
Keuzetoets menu-opties
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
269
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
Knop aan/uit/stand-by
Volumeverlaging tijdens gesprekken
Systeem activeren:
Als de telefoon gaat terwijl u naar de radio luistert, wordt het volume verlaagd zodra u het
gesprek aanneemt. Na afloop van het gesprek
speelt de radio op het oude volume verder. U
kunt het radiovolume ook tijdens het gesprek
bijregelen, waarna de radio na afloop van het
gesprek op het nieuwe volume verder speelt.
U kunt het geluid van het audiosysteem ook
helemaal uitzetten tijdens een telefoongesprek, zie pagina 278.
–
Druk op de knop PHONE (3) om het telefoonsysteem in te schakelen.
Systeem uitschakelen:
–
Houd de knop PHONE ingedrukt om het
telefoonsysteem uit te schakelen
Zet het systeem als volgt stand-by:
1. Druk korte tijd op de knop PHONE of druk
op de knop EXIT/CLEAR om het telefoonsysteem stand-by te zetten.
Alfanumerieke toetsen voor telefoon en
sneltoets in menu’s
Pijl-links/pijl-rechts – vooruit- of achteruitbladeren bij de invoer van tekst en/of nummers
Gespreksvolume verhogen/verlagen. De
telefoon maakt geen gebruik van de middenluidspreker*
270
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Druk korte tijd op de knop PHONE om het
systeem opnieuw te activeren.
Wanneer de telefoon actief is of stand-by staat,
staat er een hoorn op het display.
Als u het contact uitschakelt terwijl het telefoonsysteem actief is, zal het telefoonsysteem
eveneens actief zijn wanneer u het contact
opnieuw inschakelt. Wanneer het telefoonsysteem gedeactiveerd is, kunt u geen gesprekken aannemen.
De functie geldt alleen voor het geïntegreerde
telefoonsysteem van Volvo.
Stand-by
Wanneer het telefoonsysteem stand-by staat,
kunt u gesprekken aannemen terwijl het audiosysteem aanstaat en er informatie van de
geluidsbronnen van het audiosysteem op het
display verschijnt.
Om van de overige functies van het telefoonsysteem gebruik te maken moet de telefoon in
de actieve stand staan.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Sneltoetsen in menu’s
Simkaart
4. Zorg dat de afgeschuinde hoek van de
simkaart overeenkomt met die van de houder.
Wanneer u met de menutoets naar het menusysteem bent gesprongen, kunt u gebruik
maken van de numerieke toetsen in plaats van
de pijltoetsen en de knop ENTER om naar het
gewenste submenu op het hoofdniveau te
springen. Iedere menu-optie heeft een bepaald
nummer. Het nummer van het geselecteerde
menu staat samen met de naam van de menuoptie op het display weergegeven.
5. Duw de houder weer naar binnen toe.
Neem bij problemen met de simkaart contact
op met uw netwerkprovider.
Bellen en gesprekken aannemen
Bellen:
–
In het menu 5.6 kunt u deze snelheidsbegrenzing opheffen.
G026980
Verkeersveiligheid
Om veiligheidsredenen zijn delen van het
menusysteem voor de telefoon niet toegankelijk bij snelheden hoger dan 8 km/h. U kunt de
begonnen activiteiten in het menusysteem
echter nog wel beëindigen.
10
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart
(Subscriber Identity Module). U hebt deze kaart
van uw provider ontvangen.
Breng altijd de simkaart aan, als u gebruik wilt
maken van het telefoonsysteem.
Kies het nummer en druk op ENTER op de
toetsenset op het stuurwiel of het bedieningspaneel.
Inkomende gesprekken aannemen:
–
Druk op ENTER. U kunt ook gebruik
maken van de automatische aanneemfunctie Auto antw., zie pagina 278.
Het geluid van het audiosysteem kan automatisch worden uitgeschakeld tijdens een
gesprek, zie pagina 278.
1. Schakel het telefoonsysteem uit.
2. Duw de simkaarthouder naar buiten toe
door de houder korte tijd in te drukken.
3. Leg de simkaart dusdanig in de houder dat
de kant met het metaal omlaagwijst.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
271
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Gesprekken beëindigen
10
–
Druk op EXIT/CLEAR van de toetsenset
op het stuurwiel of het bedieningspaneel.
Het audiosysteem gaat weer in de voorgaande
stand staan.
2. Blader verder naar One-key bell. (zie
pagina 278) en druk op ENTER.
Tijdens het bellen een tweede gesprek
aannemen
3. Druk op de sneltoets waaronder u het snelnummer wilt opslaan. Druk ter bevestiging
op ENTER.
Als u tijdens het bellen twee korte geluidssignalen hoort, komt er een tweede gesprek binnen. U kunt deze functie in- of uitschakelen in
dit menu.
U weigert inkomende gesprekken met een
druk op de knop EXIT/CLEAR.
4. Zoek de naam of het telefoonnummer van
uw keuze op in het telefoonboek. Druk op
ENTER om een keuze te maken.
Laatst gekozen nummers
Verkort kiezen
Het telefoonsysteem slaat automatisch de tien
laatst gekozen telefoonnummers/namen op.
1. Houd de gewenste sneltoets ca. twee
seconden ingedrukt om te bellen of druk
eerst kort op de cijfertoets en daarna op de
knop ENTER.
1. Druk op ENTER van de toetsenset op het
stuurwiel of op het bedieningspaneel.
2. Blader met de pijltoetsen vooruit of achteruit door de laatst gekozen nummers. De
nummers verschijnen op het display.
2. Na inschakeling van de telefoon moet u
enkele seconden wachten, voordat u
gebruik kunt maken van de functie verkort
kiezen.
3. Druk op ENTER.
N.B.
Verkort kiezen
Snelnummers opslaan
De nummers die zijn opgeslagen in het telefoonboek van het systeem kunt u koppelen aan
een bepaalde sneltoets (1–9).
U doet dat als volgt:
1. Selecteer Telefoonboek in het menu en
druk op ENTER.
272
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Om snelnummers te kunnen gebruiken
moet menu-optie 3.4 geactiveerd zijn. Zie
Verkort kiezen onder Beschrijving van
menu-opties op pagina 277.
U kunt het tweede gesprek vervolgens wel of
niet aannemen. Als u het gesprek niet wilt aannemen, moet u op EXIT/CLEAR drukken of
niets doen.
Als u het gesprek wilt aannemen, moet u op
ENTER drukken. U parkeert het lopende
gesprek dan tijdelijk. Als u op EXIT/CLEAR
drukt, worden beide gesprekken beëindigd.
Functies tijdens het bellen
Tijdens het bellen kunt u de volgende functies
activeren (blader met de pijltoetsen en druk op
ENTER om een keuze te maken)
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Ruggespraakstand
Parkeren/Hervatten
Om het lopende wel
of niet te parkeren
Telefoonboek
Telefoonboek bekijken
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Ruggespraakstand
Telefoonboek
Telefoonboek bekijken
Koppelen
Swap
Om twee gespreken
tegelijk te voeren
(conferentie)
Om te wissen tussen
de twee gesprekken
Gespreksvolume
Verhoog of verlaag het gespreksvolume door
tijdens het gesprek op de toetsen + of - van de
toetsenset op het stuurwiel te drukken.
Wanneer de telefoon in de actieve stand staat,
kunt u met de toetsenset op het stuurwiel
alleen de telefoonfuncties regelen.
Als u de toetsen wilt gebruiken om instellingen
in het audiosysteem te verrichten, moet u eerst
de telefoon stand-by zetten, zie pagina 270.
Telefoonboek
Nummers uit het geheugen bellen
Telefoonnummers en namen kunt u in het
geheugen van de telefoon zelf opslaan of in het
geheugen op de simkaart.
10
Wanneer u een gesprek aanneemt afkomstig
van een van de nummers die in het telefoonboek liggen opgeslagen, wordt de bijbehorende naam op het display weergegeven.
AM FM
CD
LUM
VO E
MY KEY
PHONE
LE CTOR
SE
SOUND
POWER
EXI T
ENTER
2
ABC
1
4
GHI
U kunt maximaal 255 namen in het geheugen
van de telefoon opslaan.
7
PQRS
AUTO
*
3
DEF
CLEAR
MENU
5
6
JK L
MNO
8
9
TUV WXYZ
0
SCAN
#
Telefoonnummers met namen opslaan
G027118
Wanneer u tijdens het bellen een tweede
gesprek hebt geparkeerd, kunt u de volgende
functies activeren (blader met de pijltoetsen en
druk op ENTER om een keuze te maken)
1. Druk op de knop MENU, kies voor
Telefoonboek en druk op ENTER.
2. Ga naar Nieuwe invoer en druk op
ENTER.
3. Voer een naam in en druk op ENTER.
–
Druk op de pijl-omlaag (1) van de MENUop het stuurwiel om het
toetsen of op
telefoonboek te doorzoeken.
4. Voer een nummer in en druk op ENTER.
Kies uit de volgende mogelijkheden:
5. Geef aan in welk geheugen u wilt opslaan
en druk vervolgens op ENTER.
1. Druk op ENTER en blader met de pijltoetsen naar de naam van uw keuze.
2. Druk op de toets die overeenkomt met de
eerste letter van de bijbehorende naam (of
voer de complete naam in) en druk op
ENTER.
3. Druk op ENTER om het geselecteerde
nummer te bellen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
273
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Namen (of berichten) invoeren
10
Druk op de toets met het teken van uw keuze:
druk eenmaal op de toets om het eerste teken
van de toets in te voeren, tweemaal om het
tweede teken in te voeren enz. Druk op de 1
om een spatie in te voegen.
1
spatie 1- ? ! , . : " ' ( )
2
abc2äåàæç
3
def3èé
4
ghi4ì
5
jkl5
#
EXIT
Wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters.
Het laatst ingevoerde teken wissen. Wanneer u de toets lang ingedrukt houdt, kunt u het nummer of
de tekst in zijn geheel wissen.
Veel providers bieden een dubbele simkaart
aan: een voor de autotelefoon en een voor een
andere telefoon. Als u over een dubbele simkaart beschikt, kunt u hetzelfde nummer voor
twee verschillende telefoons gebruiken. Neem
contact op met uw provider over de mogelijkheden en het gebruik van een dubbele simkaart.
Tekstinvoer afbreken
mno6ñöòØ
7
pqrs7ß
8
tuv8üù
9
wxyz9
*
Om tweemaal achtereen hetzelfde
teken op de toets in te voeren.
0
+0@*#&$£/%
274
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Specificaties
2. Keer terug naar het menu door nogmaals
lang op de knop EXIT/CLEAR te drukken.
Vermogen
2W
Simkaart
klein, 3 V
Geheugenposities
255A
Sms
ja
Data/Fax
nee
Dualband
ja (900/1800)
Dubbele simkaart
A
G026980
6
1. U kunt alle ingevoerde tekens wissen door
lang op de knop EXIT/CLEAR te drukken.
255 geheugenposities in het geheugen van de telefoon. Het
aantal geheugenposities op de simkaart verschilt afhankelijk
van het abonnement.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
IMEI-nummer
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEInummer van de telefoon aan uw netwerkprovider doorgeven. Dit nummer is een serienummer bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon
geprogrammeerd is. Toets *#06# op uw telefoon in om het nummer op het display te zien.
Noteer dit nummer en bewaar het op een veilige plaats.
10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
275
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
Overzicht
10
1.
Verk. kiezen
4.6.2
Indien bezet
Logboek
2.4.1
Actief
4.6.3
Niet beantw.
1.1.
Gem. oproep
2.4.2
Nummer kiezen
4.6.4
Niet bereikb.
1.2.
Ontvangen oproepen
2.5.
SIM wissen
4.6.5
Faxoproepen
1.3.
Gebeld
2.6.
Wis telefoon
4.6.6
Data-gesprek
1.4.
Wis bellijst
2.7.
Geheugengebr.
4.6.7
Alles annul.
1.5.
2.
1
276
2.4.
1.4.1
Allemaal
1.4.2
Gemist
3.1.
Lezen
5.1.
Autotelefoon
1.4.3
Ontvangen
3.2.
Invoeren
5.2.
Telefoon toevoegen
1.4.4
Gebeld
3.3.
Inst. boodsch.
5.3–7. Toegevoegde telefoons1
3.
Berichten
Belduur
1.5.1
Laatste gespr.
1.5.2
Gespreksteller
1.5.3
Totale tijd
1.5.4
Timer resetten
4.
5.
3.3.1
SMSC nummer
3.3.2
Geldigh.duur
3.3.3
Soort boodsch.
Belopties
4.1.
Nummer verz.
Telefoonboek
4.2.
Oproep wacht
2.1.
4.3.
Autom. antw.
Zoeken
2.2.
Nieuwe invoer
4.4.
Automatisch herkiezen
2.3.
Alles kopie
4.5.
Voicemail-nummer
2.3.1
SIM naar tel
4.6.
Doorschakelen
2.3.2
Tel naar SIM
Max. 5 telefoons.
4.6.1
Allemaal
Van telefoon wisselen
N.B.
Het bovenstaande menu geldt alleen voor
auto’s met BluetoothTM-handsfree.
6.
Inst. tel.
6.1.
6.2.
Netwerk
6.1.1
Automatisch
6.1.2
Handm. kiezen
SIM beveil.
6.2.1
Aan
6.2.2
Uit
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
6.2.3
Automatisch
6.3.
Pincode wijzigen
6.4.
Audio
6.4.1
Belvolume
6.4.2
Belsignaal
6.4.3
Radio mute
6.4.4
Berichttoon
1.4. Wis bellijst
2.3.1.
De lijsten wissen in de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3
zoals hieronder beschreven.
Van het geheugen op de simkaart naar
dat van de telefoon
2.3.2.
Van het geheugen van de telefoon naar
dat op de simkaart
1.4.1.
All
1.4.2.
Gemist
2.4. Sneltoetsfunctie
1.4.3.
Ontvangen
1.4.4.
Uitgaande
Nummers die zijn vastgelegd in het telefoonboek opslaan als snelnummer.
2.5. SIM wissen
1.5. Belduur
Het geheugen op de simkaart geheel wissen.
De duur van alle gesprekken of van het laatste
gesprek. Om de gespreksteller te resetten hebt
u de telefooncode nodig (zie menu 5.4).
2.6. Wis telefoon
1.5.1.
Laatste gespr.
2.7. Geheugengebr.
1.5.2.
Gespreksteller
Lijst met gemiste oproepen. U kunt de bijbehorende nummers bellen, wissen of in het telefoonboek opslaan.
1.5.3.
Totale tijd
1.5.4.
Timer resetten
1.2. Ontvangen oproepen
2. Telefoonboek
Bekijken hoeveel geheugenposities er in
beslag genomen worden in het geheugen van
de simkaart en in dat van de telefoon. In de
tabel staat aangegeven hoeveel van de
beschikbare positie er in gebruik zijn (bijvoorbeeld 100 (250)).
2.1. Zoeken
3. Berichten
6.5.
Fabrieksinst.
Beschrijving van menu-opties
1. Logboek
1.1. Gemist
Lijst met beantwoorde oproepen. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
1.3. Gebeld
Lijst met eerder gebelde nummers. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
10
Namen in het telefoonboek zoeken.
2.2. Nieuwe invoer
Het complete geheugen van de telefoon wissen.
3.1. Lezen
Namen en telefoonnummers vastleggen in het
telefoonboek, zie pagina 272.
Ontvangen sms-berichten. U kunt de gelezen
berichten (of delen ervan) wissen, doorsturen,
wijzigen of opslaan.
2.3. Alles kopie
3.2. Opstellen
Telefoonnummers en namen op de simkaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
Met de toetsenset een bericht invoeren. U kunt
het bericht vervolgens opslaan of versturen.
``
277
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
10
3.3. Bericht inst.
4.5. Voicemail-nummer
Het nummer (SMSC-nummer) van de berichtencentrale aangeven waarnaar u uw berichten
wilt doorschakelen en de tijd specificeren dat
de berichten moeten blijven liggen. Neem contact op met uw netwerkprovider voor informatie over de instellingen voor de berichtencentrale. U hoeft de instellingen normaal gesproken niet te wijzigen.
Het nummer van voicemail opslaan.
3.3.1.
SMSC nummer
3.3.2.
Geldigh.duur
De instelling geldt alleen tijdens het lopende
gesprek.
Aangeven of u automatisch of handmatig netwerken wilt selecteren. De geselecteerde provider verschijnt tijdens het inschakelen van het
telefoonsysteem op het display.
3.3.3.
Soort boodschap
4.6.2.
Indien bezet
6.1.1. Automatisch
4.6.3.
Niet beantw.
6.1.2. Handm. kiezen
4. Gespreksopties
4.6.4.
Niet bereikb.
4.1. Nummer verz.
4.6.5.
Faxoproepen
4.6.6.
Data-gesprek
4.6.7.
Alles annul.
Aangeven of uw eigen telefoonnummer wel of
niet op het telefoondisplay van de gebelde persoon moet verschijnen. Neem contact op met
de netwerkprovider voor een permanent
geheim nummer.
In dit menu kunt u aangegeven welke soorten
oproepen moeten worden doorgeschakeld
naar het gespecificeerde telefoonnummer en
wanneer.
4.6.1.
Allemaal
6. Telefooninstellingen
6.1. Netwerk
6.2. SIM beveil.
Aangeven of de invoer van de pincode actief of
inactief moet zijn of automatisch moet verlopen.
6.2.1.
Aan
5. Verwissel telefoon
6.2.2.
Uit
4.2. Oproep wacht
5.1. Autotelefoon
6.2.3.
Automatisch
Aangeven of u wel of geen signaal wilt ontvangen, wanneer er tijdens het bellen een tweede
gesprek wacht.
Geïntegreerde telefoon kiezen.
5.2. Telefoon toevoegen
4.3. Autom. antw.
Mobiele telefoons toevoegen aan de lijst Toegevoegde telefoons.
Inkomende gesprekken automatisch beantwoorden.
5.3–7. Toegevoegde telefoons
4.4. Autom. herh.
Een eerder gekozen nummer bellen.
278
4.6. Doorschakel.
N.B.
Het bovenstaande menu geldt alleen voor
auto’s met BluetoothTM-handsfree.
Verbinding maken met een van de toegevoegde telefoons (maximaal 5 telefoons).
6.3 Pincode wijzigen
Pincode wijzigen. Code noteren en goed
bewaren.
6.4. Geluiden
6.4.1.
VOLUME
Het volume van het belsignaal regelen.
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
6.4.2.
Belsignaal
Er zijn vijf verschillende belsignalen.
6.4.3.
10
On/off
Radio mute.
6.4.4.
Berichttoon
6.5. Fabrieksinstellingen
De fabriekinstellingen van het systeem herstellen.
279
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
Algemene informatie
10
klep (2). U kunt de mobiele telefoon via de
knoppen op de telefoon bedienen of de telefoon nu aangesloten is of niet.
Telefoonfuncties, overzicht
bedieningstoetsen
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats of www.volvocars.com te
bezoeken voor informatie over compatibele
telefoons.
Systeemoverzicht.
Mobiele telefoon
Microfoon
VOLUME – Volume, de toetsenset* op het
stuurwiel biedt dezelfde functie.
Toetsenset* op stuurwiel
Display
Bedieningspaneel in middenconsole
ENTER – Gesprekken beantwoorden,
menuselecties verrichten of telefoon activeren die stand-by staat.
BluetoothTM
Een mobiele telefoon met BluetoothTM is
draadloos aan te sluiten op het audiosysteem.
Het audiosysteem werkt dan als handsfree en
biedt u de mogelijkheid om enkele functies van
uw mobiele telefoon op afstand te bedienen.
De microfoon zit aan het plafond bij de zonne-
280
Bedieningspaneel op middenconsole.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
PHONE – Aan/uit/stand-by.
EXIT – Een gesprek beëindigen/weigeren,
terugbladeren in menu’s, een keuze annuleren of ingevoerde cijfers/tekens wissen.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
Met MENU opent u het menusysteem. Met
de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de navigatieknop loopt u de menu-opties door.
Wanneer u PHONE lang indrukt, deactiveert u
de handsfree-functie en koppelt u een aangesloten telefoon los.
Pijl-links/pijl-rechts – vooruit- of achteruitbladeren bij de invoer van tekst en/of nummers.
Mobiele telefoon aansluiten
Alfanumerieke toetsen voor telefoon en
sneltoets in menu’s.
Beknopte bedieningsinstructies
U regelt de menufuncties vanaf de middenconsole of via de toetsenset op het stuurwiel. Voor
algemene informatie over de menufuncties, zie
pagina 250.
N.B.
Als de auto is uitgerust met zowel
BluetoothTM handsfree als een geïntegreerde telefoon, bevat het telefoonmenu
een extra menu, zie pagina 285.
Activeren/deactiveren
Wanneer u kort op PHONE drukt, activeert u
de handsfree-functie. De melding
TELEFOON boven aan het display geeft aan
dat het systeem in de telefoonstand staat. Het
symbool
geeft aan dat de handsfreefunctie actief is.
Hoe u een mobiele telefoon aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde mobiele telefoon al
dan niet eerder aangesloten was. Als het de
eerste keer is dat u de mobiele telefoon aansluit, dan moet u de onderstaande instructies
volgen:
Alternatief 1 – via het menusysteem van de
auto
1. Maak de mobiele telefoon identificeerbaar/
zichtbaar via BluetoothTM (zie daarvoor de
gebruiksaanwijzing bij de mobiele telefoon
of www.volvocars.com).
2. Activeer de handsfree-functie met
PHONE.
> De menu-optie Telefoon toevoegen
verschijnt op het display. Als u al eerder
een of meer mobiele telefoons hebt
geregistreerd, worden ook deze weergegeven.
3. Kies Telefoon toevoegen.
> Het audiosysteem zoekt naar mobiele
telefoons in de nabije omgeving. Er
wordt ongeveer 30 seconden gezocht.
De gevonden mobiele telefoons ver-
schijnen met hun BluetoothTM-naam op
het display. De handsfree-functie verschijnt onder de BluetoothTM-naam My
Volvo Car op de mobiele telefoon.
10
4. Kies een van de mobiele telefoons op het
display van het audiosysteem.
5. Voer via het toetsenblok van de te registreren mobiele telefoon de cijfercode in die
op het display van het audiosysteem staat.
Alternatief 2 – via het menusysteem van de
auto
1. Activeer de handsfree-functie met
PHONE. Schakel een eventueel eerder
aangesloten telefoon uit.
2. Zoek met de BluetoothTM-functie van de
mobiele telefoon (zie gebruiksaanwijzing
bij de mobiele telefoon).
3. Kies My Volvo Car in de lijst met gevonden eenheden op uw mobiele telefoon.
4. Voer de pincode ‘1234’ in op uw mobiele
telefoon, als er om de pincode wordt
gevraagd.
5. Kies voor aansluiting op My Volvo Car
vanaf de mobiele telefoon.
De mobiele telefoon wordt vervolgens geregistreerd (gekoppeld) en automatisch aangesloten op het audiosysteem, terwijl de melding
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
281
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
10
Bezig met synchr. op het display staat. Voor
meer informatie over het registreren van mobiele telefoons, zie pagina 283.
Wanneer er een aansluiting tot stand gebracht
is, verschijnen het symbool
en de
BluetoothTM-naam op het display. U kunt de
mobiele telefoon vervolgens bedienen via het
audiosysteem.
Bellen
1. Controleer of de melding TELEFOON
boven aan het display staat en of het symbool
zichtbaar is.
2. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek, zie pagina 284.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons moet u om
over te schakelen van de handsfree op de
handset eerst ter bevestiging op het toetsenblok van de mobiel drukken.
Inkomend gesprek
U beëindigt het gesprek met EXIT.
Mobiele telefoon uitschakelen
Automatisch antwoord
De mobiele telefoon wordt automatisch losgekoppeld, als de telefoon buiten het bereik van
het audiosysteem komt. Voor meer informatie
over de aansluiting, zie pagina 283.
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beantwoorden. Activeer/deactiveer de functie onder
HOOFDMENU BELOPTIES Autom.
antw..
U kunt een aansluiting handmatig verbreken
wanneer u de handsfree-functie deactiveert
door PHONE lang in te drukken. De handsfreefunctie wordt eveneens gedeactiveerd bij het
afzetten van de motor.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
• Microfoon dempen – Microfoon van het
audiosysteem uitschakelen.
• Alles doorsch. n mobiel – Gesprek doorschakelen naar de mobiele telefoon.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de
aansluiting verbroken bij gebruik van de
ruggespraakfunctie (dempen). Dit is volkomen normaal. De handsfree-functie stelt
vervolgens de vraag of u opnieuw wilt aansluiten.
Gespreksfuncties
U neemt een gesprek aan met ENTER, ook al
staat het audiosysteem in bijvoorbeeld de
stand CD of FM. Met EXIT kunt u een gesprek
weigeren of beëindigen.
3. Druk op ENTER.
282
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld,
kunt u een eventueel lopend gesprek voortzetten via de ingebouwde microfoon en luidspreker van de mobiele telefoon.
Menu tijdens gesprek
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om toegang te krijgen tot de volgende
functies:
• Telefoonboek – In het telefoonboek van
de mobiele telefoon zoeken.
N.B.
Tijdens een lopend gesprek is het niet
mogelijk een tweede gesprek te beginnen.
Audio-instellingen
Gespreksvolume
U kunt het gespreksvolume bijregelen tijdens
het bellen. Maak gebruik van de toetsenset* op
het stuurwiel.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
Volume audiosysteem
In de telefoonstand (TELEFOON) is het volume
van het audiosysteem op de gebruikelijke wijze
bij te regelen met VOLUME.
Het is mogelijk de weergave van de actieve
geluidsbron te onderdrukken bij inkomende
telefoongesprekken onder HOOFDMENU
INSTELLINGEN TELEFOON GELUID EN
VOLUME Radio dempen.
Beltoonvolume
Ga naar HOOFDMENU INSTELLINGEN
TELEFOON GELUID EN VOLUME
Volume belsignalen en stel bij met
/
op
het bedieningspaneel van de middenconsole.
Belsignalen
U kunt een van de ingebouwde beltonen van
de handsfree-functie kiezen onder
HOOFDMENU INSTELLINGEN
TELEFOON GELUID EN VOLUME
Belsignalen Belsignaal 1 enz.
N.B.
Ook bij gebruik van een van de ingebouwde
beltonen van het handsfree-systeem, zijn de
beltonen van de aangesloten mobiele telefoon nog altijd hoorbaar.
10
Handmatige aansluiting
Ga om de beltonen1 van de aangesloten telefoon te gebruiken naar HOOFDMENU
INSTELLINGEN TELEFOON GELUID EN
VOLUME BELTONEN Belt. mob.
gebruiken.
Ga als volgt te werk, als u in plaats van de laatst
aangesloten mobiele telefoon een nieuwe
mobiele telefoon wilt aansluiten of wilt overschakelen op een andere eerder aangesloten
mobiele telefoon:
Meer informatie over registratie en
aansluiting
Zet het audiosysteem in de telefoonstand
(TELEFOON) en volg de aanwijzingen op het
display of wissel van aangesloten mobiele telefoon door het menusysteem als volgt te gebruiken.
Er kunnen maximaal drie mobiele telefoons
worden geregistreerd. U hoeft een mobiele
telefoon slechts eenmaal te registreren. Na
registratie staat de mobiele telefoon in de lijst
met toegevoegde telefoons. U kunt slechts één
mobiele telefoon tegelijk aansluiten. Het is
mogelijk de registratie van een telefoon te verwijderen onder HOOFDMENU
BLUETOOTH Telefoon verwijderen.
Automatische aansluiting
Wanneer de handsfree-functie actief is en de
laatst aangesloten mobiele telefoon binnen het
bereik ligt, wordt deze telefoon automatisch
1
opnieuw aangesloten. Terwijl het audiosysteem op zoek is naar de laatst aangesloten
telefoon staat de naam van deze telefoon op
het display. Druk op EXIT om handmatig een
andere telefoon aan te sluiten.
Welke van de twee mogelijke versies van het
menusysteem er op uw auto zit, hangt af van
de vraag of de auto alleen voorzien is van
BluetoothTM of ook een geïntegreerde telefoon.
• Bij auto’s met alleen BluetoothTM verricht u
de aansluiting onder HOOFDMENU
BLUETOOTH Van telefoon wisselen
Telefoon toevoegen of kies een van de
eerder aangesloten telefoons.
• Bij auto’s met zowel een geïntegreerde
telefoon als BluetoothTM verricht u de aan-
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
283
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
10
sluiting onder HOOFDMENU Van
telefoon wisselen Telefoon
toevoegen of kies een van de eerder aangesloten telefoons.
Telefoonboek
Voor alle telefoonboekfuncties geldt dat de
melding TELEFOON boven aan het display
zichtbaar
moet staan en dat het symbool
moet zijn.
Het audiosysteem slaat van elk van de geregistreerde mobiele telefoons een kopie van het
telefoonboek op. Het telefoonboek wordt bij
iedere aansluiting automatisch naar het audiosysteem gekopieerd. U kunt de functie deactiveren onder INSTELLINGEN TELEFOON
Tel.boek synchr.. Bij het zoeken van contacten werkt u alleen met het telefoonboek van de
aangesloten mobiele telefoon.
N.B.
Als de mobiele telefoon geen ondersteuning
biedt voor het kopiëren van het telefoonboek, verschijnt na afloop van het kopiëren
de melding De lijst is leeg.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het display.
284
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Contacten zoeken
U kunt het eenvoudigst naar bepaalde gegevens in het telefoonboek zoeken door de knoppen 2–9 lang in te drukken. Het telefoonboek
wordt dan doorzocht op posten die beginnen
met de eerste letter van de ingedrukte toets.
Het telefoonboek is eveneens te bereiken met
op het bedieningspaneel van de
de toets
van de toetsenset
middenconsole of met
op het stuurwiel. Blader de contactpersonen
door met de toetsen
/
of met
/
. U kunt een zoekopdracht tevens starten
vanuit het zoekmenu van het telefoonboek
onder TELEFOONBOEK Zoeken:
1. Voer de eerste letter in van het contact dat
u zoekt en druk op ENTER. Of druk alleen
op ENTER.
2. Ga naar het contact van uw keuze en druk
op ENTER om het bijbehorende nummer
te bellen.
Spraakherkenning
U kunt gebruik maken van de spraakherkenningsfunctie (voice tags) van de mobiele telefoon door ENTER ingedrukt te houden.
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de spraakherkenningsfunctie. Volvo adviseert u contact op te nemen
met een erkende Volvo-dealer of
www.volvocars.com te bezoeken voor
informatie over compatibele telefoons.
Voicemail-nummer
U kunt het voicemail-nummer wijzigen onder
BELOPTIES Nr voicemail:. Als er nog geen
nummer opgeslagen is, kunt u het bijbehorende menu openen door lang op 1 te drukken.
Druk vervolgens lang op 1 om het ingevoerde
nummer te gebruiken.
Gesprekslijsten
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar de handsfree-functie gekopieerd en worden vervolgens tijdens de aansluiting bijgehouden. Druk op ENTER om de laatst
gebelde nummers te bekijken. De overige
gesprekslijsten staan onder
GESPREKSLIJST.
N.B.
Sommige mobiele telefoons geven de lijst
met laatst gekozen nummers in omgekeerde volgorde weer.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
Tekst invoeren
Met de toetsenset op de middenconsole kunt
u tekst invoeren. Druk eenmaal om het eerste
teken op de toets in te voeren, tweemaal om
het tweede teken in te voeren enz. (zie tabel op
pagina 274).
2.
3.
Kopiëren naar tel.
3.2.
N.B.
5.
Ltste 10 gemiste
1.2.
Ltste 10 beantw.
1.3.
Ltste 10 gebelde
1.
Van telefoon wisselen
Telefoon toevoegen
2.
Telefoon verwijderen
3.3.
Aansluiten van mob. tel.
3.4.
Bluetooth-info v. auto
3.
BELOPTIES
4.1.
Autom. antw.
4.2.
Nr voicemail
4.
INSTELLINGEN TELEFOON
5.1.
GESPREKSLIJST
1.1.
Menusysteem - BluetoothTMhandsfree en geïntegreerde telefoon
BLUETOOTH
3.1.2–6.Toegevoegde telefoons2
4.
2
Zoeken
2.2.
3.1.1.
Menusysteem, BluetoothTM-handsfree
1.
2.1.
3.1.
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens. Gebruik
/
op het bedieningspaneel van de middenconsole om de verschillende tekens te
doorlopen.
Het menusysteem voor BluetoothTM-handsfree is verkrijgbaar in twee versies. Eén
voor auto’s met alleen BluetoothTM-handsfree en één voor auto’s met een geïntegreerde telefoon en BluetoothTM-handsfree.
TELEFOONBOEK
GELUID EN VOLUME
1.1.
Ltste 10 gemiste
1.2.
Ltste 10 beantw.
1.3.
Ltste 10 gebelde
2.1.
Zoeken
2.2.
Kopiëren naar tel.
BLUETOOTH
3.1.
Telefoon verwijderen
3.2.
Aansluiten van mob. tel.
3.3.
Bluetooth-info v. auto
BELOPTIES
4.1.
Autom. antw.
4.2.
Nr voicemail
Van telefoon wisselen
Volume belsignalen
5.1.2.
Belsignalen
5.1.
Autotelefoon
Radio dempen
5.2.
Telefoon toevoegen
Tel.boek synchr.
10
TELEFOONBOEK
5.1.1.
5.1.3.
5.2.
5.
GESPREKSLIJST
5.3–7. Toegevoegde telefoons2
Maximaal 5 telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
285
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
6.
10
INSTELLINGEN TELEFOON
6.1.
6.2.
286
GELUID EN VOLUME
6.1.1.
Volume belsignalen
6.1.2.
Belsignalen
6.1.3.
Radio dempen
Tel.boek synchr.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Infotainment
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee tv-schermen*
Algemene informatie
Muziek
Verschillende afspeelmethoden
Het RSE-systeem kan gelijktijdig met het infotainmentsysteem gebruikt worden.
Cd beluisteren
De cd is op verschillende manieren af te spelen. Kies met de navigatietoetsen de gewenste
afspeelmethode.
Ook als de achterpassagiers gebruik maken
van de dvd-speler of de RSE-AUX-ingang en
daarbij de hoofdtelefoon dragen, kunnen de
bestuurder en een eventuele voorpassagier de
radio of cd-speler blijven beluisteren.
Stroomverbruik, contactstanden
Het systeem is te activeren in contactstand I of
II en wanneer de motor loopt. Bij het starten
van de motor wordt de filmweergave tijdelijk
gestopt en voortgezet wanneer de motor is
aangeslagen.
1. Plaats een cd met de etiketzijde van de
toetsen af gericht.
> De cd wordt automatisch afgespeeld.
2. Schakel de draadloze hoofdtelefoon(s) in
(kies CH A voor het linker tv-scherm of CH
B voor het rechter tv-scherm).
> Het geluid wordt via de hoofdtelefoon(s)
weergegeven.
3. Stel het volume van de hoofdtelefoon(s) in
via de volumeregeling of met het instelwieltje op de hoofdtelefoon(s) zelf.
Wanneer het dialoogvenster zichtbaar is:
1. Druk op de rechter navigatietoets om naar
het rechter menu te springen.
2. Blader met de navigatietoetsen om een
keuze te maken uit de afspeelopties.
3.
A B van de
AUX zetten en op de toets
afstandsbediening drukken om het geluid
via de luidsprekers weer te geven.
–
Bij langdurig gebruik (meer dan 10 minuten)
van het systeem met de motor uitgeschakeld, kan de ladingstoestand van de accu
dusdanig verslechteren dat de motor startproblemen vertoont.
1.
Er verschijnt in dat geval een melding op het
scherm.
2.
Druk op
.
3. Kies met de navigatietoetsen het bestand
van uw keuze.
4.
Druk op
of
Pauzeren
1. Plaats de cd.
2.
Kies een andere cd-track met
. Spoel voor- of achteruit door de
toetsen ingedrukt te houden.
Map op de cd kiezen
N.B.
.
Bevestig uw keuze met
Andere cd-track
U kunt het audiosysteem ook in MODE-
Wanneer het systeem eenmaal gebruikt is terwijl het contact niet in stand I stond, is verder
gebruik geblokkeerd. U kunt het systeem dan
pas weer activeren nadat u contactstand I hebt
geactiveerd.
10
3.
Met
kunt u de cd-weergave pauzeren of voortzetten.
Met
digen.
kunt u de cd-weergave beëin-
Druk nogmaals op
werpen.
om de cd uit te
om een submap te kiezen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
287
10 Infotainment
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee tv-schermen*
10
Zelfgebrande cd’s/dvd’s zijn te
beluisteren.
Aansluiten op AUX-ingang RSE-systeem
Systeem
Formaten die door het systeem worden ondersteund.
De afspeelbaarheid en de geluidskwaliteit zijn
echter afhankelijk van het bronbestand, het
gehanteerde formaat en de kwaliteit van de
gebruikte cd/dvd.
AUX-ingang, 12V-aansluiting
De ingang dient om randapparatuur te kunnen
aansluiten. Volg altijd de aansluitinstructies op
van de fabrikant of de verkoper van de
gebruikte randapparatuur. Randapparatuur die
via de AUX-ingang van het RSE-systeem is
aangesloten kan gebruik maken van de tvschermen, de draadloze hoofdtelefoons, de
uitgangen voor hoofdtelefoons met een snoeraansluiting en de luidsprekers van het audiosysteem.
N.B.
Om het geluid van het RSE weer te geven
via de luidsprekers in de auto dient de schakelaar voor audio AUX/RSE in de stand
RSE staan, zie pagina 252.
288
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Audioformaten
CD-DA, DVD-Audio Playback,
MP3, WMA
Videoformaten
DVD-video, VCD, SVCD, Divx/
MPEG-4, WMA-video, Photo CD
Kodak, Photo CD JPG
Schijfformaten
DVD-RAM, DVD-ROM, DVD-RW,
DVD+RW, DVD-R, DVD+R, CD-R,
CD-ROM, CD-RW, CD-3, HDCD
G015700
De AUX-ingang van het RSE-systeem zit onder de
dvd-speler in de middenconsole.
1. Sluit de videokabel aan op de gele ingang.
2. Sluit de linker geluidskabel aan op de witte
ingang en de rechter op de rode ingang.
3. Sluit de voedingskabel aan op de elektrische aansluiting als de apparatuur op 12 V
werkt.
Geavanceerde systeeminstellingen
Deze instellingen zijn alleen toegankelijk wanneer de dvd-speler leeg is.
–
Druk op MEDIA MENU.
GENERAL SETUP
ANGLE MARK
CAPTION
AUDIO SETUP
COMPRESSION
10 Infotainment
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee tv-schermen*
1. Draai het boutje los en haal het dekseltje
van het batterijvakje.
DVX(R)
REGISTRATION
PREFERENCES
2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe
batterijen op de aangegeven manier in het
batterijvakje.
TV TYPE
AUDIO
3. Breng het dekseltje aan en draai het boutje
vast.
SUBTITLE
DEFAULTS
3. Breng het dekseltje aan en draai het boutje
vast.
10
N.B.
Als het systeem te heet is of als de accuspanning te laag is, geeft een melding op
het scherm dat aan.
Milieuzorg
Lege batterijen moet u op een milieuvriendelijke manier inzamelen.
Batterijen in afstandsbediening en
hoofdtelefoon(s) vervangen
De afstandsbediening en de hoofdtelefoon(s)
werken op twee batterijen van het type AAA.
G030395
Neem bij lange ritten extra batterijen mee.
Draadloze hoofdtelefoons
G031359
1. Draai het boutje los en haal het dekseltje
van het batterijvakje.
2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe
batterijen op de aangegeven manier in het
batterijvakje.
Afstandsbediening
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
289
Type-aanduiding...................................................................................
Maten en gewichten..............................................................................
Motorspecificaties.................................................................................
Motorolie...............................................................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen.............................................................
Brandstof..............................................................................................
Wielen en banden, maten en spanning ................................................
Katalysator............................................................................................
Elektrisch systeem................................................................................
Typegoedkeuring .................................................................................
Displaysymbolen...................................................................................
290
292
294
297
298
300
302
304
305
306
308
309
SPECIFICATIES
11 Specificaties
Type-aanduiding
11
292
11 Specificaties
Type-aanduiding
Wanneer u contact opneemt met de erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
Typeaanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer. Bij het openen van het rechter
achterportier is de sticker zichtbaar.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
11
Motorcode, onderdeel- en serienummer.
Sticker voor motorolie.
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak:
automatische versnellingsbak AW
handgeschakelde versnellingsbak
automatische versnellingsbak
Sticker voor standverwarming.
Het identificatienummer van de auto (VIN –
Vehicle Identification Number).
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
293
11 Specificaties
Maten en gewichten
Maten
11
294
Maten
mm
Maten
mm
A
Wielbasis
2857
H
Spoorbreedte achteras
1624
B
Lengte
4807
I
Laadbreedte, vloer
1064
C
Laadlengte, vloer, achterbank
neergeklapt
2018
J
Breedte
1936
K
Breedte incl. buitenspiegels
2112
D
Laadlengte, vloer
1118
L
Hoogte
1784
Breedte incl. ingeklapte buitenspiegels
1936
E
F
Laadhoogte, vloer
G
Spoorbreedte vooras
872
1634
Gewichten
Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het
gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de
resterende oliën/vloeistoffen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (bij
gebruik van een aanhanger (zie tabel)) zijn van
invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
11 Specificaties
Maten en gewichten
N.B.
WAARSCHUWING
Het gedocumenteerde rijklaar gewicht geldt
voor een auto in standaarduitvoering –
d.w.z. een auto zonder extra uitrusting of
accessoires. Dit betekent dat voor ieder
accessoire dat wordt toegevoegd het laadvermogen van de auto met het gewicht van
het desbetreffende accessoire moet worden verminderd.
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Max. treingewicht (auto+aanhanger)
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
11
Uitrustingsniveau
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Voorbeelden van accessoires die een vermindering van het laadvermogen betekenen
zijn auto’s in de uitvoeringen Kinetic,
Momentum en Summum alsmede zaken als
trekhaken, lastdragers, skiboxen, audiosystemen, verstralers, gps-systemen, brandstofkachels, veiligheidsrekken, matten,
bagagerolhoezen/-afdekkingen, elektrisch
bediende stoelen, etc.
Een weegbrug is een betrouwbaar instrument om het rijklaar gewicht voor uw auto
te bepalen.
Max. totaalgewicht
Max. dakbelasting: 100 kg
Voor de positie van de sticker, zie pagina 292.
Trekgewichten en kogeldrukwaarden
Motor
Max. gewicht geremde aanhanger, kg
Max. kogeldruk, kg
D3 FWD
1800
90
overige
2250
90
295
11 Specificaties
Maten en gewichten
11
296
Max. gewicht ongeremde aanhanger, kg
Max. kogeldruk, kg
750
50
11 Specificaties
Motorspecificaties
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
A
B
Motor
MotorcodeA
Vermogen
(kW bij
omw/min)
Vermogen
(pk bij
omw/min)
Motorkoppel
(Nm bij omw/
min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
(mm)
Slaglengte
(mm)
Cilinderinhoud
(liter)
Compressieverhouding
T5
B5254T2
154/5000
210/5000
320/1500-4500
5
83
93,2
2,52
9,0:1
3.2
B6324S5
179/6400
243/6400
320/3200
6
84
96
3,19
10,8:1
D5
D5244T18
147/3900
200/3900
420/1900-2800
5
81,0
93,15
2,40
17,3:1
D5B
D5244T4
136/4000
185/4000
400/2000-2750
5
81
93,15
2,40
17,3:1
D3B
D5244T5
120/4000
163/4000
340/1750-3000
5
81,0
93,15
2,40
17,3:1
11
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 292.
Bepaalde markten
297
11 Specificaties
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
11
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C.
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Controleer het oliepeil eveneens vaker bij korte
ritten (over afstanden kleiner dan 10 km) bij
lage temperaturen (onder +5 °C).
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie.De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het bijvullen als bij het verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
298
11 Specificaties
Motorolie
Motoroliekwaliteit
Motor
Motorcode
Aanbevolen oliekwaliteit
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
A
T5
B5254T2
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca 5,5
3.2
B6324S5
Viscositeit: SAE 0W-30.
ca 6,8
D5
D5244T18
ca 5,9
D5A
D5244T4
ca 5,9
D3A
D5244T5
ca 5,9
11
Bepaalde markten
Voor het bijvullen van motorolie, zie
pagina 217.
299
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Automatische versnellingsbak
11
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven versnellingsbakolie
TF-80SC
7,0
AW1
AW55-51
7,7
JWS 3309
Vloeistoffen
Vloeistof
Systeem
Hoeveelheid (liter)
Koelvloeistof
T5
8,0
3.2
9,7
D3 en D5
8,7
Aanbevolen kwaliteit
Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 % waterA, zie verpakking. Thermostaat opent bij:
benzinemotoren, 90 °C, dieselmotoren, 82 °C
Koudemiddel
Airconditioning
B
R134a (HFC134a)
Olie: PAG
Remvloeistof
Remsysteem
0,6
DOT 4+
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Stuurbekrachtiging
1,0
WSS M2C204-A of een vergelijkbaar product met dezelfde specificatie.
waarvan reservoir
0,2
Ruitensproeiervloeistof
300
6,5
Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof - met antivries bij koude weersomstandigheden
en onder het vriespunt.
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
A
B
Vloeistof
Systeem
Hoeveelheid (liter)
Aanbevolen kwaliteit
Brandstof
Benzinemotor
ca. 80
Benzine: zie pagina 143
Dieselmotor
ca. 68
Diesel: zie pagina 143
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
De hoeveelheid koudemiddel verschilt per motortype. Voor de juiste informatie adviseert Volvo u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
11
BELANGRIJK
Om schade aan de versnellingsbak te voorkomen moet u de aanbevolen kwaliteit versnellingsbakolie gebruiken en geen verschillende merken met elkaar mengen.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde
werkplaats voor service, als er een andere
oliesoort werd gebruikt. Volvo adviseert u
contact op te nemen met de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft u
de versnellingsbakolie nooit te verversen.
Onder ongunstige rijomstandigheden moet
de olie mogelijk wel worden ververst (zie
pagina 298).
301
11 Specificaties
Brandstof
CO2-uitstoot en brandstofverbruik
A
11
A
381 (385)A
16,0 (16,2)A
220 (222)A
9,2 (9,3)A
280 (282)A
11,7 (11,8)A
3.2 AWD
374 (377)A
16,1 (16,1)A
203 (208)A
8,7 (8,9)A
265 (269)A
11,4 (11,5)A
D3
– (283)A
– (10,7)A
– (178)A
– (6,8)A
– (216)A
– (8,2)A
D5 AWD
– (290)A
– (11,0)A
– (179)A
– (6,8)A
– (219)A
– (8,3)A
Waarden tussen haakjes gelden voor zevenzitters.
: liter/100 km
A = stadsverkeer
B = snelwegrit
C = combinatierit
302
C
T5 AWD
: gram/km
1
B
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
hoging van het brandstofverbruik en de uitstoot van kooldioxide.
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in
de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op speciale EU-rijcycli1, die gelden voor een auto met
rijklaar gewicht in standaarduitvoering zonder
extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting
neemt het autogewicht toe. Dit alsook de mate
van belading van de auto zorgt voor een ver-
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor
een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte
van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken
aan factoren als:
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (“EU-rijcycli”) conform de EU-richtlijn 80/1268/EEC (Euro 4), EU Regulation no 692/2008
(Euro 5) alsmede UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer – de meting begint met een koude start van de motor.
Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. De waarde voor combinatierit, die in
de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een combinatie van een stadsrit en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle
uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en leiden tot de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
11 Specificaties
Brandstof
• Uw rijstijl.
• De grotere rolweerstand als u kiest voor
grotere wielen dan de standaardwielen op
de basisuitvoering van het model.
• De grotere luchtweerstand bij hogere snelheden.
• De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de staat van de auto.
Ook wanneer u slechts enkele van de hier
genoemde tips opvolgt, is al een aanzienlijk
lager brandstofverbruik mogelijk. Raadpleeg
voor meer informatie de richtlijnen waar eerder
aan gerefereerd werd1.
• Rijd rustig en voorkom onnodig optrekken
en krachtig remmen.
• Houd de juiste bandenspanning aan en
controleer regelmatig of dat nog steeds zo
is – houd voor de beste resultaten de zogeheten ECO-bandenspanning aan, zie de
bandenspanningstabel op pagina 304.
11
• De bandenkeuze is mogelijk van invloed op
het brandstofverbruik – informeer bij uw
dealer naar passende banden.
Voor meer informatie en tips zie pagina 13 en
140.
Zie pagina 145 voor meer algemene informatie
over brandstof.
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik mogelijk bij een vergelijking met de EUrijcycli1 die gehanteerd worden bij certificering
van de auto en waarop de verbruikscijfers in de
tabel gebaseerd zijn.
Waar u op moet letten
Tips voor de bestuurder om het brandstofverbruik te beperken:
1
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (“EU-rijcycli”) conform de EU-richtlijn 80/1268/EEC (Euro 4), EU Regulation no 692/2008
(Euro 5) alsmede UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer – de meting begint met een koude start van de motor.
Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. De waarde voor combinatierit, die in
de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een combinatie van een stadsrit en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle
uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en leiden tot de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
303
11 Specificaties
Wielen en banden, maten en spanning
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
Motor
Bandenmaat
Snelheid (km/h)
Belading, 1–3 inzittenden
Max. belasting
Voor (kPa)B
Achter
(kPa)
Voor (kPa)
Achter
(kPa)
11
ECO-bandenspanningA
235/65R17
0–160
220
220
270
270
270
235/60R18
160+
220
220
270
270
-
255/50R19
0–160
240
240
270
270
270
255/45R20
160 +
240
240
270
270
-
0–80
420
420
420
420
-
Alle
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
Zuinig rijden, zie pagina 188.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal: 1 bar = 100 kPa (270 kPa = 2,70 bar).
N.B.
Alle motoren, banden of combinaties daarvan zijn niet altijd beschikbaar op alle markten.
304
11 Specificaties
Katalysator
Algemene informatie
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator is dicht bij de motor
in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen. De katalysator bestaat
uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De wanden van de kanalen zijn bekleed
met platina/rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z. ze
versnellen een chemische reactie zonder dat
ze daar zelf actief aan deelnemen.
11
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de verstuivers afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
305
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Algemene informatie
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar. Het elektrische systeem is
enkelpolig en gebruikt het chassis en het
motorblok als geleiders.
De accucapaciteit is afhankelijk van de uitrusting op de auto.
BELANGRIJK
Let er bij het vervangen van de accu op, dat
de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele
accu heeft (zie sticker op de accu).
11
Startaccu
Spanning, V
A
Koudestartcapaciteit,
Reservecapaciteit,
Capaciteit, Ah
CCA (Cold Cranking Amperes), A
minuten
12
600
120
70
12
800A
150
90
Auto’s met dieselmotor of standverwarming
Gloeilampen
Verlichting
306
Vermogen (W)
Soort
Dimlicht, halogeen
55
H7 LL
Groot licht, halogeen
55
H7 LL
Verstralers, ABL
65
H9
Richtingaanwijzers voor
21
HY21W
Stads-/parkeerlichten voor, Sidemarkers voor, Instapverlichting achter
5
W5W LL
Zijrichtingaanwijzers, buitenspiegels
5
WY5W LL
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Verlichting
Vermogen (W)
Soort
Instapverlichting voor
5
Lampvoet SV8.5; lengte 38 mm
Verlichting dashboardkastje
5
Lampvoet SV8.5; lengte 43 mm
Verlichting make-upspiegel
1,2
Lampvoet SV5.5; lengte 35 mm
Verlichting bagageruimte
10
Lampvoet SV8.5; lengte 43 mm
Verlichting kentekenplaat
5
C5W LL
Richtingaanwijzers achter
21
PY21WSV
Achteruitrijlicht
21
P21 LL
Mistachterlicht
21
H21W LL
11
307
11 Specificaties
Typegoedkeuring
Afstandsbedieningssysteem
Land
11
A, B, CY, CZ, D, DK,
E, EST, F, FIN, GB,
GR, H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P, PL, S,
SK, SLO
IS, LI, N, CH
HR
Hierbij verklaart Delphi dat het
gebruikte transpondersleutelsysteem in
overeenstemming is
met de essentiële
eigenschappen en
overige relevante
bepalingen zoals
beschreven in de
EU-richtlijn 1999/5/
EG.
RC
ETC093LPD0155
308
11 Specificaties
Displaysymbolen
Algemene informatie
Symbool
Betekenis
Pagina
58, 155
Airbags,
SRS
21, 59
Mistachterlicht
59
Oliedruk
laag
57, 59
licht rood of oranje op afhanHet lampje
kelijk van de ernst van de geregistreerde storing. Er verschijnt bovendien een verklarende
tekst op het informatiedisplay.
Stabiliteitsregeling
STC of
DSTC
59, 158
Gordelwaarschuwing
18, 58
Voorgloeifunctie (diesel)
59
Dynamo
laadt niet bij
59
Displaysymbolen
59
Storing in
het remsysteem
58, 155
59
Er worden tal van verschillende displaysymbolen gebruikt in de auto. De symbolen zijn
onderverdeeld in waarschuwings-, controleen informatiesymbolen. Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende symbolen
met hun betekenis en een verwijzing naar de
pagina(’s) in het boek waar u meer informatie
kunt vinden. Voor meer informatie over de symbolen en displaymeldingen, zie pagina 57 en
61.
Controle- en waarschuwingssymbolen
op instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Pagina
Storing in
het ABS
Betekenis
Pagina
Waarschuwing
21, 57, 60, 158,
160
Controlesymbool
voor aanhanger
57, 59
Handrem
aangetrokken
Uitlaatgasreinigingssysteem
Symbool
11
``
309
11 Specificaties
Displaysymbolen
Overige informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Pagina
Cruisecontrol*
73
11
Informatiesymbolen op display
middenconsole
Betekenis
Pagina
Audiobestanden
264
Map op cd
264
Verkeersinformatie
259, 261
G021220
Symbool
Informatiesymbool op
achteruitkijkspiegel
Symbool
310
Betekenis
Pagina
Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd
25
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11 Specificaties
11
311
12 Alfabetisch register
A
Aanhanger............................................... 169
kabel................................................... 171
rijden met een aanhanger................... 169
Aanpassen, lichtbundel........................... 177
Aanrijding
opblaasgordijnen (IC-systeem)............. 28
12
Aanstekeropening...................................... 64
ABS, storing in het ABS............................. 58
Accu................................................. 224, 306
onderhoud.................................. 213, 224
overbelasting...................................... 141
specificaties........................................ 306
starten met hulpaccu.......................... 167
symbolen op de accu......................... 224
Achterbank
instap.................................................. 116
Achterbank, omklappen.......................... 116
Achterklep
openen................................................ 132
rijden met een geopende achterklep. . 141
vergrendelen/ontgrendelen................ 128
Achterruit, elektrische verwarming............ 65
Achteruitkijkspiegel.................................... 80
autodimfunctie...................................... 80
312
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
inklapbare............................................. 63
inschakelen......................................... 136
uitschakelen........................................ 136
Actieve xenonkoplampen.................... 64, 67
Alarmlichten............................................... 65
Adaptief systeem..................................... 152
Alarmsensoren........................................... 64
AF, automatische afstemfunctie.............. 262
Algemene informatie over brandstof....... 145
Afstandsbediening................................... 128
batterij vervangen............................... 129
Antislipregeling........................................ 157
Afstandsbediening HomeLinkŸ
programmeerbaar ................................ 87
Audio
hoofdtelefoonaansluiting.................... 251
surround............................................. 255
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 24
bestuurders- en passagierszijde.......... 23
deactiveren met sleutel......................... 24
AIRBAG ..................................................... 22
Airbagsysteem........................................... 22
Airconditioning........................................... 92
achter in passagiersruimte................... 63
ECC...................................................... 96
Alarm
alarmindicatie.....................................
alarmsignalen......................................
algemene informatie...........................
automatische inschakeling van het
alarm...................................................
beperkt alarmniveau...........................
geactiveerd alarm uitschakelen..........
136
137
136
137
137
137
Antispinregeling....................................... 157
Audio, zie ook Geluidssysteem............... 249
Audiosysteem
functies............................................... 252
AUTO, ECC................................................ 97
Autobekleding.......................................... 204
Automatische vergrendeling.................... 130
Automatische versnellingsbak......... 151, 152
aanhanger........................................... 169
beveiligingssystemen......................... 153
knop W............................................... 152
lock-upfunctie..................................... 153
slepen en bergen................................ 165
Automatische wasstraten........................ 202
Auto wassen............................................ 202
12 Alfabetisch register
AUX-ingang............................................. 252
AWD, vierwielaandrijving......................... 154
specificaties........................................ 184
winterbanden...................................... 186
Bedieningspaneel op bestuurdersportier........................................................ 54, 77
B
Bekerhouders.................................. 112, 113
Bagagenet............................................... 121
Bagagerolhoes......................................... 123
Bagageruimte..........................................
bagagenet...........................................
bagagerolhoes....................................
elektrische aansluiting........................
houder voor boodschappentassen....
lading vervoeren.................................
veiligheidsrek......................................
verlichting...........................................
vloervak bagageruimte.......................
119
121
123
123
124
120
122
109
124
Banden
algemene informatie........................... 184
bandenreparatie................................. 195
draairichting........................................ 186
onderhoud.......................................... 184
rijeigenschappen................................ 184
slijtage-indicator................................. 185
snelheidsaanduidingen....................... 184
spanning..................................... 188, 304
Bellen....................................................... 282
Benzinekwaliteit....................................... 145
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 202
Beslagen ruiten.......................................... 92
achterruit............................................... 65
ontwasemen......................................... 98
Beveiliging tegen overbelasting, schuifdak............................................................. 86
Blaasmonden
dashboard............................................ 93
BluetoothŸ
media.................................................. 254
streaming audio.................................. 254
Boordcomputer......................................... 69
Brandstof
brandstofbesparing............................ 188
brandstoffilter..................................... 147
brandstofverbruik, aanduiding.............. 69
standverwarming.................................. 99
tanken................................................. 143
12
Buitenafmetingen..................................... 294
Buitenspiegels........................................... 83
C
Cd
Blaasmonden in portierstijlen.................... 94
wisselaar............................................. 264
BLIS, Blind Spot Information System 65, 161
Cd-functies.............................................. 264
BLIS-systeem (Blind Spot Information System).......................................................... 161
Combifilter......................................... 92, 147
Bluetooth
gesprek naar mobiel........................... 282
handsfree............................................ 280
microfoon dempen............................. 282
Contactsleutels........................................ 150
Condens aan binnenkant lampglazen..... 202
Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 219
Cruisecontrol............................................. 73
313
12 Alfabetisch register
D
Dakbelasting............................................ 118
Dashboardkastje...................................... 111
Diesel, voorgloeifunctie............................. 59
Dieselolie................................................. 146
Display, meldingen.................................... 61
Dolby Surround Pro Logic II.................... 248
12
Doorwaaddiepte...................................... 140
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem..... 59, 157
bediening............................................ 157
Elektrisch bedienbare zijruiten
achterin................................................. 79
blokkeren.............................................. 78
passagiersplaats............................. 78, 79
Elektrische aansluiting
achterbank............................................ 76
bagageruimte...................................... 123
middenconsole..................................... 64
Elektrische verwarming
achterruit......................................... 65, 98
buitenspiegels................................. 65, 98
voorstoelen........................................... 65
Elektrisch systeem................................... 306
E
Elektronische startblokkering.................. 128
EON, Enhanced Other Networks............. 262
ECC, elektronische klimaatregeling..... 92, 96
Equalizer.................................................. 256
ECO-bandenspanning............................. 188
tabel.................................................... 304
Externe geluidsbron
AUX-aansluiting.................................. 252
USB-aansluiting.................................. 253
EHBO-set................................................. 191
Elektrisch bedienbaar schuifdak................ 85
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 77
Elektrisch bedienbare stoel..................... 105
Extra verwarming..................................... 101
F
Flessenhouder achterin........................... 112
Follow Me Home-verlichting
instellen................................................. 68
FSC, milieulabel......................................... 13
G
Geïntegreerd kinderzitje............................. 42
Geluiden
audio-instellingen....................... 249, 255
geluidsbron................................. 249, 252
Geluidssterkte
beltoon, telefoon................................. 282
telefoon....................................... 270, 282
telefoon/mediaspeler.......................... 282
Gemiddeld brandstofverbruik.................... 69
Gereedschap........................................... 190
Gesprekken
functies tijdens lopende gesprekken.. 272
gebruik................................................ 282
inkomende.......................................... 282
Gevarendriehoek..................................... 189
314
12 Alfabetisch register
Gewichten
aanhangergewicht.............................. 169
rijklaar gewicht.................................... 294
I
K
IMEI-nummer........................................... 275
Katalysator....................................... 146, 305
bergen................................................. 166
Gloeilampen, zie Verlichting............ 227, 306
In de was zetten....................................... 203
Gordelwaarschuwing................................. 19
Informatiedisplay....................................... 61
Groot licht en dimlicht
wisselen................................................ 68
Infotainment............................................. 248
Grootlichtsignalen...................................... 68
Inlegmatten.............................................. 105
H
Handrem.............................................. 59, 75
Hogedruksproeiers koplampen................. 72
HomeLinkŸ ................................................ 87
Hoofdsleutel............................................. 128
Hoofdsteun
middelste zitplaats achterbank........... 117
Hoofdtelefoonaansluiting......................... 251
Houder voor boodschappentassen......... 124
Inklapbare buitenspiegels.......................... 63
Instap
achterbank.......................................... 116
Instructieboekje, milieulabel...................... 13
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 50
auto met stuur rechts........................... 52
Instrumentenpaneel................................... 55
Instrumentenverlichting............................. 67
Interieurverlichting................................... 108
Interior Air Quality System, ECC................ 96
Intervalstand.............................................. 71
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes........................................................... 43
Kickdown
automatische versnellingsbak............ 153
Kinderen.................................................... 33
kinderslot................................ 43, 63, 134
kinderzitjes en airbags.......................... 33
kinderzitjes en SIPS-airbags................. 26
plaats in de auto, tabel......................... 35
positie in de auto.................................. 33
veiligheid............................................... 33
12
Kinderslot................................................... 63
Kinderzitje
neerklappen.......................................... 43
opklappen............................................. 42
Kinderzitje, geïntegreerd............................ 42
Kledinghaak............................................. 112
Kleurcode, lak.......................................... 207
Klok, instellen............................................. 55
Knalgas.................................................... 167
Knipperlichten............................................ 68
Koelbox.................................................... 115
Koelsysteem............................................ 140
315
12 Alfabetisch register
12
Kompas..................................................... 80
kalibreren.............................................. 83
zone instellen........................................ 80
Lak
kleurcode............................................ 207
schade en herstel............................... 207
Koplampen
aan/uit................................................... 66
ABL....................................................... 67
Lambdasonde.................................. 146, 305
Lekke band, zie Banden.................. 190, 192
Meters op het instrumentenpaneel
brandstofmeter.....................................
buitentemperatuurmeter.......................
dagteller................................................
snelheidsmeter.....................................
toerenteller............................................
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 204
Middenconsole achterin, verwijderen...... 116
Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 13
Koude start
automatische versnellingsbak............ 152
Lichtbundel aanpassen............................ 177
Active Bending Lights (ABL) .............. 177
halogeenkoplampen........................... 177
Krik........................................................... 190
Luchtverdeling........................................... 93
Mobiele telefoon
aansluiten........................................... 283
handsfree............................................ 280
telefoon registreren............................. 281
Lampen, zie Verlichting............................ 227
Koplamphoogteregeling............................ 66
Lampjes
stabiliteitssysteem.............................. 157
Koplampsproeiers..................................... 72
Leeslampjes............................................. 108
Koppelingsvloeistof, controleren en bijvullen............................................................ 220
Koudemiddel............................................. 92
Luchtverdeling, AC.................................... 98
L
Lading op het dak.................................... 118
Lading vervoeren
algemene informatie................... 118, 120
bagageruimte...................................... 120
laadvermogen..................................... 118
lading op het dak................................ 118
lastdragers.......................................... 118
316
Menusysteem
audiosysteem..................................... 267
telefoon, menu-opties......................... 277
telefoon, overzicht.............................. 276
M
Massage
voorstoel............................................. 107
Meldingen op informatiedisplay................. 61
Meldingen voor BLIS............................... 163
Menufuncties
audiosysteem..................................... 250
55
55
55
55
55
Mistlichten
achter.................................................... 67
Motorkap................................................. 215
Motorolie.......................................... 217, 298
filter..................................................... 217
hoeveelheden..................................... 298
oliedruk................................................. 59
oliekwaliteit......................................... 298
ongunstige rijomstandigheden........... 298
Motoroliepeil controleren......................... 217
12 Alfabetisch register
Motorruimte............................................. 216
olie...................................................... 217
One-key bell............................................. 272
Motorspecificaties................................... 297
Motor starten........................................... 149
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte....................................................... 110
Mp3-functies............................................ 264
Opbergvak....................................... 113, 114
Muziekbestanden.................................... 264
Opblaasgordijnen...................................... 28
MY KEY................................................... 250
Openen, motorkap................................... 215
N
P
NEWS.............................................. 259, 262
PACOS....................................................... 24
Noodoproepen......................................... 269
PACOS, schakelaar voor activering/deactivering....................................................... 24
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 189
Ontwaseming............................................. 98
Park Assist......................................... 64, 159
sensoren voor Park Assist.................. 160
R
Radio
afstemfunctie...................................... 262
alarm................................................... 260
AUTOSTORE...................................... 257
EON.................................................... 262
NEWS......................................... 259, 262
PTY..................................................... 260
radio-instellingen................................ 257
radiotekst............................................ 260
radiozenders....................................... 257
regionaal............................................. 262
verkeersinformatie.............................. 259
volumeregeling programmatypes....... 259
voorkeurzenders vastleggen.............. 257
zenders zoeken................................... 258
Radiofuncties........................................... 257
Parkeerlichten............................................ 66
Radiotekst................................................ 260
Poetsen.................................................... 203
Radiozenders opslaan............................. 257
Olie, zie ook Motorolie....................... 59, 298
Provisorische bandenreparatie................ 195
Oliepeil laag............................................. 217
PTY, programmatype.............................. 260
RDS-functies........................................... 258
resetten............................................... 263
O
Omklappen, ruggedeelte achterbank...... 116
Onderhoud............................................... 213
onderhoud.......................................... 213
roestwering......................................... 208
12
Recirculatie
ECC...................................................... 97
REG, regionale radioprogramma’s.......... 262
Regensensor.............................................. 71
317
12 Alfabetisch register
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 234
ROPS (Roll-Over Protection System) (Rolbeugels)..................................................... 31
ventilatiestand....................................... 85
zonnescherm........................................ 86
Remmen
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 155
Rugleuning
voorstoel, omklappen......................... 104
Serviceprogramma.................................. 212
Remsysteem............................................ 155
Ruitensproeiers.......................................... 72
Reservewiel.............................................. 190
compact reservewiel........................... 189
Ruitenwissers............................................ 71
regensensor.......................................... 71
Richtingaanwijzers..................................... 68
12
Rijden
in waterpartijen...................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
met geopende achterklep...................
nieuwe auto’s en gladde wegen.........
zuinig..................................................
140
140
169
141
142
140
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 294
trekgewicht................................. 169, 294
Rijklaar gewicht........................................ 294
RND – Random........................................ 265
Roestwering............................................. 208
Roetfilter............................................ 61, 147
Roetfilter vol............................................. 147
Rolbeugels................................................. 31
ROPS (Roll-Over Protection System)........ 31
318
S
Safelock-functie
alarmsensoren tijdelijk deactiveren.... 137
tijdelijk deactiveren............................. 133
Simkaart................................................... 271
dubbele............................................... 274
SIPS-airbag............................................... 26
Sleepoog.................................................. 165
Slepen...................................................... 165
sleepoog............................................. 165
Sleutel...................................................... 128
transpondersleutel.............................. 128
Smeermiddelen........................................ 300
Smeermiddelen, hoeveelheden............... 300
SCAN
radiozenders....................................... 258
Sms.......................................................... 274
schrijven.............................................. 274
Schoonmaken
automatische wasstraten................... 202
auto wassen....................................... 202
bekleding............................................ 204
veiligheidsgordels............................... 205
velgen................................................. 202
vuil- en waterafstotende laag............... 84
Snelnummers........................................... 272
Schuifdak................................................... 85
beveiliging tegen overbelasting............ 86
openen en sluiten................................. 85
Spiegels
achteruitkijk-.........................................
buiten-..................................................
elektrische verwarming.........................
elektrisch inklapbare.............................
kompas.................................................
80
83
65
83
80
Spin Control............................................. 157
12 Alfabetisch register
Sproeiers
achterruit............................................... 72
koplampen............................................ 72
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 218
voorruit.................................................. 72
SRS-systeem
algemene informatie............................. 22
stabiliteitsregeling
deactiveren......................................... 157
Stabiliteitssysteem................................... 157
aanduiding............................................ 59
lampjes............................................... 157
Stadslichten............................................... 66
Stand-by, telefoon................................... 270
Standverwarming
accu en brandstof............................... 101
algemene informatie............................. 99
lampjes en displaymeldingen............... 99
tijd instellen......................................... 100
Startblokkering........................................ 150
Starten met hulpaccu.............................. 167
Steenslagplekken en krassen.................. 207
Sticker SIPS-airbags.................................. 26
Stoel
elektrisch bedienbare......................... 105
handmatig verstelling......................... 104
Stoelen en achterbank
elektrische verwarming......................... 65
ruggedeelte achterbank omklappen... 116
rugleuning voorstoel omklappen........ 104
streaming audio....................................... 254
Stuurbekrachtigingsvloeistof, controleren
en bijvullen............................................... 220
Stuurslot.................................................. 149
Stuurwiel
cruisecontrol......................................... 73
stuurwielafstelling................................. 76
toetsenset..................................... 73, 250
Stuurwiel afstellen...................................... 76
Surround.................................................. 255
Symbolen
controlesymbolen................................. 58
waarschuwingssymbolen..................... 57
T
Tanken
tankdop............................................... 145
tanken................................................. 145
Technische gegevens, motor.................. 297
Telefoon
aan/uit................................................. 270
aansluiten........................................... 283
bediening............................................ 269
bellen.......................................... 271, 282
berichten............................................. 274
geheugen............................................ 273
gesprek beantwoorden............... 271, 282
gesprekken beëindigen...................... 272
gespreksvolume................................. 273
handsfree............................................ 280
inkomende gesprekken...................... 282
laatst gekozen nummers.................... 272
one-key bell........................................ 272
Simkaart.............................................. 271
sneltoetsen......................................... 271
telefoonboek............................... 273, 284
telefoonboek, sneltoets...................... 284
telefoon registreren............................. 281
verkeersveiligheid............................... 271
volumeverlaging tijdens gesprekken. . 270
12
319
12 Alfabetisch register
Telefoonboek........................................... 273
Telefoonsysteem..................................... 268
Temperatuur
werkelijke temperatuur......................... 92
Temperatuurregeling................................. 98
Toetsensets op stuurwiel................... 73, 250
12
U
Uitlaatgasreiniging
foutmelding........................................... 59
TP, verkeersinformatie..................... 259, 261
USB, aansluiting...................................... 253
Tractieregeling......................................... 157
Transpondersleutel
functies............................................... 128
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring..................................................... 308
Trekgewicht..................................... 169, 294
V
Veiligheidsgordel
zwangerschap...................................... 19
Veiligheidsgordels...................................... 18
gordelspanners..................................... 19
Trekhaak.......................................... 169, 173
algemene informatie................... 169, 171
monteren............................................ 173
specificaties........................................ 172
verwijderen......................................... 175
Veiligheidsrek........................................... 122
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 171
44
Trillingsdemper........................................ 171
Type-aanduidingen.................................. 292
Veiligheidszitje...........................................
aanbevolen...........................................
afmetingscategorieën voor veiligheidszitjes met ISOFIX-bevestigingssysteem......................................................
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................ 43
veiligheidsgordel met speciale blokkeerfunctie............................................ 47
Velgen
schoonmaken..................................... 202
Totaalgewicht.......................................... 294
Traction Control....................................... 157
320
Typegoedkeuring, transpondersleutelsysteem......................................................... 308
33
35
47
Ventilator
ECC...................................................... 98
Vergrendelen/ontgrendelen
aan de binnenzijde..............................
achterklep...........................................
dashboardkastje.................................
van de buitenzijde...............................
131
131
131
130
Verkeersinformatie........................... 259, 261
Verlichting................................................ 227
Actieve xenonkoplampen............... 64, 67
automatische verlichting, dimlicht........ 66
automatische verlichting, interieur...... 109
bagageruimte...................................... 109
exterieur................................................ 66
Follow Me Home-verlichting................. 68
gloeilampen, specificaties.................. 306
groot licht/dimlicht................................ 66
in interieur........................................... 108
instrumentenverlichting........................ 67
koplamphoogteverstelling.................... 66
leeslampjes......................................... 108
12 Alfabetisch register
lichtbundel aanpassen aan links-/
rechtsrijdend verkeer, ABL........... 64, 177
mistachterlicht...................................... 67
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten......................................... 66
verlichtingspaneel, interieur.................. 66
Verlichting, gloeilampen vervangen.........
achterlamphuis...................................
achterlicht...........................................
bagageruimte......................................
dimlicht, halogeen..............................
groot licht............................................
groot licht, halogeen...........................
instapverlichting..................................
kentekenplaatverlichting.....................
make-upspiegel..................................
mistachterlicht....................................
positie van gloeilampen in koplamphuis.....................................................
richtingaanwijzer.................................
sidemarker..........................................
stadslichten........................................
voorzijde.............................................
Verwarming
op brandstof......................................... 99
Water- en vuilafstotende laag.................... 84
Verzorging................................................ 202
Water- en vuilafstotende laag, schoonmaken........................................................... 203
Verzorging, leren bekleding..................... 204
Werking interieurventilator......................... 92
Vierwielaandrijving, AWD......................... 154
Whiplash-letsel.......................................... 29
227
230
229
233
229
229
229
232
232
233
232
Vlekken.................................................... 204
WHIPS
whiplash-letsel...................................... 29
228
230
229
229
227
Voorstoel
lendensteun........................................ 107
massage............................................. 107
Verschuifbare stoel.................................. 116
Versnellingsbak
automatische...................................... 151
Verstralers.................................................. 64
Vloeistoffen, hoeveelheden...................... 300
Vloeistoffen en oliën................................. 300
Vloeistoffen en oliën, algemene informatie............................................................. 213
Vloeistoffen en oliën, controles motorruimte....................................................... 217
Vloervak bagageruimte............................ 124
Volumeregeling........................................ 252
Voorgloeifunctie motor.............................. 59
WHIPS-systeem
kinderzitje/comfortkussen.................... 29
Wielen
aanbrengen.........................................
demonteren........................................
reservewiel..........................................
sneeuwkettingen.................................
verwisselen.........................................
12
193
192
190
186
192
Willekeurige afspeelvolgorde, cd- en
muziekbestanden.................................... 265
Winterbanden.......................................... 186
Wisselen
groot licht en dimlicht........................... 68
W
Wisser
achterruit............................................... 72
Waarschuwingslampje
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 157
Wisserbladen........................................... 222
schoonmaken..................................... 222
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem. . 21
321
12 Alfabetisch register
vervangen, voorruit............................. 222
vervangen achterklep......................... 223
Z
12
Zekeringen...............................................
algemene informatie...........................
houder in bagageruimte.....................
houder in kofferbak/bagageruimte Executive............................................
kastje aan zijkant dashboard..............
kastje in interieur.................................
kastje in motorruimte..........................
vervangen...........................................
234
234
242
244
240
238
236
234
Zonnescherm, schuifdak........................... 86
Zuinig rijden............................................. 140
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 19
322
Kdakd8Vg8dgedgVi^dc51 %VUDI "5 1SJOUFEJO4XFEFO (zUFCPSH $PQZSJHIU©7PMWP$BS$PSQPSBUJPO
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising