Volvo | XC90 | Gebruikershandleiding | Volvo XC90 2016 Gebruikershandleiding

Volvo XC90 2016 Gebruikershandleiding
WEB EDITION
GEBRUIKERSHANDLEIDING
VÄLKOMMEN!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is
ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in deze eigenaarshandleiding.
INHOUD
INLEIDING
14
Digitale gebruikershandleiding in auto
15
Instellingen wijzigen voor het middendisplay
45
47
Navigeren in de digitale gebruikershandleiding
16
Functiescherm met knoppen voor
autofuncties
Gebruikershandleiding op mobiele
apparaten
17
Het toetsenbord in het middendisplay gebruiken
49
Veiligheid
56
Veiligheid tijdens de zwangerschap
57
Whiplash Protection System
57
Veiligheidsgordel
59
Gordelspanners
59
60
Support en informatie over uw auto
op internet
18
Veiligheidsgordel omdoen/afdoen
Portier- en gordelwaarschuwing
62
Gebruikershandleiding doornemen
19
Airbags
64
Vastlegging van gegevens
21
Stuur- en passagiersairbag
64
Belangrijke informatie over accessoires, extra uitrusting en de diagnoseaansluiting
22
Passagiersairbag* activeren/deactiveren
66
SIPS-airbag
68
Volvo ID
23
opblaasgordijn
69
Drive-E - schoner rijplezier
25
Safety Mode
70
IntelliSafe-rijondersteuning
28
Auto in Safety Mode starten/verrijden
71
29
Kinderen en veiligheid
72
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding
32
Kinderzitje
72
Ruiten, lampglazen en spiegels
32
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
74
Overzicht van het middendisplay
33
36
Onderste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
75
Bedieningsfuncties middendisplay
Navigeren in schermen op het middendisplay
40
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die
de veiligheidsgordel in de auto gebruiken
76
Symbolen op de statusbalk van het
middendisplay
45
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten
78
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
79
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
82
Sensus - connectiviteit en entertainment
2
VEILIGHEID
Hier vindt u de gebruikersinformatie
Geïntegreerd kinderzitje*
83
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen*
84
Geïntegreerd kinderzitje inklappen*
84
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS
EN BEDIENING
Stembediening van radio en media
117
Klimaatregeling met stembediening
117
Stembediening bij kaartnavigatie
118
Handmatig bediende voorstoel
119
91
Elektrisch bediende voorstoel*
120
93
Elektrisch bediende voorstoel* verstellen
121
Waarschuwingssymbolen op
bestuurdersdisplay
96
Geheugenfunctie gebruiken van
elektrisch bediende voorstoel*
121
Buitentemperatuur
97
Multifunctionele voorstoel*
122
Klok
98
Multifunctionele voorstoel* verstellen
123
Licentieovereenkomst voor bestuurdersdisplay
99
Instrumenten en bediening, auto met
stuur links
88
Instrumenten en bediening, auto met
stuur rechts
89
Bestuurdersdisplay
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
In- en uitstapfunctie bestuurdersstoel*
126
127
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
104
Passagiersstoel verstellen vanaf
bestuurdersstoel*
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay gebruiken
105
Achterbank
127
Meldingen op bestuurders- en middendisplay
105
Hoofdsteun tweede zitrij verstellen
128
107
Achterbank tweede zitrij naar voren/
achteren*
129
Meldingsfuncties op bestuurders- en
middendisplay
109
Hellingshoek ruggedeelte tweede
zitrij aanpassen
130
Meldingen opgeslagen vanuit het
bestuurders- en middendisplay hanteren
Ruggedeelte tweede zitrij omklappen
131
In-/uitstappen derde zitrij*
133
Head-updisplay*
111
Stembediening
114
Ruggedeelte derde zitrij omklappen*
133
Stembediening gebruiken
115
Stuurwiel
134
116
Stuurwiel instellen
135
116
Bedieningspaneel verlichting
136
Instellingen voor stembediening
Stembediening telefoon
3
KLIMAAT
stadslichten
138
Kompas kalibreren*
159
Klimaatregeling
178
Dagrijlicht
139
Panoramadak*
160
Klimaatsensoren
178
179
Dimlicht
139
Panoramadak* bedienen
161
Gevoelstemperatuur
Groot licht activeren/deactiveren
140
HomeLink®*
164
Luchtkwaliteit
179
Actieve bochtverlichting
142
HomeLink®*
165
Interieurfilter
180
Lichtbundel van koplampen aanpassen
143
168
Clean Zone Interior Package*
180
Rijstatistieken tonen op het bestuurdersdisplay
169
Interior Air Quality System*
181
Klimaatregelingsbediening
182
Rijstatistieken tonen op het middendisplay
170
Klimaatregelingsbediening op het
middendisplay
182
Instellingsscherm
171
173
Klimaatregelingsbediening achter op
de tunnelconsole*
184
Categorieën op instellingsscherm
Systeeminstellingen wijzigen op
instellingsscherm
174
Automatische klimaatregeling
185
Airconditioning activeren/deactiveren
Instellingen resetten op instellingsscherm
185
175
Temperatuur regelen
186
Instellingen wijzigen voor apps
175
Ventilatorstand regelen
189
Gebruikersgegevens resetten bij
doorverkoop
176
Ontwaseming van ruiten en buitenspiegels activeren/deactiveren
190
Boordcomputer
Mistlampen voor/bochtverlichting*
144
Mistachterlicht
144
Remlichten
145
Alarmlichten
145
Richtingaanwijzers gebruiken
146
Interieurverlichting
146
'Follow Me Home'-verlichting
149
'Approach'-verlichting
150
Ruitenwissers gebruiken
150
Regensensor activeren/deactiveren
151
Ruiten- en koplampsproeiers
152
Achterruitwisser en -sproeier
153
Luchtrecirculatie activeren/deactiveren
193
Elektrisch bediende ruiten
153
Luchtverdeling
194
154
Luchtverdeling wijzigen
195
Zonnescherm gebruiken
155
Blaasmonden openen/sluiten en richten
196
Buitenspiegels instellen
156
Tabel met luchtverdelingsstanden
197
Achteruitkijkspiegel
157
199
Kompas*
158
Elektrische stoelverwarming* activeren/deactiveren
Elektrisch bedienbare ruiten
4
programmeren
LAAD- EN
OPBERGMOGELIJKHEDEN
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel
234
Auto-interieur
214
Bereik transpondersleutel
236
Tunnelconsole
215
237
stroomaansluitingen
216
Locatie antennes voor start- en vergrendelingssysteem
Aansteker gebruiken*
220
237
Asbakken* legen
220
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de
buitenzijde
Dashboardkastje gebruiken
221
Aanduiding bij vergrendeling/
ontgrendeling van de auto
240
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de
binnenzijde
241
Safelock-functie
242
Achterklep vergrendelen/ontgrendelen
243
Privacy locking activeren/deactiveren
245
Afneembaar sleutelblad
247
Vergrendelen/ontgrendelen met
afneembaar sleutelblad
248
Elektrische stoelventilatie* activeren/
deactiveren
201
Elektrische stuurverwarming* activeren/deactiveren
202
Parkeerklimaat*
203
Preconditioning* inschakelen/
uitschakelen
204
Timer voor preconditioning*
205
Timer voor preconditioning* instellen
205
Zonnekleppen
221
Timer voor preconditioning* activeren/deactiveren
207
Bagageruimte
222
Bagage vervoeren
Handhaving klimaatcomfort inschakelen/uitschakelen*
222
207
Verankeringsogen
224
Symbolen en meldingen voor parkeerklimaat*
209
Draagtashouders
224
Bagagerolhoes
225
Verwarming*
210
Bagagenet*
227
Standverwarming*
211
Veiligheidsrek*
229
Extra verwarming*
212
Elektrische achterklepbediening*
250
Achterklep openen/sluiten met
schopbeweging*
252
Batterij in transpondersleutel vervangen
254
Elektronische startblokkering
257
Kinderslot
258
Alarm
259
Automatische activering/heractivering van het alarm
261
Alarm deactiveren zonder werkende
transpondersleutel
262
5
RIJONDERSTEUNING
Typegoedkeuring voor transpondersleutels
6
263
Snelheidsafhankelijke stuurkracht
270
elektronische stabiliteitsregeling
270
Snelheidsfuncties voor adaptieve
cruisecontrol*
290
Sportstand voor elektronische stabiliteitsregeling
271
Tijdsverschil instellen voor de adaptieve cruisecontrol*
291
Symbolen en meldingen voor Elektronische stabiliteitsregeling
273
Adaptieve cruisecontrol deactiveren/
heractiveren*
292
Roll Stability Control
275
Inhaalassistent bij de adaptieve
cruisecontrol*
293
Van doelvoertuig veranderen en
automatisch remmen met de adaptieve cruisecontrol
294
Beperkingen van de adaptieve
cruisecontrol*
295
Wisselen tussen cruisecontrol en
adaptieve cruisecontrol*
296
Snelheidsbegrenzer*
275
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
276
Snelheidsfuncties voor de snelheidsbegrenzer
277
Snelheidsbegrenzer deactiveren/
heractiveren
278
Snelheidsbegrenzer uitschakelen
279
Automatische snelheidsbegrenzer*
279
Symbolen en meldingen voor de
adaptieve cruisecontrol*
297
Automatische snelheidsbegrenzer
activeren/deactiveren
280
Pilot Assist*
298
Tolerantie voor automatische snelheidsbegrenzer wijzigen
281
Cruisecontrol
282
Pilot Assist deactiveren/heractiveren*
303
Cruisecontrol activeren en starten
283
Automatisch remmen met Pilot Assist*
304
Snelheidsfuncties voor cruisecontrol
283
Beperkingen van Pilot Assist*
305
Cruisecontrol deactiveren/heractiveren
284
Radareenheid
307
Cruisecontrol uitschakelen
285
Beperkingen van de radarsensor
308
Adaptieve cruisecontrol*
286
Typegoedkeuring voor radareenheden
311
Adaptieve cruisecontrol activeren en
starten*
289
Camera
314
Pilot Assist* activeren en starten
301
Tijdsverschil instellen voor Pilot Assist*
302
Beperkingen van de camera
315
Verkeersbordinformatie*
318
Bordweergave van verkeersbordinformatie
318
Informatie over snelheidscamera's
320
Verkeersbordinformatie activeren/
deactiveren
321
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
322
Afstandswaarschuwing*
322
Afstandswaarschuwing activeren/
deactiveren en tijdsverschil instellen*
323
Beperkingen van afstandswaarschuwing*
324
City Safety
325
Waarschuwingsafstand instellen voor
City Safety
327
Obstakeldetectie met City Safety
328
City Safety bij kruisend verkeer
Lane Departure Warning* activeren/
deactiveren
338
Lane Keeping Aid* activeren/deactiveren
339
Symbolen en meldingen voor rijbaanassistent*
340
Parkeerhulp*
342
Parkeerhulp activeren/deactiveren*
344
Beperkingen van parkeerhulp*
344
Meldingen voor Parkeerhulp*
346
Parkeerhulpcamera*
347
Hulplijnen en velden voor de parkeerhulpcamera*
349
Parkeerhulpcamera starten*
351
Beperkingen van de parkeerhulpcamera*
352
Actieve parkeerhulp*
353
Parkeren met actieve parkeerhulp*
355
330
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp* 357
Beperkingen van City Safety
330
Meldingen voor Actieve parkeerhulp*
360
Meldingen voor City Safety
333
Blind Spot Information*
361
Rear Collision Warning
334
334
Blind Spot Information* activeren/
deactiveren
362
Driver Alert Control
Beperkingen van Blind Spot
Information™*
363
Cross Traffic Alert*
363
Driver Alert Control activeren/deactiveren 335
Beperkingen van Driver Alert Control
336
Rijbaanassistent*
336
Meldingen voor Blind Spot
Information* en Cross Traffic Alert*
367
Cross Traffic Alert* activeren/deactiveren 364
Beperkingen van Cross Traffic Alert
365
7
STARTEN EN RIJDEN
Contactslotstanden
370
Parkeerrem gebruiken
394
Aanhangerstabilisering*
415
Motor starten
371
Bij een mankement aan de parkeerrem
395
Sleepoog
416
Motor afzetten
372
Hellingrem
396
Slepen
417
Stuurslotfout
373
Automatische rem bij stilstand
396
Auto bergen
418
Starthulp met andere accu
373
Lagesnelheidsregeling*
397
Versnellingsbak
374
Afdalingsremregeling*
398
Schakelstanden van automatische
versnellingsbak
375
Doorwaaddiepte
400
Schakelindicator
377
Oververhitting van motor en aandrijving
400
Keuzehendelblokkering
377
Overbelasting van de startaccu
401
Schakelen met stuurpaddles*
378
Voorbereidingen voor een lange rit
402
Start/Stop
380
Voorbereidingen voor gladde wegen
402
Start/Stop-systeem gebruiken
380
Tankvulklep openen/sluiten en tanken
403
Voorwaarden voor Start/Stop-systeem
382
Hanteren van brandstof
404
Rijmodi*
383
Benzine
405
Rijmodus ECO
386
Dieselolie
406
Niveauregeling*
388
Wanneer u de tank leegrijdt van een
dieselmodel
407
Vierwielaandrijving*
389
Roetfilter
407
Remsystemen
390
Zuinig rijden
408
Rempedaal
390
Trekhaak*
409
Noodremlichten
392
In- en uitklapbare trekhaak*
409
Remversterker
392
Specificaties van de trekhaak*
411
Automatisch remmen na een aanrijding
392
Rijden met aanhanger
412
393
Rijden met een aanhanger in speciale omstandigheden
414
Parkeerrem
8
AUDIO EN MEDIA
WIELEN EN BANDEN
Audio en media
422
Verbinding met telefoon
442
Banden
468
Audio-instellingen
422
Telefoon aansluiten/loskoppelen
443
De draairichting van de banden.
469
Radio
423
Telefoonfuncties
444
Slijtage-indicator van banden
469
Van radiozender wisselen en radiozender zoeken
424
Berichtfuncties
445
Bandenspanning controleren
470
RDS-radio
427
Instellingen voor telefoon
446
Bandenspanningscontrolesysteem
471
Digitale radio
427
Instellingen voor tekstbericht
447
473
Schakelen tussen de radiobanden
FM en DAB
428
Auto met internetverbinding
447
Controleer de bandenspanning met
het systeem voor bandenspanningscontrole
Auto met internet verbinden
448
Instellingen voor Bluetooth
Internetverbinding delen via Wi-Fihotspot
450
Lage bandenspanning verhelpen bij
auto's met bandenspanningscontrolesysteem
474
449
Bandenspanningscontrolesysteem
475
451
Typegoedkeuring voor bandenspanningscontrolesysteem
477
451
Noodreparatieset voor banden
481
452
Noodreparatieset voor banden gebruiken
482
Band oppompen met de compressor
uit de noodreparatieset voor banden
485
Bij het verwisselen van wielen
486
Wielen demonteren
486
Wiel monteren
488
Instellingen voor radio
428
Mediaspeler
430
Media afspelen
431
Gracenote®
433
Geen internetverbinding of een
slechte verbinding
Media zoeken
433
Wi-Fi-netwerk verwijderen
Cd-speler*
434
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi
434
Instellingen voor automodem*
452
Media aansluiten via Bluetooth
435
Apps
453
Media via AUX/USB-aansluiting
435
453
Media aansluiten via AUX/USB-poort
435
Apps downloaden, bijwerken of verwijderen
Video
436
Audio-instellingen voor media
436
Media via Bluetooth
Apple CarPlay*
437
Instellingen voor Apple CarPlay*
439
Technische specificaties voor media
439
Telefoon
441
Licentieovereenkomst voor audio en
media
455
Voorwaarden voor diensten en beleid
inzake vertrouwelijkheid van klantgegevens
465
Wielbouten
489
Reservewiel*
490
Winterwielen
490
Gereedschap in bagageruimte
491
Gevarendriehoek
492
9
ONDERHOUD EN SERVICE
Krik*
493
Serviceprogramma van Volvo
498
Vulopening voor sproeiervloeistof
520
EHBO-set
493
Autostatus
498
Startaccu
521
Maataanduiding voor wielen
494
498
Symbolen op de accu’s
524
Maataanduiding voor banden
494
Afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie
Externe updates
501
Hulpaccu
524
Systeemupdates
501
Zekeringen
526
Gegevensoverdracht tussen auto en
werkplaats
503
Zekering vervangen
527
Zekeringen in motorruimte
528
Zekeringen onder dashboardkastje
532
Zekeringen in bagageruimte
536
Exterieur reinigen
540
Poetsen en in de was zetten
542
Roestwering
542
Interieur reinigen
543
Middendisplay reinigen
544
Lakschade
545
Lakschade herstellen
545
Auto opnemen
Motorkap openen en sluiten
Overzicht motorruimte
Motorolie
Motorolie controleren en bijvullen
Koelvloeistof bijvullen
Onderhoud aan klimaatregeling
Lamp vervangen
10
504
506
507
508
509
510
511
512
Dimlichtlamp vervangen
514
Langwerpige afdekking van lamphuis
losnemen
514
Grootlichtlamp vervangen
515
Daglichtlamp/stadslichtlamp vóór
vervangen
516
Richtingaanwijzer vóór vervangen
516
Lampspecificaties
517
Wisserbladen in servicestand
517
Wisserbladen vervangen
518
SPECIFICATIES
ALFABETISCH REGISTER
Typeaanduidingen
548
Maten
551
Gewichten
553
Trekgewicht en kogeldruk
554
Motorspecificaties
556
Specificaties van de motorolie
557
Ongunstige rijomstandigheden voor
motorolie
559
Specificaties van de koelvloeistof
560
Specificaties van de versnellingsbakolie
560
Specificaties van de remvloeistof
560
Brandstoftank - inhoud
561
Specificaties van de airconditioning
561
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
563
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
566
Alfabetisch register
567
11
INLEIDING
INLEIDING
Hier vindt u de gebruikersinformatie
De gebruikershandleiding is te raadplegen via
het middendisplay van de auto, via de mobiele
app en op de supportsite van Volvo. In het dashboardkastje vindt u de Quick Guide en een supplement op de gebruikershandleiding met onder
meer specificaties en informatie over zekeringen.
U kunt een volledige gebruikershandleiding in
drukvorm bestellen.
Digitale gebruikersinformatie
Op het middendisplay van de auto
Via het middendisplay van de auto kunt u de
gebruikershandleiding in digitale1 vorm raadplegen. Hier hebt u bijvoorbeeld de mogelijkheid tot
visuele navigatie aan de hand van afbeeldingen
van het auto-exterieur en -interieur. De informatie
is doorzoekbaar en ook beschikbaar in een indeling in diverse categorieën. Lees meer onder
"Digitale gebruikershandleiding in de auto".
In de vorm van een mobiele app
De digitale gebruikershandleiding is ook beschikbaar in de vorm van een mobiele app die u
bijvoorbeeld kunt downloaden van App Store. De
app bevat video's en biedt de mogelijkheid tot
visuele navigatie aan de hand van afbeeldingen
van het auto-exterieur en -interieur. De navigatie
tussen de verschillende artikelen van de gebruikershandleiding verloopt eenvoudig en de inhoud
1
2
14
is doorzoekbaar. Lees meer onder "Gebruikershandleiding op mobiele apparaten".
Op internet
De gebruikershandleiding is ook te raadplegen
via de supportsite van Volvo:
support.volvocars.com, voor een deel online en
voor deel in pdf-formaat. Op de supportsite vindt
u ook video's en stapsgewijze instructies voor
zaken als onlinediensten en -functies. De site is
beschikbaar voor de meeste markten. Lees meer
onder "Support en meer informatie over de auto
op internet".
Gebruikersinformatie in drukvorm
Gedrukt supplement
De gebruikershandleiding in drukvorm vormt een
aanvulling op de digitale gebruikershandleiding1
en bevat belangrijke teksten, informatie over
zekeringen en bepaalde specificaties. De handeling bevat tevens handige instructies, wanneer u
de informatie op het middendisplay om praktische redenen niet kunt lezen. Lees "Gebruikershandleiding doornemen" voor de opbouw van de
gebruikershandleiding.
Quick Guide
Ook in drukvorm beschikbaar is een Quick Guide
met beknopte informatie over de meeste
gebruikte autofuncties om aan de slag te kunnen.
Op markten zonder gebruikershandleiding op het middendisplay wordt een volledige gebruikershandleiding in drukvorm verstrekt.
Op markten zonder digitale gebruikershandleiding op het middendisplay ligt een gedrukt exemplaar van de handleiding in het dashboardkastje.
Meer gebruikersinformatie in drukvorm
Afhankelijk van het gekozen uitrustingsniveau, de
markt e.d. liggen er aanvullende documenten met
gebruikersinformatie in drukvorm in de auto. U
kunt een volledige gebruikershandleiding in drukvorm bestellen2. Neem contact op met een
Volvo-dealer voor bestelling van de gebruikershandleiding in drukvorm of een supplement.
Taalinstelling wijzen voor het
middendisplay
Wanneer u de taalinstelling voor het middendisplay wijzigt, is het mogelijk dat bepaalde informatie niet overeenkomt met de wettelijke bepalingen en voorschriften die in uw land gelden.
BELANGRIJK
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat
u de auto op veilig wijze bestuurt en dat u de
geldende wetgeving en voorschriften in acht
neemt. Het is ook belangrijk dat u de auto
volgens Volvo’s adviezen in de gebruikershandleiding onderhoudt en bedient.
Bij verschillen tussen de informatie op het
middendisplay en die in de gedrukte handleiding, geldt altijd de gedrukte informatie.
INLEIDING
Gerelateerde informatie
•
Digitale gebruikershandleiding in auto
(p. 15)
•
Gebruikershandleiding op mobiele apparaten
(p. 17)
•
Support en informatie over uw auto op internet (p. 18)
•
Gebruikershandleiding doornemen (p. 19)
Digitale gebruikershandleiding in
auto
Wanneer in de gedrukte handleiding wordt verwezen naar de digitale gebruikershandleiding,
wordt daarmee de gebruikershandleiding op het
middendisplay in de auto bedoeld.
alternatieven zijn bereikbaar vanaf het hoofdscherm van de gebruikershandleiding. Ze verschijnen door op
te drukken.
• Start - De eerste pagina die verschijnt bij het
openen van de digitale gebruikershandleiding. Laat een welkomsttekst zien.
• Categorieën - Alle artikelen geordend naar
categorieën. Hetzelfde artikel kan in meerdere categorieën liggen.
• Quick Guide - Een selectie aan artikelen
die extra aandacht vergen.
• Exterieur - Afbeeldingen van het auto-exterieur met gemarkeerde hotspots. Druk op
een hotspot om een artikel over het desbetreffende gebied te lezen.
• Interieur - Afbeeldingen van het auto-interi-
eur met hotspots. Druk op een hotspot om
een artikel over het desbetreffende gebied te
lezen.
• Favorieten - Snelkoppeling naar favoriete
artikelen.
N.B.
De digitale gebruikershandleiding is tijdens
het rijden niet beschikbaar.
De digitale gebruikershandleiding is vanuit het hoofdscherm te openen.
U kunt op verschillende manieren informatie vinden in de digitale gebruikershandleiding. De
Gerelateerde informatie
•
Navigeren in de digitale gebruikershandleiding (p. 16)
15
INLEIDING
Navigeren in de digitale
gebruikershandleiding
De digitale gebruikershandleiding is vanaf het
middendisplay in de auto te openen. De informatie is doorzoekbaar en de navigatie tussen de
verschillende artikelen verloopt eenvoudig.
Open de digitale gebruikershandleiding - sleep
het hoofdscherm op het middendisplay omlaag
en druk op Handleiding.
2.
Druk op een hotspot.
> De titel van een artikel op dit terrein verschijnt.
3.
Druk op de titel om het artikel te openen.
Druk op de pijl-terug om terug te gaan of op
om opnieuw te zoeken.
Druk op
in de bovenste lijst in de gebruikershandleiding om naar het menu van de
gebruikershandleiding te gaan.
De artikelen van de gebruikershandleiding zijn
geordend naar hoofdcategorieën en subcategorieën. Hetzelfde artikel kan in meerdere categorieën voorkomen zodat het gemakkelijker is te
vinden.
1.
16
Druk op
en kies daarna Exterieur/
Interieur.
> Er verschijnen afbeeldingen van exterieur/
interieur met daarop hotspots geplaatst.
De hotspots leiden naar artikelen over het
desbetreffende deel van de auto. Veeg
horizontaal over het scherm om van de
ene naar de andere afbeelding te navigeren.
U kunt op verschillende manieren informatie vinden in de digitale gebruikershandleiding.
Zoeken met behulp van categorieën
De gebruikershandleiding is vanuit het hoofdscherm te
openen.
1.
Druk op
en kies daarna Categorieën.
> De hoofdcategorieën staan in een lijst.
2.
Druk op een hoofdcategorie ( ).
> Er verschijnt een lijst met subcategorieën
( ) en artikelen ( ).
3.
Druk op een artikel om dit te openen. Druk
op de pijl-terug om terug te gaan of op
om opnieuw te zoeken.
Hotspots voor exterieur en interieur
- Afbeeldingen van het auto-exterieur en -interieur met gemarkeerde hotspots.
Kennismaken met de meeste gebruikte
autofuncties via Quick Guide
Onder Quick Guide in het menu van de gebruikershandleiding vindt u een selectie artikelen die
u kunt doornemen om vertrouwd te raken met de
meest gebruikte autofuncties. De artikelen zijn
ook via categorieën bereikbaar, maar staan hier
om er snel bij te kunnen. Druk op een artikel om
het in zijn geheel te lezen.
Favorieten
Hier vindt u de artikelen die als favorieten zijn
opgeslagen. Het laatst opgeslagen artikel staat
bovenaan. Druk op een artikel om het in zijn
geheel te lezen.
INLEIDING
Artikelen als favoriet opslaan/verwijderen
Sla een artikel op als favoriet door in een
geopend artikel op
geheel rechtsboven te
drukken. De ster wordt gevuld wanneer een arti.
kel is opgeslagen als favoriet:
Om een artikel te verwijderen uit de favoriete artikelen, kunt u vanuit het geopende artikel
opnieuw op de ster drukken.
Gebruikershandleiding op mobiele
apparaten
ding verloopt eenvoudig en de inhoud is doorzoekbaar.
De gebruikershandleiding is beschikbaar als
mobiele app en is verkrijgbaar via zowel App
Store als Google Play. De app is aangepast
voor zowel smartphones als tablets.
Zoekfunctie gebruiken
1.
Druk op
op het hoofdscherm van de
gebruikershandleiding. Onder aan het
scherm verschijnt een toetsenbord.
2.
Voer een zoekterm in, bijvoorbeeld "veiligheidsgordel".
> Er verschijnen suggesties voor artikelen
naarmate u letters invoert.
3.
Bevestig uw keuze door op het artikel te
drukken. Om de zoekmodus te verlaten, drukt
u op de pijl-omhoog naast het zoekveld.
Gerelateerde informatie
•
•
Digitale gebruikershandleiding in auto (p. 15)
Het toetsenbord in het middendisplay
gebruiken (p. 49)
De gebruikershandleiding is als
mobiele app te downloaden via
App Store of Google Play. De
QR-code hiernaast leidt rechtstreeks naar de app. Of zoek
anders naar "Volvo manual" in
App Store of Google Play.
De app bevat video's alsook afbeeldingen van
exterieur en interieur waarop verschillende delen
van de auto staan aangegeven met zogenoemde
hotspots, die verder leiden naar artikelen over de
desbetreffende gebieden. De navigatie tussen de
verschillende artikelen van de gebruikershandlei-
De mobiele app is verkrijgbaar via zowel App Store als
Google Play.
Gerelateerde informatie
•
•
Gebruikershandleiding doornemen (p. 19)
Support en informatie over uw auto op internet (p. 18)
17
INLEIDING
Support en informatie over uw auto
op internet
Op de website en supportsite van Volvo Cars
staat meer informatie over uw auto. Vanaf de
website kunt u ook verder navigeren naar My
Volvo3, een persoonlijke website voor u en uw
auto.
Support op internet
Ga naar support.volvocars.com of gebruik de QRcode om deze pagina te bezoeken. De supportpagina is beschikbaar voor de meeste markten.
Kaarten
Voor auto's die uitgerust zijn met de optie Sensus Navigation, bestaat de mogelijkheid om kaarten te downloaden vanaf de supportpagina.
web vindt u ook informatie over modelspecifieke
accessoires en softwareproducten voor uw Volvo.
Gerelateerde informatie
•
Volvo ID (p. 23)
Mobiele apps
Voor geselecteerde Volvo-modellen van modeljaar 2014 en 2015 is de gebruikershandleiding
ook verkrijgbaar als app. Ook de VOC*-app is
vanaf hier op te halen.
Gebruikershandleidingen van eerdere
modeljaren
Gebruikershandleidingen van eerdere modeljaren
zijn hier verkrijgbaar als pdf. Ook Quick Guide en
supplement zijn via de supportpagina beschikbaar. Kies het model auto en het modeljaar om
de gewenste publicatie te downloaden.
QR-code die naar de supportsite leidt.
Contact
De informatie op de supportpagina is zoekbaar
en is tevens beschikbaar in een indeling in
diverse categorieën. Hier vindt u support voor
zaken die bijvoorbeeld op internet aangesloten
diensten en functies, Volvo On Call (VOC)*, het
navigatiesysteem* en apps betreffen. Video's en
stapsgewijze instructies verklaren verschillende
procedures, bijvoorbeeld hoe de auto via een
mobiele telefoon wordt aangesloten op internet.
Op de supportpagina staan de contactgegevens
van de klantenservice en de dichtstbijzijnde
Volvo-dealers.
3
18
Te downloaden informatie
My Volvo op internet3
Via www.volvocars.com kunt u doorlinken naar My
Volvo web, een persoonlijke website voor u en uw
Volvo.
Maak een persoonlijke Volvo ID aan en log in op
My Volvo web voor een overzicht van zaken zoals
onderhoud, contracten en garanties. Op My Volvo
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INLEIDING
Gebruikershandleiding doornemen
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om de gebruikershandleiding
door te nemen, idealiter voor aanvang van de
eerste rit.
Het doornemen van de gebruikershandleiding is
een goede manier om vertrouwd te raken met
nieuwe functies, tips te krijgen voor hoe u de
auto in verschillende situaties het beste kunt
bedienen en te leren hoe u optimaal gebruik kunt
maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt.
Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in de gebruikershandleiding.
Er vindt voortdurend productontwikkeling plaats
ter verbetering van ons product. Aanpassingen
kunnen ertoe leiden dat de gegevens, beschrijvingen en illustraties in de gebruikershandleiding
afwijken van de werkelijke uitrusting op uw auto.
We behouden ons het recht voor om zonder
voorafgaande mededeling wijzigingen aan te
brengen.
© Volvo Car Corporation
Opties/accessoires
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden
in de gebruikershandleiding ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje * in de gebruikershandleiding.
De uitrusting die in de gebruikershandleiding
wordt beschreven is niet op alle auto's aanwezig
- welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven informatie over
kans op letsel.
BELANGRIJK
het nummer van de voetnoot naar verwijst. Als de
voetnoot naar tekst in een tabel verwijst, worden
letters gebruikt in plaats van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop menuen displayteksten kunnen worden weergegeven.
Dergelijke teksten in de gebruikershandleiding
onderscheiden zich van de normale tekst. Voorbeeld van menuteksten en displaymeldingen:
Telefoon, Nieuw bericht.
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de auto
om belangrijke informatie op een simpele en duidelijke manier over te dragen. De stickers in de
auto zijn van de onderstaande aflopende waarschuwings-/informatiegraad.
Belangrijk-teksten geven informatie over kans
op materiële schade.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips en
adviezen die het gebruik van bepaalde mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
Op verschillende plekken in de gebruikershandleiding treft u informatie aan in voetnoten onder
aan een pagina of onder aan een tabel. Deze
informatie vormt een aanvulling op de tekst waar
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
19
INLEIDING
||
Gevaar voor lichamelijk letsel
Gevaar voor materiële schade
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
De in de gebruikershandleiding afgebeelde
stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw auto
aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn alleen
bedoeld om aan te geven hoe de stickers er
in grote lijnen uitzien en waar u ze ongeveer
kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto
vindt u de informatie die op uw auto van toepassing is.
Zwarte ISO-symbolen in een geel waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op
een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met mogelijk
dodelijke afloop.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op
een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
Informatie
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een bepaalde
volgorde moeten worden uitgevoerd, staan
genummerd in de gebruikershandleiding:
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant
is, worden de instructies voorafgegaan door
letters.
20
INLEIDING
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Pijlen met een letter dienen om een beweging weer te geven waarbij de onderlinge
volgorde niet van belang is.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij de
afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in de gebruikershandleiding
wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
•
•
Koelvloeistof
Motorolie
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie verwijst naar andere artikelen met aanverwante informatie.
Afbeeldingen
Vastlegging van gegevens
De afbeeldingen in de handleiding zijn soms
schematisch en kunnen dan ook afwijken van uw
uitvoering van de auto afhankelijk van het uitrustingsniveau en de markt.
In het kader van de veiligheids- en kwaliteitsinspanningen van Volvo wordt bepaalde informatie
over de werking, de functionaliteit en bijna-aanrijdingen door de auto vastgelegd.
Zie ommezijde
Deze auto is uitgerust met een "Event Data
Recorder" (EDR). Het belangrijkste doel daarvan
is het vastleggen en opnemen van gegevens bij
verkeersongevallen of op aanrijdingen lijkende
situaties, zoals wanneer de airbag wordt geactiveerd of als de auto een wegversperring raakt.
De gegevens worden geregistreerd om meer
inzicht te krijgen in hoe de systemen van de auto
in dit soort situaties werken. De EDR is zodanig
vormgegeven dat deze gedurende een korte tijd
gegevens vastlegt die verband houden met de
autodynamiek en de veiligheidssystemen, normaal gesproken 30 seconden of korter.
}} Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
een artikel wordt voortgezet op de volgende
pagina.
Vervolg van de vorige pagina
|| Dit symbool staat links bovenaan wanneer
een artikel wordt voortgezet van de vorige pagina.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Digitale gebruikershandleiding in auto (p. 15)
Gebruikershandleiding op mobiele apparaten
(p. 17)
Support en informatie over uw auto op internet (p. 18)
De EDR in deze auto is zodanig geconstrueerd
dat deze bij verkeersongevallen of bijna-ongelukken gegevens vastlegt die verband houden met
het volgende:
•
Hoe de verschillende systemen in de auto
werkten;
•
In hoeverre de veiligheidsgordels van
bestuurder en passagiers vastzaten;
•
Het gebruik door de bestuurder van het gasof rempedaal;
•
Met welke snelheid de auto reed.
}}
21
INLEIDING
Dit kan een bijdrage leveren aan een beter
inzicht in de omstandigheden waarin bepaalde
verkeersongevallen en schades ontstaan. De
EDR legt alleen gegevens vast, als er sprake is
van een niet-alledaagse aanrijdingssituatie - bij
normale rijomstandigheden registreert de EDR
geen gegevens. Ook registreert het systeem
nooit wie de auto bestuurt of wat de geografische positie is voor de aanrijding of bijna-aanrijding. Andere partijen, zoals de politie, kunnen
echter gebruik maken van de vastgelegde gegevens in combinatie met het type persoonlijk identificeerbare informatie dat bij een verkeersongeval routinematig wordt verzameld. Om de geregistreerde gegevens te kunnen interpreteren zijn
speciale apparatuur en toegang tot de auto of de
EDR vereist.
De auto is naast de EDR ook uitgerust met een
aantal computers, die tot taak hebben de werking
van de auto continu te controleren en bewaken.
Deze kunnen in normale rijomstandigheden
gegevens vastleggen, maar vooral wanneer deze
een fout registreren die betrekking heeft op de
bediening en werking van de auto of bij activering
van de actieve rijhulp (zoals City Safety en de
automatische remfunctie).
Een deel van de vastgelegde gegevens heeft de
monteur nodig om service en onderhoud te kunnen verrichten met als doel eventuele storingen
die in de auto zijn opgetreden te diagnosticeren
en verhelpen. De geregistreerde informatie heeft
Volvo ook nodig om te kunnen voldoen aan de
22
juridische eisen conform de wet- en regelgeving.
De in de auto geregistreerde informatie is opgeslagen in de computers totdat de auto een servicebeurt krijgt of wordt gerepareerd.
Naast het bovenstaande kan de geregistreerde
informatie ook in een samengestelde vorm worden gebruikt voor verzekerings- en productontwikkelingsdoeleinden om de veiligheid en kwaliteit van Volvo's te verbeteren.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet zonder de toestemming van de eigenaar van de auto
vrijgeven aan derden. Vanwege nationale wet- en
regelgeving kan Volvo echter worden gedwongen
om dit type informatie te verstrekken aan de politie of andere autoriteiten die het wettelijke recht
hebben om hiertoe toegang te krijgen. Om de
door vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen
en interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij Volvo en
de werkplaatsen die een contract hebben met
Volvo. Volvo ziet erop toe dat de gegevens, die in
verband met reparatie en onderhoud worden
doorgegeven aan Volvo, zorgvuldig worden opgeslagen en gehanteerd en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden
gebruikt. Neem voor meer informatie contact op
met een Volvo-dealer.
Belangrijke informatie over
accessoires, extra uitrusting en de
diagnoseaansluiting
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires, extra uitrusting of software/
diagnose-instrumenten kan een nadelige invloed
hebben op de werking van de elektronische systemen van de auto.
Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de
bijbehorende software in de computersystemen
van de auto wordt geladen. Volvo adviseert u
daarom altijd contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires
of extra uitrusting monteert die in verbinding
staan/staat met of van invloed zijn/is op het
elektrische systeem.
Uitrusting aansluiten op de
diagnoseaansluiting van de auto
WAARSCHUWING
Volvo Cars wijst alle aansprakelijkheid af voor
eventuele consequenties bij aansluiting van
niet-goedgekeurde uitrusting op de diagnoseaansluiting van de auto (On-BoardDiagnostics (OBD-II)).
INLEIDING
Volvo ID
Volvo ID aanmaken
Een Volvo ID biedt toegang tot een breed scala
aan persoonlijke Volvo-diensten4 online.
Als er al eerder een Volvo ID is aangemaakt, bijvoorbeeld in een andere auto: zie verderop bij
"Uw Volvo ID voor de auto registreren".
Het is mogelijk een Volvo ID van de auto, Volvo
On Call mobiele app5 of My Volvo 6 aan te
maken. Voor sommige functies en diensten moet
de auto op een persoonlijk Volvo ID geregistreerd
staan. Wanneer het Volvo ID ook voor de auto
geregistreerd wordt, krijgt u toegang tot een
breed scala aan Volvo-diensten, die vanuit de
auto beschikbaar zijn.
De diagnoseaansluiting zit onder het dashboard aan de
kant van het stuurwiel.
4
5
6
Voorbeeld van diensten:
•
My Volvo - Uw persoonlijke website voor u en
uw auto.
•
Volvo On Call, VOC* - Volvo ID wordt
gebruikt bij het inloggen op de mobiele app
Volvo On Call.
•
Send to Car - Mogelijkheid om een adres van
een kaartservice op internet rechtstreeks
naar de auto te sturen.
•
Onderhoud en reparatie reserveren - Registreer de door u gewenste werkplaats/dealer
op My Volvo om onderhoud rechtstreeks vanuit de auto te kunnen reserveren.
Een Volvo ID is op verschillende manieren aan te
maken. Als het Volvo ID wordt aangemaakt op My
Volvo of met de mobiele app Volvo On Call, moet
het Volvo ID ook voor de auto geregistreerd worden om gebruik van de verschillende Volvo IDdiensten mogelijk te maken.
Op My Volvo6
1. Ga naar www.volvocars.com en link daarvandaan door naar My Volvo.
2.
Geef een persoonlijk e-mailadres op.
3.
Volg de instructies op die automatisch verstuurd worden naar het opgegeven e-mailadres.
> Er is nu een Volvo ID aangemaakt. Lees
hieronder over hoe u het ID registreert
voor de auto.
Het aanbod aan diensten kan veranderen en hangt af van het uitrustingsniveau en de markt.
Voor mensen met Volvo On Call*, VOC.
Beschikbaar op bepaalde markten.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
23
INLEIDING
||
Met de mobiele app Volvo On Call (VOC)5
1. Download de nieuwste versie van de VOCapp via de smartphone, op bijvoorbeeld AppStore, Windows Phone of Google Play.
2.
Kies op de startpagina van de app voor het
aanmaken van een Volvo ID en geef een persoonlijk e-mailadres aan.
3.
Volg de instructies op die automatisch verstuurd worden naar het opgegeven e-mailadres.
> Er is nu een Volvo ID aangemaakt. Lees
hieronder over hoe u het ID registreert
voor de auto.
3.
1.
Download de app Volvo ID vanaf Updates
als u dat al niet eerder hebt gedaan.
2.
Start de app en registreer een persoonlijk emailadres.
3.
Volg de instructies op die automatisch verstuurd worden naar het opgegeven e-mailadres.
> Er is nu een Volvo ID aangemaakt en het
ID staat automatisch geregistreerd voor
de auto. De Volvo ID-diensten kunnen nu
gebruikt worden.
Als het Volvo ID werd aangemaakt op het net of
met de VOC-app, registreer dit dan voor de auto:
Download de app Volvo ID via Updates op
het appscherm van het middendisplay. Lees
"Apps downloaden, bijwerken en verwijderen" voor meer informatie over het downloaden.
2.
Start de app en vul uw Volvo ID/mailadres in.
5 Voor
24
•
Apps downloaden, bijwerken of verwijderen
(p. 453)
•
Auto met internet verbinden (p. 448)
Voordelen van Volvo ID
•
Een gebruikersnaam en een wachtwoord
voor online diensten, dat wil zeggen u hoeft
slechts één gebruikersnaam en één wachtwoord te onthouden.
•
Bij het wijzigen van een gebruikersnaam/
wachtwoord voor een bepaalde dienst (bijvoorbeeld VOC) worden deze ook automatisch voor de overige diensten (zoals My
Volvo) gewijzigd
N.B.
Om apps te kunnen downloaden moet de
auto verbinding hebben met internet.
Gerelateerde informatie
Volvo ID aanmaken en registreren voor
de auto
Uw Volvo ID voor de auto registreren
1.
Volg de instructies op, die automatisch naar
het e-mailadres worden gestuurd dat aan uw
Volvo ID is gekoppeld.
> Uw Volvo ID is nu voor de auto geregistreerd. De Volvo ID-diensten kunnen nu
gebruikt worden.
mensen met Volvo On Call*, VOC.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INLEIDING
Drive-E - schoner rijplezier
Volvo Car Corporation werkt voortdurend aan de
ontwikkeling van veiliger en effectievere produc-
Milieuzorg is een van de kernwaarden van Volvo
Cars die van invloed is op alle activiteiten. De
milieu-activiteiten gaan uit van de volledige
levensduur van de auto en houden rekening met
de milieu-effecten, van ontwikkeling tot sloop en
recycling. Volvo Cars hanteert het uitgangspunt
dat de milieu-effecten van nieuwe producten
geringer moeten zijn dan die van de producten
waarvoor ze in de plaats komen.
Een van de resultaten van de inspanningen van
Volvo op milieugebied is de ontwikkeling van de
Drive-E-aandrijflijnen, die effectiever werken en
minder vervuilend zijn. Ook het persoonlijke
ten en oplossingen om de milieu-effecten te
beperken.
milieu heeft de volle aandacht van Volvo - de
lucht in een Volvo is door de klimaatregeling bijvoorbeeld schoner dan de lucht buiten.
van de samenwerkingspartners dat ze aan deze
normen voldoen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieu-eisen. Alle productie-eenheden van Volvo
hebben een ISO 14001-certificaat, wat een systematische benadering van de milieu-aspecten
van de productie betekent om voortdurend verbeteringen aan te brengen en de milieu-effecten te
beperken. Dit ISO-certificaat betekent ook dat de
geldende wettelijke bepalingen en voorschriften
op milieugebied wordt nageleefd. Volvo eist ook
Omdat de milieu-effecten van auto's voor een
groot deel toe te schrijven zijn aan het gebruik
ervan richt Volvo Cars zich op het beperken van
het brandstofverbruik, de uitstoot van kooldioxide
en andere verontreinigende stoffen. De auto's
van Volvo zijn concurrerend in hun klasse wat het
brandstofverbruik betreft. Een lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
Brandstofverbruik
}}
25
INLEIDING
||
Bijdragen aan een schoner milieu
Een zuinige auto levert niet alleen een beperking
van de milieu-effecten op, maar betekent ook
lagere kosten voor de eigenaar van de auto. Als
bestuurder kunt u eenvoudig brandstof en geld
besparen en zo een bijdrage leveren aan een
schoner milieu. Hier volgen enkele tips en adviezen:
•
Plan een effectieve gemiddelde snelheid.
Snelheden boven zo'n 80 km/h (50 mph) en
onder zo'n 50 km/h (30 mph) zorgen voor
een hoger energieverbruik.
•
Neem de intervallen voor onderhoud en service aan de auto in acht die in het Serviceen garantieboekje geadviseerd worden.
•
Voorkom stationair draaien - zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat. Houdt u zich
aan de plaatselijke voorschriften.
•
Rijd anticiperend - bij onnodig vaak stoppen
en optrekken en een ongelijkmatige snelheid
stijgt het brandstofverbruik.
•
Activeer de preconditioning* vóór een koude
start - dit verhoogt de startgewilligheid en
beperkt de slijtage bij koud weer. De motor
komt sneller op bedrijfstemperatuur, wat een
beperking van het verbruik en de uitstoot
oplevert.
Let er tevens op dat u afvalstoffen die schadelijk
zijn voor het milieu, zoals accu's en olie, op een
milieuvriendelijke manier afvoert. Neem contact
op met een werkplaats bij twijfel over de juiste
26
manier van verwerken van dergelijk afval - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
"Schoon aan binnen- en buitenkant" - een concept dat een schone passagiersruimte combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies
ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen
niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Het luchtkwaliteitssysteem IAQS* (Interior Air
Quality System) zorgt ervoor dat de lucht die de
passagiersruimte binnenkomt, schoner is dan de
lucht buiten in het verkeer.
Het systeem ontdoet de lucht in de passagiersruimte van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon. Als de Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de
buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten
waarna de lucht in de passagiersruimte wordt
gerecirculeerd. Iets dergelijks kan zich voordoen
in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het IAQS is onderdeel van het CZIP (Clean Zone
Interior Package)* dat voorzien is van een speciale ventilatorfunctie die aanslaat, wanneer de
auto via de transpondersleutel wordt ontgrendeld.
Interieur
De gebruikte materialen voor het interieur van
een Volvo zijn zorgvuldig geselecteerd en uitvoerig getest op comfort en hypoallergeniteit.
Bepaalde afwerkingsdetails zijn handmatig aangebracht: zo is de stuurwielbekleding met de
hand genaaid. Het interieur is getest op de afwezigheid van sterke geuren of stoffen die klachten
kunnen geven bij hoge temperaturen of direct
zonlicht.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en een
laag brandstofverbruik. U draagt zo tevens bij aan
een schoner milieu. Wanneer u de reparaties en
het onderhoud aan de auto toevertrouwt aan de
werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een
onderdeel van Volvo's systeem. Volvo stelt duidelijke milieu-eisen aan de outillage van de werkplaatsen om te voorkomen dat er schadelijke
stoffen in het milieu vrijkomen. Het werkplaatspersoneel beschikt over de kennis en het
gereedschap om optimale milieuzorg te garanderen.
Recycling
Omdat Volvo werkt vanuit een levensduurperspectief is het ook belangrijk dat autowrakken op
milieuvriendelijke wijze worden gerecycled. De
auto is nagenoeg geheel te recyclen. De laatste
eigenaar van de auto wordt daarom verzocht con-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INLEIDING
tact op te nemen met een dealer voor de locatie
van een gecertificeerd/erkend recyclingbedrijf.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Rijmodi* (p. 383)
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 32)
Zuinig rijden (p. 408)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 563)
Luchtkwaliteit (p. 179)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
27
INLEIDING
IntelliSafe-rijondersteuning
IntelliSafe staat voor de manier waarop Volvo
Cars tegen veiligheid in de auto aankijkt. Het
bestaat uit een aantal systemen die hun bijdrage
leveren aan veilig rijden, het voorkomen van
schade en de bescherming van passagiers en
overige verkeersdeelnemers.
Support
Onderdeel van IntelliSafe zijn systemen die u helpen om op een veilige manier met de auto te rijden. De rijondersteuningsfuncties van de auto
zijn bijvoorbeeld de adaptieve cruisecontrol
(Adaptive Cruise Control)* die zorgt voor een
constant tijdsverschil ten opzichte van voorliggers.
Park Assist Pilot* (parkeerhulp) helpt u bij het
parkeren van de auto door het gebied rondom de
auto te scannen.
Automatisch groot licht, Cross Traffic Alert
(CTA)* en Blind Spot Information (BLIS)* zijn
andere voorbeelden van systemen die u ondersteunen.
Voorkomen
Een voorbeeld van een functie die helpt om
ongevallen te voorkomen is City Safety. Deze
functie waarschuwt u als er risico bestaat voor
een aanrijding met een andere auto, fietser of
voetganger. Als u niet op een waarschuwing reageert en er een onmiddellijk risico op een aanrij-
28
ding bestaat, kan City Safety de auto automatische remmen.
Lane Keeping Aid (LKA)* is een ander voorbeeld
van een functie die helpt om ongelukken te voorkomen door u te waarschuwen en een corrigerende stuuringreep uit te voeren, als de auto
onbedoeld een zijlijn dreigt te overschrijden.
Beschermen
De auto is voorzien van gordelspanners die de
veiligheidsgordels in kritieke situaties en bij aanrijdingen kunnen aanspannen voor een nóg
betere bescherming. Verder is de auto uitgerust
met airbags en opblaasgordijn voor bestuurder
en passagier.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
Actieve parkeerhulp* (p. 353)
Groot licht activeren/deactiveren (p. 140)
Cross Traffic Alert* activeren/deactiveren
(p. 364)
Blind Spot Information* (p. 361)
City Safety (p. 325)
Rijbaanassistent* (p. 336)
Roll Stability Control (p. 275)
Veiligheidsgordel (p. 59)
Veiligheid (p. 56)
Airbags (p. 64)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INLEIDING
Sensus - connectiviteit en
entertainment
schijnt, hangt af van hoe belangrijk de informatie
is voor u als bestuurder.
Sensus biedt u de mogelijkheid om te internetten, diverse apps te gebruiken en een Wi-Fi-hotspot van uw auto te maken.
Dit is Sensus
Sensus biedt een intelligente bedieningsinterface
en contact met de digitale wereld. Dankzij de
intuïtieve navigatiestructuur kunt u altijd toegang
krijgen tot hulp, informatie en entertainment, zonder te worden afgeleid.
Sensus omvat alle oplossingen in de auto die
verband houden met entertainment, connectiviteit, navigatie* en de bedieningsinterface tussen
bestuurder en auto. Sensus maakt communicatie
mogelijk tussen u, uw auto en de omgeving.
Informatie waar en wanneer u die nodig
hebt
Op de verschillende displays in de auto staat
altijd relevante informatie. Waar de informatie ver-
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
29
INLEIDING
||
Waar welke informatie verschijnt, hangt af van hoe belangrijk de informatie is.
Head-updisplay*
Op het head-updisplay verschijnt het gekozen
type informatie dat onmiddellijke actie vereist.
Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om verkeersin-
30
formatie en informatie over snelheid en navigatie*. Ook informatie over verkeersborden en telefoonoproepen verschijnen op het head-updisplay.
Dergelijke informatie is te hanteren met de knoppenset rechts op het stuurwiel en vanaf het middendisplay.
Bestuurdersdisplay
12 inch bestuurdersdisplay.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INLEIDING
Een groot aantal van de primaire functies van de
auto wordt aangestuurd vanaf het middendisplay,
een touchscreen dat reageert bij aanraking. Dit
houdt een beperking in van het aantal fysieke
knoppen en bedieningselementen in de auto. Het
scherm is met of zonder handschoenen aan te
bedienen.
8 inch bestuurdersdisplay.
Het bestuurdersdisplay geeft informatie over
onder meer snelheid en telefoonoproepen of
informatie over het afgespeelde nummer. Het is
te bedienen met de twee knoppensets op het
stuurwiel.
Middendisplay
•
•
•
Head-updisplay* (p. 111)
Bestuurdersdisplay (p. 91)
Stembediening (p. 114)
Vanaf het middendisplay zijn bijvoorbeeld de klimaatregeling, het infotainmentsysteem en de
stoelverstelling te bedienen. De functies van het
middendisplay zijn door de bestuurder of een
eventuele passagier te bedienen.
Stembediening
Als bestuurder kunt u de stembediening gebruiken om uw
handen aan het stuur te kunnen houden. Het systeem
begrijpt bepaalde stemcommando's. Gebruik de stembediening om een track af te spelen, iemand te bellen, de verwarming hoger te
zetten of een sms-bericht te laten voorlezen.
Voor meer informatie over alle functies/systemen, zie de desbetreffende artikelen in de
gebruikershandleiding of het bijbehorende supplement.
Gerelateerde informatie
•
•
Bedieningsfuncties middendisplay (p. 36)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 40)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
31
INLEIDING
Milieu-aspecten van de
gebruikershandleiding
De gebruikershandleiding is gedrukt op papier
waarvoor de grondstoffen afkomstig zijn uit
gecontroleerde bossen.
Het Forest Stewardship Council (FSC)®-symbool
geeft aan dat de papiervezels waarvan een
gebruikershandleiding in drukvorm gemaakt is
afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of
andere gecontroleerde bronnen.
Ruiten, lampglazen en spiegels
In de auto zitten bedieningselementen voor ruiten, lampglazen en spiegels. Een aantal ruimten
van de auto is gelamineerd, waardoor bijvoorbeeld de geluidsisolatie van het interieur beter
is.
Gelaagd glas
De voorruit en het panoramadak* zijn voorzien
van gelaagd glas. Het glas is verstevigd voor een
verbeterde inbraakbeveiliging en geluidsisolatie
van het interieur. Voor de overige beglazing, met
uitzondering van de achterruit, vormt gelaagd
glas een mogelijke optie.
Dit symbool staat op beglazing bestaande uit gelaagd
glas7.
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
•
Drive-E - schoner rijplezier (p. 25)
•
•
•
•
•
•
•
7
32
Panoramadak* (p. 160)
Elektrisch bediende ruiten (p. 153)
Ontwaseming van ruiten en buitenspiegels
activeren/deactiveren (p. 190)
Zonnescherm gebruiken (p. 155)
Achteruitkijkspiegel (p. 157)
Buitenspiegels instellen (p. 156)
Head-updisplay* (p. 111)
Geldt niet voor de voorruit en het panoramadak*, die altijd gelaagd zijn en daarom dit symbool niet hebben.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INLEIDING
Overzicht van het middendisplay
Vanaf het middendisplay zijn tal van autofuncties
te regelen. Een overzicht krijgen van het middendisplay en de mogelijkheden daarvan.
}}
33
INLEIDING
||
Drie van de basisschermen van het middendisplay. Veeg naar rechts of naar links om het functie- of appscherm te openen8.
Functiescherm - autofuncties die met één
druk te activeren/deactiveren zijn. Sommige
8
34
Voor een auto met het stuur rechts zijn de schermen in spiegelbeeld.
functies zijn ook zogeheten triggerfuncties,
die vensters met instelmogelijkheden ope-
INLEIDING
nen. Voorbeelden hiervan zijn Camera en
parkeerfuncties.
een van de overige deelschermen. Druk op
het scherm om het uit te vouwen.
Homescherm - het eerste scherm dat verschijnt bij het inschakelen van display.
Klimaatveld - informatie en rechtstreekse
interactie voor het instellen van temperatuur,
stoelverwarming en ventilatorstand. Druk op
het symbool in het midden van het klimaatveld om het klimaatscherm met meer klimaatinstellingen te openen.
Het applicatiescherm (appscherm) - apps die
zijn gedownload (apps van derden) maar ook
apps voor ingebouwde functies, bijvoorbeeld
FM-radio. Druk op een app-pictogram om de
app te openen.
Statusbalk - boven aan het scherm staat de
activiteiten in de auto. Links op de statusbalk
verschijnt netwerk-/aansluitingsinformatie en
rechts verschijnen mediaspecifieke informatie en een klok plus een aanduiding van
lopende achtergrondactiviteiten.
Hoofdscherm - sleep de tab omlaag om het
hoofdscherm te openen. Hiervandaan zijn
Instellingen, Handleiding en de opgeslagen berichten van de auto te openen.
Navigatie - hiermee gaat u naar de kaartnavigatie. Druk op het scherm om het uit te vouwen.
Media - laatst gebruikte apps die verband
houden met media. Druk op het scherm om
het uit te vouwen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Bedieningsfuncties middendisplay (p. 36)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 40)
Functiescherm met knoppen voor autofuncties (p. 47)
Instellingen wijzigen voor apps (p. 175)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 45)
•
•
•
•
Instellingsscherm (p. 171)
•
Middendisplay reinigen (p. 544)
Mediaspeler (p. 430)
Telefoon (p. 441)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 182)
Telefoon - van hieruit hebt u toegang tot de
telefoon. Druk op het scherm om het uit te
vouwen.
Het extra deelscherm - laatst gebruikte
apps/autosystemen die niet thuishoren in
35
INLEIDING
Bedieningsfuncties middendisplay
Veel autofuncties zijn te bedienen en regelen
vanaf het middendisplay. Het middendisplay is
een touchscreen dat op aanraking reageert.
Touchscreenfunctie middendisplay
gebruiken
Dankzij IR-stralen kan het scherm ook vingers op
korte afstand vóór het scherm registreren. Deze
technologie maakt het mogelijk om het scherm
ook te gebruiken als u handschoenen aan hebt.
De schermreacties hangen af van de vraag of u
erop drukt of slepende of vegende bewegingen
maakt. U kunt van het ene naar het andere
Het scherm is gelijktijdig door twee mensen te
bedienen, bijvoorbeeld om het klimaat aan de
bestuurders- en passagierszijde in te stellen.
Methode
36
scherm bladeren, objecten markeren, scrollen in
een lijst en apps verplaatsen door het scherm op
verschillende manieren aan te raken.
BELANGRIJK
Raak het scherm niet met scherpe voorwerpen aan om krassen te voorkomen.
In de onderstaande tabel worden de verschillende methoden voor schermbediening toegelicht:
Uitvoering
Resultaat
Eenmaal indrukken.
Een object markeren, een keuze bevestigen of een functie activeren.
Tweemaal snel drukken.
Inzoomen op een digitaal object, zoals de kaart*.
Eenmaal drukken en vasthouden.
Een object beetpakken. Kan worden gebruikt om apps of kaartpunten op de kaart te verplaatsen*. Houd
de vinger(s) op het scherm gedrukt, terwijl u het object naar de gewenste locatie sleept.
Eenmaal drukken met twee
vingers.
Uitzoomen van een digitaal object, zoals de kaart*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INLEIDING
Methode
Uitvoering
Resultaat
Vegen
Wisselen tussen schermen, bladeren in een lijst, tekst of scherm. Ingedrukt houden en verslepen om
apps of kaartpunten op de kaart te verplaatsen*. Horizontaal of verticaal over het scherm slepen.
Snel vegen/slepen
Wisselen tussen schermen, bladeren in een lijst, tekst of scherm. Horizontaal of verticaal over het
scherm slepen.
Spreiden
Inzoomen.
Knijpen
Uitzoomen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
37
INLEIDING
||
Terugkeren naar homescherm vanuit
een ander scherm
1.
2.
Druk kort op de homeknop.
> De laatst geactiveerde stand voor het
homescherm verschijnt.
Druk opnieuw kort op de homeknop.
> Alle deelschermen van het homescherm
worden in de standaardstand gezet.
N.B.
In het homescherm van de standaardstand –
druk kort op de homeknop. Op het scherm
verschijnt een animatie die uitlegt hoe u de
verschillende tegels kunt openen.
Apps en knoppen voor autofuncties
verplaatsen
De apps en de knoppen voor autofuncties op het
app- en functiescherm zijn te verplaatsen en naar
wens anders te organiseren.
1.
Blijf op een app/knop drukken.
> De app/knop verandert van grootte en
wordt transparant. U kunt de app/knop
vervolgens verplaatsen.
2.
Sleep de app/knop omlaag naar een lege
plek op het scherm.
Het maximale aantal regels voor apps/knoppen
is 48. Om een app/knop tot buiten het zichtbare
schermgedeelte te verplaatsen moet u deze naar
38
de onderkant van het scherm slepen. Er worden
dan automatisch nieuwe regels voor de app/knop
toegevoegd.
Het is dan ook mogelijk om een app/knop verder
naar onderen te verplaatsen, zodat deze in de
normale schermstand niet zichtbaar is.
Veeg over het scherm om omhoog/omlaag te
bladeren.
N.B.
Verberg de apps die u zelden of nooit
gebruikt door ze helemaal onderaan te plaatsen, buiten het zichtveld. Op die manier kunt
u makkelijker de apps vinden die u vaker
gebruikt.
De bladerindicator verschijnt op het middendisplay, wanneer u omhoog of omlaag kunt bladeren.
Bediening op middendisplay gebruiken
In een lijst, artikel of scherm bladeren
Wanneer een bladerindicator zichtbaar is op het
scherm, kunt u omhoog- of omlaagbladeren.
Veeg op een willekeurige plaats op het scherm
omhoog of omlaag.
Temperatuurbediening.
Tal van autosystemen gebruiken bedieningselementen. Regel bijvoorbeeld de temperatuur door:
INLEIDING
•
het bedieningselement naar de gewenste
temperatuur te slepen,
•
op + /− te drukken om de temperatuur in
stapjes te verhogen/verlagen, of
•
op de gewenste temperatuur op het bedieningselement te drukken.
Gerelateerde informatie
•
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 40)
•
•
Instellingsscherm (p. 171)
•
•
Bereik transpondersleutel (p. 236)
•
Het toetsenbord in het middendisplay
gebruiken (p. 49)
•
Instellingen wijzigen voor het middendisplay
(p. 45)
Sensus - connectiviteit en entertainment
(p. 29)
Apps downloaden, bijwerken of verwijderen
(p. 453)
39
INLEIDING
Navigeren in schermen op het
middendisplay
vier deelschermen: Navigatie, Media, Telefoon
en een extra deelscherm.
Het middendisplay heeft vijf verschillende basisschermen: homescherm, hoofdscherm, klimaatscherm, applicatiescherm (appscherm) en functiescherm. Bij het openen van het bestuurdersportier wordt het display automatisch ingeschakeld.
Een app/autofunctie die gekozen wordt vanuit
het app-/functiemenu, start in het desbetreffende deelmenu in het homescherm. Zo start bijvoorbeeld FM-radio in het Media-deelscherm.
Homescherm
Het homescherm is het scherm dat verschijnt bij
het inschakelen van het display. Het bestaat uit
40
Het extra deelscherm bestaat uit de laatst
gebruikte app(s)/autofunctie(s) die niet thuishoren in een van de overige drie schermen.
De deelschermen bevatten beknopte informatie
over de desbetreffende apps.
N.B.
De eerste keer dat u de auto gebruikt, zijn
bepaalde tegels van het homescherm nog
leeg.
N.B.
In het homescherm van de standaardstand –
druk kort op de homeknop. Op het scherm
verschijnt een animatie die uitlegt hoe u de
verschillende tegels kunt openen.
INLEIDING
Een deelscherm uitvouwen vanuit standaardstand
Standaard- en uitgevouwen stand van het media-deelscherm.
}}
41
INLEIDING
||
Deelscherm uitvouwen:
–
Druk op een willekeurige plaats op het deelscherm. Bij het uitvouwen van een deelscherm verdwijnt het vierde deelscherm op
het homescherm tijdelijk naar de achtergrond. De andere twee worden ingeklapt en
tonen slechts bepaalde informatie.
In het uitgevouwen scherm zijn de basisfuncties in de betr. app toegankelijk.
Uitgevouwen deelscherm sluiten:
–
Statusbalk
Druk op het symbool om terug
te gaan naar de uitgevouwen
stand of druk op de homeknop
onder aan het display.
Hoofdscherm
Boven aan het scherm staan de activiteiten in de
auto. Links op de statusbalk verschijnt netwerk-/
aansluitingsinformatie en rechts verschijnt mediaspecifieke informatie, klok alsook een aanduiding
dat er achtergrondactiviteiten gaande zijn.
Het deelscherm kan op drie verschillende
manieren worden gesloten:
•
Druk op het bovenste deel van het uitgevouwen deelscherm.
•
Druk op een ander deelscherm (dan
opent dit namelijk in uitgevouwen stand).
•
Druk kort op de fysieke homeknop onder
het middendisplay.
Deelscherm maximaliseren/minimaliseren
Het extra deelscherm en het deelscherm voor
Navigatie zijn te maximaliseren tot volledig
scherm voor nog meer informatie en aanvullende
instelmogelijkheden.
Als er een deelscherm is geopend als volledig
scherm, verschijnt er geen informatie van de overige deelschermen.
42
Om de app vanuit uitgevouwen
stand te maximaliseren - druk
op het symbool.
Homeknop voor middendisplay.
U kunt altijd teruggaan naar het homescherm
door op de homeknop te drukken. Om vanuit de
gemaximaliseerde stand terug te gaan naar de
standaardweergave van het homescherm - druk
tweemaal op de homeknop.
Hoofdscherm omlaaggesleept.
Midden op de statusbalk boven aan het display
vindt u een tab. Open het hoofdscherm door op
INLEIDING
de tab te klikken of door van boven naar beneden
over het scherm te slepen/vegen.
Het hoofdscherm biedt toegang tot:
• Instellingen
• Handleiding
• De opgeslagen berichten van de auto.
Hoofdscherm verlaten - druk op een punt buiten
het hoofdscherm of druk onder aan het hoofdscherm en sleep het omhoog. Het onderliggende
scherm wordt dan weer zichtbaar zodat u het
kunt gebruiken.
N.B.
Het hoofdscherm is niet beschikbaar tijdens
het starten/uitschakelen of als er een displaytekst op het scherm staat. Dat is evenmin het
geval als het klimaatscherm wordt weergegeven.
Dit geldt alleen voor bepaalde apps in de auto.
Zo zijn voor gedownloade apps van derden geen
appspecifieke artikelen of instellingen te openen.
Klimaatscherm
Onder aan het display is altijd het klimaatveld
zichtbaar. Daar kunnen rechtstreeks de meest
gebruikte klimaatinstellingen worden gedaan,
zoals het instellen van de temperatuur, stoelverwarming en ventilator.
Druk op het symbool midden in het klimaatveld om het klimaatscherm te
openen en om toegang te krijgen tot
meer klimaatinstellingen.
Druk op het symbool om het klimaatscherm te sluiten en terug te gaan
naar het eerdere scherm.
Zie voor meer informatie over klimaatregeling het
artikel "Klimaatregelingsbediening op het middendisplay".
Hoofdscherm openen vanuit een app
Sleep het hoofdscherm omlaag terwijl een app
actief is, zoals FM-radio:
•
Druk op FM Radio Instellingen - er verschijnen instellingen die verband houden met
FM-radio.
•
Druk op Handleiding FM Radio - er wordt
een artikel geopend dat verband houdt met
FM-radio.
9
Applicatiescherm
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
Applicatiescherm met de apps van de auto.
Veeg van rechts naar links9 over het display om
vanuit het homescherm het applicatiescherm
(appscherm) te openen. Hier liggen apps die zijn
gedownload (apps van derden) maar ook apps
voor ingebouwde functies, bijvoorbeeld FMradio. Bepaalde apps tonen beknopte informatie
}}
43
INLEIDING
||
rechtstreeks op het appscherm, zoals het aantal
ongelezen sms-berichten voor Berichten.
Functiescherm
Druk op een app om deze te openen. Deze opent
dan in het deelscherm waar hij bij hoort, bijvoorbeeld Media.
In tegenstelling tot het appscherm waar bij een
druk op een app de bijbehorende app wordt
geopend, wordt bij een druk op een functieknop
in het functiescherm alleen de desbetreffende
functie geactiveerd/gedeactiveerd. Bepaalde
functies, de triggerfuncties, openen door erop te
drukken in een eigen venster. Zie het artikel
"Functiescherm met knoppen voor autofuncties".
Afhankelijk van het aantal apps kunt u omlaagbladeren in het appscherm. U doet dat door van
onder naar boven te vegen/slepen.
Om een app te verplaatsen:
1.
2.
Afhankelijk van het aantal functies kunt u ook
omlaagbladeren in het scherm. U doet dat door
van onder naar boven te vegen/slepen.
Blijf op de app drukken.
> De app wordt ietwat doorzichtig en kleiner
van formaat, wanneer deze klaar is voor
verplaatsing.
Net als in het appscherm kunt u de functieknoppen verplaatsen en de onderlinge volgorde naar
wens aanpassen. Zie onder de rubriek "Applicatiescherm" hierboven.
Sleep de app naar de gewenste plek.
Gerelateerde informatie
•
•
•
N.B.
Apps en autofunctieknoppen kunnen niet
worden bewaard op plaatsen die al bezet zijn.
Ga terug naar het homescherm door van links
naar rechts9 over het display te vegen of door op
de homeknop te drukken.
9
44
Functiescherm met knoppen voor uiteenlopende autofuncties.
Veeg van links naar rechts9 over het display om
vanuit het homescherm het functiescherm te
openen. Van hieruit kunt u verschillende autofuncties activeren/deactiveren, waaronder Lane
Departure Warning, Lane Keeping Aid* en
Parkeerhulp*.
•
•
•
Bedieningsfuncties middendisplay (p. 36)
Overzicht van het middendisplay (p. 33)
Functiescherm met knoppen voor autofuncties (p. 47)
Instellingen wijzigen voor apps (p. 175)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 45)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 182)
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INLEIDING
Symbolen op de statusbalk van het
middendisplay
Symbool
Externe diagnose actief.
Overzicht van de symbolen die mogelijk op de
statusbalk van het middendisplay verschijnen.
Proces gaande.
De statusbalk geeft de lopende activiteiten en in
bepaalde gevallen hun status aan. Omdat de
ruimte in het veld beperkt is, worden niet voortdurend alle symbolen weergegeven.
Symbool
Betekenis
Preconditioning gaande.
Weergave audiobron gestart.
Betekenis
Scherm uitschakelen en weer activeren
Telefoongesprek gaande.
Signaalsterkte in netwerk voor
mobiele telefonie.
Weergave audiobron onderdrukt.
Bluetooth-eenheid aangesloten.
Er komt nieuws binnen via een
radiozender.
Bluetooth geactiveerd maar geen
eenheid aangesloten.
Verkeersinformatie mogelijk.
Aangesloten op Wi-Fi-netwerk.
Klok.
'Internet sharing' geactiveerd (WiFi-hotspot). De auto deelt dus de
beschikbare verbinding.
Gerelateerde informatie
•
Automodem geactiveerd.
Meldingen op bestuurders- en middendisplay
(p. 105)
•
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 40)
Type verbinding met netwerk voor
mobiele telefonie (2G, 3G).
Bij het openen van het bestuurdersportier wordt
het middendisplay automatisch ingeschakeld.
De instellingen voor het middendisplay kunnen
worden gewijzigd met betrekking tot geluid en
thema's. U kunt het scherm uitschakelen, zodat
u bij het rijden niet gestoord wordt.
Weergave audiobron gestopt.
Roaming geactiveerd.
Aangesloten op internet via USB.
Instellingen wijzigen voor het
middendisplay
Homeknop voor middendisplay.
De consequentie van een uitgeschakeld middendisplay is dat het scherm wordt gedimd om u tijdens het rijden niet te storen. Het klimaatveld is
nog wel zichtbaar en apps en andere functies die
aan het scherm gekoppeld zijn, blijven doordraaien.
}}
45
INLEIDING
||
1.
2.
Houd de fysieke homeknop onder het
scherm langere tijd ingedrukt.
> Het scherm dooft, met uitzondering van
het klimaatveld dat nog steeds zichtbaar
is. Alle functies, zoals klimaat, geluid,
geleiding* en apps zijn, nog steeds actief.
In deze stand kunt u het scherm schoonmaken met het meegeleverde schoonmaakdoekje, zie paragraaf "Middendisplay
reinigen".
Het volume van het systeemgeluid in het middendisplay kan worden gewijzigd/uitgezet:
1.
N.B.
N.B.
Het middendisplay wordt automatisch uitgeschakeld als de motor uit is en het bestuurdersportier wordt geopend.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op Geluid
3.
Verschuif de bediening onder Scherm
aanraken om het geluid voor drukken op
het scherm te wijzigen/uit te zetten en op
Keypad aanraken om het geluid voor drukken op het toetsenbord van het scherm te
wijzigen/uit te zetten. Schuif de bediening
naar het gewenste geluidsniveau.
Display opnieuw inschakelen - kort op de
homeknop drukken.
> U ziet dan weer hetzelfde als toen het
scherm werd uitgeschakeld.
Het scherm kan niet worden uitgezet als er
een bepaald commando op het scherm staat.
46
Zet het volume van de systeemgeluiden
uit of wijzig dit in het middendisplay.
Systeemvolumes.
De mogelijkheden zijn altijd beschikbaar voor de
gebruiker en zijn niet afhankelijk van de verlichting eromheen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Instellingsscherm (p. 171)
Sensus - connectiviteit en entertainment
(p. 29)
Middendisplay reinigen (p. 544)
Bedieningsfuncties middendisplay (p. 36)
Uiterlijk van het scherm veranderen
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies vervolgens een thema, bijvoorbeeld
Minimalistic of Chrome rings.
Displays
Skins.
Als aanvulling hierop is het mogelijk om te kiezen
tussen Normaal en Helder. Bij Normaal is de
achtergrond op het scherm donker en zijn de teksten licht. Dit is de standaardinstelling voor alle
thema's. Desgewenst kan een lichte variant worden gekozen, waarbij het uiterlijk zo wordt gewijzigd dat de achtergrond licht wordt en de teksten
donker. Dit kan bijvoorbeeld handig zijn bij fel
daglicht.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INLEIDING
Functiescherm met knoppen voor
autofuncties
In het functiescherm, een van de basisschermen
van het middendisplay, liggen alle knoppen voor
autofuncties. Navigeer vanuit het homescherm
naar het functiescherm door van links naar
rechts over het display te vegen.10.
Verschillende soorten knoppen
Er zijn drie verschillende soorten knoppen voor
autofuncties, zie hieronder:
Soort knop
Eigenschap
Bijbehorende autofunctie
Functieknoppen
Hebben een Aan/Uit-stand.
De meeste knoppen in het functiescherm zijn
functieknoppen.
Bij een geactiveerde functie brandt een led-lampje links van de knopicoon. Druk op de
knop om de bijbehorende functie te activeren/deactiveren.
Triggerknoppen
Hebben geen Aan/Uit-stand.
Bij een druk op een triggerknop wordt er een venster voor de desbetreffende functie
geopend. Bijvoorbeeld een venster voor het aanpassen van de stoelinstellingen.
• Camera
• Hfdsteun omlaag
• Functies voor het neer-/opklappen van
stoelen
• Head-up display afstellen
Parkeerknoppen
Hebben een Aan/Uit-stand en een aftaststand.
Lijken op functieknoppen maar hebben een extra stand voor het aftasten van parkeerruimte.
10
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
• Inparkeren
• Uitparkeren
}}
47
INLEIDING
||
Verschillende standen van de knoppen
Wanneer het groene led-lampje brandt van een
functie- of parkeerknop, is de desbetreffende
functie geactiveerd. Bij het activeren van functies
verschijnt voor sommige functies een extra tekst
over wat deze inhouden. De tekst blijft een paar
seconden staan, waarna de knop met het brandende led-lampje verschijnt.
Het systeem is gedeactiveerd, wanneer het ledlampje is gedoofd.
Voor Lane Keeping Aid verschijnt bijvoorbeeld
de extra tekst: Werkt alleen bij bepaalde
snelheden als de knop wordt ingedrukt.
Druk eenmaal kort op de knop om de desbetreffende functie te activeren/deactiveren.
Wanneer er in de rechter bovenhoek van de knop
een gevarendriehoekje verschijnt, is er sprake van
een fout.
Gerelateerde informatie
•
•
•
48
Overzicht van het middendisplay (p. 33)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 40)
Categorieën op instellingsscherm (p. 173)
INLEIDING
Het toetsenbord in het
middendisplay gebruiken
Met het toetsenbord van het middendisplay kunt
u met toetsen tekst invoeren op het scherm,
maar ook handmatig door letters en tekens "in te
tekenen" op het scherm.
Tekst invoeren met toetsenbord
Met het toetsenbord kunnen tekens, letters en
cijfers worden ingevoerd, bijvoorbeeld om tekstberichten van de auto in te voeren, wachtwoorden in te vullen en naar artikelen te zoeken in de
digitale gebruikershandleiding.
Het toetsenbord verschijnt alleen als het mogelijk
is om op het scherm te schrijven.
}}
49
INLEIDING
||
De afbeelding laat een overzicht zien van een aantal van de knoppen die op het toetsenbord kunnen verschijnen. Het uiterlijk wisselt, al naar gelang de taalinstellingen en in welk
verband het toetsenbord wordt gebruikt.
50
INLEIDING
Regel met suggesties voor woorden of
pinyin11. De voorgestelde woorden worden
aangepast naarmate er nieuwe letters worden ingetypt. Blader door de suggesties door
op de pijlen naar links en naar rechts te
drukken. Druk op een suggestie om deze te
selecteren. Let erop dat deze functie niet
door alle taalopties wordt ondersteund. De
regel is dan niet zichtbaar op het toetsenbord.
Afhankelijk van de voor het toetsenbord
gekozen taal (zie punt 7) worden de beschikbare tekens aangepast. Druk op een teken
om dit in te voeren.
Al naar gelang in welk verband het toetsenbord wordt gebruikt, werkt de knop op verschillende manieren - hetzij om @,.com in te
voeren, hetzij om een nieuwe regel aan te
maken.
Verbergt het toetsenbord. Als dat niet mogelijk is, verschijnt de knop niet.
Wordt gebruikt om met hoofdletters te schrijven. Druk eenmaal om een hoofdletter te
schrijven en dan verder te gaan met kleine
letters. Door nogmaals te drukken worden
alle letters hoofdletters. Als u nog eens drukt,
wordt het toetsenbord weer ingesteld op
kleine letters. In deze stand wordt de eerste
letter na een punt, uitroepteken of vraagteken als hoofdletter geschreven. Dit geldt ook
11
voor de eerste letter in het tekstveld. In tekstvelden die bestemd zijn voor namen of
adressen begint automatisch elk woord met
een hoofdletter. In tekstvelden waar wachtwoorden, webadressen of e-mailadressen
moeten worden ingevuld, worden alle letters
juist klein, tenzij anderszins actief met de
knop wordt ingesteld.
Cijferinvoer. Het toetsenbord (2) laat dan cijfers zien. Druk op
, dat in de cijferstand
, om terug te
verschijnt in plaats van
keren naar het toetsenbord met letters, of op
om het toetsenbord met speciale
tekens te zien.
Wijzigt de taal voor de tekstinvoer, bijvoorbeeld UK. Tekens die kunnen worden ingevoerd alsook suggesties voor woorden (1)
veranderen al naar gelang de gekozen taal.
Indrukken om een lijst met talen te krijgen en
op de te gebruiken taal drukken. Om meer
talen aan het toetsenbord toe te voegen - zie
de rubriek "Taal van het toetsenbord wijzigen" hieronder.
even voordat u opnieuw drukt om het volgende teken te verwijderen, enz.
Vervangt de toetsenbordstand om in plaats
daarvan handmatig letters en tekens in te
voeren. Lees meer onder de rubriek "Handmatig tekens/letters invoeren op het
scherm".
Druk op de bevestigingsknop boven het toetsenbord (niet zichtbaar op de afbeelding) om de
gemaakte tekstinvoer te bevestigen. De knop ziet
er verschillend uit, al naar gelang de context.
Taal van het toetsenbord wijzigen
Om op het toetsenbord tussen de verschillende
talen te kunnen wisselen, moeten de talen eerst
onder Instellingen worden toegevoegd.
Spatie.
Maakt tekstinvoer ongedaan. Kort indrukken
om één teken per keer te verwijderen. Wacht
Dit is het geval als u hebt gekozen voor Japans, Chinees of Taiwanees toetsenbord.
}}
51
INLEIDING
||
Taal toevoegen/verwijderen in instellingen
Het toetsenbord is automatisch ingesteld op
dezelfde taal als de systeemtaal. De taal voor het
toetsenbord kan handmatig worden aangepast
zonder dat dit gevolgen heeft voor de systeemtaal.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Systeem
Toetsenbordindelingen.
3.
Kies één of meer talen in de lijst.
> Nu kunt u direct op het toetsenbord wisselen tussen de geselecteerde talen.
2.
Kies de gewenste taal. Als er onder
Instellingen meer dan vier talen zijn geselecteerd, is het mogelijk om op het toetsenbord door de lijst te bladeren.
> Het toetsenbord wordt aangepast aan de
gekozen taal en er worden andere suggesties voor woorden gegeven.
Varianten van een letter of een teken
Als er onder Instellingen geen talen actief zijn
gekozen, houdt het toetsenbord dezelfde taal als
de systeemtaal van de auto. Zie paragraaf "Systeeminstellingen wijzigen in het hoofdmenu".
Op het toetsenbord wisselen tussen
verschillende talen
Als er meerdere talen gekozen
zijn bij Instellingen, wordt de
knop (in zijn context weergegeven als nummer 7 in de afbeelding hierboven) op het toetsenbord gebruikt om te wisselen
tussen de verschillende talen.
Om de taal op het toetsenbord te wijzigen:
1.
52
Houd de knop vast (zie afbeelding boven).
> Er verschijnt een lijst.
Handmatig tekens/letters invoeren op
het scherm
Ruimte om letters/tekens in te voeren.
Tekstveld waar letters/tekens worden ingevoerd naargelang deze op het scherm worden ingetekend.
Suggesties voor letters/tekens. U kunt bladeren in de lijst.
Om een variant van een letter/teken in te voeren,
bijvoorbeeld é of è:
1.
Houd de letter/het teken ingedrukt.
> Er verschijnt een venster met mogelijke
varianten van de letter/het teken.
2.
Druk op de gewenste variant. Als u geen van
de varianten selecteert, wordt uw oorspronkelijk gekozen letter of teken ingevoerd.
Spatie.
Tekstinvoer ongedaan maken. Kort indrukken
om één letter/teken per keer te verwijderen.
Wacht even voordat u opnieuw drukt om de
volgende letter of het volgende teken te verwijderen, enz.
Ga terug naar het toetsenbord met gewone
tekeninvoer.
INLEIDING
Verberg het toetsenbord. Als dat niet mogelijk is, verschijnt de knop niet.
Tekens/letters verwijderen/wijzigen die
handmatig zijn ingevoerd
Van regel wisselen in het vrije tekstveld met
handgeschreven tekst
Wis de tekens in het tekstveld (2) door over het veld
voor handgeschreven tekst (1) te vegen.
Wissel handmatig van regel door bovenstaand teken in
te tekenen in het veld voor handgeschreven tekst13.
–
Gerelateerde informatie
Wijzig de taal voor de tekstinvoer.
Handmatig tekens/letters invoeren
1. Voer een teken/letter in in de ruimte voor
handgeschreven letters (1).
> Er verschijnt een aantal suggesties voor
tekens of letters (3). Het meest waarschijnlijke staat boven aan in de lijst.
2.
12
13
Voer het teken/de letter in door heel even te
wachten.
> Het teken/de letter boven aan de lijst
wordt ingevoerd. U kunt ook een ander
teken kiezen dat wat er boven aan de lijst
verschijnt. Druk op het teken of de letter
in de lijst naar uw keuze.
Om tekens/letters te wijzigen zijn er meerdere alternatieven:
•
Druk in de lijst (3) op de letter die eigenlijk bedoeld werd.
•
Druk op de knop voor het ongedaan
maken van tekstinvoer (5) om de letter te
verwijderen en begin opnieuw.
•
Veeg horizontaal van rechts naar links12
over de ruimte voor handgeschreven letters (1). Verwijder meerdere letters door
meerdere keren over de ruimte te vegen.
•
Eenmaal drukken op het kruisje in het
tekstveld (2) neemt alle ingevoerde tekst
weg.
•
•
•
•
Instellingsscherm (p. 171)
Bedieningsfuncties middendisplay (p. 36)
Berichtfuncties (p. 445)
Systeeminstellingen wijzigen op instellingsscherm (p. 174)
Veeg bij een Arabisch toetsenbord in tegengestelde richting. Wanneer u van rechts naar links veegt, voegt u een spatie in.
Voor Arabisch toetsenbord - schrijf hetzelfde teken, maar dan gespiegeld.
53
VEILIGHEID
VEILIGHEID
Veiligheid
De auto is voorzien van diverse veiligheidssystemen die samenwerken om u en uw medepassagiers te beschermen bij een ongeluk.
De auto is uitgerust met een aantal sensoren die
bij een ongeval reageren en bepaalde veiligheidssystemen activeren, bijv. verschillende soorten
airbags en de gordelspanners van de veiligheidsgordels. Afhankelijk van de specifieke ongevalssituatie, bijv. aanrijdingen in verschillende hoeken,
over de kop slaan of van de weg raken, reageren
de systemen op verschillende manieren om zo de
beste bescherming te bieden.
Waarschuwingssymbool op
bestuurdersdisplay
Het waarschuwingssymbool op het
bestuurdersdisplay gaat branden wanneer u het elektrische systeem van de
auto in contactslotstand II zet. Het
symbool dooft na ongeveer 6 seconden, als blijkt
dat de veiligheidssystemen van de auto in orde
zijn.
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingssymbool blijft branden
of tijdens het rijden gaat branden en het
bericht SRS airbag Service urgent Rijd
naar werkplaats op het bestuurdersdisplay
verschijnt, is dit een teken dat een gedeelte
van een veiligheidssysteem niet naar behoren
werkt. Volvo adviseert u om zo spoedig mogelijk contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Daarnaast zijn er zuiver mechanische veiligheidssystemen zoals het Whiplash Protection System.
De auto is bovendien zodanig gebouwd dat een
groot deel van de kracht bij een aanrijding wordt
verdeeld naar de balken, de stijlen, de vloer, het
dak en andere delen van de carrosserie.
Na een ongeval kan de veiligheidsstand van de
auto worden geactiveerd als er een belangrijke
functie in de auto beschadigd is geraakt.
Als het specifieke waarschuwingssymbool defect is, gaat in plaats daarvan
het algemene waarschuwingssymbool
branden en het bestuurdersdisplay
geeft dezelfde melding weer.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
56
Veiligheid tijdens de zwangerschap (p. 57)
Veiligheidsgordel (p. 59)
Airbags (p. 64)
Whiplash Protection System (p. 57)
•
•
Safety Mode (p. 70)
Kinderen en veiligheid (p. 72)
VEILIGHEID
Veiligheid tijdens de zwangerschap
Zithouding
Whiplash Protection System
Het is belangrijk dat zwangere passagiers hun
veiligheidsgordel op de juiste manier dragen en
dat een zwangere bestuurder haar zithouding
aanpast.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuurwiel
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig onder
controle hebben (wat inhoudt dat ze met gemak
bij het stuur en de pedalen moeten kunnen
komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik
en het stuur zo groot mogelijk te maken.
Whiplash Protection System (WHIPS) biedt
bescherming tegen whiplash-letsel. Het systeem
bestaat uit energieabsorberende rugleuningen
en zittingen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen.
Veiligheidsgordel
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
De veiligheidsgordel moet strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de borsten en tegen de zijkant van de buik ligt.
Veiligheid (p. 56)
Veiligheidsgordel (p. 59)
Handmatig bediende voorstoel (p. 119)
Elektrisch bediende voorstoel* (p. 120)
WHIPS wordt geactiveerd bij een aanrijding van
achteren, afhankelijk van de hoek waaronder en
de snelheid waarmee het achteropkomende
voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
Bij activering van het WHIPS klappen de rugleuningen van de voorstoelen naar achteren en de
zittingen omlaag, zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogenoemd whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
WHIPS vormt een aanvulling op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel
altijd.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel moet
vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik liggen. Het
mag nooit over de buik omhoog kunnen glijden.
De veiligheidsgordel moet zo strak mogelijk over
het lichaam lopen zonder onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens
gedraaid zit.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
57
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoelen of
WHIPS aan en probeer deze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als de voorstoelen aan grote krachten hebben blootgestaan zoals tijdens een aanrijding,
moet u de stoelen vervangen. De stoelen kunnen een deel van hun beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als ze ogenschijnlijk niet zijn beschadigd.
WAARSCHUWING
Plaats dozen e.d. niet dusdanig, dat deze vastgeklemd zitten tussen het zitgedeelte van de
achterbank en de rugleuning van de voorstoelen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Veiligheid (p. 56)
Handmatig bediende voorstoel (p. 119)
Elektrisch bediende voorstoel* (p. 120)
Rear Collision Warning (p. 334)
WAARSCHUWING
Als een rugleuning van de achterbank is neergeklapt, moet de bijbehorende voorstoel verder naar voren worden gezet zodat deze niet
in contact komt met de neergeklapte rugleuning.
Zithouding
Voor optimale bescherming door het WHIPS
moeten bestuurder en voorpassagier de juiste zithouding innemen en zorgen dat het systeem niet
wordt gehinderd.
Stel voordat u wegrijdt de juiste zithouding in
voor de voorstoel.
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter of onder de
voorstoelen of op de zitrij achter de bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPS kunnen hinderen.
U en een eventuele voorpassagier moeten zoveel
mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen
en de afstand tussen hoofd en hoofdsteun zo
klein mogelijk houden.
WHIPS en kinderzitjes
WHIPS beïnvloedt de beschermende werking van
kinderzitje en/of verhogingskussen niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/verhogingskussen
op de voorstoel te plaatsen, als een eventuele
passagiersairbag niet geactiveerd is.
58
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
VEILIGHEID
Veiligheidsgordel
WAARSCHUWING
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen.
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te
ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt
de beste bescherming bij een normale rijhouding.
WAARSCHUWING
Denk eraan geen clips te gebruiken of de
gordel vast te maken rond haken of andere
delen van het interieur, omdat de veiligheidsgordel daardoor niet goed aansluit.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de veiligheidsgordel niet of verkeerd wordt
gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed
zijn op het effect van de airbag.
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten
heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn
geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
Gordelspanners bij een botsing
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Gordelspanners
De auto is voorzien van pyrotechnische en elektrische gordelspanners die de veiligheidsgordels
in kritieke situaties en bij aanrijdingen kunnen
aanspannen.
Veiligheid (p. 56)
Gordelspanners (p. 59)
Veiligheidsgordel omdoen/afdoen (p. 60)
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 62)
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met een
pyrotechnische gordelspanner.
De pyrotechnische gordelspanner spant de veiligheidsgordel bij een voldoende krachtige botsing
om de inzittende efficiënter te kunnen opvangen.
Gordelspanners in kritieke situaties
De gordelspanners voor bestuurder en passagier
op de voorstoel zijn uitgerust met een elektrische
gordelspanner.
De gordelspanner werkt samen met en is te activeren door de rijhulpsystemen City Safety en
Rear Collision Warning. In kritieke situaties, zoals
bij een noodstop, krachtige uitwijkmanoeuvres,
van de weg raken (bijvoorbeeld wanneer de auto
een greppel inrolt, van de grond komt of tegen
een object botst), slippen of gevaar voor een botsing, kan de veiligheidsgordel door de elektromotor van de gordelspanner worden gespannen.
De elektrische gordelspanner plaatst de inzittende beter, wat het risico om tegen het interieur
van de auto geworpen te worden tot een minimum reduceert en het effect van veiligheidssystemen (zoals de airbags van de auto) verbetert.
}}
59
VEILIGHEID
||
BELANGRIJK
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als de passagiersairbag wordt gedeactiveerd,
wordt ook de elektrische gordelspanner aan
de passagierskant gedeactiveerd.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten
heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn
geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
Een elektrische gordelspanner resetten
Zodra de kritieke situatie voorbij is, worden de
gordel en de elektrische gordelspanner automatisch gereset.
Mocht de gordel desondanks toch aangespannen
blijven:
60
1.
Parkeer de auto op een veilige plek.
2.
Neem de veiligheidsgordel af en doe deze
vervolgens weer om.
> De gordel en de elektrische gordelspanner worden gereset.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Veiligheidsgordel (p. 59)
Veiligheidsgordel omdoen/afdoen
Let erop dat alle passagiers hun veiligheidsgordel om hebben voordat u gaat rijden.
Veiligheidsgordel omdoen
1.
Rol de gordel langzaam af. Zorg dat er geen
slag in zit en let op dat hij niet is beschadigd.
Zorg er bij de middelste zitplaats op de
tweede zitrij voor dat de gordel goed in de
gordelgeleider zit.
N.B.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan
niet verder worden uitgetrokken:
•
•
•
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Veiligheidsgordel omdoen/afdoen (p. 60)
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 62)
City Safety (p. 325)
Rear Collision Warning (p. 334)
Passagiersairbag* activeren/deactiveren
(p. 66)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
VEILIGHEID
2.
Zet de gordel vast door de borglip in de bijbehorende gordelsluiting te steken.
> Een duidelijke "klik" geeft aan dat de gordel vastzit.
3.
Voorin en op de beide buitenste zitplaatsen
op de tweede zitrij kunt u de gordel hoger of
lager zetten.
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de gordelsluiting aan de juiste
zijde. De veiligheidsgordels en de gordelsluiting werken anders mogelijk niet naar behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat gevaar
voor ernstige verwondingen.
De gordel moet over de schouder lopen (en niet over de
bovenarm).
4.
Druk de gordelbevestiging in elkaar en zet de
gordel hoger of lager.
Span de heupgordel over de heupen door de
diagonale schoudergordel in de richting van
de schouder omhoog te trekken.
Zet de gordel zo hoog mogelijk zonder dat de
gordel daarbij langs de nek schuurt.
De heupgordel moet laag zitten (niet over de buik).
}}
61
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bedoeld voor slechts
één persoon.
WAARSCHUWING
Denk eraan geen clips te gebruiken of de
gordel vast te maken rond haken of andere
delen van het interieur, omdat de veiligheidsgordel daardoor niet goed aansluit.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Veiligheidsgordel (p. 59)
Gordelspanners (p. 59)
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 62)
Portier- en gordelwaarschuwing
Het systeem herinnert inzittenden eraan de veiligheidsgordel om te doen en waarschuwt ook
als een portier, motorkap, achterklep of tankvulklep niet goed dichtstaat.
Grafische voorstelling op
bestuurdersdisplay
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordels nooit beschadigen en
geen vreemde voorwerpen aanbrengen in de
gordelsluiting. De veiligheidsgordels en de
gordelsluiting werken anders mogelijk niet
naar behoren tijdens een aanrijding. Er
bestaat gevaar voor ernstige verwondingen.
Veiligheidsgordel afdoen
1.
Druk op de rode knop van de gordelsluiting
en laat het oprolmechanisme de gordel naar
binnen trekken.
Grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay met
verschillende soorten waarschuwingen. De waarschuwingskleur voor portier en achterklep is afhankelijk van
de rijsnelheid.
2.
Als de gordel niet volledig wordt opgerold,
moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
De grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay geeft de zitplaatsen weer waarvan de veiligheidsgordel wel of juist niet in gebruik is.
Zorg er bij de middelste zitplaats op de
tweede zitrij voor dat de gordel goed in de
gordelgeleider zit.
In dezelfde grafische voorstelling wordt aangegeven of de motorkap, de achterklep, de tankvulklep
of een portier open is.
De grafische voorstelling verdwijnt automatisch
na 30 seconden rijden of eerder bij een druk op
62
VEILIGHEID
de O-knop van de knoppenset rechts op het
stuurwiel.
Gordelwaarschuwing
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
Visueel signaal op plafondconsole.
De visuele signalen worden verstrekt via de plafondconsole en het waarschuwingssymbool op
het bestuurdersdisplay.
Het geluidssignaal is afhankelijk van de snelheid,
de rijtijd en de afgelegde afstand.
De gordelstatus voor de bestuurder en de passagiers geeft op de grafische voorstelling op het
bestuurdersdisplay aan wanneer een gordel
wordt om- of afgedaan.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet voor
kinderzitjes.
Bij een rijsnelheid hoger dan zo'n 10
km/h (6 mph) gaat het waarschuwingssymbool op het bestuurdersdisplay branden.
Voorstoel
Er worden visuele signalen en geluidssignalen
afgegeven, wanneer u en een eventuele voorpassagier niet in de gordel zitten.
•
Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. Bij gebruik
van de veiligheidsgordels verschijnt een grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay.
•
Met visuele signalen en geluidssignalen
ervoor waarschuwen dat een van de veiligheidsgordel achterin tijdens het rijden werd
losgenomen. De waarschuwing stopt wanneer de gordel weer is omgedaan, maar is
ook handmatig te onderdrukken door op de
O-knop van de knoppenset rechts op het
stuurwiel te drukken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Veiligheidsgordel (p. 59)
Gordelspanners (p. 59)
Veiligheidsgordel omdoen/afdoen (p. 60)
Waarschuwing voor portier, motorkap,
achterklep en tankvulklep
Als de motorkap, de achterklep, de tankvulklep of
een van de portieren niet goed dichtstaan, geeft
de grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay aan wat openstaat. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het onderdeel
dat aanleiding gaf tot de waarschuwing.
Bij een rijsnelheid tot 10 km/h (6 mph)
gaat het informatiesymbool op het
bestuurdersdisplay branden.
63
VEILIGHEID
Airbags
WAARSCHUWING
De auto is voorzien van airbags en opblaasgordijnen aan bestuurders- en passagierszijde.
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Dat kan
het besturen van de auto bemoeilijken. Ook
andere veiligheidssystemen kunnen beschadigd zijn. De rook en stof die bij het opblazen
van de airbags worden gevormd, kunnen bij
een intensieve blootstelling irritaties aan de
huid en ogen/letsel veroorzaken. Bij last met
koud water wassen. Het snelle opblazen kan
ook, in combinatie met het materiaal van de
airbag, voor wrijvings- en brandwonden op de
huid zorgen.
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit in
de middenconsole. Als de middenconsole
doorweekt geraakt is, moet u de kabels loskoppelen van de startaccu. Probeer de auto
niet te starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u de auto te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
Stuur- en passagiersairbag
Als aanvulling op de veiligheidsgordel is de auto
voorzien van airbags aan de bestuurders- en
passagierszijde voorin.
Gerelateerde informatie
Opgeblazen airbags
Wanneer een van de airbags is opgeblazen,
wordt het volgende geadviseerd:
•
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen
airbags.
•
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in de
auto over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
•
64
Neem altijd contact op met een arts.
•
•
•
•
Veiligheid (p. 56)
Stuur- en passagiersairbag (p. 64)
SIPS-airbag (p. 68)
opblaasgordijn (p. 69)
Stuur- en passagiersairbag.
Bij een frontale botsing helpen de airbags voorkomen dat u en eventuele inzittenden letsel aan
hoofd en borstkas oplopen, alsook dat u gewond
raakt aan knieën en benen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren
van de airbags activeren. De airbags vangen de
klap van de aanrijding op voor de inzittende. De
airbags lopen vervolgens weer leeg. Daarbij
treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de airbag, neemt
enkele tienden van een seconde in beslag.
VEILIGHEID
N.B.
Bestuurdersairbags
De sensoren reageren verschillend, afhankelijk van het verloop van de botsing en of er al
dan niet een veiligheidsgordel wordt gebruikt.
Geldt voor alle gordelposities.
Stuurairbag
De airbag zit opgevouwen in het midden van het
stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het
opschrift AIRBAG.
Er kunnen dus ongelukken ontstaan als
slechts één (of geen) van de airbags wordt
geactiveerd. De sensoren registreren de
kracht waaraan de auto bij de botsing blootstaat en blazen op basis daarvan geen, een of
meer airbags op.
Knie-airbag
De airbag zit opgevouwen onder in het dashboard aan de bestuurderszijde. Het paneel is
voorzien van het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de gordel niet of verkeerd wordt gebruikt,
kan dit bij een botsing van invloed zijn op het
effect van de airbag.
Om geen letsel op te lopen wanneer de airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo
rechtop mogelijk zitten met de voeten op de
vloer en de rug tegen de rugleuning.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in het airbagsysteem kan tot een onjuiste werking leiden
met ernstig letsel als gevolg.
Sticker voor passagiersairbag
WAARSCHUWING
Plaats of bevestig geen voorwerpen vóór of
op het paneel waar de knie-airbag geplaatst
is.
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
Passagiersairbag
De airbag zit opgevouwen in een ruimte boven
het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van
het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen vóór of bovenop het
dashboard op de plek waar de airbag voor de
passagiersstoel zit.
Sticker op portierstijl aan passagierszijde. Bij het openen
van het passagiersportier is de sticker zichtbaar.
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag
is aangebracht als hierboven.
}}
65
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
Als de auto niet is uitgerust met een schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag (PACOS), is de passagiersairbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
Vervoer kinderen nooit op een verhogingskussen, in een kinderzitje of een achterstevoren
gemonteerd babyzitje op de passagiersstoel
voorin, als de airbag aan deze kant geactiveerd is.
Passagiersairbag* activeren/
deactiveren
De passagiersairbag is te deactiveren als de
auto is voorzien van een speciale schakelaar,
Passenger Airbag Cut Off Switch (PACOS).
WAARSCHUWING
Als de auto niet is uitgerust met een schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag (PACOS), is de passagiersairbag altijd geactiveerd.
PACOS-schakelaar
De PACOS-schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag zit aan de passagierszijde aan de zijkant van het dashboard en u
kunt erbij door het portier aan die kant te openen.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de
airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
Gerelateerde informatie
•
•
Airbags (p. 64)
Passagiersairbag* activeren/deactiveren
(p. 66)
ON - de airbag is geactiveerd en volwassenen kunnen veilig op de passagiersstoel zitten.
OFF - De airbag is uitgeschakeld en kinderen in een kinderzitje kunnen veilig op de
passagiersstoel zitten.
66
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
VEILIGHEID
Passagiersairbag activeren
Trek de schakelaar naar buiten en draai deze
vanuit OFF (B) naar ON (A).
> Op het bestuurdersdisplay verschijnt de
melding Passagiersairbag aan Graag
bevestigen.
N.B.
Als u de passagiersairbag hebt geactiveerd/
gedeactiveerd met de auto in contactslotstand I of lager en het contactslot vervolgens
in stand II zet, verschijnt na ca. 6 seconden
een melding op het bestuurdersdisplay in
combinatie met de volgende indicatie op de
plafondconsole.
2.
Bevestig de melding door de O-knop van de
knoppenset rechts op het stuurwiel in te
drukken.
> Een displaytekst en een waarschuwingssymbool op de plafondconsole geven aan
dat de passagiersairbag geactiveerd is.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit op een verhogingskussen, in een kinderzitje of een achterstevoren
gemonteerd babyzitje op de passagiersstoel
voorin, wanneer de airbag aan deze kant
geactiveerd is.
Passagiersairbag deactiveren
Trek de schakelaar naar buiten en draai deze
vanuit ON (A) naar OFF (B).
> Op het bestuurdersdisplay verschijnt de
melding Passagiersairbag uit Graag
bevestigen.
N.B.
Als u de passagiersairbag hebt geactiveerd/
gedeactiveerd met de auto in contactslotstand I of lager en het contactslot vervolgens
in stand II zet, verschijnt na ca. 6 seconden
een melding op het bestuurdersdisplay in
combinatie met de volgende indicatie op de
plafondconsole.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel voorin plaatsnemen, wanneer de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
}}
67
VEILIGHEID
||
2.
Bevestig de melding door de O-knop van de
knoppenset rechts op het stuurwiel in te
drukken.
WAARSCHUWING
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, wanneer de
airbag gedeactiveerd is.
SIPS-airbag
De SIPS-airbags aan bestuurders- en passagierszijde beschermen bij een aanrijding borstkas en heupen.
Laat geen passagier op de passagiersstoel plaatsnemen, als er een
melding op de plafondconsole verschijnt die aangeeft dat de airbag
gedeactiveerd is en als gelijktijdig dit symbool
en de melding SRS airbag Service urgent
Rijd naar werkplaats op het bestuurdersdisplay verschijnen. Dit duidt op een ernstige
storing. Bezoek zo spoedig mogelijk een
werkplaats. Volvo adviseert u om contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
> Een displaytekst en een brandend lampje
op de plafondconsole geven aan dat de
passagiersairbag gedeactiveerd is.
BELANGRIJK
Als de passagiersairbag wordt gedeactiveerd,
wordt ook de elektrische gordelspanner aan
de passagierskant gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
68
Stuur- en passagiersairbag (p. 64)
Gordelspanners (p. 59)
De SIPS-airbags zijn in de buitenste rugframes
van de voorstoelen gemonteerd en dragen bij tot
het beschermen van de bestuurder en de passagier in de voorstoelen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren
activeren. De SIPS-airbags worden vervolgens
opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. De airbags lopen vervolgens weer leeg.
De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen
opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in de zij-airbags
kan tot een onjuiste werking leiden met ernstig letsel als gevolg.
Gerelateerde informatie
•
Airbags (p. 64)
opblaasgordijn
De opblaasgordijnen, Inflatable Curtain (IC) helpen voorkomen dat bestuurder en eventuele
passagiers bij een botsing met hun hoofd tegen
de binnenkant van de auto stoten.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen in het gebied tussen
de buitenzijde van de stoel en het portierpaneel, aangezien dit gebied door de zijairbag
kan worden beïnvloed.
Volvo adviseert om uitsluitend door Volvo
goedgekeurde overtrekbekleding te gebruiken. Andere bekleding kan de werking van de
zijairbags hinderen.
WAARSCHUWING
De zijairbag vormt een aanvulling op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel
altijd.
SIPS-airbags en kinderzitjes
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende
werking van kinderzitje en/of verhogingskussen
niet negatief.
Het opblaasgordijn is langs de beide zijden van
het plafond gemonteerd en helpen bij het
beschermen van de bestuurder en passagiers op
de buitenste plaatsen. De panelen zijn voorzien
van het opschrift IC AIRBAG.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de opblaasgordijnen activeren.
Het is mogelijk een kinderzitje/verhogingskussen
op de voorstoel te plaatsen, als een eventuele
passagiersairbag niet geactiveerd is.
}}
69
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan
de plafondhandgrepen. De haken zijn alleen
bedoeld voor niet al te zware kledingstukken
(en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Safety Mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt, wanneer tijdens een aanrijding
mogelijk belangrijke onderdelen zijn beschadigd
zoals de brandstofleidingen, de sensoren voor
de veiligheidssystemen of het remsysteem.
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo adviseert om alleen originele Volvo-onderdelen,
bestemd voor montage op deze plaatsen, te
gebruiken.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de tekst Safety mode Zie
handleiding op het bestuurdersdisplay verschijnen in combinatie met een waarschuwingssymbool. Dit betekent dat de functionaliteit van de
auto is verminderd.
WAARSCHUWING
Houd 10 cm afstand aan tussen de bagage
en de zijruiten, als u de bagage opstapelt tot
boven de portierruiten. Anders kan de
beschermende werking van de opblaasgordijnen, die in de plafondbekleding zijn weggewerkt, uitblijven.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Gerelateerde informatie
•
70
Safety Mode
Airbags (p. 64)
Ook als de auto in de Safety Mode staat, kunt u
het systeem nog steeds resetten en de auto vervolgens starten en naar een veiliger plek rijden.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety Mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een slechte
functie van de auto. Volvo adviseert u de auto
altijd in een erkende Volvo-werkplaats te laten
controleren en naar Normal Mode te laten
resetten nadat de melding Safety mode Zie
handleiding is verschenen.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept zolang
deze in de Safety mode staat. De auto moet
op een bergingsvoertuig worden afgevoerd.
Volvo adviseert u hem te laten afvoeren naar
een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
Veiligheid (p. 56)
Auto in Safety Mode starten/verrijden
(p. 71)
VEILIGHEID
Auto in Safety Mode starten/
verrijden
3.
Ook als de auto in de Safety Mode staat, kunt u
deze nog steeds starten en naar een veiliger
plek rijden.
Auto in Safety Mode starten
1.
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld
dat er geen brandstof weglekt, kunt u proberen de motor te starten.
Probeer vervolgens de auto te starten.
> De auto-elektronica verricht een systeemcontrole en probeert vervolgens de normale modus te activeren.
Gerelateerde informatie
•
Safety Mode (p. 70)
BELANGRIJK
Als de melding Safety mode Zie
handleiding nog steeds op het display staat,
mag u niet met de auto rijden en deze evenmin verslepen. U moet de auto dan laten bergen. Verborgen schade kan de auto tijdens
het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als het
lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt
terwijl de melding Safety mode Zie
handleiding verschijnt. Verlaat de auto
onmiddellijk.
2.
Draai de startknop naar stand STOP en laat
de knop los.
Auto in Safety Mode verrijden
1.
Als op het bestuurdersdisplay de melding
Normal mode The car is now in normal
mode verschijnt nadat er een startpoging is
verricht, mag u de auto voorzichtig naar een
veiliger plek rijden.
2.
Verrijd de auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept zolang
deze in de Safety mode staat. De auto moet
op een bergingsvoertuig worden afgevoerd.
Volvo adviseert u hem te laten afvoeren naar
een erkende Volvo-werkplaats.
71
VEILIGHEID
Kinderen en veiligheid
Kinderzitje
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten
(kinderzitjes, verhogingskussens en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto zijn
ontwikkeld.
Het gewicht en de lengte van het kind zijn bepalend voor de plaats van het kind in de auto en de
vereiste uitrusting.
Met kinderveiligheidsproducten van Volvo schept
u optimale voorwaarden voor een veilig vervoer
van kinderen in de auto. U weet bovendien zeker
dat de producten passen en eenvoudig in het
gebruik zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot zitten.
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3-4
jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar op/in
een verhogingskussen of een kinderzitje dat in
de rijrichting geplaatst is.
Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen
zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de juiste wijze
gebruikt.
Raadpleeg voor de juiste montage de montageinstructies bij het kinderzitje.
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is
het belangrijk om de meegeleverde montagehandleiding te lezen.
Kinderzitje plaatsen
N.B.
72
Veiligheid (p. 56)
N.B.
De wettelijke bepalingen voor hoe een kind in
de auto moet worden geplaatst, verschillen
per land. Stel u op de hoogte van wat van toepassing is.
WAARSCHUWING
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de
airbag geactiveerd is.
Gerelateerde informatie
Kinderzitje (p. 72)
Als de airbag op de passagiersplaats gedeactiveerd is, kan er een kinderzitje/verhogingskussen
op de passagiersplaats voorin worden gezet.
Vervoer kinderen nooit op een verhogingskussen, in een kinderzitje of een achterstevoren
gemonteerd babyzitje op de passagiersstoel
voorin, als de airbag aan deze kant geactiveerd is.
Bij vragen over de montage van kinderveiligheidsproducten neemt u voor duidelijke aanwijzingen contact op met de producent.
•
•
•
Zet kinderzitjes/verhogingskussens altijd op de
tweede of derde* zitrij als de airbag op de passagiersplaats geactiveerd is. Als de airbag wordt
opgeblazen, kan een kind op de passagiersstoel
ernstig letsel oplopen.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
Geïntegreerd kinderzitje* (p. 83)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
VEILIGHEID
Kinderzitje monteren
•
ISOFIX-kinderzitjes zijn alleen te monteren,
wanneer de auto is uitgerust met een
ISOFIX-console1 (accessoire).
•
Schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren.
Als u echter ook een kinderzitje op de
tweede zitrij gebruikt, kunt u afwijken van het
voorgaande. Controleer in dat geval altijd of
het kinderzitje volgens de instructies van de
producent gemonteerd is.
Let bij het monteren van een kinderzitje in de
auto op het volgende.
WAARSCHUWING
Comfortkussens/kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de openingsknop van de gordelsluiting aan kunnen
liggen, mogen niet worden gebruikt aangezien
ze ervoor kunnen zorgen dat de veiligheidsgordel per ongeluk open gaat.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
niet vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan de
veren, rails of balken onder de stoel. Scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigen.
Laat het bovengedeelte van het kinderzitje
niet tegen de voorruit leunen.
Op voorstoel monteren
• Ga na of de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
•
1
2
3
Gebruik alleen door Volvo geadviseerde kinderzitjes met een universele of semi-universele goedkeuring waarbij uw auto op de lijst
van compatibele auto's staat.
•
•
Als het kinderzitje voorzien is van onderste
bevestigingsbanden, adviseert Volvo u om
deze aan de onderste bevestigingspunten
vast te zetten1.
bovenste bevestigingsbanden door de hoofdsteunopening te halen alvorens ze vast te
zetten aan de bevestigingspunten. Volg de
adviezen van de producent van het zitje op,
als dit niet mogelijk is.
•
Bij auto's moet een derde zitrij* moet u de
tweede zitrij eerst zo ver mogelijk naar achteren schuiven. Als u echter ook een kinderzitje op de derde zitrij gebruikt, kunt u afwijken van het voorgaande. Controleer in dat
geval altijd of het kinderzitje volgens de
instructies van de producent gemonteerd is.
•
Verstel na het vastzetten van eventuele
onderste bevestigingsbanden van een kinderzitje in de onderste bevestigingspunten
de desbetreffende stoel niet meer. Vergeet
niet om bij het demonteren van een kinderzitje ook altijd eventuele onderste bevestigingsbanden te verwijderen.
•
Maak bij montage van een kinderzitje geen
gebruik van een ISOFIX-geleider.
Om de montage van kinderzitjes te vereenvoudigen kunt u gebruik maken van een
ISOFIX-geleider.
Op tweede zitrij monteren
• Gebruik alleen door Volvo geadviseerde kinderzitjes met een universele of semi-universele goedkeuring2 waarbij uw auto op de lijst
van compatibele auto's staat.
•
Het is niet toegestaan om kinderzitjes met
steunbeen op de middelste zitplaats te monteren.
•
De buitenste zitplaatsen zijn uitgerust met
ISOFIX-systeem en goedgekeurd voor iSize3.
•
Alle zitplaatsen zijn voorzien van bovenste
bevestigingspunten. Volvo adviseert u om de
Het aanbod aan accessoires verschilt per markt.
Geldt niet voor de middelste zitplaats.
Verschilt per markt.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
73
VEILIGHEID
||
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
Op derde zitrij monteren*
• Gebruik alleen door Volvo geadviseerde kinderzitjes met een universele of semi-universele goedkeuring waarbij uw auto op de lijst
van compatibele auto's staat.
•
Het is niet toegestaan om kinderzitjes met
steunbeen op de derde zitrij te monteren.
•
Schuif de tweede zitrij zo nodig naar voren
om voldoende ruimte te creëren. Controleer
bij gelijktijdig gebruik van een kinderzitje op
de tweede zitrij of dit kinderzitje nog steeds
volgens de instructies van de producent vastzit.
Sticker voor passagiersairbag
De auto is voorzien van bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes op de buitenste zitplaatsen van de tweede zitrij.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd
kinderzitje aan te bevestigen.
Sticker op portierstijl aan passagierszijde. Bij het openen
van het passagiersportier is de sticker zichtbaar.
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de bovenste bevestigingspunten vastzet.
Positie van de bevestigingspunten
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag
is aangebracht als hierboven.
Gerelateerde informatie
•
•
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
Kinderen en veiligheid (p. 72)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 74)
•
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 75)
•
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten (p. 78)
Passagiersairbag* activeren/deactiveren
(p. 66)
Symbolen achter op de ruggedeelten geven de positie
van de bevestigingspunten aan.
De bevestigingspunten zitten aan de achterzijde
van de buitenste zitplaatsen op de tweede zitrij.
74
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Haal de bovenste bevestigingsband van het
kinderzitje door de opening in de ene poot
van de hoofdsteun, voordat u de band aan het
bevestigingspunt vastzet. Volg, als dit niet
mogelijk is, de aanbevelingen van de producent van het zitje op.
N.B.
Klap de hoofdsteunen omlaag om het monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen
bij auto’s met neerklapbare hoofdsteunen op
de beide buitenste zitplaatsen.
Onderste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
De auto is voorzien van onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes voorin* en op de tweede
zitrij.
De onderste bevestigingspunten zijn bedoeld
voor gebruik in combinatie met bepaalde achterstevoren gemonteerde kinderzitjes.
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de onderste bevestigingspunten vastzet.
Positie van de bevestigingspunten
N.B.
Positie van de bevestigingspunten op de tweede zitrij.
In auto’s met een bagagerolhoes over de
bagageruimte moet deze worden verwijderd
voordat het kinderzitje in de bevestigingspunten kan worden gemonteerd.
De bevestigingspunten op de tweede zitrij zitten
op de achterste uiteinden van de vloerrails voor
de voorstoelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Kinderzitje (p. 72)
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 75)
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten (p. 78)
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 76)
De bevestigingspunten voorin zijn alleen gemonteerd als de auto is voorzien van een schakelaar
voor het activeren/deactiveren van de passagiersairbag *.
De positie van de bevestigingspunten voorin.
De bevestigingspunten voorin zitten aan de zijkanten van de beenruimte voor de passagiersstoel.
Kinderzitje (p. 72)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 74)
•
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten (p. 78)
•
Passagiersairbag* activeren/deactiveren
(p. 66)
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 76)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
75
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die
de veiligheidsgordel in de auto
gebruiken
De tabel geeft aanbevelingen voor de te gebruiken kinderzitjes op de verschillende zitplaatsen
en voor de desbetreffende gewichtscategorieën.
Gewicht
Groep 0
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
Groep 1
9-18 kg
Groep 2
15-25 kg
76
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
N.B.
Neem, voordat u een kinderzitje in de auto
monteert, altijd het hoofdstuk "Kinderzitjes"
door.
Buitenste zitplaatsen, tweede zitrij
Middelste zitplaats, tweede zitrij
Derde zitrij*
UA, B, L
U B, L
LB
U, L
UA, B, L
U B, L
LB
U, L
UA, LC
U, LC
L
U, L
UA, D, LC
UD, LC
B*, E, LD
UD, L
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
VEILIGHEID
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Groep 3
22–36 kg
UA, F, L
Buitenste zitplaatsen, tweede zitrij
Middelste zitplaats, tweede zitrij
UF, L
B*, E, LF
Derde zitrij*
UF, L
U: Geschikt voor kinderzitjes met universele goedkeuring.
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of semi-universeel zijn.
B: een geïntegreerd kinderzitje dat goedgekeurd is voor vervoer van kinderen in de betrokken gewichtscategorie.
A
B
C
D
E
F
Zet de rugleuning rechtop.
Volvo adviseert: Volvo-babyzitje (typegoedkeuring E1 04301146).
Volvo adviseert: tegen de rijrichting in geplaatst omkeerbaar Volvo-zitje (typegoedkeuring E5 04192).
Volvo adviseert: in de rijrichting geplaatst omkeerbaar Volvo-zitje (typegoedkeuring E5 04192); verhogingskussen met of zonder rugleuning (typegoedkeuring E5 04216); Volvo-kinderzitje met rugleuning (typegoedkeuring E1 04301169).
Volvo adviseert: geïntegreerd kinderzitje (typegoedkeuring E5 04218).
Volvo adviseert: verhogingskussen met of zonder rugleuning (typegoedkeuring E5 04216); Volvo-kinderzitje met rugleuning (typegoedkeuring E1 04301169).
WAARSCHUWING
Zet het kind nooit op de passagiersplaats als
de auto met een geactiveerde airbag is uitgerust.
Gerelateerde informatie
•
•
Kinderzitje (p. 72)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 74)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 79)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 82)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
77
VEILIGHEID
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten
De auto is voorzien van i-Size/ISOFIX4-bevestigingspunten voor kinderzitjes op de tweede zitrij.
i-Size/ISOFIX is een bevestigingssysteem voor
kinderzitjes dat gebaseerd is op een internationale norm.
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
Positie van de bevestigingspunten
Symbolen4 achter op de rugbekleding geven de positie
van de bevestigingspunten aan.
Achter de onderkant van de ruggedeelten op de
beide buitenste zitplaatsen van de tweede zitrij
gaan de bevestigingspunten voor het i-Size/
ISOFIX-systeem schuil.
4
78
Namen en symbool afhankelijk van de markt.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag om
bij de bevestigingspunten te komen.
Gerelateerde informatie
•
•
Kinderzitje (p. 72)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 74)
•
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 75)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 82)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 79)
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor ISOFIXkinderzitjes
De tabel geeft aanbevelingen voor de te gebruiken ISOFIX-kinderzitjes op de verschillende zitplaatsen en voor de desbetreffende gewichtscategorieën.
Gewicht
Groep 0
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
AfmetingscategorieA
Het kinderzitje moet zijn goedgekeurd conform
UN Reg R44 en de producent van het zitje moet
het desbetreffende automodel op de lijst met
compatibele auto's vermelden.
Type kinderzitje
E
Tegen rijrichting in geplaatst
babyzitje
E
Tegen rijrichting in geplaatst
babyzitje
C
Tegen rijrichting in geplaatst
kinderzitje
D
Tegen rijrichting in geplaatst
kinderzitje
N.B.
Neem, voordat u een kinderzitje in de auto
monteert, altijd het hoofdstuk "Kinderzitjes"
door.
Voorstoel (met
gedeactiveerde airbag)B
Buitenste zitplaatsen,
tweede zitrij
Middelste zitplaats,
tweede zitrij
Derde zitrij*
ILB, C, XD
ILC
X
X
ILB, C, XD
ILC
X
X
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
79
VEILIGHEID
||
Gewicht
Groep 1
9-18 kg
80
AfmetingscategorieA
Type kinderzitje
A
In rijrichting geplaatst kinderzitje
B
In rijrichting geplaatst kinderzitje
B1
In rijrichting geplaatst kinderzitje
C
Tegen rijrichting in geplaatst
kinderzitje
D
Tegen rijrichting in geplaatst
kinderzitje
Voorstoel (met
gedeactiveerde airbag)B
Buitenste zitplaatsen,
tweede zitrij
Middelste zitplaats,
tweede zitrij
Derde zitrij*
ILB, E, XD
ILE, IUFE
X
X
ILB, XD
ILF
X
X
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
VEILIGHEID
Gewicht
AfmetingscategorieA
Type kinderzitje
Voorstoel (met
gedeactiveerde airbag)B
Buitenste zitplaatsen,
tweede zitrij
Middelste zitplaats,
tweede zitrij
Derde zitrij*
IL: Geschikt voor bepaalde ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of semiuniverseel zijn.
IUF: Geschikt voor in de rijrichting geplaatste ISOFIX-kinderzitjes met een universele goedkeuring voor gebruik voor kinderen in de betrokken gewichtscategorie.
X: Niet geschikt voor ISOFIX-kinderzitjes.
A
B
C
D
E
F
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-systeem zijn er afmetingscategorieën om te helpen bij het kiezen van het juiste type kinderzitje. De afmetingscategorie staat aangegeven op het etiket van het kinderzitje.
Geschikt voor montage van ISOFIX-kinderzitjes met semi-universele goedkeuring (IL), als de auto is uitgerust met een ISOFIX-console (accessoire) (het aanbod aan accessoires verschilt per markt).
Volvo adviseert: Volvo-babyzitje bevestigd met ISOFIX-systeem (typegoedkeuring E1 04301146).
Geldt bij een auto zonder ISOFIX-console.
Volvo adviseert een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje voor deze categorie.
Volvo adviseert: BeSafe iZi Kid X3 ISOfix (typegoedkeuring E5 04200).
WAARSCHUWING
Zet het kind nooit op de passagiersplaats als
de auto met een geactiveerde airbag is uitgerust.
N.B.
Als een i-Size/ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, moet het automodel op
de voertuiglijst van het kinderzitje staan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Kinderzitje (p. 72)
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten (p. 78)
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 82)
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 76)
N.B.
Volvo raadt u aan om contact op te nemen
met een erkende Volvo-dealer voor de i-Size/
ISOFIX-kinderzitjes die Volvo adviseert.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor i-Sizekinderzitjes
Het kinderzitje moet zijn goedgekeurd conform
UN Reg R129.
N.B.
Neem, voordat u een kinderzitje in de auto
monteert, altijd het hoofdstuk "Kinderzitjes"
door.
De tabel geeft aanbevelingen voor de te gebruiken i-Size-kinderzitjes op de verschillende zitplaatsen en voor de desbetreffende gewichtscategorieën.
Type kinderzitje
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Buitenste zitplaatsen, tweede zitrij
Middelste zitplaats, tweede zitrij
Derde zitrij*
i-Size-kinderzitje
X
i-UA
X
X
i-U: Geschikt voor i-Size-kinderzitje met "universele" goedkeuring dat in of tegen de rijrichting in geplaatst is.
X: Niet geschikt voor kinderzitjes met universele goedkeuring.
A
Volvo adviseert een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje voor deze categorie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
82
Kinderzitje (p. 72)
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten (p. 78)
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 79)
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 76)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
VEILIGHEID
Geïntegreerd kinderzitje*
•
In het geïntegreerde kinderzitje op de middelste
zitplaats van de tweede zitrij kunnen kinderen
comfortabel en veilig meerijden.
de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt
•
de heupgordel laag over het bekken loopt
om maximale bescherming te bieden;
•
de hoofdsteun op dezelfde hoogte staat als
het hoofd van uw kind, zodat de hoofdsteun
zo mogelijk het hele achterhoofd bedekt.
Het geïntegreerde kinderzitje is speciaal ontwikkeld om kinderen optimale bescherming te bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordel is het geïntegreerde kinderzitje goedgekeurd voor kinderen met een gewicht van 15 tot
36 kg en een lengte van minimaal 97 cm.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Zorg alvorens weg te rijden dat:
het geïntegreerde kinderzitje in de vergrendelde stand staat
•
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens slap
hangt of verdraaid is
Geïntegreerd kinderzitje inklappen* (p. 84)
Volvo adviseert u reparatie- en vervangingswerk over te laten aan een erkende Volvowerkplaats. Verricht geen wijzigingen in of
aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje. Als een geïntegreerd kinderzitje aan
grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u het geïntegreerde kinderzitje in zijn geheel vervangen.
Ook als het geïntegreerde kinderzitje er intact
uitziet, kunnen er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het geïntegreerde kinderzitje moet ook worden vervangen als het erg versleten is.
Goede positie: de gordel loopt midden over de schouder.
•
•
Bij het negeren van de instructies voor het
geïntegreerde kinderzitje kan het kind in geval
van een ongeluk ernstig letsel oplopen.
Gerelateerde informatie
•
•
Kinderen en veiligheid (p. 72)
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen* (p. 84)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
83
VEILIGHEID
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen*
Geïntegreerd kinderzitje inklappen*
Om het geïntegreerde kinderzitje op de middelste zitplaats van de tweede zitrij te gebruiken
moet u het eerst uitklappen.
Het geïntegreerde kinderzitje op de middelste
zitplaats van de tweede zitrij moet na gebruik
weer worden ingeklapt.
Duw het kinderzitje naar achteren om het te
vergrendelen.
WAARSCHUWING
Bij het negeren van de instructies voor het
geïntegreerde kinderzitje kan het kind in geval
van een ongeluk ernstig letsel oplopen.
Trek de handgreep naar voren en omhoog
om het kinderzitje vrij te geven.
Trek de handgreep naar voren om het zitje
vrij te geven.
Gerelateerde informatie
•
•
84
Geïntegreerd kinderzitje* (p. 83)
Geïntegreerd kinderzitje inklappen* (p. 84)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
VEILIGHEID
Duw het zitje met uw hand omlaag om het
zitje te vergrendelen.
BELANGRIJK
Controleer voordat u het kinderzitje weer
neerklapt of er geen losse voorwerpen (zoals
stukken speelgoed) in het gebied onder het
zitje liggen.
N.B.
Bij het inklappen van rugleuningen achter
moet eerst het kinderzitje worden neergeklapt.
Gerelateerde informatie
•
•
Geïntegreerd kinderzitje* (p. 83)
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen* (p. 84)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instrumenten en bediening, auto
met stuur links
In de overzichten wordt aangegeven waar displays en bedieningselementen dicht bij de
bestuurder zitten.
Display/functie/bediening
Display/functie/bediening
Wissers en sproeiers, regensensor*
Leeslampjes en interieurverlichting voorin
Rechter knoppenset op het stuur
Panoramadak*
Stuurwielafstelling
Display in plafondconsole
Claxon
Handmatige dimfunctie van achteruitkijkspiegel
Linker knoppenset op het stuur
Openen van motorkap
Displayverlichting, ontgrendelen van achterklep, openen/sluiten van achterklep*,
koplamphoogteregeling van halogeenkoplampen
Display/functie/bediening
Stadslicht, dagrijlicht, dimlicht, groot licht,
richtingaanwijzers, mistlampen vóór/
bochtverlichting*, mistachterlicht, op nul
zetten van dagtellers
Handmatig schakelen bij automatische
versnellingsbak*
Head-updisplay*
Bestuurdersdisplay
Display/functie/bediening
Middendisplay
Alarmlichten, max. ontwaseming/elektrische voorruitverwarming*, media, openen
van dashboardkastje
Versnellingspook/keuzehendel
88
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Display/functie/bediening
Display/functie/bediening
Startknop
Elektrisch bedienbare ruiten, buitenspiegels
Rijstanden*
Instelling van voorstoel
Instrumenten en bediening, auto
met stuur rechts
In de overzichten wordt aangegeven waar displays en bedieningselementen dicht bij de
bestuurder zitten.
Parkeerrem
Automatische rem bij stilstand
Display/functie/bediening
Display/functie/bediening
Geheugens voor instellingen van:
•
•
•
elektrisch bedienbare voorstoel*
Buitenspiegels
Head-updisplay*
Openen van portieren, vergrendelen/
ontgrendelen van portieren en achterklep
Stadslicht, dagrijlicht, dimlicht, groot licht,
richtingaanwijzers, mistlampen vóór/
bochtverlichting*, mistachterlicht, op nul
zetten van dagtellers
Handmatig schakelen bij automatische
versnellingsbak*
Head-updisplay*
Bestuurdersdisplay
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
89
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Display/functie/bediening
Display/functie/bediening
Display/functie/bediening
Wissers en sproeiers, regensensor*
Leeslampjes en interieurverlichting voorin
Startknop
Rechter knoppenset op het stuur
Panoramadak*
Rijstanden*
Displayverlichting, ontgrendelen van achterklep, openen/sluiten van achterklep*,
koplamphoogteregeling van halogeenkoplampen
Display in plafondconsole
Parkeerrem
Handmatige dimfunctie van achteruitkijkspiegel
Automatische rem bij stilstand
Openen van motorkap
Claxon
Stuurwielafstelling
Linker knoppenset op het stuur
Display/functie/bediening
Middendisplay
Alarmlichten, max. ontwaseming/elektrische voorruitverwarming*, media, openen
van dashboardkastje
Versnellingspook/keuzehendel
90
Display/functie/bediening
Geheugens voor instellingen van:
•
•
•
elektrisch bedienbare voorstoel*
Buitenspiegels
Head-updisplay*
Openen van portieren, vergrendelen/
ontgrendelen van portieren en achterklep
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Display/functie/bediening
Elektrisch bedienbare ruiten, buitenspiegels
Instelling van voorstoel
Bestuurdersdisplay
Bestuurdersdisplay, 12 inch
Het bestuurdersdisplay geeft informatie weer
over de auto en het rijden.
Van het bestuurdersdisplay maken deel uit
meters, indicatoren en controle- en waarschuwingssymbolen. Wat er op het bestuurdersdisplay
wordt weergegeven, hangt af van de uitrusting,
instellingen en de op dat moment actieve functies van de auto.
Het bestuurdersdisplay is verkrijgbaar in twee uitvoeringen: één van 12 inch en één van 8 inch.
WAARSCHUWING
Bij storingen in het bestuurdersdisplay kan
mogelijk geen informatie over het remsysteem, de airbags of andere veiligheidssystemen worden weergegeven. U kunt de status
van de autosystemen dan niet controleren en
evenmin waarschuwingen en informatie ontvangen.
Links
• Snelheidsmeter
•
•
•
•
Dagtellers
Kilometerteller
Informatie over cruisecontrol en snelheidsbegrenzer
Verkeersbordinformatie
WAARSCHUWING
Maak geen gebruik van de auto, als het
bestuurdersdisplay na de activering/start
dooft of niet oplicht of als het bestuurdersdisplay of delen ervan onleesbaar zijn. Bezoek
onmiddellijk een werkplaats. Geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
}}
91
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
•
•
Snelheidsmeter
Klok
•
Informatie over portieren en gordels
Meldingen, in bepaalde gevallen met grafische voorstellingen
Rechts
• Kompas
In het midden
• Controle- en waarschuwingssymbolen
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Buitentemperatuur
•
•
•
•
•
Actieradius op tank
Informatie over portieren en gordels
Kompas
Mediaspeler
Navigatiekaart
Telefoon
Stembediening
Rechts
• Toerenteller (afhankelijk van de gekozen rijmodus).
•
•
•
Bestuurdersdisplay, 8 inch
Brandstofmeter
Schakelindicator
Gekozen rijmodus. De mogelijke rijmodi zijn
Comfort, Off Road, Eco, Dynamic en
Individual
•
ECO-meter (afhankelijk van de gekozen rijmodus)
•
•
•
Status van Start/Stop-systeem
Momentaan brandstofverbruik
Appmenu (te activeren met de knoppenset
op het stuurwiel)
Links
• Toerenteller (afhankelijk van de gekozen rijmodus)
•
•
•
•
•
•
•
Actieradius op tank
Schakelindicator
Buitentemperatuur
Controle- en waarschuwingssymbolen
Brandstofmeter
ECO-meter (afhankelijk van de gekozen rijmodus)
In het midden
• Meldingen, in bepaalde gevallen met grafische voorstellingen
•
92
Gekozen rijmodus. De mogelijke rijmodi zijn
Comfort, Off Road, Eco, Dynamic en
Individual
Verkeersbordinformatie
•
•
•
•
•
•
Informatie over cruisecontrol en snelheidsbegrenzer
Mediaspeler
Telefoon
Navigatie-informatie
Klok
Appmenu (te activeren met de knoppenset
op het stuurwiel)
Momentaan brandstofverbruik
Kilometerteller
Dagtellers
Controle- en waarschuwingssymbolen
Stembediening
Motortemperatuurmeter
Bestuurdersdisplay activeren
Het bestuurdersdisplay wordt geactiveerd zodra
er een portier wordt geopend, dat wil zeggen in
contactslotstand 0. Het bestuurdersdisplay dooft,
als het enige tijd niet wordt gebruikt. Om het
weer te activeren moet u het volgende doen:
•
•
•
Bedien het rempedaal,
Draai de startknop naar contactslotstand I of
Open een van de portieren.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instellingen voor bestuurdersdisplay
Enkele instellingen voor wat er op het bestuurdersdisplay moet verschijnen zijn te verrichten in
het appmenu, zie het artikel "Applicatiemenu op
bestuurdersdisplay".
In het menu Instellingen My Car Displays
op het hoofdscherm van het middendisplay is het
volgende in te stellen:
• Achtergrond display bestuurder. Kies wat
er op de achtergrond van het bestuurdersdisplay moet verschijnen (Geen info in
achtergrond tonen, Info huidige
gespeelde media tonen of Navigatie ook
tonen zonder ingestelde route1). Bij het
12 inch bestuurdersdisplay verschijnt de
informatie in het midden en bij het 8 inch
bestuurdersdisplay in het veld rechtsboven.
Gerelateerde informatie
•
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
(p. 93)
•
Waarschuwingssymbolen op bestuurdersdisplay (p. 96)
•
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
(p. 104)
•
Licentieovereenkomst voor bestuurdersdisplay (p. 99)
Controlesymbolen op
bestuurdersdisplay
De controlesymbolen attenderen u erop dat de
bijbehorende functies ingeschakeld zijn, de desbetreffende systemen actief zijn of dat er storingen of gebreken zijn opgetreden.
Symbool
Betekenis
Informatie, lees displaymelding
Bij een afwijking in een van de
autosystemen gaat het informatiesymbool branden op het bestuurdersdisplay en verschijnt er een
displaytekst. Het informatiesymbool
kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
• Skins. Kies thema (uiterlijk) van het bestuur-
Storing in remsysteem
De systeemtaal is te wijzigen in Instellingen
Systeem Systeemtaal selecteren. Een wijziging werkt door op de taal op alle niveaus.
Storing in ABS
dersdisplay (Glass, Minimalistic,
Performance of Chrome rings).
1
Het symbool brandt bij een storing
in de parkeerrem.
Als het symbool brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog
wel, zij het zonder ABS-regeling.
Bij het 8 inch bestuurdersdisplay verschijnt alleen routebegeleiding, een kaart verschijnt alleen op het 12 inch bestuurdersdisplay. Voor meer informatie, zie de paragraaf "Displays en bediening voor kaartnavigatie" en "Kaartnavigatie op bestuurdersdisplay".
}}
93
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Symbool
Betekenis
Automatische rem aan
De rem zorgt dat de auto stil blijft
staan, nadat deze tot stilstand is
gekomen. Het symbool brandt,
wanneer de functie actief is en de
bedrijfsrem of parkeerrem ingrijpen.
Betekenis
Richtingaanwijzer links en
rechts
De symbolen knipperen als de richtingaanwijzers worden gebruikt.
Stadslicht/dagrijlicht
Het symbool brandt bij een te lage
bandenspanning. Bij een storing in
het bandenspanningssysteem gaat
het symbool eerst ca. 1 minuut
knipperen en vervolgens permanent branden. Dit kan komen doordat het systeem niet als beoogd
een lage bandenspanning kan
registreren of daarvoor waarschuwen.
Het symbool brandt, wanneer de
stadslichten/dagrijlichten aan zijn.
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan na een motorstart het symbool gaan branden.
Rijd voor een controle naar een
werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Symbool
Betekenis
Groot licht aan
Het symbool brandt, wanneer u het
groot licht voert of grootlichtsignalen geeft.
Automatisch groot licht aan
Bandenspanningssysteem
Uitlaatgasreinigingssysteem
94
Symbool
Storing in ABL
Het symbool brandt met blauw licht
als het automatisch groot licht aan
is. Stadslichten/dagrijlichten zijn
aan.
Automatisch groot licht uit
Het symbool brandt, als er een storing is opgetreden in het ABL-systeem (Active Bending Lights).
Het symbool brandt met wit licht
als het automatisch groot licht uit
is. Stadslichten/dagrijlichten zijn
aan.
Automatisch groot licht aan
Groot licht aan
Het symbool brandt met blauw licht
als het automatisch groot licht aan
is.
Het symbool brandt als het groot
licht en de stadslichten/dagrijlichten aan zijn.
Automatisch groot licht uit
Mistlampen aan
Het symbool brandt met wit licht
als het automatisch groot licht uit
is.
Het symbool brandt, wanneer de
mistlampen voor zijn ingeschakeld.
Mistachterlicht aan
Het symbool brandt, wanneer het
mistachterlicht is ingeschakeld.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Symbool
Betekenis
Symbool
Betekenis
Regensensor aan
Rijbaanassistent
Dit symbool brandt, wanneer de
regensensor aanstaat.
Wit symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is waargenomen.
Preconditioning aan
Grijs symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is niet waargenomen.
Het symbool brandt, wanneer de
motor- en interieurverwarming/
airconditioning voor preconditioning van de auto zorgen.
Stabiliteitsregeling
Het knipperende symbool geeft
aan dat de stabiliteitsregeling
werkt. Als het symbool continu
brandt is er sprake van een storing
in het systeem.
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
De Sport-stand maakt een actievere rijervaring mogelijk. Het systeem registreert dan of de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook
het bochtenwerk aan te merken
zijn als actiever dan normaal,
waarna het systeem toestaat dat
de achtertrein een gecontroleerde
vorm van slippen vertoont voordat
het ingrijpt en de auto stabiliseert.
Het symbool brandt, wanneer de
Sport-stand is geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 91)
Waarschuwingssymbolen op bestuurdersdisplay (p. 96)
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 62)
Geel lampje: Rijbaanassistent
waarschuwt/grijpt in.
Rijbaanassistent en regensensor
Wit symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is waargenomen.
De regensensor is aan.
Grijs symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is niet waargenomen. De regensensor is aan.
Waarschuwing voor portier, motorkap,
achterklep en tankvulklep
Als een portier, motorkap, achterklep of tankvulklep niet goed dichtstaat, gaat het informatie- of
waarschuwingssymbool op het bestuurdersdisplay branden in combinatie met een grafische
voorstelling.
95
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Waarschuwingssymbolen op
bestuurdersdisplay
De waarschuwingssymbolen attenderen u erop
dat de bijbehorende belangrijke functies/systemen ingeschakeld zijn of dat er ernstige storingen of gebreken zijn opgetreden.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau in
het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
Het remvloeistofverlies moet door een werkplaats worden gecontroleerd. Volvo adviseert
u daarvoor contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Als de rem- en ABS-symbolen tegelijkertijd
branden, bestaat de kans dat de achtertrein
bij krachtig afremmen slipt.
Symbool
Betekenis
Betekenis
Waarschuwing
Storing in remsysteem
Het rode waarschuwingssymbool
gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd die van
invloed kan zijn op de veiligheid
en/of de rijeigenschappen van de
auto. Er verschijnt tegelijkertijd een
verklarende tekstmelding op het
bestuurdersdisplay. Het waarschuwingssymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag.
Bezoek de dichtstbijzijnde erkende
werkplaats om het remvloeistofpeil
te laten controleren en aanpassen.
Gordelwaarschuwing
Het lampje brandt als u of de voorpassagier geen veiligheidsgordel
draagt of als iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
Airbags
Als het symbool tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing geregistreerd in een van de
veiligheidssystemen van de auto.
Lees de melding op het bestuurdersdisplay. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
96
Symbool
Parkeerrem aangezet
Het lampje brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet.
Een knipperend symbool houdt in
dat er een storing is opgetreden.
Lees de melding op het bestuurdersdisplay.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Symbool
Betekenis
Lage oliedruk
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie
te laag. Zet de motor onmiddellijk
af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het lampje
oplicht terwijl het oliepeil in orde is,
moet u contact opnemen met een
werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 91)
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
(p. 93)
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 62)
Veiligheid (p. 56)
Buitentemperatuur
De buitentemperatuurmeter is zichtbaar op het
bestuurdersdisplay.
Een sensor registreert de temperatuur buiten de
auto.
Dynamo laadt niet bij
Het lampje gaat tijdens het rijden
branden, als er sprake is van een
storing in het elektrisch systeem.
Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
Waarschuwing voor portier, motorkap,
achterklep en tankvulklep
Als een portier, motorkap, achterklep of tankvulklep niet goed dichtstaat, gaat het informatie- of
waarschuwingssymbool op het bestuurdersdisplay branden in combinatie met een grafische
voorstelling.
De plaats van de buitentemperatuurmeter op het
bestuurdersdisplay.
Wanneer de auto geparkeerd heeft gestaan, is
het mogelijk dat de meter een te hoge temperatuur aangeeft.
Als de buitentemperatuur in het gebied -5 °C tot
+2 °C ligt, brandt er ook een sneeuwvloksymbool
op het bestuurdersdisplay, dat voor slipgevaar
waarschuwt. Het sneeuwvloksymbool gaat ook tijdelijk branden in het head-updisplay, als de auto
daarmee is uitgerust.
}}
97
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Instelling van de
buitentemperatuurmeter
Wijzig de eenheid voor o.a. de temperatuurmeter
via het hoofdscherm van het middendisplay.
–
Kies Instellingen Systeem
Eenheden en markeer het gewenste type
eenheid, Metr.,Imper. of VS.
Klok
De klok is zichtbaar op zowel bestuurders- als
middendisplay.
Positie
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 91)
Klimaatsensoren (p. 178)
Positie van de klok bij een 12 inch en een 8 inch
bestuurdersdisplay.
Op het middendisplay zit de klok rechts bovenaan
op de statusbalk.
In sommige situaties kan de klok op het bestuurdersdisplay schuilgaan achter meldingen en
informatie.
Instellingen voor tijd en datum
Kies Instellingen Systeem Tijd en
Datum op het hoofdscherm van het middendisplay om de instellingen voor tijd- en datumformaat te wijzigen.
98
Stel de tijd en datum in door op de pijlen omhoog
of omlaag op het touchscreen te drukken.
Automatische tijd voor auto's met gps
Bij een auto met navigatiesysteem kunt u
Automatische tijd kiezen. De tijdzone wordt dan
automatisch ingesteld aan de hand van waar de
auto zich bevindt. Voor een bepaald type navigatiesysteem moet ook de huidige locatie (land)
worden ingesteld om de juiste tijdzone te krijgen.
Als Automatische tijd niet is gekozen, stelt u
tijd en datum met de pijlen omhoog of omlaag op
het touchscreen.
Zomertijd
In sommige landen kan automatische instelling
van de zomertijd worden geselecteerd met Auto.
Voor alle overige landen kan de zomertijd worden
ingesteld met Aan of Uit.
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 91)
Instellingsscherm (p. 171)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Licentieovereenkomst voor
bestuurdersdisplay
Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen te verrichten of het recht om gebruik te maken van
een product waar een andere rechtspersoon
octrooi of eigendomsrechten op heeft, onder de
voorwaarden vervat in de overeenkomst. Hier
volgt een Engelse versie van de overeenkomst
tussen Volvo en producenten/ontwikkelaars.
BSD 4-clause "Original" or "Old"
License
Copyright (c) 1982, 1986, 1990, 1991, 1993
The Regents of the University of California. All
rights reserved.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer.
2.
Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution.
3.
All advertising materials mentioning features
or use of this software must display the
following acknowledgement: This product
includes software developed by the
University of California, Berkeley and its
contributors.
4.
Neither the name of the University nor the
names of its contributors may be used to
endorse or promote products derived from
this software without specific prior written
permission.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE
REGENTS AND CONTRIBUTORS ``AS IS'' AND
ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY
AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE
ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE
REGENTS OR CONTRIBUTORS BE LIABLE
FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL,
SPECIAL, EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL
DAMAGES (INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR
SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS;
OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER
CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY,
OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF
THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
BSD 3-clause "New" or "Revised"
License
Copyright (c) 2011-2014, Yann Collet.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer.
2.
Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution.
3.
Neither the name of the organisation nor the
names of its contributors may be used to
endorse or promote products derive from this
software without specific prior written
permission.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE
COPYRIGHT HOLDERS AND CONTRIBUTORS
"AS IS" AND ANY EXPRESS OR IMPLIED
WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED
TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN
NO EVENT SHALL THE COPYRIGHT HOLDER
OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY
DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL,
EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES
(INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR
SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS;
OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER
CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY,
}}
99
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY,
OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF
THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
BSD 2-clause “Simplified” license
Copyright (c) <YEAR>, <OWNER> All rights
reserved.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer.
2.
Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE
COPYRIGHT HOLDERS AND CONTRIBUTORS
"AS IS" AND ANY EXPRESS OR IMPLIED
WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED
TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN
NO EVENT SHALL THE COPYRIGHT OWNER
OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY
DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL,
EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES
100
(INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR
SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS;
OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER
CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY,
OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF
THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
The views and conclusions contained in the
software and documentation are those of the
authors and should not be interpreted as
representing official policies, either expressed or
implied, of the FreeBSD Project.
FreeType Project License
1.
1 Copyright 1996-1999 by David Turner,
Robert Wilhelm, and Werner Lemberg
Introduction The FreeType Project is
distributed in several archive packages; some
of them may contain, in addition to the
FreeType font engine, various tools and
contributions which rely on, or relate to, the
FreeType Project. This license applies to all
files found in such packages, and which do
not fall under their own explicit license. The
license affects thus the FreeType font
engine, the test programs, documentation
and makefiles, at the very least. This license
was inspired by the BSD, Artistic, and IJG
(Independent JPEG Group) licenses, which
all encourage inclusion and use of free
software in commercial and freeware
products alike. As a consequence, its main
points are that: o We don't promise that this
software works. However, we are be
interested in any kind of bug reports. (`as is'
distribution) o You can use this software for
whatever you want, in parts or full form,
without having to pay us. (`royalty-free'
usage) o You may not pretend that you wrote
this software. If you use it, or only parts of it,
in a program, you must acknowledge
somewhere in your documentation that
you've used the FreeType code. (`credits')
We specifically permit and encourage the
inclusion of this software, with or without
modifications, in commercial products,
provided that all warranty or liability claims
are assumed by the product vendor. Legal
Terms 0. Definitions Throughout this license,
the terms `package', `FreeType Project', and
`FreeType archive' refer to the set of files
originally distributed by the authors (David
Turner, Robert Wilhelm, and Werner
Lemberg) as the `FreeType project', be they
named as alpha, beta or final release. `You'
refers to the licensee, or person using the
project, where `using' is a generic term
including compiling the project's source code
as well as linking it to form a `program' or
`executable'. This program is referred to as `a
program using the FreeType engine'. This
license applies to all files distributed in the
original FreeType archive, including all source
code, binaries and documentation, unless
otherwise stated in the file in its original,
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
unmodified form as distributed in the original
archive. If you are unsure whether or not a
particular file is covered by this license, you
must contact us to verify this. The FreeType
project is copyright (C) 1996-1999 by David
Turner, Robert Wilhelm, and Werner
Lemberg. All rights reserved except as
specified below. 1. No Warranty THE
FREETYPE ARCHIVE IS PROVIDED `AS IS'
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EITHER EXPRESSED OR IMPLIED,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND
FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE.
IN NO EVENT WILL ANY OF THE
AUTHORS OR COPYRIGHT HOLDERS BE
LIABLE FOR ANY DAMAGES CAUSED BY
THE USE OR THE INABILITY TO USE, OF
THE FREETYPE PROJECT. As you have not
signed this license, you are not required to
accept it. However, as the FreeType project
is copyrighted material, only this license, or
another one contracted with the authors,
grants you the right to use, distribute, and
modify it. Therefore, by using, distributing, or
modifying the FreeType project, you indicate
that you understand and accept all the terms
of this license.
2.
Redistribution Redistribution and use in
source and binary forms, with or without
modification, are permitted provided that the
following conditions are met: o Redistribution
of source code must retain this license file
(`licence.txt') unaltered; any additions,
deletions or changes to the original files
must be clearly indicated in accompanying
documentation. The copyright notices of the
unaltered, original files must be preserved in
all copies of source files. o Redistribution in
binary form must provide a disclaimer that
states that the software is based in part of
the work of the FreeType Team, in the
distribution documentation. We also
encourage you to put an URL to the
FreeType web page in your documentation,
though this isn't mandatory. These conditions
apply to any software derived from or based
on the FreeType code, not just the
unmodified files. If you use our work, you
must acknowledge us. However, no fee need
be paid to us.
3.
Advertising The names of FreeType's authors
and contributors may not be used to endorse
or promote products derived from this
software without specific prior written
permission. We suggest, but do not require,
that you use one or more of the following
phrases to refer to this software in your
documentation or advertising materials:
`FreeType Project', `FreeType Engine',
`FreeType library', or `FreeType Distribution'.
4.
Contacts There are two mailing lists related
to FreeType: o freetype@freetype.org
Discusses general use and applications of
FreeType, as well as future and wanted
additions to the library and distribution. If you
are looking for support, start in this list if you
haven't found anything to help you in the
documentation. o devel@freetype.org
Discusses bugs, as well as engine internals,
design issues, specific licenses, porting, etc.
o http://www.freetype.org Holds the current
FreeType web page, which will allow you to
download our latest development version and
read online documentation. You can also
contact us individually at: David Turner
<david.turner@freetype.org> Robert Wilhelm
<robert.wilhelm@freetype.org> Werner
Lemberg <werner.lemberg@freetype.org>
Libpng License
This copy of the libpng notices is provided for
your convenience. In case of any discrepancy
between this copy and the notices in the file
png.h that is included in the libpng distribution,
the latter shall prevail.
}}
101
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
COPYRIGHT NOTICE, DISCLAIMER, and
LICENSE:
If you modify libpng you may insert additional
notices immediately following this sentence.
Tom Lane
libpng versions 1.0.7, July 1, 2000, through
1.0.13, April 15, 2002, are Copyright (c)
2000-2002 Glenn Randers-Pehrson and are
distributed according to the same disclaimer and
license as libpng-1.0.6 with the following
individuals added to the list of Contributing
Authors
libpng versions 0.89, June 1996, through 0.96,
May 1997, are Copyright (c) 1996, 1997
Andreas Dilger Distributed according to the same
disclaimer and license as libpng-0.88, with the
following individuals added to the list of
Contributing Authors:
Simon-Pierre Cadieux
Kevin Bracey
Eric S. Raymond
Sam Bushell
Gilles Vollant
Magnus Holmgren
and with the following additions to the disclaimer:
Greg Roelofs
There is no warranty against interference with
your enjoyment of the library or against
infringement. There is no warranty that our efforts
or the library will fulfill any of your particular
purposes or needs. This library is provided with all
faults, and the entire risk of satisfactory quality,
performance, accuracy, and effort is with the user.
libpng versions 0.97, January 1998, through
1.0.6, March 20, 2000, are Copyright (c) 1998,
1999 Glenn Randers-Pehrson, and are
distributed according to the same disclaimer and
license as libpng-0.96, with the following
individuals added to the list of Contributing
Authors:
102
Glenn Randers-Pehrson
Willem van Schaik
John Bowler
The PNG Reference Library is supplied "AS IS".
The Contributing Authors and Group 42, Inc.
disclaim all warranties, expressed or implied,
including, without limitation, the warranties of
merchantability and of fitness for any purpose.
The Contributing Authors and Group 42, Inc.
assume no liability for direct, indirect, incidental,
special, exemplary, or consequential damages,
which may result from the use of the PNG
Reference Library, even if advised of the
possibility of such damage.
Permission is hereby granted to use, copy,
modify, and distribute this source code, or
portions hereof, for any purpose, without fee,
subject to the following restrictions:
1.
The origin of this source code must not be
misrepresented.
Tom Tanner
2.
libpng versions 0.5, May 1995, through 0.88,
January 1996, are Copyright (c) 1995, 1996 Guy
Eric Schalnat, Group 42, Inc.
Altered versions must be plainly marked as
such and must not be misrepresented as
being the original source.
3.
This Copyright notice may not be removed or
altered from any source or altered source
distribution.
For the purposes of this copyright and license,
"Contributing Authors" is defined as the following
set of individuals:
Andreas Dilger
Dave Martindale
Guy Eric Schalnat
Paul Schmidt
Tim Wegner
The Contributing Authors and Group 42, Inc.
specifically permit, without fee, and encourage
the use of this source code as a component to
supporting the PNG file format in commercial
products. If you use this source code in a product,
acknowledgment is not required but would be
appreciated.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
A "png_get_copyright" function is available, for
convenient use in "about" boxes and the like:
printf("%s",png_get_copyright(NULL));
Also, the PNG logo (in PNG format, of course) is
supplied in the files "pngbar.png" and
"pngbar.jpg (88x31) and "pngnow.png" (98x31).
Libpng is OSI Certified Open Source Software.
OSI Certified Open Source is a certification mark
of the Open Source Initiative.
Glenn Randers-Pehrson randeg@alum.rpi.edu
April 15, 2002
MIT License
Copyright (c) <year> <copyright holders>
Permission is hereby granted, free of charge, to
any person obtaining a copy of this software and
associated documentation files (the "Software"),
to deal in the Software without restriction,
including without limitation the rights to use,
copy, modify, merge, publish, distribute,
sublicense, and/or sell copies of the Software,
and to permit persons to whom the Software is
furnished to do so, subject to the following
conditions:
LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
THE AUTHORS OR COPYRIGHT HOLDERS BE
LIABLE FOR ANY CLAIM, DAMAGES OR
OTHER LIABILITY, WHETHER IN AN ACTION
OF CONTRACT, TORT OR OTHERWISE,
ARISING FROM, OUT OF OR IN CONNECTION
WITH THE SOFTWARE OR THE USE OR
OTHER DEALINGS IN THE SOFTWARE.
zlib License
The zlib/libpng License Copyright (c) <year>
<copyright holders>
This software is provided 'as-is', without any
express or implied warranty. In no event will the
authors be held liable for any damages arising
from the use of this software.
Permission is granted to anyone to use this
software for any purpose, including commercial
applications, and to alter it and redistribute it
freely, subject to the following restrictions:
1.
The origin of this software must not be
misrepresented; you must not claim that you
wrote the original software. If you use this
software in a product, an acknowledgment in
the product documentation would be
appreciated but is not required.
2.
Altered source versions must be plainly
marked as such, and must not be
The above copyright notice and this permission
notice shall be included in all copies or
substantial portions of the Software.
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
misrepresented as being the original
software.
3.
This notice may not be removed or altered
from any source distribution.
SGI Free Software B License Version
2.0.
SGI FREE SOFTWARE LICENSE B (Version 2.0,
Sept. 18, 2008)
Copyright (C) [dates of first publication] Silicon
Graphics, Inc. All Rights Reserved. Permission is
hereby granted, free of charge, to any person
obtaining a copy of this software and associated
documentation files (the "Software"), to deal in
the Software without restriction, including without
limitation the rights to use, copy, modify, merge,
publish, distribute, sublicense, and/or sell copies
of the Software, and to permit persons to whom
the Software is furnished to do so, subject to the
following conditions: The above copyright notice
including the dates of first publication and either
this permission notice or a reference to http://
oss.sgi.com/projects/FreeB/ shall be included in
all copies or substantial portions of the Software.
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
SILICON GRAPHICS, INC. BE LIABLE FOR ANY
}}
103
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
CLAIM, DAMAGES OR OTHER LIABILITY,
WHETHER IN AN ACTION OF CONTRACT,
TORT OR OTHERWISE, ARISING FROM, OUT
OF OR IN CONNECTION WITH THE SOFTWARE
OR THE USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE.
Applicatiemenu op
bestuurdersdisplay
App
Functies
Boordcomputer
Dagteller kiezen, kiezen wat op
het bestuurdersdisplay moet
worden weergegeven en dergelijke.
Except as contained in this notice, the name of
Silicon Graphics, Inc. shall not be used in
advertising or otherwise to promote the sale, use
or other dealings in this Software without prior
written authorization from Silicon Graphics, Inc.
Mediaspeler
Actieve bron voor mediaspeler
kiezen.
Telefoon
Contact in de gesprekslijst bellen.
Gerelateerde informatie
Navigatie
Routebegeleiding pauzeren, routebegeleiding naar recentelijk
gehanteerde bestemming starten en dergelijke.
•
Via het applicatiemenu (appmenu) van het
bestuurdersdisplay krijgt u snel toegang tot de
meest gebruikte functies voor bepaalde apps.
Bestuurdersdisplay (p. 91)
Gerelateerde informatie
Het appmenu op het bestuurdersdisplay is te gebruiken
in plaats van het middendisplay.
Het appmenu verschijnt op het bestuurdersdisplay en navigatie is mogelijk via de knoppenset
rechts op het stuurwiel. Dankzij het appmenu
kunt u eenvoudig van app of appfunctie wisselen
zonder daarvoor uw handen van het stuur of uw
blik van de weg te hoeven nemen.
Functies van het appmenu
U hebt toegang tot uiteenlopende functies via
verschillende apps. Vanuit het appmenu zijn de
volgende apps en de bijbehorende appfuncties te
regelen:
104
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 91)
Overzicht van het middendisplay (p. 33)
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
gebruiken (p. 105)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Applicatiemenu op
bestuurdersdisplay gebruiken
Appmenu openen/sluiten
–
Het applicatiemenu (appmenu) op het bestuurdersdisplay is te gebruiken via de knoppenset
rechts op het stuurwiel.
Druk op Openen/sluiten (1).
(Het appmenu kan niet worden geopend als
er nog een onbevestigde melding op het
bestuurdersdisplay staat. De melding moet
eerst worden bevestigd voordat het appmenu
kan worden geopend.)
> Het appmenu wordt geopend/gesloten.
Meldingen op bestuurders- en
middendisplay
Op het bestuurders- en middendisplay kunnen
in uiteenlopende situaties meldingen verschijnen
om u te informeren of helpen.
Bestuurdersdisplay
Het appmenu wordt na een periode van inactiviteit automatisch gesloten of na bepaalde keuzes.
Navigeren en kiezen in appmenu
Appmenu en knoppenset rechts op het stuurwiel.
Openen/sluiten
1.
Navigeer door de beschikbare apps door op
links of rechts (2) te drukken.
> In het appmenu verschijnen de functies
voor de vorige/volgende app.
2.
Blader door de functies voor de gekozen app
door op omhoog of omlaag (3) te drukken.
3.
Bevestig de actuele functie of markeer uw
keuze door op bevestigen (4) te drukken.
> De desbetreffende functie wordt geactiveerd, waarna in bepaalde gevallen het
appmenu wordt gesloten.
Links/rechts
Omhoog/omlaag
Bevestigen
Melding op bestuurdersdisplay2.
Als het appmenu weer opent, verschijnen direct
de functies voor de laatst gekozen app.
Gerelateerde informatie
•
2
Met 8 inch bestuurdersdisplay.
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
(p. 104)
}}
105
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Servicemeldingen
Hier volgt een greep uit de belangrijke servicemeldingen en hun betekenis.
Melding
Stop
Melding op
bestuurdersdisplay3.
Op het bestuurdersdisplay verschijnen meldingen
die voor u als bestuurder belangrijk zijn.
Afhankelijk van de andere informatie die op dit
moment wordt weergegeven, kan de positie van
de meldingen op het bestuurdersdisplay variëren.
De meldingen verdwijnen na enige tijd automatisch of na eventuele bevestiging/reactie van het
bestuurdersdisplay. Als een melding moet worden opgeslagen, wordt deze bewaard in de app
Auto status, die opent vanuit het appscherm op
het middendisplay.
De meldingen kunnen er verschillende uitzien en
worden mogelijk gecombineerd met grafische
voorstellingen, symbolen en knoppen om de desbetreffende melding bijvoorbeeld te bevestigen
of in te stemmen met een bepaald verzoek.
3
106
Met 12 inch bestuurdersdisplay.
veiligA
Betekenis
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade - bezoek
een werkplaatsB.
Service
urgent Rijd
naar werkplaatsA
Bezoek een werkplaatsB om
de auto onmiddellijk te laten
controleren.
Service vereistA
Bezoek een werkplaatsB om
de auto zo spoedig mogelijk
te laten controleren.
Normaal
onderhoud
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt - bezoek een werkplaatsB. Verschijnt geruime
tijd vóór het geprogrammeerde tijdstip voor de volgende servicebeurt.
Betekenis
Normaal
onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt - bezoek een werkplaatsB. Verschijnt op het
geprogrammeerde tijdstip
voor de volgende servicebeurt.
Onderhoud
nodig
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade - bezoek
een werkplaatsB.
Zet de motor
afA
Melding
Normaal
onderhoud
Onderhoudstermijn verstreken
Tijdelijk uitA
A
B
Het is tijd voor een servicebeurt - bezoek een werkplaatsB. Verschijnt wanneer
het geprogrammeerde tijdstip voor een servicebeurt is
overschreden.
De bijbehorende functie is
tijdelijk uitgeschakeld en
wordt na enige tijd rijden of
de volgende keer dat u de
motor start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over de
locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Middendisplay
bevestiging/actie. Meldingen die moeten worden
opgeslagen, worden bewaard op het hoofdscherm van het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 91)
Overzicht van het middendisplay (p. 33)
Meldingsfuncties op bestuurdersen middendisplay
De meldingen op het bestuurdersdisplay en middendisplay zijn te hanteren met de knoppenset
rechts op het stuurwiel en op de schermen van
het middendisplay.
Meldingsfuncties op bestuurders- en middendisplay (p. 107)
Meldingen opgeslagen vanuit het bestuurders- en middendisplay hanteren (p. 109)
Melding op middendisplay.
Op het middendisplay verschijnen meldingen die
voor u als bestuurder minder belangrijk zijn.
De meeste meldingen verschijnen boven de statusbalk van het middendisplay. De meldingen verdwijnen na enige tijd automatisch of na eventuele
reactie uit de statusbalk. Als een melding moet
worden opgeslagen, wordt deze bewaard op het
hoofdscherm van het middendisplay.
De meldingen kunnen er verschillend uitzien en
worden mogelijk gecombineerd met grafische
voorstellingen, symbolen of een knop om bijvoorbeeld een functie die aan de melding is gekoppeld, te activeren/deactiveren.
Pop-upmeldingen
In bepaalde gevallen verschijnen pop-upmeldingen. Pop-upmeldingen zijn belangrijker dan meldingen op de statusbalk en verdwijnen alleen na
}}
107
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Bestuurdersdisplay
2.
Bevestig uw keuze door te drukken op
bevestigen (2).
> De melding verdwijnt van het bestuurdersdisplay.
Voor meldingen zonder knoppen:
–
Melding op bestuurdersdisplay4 en knoppenset rechts
op het stuurwiel.
Melding op bestuurdersdisplay5 en knoppenset rechts
op het stuurwiel.
Links/rechts
Bevestigen
Bepaalde meldingen op het bestuurdersdisplay
worden gecombineerd met een of meer knoppen
om de desbetreffende meldingen bijvoorbeeld te
bevestigen of in te stemmen met een bepaald
verzoek.
Nieuwe melding hanteren
Voor meldingen met knoppen:
1.
4
5
108
Met 8 inch bestuurdersdisplay.
Met 12 inch bestuurdersdisplay.
Navigeer door de beschikbare knoppen door
op links of rechts (1) te drukken.
Sluit de melding door op bevestigen (2) te
drukken of doe niets, waarna de melding
enige tijd later automatisch verdwijnt.
> De melding verdwijnt van het bestuurdersdisplay.
Als een melding moet worden opgeslagen, wordt
deze bewaard in de app Auto status, die opent
vanuit het appscherm op het middendisplay. In
verband hiermee verschijnt de melding Bericht
auto opgesl. in toepassing Voertuigstatus
op het middendisplay.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Middendisplay
Als een melding moet worden opgeslagen, wordt
deze bewaard op het hoofdscherm van het middendisplay.
Meldingen opgeslagen vanuit het
bestuurders- en middendisplay
hanteren
Gerelateerde informatie
•
Meldingen op bestuurders- en middendisplay
(p. 105)
Meldingen die zijn opgeslagen vanuit het
bestuurders- en middendisplay worden in beide
gevallen gehanteerd in het middendisplay.
•
Meldingen opgeslagen vanuit het bestuurders- en middendisplay hanteren (p. 109)
Meldingen opgeslagen vanuit het
bestuurdersdisplay
Melding op middendisplay.
Bepaalde meldingen op het middendisplay hebben een knop (of meerdere knoppen in popupmeldingen) om bijvoorbeeld een functie te
activeren/deactiveren die aan de melding is
gekoppeld.
Nieuwe melding hanteren
Voor meldingen met knoppen:
–
Druk op de knop om de maatregel uit te voeren of laat de melding automatisch na een
poosje gesloten worden.
> De melding verdwijnt van de statusbalk.
Voor meldingen zonder knoppen:
–
Sluit de melding door erop te drukken of doe
niets, waarna de melding enige tijd later
automatisch verdwijnt.
> De melding verdwijnt van de statusbalk.
Opgeslagen meldingen en beschikbare opties in de app
Auto status.
Meldingen die op het bestuurdersdisplay zijn weergegeven
en die opgeslagen moeten
worden, worden bewaard in de
app Auto status op het middendisplay. In verband hiermee
verschijnt de melding Bericht
auto opgesl. in toepassing Voertuigstatus
op het middendisplay.
}}
109
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Opgeslagen melding lezen
Lees de opgeslagen melding direct:
Onderhoud reserveren voor een opgeslagen melding:
–
–
Druk op de knop rechts van de melding
Bericht auto opgesl. in toepassing
Voertuigstatus in het middendisplay.
> De opgeslagen melding verschijnt in de
app Auto status.
Lees de opgeslagen melding achteraf:
1.
2.
3.
Open de app Auto status vanuit het appscherm op het middendisplay.
> De app start in het onderste deelscherm
van het homescherm.
Kies de tab Berichten in de app.
> Er verschijnt een lijst met opgeslagen
meldingen.
Druk op de pijl rechts om een melding uit te
vouwen/in te klappen.
> Er verschijnt meer informatie over de melding in de lijst en de afbeelding links in de
app geeft informatie in grafische vorm
over de melding.
Een opgeslagen melding hanteren
Bepaalde meldingen hebben in uitgevouwen
vorm twee knoppen, nl. om onderhoud te reserveren of de gebruikershandleiding te lezen.
6
110
Afhankelijk van de markt.
Druk in de uitgevouwen stand van de melding op Afspraak- verzoekBel voor een
afspraak6 om hulp te krijgen bij het reserveren van onderhoud.
> Met Afspraak- verzoek: De tab
Afspraken gaat open in de app en u
krijgt een vraag voorgelegd over het
reserveren van onderhoud en reparatie.
Met Bel voor een afspraak: De telefoonapp wordt gestart en deze belt een
onderhoudscentrum om service en reparatie te reserveren.
Lees de gebruikershandleiding voor de opgeslagen melding:
–
Meldingen opgeslagen vanuit het
middendisplay
Druk in de uitgevouwen stand van de melding op Handleiding om in de gebruikershandleiding over de melding te lezen.
> De gebruikershandleiding gaat open op
het middendisplay en deze geeft informatie die aan de melding is gekoppeld.
Meldingen opgeslagen in de app worden automatisch gewist telkens bij het starten van de
motor.
Opgeslagen meldingen en beschikbare opties in het
hoofdscherm.
Meldingen die op het middendisplay zijn weergegeven en die opgeslagen moeten worden, worden bewaard in het hoofdscherm van het middendisplay.
Opgeslagen melding lezen
1. Open het hoofdscherm op het middendisplay.
> Er verschijnt een lijst met opgeslagen
meldingen. Meldingen met een pijl naar
rechts kunnen worden uitgevouwen.
2.
Druk op de pijl om de melding uit te
vouwen/in te klappen.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Een opgeslagen melding hanteren
Bepaalde meldingen hebben een knop om bijvoorbeeld een functie te activeren/deactiveren
die aan de melding is gekoppeld.
–
Druk op de knop om de maatregel uit te voeren.
Opgeslagen meldingen in het hoofdscherm worden automatisch gewist als de auto wordt uitgezet.
Head-updisplay*
Het head-updisplay projecteert waarschuwingen
en informatie met betrekking tot snelheid, cruisecontrolfuncties, navigatie en dergelijke binnen
het gezichtsveld van de bestuurder. Ook informatie over verkeersborden en telefoonoproepen
verschijnen op het head-updisplay.
BELANGRIJK
De displaymodule die de informatie projecteert zit in het dashboard. Leg geen voorwerpen op het dekglas en zorg dat er evenmin
voorwerpen op kunnen vallen om schade aan
het dekglas van de displaymodule te voorkomen.
Gerelateerde informatie
•
Meldingen op bestuurders- en middendisplay
(p. 105)
•
Meldingsfuncties op bestuurders- en middendisplay (p. 107)
Telefoonoproepen.
Het head-updisplay is een aanvulling op het
bestuurdersdisplay van de auto en projecteert
informatie op de voorruit. Het geprojecteerde
beeld is alleen vanuit de positie van de bestuurder zichtbaar.
Voorbeelden van wat op het display kan verschijnen.
Snelheid
Cruisecontrol
Navigatie
Verkeersborden
Bepaalde symbolen (zoals de onderstaande) kunnen korte tijd op het head-updisplay verschijnen:
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 111
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Licht het waarschuwingssymbool op lees de waarschuwingsmelding op het
bestuurdersdisplay.
Licht het informatiesymbool - lees de
melding op het bestuurdersdisplay.
N.B.
Bij activering van het City Safety* wordt de
informatie op het head-updisplay vervangen
door een grafische voorstelling voor City
Safety. Deze grafische voorstelling verschijnt
ook als het head-updisplay uitstaat.
N.B.
U kunt de informatie op het head-updisplay
mogelijk minder goed zien bij:
•
•
Via het functiescherm
Druk op de knop Head-up
display.
gebruik van een polariserende zonnebril
een zithouding waarbij u niet goed in het
midden van de stoel zit
•
voorwerpen op het dekglas van de displaymodule
Via instellingen
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
•
ongunstige lichtomstandigheden,
2.
Druk op My Car
3.
Selecteer of deselecteer Head-up display.
N.B.
Bij bepaalde afwijkingen in de lichtbreking
kan het gebruik van het head-updisplay aanleiding geven tot hoofdpijn en vermoeide
ogen.
N.B.
Activering/deactivering en instellingen van
het head-updisplay zijn alleen mogelijk als het
een geprojecteerde afbeelding toont. Daarvoor moet de motor van de auto draaien.
Displays.
Weergave-opties kiezen
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car Displays
head-up display.
3.
Kies Navigatie op head-up display, Road
Sign Information op head-up display,
Best.onderst. op head-up display of
Telefoon op head-up display weergeven.
Opties
Head-updisplay activeren/deactiveren
De grafische voorstelling voor City Safety knippert om
uw aandacht te trekken.
112
U kunt de functie op twee manieren activeren/
deactiveren via het middendisplay:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Lichtsterkte en hoogte aanpassen
Positie verlagen
Bevestigen
1.
Druk op de knop Head-up display
afstellen in het functiescherm op het middendisplay.
Lichtsterkte aanpassen
De lichtsterkte van de grafische voorstellingen
wordt automatisch afgestemd op de heersende
lichtomstandigheden. De lichtsterkte van het
head-updisplay hangt tevens af van de gehanteerde lichtsterkte voor de overige displays in de
auto.
2.
Pas de lichtsterkte en hoogte van de geprojecteerde afbeelding in uw blikveld aan met
behulp van de knoppenset rechts op het
stuurwiel.
Geheugenfunctie van elektrisch bedienbare
voorstoel*
De hoogte is op te slaan in de geheugenfunctie
van de elektrisch bedienbare voorstoel.
Linksom draaien
Horizontale stand kalibreren
Bevestigen
De horizontale stand van het head-updisplay
moet mogelijk gekalibreerd worden bij het vervangen van de voorruit of de displayeenheid. Kalibreren houdt in dat de geprojecteerde afbeelding
linksom of rechtsom wordt gedraaid.
Lichtsterkte verlagen
Lichtsterkte verhogen
Positie verhogen
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Kies My Car Displays
display kalibreren.
3.
Kalibreer de horizontale stand van de afbeelding met de rechter toetsenset van het stuur.
Head-up
Rechtsom draaien
Schoonmaken
Neem het dekglas van het display voorzichtig af
met een schone en droge microvezeldoek. U kunt
de microvezeldoek zo nodig licht bevochtigen.
Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen. Voor de
hardnekkige vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel gebruiken dat verkrijgbaar is bij de
erkende Volvo-werkplaats.
Voorruit vervangen
Auto's met een head-updisplay hebben een speciaal type voorruit dat voldoet aan de eisen voor
de geprojecteerde afbeelding.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 113
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Neem voor het vervangen van de voorruit contact
op met een erkende werkplaats7. De grafische
voorstellingen op het head-updisplay zijn alleen
goed weer te geven, als het juiste type voorruit
gemonteerd is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
7
114
Functiescherm met knoppen voor autofuncties (p. 47)
Instellingsscherm (p. 171)
Stuurwiel (p. 134)
Geheugenfunctie gebruiken van elektrisch
bediende voorstoel* (p. 121)
Bestuurdersdisplay (p. 91)
Stembediening
De stembediening biedt u de mogelijkheid om
bepaalde functies van de mediaspeler, een via
Bluetooth aangesloten telefoon, de klimaatregeling en Volvo's navigatiesysteem* met stemcommando's te bedienen.
Het gebruik van stemcommando's biedt bedieningscomfort, leidt minder af en helpt u om de
aandacht op het verkeer op de weg vast te houden.
WAARSCHUWING
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en de geldende verkeersregels in
acht neemt.
De stembediening vindt in dialoogvorm plaats
met stemcommando's van de gebruiker en
gesproken systeemreacties. De stembediening
maakt gebruik van dezelfde microfoon als het
Bluetooth-handsfreesysteem en geeft antwoord
via de luidsprekers in de auto. In sommige gevallen verschijnt tevens een tekstmelding op het
bestuurdersdisplay. De functies worden aangestuurd met de knoppenset rechts op het stuurwiel en instellingen doet u via het middendisplay.
Systeemupdate
Het systeem voor stembediening wordt voortdurend verder verbeterd. Voor optimale functionaliteit kunt u updates downloaden, zie
support.volvocars.com.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Stembediening gebruiken (p. 115)
Stembediening telefoon (p. 116)
Stembediening van radio en media (p. 117)
Klimaatregeling met stembediening (p. 117)
Stembediening bij kaartnavigatie (p. 118)
Instellingen voor stembediening (p. 116)
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Stembediening gebruiken
Voorbeelden van stembediening
Basisinstructies voor gebruik van de stembediening.
Druk op
, zeg "Bel [Voornaam]
[Achternaam] [nummercategorie]" - contactpersoon bellen voor wie meerdere telefoonnummers in het telefoonboek staan (bijvoorbeeld
thuis, mobiel, werk), bijvoorbeeld:
Druk op de stuurknop voor
om de
stembediening
werking te activeren en een
dialoog met stemcommando's
te starten.
Let op het volgende tijdens de dialoog:
•
•
•
Spreek bij het geven van commando's na de
toon, met normale stem in een normaal
tempo.
Wacht met spreken, totdat het systeem klaar
is met antwoorden (zolang het systeem antwoordt, werkt de stembediening namelijk
niet).
Vermijd achtergrondgeluiden in het interieur
door portieren, ruiten en dakluik gesloten te
houden.
U kunt de stembediening als volgt beëindigen:
•
•
Zeg "Annuleer".
Druk lang op de stuurknop voor stembedie.
ning
Om de commandodialoog te verkorten en systeemvragen over te slaan voordat het volgende
commando wordt aangegeven, kunt u wanneer
het systeem spreekt de stuurknop voor stembediening
indrukken.
Druk
, zeg "Bel Robyn Smith Mobiel".
Commando's/zinnen
De volgende commando's zijn altijd mogelijk:
•
"Herhaal" - de laatst gegeven steminstructie van de actieve dialoog herhalen.
•
•
"Annuleer" - de dialoog annuleren.
"Help" - een hulpdialoog starten. Het systeem antwoordt met: commando's die in de
actuele situatie gebruikt kunnen worden, een
vraag of een voorbeeld.
meerdere groepen achter elkaar zeggen, bijvoorbeeld tweeëntwintig tweeëntwintig (22
22). Bij Engels kunt u ook dubbel of drievoudig gebruiken, bijvoorbeeld dubbel nul (00).
U kunt nummers aangeven binnen het interval 0-2300.
•
Frequenties kunt u als volgt zeggen: achtennegentig komma acht (98,8) en honderdenvier komma twee (104,2).
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Stembediening (p. 114)
Stembediening telefoon (p. 116)
Stembediening van radio en media (p. 117)
Klimaatregeling met stembediening (p. 117)
Stembediening bij kaartnavigatie (p. 118)
Instellingen voor stembediening (p. 116)
Commando's voor specifieke functies staan
beschreven in de desbetreffende artikelen, bijvoorbeeld Spaakherkenning telefoon.
Cijfers
Geef de cijfercommando's aan, afhankelijk van
welke functie moet worden aangestuurd:
•
Telefoonnummers en postcodes moet u
apart en cijfer voor cijfer zeggen, bijvoorbeeld
nul drie een twee twee vier vier drie
(03122443).
•
Huisnummers kunt u apart of in een groep
zeggen, bijvoorbeeld twee twee of tweeëntwintig (22). Bij Engels en Nederlands kunt u
115
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instellingen voor stembediening
Er zijn meerdere instellingen voor stembediening
mogelijk.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Systeem
kies instellingen.
Stembediening en
• Herhaalmodus
• Geslacht
• Spreeksnelheid
Audio-instellingen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Geluid Systeemvolumes
Stembediening en kies instellingen.
Taal wijzigen
Stembediening is niet voor alle talen mogelijk. De
beschikbare talen voor stembediening zijn in de
talenlijst aangegeven met een pictogram,
.
Een eventuele taalwijziging geldt ook voor de
menu-, display- en hulpteksten.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Systeem
116
Stembediening van radio en media (p. 117)
Stembediening telefoon
Klimaatregeling met stembediening (p. 117)
Commando voor stembediening van een mobiele telefoon met Bluetooth-verbinding om bijvoorbeeld een contactpersoon of een nummer
te bellen of een sms-bericht te beluisteren.
Stembediening bij kaartnavigatie (p. 118)
Om een contactpersoon in het telefoonboek aan
te geven moet het stemcommando contactgegevens bevatten die in het telefoonboek staan. Als
er voor een contactpersoon, bijvoorbeeld Robyn
Smith, meerdere telefoonnummers in het telefoonboek staan, kunt u ook de nummercategorie
aangeven, bijvoorbeeld Thuis of Mobiel: "Bel
Robyn Smith Mobiel".
en geef een van de volgende stemDruk op
commando's:
•
"Bel [contact]" - hiermee belt u de gekozen
contactpersoon uit het telefoonboek.
•
"Bel [telefoonnummer]" - hiermee belt u
een telefoonnummer.
•
"Recente gesprekken" - hiermee geeft u
de gesprekslijst weer.
•
"Lees bericht" - hiermee laat u een bericht
voorlezen. Als er meerdere berichten zijn geef aan welk bericht moet worden voorgelezen.
Taal en kies taal.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Stembediening (p. 114)
Stembediening gebruiken (p. 115)
Stembediening telefoon (p. 116)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Stembediening (p. 114)
Stembediening gebruiken (p. 115)
Instellingen voor stembediening (p. 116)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Stembediening van radio en media
Commando's voor stembediening van de radio
en de mediaspeler.
Druk op
en geef een van de volgende stemcommando's:
•
"Media" - start een dialoog voor media en
radio en geeft voorbeelden van commando's
weer.
•
"Speel [artiest]" - muziek afspelen van
gekozen artiest.
•
"Speel [tracknaam]" - gekozen track
afspelen.
•
"Speel [tracknaam] van [album]" - gekozen track van gekozen album afspelen.
•
"Speel [Tv-zendernaam]" - gekozen tvzender starten.
•
"Speel [radiozender]" - gekozen radiozender starten.
•
"Stem af op [frequentie]" - gekozen radiofrequentie starten op actieve radioband. Als
op dat moment geen radiobron actief is,
wordt standaard de FM-band ingeschakeld.
•
"Stem af op [frequentie]
[frequentieband]" - gekozen radiofrequentie starten op gekozen radioband.
•
•
•
•
"Radio" - FM-radio starten.
"FM Radio" - FM-radio starten.
"AM Radio" - AM-radio starten.
"DAB" - DAB-radio starten.
•
•
•
•
•
•
"Tv" - tv*-weergave starten.
Klimaatregeling met stembediening
"CD" - cd*-weergave starten.
Commando's voor klimaatregeling met stembediening om bijvoorbeeld de temperatuur te wijzigen, elektrische stoelverwarming te activeren of
de ventilatorstand te wijzigen.
"USB" - USB-weergave starten.
"iPod" - iPod-weergave starten.
"Bluetooth" - weergave vanaf een mediabron met Bluetooth-verbinding starten.
"Vergelijkbare muziek" - muziek op via de
USB-aansluiting aangesloten eenheden spelen die op de weergegeven muziek lijkt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Stembediening (p. 114)
Stembediening gebruiken (p. 115)
Instellingen voor stembediening (p. 116)
Druk op
mando's:
en zeg een van de volgende com-
•
"Klimaatregeling" - start een dialoog voor
klimaatregeling en geeft voorbeelden van
commando's weer.
•
"Stel temperatuur in op X graden" - stelt
de gewenste temperatuur in.
•
"Verhoog temperatuur" / "Verlaag
temperatuur" - verhoogt/verlaagt de ingestelde temperatuur met één stap.
•
"Synchroniseer temperatuur" - synchroniseert de temperatuur voor alle klimaatzones
in de auto met de voor de bestuurderszone
ingestelde temperatuur.
•
"Lucht op voeten" / "Lucht op lichaam" opent de gewenste blaasmond.
•
"Lucht op voeten uit" / "Lucht op
lichaam uit" - sluit de gewenste blaasmond.
•
"Zet ventilator op max." / "Schakel
ventilator uit" - verandert de ventilatorstand
naar Max/Off.
•
"Verhoog ventilatorsnelheid" / "Verlaag
ventilatorsnelheid" - verhoogt/verlaagt de
ingestelde ventilatorstand met één stap.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 117
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
•
"Schakel auto-klimaat in" - activeert de
automatische klimaatregeling.
•
"Airconditioning aan" / "Airconditioning
uit" - activeert/deactiveert de airconditioning.
•
"Recirculatie aan" / "Recirculatie uit" activeert/deactiveert de luchtrecirculatie.
•
"Schakel ruitontdooiing in" / "Schakel
ruitontdooiing uit" - activeert/deactiveert
ontwaseming van ruiten en buitenspiegels.
•
•
•
118
"Schakel max. ruitontdooiing in" /
"Schakel max. ruitontdooiing uit" - activeert/deactiveert maximale ontwaseming.
"Schakel elektrische ruitverwarming
in" / "Schakel elektrische
ruitverwarming uit" - activeert/deactiveert
elektrische voorruitverwarming*.
"Schakel achterruitverwarming in" /
"Schakel achterruitverwarming uit" activeert/deactiveert elektrische achterruiten buitenspiegelverwarming.
•
•
•
•
"Schakel stoelverwarming in" / "Schakel
stoelverwarming uit" - activeert/deactiveert elektrische stoelverwarming*.
"Verhoog stoelverwarming" / "Verlaag
stoelverwarming" - verhoogt/verlaagt ingesteld niveau voor de elektrische stoelverwarming* met één stap.
"Schakel stoelventilatie in" / "Schakel
stoelventilatie uit" - activeert/deactiveert
stoelventilatie*.
"Verhoog stoelventilatie" / "Verlaag
stoelventilatie" - verhoogt/verlaagt ingesteld niveau voor de stoelventilatie* met één
stap.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Stembediening (p. 114)
Stembediening gebruiken (p. 115)
Instellingen voor stembediening (p. 116)
Klimaatregeling (p. 178)
Stembediening bij kaartnavigatie
De stembediening biedt de mogelijkheid om tal
van functies van het navigatiesysteem te bedienen met behulp van stemcommando's.
De stembediening staat gedetailleerd beschreven onder "Stembediening", "Stembediening
gebruiken" en "Instellingen voor stembediening".
Stemcommando's
Hier volgen enkele voorbeelden van stemcommando's die uniek zijn voor kaartnavigatie.
Druk op stuurknop
gende commando's:
en zeg een van de vol-
•
"Navigatie" - Een navigatiedialoog starten
en voorbeelden van commando's tonen.
•
"Breng me naar huis" - Voor begeleiding
naar de Huis-locatie.
•
"Ga naar [stad]" - Een stad aangeven als
bestemming, bijvoorbeeld "Rij naar Amsterdam".
•
"Schakel stuurwielverwarming in" /
"Schakel stuurwielverwarming uit" - activeert/deactiveert elektrische stuurverwarming*.
•
"Ga naar [Adres]" - Een adres aangeven
als bestemming. Een adres bestaat uit een
straat en stad, bijvoorbeeld "Rij naar Kalverstraat 5, Amsterdam".
•
"Verhoog stuurwielverwarming" /
"Verlaag stuurwielverwarming" - verhoogt/verlaagt ingesteld niveau voor de
elektrische stuurverwarming* met één stap.
•
"[Kruising] aangeven " - Een kruising aangeven als bestemming. Er wordt binnen het
aangegeven zoekgebied naar de desbetreffende kruising gezocht.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
•
•
"Ga naar [Postcode]" - Een postcode aangeven als bestemming, bijvoorbeeld "Rij naar
1234 AB".
"Ga naar [contact]" - Een adres uit het
telefoonboek aangeven als bestemming, bijvoorbeeld "Rij naar Robyn Smith".
•
"Zoek [POI-categorie]" - Een POI8-categorie zoeken (bijvoorbeeld restaurant). POI's
zijn altijd "rondom de auto" gerangschikt. Om
de lijst te laten rangschikken langs de route,
zegt u "Langs de route" bij weergave van
de resultatenlijst.
•
"[Land]/[staat] aangeven/9, 10" - Zoekgebied voor navigatie wijzigen.
•
"Toon favorieten" - Om de favoriete locaties weer te geven op het bestuurdersdisplay.
•
"Wis reisweg" - Alle in een reisplan opgeslagen deelbestemmingen en de eindbestemming wissen.
•
"Herhaal stembegeleiding" - De laatst uitgesproken aanwijzing herhalen
•
"Pauzeer begeleiding" - Een pauze in de
routebegeleiding op de kaart inlassen.
•
"Hervat begeleiding" - Routebegeleiding
na een pauze op de kaart hervatten.
•
"Schakel stembegeleiding uit" - De
gesproken aanwijzingen uitschakelen.
•
"Schakel stembegeleiding in" - De uitgeschakelde gesproken aanwijzingen weer
starten.
Handmatig bediende voorstoel
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen
verschillende instelmogelijkheden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Stembediening (p. 114)
Stembediening gebruiken (p. 115)
Instellingen voor stembediening (p. 116)
8 U kunt ervoor kiezen om een POI te bellen of deze aan te geven als bestemming.
9 In Europese landen wordt "land" gebruikt in plaats van "staat".
10 In Brazilië en India past u het zoekgebied aan via het middendisplay.
Zet de voorkant van de zitting hoger/lager*
door omhoog/omlaag te pompen.
Zet de stoel vooruit/achteruit door de handgreep omhoog te tillen en de juiste afstand
tot het stuurwiel en de pedalen in te stellen.
Controleer of de stoel na het verstellen in de
nieuwe stand geblokkeerd staat.
Pas de lendensteun* aan door op de knop
omhoog/omlaag/vooruit/achteruit te drukken.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 119
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Hele stoel hoger/lager zetten door de handgreep omhoog/omlaag te bewegen.
Pas de hellingshoek van het ruggedeelte aan
door aan de knop te draaien.
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden.
Controleer of de stoel vergrendeld staat om
letsel te voorkomen bij hard afremmen of een
aanrijding.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Multifunctionele voorstoel* (p. 122)
•
Veiligheidsgordel (p. 59)
Elektrisch bediende voorstoel* (p. 120)
Elektrische stoelverwarming* activeren/deactiveren (p. 199)
Elektrisch bediende voorstoel*
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen
verschillende instelmogelijkheden. De elektrisch
bediende stoel is naar voren/achteren en
omhoog/omlaag te zetten. De voorkant van de
zitting is te verhogen/verlagen. De hellingshoek
van de rugleuning is te wijzigen. De lendensteun
kan omhoog/omlaag/vooruit/achteruit worden
versteld.
•
In- en uitstapfunctie bestuurdersstoel*
(p. 126)
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen door
een obstakel wordt geblokkeerd. Als dat het
geval is, neemt u het obstakel weg en bedient de
stoel opnieuw.
Tot enige tijd nadat u het portier hebt ontgrendeld blijft het mogelijk de stoel te verstellen, ook
al draait de motor niet. De stoel is altijd te verstellen, wanneer de motor draait. Dat kan ook
nog enige tijd na het uitzetten van de motor.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
120
Multifunctionele voorstoel* (p. 122)
Elektrisch bediende voorstoel* verstellen
(p. 121)
Geheugenfunctie gebruiken van elektrisch
bediende voorstoel* (p. 121)
Handmatig bediende voorstoel (p. 119)
Elektrische stoelverwarming* activeren/deactiveren (p. 199)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Elektrisch bediende voorstoel*
verstellen
Stel de gewenste zitstand in met behulp van de
handgreep op het zitgedeelte van de voorstoel.
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
De ruggedeelten van de voorstoelen zijn niet
helemaal neer te klappen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Elektrisch bediende voorstoel* (p. 120)
Geheugenfunctie gebruiken van elektrisch
bediende voorstoel* (p. 121)
Geheugenfunctie gebruiken van
elektrisch bediende voorstoel*
De geheugenfunctie slaat instellingen op voor
de stoel, de buitenspiegels en het head-updisplay*.
Met de geheugenfunctie kunt u drie verschillende instellingen opslaan. De knoppenset van
de geheugenfunctie zit op een van de voorportieren of op allebei*.
Multifunctionele voorstoel* (p. 122)
Veiligheidsgordel (p. 59)
Pas de lendensteun aan door op de knop
omhoog/omlaag/vooruit/achteruit te drukken.
Zet de voorkant van de zitting hoger/lager
door de handgreep omhoog/omlaag te
bewegen.
Geheugenknop
Hele stoel hoger/lager zetten door de handgreep omhoog/omlaag te bewegen.
Geheugenknop
Hele stoel naar voren/achteren zetten door
de handgreep naar voren/achteren te bewegen.
Hellingshoek van het ruggedeelte aanpassen
door de handgreep naar voren/achteren te
bewegen.
Geheugenknop
Knop M voor vastlegging van de instellingsset.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 121
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Instelling vastleggen
1.
Zet de stoel, buitenspiegels en het headupdisplay in de gewenste stand.
2.
Druk de M-knop in en laat deze weer los. Het
controlelampje in de knop brandt.
3.
Druk binnen drie seconden op een van de
knoppen 1, 2 of 3.
> Wanneer de standen zijn opgeslagen
onder de geheugenknop van uw keuze,
klinkt er een akoestisch signaal en dooft
het controlelampje in de knop M.
Voorportier dicht
– Houd een van de geheugenknoppen 1-3
ingedrukt, totdat de stoel, de buitenspiegels
en het head-updisplay de standen innemen
die onder de desbetreffende geheugenknop
zijn vastgelegd.
Bij het loslaten van de geheugenknop komen de
stoel, de buitenspiegels en de head-updisplay tot
stilstand.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Let op dat kinderen niet
met de knoppenset spelen. Controleer of er
bij het instellen geen voorwerpen voor, achter
of onder de stoel liggen. Zorg dat geen van
de passagiers op de achterbank bekneld kan
raken.
Als u niet binnen drie seconden een van de
geheugenknoppen indrukt, dooft het controlelampje in de knop M en worden de standen niet
vastgelegd.
Om een andere instelling vast te leggen moet u
de stoel eerst verstellen.
Stoel in vastgelegde stand zetten
De vastgelegde standen zijn altijd op te roepen,
of het voorportier nu open- of dichtstaat:
Voorportier open
– Druk eenmaal kort op een van de geheugenknoppen 1-3. De stoel, de buitenspiegels en
het head-updisplay komen in bewegen en
nemen de standen in die onder de ingedrukte geheugenknop zijn vastgelegd.
122
Multifunctionele voorstoel*
Gebruik de multifunctionele bediening om voor
meer zitcomfort te zorgen.
Gerelateerde informatie
•
•
Elektrisch bediende voorstoel* (p. 120)
Elektrisch bediende voorstoel* verstellen
(p. 121)
Multifunctionele bediening, op de zijkant van het zitgedeelte van de stoel.
De multifunctionele bediening is in bepaalde uitvoeringen te gebruiken voor verstelling van de
lendensteun*, de zijsteunen van het ruggedeelte*,
de zitlengte en de instellingen voor de massagefunctie*. Alle verrichte instellingen met de multifunctionele bediening verschijnen op het middendisplay*. Bepaalde functiekeuzes zijn ook direct
via het middendisplay te verrichten.
Middendisplay
Alle instellingen voor de bestuurders- en passagiersstoel die u met de multifunctionele bediening verricht, verschijnen op het middendisplay.
Als de instellingen voor slechts één voorstoel op
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
het middendisplay staan, verschijnen deze instelling in het midden van het scherm. Wanneer er
genoeg ruimte is om de instellingen voor beide
voorstoelen weer te geven, staan de instellingen
voor de bestuurdersstoel in de bovenste helft en
die voor de passagiersstoel in de onderste helft.
Multifunctionele voorstoel*
verstellen
Voor verstelling kunt u zowel de multifunctionele
bediening op de stoel als het middendisplay
gebruiken. De verschillende instellingen verschijnen op het middendisplay*.
Om het scherm voor de stoelinstellingen op het
middendisplay te sluiten kunt u op de homeknop
drukken. Deze zit onder het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Elektrisch bediende voorstoel* (p. 120)
Multifunctionele voorstoel* verstellen
(p. 123)
Elektrische stoelverwarming* activeren/deactiveren (p. 199)
Multifunctionele bediening, op de zijkant van het zitgedeelte van de stoel.
Voor het activeren van de multifunctionele bediening draait u de bedieningsknop omhoog/
omlaag.
Instellingen voor massagefunctie*
voorstoel aanpassen
De voorstoel is voorzien van een rugleuning met
massagefunctie. De massagefunctie die gebruik
maakt van luchtkussens heeft verschillende
instellingen.
Scherm voor massagefunctie op middendisplay.
1.
Activeer de multifunctionele bediening door
de knop omhoog/omlaag te draaien. Het
stoelverstellingsscherm verschijnt nu op het
middendisplay.
2.
Kies Massage op het stoelverstellingsscherm.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 123
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
3.
Om een van de verschillende massagefuncties te activeren maakt u een keuze op het
touchscreen of u beweegt de cursor
omhoog/omlaag met de knop omhoog/
omlaag van de multifunctionele bediening.
Wijzig de instelling van de gekozen functie
door rechtstreeks op het touchscreen een
keuze te maken via de pijlen of via de knop
vooruit/achteruit van de multifunctionele
bediening.
Instellingen voor massagefunctie
Voor de massagefunctie hebt u de keuze uit de
volgende instellingen:
Massagefunctie herstarten
• Aan/Uit: kies Aan/Uit om de massagefunc-
Knop op het middendisplay voor het herstarten van de
massagefunctie.
• Programma 1–5: Er zijn 5 vooraf ingestelde
De massagefunctie wordt na 20 minuten automatisch uitgeschakeld. De functie is handmatig
te herstarten.
tie in/uit te schakelen.
massageprogramma's. Kies uit Golf, Loop,
Geavanc., Lende en Schouder.
• Intensiteit: kies uit Laag, Normaal en
–
• Snelheid: kies uit Langzaam, Normaal en
Wanneer de motor afstaat kunt u geen gebruik
maken van de massafunctie.
Hoog.
Snel.
Druk op Hrstart op het middendisplay om de
gekozen massagefunctie te herstarten.
Zijsteunen* van ruggedeelte voorstoel
verstellen
De zijsteunen van de rugleuning kunnen worden
versteld voor steun in de zij.
124
Scherm voor verstelbare zijsteun op het middendisplay.
Zo verstelt u de zijsteun:
1.
Activeer de multifunctionele bediening door
de knop omhoog/omlaag te draaien. Het
stoelverstellingsscherm verschijnt nu op het
middendisplay.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
2.
Kies Zijsteunen op het stoelverstellingsscherm.
•
Druk op de voorste stoelknop voor meer
zijsteun.
•
Druk op de achterste stoelknop voor minder zijsteun.
Lendensteun* voorstoel instellen
De lendensteun kan omhoog/omlaag/vooruit/
achteruit worden versteld.
Zo verstelt u de lendensteun:
1.
Activeer de multifunctionele bediening door
de knop omhoog/omlaag te draaien. Het
stoelverstellingsscherm verschijnt nu op het
middendisplay.
2.
Kies Lenden op het stoelverstellingsscherm.
•
Druk op de stoelknop omhoog/omlaag
om de lendensteun hoger/lager te zetten.
•
Druk op de voorste stoelknop voor meer
lendensteun.
•
Druk op de achterste stoelknop voor minder lendensteun.
Zitgedeelte voorstoel verlengen
Gebruik de multifunctionele bediening om het zitgedeelte te verlengen.
Scherm voor verlenging zitgedeelte op middendisplay.
Scherm voor lendensteun op middendisplay.
1.
Activeer de multifunctionele bediening door
de knop omhoog/omlaag te draaien. Het
stoelverstellingsscherm verschijnt nu op het
middendisplay.
2.
Kies Kussenverl. op het stoelverstellingsscherm.
•
Druk op de voorste stoelknop om het zitgedeelte verlengen.
•
Druk op de achterste stoelknop om het
zitgedeelte te verkorten.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 125
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Gerelateerde informatie
•
Multifunctionele voorstoel* (p. 122)
In- en uitstapfunctie
bestuurdersstoel*
Eenvoudig in- en uitstappen activeren/
deactiveren
Met Eenvoudige in- en uitstap kunt u als
bestuurder gemakkelijker in- en uitstappen.
1.
Uitstapfunctie
2.
Druk op My Car
De functie maakt het u als bestuurder gemakkelijker om uit te stappen doordat de stoel omlaagzakt, de zijsteun wordt verminderd en het zitkussen naar achteren beweegt.
3.
Kies Eenvoudige in- en uitstap voor activeren/deactiveren.
De stoel is alleen in de stand voor de uitstapfunctie te zetten, als de functie geactiveerd is op
het middendisplay.
1.
Kies de schakelstand P.
2.
Zet de motor af.
3.
Veiligheidsgordel losmaken.
4.
Open het bestuurdersportier.
> De stoel, de zijsteun en het zitgedeelte
nemen tegelijkertijd de standen voor de
uitstapfunctie in.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Stoelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Elektrisch bediende voorstoel* (p. 120)
Contactslotstanden (p. 370)
Instapfunctie
Wanneer u de auto verlaat, blijft de bestuurdersstoel in de stand voor de uitstapfunctie staan.
Wanneer u vervolgens weer instapt, kunt u zo
sneller en eenvoudiger instappen. Wanneer u op
de bestuurdersstoel hebt plaatsgenomen, de veiligheidsgordel hebt omgedaan en het elektrische
systeem van de auto minimaal in contactstand 1
hebt gezet, neemt de stoel de opgeslagen persoonlijke stand in.
126
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Passagiersstoel verstellen vanaf
bestuurdersstoel*
Achterbank
Afhankelijk van de vraag of u een 5- of 7-zitter*
hebt, zitten er achter in de auto één of twee* zitrijen. De tweede zitrij bestaat uit drie afzonderlijke zitplaatsen, terwijl de derde zitrij er twee
heeft.
De voorste passagiersstoel is vanaf de bestuurdersstoel te verstellen.
Functie activeren
De functie is op twee manieren te activeren via
het middendisplay:
Gerelateerde informatie
•
•
Via het functiescherm
Druk op de knop
Passagierstoel aanpassen
om te activeren.
Hele passagiersstoel naar voren/achteren
zetten door de handgreep naar voren/
achteren te bewegen.
Hellingshoek van het ruggedeelte van de
passagiersstoel aanpassen door de handgreep naar voren/achteren te bewegen.
Via instellingen
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Passagiersstoel aanp. vanuit
bestuurderspos. voor activeren.
Stoelen.
Passagiersstoel verstellen
Na activering van de functie hebt u 10 seconden
de tijd om de passagiersstoel te verstellen. Als
gedurende deze periode geen verstelling plaatsvindt, wordt de functie gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Elektrisch bediende voorstoel* (p. 120)
Elektrisch bediende voorstoel* verstellen
(p. 121)
Hoofdsteun tweede zitrij verstellen (p. 128)
Achterbank tweede zitrij naar voren/
achteren* (p. 129)
•
Hellingshoek ruggedeelte tweede zitrij aanpassen (p. 130)
•
Ruggedeelte tweede zitrij omklappen
(p. 131)
•
•
In-/uitstappen derde zitrij* (p. 133)
•
Elektrische stoelverwarming* activeren/deactiveren (p. 199)
Ruggedeelte derde zitrij omklappen*
(p. 133)
Veiligheidsgordel (p. 59)
U verstelt de bestuurdersstoel met de handgrepen op de bestuurdersstoel:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 127
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Hoofdsteun tweede zitrij verstellen
Buitenste hoofdsteunen achterbank
elektrisch omklappen*
Stel de hoofdsteun van de middelste zitplaats af
aan de hand van de lengte van de passagier.
Klap de hoofdsteun* van de buitenste zitplaatsen
omlaag voor een beter zicht naar achteren.
Hoofdsteun middelste zitplaats
verstellen
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u de
knop (in het midden tussen het ruggedeelte en
de hoofdsteun, zie afbeelding) indrukken terwijl u
de hoofdsteun voorzichtig omlaagduwt.
WAARSCHUWING
De hoofdsteun voor de middelste zitplaats is aan
te passen aan de lengte van de passagier, zodat
de hoofdsteun zo mogelijk het hele achterhoofd
bedekt. Trek de hoofdsteun handmatig zo ver
omhoog als nodig is.
128
De hoofdsteun van de middelste zitplaats
moet in de onderste stand staan, wanneer de
middelste zitplaats niet in gebruik is. Wanneer
de middelste zitplaats wel wordt gebruikt,
moet de hoofdsteun goed op de lengte van
de passagier zijn afgesteld, zodat deze zo
mogelijk diens hele achterhoofd afdekt.
De buitenste hoofdsteunen zijn op twee manieren via het middendisplay om te klappen:
Via het functiescherm
Druk op de knop Hfdsteun
omlaag om omklappen te activeren/deactiveren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Via instellingen
Het elektrische systeem van de auto moet in
contactslotstand II staan.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Hoofdst. omlaag stoelen 2e rij om
de hoofdsteunen op de buitenste zitplaatsen
achterin om te klappen.
Stoelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Achterbank (p. 127)
Ruggedeelte tweede zitrij omklappen
(p. 131)
Achterbank tweede zitrij naar voren/
achteren*
Bij een 7-zitter* zijn de zitplaatsen van de
tweede zitrij elk apart naar voren of achteren te
zetten om de inzittenden op de tweede en derde
zitrij voldoende beenruimte te bieden. Bij een 5zitter is de achterbank niet naar voren of achteren te zetten.
WAARSCHUWING
Zet de buitenste hoofdsteunen niet naar
beneden als er passagiers op de buitenste
plaatsen zitten.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig rechtop
totdat deze hoorbaar vastklikt.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop zetten vergrendeld staan.
Til de handgreep onder de desbetreffende
zitplaats op.
Schuif de zitplaats tot in de gewenste stand
naar voren of achteren.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen op de buitenste plaatsen op
de tweede zitrij moeten met passagiers op de
derde zitrij* altijd rechtop staan.
3.
Laat de handgreep los en schuif de zitplaats
door tot hij vastklikt.
Controleer of de stoel na het verstellen in de
nieuwe stand geblokkeerd staat.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 129
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
WAARSCHUWING
Stel de bank vóór vertrek in en zet deze vast.
Wees voorzichtig als u de bank instelt. Een
ongecontroleerde of onvoorzichtige instelling
kan tot letsel door beknelling leiden.
Gerelateerde informatie
•
•
Hellingshoek ruggedeelte tweede
zitrij aanpassen
De hellingshoek van het ruggedeelte is voor elk
van de zitplaatsen op de tweede zitrij apart aan
te passen.
Middelste zitplaats
Achterbank (p. 127)
Hellingshoek ruggedeelte tweede zitrij aanpassen (p. 130)
1.
Trek aan de riem die aan de rechterzijde van
de middelste zitplaats zit.
2.
Kantel het ruggedeelte naar voren/achteren
door minder/meer druk op het ruggedeelte
uit te oefenen.
3.
Laat de riem los om de positie van de rugleuning te vergrendelen en schuif de rug door
tot hij vastklikt.
Controleer of de stoel na het verstellen in de
nieuwe stand geblokkeerd staat.
130
Buitenste zitplaatsen
1.
Trek de handgreep op de zijkant van de zitplaats omhoog.
2.
Kantel het ruggedeelte naar voren/achteren
door minder/meer druk op het ruggedeelte
uit te oefenen.
3.
Laat de handgreep los om de positie van de
rugleuning te vergrendelen en schuif de rug
door tot hij vastklikt.
Controleer of de stoel na het verstellen in de
nieuwe stand geblokkeerd staat.
WAARSCHUWING
Stel de bank vóór vertrek in en zet deze vast.
Wees voorzichtig als u de bank instelt. Een
ongecontroleerde of onvoorzichtige instelling
kan tot letsel door beknelling leiden.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Gerelateerde informatie
•
•
Achterbank (p. 127)
Achterbank tweede zitrij naar voren/
achteren* (p. 129)
•
Ruggedeelte tweede zitrij omklappen
(p. 131)
•
Veiligheidsgordel (p. 59)
Ruggedeelte tweede zitrij
omklappen
De tweede zitrij bestaat uit drie afzonderlijke zitplaatsen. De ruggedeelten zijn elk apart om te
klappen.
WAARSCHUWING
Stel de bank vóór vertrek in en zet deze vast.
Wees voorzichtig als u de bank instelt. Een
ongecontroleerde of onvoorzichtige instelling
kan tot letsel door beknelling leiden.
N.B.
U moet mogelijk de voorstoelen naar voren
zetten en/of de rugleuningen rechtop zetten
om de ruggedeelten van de achterbank volledig naar voren te kunnen klappen.
U moet de achterbank mogen ook naar achteren verschuiven.
Middelste zitplaats
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels
mogen evenmin zijn ingestoken. Schade aan
de bekleding van de achterbank is anders
namelijk niet uitgesloten.
BELANGRIJK
Klap het geïntegreerde kinderzitje* op de
middelste zitplaats in alvorens de stoel neer
te klappen.
Klap de middenarmsteun* op alvorens de
stoel neer te klappen.
U kunt het ruggedeelte als volgt omklappen:
1.
Klap de hoofdsteun handmatig om.
2.
Trek aan de riem die aan de rechterzijde van
de middelste zitplaats zit.
3.
Klap de rugleuning om totdat deze vergrendelt. Bij het omklappen van het ruggedeelte
beweegt het zitgedeelte omlaag/naar voren
om een vlakke vloer te creëren.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 131
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
U kunt het ruggedeelte als volgt rechtop zetten:
1.
Trek aan de riem.
2.
Klap het ruggedeelte omhoog en laat de
riem los. Schuif de rug door tot hij vastklikt.
3.
Pas de stand van de hoofdsteun zo nodig
aan.
2.
Buitenste zitplaatsen
Zorg ervoor dat de rugleuning met hoofdsteun bij het omklappen niet in aanraking
komt met de voorstoel. Klap de rugleuning
om totdat deze vergrendelt.
> Bij het omklappen van het ruggedeelte
beweegt het zitgedeelte omlaag/naar
voren om een vlakke vloer te creëren. Bij
het neerklappen van de achterbank wordt
de hoofdsteun automatisch omgeklapt.
WAARSCHUWING
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop zetten
goed vergrendeld zijn.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen op de buitenste plaatsen op
de tweede zitrij moeten met passagiers op de
derde zitrij* altijd rechtop staan.
WAARSCHUWING
Controleer of de rugleuningen goed zijn vergrendeld nadat ze zijn neergeklapt.
U kunt het ruggedeelte als volgt rechtop zetten:
1.
2.
Zorg ervoor dat de rugleuning met hoofdsteun bij het omhoogklappen niet in aanraking komt met de voorstoel. Klap het ruggedeelte omhoog en laat de handgreep los.
3.
Schuif de rug door tot hij vastklikt.
4.
De hoofdsteun moet handmatig rechtop worden gezet.
U kunt het ruggedeelte als volgt omklappen:
1.
132
Trek de handgreep aan de zijkant van de zitplaats omhoog en houd de handgreep tijdens het omklappen in deze stand vast.
Trek de handgreep aan de zijkant van de zitplaats omhoog en houd de handgreep tijdens het rechtop zetten in deze stand vast.
Gerelateerde informatie
•
•
Achterbank (p. 127)
Hellingshoek ruggedeelte tweede zitrij aanpassen (p. 130)
•
Ruggedeelte derde zitrij omklappen*
(p. 133)
•
Hoofdsteun tweede zitrij verstellen (p. 128)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
In-/uitstappen derde zitrij*
WAARSCHUWING
U kunt de tweede zitrij verstellen om het in- en
uitstappen voor de derde zitrij te vereenvoudigen.
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop zetten
goed vergrendeld zijn.
Ruggedeelte derde zitrij
omklappen*
De derde zitrij bestaat uit twee afzonderlijke zitplaatsen. Deze zijn elk apart om te klappen.
BELANGRIJK
Gerelateerde informatie
1.
Trek de handgreep omhoog/naar voren die
boven op het ruggedeelte zit van de buitenste zitplaatsen op de tweede zitrij.
2.
Klap het ruggedeelte om en schuif de hele
stoel naar voren.
•
Achterbank tweede zitrij naar voren/
achteren* (p. 129)
•
Hellingshoek ruggedeelte tweede zitrij aanpassen (p. 130)
•
Ruggedeelte tweede zitrij omklappen
(p. 131)
Om de ruggedeelten op de derde zitrij te kunnen omklappen moet u de zitplaatsen op de
tweede zitrij mogelijk verder naar voren zetten
en hellingshoek van de ruggedeelten aanpassen.
U kunt de stoel als volgt rechtop zetten:
–
Schuif de stoel naar achteren en klapt het
ruggedeelte zo ver omhoog dat het vergrendelt.
1.
Trek de handgreep omhoog/naar voren die
boven op het ruggedeelte zit.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 133
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
2.
Zorg ervoor dat de rugleuning met hoofdsteun bij het omklappen niet in aanraking
komt met de stoel ervóór. Klap het ruggedeelte naar voren toe om.
> Bij het omklappen van het ruggedeelte
beweegt het zitgedeelte omlaag/naar
voren om een vlakke vloer te creëren. Bij
het neerklappen van de achterbank wordt
de hoofdsteun automatisch omgeklapt.
Stuurwiel
Claxon
Op het stuurwiel zitten bedieningselementen
voor onder meer claxon, rijondersteuningssystemen en stembediening.
Bij het omhoogklappen van de stoel klapt u de
rugleuning handmatig omhoog totdat deze vergrendelt. De hoofdsteun moet handmatig rechtop
worden gezet.
De claxon zit in het midden van het stuurwiel.
WAARSCHUWING
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop zetten
goed vergrendeld zijn.
Gerelateerde informatie
•
•
Ruggedeelte tweede zitrij omklappen
(p. 131)
•
Hellingshoek ruggedeelte tweede zitrij aanpassen (p. 130)
•
Achterbank tweede zitrij naar voren/
achteren* (p. 129)
11
134
Achterbank (p. 127)
Gerelateerde informatie
Knoppensets en paddles* op stuurwiel.
Bediening voor rijondersteuningssystemen11.
Paddle* voor handmatig schakelen bij automatische versnellingsbak.
Bediening voor stembediening, verstellen van
head-updisplay plus menu-, meldings- en
telefoonfuncties.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Stuurwiel instellen (p. 135)
Elektrische stuurverwarming* activeren/
deactiveren (p. 202)
Snelheidsbegrenzer* (p. 275)
Cruisecontrol (p. 282)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
Afstandswaarschuwing* (p. 322)
Pilot Assist* (p. 298)
Schakelen met stuurpaddles* (p. 378)
Stembediening (p. 114)
Head-updisplay* (p. 111)
Snelheidsbegrenzer*, Cruisecontrol, Adaptieve cruisecontrol*, Afstandswaarschuwing* en Pilot Assist*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
•
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
gebruiken (p. 105)
•
Meldingsfuncties op bestuurders- en middendisplay (p. 107)
•
Telefoon (p. 441)
Stuurwiel instellen
3.
Het stuurwiel is in verschillende standen te zetten.
Trek de hendel naar achteren om het stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als dit
moeite kost, kunt u lichtjes op het stuurwiel
drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel vóór vertrek in en zet deze
vast.
Bij auto's met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging is de vereiste stuurkracht in te stellen.
De mate van stuurbekrachtiging wordt afgestemd
op de rijsnelheid om u een beter weggevoel te
geven.
Stuurwiel verstellen.
Ontgrendelingshendel, stuurwielverstelling
Mogelijke stuurwielstanden
Gerelateerde informatie
•
•
Stuurwiel (p. 134)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 270)
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in de
diepte verstellen:
1.
Beweeg de hendel omlaag om het stuurwiel
te ontkoppelen.
2.
Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste
stand.
135
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Bedieningspaneel verlichting
U activeert de buitenverlichting via de bedieningselementen op de linker stuurhendel. Met
het bedieningspaneel voor de verlichting op het
instrumentenpaneel kunt u de koplamphoogte12
en sterkte van de interieurverlichting aanpassen.
Draairing op stuurhendel
Stand
Betekenis
Stand
Dagrijlicht wanneer het elektrische
systeem van de auto in contactslotstand II staat of als de motor draait.
Bij daglicht dagrijlicht en stadslichten, wanneer het elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat of als de motor draait.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dimlicht en stadslichten bij weinig
daglicht of donker of als mistachterlicht geactiveerd is.
Dagrijlicht en stadslichten wanneer
het elektrische systeem van de
auto in contactslotstand II staat of
als de motor draait.
De functie automatisch groot licht
is te activeren.
Stadslichten, wanneer de auto
geparkeerd staatA.
U kunt het groot licht inschakelen,
wanneer u het dimlicht voert.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dimlicht en stadslicht.
Automatisch groot licht aan/uit.
Groot licht kan worden geactiveerd.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Betekenis
A
Ook bij stilstaande auto en draaiende motor, mits de draairing
vanuit een andere stand in deze stand wordt gezet.
Volvo adviseert om stand
te gebruiken als
er met de auto wordt gereden.
12
136
Geldt voor auto's met halogeenkoplampen.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
WAARSCHUWING
Het verlichtingssysteem van de auto kan niet
in elke situatie bepalen of het daglicht te
zwak of sterk genoeg is, bijv. bij mist en regen.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op de
heersende omstandigheden en de geldende
verkeerswetgeving.
Bedieningselementen op
instrumentenpaneel
Aanpassen van de lichtsterkte in het
interieur
Afhankelijk van de contactslotstand gaat de verlichting in de auto verschillend branden.
Met het duimwiel past u de lichtsterkte van de
displayverlichting, de knopverlichting, het omgevingslicht en de sfeerverlichting aan.
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegenliggers
mogelijk verblindt. U kunt dat voorkomen door de
koplamphoogte bij te stellen. Stel de koplampen
lager af als de auto zwaar beladen is.
1.
Laat de motor draaien of zet het elektrische
systeem van de auto in de contactslotstand I.
2.
Draai het duimwiel omhoog of omlaag om de
koplampen hoger of lager af te stellen.
Hieronder ziet u in welke stand het duimwiel
moet staan in enkele beladingssituaties.
Duimwiel voor het aanpassen van de lichtsterkte in het interieur
Duimwiel voor koplamphoogteregeling
Een auto met led-13 koplampen* heeft automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel
voor koplamphoogteregeling ontbreekt.
13
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
Duimwielstanden in uiteenlopende beladingssituaties.
Duimwiel in stand 0
Duimwiel in stand 1
Beladingssituatie
Duimwiel
Alleen bestuurder.
Stand 0
Bestuurder en voorpassagier.
Stand 0
Bestuurder en voorpassagier.
Stand 0
Drie passagiers op de tweede zitrij.
Bestuurder en voorpassagier.
Stand 1
Drie passagiers op de tweede zitrij.
220 kg bagage in de bagageruimte.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 137
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Duimwiel
stadslichten
Bestuurder plus maximale belading in bagageruimte.
Stand 1
Stadslichten gaan aan via de draairing van de
stuurhendel.
Bestuurder en voorpassagier.
Stand 1
Beladingssituatie
Drie passagiers op de tweede zitrij.
Twee passagiers op de derde zitrij.
Bestuurder en voorpassagier.
Stand 0
Twee passagiers op de derde zitrij.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Interieurverlichting (p. 146)
Groot licht activeren/deactiveren (p. 140)
Contactslotstanden (p. 370)
De draairing van de stuurhendel in de stand voor stadslichten.
Zet de draairing in stand
(ook de kentekenverlichting wordt ingeschakeld).
Als het elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat of als de motor draait,
brandt het dagrijlicht in plaats van de stadslichten
vóór.
Als het buiten donker is en de achterklep wordt
geopend, gaan de stadslichten achter branden
(als ze al niet zijn ingeschakeld) om het achteropkomende verkeer te waarschuwen. Dat gebeurt
altijd, ongeacht de stand van de draairing of de
contactslotstand van het elektrische systeem van
de auto.
138
Gerelateerde informatie
•
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 136)
Contactslotstanden (p. 370)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Dagrijlicht
WAARSCHUWING
Wanneer de draairing van de stuurhendel in
,
of
staat terwijl het
stand
elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat of als de motor draait, gaat het
geldt dat
dagrijlicht branden. Voor stand
alleen overdag. Anders brandt in plaats daarvan
het dimlicht.
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet in
alle gevallen kan bepalen wanneer de omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is
bij mist en regen bijvoorbeeld.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op de
heersende omstandigheden en de geldende
verkeerswetgeving.
Dagrijlicht DRL
Dimlicht
Wanneer de draairing van de stuurhendel in
staat terwijl het elektrische systeem
stand
van de auto in contactslotstand II staat of als de
motor draait, wordt in slechte lichtomstandigheden automatisch het dimlicht ingeschakeld.
Dimlicht
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 136)
Dimlicht (p. 139)
Contactslotstanden (p. 370)
Stuurhendel met draairing.
De draairing van de stuurhendel in stand AUTO.
Wanneer de draairing van de stuurhendel in
staat, brandt het dagrijlicht (Daytime
stand
Running Lights - DRL) wanneer de auto overdag
rijdt. De auto schakelt de verlichting automatisch
over van dagrijlicht op dimlicht, wanneer het gaat
schemeren of donker weer is. Overschakelen op
dimlicht gaat ook automatisch als u de mistachterlichten activeert.
Met de draairing van de stuurhendel in stand
wordt het dimlicht automatisch geactiveerd, als het gaat schemeren of bij donker weer.
Het dimlicht wordt ook automatisch geactiveerd
als de mistachterlichten worden geactiveerd.
Met de draairing van de stuurhendel in stand
brandt altijd het dimlicht, wanneer de
motor draait of als de contactslotstand II actief is.
}}
139
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Tunneldetectie
De auto detecteert dat hij op het punt staat een
tunnel in te rijden en schakelt dan over van dagrijlicht op dimlicht.
Let erop dat de tunneldetectie alleen werkt, als
gedraaid is.
de linker stuurhendel in stand
Groot licht activeren/deactiveren
Groot licht is te activeren met de stuurhendel.
Automatisch groot licht is te activeren met de
draairing van de stuurhendel.
Automatisch groot licht is een systeem dat met
een camerasensor boven aan de voorruit de
koplampen van tegenliggers of de achterlichten
van voorliggers registreert en automatisch overschakelt van groot licht naar dimlicht. Het systeem kan ook rekening houden met de straatverlichting.
Dagrijlicht (p. 139)
Bedieningspaneel verlichting (p. 136)
Contactslotstanden (p. 370)
Stuurhendel met draairing.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor groot licht
Grootlichtsignalen
Haal de stuurhendel iets naar achteren, naar de
stand voor grootlichtsignalen. Het groot licht
brandt totdat u de hendel loslaat.
Groot licht
Het groot licht is te activeren met de draairing
14 of
.
van de stuurhendel in stand
14
140
Wanneer het dimlicht brandt.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt het
op het bestuurdersdisplay.
symbool
Automatisch groot licht
Gerelateerde informatie
•
•
•
Activeer het groot licht door de stuurhendel naar
voren te brengen. U kunt deactiveren door de
stuurhendel weer terug naar achteren te brengen.
Auto met halogeenkoplampen
Wanneer de camerasensor geen invallend licht
van voor-/tegenliggers waarneemt, schakelt de
verlichting enkele seconden later weer over naar
groot licht.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Auto met led15-koplampen*
In tegenstelling tot wat er gebeurt bij de standaarddimfunctie blijft het deel van de lichtbundel
dat naast tegen- of voorliggers valt op grootlichtsterkte branden - alleen dat deel van de lichtbundel dat rechtstreeks op de tegenliggers/voorliggers gericht is wordt gedimd.
Dimlicht recht vooruit in de richting van tegenliggers,
maar groot licht aan weerszijden van de tegenliggers.
Wanneer de camerasensor geen invallend licht
van voor-/tegenliggers waarneemt, schakelt de
verlichting enkele seconden later weer over naar
volledig groot licht.
Activeren/deactiveren
Het systeem kan starten bij ritten in het donker,
wanneer de auto op een snelheid van zo'n
20 km/h (12 mph) of hoger rijdt.
15
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
Activeer/deactiveer automatisch groot licht door
de draairing op de stuurhendel naar stand
te draaien en weer los te laten. Deactiveren van
automatisch groot licht als het groot licht aan is,
leidt ertoe dat de verlichting direct wordt omgezet
in dimlicht.
Handmatige bediening
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór de
camerasensor, aangezien één of meer camera’s voor het systeem hierdoor slechter of niet
meer werken.
Wanneer automatisch groot licht geactiveerd is,
licht het symbool
op het bestuurdersdisplay wit op.
Als het groot licht ontstoken is, brandt het symbool blauw. Bij led-koplampen geldt dit ook bij
gedeeltelijk groot licht, dat wil zeggen zodra de
lichtbundel iets sterker brandt dan het geval is bij
dimlicht.
Als dit symbool samen met de melding
Actief grootlicht Tijdelijk niet
beschikbaar op het bestuurdersdisplay verschijnt, moet u handmatig overschakelen tussen groot licht en dimlicht. Desondanks kan de draairing van de stuurhendel in
stand
staan. Het symbool
dooft,
wanneer deze melding verschijnt.
Hetzelfde geldt als dit symbool samen
met de melding Voorruitsensor
Sensor afgedekt, zie handleiding
verschijnt.
Automatisch groot licht is mogelijk tijdelijk niet
beschikbaar, zoals in dichte mist of bij zware
regenval. Wanneer automatisch groot licht weer
beschikbaar is of als de voorruitsensoren niet
langer geblokkeerd zijn, verdwijnt de melding en
branden.
gaat het symbool
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 141
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
Actief groot licht is een systeem dat u helpt
om in ongunstige omstandigheden de optimale verlichting te kiezen.
Voorbeelden van situaties waarin u mogelijk
moet wisselen tussen groot licht en dimlicht:
Als bestuurder bent u echter altijd verplicht
om handmatig te wisselen tussen groot licht
en dimlicht, als dat gezien de verkeerssituatie
en/of weersgesteldheid vereist is.
•
•
•
•
•
in zware regen of dichte mist
•
bij voorliggers met een zwakke voertuigverlichting
•
•
bij voetgangers op of naast de weg
•
als de verlichting van tegenliggers schuilgaat achter bijvoorbeeld vangrails
•
•
bij verkeer op verbindingswegen
•
in scherpe bochten.
bij ijsregen
bij stuifsneeuw of sneeuwmodder
bij maanlicht
bij ritten in zwak verlichte bebouwde
gebieden
bij sterk reflecterende voorwerpen zoals
borden in de buurt van de weg
op het hoogste punt van heuvels en het
laagste punt van dalen
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor onder "Beperkingen van City Safety".
Gerelateerde informatie
•
•
•
142
Bedieningspaneel verlichting (p. 136)
Instellingsscherm (p. 171)
Beperkingen van City Safety (p. 330)
Actieve bochtverlichting
Actieve bochtverlichting is ontworpen om in
bochten en op kruisingen voor maximale verlichting te zorgen.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Auto's met led16-koplampen* hebben actieve
bochtverlichting.
Functie deactiveren/activeren
U kunt de functie die bij aflevering vanuit de
fabriek is geactiveerd op twee manieren via het
middendisplay deactiveren/activeren.
Via het functiescherm
Druk op de knop Actieve
bochtverlichting.
Lichtbundel van koplampen
aanpassen
Bij een auto met led-koplampen en automatisch
groot licht wordt gebruikt, moet u de lichtbundelinstelling aanpassen wanneer u een auto voor
rechtsrijdend verkeer wilt gebruiken voor linksrijdend verkeer en andersom.
Halogeenkoplampen
De lichtbundel hoeft niet te worden aangepast.
De lichtbundel is dusdanig dat tegenliggers niet
worden verblind.
Via instellingen
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde
(rechts) functie.
2.
Druk op My Car Lichten
Exterieurverlichting.
De led-koplampen maken deel uit van de Actieve
bochtverlichting. De actieve bochtverlichting volgt
de stuurbewegingen om voor een optimale verlichting in bochten en op kruisingen te zorgen om
op die manier de veiligheid te verhogen.
3.
Deselecteer/selecteer Actieve
bochtverlichting.
De functie wordt automatisch ingeschakeld bij
het starten van de motor. Wanneer de functie
een storing vertoont, brandt het symbool
op het middendisplay en verschijnt op hetzelfde
middendisplay een verklarende tekst.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
16
Gerelateerde informatie
•
•
Instellingsscherm (p. 171)
Mistlampen voor/bochtverlichting* (p. 144)
Led-koplampen*
Aanpassing van de lichtbundelinstelling is vereist
bij gebruik van automatisch groot licht. Bij het
aanpassen van de lichtbundel voor links- of
rechtsrijdend verkeer moet de auto stilstaan.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car Lichten
Exterieurverlichting.
3.
Kies Tijdelijk rechtsrijdend verkeer/
Tijdelijk linksrijdend verkeer.
Gerelateerde informatie
•
•
Instellingsscherm (p. 171)
Groot licht activeren/deactiveren (p. 140)
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 143
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Mistlampen voor/bochtverlichting*
N.B.
De mistlampen vóór hebben bochtverlichting die
schuin omlaag is gericht.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistlicht verschillen per land.
Mistachterlicht
Bij een beperkt zicht door mist kunt u de mistachterlichten gebruiken om achterliggers tijdig
op uw aanwezigheid te attenderen.
Bochtverlichting
De mistlampen zijn voorzien van de functie
bochtverlichting, zodat de lampen bij een scherpe
bocht tijdelijk met het stuurwiel meedraaien of in
de richting die de richtingaanwijzers aangeven.
De functie wordt geactiveerd bij gebruik van het
groot licht of dimlicht bij een rijsnelheid lager dan
zo'n 30 km/h (20 mph).
Knop voor mistlampen voorzijde.
De mistlampen voor zijn in te schakelen, wanneer
het contactslot in stand II staat of wanneer de
motor draait en de draairing van de stuurhendel
in stand
,
of
staat.
Druk op de knop voor aan/uit. Het controlesymop het bestuurdersdisplay brandt,
bool
wanneer de mistlampen branden.
Wanneer u de startknop naar STOP draait of de
draairing op de stuurhendel naar stand
draait, doven de mistlampen voor automatisch.
Ook tijdens het achteruitrijden gaat de bochtverlichting branden bij wijze van aanvulling op de
achteruitrijlichten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 136)
Mistachterlicht (p. 144)
Actieve bochtverlichting (p. 142)
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen in de
volgende gevallen:
•
het contactslot staat in stand II of de motor
draait en de draairing van de stuurhendel
of
staat in stand
•
de draairing op de stuurhendel staat in stand
en de mistlampen voor branden.
Contactslotstanden (p. 370)
Druk op de knop voor aan/uit. Het controlesymop het bestuurdersdisplay brandt,
bool
wanneer het mistachterlicht brandt.
Het mistachterlicht dooft automatisch in de volgende gevallen:
144
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
•
•
u draait de startknop naar STOP of u zet de
draairing op de stuurhendel naar stand
de draairing op de stuurhendel staat in stand
en de mistlampen zijn gedoofd.
N.B.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistachterlicht verschillen per land.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 136)
Mistlampen voor/bochtverlichting* (p. 144)
Contactslotstanden (p. 370)
Remlichten
Alarmlichten
De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt.
De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig
knipperen, wanneer deze functie actief is.
Bij het bedienen van het rempedaal gaan de
remlichten branden. Ze gaan ook branden wanneer een van de rijhulpsystemen Adaptieve
cruisecontrol, City Safety of Rear Collision Warning de auto afremmen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Noodremlichten (p. 392)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
City Safety (p. 325)
Rear Collision Warning (p. 334)
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren.
De alarmlichten worden automatisch geactiveerd
als er zo sterk met de auto wordt geremd dat de
noodremlichten worden geactiveerd en de snelheid laag is. De alarmlichten blijven actief als de
auto stilstaat en worden vervolgens automatisch
gedeactiveerd als de auto weer wegrijdt of
gedeactiveerd als de knop wordt ingedrukt.
Gerelateerde informatie
•
•
Richtingaanwijzers gebruiken (p. 146)
Noodremlichten (p. 392)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 145
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Richtingaanwijzers gebruiken
De richtingaanwijzers van de auto zijn te bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven knipperen,
afhankelijk van hoe ver u de hendel omhoog of
omlaag beweegt.
veert automatisch terug bij het terugdraaien van
het stuurwiel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 136)
Alarmlichten (p. 145)
Instellingsscherm (p. 171)
Interieurverlichting
De interieurverlichting is te activeren/deactiveren
met de knoppen op de bedieningspanelen aan
het plafond voor- en achterin*.
Alle verlichting in het interieur is handmatig in en
uit te schakelen binnen 30 minuten nadat:
•
de motor is afgezet en het elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0 is
gezet
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
Verlichting voorin
Richtingaanwijzer.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
de eerste stand en laat de hendel vervolgens
los. De richtingaanwijzers lichten driemaal op.
U kunt de functie activeren/deactiveren op
het middendisplay.
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
de eindstand.
De hendel blijft in deze stand staan en kan handmatig in de uitgangspositie teruggezet worden of
146
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes
en interieurverlichting voorin.
Leeslampje linkerzijde
Interieurverlichting
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Automatische bediening voor interieurverlichting
•
Leeslampje rechterzijde
Verlichting achterin
Leeslampjes voorin
De leeslampjes links of rechts doet u aan of uit
door kort op de bijbehorende knop op de plafondconsole te drukken. De lichtsterkte is aan te
passen door de knop ingedrukt te houden.
blijft twee minuten branden wanneer een van
de portieren openstaat.
In het achterste deel van de auto zitten leeslampjes, die ook als interieurverlichting dienen.
De leeslampjes zitten in het plafond.
Interieurverlichting
De vloerverlichting en plafondverlichting zijn in en
uit te schakelen door de bijbehorende knop op
de plafondconsole kort in te drukken.
Automatische bediening voor
interieurverlichting
De automatische verlichting is te activeren door
de AUTO-knop op de plafondconsole kort in te
drukken. Het lampje in de knop gaat branden,
wanneer de automatische verlichting geactiveerd
is. Met het activeren van de AUTO-knop is de
interieurverlichting als volgt in en uit te schakelen.
Leeslampje boven de tweede zitrij in een auto met panoramadak*.
De leeslampjes zijn in en uit te schakelen met
een korte druk op de knop van het lampje. De
lichtsterkte is aan te passen door de knop ingedrukt te houden.
Leeslampjes boven de tweede17 en derde zitrij*.
De interieurverlichting:
•
gaat aan als de auto wordt ontgrendeld en
als de motor wordt uitgezet
•
dooft als de motor wordt gestart en als de
auto wordt vergrendeld
•
wordt in- en uitgeschakeld bij het openen of
sluiten van een portier
17
Een auto met panoramadak* is voorzien van twee lampjes: aan beide zijden van het plafond één.
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
Verlichting make-upspiegel
De verlichting van de make-upspiegel in de zonneklep wordt bij het openen en sluiten van het
spiegelklepje in- en uitgeschakeld.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 147
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Grondverlichting
De grondverlichting wordt in- en uitgeschakeld
bij het openen of sluiten van het desbetreffende
portier.
Dorpelverlichting
2.
Druk op My Car Lichten
Interieurverlichting
Stemmingsverlichting interieur.
3.
Kies onder Intensiteit sfeerverlichting uit
Uit, Laag en Hoog.
De dorpelverlichting wordt in- en uitgeschakeld
bij het openen of sluiten van een portier.
Verlichting in bagageruimte
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen
en sluiten van de achterklep automatisch in- en
uitgeschakeld.
Omgevingslicht
Bediening naast het stuur.
De sterkte van het omgevingslicht kan ook fijn
worden afgesteld met behulp van de bediening
op het dashboard:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car Lichten
Interieurverlichting Sfeerverlichting.
–
3.
Draai aan het duimwiel om de sterkte te veranderen.
Kies uit de volgende instellingen:
Sfeerverlichting*
•
Kies onder Intensiteit omgevingslicht
uit Uit, Laag en Hoog.
•
Kies onder Niveau omgevingslicht uit
Verm. en Vol.
De auto is uitgerust met een aantal leds waarmee de kleur van de verlichting te veranderen is.
Deze verlichting brandt, wanneer de motor draait.
De sfeerverlichting is aan te passen via het middendisplay:
Verlichtingssterkte wijzigen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
148
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Verlichtingskleur wijzigen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
–
2.
•
•
•
3.
Druk op My Car Lichten
Interieurverlichting
Stemmingsverlichting interieur.
Kies uit Op temperatuur, Op thema en
Themakleuren om de verlichtingskleur te
wijzigen.
Bij kleurkeuze Op temperatuur verandert
de kleur van de verlichting aan de hand van
de ingestelde interieurtemperatuur.
Draai aan het duimwiel om de sterkte te veranderen.
Gerelateerde informatie
Bedieningspaneel verlichting (p. 136)
Contactslotstanden (p. 370)
Instellingsscherm (p. 171)
'Follow Me Home'-verlichting
De Approach-verlichting maakt gebruik van de
dimlichten, de stadslichten, de verlichting in de
handgrepen aan de buitenkant*, de kentekenplaatverlichting alsook de plafond- en vloerverlichting in de auto.
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en als
'Follow Me Home'-verlichting dienst te laten doen
na vergrendeling van de auto.
1.
Zet de auto uit.
2.
Breng de linker stuurhendel naar voren richting het dashboard en laat los.
3.
Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wanneer de functie is geactiveerd, branden de
dimlichten, de stadslichten, de verlichting in de
handgrepen aan de buitenkant*, de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het interieur
en de vloerverlichting.
De duur van de "Follow Me Home"-verlichting
kan worden ingesteld via het middendisplay:
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car Lichten
Exterieurverlichting Home Safelichten.
3.
Kies uit Uit, 30 sec., 60 sec. en 90 sec..
Bediening naast het stuur.
De sterkte van de sfeerverlichting kan ook fijn
worden afgesteld met behulp van de bediening
op het dashboard:
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 149
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Gerelateerde informatie
•
•
'Approach'-verlichting (p. 150)
Instellingsscherm (p. 171)
'Approach'-verlichting
Ruitenwissers gebruiken
De Approach-verlichting maakt gebruik van de
stadslichten, de verlichting in de handgrepen
aan de buitenkant*, de kentekenplaatverlichting
alsook de plafond- en vloerverlichting in de auto.
De ruitenwissers reinigen de voorruit. Met de
rechter stuurhendel zijn verschillende instellingen voor de ruitenwisser mogelijk.
De Approach-verlichting wordt geactiveerd als de
auto wordt ontgrendeld en wordt gebruikt om de
verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
Wanneer de functie is geactiveerd met de transpondersleutel, branden de stadslichten, de verlichting in de handgrepen aan de buitenkant*, de
kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in
het interieur en de vloerverlichting.
U kunt de functie activeren/deactiveren via het
middendisplay:
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car Lichten
Exterieurverlichting.
3.
Deselecteer/selecteer Naderingslichten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
150
'Follow Me Home'-verlichting (p. 149)
Transpondersleutel (p. 234)
Instellingsscherm (p. 171)
Rechter stuurhendel.
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid
ruitenwissers
Enkele slag
Haal de hendel omlaag en laat deze weer
los om de wissers een enkele wisslag te
laten maken.
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de ruitenwissers uit te schakelen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Intervalstand
Regensensor activeren/deactiveren
Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd.
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch de
ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid
van de regensensor kan worden afgesteld met
het duimwiel op de rechter stuurhendel.
Ononderbroken wissen
Haal de hendel omhoog om de wissers
op normale snelheid te laten wissen.
BELANGRIJK
•
•
•
Deactiveer de regensensor met een druk op de
regensensorknop
of haal de hendel
omhoog voor een ander wisprogramma.
Rechter stuurhendel.
Regensensorknop
Ruiten- en koplampsproeiers (p. 152)
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid
ruitenwissers
Wanneer de regensensor actief is, verschijnt het
regensensorsymbool
op het bestuurdersdisplay.
Wisserbladen in servicestand (p. 517)
Regensensor activeren
Gerelateerde informatie
Regensensor activeren/deactiveren (p. 151)
Als u de hendel omlaaghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Regensensor deactiveren
Controleer voordat u de wissers activeert of
de wisserbladen niet zijn vastgevroren en of
eventuele sneeuw- en ijsresten op voor- en
achterruit zijn verwijderd.
BELANGRIJK
Activeer de regensensor door op de regensente drukken.
sorknop
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere gevoeligheid. De wissers maken een extra slag, als u
het duimwiel omhoogdraait.
Haal de hendel nog eens omhoog om de
wissers op hoge snelheid te laten wissen.
Gebruik voldoende sproeiervloeistof als de
wissers de voorruit schoonmaken. De voorruit
moet nat zijn als de ruitenwissers werken.
contactslotstand I of II staan en de ruitenwisserhendel in stand 0 of die voor een enkele wisslag.
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer het elektrische systeem in contactslotstand 0 staat of wanneer de motor is
afgezet.
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de wisserarmen in de servicestand zet. De regensensor wordt opnieuw geactiveerd, wanneer de wisserarmen niet meer in de
servicestand staan.
Om de regensensor te kunnen activeren motor
de motor draaien of het elektrische systeem in
}}
151
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
BELANGRIJK
In de wasstraat kunnen de ruitenwissers van
de voorruit starten en beschadigd raken.
Schakel de regensensor uit, terwijl de auto
rijdt of wanneer het elektrische systeem van
de auto in contactslotstand I of II staat. Het
symbool op het bestuurdersdisplay dooft.
Ruiten- en koplampsproeiers
Verwarmde sproeikoppen*
De ruiten- en koplampsproeiers reinigen de
voorruit en de koplampen. Via de rechter stuurhendel is de reiniging te starten.
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch
verwarmd om te voorkomen dat de sproeiervloeistof bevriest.
Ruiten- en koplampsproeiers starten
Koplampsproeiers*
Om vloeistof te besparen, worden de koplampen
alleen iedere vijfde keer dat u de voorruitsproeiers activeert gesproeid.
Geheugenfunctie activeren/deactiveren
Gereduceerde sproeifunctie
U kunt zo nodig de geheugenfunctie voor de
regensensor activeren, zodat u iedere keer dat u
de auto start de regensensorknop niet hoeft in te
drukken:
1.
–
Gerelateerde informatie
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Geheugen regensensor om de
geheugenfunctie te activeren/deactiveren.
Ruitenwisser.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Sproeifunctie, rechter stuurhendel.
Wanneer er nog ca. 1 liter sproeiervloeistof in het
reservoir zit en op het bestuurdersdisplay de melding Sproeiervloeistof Niveau te laag,
,
bijvullen in combinatie met het symbool
worden de koplampen niet langer schoongesproeid. Dit omdat de sproeifunctie van de voorruit en een goed zicht door de voorruit de voorrang hebben.
Ruitenwissers gebruiken (p. 150)
Wisserbladen in servicestand (p. 517)
Achterruitwisser en -sproeier (p. 153)
U activeert de sproeiers van de voorruit en
de koplampen door de rechter stuurhendel
naar het stuurwiel toe te trekken.
> Nadat u de hendel hebt losgelaten maken
de ruitenwissers op de voorruit nog
enkele slagen.
•
•
•
Ruitenwissers gebruiken (p. 150)
Achterruitwisser en -sproeier (p. 153)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 520)
BELANGRIJK
Activeer de sproeiers niet bij bevriezing of bij
een leeg sproeiervloeistofreservoir, omdat de
pomp anders schade kan oplopen.
152
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Achterruitwisser en -sproeier
De achterruitwisser en -sproeiers reinigen de
achterruit. Via de rechter stuurhendel is de reiniging te starten en zijn instellingen te verrichten.
N.B.
De achterruitwisser is beveiligd tegen oververhitting zodat de wissermotor wordt uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een periode van afkoelen
(30 seconden of langer afhankelijk van de
motor- en de omgevingstemperatuur).
Achterruitwisser en -sproeier
–
Duw de rechter stuurhendel naar voren om
de achterruit schoon te sproeien en te wissen.
Automatische achterruitwisser bij
achteruitrijden activeren/deactiveren
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Selecteer Automatisch wissen achter om
wissen bij achteruitrijden te activeren/deactiveren.
Elektrisch bediende ruiten
Vanaf het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bediende ruiten te
bedienen. Vanaf de bedieningspanelen van de
overige portieren zijn alleen de ruiten van het
desbetreffende portier te bedienen.
Ruitenwisser.
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl
de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de ruitenwisser voor de achterruit starten. Bij het inschakelen van een andere versnelling valt de ruitenwisser op de achterklep stil.
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al op
continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging
plaats.
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot op achterportieren* en
achterste zijruiten
Gerelateerde informatie
•
•
•
Selecteer
voor de intervalstand van de
achterruitwisser.
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Ruitenwissers gebruiken (p. 150)
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
Ruiten- en koplampsproeiers (p. 152)
Regensensor activeren/deactiveren (p. 151)
Gerelateerde informatie
•
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 154)
Kinderslot (p. 258)
Selecteer
voor een continue wissnelheid van de achterruitwisser.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 153
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Elektrisch bedienbare ruiten
Bediening
Vanaf het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bedienbare ruiten
te bedienen. Vanaf de bedieningspanelen van
de overige portieren zijn alleen de ruiten van het
desbetreffende portier te bedienen.
WAARSCHUWING
Let op dat kinderen of andere passagiers niet
bekneld raken wanneer u de ramen sluit vanaf
het bestuurdersportier.
WAARSCHUWING
Let op dat kinderen of andere passagiers niet
bekneld raken wanneer/indien u de ramen
sluit met behulp van de transpondersleutel.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn, moet
u altijd de stroom naar de elektrisch bedienbare ruiten onderbreken door het elektrische
systeem van de auto in contactslotstand 0 te
zetten en vervolgens de transpondersleutel
mee te nemen uit de auto.
N.B.
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare ruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
Via het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bedienbare ruiten te
bedienen. De bedieningspanelen van de overige
portieren kunnen alleen de ruit van het desbetreffende portier bedienen. Er kan slechts één
bedieningspaneel tegelijk worden bediend.
Voor het gebruik van de elektrisch bedienbare
ruiten moet de contactslotstand minimaal I zijn.
Bij uitschakeling van de motor zijn de elektrisch
bedienbare ruiten nadat het contact is uitgeschakeld nog enkele minuten te bedienen, maar niet
nadat er een portier is geopend.
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun bewe-
154
ging worden gehinderd. Wanneer sluiten onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming, kan de
beveiliging tegen overbelasting worden opgeheven. Wanneer de zijruiten tweemaal achtereen
niet konden worden gesloten, wordt de beveiliging tegen overbelasting korte tijd gedeactiveerd.
Sluiten is daarna mogelijk door de bedieningsknop omhoog te trekken en vast te houden.
Om het pulserende windgeluid te verminderen als de beide achterruiten open staan, kunt
u de voorste ruiten ook een stukje openen.
Handmatige bediening
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen
omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch
bedienbare ruiten komen steeds verder omhoog
of omlaag zolang u de bedieningsknop bedient.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog of
duw er een omlaag en laat deze vervolgens los.
De bijbehorende zijruit gaat automatisch volledig
open of dicht.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Bediening met transpondersleutel,
portierhandgreep of knop voor centrale
vergrendeling
Voor het vanaf de buitenzijde bedienen van de
elektrisch bedienbare ruiten met de transpondersleutel of de portierhandgrepen, of vanaf de binnenzijde met de knop voor centrale vergrendeling, zie de paragraaf "Transpondersleutel", "Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de buitenzijde" of
"Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de binnenzijde".
•
•
•
Transpondersleutel (p. 234)
Zonnescherm gebruiken
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de buitenzijde (p. 237)
De beide achterportieren zijn voorzien van geïntegreerde zonneschermen.
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de binnenzijde (p. 241)
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt de
automatische openingsfunctie pas weer naar
behoren wanneer u deze hebt gereset.
1.
Trek de knop aan de voorkant omhoog om
de ruit helemaal te sluiten en houd de knop
een seconde in deze stand vast.
2.
Laat de knop korte tijd los.
3.
Trek de voorkant van de knop opnieuw een
seconde omhoog.
WAARSCHUWING
Haak met bijbehorende vergrendeling
1.
Trek het zonnescherm omhoog en haak het
vast aan de haak boven aan de ruitopening.
2.
Vergrendel het zonnescherm door de vergrendeling omhoog te klappen.
Ook bij gebruik van het zonnescherm kan de zijruit worden geopend en gesloten.
Resetten is nodig om de beveiliging tegen
overbelasting te laten werken.
Gerelateerde informatie
•
•
Elektrisch bediende ruiten (p. 153)
Contactslotstanden (p. 370)
155
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Buitenspiegels instellen
WAARSCHUWING
Stel de stand van de buitenspiegels bij met het
hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier.
Beide spiegels zijn groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Geheugenfunctie van elektrisch
bedienbare voorstoel*
De standen van de buitenspiegels zijn op te slaan
in de geheugenfunctie van de elektrisch bedienbare voorstoel.
Buitenspiegel kantelen bij parkeren18
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld worden, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de
kant van de weg te kan zien.
Bedieningsknoppen buitenspiegels.
Instellen
Schakel de achteruitversnelling in en druk op
de knop L of R.
Druk op knop L voor de buitenspiegel links of
op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
Bij het inschakelen van een andere versnelling
nemen de gekantelde buitenspiegels na ca.
10 seconden de oorspronkelijke stand weer in.
Dat gebeurt eerder, als u de knop L of R indrukt.
2.
U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
Automatisch kantelende buitenspiegel
bij parkeren18
3.
Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
worden de buitenspiegels automatisch omlaaggekanteld, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg kan zien. Wanneer u de
auto uit de achteruitversnelling haalt, nemen de
1.
18
156
–
buitenspiegels na enige tijd automatisch hun oorspronkelijke stand weer in.
De instellingen voor de functie worden verricht
op het middendisplay:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies onder Buitenspiegel kantelen bij
achteruit voor Uit, Best., Passag. of Beide
om te activeren/deactiveren en om te kiezen
welke buitenspiegel moet worden gekanteld.
Spiegels.
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen18
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel
vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
U kunt de functie activeren/deactiveren op het
middendisplay:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Spiegels inklappen bij vergrend. om
te activeren/deactiveren.
Spiegels.
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
neutrale stand worden teruggezet zodat het elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt:
De instellingen voor de functie worden verricht
op het middendisplay:
1.
Klap de spiegels in met de knoppen L en R.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Klap de spiegels weer uit met de knoppen L
en R.
2.
Druk op My Car
3.
Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
3.
Kies onder Spiegels automatisch
dimmen voor Normaal, Donker of Licht.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt te
fel is, worden de achteruitkijkspiegel en buitenspiegels automatisch gedimd.
Buitenspiegels met autodimfunctie zijn alleen
mogelijk, als ook de achteruitkijkspiegel is voorzien van een dergelijke autodimfunctie, zie het
artikel "Achteruitkijkspiegel".
De autodimfunctie is tijdens het rijden altijd
actief, behalve bij inschakeling van de achteruitversnelling. De gevoeligheid van de autodimfunctie is in te stellen op drie niveaus en is van
invloed op zowel de achteruitkijkspiegel als de
buitenspiegels.
N.B.
Bij aanpassing van het gevoeligheidsniveau
van de autodimfunctie is de wijziging pas na
enige tijd te merken.
Spiegels.
Achteruitkijkspiegel
De achteruitkijkspiegel is te dimmen met een
knopje aan de onderkant van de spiegel. Ook is
het mogelijk dat de autodimfunctie van de achteruitkijkspiegel actief is.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt:
1.
Druk de knoppen L en R gelijktijdig in (contactslotstand minimaal I).
2.
Laat ze na zo'n 1 seconde los. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Achteruitkijkspiegel (p. 157)
Instellingsscherm (p. 171)
Geheugenfunctie gebruiken van elektrisch
bediende voorstoel* (p. 121)
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties in
de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje in de dimstand, wanneer u de verlichting van het achteropkomende verkeer als hinderlijk ervaart:
1.
Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2.
Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje
naar de voorruit toe te duwen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 157
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Autodimfunctie*
De achteruitkijkspiegel is voorzien van twee sensoren (één aan de voorkant en één aan de achterkant) die samenwerken om hinderlijke lichtinval te identificeren en te verhelpen. De sensor
aan de voorkant registreert omgevingslicht, terwijl
de sensor aan de achterkant de koplampen van
achterliggers registreert.
N.B.
Als de sensoren door bijvoorbeeld parkeervergunningen, transponders, zonnekleppen of
voorwerpen op de achterbank of in de bagageruimte dusdanig worden gehinderd dat er
geen licht op de sensoren valt, gelden er
beperkingen voor de autodimfunctie van de
achteruitkijkspiegel en buitenspiegels.
De autodimfunctie is tijdens het rijden altijd
actief, behalve bij inschakeling van de achteruitversnelling. De gevoeligheid van de autodimfunctie is in te stellen op drie niveaus en is van
invloed op zowel de achteruitkijkspiegel als de
buitenspiegels.
Kompas*
N.B.
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt te
fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch
gedimd. Bij een spiegel met autodimfunctie ontbreekt het hendeltje voor handmatig dimmen.
Bij aanpassing van het gevoeligheidsniveau
van de autodimfunctie is de wijziging pas na
enige tijd te merken.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst.
De instellingen voor de functie worden verricht
op het middendisplay:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies onder Spiegels automatisch
dimmen voor Normaal, Donker of Licht.
Spiegels.
Alleen een achteruitkijkspiegel met autodimfunctie is mogelijk uitgerust met een kompas.
Gerelateerde informatie
•
•
Buitenspiegels instellen (p. 156)
Achteruitkijkspiegel met kompas.
Instellingsscherm (p. 171)
Er worden acht verschillende kompasrichtingen
met Engelse afkortingen weergegeven: N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost),
S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en NW (noordwest).
Kompas activeren/deactiveren
Het kompas wordt automatisch geactiveerd, wanneer u de auto start of wanneer het elektrische
systeem van de auto in contactslotstand II staat.
Om het kompas te deactiveren/activeren:
158
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
–
Druk met een recht gebogen paperclip of
iets dergelijks het knopje aan de onderzijde
van de achteruitkijkspiegel in.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Kompas kalibreren* (p. 159)
Kompas kalibreren*
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas dient te worden gekalibreerd als u
met de auto meerdere magnetische zones doorkruist.
Contactslotstanden (p. 370)
Kalibreer als volgt:
Ontwaseming van ruiten en buitenspiegels
activeren/deactiveren (p. 190)
1.
Breng de auto tot stilstand op een groot en
open terrein waar geen stalen constructies
of hoogspanningsdraden zijn.
2.
Start de auto en schakel alle elektrische uitrusting (klimaatregeling, luchtdroger en dergelijke) uit en zorg dat alle portieren zijn
gesloten.
Magnetische zones.
4.
Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van de gewenste magnetische
zone (1-15) verschijnt (zie de kaart met de
magnetische zones van het kompas).
5.
Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt of houd het knopje aan de
onderzijde van de achteruitkijkspiegel
zo'n 6 seconden lang ingedrukt, totdat het
teken C verschijnt.
6.
Rijd langzaam een rondje in de auto met een
snelheid van hoogstens 10 km/h (6 mph),
totdat een kompasrichting op het display verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie afgerond is. Rijd daarna nog 2 rondjes om de
kalibratie fijn af te stellen.
N.B.
De kalibratie kan mislukken of helemaal niet
worden uitgevoerd, als u de elektrische uitrusting niet uitschakelt.
3.
Houd het knopje aan de onderzijde van de
achteruitkijkspiegel zo'n 3 seconden lang
(met een paperclip of iets dergelijks) ingedrukt. Het cijfer van de huidige magnetische
zone verschijnt.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 159
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
7.
8.
Auto's met elektrische voorruitverwarming*: Als bij activering van de elektrische
voorruitverwarming het teken C op het display verschijnt, kalibreer dan volgens punt 6
hierboven met de elektrische voorruitverwarming ingeschakeld.
Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
Gerelateerde informatie
•
Panoramadak*
Het panoramadak is verdeeld in twee glassecties. De voorste kan aan de achterkant verticaal
(ventilatiestand) of horizontaal (open stand) worden geopend. De achterste is een vast dakglas.
Aan de binnenkant van het panoramadak zit een
zonnescherm gemaakt van geperforeerd textiel
voor extra bescherming tegen bijvoorbeeld het
felle zonlicht.
Kompas* (p. 158)
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door de bewegende
delen van het panoramadak.
•
Let altijd op bij bediening van het panoramadak.
•
Laat kinderen niet met de bediening spelen.
•
Onderbreek altijd de stroom naar het
panoramadak door het elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0 te
zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
Windscherm
Het panoramadak en het zonnescherm zijn te
bedienen met een bedieningsknop aan het plafond. De bediening wordt geactiveerd, wanneer
het elektrische systeem van de auto in contactslotstand I of II staat.
Bij het panoramadak hoort een windscherm dat
opgeklapt wordt bij een geopend panoramadak.
160
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Gerelateerde informatie
•
•
Panoramadak* bedienen (p. 161)
Contactslotstanden (p. 370)
Panoramadak* bedienen
Bij automatische en handmatige bediening
wordt het zonnescherm/dak maximaal geopend.
In de ventilatiestand wordt de achterkant van het
voorste daksegment opengekanteld.
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door de bewegende
delen van het panoramadak.
•
Let altijd op bij bediening van het panoramadak.
•
Openen, handmatig
Laat kinderen niet met de bediening spelen.
Openen, automatisch
•
Onderbreek altijd de stroom naar het
panoramadak door het elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0 te
zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
Sluiten, handmatig
Sluiten, automatisch
Het panoramadak en het zonnescherm zijn alleen
te bedienen, wanneer het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand I staat.
Handmatige bediening
1.
Scherm openen - duw de bedieningsknop
achteruit naar de stand voor handmatig openen. Het zonnescherm wordt zolang u de
bedieningsknop ingedrukt houdt steeds verder geopend.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 161
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
2.
Panoramadak openen - duw de bedieningsknop een tweede maal naar achteren naar
de stand voor handmatig openen. Het panoramadak bereikt eerst de comfortstand19.
Om het dak maximaal te openen, duwt u de
bedieningsknop een derde maal naar achteren.
Het panoramadak komt tot stilstand, als u de
bedieningsknop loslaat of als het dak de comfortstand heeft bereikt of maximaal geopend of
gesloten is.
Sluit het dak/scherm door de voorgaande procedure in omgekeerde volgorde door te lopen houd de bedieningsknop nu echter naar voren/
onder gedrukt totdat het dak/scherm gesloten is.
N.B.
Voordat het panoramadak handmatig kunnen
worden geopend moet het gordijn volledig
geopend zijn. Omgekeerd geldt dat het panoramadak volledig gesloten moet zijn voordat
het gordijn kan worden gesloten.
Volautomatische bediening
1.
19
162
Zonnescherm maximaal openen - duw de
bedieningsknop naar achteren naar de stand
voor automatisch openen en laat de knop
weer los.
2.
U kunt het panoramadak tot in twee standen
openen:
•
Om te openen tot in de comfortstand duw de bedieningsknop een tweede maal
naar achteren naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
•
Om vervolgens maximaal te openen - duw
de bedieningsknop een derde maal naar
achteren naar de stand voor automatisch
openen en laat de knop weer los.
Sluit het dak/scherm door de voorgaande procedure in omgekeerde volgorde te doorlopen houd de bedieningsknop nu echter naar voren/
onder gedrukt en laat de knop weer los.
Het dak komt tot stilstand, wanneer u de bedieningsknop loslaat of wanneer het dak de comfortstand heeft bereikt of maximaal geopend of
gesloten is. De beweging wordt eveneens onderbroken, als u een nieuw commando geeft met de
bedieningsknop.
De beweging van het dak wordt niet onderbroken
als het glas de comfortstand bereikt bij sluiten
vanuit maximaal geopende stand.
Versneld openen/sluiten
Het panoramadak en het zonnescherm zijn ook
tegelijkertijd te openen/sluiten:
De comfortstand is de stand waarbij het glazen dak zover geopend is dat rijwind- en resonantiegeluiden op een aangenaam laag niveau liggen.
–
Openen - duw de bedieningsknop tweemaal
naar achteren naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
–
Sluiten - duw de bedieningsknop tweemaal
naar voren/onderen naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
Het dak komt tot stilstand wanneer het de comfortstand of de gesloten stand heeft bereikt. De
beweging wordt eveneens onderbroken, als u
een nieuw commando geeft met de bedieningsknop.
De beweging van het dak wordt niet onderbroken
als het glas de comfortstand bereikt bij sluiten
vanuit maximaal geopende stand. De beweging
van het scherm wordt nooit onderbroken als het
dak de comfortstand bereikt.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Ventilatiestand
Zonnescherm automatisch sluiten
Knop voor centrale vergrendeling
Als de auto bij zonnig/warm weer geparkeerd
staat, sluit het zonnescherm automatisch 15
minuten nadat de auto is vergrendeld. Dit
gebeurt om de interieurtemperatuur te laten
dalen en de autobekleding te beschermen tegen
verkleuren door de zon.
U kunt de functie, die bij aflevering vanuit de
fabriek gedeactiveerd is, activeren/deactiveren:
1.
Ventilatiestand, achterkant verticaal opengekanteld.
Kantel het schuifdak open door de bedieningsknop omhoog te duwen.
Sluit het door de bedieningsknop naar
voren/onder te duwen.
Bij activering van de ventilatiestand wordt het
voorste segment van het panoramadak aan de
achterkant opengekanteld. Als het zonnescherm
helemaal dichtstaat bij activering van de ventilatiestand, schuift het automatisch ca. 50 mm
open.
Het panoramadak kan vanuit open stand rechtstreeks naar de ventilatiestand door de bedieningsknop omhoog te duwen. De beweging
wordt onderbroken, als u een nieuw commando
geeft met de bedieningsknop.
2.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Druk op My Car
Vergrendeling.
Kies Autom. sluiten zonnegordijn om te
activeren/deactiveren.
Sluiten met transpondersleutel, knop
voor centrale vergrendeling of
portierhandgreep
een transpondersleutel
– Druk lang op de vergrendelingsknop
op
de transpondersleutel totdat het panoramadak en het zonnescherm in beweging komen
richting de gesloten stand.
De beweging stopt als u nogmaals op de knop
voor vergrendeling op de transpondersleutel
drukt of als het dak/scherm de gesloten stand
heeft bereikt.
Knop voor centrale vergrendeling.
Wanneer u het elektrische systeem van de auto
minimaal in contactslotstand I zet, kunt u de knop
voor centrale vergrendeling op het bestuurdersportier of het passagiersportier* gebruiken om
het panoramadak te sluiten.
–
Druk lang op de knop voor centrale vergrentotdat het panoramadak en het
deling
zonnescherm in beweging komen richting de
gesloten stand.
De beweging stopt bij het indrukken van de knop
voor centrale vergrendeling of als het dak/
scherm de gesloten stand heeft bereikt.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 163
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Portierhandgrepen
Auto's uitgerust met passieve vergrendeling/
ontgrendeling* hebben een aanrakingsgevoelige
verdieping aan de buitenkant van de portierhandgrepen.
volgens geopend tot op ca. 50 mm van de
geblokkeerde stand (of tot de maximale ventilatiestand). De beveiliging tegen overbelasting
werkt ook bij het openen van het glazen dak of
het zonnescherm.
HomeLink®*20
–
Wanneer sluiten onmogelijk is door bijvoorbeeld
ijsvorming rond het glazen dak, kan de beveiliging
tegen overbelasting worden opgeheven. U doet
dat door de bedieningsknop naar voren te duwen
of in te drukken en in deze stand vast te houden,
totdat het glazen dak dicht is.
Algemeen
Leg uw vinger tegen de aanrakingsgevoelige
verdieping aan de buitenkant van een van de
portierhandgrepen totdat het panoramadak
en het zonnescherm in beweging komen
richting de gesloten stand.
De beweging stopt als u uw vinger weer tegen
de verdieping van de portierhandgreep legt of als
het dak/scherm de gesloten stand heeft bereikt.
WAARSCHUWING
Als u het panoramadak sluit met de transpondersleutel, knop voor centrale vergrendeling
of portiergreep, moet u opletten dat er niemand bekneld raakt.
BELANGRIJK
Controleer of het panoramadak bij sluiten
goed vergrendelt.
Beveiliging tegen overbelasting
Het panoramadak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als het
glazen dak of het zonnescherm tijdens het sluiten
door een voorwerp wordt gehinderd. Het dak of
het scherm komt dan tot stilstand en wordt ver-
164
HomeLink® is een programmeerbare afstandsbediening die geïntegreerd is in het elektrische
systeem van de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Panoramadak* (p. 160)
Contactslotstanden (p. 370)
Transpondersleutel (p. 234)
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de binnenzijde (p. 241)
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de buitenzijde (p. 237)
Knop 1
Knop 2
Knop 3
Controlelampje
HomeLink®21 is een programmeerbare afstandsbediening die tot drie verschillende systemen (bijvoorbeeld een garagedeuropener, alarmsysteem,
huis- en tuinverlichting) op afstand kan bedienen
en daarmee de originele afstandsbedieningen
vervangt. HomeLink® wordt geleverd in een uitvoering die ingebouwd is in de achteruitkijkspie-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
gel. Het HomeLink®-paneel bestaat uit drie programmeerbare knoppen en een controlelampje in
het spiegelglas.
Ga voor meer informatie over HomeLink® naar:
www.HomeLink.com, www.youtube.com/
HomeLinkGentex of bel 00 8000 466 354 65
(of het betaalnummer +49 6838 907 277).
WAARSCHUWING
•
Als HomeLink® wordt gebruikt om een
garagedeur of hek te bedienen, moet u
controleren of er niemand in de buurt van
de deur of het hek staat als deze
beweegt.
•
Terwijl HomeLink wordt geprogrammeerd,
kan de garagedeur of het toegangshek
dat wordt geprogrammeerd, geactiveerd
worden. Let daarom op dat er niemand in
de buurt van de deur of het hek staat tijdens het programmeren.
•
De auto moet buiten de garage staan als
de garagedeuropener wordt geprogrammeerd.
•
Gebruik HomeLink® niet voor een elektrische garagedeur zonder veiligheidsstop
en -retour.
een later stadium (zoals bij aankoop van een
nieuwe auto of gebruik in een andere auto). Het
wordt tevens geadviseerd om de programmering
van de knoppen te wissen bij verkoop van de
auto, zie de paragraaf "HomeLink® programmeren".
Gerelateerde informatie
•
HomeLink®* programmeren (p. 165)
HomeLink®*23 programmeren
Instructie voor programmeren van HomeLink®.
HomeLink® programmeren
N.B.
Bij bepaalde auto’s moet het contact zijn
ingeschakeld of in de ‘accessoirestand’ staan,
voordat HomeLink® kan worden geprogrammeerd of gebruikt. Plaats bij voorkeur nieuwe
batterijen in de afstandsbediening die door
HomeLink® moet worden vervangen, omdat
de programmering dan mogelijk sneller verloopt en het radiosignaal sterker is. Reset de
HomeLink®-knoppen voordat u gaat programmeren, zie het hoofdstuk 'HomeLink®-knoppen resetten' hieronder. HomeLink® staat vervolgens in de ‘inleermodus’ en is klaar om
geprogrammeerd te worden.
1.
Druk de knop24 op HomeLink® in die u wilt
programmeren. Het controlelampje24 op
HomeLink® moet 1 keer per seconde geel
knipperen. U hoeft de knop niet ingedrukt te
houden.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen
goed bewaart voor eventuele programmering in
20
21
Geldt voor bepaalde markten.
HomeLink en het symbool met het HomeLink-huis zijn geregistreerde handelsmerken van Gentex Corporation.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 165
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
2.
Richt de afstandsbediening op de te programmeren HomeLink®-knop en houd de
afstandsbediening op 2-8 cm van de knop.
Blokkeer het controlesymbool van
HomeLink® niet.
Opmerking! Met sommige afstandsbedieningen is HomeLink® beter te programmeren
op een afstand van 15-20 cm. Denk daaraan
als er problemen zijn met programmeren.
3.
Houd de knop op de originele afstandsbediening die op HomeLink® moet worden
geprogrammeerd vast en houd de led in de
gaten. Laat de knop pas los als de led van 1
maal per seconde geel knipperen is overgegaan op 10 maal per seconde groen knipperen of constant groen branden. Als de led
groen knippert of brandt, mag u de knop op
de afstandsbediening loslaten.
Opmerking! Voor sommige ontvangers
moet programmeerstap 3 wellicht worden
vervangen door de instructies in stap 4.
4.
23
24
25
166
Druk de knop op de originele afstandsbediening in el laat deze om de seconde los totdat
de led van 1 maal per seconde geel knipperen is overgegaan op 10 maal per seconde
groen knipperen of constant groen branden.
5.
Druk de geprogrammeerde HomeLink®-knop
in en controleer de led.
> Permanent groen branden: Als de led
permanent groen brandt, is het programmeren klaar. De garagedeur, het toegangshek en dergelijke moeten vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de geprogrammeerde knop.
10 maal per seconde groen knipperen: Druk op de te programmeren knop,
houd deze 2 seconden lang ingedrukt
en laat de knop weer los. Herhaal de
procedure van indrukken/vasthouden/
loslaten al naar gelang het model van de
ontvanger één of twee keer. Het programmeren is nu klaar en garagedeur, toegangshek en dergelijke moeten vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de geprogrammeerde knop.
Als de ontvanger nog steeds niet
wordt geactiveerd: Ga verder met programmeerstappen 6-8 om de programmering te voltooien.
Geldt voor bepaalde markten.
Zie de paragraaf "HomeLink®*" voor de plaats van de knoppen en het controlelampje.
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
6.
Zoek de inleerknop25 op de ontvanger voor
bijvoorbeeld de garagedeur op. Deze zit
doorgaans in de buurt van de bevestiging
van de antenne op de ontvanger.
7.
Druk de inleerknop van de ontvanger in en
laat hem los. Stap 8 moet worden binnen 30
seconden na het indrukken van de knop worden voltooid.
8.
Druk op de te programmeren knop, houd
deze 2 seconden lang ingedrukt en laat
de knop weer los. Herhaal de procedure
van indrukken/vasthouden/loslaten al naar
gelang het model van de ontvanger één of
twee keer. Het programmeren is nu klaar
en garagedeur, toegangshek en dergelijke
moeten vervolgens geactiveerd worden bij
het indrukken van de geprogrammeerde
knop.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Bediening
Zodra HomeLink® geprogrammeerd is, vormt het
een vervanging voor de afzonderlijke originele
afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in. De garagedeur, het toegangshek en dergelijke worden
geactiveerd (dit kan een paar seconden duren).
Na het indrukken van de knop brandt of knippert
het controlelampje. Uiteraard kunt u de originele
afstandsbedieningen naast HomeLink® blijven
gebruiken.
N.B.
Als het contact niet is uitgeschakeld, blijft
HomeLink® tot 30 minuten na opening van
het bestuurdersportier werken.
Als er problemen met programmeren ontstaan,
neem dan contact op met HomeLink® via:
www.HomeLink.com, www.youtube.com/
HomeLinkGentex of bel 00 8000 466 354 65
(of het betaalnummer +49 6838 907 277).
HomeLink®-knoppen resetten
U kunt de HomeLink®-knoppen alleen allemaal
tegelijk resetten en dus niet slechts één ervan.
Herprogrammeren van slechts één knop is echter
wel mogelijk, zie de paragraaf "Afzonderlijke knop
programmeren" hieronder.
1.
2.
Druk knop 1 en 3 op HomeLink® in en laat
deze pas na ca. 10 seconden los als de led
groen gaat knipperen.
Gerelateerde informatie
•
HomeLink®* (p. 164)
Laat de knoppen los.
> HomeLink® staat daarmee in de "inleermodus" en is klaar om opnieuw geprogrammeerd te worden, zie de paragraaf
"HomeLink® programmeren" hierboven.
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke
HomeLink®-knop te programmeren:
1.
Druk op de gewenste knop en houd deze
ingedrukt.
2.
Begin na ca. 20 seconden, wanneer de led
op HomeLink® geel gaat knipperen, met stap
1 in de paragraaf "HomeLink® programmeren" hierboven.
Opmerking! Als de te programmeren knop
opnieuw moet worden geprogrammeerd niet
met een nieuwe eenheid wordt geprogrammeerd, zal deze terugkeren naar de eerder
opgeslagen programmering.
Ga voor meer informatie over HomeLink® of bij
op- en aanmerkingen naar: www.HomeLink.com,
www.youtube.com/HomeLinkGentex of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 167
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
•
•
Boordcomputer
De boordcomputer van de auto registreert en
berekent waarden zoals afgelegde afstand,
brandstofverbruik en gemiddelde snelheid tijdens het rijden.
Gemiddelde snelheid
Gemiddeld brandstofverbruik.
De waarden zijn berekend op basis van de waarden sinds de laatste reset.
Kilometerteller
Om eenvoudiger zuinig te kunnen rijden, worden
het momentane en het gemiddelde brandstofverbruik geregistreerd. De boordcomputerinformatie
is weer te geven op het bestuurdersdisplay.
De kilometerteller registreert de totale afgelegde
afstand van de auto. Deze waarde is niet op nul
te zetten.
Momentaan brandstofverbruik
8 inch bestuurdersdisplay.
De volgende meters maken deel uit van de
boordcomputer:
•
•
•
•
•
12 inch bestuurdersdisplay.
Dagtellers
Kilometerteller
Momentaan brandstofverbruik
Actieradius op tank
Toerist (alternatieve snelheidsmeter)
Dagtellers
Er zijn twee dagtellers, TM en TA.
TM kan handmatig op nul worden gezet en TA
wordt automatisch op nul gezet als de auto minimaal vier uur niet wordt gebruikt.
Tijdens de rit wordt informatie geregistreerd over:
•
•
168
Afstand
Rijtijd
Deze meter geeft het actuele brandstofverbruik
van de auto aan. De waarde wordt zowat iedere
seconde bijgewerkt.
Actieradius op tank
De boordcomputer berekent de actieradius op
basis van de resterende hoeveelheid brandstof in
de tank.
De actieradius wordt berekend aan de hand van
het gemiddelde brandstofverbruik over de laatste
30 km en de resterende hoeveelheid brandstof.
Wanneer de meter "----" aangeeft, zijn geen
garanties meer te geven voor de actieradius.
Tank dan zo spoedig mogelijk.
N.B.
Er is een bepaalde afwijking mogelijk, als u
van rijstijl verandert.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een langere actieradius.
Rijstatistieken tonen op het
bestuurdersdisplay
Toerist (alternatieve snelheidsmeter)
De door de boordcomputer geregistreerde en
berekende waarden kunnen worden weergegeven op het bestuurdersdisplay.
De alternatieve digitale snelheidsmeter vereenvoudigt het rijden in landen waar verkeersborden
met de voorgeschreven snelheden een andere
eenheid hebben dan wat de instrumenten van de
auto laten zien.
De digitale snelheid wordt dan weergegeven in
de eenheid die de analoge snelheidsmeter juist
niet geeft. Is de analoge snelheidsmeter ingesteld op mph, dan wordt de snelheid op de
boordcomputermeter weergegeven in km/h en
omgekeerd.
De waarden worden opgeslagen in een boordcomputerapp. Via het appmenu kunt u die informatie kiezen die op het bestuurdersdisplay moeten worden weergegeven.
Gerelateerde informatie
•
Rijstatistieken tonen op het bestuurdersdisplay (p. 169)
•
Rijstatistieken tonen op het middendisplay
(p. 170)
appmenu27
Open het
en blader erin met de knoppenset
rechts op het stuurwiel.
Appmenu
Links/rechts
Omhoog/omlaag
1.
Open het appmenu op het bestuurdersdisplay door op (1) te drukken.
(Het appmenu is niet te openen, als er nog
een onbevestigde melding op het bestuurdersdisplay staat. De melding moet eerst
worden bevestigd voordat het appmenu kan
worden geopend.)
2.
Navigeer naar de boordcomputerapp door
met (2) naar links of rechts te vegen.
> Op de bovenste vier menuregels staan de
gemeten waarden voor dagteller TM. Op
de vier menuregels eronder staan de
gemeten waarden voor dagteller TA. Blader omhoog of omlaag in de lijst met (3).
3.
Blader verder omlaag naar de alternatievenknoppen om te kiezen welke informatie op het
bestuurdersdisplay moet worden weergegeven:
•
•
•
•
•
Momentaan brandstofverbruik
Actieradius op tank
Kilometerteller
Afgelegde afstand voor dagteller TM, TA
of geen weergave van afgelegde afstand
Toerist (alternatieve snelheidsmeter).
Selecteer of deselecteer een optie met de
knop O (4). De wijziging gaat meteen in.
Bevestigen
27
Het uiterlijk van het display kan verschillen afhankelijk van de variant.
}}
169
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Dagteller op nul zetten
N.B.
Een wijziging van deze eenheden is niet
alleen van toepassing op de boordcomputer
maar ook op Volvo’s RTI-navigatiesysteem*.
Gerelateerde informatie
Zet dagteller TM op nul door de knop RESET op
de linker stuurhendel lang in te drukken.
Dagteller TA wordt alleen automatisch op nul
gezet. Dat is het geval als de auto gedurende 4
uur of meer niet wordt gebruikt.
Eenheid wijzigen
•
•
Boordcomputer (p. 168)
•
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
gebruiken (p. 105)
Rijstatistieken tonen op het middendisplay
(p. 170)
Rijstatistieken tonen op het
middendisplay
De rijstatistieken van de boordcomputer worden
grafisch weergegeven op het middendisplay en
bieden u het overzicht waarmee u eenvoudig zuiniger kunt rijden.
Open de app Bestuurder
prestaties op het appscherm
om de rijstatistieken weer te
geven.
Elke staaf in het schema staat
voor een afstand van 1, 10 of
100 km (of miles). Tijdens het rijden worden de
staven van rechts naar links aangevuld. De staaf
uiterst rechts geeft de waarde voor de actuele
etappe aan.
Het gemiddelde brandstofverbruik en de totale
rijtijd zijn bepaald op basis van de rijstatistieken
sinds de laatste nulstelling.
Eenheden voor afgelegde afstand, snelheden,
e.d. wijzigen via het middendisplay:
1.
170
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Systeem
3.
Kies onder Eenheden de gewenste eenheidsnorm: Metr., Imper. of VS.
Eenheden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
Instellingsscherm
2.
Druk op Systeem
3.
Kies onder Eenheden de gewenste eenheidsnorm: Metr., Imper. of VS.
In het instellingsscherm van het middendisplay
kunt u instellingen en informatie hanteren voor tal
van autofuncties.
1.
Eenheden.
Gerelateerde informatie
•
•
Boordcomputer (p. 168)
Het instellingsscherm openen en
sluiten en hierin bladeren
Rijstatistieken tonen op het bestuurdersdisplay (p. 169)
Rijstatistieken van de boordcomputer28.
Instellingen voor rijstatistieken
Druk op Voorkeur om
•
de schaalverdeling te wijzigen. Kies een
resolutie van 1, 10 of 100 km/mi voor de
staaf.
•
de rijstatistieken na afloop van een rit op nul
te zetten. Wanneer de auto meer dan 4 uur
stilgestaan heeft.
Het hoofdscherm met de knop voor Instellingen.
1.
•
Sleep de tab boven aan het middendisplay
omlaag om het hoofdscherm te openen.
de gegevens over de actuele rit op nul te zetten.
2.
Druk op Instellingen om het instellingsscherm te openen.
3.
Druk op een van de categorieën die verschijnt en blader naar subcategorieën en
instellingen door nogmaals te drukken.
Rijstatistieken, berekend gemiddeld verbruik en
totale rijtijd worden altijd gelijktijdig op nul gezet.
Eenheid wijzigen
Eenheid voor afgelegde afstand, brandstofverbruik, e.d. wijzigen via het middendisplay:
28
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van de softwareversie en de gekozen uitvoering afwijkingen mogelijk zijn.
}}
171
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
4.
Druk op Terug om terug te gaan naar het
instellingsscherm.
Druk op Sluiten om het instellingsscherm te
sluiten.
Een instelling wijzigen
Soorten instellingen
Er zijn verschillende soorten instellingen:
Soort
instelling
Beschrijving
Triggerfunctie
Start een app of een afzonderlijk
scherm voor geavanceerdere
instellingen door op de tekst te
drukken, bijvoorbeeld om een
eenheid met Bluetooth aan te
sluiten.
Radioknop
Een subcategorie in het instellingsscherm met verschillende soorten instellingen, heeft een meerkeuzeknop en
radioknoppen.
172
1.
Druk op categorieën en subcategorieën om
naar de gewenste instelling te bladeren.
2.
Wijzig een of meer instellingen. Verschillende
soorten instellingen worden op verschillende
manieren gewijzigd (zie de tabel hieronder
voor een beschrijving van de desbetreffende
soorten).
> De wijzigingen worden onmiddellijk opgeslagen.
Kies uit meerdere opties een
instelling door op de gewenste
radioknop te drukken, bijvoorbeeld om een systeemtaal te
kiezen.
Meerkeuzeknop
Kies een niveau voor iets door
op het gewenste deel van de
knop te drukken, bijvoorbeeld om
het gevoeligheidsniveau voor
City Safety te kiezen.
Selectievakjes
Kies ervoor een functie te activeren/deactiveren door op het
vakje te drukken om dit aan te
kruisen of leeg te maken, bijvoorbeeld om automatische start
van elektrische stoelverwarming
te kiezen.
Soort
instelling
Beschrijving
Schuifknoppen
Kies een niveau voor iets binnen
een interval door op de knop te
drukken en deze te slepen, bijvoorbeeld om het geluidsniveau
te kiezen.
Weergave
van informatie
Geen eigenlijke instelling, geeft
ergens informatie over, bijvoorbeeld het identificatienummer
van de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 33)
Categorieën op instellingsscherm (p. 173)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Categorieën op instellingsscherm
Het instellingsscherm heeft een aantal hoofdcategorieën en subcategorieën waarin instellingen
en informatie voor tal van functies van de auto
zijn verzameld.
Onder het instellingsscherm zitten 7 hoofdcategorieën: My Car, Geluid, Navigatie, Media,
Communicatie, Klimaat en Systeem.
Elke categorie omvat op zijn beurt een aantal
subcategorieën en instelmogelijkheden. In de
onderstaande tabellen wordt het eerste niveau
van subcategorieën weergegeven. De instelmogelijkheden voor een functie of terrein worden
uitvoeriger beschreven in de desbetreffende artikelen van de gebruikershandleiding. Zie voor systeeminstellingen die niet staan beschreven in de
desbetreffende artikelen: artikel "Systeeminstellingen wijzigen in het hoofdmenu".
Subcategorie
Feedback vergendelen-ontgrendelen
Elektrische parkeerrem
Stoelen
Ruitenwisser voorruit
Ophanging
Displays
IntelliSafe
Parkeerhulp
Rijmodus/Individuele rijmodus*
Subcategorie
AM/FM-radio
DAB
Gracenote®
Video
Communicatie
Audio
Subcategorie
Geluidsbeleving*
Toon
Balans
Systeemvolumes
My Car
Subcategorie
Media
Navigatie
Subcategorie
Telefoon
Tekstberichten
Bluetooth
Wi-Fi
Wi-Fi hotspot auto
Internet via automodem
Subcategorie
Volvo On Call
Kaart
Volvo-servicenetwerken
Route
Verkeer
Lichten
Begeleiding
Spiegels
Systeem
Klimaatregeling
De hoofdcategorie Klimaat heeft geen subcategorieën.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 173
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Systeem
Subcategorie
Tijd en Datum
Taal
Toetsenbordindelingen
Stembediening
Eenheden
Opslag
Software-updates
Systeeminstellingen wijzigen op
instellingsscherm
De systeeminstellingen onder Tijd en Datum,
Toetsenbordindelingen, Stembediening,
Software-updates, Fabrieksreset en
Services staan beschreven in de desbetreffende
artikelen van de gebruikershandleiding.
Systeemtaal wijzigen
1.
Gerelateerde informatie
•
•
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Systeem
3.
Systeemtaal selecteren. Talen met ondersteuning van stembediening hebben een
stembedieningssymbool.
> De taal op het bestuurdersdisplay, het
middendisplay en het head-updisplay
wordt gewijzigd.
Instellingsscherm (p. 171)
Systeeminstellingen wijzigen op instellingsscherm (p. 174)
Lengte- en volume-eenheden wijzigen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
174
Druk op Systeem
Eenheden.
> De eenheden op het bestuurdersdisplay,
het middendisplay en het head-updisplay
worden gewijzigd.
De bandenspanningseenheid wijzigen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Systeem
Bandenspanning.
3.
Kies de bandenspanningseenheid.
> De eenheid voor bandenspanning in de
app Auto status op het middendisplay
wordt gewijzigd.
Taal.
Systeemeenheden wijzigen
Eenheden
Kies uit de volgende eenheidsnormen:
• Metr. - kilometer, liter en graden Celsius.
• Imper. - miles, gallons en graden Celsius.
• VS - miles, gallons en graden Fahrenheit.
De categorie Systeem in het instellingsscherm
verzamelt instellingen en informatie die in zijn
algemeenheid gelden voor de systemen van de
auto, bijvoorbeeld taal en eenheden.
Fabrieksreset
Services
3.
Eenheden
Zie de opslaginformatie
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Systeem Opslag.
> De opslaginformatie voor de harde schijf
van de auto verschijnt - met onder andere
de totale capaciteit, de beschikbare capaciteit en de hoeveelheid ruimte die de
geïnstalleerde applicaties gebruiken.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Zie het identificatienummer van de auto
1.
2.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Druk op Systeem Vehicle Identification
Number.
> Het identificatienummer van de auto
(VIN29) verschijnt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Categorieën op instellingsscherm (p. 173)
Klok (p. 98)
Het toetsenbord in het middendisplay
gebruiken (p. 49)
•
•
•
Instellingen voor stembediening (p. 116)
•
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie (p. 498)
29
Systeemupdates (p. 501)
Instellingen resetten op
instellingsscherm
Alle gewijzigde instellingen in het instellingsscherm kunnen in één keer worden gereset naar
hun standaardwaarden.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Systeem
3.
Druk op OK om de reset te bevestigen.
Fabrieksreset.
Gerelateerde informatie
•
Systeeminstellingen wijzigen op instellingsscherm (p. 174)
•
Gebruikersgegevens resetten bij doorverkoop (p. 176)
Instellingen wijzigen voor apps
In het appscherm staan alle apps in de auto bij
elkaar. De instellingen voor apps die betrekking
hebben op de ingebouwde functies van de auto
kunnen worden gewijzigd vanuit het hoofdscherm van het middendisplay.
Apps voor ingebouwde functies basisapps
De apps die oorspronkelijk in de auto zijn opgeslagen, bijvoorbeeld FM-radio en USB, maken
deel uit van Sensus en behoren tot de ingebouwde functies van de auto. De instellingen
voor deze apps kunnen rechtstreeks op het
hoofdscherm van het middendisplay worden
gewijzigd.
Instellingen resetten op instellingsscherm
(p. 175)
Vehicle Identification Number.
}}
175
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Instellingen wijzigen voor een basisapp
1. Druk op de app, bijvoorbeeld FM-radio.
2.
Sleep het hoofdscherm omlaag.
3.
Druk op FM Radio Instellingen.
4.
Wijzig de instellingen naar wens en bevestig
uw keuze(s).
5.
Druk op de fysieke homeknop of op een willekeurige plaats buiten het hoofdscherm om
het instellingsscherm te verlaten. U kunt ook
het hoofdscherm omhoog slepen of op de
tab onder aan het hoofdscherm drukken.
De meeste basisapps van de auto bieden deze
contextuele instelmogelijkheid, maar niet allemaal. Zie het artikel "Categorieën op instellingsscherm" voor meer informatie over hoe u instellingen wijzigt.
•
Categorieën op instellingsscherm (p. 173)
Gebruikersgegevens resetten bij
doorverkoop
Bij doorverkoop moeten gebruikersgegevens en
systeeminstellingen worden gereset naar de
fabrieksinstellingen.
De instellingen van de auto kunnen op verschillende niveaus gereset worden. Reset bij doorverkoop alle gebruikersgegevens en systeeminstellingen naar de oorspronkelijke fabrieksinstellingen. Bij verkoop van de auto is het ook belangrijk
om de doorverkoop te registreren in Volvo On
Call* te wijzigen.
Gerelateerde informatie
•
Instellingen resetten op instellingsscherm
(p. 175)
•
Volvo ID (p. 23)
Apps van derden
Apps van derden zoals Volvo-id zijn bij aflevering
van de auto niet voorgeïnstalleerd en moeten
naderhand worden gedownload. Bij dergelijke
apps van derden verricht u eventuele instellingen
altijd in de desbetreffende apps en niet vanuit het
hoofdscherm.
Gerelateerde informatie
176
•
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 40)
•
•
Instellingsscherm (p. 171)
Apps downloaden, bijwerken of verwijderen
(p. 453)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
KLIMAAT
Klimaatregeling
4-zoneregeling*
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt ervoor dat de
lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of van
vocht ontdaan wordt.
Klimaatsensoren
De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren voor de regeling van het autoklimaat.
Positie van de sensoren
2-zoneregeling
Klimaatzones bij 4-zoneregeling.
Bij 4-zoneregeling zijn de interieurtemperaturen
voor de zones linksvoor, rechtsvoor, linksachter
en rechtsachter elk apart in te stellen.
Klimaatzones bij 2-zoneregeling.
Bij 2-zoneregeling zijn de interieurtemperaturen
voor de linker en rechter zone elk apart in te stellen.
Alle klimaatfuncties zijn te bedienen via het middendisplay en de fysieke knoppen op de middenconsole.
178
Alle klimaatfuncties zijn te bedienen via het middendisplay en de fysieke knoppen op de middenconsole. De klimaatregelingsfuncties voor achterin zijn ook te bedienen via het klimaatregelingspaneel achter op de tunnelconsole.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Klimaatsensoren (p. 178)
Gevoelstemperatuur (p. 179)
Luchtkwaliteit (p. 179)
Klimaatregelingsbediening (p. 182)
Luchtverdeling (p. 194)
Vochtsensor - in de voetafdekking van de
achteruitkijkspiegel.
Buitentemperatuursensor - in de rechter buitenspiegel.
Binnentemperatuursensor - bij de fysieke
koppen op de middenconsole.
Zonnesensor - boven op het dashboard.
N.B.
Bedek of blokkeer de sensoren niet met kledingstukken of andere voorwerpen.
Parkeerklimaat* (p. 203)
Klimaatregeling met stembediening (p. 117)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Bij het Interior Air Quality System* is er ook een
luchtkwaliteitssensor, die in de luchtinlaat van de
klimaatregeling zit.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Klimaatregeling (p. 178)
Gevoelstemperatuur (p. 179)
Interior Air Quality System* (p. 181)
Gevoelstemperatuur
Luchtkwaliteit
De klimaatregeling regelt het autoklimaat op
basis van de gevoelstemperatuur en niet de werkelijke temperatuur.
De gekozen interieurmaterialen en het luchtreinigingssysteem zorgen voor een hoge luchtkwaliteit in de auto.
De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen
met de gevoelstemperatuur op basis van de
heersende omstandigheden in en rond de auto
wat buitentemperatuur, luchtsnelheid, luchtvochtigheidsgraad, ingestraalde warmte en dergelijke
betreft.
Het interieur werd dusdanig vormgegeven dat het
gerieflijk en comfortabel is - ook voor mensen
met contactallergieën of astma.
Het systeem beschikt over een zonnesensor die
de stand van de zon registreert. Daardoor kan de
temperatuur van de lucht uit de blaasmonden
links en rechts afwijken, ondanks dat de temperatuurknoppen voor de beide zijden in dezelfde
stand staan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Klimaatregeling (p. 178)
Klimaatsensoren (p. 178)
Temperatuur regelen (p. 186)
Materiaal in de passagiersruimte
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is.
De vloerbekleding in zowel de passagiersruimte
als de bagageruimte is eenvoudig te verwijderen
en schoon te maken.
Gebruik de door Volvo geadviseerde schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten voor
het reinigen van het interieur.
Luchtreinigingssysteem
Los van het interieurfilter dragen ook de aanpassingen voor Clean Zone Interior Package* en het
luchtkwaliteitssysteem Interior Air Quality
System* bij aan een hoge luchtkwaliteit in de
auto.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Klimaatregeling (p. 178)
Interieurfilter (p. 180)
Clean Zone Interior Package* (p. 180)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 179
KLIMAAT
•
•
Interior Air Quality System* (p. 181)
Interieurfilter
Clean Zone Interior Package*
Interieur reinigen (p. 543)
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter.
Clean Zone Interior Package (CZIP) omvat een
aantal aanpassingen om stoffen die aanleiding
kunnen geven tot allergieën en/of astma uit het
interieur te weren.
Interieurfilter vervangen
Vervang het filter regelmatig. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen
vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde
gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
Het volgende is inbegrepen:
•
Een geavanceerde ventilatorfunctie die aanslaat, wanneer de auto via de transpondersleutel wordt ontgrendeld. De ventilator vult
het interieur op die manier met verse lucht.
De functie start als dat nodig is en stopt na
bij het openen van een van de portieren. Bij
inactiviteit wordt de functie na enige tijd
automatisch beëindigd. De tijd dat de ventilatorfunctie werkt zal langzaam maar zeker
korter worden, totdat de auto 4 jaar oud is.
•
Het volautomatische luchtkwaliteitssysteem
Interior Air Quality System (IAQS).
N.B.
Er zijn verschillende soorten interieurfilters.
Let erop dat het juiste filter wordt gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Luchtkwaliteit (p. 179)
Clean Zone Interior Package* (p. 180)
Interior Air Quality System* (p. 181)
Serviceprogramma van Volvo (p. 498)
N.B.
Voor behoud van de CZIP-standaard bij auto’s
met CZIP moet het IAQS-luchtfilter om de
15.000 km of minstens eenmaal per jaar worden vervangen (afhankelijk van wat het eerst
wordt bereikt). Echter, maximaal 75.000 km
per 5 jaar.
Bij auto’s zonder CZIP en als de klant de
CZIP-standaard niet wenst te behouden,
moet het IAQS-filter bij een normale servicebeurt worden vervangen.
180
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Gerelateerde informatie
•
•
•
Luchtkwaliteit (p. 179)
Interieurfilter (p. 180)
Interior Air Quality System* (p. 181)
Interior Air Quality System*
N.B.
Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet
de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken.
Voor behoud van de CZIP-standaard bij auto’s
met CZIP moet het IAQS-luchtfilter om de
15.000 km of minstens eenmaal per jaar worden vervangen (afhankelijk van wat het eerst
wordt bereikt). Echter, maximaal 75.000 km
per 5 jaar.
IAQS maakt deel uit van Clean Zone Interior
Package (CZIP) en ontdoet de lucht in de passagiersruimte van verontreinigingen in de vorm van
stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en
laaghangend ozon.
Als de luchtkwaliteitssensor van het systeem
registreert dat de buitenlucht vervuild is, wordt de
luchtinlaat gesloten en de luchtrecirculatie geactiveerd.
N.B.
Bij auto’s zonder CZIP en als de klant de
CZIP-standaard niet wenst te behouden,
moet het IAQS-filter bij een normale servicebeurt worden vervangen.
Luchtkwaliteitssensor activeren/
deactiveren
U kunt de luchtkwaliteitssensor desgewenst activeren/deactiveren.
Voor de beste lucht in het interieur moet de
luchtkwaliteitssensor altijd zijn ingeschakeld.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
In een koud klimaat is de recirculatie beperkt
om het beslaan van de ruiten te voorkomen.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Luchtkwaliteitssensor om de luchtkwaliteitssensor te activeren/deactiveren.
Schakel bij condens de elektrische verwarming van de voorruit, zijruiten en achterruiten
in.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Luchtkwaliteit (p. 179)
Interieurfilter (p. 180)
Clean Zone Interior Package* (p. 180)
Luchtrecirculatie activeren/deactiveren
(p. 193)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 181
KLIMAAT
Klimaatregelingsbediening
De klimaatregelingsfuncties zijn te regelen via
het middendisplay, de fysieke knoppen op de
middenconsole en het klimaatpaneel achter op
de tunnelconsole*.
Overzicht van de
klimaatregelingsbediening
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay.
Ontwasemingsknoppen op de middenconsole.
Klimaatregelingsbediening achter op de tunnelconsole*.
Gerelateerde informatie
•
•
182
Klimaatregeling (p. 178)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 182)
•
Klimaatregelingsbediening achter op de tunnelconsole* (p. 184)
Klimaatregelingsbediening op het
middendisplay
•
Ontwaseming van ruiten en buitenspiegels
activeren/deactiveren (p. 190)
Via het klimaatveld en het klimaatscherm van het
middendisplay zijn alle klimaatfuncties te regelen.
Klimaatveld
Via het klimaatveld zijn de meest voorkomende
klimaatfuncties te regelen.
Temperatuurbediening voor bestuurders- en
passagierszone.
Bediening voor elektrische stoelverwarming*
en -ventilatie* voorin plus elektrische stuurverwarming*.
Knop voor toegang tot het klimaatscherm.
De grafische voorstelling op de knop geeft
de geactiveerde klimaatinstellingen weer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Klimaatscherm
Klimaat achterin*
Op de tab Achter klimatisering zijn alle klimaatfuncties voor achterin te regelen.
Bij eenmaal indrukken van de middelste knop in
het klimaatveld opent u het klimaatscherm. Het
klimaatscherm is opgesplitst in de tabs Hoofd
klimatisering, Achter klimatisering* en
Standklimatisering*. U kunt van tab wisselen
door naar links/rechts te vegen of op de desbetreffende rubriek te drukken.
Hoofdklimaat
Op de tab Hoofd klimatisering kunt u behalve
de klimaatfuncties in het klimaatveld ook de
hoofdklimaatfuncties regelen.
Max, Elektrisch, Achter - Bediening voor
ontwaseming van ruiten en buitenspiegels.
AC - Bediening voor airconditioning.
Recirc. - Bediening voor luchtrecirculatie.
Bediening voor luchtverdeling.
Ventilatorbediening voorin (en achterin bij 2zoneregeling).
AUTO - Automatische klimaatregeling.
Ventilatorbediening voor achterin, tweede zitrij.
Bediening van ventilator en airconditioning
op de achterbank, derde zitrij*.
Temperatuurbediening voor achterin.
Bediening voor elektrische achterbankverwarming*.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 183
KLIMAAT
||
Parkeerklimaat*
Op de tab Standklimatisering is het parkeerklimaat van de auto te regelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Via het klimaatregelingspaneel achter op de tunnelconsole zijn de klimaatfuncties voor achterin
te regelen.
Ontwaseming van ruiten en buitenspiegels
activeren/deactiveren (p. 190)
•
Airconditioning activeren/deactiveren
(p. 185)
•
Luchtrecirculatie activeren/deactiveren
(p. 193)
•
•
•
•
•
184
Klimaatregelingsbediening (p. 182)
Klimaatregelingsbediening achter
op de tunnelconsole*
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 182)
Elektrische stoelverwarming* activeren/deactiveren (p. 199)
Ventilatorstand regelen (p. 189)
Temperatuur regelen (p. 186)
Luchtverdeling wijzigen (p. 195)
Ventilatorstand regelen (p. 189)
Automatische klimaatregeling (p. 185)
Temperatuur regelen (p. 186)
Elektrische stoelverwarming* activeren/deactiveren (p. 199)
•
Elektrische stoelventilatie* activeren/deactiveren (p. 201)
•
Elektrische stuurverwarming* activeren/
deactiveren (p. 202)
•
Parkeerklimaat* (p. 203)
Bediening voor elektrische achterbankverwarming*.
Ventilatorbediening voor achterin.
Temperatuurbediening voor achterin.
Als de auto niet is uitgerust met een klimaatpaneel achter op de tunnelconsole maar wel elektrische achterbankverwarming* heeft, zitten er
fysieke bedieningsknoppen achter op de tunnelconsole.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Automatische klimaatregeling
2.
Bij automatische klimaatregeling regelt de klimaatregeling automatisch meerdere klimaatfuncties.
Druk kort of lang op AUTO.
> De automatische klimaatregeling wordt
geactiveerd/gedeactiveerd en de knop
gaat branden/dooft.
De automatische klimaatregeling regelt
automatisch de luchtrecirculatie, airconditioning en luchtverdeling.
Airconditioning activeren/
deactiveren
De airconditioning koelt en droogt zo nodig de
binnenkomende lucht.
Hoofdairconditioning activeren/
deactiveren
Ventilatorstand en temperatuur worden
afhankelijk van de vraag of u de desbetreffende knop kort of lang indrukt als
volgt gewijzigd:
Knop voor automatische klimaatregeling op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
•
Kort indrukken - voorgaande instelling(en) hervatten.
•
Lang indrukken - standaardinstellingen
(stand 3 en 22 °C/72 °F) hanteren.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 182)
Airconditioningsknop op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Druk op AC.
> De airconditioning wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
N.B.
Sluit zijramen en panoramadak*, zodat de airconditioning normaal functioneert.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 185
KLIMAAT
||
N.B.
N.B.
Het is niet mogelijk de airconditioning te activeren, wanneer de ventilatorknop in stand Off
staat.
Airconditioning derde zitrij* activeren/
deactiveren
Het is niet mogelijk de airconditioning voor de
derde zitrij te activeren, als de hoofdairconditioning uitstaat of als de klimaatregeling voor
de tweede zitrij* uitgeschakeld is.
Temperatuur regelen
De temperaturen voor de linker en rechter zone
zijn elk apart in te stellen. Bij 4-zoneregeling* zijn
ook de temperaturen voor de zones voorin en
achterin elk apart in te stellen.
Temperatuur voorin1 regelen
Automatische inschakeling
klimaatregeling derde zitrij activeren/
deactiveren bij starten van de motor*
U kunt aangeven (bij een auto met 4-zoneregeling*) of de klimaatregeling voor de derde zitrij bij
het starten van de motor al dan niet geactiveerd
moet zijn.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Klimaat 3e rij aan bij motorstart voor
activeren/deactiveren klimaatregeling derde
zitrij bij starten van de motor.
Airconditioningsknop op tab Achter klimatisering op
klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies de tab Achter klimatisering.
3.
Druk op Klimaat 3e rij.
> De airconditioning wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
1 Bij
186
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 182)
Temperatuurknoppen in het klimaatveld.
1.
Druk op de temperatuurknop voor de linker
of rechter zone in het klimaatveld op het middendisplay om de bediening te openen.
2-zoneregeling ook achterin.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Temperatuur synchroniseren
Temperatuur achterin* regelen
Vanaf de voorstoelen
Temperatuurbediening.
2.
Regel de temperatuur door:
•
de bediening naar de gewenste temperatuur te slepen, of
Synchronisatieknop op temperatuurbediening bestuurderszone.
1.
•
op +/− te drukken om de temperatuur in
stapjes te verhogen/verlagen.
> De temperatuur wordt aangepast, waarna
de knop de ingestelde temperatuur aangeeft.
2.
Druk op de temperatuurknop voor de
bestuurderszone in het klimaatveld op het
middendisplay om de bediening te openen.
Druk op Temperatuur synchroniseren .
> De temperatuurinstelling voor alle klimaatzones van de auto wordt gesynchroniseerd met de ingestelde temperatuur voor
de bestuurderszone en naast de temperatuurknop staat het synchronisatiesymbool.
Temperatuurknoppen op tab Achter klimatisering op
klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies de tab Achter klimatisering.
3.
Druk op de temperatuurknop voor de linker
of rechter zone om de bediening te openen.
De synchronisatie is op te heffen door opnieuw
op Temperatuur synchroniseren te drukken of
door de temperatuurinstellingen te wijzigen voor
de passagierszone of voor de zones achterin*.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 187
KLIMAAT
||
Vanaf de achterbank
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 182)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 182)
•
Klimaatregelingsbediening achter op de tunnelconsole* (p. 184)
•
Gevoelstemperatuur (p. 179)
Temperatuurbediening.
4.
Regel de temperatuur door:
•
•
de bediening naar de gewenste temperatuur te slepen
op +/− te drukken om de temperatuur in
stapjes te verhogen/verlagen.
> De temperatuur wordt aangepast, waarna
de knop de ingestelde temperatuur aangeeft.
Temperatuurregeling op klimaatpaneel achter op tunnelconsole.
–
Druk op de < /> -knoppen voor de linker of
rechter zone in het klimaatregelingspaneel
achter op de tunnelconsole om de temperatuur in stapjes te verhogen of te verlagen.
> De temperatuur wordt aangepast, waarna
het scherm van het klimaatpaneel de
ingestelde temperatuur aangeeft.
N.B.
Het is niet mogelijk om het opwarmen/afkoelen te versnellen door een hogere/lagere
temperatuur te kiezen dan die eigenlijk
gewenst is.
188
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Ventilatorstand regelen
De ventilator is in te stellen op zeven verschillende automatische ventilatorstanden alsook op
Off en Max. Bij 4-zoneregeling* zijn de ventilatorstanden voor de zones voorin en achterin elk
apart in te stellen.
Ventilatorstand voorin2 regelen
BELANGRIJK
Als de ventilator volledig uitstaat, start de airconditioning niet, waardoor er mogelijk condens aan de binnenkant van de ruiten
optreedt.
Ventilatorstand achterin* regelen
Vanaf de voorstoelen
3.
Druk op de gewenste ventilatorstand: 1 - 5.
De ventilatorstand voor de tweede en derde
zitrij* is te deactiveren met een druk op
Klimaat tweede rij.
De ventilatorstand voor de derde zitrij is gelijk
aan die voor de tweede zitrij. De ventilatorstand voor de derde zitrij is apart* uit te schakelen door op Klimaat 3e rij te drukken.
> De ventilatorstand wordt aangepast,
waarna de knop voor de gekozen stand
gaat branden.
Ventilatorstandknoppen op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
Ventilatorstandknoppen op tab Achter klimatisering op
klimaatscherm.
2.
Druk op de gewenste ventilatorstand: Off,
1-5 of Max.
> De ventilatorstand wordt aangepast,
waarna de knop voor de gekozen stand
gaat branden.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies de tab Achter klimatisering.
2 Bij
2-zoneregeling ook achterin.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 189
KLIMAAT
||
Vanaf de achterbank
N.B.
De klimaatregeling past de luchtstroom zo
nodig automatisch aan, wat betekent dat de
ventilatorsnelheid kan veranderen ondanks
dat de ventilatorstand ongewijzigd is.
Gerelateerde informatie
Ventilatorregeling op klimaatpaneel achter op tunnelconsole.
–
Druk op de gewenste ventilatorstand: Off of
1-5 op het klimaatpaneel achter op de tunnelconsole.
> De ventilatorstand wordt aangepast,
waarna de knop voor de gekozen stand
gaat branden.
Ontwaseming van ruiten en
buitenspiegels activeren/
deactiveren
De drie klimaatregelingsfuncties maximale ontwaseming, elektrische voorruitverwarming* en
elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming dienen om de ruiten en buitenspiegels snel
van condens en ijs te ontdoen.
•
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 182)
Via fysieke knoppen op middenconsole
•
Klimaatregelingsbediening achter op de tunnelconsole* (p. 184)
Op de middenconsole zitten fysieke knoppen die
toegang bieden tot de ontwasemingsfuncties.
Met elektrische voorruitverwarming* is de maximale ontwaseming alleen individueel te activeren
vanuit het klimaatscherm op het middendisplay.
N.B.
De ventilatorstand voor achterin is niet in te
stellen, als de ventilatorstand voor voorin is
ingesteld op Off.
190
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Auto's met elektrische voorruitverwarming:
Vanuit klimaatscherm op middendisplay
–
Maximale ontwaseming activeren/
deactiveren
Druk meerdere keren op de knop (1) om de
drie standen te doorlopen:
•
elektrische voorruitverwarming geactiveerd
•
Elektrische voorruitverwarming en maximale ontwaseming geactiveerd
•
Gedeactiveerd.
> De elektrische voorruitverwarming en
maximale ontwaseming worden geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
Fysieke knoppen op middenconsole.
Knop voor elektrische achterruitverwarming*
en maximale ontwaseming.
N.B.
Knop voor elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming.
Auto's zonder elektrische voorruitverwarming:
–
Druk op de knop (1).
> De maximale ontwaseming wordt geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
Wanneer u de elektrische achterruitverwarming deactiveert door de knop tweemaal snel
in te drukken, wordt de maximale ontwaseming met enige vertraging ingeschakeld om
een tijdelijke verhoging van de ventilatorstand
tegen te gaan.
Knop voor maximale ontwaseming op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming:
–
Druk op de knop (2).
> De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming worden geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 191
KLIMAAT
||
2.
Druk op Max.
> De maximale ontwaseming wordt geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
Elektrische voorruitverwarming* activeren/
deactiveren
Bij maximale ontwaseming worden de
automatische klimaatregeling en de luchtrecirculatie gedeactiveerd, wordt de airconditioning geactiveerd, de ventilatorstand gewijzigd in 5 en de temperatuur in
HI.
N.B.
Als u de elektrische voorruitverwarming activeert, wanneer Start/Stop de motor automatisch heeft afgezet, wordt de motor opnieuw
gestart.
Bij deactivering van de maximale ontwaseming hervat de klimaatregeling de eerder verrichte instellingen.
N.B.
Het geluidsniveau neemt toe wanneer de
ventilatorstand wordt gewijzigd in 5.
N.B.
De elektrische voorruitverwarming kan de
prestaties van transponders en andere communicatie-apparatuur beïnvloeden.
Knop voor elektrische voorruitverwarming op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Druk op Elektrisch.
> De elektrische voorruitverwarming wordt
geactiveerd/gedeactiveerd en de knop
gaat branden/dooft.
N.B.
Aan de beide uiteinden van de voorruit zitten
driehoekige gebieden zonder elektrische verwarming, zodat het ontdooien daar mogelijk
langer duurt.
192
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming activeren/
deactiveren
het starten van de motor al dan niet geactiveerd
is. Met automatische inschakeling geactiveerd zal
de elektrische verwarming starten bij een risico
van ijs op de ruit. De elektrische verwarming
wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer de ruit
warm genoeg is en het ijs is verdwenen.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Automat. elek. voorruitverwarming
om automatische inschakeling van elektrische voorruitverwarming te activeren/deactiveren.
Kies Autom. elek. achterruitverwarming
om automatische inschakeling van elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
te activeren/deactiveren.
Knop voor elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming op klimaatscherm.
1.
2.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
Druk op Achter.
> De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming worden geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
Automatische inschakeling van
elektrische ruitverwarming activeren/
deactiveren
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische voorruitverwarming* en elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming bij
Gerelateerde informatie
•
•
Luchtrecirculatie activeren/
deactiveren
De luchtrecirculatie houdt vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten het interieur door geen
lucht van buiten aan te zuigen.
Luchtrecirculatieknop op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Druk op Recirc..
> De luchtrecirculatie wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
Klimaatregelingsbediening (p. 182)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 182)
BELANGRIJK
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
beslaat mogelijk de binnenzijde van de ruiten.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 193
KLIMAAT
||
N.B.
De luchtrecirculatie is niet te activeren, wanneer u de maximale ontwaseming hebt ingeschakeld.
Luchtverdeling
De klimaatregeling verdeelt de binnenkomende
lucht over uiteenlopende blaasmonden verspreid
over het interieur.
Overzicht van de luchtverdeling
Timer voor luchtrecirculatie activeren/
deactiveren
U kunt instellen of een timer voor de luchtrecirculatie geactiveerd of gedeactiveerd moet zijn. Met
de timer geactiveerd wordt de luchtrecirculatie
automatisch na 20 minuten uitgeschakeld.
1.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Recirculatietimer om de timer voor de
luchtrecirculatie te activeren/deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
Positie van instelbare blaasmonden in interieur.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 182)
Bij 2-zoneregeling zitten er vier blaasmonden
in het dashboard en twee in de portierstijlen
(in elk van beide één) tussen voor- en achterportier.
Extra bij 4-zoneregeling* - twee blaasmonden achter in de tunnelconsole.
Luchtverdeling bij interieur met 4 klimaatzones.
Extra bij 4-zoneregeling* en zeven zitplaatsen - twee blaasmonden in de portierstijlen
(in elk van beide) achter de achterportieren.
Automatische en handmatige
luchtverdeling
Wanneer u de automatische klimaatregeling hebt
geactiveerd, verloopt de luchtverdeling automatisch. De luchtverdeling is zo nodig handmatig bij
te regelen.
N.B.
Let erop dat kleine kinderen gevoelig kunnen
zijn voor luchtstromen en tocht.
Instelbare blaasmonden
Afhankelijk van het type klimaatregeling en het
aantal zitplaatsen zitten er 6, 8* of 10* instelbare
blaasmonden in het interieur.
194
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregeling (p. 178)
Luchtverdeling wijzigen (p. 195)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
•
•
•
Blaasmonden openen/sluiten en richten
(p. 196)
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 197)
Luchtverdeling wijzigen
De luchtverdeling is desgewenst handmatig te
wijzigen.
Automatische klimaatregeling (p. 185)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Luchtverdeling (p. 194)
Blaasmonden openen/sluiten en richten
(p. 196)
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 197)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 182)
Luchtverdelingsknoppen op klimaatscherm.
Luchtverdeling - ontwasemingsopeningen
voorruit
Luchtverdeling - blaasmonden dashboard en
middenconsole
Luchtverdeling - blaasmonden vloer
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Druk op een of meer luchtverdelingsknoppen
om de desbetreffende blaasmond(en) te
openen/sluiten.
> De luchtverdeling wordt gewijzigd, waarna
de knoppen gaan branden/doven.
195
KLIMAAT
Blaasmonden openen/sluiten en
richten
Blaasmonden openen/sluiten
Blaasmonden richten
Duimwiel van blaasmond3.
Hendeltje van blaasmond3.
–
–
Sommige blaasmonden in het interieur zijn apart
te openen, sluiten en richten.
Als u de blaasmonden in de portierstijlen en aan
beide uiteinden van het dashboard op de zijruiten
richt, kunt u condens elimineren.
Als u de blaasmonden in de portierstijlen naar
binnen richt, creëert u een warm en comfortabel
autoklimaat.
Draai aan het duimwiel om de luchtaanvoer
uit de blaasmond te openen/sluiten.
De luchtaanvoer neemt toe naarmate er
meer van de witte lijnen op het duimwiel
zichtbaar zijn.
3
196
Schematische afbeelding - de uitvoering van de blaasmond verschilt afhankelijk van de locatie.
Beweeg de hendel naar links/rechts of
omhoog/omlaag om de luchtstroom uit de
blaasmond te richten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Luchtverdeling (p. 194)
Luchtverdeling wijzigen (p. 195)
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 197)
KLIMAAT
Tabel met luchtverdelingsstanden
De luchtverdeling is desgewenst handmatig te
wijzigen. De volgende standen zijn in te stellen.
Luchtverdeling
Doel
Bij deactivering van alle luchtverdelingsknoppen in de handmatige stand schakelt de klimaatregeling weer over op automatische klimaatregeling.
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Gaat condens- en ijsvorming tegen (om dat te realiseren mag de ventilatorstand niet te laag zijn).
De meeste lucht komt uit de blaasmonden in het dashboard. Er komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende koeling bij warm weer.
De meeste lucht komt uit de blaasmonden bij de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor verwarming of koeling van de voetenruimte.
}}
197
KLIMAAT
||
Luchtverdeling
Doel
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen en blaasmonden in het dashboard. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort bij warm en droog weer.
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen en de blaasmonden bij de
vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort en ontwaseming bij koud
en vochtig weer.
De meeste lucht komt uit de blaasmonden in het dashboard en de blaasmonden bij
de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort bij zonnig weer en matige
buitentemperaturen.
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen, de blaasmonden in het
dashboard en de blaasmonden bij de vloer.
Voor koelere lucht naar de vloer bij warm en droog
weer of warmere lucht naar de rest van het
lichaam bij koud weer.
Gerelateerde informatie
•
•
198
Luchtverdeling (p. 194)
Luchtverdeling wijzigen (p. 195)
•
Blaasmonden openen/sluiten en richten
(p. 196)
•
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 182)
KLIMAAT
Elektrische stoelverwarming*
activeren/deactiveren
2.
De stoelverwarming is te activeren om het comfort voor bestuurder en inzittenden te verhogen,
wanneer het koud is.
Elektrische voorstoelverwarming*
activeren/deactiveren
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stoelverwarming om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Middel en
Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
3.
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stoelverwarming om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Middel en
Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
Elektrische achterbankverwarming*
activeren/deactiveren
Vanaf de voorstoelen*
Stuur- en stoelknoppen in het klimaatveld.
1.
Druk op de stuur-/stoelknop voor de linker of
rechter zone in het klimaatveld op het middendisplay om de bediening voor de stoelen
en het stuurwiel te openen.
Knoppen voor elektrische stoelverwarming in de groep
Achter klimatisering op het klimaatscherm.
1.
Als de auto niet is uitgerust met stoelventilatie of elektrische stuurverwarming staat de
knop voor elektrische stoelverwarming direct
in het klimaatveld.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies de tab Achter klimatisering.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 199
KLIMAAT
||
Vanaf de achterbank
Met 2-zoneregeling:
Met 4-zoneregeling*:
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed
kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt
of die om een andere reden moeilijkheden
hebben om de elektrisch verwarmde stoel te
bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan.
Automatische inschakeling van
elektrische stoel-/
achterbankverwarming activeren/
deactiveren
Knoppen voor elektrische achterbankverwarming achter
op tunnelconsole.
–
Druk meerdere keren op de fysieke knoppen
voor de elektrische achterbankverwarming
achter op de tunnelconsole om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Middel en
Laag.
> Na wijziging van de stand geven de ledjes
in de knop de ingestelde stand aan.
Stoelverwarmingsindicatie en bediening op klimaatpaneel achter op tunnelconsole.
–
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische achterbankverwarming in het klimaatpaneel op de tunnelconsole om de vier
standen te doorlopen: Uit, Hoog, Middel en
Laag.
> De stand wordt aangepast, waarna het
scherm van het klimaatpaneel de ingestelde stand aangeeft.
N.B.
De elektrische achterbankverwarming wordt
na 15 minuten automatisch uitgeschakeld.
200
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische stoel-/achterbankverwarming bij
het starten van de motor al dan niet geactiveerd
is. Met automatische inschakeling geactiveerd zal
de elektrische verwarming starten bij een lage
omgevingstemperatuur.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies onder Niveau aut. verwarming
best.stoel en Niveau aut. verwarming
pass.stoel voor Uit, Laag, Middel of Hoog
voor het activeren/deactiveren en niveauselectie voor automatische start van elektrische
stoelverwarming voorin.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Klimaatregelingsbediening (p. 182)
Elektrische stoelventilatie*
activeren/deactiveren
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 182)
De stoelventilatie is in te schakelen om bijvoorbeeld vochtige kleding te drogen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Klimaatregelingsbediening achter op de tunnelconsole* (p. 184)
Elektrische voorstoelventilatie
activeren/deactiveren
Het ventilatiesysteem bestaat uit ventilatoren in
de zittingen en de rugleuningen die lucht door de
bekleding heen aanzuigen. Naarmate de lucht in
het interieur kouder is, neemt het koelingseffect
toe. Het systeem is te activeren wanneer de
motor draait en houdt rekening met de stoeltemperatuur, ingestraalde zonnewarmte en buitentemperatuur.
Stuur- en stoelknoppen in het klimaatveld.
1.
Druk op de stuur-/stoelknop voor de linker of
rechter zone in het klimaatveld op het middendisplay om de bediening voor de stoelen
en het stuurwiel te openen.
Als de auto niet is uitgerust met elektrische
stoelverwarming of elektrische stuurverwarming staat de knop voor stoelventilatie direct
in het klimaatveld.
2.
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stoelventilatie om de vier standen
te doorlopen: Uit, Hoog, Middel en Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 201
KLIMAAT
||
N.B.
Wie tochtgevoelig is dient de stoelventilatie
met beleid te gebruiken. Voor langdurig
gebruik wordt niveau Laag geadviseerd.
BELANGRIJK
Elektrische stuurverwarming*
activeren/deactiveren
De stuurverwarming is te activeren om het stuurcomfort te verhogen, wanneer het koud is.
Elektrische stuurverwarming activeren/
deactiveren
Bij een te lage interieurtemperatuur is inschakeling van de stoelventilatie niet mogelijk. Dit
om te voorkomen dat de passagier op de
bewuste stoel onderkoeld raakt.
Klimaatregelingsbediening (p. 182)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 182)
Automatische inschakeling van
elektrische stuurverwarming activeren/
deactiveren
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Stuur- en stoelknoppen in het klimaatveld.
2.
Druk op Klimaat.
1.
3.
Kies onder Niveau aut.
stuurwielverwarming voor Uit, Laag,
Middel of Hoog voor het activeren/deactiveren en niveauselectie voor automatische
start van elektrische stuurverwarming.
Druk op de stuur-/stoelknop voor de
bestuurderszone in het klimaatveld op het
middendisplay om de bediening voor de
stoelen en het stuurwiel te openen.
Als de auto niet is uitgerust met elektrische
stoelverwarming of stoelventilatie staat de
knop voor elektrische stuurverwarming direct
in het klimaatveld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
202
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stuurverwarming om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Middel en
Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische stuurverwarming bij het starten
van de motor al dan niet geactiveerd is. Met automatische inschakeling geactiveerd zal de elektrische verwarming starten bij een lage omgevingstemperatuur.
Gerelateerde informatie
•
•
2.
Klimaatregelingsbediening (p. 182)
Klimaatregelingsbediening op het middendisplay (p. 182)
Stuurwiel (p. 134)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Parkeerklimaat*
Het interieurklimaat is vooraf te regelen middels
preconditioning of te handhaven nadat u de auto
geparkeerd hebt.
Preconditioning is direct in te schakelen of via
een timer te programmeren.
De functie maakt afhankelijk van de situatie
gebruik van uiteenlopende systemen:
De functie maakt afhankelijk van de situatie
gebruik van uiteenlopende systemen:
•
Bij koud weer wordt het interieur met de
restwarmte van de motor opgewarmd naar
de comforttemperatuur.
•
De ventilator koelt bij warm weer het interieur af naar de actuele buitentemperatuur.
•
De standverwarming* warmt bij koud weer
het interieur op naar de comforttemperatuur
en warmt eveneens de motor op.
•
De ventilator koelt bij warm weer het interieur af naar de actuele buitentemperatuur.
N.B.
Handhaving klimaatcomfort wordt uitgeschakeld als de auto van buitenaf wordt vergrendeld om niet onnodig restwarmte te gebruiken. De functie dient om het klimaatcomfort
te behouden, wanneer u en/of passagiers in
de auto achterblijven.
N.B.
Bij preconditioning van het interieur gaat het
erom de auto te verwarmen tot een behaaglijke temperatuur te brengen en tot de op de
klimaatregeling ingestelde temperatuur.
Handhaving klimaatcomfort
Het interieurklimaat van de auto is tijdens het
parkeren nog enige tijd te handhaven, bijvoorbeeld als u of een of meer inzittenden na uitschakeling van de motor in de auto willen blijven
zitten en het klimaatcomfort wensen te handhaven.
Preconditioning en handhaving klimaatcomfort worden
aangestuurd vanaf tab Standklimatisering op het klimaatscherm op het middendisplay.
Preconditioning
Preconditioning vooraf beperkt de slijtage en het
stroomverbruik tijdens het rijden.
Handhaving klimaatcomfort is alleen direct in te
schakelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregeling (p. 178)
Preconditioning* inschakelen/uitschakelen
(p. 204)
•
•
Timer voor preconditioning* (p. 205)
•
Symbolen en meldingen voor parkeerklimaat*
(p. 209)
•
•
Verwarming* (p. 210)
Handhaving klimaatcomfort inschakelen/
uitschakelen* (p. 207)
Standverwarming* (p. 211)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 203
KLIMAAT
Preconditioning* inschakelen/
uitschakelen
3.
De preconditioning verwarmt het interieur en de
motor óf koelt het interieur af vóór het rijden. De
functie is vanaf het middendisplay of een mobiele telefoon direct in te schakelen.
Inschakelen/uitschakelen via
middendisplay
Druk op Preconditioning.
> De preconditioning wordt ingeschakeld/
uitgeschakeld en de knop gaat branden/
dooft.
N.B.
Houd de portieren en ruiten van de auto dicht
bij het gebruik van de preconditioning.
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
•
•
Preconditioningsknop op tab Standklimatisering op
klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies de tab Standklimatisering.
4
204
•
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de kachel worden uitlaatgassen geproduceerd.
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, houtmeel, enz. kunnen
ontbranden.
Als de kans bestaat dat de uitlaat van de
verwarming is geblokkeerd. Een pak
sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan bijvoorbeeld de ventilatie van de verwarming
verhinderen.
Houd er rekening mee dat de preconditioning
kan starten op grond van een eerder geprogrammeerd timertijdstip.
Via mobiele telefoon* starten
Via een mobiele telefoon met de mobiele app
Volvo On Call* is het mogelijk de preconditioning
in te schakelen én informatie te krijgen over de
gekozen instellingen. De preconditioning warmt
het interieur op naar de comforttemperatuur óf
koelt het interieur af naar de actuele buitentemperatuur.
Om het interieur ook te kunnen afkoelen naar de
comforttemperatuur (met de airconditioning van
de auto) kan de afstandsstart motor (Engine
Remote Start - ERS)4 via de Volvo On Call* mobiele app worden gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerklimaat* (p. 203)
Timer voor preconditioning* (p. 205)
Handhaving klimaatcomfort inschakelen/
uitschakelen* (p. 207)
•
Symbolen en meldingen voor parkeerklimaat*
(p. 209)
•
Verwarming* (p. 210)
Bepaalde automodellen en markten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Timer voor preconditioning*
U kunt de timer dusdanig instellen dat de preconditioning gereed is op een bepaald tijdstip.
De timer kan tot 8 verschillende instellingen hanteren voor:
•
•
Timer voor preconditioning*
instellen
3.
De timer voor preconditioning kan tot 8 verschillende tijdstippen hanteren.
Tijdstip toevoegen
een tijdstip op een bepaalde datum
een tijdstip op één of meer dagen van de
week, voor eenmalige of terugkerende activering.
Gerelateerde informatie
Druk op Timer toevoegen.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
N.B.
Het is niet mogelijk om meer tijdstippen te
programmeren, als er al 8 timerinstellingen
bestaan. Om een nieuw tijdstip te kunnen
toevoegen moet u eerst een ouder tijdstip
verwijderen.
4.
Parkeerklimaat* (p. 203)
Druk op Datum om een tijdstip in te stellen
voor een bepaalde datum.
Timer voor preconditioning* instellen
(p. 205)
Druk op Dagen om een tijdstip in te stellen
voor één of meer dagen van de week.
•
Timer voor preconditioning* activeren/deactiveren (p. 207)
•
Preconditioning* inschakelen/uitschakelen
(p. 204)
De knop voor tijdstip toevoegen op de tab
Standklimatisering op het klimaatscherm.
Met Dagen: Activeer/deactiveer de repeteerfunctie door het vakje voor Wekelijks
herhalen aan/uit te vinken.
•
Symbolen en meldingen voor parkeerklimaat*
(p. 209)
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies de tab Standklimatisering.
•
•
5.
Met Datum: Kies een datum voor de preconditioning door met de pijltoetsen in de
datumlijst te bladeren.
Met Dagen: Kies een dag van de week voor
de preconditioning door op de knoppen voor
de dagen van de week te drukken.
6.
Stel het tijdstip in dat de preconditioning
moet zijn afgerond door te bladeren met de
pijltoetsen op de klok.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 205
KLIMAAT
||
7.
Druk op Bevestig om het ingestelde tijdstip
toe te voegen.
> Het ingestelde tijdstip wordt toegevoegd
aan de lijst en geactiveerd.
4.
Bewerk het tijdstip op dezelfde manier als bij
"Tijdstip toevoegen" hierboven.
Ingesteld tijdstip verwijderen
Gerelateerde informatie
•
•
•
WAARSCHUWING
Timer voor preconditioning* (p. 205)
Timer voor preconditioning* activeren/deactiveren (p. 207)
Verwarming* (p. 210)
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
•
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de kachel worden uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, houtmeel, enz. kunnen
ontbranden.
•
Als de kans bestaat dat de uitlaat van de
verwarming is geblokkeerd. Een pak
sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan bijvoorbeeld de ventilatie van de verwarming
verhinderen.
Houd er rekening mee dat de preconditioning
kan starten op grond van een eerder geprogrammeerd timertijdstip.
De knop voor lijst bewerken/ingesteld tijdstip verwijderen op de tab Standklimatisering op het klimaatscherm.
1.
2.
Kies de tab Standklimatisering.
3.
Druk op Lijst bewerken.
4.
Druk op het verwijderingspictogram rechts in
de lijst.
> Het pictogram verandert in de tekst
Wissen.
5.
Druk ter bevestiging op Wissen.
> Het ingestelde tijdstip wordt uit de lijst
verwijderd.
Ingesteld tijdstip bewerken
206
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies de tab Standklimatisering.
3.
Druk op het tijdstip dat u wilt wijzigen.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Timer voor preconditioning*
activeren/deactiveren
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
Zo nodig kunt u een timertijdstip voor de preconditioning activeren of deactiveren.
•
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de kachel worden uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, houtmeel, enz. kunnen
ontbranden.
Handhaving klimaatcomfort
inschakelen/uitschakelen*
Bij handhaving van het klimaatcomfort wordt na
afloop van een rit het interieurklimaat nog enige
tijd geregeld. De functie is vanaf het middendisplay direct in te schakelen.
•
Als de kans bestaat dat de uitlaat van de
verwarming is geblokkeerd. Een pak
sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan bijvoorbeeld de ventilatie van de verwarming
verhinderen.
Houd er rekening mee dat de preconditioning
kan starten op grond van een eerder geprogrammeerd timertijdstip.
Timerknoppen op tab Standklimatisering op klimaatscherm.
1.
2.
3.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
Kies de tab Standklimatisering.
Activeer/deactiveer een tijdstip door op de
timerknop rechts van het desbetreffende tijdstip te drukken.
> Het ingestelde tijdstip wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Timer voor preconditioning* (p. 205)
Knop voor handhaving klimaatcomfort op tab
Standklimatisering op klimaatscherm.
1.
Timer voor preconditioning* instellen (p. 205)
Verwarming* (p. 210)
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies de tab Standklimatisering.
3.
Druk op Handhaaf klimaatcomfort.
> Handhaving klimaatcomfort wordt ingeschakeld/uitgeschakeld en de knop gaat
branden/dooft.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 207
KLIMAAT
||
N.B.
Als de restwarmte van de motor niet voldoende is om het interieurklimaat te handhaven, kunt u de functie voor behoud van het
klimaatcomfort niet starten.
N.B.
Handhaving klimaatcomfort wordt uitgeschakeld als de auto van buitenaf wordt vergrendeld om niet onnodig restwarmte te gebruiken. De functie dient om het klimaatcomfort
te behouden, wanneer u en/of passagiers in
de auto achterblijven.
Gerelateerde informatie
•
•
208
Parkeerklimaat* (p. 203)
Preconditioning* inschakelen/uitschakelen
(p. 204)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Symbolen en meldingen voor
parkeerklimaat*
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van
het parkeerklimaat.
Symbool
Melding
Betekenis
Standklimatisering
Het parkeerklimaat is niet te activeren wanneer het brandstofpeil te gering is voor inschakeling van de standverwarming*. In bepaalde gevallen kan het parkeerklimaat toch worden geactiveerd, maar met een beperkte
functionaliteit. Vul de brandstoftank bij.
Niet beschikbaar, te laag
brandstofniveau
Standklimatisering
Niet beschikbaar, te laag
accuniveau
Het parkeerklimaat is niet te activeren wanneer de ladingsgraad van de startaccu te gering is voor inschakeling van de standverwarming*. In bepaalde gevallen kan het parkeerklimaat toch worden geactiveerd, maar
met een beperkte functionaliteit. Laad de startaccu bij.
Niet beschikbaar, te laag
niveau brandstof en accu
Het parkeerklimaat is niet te activeren wanneer de ladingsgraad van de startaccu en het brandstofpeil te
gering zijn voor inschakeling van de standverwarming*. In bepaalde gevallen kan het parkeerklimaat toch worden geactiveerd, maar met een beperkte functionaliteit. Laad de startaccu bij en vul de brandstoftank bij.
Standklimatisering
Parkeerklimaat is defect. Bezoek een werkplaatsA om de werking zo spoedig mogelijk te laten controleren.
Standklimatisering
Service vereist
A
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerklimaat* (p. 203)
Preconditioning* inschakelen/uitschakelen
(p. 204)
•
•
•
Timer voor preconditioning* (p. 205)
Verwarming* (p. 210)
Meldingsfuncties op bestuurders- en middendisplay (p. 107)
Handhaving klimaatcomfort inschakelen/
uitschakelen* (p. 207)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 209
KLIMAAT
Verwarming*
Dankzij de verwarming komen motor en interieur
zowel vóór als tijdens het rijden sneller op temperatuur.
N.B.
N.B.
Zorg ervoor dat het laadpercentage van de
accu hoog genoeg is als de verwarming moet
worden gebruikt.
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval de verwarming
moet worden ingeschakeld.
De verwarming heeft twee deelfuncties:
•
•
Standverwarming - verwarmt zo nodig de
motor en het interieur bij geactiveerde preconditioning*.
Brandstof en tanken
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan vlam vatten. Schakel
voordat u gaat tanken de verwarming op
brandstof uit.
Extra verwarming - verwarmt zo nodig het
interieur en de motor tijdens het rijden.
Controleer op het bestuurdersdisplay of de
verwarming is uitgeschakeld; wanneer deze
werkt, verschijnt het verwarmingssymbool.
De verwarming werkt op brandstof en is op de
wielkast rechtsvoor gemonteerd.
Gerelateerde informatie
N.B.
Wanneer de verwarming actief is, kan er rook
uit de wielkast rechtsvoor komen. Ook is er
wellicht een dof geluid hoorbaar. Dit is volkomen normaal.
Accu en opladen
De verwarming wordt aangedreven door de startaccu van de auto. Als de ladingsgraad van de
startaccu te laag is, wordt de verwarming automatisch uitgeschakeld en geeft het bestuurdersdisplay een melding weer.
210
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
•
•
•
Standverwarming* (p. 211)
Extra verwarming* (p. 212)
Parkeerklimaat* (p. 203)
De verwarming maakt gebruik van brandstof uit
de normale brandstoftank van de auto.
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert,
moet u ervoor zorgen dat de voorkant van de
auto omlaagwijst. Zo krijgt de verwarming altijd
voldoende brandstof.
Als het niveau in de brandstoftank te laag is,
wordt de verwarming automatisch uitgeschakeld
en geeft het bestuurdersdisplay een melding
weer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
Standverwarming*
N.B.
WAARSCHUWING
De standverwarming helpt om vóór het wegrijden het interieur op de juiste temperatuur te
brengen.
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval de verwarming
moet worden ingeschakeld.
De standverwarming is een van twee deelfuncties
van de verwarming van de auto. De verwarming is
op de wielkast rechtsvoor gemonteerd.
•
Zorg dat het laadpercentage van de startaccu
hoog genoeg is als de verwarming moet worden gebruikt.
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de kachel worden uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, houtmeel, enz. kunnen
ontbranden.
N.B.
BELANGRIJK
Wanneer de verwarming actief is, kan er rook
uit de wielkast rechtsvoor komen. Ook is er
wellicht een dof geluid hoorbaar. Dit is volkomen normaal.
Als de standkachel herhaaldelijk en in combinatie met korte ritten wordt gebruikt, ontlaadt
de accu met startproblemen als gevolg.
De standverwarming wordt automatisch ingeschakeld, wanneer extra verwarming nodig is bij
geactiveerde preconditioning* van het parkeerklimaat.
Om te zorgen dat de oplading van de accu in
balans is met het stroomverbruik van de
standkachel moet u bij regelmatig gebruik van
de kachel net zo lang met de auto rijden als
dat de kachel wordt gebruikt. Gebruik de
standkachel per keer maximaal 40 minuten
lang.
Deze wordt vervolgens automatisch uitgeschakeld wanneer de juiste temperatuur, de tijd voor
een ingestelde timer of de maximale looptijd van
de verwarming is bereikt.
De verwarming werkt maximaal 40 minuten achtereen.
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
•
Als de kans bestaat dat de uitlaat van de
verwarming is geblokkeerd. Een pak
sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan bijvoorbeeld de ventilatie van de verwarming
verhinderen.
Houd er rekening mee dat de preconditioning
kan starten op grond van een eerder geprogrammeerd timertijdstip.
WAARSCHUWING
Als u brandstof ruikt, ongebruikelijk veel of
zwarte rook ziet of ongebruikelijke brandende
geluiden vanuit de standverwarming hoort,
moet u de verwarming uitschakelen en indien
mogelijk de zekering van de standverwarming
eruit halen. Volvo adviseert u om voor reparatie contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 211
KLIMAAT
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Verwarming* (p. 210)
Extra verwarming* (p. 212)
Parkeerklimaat* (p. 203)
Zekeringen in motorruimte (p. 528)
Extra verwarming*
Dankzij de extra verwarming komen het interieur
en de motor tijdens het rijden sneller op temperatuur.
De extra verwarming is een van twee deelfuncties
van de verwarming van de auto. De verwarming is
op de wielkast rechtsvoor gemonteerd.
N.B.
Automatische inschakeling van extra
verwarming activeren/deactiveren
U kunt de automatische inschakeling van de
extra verwarming desgewenst activeren/deactiveren.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Extra verwarming voor activeren/
deactiveren automatische inschakeling van
extra verwarming.
Wanneer de verwarming actief is, kan er rook
uit de wielkast rechtsvoor komen. Ook is er
wellicht een dof geluid hoorbaar. Dit is volkomen normaal.
N.B.
Volvo adviseert u om de automatische start
van de extra verwarming uit te schakelen tijdens korte ritten.
De extra verwarming start en wordt automatisch
aangestuurd als tijdens het rijden verwarming
nodig is.
Deze wordt vervolgens automatisch uitgeschakeld wanneer de auto wordt uitgeschakeld.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
•
Verwarming* (p. 210)
Standverwarming* (p. 211)
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval de verwarming
moet worden ingeschakeld.
Zorg dat het laadpercentage van de startaccu
hoog genoeg is als de verwarming moet worden gebruikt.
212
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Auto-interieur
Derde zitrij*
Overzicht van het auto-interieur en de opbergmogelijkheden.
Voorstoel
Opbergmogelijkheden met bekerhouders, asbak*,
stroomaansluitingen en aansteker* alsmede AUX/USBingang in de tunnelconsole.
Opbergvakken en bekerhouders in zijpaneel en opbergvak tussen zitplaatsen.
Tweede zitrij
WAARSCHUWING
Opbergvakken in het portierpaneel en bij het stuurwiel,
dashboardkastje en zonnekleppen.
Bewaar losse voorwerpen, zoals een mobiele
telefoon, camera, afstandsbediening voor
extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of
andere opbergruimten. Bij krachtig afremmen
of een botsing kunnen deze anders inzittenden verwonden.
Gerelateerde informatie
Opbergvakken en asbak* in het portierpaneel, bekerhouders* in de rugleuning van de middelste zitplaats,
opbergnet* op de rugleuning van de voorstoel alsmede
stroomaansluitingen en aansteker* in de tunnelconsole.
214
•
•
•
•
•
Tunnelconsole (p. 215)
Dashboardkastje gebruiken (p. 221)
Zonnekleppen (p. 221)
stroomaansluitingen (p. 216)
Asbakken* legen (p. 220)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Tunnelconsole
De tunnelconsole zit tussen de voorstoelen.
•
•
•
•
Aansteker gebruiken* (p. 220)
Asbakken* legen (p. 220)
Media aansluiten via AUX/USB-poort
(p. 435)
Klimaatregelingsbediening achter op de tunnelconsole* (p. 184)
Opbergvak.
Opbergvak met bekerhouders voor bestuurder en voorpassagier alsmede een 12V-aansluiting. Als u voor een asbak en aansteker
hebt gekozen, zit er een aansteker op de
plaats van de 12V-aansluiting voorin en een
uitneembare asbak in de ruimte voor de
bekerhouders.
Opbergvak en AUX/USB-aansluiting onder
middenarmsteun.
Klimaatregeling voor klimaatfuncties achterin* of opbergvak.
Gerelateerde informatie
•
•
Auto-interieur (p. 214)
stroomaansluitingen (p. 216)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 215
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
stroomaansluitingen
Elektrische 230V-aansluiting*
3.
Achter in de tunnelconsole zitten twee 12V-aansluitingen plus een 230V-aansluiting* en in de
bagageruimte zit ook nog een 12V-aansluiting*.
Trek de afdekking omhoog als de aansluiting
niet wordt gebruikt of als de aansluiting zonder toezicht wordt achtergelaten.
Het elektrische systeem van de auto moet minimaal in contactslotstand I staan, anders geven de
aansluitingen geen stroom. Vervolgens blijven de
aansluitingen actief zolang de ladingstoestand
van de startaccu niet te laag is.
Als de motor wordt uitgeschakeld en de auto
wordt vergrendeld, worden de aansluitingen
gedeactiveerd. Als de motor wordt uitgeschakeld
en de auto niet wordt vergrendeld óf wordt vergrendeld met tijdelijk gedeactiveerde Safelockfunctie, blijven de aansluitingen nog maximaal 10
minuten actief.
BELANGRIJK
U kunt de aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 230 V
werken, zoals laders of laptops.
BELANGRIJK
Het maximale vermogen is 150 W.
Aansluiting gebruiken
1. Trek de afdekking voor de aansluiting
omlaag en sluit de stekker van het accessoire aan.
> De led op de aansluiting geeft de status
aan.
2.
216
•
Gebruik geen accessoires met grote of
zware contacten - ze kunnen de aansluiting beschadigen of losgaan tijdens het
rijden.
•
Gebruik geen accessoires die storingen
kunnen veroorzaken, bijv. in de radio-ontvanger of het elektrische systeem van de
auto.
•
Plaats het accessoire zo, dat het bestuurder of passagiers bij krachtig remmen of
een botsing niet kan verwonden.
•
Houd aangesloten accessoires in de
gaten, aangezien ze warmte kunnen produceren waaraan passagiers zich kunnen
branden. Ook kan het interieur hierdoor
worden beschadigd.
230V-aansluiting in tunnelconsole, tweede zitrij.
N.B.
Denk eraan dat het gebruik van de elektrische aansluitingen met uitgeschakelde motor
het risico met zich meebrengt dat het laadniveau van de startaccu te laag wordt, wat
andere functies kan beperken.
Ontkoppel het accessoire door de stekker
eruit te trekken. Trek niet aan de kabel.
Controleer of de led constant groen brandt;
alleen dan geeft de aansluiting stroom.
WAARSCHUWING
•
Gebruik alleen onbeschadigde accessoires zonder mankementen. De accessoires
moeten bestemd zijn voor 230 V en 50
Hz, met contacten die op de aansluiting
zijn berekend. De accessoires moeten
een CE-markering, een UL-markering of
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
een vergelijkbare veiligheidsaanduiding
hebben.
•
Laat aansluiting, contact of accessoires
nooit in aanraking komen met water of
een andere vloeistof. Gebruik de aansluiting niet en raak deze niet aan als hij
beschadigd lijkt of in aanraking is
geweest met water of een andere vloeistof.
•
Sluit geen contactdozen, adapters of verlengsnoeren aan op de aansluiting. Daardoor zouden de veiligheidsfuncties van de
aansluiting omzeild kunnen worden.
Statusindicatie
Een led op de aansluiting geeft de status van de
aansluiting aan:
•
De aansluiting is voorzien van een stopcontactbeschermer. Let op dat niemand
in de aansluiting peutert of deze zo
beschadigt, dat de beschermer niet langer werkt. Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto achter als de aansluiting
actief is.
Negeren van bovenstaande aanmaningen kan
in sterke of levensgevaarlijke elektrische
schokken resulteren.
Statusindicatie
Oorzaak
Maatregel
Led brandt constant
groen
De aansluiting levert stroom aan een aangesloten stekker.
Geen.
}}
217
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
||
Statusindicatie
Oorzaak
Maatregel
Led knippert oranje
De spanningsomvormer van de aansluiting is te warm (bijvoorbeeld als
het accessoire te veel vermogen nodig heeft of als het interieur te warm
is).
Haal de stekker eruit, laat de spanningsomvormer
afkoelen en sluit de stekker weer aan.
Het aangesloten accessoire heeft te veel vermogen nodig (tijdelijk of
constant) of werkt niet.
Geen. Het accessoire kan de aansluiting niet gebruiken.
De aansluiting detecteert niet dat er een stekker is aangesloten op de
aansluiting.
Controleer of de stekker goed in de aansluiting is aangebracht.
De aansluiting is niet actief.
Zet het elektrische systeem van de auto minimaal in
contactslotstand I.
De aansluiting is actief geweest, maar is gedeactiveerd.
Start de motor en/of laad de startaccu op.
Gedoofde led
Als het probleem blijft bestaan, neemt u contact
op met een werkplaats; geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Elektrische 12V-aansluiting
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de 230 V-aansluiting aan en probeer deze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
12V-aansluiting in tunnelconsole, tweede zitrij.
12V-aansluiting in tunnelconsole, voorin.
218
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
2.
Haal de stekker van het accessoire eruit en
plaats de plug weer terug (tunnelconsole) of
klap de afdekking omhoog (bagageruimte)
als de aansluiting niet wordt gebruikt of als u
de aansluiting zonder toezicht achterlaat.
Gerelateerde informatie
•
Auto-interieur (p. 214)
12V-aansluiting in bagageruimte*.
U kunt de aansluitingen voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12V
werken, zoals mediaspelers, koelboxen of mobiele telefoons.
De aansluitingen in de tunnelconsole kunnen
worden aangevuld met een aansteker*.
BELANGRIJK
Het maximale vermogen is 120 W per aansluiting.
Aansluitingen gebruiken
1. Verwijder de plug (tunnelconsole) of klap de
afdekking omlaag (bagageruimte) vóór de
aansluiting en sluit de stekker van het accessoire aan.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 219
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Aansteker gebruiken*
De aansteker kan een aanvulling zijn op de elektrische 12V-aansluitingen in het voorste en achterste deel van de tunnelconsole.
1.
Druk de knop op de aansteker in.
> Als de aansteker eenmaal gloeit, springt
de knop omhoog.
2.
Haal de aansteker uit de aansluiting en
gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan te steken.
3.
Plaats de aansteker terug in de aansluiting.
Asbakken* legen
Een auto met een aansteker is voorzien van uitneembare asbakken in de bekerhouders van de
middenconsole en in de portierpanelen op de
tweede zitrij.
Asbak in middenconsole legen
1.
Neem de asbak los door deze recht omhoog
uit de bekerhouder te tillen en leeg de
inhoud ervan.
2.
Plaats de asbak terug in de bekerhouder.
BELANGRIJK
Let op dat als de aansteker gloeit, het gloeiende deel bijv. het interieur niet beschadigt.
Gerelateerde informatie
Aansteker in tunnelconsole, voorin.
•
•
•
Tunnelconsole (p. 215)
Asbak in portierpanelen op tweede zitrij
legen
1.
Open het deksel van de asbak en duw het
helemaal tot in verticale stand open.
> De pal, waarmee de asbak vastzit, komt
los.
2.
Til de asbak op en leeg de inhoud ervan.
3.
Plaats de asbak terug en laat deze omlaagglijden in de zijgroeven.
4.
Druk lichtjes op de twee hoeken van de
asbak die het verst van het portierpaneel af
liggen.
> De pal, waarmee de asbak vastzit, grijpt
weer in.
stroomaansluitingen (p. 216)
Asbakken* legen (p. 220)
Gerelateerde informatie
Aansteker in tunnelconsole, tweede zitrij.
220
•
•
•
Auto-interieur (p. 214)
Tunnelconsole (p. 215)
Aansteker gebruiken* (p. 220)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Dashboardkastje gebruiken
Koeling* dashboardkastje gebruiken
Zonnekleppen
Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde.
U kunt de koeling van het dashboardkastje
gebruiken om bijvoorbeeld dranken of etenswaar
te koelen. De koeling werkt, wanneer de klimaatregeling actief is (dat wil zeggen wanneer de
auto in contactslotstand II staat of wanneer de
motor draait).
Op de achterkanten van de zonnekleppen zit
een make-upspiegel met kaarthouder.
Dashboardkastje en openingsknop op middenconsole.
Make-upspiegel met verlichting en kaarthouder.
In het dashboardkastje kunt u bijvoorbeeld de
gedrukte versie van de gebruikershandleiding en
eventuele kaarten bewaren. Aan de binnenkant
van de klep zit een penhouder.
Koeling geactiveerd
Dashboardkastje openen
–
Druk op de openingsknop op de middenconsole.
> Het dashboardkastje wordt geopend.
Dashboardkastje vergrendelen/
ontgrendelen
Het dashboardkastje is te vergrendelen met de
zogeheten Privacy locking, wanneer u de auto bijvoorbeeld bij een werkplaats of een hotel afgeeft.
De Privacy locking geldt ook voor de achterklep.
Koeling gedeactiveerd
–
Activeer/deactiveer de koeling door de hendel tot aan de aanslag (in de richting van
interieur/dashboardkastje) te bewegen.
De verlichting* voor de make-upspiegel gaat
automatisch branden als het klepje wordt
geopend.
Op de omlijsting van de make-upspiegel zit een
houder voor bijvoorbeeld kaarten of biljetten.
Gerelateerde informatie
•
Auto-interieur (p. 214)
Gerelateerde informatie
•
•
Auto-interieur (p. 214)
Privacy locking activeren/deactiveren
(p. 245)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 221
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Bagageruimte
Bagage vervoeren
De auto heeft een flexibele bagageruimte waarin
u grote spullen kunt vervoeren en vastzetten.
Er zijn enkele dingen waar u rekening mee moet
houden bij het inladen van de auto.
Door de rugleuningen van de tweede en derde*
zitrij omlaag te klappen, ontstaat een bijzonder
grote bagageruimte. Om gemakkelijker in en uit
te laden is de achterkant van de auto hoger/
lager te zetten met de niveauregeling*. Gebruik
verankeringsogen of houders voor boodschappentassen om de lading goed op zijn plek te houden en de uittrekbare bagagerolhoes om de
lading desgewenst aan het oog te onttrekken.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te
worden verminderd met de som van het gewicht
van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires.
Let erop dat het WHIPS niet door voorwerpen
mag worden gehinderd, als een of meer ruggedeelten van de achterbank zijn omgeklapt.
•
•
Plaats de last in het midden.
•
Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
•
Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen vast.
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op neergeklapte ruggedeelten.
WAARSCHUWING
In de bagageruimte liggen tevens de gevarendriehoek en de verbanddoos, terwijl onder de
laadvloer het sleepoog en de noodreparatieset
voor banden liggen.
Een los voorwerp van 20 kg kan zich bij een
frontale botsing op een snelheid van 50 km/h
(30 mph) gedragen als een voorwerp van
1000 kg.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Ruggedeelte tweede zitrij omklappen
(p. 131)
WAARSCHUWING
Ruggedeelte derde zitrij omklappen* (p. 133)
De achterklep is te openen met de knop op het verlich-
Niveauregeling* (p. 388)
tingspaneel of die op de transpondersleutel (
Bagage vervoeren (p. 222)
).
WAARSCHUWING
Gereedschap in bagageruimte (p. 491)
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding mogelijk geen bescherming meer.
•
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
Afhankelijk van het gewicht en de positie van
de lading verandert het rijgedrag van de auto.
Adviezen voor het vervoer van bagage
•
222
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning
van de achterbank.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
WAARSCHUWING
N.B.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Het is niet mogelijk de hoogte van de achterkant aan te passen, wanneer een of meer van
de portieren of de motorkap openstaan. Dit
geldt echter niet bij een geopende achterklep.
Dek scherpe randen en hoeken af met iets
zachts.
Zet de motor af en schakel de parkeerrem in
bij het in- en uitladen van lange voorwerpen.
Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen de
versnellingspook of keuzehendel aan komen
en zo per ongeluk een versnelling inschakelen
– de auto kan dan in beweging komen.
Niveauregeling van achterkant auto*
De achterkant van de auto is hoger/lager te zetten om bijvoorbeeld een betere laadhoogte bij de
achterklep te verkrijgen of het aan-/afkoppelen
van een aanhanger op/van de trekhaak* te vereenvoudigen.
Niveauregeling is mogelijk via met de bediening
rechtsachter op het zijpaneel in de bagageruimte.
WAARSCHUWING
Bedieningsmechanisme voor het hoger of lager zetten
van de achterkant van de auto.
De bediening bestaat uit twee knoppen: één
knop om de achterkant hoger te zetten en één
knop om de achterkant lager te zetten. Bij het
hoger of lager zetten van de achterkant van de
auto moet u de desbetreffende knop ingedrukt
houden, totdat de achterkant de gewenste
hoogte heeft bereikt.
De achterkant van de auto kan niet hoger worden
gezet dan de normale stand.
Tijdens het rijden gaat de achterkant van de auto
terug naar het normale niveau.
Let erop dat er bij het omlaagbrengen van de
auto geen mensen, dieren of voorwerpen
onder de auto aanwezig zijn. Dodelijk letsel
en/of schade aan de auto of aan de voorwerpen zijn anders niet uitgesloten.
Ruggedeelte achterbank omklappen
Om de ruimte groter te maken en inladen van de
bagageruimte te vereenvoudigen, kunnen de rugleuningen van de achterbank worden neergeklapt. Zie voor meer informatie het artikel "Achterbank".
Bagage vervoeren op het dak
Maak voor het vervoer van lading op het dak
gebruik van de lastdragers1 die Volvo ontwikkeld
heeft. Dit om schade aan de auto te voorkomen
en voor maximale veiligheid tijdens het rijden.
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
1
De lastdragers van Volvo zijn te verkrijgen bij erkende Volvo-dealers.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 223
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
||
•
Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading stevig vast met sjorbanden.
•
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig
over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop.
•
Naarmate u meer lading op het dak vervoert,
vangt de auto meer wind en neemt het
brandstofverbruik toe.
•
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
Verankeringsogen
Draagtashouders
De inklapbare verankeringsogen in de bagageruimte gebruikt u om bagagebanden aan vast te
zetten.
Met de draagtashouders en de elastische band
kunt u draagtassen vastzetten om te voorkomen
dat ze omvallen en de inhoud op de vloer van de
bagageruimte terechtkomt.
Onder het vloerluik
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de auto.
Lees meer over de toelaatbare dakbelasting
in het gedeelte over Gewichten.
WAARSCHUWING
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die
liggen of uitsteken kunnen bij krachtig afremmen letsel veroorzaken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
224
Verankeringsogen (p. 224)
Zet grote en zware voorwerpen altijd met de
veiligheidsgordel of een spanband vast.
Veiligheidsrek* (p. 229)
Bagagenet* (p. 227)
Bagagerolhoes (p. 225)
Gewichten (p. 553)
Achterbank (p. 127)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Bagage vervoeren (p. 222)
Veiligheidsrek* (p. 229)
Bagagenet* (p. 227)
Draagtashouders (p. 224)
Bagagerolhoes (p. 225)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Er zitten twee draagtashouders en een elastische
band2 op de afdekking die deel uitmaakt van het
vloerluik in de bagageruimte. De elastische band
is in vier verschillende standen te monteren.
Om de draagtashouders te gebruiken moet u de
afdekking openen. Zet de draagtassen met de
bijgeleverde elastische band in de gewenste
positie vast. Als de draagtassen handvatten hebben en groot genoeg zijn, kunt u ze aan de houders hangen.
BELANGRIJK
De boodschappentassenhouders kunnen een
gewicht van maximaal 5 kg dragen.
Bagagerolhoes
In afgerolde stand voorkomt de bagagerolhoes
inkijk in de bagageruimte.
Aanbrengen3
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bagage vervoeren (p. 222)
Veiligheidsrek* (p. 229)
Bagagenet* (p. 227)
Bagagerolhoes (p. 225)
Aan de zijkanten
In opgerolde stand:
Steek het ene uiteinde van de bagagerolhoes in de uitsparing in het zijpaneel van de
bagageruimte.
Breng vervolgens het andere uiteinde aan in
de uitsparing in het zijpaneel aan de tegenoverliggende zijde.
Er zitten ook twee uitklapbare draagtashouders in
de zijpanelen: aan weerszijden van de bagageruimte één.
2 U kunt meer elastische banden bijbestellen bij een Volvo-dealer.
3 De XC90 Excellence is voorzien van een vaste bagagerolhoes die
niet te verwijderen/aanbrengen is.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 225
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
||
Duw de uiteinden één voor één omlaag.
> Wanneer u een klik hoort en de rode markering op het uiteinde verdwijnt, zit de
bagagerolhoes vast. Ga na of de hoes
goed vastzit.
Gebruik
De bagagerolhoes heeft twee gebruiksstanden:
één volledig dekkende stand en een werkstand
waarbij de rolhoes slechts gedeeltelijk uitgerold
is, zodat u gemakkelijker spullen in en uit de
bagageruimte kunt leggen/nemen.
Duw, nadat u de bagagerolhoes helemaal
hebt afgerold zodat deze de bagageruimte
afdekt, de bevestigingspunten van de rolhoes
in de groeven van de zijpanelen en laat ze
weer los, terwijl u de handgreep iets omlaagkantelt.
> De bagagerolhoes wordt vergrendeld in
de volledig dekkende stand.
Als u de handen vol hebt:
Werkstand
Duw, met de rolhoes afgerold tot in volledig
dekkende stand, de handgreep lichtjes
omhoog, bijvoorbeeld met uw ene elleboog.
>
De rolhoes gaat naar binnen tot aan
de aanslag in de werkstand.
Volledig dekkende stand
Teruggaan naar volledig dekkende stand vanuit
de werkstand:
Bij een zevenzitter: hang de borglippen voor
de veiligheidsgordels van de derde zitrij aan
de daarvoor bestemde haken in de zijpanelen. Bij een vijfzitter: zie het volgende punt.
Pak de handgreep van een opgerolde rolhoes beet en rol de hoes boven de zijpanelen van de bagageruimte langs af. Rol de
hoes tot aan de aanslag af.
226
Pak de handgreep van een opgerolde rolhoes beet en rol de hoes boven de zijpanelen van de bagageruimte langs af. Rol de
hoes tot aan de aanslag af en duw de bevestigingspunten van de rolhoes in de groeven
van de zijpanelen (als de hoes al in volledig
dekkende stand is: zie het volgende punt).
Vanuit volledig dekkende stand - pak de
handgreep beet en duw de bevestigingspunten van de rolhoes in de groeven van de zijpanelen en laat ze weer los.
> Duw de hoes tot aan de aanslag in de
werkstand naar binnen.
1.
Pak de handgreep beet en rol de bagagerolhoes tot aan de aanslag uit.
2.
Laat de rolhoes voorzichtig los, terwijl u de
handgreep een stukje omlaagduwt.
> De rolhoes wordt dan in de eindstand vergrendeld.
BELANGRIJK
Leg geen voorwerpen boven op een afgerolde bagagerolhoes.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
WAARSCHUWING
Bij vervoer van passagiers op de derde zitrij in
een zevenzitter mag u de bagagerolhoes
nooit laten zitten. Bij een botsing is ernstig
letsel anders niet uitgesloten.
Verwijderen3
Bagagenet*
In opgerolde stand:
Het bagagenet voorkomt dat bagage in de bagageruimte bij krachtig afremmen de passagiersruimte in wordt geslingerd.
1.
Bij een zevenzitter - neem de borglippen van
de derde zitrij los van de haken boven de zijpanelen.
Inklappen
Vanuit volledig dekkende stand:
–
Til de handgreep op en trek deze naar achteren, zodat de bevestigingspunten van de
rolhoes vrijkomen uit de groeven en laat hem
weer los.
2.
Vanuit werkstand:
–
Pak de handgreep beet en trek de bagagerolhoes uit in de groeven. Trek tot aan de volledig dekkende stand. Til de handgreep op
en trek deze naar achteren, zodat de bevestigingspunten vrijkomen uit de groeven en laat
hem weer los.
> Duw de hoes met zijn bevestigingspunten
boven de zijpanelen langs tot aan de aanslag in opgerolde stand.
Druk de knop in op een van de eindstukken
van de opgerolde bagagerolhoes en verwijder het eindstuk.
Het bagagenet wordt aan vier bevestigingspunten vastgezet.
Kantel de rolhoes voorzichtig omhoog en
opzij.
> Het andere eindstuk komt dan vanzelf los,
waarna u de rolhoes uit de bagageruimte
kunt tillen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bagage vervoeren (p. 222)
Veiligheidsrek* (p. 229)
Bagagenet* (p. 227)
Verankeringsogen (p. 224)
Bagagenet
Het bagagenet moet uit veiligheidsoverwegingen
altijd vastgemaakt en verankerd worden aan de
hand van de onderstaande beschrijving.
Het net is gemaakt van stevig nylonmateriaal en
kan op twee verschillende plaatsen in de auto
worden bevestigd:
•
•
3 De
XC90 Excellence is voorzien van een vaste bagagerolhoes die niet te verwijderen/aanbrengen is.
Montage achterin - achter de tweede zitrij.
Montage voorin - achter de rugleuningen van
de voorstoelen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 227
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
||
WAARSCHUWING
Lading in de bagageruimte moet goed worden vastgezet, ook met een correct gemonteerd veiligheidsnet.
Aanbrengen
WAARSCHUWING
3.
Haak de andere bevestigingshaak van het
net vast aan de plafondbevestiging aan de
tegenoverliggende zijde - de bevestigingshaken met telescoopveren maken het aanbrengen eenvoudiger.
4.
Montage achterin: Haak, met het net bevestigd aan de achterste plafondbevestigingen,
de spanbanden van het veiligheidsnet vast in
de vloerverankeringsogen voor in de bagageruimte.
Let erop dat u de bevestigingshaken van het
net in de voorste eindstand van de beide plafondbevestigingen duwt.
Het is noodzakelijk dat u controleert of de
bovenste bevestigingen van het veiligheidsnet
goed gemonteerd zijn en of de trekbanden
veilig zijn vastgehaakt.
Een beschadigd veiligheidsnet mag niet worden gebruikt.
N.B.
Het veiligheidsnet wordt het eenvoudigst via
het ene achterportier gemonteerd.
228
1.
Vouw het veiligheidsnet open en zorg dat de
gedeelde bovenste stang in het net in uitgeklapte stand geblokkeerd wordt.
2.
Haak de ene bevestigingshaak van het net
vast aan de voorste of achterste plafondbevestiging, met de sluiting van de spanbanden
naar u toe.
Montage achterin.
Montage voorin: Haak, met het net bevestigd
aan de voorste plafondbevestigingen, de
spanbanden vast in de buitenste verankeringsogen achter op de stoelrails - dit gaat
eenvoudiger als u de rugleuningen rechtop
zet en de stoelen iets verder naar voren zet.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
1.
Verminder de spanning in het bagagenet
door de knop in de sluiting van de spanband
in te drukken en aan weerszijden iets van de
spanbanden uit te voeren.
2.
Duw de borghaken in en neem de beide
haken van de spanband los.
3.
Neem de bovenste bevestigingen los en
neem het net los van de plafondbevestigingen.
4.
Druk de rode knop op de stang in, zodat u
deze kunt inklappen, waarna u het net kunt
oprollen.
Montage voorin.
Let erop dat u de stoel/rugleuning niet te
hard tegen het net duwt bij het terugduwen
van de stoel - zorg dat de stoel/rugleuning
het net precies raakt.
5.
Span het veiligheidsnet met de spanbanden.
BELANGRIJK
Als de stoel/rugleuning te hard achteruitgeduwd wordt tegen het veiligheidsnet, kan het
net en/of zijn plafondbevestigingen beschadigd raken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bagage vervoeren (p. 222)
Veiligheidsrek* (p. 229)
Bagagerolhoes (p. 225)
Veiligheidsrek*
Het veiligheidsrek voorkomt dat stukken bagage
of huisdieren in de bagageruimte bij krachtig
afremmen de passagiersruimte in worden geslingerd. U moet het veiligheidsrek voor de veiligheid altijd op de juiste manier bevestigen en verankeren.
Het veiligheidsrek bestaat uit het eigenlijke rek
en twee losse bevestigingsbeugels. De bevestigingsbeugels worden elk geleverd met een bijbehorende schroefkop en twee kunststof hulzen
voor het veiligheidsrek.
WAARSCHUWING
Als de auto in beweging is, mag er nooit
iemand in de bagageruimte aanwezig zijn. Dit
is om letsel bij eventueel hard afremmen of
een ongeval te voorkomen.
Verankeringsogen (p. 224)
WAARSCHUWING
Het veiligheidsrooster mag alleen worden
gebruikt in de achterste positie zoals hier
beschreven. De plafondbevestigingen achter
de voorstoelen zijn niet voor het veiligheidsrooster bedoeld.
Verwijderen en opbergen
Het bagagenet is eenvoudig te demonteren en
op te vouwen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 229
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
||
WAARSCHUWING
Als het veiligheidsrooster in de auto is
gemonteerd, moeten de stoelen van de derde
zitrij4 om veiligheidsredenen neergeklapt zijn.
BELANGRIJK
Het veiligheidsrek valt niet te combineren met
de bagagerolhoes.
2.
Aanbrengen
1.
Klap de achterbank om en til vervolgens het
veiligheidsrek door een van de achterportieren of de achterklep naar binnen. De
gewelfde/convexe kant moet naar de bagageruimte gericht zijn, terwijl de haken aan
weerszijden omhoog moeten wijzen. De
bevestigingsbeugels en de kunststof hulzen
mogen nu nog niet worden gebruikt.
Plaats een van de haken van het veiligheidsrek in de grootste holte van de plafondbevestiging (1).
4.
Pak het rooster beet bij de haak en trek/
schuif het in de kleinste holte (2).
> De haak zit nu vast in de eindpositie van
de plafondbevestiging.
3.
Schuif een kunststof huls op het getapte
deel van de bevestigingsbeugel - de flens
van de huls moet omhooggericht zijn - en
haal deze door de opening. Schroef vervolgens de schroefkop vast totdat de onderrand
daarvan zich ca. 5 mm van het rek bevindt
(2).
Herhaal de handelingen in punt 2 hierboven
om de tweede haak vast te zetten aan de
bevestiging aan de andere kant.
WAARSCHUWING
Controleer of de haken van het veiligheidsrooster goed vastzitten in de plafondbevestigingen, zodat het rooster niet los kan raken.
Haak de haak van de bevestigingsbeugel van
onderaf door het laadverankeringsoog op de
vloer in de bagageruimte en breng het
getapte deel van onderaf door de onderste
bevestigingsopening van het bagagerek (1).
5.
Herhaal de handelingen in punt 4 aan de
andere kant.
6.
Centreer het veiligheidsrek en haal vervolgens beurtelings de beide bevestigingsbeugels aan totdat het rek goed vastzet.
Verwijderen
Pas de montagevoorschriften in omgekeerde
volgorde toe als u het veiligheidsrek weer wilt
4
230
Geldt voor een zevenzitter.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
weghalen. Denk eraan dat de bevestigingsbeugels prima kunnen worden weggenomen voordat
de kunststof hulzen uit de openingen in het rek
worden verwijderd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bagage vervoeren (p. 222)
Verankeringsogen (p. 224)
Bagagenet* (p. 227)
Bagagerolhoes (p. 225)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 231
SLOTEN EN ALARM
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel
De transpondersleutel is te gebruiken voor het
vergrendelen/ontgrendelen van de portieren en
de achterklep en moet in de auto aanwezig zijn
om de motor te kunnen starten.
optie. Het sleutel heeft een bereik van zo'n
1,5 meter rond het bestuurdersportier en van ca.
1 meter rond de achterklep. Zie het artikel
"Bereik transpondersleutel".
Met passief starten in combinatie met passieve
vergrendeling/ontgrendeling kan de transpondersleutel overal in het interieur of de bagageruimte
worden geplaatst, met behoud van de functionaliteit wat betreft het starten van de motor.
Zie de rubriek "Zoekgeraakte transpondersleutel"
hieronder als u een transpondersleutel bent
kwijtgeraakt.
De knoppen van de transpondersleutel
Sleutel zonder knoppen (Key Tag)
Transpondersleutel, links en sleutel zonder knoppen
(Key Tag), rechts.
U gebruikt de transpondersleutel niet actief bij
het starten, omdat een auto in standaarduitvoering is uitgerust met ondersteuning voor passief
starten (Passive Start). Om de motor te kunnen
starten moet de sleutel zich voor in het interieur
bevinden, bijvoorbeeld in een zak van de bestuurder of in de bekerhouder in de tunnelconsole. Zie
het artikel "Motor starten".
Passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive
Entry*) van de portieren en achterklep is ook een
1
234
Bij auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling* wordt een wat kleinere en lichtere sleutel
zonder knoppen (Key Tag) geleverd. Deze werkt
voor wat betreft passief starten en vergrendelen/
ontgrendelen op dezelfde manier als de standaardtranspondersleutel. Hij heeft geen afneembaar sleutelblad en de batterij kan niet worden
vervangen. Een nieuwe sleutel zonder knoppen
kan worden besteld bij een erkende Volvo-werkplaats.
Meer sleutels bestellen
De auto wordt geleverd met twee transpondersleutels - een sleutel zonder knoppen wordt bijgeleverd als de auto is voorzien van passieve vergrendeling/ontgrendeling*. Het is mogelijk meer
sleutels bij te bestellen. Voor dezelfde auto kunnen maximaal twaalf sleutels worden geprogrammeerd en gebruikt.
De transpondersleutel heeft vier knoppen - een aan de
linker- en drie aan de rechterkant.
Vergrendelen - Bij eenmaal indrukken
worden alle portieren en de achterklep vergrendeld en wordt het alarm1 geactiveerd. Bij
langduriger indrukken worden alle ruiten en
het panoramadak* tegelijkertijd gesloten. Zie
onder "Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de
buitenzijde" en "Vergrendelen/ontgrendelen
vanaf de binnenzijde".
Ontgrendelen - Bij eenmaal indrukken
worden alle portieren en de achterklep ontgrendeld en wordt het alarm gedeactiveerd.
Bij langer indrukken worden alle ruiten tege-
Optie op bepaalde markten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
lijkertijd geopend, de zogeheten doorluchtfunctie2. Zie het artikel "Vergrendelen/
ontgrendelen vanaf de buitenzijde".
Achterklep - Ontgrendelt alleen de achterklep en deactiveert de alarmfunctie voor de
achterklep. Bij auto's met elektrische achterklepbediening* wordt de klep automatisch
geopend bij lang indrukken. De klep kan ook
worden gesloten door lang indrukken - er
klinken waarschuwingssignalen. Zie het artikel "Elektrische achterklepbediening".
Paniekfunctie - bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken. Als
u de toets ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen 3
seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon
geactiveerd. U kunt deze functie met
dezelfde toets weer uitschakelen, als de
functie minimaal 5 seconden actief geweest
is. Anders wordt deze functie na ca. 3 minuten automatisch uitgeschakeld.
Storingen
Zoekgeraakte transpondersleutel
De passieve startfunctie van de transpondersleutel en de passieve vergrendeling/ontgrendeling*
ondervinden mogelijk storingen door elektromagnetische velden en afschermingen.
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u een
nieuwe bestellen bij een werkplaats - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Neem de resterende transpondersleutels mee
naar de werkplaats. Ter preventie van diefstal
moet de code van de zoekgeraakte sleutel uit het
systeem worden gewist.
N.B.
Bewaar de transpondersleutel niet te dicht in
de buurt van metalen voorwerpen of elektronische apparaten zoals mobiele telefoons,
tablets, laptops of laders – op een afstand
kleiner dan 10-15 cm.
Als er toch storingen optreden, gebruikt u het
sleutelblad van de transpondersleutel en plaatst
u vervolgens de sleutel in de back-uplezer om het
alarmsysteem van de auto te deactiveren. Zie het
artikel "Vergrendelen/ontgrendelen met afneembaar sleutelblad".
WAARSCHUWING
Als u iemand in de auto achterlaat, moet u de
raammechanismen en het dakluik stroomloos
maken door altijd de transpondersleutel mee
te nemen als u de auto verlaat.
2
N.B.
Zorg ervoor dat er geen andere autosleutels,
metalen voorwerpen of elektronische apparaten (zoals mobiele telefoons, tablets, laptops
of laders) in de bekerhouder liggen, wanneer
u de transpondersleutel in de bekerhouder
plaatst. Als er zich meerdere sleutels in de
bekerhouder bevinden, kunnen deze elkaar
storen.
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren op het hoofdscherm van het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bereik transpondersleutel (p. 236)
Afneembaar sleutelblad (p. 247)
Batterij in transpondersleutel vervangen
(p. 254)
•
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de binnenzijde (p. 241)
•
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de buitenzijde (p. 237)
•
•
Elektrische achterklepbediening* (p. 250)
Motor starten (p. 371)
Om bijvoorbeeld bij warm weer snel voor frisse lucht in de auto te zorgen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 235
SLOTEN EN ALARM
Bereik transpondersleutel
Voor een goede werking van de transpondersleutel moet de sleutel zich binnen een bepaalde
afstand van de auto bevinden.
Bij handmatig gebruik
De functies van de transpondersleutel voor bijvoorbeeld vergrendeling/ontgrendeling die worof
den geactiveerd via het indrukken van
, hebben een bereik van zo'n 20 meter rond
de auto.
Als de auto niet reageert bij bediening van een
knop - probeer het dan op minder grote afstand
opnieuw.
Bij passief gebruik3
Om te zorgen dat portieren of achterklep kunnen
worden vergrendeld en voor passieve ontgrendeling zonder op knoppen te drukken of bij gebruik
van de transpondersleutel zonder knoppen (Key
Tag) moet er binnen een straal van zo'n
1,5 meter rond de portieren en zo'n 1 meter rond
de achterklep (zie afbeelding boven) een transpondersleutel worden gedetecteerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel (p. 234)
Locatie antennes voor start- en vergrendelingssysteem (p. 237)
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de transpondersleutelfuncties door radiogolven in de
lucht, omringende gebouwen, topografische
omstandigheden e.d. Het is altijd mogelijk de
auto te vergrendelen/ontgrendelen met het
sleutelblad.
Bij verwijdering van de
transpondersleutel uit de auto
Als u de transpondersleutel uit de auto verwijdert
terwijl de motor draait, wordt de waarschuwingsmelding Sleutel niet gevonden Uit auto
verwijderd op het bestuurdersdisplay weergegeven en tegelijkertijd is er een geluidssignaal
hoorbaar wanneer u het laatste portier sluit.
Het gemarkeerde gebied op de afbeelding geeft het
bereik van de systeemantennes aan.
3 Geldt
236
De melding verdwijnt wanneer u, nadat de transpondersleutel weer in de auto aanwezig is, op de
knop O van de rechter stuurknoppenset drukt of
wanneer u het laatste portier weer sluit.
alleen voor auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
Locatie antennes voor start- en
vergrendelingssysteem
WAARSCHUWING
Personen met een pacemaker mogen niet
dichter dan 22 cm bij de antennes van het
Keyless-systeem komen. Hierdoor voorkomt u
storingen tussen de pacemaker en het Keyless-systeem.
De auto heeft een passief start- en vergrendelingssysteem4 en is daarom voorzien van enkele
antennes die op verschillende locaties zijn ingebouwd in de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel (p. 234)
Bereik transpondersleutel (p. 236)
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf
de buitenzijde
Vergrendeling/ontgrendeling van buiten de auto
vindt plaats met knoppen op de transpondersleutel of met de handgreep van de portieren of
de achterklep als de auto is voorzien van passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive
Entry)*. De achterklep kan elektrisch* en/of door
middel van een schopbeweging* worden
bediend.
Vergrendelen/ontgrendelen
Met de knoppen op de transpondersleutel kunt u
alle portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/ontgrendelen.
Antennelocaties.
Onder de bekerhouder voor in de tunnelconsole
Voor aan de bovenkant van het linker achterportier5
Voor aan de bovenkant van het rechter achterportier5
In het midden van het ruggedeelte van de
achterbank5
4
5
6
Het passieve vergrendelingssysteem heeft alleen betrekking op auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*).
Alleen bij auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*).
Optie op bepaalde markten.
U kunt verschillende procedures voor ontgrendeling kiezen. U vindt deze op het hoofdscherm van
het middendisplay. Ga naar: Instellingen My
Car Vergrendeling Ontgrendelen op
afstand.
Kies vervolgens Alle portieren ontgrendelen of
Alleen bestuurdersportier.
Om de ontgrendelingsprocedure te kunnen activeren moet het bestuurdersportier zijn gesloten als een van de overige portieren of de achterklep
openstaat, wordt deze/dit vergrendeld, terwijl de
bewegingsmelder van het alarm6 pas wordt geactiveerd als ze zijn gesloten.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 237
SLOTEN EN ALARM
||
Als vergrendelen/ontgrendelen via de transpondersleutel niet mogelijk is, is de batterij mogelijk
leeg - vergrendel/ontgrendel het bestuurdersportier met het afneembare sleutelblad. Zie het artikel "Afneembaar sleutelblad" voor meer informatie.
Aan de buitenkant van de portierhandgrepen zit
een verdieping voor vergrendeling en aan de binnenkant een aanrakingsgevoelig gebied voor ontgrendeling. De handgreep van de achterklep
heeft een met rubber bekleed drukplaatje, dat
alleen voor ontgrendeling dient.
N.B.
Ga altijd dichter bij de auto staan en probeer
dan opnieuw te ontgrendelen.
N.B.
Het is van belang slechts één aanraakgevoelig oppervlak tegelijk aan te raken. Bij het
tegelijk aanraken van het handvat en het vergrendeloppervlak bestaat het risico dat er een
dubbel commando wordt afgegeven. Dat
zorgt ervoor dat de verlangde activiteit (vergrendelen/ontgrendelen) niet zal plaatsvinden of met vertraging zal plaatsvinden.
Om alle zijruiten en het panoramadak* tegelijkertijd te sluiten - leg uw vinger tegen de aanrakingsgevoelige verdieping aan de buitenkant van
de portierhandgreep totdat de zijruiten en het
panoramadak* worden gesloten.
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met de
transpondersleutel nog in de auto.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren om te
voorkomen dat u iemand opsluit.
Passieve vergrendeling/ontgrendeling*
Als de auto is voorzien van passieve vergrendeling/ontgrendeling* is het voldoende om de
transpondersleutel in bijvoorbeeld een zak of tas
bij u te dragen. Daardoor kunt u de auto gemakkelijker openen, als u uw handen vol hebt. Zie
voor informatie over het bereik van het systeem
artikel "Bereik transpondersleutel".
238
Verdieping in de buitenkant van de portierhandgrepen
voor vergrendeling. Aanrakingsgevoelig gebied voor ontgrendeling aan de binnenkant.
Aanrakingsgevoelige verdieping voor vergrendeling
Aanrakingsgevoelig gebied voor ontgrendeling
Het met rubber beklede drukplaatje op de achterklep
wordt alleen gebruikt voor ontgrendelen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
Vergrendelen portieren en achterklep
Alle portieren moeten gesloten zijn om de auto te
kunnen vergrendelen. De achterklep mag daarentegen geopend zijn bij vergrendelen met de
handgrepen van de portieren.
–
Raak na het sluiten van het portier het
gemarkeerde gebied aan de achter- en buitenkant van een de portierhandgrepen aan of
druk voor vergrendeling de knop aan de
onderkant van de achterklep in voordat u
deze sluit.
> De slotindicator in de voorruit bevestigt
door te gaan knipperen dat de vergrendeling heeft plaatsgevonden.
N.B.
Het is van belang slechts één aanraakgevoelig oppervlak tegelijk aan te raken. Bij het
tegelijk aanraken van het handvat en het vergrendeloppervlak bestaat het risico dat er een
dubbel commando wordt afgegeven. Dat
zorgt ervoor dat de verlangde activiteit (vergrendelen/ontgrendelen) niet zal plaatsvinden of met vertraging zal plaatsvinden.
Ontgrendelen van portieren en achterklep
– Pak een portierhandgreep beet of druk voor
ontgrendeling op het met rubber beklede
drukplaatje aan de onderkant van de greep
van de achterklep.
> De slotindicator in de voorruit bevestigt
door uit te gaan dat de auto is ontgrendeld. Open portieren of achterklep op de
normale wijze.
N.B.
Het is van belang slechts één aanraakgevoelig oppervlak tegelijk aan te raken. Bij het
tegelijk aanraken van het handvat en het vergrendeloppervlak bestaat het risico dat er een
dubbel commando wordt afgegeven. Dat
zorgt ervoor dat de verlangde activiteit (vergrendelen/ontgrendelen) niet zal plaatsvinden of met vertraging zal plaatsvinden.
den deze automatisch weer vergrendeld. Deze
functie beperkt de kans dat u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten staan.
Ontgrendeling op afstand
De auto kan op afstand worden ontgrendeld met
de app Volvo On Call*.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Transpondersleutel (p. 234)
Elektrische achterklepbediening* (p. 250)
Achterklep vergrendelen/ontgrendelen
(p. 243)
•
Achterklep openen/sluiten met schopbeweging* (p. 252)
•
•
•
Bereik transpondersleutel (p. 236)
Afneembaar sleutelblad (p. 247)
Alarm (p. 259)
Procedures voor ontgrendelen
Op het hoofdscherm van het middendisplay kunt
u verschillende ontgrendelingsprocedures kiezen:
Ga naar Instellingen My Car
Vergrendeling Sleutelloos ontgrendelen
en kies Alle portieren of Een portier.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na ontgrendeling van de
buitenzijde met de transpondersleutel opent, wor-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 239
SLOTEN EN ALARM
Aanduiding bij vergrendeling/
ontgrendeling van de auto
Aanduiding op het dashboard
Vergrendelingsknoppen alleen op
voorportieren
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel, lichten de richtingaanwijzers een bepaald aantal malen op om aan
te geven dat de auto op de juiste manier vergrendeld/ontgrendeld is. U kunt de indicatie
voor vergrendelen/ontgrendelen zelf aanpassen.
Om de indicatie aan te passen, gaat u naar het
middendisplay en drukt u vervolgens op
Instellingen My Car Vergrendeling
Feedback vergendelen-ontgrendelen.
Indicatie exterieur
•
•
Bij vergrendeling knipperen de alarmlichten
van de auto eenmaal en daarnaast worden
de buitenspiegels ingeklapt8.
Bij ontgrendeling knipperen de alarmlichten
van de auto tweemaal en daarnaast worden
de buitenspiegels uitgeklapt8.
Indicatie in de vergrendelingsknoppen
De slot- en alarmindicatie op het dashboard laat de status van het vergrendelingssysteem zien.
Een keer lang knipperen betekent dat de auto
vergrendeld is. Als de auto vergrendeld is, wordt
dit aangegeven door kort, pulserend knipperen.
Om een vergrendelde auto aan te geven, moeten
alle portieren, de achterklep en de motorkap
gesloten zijn.
Vergrendelingsknoppen met led in voorportier.
Als de led in de desbetreffende vergrendelingsknop van de voorportieren brandt, betekent dit
dat alle portieren zijn vergrendeld. Als er een portier wordt geopend, gaat het lampje in beide portieren uit.
Als er wordt vergrendeld terwijl alleen het
bestuurdersportier dichtstaat9, wordt de vergrendeling pas aangegeven nadat alle portieren, de
achterklep en de motorkap zijn gesloten.
8
9
240
Alleen auto's met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Geldt niet voor auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
Meer over de aanduiding bij vergrendeling/
ontgrendeling kunt u lezen onder "Approach"verlichting" en "Buitenspiegels instellen".
In alle portieren*
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de buitenzijde (p. 237)
•
•
'Approach'-verlichting (p. 150)
Buitenspiegels instellen (p. 156)
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf
de binnenzijde
De portieren en de achterklep zijn te vergrendelen en ontgrendelen met de knop voor centrale
vergrendeling op de voorportieren. Met de vergrendelingsknoppen* op de achterportieren kunt
u het desbetreffende achterportier vergrendelen.
Centrale vergrendeling
Vergrendelingsknop met controlelampje in achterportier.
Als de led in de desbetreffende vergrendelingsknop van de portieren brandt, betekent dit dat het
desbetreffende portier is vergrendeld. Als er een
portier wordt ontgrendeld, gaat het bijbehorende
lampje uit terwijl de overige lampjes blijven branden.
Functie kiezen
Via het middendisplay zijn verschillende opties in
te stellen voor bevestiging bij vergrendeling/
ontgrendeling.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Pas de instellingen aan onder Feedback
vergendelen-ontgrendelen.
Vergrendeling.
Knop voor vergrendelen/ontgrendelen in voorportier met
led.
–
Druk op knop
om te vergrendelen en op
om te ontgrendelen.
knop
Ontgrendelen
1.
om alle portieren en achDruk op knop
terklep te ontgrendelen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 241
SLOTEN EN ALARM
||
2.
Trek een van de openingsgrepen van de portieren naar buiten en laat hem los.
> Het portier is ontgrendeld en geopend.
Bij lang indrukken van knop
worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend - de zogeheten doorluchtfunctie10.
Met de vergrendelingsknop op de beide achterportieren is alleen het desbetreffende achterportier te vergrendelen.
Om het portier te ontgrendelen:
–
Trek aan de openingshandgreep - het portier
wordt dan ontgrendeld en geopend.
Vergrendelen
Automatische vergrendeling
–
Bij het wegrijden worden de portieren en de achterklep automatisch vergrendeld.
Druk op de knop
- beide voorportieren
moeten dichtstaan.
> Alle portieren en de achterklep zijn vergrendeld.
sluiten alle zijruiBij lang indrukken van knop
ten en het panoramadak* tegelijkertijd.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Autom. portiervergrendeling
> De hulptekst Portieren en achterklep
sluiten na wegrijden verschijnt en portieren en achterklep worden automatisch
ontgrendeld.
Vergrendelingsknop* achterportieren
Vergrendeling.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de buitenzijde (p. 237)
•
Aanduiding bij vergrendeling/ontgrendeling
van de auto (p. 240)
Knop voor vergrendelen in achterportier met led.
10
242
Safelock-functie
Bij activering van de Safelock-functie worden
alle openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het openen van de portieren van de
binnenzijde onmogelijk maakt.
De Safelock-functie wordt geactiveerd via de
transpondersleutel en bij passieve vergrendeling
(Passive Entry)*. De Safelock-functie wordt met
ca. 10 seconden vertraging actief na vergrendeling van de portieren.
N.B.
Als er binnen deze vertragingsperiode een
van de portieren wordt geopend, wordt de
functie geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
De auto kan alleen worden ontgrendeld met de
transpondersleutel, passieve ontgrendeling of de
mobiele app Volvo On Call (VOC)* als de Safelock-functie geactiveerd is. Het linker voorportier
is ook te ontgrendelen met het afneembare sleutelblad.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren om te
voorkomen dat u iemand opsluit.
Om bijvoorbeeld bij warm weer snel voor frisse lucht in de auto te zorgen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
Tijdelijk deactiveren
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft,
kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen.
Bij reguliere vergrendeling worden de elektrische
aansluitingen direct gedeactiveerd, maar bij een
tijdelijk gedeactiveerde Safelock-functie zijn ze
na vergrendeling maximaal 10 minuten actief.
N.B.
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd
bij vergrendeling van de auto.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
Gerelateerde informatie
Tijdelijke deactivering is mogelijk via het hoofdscherm van het middendisplay. Kies hiervoor:
•
•
Instellingen My Car
Minder bescherming.
•
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de binnenzijde (p. 241)
•
Vergrendelen/ontgrendelen met afneembaar
sleutelblad (p. 248)
•
Alarm (p. 259)
Vergrendeling
Dit kan ook vanaf het functiescherm van het middendisplay door te drukken op Minder
bescherming.
Op het middendisplay verschijnt vervolgens
Minder bescherming. De Safelock-functie
wordt tijdelijk gedeactiveerd bij de volgende keer
dat de auto vergrendeld wordt. Als de auto wordt
ontgrendeld en weer wordt vergrendeld, moet de
Safelock-functie weer tijdelijk worden gedeactiveerd. Let erop dat ook de bewegingsmelders en
niveausensoren van het alarmsysteem* worden
uitgeschakeld.
Achterklep vergrendelen/
ontgrendelen
De achterklep kan op verschillende manieren
vergrendeld/ontgrendeld en geopend worden,
afhankelijk van het uitrustingsniveau van de auto.
De achterklep ontgrendelen met
transpondersleutel
Transpondersleutel (p. 234)
Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de buitenzijde (p. 237)
Met de knop
op de transpondersleutel is het
mogelijk om de alarmfunctie voor de achterklep te deactiveren, zodat u de achterklep apart kunt ontgrendelen.
Er zijn twee manieren om de achterklep te ontgrendelen
De volgende keer dat u de motor start, wordt het
systeem gereset.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 243
SLOTEN EN ALARM
||
1.
op de transponderDruk op de knop
sleutel.
> De slot- en alarmindicatie op het dashboard dooft om aan te geven dat het
alarm niet voor alle delen van de auto is
ingeschakeld.
De niveausensoren en bewegingsmelders
alsmede de sensoren in de opening van
de achterklep worden buiten werking
gesteld.
2.
Met de optie elektrische achterklepbediening*
de transpondersleutel bij u draagt, bijvoorbeeld in
een zak of tas.
op
Lang drukken (ca. 1,5 sec.) op knop
de transpondersleutel
> De achterklep wordt ontgrendeld en
geopend, terwijl de portieren vergrendeld
blijven en het alarm op de portieren actief
blijft.
1.
Achterklep passief ontgrendelen*
De achterklep wordt ontgrendeld maar
blijft dichtstaan, terwijl de portieren vergrendeld blijven en het alarm op de portieren actief blijft.
Als de klep niet binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend, wordt de klep
weer vergrendeld en het alarm opnieuw
geactiveerd.
244
N.B.
Indien de transpondersleutel niet voldoende
dicht bij de achterklep wordt waargenomen,
werkt vergrendelen/ontgrendelen niet. Zie
paragraaf 'Bereik van de transpondersleutel'
voor meer informatie.
2.
Om vervolgens de achterklep te openen,
pakt u het met rubber beklede drukplaatje
aan de onderkant van de greep van de
achterklep lichtjes vast en opent u de
klep.
Om de klep te openen - druk lichtjes op het
met rubber beklede drukplaatje onder op de
handgreep van de achterklep.
> De vergrendeling wordt ontkoppeld.
Til de buitenste handgreep helemaal omhoog
om de klep te openen.
BELANGRIJK
Met rubber bekleed drukplaatje.
De achterklep wordt dichtgehouden door een
elektrische vergrendeling. Het is voldoende dat u
•
De achterklep is met heel weinig kracht te
ontgrendelen – druk gewoon lichtjes op
het met rubber beklede plaatje.
•
Breng geen druk aan op het met rubber
beklede plaatje bij het openen van de achterklep – maar til de handgreep op. Bij te
veel druk kan de elektrische schakelaar in
het met rubber beklede plaatje beschadigd
raken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Via
de bagageruimte kunnen er giftige uitlaatgassen in de auto worden gezogen.
Vergrendelen met transpondersleutel
–
Ontgrendelen vanaf de binnenzijde
Druk op de knop
op de transpondersleutel.
> De slot- en alarmindicatie op het dashboard gaat knipperen - het alarm is geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Transpondersleutel (p. 234)
Elektrische achterklepbediening* (p. 250)
Achterklep openen/sluiten met schopbeweging* (p. 252)
Privacy locking activeren/
deactiveren
Het dashboardkastje en de achterklep kunnen
met de zogeheten Privacy locking worden vergrendeld, bijvoorbeeld als de auto wordt ingeleverd voor service, bij een hotel e.d.
N.B.
Om de functie Privacy locking te kunnen activeren, moet de auto minimaal in contactslotstand I staan.
Om de achterklep te ontgrendelen:
1.
Kort drukken op knop
op het dashboard.
> De klep kan van buitenaf worden ontgrendeld en geopend door het met rubber
beklede drukplaatje vast te pakken.
2.
En met de optie elektrische achterklepbediening
op het dashLang drukken op knop
board.
> De klep wordt geopend.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 245
SLOTEN EN ALARM
||
Privacy locking activeren
1.
2.
De functie kan worden geactiveerd vanaf het
functiescherm of het instellingsscherm:
•
Druk op de knop Private Locking in het
functiescherm op het middendisplay.
•
Druk op Instellingen in het hoofdscherm
op het middendisplay. Druk op My Car
Vergrendeling. Kies Private Locking.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
N.B.
1.
•
•
Dashboardkastje gebruiken (p. 221)
Achterklep vergrendelen/ontgrendelen
(p. 243)
De functie kan worden gedeactiveerd vanaf
het functiescherm of het instellingsscherm:
•
Druk op de knop Private Locking in het
functiescherm op het middendisplay.
•
Druk op Instellingen in het hoofdscherm
op het middendisplay. Druk op My Car
Vergrendeling. Kies Private Locking.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
N.B.
246
Gerelateerde informatie
Privacy locking deactiveren
Tijdens het eerste gebruik moet u een beveiligingscode kiezen. De beveiligingscode kan
worden gebruikt om alle eerdere PIN-codes
te deactiveren. Bewaar de beveiligingscode
goed.
Als Privacy locking is geactiveerd en de auto
wordt ontgrendeld via Volvo On Call* of de
mobiele app Volvo On Call*, wordt de privacy
locking automatisch gedeactiveerd.
Voer de code in die na het vergrendelen
moet worden gebruikt om het dashboardkastje te ontgrendelen en druk op Bevestig.
> Het dashboardkastje en de achterklep
worden vergrendeld. Het vergrendelen
wordt bevestigd met een groene indicatie
bij de knop in het functiescherm en doordat het vakje voor Privacy locking in het
instellingsscherm wordt aangevinkt.
2.
Voer de code in die bij het vergrendelen
werd gebruikt en druk op Bevestig.
> Het dashboardkastje en de achterklep
worden ontgrendeld. Het ontgrendelen
wordt bevestigd doordat de groene indicatie bij de knop in het functiescherm
dooft en doordat het vakje voor Privacy
locking in het instellingsscherm wordt uitgevinkt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
Afneembaar sleutelblad
Sleutelblad verwijderen
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad, waarmee u een aantal functies kunt activeren en bepaalde handelingen
kunt uitvoeren.
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Toepassingsgebieden van het
sleutelblad
U kunt het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel gebruiken om:
•
het linker voorportier12 handmatig te openen,
als de centrale vergrendeling niet te bedienen is vanaf de transpondersleutel.
•
de noodsluiting van alle portieren te activeren - zie het artikel "Vergrendelen/ontgrendelen met afneembaar sleutelblad".
•
het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren/deactiveren - zie het artikel "Kinderslot".
Houd de transpondersleutel met de voorzijde zichtbaar en het logo van Volvo naar de
juiste kant. Schuif de knop bij de sleutelring
aan de onderkant naar rechts. Schuif de
behuizing van de voorkant een paar millimeter omhoog.
De behuizing komt los en kan van de
sleutel worden weggenomen.
knoppen13
De sleutel zonder
(Key Tag) heeft
geen afneembaar sleutelblad. Gebruik zo nodig
het afneembare sleutelblad van de standaardtranspondersleutel.
12
13
Verwijder het sleutelblad door het
omhoog te kantelen.
Dit geldt ongeacht of het stuur van de auto aan de linker- of de rechterkant zit.
Wordt meegeleverd bij auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*).
Zet het sleutelblad na gebruik op de
daarvoor bestemde plaats terug in de transpondersleutel. Zet de behuizing terug en
schuif deze terug.
> Een klik geeft aan dat de behuizing weer
vast op zijn plaats zit.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 247
SLOTEN EN ALARM
||
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen met afneembaar
sleutelblad (p. 248)
•
•
Kinderslot (p. 258)
Transpondersleutel (p. 234)
Vergrendelen/ontgrendelen met
afneembaar sleutelblad
5.
Het afneembare sleutelblad is onder meer te
gebruiken om de auto van de buitenzijde te ontgrendelen - als bijvoorbeeld de batterij in de
transpondersleutel leeg is.
Het vergrendelen gaat op dezelfde manier. Daarbij wordt dan bij stap (3) 45 graden linksom
gedraaid in plaats van rechtsom.
Ontgrendelen
Trek de voorste portierhandgreep links naar
buiten14 totdat deze niet verder kan. De slotcilinder komt dan tevoorschijn.
Plaats de sleutel in de slotcilinder.
Draai 45 graden rechtsom. Het sleutelblad
wijst dan recht omlaag.
Draai de sleutel 45 graden terug naar de
beginstand. Neem de sleutel uit de slotcilinder en laat de handgreep los, zodat de achterkant van de handgreep weer tegen de
auto aan veert.
14
248
Dit geldt zowel voor auto's met het stuur links als voor auto's met het stuur rechts.
Trek de handgreep naar buiten.
> Het portier wordt ontgrendeld.
SLOTEN EN ALARM
N.B.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendelt en vervolgens opent, gaat het
alarm af.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
Het linker voorportier is te vergrendelen met de
bijbehorende slotcilinder en het afneembare
sleutelblad.
De overige portieren hebben geen slotcilinders,
maar zijn voorzien van een vergrendeling op de
zijkant van het portier die moet worden ingedrukt
met het sleutelblad, waarna het portier mechanisch is vergrendeld en niet meer van buitenaf
kan worden geopend.
De portieren zijn echter nog steeds vanaf de binnenzijde te openen.
Het portier is niet vanaf de buitenzijde te
openen. Om terug te keren naar stand A
moet de binnengreep van het portier worden
geopend.
De portieren zijn ook te ontgrendelen met de
ontgrendelingsknop op de transpondersleutel of
de knop voor centrale vergrendeling op het
bestuurdersportier.
N.B.
Positie back-uplezer in tunnelconsole.
Schakel het alarm uit door:
1.
Plaats de transpondersleutel in de
back-uplezer onder in de bekerhouder van
de tunnelconsole.
2.
Draai de startknop vervolgens naar START
en laat de knop weer los.
> De knop veert automatisch terug naar de
uitgangspositie - het alarmsignaal valt stil
en het alarm wordt uitgeschakeld.
Vergrendelen
U kunt de auto ook vergrendelen met het
afneembare sleutelblad van de transpondersleutel: bij stroomuitval bijvoorbeeld of als de batterij
in de transpondersleutel leeg is.
Portier handmatig vergrendelen. Niet te verwarren met
het kinderslot.
–
Verwijder het afneembare sleutelblad uit de
transpondersleutel. Steek het sleutelblad in
de vergrendelopening en druk de sleutel er
helemaal in, ca. 12 mm.
•
De vergrendeling van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet alle portieren.
•
Een handmatig vergrendeld achterportier
waarvan ook het mechanische kinderslot
geactiveerd is, kan noch van de buitenzijde noch van de binnenzijde worden
geopend. Een achterportier dat op deze
wijze is vergrendeld, kan alleen met de
transpondersleutel, de knop van de centrale vergrendeling of door trekken aan
de binnengreep worden ontgrendeld.
Gerelateerde informatie
•
Afneembaar sleutelblad (p. 247)
249
SLOTEN EN ALARM
Elektrische achterklepbediening*
De achterklep van de auto kan elektrisch worden
geopend/gesloten.
Als extra optie bestaat ook de mogelijkheid van
openen/sluiten met behulp van een schopbeweging - zie paragraaf "Elektrische achterklep openen/sluiten met schopbeweging" voor meer
informatie.
Open de achterklep op een van de volgende
manieren:
•
Druk lichtjes op handgreep van de achterklep.
•
Druk knop
op het dashboard langdurig
in. Houd de knop ingedrukt totdat de achterklep een stukje openveert.
•
op de transpondersleutel
Druk knop
langdurig in. Houd de knop ingedrukt totdat
de achterklep een stukje openveert.
Openen
De achterklep kan worden geopend met de
handgreep ervan, met een schopbeweging*, met
een knop op het dashboard of met de transpondersleutel.
Sluiten
De achterklep kan worden gesloten met de knop
op het dashboard, met een schopbeweging*, met
de transpondersleutel of met de knoppen15 aan
de onderkant van de achterklep.
Sluit de achterklep op een van de volgende
manieren.
–
Druk lang op knop
op het dashboard of
op de transpondersleutel.
op knop
> De achterklep sluit automatisch en er
klinkt een signaal - de klep wordt niet vergrendeld.
Knop voor sluiten en vergrendelen aan de onderkant van
de achterklep.
–
Druk op de
-knop15 op de onderkant van
de achterklep om deze te sluiten.
> De achterklep sluit automatisch - de klep
wordt niet vergrendeld.
N.B.
De knop is 24 uur actief nadat de klep is
opengelaten. Daarna moet u de klep handmatig sluiten.
Knop voor het openen/sluiten op het dashboard.
15
250
Auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*) hebben een knop voor sluiten en een knop voor sluiten plus vergrendelen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
–
Druk op de
-knop15 op de onderkant van
de achterklep om de klep te sluiten en tegelijkertijd zowel portieren als klep te vergrendelen (voor vergrendelen moeten alle portieren zijn gesloten).
> De achterklep sluit automatisch - de klep
en de portieren vergrendelen automatisch
en het alarmsysteem16 wordt ingeschakeld.
N.B.
Indien de transpondersleutel niet voldoende
dicht bij de achterklep wordt waargenomen,
werkt vergrendelen/ontgrendelen niet. Zie
paragraaf 'Bereik van de transpondersleutel'
voor meer informatie.
N.B.
Bij Keyless* vergrendelen/sluiten klinken er
drie signalen als de sleutel niet voldoende
dicht bij de achterklep wordt waargenomen.
Zie paragraaf 'Bereik van de transpondersleutel' en lees 'Vergrendelingen en transpondersleutels' voor meer informatie.
15
16
BELANGRIJK
Bij handmatige bediening van de achterklep
is het zaak de klep langzaam te openen of
sluiten. Duw de achterklep niet met kracht
open of dicht, als de achterklep weerstand
biedt. De achterklep kan beschadigd worden
en defect raken.
Openen/sluiten onderbreken
–
Aanpasbare maximale openingshoek
De maximale openingshoek van de achterklep
kan worden aangepast - bijvoorbeeld als de
garage een laag plafond heeft.
De maximale openingshoek instellen:
1.
Achterklep openen; stopzetten in de gewenste openingspositie.
2.
aan de onderkant van de
Druk de knop
achterklep ten minste 3 seconden in.
> Er klinken twee korte signalen en de desbetreffende stand is nu opgeslagen.
Openen/sluiten kan op vijf manieren worden
onderbroken:
•
•
Druk op knop op het dashboard.
•
Druk op de sluitknop15 aan de onderkant
van de achterklep.
•
Druk op het met rubber beklede drukplatje onder de buitenhandgreep.
Druk op de knop op de transpondersleutel.
Resetten van de maximale openingshoek:
–
Beweeg de klep handmatig naar de hoogst
mogelijke stand. Druk de knop
op de
achterklep ten minste 3 seconden in.
> Er klinken twee signalen en de opgeslagen stand is nu gewist. De klep opent
voortaan tot de maximale stand.
•
Met een schopbeweging* (zie paragraaf
"Elektrische achterklep openen/sluiten
met schopbeweging" voor meer informatie).
> De beweging van de klep wordt onderbroken en stopt en de klep kan vervolgens
handmatig worden bewogen.
Auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*) hebben een knop voor sluiten en een knop voor sluiten plus vergrendelen.
Optie op bepaalde markten.
N.B.
•
Om oververhitting tegen te gaan wordt
het systeem na langdurig en continu
gebruik automatisch even uitgeschakeld.
Ca. 2 minuten later is het opnieuw klaar
voor gebruik.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 251
SLOTEN EN ALARM
||
Beveiliging tegen overbelasting
Voorgespannen veren
Als de achterklep tijdens het openen/sluiten in
zekere mate wordt gehinderd door een obstakel
treedt de beveiliging tegen overbelasting in werking.
•
Bij openen - de beweging wordt onderbroken, de beweging van de achterklep stopt en
er klinkt een lang signaal.
•
Bij sluiten - de beweging wordt onderbroken,
de beweging van de achterklep stopt, er
klinkt een lang signaal en de achterklep
keert terug naar de geprogrammeerde max.
openingshoek.
WAARSCHUWING
Om de bediening van de achterklep te vereenvoudigen als u uw handen vol hebt, kunt u de
achterklep ook openen/sluiten met een naar
voren gerichte schopbeweging onder de achterbumper.
De voorgespannen veren voor de elektrische achterklepbediening.
Let op het gevaar voor beknelling tijdens het
openen/sluiten. Controleer alvorens de achterklep te openen/sluiten of er niemand in de
buurt van de achterklep staat, omdat ernstig
beknellingsletsel anders niet uitgesloten kan
worden.
Let altijd op bij bediening van de achterklep.
17
18
252
Achterklep openen/sluiten met
schopbeweging*
WAARSCHUWING
Open de voorgespannen veren van de elektrische achterklepbediening niet. De veren zijn
sterk voorgespannen en kunnen bij opening
letsel toebrengen.
Gerelateerde informatie
•
Achterklep openen/sluiten met schopbeweging* (p. 252)
•
Bereik transpondersleutel (p. 236)
De sensor zit even links van het midden van de achterbumper17.
U kunt de achterklep alleen met een schopbeweging openen/sluiten wanneer een van de transpondersleutels van de auto zich binnen bereik18
achter de auto bevindt. Dit geldt ook bij een ontgrendelde auto om onbedoelde voetbediening
zoals bij een wasbeurt van de auto te voorkomen.
Bij een auto met skidplate/diffusor* zit de sensor verder naar links in de buurt van de bumperhoek.
Zie het artikel "Bereik transpondersleutel" voor meer informatie.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
Bediening
tel of met de knop(pen)19 op de onderkant van
de achterklep. Zie voor meer informatie het artikel "Elektrische achterklepbediening".
Als de sensor meerdere schopbewegingen waarneemt zonder dat er een goedgekeurde transpondersleutel achter de auto wordt waargenomen, is de achterklep pas na enige vertraging te
openen.
Houd uw voet tijdens de schopbeweging niet
onder de auto, aangezien de activering hierdoor
kan mislukken.
Schopbeweging binnen het geldige activeringsgebied
van de sensor.
Openen/sluiten
– Maak een langzame, naar voren gerichte
schopbeweging onder het linker gedeelte
van de achterbumper. Doe daarna een stap
terug. U mag de bumper daarbij niet aanraken.
> Bij activering van de openings-/sluitingsfunctie klinkt een kort geluidssignaal - de
achterklep wordt geopend/gesloten.
Als de achterklep open is, vindt er bij activering via een schopbeweging altijd een
sluiting plaats.
Met het accessoire skidplate/diffusor*
Bij een auto met het accessoire skidplate/diffusor* zit de sensor verder naar links in de buurt
van de bumperhoek.
Openen/sluiten onderbreken
– Maak een langzame, naar voren gerichte
schopbeweging tijdens het openen/sluiten
om de beweging van de achterklep te stoppen.
Om het openen/sluiten te onderbreken hoeft de
transpondersleutel niet in de buurt van de auto te
zijn.
N.B.
Als de achterbumper bedekt is met een dikke
laag ijs, sneeuw, vuil en dergelijke, werkt het
systeem mogelijk niet of slechts in beperkte
mate. Zorg daarom dat u het gebied schoonhoudt.
De achterklep kan ook worden gesloten met de
knop op het dashboard, met de transpondersleu-
19
N.B.
Bedenk dat het systeem kan worden geactiveerd tijdens het wassen van de auto en dergelijke als de transpondersleutel zich binnen
bereik bevindt.
Geldt alleen voor auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry)*.
Als de auto het accessoire skidplate/diffusor* heeft, dan
zit de sensor verder naar links in de buurt van de bumperhoek.
Om bij een auto met het accessoire skidplate/
diffusor de achterklep te openen/sluiten met een
schopbeweging, moet u de schopbeweging vanaf
de zijkant van de auto maken.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 253
SLOTEN EN ALARM
||
Batterij in transpondersleutel
vervangen
Vervang de batterij in de transpondersleutel
wanneer deze leeg is.
N.B.
Alle accu's hebben een beperkte levensduur
en moeten uiteindelijk worden vervangen
(geldt niet voor Key Tag). De levensduur van
de accu hangt af van het feit hoe vaak de
auto/sleutel wordt gebruikt.
Schopbeweging binnen het geldige activeringsgebied
van de sensor.
Gerelateerde informatie
•
•
•
BELANGRIJK
Lever een uitgediende Key Tag in bij een
erkende Volvo-werkplaats. De sleutel moet uit
de auto worden gewist, omdat die nog steeds
kan worden gebruikt om de auto te starten
met back-upstart.
U moet de batterij in de transpondersleutel vervangen in de volgende gevallen:
het informatiesymbool gaat branden en
de melding Batt. sleutel bijna leeg
Zie handleiding op het bestuurdersdisplay verschijnt
Achterklep vergrendelen/ontgrendelen
(p. 243)
Elektrische achterklepbediening* (p. 250)
Bereik transpondersleutel (p. 236)
De batterij in de transpondersleutel zonder knoppen20 (Key Tag) kan niet worden vervangen - er
kan een nieuwe sleutel worden besteld bij een
erkende Volvo-werkplaats.
en/of
•
de sloten reageren herhaalde malen achtereen niet op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van
20 meter rond de auto bevindt.
N.B.
Ga altijd dichter bij de auto staan en probeer
dan opnieuw te ontgrendelen.
20
254
Deze sleutel wordt meegeleverd met auto's met de optie passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
Openen en vervangen
Houd de transpondersleutel met de voorzijde zichtbaar en het logo van Volvo naar de
juiste kant. Schuif de knop bij de sleutelring
aan de onderkant naar rechts. Schuif de
behuizing van de voorkant een paar millimeter omhoog.
De behuizing komt los en kan van de
sleutel worden weggenomen.
Beweeg de knop opzij en schuif de
behuizing van de achterkant een paar millimeter omhoog.
De behuizing komt los en kan van de
sleutel worden weggenomen.
Gebruik bijvoorbeeld een schroevendraaier
om het batterijklepje linksom te kunnen
draaien, zodat deze markering uitkomt bij de
tekst OPEN.
Neem het klepje voorzichtig weg door bijvoorbeeld een nagel in de gleuf te drukken.
Wrik vervolgens het klepje omhoog.
}}
255
SLOTEN EN ALARM
||
N.B.
Volvo adviseert u om batterijen voor de transpondersleutel te gebruiken die voldoen aan
UN Manual of Test and Criteria, Part III, subsection 38.3. Voor batterijen die in de fabriek
zijn geplaatst of in een erkende Volvo-werkplaats zijn vervangen is dit het geval.
De +-kant van de batterij wijst naar
boven. Wrik vervolgens de batterij voorzichtig
los zoals op de afbeelding.
BELANGRIJK
Raak nieuwe accu's en hun contactvlakken
niet met uw vingers aan, aangezien de werking hierdoor verslechtert.
Plaats een nieuwe batterij met de pluszijde
(+) omhoog. Vermijd de batterijcontacten van
de transpondersleutel met uw vingers aan te
raken.
Plaats de batterij met de kant omlaag in
de houder. Schuif de batterij daarna naar
voren, zodat deze vast komt te zitten onder
de twee kunststof pallen.
Druk de batterij vervolgens omlaag, zodat
deze vast komt te zitten onder de bovenste
zwarte kunststof pal.
N.B.
Gebruik batterijen met de aanduiding
CR2032, 3 V.
256
Zet het klepje terug en draai de markering
rechtsom terug tot de tekst CLOSE.
SLOTEN EN ALARM
Elektronische startblokkering
De elektronische startblokkering is een anti-diefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de
auto kunnen starten.
De auto kan alleen worden gestart met de juiste
transpondersleutel.
De volgende foutmelding op het bestuurdersdisplay houdt verband met de elektronische startblokkering:
Plaats de behuizing van de achterkant
terug en druk die omlaag totdat u een klik
hoort.
Symbool
Keer de transpondersleutel om en plaats
de behuizing van de voorkant terug door
deze omlaag te drukken totdat u een klik
hoort.
Schuif daarna de behuizing terug.
> Nog een klik geeft aan dat de behuizing
weer vast op zijn plaats zit.
Schuif daarna de behuizing terug.
> Nog een klik geeft aan dat de behuizing
op zijn plaats zit.
BELANGRIJK
Let erop dat lege batterijen op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt.
Gerelateerde informatie
•
21
Alleen bepaalde markten en in combinatie met Volvo On Call*.
Transpondersleutel (p. 234)
Melding
Betekenis
Sleutel
niet
gevonden
Fout bij het uitlezen
van de transpondersleutel tijdens het
starten - plaats de
sleutel in de bekerhouder in de buurt
van het sleutelsymbool en probeer het
opnieuw.
Zie handleiding
Op afstand bediende startblokkering
met opsporingssysteem21
De auto is uitgerust met een systeem waarmee
het mogelijk is om de auto op te sporen en te
lokaliseren alsmede op afstand de startblokkering te activeren zodat de motor niet meer te
starten is. Neem contact op met de dichtstbij}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 257
SLOTEN EN ALARM
||
zijnde Volvo-dealer voor meer informatie over het
systeem en hulp bij de activering ervan.
De volgende foutmelding op het bestuurdersdisplay houdt verband met de op afstand bediende
startblokkering met opsporingssysteem:
Symbool
Melding
Betekenis
Immobilisatie op
afst.
De op afstand
bediende startblokkering met opsporingssysteem is
geactiveerd. De
auto is niet te starten. Neem contact
op met de Volvo On
Call-helpdesk.
Auto kan
niet worden
gestart
Kinderslot
Elektrisch activeren/deactiveren*
Het elektrische kinderslot is in alle contactslotstanden anders dan 0 te activeren/deactiveren
en dat binnen 2 minuten na het afzetten van de
motor, op voorwaarde dat er geen portier wordt
geopend. Zie het artikel "Contactslotstanden"
voor meer informatie.
Wanneer het elektrische kinderslot actief is, zijn
de achterste:
•
zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel
op het bestuurdersportier te bedienen
•
portieren niet van de binnenkant te openen.
–
Transpondersleutel (p. 234)
Bereik transpondersleutel (p. 236)
Knop voor elektrische activering/inactivering.
1.
258
Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het bestuurdersdisplay staat de melding Kinderslot achter Geactiveerd en
het lampje in de knop brandt - het slot is
geactiveerd.
Om het slot uit te zetten:
Gerelateerde informatie
•
•
2.
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde kunnen openen. Er
is een elektrisch* en een handmatig slot.
Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het bestuurdersdisplay staat de melding Kinderslot achter Gedeactiveerd
en het lampje in de knop dooft - het slot
is geïnactiveerd.
Bij het afzetten van de motor wordt de actuele
instelling vastgelegd - als het kinderslot geactiveerd was tijdens het afzetten van de motor, dan
is de functie de volgende keer dat u de motor
start eveneens actief.
Start de motor of kies een contactslotstand
anders dan 0.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
Symbool
Melding
Betekenis
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Kinderslot achterGeactiveerd
Het kinderslot
is geactiveerd.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
Kinderslot achterGedeactiveerd
Handmatig activeren/inactiveren
Mechanisch kinderslot. Niet te verwarren met de mechanische portiervergrendeling.
–
22
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de cilinder te verdraaien. Zie het artikel "Afneembaar sleutelblad" voor meer informatie.
Optie op bepaalde markten.
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend,
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder*
aanwezig is),
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto's met een niveausensor*),
•
een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld of
Afneembaar sleutelblad (p. 247)
•
de sirene wordt losgekoppeld.
Contactslotstanden (p. 370)
Als er een storing in het alarmsysteem
is opgetreden, verschijnen het symbool
en de melding Storing
alarmsysteem Service vereist op
het bestuurdersdisplay. Neem dan contact op
met een werkplaats - geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
•
Op auto’s met een elektrisch kinderslot
zit geen handmatig kinderslot.
Gerelateerde informatie
•
•
Het alarm waarschuwt bijvoorbeeld bij inbraak in
de auto.
•
N.B.
Het kinderslot
is gedeactiveerd.
Alarm22
N.B.
Probeer niet zelf de onderdelen van het
alarmsysteem te repareren of te wijzigen. Dergelijke pogingen kunnen van invloed zijn op
de verzekeringsvoorwaarden.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 259
SLOTEN EN ALARM
||
N.B.
De bewegingsmelders laten het alarm afgaan
bij bewegingen in de passagiersruimte – ook
eventuele luchtstromen worden geregistreerd.
Het alarm kan dan ook afgaan, als u de auto
met een raam of panoramadak* open laat
staan of als u de interieurverwarming
gebruikt.
Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten
van de auto alle ramen en het panoramadak.
Bij gebruik van de geïntegreerde standkachel
van de auto (of een draagbare variant daarvan
op stroom) dan dient u de blaasmonden dusdanig af te stellen dat deze niet omhoogwijzen. U kunt ook gebruik maken van het
beperkte alarmniveau – zie het gedeelte verderop in dit artikel.
Bij een auto met elektrische achterklepbediening
kunt u ook gebruik maken van de knop aan de
onderkant van de achterklep om de auto te vergrendelen en het alarmsysteem in te schakelen.
Alarm deactiveren
Ontgrendel de auto en deactiveer het alarmsysteem van de auto door:
•
op de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te drukken,
•
een van de portierhandgrepen beet te pakken23 of
•
op het met rubber beklede drukplaatje op de
achterklep te drukken23.
Geactiveerd alarm uitschakelen
–
Vergrendel de auto en activeer het alarmsysteem
van de auto door:
260
Wanneer het alarm afgaat, gebeurt het volgende:
•
Er klinkt een sirene, totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
30 seconden automatisch uit.
•
Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u het
alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan ze na
vijf minuten automatisch uit.
Als het portier waardoor het alarm geactiveerd is
open blijft staan, wordt de alarmcyclus maximaal
10 keer24 herhaald.
Slot- en alarmindicatie
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
Druk op de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel of zet de auto in contactslotstand I door de draaiknop naar START te
draaien en weer los te laten.
Alarm activeren
N.B.
•
op de vergrendelingsknop op de transpondersleutel te drukken,
•
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd
bij vergrendeling van de auto.
het gemarkeerde gebied op de buitenkant23
van de portierhandgreep aan te raken of
•
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
op het met rubber beklede drukplaatje op de
achterklep te drukken23.
23
24
Alarmsignalen
Geldt alleen voor auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*).
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
SLOTEN EN ALARM
•
•
•
De led is uit - het alarm is uitgeschakeld.
De led licht om de twee seconden eenmaal
op - het alarm is ingeschakeld.
De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm, maximaal
30 seconden of tot aan het moment dat contactslotstand I wordt ingeschakeld doordat u
de startknop naar START draait en weer loslaat - het alarm is afgegaan.
Beperkt alarmniveau
Een beperkt alarmniveau houdt in dat de bewegingsmelders en niveausensoren tijdelijk worden
uitgeschakeld.
Om te voorkomen dat het alarmsysteem onbedoeld afgaat als u bijvoorbeeld een hond in een
vergrendelde auto achterlaat of bij gebruik van
een autotrein of een veerverbinding, moet u de
bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk
deactiveren. De te volgen procedure is identiek
aan die bij tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie. Dit kan vanaf het functiescherm van
het middendisplay door te drukken op Minder
bescherming.
•
Safelock-functie (p. 242)
Automatische activering/
heractivering van het alarm27
De automatische heractivering van het alarm
voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarmsysteem uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm gedeactiveerd) is, wordt het alarm automatisch opnieuw
ingeschakeld. De auto wordt bovendien opnieuw
vergrendeld.
Op bepaalde markten vindt automatische herinschakeling van het alarm plaats, als u na het openen en sluiten van het bestuurdersportier vergeet
te vergrendelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Alarm (p. 259)
Alarm deactiveren zonder werkende transpondersleutel (p. 262)
Zie voor meer informatie het artikel "Safelockfunctie".
Gerelateerde informatie
•
Automatische activering/heractivering van
het alarm (p. 261)
•
Alarm deactiveren zonder werkende transpondersleutel (p. 262)
261
SLOTEN EN ALARM
Alarm deactiveren30 zonder
werkende transpondersleutel
Ook als de transpondersleutel niet werkt, bijvoorbeeld als de batterij leeg is, kan de auto
worden ontgrendeld en kan het alarmsysteem
worden gedeactiveerd.
1.
Open het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad.
> Het alarm gaat af.
Positie back-uplezer in bekerhouder.
2.
Plaats de transpondersleutel in de backuplezer, die in de bekerhouder van de tunnelconsole zit.
3.
Draai de startknop naar START en laat de
knop los.
> Het alarm wordt uitgeschakeld.
27
30
262
Optie op bepaalde markten.
Optie op bepaalde markten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Alarm (p. 259)
Automatische activering/heractivering van
het alarm (p. 261)
Afneembaar sleutelblad (p. 247)
Motor starten (p. 371)
SLOTEN EN ALARM
Typegoedkeuring voor
transpondersleutels
De typegoedkeuring voor de transpondersleutels
staat in de tabel.
Passief starten (Passive Start) en
passieve vergrendeling/ontgrendeling
(Passive Entry*)
CEM-markering voor transpondersleutels. Zie de onderstaande tabel voor aanvullende typegoedkeuringsnummers.
Land/regio
Typegoedkeuring
Jordanië
TRC/LPD/2014/250
Servië
P1614120100
Argentinië
CNC ID: C-14771
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 263
SLOTEN EN ALARM
||
Land/regio
Typegoedkeuring
Brazilië
MT-3245/2015
Indonesië
Nomor: 38301/SDPPI/2015
Maleisië
RAAT/37A/0315/S(15-0663)
Mexico
IFETEL: RLVDEVO15-0396
Rusland
Verenigde Arabische Emiraten
ER37847/15
DA0062437/11
Voor meer informatie over de typegoedkeuring
voor transpondersleutels, zie
support.volvocars.com.
264
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel
Land/regio
Typegoedkeuring
Jordanië
TRC/LPD/2015/104
Oman
Verenigde Arabische Emiraten
}}
265
SLOTEN EN ALARM
||
Key Tag
Land/regio
Typegoedkeuring
Jordanië
TRC/LPD/2015/107
Oman
266
SLOTEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Servië
Verenigde Arabische Emiraten
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel (p. 234)
267
RIJONDERSTEUNING
RIJONDERSTEUNING
Snelheidsafhankelijke stuurkracht
elektronische stabiliteitsregeling
Antislipregeling
De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
zorgt ervoor dat de stuurbekrachtiging afneemt
naarmate de rijsnelheid oploopt, waardoor u een
beter weggevoel krijgt.
De elektronische stabiliteitsregeling (Electronic
Stability Control - ESC) helpt de bestuurder
voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Deze regeling controleert de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen om
de auto op die manier te stabiliseren.
Op snelwegen stuurt de auto stugger. Bij het
parkeren en op lage snelheden is de auto lichter
en zonder veel moeite te besturen.
Tijdens het afremmen kunnen
de ingrepen van het ESC-systeem waarneembaar zijn in de
vorm van pulserende geluiden.
Tijdens het gas geven kan de
auto langzamer optrekken dan
u verwacht.
N.B.
In bepaalde situaties kan de stuurbekrachtiging te warm worden zodat deze dan tijdelijk
moet worden gekoeld - gedurende die
periode werkt de stuurbekrachtiging met een
gereduceerd vermogen en het draaien aan
het stuurwiel kan dan wat zwaarder gaan.
WAARSCHUWING
De stabiliteitsregeling ESC is slechts een
aanvullend hulpmiddel en kan niet alle situaties en alle wegomstandigheden aan.
Wanneer de stuurbekrachtiging tijdelijk gereduceerd is, staat er een melding op het
bestuurdersdisplay.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften houdt.
Stuurkrachtniveau wijzigen*
Om het stuurkrachtniveau te kiezen, gaat u naar
de paragraaf "Rijmodi" en bekijkt u de beschrijving bij de optie INDIVIDUAL onder het kopje
"Mogelijke rijmodi".
Deze instelling is tijdens het draaien niet
beschikbaar.
Gerelateerde informatie
•
270
Rijmodi* (p. 383)
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
Motorremregeling
De motorremregeling (Engine Drag Control EDC) voorkomt ongewenste blokkering van de
wielen, zoals na terugschakeling of bij gladheid
tijdens het afremmen op de motor in een lage
versnelling.
Een van de gevolgen van ongewenste blokkering
van de wielen is dat u de auto moeilijk onder controle kunt houden.
Het ESC-systeem bestaat uit de volgende functies:
•
•
•
•
•
Antislipregeling
Antispinregeling
Tractieregeling
Motorremregeling
Trailer Stability Assist
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Trailer Stability Assist*1
Trailer Stability Assist (Trailer Stability Assist TSA) heeft tot taak een auto met aanhanger/
caravan te stabiliseren, wanneer de combinatie
slingerneigingen vertoont. Zie paragraaf "Rijden
met een aanhanger" voor meer informatie.
N.B.
De functie TSA wordt gedeactiveerd als de
sportstand wordt geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
Sportstand voor elektronische stabiliteitsregeling (p. 271)
•
Symbolen en meldingen voor Elektronische
stabiliteitsregeling (p. 273)
•
•
Roll Stability Control (p. 275)
Rijden met aanhanger (p. 412)
Sportstand voor elektronische
stabiliteitsregeling
Sportstand activeren/deactiveren
De sportstand wordt geactiveerd/gedeactiveerd in het
functiescherm van het middendisplay.
De elektronische stabiliteitsregeling (Electronic
Stability Control - ESC) helpt de bestuurder
voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Het ESC-systeem is altijd geactiveerd - uitschakelen is niet mogelijk. U kunt echter de Sportstand kiezen voor een actievere rijervaring.
In de Sportstand registreert het ESC-systeem of
de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook het
bochtenwerk als actiever dan normaal aan te
merken zijn, waarna de ESC toestaat dat de achtertrein een gecontroleerde vorm van slippen vertoont voordat het ingrijpt en de auto stabiliseert.
Als u de gecontroleerde vorm van slippen bijvoorbeeld beëindigt door het gaspedaal te bedienen,
grijpt het ESC-systeem in om de auto te stabiliseren.
De Sportstand maakt ook maximale aandrijving
mogelijk, als de auto is blijven steken of over een
zachte ondergrond (zoals zand of een dikke laag
sneeuw) rijdt.
–
Druk op de knop ESC-sportmodus in het
functiescherm.
> De sportstand wordt geactiveerd/gedeactiveerd, de knop toont een groene/grijze
indicatie.
Wanneer de sportstand actief is, brandt
dit symbool op het bestuurdersdisplay
continu totdat de functie wordt
gedeactiveerd of totdat de motor wordt
afgezet. Een volgende keer dat de motor wordt
gestart is de normale stand van het ESC-systeem
opnieuw van kracht.
Beperking voor de sportstand
De functie ESC-sportmodus kan niet worden
gekozen als een van de functies snelheidsbegrenzer, cruisecontrol of adaptieve cruisecontrol
geactiveerd is.
Gerelateerde informatie
•
•
1 Trailer
Stability Assist is inbegrepen bij installatie van een originele trekhaak van Volvo.
elektronische stabiliteitsregeling (p. 270)
Snelheidsbegrenzer* (p. 275)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 271
RIJONDERSTEUNING
||
272
•
•
Cruisecontrol (p. 282)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
Elektronische stabiliteitsregeling
elektronische stabiliteitsregeling (Electronic
Stability Control - ESC).
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Symbool
Melding
Betekenis
Brandt ca. 2 seconden lang
continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
Knippert.
Het ESC-systeem grijpt in.
Brandt continu.
De Sportstand is geactiveerd.
NB In deze stand is het ESC-systeem niet helemaal uitgeschakeld. Er gelden bepaalde beperkingen.
ESC
Tijdelijk uit
Wegens een te hoge temperatuur van de remmen gelden er tijdelijk beperkingen voor het ESC-systeem - het
systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld wanneer de remmen voldoende zijn afgekoeld.
ESC
Het ESC-systeem is defect.
Service vereist
•
•
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
}}
273
RIJONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
274
elektronische stabiliteitsregeling (p. 270)
Sportstand voor elektronische stabiliteitsregeling (p. 271)
Meldingsfuncties op bestuurders- en middendisplay (p. 107)
RIJONDERSTEUNING
Roll Stability Control
Snelheidsbegrenzer*
Actuele rijsnelheid
Roll Stability Control (RSC) is een stabiliteitssysteem dat de kans verkleint op kantelen en over
de kop slaan bij bijvoorbeeld heftige uitwijkmanoeuvres of als de auto gaat slippen.
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter - SL) is
te beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol - u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per
ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde maximumsnelheid overschrijdt.
Opgeslagen maximumsnelheid
Het RSC-systeem registreert of en hoeveel de
helling van de auto in zijwaartse richting wordt
gewijzigd. Aan de hand van deze informatie wordt
vervolgens berekend of de kans bestaat dat de
auto over de kop slaat. Als deze kans bestaat,
treedt de elektronische stabiliteitscontrole van de
auto in werking, waarna het koppel van de motor
wordt verlaagd en een of meer wielen worden
geremd totdat de auto zijn stabiliteit terug heeft.
Overzicht
Gerelateerde informatie
•
•
elektronische stabiliteitsregeling (p. 270)
Veiligheid (p. 56)
U moet altijd zelf op de verkeerssituatie letten
en ingrijpen wanneer de snelheidsbegrenzer
niet de juiste snelheid aanhoudt.
U bent er altijd voor verantwoordelijk dat u
veilig en volgens de verkeersregels met de
auto rijdt, ook als de functie snelheidsbegrenzer wordt gebruikt.
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
RSC-systeem voor een betere wegligging, wat
voor u echter geen reden mag zijn om sneller
te gaan rijden. Neem altijd de gebruikelijke
voorzorgsmaatregelen bij het rijden.
WAARSCHUWING
De snelheidsbegrenzer is een hulpmiddel dat
niet alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden aankan.
Beperkingen
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
Verhoogt opgeslagen maximumsnelheid óf
heractiveert de snelheidsbegrenzer en hervat
de opgeslagen maximumsnelheid
Activeert de snelheidsbegrenzer en slaat
actuele snelheid op óf deactiveert de snelheidsbegrenzer
Verlaagt de opgeslagen maximumsnelheid
Markering voor opgeslagen maximumsnelheid
Op steile aflopende hellingen volstaat de remwerking van de snelheidsbegrenzer mogelijk niet,
zodat de opgeslagen maximumsnelheid mogelijk
wordt overschreden. In dat geval wordt u hierop
attent gemaakt met de melding Snelheidsgrens
overschr. op het bestuurdersdisplay.
N.B.
Er verschijnen tekstmeldingen over overschrijding van de maximumsnelheid, als u de snelheid met 3 km/h (ca 2 mph) overschrijdt.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 275
RIJONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
(p. 276)
•
Snelheidsfuncties voor de snelheidsbegrenzer (p. 277)
•
Snelheidsbegrenzer deactiveren/heractiveren (p. 278)
•
•
Snelheidsbegrenzer uitschakelen (p. 279)
Snelheidsbegrenzer activeren en
starten
–
Om de snelheid te kunnen regelen moet u eerst
de snelheidsbegrenzer (Speed Limiter - SL) kiezen en activeren.
Als het symbool/de functie
wordt
weergegeven - druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzer wordt gestart en
de actuele snelheid wordt opgeslagen als
maximumsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
•
Automatische snelheidsbegrenzer* (p. 279)
Snelheidsbegrenzer* (p. 275)
Snelheidsfuncties voor de snelheidsbegrenzer (p. 277)
•
Snelheidsbegrenzer deactiveren/heractiveren (p. 278)
•
Snelheidsbegrenzer uitschakelen (p. 279)
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
Snelheidsbegrenzer activeren
–
Druk op ◀ (1) of ▶ (3) om naar het
symbool/de functie
(4) te gaan.
> Het desbetreffende symbool verschijnt,
waarna u de snelheidsbegrenzer kunt
activeren.
Snelheidsbegrenzer starten
De laagst mogelijke maximumsnelheid die u kunt
opslaan is 30 km/h (20 mph).
276
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Snelheidsfuncties voor de
snelheidsbegrenzer
Gerelateerde informatie
•
•
De snelheidsbegrenzer (Speed Limiter - SL) kan
worden ingesteld op verschillende snelheden.
Snelheidsbegrenzer* (p. 275)
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
(p. 276)
•
Snelheidsbegrenzer deactiveren/heractiveren (p. 278)
•
Snelheidsbegrenzer uitschakelen (p. 279)
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
–
U wijzigt de opgeslagen maximumsnelheid
(1) of
door kort of lang op de stuurknop
- (3) te drukken:
•
Voor aanpassing met +/– 5 km/h
(+/– 5 mph): kort drukken - iedere keer
drukken komt overeen met +/– 5 km/h
(+/– 5 mph).
•
Voor aanpassing met +/– 1 km/h
(+/– 1 mph): knop ingedrukt houden en
loslaten, wanneer de markering op het
bestuurdersdisplay (4) bij de gewenste
maximumsnelheid staat.
> De laatst verrichte aanpassing wordt in
het geheugen opgeslagen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 277
RIJONDERSTEUNING
Snelheidsbegrenzer deactiveren/
heractiveren
Snelheidsbegrenzer heractiveren vanuit
stand-bystand
De snelheidsbegrenzer (Speed Limiter - SL) kan
tijdelijk worden gedeactiveerd en stand-by worden gezet en vervolgens weer worden geactiveerd.
–
Druk op de stuurknop
(1).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van GRIJS naar WIT - de laatst
ingestelde/opgeslagen maximumsnelheid
voor de auto is weer van kracht.
of
–
Druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van GRIJS naar WIT en de auto
gebruikt daarna de actuele snelheid als
maximumsnelheid.
2.
Haal uw voet van het gaspedaal, wanneer de
tijdelijke acceleratie voltooid is.
> De auto wordt vervolgens automatisch
afgeremd tot een snelheid onder de laatst
opgeslagen maximumsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer* (p. 275)
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
(p. 276)
•
Snelheidsfuncties voor de snelheidsbegrenzer (p. 277)
•
Snelheidsbegrenzer uitschakelen (p. 279)
Gas bijgeven met het gaspedaal
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
Snelheidsbegrenzer deactiveren en
stand-by zetten
–
278
Druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van WIT naar GRIJS. De snelheidsbegrenzer is daarmee tijdelijk
gedeactiveerd, zodat u de ingestelde
maximumsnelheid kunt overschrijden.
De ingestelde maximumsnelheid is tijdelijk te
overschrijden met het gaspedaal zonder dat de
snelheidsbegrenzer daarvoor stand-by wordt
gezet - om bijvoorbeeld snel te kunnen optrekken. Doe in dat geval het volgende:
1.
Trap het gaspedaal helemaal in en laat het
pedaal weer los bij het bereiken van de
gewenste snelheid om de acceleratie te
beëindigen.
> De snelheidsbegrenzer is in dat geval nog
steeds geactiveerd, zodat het symbool op
het bestuurdersdisplay WIT van kleur is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Snelheidsbegrenzer uitschakelen
De snelheidsbegrenzer (Speed Limiter - SL) kan
worden uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer* (p. 275)
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
(p. 276)
•
Snelheidsfuncties voor de snelheidsbegrenzer (p. 277)
•
Snelheidsbegrenzer deactiveren/heractiveren (p. 278)
Automatische snelheidsbegrenzer*
De functie automatische snelheidsbegrenzer
(Automatic Speed Limiter - ASL) stemt de maximumrijsnelheid af op de snelheid die op de verkeersborden staat.
De functie snelheidsbegrenzer (Speed Limiter SL) kan worden omgezet naar automatische
snelheidsbegrenzer.
De automatische snelheidsbegrenzer tast de
snelheidsspecifieke verkeersborden af en stemt
de maximumrijsnelheid af op de snelheid die op
de borden staat. Dit is vergelijkbaar met de verkeersbordinformatie (Road Sign Information RSI).
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
1.
(2).
Druk op de stuurknop
> De snelheidsbegrenzer wordt stand-by
gezet.
2.
Druk op de stuurknop ◀ (1) of ▶ (3) om naar
een andere functie te gaan.
> De snelheidsbegrenzermarkering (4) en
het symbool op het bestuurdersdisplay
doven – de ingestelde/opgeslagen maximumsnelheid is daarmee gewist.
3.
Druk nogmaals op de stuurknop
(2).
> Er wordt een andere functie geactiveerd.
WAARSCHUWING
Ook al ziet de bestuurder het snelheidsgerelateerde bord duidelijk, dan nog kan de
camera dit verkeerd aflezen doordat het bord
verkeerd gericht staat, vuil is of hoog of slecht
is geplaatst. De bestuurder moet in dergelijke
gevallen zelf ingrijpen en naar de juiste snelheid versnellen of afremmen.
Is SL of ASL actief?
Symbolen op het bestuurdersdisplay geven aan
welke snelheidsbegrenzer actief is:
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 279
RIJONDERSTEUNING
||
Symbool
SL
ASL
✓
✓
A
✓
BordsymboolB na "70" = ASL is geactiveerd.
A
B
WIT symbool: De functie is actief, GRIJS symbool: Standbystand.
Zie het volgende kopje "ASL-symbool" voor de betekenis van
de kleur van het symbool.
ASL-symbool
Het bordsymbool (naast de opgeslagen snelheid "70", in het midden van
de snelheidsmeter) kan drie kleuren
hebben met de volgende betekenissen:
Kleur van het bordsymbool
Groengeel
Grijs
Oranjegeel/oranje
A
280
Beperkingen
Automatische snelheidsaanpassing vindt pas
plaats nadat een bord met een snelheidsbeperking is gepasseerd. Als een verkeersbord niet
kan worden afgelezen door bijvoorbeeld een
slecht zicht, een verkeerd geplaatst of vuil bord,
wordt ASL stand-by gezet en SL geactiveerd.
Automatische snelheidsbegrenzer
activeren/deactiveren
De functie automatische snelheidsbegrenzer
(Automatic Speed Limiter - ASL) kan worden
geactiveerd en gedeactiveerd als aanvulling op
de snelheidsbegrenzer (Speed Limiter - SL).
De functie is te activeren/
deactiveren op het functiescherm van het middendisplay.
U moet in dat geval zelf ingrijpen en afremmen
naar een geschikte snelheid. ASL wordt opnieuw
geactiveerd, wanneer u langs een verkeersbord
rijdt dat de camera wél kan aflezen.
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer* (p. 275)
Automatische snelheidsbegrenzer activeren/
deactiveren (p. 280)
•
Tolerantie voor automatische snelheidsbegrenzer wijzigen (p. 281)
•
Verkeersbordinformatie* (p. 318)
Automatische snelheidsbegrenzer
activeren
1.
Druk op de knop Hulp max. snelheid in het
functiescherm.
> ASL wordt in stand-by gezet, de knop
toont een groene indicatie en het
bestuurdersdisplay toont een bordsymbool in het midden van de snelheidsmeter.
2.
Druk op de stuurknop
.
> ASL wordt met de actuele rijsnelheid
geactiveerd.
Betekenis
ASL is actief
ASL staat in stand-by
ASL staat in de tijdelijke
stand-byA
Een verkeersbord kon bijvoorbeeld niet worden gelezen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Automatische snelheidsbegrenzer
deactiveren
Tolerantie voor automatische
snelheidsbegrenzer wijzigen
1.
De functie automatische snelheidsbegrenzer
(Automatic Speed Limiter - ASL) kan worden
ingesteld op verschillende tolerantieniveaus.
2.
Druk op de knop Hulp max. snelheid in het
functiescherm.
> ASL wordt uitgeschakeld en SL wordt in
stand-by gezet, de knop toont een grijze
indicatie.
Druk op de stuurknop
.
> SL wordt met de actuele rijsnelheid geactiveerd.
WAARSCHUWING
De auto volgt niet langer de op de borden
aangegeven maximumsnelheid na het wisselen van ASL naar SL - de auto volgt dan
alleen de in het geheugen opgeslagen maximumsnelheid.
Het is mogelijk om de aangegeven maximumsnelheid met 5 km/h (5 mph) te verhogen/verlagen - als de auto bijvoorbeeld de aangegeven
maximumsnelheid van 70 km/h (40 mph) aanhoudt, maar u liever op een snelheid van
75 km/h (45 mph) rijdt.
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
–
Druk op de stuurknop
(1) totdat
70 km/h (40 mph) in het midden van de
Gerelateerde informatie
•
•
Automatische snelheidsbegrenzer* (p. 279)
Tolerantie voor automatische snelheidsbegrenzer wijzigen (p. 281)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 281
RIJONDERSTEUNING
||
snelheidsmeter (4) is gewijzigd in 75 km/h
(45 mph).
> De auto hanteert vervolgens de gekozen
tolerantie van 5 km/h (5 mph) zolang de
gepasseerde borden 70 km/h (40 mph)
aangeven.
Deze tolerantie geldt totdat u een verkeersbord met een lagere of hogere snelheid passeert - de auto hanteert dan de
nieuwe aangegeven maximumsnelheid en
de tolerantie wordt uit het geheugen
gewist.
Cruisecontrol
Actuele rijsnelheid
De cruisecontrol (Cruise Control - CC) helpt u
een gelijkmatige snelheid te houden, wat zorgt
voor een comfortabeler rijervaring tijdens lange
ritten op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met een gelijkmatige doorstroom.
Opgeslagen snelheid
Overzicht
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt.
Als de verkeersbordinformatie* geactiveerd is, verschijnt de aangegeven snelheid vervolgens met een RODE markering
op de schaal van de snelheidsmeter.
De tolerantie is op dezelfde manier aan te passen als bij het instellen van de snelheid voor de
snelheidsbegrenzer.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
282
Automatische snelheidsbegrenzer* (p. 279)
Automatische snelheidsbegrenzer activeren/
deactiveren (p. 280)
Verkeersbordinformatie* (p. 318)
Snelheidsfuncties voor de snelheidsbegrenzer (p. 277)
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden
met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen passende
snelheid en/of afstand aanhoudt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
Verhoogt opgeslagen snelheid óf heractiveert de cruisecontrol en hervat de opgeslagen snelheid
Cruisecontrol activeren en starten (p. 283)
Snelheidsfuncties voor cruisecontrol (p. 283)
Cruisecontrol deactiveren/heractiveren
(p. 284)
•
•
Cruisecontrol uitschakelen (p. 285)
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve
cruisecontrol* (p. 296)
Activeert de cruisecontrol en slaat actuele
snelheid op óf deactiveert de cruisecontrol
Verlaagt de opgeslagen snelheid
Aanduiding voor opgeslagen snelheid
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Cruisecontrol activeren en starten
–
Om de snelheid te kunnen regelen moet u eerst
de cruisecontrol (Cruise Control - CC) kiezen en
activeren.
Als het symbool/de functie
wordt
weergegeven - druk op de stuurknop
(2).
> De cruisecontrol wordt gestart en de
actuele snelheid wordt opgeslagen.
Snelheidsfuncties voor
cruisecontrol
De cruisecontrol (Cruise Control - CC) kan worden ingesteld op verschillende snelheden.
N.B.
De cruisecontrol is niet in te schakelen bij
snelheden lager dan 30 km/h (20 mph).
Gerelateerde informatie
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
Cruisecontrol activeren
–
Druk op ◀ (1) of ▶ (3) om naar het
symbool/de functie
(4) te gaan.
> Het desbetreffende symbool verschijnt,
waarna u de cruisecontrol kunt activeren.
Cruisecontrol starten
Voor het starten van de cruisecontrol vanuit de
stand-bystand moet de actuele snelheid 30 km/h
(20 mph) of hoger zijn. De laagst mogelijke maximumsnelheid die u kunt opslaan is 30 km/h
(20 mph).
•
•
•
Snelheidsfuncties voor cruisecontrol (p. 283)
Cruisecontrol deactiveren/heractiveren
(p. 284)
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
•
Cruisecontrol uitschakelen (p. 285)
–
Cruisecontrol (p. 282)
U wijzigt de opgeslagen snelheid door kort of
(1) of - (3) te
lang op de stuurknop
drukken:
•
Voor aanpassing met 5 km/h (5 mph):
kort drukken - iedere keer drukken komt
overeen met 5 km/h (5 mph).
•
Voor aanpassing met 1 km/h (1 mph):
knop ingedrukt houden en loslaten, wanneer de markering op het bestuurdersdisplay (4) bij de gewenste snelheid is.
> De laatst verrichte aanpassing wordt in
het geheugen opgeslagen.
}}
283
RIJONDERSTEUNING
||
Als de snelheid met het gaspedaal wordt verhoogd voordat op de stuurknop
wordt
gedrukt, wordt de actuele rijsnelheid bij het drukken op de knop opgeslagen, op voorwaarde dat u
bij het drukken op de knop uw voet op het gaspedaal houdt.
Cruisecontrol deactiveren/
heractiveren
De cruisecontrol (Cruise Control - CC) kan tijdelijk worden gedeactiveerd en stand-by worden
gezet en vervolgens weer worden geactiveerd.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
–
Druk het gaspedaal tot ongeveer halverwege
in en laat het pedaal weer los.
> De cruisecontrol schakelt de automatische remingreep uit en remt vervolgens
alleen op de motor af.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
284
Cruisecontrol (p. 282)
Cruisecontrol activeren en starten (p. 283)
Cruisecontrol deactiveren/heractiveren
(p. 284)
Cruisecontrol uitschakelen (p. 285)
•
•
•
u bedient het rempedaal
u zet de keuzehendel in stand N
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Motorrem gebruiken in plaats van
bedrijfsrem
De cruisecontrol regelt de snelheid met een
beperkte remingreep. Op een aflopende helling is
het soms wenselijk om iets sneller weg te rijden
en de snelheidstoename alleen dempen door op
de motor af te remmen. U kunt de remingreep
van de cruisecontrol dan tijdelijk uitschakelen.
Stand-by vanwege ingreep van bestuurder
De cruisecontrol wordt tijdelijk gedeactiveerd en
stand-by gezet in de volgende gevallen:
Automatische stand-bystand
De cruisecontrol wordt in de volgende gevallen
tijdelijk uitgeschakeld en stand-by gezet:
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
Cruisecontrol deactiveren en stand-by
zetten
–
Druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van WIT naar GRIJS - de cruisecontrol is daarmee tijdelijk gedeactiveerd,
zodat u de ingestelde snelheid tijdelijk
kunt overschrijden.
•
•
•
•
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
het motortoerental is te laag/hoog
de remtemperatuur wordt te hoog
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph)
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
RIJONDERSTEUNING
Cruisecontrol heractiveren vanuit standbystand
–
Druk op de stuurknop
(1).
> De cruisecontrolmarkeringen op het
bestuurdersdisplay verkleuren van GRIJS
naar WIT en de laatst opgeslagen snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol uitschakelen
De cruisecontrol (Cruise Control - CC) kan worden uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Cruisecontrol (p. 282)
Cruisecontrol activeren en starten (p. 283)
Snelheidsfuncties voor cruisecontrol (p. 283)
Cruisecontrol deactiveren/heractiveren
(p. 284)
of
–
Druk op de stuurknop
(2).
> De cruisecontrolmarkeringen en -symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren
van GRIJS naar WIT en de actuele snelheid wordt hervat.
N.B.
Nadat de snelheid weer met de stuurknop
is hervat, kan er een markante snelheidstoename volgen.
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
1.
(2).
Druk op de stuurknop
> De cruisecontrol wordt stand-by gezet.
2.
Druk op de stuurknop ◀ (1) of ▶ (3) om naar
een andere functie te gaan.
> De snelheidsbegrenzermarkering (4) en
het -symbool op het bestuurdersdisplay
doven – de ingestelde/opgeslagen snelheid is daarmee gewist.
3.
Druk nogmaals op de stuurknop
(2).
> Er wordt een andere functie geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Cruisecontrol (p. 282)
Cruisecontrol activeren en starten (p. 283)
Snelheidsfuncties voor cruisecontrol (p. 283)
Cruisecontrol uitschakelen (p. 285)
285
RIJONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol*
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control - ACC) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een bepaald tijdsverschil ten
opzichte van de voorligger in te stellen.
De bestuurder moet altijd rekening houden
met de actuele verkeersomstandigheden en
ingrijpen, wanneer de Adaptieve cruisecontrol
geen passende snelheid of afstand aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol biedt u een comfortabeler rijervaring tijdens lange ritten op snelwegen
en lange, rechte hoofdwegen met een gelijkmatige doorstroom.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet voor
alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
U stelt de gewenste snelheid en het tijdsverschil
ten opzichte van de voorligger in. Wanneer de
gecombineerde camera en radarsensor een voorligger registreert die langzamer rijdt dan u, wordt
uw snelheid automatisch aangepast. Wanneer de
weg voor u weer vrij is, hervat de auto de ingestelde snelheid.
Neem alle hoofdstukken over de Adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het systeem te gebruiken.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden
aangehouden, ook bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol.
BELANGRIJK
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar het
door u ingestelde tijdsverschil ten opzichte van
voorliggers in dezelfde rijstrook aan te houden.
Als de radarsensor geen voorligger registreert,
houdt de auto in plaats daarvan de snelheid aan
die op de cruisecontrol werd ingesteld. Dit
gebeurt ook als de snelheid van de voorligger de
ingestelde snelheid overschrijdt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In situaties waarin krachtig moet worden geremd moet
u dan ook zelf te remmen. Dit is bijvoorbeeld het
geval bij grote snelheidsverschillen of als de
voorligger krachtig remt. Door beperkingen van
de radarsensor is het mogelijk dat er onverwacht
of helemaal niet wordt geremd.
De adaptieve cruisecontrol kan een ander voertuig volgen bij snelheden van stilstand tot
200 km/h (125 mph).
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
De afstand tot voorliggers wordt met een radarsensor gemeten. De cruisecontrol regelt de snelheid door de stand van de gasklep aan te passen
en zo nodig af te remmen. Het is volkomen normaal dat de remmen enige geluiden produceren,
wanneer de adaptieve cruisecontrol ze aanspreekt.
286
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u
merkt dat het systeem een voorligger niet
registreert.
Overzicht
Bestuurdersdisplay
Bediening
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Lage
aanhangers, tegenliggers, langzaam rijdende
en stilstaande voertuigen of vaste obstakels
worden eveneens genegeerd.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in bijvoorbeeld stadsverkeer, op kruisingen, bij
gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten met
veel water of natte sneeuw, op bochtige
wegen of op op- en afritten.
Snelheidsaanduidingen.
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
Verhoogt opgeslagen snelheid óf heractiveert de adaptieve cruisecontrol en hervat de
opgeslagen snelheid
Opgeslagen snelheid
Snelheid van de voorligger.
Actuele snelheid van de eigen auto.
Activeert de adaptieve cruisecontrol en slaat
de actuele snelheid op óf deactiveert de
adaptieve cruisecontrol
Verlaagt de opgeslagen snelheid
Doelvoertuigindicatie: ACC heeft een doelvoertuig ontdekt en volgt deze met een
vooraf gekozen tijdsverschil
}}
287
RIJONDERSTEUNING
||
Waarschuwing bij dreigende aanrijding
Head-updisplay*
Waarschuwingslampje.
Een knipperend symbool trekt uw aandacht.
De adaptieve cruisecontrol gebruikt
ongeveer 40 % van de capaciteit van de bedrijfsrem. Als de auto harder moet worden afgeremd
dan de adaptieve cruisecontrol aankan en u remt
zelf niet bij, dan wordt u er met het waarschuwingslampje en een waarschuwingssignaal van
City Safety op attent gemaakt dat u onmiddellijk
moet ingrijpen.
Als de auto is voorzien van een head-updisplay*,
wordt de waarschuwing op de voorruit weergegeven met een knipperend symbool.
288
Van doelvoertuig veranderen en automatisch
remmen met de adaptieve cruisecontrol
(p. 294)
•
•
Pilot Assist* activeren en starten (p. 301)
•
Inhaalassistent bij de adaptieve cruisecontrol* (p. 293)
•
Adaptieve cruisecontrol deactiveren/heractiveren* (p. 292)
•
•
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 305)
•
Radareenheid (p. 307)
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve
cruisecontrol* (p. 296)
Symbolen en meldingen voor de adaptieve
cruisecontrol* (p. 297)
WAARSCHUWING
De adaptieve cruise control waarschuwt
alleen voor door de radareenheid gedetecteerde voertuigen – het kan dan ook voorkomen dat een waarschuwing vertraagd of helemaal niet wordt weergegeven. Wacht een
waarschuwing niet af, maar rem als dat nodig
is.
N.B.
Bij felle zon of bij gebruik van een zonnebril
kan het waarschuwingslampje moeilijk te zien
zijn.
•
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsfuncties voor adaptieve cruisecontrol* (p. 290)
•
Tijdsverschil instellen voor de adaptieve
cruisecontrol* (p. 291)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol activeren
en starten*
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control - ACC) moet, om de snelheid te kunnen
regelen, eerst worden geactiveerd en vervolgens
worden gestart.
Adaptieve cruisecontrol starten
Om ACC te kunnen starten, is het volgende vereist:
•
U moet de veiligheidsgordel om hebben en
het bestuurdersportier moet gesloten zijn.
•
Er moet een voorligger (doelvoertuig) aanwezig zijn of de actuele snelheid moet minimaal
15 km/h (9 mph) zijn.
–
Als het symbool/de functie
wordt weergegeven - druk op de stuurknop
(1).
> De adaptieve cruisecontrol wordt gestart
en de actuele snelheid wordt als snelheid
opgeslagen en wordt met cijfers in het
midden van de snelheidsmeter weergegeven.
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
Alleen als het afstandssymbool
twee voertuigen aangeeft,
regelt ACC het tijdsverschil ten
opzichte van de voorligger.
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
Adaptieve cruisecontrol activeren
De adaptieve cruisecontrol staat direct na het
starten van de motor in stand-by.
–
Gerelateerde informatie
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd.
Druk op ◀ (2) of ▶ (3) om naar het
symbool/de functie
(4) te gaan.
> Het symbool wordt weergegeven en de
adaptieve cruisecontrol wordt stand-by
gezet.
De hogere snelheid is de opgeslagen/ingestelde snelheid en
de lagere snelheid is de snelheid van de voorligger (doelvoertuig).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 289
RIJONDERSTEUNING
Snelheidsfuncties voor adaptieve
cruisecontrol*
bij het drukken op de knop uw voet op het gaspedaal houdt.
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control - ACC) is in te stellen op verschillende
snelheden.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
–
U wijzigt de opgeslagen snelheid door kort of
(1) of - (3) te
lang op de stuurknop
drukken:
•
Voor aanpassing met +/– 5 km/h
(+/– 5 mph): kort drukken - iedere keer
drukken komt overeen met +/– 5 km/h
(+/– 5 mph).
Let erop dat 30 km/h (20 mph) de minimumsnelheid is waarop u de adaptieve cruisecontrol
kunt instellen - ook al kan de adaptieve cruisecontrol een voorligger volgen tot aan stilstand, is
het kiezen/opslaan van een lagere snelheid dan
de genoemde 30 km/h (20 mph) niet mogelijk.
Later ingebouwde ACC
De adaptieve cruisecontrol kan later worden
ingebouwd bij auto's met standaardcruisecontrol.
Een later ingebouwde ACC wijkt op de volgende
punten af van de af-fabriek gemonteerde versie:
•
Als de voorligger langzamer rijdt dan
30 km/h (20 mph), wordt ACC stand-by
gezet. U moet vervolgens ingrijpen en zelf
een geschikte afstand houden tot de voorligger.
•
De laagst mogelijke snelheid voor activering
van ACC is 30 km/h (20 mph).
•
Voor aanpassing met +/– 1 km/h
(+/– 1 mph): knop ingedrukt houden en
loslaten, wanneer de markering op het
bestuurdersdisplay (4) bij de gewenste
snelheid is.
> De laatst verrichte aanpassing wordt in
het geheugen opgeslagen.
Als de snelheid met het gaspedaal wordt verwordt
hoogd voordat op de stuurknop
gedrukt, wordt de actuele rijsnelheid bij het drukken op de knop opgeslagen, op voorwaarde dat u
290
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Tijdsverschil instellen voor de
adaptieve cruisecontrol*
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Voor de adaptieve cruisecontrol (Adaptive
Cruise Control - ACC) kunnen verschillende
tijdsverschillen worden ingesteld.
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het bestuurdersdisplay
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe groter het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen met
ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger en
5 streepjes komt overeen met ca. 3 seconden.
Als de adaptieve cruisecontrol bij activering
niet lijkt te reageren, kan dat komen doordat
de volgtijd ten opzichte van de voorligger een
snelheidstoename belet.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
Bedieningselementen voor het tijdsverschil.
Tijdsverschil verkleinen
Tijdsverschil vergroten
Hetzelfde symbool verschijnt ook, wanneer de
afstandswaarschuwing geactiveerd is.
Afstandsindicatie
–
N.B.
Als het symbool op het bestuurdersdisplay
twee voertuigen toont, volgt ACC de voorligger met een vooraf gekozen tijdsverschil.
Als er slechts één auto wordt getoond, is er
binnen een redelijke afstand geen voorligger
aanwezig.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
Snelheidsfuncties voor adaptieve cruisecontrol* (p. 290)
Afstandswaarschuwing* (p. 322)
Druk op de stuurknop (1) of (2) om het tijdsverschil te verkleinen of te vergroten.
> De afstandsindicatie (3) toont het actuele
tijdsverschil.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen
blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in
bepaalde situaties aanzienlijke variaties in het
tijdsverschil toe. Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot de adaptieve cruisecontrol het
tijdsverschil iets.
Let erop dat kleine tijdsverschillen u bij plotselinge wijzigingen in het verkeer minder tijd geven
om te reageren en in te grijpen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 291
RIJONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol
deactiveren/heractiveren*
Adaptieve cruisecontrol deactiveren en
stand-by zetten
niet meer werkt, wordt de adaptieve cruisecontrol
automatisch uitgeschakeld.
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control - ACC) kan tijdelijk worden gedeactiveerd en stand-by worden gezet en vervolgens
weer worden geactiveerd.
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
Bij automatische deactivering klinkt een signaal
en op het bestuurdersdisplay verschijnt een melding. U moet in dat geval zelf ingrijpen om de
snelheid en afstand ten opzichte van de voorligger aan te passen.
–
Druk op de stuurknop
(2).
> Het symbool
op het bestuurdersdisplay verandert van WIT naar GRIJS en de
opgeslagen snelheid in het midden van de
snelheidsmeter verandert van BEIGE naar
GRIJS.
•
Stand-by vanwege ingreep van bestuurder
De adaptieve cruisecontrol wordt tijdelijk gedeactiveerd en stand-by gezet in de volgende gevallen:
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en de
ACC kan niet registreren of de voorligger
een stilstaand voertuig is of een object, zoals
een verkeersdrempel.
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en de
voorligger slaat af, zodat de ACC geen voorligger meer kan volgen.
•
•
•
•
•
•
•
de bestuurder opent het portier
Als u een voorligger te dicht nadert terwijl de
adaptieve cruisecontrol stand-by staat, wordt u
door de afstandswaarschuwing geattendeerd op
de korte afstand.
•
•
•
u bedient het rempedaal
u zet de keuzehendel in stand N
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Automatische stand-bystand
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen, bijvoorbeeld de elektronische
stabiliteitsregeling. Als een van deze systemen
292
Automatische deactivering is mogelijk in de volgende gevallen:
u doet de veiligheidsgordel af
het motortoerental is te laag/hoog
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
de remmen hebben een hoge temperatuur
de parkeerrem wordt geactiveerd
de radarsensor wordt afgedekt door natte
sneeuw of zware regenval (blokkering cameralens/radarsignalen).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Cruisecontrol heractiveren vanuit standbystand
Inhaalassistent bij de adaptieve
cruisecontrol*
–
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control - ACC) kan u helpen bij het inhalen van
andere voertuigen.
Druk op de stuurknop
(1).
> De auto hervat de laatst opgeslagen snelheid.
N.B.
Nadat de snelheid weer met de stuurknop
is hervat, kan er een markante snelheidstoename volgen.
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
De functie vertraagt daarna de snelheidsverlaging om te vroeg afremmen te voorkomen als de
auto een langzamer voertuig nadert.
Adaptieve cruisecontrol activeren en starten*
(p. 289)
De functie is actief totdat u het ingehaalde voertuig bent gepasseerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Snelheidsfuncties voor adaptieve cruisecontrol* (p. 290)
•
Tijdsverschil instellen voor de adaptieve
cruisecontrol* (p. 291)
•
Inhaalassistent bij de adaptieve cruisecontrol* (p. 293)
•
Symbolen en meldingen voor de adaptieve
cruisecontrol* (p. 297)
2
Als ACC een ander voertuig volgt en u geeft met
de richtingaanwijzer2 een komende inhaalactie
aan, dan helpt de adaptieve cruisecontrol door de
auto naar de voorligger te accelereren voordat
uw auto de inhaalstrook bereikt.
WAARSCHUWING
Let erop dat deze functie bij meer situaties
dan bij inhalen kan worden geactiveerd, bijv.
als de richtingaanwijzer wordt gebruikt om het
wisselen van rijbaan of een afslag naar een
andere weg aan te geven. De auto accelereert dan kort.
Inhaalassistent starten
Om de inhaalassistent te kunnen activeren, is het
volgende vereist:
•
•
er is een voorligger (doelvoertuig) aanwezig
de actuele snelheid is minimaal 70 km/h
(43 mph)
•
de opgeslagen snelheid voor ACC is hoog
genoeg om veilig te kunnen inhalen.
–
Activeer de richtingaanwijzer.
Gebruik de linker richtingaanwijzer bij een
auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzer bij een auto met het stuur
rechts.
> De inhaalassistent wordt gestart.
Beperkingen
Houd rekening met plotseling veranderende
omstandigheden bij het gebruik van de inhaalassistent. In bepaalde situaties kan de inhaalassistent namelijk een ongewenste acceleratie uitvoeren.
Het is daarom zaak bepaalde situaties te vermijden. Voorbeelden daarvan zijn:
•
u nadert een afslag om af te slaan in
dezelfde richting als waarin een inhaalactie
normaal gesproken plaatsvindt
•
een voorligger mindert vaart voordat uw auto
de inhaalstrook heeft bereikt
Alleen bij gebruik van de linker richtingaanwijzers bij een auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzers bij een auto met het stuur rechts.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 293
RIJONDERSTEUNING
||
•
•
het verkeer op de inhaalstrook mindert vaart
een auto voor rechtsrijdend verkeer rijdt in
een land met linksrijdend verkeer (of
andersom)
Dergelijke situaties zijn te vermijden door ACC tijdelijk stand-by te zetten.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
Van doelvoertuig veranderen en
automatisch remmen met de
adaptieve cruisecontrol
WAARSCHUWING
Wanneer de adaptieve cruisecontrol een rijdende voorligger volgt bij snelheden hoger
dan ca 30 km/h (20 mph), van doelvoertuig
verandert en vervolgens een stilstaand voertuig volgt, zal de adaptieve cruisecontrol het
stilstaande voertuig negeren en de opgeslagen snelheid aanhouden.
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control - ACC) heeft bij bepaalde snelheden
functies voor veranderen van doelvoertuig en
remmen.
Van doelvoertuig veranderen
•
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
Automatische stand-bystand bij wijziging van
doelvoertuig
De adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld
en stand-by gezet:
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(3 mph) en de adaptieve cruisecontrol niet
kan registreren of het doelobject een stilstaand voertuig is of een ander object, zoals
een verkeersdrempel.
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(3 mph) en de voorligger afslaat, zodat de
adaptieve cruisecontrol geen voorligger meer
heeft om te volgen.
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat, kan het
gebeuren dat een stilstaande voorligger het nieuwe
doelvoertuig wordt.
Wanneer de adaptieve cruisecontrol eerst een rijdende voorligger volgt bij snelheden lager dan
30 km/h (20 mph), vervolgens van doelvoertuig
verandert en een stilstaand voertuig als voorligger heeft, dan zal de adaptieve cruisecontrol voor
het stilstaande voertuig remmen.
294
Automatische remfunctie
Bij korte stops tijdens filerijden of voor verkeerslichten wordt automatisch hervat bij een stop korter dan ca. 3 seconden - duurt het langer voordat
een voorligger weer gaat rijden, dan wordt de
adaptieve cruisecontrol stand-by gezet met de
automatische remfunctie.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
–
De adaptieve cruisecontrol kunt u op een van
de volgende manieren heractiveren:
•
•
Druk op de stuurknop
.
Trap het gaspedaal in.
> De adaptieve cruisecontrol hervat het volgen van de voorligger als deze binnen
ongeveer 6 seconden vooruit begint te rijden.
N.B.
ACC kan de auto maximaal 5 minuten stilhouden – daarna wordt de parkeerrem aangezet,
waarna de adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld.
Om de Adaptieve cruisecontrole te kunnen
heractiveren moet u eerst de parkeerrem lossen.
Annulering van automatische remfunctie
In bepaalde situaties wordt de automatische remfunctie bij stilstand geannuleerd en wordt de
adaptieve cruisecontrol stand-by gezet. Dat betekent dat de remmen worden gelost en de auto
mogelijk gaat rollen – u moet daarom ingrijpen
en zelf remmen om de auto stil te houden.
•
u zet de adaptieve cruisecontrol stand-by.
Automatische activering van de
parkeerrem
In bepaalde situaties wordt de parkeerrem aangezet om te zorgen dat de auto blijft stilstaan.
Beperkingen van de adaptieve
cruisecontrol*
De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control - ACC) kent in bepaalde situaties beperkingen.
•
u het bestuurdersportier opent of de veiligheidsgordel losmaakt
•
ACC de auto langer dan ongeveer 5 minuten
staande heeft gehouden
•
•
de remmen oververhit zijn geraakt
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in eerste
instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op
vlakke weggedeelten. Het systeem heeft mogelijk
moeite om de juiste afstand ten opzichte van
voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen, bij vervoer van zware belading of
met een aanhanger/caravan achter de auto – blijf
dan extra alert en rem zo nodig zelf.
de motor wordt afgezet.
•
Dit gebeurt als de adaptieve cruisecontrol de
auto laat stilstaan en:
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
Rijstand Off Road kan niet worden gekozen
als de adaptieve cruisecontrol is geactiveerd.
N.B.
De functie maakt gebruik van de radareenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de radareenheid'.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
Beperkingen van de radarsensor (p. 308)
Dat is mogelijk in de volgende situaties:
•
•
•
u bedient het rempedaal
u zet de parkeerrem aan
u zet de keuzehendel in de stand P, N of R
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 295
RIJONDERSTEUNING
Wisselen tussen cruisecontrol en
adaptieve cruisecontrol*
2.
In een auto met adaptieve cruisecontrol* (ACC)
kunt u wisselen tussen cruisecontrol (CC) en
ACC.
WAARSCHUWING
Wisselen van ACC naar CC
Na een wisseling van ACC naar CC remt de
auto niet langer automatisch - deze volgt
alleen de ingestelde snelheid.
Het symbool op het bestuurdersdisplay geeft aan
welke cruisecontrol actief is:
CC
ACC
Cruise Control
Adaptive Cruise Control
A
Cruisecontrol
A
A
Adaptieve cruisecontrol
1.
296
Als CC bij het uitschakelen van de motor actief is,
wordt ACC bij de volgende motorstart geactiveerd.
Wisselen van CC naar ACC
1.
Druk op de knop Adaptieve cruise in het
functiescherm.
> Op het bestuurdersdisplay verandert het
symbool CC in ACC - vervolgens is de
adaptieve cruisecontrol geactiveerd en
stand-by gezet.
2.
Druk op de stuurknop
.
> De adaptieve cruisecontrol start en slaat
de actuele snelheid op samen met het
vooraf ingestelde tijdsverschil ten opzichte
van voorliggers.
WIT symbool: De functie is actief, GRIJS symbool: Stand-by zetten
Zo wisselt u van adaptieve cruisecontrol (ACC)
naar cruisecontrol (CC):
Druk op de knop Cruise control in het functiescherm.
> Op het bestuurdersdisplay verandert het
symbool ACC in CC - vervolgens is de
adaptieve cruisecontrol (ACC) uitgeschakeld en de cruisecontrol (CC) stand-by
gezet.
Druk op de stuurknop
.
> De cruisecontrol wordt gestart en de
actuele snelheid wordt opgeslagen.
Gerelateerde informatie
•
•
Cruisecontrol (p. 282)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor de
adaptieve cruisecontrol*
het de adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise
Control - ACC).
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Symbool
Melding
Betekenis
Het symbool is WIT
De auto houdt de opgeslagen snelheid aan.
Niet beschikbaar en het symbool is GRIJS
De adaptieve cruisecontrol staat stand-by.
Voorruitsensor
Reinig de voorruit vóór de sensoren van de gecombineerde camera en radarsensor.
Sensor afgedekt, zie handleiding
Adaptieve cruise
Service vereist
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 297
RIJONDERSTEUNING
Pilot Assist*
Pilot Assist helpt u om tussen de zijmarkeringen
van de rijbaan te blijven rijden en een vooraf
geselecteerd tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger aan te houden.
Met Pilot Assist is het aangenamer rijden bij
langzaamrijdend verkeer - tot 50 km/h (30 mph)
- op snelwegen en andere grote wegen.
wordt aangehouden via automatische aanpassing
van de snelheid, terwijl de stuurhulp helpt om de
auto binnen de rijstrookmarkeringen te houden.
Pilot Assist-stuurhulp wordt gebaseerd op een
combinatie van het traject dat de voorligger aflegt
en de zijmarkeringen van de rijbaan. U kunt op
elk gewenst moment het stuuradvies van Pilot
Assist negeren en in een andere richting sturen,
bijvoorbeeld om van rijstrook te wisselen of om
obstakels op de weg te omzeilen.
Als de gecombineerde camera en radarsensor
geen rijstrookmarkeringen of voorliggers detecteert, wordt Pilot Assist stand-by gezet.
Wanneer Pilot Assist stand-by staat en de auto
een voorligger te dicht nadert, wordt u in plaats
daarvan door de afstandswaarschuwing gewaarschuwd voor de te korte afstand (link naar
afstandswaarschuwing aan het eind van dit
gedeelte).
Functie-overzicht.
Gecombineerde camera en radarsensor
Afstandssensor
Zijmarkeringssensor
U stelt het gewenste tijdsverschil in ten opzichte
van de voorligger. Pilot Assist tast met de
gecombineerde camera en radarsensor af waar
de voorligger en de zijmarkeringen van de weg
zich bevinden. Het vooraf ingestelde tijdsverschil
298
WAARSCHUWING
Pilot Assist is een hulpmiddel dat niet alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden aankan.
Houd altijd rekening met de heersende verkeersomstandigheden en grijp in, wanneer
Pilot Assist geen passende snelheid of
afstand aanhoudt.
Neem alle gedeelten over het systeem in de
gebruikershandleiding door voor informatie
over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het systeem te gebruiken.
Gebruik Pilot Assist alleen bij duidelijke markeringen op de rijbaan aan weerszijden van
de rijstrook. Bij gebruik in andere situaties
bestaat het risico dat u op omringende obstakels botst die het systeem niet kan detecteren.
U bent altijd verantwoordelijk voor de besturing van de auto en voor het aanhouden van
een passende afstand en snelheid, ook bij
gebruik van Pilot Assist.
Pilot Assist probeert de snelheid op een soepele
manier te regelen. In situaties waarin krachtig
moet worden geremd moet u dan ook zelf te
remmen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij grote
snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig
remt. Door beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor is het mogelijk dat er
onverwacht of helemaal niet wordt geremd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
De opgeslagen snelheid voor de functie Pilot
Assist is vooraf ingesteld op 50 km/h (30 mph)
en kan niet worden aangepast. Als de voorligger
sneller gaat rijden dan 50 km/h (30 mph) en zich
niet meer binnen een redelijke afstand bevindt,
wordt Pilot Assist stand-by gezet.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
Pilot Assist over aan een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Pilot Assist regelt de snelheid door de stand van
de gasklep aan te passen en zo nodig af te remmen. Het is normaal dat de remmen enige geluiden produceren, wanneer Pilot Assist ze aanspreekt.
WAARSCHUWING
Pilot Assist is geen systeem dat botsingen
voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het
systeem een voorligger niet registreert.
Overzicht
Bediening
Pilot Assist reageert niet op voetgangers of
dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Lage aanhangers,
tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden
eveneens genegeerd.
Gebruik Pilot Assist niet in stadsverkeer, op
kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of
sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met veel water of natte sneeuw, op
bochtige wegen of op op- en afritten.
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
Activeert/deactiveert Pilot Assist
Schakelt over van Pilot Assist op adaptieve
cruisecontrol
Verlaagt de afstand tot de voorligger
Schakelt over van adaptieve cruisecontrol op
Pilot Assist
Verhoogt de afstand tot de voorligger
Symbolen voor de functies
}}
299
RIJONDERSTEUNING
||
Bestuurdersdisplay
Waarschuwing bij dreigende aanrijding
Head-updisplay*
Snelheidsaanduidingen.
Waarschuwingslampje.
Een knipperend symbool trekt uw aandacht.
Pilot Assist gebruikt ca. 40 % van de capaciteit
van de bedrijfsrem. Als de auto harder moet worden afgeremd dan Pilot Assist aankan en u remt
zelf niet bij, dan wordt u er met het waarschuwingslampje en een waarschuwingssignaal van
City Safety op attent gemaakt dat u onmiddellijk
moet ingrijpen.
Als de auto is voorzien van een head-updisplay*,
wordt de waarschuwing op de voorruit weergegeven met een knipperend symbool.
Opgeslagen snelheid
Snelheid van de voorligger.
Actuele snelheid van de eigen auto.
WAARSCHUWING
Pilot Assist waarschuwt alleen voor voertuigen die door de camera- en radareenheid zijn
ontdekt - daarom kan een waarschuwing uitblijven of met een bepaalde vertraging worden doorgegeven. Wacht een waarschuwing
niet af, maar rem als dat nodig is.
N.B.
Bij felle zon of bij gebruik van een zonnebril
kan het waarschuwingslampje moeilijk te zien
zijn.
Gerelateerde informatie
•
•
300
Pilot Assist* activeren en starten (p. 301)
Pilot Assist deactiveren/heractiveren*
(p. 303)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
•
Tijdsverschil instellen voor Pilot Assist*
(p. 302)
•
Automatisch remmen met Pilot Assist*
(p. 304)
•
•
•
•
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 305)
Pilot Assist* activeren en starten
Een GEEL symbool met een knipperende WITTE
pijl geeft aan dat er naar de stand-bystand wordt
geschakeld.
Met de adaptieve cruisecontrol in stand-by:
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
1.
Druk op ▶ (4).
> Symbool wordt weergegeven en Pilot
Assist wordt stand-by gezet.
2.
(1).
Druk op de stuurknop
> Pilot Assist wordt gestart.
Afstandswaarschuwing* (p. 322)
Head-updisplay* (p. 111)
Met de adaptieve cruisecontrol gestart:
–
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
Om Pilot Assist te kunnen starten, is het volgende vereist:
•
•
•
Een voorligger binnen een redelijke afstand.
De camera moet de zijmarkeringen van de
rijbaan kunnen "zien".
U rijdt zelf langzamer dan 50 km/h (30 mph).
De beschikbaarheid wordt
weergegeven met de kleur van
het symbool (WIT = beschikbaar) als de Pilot Assist is
gekozen.
In andere gevallen is dat te zien
aan het uiterlijk van de rechterpijl bij het symbool
- WIT = beschikbaar.
Druk op ▶ (4).
> Pilot Assist wordt gestart.
Handen aan het stuur
Pilot Assist werkt alleen wanneer u de handen
aan het stuur houdt. Het systeem controleert dit
voortdurend. Als dit niet het geval is, wordt u middels een displaymelding aangespoord om de
auto actief te sturen. Als dat niet gebeurt, klinkt
een akoestisch waarschuwingssignaal.
Als u dan nog niet de handen naar het stuur
brengt, wordt Pilot Assist uitgeschakeld. Door
een druk op de stuurknop
heractiveert u
Pilot Assist.
N.B.
Let op: de hulpfunctie Pilot Assist werkt
alleen als u de handen aan het stuur hebt.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 301
RIJONDERSTEUNING
||
•
•
Pilot Assist* (p. 298)
Tijdsverschil instellen voor Pilot
Assist*
Pilot Assist deactiveren/heractiveren*
(p. 303)
Voor Pilot Assist kunnen verschillende tijdsverschillen worden ingesteld.
•
Tijdsverschil instellen voor Pilot Assist*
(p. 302)
•
Automatisch remmen met Pilot Assist*
(p. 304)
•
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 305)
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het bestuurdersdisplay
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe groter het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen met
ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger en
5 streepjes komt overeen met ca. 3 seconden.
Gerelateerde informatie
Bedieningselementen voor het tijdsverschil.
Tijdsverschil verkleinen
Tijdsverschil vergroten
Hetzelfde symbool verschijnt ook, wanneer de
afstandswaarschuwing geactiveerd is.
Afstandsindicatie
–
Druk op de stuurknop (1) of (2) om het tijdsverschil te verkleinen of te vergroten.
> De afstandsindicatie (3) toont het actuele
tijdsverschil.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen
blijven volgen staat Pilot Assist in bepaalde situaties aanzienlijke variaties in het tijdsverschil toe.
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot Pilot
Assist het tijdsverschil iets.
Let erop dat kleine tijdsverschillen u bij plotselinge wijzigingen in het verkeer minder tijd geven
om te reageren en in te grijpen.
302
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Pilot Assist deactiveren/
heractiveren*
Als Pilot Assist bij activering niet lijkt te reageren, kan dat komen doordat de volgtijd ten
opzichte van de voorligger een snelheidstoename belet.
Het automatisch heractiveren vanuit de standbystand kan binnen 1 minuut plaatsvinden.
Daarna moet Pilot Assist handmatig worden
.
geactiveerd met stuurknop
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
Pilot Assist wordt tijdelijk gedeactiveerd en
stand-by gezet in de volgende gevallen:
Gerelateerde informatie
•
•
•
Pilot Assist* (p. 298)
•
Automatisch remmen met Pilot Assist*
(p. 304)
•
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 305)
Pilot Assist* activeren en starten (p. 301)
Pilot Assist deactiveren/heractiveren*
(p. 303)
Stand-by vanwege ingreep van bestuurder
Als de richtingaanwijzer of het gaspedaal wordt
gebruikt, wordt Pilot Assist tijdelijk uitgeschakeld
en stand-by gezet. Als dat niet langer het geval is,
wordt Pilot Assist automatisch opnieuw geactiveerd.
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies.
Pilot Assist deactiveren en stand-by
zetten
1.
(1).
Druk op de stuurknop
> Pilot Assist wordt stand-by gezet.
2.
Druk op ◀ (2).
> Pilot Assist wordt uitgeschakeld en schakelt over naar de adaptieve cruisecontrol
in stand-bystand.
•
•
u bedient het rempedaal
u zet de keuzehendel in stand N.
U krijgt vervolgens geen stuuradvies meer en
moet zelf de snelheid en de afstand regelen óf u
kunt Pilot Assist handmatig opnieuw activeren
met stuurknop
.
of
–
Druk op ◀ (2).
> Pilot Assist wordt uitgeschakeld en schakelt over naar de adaptieve cruisecontrol
in actieve stand.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 303
RIJONDERSTEUNING
||
Automatische stand-bystand
Pilot Assist is afhankelijk van andere systemen,
bijvoorbeeld de elektronische stabiliteitsregeling.
Als een van deze systemen niet meer werkt,
wordt Pilot Assist automatisch uitgeschakeld.
Bij automatische deactivering klinkt een signaal
en op het bestuurdersdisplay verschijnt een melding. U moet in dat geval zelf ingrijpen om de
snelheid en afstand ten opzichte van de voorligger en het verkeer om u heen aan te passen.
Automatische deactivering is mogelijk in de volgende gevallen:
•
•
•
•
•
•
•
•
•
de camera kan de zijmarkeringen van de rijbaan niet "zien"
de voorligger bevindt zich niet binnen een
redelijke afstand
u houdt uw handen niet aan het stuurwiel
u doet de veiligheidsgordel af
het motortoerental is te laag/hoog
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
de remmen hebben een hoge temperatuur
de parkeerrem wordt geactiveerd
de gecombineerde camera en radarsensor
wordt afgedekt door natte sneeuw of zware
regenval (blokkering cameralens/radarsignalen).
Pilot Assist heractiveren vanuit standbystand
Automatisch remmen met Pilot
Assist*
–
Automatisch remmen met Pilot Assist werkt als
volgt.
Druk op de stuurknop
(1).
> De auto hervat de laatst opgeslagen snelheid.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Pilot Assist* (p. 298)
•
Tijdsverschil instellen voor Pilot Assist*
(p. 302)
•
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 305)
Pilot Assist* activeren en starten (p. 301)
Automatisch remmen met Pilot Assist*
(p. 304)
Bij korte stops tijdens filerijden of voor verkeerslichten wordt de functie automatisch hervat, als
de stop korter was dan ca. 3 seconden. Duurt het
langer voordat een voorligger weer gaat rijden,
dan wordt Pilot Assist stand-by met automatische
remfunctie gezet.
–
Pilot Assist kunt u op een van de volgende
manieren heractiveren:
•
•
Druk op de stuurknop
.
Trap het gaspedaal in.
> Pilot Assist hervat het volgen van de voorligger als deze binnen
ongeveer 6 seconden vooruit begint te rijden.
N.B.
Pilot Assist kan de auto maximaal 5 minuten
stilhouden - daarna wordt de parkeerrem aangezet, waarna de functie wordt uitgeschakeld.
Om Pilot Assist te kunnen heractiveren, moet
u eerst de parkeerrem lossen.
Annulering van automatisch remmen
In bepaalde situaties wordt het automatisch remmen bij stilstand geannuleerd en wordt Pilot
304
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Assist in stand-by gezet. Dat betekent dat de
remmen worden gelost en de auto mogelijk gaat
rollen – u moet daarom ingrijpen en zelf remmen
om de auto stil te houden.
Dat kan in de volgende situaties gebeuren:
•
•
•
•
u bedient het rempedaal
u zet de parkeerrem aan
u zet de keuzehendel in de stand P, N of R
u Pilot Assist stand-by zet.
•
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 305)
Beperkingen van Pilot Assist*
In bepaalde situaties gelden mogelijk beperkingen voor de werking van Pilot Assist.
Pilot Assist is een hulpmiddel dat u in veel situaties kan ondersteunen en helpen. U bent er
echter altijd zelf verantwoordelijk voor dat u een
veilige afstand aanhoudt ten opzichte van de
omgeving en dat u de juiste positie op de rijbaan
aanhoudt.
Automatische activering van de
parkeerrem
In bepaalde situaties wordt de parkeerrem aangezet om te zorgen dat de auto blijft stilstaan.
Dit vindt plaats, als:
•
u het bestuurdersportier opent of de veiligheidsgordel losmaakt
•
Pilot Assist de auto langer dan
ongeveer 5 minuten staande heeft gehouden
•
•
de remmen oververhit zijn geraakt
de motor wordt afgezet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Pilot Assist* (p. 298)
•
Tijdsverschil instellen voor Pilot Assist*
(p. 302)
Pilot Assist* activeren en starten (p. 301)
Pilot Assist deactiveren/heractiveren*
(p. 303)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 305
RIJONDERSTEUNING
||
Pilot Assist wordt mogelijk uitgeschakeld of
werkt minder goed, als:
•
de rijstrookmarkeringen zijn afgesleten,
ontbreken of elkaar kruisen.
•
de rijstrookindeling niet duidelijk is, bijvoorbeeld wanneer de rijstroken worden
gesplitst of samengevoegd, bij afritten of
als er sprake is van meerdere sets wegmarkeringen.
•
er randen of andere lijnen dan rijstrookmarkeringen aanwezig zijn op of naast de
rijbaan, zoals trottoirbanden, naden of
reparaties in het oppervlak van de rijbaan,
randen van barrières, bermen of scherpe
schaduwen.
•
•
de rijstrook smal of bochtig is.
het slecht weer is, met regen, (natte)
sneeuw of mist of verminderd zicht met
slechte lichtomstandigheden, tegenlicht,
een natte rijbaan e.d.
Let er ook op dat Pilot Assist de volgende
beperkingen heeft:
•
306
der om voldoende afstand te houden tot
de genoemde barrières.
BELANGRIJK
Hoge trottoirbanden, barrières en tijdelijke wegversperringen (pylonen, andere
barrières e.d.) worden niet gedetecteerd.
Ze kunnen ten onrechte worden verward
met rijstrookmarkeringen, zodat het risico
bestaat dat de auto in aanraking met dergelijke barrières. Het is aan de bestuur-
•
Overig
De camera- en radarsensor hebben niet
voldoende capaciteit om alle aanwezige
objecten en obstakels in het verkeer te
ontdekken, zoals kuilen, stilstaande
obstakels of voorwerpen die de route
geheel of gedeeltelijk blokkeren.
•
Pilot Assist kan voetgangers, dieren e.d.
niet ‘zien’.
•
De aanbevolen stuuringreep is in sterkte
beperkt, wat inhoudt dat het systeem u
niet altijd kan helpen de auto zo te sturen
dat deze binnen de rijstrook blijft.
U kunt actuele stuuringrepen van Pilot Assist
altijd corrigeren of aanpassen en zelf het stuur in
de gewenste stand draaien.
Steile wegen en/of zware belading
Let erop dat Pilot Assist in eerste instantie
bestemd is voor gebruik tijdens ritten op vlakke
weggedeelten. Het systeem heeft mogelijk
moeite om de juiste afstand ten opzichte van
voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen, bij vervoer van zware belading of
met een aanhanger/caravan achter de auto - blijf
dan extra alert en rem zo nodig zelf.
N.B.
De functie maakt gebruik van de camera-eenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de camera-eenheid'.
N.B.
De functie maakt gebruik van de radareenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de radareenheid'.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Pilot Assist* (p. 298)
•
Tijdsverschil instellen voor Pilot Assist*
(p. 302)
•
Automatisch remmen met Pilot Assist*
(p. 304)
•
•
Beperkingen van de radarsensor (p. 308)
Pilot Assist* activeren en starten (p. 301)
Pilot Assist deactiveren/heractiveren*
(p. 303)
Beperkingen van de camera (p. 315)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Radareenheid
De radareenheid wordt door meerdere rijhulpsystemen gebruikt en heeft tot taak om andere
voertuigen te detecteren.
•
•
•
•
Afstandswaarschuwing* (p. 322)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
Pilot Assist* (p. 298)
City Safety (p. 325)
De radareenheid wordt gebruikt voor de volgende
systemen:
•
•
•
•
Afstandswaarschuwing*
Adaptieve cruisecontrol*
Pilot Assist*
City Safety
Bij modificatie van de radareenheid is het mogelijk dat het gebruik ervan onwettig wordt.
Gerelateerde informatie
•
•
Beperkingen van de radarsensor (p. 308)
Typegoedkeuring voor radareenheden
(p. 311)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 307
RIJONDERSTEUNING
Beperkingen van de radarsensor
De radarsensor kent een aantal beperkingen, die
ook beperkingen met zich meebrengen voor de
functies die gebruik maken van de eenheid.
Geblokkeerde eenheid
Het gemarkeerde gebied moet vrij blijven van stickers,
voorwerpen, enz.
308
De radarsensor zit aan de binnenkant op het
bovenste deel van de voorruit, samen met de
camera van de auto.
In de volgende tabel staan voorbeelden van
mogelijke oorzaken van het verschijnen van de
melding en passende maatregelen:
BELANGRIJK
Plaats, plak of monteer niets aan de buitenof binnenkant van de voorruit, vóór of rond de
camera- en radareenheid - dat kan de op de
camera en radar gebaseerde functies verstoren.
Als op het bestuurdersdisplay dit symbool en de melding Voorruitsensor
Sensor afgedekt, zie handleiding
verschijnen, betekent dit dat de
camera- en radareenheid geen voorliggers kan
ontdekken.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor is vuil
of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor
van vuil, sneeuw en ijs.
Dichte mist en zware regen- of sneeuwval blokkeren de radarsignalen of het
zicht van de camera.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de eenheid soms niet.
RIJONDERSTEUNING
Oorzaak
Maatregel
De radarsignalen of het zicht van de camera worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de eenheid soms niet.
Er is vuil tussen de binnenkant van de voorruit en de gecombineerde camera
en radarsensor gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de voorruit achter de behuizing van de eenheid te laten reinigen. Geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
beeld als een inhalend voertuig invoegt tussen u en uw voorligger.
N.B.
Houd het voorruitoppervlak vóór de cameraen radareenheid schoon.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen of
voertuigen die niet in het midden van de rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
De radarsensor heeft veel meer moeite om een
voorligger te ontdekken als:
•
In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
de snelheid van de voorligger veel afwijkt van
die van uw eigen auto
Beperkt blikveld
De radarsensor heeft een beperkt blikveld. In
bepaalde gevallen wordt een voorligger niet ontdekt of later dan verwacht.
Het blikveld van de radarsensor.
Soms kan de radarsensor een voertuig op
korte afstand pas laat registreren, bijvoor-
}}
309
RIJONDERSTEUNING
||
Lage aanhangers
Beschadigde voorruit
BELANGRIJK
Bij het vervangen van de voorruit moet de
camera- en radareenheid in de werkplaats
opnieuw worden gekalibreerd om de werking
van alle op de camera en radar gebaseerde
systemen van de auto te garanderen. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Lage aanhanger in radarschaduw.
Ook lage aanhangers ontdekt de radarsensor
soms alleen met grote moeite of helemaal niet u moet daarom extra voorzichtig zijn als er een
lage aanhanger achter de voorligger hangt en de
adaptieve cruisecontrol of Pilot Assist actief is.
Hoge temperaturen
Bij zeer hoge temperaturen in het interieur zal de
gecombineerde camera en radarsensor na het
starten van de motor mogelijk tijdelijk worden uitgeschakeld gedurende zo'n 15 minuten om de
elektronica te beschermen. Als de temperatuur
voldoende gedaald is, wordt de gecombineerde
camera en radarsensor automatisch weer opgestart.
Als het voorruitoppervlak vóór een van beide
"ogen" van de gecombineerde camera en
radarsensor barsten, krassen of steenslagschade vertoont van ca. 0,5 × 3,0 mm (of groter), neem dan contact op met een werkplaats
om de voorruit te laten vervangen. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als u niets doet, presteren de rijhulpsystemen
die gebruik maken van de gecombineerde
camera en radarsensor mogelijk minder goed.
Om te voorkomen dat de rijhulpsystemen die
van de radarsensor gebruik maken, helemaal
niet, onjuist of in beperkte mate werken, geldt
tevens het volgende:
•
•
•
310
Volvo adviseert u scheurtjes, krassen of
sterren in het gebied vóór de gecombineerde camera en radarsensor niet te
repareren, maar de complete voorruit te
vervangen.
Neem alvorens de voorruit te laten vervangen contact op met een erkende
Volvo-werkplaats om te controleren of de
juiste voorruit wordt besteld en gemonteerd.
Monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander type,
door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
Onderhoud
De gecombineerde camera en radarsensor werkt
alleen naar behoren wanneer u vuil, ijs en
sneeuw van de voorruit ervoor verwijdert en u dit
deel regelmatig reinigt met water en autoshampoo.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de camera- en radareenheid bedekken, neemt de functie af en
kan meten onmogelijk worden gemaakt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Radareenheid (p. 307)
Beperkingen van de camera (p. 315)
Beperkingen van afstandswaarschuwing*
(p. 324)
•
Beperkingen van de adaptieve cruisecontrol*
(p. 295)
•
•
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 305)
Beperkingen van City Safety (p. 330)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Typegoedkeuring voor
radareenheden
De typegoedkeuringen voor de radareenheden
van de auto staan in de volgende tabel.
Markt
ACCA
BLISB
Symbool
Typegoedkeuring
Este equipamento opera em caráter secundário, isto é, não tem direito à proteção contra
interferência prejudicial, mesmo de estações do mesmo tipo, e não pode causar
interferência a sistemas operando em caráter primário.
✓
Brazilië
Modelo: L2C0055TR
1500-15-8065
EAN: 07897843840978
Europa
✓
✓
Hereby, Delphi Electronics & Safety declares that L2C0054TR / L2C0055TR are in
compliance with the essential requirements and other relevant provisions of Directive
1999/5/EC. The Declaration of Conformity may be consulted at Delphi Electronics &
Safety / 2151 E. Lincoln Road / Kokomo, Indiana 46902 USA
TRA
✓
REGISTERED No: ER37536/15
DEALER No: DA37380/15
Verenigde Arabische
Emiraten
TRA
✓
REGISTERED No: ER37357/15
DEALER No: DA37380/15
}}
311
RIJONDERSTEUNING
||
Markt
ACCA
BLISB
Symbool
Typegoedkeuring
37295/POSTEL/2014
✓
4927
Indonesië
✓
38806/SDPPI/2015
4927
Type Approval No.: TRC/LPD/2014/255
✓
Equipment Type: Low Power Device (LPD)
Jordanië
✓
Type Approval No.: TRC/LPD/2015/3
Equipment Type: Low Power Device (LPD)
AGREE PAR L’ANRT MAROC
Marokko
✓
✓
NUMÉRO D’AGRÉMENT: MR 9929 ANRT 2014
DATE D’AGRÉMENT: 26/12/2014
Moldavië
✓
Singapore
✓
1024
✓
TA-2014/1824
✓
APPROVED
Zuid-Afrika
✓
312
Complies with IDA Standards DA105753
TA-2014/2390
APPROVED
RIJONDERSTEUNING
Markt
ACCA
BLISB
✓
Taiwan
A
B
Symbool
Typegoedkeuring
CCAB15LP0560T3
✓
CCAB15LP0680T0
ACC = Adaptive Cruise Control
BLIS = Blind Spot Information
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Radareenheid (p. 307)
Beperkingen van de radarsensor (p. 308)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
Blind Spot Information* (p. 361)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 313
RIJONDERSTEUNING
Camera
De camera wordt gebruikt door meerdere rijhulpsystemen en heeft tot taak om bijvoorbeeld
de zijlijnen van de weg of verkeersborden te
detecteren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Beperkingen van de camera (p. 315)
Rijbaanassistent* (p. 336)
City Safety (p. 325)
Driver Alert Control (p. 334)
Pilot Assist* (p. 298)
Verkeersbordinformatie* (p. 318)
Groot licht activeren/deactiveren (p. 140)
De camera wordt gebruikt voor de volgende systemen:
•
•
•
•
•
•
•
314
Adaptieve cruisecontrol
Rijbaanassistent
Driver Alert Control
Pilot Assist*
City Safety
Verkeersbordinformatie
Automatisch groot licht
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Beperkingen van de camera
Geblokkeerde eenheid
De camera kent een aantal beperkingen, die ook
beperkingen met zich meebrengen voor de functies die gebruik maken van de eenheid.
Beperkt zicht
De camera kent ongeveer dezelfde beperkingen
als het menselijk oog. Dit houdt in dat hij minder
goed "ziet" bij hevige regen- of sneeuwval, in
dichte mist of in dikke stofwolken of stuifsneeuw.
In dergelijke omstandigheden kunnen functies
die gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd
worden.
Fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde
en onduidelijke rijstrookmarkeringen kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen voor de functies die van de camera gebruik maken om bijvoorbeeld het wegdek af te tasten en andere
voertuigen, fietsers en voetgangers te ontdekken.
BELANGRIJK
Plaats, plak of monteer niets aan de buitenof binnenkant van de voorruit, vóór of rond de
camera- en radareenheid - dat kan de op de
camera en radar gebaseerde functies verstoren.
Het gemarkeerde gebied moet vrij blijven van stickers,
voorwerpen, enz.
De camera zit aan de binnenkant op het bovenste deel van de voorruit, samen met de radarsensor van de auto.
Als op het bestuurdersdisplay dit symbool en de melding Voorruitsensor
Sensor afgedekt, zie handleiding
verschijnen, betekent dit dat de
camera- en radareenheid geen voorliggers kan
ontdekken.
In de volgende tabel staan voorbeelden van
mogelijke oorzaken van het verschijnen van de
melding en passende maatregelen:
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor is
vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor van
vuil, sneeuw en ijs.
Dichte mist en zware regen- of sneeuwval blokkeren de radarsignalen
of het zicht van de camera.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de eenheid soms niet.
De radarsignalen of het zicht van de camera worden gehinderd door
opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of sneeuw
werkt de eenheid soms niet.
}}
315
RIJONDERSTEUNING
||
Oorzaak
Maatregel
Er is vuil tussen de binnenkant van de voorruit en de gecombineerde
camera en radarsensor gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de voorruit achter de behuizing van
de eenheid te laten reinigen. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Fel tegenlicht
Valt niets aan te doen. In betere lichtomstandigheden wordt de camera automatisch opnieuw geactiveerd.
N.B.
Houd het voorruitoppervlak vóór de cameraen radareenheid schoon.
Hoge temperaturen
Bij zeer hoge temperaturen in het interieur zal de
gecombineerde camera en radarsensor na het
starten van de motor mogelijk tijdelijk worden uitgeschakeld gedurende zo'n 15 minuten om de
elektronica te beschermen. Als de temperatuur
voldoende gedaald is, wordt de gecombineerde
camera en radarsensor automatisch weer opgestart.
BELANGRIJK
Als het voorruitoppervlak vóór een van beide
"ogen" van de gecombineerde camera en
radarsensor barsten, krassen of steenslagschade vertoont van ca. 0,5 × 3,0 mm (of groter), neem dan contact op met een werkplaats
om de voorruit te laten vervangen. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als u niets doet, presteren de rijhulpsystemen
die gebruik maken van de gecombineerde
camera en radarsensor mogelijk minder goed.
Om te voorkomen dat de rijhulpsystemen die
van de radarsensor gebruik maken, helemaal
niet, onjuist of in beperkte mate werken, geldt
tevens het volgende:
•
316
repareren, maar de complete voorruit te
vervangen.
Beschadigde voorruit
Volvo adviseert u scheurtjes, krassen of
sterren in het gebied vóór de gecombineerde camera en radarsensor niet te
•
Neem alvorens de voorruit te laten vervangen contact op met een erkende
Volvo-werkplaats om te controleren of de
juiste voorruit wordt besteld en gemonteerd.
•
Monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander type,
door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
BELANGRIJK
Bij het vervangen van de voorruit moet de
camera- en radareenheid in de werkplaats
opnieuw worden gekalibreerd om de werking
van alle op de camera en radar gebaseerde
systemen van de auto te garanderen. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Onderhoud
De gecombineerde radarsensor en camera werkt
alleen naar behoren wanneer u vuil, ijs en
sneeuw van de voorruit ervoor verwijdert en u dit
RIJONDERSTEUNING
deel regelmatig reinigt met water en autoshampoo.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de camera- en radareenheid bedekken, neemt de functie af en
kan meten onmogelijk worden gemaakt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Camera (p. 314)
Beperkingen van de radarsensor (p. 308)
Rijbaanassistent* (p. 336)
Beperkingen van Driver Alert Control
(p. 336)
Beperkingen van Pilot Assist* (p. 305)
Beperkingen van City Safety (p. 330)
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
(p. 322)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 317
RIJONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie*
WAARSCHUWING
De verkeersbordinformatie (Road Sign
Information - RSI) helpt u bij het in acht nemen
van snelheidsspecifieke verkeersborden en
bepaalde verbodsborden die u passeert.
RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften houdt.
Bordweergave van
verkeersbordinformatie
De verkeersbordinformatie (Road Sign
Information - RSI) registreert en toont verkeersborden op verschillende manieren, afhankelijk
van het bord en de situatie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Voorbeelden van leesbare
borden3.
Bordweergave van verkeersbordinformatie
(p. 318)
Informatie over snelheidscamera's (p. 320)
Verkeersbordinformatie activeren/deactiveren (p. 321)
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
(p. 322)
RSI geeft informatie over onder meer actuele
snelheid, begin of eind van auto- of snelwegen
en eventuele inhaal- en inrijverboden.
Als u zowel een bord voor snel-/autoweg als een
bord met de maximumsnelheid passeert, toont
RSI alleen het bordsymbool voor de maximumsnelheid.
3
4
318
Voorbeeld van geregistreerde snelheidsinformatie4.
Zodra RSI een verkeersbord met een voorgeschreven snelheid heeft geregistreerd, laat het
bestuurdersdisplay dat bord zien in de vorm van
een symbool en een rode aanduiding op de snelheidsschaal.
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek - de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek - de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Samen met het symbool voor
de geldende snelheidsbeperking kan ook een aanvullend
bord worden weergegeven, bijvoorbeeld voor een inhaalverbod of verboden in te rijden.
Einde snelheidsbeperkingen.
Soms kent een en dezelfde weg verschillende
snelheidsbeperkingen – een aanvullend bord
geeft dan aan onder welke omstandigheden de
snelheden gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan
om een gevaarlijke weg bij bijvoorbeeld regen
en/of mist.
Als u een weg met een inrijverbod inrijdt met dit bord aan de
desbetreffende zijde, wordt u
gewaarschuwd met een knipperend symbool van dit bord op
het bestuurdersdisplay.
Einde snelweg.
Het aanvullende bord met betrekking tot regen
verschijnt alleen als de ruitenwissers zijn geactiveerd.
U kunt ook een akoestische waarschuwing ontvangen bij het negeren van een inrijverbod als
Audiowaarschuwing geactiveerd is - zie
"Akoestische waarschuwing activeren/deactiveren" onder "Verkeersbordinformatie activeren/
deactiveren".
Vervolgens wordt er geen verkeersbordinformatie
weergegeven, totdat het volgende snelheidsbord
wordt geregistreerd.
Aanvullende borden
Einde snelheidsbeperking of snelweg
Als RSI een bord detecteert dat kan betekenen
dat de actuele snelheidsbeperking eindigt - zoals
aan het eind van een snelweg - verschijnt
10-30 seconden lang het corresponderende verkeersbord op het bestuurdersdisplay.
Voorbeelden van dergelijke borden zijn:
Voorbeelden van aanvullende borden4.
4
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek - de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
Als er een aanhanger achter de auto is gekoppeld en u passeert een snelheidsbord met het
onderbord "aanhanger", wordt die snelheid weergegeven op het bestuurdersdisplay.
Sommige snelheden gelden
bijvoorbeeld alleen een bepaald
traject of op een bepaalde tijd
van de dag. U wordt hierop
geattendeerd met een symbool
voor een aanvullend bord onder
het snelheidssymbool. Het aanvullende symbool op het bestuurdersdisplay toont
dan ofwel "DIST", ofwel "TIME".
Een leeg vakje onder het snelheidssymbool op het bestuurdersdisplay geeft aan dat het
RSI een bord heeft geregistreerd met aanvullende informatie over de geldende snelheidsbeperking.
}}
319
RIJONDERSTEUNING
||
Sensus Navigation
Informatie over snelheidscamera's
Bij een auto met Sensus Navigation, wordt er in
de volgende gevallen snelheidsspecifieke informatie opgehaald uit de navigatie-eenheid:
Auto's uitgerust met Sensus Navigation kunnen
op het bestuurdersdisplay informatie geven over
komende snelheidscamera's.
•
•
Bij indirecte snelheidsborden5, zoals bij autosnelwegen, autowegen en plaatsnaamborden.
N.B.
Informatie met betrekking tot flitskasten op
de navigatiekaarten is niet voor alle markten
beschikbaar.
Als een eerder waargenomen bord als niet
langer geldig wordt gezien en er geen nieuw
bord is gepasseerd.
Gerelateerde informatie
N.B.
•
•
Bij gebruik van navigatie via een app die van
derden is gedownload, wordt geen snelheidsinformatie van eventueel gepasseerde verkeersborden verstrekt.
Gerelateerde informatie
•
•
kopje "Snelheidswaarschuwing activeren/deactiveren" in de paragraaf "Verkeersbordinformatie
activeren/deactiveren" en de paragraaf "Beperkingen voor Verkeersbordinformatie".
Verkeersbordinformatie* (p. 318)
Verkeersbordinformatie activeren/deactiveren (p. 321)
•
Verkeersbordinformatie* (p. 318)
Verkeersbordinformatie activeren/deactiveren (p. 321)
Beperkingen van Verkeersbordinformatie*
(p. 322)
Waarschuwing voor snelheidscamera op het bestuurdersdisplay.
Als de auto een gedetecteerde
snelheidsgrens overschrijdt,
kunt u worden gewaarschuwd
als de auto een snelheidscamera nadert, op voorwaarde dat
de navigatiekaarten voor de
actuele markt informatie over
snelheidscamera's bevatten.
Voor meer informatie over Snelheidswaarschuwing in verband met snelheidscamera's - zie het
5
320
Afhankelijk van de markt kunnen verschillen voorkomen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie activeren/
deactiveren
De snelheidswaarschuwing
bestaat uit een tijdelijk knipperend symbool op het bestuurdersdisplay voor de maximumsnelheid als de snelheid wordt
overschreden.
De verkeersbordinformatie (Road Sign
Information - RSI) is te activeren/deactiveren.
Verkeersbordinformatie activeren/
deactiveren
De functie is te activeren/
deactiveren op het functiescherm van het middendisplay.
–
Druk op de knop Road Sign Information in
het functiescherm.
> RSI wordt geactiveerd en de knop laat
een groene indicatie zien - een grijze indicatie betekent dat RSI gedeactiveerd is.
Snelheidswaarschuwing activeren/
deactiveren
De snelheidswaarschuwing waarschuwt u bij
overschrijding van de geldende snelheidslimiet. U
krijgt altijd een snelheidswaarschuwing bij overschrijding van de snelheidslimiet voor flitspalen
die in verband met de flitspaalinformatie geregistreerd staat. U kunt zelf kiezen of de functie
geactiveerd of gedeactiveerd moet zijn.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car IntelliSafe
Sign Information.
3.
Kies Waarschuwing max. snelheid om de
snelheidswaarschuwing te activeren/deactiveren.
> Als de functie wordt geactiveerd, wordt er
een snelheidskiezer weergegeven.
4.
Road
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car IntelliSafe
Sign Information.
3.
Kies Audiowaarschuwing om de akoestische waarschuwing te activeren/deactiveren.
Road
Bij activering van Audiowaarschuwing krijgt u
ook bij het negeren van een inrijverbod een waarschuwing.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verkeersbordinformatie* (p. 318)
Informatie over snelheidscamera's (p. 320)
Bordweergave van verkeersbordinformatie
(p. 318)
U kunt het niveau waarop een snelheidswaarschuwing moet worden gegeven hoger/
lager maken door op de pijl-omhoog/omlaag
te drukken.
Let erop dat er geen rekening wordt gehouden met een uitgevoerde grenscorrectie als
het symbool voor de flitspaal op het bestuurdersdisplay staat.
Akoestische waarschuwing activeren/
deactiveren
Het is mogelijk om ook een akoestische waarschuwing te krijgen bij een snelheidswaarschuwing:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 321
RIJONDERSTEUNING
Beperkingen van
Verkeersbordinformatie*
N.B.
De functie maakt gebruik van de camera-eenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de camera-eenheid'.
De verkeersbordinformatie (Road Sign
Information - RSI) kent in bepaalde situaties
beperkingen.
Voorbeelden van zaken die de werking van de
RSI-functie kunnen beperken:
•
•
•
•
verbleekte borden
borden in een bocht
gedraaide of beschadigde borden
borden die hoog boven het wegdek hangen/
staan
•
borden die gedeeltelijk of geheel verscholen
of slecht geplaatst zijn
•
borden die geheel of gedeeltelijk zijn afgedekt met ijs, sneeuw en/of vuil
•
digitale wegenkaarten6 die niet actueel of
onjuist zijn.
Gerelateerde informatie
•
•
Verkeersbordinformatie* (p. 318)
Verkeersbordinformatie activeren/deactiveren (p. 321)
•
Bordweergave van verkeersbordinformatie
(p. 318)
•
Beperkingen van de camera (p. 315)
Afstandswaarschuwing*
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) waarschuwt u, als het tijdsverschil ten opzichte van
de voorligger te klein wordt.
De afstandswaarschuwing is actief bij snelheden
hoger dan 30 km/h (20 mph) en reageert alleen
op voorliggers die in dezelfde richting rijden. Voor
voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven.
N.B.
De RSI-functie kan sommige soorten fietsdrager (aangesloten op de elektrische aansluiting voor aanhangers)interpreteren als een
aangekoppelde aanhanger. In dergelijke
gevallen kunt u onjuiste snelheidsinformatie
te zien krijgen.
6
322
Waarschuwingslampje.
Er wordt een waarschuwingslampje op de voorruit geprojecteerd en het lampje brandt continu,
als het tijdsverschil ten opzichte van de voorligger
kleiner is dan de ingestelde waarde.
Bij een auto met Sensus Navigation.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Als de auto is voorzien van een head-updisplay*,
wordt de waarschuwing op de voorruit weergegeven met een knipperend symbool.
N.B.
De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld,
zolang de adaptieve cruisecontrol actief is.
Afstandswaarschuwing activeren/
deactiveren en tijdsverschil
instellen*
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) kan
worden geactiveerd/gedeactiveerd en er kunnen
verschillende tijdsverschillen worden ingesteld.
Afstandswaarschuwing activeren/
deactiveren
De functie is te activeren/
deactiveren op het functiescherm van het middendisplay.
WAARSCHUWING
Distance Alert reageert alleen, als de afstand
tot voorliggers korter is dan de ingestelde
waarde – de rijsnelheid wordt niet aangepast.
Tijdsverschil instellen voor
afstandswaarschuwing
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het bestuurdersdisplay
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe groter het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen met
ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger en
5 streepjes komt overeen met ca. 3 seconden.
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
adaptieve cruisecontrole geactiveerd is.
Gerelateerde informatie
•
Afstandswaarschuwing activeren/deactiveren
en tijdsverschil instellen* (p. 323)
•
Beperkingen van afstandswaarschuwing*
(p. 324)
•
•
Head-updisplay* (p. 111)
–
Druk op de knop Distance Alert in het functiescherm.
> Afstandswaarschuwing wordt geactiveerd/gedeactiveerd, de knop toont een
groene/grijze indicatie.
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 323
RIJONDERSTEUNING
||
Afstandswaarschuwing* (p. 322)
Beperkingen van
afstandswaarschuwing*
Beperkingen van afstandswaarschuwing*
(p. 324)
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) kent
in bepaalde situaties beperkingen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
N.B.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk waar te nemen.
Bedieningselementen voor het tijdsverschil.
Tijdsverschil verkleinen
Tijdsverschil vergroten
Afstandsindicatie
–
Druk op de stuurknop (1) of (2) om het tijdsverschil te verkleinen of te vergroten.
> De afstandsindicatie (3) toont het actuele
tijdsverschil.
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaald tijdsverschil.
Het ingestelde tijdsverschil wordt ook
gebruikt door de Adaptieve cruisecontrol.
Houd alleen een tijdsverschil aan dat niet in
strijd is met de geldende verkeersregels.
324
In slechte weersomstandigheden en op bochtige wegen heeft de radareenheid soms
moeite om voorliggers te registreren.
Ook voorliggers met geringe afmetingen
(zoals motorfietsen) zijn soms moeilijk te ontdekken. Dat kan betekenen dat het geprojecteerde waarschuwingslampje pas bij kortere
volgtijden oplicht of dat helemaal niet gaat
branden.
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk dat
het lampje door beperkingen in het bereik van
de sensor op kortere afstand oplicht.
N.B.
De functie maakt gebruik van de radareenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de radareenheid'.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
•
•
Afstandswaarschuwing* (p. 322)
Afstandswaarschuwing activeren/deactiveren
en tijdsverschil instellen* (p. 323)
Beperkingen van de radarsensor (p. 308)
City Safety
City Safety waarschuwt u met visuele en akoestische signalen voor voetgangers, fietsers en
voorliggers – de auto remt automatisch als u niet
zelf binnen een redelijke tijd reageert.
Het systeem helpt u door automatisch te remmen, wanneer het gevaar voor een botsing met
een voorligger reëel is en u zelf niet snel genoeg
remt en/of uitwijkt.
City Safety start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u net
achter uw voorligger tot stilstand komt. Voor veel
bestuurders die dit niet gewend zijn is een dergelijke remmanoeuvre onprettig.
City Safety wordt geactiveerd in situaties waar u
eigenlijk al veel eerder had moeten remmen,
zodat de functie niet altijd uitkomst biedt.
City Safety is erop gebouwd om zo laat mogelijk
geactiveerd te worden om onnodige ingrepen te
voorkomen.
Locatie gecombineerde camera en radarsensor.
City Safety kan een aanrijding voorkomen of de
impactsnelheid verlagen.
City Safety is een hulpmiddel dat bedoeld is om u
te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat
u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
City Safety kan u helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden en dergelijke, waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken
kunnen leiden.
U en eventuele passagiers zullen normaal alleen
merken dat City Safety actief is, wanneer een
botsing dreigt.
City Safety kan een botsing met een voorligger of
fietser voorkomen door een verlaging van de
snelheid tot 50 km/h (30 mph). Voor voetgangers is City Safety in staat tot een snelheidsverlaging tot 45 km/h (28 mph).
Bij een snelheidsverschil groter dan 50 km/h
(30 mph) of 45 km/h (28 mph) kan City Safety
door automatische remingrepen een botsing niet
geheel voorkomen, maar wel de gevolgen ervan
beperken.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 325
RIJONDERSTEUNING
||
Overzicht
WAARSCHUWING
City Safety is een hulpmiddel en werkt niet in
alle rijsituaties en verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Er wordt alleen gewaarschuwd, wanneer de
kans op een botsing groot is. Dit gedeelte
plus het gedeelte "Beperkingen van City
Safety" informeren over de beperkingen die u
als bestuurder moet kennen, voordat u City
Safety gebruikt.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h (50 mph).
De Auto Brake van City Safety kan een botsing geheel voorkomen of de botssnelheid
verlagen. Bedien voor een maximale remwerking altijd het rempedaal – ook al wordt er
automatisch geremd.
City Safety activeert geen automatische
remingrepen bij krachtig versnellen.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor om de juiste afstand en snelheid aan
te houden – wacht nooit af totdat Collision
Warning of City Safety ingrijpt.
Marktbeperking
City Safety is niet in alle landen beschikbaar. Als
City Safety niet in het menu van het middendisplay voor Instellingen voorkomt, zit dit systeem
niet op de auto.
Zoekpad in hoofdmenu: Instellingen
IntelliSafe
326
My Car
Functie-overzicht.
Audiovisueel waarschuwingssignaal bij
gevaar voor een botsing.
Afstandsmeting met gecombineerde camera
en radarsensor
City Safety vervult drie functies in de volgende
volgorde:
1.
Collision Warning
2.
Brake Support
3.
Auto Brake
Collision Warning
Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende
aanrijding.
City Safety kan voetgangers, fietsers of voorliggers voor uw auto registreren die stilstaan of zich
in dezelfde richting als u bewegen.
Bij gevaar voor een aanrijding met een voetganger, fietser of een voorligger en met voorliggers
aangeduid in "City Safety bij kruisend verkeer"
wordt uw aandacht getrokken met een rood knipperend waarschuwingssymbool (1), een akoestisch signaal en een haptische waarschuwing in
de vorm van rempedaaltrilling. Bij lagere snelheden, krachtig afremmen door de bestuurder of
het geven van gas wordt geen haptische waarschuwing verstrekt. De intensiteit van de rempedaaltrilling is afhankelijk van de rijsnelheid.
Brake Support
Als het gevaar voor een aanrijding na de Collision
Warning verder is toegenomen, treedt de Brake
Support in werking.
Brake Support helpt u bij het remmen, als het
systeem ervan uitgaat dat de remmanoeuvre
alleen niet voldoende is om een botsing te voorkomen.
RIJONDERSTEUNING
Auto Brake
In allerlaatste instantie wordt de automatische
remfunctie geactiveerd.
Wanneer City Safety ingrijpt en remt, verschijnt
op het bestuurdersdisplay de melding dat het
systeem actief is/was.
Als u in deze fase nog steeds niet aan een uitwijkmanoeuvre bent begonnen en er een aanrijding dreigt, wordt er automatisch geremd, ongeacht of u zelf remt of niet. De auto wordt daarbij
maximaal afgeremd om de botssnelheid te
beperken of zoveel als nodig is om een aanrijding
te voorkomen.
Bij activering van de automatische remfunctie
worden mogelijk ook de gordelspanners geactiveerd. Zie voor meer informatie onder "Gordelspanners".
Auto Brake kan in bepaalde situaties de remingreep met lichter remmen beginnen en vervolgens overgaan op de volledige remwerking.
Wanneer City Safety een botsing met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de auto
stilstaan totdat u bepaalde actie onderneemt. Als
de auto wordt afgeremd wegens een langzamer
rijdende voorligger, wordt uw snelheid afgestemd
op die van de voorligger.
U kunt een remingreep altijd afbreken hard op
het gaspedaal te trappen.
N.B.
Als City Safety™ remt, gaan de remlichten
branden.
WAARSCHUWING
Gebruik City Safety niet om uw rijgedrag aan
te passen – als u er blind op vertrouwt dat
City Safety remt, raakt u vroeg of laat betrokken bij een botsing.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Waarschuwingsafstand instellen voor City
Safety (p. 327)
Obstakeldetectie met City Safety (p. 328)
City Safety bij kruisend verkeer (p. 330)
Beperkingen van City Safety (p. 330)
Meldingen voor City Safety (p. 333)
Gordelspanners (p. 59)
Waarschuwingsafstand instellen
voor City Safety
City Safety is altijd actief, maar het is wel mogelijk om de waarschuwingsafstand voor de functie
in te stellen.
N.B.
City Safety is niet uit te schakelen, maar
wordt bij het starten van de motor/elektrische
aandrijving automatisch geactiveerd en blijft
vervolgens actief tot u de motor/elektrische
aandrijving uitschakelt.
De waarschuwingsafstand bepaalt de gevoeligheid van het systeem en geeft aan bij welke
afstand de visuele, akoestische en haptische
waarschuwing moeten worden geactiveerd.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Kies onder City Safety voor Later, Normaal
of Vroeger voor het instellen van de gewenste waarschuwingsafstand.
IntelliSafe.
Probeer het eerst met Vroeger. Als deze instelling te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in
bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren), kunt u overgaan op de waarschuwingsafstand Normaal.
}}
327
RIJONDERSTEUNING
||
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd en
de signalen als storend ervaart, kunt u de waarschuwingsafstand verkleinen. Het systeem waarschuwt dan minder snel en minder vaak.
N.B.
De waarschuwing met de richtingaanwijzers
voor Rear Collision Warning wordt gedeactiveerd als de waarschuwingsafstand voor een
botsingswaarschuwing op het laagste niveau
'Later' is ingesteld (zie hoofdstuk 'Waarschuwingsafstand instellen voor City Safety').
Waarschuwingsafstand Later mag alleen in uitzonderingsgevallen worden gebruikt, zoals bij
dynamisch rijden.
De functies 'gordels spannen' en 'remmen'
zijn echter nog steeds actief.
N.B.
City Safety waarschuwt u bij gevaar voor een
botsing, maar de functie is niet in staat uw
reactietijd te verkorten.
WAARSCHUWING
Geen enkel automatisch systeem kan in alle
situaties een 100 % feilloze werking garanderen. Test City Safety daarom nooit uit op mensen of voertuigen – dat kan namelijk tot ernstig letsel/ernstige schade en levensgevaarlijke situaties leiden.
Om te zorgen dat City Safety effectief werkt,
bevelen wij aan dat u altijd rijdt met de waarschuwingsafstand ingesteld op Vroeger.
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Vroeger, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden
afgegeven, bijvoorbeeld bij grote snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig remt.
Obstakeldetectie met City Safety
De obstakels die City Safety kan detecteren, zijn
voertuigen, fietsers en voetgangers.
Voertuig
City Safety™ detecteert de meeste voertuigen
die stilstaan of in dezelfde richting rijden als u en
voertuigen die in "City Safety bij kruisend verkeer" beschreven worden.
City Safety™ kan voertuigen in het donker alleen
detecteren als de voor- en achterlichten daarvan
functioneren en duidelijk waarneembaar branden.
Fietser
Gerelateerde informatie
•
City Safety (p. 325)
Ideaalvoorbeeld van wat City Safety als een fietser
beschouwt – met herkenbare lichaams- en fietscontouren.
Voor optimale prestaties van het systeem moet
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van fietsers zo uniform mogelijke
328
RIJONDERSTEUNING
informatie over de lichaams- en fietscontouren
ontvangen – wat inhoudt dat kenmerkende
(lichaams-)delen zoals fiets, hoofd, armen, schouders, benen, borstkas en buik moeten kunnen
worden waargenomen evenals een bewegingspatroon dat voor fietsers als normaal te beschouwen is.
Voetganger
City Safety kan dankzij de koplampen van de auto
voetgangers ook in het donker detecteren.
WAARSCHUWING
City Safety is slechts een hulpmiddel dat niet
altijd alle voetgangers kan detecteren en bijvoorbeeld moeite heeft met:
Het systeem kan fietsers niet ontdekken, als de
camera van het systeem grote delen van het
lichaam van de fietser of van zijn/haar fiets niet
kan waarnemen.
Het systeem kan alleen volwassen fietsers ontdekken die op fietsen voor volwassenen zitten.
WAARSCHUWING
City Safety is een hulpmiddel.
Fietserdetectie is niet mogelijk:
•
in alle situaties en het systeem heeft bijvoorbeeld moeite met gedeeltelijk zichtbare fietsers;
•
bij fietsers in kleding die de lichaamscontouren verhult.
•
bij fietsen waarop grote voorwerpen worden vervoerd.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt afhankelijk van de rijsnelheid.
Ideaalvoorbeelden van wat het systeem als voetgangers
met herkenbare lichaamscontouren beschouwt.
Voor optimale prestaties van het systeem moet
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke informatie over de lichaamscontouren ontvangen – wat inhoudt dat kenmerkende
lichaamsdelen zoals hoofd, armen, schouders,
benen, borstkas en buik moeten kunnen worden
waargenomen evenals een bewegingspatroon
dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
Om een voetganger te kunnen detecteren moet
er sprake zijn van een bepaald contrast ten
opzichte van de achtergrond door bijvoorbeeld
kleding, achtergrond, weersomstandigheden e.d.
Bij weinig contrast worden voetgangers mogelijk
laat of helemaal niet gedetecteerd. De waarschuwingen en remingrepen kunnen dan laat of helemaal niet plaatsvinden.
•
slechts gedeeltelijk zichtbare voetgangers, voetgangers die gekleed gaan in
kleding die de lichaamscontouren verhult
of voetgangers met een lengte korter dan
80 cm;
•
voetgangers bij een gering contrast met
de achtergrond – waarschuwingen en
remingrepen kunnen dan pas laat komen
of helemaal achterwege blijven;
•
voetgangers die grote voorwerpen dragen.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt afhankelijk van de rijsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
City Safety (p. 325)
329
RIJONDERSTEUNING
City Safety bij kruisend verkeer
WAARSCHUWING
City Safety kan u helpen als uw auto de weg
kruist van een tegemoetkomend voertuig op een
kruising.
City Safety is een hulpmiddel en werkt niet in
alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Waarschuwingen en remingrepen bij een
dreigende aanrijding met tegemoetkomende
voertuigen komen vaak heel laat.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor om de juiste afstand en snelheid aan
te houden – wacht nooit af totdat Collision
Warning of City Safety ingrijpt.
Beperkingen
Gebied waarin City Safety tegemoetkomende kruisende
voertuigen kan detecteren.
Om te zorgen dat City Safety een tegemoetkomend voertuig kan detecteren waar u tegenop
dreigt te botsen, moet het tegemoetkomende
voertuig eerst in het gebied (1) komen waar City
Safety het verloop kan analyseren.
Bovendien moet aan de volgende criteria zijn voldaan:
330
•
uw auto heeft een snelheid van minimaal
4 km/h (3 mph)
•
de koplampen van het tegemoetkomende
voertuig branden.
In bepaalde gevallen kan het voor City Safety
moeilijk zijn om u te helpen bij een dreigende
aanrijding met tegemoetkomend kruisend verkeer. Wat mogelijk is in de volgende gevallen:
•
bij een glad wegdek waarbij de elektronische
stabiliteitsregeling ingrijpt
•
het tegemoetkomende voertuig wordt laat
ontdekt
•
het zicht op het tegemoetkomende voertuig
wordt belemmerd door een ander voertuig
•
het tegemoetkomende voertuig rijdt onvoorspelbaar en wisselt bijvoorbeeld in een laat
stadium snel van rijbaan.
Gerelateerde informatie
•
City Safety (p. 325)
Beperkingen van City Safety
De City Safety kent in bepaalde situaties beperkingen.
Omgeving
Lage voorwerpen
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/wimpels
die uitstekende lading markeren of accessoires
zoals verstralers en frontbars die boven de motorkap uitsteken zorgen voor functiebeperkingen.
Gladheid
Bij gladheid is de remweg langer waardoor City
Safety minder goed in staat is een aanrijding te
voorkomen. In dergelijke situaties zullen het antiblokkeerremsysteem en de elektronische stabiliteitsregeling zorgen voor een optimale remkracht
met behoud van de stabiliteit.
Tegenlicht
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit
geprojecteerde waarschuwingslampje soms
moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk als u
niet recht vooruit kijkt.
RIJONDERSTEUNING
Hitte
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan korte
tijd buiten werking worden gesteld, wanneer
de temperatuur in het interieur bijvoorbeeld
door de felle zon te hoog is opgelopen.
•
Waarschuwingen kunnen eveneens uitblijven bij een zeer geringe afstand tot de
voorligger of bij relatief grote stuur- en
pedaalbewegingen zoals bij een zeer
actieve rijstijl.
Er verschijnt echter niet altijd een foutmelding bij
geblokkeerde voorruitsensoren - het is dan ook
belangrijk dat u het gebied van de voorruit vóór
de gecombineerde camera en radarsensor goed
schoonhoudt.
Bij een actief en sportief rijgedrag vinden waarschuwingen en ingrepen van de Collision Warning met enige vertraging plaats om onnodige
waarschuwingen tegen te gaan.
BELANGRIJK
Onderhoud en vervanging van onderdelen in
City Safety mogen uitsluitend door een werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
Ingreep van bestuurder
Blikveld van gecombineerde camera en
radarsensor
Het blikveld van de camera is beperkt, zodat
voetgangers, fietsers en voertuigen in bepaalde
situaties niet kunnen worden geregistreerd of
later worden ontdekt dan verwacht.
Vuile voertuigen worden mogelijk later gedetecteerd dan andere voertuigen en motoren worden
in het donker mogelijk later of helemaal niet
gedetecteerd.
Als een tekstmelding op het bestuurdersdisplay
aangeeft dat de gecombineerde camera en
radarsensor geblokkeerd is, houdt dit in dat City
Safety moeilijk voetgangers, fietsers, auto's of
weglijnen vóór de auto kan registreren - daardoor
werkt City Safety mogelijk minder goed.
Achteruitrijden
Wanneer u achteruitrijdt, is City Safety tijdelijk
gedeactiveerd.
Lage snelheid
City Safety wordt niet geactiveerd op zeer lage
snelheden (onder 4 km/h (3 mph)), wat betekent
dat het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u
een voorligger heel langzaam nadert zoals tijdens
het parkeren.
Actief rijgedrag
De commando's die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety niet
ingrijpt of met enige vertraging waarschuwt/
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando's geeft via stuurwiel en gaspedaal, zelfs als
een aanrijding onvermijdelijk lijkt.
}}
331
RIJONDERSTEUNING
||
Overig
N.B.
De functie maakt gebruik van de camera-eenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de camera-eenheid'.
WAARSCHUWING
Als de gecombineerde camera en radarsensor op grond van de verkeerssituatie of
anderszins problemen heeft voetgangers, fietsers of voorliggers te ontdekken, is het mogelijk dat het systeem pas laat, onterecht of
helemaal geen waarschuwing geeft en remt.
N.B.
De functie maakt gebruik van de radareenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de radareenheid'.
's Nachts zijn voorliggers alleen te detecteren,
als de voor- en achterlichten ervan werken en
zichtbaar branden.
De gecombineerde camera en radarsensor
heeft een beperkt bereik voor voetgangers en
fietsers, zodat het systeem voor dergelijke
weggebruikers efficiënt waarschuwt en remingrepen verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h
(30 mph). Voor stilstaande of langzaam rijdende voorliggers wordt efficiënt gewaarschuwd en geremd bij rijsnelheden tot
70 km/h (43 mph).
In het donker of bij slecht zicht wordt mogelijk
niet gewaarschuwd voor langzaam rijdende of
stilstaande voorliggers.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h (50 mph).
Plaats, plak of bevestig niets aan de buitenof binnenkant van de voorruit, vóór of rond de
gecombineerde camera en radarsensor – dat
kan storingen veroorzaken in de op de
camera gebaseerde functies.
332
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety (p. 325)
Beperkingen van de camera (p. 315)
Beperkingen van de radarsensor (p. 308)
RIJONDERSTEUNING
Meldingen voor City Safety
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele meldingen verschijnen ten aanzien van City Safety.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Melding
Betekenis
City Safety
Als City Safety afremt of automatisch heeft afgeremd, kunnen een of meer symbolen op het bestuurdersdisplay
gaan branden terwijl tegelijkertijd een tekstmelding wordt weergegeven.
City Safety geactiveerd
City Safety
Beperkte functionaliteit Service vereist
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
City Safety (p. 325)
333
RIJONDERSTEUNING
Rear Collision Warning
De Rear Collision Warning (RCW) kan u helpen
om aanrijdingen van achteren door naderende
achterliggers te voorkomen.
•
•
RCW wordt automatisch bij elke motorstart geactiveerd en is niet uit te schakelen.
Op sommige markten waarschuwt RCW vanwege plaatselijke verkeersvoorschriften niet
met de richtingaanwijzers - in dergelijke
gevallen is dat deel van de functie daarom
gedeactiveerd.
Als de RCW bij snelheden onder 30 km/h
(20 mph) berekent dat uw auto van achteren
dreigt te worden aangereden, kan de gordelspanner de veiligheidsgordels van de voorstoelen
spannen en wordt het veiligheidssysteem
Whiplash Protection System geactiveerd.
334
•
bij een glad wegdek waarbij de elektronische
stabiliteitsregeling ingrijpt
•
als een naderende achterligger laat wordt
ontdekt
Driver Alert Control
Driver Alert Control (DAC) dient om uw aandacht te trekken, wanneer de auto op ongecontroleerde wijze bestuurd wordt (omdat u bijvoorbeeld afgeleid wordt of bijna in slaap valt).
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in het
rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie op de
grotere wegen. De functie is niet bedoeld voor
gebruik in het stadsverkeer.
De functie wordt geactiveerd bij een snelheid
hoger dan 65 km/h (40 mph) en blijft actief
zolang de snelheid boven 60 km/h (37 mph) ligt.
N.B.
De waarschuwing met de richtingaanwijzers
voor Rear Collision Warning wordt gedeactiveerd als de waarschuwingsafstand voor een
botsingswaarschuwing op het laagste niveau
'Later' is ingesteld (zie hoofdstuk 'Waarschuwingsafstand instellen voor City Safety').
Net voor de botsing kan RCW ook de bedrijfsrem
activeren om te voorkomen dat uw auto tijdens
de botsing wordt gelanceerd. Dit is echter alleen
mogelijk als uw auto stilstaat. De bedrijfsrem lost
onmiddellijk als het gaspedaal wordt ingedrukt.
In bepaalde gevallen kan het voor RCW moeilijk
zijn om u te helpen bij een dreigende aanrijding.
Dat kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen zijn:
als een inhalende achterligger sneller rijdt
dan 80 km/h (50 mph).
N.B.
De RCW kan bestuurders in van achteren naderende voertuigen voor een aanrijding waarschuwen door fel met de richtingaanwijzers te knipperen.
Beperkingen
als een naderende achterligger in een laat
stadium van rijbaan wisselt
De functies 'gordels spannen' en 'remmen'
zijn echter nog steeds actief.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
City Safety (p. 325)
Waarschuwingsafstand instellen voor City
Safety (p. 327)
Gordelspanners (p. 59)
Whiplash Protection System (p. 57)
Een camera tast de zijmarkeringen van de rijbaan
af en vergelijkt de wegrichting met uw stuurbewegingen.
RIJONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing altijd serieus, omdat
u bij slaperigheid uw lichamelijke conditie
vaak minder goed kunt inschatten.
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand om rust te houden.
Studies hebben aangetoond dat rijden bij vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als
rijden onder invloed.
WAARSCHUWING
Als het rijgedrag duidelijk
ongecontroleerd wordt, wordt u
gewaarschuwd met een
geluidssignaal en verschijnt op
het bestuurdersdisplay de melding Tijd voor een pauze? in
combinatie met een symbool.
Als u uw rijgedrag niet corrigeert wordt enige tijd
later opnieuw gewaarschuwd.
N.B.
De functie mag niet worden gebruikt om de
rijtijd te verlengen. Plan altijd regelmatig pauzes in en zorg ervoor dat u bent uitgerust.
Driver Alert Control werkt niet in alle situaties,
maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend
hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt.
Gerelateerde informatie
•
Driver Alert Control activeren/deactiveren
(p. 335)
•
Beperkingen van Driver Alert Control
(p. 336)
Driver Alert Control activeren/
deactiveren
De Driver Alert Control (DAC) is te activeren/
deactiveren.
Driver Alert Control activeren/
deactiveren
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
Alert Control.
3.
Kies Alertheidswaarschuwing om DAC te
activeren/deactiveren.
IntelliSafe
Driver
WAARSCHUWING
Driver Alert Control werkt niet in alle situaties,
maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend
hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt.
Begeleiding naar parkeerplaats bij
waarschuwing activeren/deactiveren
U kunt instellen of de begeleiding naar een parkeerplaats geactiveerd/gedeactiveerd moet zijn.
Als de begeleiding geactiveerd is, wordt een suggestie voor een geschikte parkeerplaats weergegeven bij een waarschuwing van DAC.
}}
335
RIJONDERSTEUNING
||
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
Beperkingen van Driver Alert
Control
2.
Druk op My Car
Alert Control.
De Driver Alert Control (DAC) kent in bepaalde
situaties beperkingen.
3.
Kies Begeleiding ruststop om de begeleiding naar een parkeerplaats te activeren/
deactiveren.
1.
IntelliSafe
Driver
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert Control (p. 334)
Beperkingen van Driver Alert Control
(p. 336)
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag, zodat
DAC u niet waarschuwt. Het is daarom van groot
belang dat u bij opkomende vermoeidheid de
auto op een geschikte plek parkeert om een
pauze in te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu
wel of niet heeft gewaarschuwd.
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit
kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
zijdelingse rukwinden
spoorvorming in het wegdek.
N.B.
De functie maakt gebruik van de camera-eenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de camera-eenheid'.
Rijbaanassistent*
De rijbaanassistent moet op snelwegen, hoofdwegen en dergelijke het risico beperken dat u in
bepaalde situaties onbedoeld de eigen rijbaan
verlaat.
De rijbaanassistent is leverbaar in twee versies:
•
Lane Departure Warning (LDW) - waarschuwt u met geluid of met trillingen van het
stuur.
•
Lane Keeping Aid (LKA) - stuurt de auto
terug in de rijbaan en/of waarschuwt u met
geluid of met trillingen van het stuur.
De rijbaanassistent is actief in het snelheidsinterval 65–200 km/h (40–125 mph) op wegen met
goed zichtbare zijlijnen.
Op smalle wegen is de functie mogelijk niet
beschikbaar en wordt dan stand-by gezet. Als de
weg weer voldoende breed is, wordt de functie
weer beschikbaar.
Gerelateerde informatie
336
•
•
Driver Alert Control (p. 334)
•
Beperkingen van de camera (p. 315)
Driver Alert Control activeren/deactiveren
(p. 335)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
De Rijbaanassistent is slechts een hulpmiddel
voor de bestuurder en werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en dat u
zich aan de geldende wetgeving en verkeersregels houdt.
Stuurhulp
Een camera tast de zijlijnen van de weg/rijbaan af.
De rijbaanassistent waarschuwt met trillingen van het
stuur7.
Afhankelijk van de variant en de instellingen doet
Rijbaanassistent het volgende:
De rijbaanassistent stuurt de auto terug in de rijbaan
(alleen LKA).
1.
Bij geactiveerde stuurhulp (alleen LKA): als
de auto een zijlijn nadert, zal LKA de auto
met een geringe stuurbeweging actief terugsturen in de rijbaan.
2.
Waarschuwing geactiveerd (LDW of LKA):
als de auto een zijlijn dreigt te passeren,
wordt u gewaarschuwd met geluid of trillingen van het stuur.
Een voorwaarde voor de werking van LKA is dat u
uw handen aan het stuur houdt en het systeem
controleert dat voortdurend.
Als dat niet gebeurt, toont het
bestuurdersdisplay een symbool en de melding
Rijbaanassistent Sturen,
waarmee u wordt opgeroepen
om de auto actief te besturen.
Als u de aansporing om te gaan sturen niet
opvolgt, dan hoort u een waarschuwingsgeluid en
wordt LKA stand-by gezet - de functie is dan niet
beschikbaar totdat u de auto weer gaat besturen.
N.B.
Als de richtingaanwijzer aan is, biedt de rijbaanassistent geen sturing of waarschuwing.
7
De stuurtrillingen variëren; hoe langer de auto over de zijlijn rijdt, hoe langer de trillingen aanhouden.
}}
337
RIJONDERSTEUNING
||
Rijbaanassistent grijpt niet in
•
•
winterse wegomstandigheden
slecht weer met beperkt zicht.
N.B.
De functie maakt gebruik van de camera-eenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie hoofdstuk 'Beperkingen van de camera-eenheid'.
Lane Departure Warning* activeren/
deactiveren
Variant Lane Departure Warning (LDW) van de
rijbaanassistent kan worden geactiveerd/
gedeactiveerd.
Lane Departure Warning activeren/
deactiveren
De functie is te activeren/
deactiveren op het functiescherm van het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
Lane Departure Warning* activeren/deactiveren (p. 338)
De rijbaanassistent grijpt niet in scherpe binnenbochten
in.
•
In bepaalde gevallen staat de rijbaanassistent toe
dat de zijlijnen worden overschreden zonder in te
grijpen met stuurhulp of een waarschuwing.
Voorbeelden hiervan zijn het gebruiken van de
richtingaanwijzer of het afsnijden in bochten.
Lane Keeping Aid* activeren/deactiveren
(p. 339)
•
Symbolen en meldingen voor rijbaanassistent* (p. 340)
•
Beperkingen van de camera (p. 315)
–
Beperkingen
Type waarschuwing kiezen voor Lane
Departure Warning
In bepaalde veeleisende situaties kan de rijbaanassistent u moeilijk op de juiste manier helpen.
Wij raden dan aan de functie uit te schakelen.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car IntelliSafe
Departure Warning.
U kunt kiezen hoe LDW u moet waarschuwen als
de auto de eigen rijbaan verlaat.
Voorbeelden van dergelijke situaties:
•
•
•
•
338
Druk op de knop Lane Departure Warning
in het functiescherm.
> LDW wordt geactiveerd (knop GROEN) of
gedeactiveerd (knop GRIJS).
wegwerkzaamheden
slecht wegdek
Lane
randen of andere lijnen dan de zijlijnen van
de rijbaan
zeer sportief rijgedrag
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
3.
Kies onder Feedback Lane Departure
Warning de waarschuwingsmethode:
Lane Keeping Aid* activeren/
deactiveren
• Geluid - u wordt gewaarschuwd met
Variant Lane Keeping Aid (LKA) van Rijbaanassistent kan worden geactiveerd/gedeactiveerd.
• Trilling - u wordt gewaarschuwd met de
Lane Keeping Aid activeren/deactiveren
geluid.
trillingen van het stuur.
De functie is te activeren/
deactiveren op het functiescherm van het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijbaanassistent* (p. 336)
Lane Keeping Aid* activeren/deactiveren
(p. 339)
Symbolen en meldingen voor rijbaanassistent* (p. 340)
3.
Kies onder Waarschuwende feedback
Lane Keeping Aid de waarschuwingsmethode:
• Geluid - u wordt gewaarschuwd met
geluid.
• Trilling - u wordt gewaarschuwd met de
trillingen van het stuur.
Stuurhulp en/of waarschuwing voor
Lane Keeping Aid
U kunt kiezen hoe LKA moet handelen als de
auto de eigen rijbaan verlaat.
–
Druk op de knop Lane Keeping Aid in het
functiescherm.
> LKA wordt geactiveerd (knop GROEN) of
gedeactiveerd (knop GRIJS).
Type waarschuwing kiezen voor Lane
Keeping Aid
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
Keeping Aid.
3.
Kies onder Ondersteuningsmodus Lane
Keeping Aid wat LKA moet doen:
U kunt kiezen hoe LKA u moet waarschuwen als
de auto de eigen rijbaan verlaat.
IntelliSafe
Lane
• Sturen - u krijgt zonder waarschuwing
stuurhulp.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm
van het middendisplay.
• Beide - u krijgt een waarschuwing én
2.
Druk op My Car
Keeping Aid.
•
IntelliSafe
stuurhulp.
Lane
Waarsch - u wordt alleen gewaarschuwd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijbaanassistent* (p. 336)
Lane Departure Warning* activeren/deactiveren (p. 338)
Symbolen en meldingen voor rijbaanassistent* (p. 340)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 339
RIJONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
rijbaanassistent*
Rijbaanassistent tast de ene zijlijn of beide zijlijnen van de rijbaan af.
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van
de rijbaanassistent-varianten Lane Keeping Aid
(LKA) en Lane Departure Warning (LDW).
Niet beschikbaar
Aanduiding van stuurhulp/waarschuwing
Symbool op het bestuurdersdisplay
De rijbaanassistent wordt gevisualiseerd met een symbool op
het bestuurdersdisplay. Het
symbool is afhankelijk van de
situatie.
Hier volgt een aantal voorbeelden van het uiterlijk van het symbool en in welke
situaties dit verschijnt:
Beschikbaar
Stuurhulp/waarschuwing - de zijlijnen van het symbool
zijn gekleurd.
Niet beschikbaar - de zijlijnen van het symbool zijn grijs.
Rijbaanassistent kan de zijlijnen van de rijbaan
niet aftasten, de snelheid is te laag of de weg is
te smal.
Rijbaanassistent geeft aan dat de auto de rijbaan
dreigt te verlaten. Bij LKA geeft het systeem ook
aan wanneer LKA de auto terug de rijbaan in
probeert te sturen.
Symbolen en meldingen
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Beschikbaar - de zijlijnen van het symbool zijn wit.
340
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Symbool
Melding
Betekenis
Best.onderst.systeem
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Beperkte functionaliteit Service vereist
Voorruitsensor
Het vermogen van de camera om de rijbaan vóór de auto af te tasten is beperkt.
Sensor afgedekt, zie handleiding
Rijbaanassistent
Sturen
De stuurhulp van LKA werkt niet als u uw handen niet aan het stuur houdt. Houd uw handen aan het stuur.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijbaanassistent* (p. 336)
Lane Keeping Aid* activeren/deactiveren
(p. 339)
Lane Departure Warning* activeren/deactiveren (p. 338)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 341
RIJONDERSTEUNING
Parkeerhulp*
De parkeerhulp helpt u bij het parkeren in
krappe ruimten door de afstand tot obstakels
aan te geven met geluidssignalen in combinatie
met grafische voorstellingen op het bestuurdersdisplay.
ondertussen het audiosysteem beluistert, wordt
het volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Bij een afstand tot 30 cm aan voor-/achterzijde
bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken
toon en is de sensorsector die het dichtst bij de
auto ligt geheel gevuld. Als er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand zijn
waargenomen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde.
Het volume van de parkeerhulp is als het geluidssignaal klinkt bij te stellen met behulp van de
[>II]-knop op de middenconsole. U kunt het
volume ook bijstellen met behulp van menu-optie
Instellingen van het hoofdmenu.
WAARSCHUWING
Beeldscherm met obstakelzones en sensorsectoren.
Op het middendisplay verschijnt een schematische weergave van de onderlinge posities van de
auto en eventuele obstakels.
De gemarkeerde sector geeft aan waar het
obstakel zich bevindt. De gemarkeerde sector ligt
dichter bij het autosymbool, naarmate de afstand
tussen de auto en het waargenomen obstakel
kleiner is.
Hoe korter de afstand tot het obstakel, des te
korter op elkaar klinken de signalen. Wanneer u
342
Achterzijde
•
Hoewel de Park Assist handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig
bij eventuele fouten.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de sensoren zitten, zal het systeem ze
niet kunnen ontdekken.
•
Houd mensen, dieren e.d. in de buurt van
de auto daarom in de gaten.
Als de auto in zijn vrij achteruitrolt of wanneer u
de keuzehendel in de stand voor achteruitrijden
zet, worden de sensoren aan de achterzijde
geactiveerd.
Het meetgebied strekt tot zo'n 1,5 meter achter
de auto.
Bij het achteruitrijden met een aanhanger achter
de auto wordt de parkeerhulp automatisch
gedeactiveerd.
N.B.
Bij het achteruitrijden met een aanhanger
achter de auto of een fietsdrager op de trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel
van Volvo – moet u de Park Assist mogelijk
handmatig uitschakelen om te voorkomen dat
de sensoren erop reageren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Aan de zijkanten
Voorzijde
BELANGRIJK
Bij montage van verstralers: Let erop dat deze
de sensoren niet mogen hinderen - de verstralers kunnen dan als obstakel worden
gezien.
Gerelateerde informatie
De zijsensoren van de parkeerhulp worden bij het
starten van de motor automatisch geactiveerd. Ze
zijn actief bij snelheden lager dan 10 km/h
(6 mph).
De voorsensoren van de parkeerhulp worden bij
het starten van de motor automatisch geactiveerd. De voorsensoren zijn actief bij snelheden
lager dan 10 km/h (6 mph).
Het meetbereik strekt tot zo'n 0,3 meter naast de
auto. Bij detectie van obstakels komen de
geluidssignalen uit de luidsprekers aan de zijkant.
Het meetgebied strekt tot zo'n 0,8 meter voor de
auto. Het geluidssignaal voor obstakels is alleen
actief als de auto rijdt, behalve als de auto dicht
bij een obstakel is (binnen 30 cm met constante
toon).
•
•
•
•
•
Parkeerhulp activeren/deactiveren* (p. 344)
Beperkingen van parkeerhulp* (p. 344)
Meldingen voor Parkeerhulp* (p. 346)
Parkeerhulpcamera* (p. 347)
Actieve parkeerhulp* (p. 353)
N.B.
De parkeerhulp wordt gedeactiveerd wanneer
u de parkeerrem aanzet of als u bij een auto
met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P zet.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 343
RIJONDERSTEUNING
Parkeerhulp activeren/deactiveren*
Beperkingen van parkeerhulp*
De functie parkeerhulp kan worden geactiveerd/
gedeactiveerd.
De functie parkeerhulp kent in bepaalde situaties
beperkingen.
De voor- en zijsensoren van de parkeerhulp worden automatisch geactiveerd bij het starten van
de motor - de achtersensoren als de auto achteruitrolt of als de achteruitversnelling wordt geselecteerd.
De functie is te activeren/
deactiveren op het functiescherm van het middendisplay.
De parkeerhulp kan ook worden geactiveerd/gedeactiveerd
vanuit de cameraweergaven of
vanuit het alternatief Instellingen van het hoofdscherm.
–
Druk op de knop Parkeerhulp in het functiescherm.
> Parkeerhulp wordt geactiveerd/gedeactiveerd, de knop toont een groene/grijze
indicatie.
Gerelateerde informatie
•
•
344
Parkeerhulp* (p. 342)
Cross Traffic Alert* (p. 363)
N.B.
Wanneer het elektrische systeem van de auto
is geconfigureerd voor een trekhaak, wordt de
uitsteeklengte van de trekhaak meegerekend
bij het meten van de parkeerruimte.
BELANGRIJK
Voorwerpen zoals kettingen, smalle glanzende palen of lage obstakels kunnen ‘afgeschaduwd’ worden en worden in dat geval tijdelijk niet geregistreerd door de sensoren –
het onderbroken geluidssignaal kan dan plotseling wegvallen in plaats van over te gaan in
het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan het parkeerhulpsysteem ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door externe
geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van dezelfde frequentie als de sensoren
van het systeem.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
onder andere claxons, natte banden op asfalt,
pneumatische remmen en uitlaatgeluid van
motorfietsen.
Onderhoud
De sensoren kunnen geen hoge voorwerpen
ontdekken, zoals uitstekende laadperrons.
•
Wees in dergelijke gevallen extra voorzichtig en bedien/verrijd de auto erg
langzaam of breek de parkeermanoeuvre
af – er bestaat groot gevaar voor materiele schade aan de auto of de omgeving,
aangezien de sensoren dan tijdelijk niet
optimaal werken.
De plaats van de sensoren.
De parkeerhulp werkt alleen optimaal, wanneer u
de bijbehorende sensoren regelmatig reinigt met
water en autoshampoo.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 342)
Parkeerhulp activeren/deactiveren* (p. 344)
Meldingen voor Parkeerhulp* (p. 346)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 345
RIJONDERSTEUNING
Meldingen voor Parkeerhulp*
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele meldingen verschijnen ten aanzien van Parkeerhulp.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Melding
Betekenis
Parkeerhulpsysteem
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Niet beschikbaar Service vereist
Parkeerhulpsysteem
Sensoren afgedekt, schoonmaken vereist
Een of meer van de sensoren van het systeem zijn geblokkeerd. Controleer dit en verhelp de storing zo
spoedig mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
•
346
Parkeerhulp* (p. 342)
Parkeerhulp activeren/deactiveren* (p. 344)
Beperkingen van parkeerhulp* (p. 344)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Parkeerhulpcamera*
CTA* - Cross Traffic Alert activeren/deactiveren
De parkeerhulpcamera helpt u bij het parkeren in
krappe ruimten door obstakels weer te geven
met camerabeelden en grafische voorstellingen
op het middendisplay.
De parkeerhulpcamera is een hulpsysteem dat, al
naargelang de gekozen instelling, automatisch
wordt geactiveerd als er in de achteruit wordt
geschakeld of handmatig wordt geactiveerd via
het middendisplay.
Overzicht
Zoomen9 - in-/uitzoomen
WAARSCHUWING
•
De parkeercamera is alleen bedoeld als
hulpmiddel en zodat de bestuurder eindverantwoordelijk blijft tijdens het achteruitrijden.
•
De camera kent dode hoeken waarin
registratie van obstakels niet mogelijk is.
•
Houd mensen en dieren in de buurt van
de auto in de gaten.
Cameraweergaven
De functie kan een gecombineerde 360°-weergave tonen én een afzonderlijke weergave voor
de vier camera's: achter, voor, links of rechts.
Bovenaan in de geselecteerde weergave staat
welke camera er actief is.
Lijnen - hulplijnen activeren/deactiveren
Camera 360°-weergave*
Locatie en meetbereik van de parkeerhulpcamera's.
Alle vier de zijden van de auto worden gelijktijdig
op het middendisplay weergegeven, zodat u bij
manoeuvreren op lage snelheden kunt zien wat
er zich rond de auto bevindt.
Iedere aanzichtfunctie van de camera is apart te
activeren door het "blikveld" van de gewenste
camera op het beeldscherm aan te raken - bijvoorbeeld het gebied voor/boven de frontcamera.
Bij een auto die ook voorzien is van parkeerhulp*
wordt de afstand tot gedetecteerde obstakels
aangegeven met velden in verschillende kleuren.
Trekhaak* - hulplijn voor trekhaak activeren/
deactiveren*8
PAS* - parkeerhulp activeren/deactiveren
8
9
Niet beschikbaar op alle markten.
Bij het inzoomen doven de hulplijnen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 347
RIJONDERSTEUNING
||
Naar achteren
Naar voren
N.B.
Voor automatische heractivering van de frontcamera bij snelheidsdaling moet u
Automatische achteruitrijcamera
activeren hebben gekozen in Instellingen
My Car Parkeerhulp.
Naar zijkanten
De achtercamera zit bij de openingshandgreep.
De parkeerhulpcamera vooruit zit in de grille.
De achtercamera beslaat een breed gebied achter de auto alsook een deel van de bumper en
een eventuele trekhaak.
De frontcamera kan handig zijn bij het invoegen
vanuit een oprit waarbij het zicht naar beide zijden bijvoorbeeld door heggen beperkt is. De
camera is actief bij snelheden tot 25 km/h
(16 mph) - bij hogere snelheden wordt de frontcamera uitgeschakeld.
Voorwerpen op het middendisplay lijken mogelijk
over te hellen - dit is volkomen normaal.
N.B.
Voorwerpen op het middendisplay kunnen
dichter bij de auto zijn dan dat ze op het
scherm lijken te zijn.
Als de snelheid de auto een waarde van 50 km/h
(30 mph) niet bereikt maar binnen 60 seconden
na uitschakeling van de frontcamera daalt tot
onder 22 km/h (14 mph), wordt de camera
opnieuw geactiveerd.
De zijcamera's zitten in de beide buitenspiegels.
De zijcamera's geven weer wat er zich aan de
desbetreffende zijde naast de auto bevindt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
348
Parkeerhulpcamera starten* (p. 351)
Hulplijnen en velden voor de parkeerhulpcamera* (p. 349)
Beperkingen van de parkeerhulpcamera*
(p. 352)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 342)
Cross Traffic Alert* (p. 363)
Actieve parkeerhulp* (p. 353)
Hulplijnen en velden voor de
parkeerhulpcamera*
De parkeerhulpcamera geeft met lijnen in het
camerabeeld aan waar de auto zich ten opzichte
van de omgeving bevindt.
Hulplijnen
De hulplijnen zijn inclusief de uitstekende delen
van de auto, zoals de trekhaak, buitenspiegels en
hoeken.
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de lijnen op het
scherm de baan van de auto aan – niet
die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen lijnen op het scherm,
wanneer er een aanhanger/caravan is
aangesloten op het elektrische systeem
van de auto.
Voorbeeld van hoe hulplijnen voor de bestuurder
getoond worden.
De hulplijnen geeft de denkbeeldige baan van de
contouren van de auto aan bij de actuele stuuruitslag - dit vereenvoudigt het achteruit insteken,
achteruitrijden in krappe ruimten en aankoppelen
van aanhangers.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd
als stonden ze op de grond achter de auto. De lijnen zijn bovendien afhankelijk van de stuuruitslag, zodat u ook tijdens het draaien kunt zien
welke baan de auto zal nemen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 349
RIJONDERSTEUNING
||
BELANGRIJK
Hulplijnen in 360°-weergave*
Hulplijn voor trekhaak
360°-weergave met hulplijnen.
Trekhaak met hulplijn.
Let op: als u het camerabeeld naar achteren
hebt gekozen, toont het middendisplay alleen
het gebied achter de auto - let dan zelf op de
zijkanten en voorkant van de auto als u bij het
achteruitrijden aan het stuur draait.
Hetzelfde geldt ook omgekeerd - let op wat
er met het achterste deel van de auto gebeurt
als u het camerabeeld naar voren hebt gekozen.
Denk eraan dat de hulplijnen de kortste weg
laten zien. Let daarom extra goed op dat de
zijkanten van de auto nergens naar toe/
nergens overheen bewegen als u bij vooruitrijden aan het stuur draait of dat de voorkant
niet naar iets toe/over iets heen beweegt als
u bij achteruitrijden aan het stuur draait.
•
•
Bij vooruitrijden: Frontlijnen
Bij achteruitrijden: Zijlijnen en achteruitrijlijnen.
Met een optionele frontcamera, achteruitrijcamera of zijcamera worden de hulplijnen ongeacht
de rijrichting van de auto weergegeven.
350
Trekhaak - hulplijn voor trekhaak activeren*.
Met 360°-weergave worden - afhankelijk van de
rijrichting - achter, voor en aan de zijkant van de
auto hulplijnen getoond:
Zoomen - in-/uitzoomen.
De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhanger door de weergave van
een hulplijn voor de virtuele "baan" van de trekhaak naar de aanhanger.
1.
Druk op Trekhaak (1).
> De hulplijn voor de virtuele "baan" van de
trekhaak wordt weergegeven. Tegelijkertijd verdwijnen de hulplijnen van de auto.
2.
Druk op Zoomen (2) als u nauwkeurig moet
manoeuvreren.
> Er wordt ingezoomd op de camerabeelden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
U kunt niet tegelijkertijd hulplijnen weergeven
voor de auto en de trekhaak.
Sensorveld van parkeerhulp*
Als de auto uitgerust is met Parkeerhulp* wordt
voor iedere sensor die een obstakel waarneemt
de afstand met gekleurde velden in 360°-weergave weergegeven.
Sensorveld achteruit en vooruit
Parkeerhulpcamera starten*
Veldkleur achteruit en vooruit
Afstand (meter)
Oranje
0,6-1,5
De parkeerhulpcamera kan automatisch starten
bij het inschakelen van de achteruitversnelling of
handmatig via het middendisplay.
Oranje
0,4-0,6
Parkeerhulpcamera starten
Rood
0-0,4
De parkeerhulpcamera is handmatig te starten, als deze uitgeschakeld staat bij het inschakelen van de achteruitversnelling
of als deze in een andere situatie moet worden gestart.
Sensorvelden naar de zijkanten
De zijvelden worden uitsluitend weergegeven met
de kleur oranje.
Veldkleur zijkanten
Afstand (meter)
Oranje
0–0,3
–
Gerelateerde informatie
•
•
•
Op het autosymbool rechts kan het beeldscherm
gekleurde sensorvelden tonen.
De kleur van de velden voor de sensoren achteruit en vooruit verandert als de afstand tot het
obstakel kleiner wordt - van geel, via oranje naar
rood.
Parkeerhulpcamera* (p. 347)
Parkeerhulpcamera starten* (p. 351)
Beperkingen van de parkeerhulpcamera*
(p. 352)
Druk op de knop Camera op het functiescherm van het middendisplay.
> De parkeerhulpcamera wordt gestart.
Camerastart in verschillende situaties
Bij een druk op de knop hangt het van de rijsnelheid en de rijrichting van de auto af of de camera
een bovenaanzicht of vooraanzicht hanteert:
•
Bovenaanzicht: Tijdens stilstand en vooruitrijden - 0–15 km/h (0–9 mph).
•
Bovenaanzicht: Tijdens stilstand en achteruitrijden - ongeacht snelheid.
•
Vooraanzicht: Tijdens vooruitrijden
15–22 km/h (9–14 mph).
Automatische start parkeerhulpcamera
activeren/deactiveren
De automatische start van de parkeerhulpcamera
bij inschakeling van de achteruitversnelling is te
activeren/deactiveren.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 351
RIJONDERSTEUNING
||
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
3.
Parkeerhulp.
Kies Automatische achteruitrijcamera
activeren om het automatisch starten te
activeren/deactiveren.
Camera automatisch deactiveren
Het vooraanzicht dooft bij 25 km/h (16 mph) om
u niet af te leiden. Als gekozen is voor de instelling Automatische achteruitrijcamera
activeren, wordt de camera bij een snelheid van
22 km/h (14 mph) binnen 60 seconden opnieuw
geactiveerd. Bij een snelheid hoger dan 50 km/h
(31 mph) wordt het vooraanzicht niet opnieuw
geactiveerd.
De overige aanzichtfuncties van de camera doven
bij 15 km/h (9 mph) en worden niet opnieuw
geactiveerd.
Kies Zicht achteruit in plaats van 360°beeld om het achterste camerabeeld als
basisscherm te activeren/deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
Hulplijnen en velden voor de parkeerhulpcamera* (p. 349)
•
Beperkingen van de parkeerhulpcamera*
(p. 352)
•
Contactslotstanden (p. 370)
Beperkingen van de
parkeerhulpcamera*
De functie parkeerhulpcamera kent in bepaalde
situaties beperkingen.
De parkeerhulpcamera kan niet in alle situaties
alle objecten zien. Houd de volgende beperkingen in uw achterhoofd.
N.B.
Fietsdragers of andere accessoires achter op
de auto kunnen het blikveld van de camera
blokkeren.
Dode hoeken
Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied er
op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke,
verborgen gebied dusdanig groot kan zijn dat
obstakels pas worden geregistreerd wanneer de
auto er bijna bovenop zit.
Basisaanzicht voor parkeerhulpcamera
achterzijde
Wanneer Automatische achteruitrijcamera
activeren gekozen is kunt u de aanzichtfunctie
kiezen die bij inschakeling van de achteruitversnelling moet worden geactiveerd: het achteraanzicht of het bovenaanzicht over 360°*.
352
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
Parkeerhulp.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
N.B.
Houd voor optimale werking de cameralens
vrij van vuil, sneeuw en ijs. Dit is vooral van
belang in slechte lichtomstandigheden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Er zitten "dode" hoeken tussen de "blikvelden" van de
camera's.
In de 360°-weergave kunnen obstakels/voorwerpen "verdwijnen" in de overgangen tussen de
afzonderlijke camera's.
Een doorgehaald camerapictogram betekent dat
deze camera buiten werking is.
Lichtomstandigheden
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit
kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat
kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit betreft.
Slechte lichtomstandigheden leveren mogelijk
een slechtere beeldkwaliteit op.
Parkeerhulpcamera* (p. 347)
Parkeerhulpcamera starten* (p. 351)
Hulplijnen en velden voor de parkeerhulpcamera* (p. 349)
Actieve parkeerhulp*
De actieve parkeerhulp (Park Assist Pilot - PAP)
helpt u bij het parkeren in en het wegrijden uit
een parkeervak.
PAP controleert eerst of een ruimte groot
genoeg is en helpt u vervolgens bij het draaien
van het stuur en het in die ruimte sturen van de
auto.
Op het middendisplay wordt met symbolen, grafische voorstellingen en teksten aangegeven wat u
wanneer moet doen.
N.B.
De PAP-functie meet de ruimte en beweegt
het stuurwiel - de taak van de bestuurder is:
•
goed op de omgeving rond de auto te letten
•
de instructies op het middendisplay op te
volgen
•
•
te schakelen (achteruit/vooruit)
•
te remmen en de auto tot stilstand te
brengen.
de snelheid te regelen en daarbij een veilige snelheid aan te houden
Onderhoud
Maak cameralenzen regelmatig schoon met lauw
water en autoshampoo. Wees voorzichtig zodat er
geen krassen op de lens komen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 353
RIJONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
PAP werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en het gebied rond de auto goed in
de gaten houdt om naderende of passerende
verkeersdeelnemers tijdig op te merken.
3.
De auto wordt netjes in het midden geparkeerd.
N.B.
Een haaks geparkeerde auto kan niet met
behulp van de PAP-functie Uitparkeren een
parkeervak verlaten - die functie kan alleen
worden gebruikt bij een parallel geparkeerde
auto.
Met de functie Uitparkeren kan een parallel
geparkeerde auto ook hulp krijgen van PAP om
een parkeervak te verlaten - zie de rubriek "Uit
een parkeervak rijden" in paragraaf "Parkeren
met actieve parkeerhulp".
Achteruit insteken
Gerelateerde informatie
•
•
Parkeervarianten
PAP kan worden gebruikt bij de volgende parkeervarianten.
•
Fileparkeren
Parkeren met actieve parkeerhulp* (p. 355)
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp*
(p. 357)
Meldingen voor Actieve parkeerhulp*
(p. 360)
Principe voor (achteruit) insteken.
Het PAP-systeem parkeert de auto aan de hand
van de volgende deelmomenten:
Principe voor fileparkeren of achteruit insteken.
Het PAP-systeem parkeert de auto aan de hand
van de volgende deelmomenten:
354
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
2.
De auto wordt achteruit het vak ingestuurd.
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
2.
De auto wordt achteruit het vak ingestuurd
3.
De auto wordt netjes in het midden geparkeerd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Parkeren met actieve parkeerhulp*
Parkeren
De actieve parkeerhulp (Park Assist Pilot - PAP)
helpt u in drie fasen bij het parkeren. De functie
kan u ook helpen om uit een parkeervak te rijden.
Het PAP-systeem parkeert de auto aan de hand
van de volgende stappen:
N.B.
De PAP-functie meet de ruimte en beweegt
het stuurwiel - de taak van de bestuurder is:
•
goed op de omgeving rond de auto te letten
•
de instructies op het middendisplay op te
volgen
•
•
te schakelen (achteruit/vooruit)
•
te remmen en de auto tot stilstand te
brengen.
de snelheid te regelen en daarbij een veilige snelheid aan te houden
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
2.
De auto wordt achteruit het vak ingestuurd.
3.
De auto wordt netjes in het vak geparkeerd het systeem kan u dan vragen om te schakelen.
Parkeervakken zoeken en meten
De functie is te activeren op
het functiescherm van het middendisplay.
Deze is ook bereikbaar vanuit
de camerabeelden of de optie
Instellingen van het hoofdscherm.
PAP is te activeren als na het starten van de
motor aan de volgende criteria is voldaan:
•
Er is geen aanhanger aan de auto gekoppeld.
•
De snelheid moet lager zijn dan 30 km/h
(20 mph).
Principe voor (achteruit) insteken.
1.
Rijd maximaal 30 km/h (20 mph) voordat u
gaat fileparkeren of maximaal 20 km/h
(12 mph) voordat u achteruit gaat insteken.
2.
Druk op de knop Inparkeren in het functiescherm.
> PAP zoekt een parkeervak en meet of dit
vak groot genoeg is.
3.
Let op het middendisplay. Stop de auto als
de grafische voorstellingen en een melding
aangeven dat er een geschikt vak is gevonden.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
4.
Kies Fileparkeren of Haaks parkeren en
schakel in de achteruit.
Principe voor fileparkeren.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 355
RIJONDERSTEUNING
||
De auto netjes in het midden van het
parkeervak parkeren
N.B.
PAP zoekt een geschikte ruimte om te parkeren, geeft instructies en parkeert de auto aan
de passagierskant in. Desgewenst kunt u de
auto ook aan de bestuurderszijde van de
straat parkeren:
•
Schakel de richtingaanwijzers aan
bestuurderszijde in, waarna het systeem
een geschikte parkeerplek aan deze kant
van de straat zoekt.
Achteruit in het parkeervak rijden
Achteruit insteken.
1.
Controleer of de ruimte achter de auto vrij is.
2.
Rijd langzaam en voorzichtig achteruit en
raak het stuurwiel niet aan – rijd niet sneller
dan 7 km/h (4 mph).
> PAP zal de auto het parkeervak insturen.
3.
Let op het middendisplay. Stop de auto als
dit met grafische voorstellingen en een melding van u verlangd wordt.
Fileparkeren.
N.B.
Fileparkeren.
356
•
Houd uw handen weg van het stuurwiel
als de PAP-functie is geactiveerd.
•
Let erop dat het stuurwiel niet door iets
wordt gehinderd en vrij kan draaien.
•
Wacht voor het beste resultaat totdat het
stuurwiel is uitgedraaid, voordat u achteruit/vooruit rijdt.
Achteruit insteken.
1.
Zet de keuzehendel in stand D. Wacht totdat
het stuur gedraaid is en rijd langzaam vooruit.
RIJONDERSTEUNING
2.
Let op het middendisplay. Stop de auto als
dit met grafische voorstellingen en een melding van u verlangd wordt.
3.
Schakel in de achteruit en rijd langzaam achteruit.
4.
Let op het middendisplay. Stop de auto als
dit met grafische voorstellingen en een melding van u verlangd wordt.
Het systeem wordt automatisch gedeactiveerd,
waarna met grafische voorstellingen en een melding wordt aangegeven dat het insteken is afgerond. U moet mogelijk later corrigeren - alleen u
kunt beoordelen of de auto goed geparkeerd
staat.
BELANGRIJK
De waarschuwingsafstand is korter, wanneer
de sensoren worden gebruikt door PAP dan
wanneer Park Assist de sensoren gebruikt.
Uit een parkeervak rijden
N.B.
Het verlaten van een parkeervak met de functie Uitparkeren is alleen mogelijk voor een
parallel geparkeerde auto - de functie werkt
niet voor een haaks geparkeerde auto.
U activeert Uitparkeren op het
functiescherm van het middendisplay.
Beperkingen van de Actieve
parkeerhulp*
De actieve parkeerhulp (Park Assist Pilot – PAP)
kent in bepaalde situaties beperkingen.
Parkeren afbreken
1.
2.
Druk op de knop Uitparkeren in het functiescherm.
> PAP zoekt de beste manier om het parkeervak uit te rijden.
Let op het middendisplay. Volg de aanwijzingen op dezelfde manier als bij het parkeren.
Let erop dat het stuur kan "terugveren" bij het
uitschakelen van de functie. U moet dan mogelijk
het stuur terugdraaien tot de maximale stuuruitslag om uit het parkeervak te kunnen rijden.
Als PAP oordeelt dat u zonder extra manoeuvres
het parkeervak kunt uitrijden, zal de functie worden afgesloten, ook al denkt u misschien dat de
auto nog in het parkeervak staat.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Actieve parkeerhulp* (p. 353)
Een parkeerprocedure wordt afgebroken:
•
•
•
•
als u het stuurwiel aanraakt
als u te snel rijdt – meer dan 7 km/h (4 mph)
als u op Annuleren op het middendisplay
drukt
bij een ingreep van het antiblokkeerremsysteem of de elektronische stabiliteitsregeling,
bijvoorbeeld als een wiel geen grip meer
heeft bij een glad wegdek.
In voorkomende gevallen laat een melding op het
middendisplay u weten waarom de parkeerprocedure is afgebroken.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken,
neemt de functie af en kan meten onmogelijk
worden gemaakt.
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp*
(p. 357)
Meldingen voor Actieve parkeerhulp*
(p. 360)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 357
RIJONDERSTEUNING
||
parkeervak, wanneer het PAP de beschikbare ruimte meet.
BELANGRIJK
Onder bepaalde omstandigheden kan PAP
geen parkeerplaatsen vinden - een reden kan
zijn dat de sensoren worden verstoord door
externe geluidsbronnen, die dezelfde ultrasoonfrequenties afgeven als waar het systeem mee werkt.
•
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn o.a.
claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van motorfietsen.
•
Let erop dat de voorkant van de auto tijdens
het parkeren kan uitzwenken naar het tegemoetkomende verkeer.
•
Voorwerpen boven het detectiegebied van de
sensoren worden niet meegenomen bij het
berekenen van de parkeermanoeuvre, waardoor PAP mogelijk te vroeg het parkeervak
indraait. Vermijd daarom parkeervakken met
dergelijke hoge voorwerpen.
Uw verantwoordelijkheid
Vergeet niet dat PAP een hulpmiddel is en geen
onfeilbaar en volautomatisch systeem. Wees
daarom altijd voorbereid om de parkeermanoeuvre te onderbreken.
•
Er zijn ook een paar details waar u bij het parkeren op moet letten, bijvoorbeeld:
U moet bepalen of het vak dat PAP voorstelt
geschikt is om in te parkeren.
•
Gebruik goedgekeurde banden10 met de
juiste bandenspanning - dit is van invloed op
de parkeermogelijkheden van PAP.
•
Hevige regen of sneeuwval kan ertoe leiden
dat het parkeervak niet op een juiste manier
wordt gemeten.
•
Gebruik PAP niet als u sneeuwkettingen of
een reservewiel hebt gemonteerd.
•
Gebruik PAP niet als er lading buiten de auto
uitsteekt.
•
•
10
358
Parkeervakken in smalle straten kunnen niet
altijd worden aangeboden, aangezien de
benodigde ruimte voor het manoeuvreren
onvoldoende is - het kan dan handig zijn om
zo dicht mogelijk naar de kant van de straat
te rijden waar het parkeervak zich bevindt.
PAP gaat uit van de onderlinge positie van
de geparkeerde voertuigen – als deze ongelukkig geparkeerd staan, kunnen de banden
en velgen van uw auto beschadigd raken bij
contact met de stoeprand.
PAP is bedoeld voor inparkeren in rechte
straatgedeelten – niet in straatgedeelten met
sterke krommingen of scherpe bochten. Zorg
daarom dat de auto evenwijdig staat aan het
Met "goedgekeurde banden" wordt bedoeld: banden van hetzelfde type en merk als die bij levering af fabriek origineel waren gemonteerd.
•
Haakse parkeervakken kunnen worden
gemist of ten onrechte worden gedetecteerd
als een geparkeerde auto meer uitsteekt dan
de andere geparkeerde auto's.
BELANGRIJK
Als bij montage van een andere goedgekeurde velgmaat de bandenomtrek zich wijzigt, moet u de parameters van het PAP-systeem mogelijk bijwerken. Informeer bij een
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Onderhoud
Locatie van de PAP-sensoren.
PAP werkt alleen naar behoren, wanneer u de
oppervlakken en de bijbehorende sensoren
regelmatig reinigt met water en een autosham-
RIJONDERSTEUNING
poo – op de bumpers zijn dit de sensoren waar
ook de parkeerhulp gebruik van maakt.
Gerelateerde informatie
•
•
Actieve parkeerhulp* (p. 353)
Parkeren met actieve parkeerhulp* (p. 355)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 359
RIJONDERSTEUNING
Meldingen voor Actieve
parkeerhulp*
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele meldingen verschijnen ten aanzien van de Actieve
parkeerhulp (Park Assist Pilot – PAP).
Melding
Betekenis
Parkeerhulpsysteem
Een of meer van de sensoren van de systemen zijn geblokkeerd. Controleer dit en verhelp de storing zo
spoedig mogelijk.
Sensoren afgedekt, schoonmaken vereist
Parkeerhulpsysteem
Niet beschikbaar Service vereist
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
360
Actieve parkeerhulp* (p. 353)
Parkeren met actieve parkeerhulp* (p. 355)
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp*
(p. 357)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Blind Spot Information*
N.B.
Het Blind Spot Information (BLIS) dient om u te
waarschuwen voor naderende achterliggers
schuin achter en naast u bij ritten in druk verkeer
op wegen met meerdere rijbanen in dezelfde
richting.
Het lampje gaat branden aan de kant van de
auto waar het systeem het voertuig heeft ontdekt. Als de auto aan beide kanten tegelijkertijd wordt ingehaald, gaan beide lampjes branden.
BLIS is een hulpmiddel om u te waarschuwen
voor:
•
•
WAARSCHUWING
voertuigen in de dode hoek
snel naderende achterliggers in de linker en
rechter rijbaan naast uw auto.
Blind Spot Information werkt niet in scherpe
bochten.
Werkingsprincipe van Blind Spot Information
Zone in dode hoek
Zone voor snel naderende achterliggers.
Positie van het BLIS-lampje.
Controlelampje
BLIS-symbool
Blind Spot Information werkt niet als de auto
achteruitrijdt.
WAARSCHUWING
BLIS werkt bij snelheden hoger dan 10 km/h
(6 mph).
Blind Spot Information is slechts een aanvullend hulpmiddel en werkt niet in alle situaties.
Het systeem reageert in de volgende gevallen:
Blind Spot Information vormt geen vervanging
voor een veilige rijstijl en het gebruik van de
buitenspiegels.
•
uw auto wordt ingehaald door andere voertuigen
•
een achterligger nadert uw auto snel.
Wanneer BLIS een voertuig binnen zone 1 of een
snel naderende achterligger in zone 2 ontdekt,
brandt het controlelampje bij de desbetreffende
zijspiegel constant. Als u in deze stand de richtingaanwijzers activeert aan de kant waarvoor de
waarschuwing wordt gegeven, schakelt het controlelampje over van constant branden op knipperen met een feller licht.
Ook met Blind Spot Information moet u altijd
oplettend en verantwoord blijven rijden - u
bent er altijd verantwoordelijk voor dat u op
een veilige manier van rijstrook wisselt.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 361
RIJONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
Het systeem is een aanvulling op, en vormt
geen vervanging voor, een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. Ook met het
systeem moet u altijd oplettend en verantwoord blijven rijden. U bent altijd zelf verantwoordelijk voor het veilig van rijbaan wisselen.
Blind Spot Information* activeren/
deactiveren
Het Blind Spot Information (BLIS) kan worden
geactiveerd/gedeactiveerd.
Als BLIS bij het uitschakelen van de motor
gedeactiveerd is, is dat na de volgende motorstart nog steeds zo en zal er geen controlelampje
branden.
WAARSCHUWING
Blind Spot Information is slechts een aanvullend hulpmiddel en werkt niet in alle situaties.
Gerelateerde informatie
•
Blind Spot Information* activeren/deactiveren (p. 362)
•
Beperkingen van Blind Spot Information™*
(p. 363)
•
Meldingen voor Blind Spot Information* en
Cross Traffic Alert* (p. 367)
•
Cross Traffic Alert* (p. 363)
Blind Spot Information vormt geen vervanging
voor een veilige rijstijl en het gebruik van de
buitenspiegels.
Ook met Blind Spot Information moet u altijd
oplettend en verantwoord blijven rijden - u
bent er altijd verantwoordelijk voor dat u op
een veilige manier van rijstrook wisselt.
De positie van het Blind Spot Information-lampje.
Controlelampje
–
BLIS-knop op het functiescherm op het middendisplay voor het activeren/deactiveren
van de functie.
Druk op de knop BLIS in het functiescherm.
> BLIS wordt geactiveerd/gedeactiveerd, de
knop toont een groene/grijze indicatie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Blind Spot Information* (p. 361)
Beperkingen van Blind Spot Information™*
(p. 363)
Meldingen voor Blind Spot Information* en
Cross Traffic Alert* (p. 367)
Als BLIS bij het starten van de motor geactiveerd
is, wordt de functie bevestigd doordat de controlelampjes op de buitenspiegels één keer knipperen.
362
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Beperkingen van Blind Spot
Information™*
Het Blind Spot Information (BLIS) kent in
bepaalde situaties beperkingen.
Voorbeelden van beperkingen:
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken.
•
BLIS wordt gedeactiveerd, als u een aanhanger op het elektrische systeem van de auto
aansluit.
Voor een optimale werking is het belangrijk dat
de oppervlakken vóór de sensoren schoon worden gehouden.
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers binnen het oppervlak van de sensoren.
Cross Traffic Alert*
Cross Traffic Alert (CTA) is een hulpmiddel om u
voor kruisend verkeer te waarschuwen als u achteruitrijdt met de auto. CTA is een aanvulling op
Blind Spot Information (BLIS).
Soms registreert het systeem dat een of beide
sensoren geblokkeerd zijn, zodat de melding
Dodehoeksensor Achtersensoren afgedekt,
schoonmaken vereist op het bestuurdersdisplay verschijnt. Controleer de sensor(en) en verhelp de storing zo spoedig mogelijk.
BELANGRIJK
Sensoren
De sensoren voor de BLIS-functies zitten aan de
binnenkant van beide hoeken van achterspatbord/bumper. De sensoren worden tevens
gebruikt door de Cross Traffic Alert (CTA).
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van de
bumper mogen uitsluitend in een werkplaats
worden uitgevoerd. Een erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Gerelateerde informatie
•
•
Blind Spot Information* (p. 361)
Blind Spot Information* activeren/deactiveren (p. 362)
•
Meldingen voor Blind Spot Information* en
Cross Traffic Alert* (p. 367)
•
Beperkingen van Cross Traffic Alert (p. 365)
Principe voor CTA.
CTA vormt een aanvulling op de BLIS-functie
door bij achteruitrijden het kruisende verkeer
vanaf de zijkant te kunnen zien, bijvoorbeeld als
de auto achteruit een parkeervak verlaat.
CTA is bedoeld om in de eerste plaats voertuigen
te ontdekken - in gunstige gevallen kunnen ook
kleinere voorwerpen zoals fietsen en voetgangers
worden ontdekt.
CTA is alleen actief als de auto achteruit rolt of in
de achteruit is gezet.
Dit gebied schoonhouden - aan beide zijden.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 363
RIJONDERSTEUNING
||
Als CTA heeft gedetecteerd dat er van de zijkant
iets aankomt, wordt dit aangegeven met:
Cross Traffic Alert* activeren/
deactiveren
•
De Cross Traffic Alert (CTA) kan worden geactiveerd/gedeactiveerd.
een geluidssignaal - het geluid komt uit de
linker of rechter luidspreker, afhankelijk van
waar het object vandaan komt.
•
een brandend pictogram in de grafische
PAS-voorstelling op het beeldscherm.
•
een pictogram in het hoofdscherm van de
parkeerhulpcamera.
WAARSCHUWING
CTA is slechts een aanvullend hulpmiddel en
werkt niet in alle situaties.
CTA vormt geen vervanging voor een veilige
rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
Ook met CTA moet u altijd oplettend en verantwoord blijven rijden - u bent er altijd verantwoordelijk voor dat u op een veilige manier
achteruitrijdt.
Gerelateerde informatie
–
•
Cross Traffic Alert* (p. 363)
Beperkingen van Cross Traffic Alert (p. 365)
Meldingen voor Blind Spot Information* en
Cross Traffic Alert* (p. 367)
GRIJZE knopindicatie - CTA is gedeactiveerd.
CTA is direct na het starten van de motor altijd
geactiveerd.
WAARSCHUWING
Cross Traffic Alert* activeren/deactiveren
(p. 364)
•
CTA is slechts een aanvullend hulpmiddel en
werkt niet in alle situaties.
Meldingen voor Blind Spot Information* en
Cross Traffic Alert* (p. 367)
CTA vormt geen vervanging voor een veilige
rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
Beperkingen van Cross Traffic Alert (p. 365)
Ook met CTA moet u altijd oplettend en verantwoord blijven rijden - u bent er altijd verantwoordelijk voor dat u op een veilige manier
achteruitrijdt.
Blind Spot Information* (p. 361)
•
•
•
Druk op de knop Cross Traffic Alert in het
functiescherm.
> • GROENE knopindicatie - CTA is geactiveerd.
•
•
•
364
De functie is te activeren/
deactiveren op het functiescherm van het middendisplay.
Gerelateerde informatie
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Beperkingen van Cross Traffic Alert
Sensoren
De Cross Traffic Alert (CTA) kent in bepaalde
situaties beperkingen.
De sensoren voor de CTA-functies zitten aan de
binnenkant van beide hoeken van achterspatbord/bumper. De sensoren worden tevens
gebruikt door het Blind Spot Information (BLIS).
CTA werkt niet in alle situaties optimaal, maar
heeft zijn beperkingen - zo kunnen de CTA-sensoren niet "door" andere geparkeerde voertuigen
of voorwerpen die het zicht blokkeren heen kijken.
Hier volgen enkele voorbeelden van situaties
waar het "blikveld" van het CTA aanvankelijk
beperkt kan zijn, zodat naderende voertuigen pas
op het laatste moment gedetecteerd worden:
In schuine parkeervakken valt de ene kant van de auto
mogelijk helemaal binnen de dode hoek van CTA.
Dode hoek van CTA.
Detectiegebied/"blikveld" van CTA.
Naarmate u verder achteruitrijdt, verandert de
hoek ten opzichte van de auto/het obstakel
die/dat in de weg zit zodat de dode hoek snel in
grootte afneemt.
Voorbeelden van andere beperkingen:
De auto staat ver naar achteren in een parkeervak.
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken.
•
CTA wordt gedeactiveerd, als u een aanhanger op het elektrische systeem van de auto
aansluit.
Houd dit gebied schoon - ook aan de linkerzijde.
Voor een optimale werking is het belangrijk dat
de oppervlakken vóór de sensoren schoon worden gehouden.
Bevestig geen voorwerpen, tape, stickers en dergelijke binnen het sensoroppervlak.
BELANGRIJK
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van de
bumper mogen uitsluitend in een werkplaats
worden uitgevoerd. Een erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
}}
365
RIJONDERSTEUNING
||
366
Gerelateerde informatie
•
•
Cross Traffic Alert* (p. 363)
Cross Traffic Alert* activeren/deactiveren
(p. 364)
•
Meldingen voor Blind Spot Information* en
Cross Traffic Alert* (p. 367)
•
Beperkingen van Blind Spot Information™*
(p. 363)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RIJONDERSTEUNING
Meldingen voor Blind Spot
Information* en Cross Traffic Alert*
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele meldingen verschijnen ten aanzien van Blind Spot
Information (BLIS) en Cross Traffic Alert (CTA).
Melding
Betekenis
Dodehoeksensor
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Service vereist
Dodehoeksysteem uit
BLIS en CTA zijn gedeactiveerd, omdat er een aanhanger op het elektrische systeem van de auto is aangesloten.
Aanhanger gekoppeld
Gerelateerde informatie
•
•
Blind Spot Information* (p. 361)
Blind Spot Information* activeren/deactiveren (p. 362)
•
Beperkingen van Blind Spot Information™*
(p. 363)
•
•
Cross Traffic Alert* (p. 363)
•
Meldingsfuncties op bestuurders- en middendisplay (p. 107)
Cross Traffic Alert* activeren/deactiveren
(p. 364)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 367
STARTEN EN RIJDEN
STARTEN EN RIJDEN
Contactslotstanden
Het elektrische systeem van de auto is in verschillende standen te zetten voor gebruik van
verschillende autosystemen.
Niveau
0
Om een beperkt aantal systemen te kunnen
gebruiken bij een uitgeschakelde motor is het
elektrische systeem van de auto in drie verschillende standen te zetten: 0, I en II. In de gebruikershandleiding worden deze standen overal aangeduid als "contactslotstanden".
De volgende tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende contactslotstanden/standen:
•
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht.
•
Niveau
Functies
•
De koplampen worden ontstoken.
Elektrisch bedienbare stoelen
zijn te verstellen.
•
Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang.
•
Elektrisch bedienbare ruiten zijn
te gebruiken.
•
•
Middendisplay wordt ingeschakeld en is te gebruiken.
•
Het audiosysteem is in te schakelen.
Meerdere andere systemen worden geactiveerd. De stoelverwarming en achterruitverwarming
kunnen echter pas na het starten van de motor worden geactiveerd.
De functies zijn in deze contactslotstand tijdsgestuurd en worden na
een poosje automatisch uitgeschakeld.
I
370
Functies
•
Panoramadak, elektrisch bedienbare ruiten, 12V-aansluitingen in
passagiersruimte, navigatie, telefoon, interieurventilator en ruitenwissers zijn te gebruiken.
•
Elektrisch bedienbare stoelen
zijn te verstellen.
•
12V-aansluiting in bagageruimte
is te gebruiken.
•
Het audiosysteem wordt automatisch ingeschakeld, als het bij
het verlaten van de auto aanstond.
II
Deze contactslotstand vraag veel
stroom van de startaccu en moet
daarom worden vermeden!
Contactslotstand kiezen
De startknop op de tunnelconsole.
STARTEN EN RIJDEN
•
Contactslotstand 0 - Vergrendel de auto en
bewaar de transpondersleutel binnen in de
auto.
Motor starten
2.
Let erop dat schakelstand P of N is gekozen.
De motor is te starten via de transpondersleutel
en met de startknop op de tunnelconsole.
3.
Trap het rempedaal volledig in1.
4.
Draai de startknop naar stand START en laat
de knop weer los. De knop veert automatisch
terug naar de uitgangspositie.
N.B.
Om stand I of II te realiseren zonder de
motor te starten, moet u bij het selecteren
van deze contactslotstanden het rempedaal
niet bedienen.
•
•
•
Contactslotstand I - Draai de startknop
naar stand START en laat de knop weer los.
De knop veert automatisch terug naar de uitgangspositie.
Contactslotstand II - Draai de startknop
naar stand START en houd de knop
zo'n 4 seconden in stand START. Laat vervolgens knop los, die automatisch terugveert
naar de uitgangspositie.
Terug naar contactslotstand 0 - Om terug
te gaan naar contactslotstand 0 vanuit stand
I en II moet u de startknop naar stand STOP
draaien en de knop loslaten. De knop veert
automatisch terug naar de uitgangspositie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
1
N.B.
Bij auto’s met een dieselmotor slaat de motor
mogelijk met enige vertraging aan.
Motor starten (p. 371)
Motor afzetten (p. 372)
Bestuurdersdisplay (p. 91)
Bij het starten van de motor blijft de startmotor
draaien, totdat de motor aanslaat of totdat de
beveiliging tegen oververhitting in werking treedt.
De startknop op de tunnelconsole.
U gebruikt de transpondersleutel niet actief bij
het starten, omdat de auto is uitgerust met
ondersteuning voor passief starten (Passive
Start).
Om de motor te starten:
1.
Controleer of de transpondersleutel in de
auto aanwezig is. Voor auto's met Passive
Start moet de sleutel zich in het voorste deel
van het interieur bevinden. Met de optie passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive
Entry*) is het voldoende dat de sleutel zich
ergens in de auto bevindt.
Als de auto rolt, kunt u de motor starten door de startknop naar START te draaien.
Positie back-uplezer in de tunnelconsole.
Als bij het starten de melding Sleutel niet
gevonden op het bestuurdersdisplay verschijnt,
plaats de transpondersleutel dan op de
back-uplezer in de bekerhouder. Probeer vervolgens opnieuw te starten.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 371
STARTEN EN RIJDEN
||
N.B.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel mee en zorg dat het elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0 staat – vooral als er kinderen in de
auto achterblijven.
Zorg ervoor dat er geen andere autosleutels,
metalen voorwerpen of elektronische apparaten (zoals mobiele telefoons, tablets, laptops
of laders) in de bekerhouder liggen, wanneer
u de transpondersleutel in de bekerhouder
plaatst. Als er zich meerdere sleutels in de
bekerhouder bevinden, kunnen deze elkaar
storen.
N.B.
Voor bepaalde motortypen kan het stationaire
toerental bij een koude start duidelijk hoger
dan normaal zijn. Dit gebeurt om het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op de
normale bedrijfstemperatuur te krijgen waardoor de uitlaatgasemissies afnemen en het
milieu wordt ontzien.
Als bij het starten de melding Motor starten
Systeemcontrole, wachten op het bestuurdersdisplay verschijnt, wacht dan tot de melding
verdwijnt en doe vervolgens een nieuwe startpoging.
BELANGRIJK
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
WAARSCHUWING
Haal nooit de transpondersleutel uit de auto
tijdens rijden of slepen.
Motor afzetten
U zet de motor af met de startknop op de tunnelconsole.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Contactslotstanden (p. 370)
De startknop op de tunnelconsole.
Om de motor af te zetten:
–
Motor afzetten (p. 372)
Transpondersleutel (p. 234)
Batterij in transpondersleutel vervangen
(p. 254)
Als de keuzehendel niet in stand P staat of als de
auto rolt:
–
Houd de knop in de stand STOP vast, totdat
de motor afslaat.
Gerelateerde informatie
•
372
Draai de startknop naar STOP en laat de
knop los. De motor gaat uit. De knop veert
automatisch terug naar de uitgangspositie.
Motor starten (p. 371)
STARTEN EN RIJDEN
Stuurslotfout
Starthulp met andere accu
Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij
gebruik van de auto door onbevoegden. Er is
mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar,
wanneer u het stuurslot inschakelt of opheft.
Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto starten met stroom van een hulpaccu.
4.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
Stuurslot activeren
Wanneer u de auto van buitenaf vergrendelt en
de motor is uitgeschakeld, wordt het stuurslot
geactiveerd. Als u de auto onvergrendeld achterlaat, wordt na verloop van korte tijd automatisch
het stuurslot geactiveerd.
5.
Open de afdekking (2) van het positieve
starthulppunt.
6.
Bevestig de andere klem van de rode startkabel aan het positieve starthulppunt (2).
7.
Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
8.
Bevestig de andere klem van de zwarte startkabel aan het negatieve starthulppunt (4).
9.
Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen
dat er tijdens de startpoging vonken ontstaan.
Stuurslot opheffen
Wanneer u de auto van buitenaf ontgrendelt,
wordt het stuurslot gedeactiveerd. Als de auto
niet is vergrendeld, is het voor het opheffen van
het stuurslot voldoende dat de transpondersleutel in het interieur aanwezig is en dat motor
gestart wordt door de startknop naar START te
draaien.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten wordt
geadviseerd de volgende stappen aan te houden
om kortsluiting en andere schade te voorkomen:
1.
Zet het elektrische systeem van de auto in
de contactslotstand 0.
2.
Controleer of de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
3.
Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de beide auto's
elkaar niet raken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Motor starten (p. 371)
Motor afzetten (p. 372)
Stuurwiel (p. 134)
Bevestig de ene klem van de rode startkabel
aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
10. Start de motor van de "hulpauto" en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
ca. 1500 omw/min.
}}
373
STARTEN EN RIJDEN
||
11. Start de motor in de auto met de uitgeputte
accu.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar voor
vonkvorming.
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde volgorde - eerst de zwarte kabel en daarna de
rode.
Zorg dat geen van de aansluitklemmen aan
de zwarte startkabel contact kan maken met
het positie starthulppunt op de auto/de pluspool van de starthulpaccu of met de aangesloten klem van de rode startkabel.
WAARSCHUWING
•
374
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van een startkabel, kan volstaan om de
accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat
ernstige chemische brandwonden kan
veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw
huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Startaccu (p. 521)
Contactslotstanden (p. 370)
Motor starten (p. 371)
Motorkap openen en sluiten (p. 506)
Versnellingsbak
De versnellingsbak is een onderdeel van de aandrijflijn (krachtoverbrenging) tussen motor en
aandrijfwielen. De versnellingsbak heeft tot taak
de overbrengingsverhouding af te stemmen op
de gewenste snelheid en vermogensbehoefte.
De auto heeft een achttraps automaatbak. Handmatig schakelen is ook mogelijk. Op het bestuurdersdisplay staat welke schakelstand er op dat
moment in gebruik is.
BELANGRIJK
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn
te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur
van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij
gevaar voor oververhitting gaat er een waarschuwingssymbool op het bestuurdersdisplay
branden en verschijnt er een displaymelding –
volg in dat geval het gegeven advies.
Symbolen op bestuurdersdisplay
Bij een eventuele storing in de versnellingsbak
verschijnen op het bestuurdersdisplay een symbool en een melding.
STARTEN EN RIJDEN
Symbool
Betekenis
Informatie- of foutmelding voor de
versnellingsbak. Volg het gegeven
advies op.
Versnellingsbak heeft of oververhit.
Volg het gegeven advies op.
Gerelateerde informatie
•
Schakelstanden van automatische versnellingsbak (p. 375)
•
Schakelindicator (p. 377)
Schakelstanden van automatische
versnellingsbak
Schakelstanden
Een automatische versnellingsbak biedt comfort,
omdat u zich op het verkeer op de weg kunt
richten.
Parkeerstand - P
Kies stand P wanneer de auto geparkeerd staat
of als de motor moet worden gestart. De auto
moet stilstaan, wanneer u de parkeerstand kiest.
De auto heeft een achttraps automaatbak, waarbij het systeem de versnelling kiest, zodat het rijden optimaal gaat.
Om de keuzehendel uit de parkeerstand te kunnen halen, moet u in contactslotstand II het rempedaal bedienen.
De versnellingsbak heeft ook een handmatige
schakelstand.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Zet de parkeerrem eerst aan als de
auto geparkeerd staat.
Schakelstanden op bestuurdersdisplay
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - de P-stand van de
automatische versnellingsbak is niet voldoende om de auto in alle situaties vast te
houden.
Achteruitrijstand - R
Kies de stand R om achteruit te rijden. De auto
moet stilstaan, wanneer u de achteruitrijstand
kiest.
Op het bestuurdersdisplay staat de actuele keuzehendelstand:
P, R, N, D of M.
In de handmatige schakelstand verschijnt ook de
ingeschakelde versnelling (1-8).
Neutrale stand - N
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
Om de keuzehendel uit de neutraalstand te kunnen halen moet u in contactslotstand II het rempedaal bedienen.
}}
375
STARTEN EN RIJDEN
||
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Rijstand - D
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug afhankelijk
van de stand van het gaspedaal en de snelheid.
De auto moet stilstaan bij het schakelen van
stand R naar stand D.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen is het
stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien
van een terugschakelblokkering.
Handmatige schakelstand - M
Handmatig schakelen kan op elk moment tijdens
het rijden geactiveerd worden. Bij het loslaten
van het gaspedaal wordt de auto op de motor
afgeremd.
Kies de handmatige schakelstand door de keuzehendel vanuit stand D helemaal opzij te bewegen
naar "±". Het bestuurdersdisplay geeft aan welke
versnelling (1-8) er op dat moment is ingeschakeld.
Handmatige schakelstand op het bestuurdersdisplay2.
Om schokkerig gedrag en afslag van de motor te
voorkomen schakelt de versnellingsbak automatisch terug, als de snelheid daalt tot onder de
gewenste waarde voor de gekozen versnelling.
•
Duw de keuzehendel naar voren in de richting van de "+" (plus) om op te schakelen
naar de eerstvolgende hogere versnelling en
laat de hendel weer los.
Duw de keuzehendel helemaal opzij naar D om
terug te keren naar automatisch schakelen.
•
Duw de keuzehendel naar achteren in de
richting van de "–" (minus) om terug te schakelen naar de eerstvolgende lagere versnelling en laat de hendel weer los.
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij de
normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Kickdown
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand
loslaat, schakelt de versnellingsbak automatisch
op.
2
376
De versnellingsbak staat geen terugschakeling/
kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental leidt dat de motor beschadigd kan raken.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt er
niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental een of meer versnellingen terugschakelen. Om schade aan de motor te voorkomen schakelt de auto op wanneer de motor het
maximumtoerental heeft bereikt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Versnellingsbak (p. 374)
Schakelen met stuurpaddles* (p. 378)
Schakelindicator (p. 377)
Keuzehendelblokkering (p. 377)
Contactslotstanden (p. 370)
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van de softwareversie en het model afwijkingen mogelijk zijn.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Schakelindicator
Keuzehendelblokkering
De schakelindicator op het bestuurdersdisplay
geeft aan welke versnelling er ingeschakeld is in
de handmatige schakelstand en wanneer u voor
optimale zuinigheid beter kunt schakelen.
De keuzehendelblokkering voorkomt onbedoeld
schakelen tussen schakelstanden bij een automatische versnellingsbak.
De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in twee
uitvoeringen: een mechanische en een automatische.
Voor een milieubewuste rijstijl in de handmatige
schakelstand is het belangrijk om de juiste versnelling te kiezen en tijdig te schakelen. De schakelindicator toont de actuele versnelling op het
bestuurdersdisplay en geeft met een pijl-omhoog
de aanbevolen opschakeling aan.
Mechanische schakelblokkering
Schakelindicator op 8 inch bestuurdersdisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
Schakelindicator op 12 inch bestuurdersdisplay.
Versnellingsbak (p. 374)
Schakelstanden van automatische versnellingsbak (p. 375)
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel
vooruit of achteruit bewegen tussen de standen
P, R, N en D.
}}
377
STARTEN EN RIJDEN
||
Automatische schakelblokkering
De automatische keuzehendelblokkering kent
verschillende beveiligingsfuncties.
Vanuit de parkeerstand - P
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen
moet u in contactslotstand II het rempedaal
bedienen.
Vanuit de neutrale stand - N
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens 3 seconden stilgestaan (of de
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd.
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen halen
moet u in contactslotstand II het rempedaal
bedienen.
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu, moet u
de keuzehendel uit stand P of D halen voordat u
de auto kunt verslepen.
Til de rubber mat uit het vak voor de keuzehendel. Zoek in de bodem van het vak de
opening met een terugverende knop op.
Steek een smalle schroevendraaier in deze
opening en houd de knop ingedrukt.
Zet de keuzehendel in stand N en laat de
knop los.
4.
Leg de rubberen mat terug.
Schakelen met stuurpaddles*
De stuurpaddles vormen een aanvulling op de
keuzehendel en bieden u de mogelijkheid om
handmatig te schakelen zonder uw handen van
het stuurwiel te hoeven nemen.
Stuurpaddles activeren
Om met de stuurpaddles te kunnen schakelen
moet u ze wel eerst activeren:
–
Haal een van de paddles in de richting van
het stuurwiel.
> Een cijfer op het bestuurdersdisplay geeft
de ingeschakelde versnelling aan.
Gerelateerde informatie
•
Schakelstanden van automatische versnellingsbak (p. 375)
•
Contactslotstanden (p. 370)
Bestuurdersdisplay bij het schakelen met de stuurpaddles.
378
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Handmatige schakelstand
In de schakelstand M zijn de stuurpaddles automatisch geactiveerd.
Automatische uitschakeling
Als u de stuurpaddles niet gebruikt, worden deze
na enige tijd automatisch uitgeschakeld. Het feit
dat het cijfer voor de ingeschakelde versnelling
verdwijnt bevestigt dit.
Dit geldt echter niet bij het afremmen op de
motor. De paddles blijven actief zolang er op de
motor wordt afgeremd.
Gerelateerde informatie
"-": Eerstvolgende lagere versnelling inschakelen.
Bestuurdersdisplay bij schakelen met stuurpaddles in de
stand voor handmatig schakelen.
Schakelen
U kunt als volgt schakelen:
–
Haal een van de paddles naar achteren - in
de richting van het stuurwiel - en laat deze
weer los.
•
Schakelstanden van automatische versnellingsbak (p. 375)
•
Schakelindicator (p. 377)
"+": Eerstvolgende hogere versnelling
inschakelen.
Bij iedere bediening van de paddles wordt er
geschakeld, tenzij het motortoerental buiten het
toelaatbare bereik komt.
Na iedere schakeling geeft het bestuurdersdisplay het cijfer van de ingeschakelde versnelling
weer.
Systeem uitschakelen
Handmatig uitschakelen
– Schakel de stuurpaddles uit door beide
paddles in de richting van het stuurwiel te
halen en in die stand vast te houden, totdat
het cijfer voor de ingeschakelde versnelling
van het bestuurdersdisplay verdwijnt.
379
STARTEN EN RIJDEN
Start/Stop
Start/Stop-systeem gebruiken
Start/Stop zet de motor af, als de auto stilstaat,
bijvoorbeeld bij verkeerslichten of in een file, om
deze weer automatisch te starten wanneer u verder rijdt.
Het Start/Stop-systeem zet de motor tijdelijk af
als de auto stilstaat en start hem vervolgens
weer, wanneer u de rit voortzet.
Start/Stop is een van energiebesparende functies die als doel hebben het brandstofverbruik te
verlagen. En dat draagt weer bij aan lagere uitlaatgasemissies.
Het systeem maakt een milieubewuste rijstijl
mogelijk door de motor automatisch te laten
stoppen als dat zo uitkomt.
Gerelateerde informatie
•
•
Start/Stop-systeem gebruiken (p. 380)
Voorwaarden voor Start/Stop-systeem
(p. 382)
Het Start/Stop-systeem is beschikbaar, wanneer de motor wordt gestart en is te activeren als
aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Het
bestuurdersdisplay geeft aan of de functie
beschikbaar, actief of niet beschikbaar is, zie de
onderstaande rubriek "Symbolen op het bestuurdersdisplay".
Alle standaardsystemen van de auto zoals verlichting, radio en dergelijke werken ook na een
autostop normaal. Voor sommige systemen kunnen tijdelijk bepaalde beperkingen gelden zoals
voor de ventilatorsnelheid van de klimaatregeling
of voor de volumeregeling van het audiosysteem.
Zie ook artikel "Voorwaarden voor Start/Stopsysteem".
Autostart
Voor autostart geldt het volgende:
•
Laat het rempedaal los. De motor start automatisch en u kunt doorrijden. Op een oplopende helling grijpt de hellingrem (HSA) in
om te voorkomen dat de auto achteruitrolt.
•
Wanneer de Auto hold geactiveerd is, wordt
de autostart uitgesteld tot het moment van
indrukken van het gaspedaal.
•
Als de functie Adaptieve cruise of Pilot
Assist geactiveerd is, start de motor automatisch als het gaspedaal wordt ingetrapt of
-knop wordt gedrukt op de
als er op de
linker knoppenset van het stuur.
•
Houd met uw voet het rempedaal in dezelfde
stand en bedien het gaspedaal. De motor
start automatisch.
•
Op een aflopende helling: Laat het rempedaal iets opkomen, zodat de auto begint te
rollen. De motor start automatisch na een
kleine snelheidsverhoging.
Autostop
Voor autostop geldt het volgende:
•
Zet de auto stil met het rempedaal en houd
uw voet op het rempedaal. De motor slaat
automatisch af.
In rijmodus Comfort3 of Eco kan de motor automatisch stoppen voordat de auto helemaal stilstaat.
Als de functie Adaptieve cruise of Pilot Assist
geactiveerd is, stopt de motor na circa drie
seconden automatisch.
3
380
Normale startstand.
STARTEN EN RIJDEN
Symbolen op bestuurdersdisplay
Symbool
Met 12 inch bestuurdersdisplay
• De melding READY verschijnt op de toerenteller, wanneer het systeem beschikbaar is.
•
Wit symbool: Het systeem is
beschikbaar.
Een wijzer van de toerenteller staat op
READY, wanneer het systeem actief is en de
motor automatisch is afgezet.
•
De melding READY staat grijs gearceerd,
wanneer het systeem niet beschikbaar is.
•
Er verschijnt geen displaytekst, wanneer het
systeem uitstaat.
Betekenis
Beige symbool: Het systeem is
actief en de motor is automatisch
afgezet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Start/Stop (p. 380)
Voorwaarden voor Start/Stop-systeem
(p. 382)
Hellingrem (p. 396)
Automatische rem bij stilstand (p. 396)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 286)
Pilot Assist* activeren en starten (p. 301)
Het systeem is niet beschikbaar,
omdat niet is voldaan aan de voorwaarden.
Er verschijnt geen symbool, wanneer het systeem uitstaat.
Systeem uitschakelen
Soms is het raadzaam om het systeem tijdelijk uit
te schakelen.
Schakel het systeem uit met de
functieknop Start/Stop op het
functiescherm van het middendisplay. Bij uitschakeling van
het systeem dooft de indicatie
in de knop.
Het systeem is actief en de motor is automatisch afgezet.
Met 8 inch bestuurdersdisplay
Het symbool verschijnt onder aan de snelheidsmeter.
Het systeem staat uit totdat:
•
•
•
het opnieuw wordt geactiveerd
u de rijmodus wijzigt in Comfort of Eco
de auto een volgende keer wordt gestart.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 381
STARTEN EN RIJDEN
Voorwaarden voor Start/Stopsysteem
Het Start/Stop-systeem werkt alleen, wanneer
aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
Als niet aan al deze voorwaarden is voldaan,
wordt dit aangegeven op het bestuurdersdisplay.
Zie het artikel "Start/Stop-functie gebruiken".
Autostop werkt niet
In de volgende gevallen werkt de autostart niet:
382
•
de auto heeft na het starten geen snelheid
van zo'n 10 km/h (6 mph) bereikt.
•
na een aantal opeenvolgende autostops
moet de snelheid weer boven zo'n 10 km/h
(6 mph) komen vóór de volgende autostop.
•
•
•
•
u maakt grote stuurbewegingen.
de weg is erg steil.
u ontgrendelt de motorkap.
de versnellingsbak heeft de normale bedrijfstemperatuur niet bereikt.
•
bij ritten op grote hoogte waarbij de motor
niet op de bedrijfstemperatuur heeft bereikt.
•
•
•
de keuzehendel staat in de stand ±.
•
het ABS is geactiveerd.
bij een krachtige remmanoeuvre (ook zonder
dat het ABS actief is).
de beveiliging tegen oververhitting van de
startmotor is in werking getreden door frequente starts in korte tijd.
•
de capaciteit van de startaccu is onder de
toelaatbare ondergrens gedoken.
Geldt voor een auto met dieselmotor: het
roetfilter van de uitlaatgasreiniging is verzadigd.
•
•
de motor heeft de normale bedrijfstemperatuur niet bereikt.
er is een aanhanger aangesloten op het
elektrische systeem van de auto.
Autostart werkt niet
•
de buitentemperatuur ligt onder zo'n -5 °C of
boven zo'n 30 °C.
In de volgende gevallen werkt de autostart niet
nadat de motor automatisch werd afgezet:
•
de elektrische voorruitwarming wordt geactiveerd.
•
•
de omstandigheden in de passagiersruimte
wijken af van de ingestelde waarden.
•
•
u rijdt achteruit met de auto.
•
de bestuurder heeft zijn/haar veiligheidsgordel losgenomen.
•
de temperatuur van de startaccu ligt onder of
boven de toelaatbare grenswaarden.
De bestuurder draagt geen gordel, de keuzehendel staat in stand P en het bestuurdersportier is open - de motor moet op de normale manier worden gestart.
Autostart zonder dat u het rempedaal
loslaat
In de volgende gevallen vindt autostart plaats,
ook al hebt u het rempedaal niet losgelaten:
•
de ruiten beslaan door de hoge luchtvochtigheidsgraad in het interieur.
•
de omstandigheden in de passagiersruimte
wijken af van de ingestelde waarden.
•
er wordt tijdelijk veel stroom afgenomen of
de capaciteit van de startaccu is onder de
toelaatbare ondergrens gezakt.
•
u bedient het rempedaal met pompende
bewegingen.
•
•
u ontgrendelt de motorkap.
de auto begint te rollen of gaat iets sneller
rijden als de auto automatisch is afgezet zonder helemaal stil te staan.
•
u hebt de veiligheidsgordel afgedaan met de
keuzehendel in stand D of N.
•
•
u zet de keuzehendel van D in stand R of ±.
u opent het bestuurdersportier met de keuzehendel in stand D - een "belsignaal" en
een tekstbericht geven aan dat het contact
ingeschakeld is.
WAARSCHUWING
Open de motorkap niet na een automatische
motorstop. Zet de motor op de normale wijze
af alvorens de motorkap te openen.
STARTEN EN RIJDEN
Gerelateerde informatie
•
•
•
Start/Stop (p. 380)
Start/Stop-systeem gebruiken (p. 380)
Hulpaccu (p. 524)
Rijmodi*
Rijmodus kiezen
De gekozen rijmodus past de rijeigenschappen
van de auto aan om de rijbeleving te verbeteren
en ondersteuning te bieden in bepaalde omstandigheden.
Dankzij de rijmodi kunt u in uiteenlopende rijomstandigheden snel gebruik maken van de verschillende autosystemen en instellingen. De volgende systemen worden aangepast voor optimale rijeigenschappen in de verschillende rijmodi:
•
•
•
•
•
•
•
Stuurinrichting
Motor/versnellingsbak/vierwielaandrijving
Remmen
1.
Druk op de rijmodusknop DRIVE MODE.
> Er verschijnt een pop-upmenu op het middendisplay.
2.
Rol het wiel omhoog of omlaag totdat de
gewenste rijmodus gemarkeerd is.
3.
Druk op de rijmodusknop of rechtstreeks op
het touchscreen om uw keuze te bevestigen.
> Op het bestuurdersdisplay verschijnt de
gekozen rijmodus.
Luchtvering en schokdemping
Bestuurdersdisplay
Start/Stop-systeem
Klimaatinstellingen
Kies de rijmodus die zich het beste leent voor de
actuele rijomstandigheden. Let erop dat u de rijmodi mogelijk niet in alle situaties kunt kiezen.
Wanneer een rijmodus niet te selecteren is, verschijnt daarover een melding, bijvoorbeeld:
•
•
•
•
•
Niet kiesb. door handgesch.
Niet kiesb. door lage accu
Niet kiesb. door lage temp.
Niet kiesb. door beperkingen
Niet kiesb. door hoge snelh..
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 383
STARTEN EN RIJDEN
||
Mogelijke rijmodi
COMFORT
Dit is de normale modus van de auto.
Bij het starten van de auto staat deze in de
modus Comfort en is het Start/Stop-systeem
geactiveerd. De aanpassingen in deze stand zorgen ervoor dat de auto comfortabel aandoet, licht
stuurt, soepel veert en dat de carrosserie minimaal beweegt.
Deze rijmodus is de stand voor de certificering
van de uitstoot van kooldioxide.
ECO
In de rijmodus Eco wordt de auto afgestemd op
zuiniger en milieuvriendelijker rijden.
Deze rijmodus houdt onder meer in dat het
Start/Stop actief is, de bodemspeling geringer
is voor een lagere luchtweerstand en dat het
effect van bepaalde klimaatinstellingen wordt
gereduceerd.
Het bestuurdersdisplay heeft een Eco-meter
waarmee u gemakkelijker zuinig kunt rijden.
Meer informatie over deze rijmodus vindt u in de
paragraaf "Rijmodus ECO".
OFF ROAD
Deze stand levert betere rijeigenschappen van de
auto op in moeilijk begaanbaar terrein en op
slechte wegen.
De rijmodus levert een grote bodemspeling op,
de auto stuurt licht en de vierwielaandrijving als-
384
ook de lagesnelheidsregeling met afdalingsremregeling (Hill Descent Control) zijn actief. Het
Start/Stop staat uit.
DYNAMIC
De modus Dynamic levert een auto met een
sportiever karakter op voor een actievere rijstijl.
Deze rijmodus kan alleen bij lage snelheden worden geactiveerd en de snelheidsmeter laat de
zone voor de snelheidsbeperking zien. Als deze
snelheid wordt overschreden, wordt de modus
Off Road onderbroken en wordt er een andere
rijmodus geactiveerd.
De auto reageert sneller op stuurwielbewegingen, de vering is stugger dan normaal en de
geringe bodemspeling zorgt ervoor dat de carrosserie het wegdek beter volgt om in bochten de
mate van overhellen te beperken. Het Start/
Stop-systeem is uitgeschakeld.
Het bestuurdersdisplay is gecompleteerd met
kompas en hoogtemeter.
N.B.
De rijstand is niet geschikt voor gebruik op de
openbare weg.
N.B.
Als u de auto uitschakelt in de modus OFF
ROAD zodat de auto een grote bodemspeling
heeft, zakt het chassis de volgende keer dat u
de auto start omlaag.
BELANGRIJK
Rijstand OFF ROAD mag niet worden
gebruikt bij rijden met aanhanger zonder aanhangercontact. Anders bestaat het risico dat
de luchtbalgen beschadigd raken.
STARTEN EN RIJDEN
3.
INDIVIDUAL
Deze stand biedt de mogelijkheid om uw eigen
rijinstellingen op te slaan.
Kies een van de rijmodi als uitgangspunt:
Eco, Comfort of Dynamisch.
Instellingen die kunnen worden aangepast,
zijn instellingen voor
Kies een van de rijmodi als uitgangspunt en pas
de instellingen voor de rijeigenschappen geheel
naar wens aan.
•
•
•
•
•
De persoonlijke rijmodus is alleen beschikbaar,
wanneer u deze eerst geactiveerd hebt op het
middendisplay.
Bestuurdersscherm
Stuurkracht
Kenmerken aandrijflijn
Remkenmerken
Besturing ophanging.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 270)
Niveauregeling* (p. 388)
Start/Stop (p. 380)
Rijmodus ECO (p. 386)
Vierwielaandrijving* (p. 389)
Afdalingsremregeling* (p. 398)
Instellingenscherm4 voor Individuele rijmodus.
4
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car Individuele rijmodus en
markeer Individuele rijstand.
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van de softwareversie en het model afwijkingen mogelijk zijn.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 385
STARTEN EN RIJDEN
Rijmodus ECO
Rijmodus ECO optimaliseert de rijeigenschappen van de auto om zuiniger en milieuvriendelijker te kunnen rijden.
Gebruik deze rijmodus om brandstof te besparen
en het milieu te ontzien.
De volgende eigenschappen worden aangepast
bij ritten in de rijmodus Eco:
•
•
•
386
N.B.
Met de rijmodusknop*
Bij activering van de ECO-functie worden
enkele parameters in de instellingen van de
klimaatregeling gewijzigd en gelden functiebeperkingen voor bepaalde elektrische verbruikers. Bepaalde instellingen zijn handmatig
te herstellen, maar de volledige functionaliteit
is alleen te verkrijgen door de ECO-functie uit
te schakelen.
Schakelpunten van de versnellingsbak.
Motorregeling en respons van het gaspedaal.
Rijmodus ECO kiezen
Het uitrolsysteem Eco Coast wordt geactiveerd en het afremmen op de motorrem
stopt, wanneer u het gaspedaal loslaat bij
snelheden tussen 65 en 140 km/h
(40 en 87 mph).
Bij afzetten van de motor wordt de rijmodus Eco
uitgeschakeld, zodat u de rijmodus iedere keer
dat u de motor start opnieuw moet activeren. Op
het bestuurdersdisplay verschijnt ECO, wanneer
de rijmodus geactiveerd is.
1.
Druk op de rijmodusknop DRIVE MODE.
> Er verschijnt een pop-upmenu op het middendisplay.
•
Bepaalde klimaatinstellingen werken met
gereduceerd effect of worden uitgeschakeld.
2.
Rol het wiel omhoog of omlaag totdat de
gewenste rijmodus gemarkeerd is.
•
De niveauregeling* zorgt voor een geringe
bodemspeling om de luchtweerstand te verlagen.
3.
Druk op de rijmodusknop of rechtstreeks op
het touchscreen om uw keuze te bevestigen.
•
Het bestuurdersdisplay geeft informatie weer
in een Eco-meter, wat het milieubewustzijn
vergroot en zuinig rijden bevordert.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Op het functiescherm van het middendisplay
Bij auto's zonder rijmodusknop
bevat het functiescherm op het
middendisplay een functieknop
voor Rijmodus ECO.
•
Druk voor activering van de functie herhaalde
malen op de knop. Een brandend lampje in
de knop geeft aan dat de functie geactiveerd
is.
Uitrolsysteem Eco Coast
Het uitrolsysteem Eco Coast houdt in de praktijk
in dat er niet meer op de motor wordt afgeremd
om de bewegingsenergie van de auto te benutten om de auto te laten uitrollen. Wanneer u het
gaspedaal loslaat wordt de versnellingsbak automatisch losgekoppeld van de motor, die voor een
lager verbruik stationair gaat draaien.
De functie is het beste bruikbaar op plaatsen
waar u ver kunt uitrollen, bijvoorbeeld op wegen
die licht aflopen of bij een voorziene snelheidsverlaging, waar u een gebied met een lagere
maximumsnelheid kunt binnenrollen.
Uitrolsysteem activeren
Het systeem wordt geactiveerd wanneer u het
gaspedaal helemaal hebt losgelaten in combinatie met het volgende:
• Rijmodus ECO is geactiveerd.
• de keuzehendel staat in de stand D.
•
•
de rijsnelheid ligt in het interval van
zo'n 65-140 km/h (40-87 mph).
het hellingspercentage van een aflopende
weg is niet groter dan zo'n 6 %.
Op het bestuurdersdisplay verschijnt COASTING
als het uitrolsysteem gebruikt wordt.
Beperkingen
Het uitrolsysteem is niet beschikbaar in de volgende gevallen:
•
de motor en/of versnellingsbak hebben niet
de normale bedrijfstemperatuur.
•
•
de cruisecontrol wordt geactiveerd;
u zet de keuzehendel vanuit stand D- in
handmatige stand.
•
de snelheid ligt buiten het interval van
zo'n 65-140 km/h (40-87 mph).
•
het hellingspercentage van een aflopende
weg is niet groter dan zo'n 6 %.
•
u schakelt handmatig met behulp van de
stuurpaddles*.
Vrijloopsysteem deactiveren en uitschakelen
Soms is het raadzaam om het systeem tijdelijk te
deactiveren of uit te schakelen om op de motor
te kunnen afremmen. Mogelijke voorbeelden van
dergelijke situaties zijn steil aflopende hellingen
of net voordat u inhaalt, zodat u dat zo veilig
mogelijk kunt doen.
•
•
•
Bedien het gas- of rempedaal.
Zet de keuzehendel in de handmatige schakelstand.
Schakel met de stuurpaddles*.
Schakel het uitrolsysteem als volgt uit:
•
Wissel van rijmodus* of schakel de
Rijmodus ECO uit in het functiescherm.
Ook zonder het uitrolsysteem is het mogelijk om
kortere stukken uit te rollen. En dat draagt bij aan
een lager verbruik. Voor optimale zuinigheid is
het echter voordeliger om het uitrolsysteem te
activeren en zo langere stukken te kunnen uitrollen.
ECO-meter op bestuurdersdisplay
De Eco-meter geeft aan hoe zuinig u rijdt:
•
Bij zuinig rijden laat de meter een lage
waarde zien met de wijzer in het groene
gebied.
•
Bij onzuinig rijden, zoals bij krachtig remmen
of stevig gas geven, laat de meter een hoge
uitslag zien.
De Eco-meter heeft ook een indicator die aangeeft hoe de "ideale" bestuurder in dezelfde rijomstandigheden met de auto zou rijden. Dat
wordt aangeduid met een "diamantje" op de
meter.
Deactiveer het uitrolsysteem als volgt:
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 387
STARTEN EN RIJDEN
||
Niveauregeling*
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
De niveauregeling van de auto stemt de vering
en schokdemping van de auto automatisch af op
optimaal comfort en functioneren tijdens het rijden. Er is ook handmatige niveauregeling mogelijk om bijvoorbeeld gemakkelijker bagage te
kunnen in- en uitladen of het in- en uitstappen te
vereenvoudigen.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Regeling eenvoudig in-/uitstappen.
> Wanneer de auto geparkeerd staat met
de motor afgezet, zakt de auto omlaag (de
niveauregeling stopt bij het openen van
een portier). Wanneer de auto wordt
gestart en in beweging komt, komt de
auto omhoog tot de hoogte voor de gekozen rijmodus.
Luchtvering en schokdemping
ECO-meter op 12 inch bestuurdersdisplay.
De systemen zijn afgestemd op de gekozen rijmodus en de actuele rijrijsnelheid. Via de luchtvering wordt bij hogere snelheden de bodemspeling
van de auto verlaagd om op die manier de luchtweerstand te verlagen en meer stabiliteit te verkrijgen. De schokdemping staat normaal ingesteld op optimaal comfort en wordt continu bijgeregeld op basis van de ondergrond, de mate van
versnelling/vertraging en de vraag of de auto op
rechte stukken of in bochten rijdt.
Vering en niveauregeling uitschakelen
In bepaalde gevallen moet u het systeem uitschakelen, zoals wanneer u de auto opneemt op
een krik. Het niveauverschil dat ontstaat bij
opname op een krik kan anders problemen met
de luchtvering veroorzaken.
Wanneer er niveauregeling plaatsvindt, geeft het
bestuurdersdisplay dat aan.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Reg. ophanging+vering uitsch..
Het niveau is niet bij te regelen, wanneer een van
de portieren of de motorkap openstaat.
ECO-meter op 8 inch bestuurdersdisplay.
Instellingen voor niveauregeling
Gerelateerde informatie
In- en uitstapfunctie
De auto is neer te laten om gemakkelijker te kunnen in- en uitstappen.
•
•
•
388
Zuinig rijden (p. 408)
Start/Stop (p. 380)
Rijmodi* (p. 383)
Ophanging .
Schakel het systeem uit via het middendisplay:
Ophanging .
Activeer de in- en uitstapfunctie via het middendisplay:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Laadstand
Bij het transporteren
Vierwielaandrijving*
Bij het transport van de auto op een veerboot,
autotrein of autotransporter mag u de spanbanden alleen rond de banden vastzetten en niet om
andere chassisonderdelen halen. Eventuele wijzigingen in de luchtvering tijdens het transport
kunnen de verankering negatief beïnvloeden.
Bij vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive),
worden alle vier de wielen van de auto tegelijk
aangedreven, wat de wegligging verbetert.
Gerelateerde informatie
•
•
Gebruik de knoppen in de bagageruimte om de
hoogte van de achterkant van de auto in te stellen en in- en uitladen of het aan-/loskoppelen
van een aanhanger te vereenvoudigen. Zie paragraaf "Bagage vervoeren".
Rijmodi* (p. 383)
Bagage vervoeren (p. 222)
Om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin
te voorkomen wordt de aandrijfkracht automatisch verdeeld over de wielen met de beste grip.
De vierwielaandrijving werkt ook stabiliserend bij
hogere snelheden. Bij normaal rijden worden de
voorwielen naar verhouding iets sterker aangedreven dan de achterwielen.
De eigenschappen van de vierwielaandrijving wisselen, al naar gelang de gekozen rijstand*.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijmodi* (p. 383)
Lagesnelheidsregeling* (p. 397)
Bij het parkeren
Zorg er bij het parkeren voor dat er boven en
onder de auto voldoende ruimte is, omdat de
bodemspeling bijvoorbeeld kan variëren afhankelijk van de temperatuur, de wijze van belading,
gebruik van de laadstand of de gekozen rijmodus
na het starten.
Het niveau moet wellicht ook na enige tijd parkeren worden bijgesteld. Dit moet eventuele veranderingen in hoogte compenseren die zich op
grond van temperatuurveranderingen in de luchtveren kunnen voordoen, wanneer de auto afkoelt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 389
STARTEN EN RIJDEN
Remsystemen
Rempedaal
Antiblokkeerremsysteem
De remmen van de auto worden gebruikt om
snelheid te minderen of om te voorkomen dat
een geparkeerde auto wegrolt.
Het rempedaal wordt gebruikt om de rijsnelheid
tijdens het rijden te verlagen.
Naast de bedrijfsrem en de parkeerrem heeft de
auto meerdere andere vormen van automatische
remondersteuningssystemen. Deze systemen
bieden ondersteuning doordat u bijvoorbeeld tijdens het wachten voor een verkeerslicht, het
wegrijden op een oplopende helling of ritten op
aflopende hellingen uw voet niet op het rempedaal hoeft te houden.
De auto is uitgerust met twee remcircuits. Als
een van de remcircuits beschadigd raakt, neemt
de rempedaalweg toe. U moet dan harder op het
pedaal trappen voor een normale remwerking.
De auto heeft een antiblokkeerremsysteem, Antilock Braking System (ABS), dat voorkomt dat de
wielen blokkeren tijdens het remmen zodat de
auto bestuurbaar blijft. Bij activering van deze
functie kunt u trillingen in het rempedaal voelen.
Dit is volkomen normaal.
Afhankelijk van de uitrusting van de auto beschikt
u mogelijk over de volgende remondersteuningssystemen:
•
•
•
•
Automatische rem bij stilstand
Hellingrem (Hill Start Assist)
Automatisch remmen na een aanrijding
Afdalingsremregeling (Hill Descent Control)*
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
390
Rempedaal (p. 390)
Parkeerrem (p. 393)
Afdalingsremregeling* (p. 398)
Hellingrem (p. 396)
Automatische rem bij stilstand (p. 396)
Automatisch remmen na een aanrijding
(p. 392)
Bedrijfsrem
De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt
versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
Als u het rempedaal bedient met de motor afgezet, doet het pedaal stug aan en moet u harder
op het pedaal trappen om de auto af te remmen.
In bergachtig gebied of bij ritten met een zware
belading kunt u de remmen ontzien door op de
motor af te remmen in de stand voor handmatig
schakelen. U benut de remmende werking van de
motor het best, wanneer u tijdens het afdalen
dezelfde versnelling inschakelt als bij het oprijden
van een helling. Gebruik de rijmodus Off Road*
voor een verhoogde motorrem, wanneer u op
lage snelheden steile, aflopende hellingen afrijdt.
Wanneer u nadat de motor is aangeslagen het
rempedaal loslaat, gaat een kortdurende, automatische test van het ABS van start. Het is
mogelijk dat er op een lage snelheid nóg een
automatische test plaatsvindt. Ook deze test is
mogelijk waarneembaar in de vorm van trillingen
in het rempedaal.
Remmen op natte wegen
Bij langduriger rijden in hevige regen zonder te
remmen, kan het remeffect bij de eerste keer
remmen iets vertraagd zijn. Dat kan ook het geval
zijn als u uw auto hebt gewassen. U moet dan
harder op de rem trappen. Houd daarom meer
afstand tot voorliggers.
Trap stevig op de rem na rijden op natte wegen
of na wassen van de auto. De remschijven worden dan warm, drogen sneller en worden
beschermd tegen corrosie. Houd bij remmen
rekening met de situatie op de weg.
Remmen op gezouten wegen
Bij remmen op gezouten wegen kan er een zoutlaagje ontstaan op remschijven en remblokken.
Dat kan tot een langere remweg leiden. Houd
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
daarom extra veel afstand tot voorliggers. Andere
voorzorgsmaatregelen:
•
Rem af en toe om een eventueel zoutlaagje
te verwijderen. Let erop dat medeweggebruikers geen gevaar lopen doordat u remt.
•
Trap het rempedaal voorzichtig in als u op uw
plaats van bestemming bent aangekomen en
voordat u opnieuw de weg op gaat.
Onderhoud
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te
houden, dient u de service-intervallen van Volvo
aan te houden zoals omschreven in het Serviceen garantieboekje.
De remwerking van nieuwe en vervangen remblokken en remschijven is pas optimaal als ze na
een paar honderd kilometer rijden zijn "ingesleten". Compenseer de verminderde remwerking
door harder op het rempedaal te trappen. Volvo
raadt aan uitsluitend remblokken te monteren die
voor uw Volvo zijn goedgekeurd.
BELANGRIJK
Symbolen op bestuurdersdisplay
Symbool
WAARSCHUWING
Betekenis
Als het waarschuwingslampje voor storingen
in het remsysteem en het ABS tegelijkertijd
branden, is er mogelijk een fout opgetreden in
het remsysteem.
Controleer het remvloeistofpeil. Vul
remvloeistof bij als het peil te laag
ligt en controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
•
Als het remvloeistofpeil in dat geval normaal is, moet u voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
•
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau
in het remvloeistofreservoir ligt, mag u
pas verder rijden als de remvloeistof is
bijgevuld. De oorzaak van het remvloeistofverlies moet worden gecontroleerd.
Brand tijdens het starten van de
motor 2 seconden continu: Automatische functietest.
Brandt langer dan 2 seconden
continu. ABS vertoont een storing.
Het standaardremsysteem van de
auto werkt dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Remsystemen (p. 390)
Remversterker (p. 392)
Remlichten (p. 145)
Noodremlichten (p. 392)
De onderdelen van het remsystemen moeten
regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
391
STARTEN EN RIJDEN
Noodremlichten
Remversterker
De noodremlichten worden geactiveerd om achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt.
Daarbij knipperen de remlichten in plaats van dat
ze continu branden, zoals bij normaal remmen.
Het systeem van een remversterker, BAS (Brake
Assist System), helpt om bij afremmen de remkracht te verhogen en het verkort daarmee de
remweg.
De noodremlichten worden geactiveerd bij krachtig remmen of als het ABS-systeem wordt geactiveerd bij hoge snelheden. Na afremmen tot een
geringe snelheid gaat het remlicht van knipperen
weer op de normale wijze permanent branden.
Tegelijkertijd worden de alarmlichten van de auto
geactiveerd. Deze blijven knipperen totdat de
bestuurder weer versnelt naar een hogere snelheid of tot hij de alarmlichten uitzet.
Het systeem registreert de wijze waarop u het
rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de remkracht. De remkracht kan worden versterkt tot het
niveau waarop het ABS-systeem ingrijpt. De
regeling wordt uitgeschakeld, wanneer u de druk
op het rempedaal vermindert.
N.B.
Bij activering van BAS zakt het rempedaal iets
verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang als nodig is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rempedaal (p. 390)
Alarmlichten (p. 145)
Bij het loslaten van het rempedaal wordt er
niet meer geremd.
Remlichten (p. 145)
Gerelateerde informatie
•
Rempedaal (p. 390)
Automatisch remmen na een
aanrijding
Bij een aanrijding waarbij het activeringsniveau
voor pyrotechnische gordelspanners of airbags
wordt bereikt, of als er een aanrijding met groot
wild wordt gedetecteerd, worden de remmen
van de auto automatisch geactiveerd. De functie
moet de effecten van een eventueel daarop volgende aanrijding voorkomen of verzachten.
Bij een zware aanrijding bestaat het risico dat de
auto onbestuurbaar raakt. Om te voorkomen dat
de auto dan tegen een tweede obstakel of voertuig opbotst of de gevolgen te beperken wordt
automatisch de remondersteuning geactiveerd
om de auto veilig te remmen.
Tijdens het remmen worden de remlichten en
alarmlichten ingeschakeld. Wanneer de auto tot
stilstand is gekomen, blijven de alarmlichten knipperen en de parkeerrem wordt aangezet.
Als afremmen niet geadviseerd wordt, omdat bijvoorbeeld het risico bestaat dat de auto door
achterliggers geraakt wordt, kunt u het systeem
onderdrukken door het gaspedaal te bedienen.
Het systeem werkt alleen, als het remsysteem na
de botsing nog intact is.
Gerelateerde informatie
•
•
392
Remsystemen (p. 390)
Gordelspanners (p. 59)
STARTEN EN RIJDEN
•
•
Airbags (p. 64)
Parkeerrem
Rear Collision Warning (p. 334)
De parkeerrem voorkomt met behulp van mechanische blokkering/vergrendeling van twee wielen
dat een stilstaande auto kan wegrollen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Remsystemen (p. 390)
Parkeerrem gebruiken (p. 394)
Bij een mankement aan de parkeerrem
(p. 395)
De bediening voor de parkeerrem zit op de tunnelconsole tussen de voorstoelen.
Bij activering van de elektrische bediende parkeerrem hoort u een zwak elektromotorgeluid.
Het geluid is tevens waarneembaar bij een automatische functiecontrole van de parkeerrem.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen.
Als u de parkeerrem tijdens het rijden aanzet,
wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd. Daarbij
werkt de rem op alle vier de wielen. Wanneer de
auto bijna stilstaat, worden alleen de achterwielen geremd.
393
STARTEN EN RIJDEN
Parkeerrem gebruiken
Gebruik de parkeerrem om te voorkomen dat
een stilstaande auto kan wegrollen.
Symbool op bestuurdersdisplay
Symbool
Parkeerrem lossen
Betekenis
Het symbool brandt wanneer de
parkeerrem is aangezet.
Parkeerrem aanzetten
Als het symbool knippert, betekent
dit dat er ergens een storing is
opgetreden. Lees de melding op
het bestuurdersdisplay.
Automatisch aanzetten
De parkeerrem wordt automatisch aangezet:
•
1.
2.
Trek de knop omhoog.
> Het symbool op het bestuurdersdisplay
gaat branden wanneer de parkeerrem is
aangezet.
Controleer of de auto daadwerkelijk stilstaat.
als de Auto Hold (automatische rem bij stilstaan) is geactiveerd en de auto ca. 5 minuten stilstaat.
•
wanneer u schakelstand P kiest op een steile
helling.
•
wanneer de motor wordt afgezet (deze functie is desgewenst te activeren, zie de rubriek
"Instellingen voor parkeerrem" verderop).
Noodrem
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens
het rijden aanzetten door de knop uit te trekken
en vast te houden. Bij het loslaten van de handgreep wordt de rem uitgeschakeld.
N.B.
Bij activeren van de noodrem bij hogere snelheden klinkt er tijdens het remmen een signaal.
394
Handmatig lossen
1. Trap het rempedaal stevig in.
2.
Druk de knop in.
> De parkeerrem wordt gelost en het symbool op het bestuurdersdisplay dooft.
Automatisch lossen
1. Doe de veiligheidsgordel om.
2.
Start de motor.
3.
Kies de schakelstand D of R en geef gas.
> De parkeerrem wordt gelost en het symbool op het bestuurdersdisplay dooft.
STARTEN EN RIJDEN
Op een helling parkeren
2.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling of de P-stand van een automatische versnellingsbak is niet voldoende
om de auto in alle situaties vast te houden.
Bij het parkeren van de auto op een oplopende
helling:
•
Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende
helling:
•
Draai de wielen naar de trottoirband toe.
Zware belading op oplopende hellingen
Bij een zware belading zoals een aanhanger is
het mogelijk dat de auto op een steile, oplopende
helling achteruitrolt, wanneer de parkeerrem
automatisch wordt gelost. U kunt dit voorkomen
door tijdens het wegrijden de knop omhoog te
trekken. Laat de handgreep weer los zodra de
koppeling aangrijpt.
Druk op My Car Elektrische parkeerrem
en markeer de functie Parkeerrem
automatisch activeren of juist niet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerrem (p. 393)
Bij een mankement aan de
parkeerrem
Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats als het na meerdere pogingen niet lukt om
de parkeerrem aan te zetten of te lossen.
Bij een mankement aan de parkeerrem
(p. 395)
Er klinkt een waarschuwingssignaal als u rijdt
met de parkeerrem aangetrokken.
Automatische rem bij stilstand (p. 396)
Als u de auto moet parkeren voordat een eventuele storing kan worden verholpen, dient u de wielen net als bij het parkeren op een helling van de
trottoirband/berm af te draaien en de keuzehendel in stand P te zetten.
Lage accuspanning
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is.
Remblokken vervangen
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een werkplaats met het oog op de constructie van de elektrische parkeerrem - een
erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Instellingen voor parkeerrem
U kunt de functie van automatisch aanzetten uitschakelen/weer activeren via het middendisplay:
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
}}
395
STARTEN EN RIJDEN
||
Symbolen op bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Als het symbool knippert, betekent
dit dat er ergens een storing is
opgetreden. Zie de melding op het
bestuurdersdisplay.
Dankzij de automatische rem bij stilstand (Auto
Hold) kunt u bij stilstand voor verkeerslichten of
een kruising het rempedaal loslaten zonder dat
dit gevolgen heeft voor de remwerking.
Storing in remsysteem. Zie de melding op het bestuurdersdisplay.
Informatiemelding op het bestuurdersdisplay.
De tijdelijke remwerking wordt na enige seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van
het gaspedaal.
• Parkeerrem Service vereist
• Parkeerrem Systeem oververhit
• Parkeerrem Tijdelijk niet beschikbaar
Gerelateerde informatie
396
Automatische rem bij stilstand
Het systeem zorgt ervoor dat de pedaaldruk
enkele seconden lang op peil blijft, wanneer u uw
voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst.
Voorbeelden van meldingen:
•
•
•
•
Hellingrem
De hellingrem, Hill Start Assist (HSA), voorkomt
dat de auto achteruitrolt bij het starten op een
oplopende helling. Tijdens het achteruitrijden op
een oplopende helling voorkomt het systeem dat
de auto vooruitrolt.
Remsystemen (p. 390)
Parkeerrem gebruiken (p. 394)
Parkeerrem (p. 393)
Starthulp met andere accu (p. 373)
De hellingrem is ook beschikbaar als de automatische rem bij stilstand (Auto hold) uitstaat.
Gerelateerde informatie
•
•
Remsystemen (p. 390)
Automatische rem bij stilstand (p. 396)
Zodra de auto stilstaat, worden de remmen automatisch geactiveerd. Het systeem kan de auto
staande houden met de bedrijfsrem of de parkeerrem en werkt ongeacht hellingspercentage.
Wanneer u het gaspedaal weer bedient, worden
de remmen gelost.
Bij afremmen tot stilstand op hellingen trapt u
het rempedaal iets harder in voordat u het loslaat
om zeker te weten dat de auto helemaal niet rolt.
Als u terwijl de auto stilstaat de motor afzet,
wordt de parkeerrem ingeschakeld.
STARTEN EN RIJDEN
Schakelaar voor automatische rem
Symbolen op bestuurdersdisplay
Symbool
Het symbool brandt als het systeem het rempedaal gebruikt om
de auto stil te houden.
Het symbool brandt als het systeem de parkeerrem gebruikt om
de auto stil te houden.
Het systeem is aangepast voor terreinritten en
voor ritten op lage snelheid met een aanhanger
achter de auto.
Gerelateerde informatie
De schakelaar brandt, wanneer het systeem is geactiveerd.
Schakel Auto Hold in en of uit met de schakelaar
op de tunnelconsole. Het systeem blijft uitgeschakeld, totdat u het weer activeert.
Bij uitschakeling van het systeem blijft de hellingrem (HSA) actief om te voorkomen dat de auto
bij het wegrijden op een oplopende helling achteruitrolt.
•
•
Lagesnelheidsregeling*
De lagesnelheidsregeling Low Speed Control
(LSC) biedt ondersteuning bij terreinritten en rijden op een gladde ondergrond. U rijdt bijvoorbeeld met een caravan over een grasveld of met
een boottrailer op een boothelling.
Betekenis
Remsystemen (p. 390)
Hellingrem (p. 396)
De lagesnelheidsregeling prioriteert lage versnellingen en vierwielaandrijving wat wielspin helpt
voorkomen en een betere tractie oplevert. Op
lage snelheden reageert de motor reageert sneller op het gaspedaal voor een betere snelheidsregeling.
Het systeem wordt samen met Hill Descent
Control (HDC) geactiveerd voor een verhoogde
werking van de motorrem om op steile, aflopende
hellingen langzaam en op gelijkmatige snelheid
te kunnen rijden. Het hangt van de ondergrond,
het hellingspercentage en de rijsnelheid af welk
systeem er actief is.
Lagesnelheidsregeling (LSC) activeren
Het systeem is afhankelijk van de uitrusting van
de auto op verschillende manieren te activeren.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 397
STARTEN EN RIJDEN
||
Met de rijmodusknop*
N.B.
Wanneer het LSC met HDC geactiveerd is,
veranderen het gaspedaalgevoel en de
motorrespons.
N.B.
De rijstand is niet geschikt voor gebruik op de
openbare weg.
N.B.
•
Kies de rijmodus Off Road om het systeem
te activeren.
•
Kies een andere rijmodus om het systeem te
deactiveren.
Op het functiescherm van het middendisplay
Bij auto's zonder rijmodusknop
bevat het functiescherm op het
middendisplay een functieknop
voor lagesnelheidsregeling met
Hill Descent Control.
•
398
Druk voor activering van de functie herhaalde
malen op de knop. Een brandend lampje in
de knop geeft aan dat de functie geactiveerd
is.
De functie wordt uitgeschakeld bij ritten op
hogere snelheden en moet bij lagere snelheden opnieuw ingeschakeld worden, als dat
wenselijk is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Remsystemen (p. 390)
Afdalingsremregeling* (p. 398)
Rijmodi* (p. 383)
Afdalingsremregeling*
Afdalingsremregeling, Hill Descent Control
(HDC), is een systeem dat op lage snelheden
de remmende werking van de motorrem verhoogt. Dit betekent dat u op bij steile, aflopende
hellingen vaart kunt meerderen of minderen met
het gaspedaal, zonder te hoeven bijremmen.
De afdalingsremregeling is aangepast voor terreinritten op lage snelheden en is vooral handig
bij ritten op steile, aflopende hellingen met een
lastige ondergrond. Omdat u het rempedaal niet
hoeft te gebruiken, kunt zich volledig richten op
de besturing.
WAARSCHUWING
HDC werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt.
Functie
Dankzij de verhoogde motorrem van de afdalingsremregeling kan de auto langzaam voor- en
achteruitrollen. De snelheid is tijdelijk met het
gaspedaal te verhogen. Bij het loslaten van het
gaspedaal wordt de rijsnelheid weer tot stapvoets
verlaagd, ongeacht het hellingspercentage en
zonder dat u daarvoor het rempedaal hoeft te
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
bedienen. Bij activering van het systeem gaan de
remlichten branden.
•
Met het rempedaal kunt u de auto altijd remmen
en langzamer stapvoets rijden of de auto helemaal tot stilstand brengen.
•
De functie wordt geactiveerd door Low Speed
Control (LSC) dat ondersteuning biedt bij ritten
op gladde ondergronden en waarmee u op een
lage en gelijkmatige snelheid kunt rijden. Het
hangt van de ondergrond, het hellingspercentage
en de rijsnelheid af welk systeem er actief is.
Kies de rijmodus Off Road om het systeem
te activeren.
N.B.
De functie wordt uitgeschakeld bij ritten op
hogere snelheden en moet bij lagere snelheden opnieuw ingeschakeld worden, als dat
wenselijk is.
Kies een andere rijmodus om het systeem te
deactiveren. Als u tijdens ritten op een steile
aflopende helling van rijmodus verandert,
wordt de remwerking langzaam verlaagd.
Op het functiescherm van het middendisplay
Bij auto's zonder rijmodusknop
bevat het functiescherm op het
middendisplay een functieknop
voor lagesnelheidsregeling met
Hill Descent Control.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Remsystemen (p. 390)
Lagesnelheidsregeling* (p. 397)
Rijmodi* (p. 383)
Afdalingsremregeling (HDC) activeren
De afdalingsremregeling werkt alleen op lage
snelheden.
Het systeem is afhankelijk van de uitrusting van
de auto op verschillende manieren te activeren.
Met de rijmodusknop*
•
Druk voor activering van de functie herhaalde
malen op de knop. Een brandend lampje in
de knop geeft aan dat de functie geactiveerd
is.
N.B.
Wanneer het LSC met HDC geactiveerd is,
veranderen het gaspedaalgevoel en de
motorrespons.
N.B.
De rijstand is niet geschikt voor gebruik op de
openbare weg.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 399
STARTEN EN RIJDEN
Doorwaaddiepte
BELANGRIJK
Met doorwaden wordt bedoeld dat de auto door
een diepere plas water op een met water
bedekte rijbaan rijdt. Waden dient met de
nodige voorzichtigheid te gebeuren.
Als er water in het luchtfilter komt, kan er
motorschade ontstaan.
Bij een diepte groter dan 45 cm kan er water
in de transmissie komen. Het smerende vermogen van de oliën neemt dan af, waardoor
de levensduur van deze systemen korter
wordt.
U kunt met de auto door waterpartijen tot 45 cm
rijden, maximaal stapvoets. Wees extra voorzichtig
als u door stromend water rijdt.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking
optreden.
400
•
Maak eventuele aansluitingen voor de elektrische verwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en modder.
•
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken - elektrische
storingen zijn anders niet uitgesloten.
Schade aan de motor, transmissie, turbocompressor, het differentieel of de inwendige
onderdelen ervan als gevolg van waterlekkage (hydrolock) of een tekort aan olie valt
niet onder de garantie.
Oververhitting van motor en
aandrijving
In bepaalde omstandigheden, bij zware belasting op steile hellingen en warm weer, bestaat
het gevaar dat de motor en de aandrijflijn oververhit raken - vooral bij het vervoer van een zware
lading.
•
Bij oververhitting is het motorvermogen
mogelijk tijdelijk beperkt.
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten
tijdens ritten bij warm weer.
•
Als de temperatuur in het koelsysteem van
de motor te hoog oploopt, gaat een waarschuwingssymbool branden en verschijnt op
het bestuurdersdisplay de melding
Motortemperatuur Hoge temperatuur.
Stop veilig. Breng de auto in dat geval zo
spoedig mogelijk tot stilstand en laat de
motor enkele minuten stationair lopen, zodat
deze kan afkoelen.
•
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af, als de melding Motortemperatuur Hoge
temperatuur. Zet de motor af of
Motorkoelvloeistof Niveau laag. Zet de
motor af verschijnt.
•
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een alternatief schakelprogramma
gekozen. Boven wordt een ingebouwde
beveiligingsfunctie geactiveerd, waarbij onder
meer een waarschuwingssymbool gaat branden en op het bestuurdersdisplay de melding
Transmissie warm Ga langzamer rijden
Bij een motorstop in water moet u niet proberen opnieuw te starten. Laat de auto uit het
water naar de werkplaats slepen - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Kans op motorschade.
Gerelateerde informatie
•
•
Slepen (p. 417)
Auto bergen (p. 418)
STARTEN EN RIJDEN
•
•
om temperatuur te verlagen of
Transmissie heet Stop veilig, wacht op
koelen verschijnt. Volg in dat geval het
advies op en matig uw snelheid of breng de
auto op een veilige plek tot stilstand om de
motor enkele minuten stationair te laten
lopen, zodat de versnellingsbak kan afkoelen.
Bij oververhitting kan de airconditioning zichzelf tijdelijk uitschakelen.
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
Symbolen op bestuurdersdisplay
Symbool
Hoge motortemperatuur. Volg het
gegeven advies op.
Laag peil koelvloeistof. Volg het
gegeven advies op.
De versnellingsbak is heet/oververhit/wordt gekoeld. Volg het gegeven advies op.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator van de
motor een tijdje werkt nadat de motor is uitgeschakeld.
Betekenis
Gerelateerde informatie
•
Rijden met een aanhanger in speciale
omstandigheden (p. 414)
•
Voorbereidingen voor een lange rit (p. 402)
Overbelasting van de startaccu
De elektrische functies van de auto belasten de
startaccu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in stand II staan,
wanneer u de motor hebt afgezet. Maak in plaats
daarvan gebruik van contactslotstand I - het
stroomverbruik is dan minder.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires
het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet. Voorbeelden van
dergelijke onderdelen/systemen zijn:
•
•
•
•
interieurventilator
koplampen
ruitenwisser
audiosysteem (hoog volume).
Bij een lage startaccuspanning verschijnt de melding Accuspanning laag Gaat snel naar
bespaarstand op het bestuurdersdisplay. De
energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens
bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt de
belasting van de accu door bijvoorbeeld de interieurventilator lager te zetten en/of het audiosysteem uit te schakelen.
–
Laad de startaccu dan op door de motor te
starten en deze minstens 15 minuten te
laten lopen - de startaccu wordt beter opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met
een stationair lopende motor.
}}
401
STARTEN EN RIJDEN
||
Gerelateerde informatie
•
•
Contactslotstanden (p. 370)
Startaccu (p. 521)
Voorbereidingen voor een lange rit
Voorbereidingen voor gladde wegen
Voor aanvang van een lange rit is het raadzaam
om bepaalde autofuncties en -uitrusting extra te
controleren.
Bij rijden in de winter is het belangrijk om
bepaalde controles op de auto uit te voeren,
zodat u zeker weet dat u er veilig mee kunt rijden.
Controleer of:
•
de motor naar behoren functioneert en of het
brandstofverbruik in orde is
•
er wellicht sprake is van lekkage (brandstof,
olie of andere vloeistoffen)
•
•
alle gloeilampen werken
•
er een gevarendriehoek en reflecterende
hoesjes in de auto aanwezig zijn - in
bepaalde landen is dat wettelijk verplicht
•
de wisserbladen goed werken.
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder
op het volgende:
•
De koelvloeistof van de motor moet 50 %
glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie is de motor beschermd tegen bevriezing
tot ca. –35 °C. Om gezondheidsrisico's te
vermijden is het zaak geen verschillende
soorten glycol met elkaar te mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens
in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk.
Wanneer u oliesoorten met een lagere viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat de motor
bij koud weer gemakkelijker aan en neemt
bovendien het brandstofverbruik tijdens de
koude start af. Lees meer over geschikte
oliën in de paragraaf "Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie".
de profieldiepte van de banden en de spanning voldoende zijn
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 563)
Bandenspanning controleren (p. 470)
Gevarendriehoek (p. 492)
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of
warm weer.
•
402
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de startaccu. De star-
STARTEN EN RIJDEN
•
taccu wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
Tankvulklep openen/sluiten en
tanken
Giet sproeiervloeistof met antivries in het
sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming te
voorkomen.
De brandstoftank is voorzien van een doploos
brandstofvulsysteem.
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of ijs
adviseert Volvo u om de auto rondom van winterbanden te voorzien.
Tankvulklep openen/sluiten
Om de tankvulklep te kunnen openen moet de
auto ontgrendeld zijn.
Op het bestuurdersdisplay
wordt met de pijl naast het
tanksymbool aangegeven aan
welke kant van de auto de
tankvulklep zit.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn niet
in alle landen toegestaan.
Nieuwe auto's en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden om
te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Winterwielen (p. 490)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 520)
Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie (p. 559)
Bijvullen met brandstofpomp
U tankt als volgt brandstof.
1.
2.
Open de tankvulklep door lichte druk aan te
brengen op de achterkant van de vulklep.
Sluit na het tanken de klep door er licht op te
drukken.
1.
Open de tankvulklep.
2.
Steek het mondstuk van het vulpistool in de
brandstofvulopening. Let erop dat u het
mondstuk van het vulpistool op de juiste
wijze in de vulpijp steekt. De vulpijp bevat
twee afdekkingen die te openen zijn. Zorg
dat u het mondstuk van het vulpistool langs
de beide afdekkingen hebt gestoken, voordat
u begint met tanken.
}}
403
STARTEN EN RIJDEN
||
3.
Hanteren van brandstof
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
> De tank is vol.
Gebruik geen brandstof met een kwaliteit die
slechter is dan de kwaliteit die door Volvo wordt
aanbevolen, omdat dit een negatief effect heeft
op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
N.B.
Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen.
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen krijgt.
Bijvullen met jerrycan5
Gebruik voor het bijvullen met een jerrycan de
trechter die onder het vloerluik in de bagageruimte ligt.
Sticker aan binnenkant tankvulklep.
1.
Open de tankvulklep.
•
2.
Steek de trechter in de brandstofvulopening.
Steek de trechter goed in de vulpijp, zodat
deze langs de twee afdekking in de pijp gaat.
Sticker
Gebruik de brandstofverwarming nooit, wanneer
de auto bij een tankstation staat.
5 Geldt
404
alleen voor auto's met een dieselmotor.
Gerelateerde informatie
Hanteren van brandstof (p. 404)
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen zoals
benzine, bio-ethanol, mengsels ervan en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen bij
inwendig gebruik aanleiding geven tot blijvend
letsel met mogelijk dodelijke afloop. Roep
onmiddellijk medische hulp in bij het inslikken
van brandstof.
STARTEN EN RIJDEN
WAARSCHUWING
Op de grond gemorste brandstof kan vlam
vatten.
Schakel de verwarming op brandstof uit voordat u gaat tanken.
Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het
belsignaal kan er vonkvorming ontstaan waardoor de benzinedampen ontsteken en dat kan
tot brand en letsel leiden.
BELANGRIJK
Door mengsels van verschillende soorten
brandstoffen of het gebruik van niet aanbevolen brandstof vervallen de garanties van Volvo
en evt. aanvullende serviceovereenkomsten.
Dit geldt voor alle motoren.
•
Tankvulklep openen/sluiten en tanken
(p. 403)
•
Zuinig rijden (p. 408)
Benzine
Benzine is een brandstoftype.
Maak alleen gebruik van benzine van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit brandstof
van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De benzine
moet voldoen aan de norm EN 228.
•
95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
•
98 RON wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met een
zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit
om optimale prestaties en een zo laag mogelijk
brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, rijden met
een aanhanger/caravan of ritten op grote
hoogte kan, afhankelijk van de gebruikte
brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van
de auto te wensen overlaten.
•
Gebruik alleen loodvrije benzine om
schade aan de katalysator tegen te gaan.
•
Het gebruik van brandstof met metaaladditieven is niet toegestaan.
•
Gebruik geen toevoegingen die niet door
Volvo zijn aanbevolen.
Gerelateerde informatie
•
•
Benzine (p. 405)
Dieselolie (p. 406)
}}
405
STARTEN EN RIJDEN
||
Alcoholen-ethanol
BELANGRIJK
•
Er is brandstof toegestaan die tot
10 volumeprocent ethanol bevat.
•
Het gebruik van EN 228 E10-benzine
(max. 10 volumeprocent ethanol) is toegestaan.
•
Een ethanolgehalte hoger dan in E10
(max. 10 volumeprocent ethanol) zoals in
98E15, 98E25 en Blue One 95 is niet
toegestaan, omdat deze brandstofkwaliteiten niet voldoen aan EN 228. E85 is
niet toegestaan.
Gerelateerde informatie
•
•
Hanteren van brandstof (p. 404)
Tankvulklep openen/sluiten en tanken
(p. 403)
Dieselolie
BELANGRIJK
Dieselolie is een brandstoftype.
De dieselolie:
Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit brandstof
van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De dieselolie moet voldoen aan de norm EN 590,
SS 155435 of JIS K 2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreinigingen in de brandstof
zoals een te hoog zwavelgehalte.
•
moet voldoen aan de norm EN 590,
SS 155435 of JIS K 2204
•
moet een zwavelgehalte hebben van
maximaal 10 mg/kg;
•
mag maximaal 7 vol% FAME (Fatty Acid
Methyl Ester) bevatten.
Bij lage temperaturen (lager dan 0 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat tot startproblemen kan leiden. De verkrijgbare brandstofkwaliteiten moeten zich lenen voor gebruik in het
actuele jaargetijde en klimaatgebied, maar in
extreme weersomstandigheden, bij gebruik van
verouderde brandstof of bij ritten door verschillende klimaatgebieden kan desondanks uitvlokking optreden.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolieachtige brandstoffen:
•
•
•
•
Het risico van condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld houdt.
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
FAME6 (Fatty Acid Methyl Ester) of plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door de
garanties van Volvo.
Houd tijdens het tanken het gebied rond de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte
oppervlakken. Maak als u gemorst hebt het
gebied met water en zeep schoon.
Gerelateerde informatie
6
406
Dieselolie kan max. 7% FAME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
•
Wanneer u de tank leegrijdt van een dieselmodel (p. 407)
•
Roetfilter (p. 407)
STARTEN EN RIJDEN
Wanneer u de tank leegrijdt van een
dieselmodel
Waar u op moet letten bij het vullen van
brandstof uit een jerrycan
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren.
Gebruik voor het bijvullen van dieselolie uit een
jerrycan de trechter die onder het vloerluik in de
bagageruimte ligt. Let erop dat u de buis van de
trechter goed in de vulpijp steekt. De vulpijp is
voorzien van een te openen afdekking. U moet de
buis van de trechter langs de afdekking naar binnen steken, voordat u kunt bijvullen.
Doe nadat u de brandstoftank hebt bijgevuld met
dieselolie het volgende alvorens de motor te starten:
1.
Controleer of de transpondersleutel in de
auto aanwezig is.
2.
Zet de auto in contactslotstand II - draai de
startknop naar START zonder het rempedaal
te bedienen en houd de knop
zo'n 4 seconden lang in de START-stand.
Laat vervolgens knop los, die automatisch
terugveert naar de uitgangspositie.
3.
Wacht ca. één minuut.
4.
Om de motor te starten: Bedien het rempedaal en draai de startknop opnieuw naar
START.
N.B.
Alvorens brandstof te tanken bij een leeggereden tank:
•
Breng de auto tot stilstand op een zo
egaal/horizontaal mogelijke ondergrond
– als de auto overhelt, bestaat er gevaar
voor luchtbellen in de brandstoftoevoer.
Gerelateerde informatie
•
•
Dieselolie (p. 406)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 563)
Roetfilter
Auto's op diesel zijn uitgerust met een roetfilter,
waardoor een nog effectievere uitlaatgasreiniging mogelijk is.
Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter.
Om de roetdeeltjes te verbranden en het filter te
legen wordt een zogeheten regeneratie gestart.
Daarvoor moet de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
De regeneratie van het roetfilter vindt automatisch plaats en duurt normaal 10-20 minuten. Bij
een lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer
duren. Tijdens de regeneratie kan het brandstofverbruik iets stijgen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor onvoldoende op temperatuur. Dit
betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en
niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes
gevuld is, licht er een oranje waarschuwingsdriehoek op en verschijnt de melding Roetfilter vol
Zie handleiding op het bestuurdersdisplay.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden totdat de motor voldoende op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog 20 minuten
verder.
}}
407
STARTEN EN RIJDEN
||
N.B.
Tijdens de regeneratie kan zich het volgende
voordoen:
Zuinig rijden
Rijd zuinig en milieubewust door rustig en met
vooruitziende blik te rijden én door uw rijstijl en
snelheid aan te passen aan de situatie.
•
er kan tijdelijk een geringe beperking van
het motorvermogen te bespeuren zijn
•
•
het brandstofverbruik kan tijdelijk toenemen
Activeer voor het laagste brandstofverbruik
rijmodus ECO.
•
•
er kan sprake zijn van een brandlucht.
Gebruik het uitrolsysteem Eco Coast7. Er
wordt niet meer op de motor afgeremd,
waardoor de bewegingsenergie van de auto
wordt gebruikt om de auto langer te laten
uitrollen.
Wanneer het filter geregenereerd is, verdwijnt de
waarschuwingsmelding automatisch.
•
Wanneer u bij koud weer de standverwarming*
inschakelt, bereikt de motor sneller de normale
bedrijfstemperatuur.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal vol deeltjes zit, kan het
moeilijk zijn om de motor te starten en het filter wordt onbruikbaar. De kans bestaat dan
dat het filter moet worden vervangen.
Gerelateerde informatie
•
7
8
408
Rijd in de hoogst mogelijke
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid; lagere toeren leveren een
lager brandstofverbruik op. Maak gebruik van
de schakelindicator.
Rijd met gelijkmatige snelheid en met vooruitziende blik om zo weinig mogelijk te hoeven remmen.
•
Bij hoge snelheden neemt het brandstofverbruik toe - de luchtweerstand neemt toe
naarmate de snelheid stijgt.
•
Laat de motor niet stationair warmdraaien,
maar rijdt direct na het starten weg met normale belasting; een koude motor verbruikt
meer brandstof dan een warme.
•
•
De bandenkeuze is mogelijk van invloed op
het brandstofverbruik - informeer bij uw dealer naar passende banden.
•
Neem geen spullen in de auto mee die u niet
gebruikt - hoe groter de belading, hoe hoger
het verbruik.
•
Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk is.
•
Lading op het dak en een skibox resulteert in
een grotere luchtweerstand waardoor het
verbruik toeneemt - verwijder lastdragers die
u niet gebruikt.
•
Rijd niet met open zijruiten.
versnelling8,
•
Dieselolie (p. 406)
houd voor de beste resultaten de zogeheten
ECO -bandenspanning aan.
Houd de juiste bandenspanning aan en controleer regelmatig of dat nog steeds zo is -
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden (zoals
op een aflopende helling), omdat daarbij
belangrijke systemen zoals de stuur- en rembekrachtiging wegvallen.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijmodus ECO (p. 386)
•
•
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 563)
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 566)
Drive-E - schoner rijplezier (p. 25)
Zie de paragraaf "Rijmodus ECO".
Geldt voor rijden in handmatige schakelstand.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Trekhaak*
N.B.
De auto is uit te rusten met een trekhaak, waarmee bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto
kan worden getrokken.
De trekhaak is verkrijgbaar in twee uitvoeringen:
een vaste trekhaak en een in-/uitklapbare trekhaak.
Zie paragraaf "Aanhangergewicht en kogeldruk"
voor informatie over aanhangergewichten en
kogeldruk.
BELANGRIJK
Als de motor wordt afgezet, kan de constante
accuspanning voor het aanhangercontact
automatisch worden uitgeschakeld om de
startaccu niet te ontladen.
BELANGRIJK
De kogel van de trekhaak moet regelmatig
worden schoongemaakt en met vet worden
gesmeerd.
Als de auto met een trekhaak is uitgerust, is
er geen achterbevestiging voor het sleepoog
aanwezig.
Groter aanhangergewicht*
Een groter aanhangergewicht vereist een speciale trekhaak, die een grotere belasting aankan.
Controleer bij de dichtstbijzijnde Volvo-dealer of
de trekhaak van de auto voldoet aan de eis van
een hoger aanhangergewicht. Anders moet de
trekhaak van de auto worden aangepast om van
een grotere laadcapaciteit te kunnen profiteren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Rijden met aanhanger (p. 412)
In- en uitklapbare trekhaak*
De in-/uitklapbare trekhaak is altijd makkelijk
bereikbaar en eenvoudig uit of in te klappen als
dat nodig is. In de ingeklapte stand is de trekhaak volledig onzichtbaar.
WAARSCHUWING
Neem de instructies voor het in- en uitklappen van de trekhaak zorgvuldig in acht.
Trekhaak uitklappen
WAARSCHUWING
Sta niet te dicht bij de achterbumper van de
auto bij het uitklappen van de trekhaak.
Trekgewicht en kogeldruk (p. 554)
Aanhangerstabilisering* (p. 415)
Specificaties van de trekhaak* (p. 411)
In- en uitklapbare trekhaak* (p. 409)
N.B.
Als er een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden
gesmeerd.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 409
STARTEN EN RIJDEN
||
1.
Open de achterklep Er zit een knop voor het
in- en uitklappen van de trekhaak rechtsachter in de bagageruimte - een led in de knop
brandt permanent oranje als de uitklapfunctie actief is.
2.
Druk de knop in en laat hem weer los - drukt
u te lang, dan kan dat betekenen dat het uitklappen niet start.
> De trekhaak valt naar buiten en blijft
onvergrendeld liggen. De led knippert
oranje.
WAARSCHUWING
Druk niet op de knop voor het in- en uitklappen als er een aanhanger op de trekhaak is
gekoppeld.
3.
Beweeg de trekhaak naar zijn eindpositie.
Daar moet hij worden vastgezet en vergrendeld - de led brandt permanent oranje.
> De trekhaak is nu klaar voor gebruik.
WAARSCHUWING
Controleer of de veiligheidskabel van de aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
N.B.
De stroombespaarstand wordt na een tijdje
geactiveerd en het controlelampje dooft. Het
systeem wordt opnieuw geactiveerd door de
achterklep te sluiten en daarna opnieuw te
openen. Dit geldt zowel bij het in- als uitklappen van de trekhaak.
410
STARTEN EN RIJDEN
Specificaties van de trekhaak*
Trekhaak inklappen
Afmetingen en bevestigingspunten voor de trekhaak.
BELANGRIJK
Zorg dat er geen aansluitcontact of adapter in
de elektrische aansluiting zit bij het inklappen
van de trekhaak.
1.
Open de achterklep Druk de knop rechtsachter in de bagageruimte in en laat hem weer
los - drukt u te lang, dan kan dat betekenen
dat het inklappen niet start.
> De trekhaak valt automatisch in een
onvergrendelde positie. De led in de knop
knippert oranje.
2.
Vergrendel de trekhaak door deze terug te
bewegen naar zijn ingeklapte positie. Daar
wordt hij vergrendeld.
> Als de trekhaak juist is ingeklapt, brandt
de led nu permanent.
Gerelateerde informatie
•
•
Trekhaak* (p. 409)
Specificaties van de trekhaak* (p. 411)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 411
STARTEN EN RIJDEN
||
Afmetingen, bevestigingspunten (mm)
A
1476
B
86
C
875
D
437,5
E
Zie afbeelding boven
F
273
G
Middelpunt kogel
Gerelateerde informatie
•
Trekhaak* (p. 409)
Rijden met aanhanger
Bij ritten met een aanhanger moet u op enkele
dingen letten zoals de trekhaak, de aanhanger
en hoe u de aanhanger laadt.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te
worden verminderd met de som van het gewicht
van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
•
Neem de geldende bepalingen in acht ten
aanzien van de toelaatbare snelheden en
gewichten.
•
Houd een lage snelheid aan, wanneer u met
een aanhanger achter de auto een lange en
steile helling oprijdt.
•
De aangegeven maximale aanhangergewichten gelden alleen voor hoogtes tot 1000 m
boven zeeniveau. Daarboven zijn het motorvermogen en daarmee het klimvermogen van
de auto beperkt door de lagere luchtdichtheid en moet daarom het maximale aanhangergewicht worden beperkt. Het gewicht
voor auto en aanhanger moet worden verlaagd met 10 % voor iedere extra 1000 m
(of een deel daarvan).
•
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een aanhanger.
De auto wordt geleverd met de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
•
De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig
dat de druk op de trekhaak de maximale
kogeldruk niet overschrijdt. De kogeldruk
wordt tot het laadvermogen van de auto
gerekend.
•
412
normaal. Schakel dan terug naar een lagere
versnelling en pas uw snelheid aan.
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Zie voor meer
informatie over bandenspanning artikel
"Goedgekeurde bandenspanningswaarden".
•
Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
•
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer
de auto nog helemaal nieuw is. Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
•
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast dan
N.B.
Extreme weersomstandigheden, rijden met
een aanhanger/caravan of rijden op grote
hoogte zijn, in combinatie met de brandstofkwaliteit, factoren die het brandstofverbruik
kunnen beïnvloeden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
Aanhangercontact
Als de trekhaak van de auto een 13-polige aansluiting heeft en de aanhanger een 7-polige aansluiting, hebt u een adapter nodig. Gebruik een
door Volvo goedgekeurde adapter. Zorg dat de
kabel niet over de grond sleept.
BELANGRIJK
Als de motor wordt afgezet, kan de constante
accuspanning voor het aanhangercontact
automatisch worden uitgeschakeld om de
startaccu niet te ontladen.
Aanhangergewichten
Informatie over de aanhangergewichten die Volvo
toelaat vindt u onder "Aanhangergewicht en
kogeldruk".
WAARSCHUWING
Volg de vermelde aanbevelingen voor het
aanhangergewicht. Anders is het mogelijk dat
de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en
afremmen moeilijk onder controle is te houden.
Aanhangerverlichting controleren*
N.B.
De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. Nationale voertuigvoorschriften kunnen het aanhangergewicht en de snelheid verder beperken. De trekhaken kunnen zijn gecertificeerd
voor hogere of lagere trekgewichten dan wat
de auto mag trekken.
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhanger
Als een of meer lampen op de aanhanger kapot
zijn, verschijnen op het bestuurdersdisplay een
symbool en een melding.
Symbool
Automatische controle
Na aansluiting van een aanhanger is de werking
van de aanhangerverlichting te controleren aan
de hand van een automatische verlichtingscontrole. Dankzij deze controle kunt u voor vertrek
nagaan of de aanhangerverlichting werkt.
Om deze controle te kunnen verrichten moet de
motor zijn afgezet.
1.
Als er een aanhanger is aangesloten op de
trekhaak, verschijnt de melding Aut. contr.
lamp aanhanger op het bestuurdersdisplay.
2.
Bevestig de melding door de O-knop van de
knoppenset rechts op het stuurwiel in te
drukken.
> De lichtcontrole wordt uitgevoerd.
3.
Stap uit de auto om de werking van de verlichting te kunnen controleren.
> Alle lampen van de aanhanger gaan knipperen - daarna gaan de lampen een voor
een branden.
4.
Kijk of alle lampen op de aanhanger ook
daadwerkelijk branden.
5.
Na een poosje gaan alle lampen op de aanhanger weer knipperen.
> De controle is afgerond.
Melding
• Richtingaanw. aanh. Storing
knipperlicht rechts
• Richtingaanw. aanh. Storing
richtingaanwijzer links
• Remlicht aanhanger Storing
Als er een lamp voor de richtingaanwijzers van de
aanhanger kapotgaat, knippert het symbool voor
de richtingaanwijzers op het bestuurdersdisplay
bovendien sneller dan normaal.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 413
STARTEN EN RIJDEN
||
Automatische controle uitschakelen
De automatische controlefunctie is uit te schakelen op het middendisplay.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Vink Aut. contr. lamp aanhanger uit.
Lichten.
Handmatige controle
Als de automatische controle is uitgeschakeld,
kunt u de controle handmatig starten.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Handm. contr. lamp aanhanger.
> De lichtcontrole wordt uitgevoerd. Stap uit
de auto om de werking van de verlichting
te kunnen controleren.
Lichten.
Niveauregeling*
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling nemen de achterste schokdempers tijdens het rijden altijd dezelfde rijhoogte in
ongeacht de belading (tenzij het maximaal toelaatbare gewicht wordt overschreden). Wanneer
de auto stilstaat, zakt de achtertrein omlaag.
Gerelateerde informatie
414
•
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 566)
Rijden met een aanhanger in
speciale omstandigheden
•
Trekhaak* (p. 409)
Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept
in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk
gevaar voor oververhitting.
De automatische versnellingsbak kiest altijd de
juiste versnelling voor belasting en motortoerental.
Bij oververhitting gaat er op het bestuurdersdisplay een waarschuwingssymbool branden in combinatie met een melding, zie de paragraaf "Oververhitting van motor en aandrijving".
Steile hellingen
Blokkeer de automatische versnellingsbak niet
met een hogere versnelling dan de motor "aankan" - rijden in een hoge versnelling bij een laag
motortoerental is niet altijd zuinig.
Op een helling parkeren
1.
Trap het rempedaal in.
2.
Activeer de parkeerrem.
3.
Kies de schakelstand P.
4.
Laat het rempedaal los.
Gebruik wielblokken, als u een auto met aanhanger op een steile helling parkeert.
•
Rijden met een aanhanger in speciale
omstandigheden (p. 414)
•
•
Trekgewicht en kogeldruk (p. 554)
1.
Trap het rempedaal in.
Aanhangerstabilisering* (p. 415)
2.
Kies de schakelstand D.
Op een helling wegrijden
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
3.
4.
Parkeerrem lossen.
Aanhangerstabilisering*
De functie van Trailer Stability Assist
Haal uw voet van het rempedaal en rijd weg.
Trailer Stability Assist (Trailer Stability Assist TSA) heeft tot taak een auto met aanhanger/
caravan te stabiliseren wanneer de combinatie
slingerneigingen vertoont. De regeling maakt
deel uit van de stabiliteitsregeling ESC9.
Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen
van de auto in de gaten en in het bijzonder de
dwarsbewegingen. Als een neiging tot slingeren
geregistreerd wordt, worden de voorwielen ieder
afzonderlijk dusdanig afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd wordt. Vaak is dit voldoende om
de auto weer onder controle te krijgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Rijden met aanhanger (p. 412)
Oververhitting van motor en aandrijving
(p. 400)
Lagesnelheidsregeling* (p. 397)
Parkeerrem gebruiken (p. 394)
Oorzaken voor slingerneigingen
Bij alle combinaties van auto en aanhanger/caravan kan het bekende verschijnsel met slingeren
optreden. Doorgaans treedt het verschijnsel pas
bij hoge snelheden op. Als de aanhanger/caravan echter overmatig beladen is of als het
gewicht van de lading verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld te ver naar achteren), bestaat er ook
op lagere snelheden gevaar voor slingeren.
Een pendelbeweging begint altijd met een van de
onderstaande factoren, zoals.:
•
De auto met aanhanger/caravan staat bloot
aan rukwinden.
•
De auto met aanhanger/caravan rijdt over
een oneffen wegdek of over hobbels.
•
Grote stuurbewegingen.
Slingeren is vaak niet of nauwelijks te dempen,
waardoor de combinatie moeilijk bestuurbaar
wordt en het gevaar bestaat op de verkeerde
weghelft of naast de weg te belanden.
9
Electronic Stability Control (elektronische stabiliteitsregeling)
Als de slingerbeweging ondanks de eerste
ingreep van de aanhangerstabilisering niet wordt
gedempt, worden alle wielen van de combinatie
afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de
motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging
vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de
combinatie weer stabiel is, beëindigt het systeem
de regeling waarna u de auto weer volledig onder
controle hebt.
N.B.
De stabiliteitsregeling wordt uitgeschakeld,
als u de Sportstand kiest door via het menusysteem van het middendisplay ESC te deactiveren.
De aanhangerstabilisering grijpt mogelijk niet in
als u met grote stuurbewegingen de slingering
zelf tracht op te heffen, aangezien de stabilisering dan niet kan bepalen of de slingering wordt
veroorzaakt door de aanhanger/caravan of door
uzelf.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 415
STARTEN EN RIJDEN
||
Wanneer de stabilisatorregeling werkt, knippert op het
bestuurdersdisplay het symbool
ESC.
Sleepoog
Gebruik het sleepoog bij het slepen. Schroef het
sleepoog vast in een draadbus achter een
afdekking in de bumper, voor of achter.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijden met aanhanger (p. 412)
Rijden met een aanhanger in speciale
omstandigheden (p. 414)
elektronische stabiliteitsregeling (p. 270)
Als de auto met een trekhaak is uitgerust, is
er geen achterbevestiging voor het sleepoog
aanwezig.
Sleepoog monteren
Pak het sleepoog erbij. Dit zit in het blok
schuimrubber onder het vloerluik in de bagageruimte.
416
Voor: Verwijder de afdekking - maak gebruik
van de uitsparing aan de ene korte kant.
> De afdekking is horizontaal open te klappen en vervolgens te verwijderen.
Achter: Verwijder de afdekking - druk met
een vinger op het artikel met de markering
en werk tegelijkertijd de tegenoverliggende
kant/hoek los met een muntstuk of iets dergelijks.
> De afdekking is horizontaal open te klappen en vervolgens te verwijderen.
STARTEN EN RIJDEN
4.
Schroef het sleepoog tot aan de aanslag
naar binnen. Draai het oog stevig vast met
bijvoorbeeld een wielsleutel.
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de laadvloer
wordt getrokken.
Draai het sleepoog na gebruik los en leg het
weer op zijn plek.
Plaats de afdekking tot slot weer in de bumper
terug.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
BELANGRIJK
Het is belangrijk het sleepoog goed vast te
schroeven – dat wil zeggen, helemaal tot aan
de aanslag.
Slepen
Bij het slepen wordt de auto met behulp van een
sleepkabel voortgetrokken door een ander voertuig.
Ga alvorens te slepen na wat de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid voor slepen is.
Voorbereidingen en slepen
1.
Schakel de alarmlichten van de auto in.
2.
Bevestig de sleepkabel aan het sleepoog.
3.
Hef het stuurslot op door de auto te ontgrendelen.
Gerelateerde informatie
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken om
de auto op een bergingsvoertuig met laadvloer te
trekken. De positie van de auto en de bodemspeling bepalen of dat mogelijk is.
Als de oprijplaten van het bergingsvoertuig onder
een te grote hoek staan of als de bodemspeling
onder de auto onvoldoende is, kan de auto
beschadigd raken wanneer men deze met een
sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te
trekken.
Hef de auto zo nodig met behulp van de hefinrichting van het bergingsvoertuig op de auto.
•
•
N.B.
Slepen (p. 417)
Auto bergen (p. 418)
In de contactslotstand II wordt het stuurslot
gedeactiveerd als de auto onvergrendeld was.
Zie het hoofdstuk "Contactslotstand" voor
meer informatie.
4.
Zet de auto in contactslotstand II door de
startknop naar START te draaien en de knop
zo'n 4 seconden in stand START vast te
houden. Laat vervolgens knop los, die automatisch terugveert naar de uitgangspositie.
5.
Zet de keuzehendel in stand N en los de parkeerrem.
6.
U kunt vervolgens beginnen met het slepen.
}}
417
STARTEN EN RIJDEN
||
7.
8.
Houd, wanneer de slepende auto afremt, de
sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen zo voorkomt u schokken.
Starten met hulpaccu
Auto bergen
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik een
hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is
dat de motor niet kan worden gestart.
Bij het bergen wordt de auto met behulp van
een ander voertuig weggesleept.
Sta klaar om te remmen om de auto tot stilstand te brengen.
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken bij
pogingen om de motor via slepen aan het
draaien te krijgen.
BELANGRIJK
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
•
Sleep auto's met een automatische versnellingsbak niet met een hogere snelheid dan 80 km/h (50 mph) en niet verder dan 80 km.
WAARSCHUWING
•
Controleer voordat u gaat slepen of het
stuurslot eraf is.
•
Contactslotstand II moet geactiveerd zijn
– in contactslotstand I zijn alle airbags
gedeactiveerd.
•
Zorg dat de transpondersleutel tijdens
het slepen altijd in de auto aanwezig is.
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken om
de auto op een bergingsvoertuig met laadvloer te
trekken.
Gevarendriehoek (p. 492)
Geldt voor auto's met niveauregeling*: Als de
auto is voorzien van luchtvering, moet deze worden uitgeschakeld voordat u de auto opneemt.
Schakel het systeem uit via het middendisplay.
Sleepoog (p. 416)
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
Auto bergen (p. 418)
2.
Druk op My Car
3.
Kies Reg. ophanging+vering uitsch..
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Roep professionele hulp in voor berging.
Starthulp met andere accu (p. 373)
Contactslotstanden (p. 370)
Ophanging .
De positie en bodemspeling van de auto bepalen
of de auto op een laadvloer kan worden getrokken. Als de oprijplaten van het bergingsvoertuig
onder een te grote hoek staan of als de bodemspeling onder de auto onvoldoende is, kan de
auto beschadigd raken wanneer men deze op het
bergingsvoertuig probeert te trekken. Neem de
auto dan op met de hefinrichting van het bergingsvoertuig.
WAARSCHUWING
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet
als de motor is uitgeschakeld. Er moet
ca. 5 keer zo hard op het rempedaal worden
getrapt en de besturing gaat aanzienlijk
zwaarder dan normaal.
418
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de laadvloer
wordt getrokken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
STARTEN EN RIJDEN
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
BELANGRIJK
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
•
Bij auto's met vierwielaandrijving (AWD)
geldt een maximale snelheid van
70 km/h (40 mph). Er geldt bovendien
een maximale afstand van 50 km.
N.B.
Als de auto met een trekhaak is uitgerust, is
er geen achterbevestiging voor het sleepoog
aanwezig.
Gerelateerde informatie
•
•
Slepen (p. 417)
Sleepoog (p. 416)
419
AUDIO EN MEDIA
AUDIO EN MEDIA
Audio en media
Het audio- en mediasysteem bestaat uit de
mediaspeler, de radio en de Bluetooth-verbinding met de telefoon. Bij een auto met internetverbinding is het ook mogelijk om via apps diensten te beluisteren.
De functies zijn te bedienen via stembediening,
de stuurknoppen en via het middendisplay.
Overzicht van audio en media.
Systeemupdate
Het audio- en mediasysteem wordt voortdurend
verder verbeterd. Voor optimale functionaliteit
kunt u updates downloaden; zie hiervoor paragraaf "Systeemupdates" en kijk op
support.volvocars.com.
Gerelateerde informatie
•
•
422
Mediaspeler (p. 430)
Radio (p. 423)
•
•
•
•
•
•
•
•
Telefoon (p. 441)
Audio-instellingen
Auto met internetverbinding (p. 447)
Het audiosysteem is vooraf ingesteld voor optimale geluidsweergave, maar is geheel naar
wens aan te passen.
Apps (p. 453)
Contactslotstanden (p. 370)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 45)
Stembediening (p. 114)
Systeemupdates (p. 501)
Licentieovereenkomst voor audio en media
(p. 455)
Het volume wordt normaal gesproken geregeld
met de volumeknop onder het middendisplay of
met de knoppenset rechts op het stuurwiel.
Instelling voor optimale
geluidsweergave
Het audiosysteem is voorgekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking. Voor ieder automodel wordt
het audiosysteem tijdens de kalibratie perfect
afgestemd op de luidsprekers, de versterker, de
akoestiek in de auto, de positie van de luisteraar
en dergelijke. Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij rekening wordt gehouden met de
stand van de volumeknop en de rijsnelheid.
De audio-instellingen worden beschreven in de
desbetreffende paragrafen van de bedieningsinformatie. Open voor de instellingen het hoofdscherm en druk op Instellingen Geluid.
AUDIO EN MEDIA
Actieve geluidsdemping1
De auto is uitgerust met actieve geluidsdemping
die met behulp van het audiosysteem het motorgeluid in de passagiersruimte dempt. Microfoontjes in de plafondbekleding registreren storende
geluiden, waarna het audiosysteem het geluid
dempt door antigeluid voort te brengen.
•
•
•
Instellingen voor telefoon (p. 446)
Radio
Audio en media (p. 422)
Het is mogelijk de radiofrequentiebanden voor
AM, FM en digitale radio (DAB)* te beluisteren.
Bij een auto met internetverbinding is het ook
mogelijk om internetradio te beluisteren.
Auto met internetverbinding (p. 447)
Microfoontjes in de plafonbekleding.
N.B.
Dek de microfoons in de auto niet af, omdat
anders een dreunend geluid uit het audiosysteem kan komen.
Gerelateerde informatie
•
•
Audio-instellingen voor media (p. 436)
Instellingen voor stembediening (p. 116)
1 Geldt
voor bepaalde automodellen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 423
AUDIO EN MEDIA
||
De radio is te bedienen via
stemcommando's, de stuurknoppen of via het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
Van radiozender wisselen en radiozender
zoeken (p. 424)
•
•
•
•
•
Digitale radio (p. 427)
Van radiozender wisselen en
radiozender zoeken
De radio maakt automatisch een zenderlijst met
de best doorkomende radiozenders binnen het
actuele gebied.
424
Kies een zender.
Van lijst wisselen op de radioband
De radio starten
RDS-radio (p. 427)
Auto met internetverbinding (p. 447)
Stembediening van radio en media (p. 117)
Mediaspeler (p. 430)
1.
2
2.
Geldt alleen voor digitale radio (DAB).
Open de app (bijvoorbeeld FM,
Radiofavorieten) vanuit het appscherm.
1.
Druk op Bibliotheek.
2.
Kies weergave via Zenders, Favorieten,
Genres of Ensembles2.
3.
Druk op de gewenste zender in de lijst.
AUDIO EN MEDIA
Favorieten - uitsluitend geselecteerde favoriete
zenders beluisteren, zie de rubriek "Favorieten"
hieronder.
Radiofavorieten laten de opgeslagen favorieten van alle radiobanden zien.
Genres - uitsluitend radiozenders beluisteren die
het gekozen genre/programmatype uitzenden,
bijvoorbeeld pop en klassieke muziek.
Van radiozender wisselen in gekozen
lijst
–
Druk op < > onder het middendisplay of op
de knoppenset rechts op het stuurwiel.
> U springt naar het eerstvolgende alternatief in de gekozen lijst.
Wisselen kan ook via het middendisplay.
Van radioband wisselen
Radiofavorieten
1.
Open de app Radiofavorieten vanuit het
appscherm.
2.
Druk op de gewenste radiozender in de lijst
om te luisteren.
Bij het verwijderen van een favoriet wordt deze
eveneens verwijderd uit de lijst met favorieten van
de desbetreffende radioband.
Favorieten
Als een favoriet wordt opgeslagen vanuit een lijst,
zoekt de radio automatisch naar de beste frequentie. Maar als er een favoriet wordt opgeslagen na handmatig zenders zoeken, schakelt de
radio niet automatisch over naar een sterkere frequentie.
Zie de rubriek "Van lijst wisselen op de radioband" hierboven om te kiezen uit favorieten op
de radioband. Zie de rubriek "Radiofavorieten"
hierboven om uit alle favorieten te kiezen.
–
–
Druk op de app (bijvoorbeeld FM) op het
appscherm of open het appmenu met de
knoppenset rechts op het stuurwiel en kies
van daaruit verder.
Druk op
om een radiozender aan de lijst
met favorieten op de radioband en aan radiofavorieten toe te voegen of uit de lijst te verwijderen.
}}
425
AUDIO EN MEDIA
||
Radiozender zoeken
2.
.
Druk op
> Er verschijnt een zoekscherm met toetsenbord.
3.
Voer de zoekterm in.
> Naarmate u meer letters invoert wordt de
zoekopdracht verfijnd. De treffers staan
per categorie geordend.
Handmatig zenders zoeken
De zoekopties zijn afhankelijk van de gekozen
radioband:
426
•
•
•
AM - zenders en frequentie.
1.
Druk op Bibliotheek.
FM - zenders, genres en frequentie.
DAB - ensembles en zenders.
Wanneer u handmatig zenders zoekt, schakelt de
radio bij een slechte ontvangst niet meer automatisch over op een andere frequentie.
–
Druk op Handmatig afstemmen, trek aan
de knop of druk op < > totdat de gewenste
frequentie verschijnt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Radio (p. 423)
Digitale radio (p. 427)
Stembediening van radio en media (p. 117)
AUDIO EN MEDIA
RDS-radio
Met RDS (Radio Data System) kan de radio
automatisch naar de sterkste zender schakelen.
RDS biedt de mogelijkheid om bijvoorbeeld verkeersinformatie te ontvangen en naar bepaalde
soorten programma's te zoeken.
RDS verbindt FM-zenders in een netwerk met
elkaar. Een FM-zender in een dergelijk netwerk
verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDSradio onder meer de volgende mogelijkheden
biedt:
•
Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in een
bepaald gebied slecht is.
•
Zoeken op programmatype, zoals programmatypes of verkeersinformatie.
•
Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
N.B.
Bepaalde radiostations gebruiken geen RDS
of slechts bepaalde onderdelen van deze
functie.
Als er nieuws of verkeersinformatie wordt uitgezonden, kan de radio naar een andere zender
overschakelen en de weergave van de actieve
audiobron onderbreken. Als de cd-speler bijvoorbeeld actief is, wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De radio gaat naar de vorige
audiobron en het vorige volume terug wanneer
het ingestelde programmatype ophoudt met uitzenden. Druk om eerder te onderbreken op
op de knoppenset rechts op het stuurwiel of druk
op Annuleren op het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
Radio (p. 423)
Instellingen voor radio (p. 428)
Digitale radio
Digitale radio (Digital Audio Broadcasting, DAB)
is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen. De radio ondersteunt DAB, DAB+ en
DMB (Digital Multimedia Broadcasting).
De radio is te bedienen via
stemcommando's, de stuurknoppen of via het middendisplay.
De app voor digitale radio start
u vanuit het appscherm op het
middendisplay.
Digitale radio is op dezelfde manier te beluisteren
als FM- en AM-radio, zie paragraaf "Van radiozender wisselen en radiozender zoeken". Behalve
Zenders, Favorieten en Genres kunt u daarbij
ook kiezen uit subkanalen en Ensembles.
Ensembles zijn groepen radiokanalen (kanaalgroep) die op dezelfde frequentie zenden.
}}
427
AUDIO EN MEDIA
||
DAB-subkanaal
Secundaire componenten worden vaak aangeduid als subkanalen. Dergelijke componenten zijn
van tijdelijke aard en kunnen bijvoorbeeld uit vertalingen van het hoofdprogramma bestaan. Subkanalen worden aangegeven met een pijlsymbool
in het kanaaloverzicht.
Gerelateerde informatie
Schakelen tussen de radiobanden
FM en DAB
Dankzij deze functie kan de digitale radio overschakelen van een kanaal dat slecht of helemaal
niet te ontvangen is op hetzelfde kanaal in een
andere kanaalgroep (ensemble) met een betere
ontvangst, binnen DAB en/of tussen DAB en
FM.
•
Van radiozender wisselen en radiozender
zoeken (p. 424)
•
DAB naar DAB- en DAB naar FMschakeling
Schakelen tussen de radiobanden FM en
DAB (p. 428)
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
•
•
•
Stembediening van radio en media (p. 117)
2.
Druk op Media
3.
Vink de vakjes voor DAB-DAB-verbinding
en/of DAB-FM-verbinding aan of juist niet
om de desbetreffende functies te activeren/
deactiveren.
Radio (p. 423)
Instellingen voor radio (p. 428)
DAB.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Digitale radio (p. 427)
Radio (p. 423)
Instellingen voor radio (p. 428)
Instellingen voor radio
Instellingen voor de verschillende radiobanden.
Een lopende uitzending van bijvoorbeeld verkeersinformatie kan tijdelijk worden onderbroken
in de knoppenset rechts op het
door op
stuurwiel of op Annuleren op het middendisplay
te drukken.
Sleep het hoofdscherm omlaag en kies
Instellingen Media gevolgd door de gewenste radioband. Kies om functies te activeren/
deactiveren.
AM/FM
• Radiotekst weergeven - informatie weer-
geven over de inhoud van programma's, uitvoerende artiesten en dergelijke.
• Servicenaam programma bevriez - kie-
zen om de programmaservicenaam niet permanent te laten scrollen, maar de weergave
na 20 seconden te laten bevriezen.
• Nieuws - lopende mediaweergave onderbreken en nieuws doorgeven. De weergave van
de voorgaande mediabron wordt hervat zodra
de nieuwsuitzending afgerond is.
• Verkeersbericht - lopende mediaweergave
onderbreken voor informatie over verkeersproblemen. De weergave van de voorgaande
mediabron wordt hervat zodra de melding
afgerond is.
• Lokale onderbrekingen - lopende mediaweergave onderbreken voor informatie over
428
AUDIO EN MEDIA
verkeersproblemen in de nabije omgeving.
De weergave van de voorgaande mediabron
wordt hervat zodra de melding afgerond is.
De functie Lokale onderbrekingen vormt
een geografische begrenzing van de functie
Verkeersbericht. De functie
Verkeersbericht moet tegelijkertijd geactiveerd zijn.
wordt de lopende mediaweergave onderbroken en wordt de melding afgespeeld. De
weergave van de voorgaande mediabron
wordt hervat zodra de melding afgerond is.
ken en waarschuwingen voor calamiteiten en
rampen doorgeven. De weergave van de
voorgaande mediabron wordt hervat zodra de
melding afgerond is.
Verkeersinformatie - informatie ontvangen
over verkeersproblemen.
Nieuwsflits - nieuws ontvangen.
Transportbericht - informatie ontvangen
over openbaar vervoer, bijvoorbeeld dienstregelingen voor veerboten en treinen.
DAB
Service sorteren - hier kiest u op welke
manier kanalen gesorteerd moeten worden.
Dit kan op alfabetische volgorde of op basis
van het servicenummer.
Waarschuwing/
diensten - informatie ontvangen over incidenten die van minder belang zijn dan de
Alarm-functie, bijvoorbeeld stroomstoringen.
• DAB-DAB-verbinding - functie starten voor
schakelen binnen DAB. Wanneer het signaal
van een bepaalde radiozender wegvalt, wordt
automatisch overgeschakeld naar dezelfde
radiozender binnen een andere kanaalgroep
(ander ensemble).
• Radiotekst weergeven - aangeven of radiotekst of gekozen delen van radiotekst, bijvoorbeeld artiest, moet(en) worden weergegeven.
• DAB-FM-verbinding - functie starten voor
• Afbeeldingen van programma
• Types mededelingen kiezen - aangeven
Gerelateerde informatie
schakelen tussen DAB en FM. Wanneer het
signaal van een bepaalde radiozender wegvalt, wordt automatisch naar een andere frequentie gezocht.
welk type meldingen moet worden ontvangen
als DAB bezig is. Bij de gekozen meldingen
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 45)
Alarm - lopende mediaweergave onderbreken en waarschuwingen voor calamiteiten en
rampen doorgeven. De weergave van de
voorgaande mediabron wordt hervat zodra de
melding afgerond is.
• Alarm - lopende mediaweergave onderbre-
•
•
weergeven - aangeven of er op het scherm
afbeeldingen voor de verschillende programma's moeten verschijnen.
•
•
Radio (p. 423)
Digitale radio (p. 427)
429
AUDIO EN MEDIA
•
•
•
•
Mediaspeler
De mediaspeler kan geluidsbestanden weergeven via de CD*, op externe mediabronnen die via
de AUX/USB-poort zijn aangesloten of geluidsbestanden op externe media 'streamen' via
Bluetooth. Ook video's op externe eenheden die
zijn aangesloten op de USB-poort zijn te bekijken. Bij een auto met internetverbinding kunt u
internetradio of luisterboeken beluisteren en
muziekdiensten via apps gebruiken.
Radio (p. 423)
Cd-speler* (p. 434)
Media via Bluetooth (p. 434)
Media via AUX/USB-aansluiting (p. 435)
Via de mediaspeler verloopt ook de radiobediening die in een apart artikel beschreven staat.
De mediaspeler is te bedienen
vanaf het middendisplay, maar
veel functies zijn ook te bedienen vanaf de knoppenset
rechts op het stuurwiel of via
stemcommando's.
Gerelateerde informatie
•
•
•
430
Media afspelen (p. 431)
Stembediening van radio en media (p. 117)
Apps (p. 453)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
AUDIO EN MEDIA
Media afspelen
2.
Open de app CD vanuit het appscherm.
2.
Sluit de mediabron aan.
De mediaspeler wordt bediend via het middendisplay. Verschillende functies zijn ook te bedienen via de rechter knoppenset op het stuur of
via stembediening.
3.
Kies wat er moet worden afgespeeld.
> Het afspelen start.
3.
Start de weergave op de aangesloten mediabron.
4.
Open de app Bluetooth vanuit het appscherm.
> Het afspelen start.
Via de mediaspeler verloopt ook de radiobediening die in een apart artikel beschreven staat.
Mediabron starten
USB-geheugen
1. Plaats het USB-geheugen.
2.
Open de app USB vanuit het appscherm.
3.
Kies wat er moet worden afgespeeld.
> Het afspelen start.
Mp3-speler en iPod®
N.B.
Om het afspelen te starten vanaf de iPod,
moet u de iPod-app gebruiken (en niet USB).
Wanneer u muziek op een aangesloten iPod
beluistert, hanteert het audio- en mediasysteem een menustructuur vergelijkbaar met die
van de iPod.
CD*
1. Plaats een cd.
1.
Sluit de mediabron aan.
2.
Start de weergave op de aangesloten mediabron.
3.
Open de app (iPod, USB, AUX) vanuit het
appscherm.
> Het afspelen start.
Eenheid met Bluetooth-verbinding
1. Activeer Bluetooth op de desbetreffende
mediabron.
Internet-media
1. Verbind de auto met internet.
2.
Open de app vanuit het appscherm.
> Het afspelen start.
Video
1. Sluit de mediabron aan.
2.
Open de app USB vanuit het appscherm.
3.
Druk op de titel van het weer te geven
bestand.
> Het afspelen start.
Apple CarPlay
Apple CarPlay staat in een apart artikel beschreven.
Media regelen en van media wisselen
De mediaspeler is te bedienen
via stembediening, de stuurknoppen of via het middendisplay.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 431
AUDIO EN MEDIA
||
het middendisplay drukken of op de knoppenset
rechts op het stuurwiel.
Vooruit-/achteruitspoelen - op de tijdas op het
middendisplay drukken en deze opzij slepen, of
< > onder het middendisplay of op de knoppenset rechts op het stuurwiel ingedrukt houden.
Van media wisselen - keuze maken onder laatst
geopend in de app, op de gewenste app op het
appscherm drukken of een keuze maken met de
knoppenset rechts op het stuurwiel.
Bibliotheek - op de knop drukken om af te spelen vanuit de bibliotheek.
Shuffle - op de knop drukken voor een willekeurige afspeelvolgorde.
Verge-lijkbaar - op de knop drukken om aan de
hand van Gracenote naar soortgelijke muziek te
zoeken op de USB-eenheid en op basis daarvan
een speellijst te creëren. De speellijst kan uit
maximaal 50 tracks bestaan.
Volume - aan de draaiknop onder het middendisplay draaien of de knoppenset rechts op het
stuurwiel gebruiken om het volume te verhogen
of te verlagen.
Afspelen/pauzeren - op de afbeelding van de
desbetreffende track drukken, op de knop onder
het middendisplay of op
van de knoppenset
rechts op het stuurwiel.
Van track/nummer wisselen - op de gewenste
track op het middendisplay drukken, op < > onder
432
Ander app. - op de knop drukken om te wisselen tussen meerdere aangesloten USB-eenheden.
Instellingen voor video
Wanneer de videospeler in de stand voor volledige schermgrootte staat of wanneer u het
hoofdscherm hebt geopend en op Instellingen
Video drukt, beschikt u over de volgende
opties: Standaardtaal primaire audio,
Ondertiteling en Standaardtaal primaire
ondertit..
DivX® weergeven
Om Video-on-Demand-films (VOD) in DivX-formaat te kunnen afspelen moet u deze DivX
Certified® eenheid eerst registreren.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Video DivX® VOD om de registratiecode op te halen.
3.
Breng voor meer informatie en om de registratie te voltooien een bezoek aan
vod.divx.com.
Gerelateerde informatie
•
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
gebruiken (p. 105)
•
•
•
•
•
•
Stembediening van radio en media (p. 117)
•
•
•
•
•
•
•
Cd-speler* (p. 434)
Auto met internet verbinden (p. 448)
Apps (p. 453)
Media zoeken (p. 433)
Media aansluiten via Bluetooth (p. 435)
Media aansluiten via AUX/USB-poort
(p. 435)
Radio (p. 423)
Gracenote® (p. 433)
Video (p. 436)
Audio-instellingen voor media (p. 436)
Apple CarPlay* (p. 437)
Technische specificaties voor media (p. 439)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
AUDIO EN MEDIA
Gracenote®
Gerelateerde informatie
Gracenote geeft bij het afspelen van muziek de
uitvoerende artiesten, albums, tracks en eventuele illustraties weer.
•
•
Media afspelen (p. 431)
Licentieovereenkomst voor audio en media
(p. 455)
Media zoeken
U kunt artiesten, componisten, tracks (titels),
albums, video's, luisterboeken, speellijsten en
podcasts (digitale media via internet) zoeken.
Gracenote MusicID® is een norm voor muziekherkenning.
Activeren/deactiveren Gracenote
Bij activering worden de oorspronkelijke gegevens vervangen door de Gracenote-gegevens,
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Media
3.
Activeer/deactiveer Gracenote door het vakje
voor Gracenote® aan/uit te vinken.
4.
Kies instellingen voor geactiveerde
Gracenote-gegevens:
Gracenote®.
• Online opzoeken Gracenote® - onlinedatabase van Gracenote doorzoeken op gegevens over de afgespeelde media.
• Meerdere resultaten Gracenote® - aangeven hoe Gracenote-gegevens moeten
worden weergegeven bij meerdere treffers.
1 - originele bestandsgegevens gebruiken.
2 - Gracenote-gegevens gebruiken.
1.
.
Druk op
> Er verschijnt een zoekscherm met toetsenbord.
2.
Voer de zoekterm in.
3 - Gracenote- of originele data kiezen.
• Geen - geen treffers.
}}
433
AUDIO EN MEDIA
||
3.
Druk op Zoeken.
> De gekoppelde eenheden worden doorzicht en de treffers staan per categorie
geordend.
Cd-speler*
Media via Bluetooth
De mediaspeler kan cd's met audiobestanden
afspelen. Zie de Technische specificaties voor
de ondersteunde formaten.
De mediaspeler in de auto is uitgerust met
Bluetooth en kan draadloos 'streaming audio'bestanden afspelen op externe eenheden met
Bluetooth zoals mobiele telefoons en laptops.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Mediaspeler (p. 430)
Gerelateerde informatie
Media afspelen (p. 431)
•
•
•
•
•
•
Het toetsenbord in het middendisplay
gebruiken (p. 49)
Media aansluiten via Bluetooth (p. 435)
Media afspelen (p. 431)
Stembediening van radio en media (p. 117)
Mediaspeler (p. 430)
Contactslotstanden (p. 370)
Technische specificaties voor media (p. 439)
Opening voor het plaatsen/uitwerpen van
een schijf.
Knop voor het uitwerpen van een schijf.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
434
Media afspelen (p. 431)
Stembediening van radio en media (p. 117)
Mediaspeler (p. 430)
Technische specificaties voor media (p. 439)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
AUDIO EN MEDIA
Media aansluiten via Bluetooth
Media via AUX/USB-aansluiting
Bluetooth-eenheid koppelen aan de auto om
media te streamen en de eenheid te gebruiken
voor een eventuele internetverbinding.
Op het audiosysteem is een externe media zoals
een iPod of mp3-speler aan te sluiten.
Hoewel veel moderne telefoons Bluetooth-technologie bieden, zijn niet alle telefoons volledig
compatibel met de auto. Zie
support.volvocars.com voor compatibiliteit.
U kunt een media-eenheid op dezelfde manier
koppelen als een telefoon.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Verbinding met telefoon (p. 442)
Media via Bluetooth (p. 434)
Media afspelen (p. 431)
Mediaspeler (p. 430)
Een mediabron met oplaadbare batterijen wordt
opgeladen, wanneer de mediabron is aangesloten via USB en het contact in stand I, II staat of
de motor draait.
Media aansluiten via AUX/USBpoort
Via een van de aansluitingen op de tunnelconsole is het mogelijk een externe audiobron (zoals
een iPod of mp3-speler) aan te sluiten op het
audiosysteem.
Om het gebruik van een USB-geheugen te vereenvoudigen is het beter alleen compatibele
bestandsformaten in het geheugen op te slaan.
Het inlezen duurt aanzienlijk langer, wanneer er
behalve compatibele bestandsformaten nog
andere formaten op het opslagmedium staan. De
mediaspeler ondersteunt, naast audioweergave,
ook videoweergave, wanneer de eenheid is aangesloten via USB.
Sommige mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem dat niet ondersteund word door
het systeem.
Gerelateerde informatie
•
Media aansluiten via AUX/USB-poort
(p. 435)
•
•
•
•
•
•
•
Media afspelen (p. 431)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Media afspelen (p. 431)
Media via AUX/USB-aansluiting (p. 435)
Mediaspeler (p. 430)
Technische specificaties voor media (p. 439)
Stembediening van radio en media (p. 117)
Mediaspeler (p. 430)
Contactslotstanden (p. 370)
Video (p. 436)
Apple CarPlay* (p. 437)
Technische specificaties voor media (p. 439)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 435
AUDIO EN MEDIA
Video
Audio-instellingen voor media
Videobestanden op een eenheid verbonden met
de USB-aansluiting zijn via de mediaspeler weer
te geven.
Personalisering van audio-instellingen voor
mediaweergave.
2.
• Geluidsbeleving* - meerdere opties om
het geluid aan te passen en bijvoorbeeld
een geluidsweergave vergelijkbaar met
die in een concertgebouw te verkrijgen.
De instellingen komen in de plaats voor
de gekozen opties in de onderstaande
punten voor de audio-instellingen.
Wanneer de auto rijdt, verdwijnt het beeld terwijl
het geluid gewoon wordt weergegeven. Wanneer
de auto stilstaat, komt het beeld terug.
• Toon - persoonlijke instellingen van bij-
Zie de paragraaf "Technische specificaties voor
media" voor de ondersteunde videoformaten.
voorbeeld bas- en hoge tonen en equalizer.
Gerelateerde informatie
•
•
•
• Balans - onderlinge balans tussen de
Media afspelen (p. 431)
luidsprekers links/rechts en de luidsprekers voor/achter.
Mediaspeler (p. 430)
Technische specificaties voor media (p. 439)
Audiomodus die de akoestiek van het concertgebouw
van Gotenburg nabootst.
1.
436
Druk op Geluid en kies instellingen:
Systeemvolumes voor media
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
AUDIO EN MEDIA
2.
Druk op Geluid
Systeemvolumes:
• AUX - bij aansluiting van een externe
audiobron (zoals een mp3-speler of iPod)
op de AUX-ingang verschilt het ingestelde volume van deze audiobron mogelijk van het volume waarop het audiosysteem (bijvoorbeeld de radio) speelt. Corrigeer dit door het ingangsvolume van de
ingang aan te passen. Als het volume te
hoog of te laag staat, kan de geluidskwaliteit achteruitgaan.
Apple CarPlay*
Apple CarPlay biedt u de mogelijkheid om tijdens het rijden muziek te beluisteren, te bellen,
route-instructies te ontvangen, sms-berichten te
versturen/ontvangen en Siri te raadplegen, zonder afgeleid te worden. Apple CarPlay werkt
alleen met bepaalde Apple-eenheden.
Bij gebruik van de kaartnavigatie via
Apple CarPlay verschijnt de routebegeleiding niet
op het bestuurdersdisplay of head-updisplay
maar alleen op het middendisplay.
• Snelheids- en volumecompensatie -
het audiosysteem zorgt voor compensatie
van hinderlijke rijgeluiden in de passagiersruimte door het volume aan te passen ten opzichte van de rijsnelheid. Het
compensatieniveau kan worden aangepast.
Gerelateerde informatie
•
•
Audio-instellingen (p. 422)
Mediaspeler (p. 430)
N.B.
Een via Bluetooth op de auto aangesloten
telefoon of mediaspeler is bij activering van
Apple CarPlay niet beschikbaar, omdat
Bluetooth wordt uitgeschakeld. Gebruik Wi-Fi
of de geïntegreerde automodem* voor het
maken van een internetverbinding.
Bij auto's zonder Apple CarPlay is de app alsnog
te installeren. Neem daarvoor contact op met de
Volvo-dealer.
Informatie over de ondersteunde apps en de
compatibele telefoons vindt u op de homepage
van Apple: www.apple.com/ios/carplay/. Opmerking! Volvo heeft geen invloed op de inhoud van
de app Apple CarPlay.
De Apple CarPlay-apps zijn via Siri met stemcommando's te bedienen of via het middendisplay of
de desbetreffende iPhone. Bepaalde functies zijn
ook te bedienen via de knoppenset rechts op het
stuurwiel. Bij lang indrukken van de stuurknop
activeert u de stembediening via Siri van
start en bij kort indrukken deactiveert u deze
functie.
Door Apple CarPlay te gebruiken stemt u in
met het volgende: Apple CarPlay is een
service van Apple Inc. die valt onder de
voorwaarden van Apple Inc. Volvo Cars is
daarom niet verantwoordelijk voor Apple
CarPlay of de functies/applicaties ervan. Bij
gebruik van Apple CarPlay, wordt bepaalde
informatie van uw auto (waaronder de
locatie van de auto) doorgegeven aan uw
iPhone. Ten aanzien van Volvo Cars bent u
zelf volledig verantwoordelijk voor uw eigen
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 437
AUDIO EN MEDIA
||
gebruik van Apple CarPlay of voor het
gebruik door iemand anders.
2.
Apple CarPlay starten
Om Siri te kunnen gebruiken moet de stembediening via Apple CarPlay geactiveerd zijn op uw
iPhone.
Eerste aansluiting van een iPhone
1. Sluit de iPhone aan op de USB-aansluiting.
2.
Lees de informatie op het pop-upscherm en
druk vervolgens op OK.
3.
Druk op Apple CarPlay op het appscherm.
4.
Neem de gebruiksvoorwaarden door en druk
vervolgens op Accepteren om een verbinding te maken.
> Het deelscherm met Apple CarPlay wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
5.
Druk op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
Eerder aangesloten iPhone
1. Sluit de iPhone aan op de USB-aansluiting.
> Als u gekozen hebt voor automatische
activering - het deelscherm met
Apple CarPlay wordt geopend en de compatibele apps verschijnen.
438
3.
Als u niet gekozen hebt voor automatische activering - open de app Apple
CarPlay vanuit het appscherm.
> Het deelscherm met Apple CarPlay wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
Druk op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
2.
Lees de informatie op het pop-upscherm en
druk vervolgens op OK.
3.
Haal de verbinding op de USB-aansluiting
los voor de Apple-eenheid en sluit de eenheid weer aan.
> Het deelscherm met Apple CarPlay wordt
geopend.
Gerelateerde informatie
Apple CarPlay blijft op actief op de achtergrond,
als u vanuit hetzelfde deelscherm een andere
app start. Druk op het pictogram Apple CarPlay in
het appscherm om Apple CarPlay weer in het
deelscherm te weer te geven.
Wisselen tussen Apple CarPlay en iPod
Van Apple CarPlay naar iPod
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
3.
Vink het vakje uit voor de Apple-eenheid die
bij aansluiting niet langer tot activering van
Apple CarPlay moet leiden.
4.
Haal de verbinding op de USB-aansluiting
los voor de Apple-eenheid en sluit de eenheid weer aan.
5.
Open de app iPod vanuit het appscherm.
•
•
•
•
•
Mediaspeler (p. 430)
Media afspelen (p. 431)
Media aansluiten via AUX/USB-poort
(p. 435)
Instellingen voor Apple CarPlay* (p. 439)
Auto met internet verbinden (p. 448)
Apple CarPlay.
Van iPod naar Apple CarPlay
1. Druk op Apple CarPlay op het appscherm.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
AUDIO EN MEDIA
Instellingen voor Apple CarPlay*
Instellingen voor een iPhone met geactiveerde
Apple CarPlay.
Automatisch starten
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
en kies de instelling:
Apple CarPlay* (p. 437)
Technische specificaties voor
media
Instellingen resetten op instellingsscherm
(p. 175)
Compatibele bestandsformaten en audiospecificaties.
Gerelateerde informatie
•
•
Audiobestanden
Apple CarPlay
Formaat
Bestandsextensie
Codec
•
Vink het vakje aan - Apple CarPlay start
automatisch bij aansluiting van de USBkabel.
MP3
.mp3
•
Vink het vakje uit - Apple CarPlay start
niet automatisch bij aansluiting van de
USB-kabel.
MPEG1 Layer III,
MPEG2 Layer III,
MP3 Pro (mp3compatibel),
MP3 HD (mp3compatibel)
De lijst kan maximaal 20 Apple-eenheden bevatten. Wanneer de lijst vol is, wordt bij aansluiting
van een nieuwe eenheid de oudste aansluiting
verwijderd.
AAC
.m4a, .m4b, .aac
AAC LC (MPEG-4
part III Audio),
HE-AAC (aacPlus
v1/v2)
Om de lijst te verwijderen moet u de fabrieksinstellingen herstellen, zie het artikel "Instellingen
resetten op instellingsscherm".
WMA
.wma
WMA8/9,
WMA9/10 Pro
WAV
.wav
LPCM
FLAC
.flac
FLAC
Systeemvolumes
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Geluid Systeemvolumes om
instellingen te verrichten voor het volgende:
• Stembediening
• Navigatie
• Beltoon
Videobestanden
Formaat
Bestandsextensie
MP4
.mp4, m4v
MPEG-PS
.mpg, .mp2, .mpeg, .m1v
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 439
AUDIO EN MEDIA
||
Formaat
Bestandsextensie
Bestandsextensie
.divx, .avi
AVI
.avi
4 GB
AVI (DivX)
.avi, divx
Maximale
bestandsgrootte
ASF
.asf, .wmv
Audiocodec
MP3, AC3
MKV
.mkv
Ondertiteling
XSUB
Speciale functies
Alternatieve ondertitels,
alternatieve audiotracks,
weergave hervatten
Ondertiteling
Formaat
Bestandsextensie
SubViewer
.sub
SubRip
.srt
SSA
.ssa
DivX®
DivX-gecertificeerde eenheden zijn getest op
hoogkwalitatieve videoweergave van DivX
(.divx, .avi). Wanneer het DivX-logo zichtbaar is,
kunnen er DivX-films afgespeeld worden.
440
Profile
DivX Home Theater
Videocodec
DivX, MPEG-4
Resolutie
720x576
Audiobitsnelheid
(bit rate)
4.8Mbps
Beeldsnelheid
30 fps
Referentie
Maximumaantal
Voldoet aan alle voorwaarden voor het DivX
Home Theater-profile.
Breng een bezoek aan
divx.com voor meer informatie en programma’s
om bestanden te converteren naar DivX Home
Theater-video.
Op USB-eenheid opslaan
Het systeem kan gegevens op een aangesloten
USB-eenheid alleen goed lezen, wanneer de
eenheid aan de volgende specificaties voldoet.
Een eventuele mapstructuur is bij afspelen niet
zichtbaar op het middendisplay.
Maximumaantal
Bestanden
15.000
Mappen
1000
Mapniveaus
8
Speellijsten
100
Maximumaantal posten in
een speellijst
1000
Submappen
Onbeperkt
Gerelateerde informatie
•
•
Mediaspeler (p. 430)
Media afspelen (p. 431)
AUDIO EN MEDIA
Telefoon
Overzicht
Een mobiele telefoon met Bluetooth-functie is
draadloos aan te sluiten op het geïntegreerde
handsfreesysteem van de auto.
Het audio- en mediasysteem werkt dan als handsfree en biedt u de mogelijkheid om enkele functies van uw mobiele telefoon op afstand te bedienen. U kunt de mobiele telefoon ook na aansluiting nog via de knoppen op de telefoon bedienen.
Als een mobiele telefoon is gekoppeld en aangesloten is op de auto, kunt u daarmee bellen,
berichten versturen/ontvangen en media streamen. Ook kunt u hem gebruiken als internetverbinding.
•
•
•
Instellingen voor Bluetooth (p. 449)
•
Mediaspeler (p. 430)
Stembediening (p. 114)
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
gebruiken (p. 105)
Microfoon.
Mobiele telefoon.
De telefoon wordt bediend met
het middendisplay, maar hij kan
ook gedeeltelijk worden
gebruikt met stembediening en
het appmenu, die bereikbaar
zijn via de knoppenset rechts
op het stuurwiel.
Telefoonfuncties op middendisplay.
Knoppenset voor telefoonfuncties die op het
bestuurdersdisplay verschijnen en voor stembediening.
Bestuurdersdisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Verbinding met telefoon (p. 442)
Telefoon aansluiten/loskoppelen (p. 443)
Telefoonfuncties (p. 444)
Berichtfuncties (p. 445)
Instellingen voor telefoon (p. 446)
Instellingen voor tekstbericht (p. 447)
441
AUDIO EN MEDIA
Verbinding met telefoon
Koppel een telefoon met Bluetooth-functie aan
de auto, zodat u vervolgens vanuit de auto kunt
bellen, berichten kunt versturen/ontvangen,
media kunt streamen en met de auto verbinding
kunt maken met internet.
Er kunnen twee Bluetooth-eenheden tegelijk zijn
aangesloten, waarbij een van beide dan uitsluitend bestemd is voor het streamen van media. De
laatst aangesloten telefoon wordt automatisch
verbonden om te kunnen bellen, berichten te
kunnen versturen/ontvangen, media te kunnen
streamen en de telefoon te gebruiken voor een
internetverbinding. Zie de paragraaf "Instellingen
voor Bluetooth" om het gebruik van de telefoon
te kunnen veranderen.
U hoeft een eenheid slechts eenmaal te koppelen. Na het koppelen hoeft de Bluetooth-eenheid
niet langer zichtbaar/identificeerbaar te zijn,
alleen moet Bluetooth wel zijn geactiveerd. Om
de auto via internet te kunnen aansluiten op
internet, moet ook "internet sharing" in de mobiele telefoon geactiveerd zijn. Er kunnen maximaal
20 gekoppelde Bluetooth-eenheden in de auto
worden opgeslagen.
U kunt op twee manieren pairen. U zoekt de telefoon vanuit de auto of u zoekt de auto vanaf de
telefoon.
442
Alternatief 1 - telefoon zoeken vanuit de
auto
1.
Maak de telefoon identificeerbaar/zichtbaar
via Bluetooth.
2.
Om de auto op internet aan te sluiten via de
Bluetooth van de telefoon - activeer via
Bluetooth "internet sharing" (wifi-hotspot) op
de telefoon.
3.
Open het deelscherm voor de telefoon.
•
Als er geen telefoon is aangesloten op de
auto - druk op Telefoon toevoegen.
N.B.
•
Bij sommige telefoons moet de berichtenfunctie geactiveerd worden.
•
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel en ze kunnen dus niet allemaal contacten en berichten in de auto
tonen.
Alternatief 2 - auto zoeken vanaf de
telefoon
1.
•
Als er een telefoon is aangesloten op de
. Druk in het
auto - druk op Wijzigen
pop-upvenster op Tel. toevoegen.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare
Bluetooth-eenheden.
4.
Druk op de naam van de te pairen telefoon.
5.
Controleer of de aangegeven cijfercode in de
auto overeenkomt met die op de telefoon.
Accepteer in dat geval op beide punten.
6.
Accepteer of weiger in de telefoon eventuele
opties voor de contactpersonen en de
berichtfuncties van de telefoon.
Open het deelscherm voor de telefoon.
•
Als er geen telefoon is aangesloten op de
auto - druk op Telefoon toevoegen
Auto herkenbaar maken.
•
Als er een telefoon is aangesloten op de
. Druk in het
auto - druk op Wijzigen
pop-upvenster op Telefoon toevoegen
Auto herkenbaar maken.
2.
Activeer Bluetooth op de telefoon.
3.
Om de auto op internet aan te sluiten via de
Bluetooth van de telefoon - activeer via
Bluetooth "internet sharing" (wifi-hotspot) op
de telefoon.
4.
Zoek op de telefoon naar Bluetooth-eenheden.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare
Bluetooth-eenheden.
AUDIO EN MEDIA
5.
6.
7.
Kies de naam van de auto op de telefoon.
Controleer of de aangegeven cijfercode in de
auto overeenkomt met die op de externe
eenheid. Accepteer in dat geval op beide
punten.
Accepteer of weiger in de telefoon eventuele
opties voor de contactpersonen en de
berichtfuncties van de telefoon.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Telefoon (p. 441)
Telefoon aansluiten/loskoppelen (p. 443)
Instellingen voor Bluetooth (p. 449)
Telefoonfuncties (p. 444)
Telefoon aansluiten/loskoppelen
Gekoppelde telefoon aansluiten, loskoppelen of
van telefoon wisselen.
Telefoon automatisch aansluiten
1.
Activeer Bluetooth en 'internet sharing' (wifihotspot) op de telefoon voordat u de auto in
contactslotstand I zet.
2.
Zet de auto in contactslotstand I of hoger.
> De telefoon wordt aangesloten.
Berichtfuncties (p. 445)
N.B.
Telefoon handmatig aansluiten
•
Bij sommige telefoons moet de berichtenfunctie geactiveerd worden.
1.
•
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel en ze kunnen dus niet allemaal contacten en berichten in de auto
tonen.
Activeer Bluetooth alsook 'internet sharing'
(wifi-hotspot) op de telefoon.
2.
Open het deelscherm voor de telefoon en
druk op Telefoon wijzigen.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare
Bluetooth-eenheden.
N.B.
3.
Druk op de naam van de te pairen telefoon.
> De telefoon wordt aangesloten.
Bij een update van het besturingssysteem van
de telefoon wordt de koppeling mogelijk
onderbroken. Verwijder de telefoon dan uit de
auto en breng een nieuwe koppeling tot
stand.
Compatibele telefoons
Hoewel veel moderne telefoons Bluetooth-technologie bieden, zijn niet alle telefoons volledig
compatibel met de auto. Zie
support.volvocars.com voor compatibiliteit.
Telefoon loskoppelen
–
Deactiveer Bluetooth op de telefoon.
De telefoon wordt automatisch losgekoppeld,
wanneer deze buiten het bereik van de auto
komt. Als u de telefoon tijdens een lopend telefoongesprek loskoppelt, kunt u het gesprek via
de telefoon voortzetten.
Van telefoon wisselen
1.
Open het deelscherm voor de telefoon.
}}
443
AUDIO EN MEDIA
||
2.
3.
.
Druk op Wijzigen
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare
Bluetooth-eenheden.
Telefoonfuncties
2.
Verwerking van gesprekken in de auto voor een
telefoon met Bluetooth-verbinding.
Druk op de aan te sluiten telefoon.
Telefoon verwijderen
1.
Open het deelscherm voor de telefoon.
3.
Druk op Bel of op
2.
Druk op Instellingen Communicatie
Bluetooth.
> Er verschijnt een lijst met gekoppelde
Bluetooth-eenheden.
4.
Druk op Ophangen om het gesprek te
beëindigen.
3.
Druk op de te verwijderen telefoon.
4.
Druk op App. verwijderen en bevestig uw
keuze.
> De telefoon is daarmee niet langer
gekoppeld aan de auto.
•
•
•
•
•
Ruggespraak
Tijdens lopende gesprekken:
Telefoon (p. 441)
Verbinding met telefoon (p. 442)
1.
Druk op Voeg gesprek toe.
2.
Geef aan hoe u wilt bellen: via de gesprekkenlijst of via de contactenlijst.
3.
Druk op een post/regel in de gesprekkenlijst
of op
voor de contactpersoon in de contactenlijst.
4.
Druk op Wissel gesprek om te wisselen
tussen gesprekken.
5.
Druk op Ophangen om het lopende
gesprek te beëindigen.
Instellingen voor telefoon (p. 446)
Instellingen voor Bluetooth (p. 449)
Contactslotstanden (p. 370)
.
Het is ook mogelijk om te bellen via de gesprekkenlijst op het appmenu, dat toegankelijk is via
rechts op het stuurwiel.
de knoppenset
Gerelateerde informatie
Bellen
1.
444
Geef aan hoe u wilt bellen: via de gesprekkenlijst, via de contactenlijst of geef het nummer aan via de knoppenset. U kunt de contactenlijst doorzoeken of doorbladeren. Druk
in de contactenlijst om een contact
op
onder te brengen onder Favorieten.
Open het deelscherm voor de telefoon.
AUDIO EN MEDIA
Conferentiegesprek
Tijdens ruggespraak:
1.
Druk op Gespr. samenv. om de lopende
gesprekken samen te voegen.
2.
Druk op Ophangen om het gesprek te
beëindigen.
Privégesprek
Berichtfuncties
–
Verwerking van berichten in de auto voor een
telefoon met Bluetooth-verbinding.
• Naar mobiele telefoon schakelen - de
handsfree-functie wordt uitgeschakeld en
het gesprek gaat verder via de mobiele
telefoon.
• Alleen bestuurder - de microfoon in het
Telefoonoproepen
Telefoonoproepen verschijnen op het bestuurdersdisplay en op het middendisplay. Voer het
gesprek met de knoppenset rechts op het stuurwiel of met het middendisplay.
1.
Druk op Antwoorden/Afwijzen.
2.
Druk op Ophangen om het gesprek te
beëindigen.
Telefoonoproepen tijdens lopende
telefoongesprekken
1. Druk op Antwoorden/Afwijzen.
2.
Druk op Ophangen om het gesprek te
beëindigen.
Druk tijdens een lopend gesprek op Privacy
en kies de instelling:
plafond aan de passagierszijde wordt uitgeschakeld en het gesprek gaat verder
via de handsfree-functie van de auto.
Op sommige telefoons moet de functie 'Berichten' worden geactiveerd. Ook zijn niet alle telefoons volledig compatibel en deze kunnen geen
contacten en meldingen in de auto tonen. Zie
support.volvocars.com voor compatibiliteit.
Bericht lezen op middendisplay
Gerelateerde informatie
•
•
•
Telefoon (p. 441)
Stembediening telefoon (p. 116)
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
gebruiken (p. 105)
•
Het toetsenbord in het middendisplay
gebruiken (p. 49)
•
Instellingen voor telefoon (p. 446)
}}
445
AUDIO EN MEDIA
||
2.
1.
Druk in het appscherm op Berichten om het
te openen.
2.
Druk op Oplezen om het bericht te laten
voorlezen of druk op het bericht dat u wilt
laten voorlezen.
Nieuw bericht lezen op middendisplay
Een tekstbericht verschijnt alleen op het bestuurdersdisplay als dit geselecteerd is, zie paragraaf
"Instellingen voor tekstbericht".
–
Druk op de pijl-omlaag van de knoppenset
op het stuurwiel om het bericht te lezen.
Kies met de knoppenset op het stuurwiel
voor Oplezen om het bericht te laten voorlezen.
Bericht versturen
1.
446
•
Berichten beantwoorden - op de contactpersoon drukken wiens bericht moet worden beantwoord en druk vervolgens op
Antwoorden.
•
Nieuw bericht schrijven - op Nwe. maken
+ drukken. Kies een contactpersoon of
voer een nummer in.
3.
Schrijf een bericht.
4.
Druk op Verzenden.
Instellingen voor telefoon
Instellingen voor aangesloten telefoon.
Telefoon
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
kies instellingen.
• Beltonen - beltoon kiezen. U kunt de
beltoon van de gekoppelde telefoon of die
van de auto gebruiken. Bepaalde telefoons zijn niet volledig compatibel en
daardoor is het niet mogelijk de beltonen
van zo'n telefoon in de auto te gebruiken.
Zie support.volvocars.com voor compatibiliteit.
Berichtmelding
Zie paragraaf "Instellingen voor tekstbericht" voor
meldingsinstellingen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Telefoon (p. 441)
• Contacten sorteren - sorteervolgorde
Instellingen voor tekstbericht (p. 447)
van contactenlijst kiezen.
Instellingen voor telefoon (p. 446)
Zie paragraaf "Head-updisplay" voor
gespreksberichten op het head-updisplay*.
Stembediening telefoon (p. 116)
Het toetsenbord in het middendisplay
gebruiken (p. 49)
Telefoon en
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Instellingen voor tekstbericht (p. 447)
Instellingen voor Bluetooth (p. 449)
Telefoon (p. 441)
Verbinding met telefoon (p. 442)
Head-updisplay* (p. 111)
Druk in het appscherm op Berichten om het
te openen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
AUDIO EN MEDIA
Instellingen voor tekstbericht
Auto met internetverbinding
Instellingen voor tekstbericht op aangesloten
telefoon.
Een auto met internetverbinding biedt u de
mogelijkheid om gebruik te maken van bijvoorbeeld internetradio en muziekdiensten via apps
en in de auto contact op te nemen met de dealer
en software te downloaden.
Melding
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
en kies instellingen.
Tekstberichten
• Melding in middendisplay - berichtmeldingen op de statusbalk van het middendisplay weergeven.
• Melding in bestuurdersdisplay -
berichten weergeven op het bestuurdersdisplay. Bij berichten op het bestuurdersdisplay kunt u binnenkomende berichten
actief hanteren via de knoppenset rechts
op het stuurwiel.
• Tekstberichttoon - signaal voor binnen-
De auto maakt een internetverbinding tot stand
via Bluetooth, Wi-Fi, een kabelverbinding met de
USB-aansluiting of via de ingebouwde automodem*.
Als de auto is aangesloten, is het mogelijk om de
internetverbinding (wifi-hotspot) te delen, zodat
andere eenheden de internetverbinding kunnen
gebruiken3.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Auto met internet verbinden (p. 448)
Apps (p. 453)
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie (p. 498)
•
•
•
Systeemupdates (p. 501)
•
Internetverbinding delen via Wi-Fi-hotspot
(p. 450)
Volvo ID (p. 23)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 45)
Een symbool op de statusbalk van het middendisplay geeft de status weer van de internetverbinding.
komende sms-berichten kiezen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
3
Telefoon (p. 441)
Verbinding met telefoon (p. 442)
Berichtfuncties (p. 445)
Instellingen voor telefoon (p. 446)
Geldt niet bij aansluiting met Wi-Fi.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 447
AUDIO EN MEDIA
Auto met internet verbinden
De internetverbinding van de auto is tot stand te
brengen via een telefoon met Bluetooth, Wi-Fi of
een kabel in de USB-aansluiting of via de ingebouwde automodem*.
De mobiele telefoon en de provider moeten
ondersteuning bieden voor tethering (delen van
de internetverbinding) en het abonnement moet
inclusief dataverkeer zijn.
lijkheid van klantengegevens op
support.volvocars.com.
Internetverbinding via Bluetooth
Zie Verbinding met telefoon.
Internetverbinding via Wi-Fi
N.B.
Bij gebruik van internet wordt data overgebracht (dataverkeer) en dat kan kosten met
zich meebrengen.
Het activeren van dataroaming kan tot verdere kosten leiden.
Informeer bij uw provider naar de kosten voor
dataverkeer.
1.
Activeer "internet sharing" (wifi-hotspot) op
de mobiele telefoon.
2.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
3.
Druk op Communicatie
4.
Activeer/deactiveer de optie door het vakje
voor Wi-Fi aan/uit te vinken.
5.
Druk op de naam van het netwerk waarop u
wilt aansluiten.
6.
Geef het wachtwoord van het netwerk aan.
7.
Gebruikte u eerder een andere methode voor
internetverbinding - bevestig de keuze van
een andere verbindingsmethode.
> De auto maakt een verbinding tot stand
met het netwerk.
N.B.
Bij gebruik van Apple CarPlay kunt u alleen
een internetverbinding voor de auto maken
via Wi-Fi of de automodem*.
Lees voordat u verbinding maakt de Servicevoorwaarden en het Beleid inzake vertrouwe-
448
Wi-Fi.
Let erop dat sommige telefoons de internetverbinding verbreken, wanneer de verbinding met de
auto is verbroken (zoals wanneer u de auto
ergens parkeert tot de volgende keer dat u hem
nodig hebt). In dat geval moet u bij een volgend
gebruik van de telefoon de "internet sharing"
opnieuw activeren.
Een telefoon die verbinding heeft gemaakt met
de auto wordt opgeslagen voor later gebruik. Als
het maximum aantal opgeslagen telefoons (50)
wordt bereikt, wordt de telefoon verwijderd die als
eerste verbinding heeft gemaakt. Om de lijst met
opgeslagen netwerken weer te geven of opgeslagen netwerken handmatig te verwijderen,
drukt u op Instellingen Wi-Fi Opgeslagen
netwerken.
Zie paragraaf "Techniek en veiligheid rond Wi-Fi"
voor eisen aan de netwerkaansluiting.
Verbinding via een kabel in de USBaansluiting
1.
Sluit de telefoon via een kabel aan op de
USB-aansluiting in het opbergvak in de tunnelconsole.
2.
Activeer "internet sharing" via USB op de
mobiele telefoon.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
AUDIO EN MEDIA
3.
Gebruikte u eerder een andere methode voor
internetverbinding - bevestig de keuze van
een andere verbindingsmethode.
> De auto maakt een verbinding tot stand
met het netwerk.
Internetverbinding via automodem*5
Bij verbinding via de automodem gebruiken de
Volvo On Call-diensten deze verbinding.
4.
5.
6.
1.
Activeer/deactiveer de optie door het vakje
voor Internet via automodem aan/uit te
vinken.
Gebruikte u eerder een andere methode voor
internetverbinding - bevestig de keuze van
een andere verbindingsmethode.
Geef de pincode van de simkaart aan.
> De auto maakt een verbinding tot stand
met het netwerk.
Instellingen voor Bluetooth
Instellingen voor telefoon met Bluetooth-aansluiting.
Bluetooth
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
kies instellingen.
• Eerder gepairde apparaten - lijst met
gekoppelde eenheden weergeven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Plaats een persoonlijke simkaart in de houder.
2.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
3.
Druk op Communicatie
automodem.
5 Alleen
Internet via
App.
verwijderen - eerder gekoppelde eenheid
verwijderen.
Auto met internetverbinding (p. 447)
Verbinding met telefoon (p. 442)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 45)
•
•
•
Wi-Fi-netwerk verwijderen (p. 451)
•
•
•
Instellingen voor automodem* (p. 452)
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi (p. 452)
Toegestane diensten voor dit
apparaat - aangeven of afbeeldingen moeten worden getoond.
• Internetverbinding - kiezen of u via de
Bluetooth-verbinding van de eenheid verbinding met internet wilt maken.
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 451)
• Apparaat toevoegen - nieuwe eenheid pairen.
Instellingen voor Bluetooth (p. 449)
Apple CarPlay* (p. 437)
Bluetooth en
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Auto met internetverbinding (p. 447)
Telefoon (p. 441)
Verbinding met telefoon (p. 442)
Mediaspeler (p. 430)
auto's met Volvo On Call.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 449
AUDIO EN MEDIA
Internetverbinding delen via Wi-Fihotspot
Als de auto is aangesloten, is het mogelijk om
de internetverbinding te delen, zodat andere
eenheden de internetverbinding kunnen gebruiken.7
De provider (simkaart) moet ondersteuning bieden voor tethering (delen van de internetverbinding).
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
auto.
3.
Druk op Netwerknaam en geeft de wifi-hotspot een naam.
4.
Druk op Wachtwoord en kies een wachtwoord dat u vervolgens op de te koppelen
eenheden moet aangeven.
5.
7
450
Geldt niet bij aansluiting met Wi-Fi.
N.B.
Het activeren van Wi-Fi-hotspot kan tot verdere kosten van uw provider leiden.
Informeer bij uw provider naar de kosten voor
dataverkeer.
Wi-Fi hotspot
Druk op Frequentieband en kies de zendfrequentie voor de wifi-hotspot. Let erop dat
de te hanteren frequentieband niet op alle
markten te specificeren is.
6.
Activeer/deactiveer de optie door het vakje
voor Wi-Fi hotspot auto aan/uit te vinken.
7.
Als Wi-Fi eerder is gebruikt als methode voor
internetverbinding bevestigt u de keuze van
een andere verbindingsmethode.
> Externe eenheden kunnen vervolgens verbinding maken met de 'internet sharing'
(Wi-Fi-hotspot) van de auto.
Een symbool op de statusbalk van het middendisplay geeft de status weer van de internetverbinding.
Druk op Aangesloten apparaten voor een lijst
met de op dit moment aangesloten eenheden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Auto met internetverbinding (p. 447)
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi (p. 452)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 45)
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 451)
AUDIO EN MEDIA
Geen internetverbinding of een
slechte verbinding
Storingen in het netwerk.
De hoeveelheid data die wordt overgebracht is
afhankelijk van welke diensten of apps in de auto
worden gebruikt. Het streamen van audio kan bijvoorbeeld tot een grote hoeveelheid dataverkeer
leiden en dat vereist een goede verbinding en
signaalsterkte.
Gerelateerde informatie
•
•
Auto met internetverbinding (p. 447)
Auto met internet verbinden (p. 448)
Wi-Fi-netwerk verwijderen
Niet gebruikte netwerken verwijderen.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Wi-Fi
3.
Druk op Vergeten voor het te verwijderen
netwerk.
4.
Bevestig uw keuze.
> De auto zal vervolgens geen verbinding
tot stand brengen met het desbetreffende
netwerk.
Mobiele telefoon in de auto
De snelheid binnen de aansluiting kan variëren
afhankelijk van de positie van de mobiele telefoon in de auto. Plaats de mobiele telefoon dichter bij het middendisplay om de signaalsterkte te
verbeteren. Zorg dat de signalen niet worden
gehinderd.
Mobiele telefoon en provider
De snelheid binnen het mobiele netwerk varieert
afhankelijk van de dekking op de plek waar u zich
bevindt. Een slechtere netwerkdekking is bijvoorbeeld mogelijk in tunnels, achter bergen, in diepe
dalen of binnenshuis. De snelheid is ook afhankelijk van uw overeenkomst met uw teleprovider.
N.B.
Opgeslagen netwerken.
Alle netwerken uit geheugen
verwijderen
U kunt alle netwerken in één keer verwijderen
door de fabrieksinstellingen te herstellen. Houd
er in dat geval rekening mee dat dan de fabrieksinstellingen worden hersteld voor alle gebruikersgegevens en systeeminstellingen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Auto met internetverbinding (p. 447)
Auto met internet verbinden (p. 448)
Instellingen resetten op instellingsscherm
(p. 175)
Neem bij problemen met de dataoverdracht
contact op met uw provider.
451
AUDIO EN MEDIA
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi
Instellingen voor automodem*9
Mogelijke netwerktypes voor aansluiting.
De auto is uitgerust met een modem die u kunt
gebruiken om de auto met internet te verbinden.
U kunt de internetverbinding tevens delen via
Wi-Fi.
Aansluiting is alleen mogelijk op netwerken van
het volgende type:
•
•
•
Frequentie - 2,4 of 5 GHz8.
Standaarden - 802.11 a/b/g/n.
Beveiligingstype - WPA2-AES-CCMP.
Het Wi-Fi-systeem van de auto is zo ingericht dat
het Wi-Fi-eenheden in de auto kan hanteren.
Als meerdere eenheden op dezelfde frequentie
actief zijn, kunnen de prestaties afnemen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
8
9
452
Auto met internetverbinding (p. 447)
Auto met internet verbinden (p. 448)
Internetverbinding delen via Wi-Fi-hotspot
(p. 450)
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 451)
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie Internet via
automodem en kies instellingen.
• Pincode simkaart
Wijzig
pincode - maximaal 4 cijfers aangeven.
Pincode
blokkeren - aangeven of de pincode vereist
is voor gebruik van de simkaart.
• Gevraagde code verzenden - bestemd om
bijvoorbeeld het saldo op een chipkaart op te
laden of te controleren. Deze functie is
afhankelijk van de provider.
• Internet via automodem - aangeven of
automodem moet worden gebruikt voor internetverbinding.
• Datagebruik - bij het indrukken van Reset
worden de tellers voor de ontvangen en verstuurde hoeveelheid gegevens op nul gezet.
Gerelateerde informatie
•
•
Auto met internetverbinding (p. 447)
Internetverbinding delen via Wi-Fi-hotspot
(p. 450)
• Netwerk
Aanbieder
selecteren - netwerkprovider automatisch of
handmatig kiezen.
Roaming - is dit vakje aangevinkt, dan zal de
automodem proberen verbinding te maken
met internet op het moment dat de auto zich
in het buitenland buiten het thuisnetwerk
bevindt. Denk eraan dat dit tot hoge kosten
kan leiden. Controleer uw roamingovereenkomst met betrekking tot dataverkeer in het
buitenland met uw netwerkprovider in uw
eigen land.
Het kiezen van een frequentie is niet op alle markten mogelijk.
Alleen auto's met Volvo On Call.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
AUDIO EN MEDIA
Apps
Applicaties (apps) zijn programma's die worden
gebruikt voor bediening van bepaalde autofuncties.
Sommige apps kunt u alleen gebruiken, als de
auto een internetverbinding heeft.
Apps downloaden, bijwerken of
verwijderen
–
U kunt nieuwe apps downloaden en bestaande
apps bijwerken of verwijderen.
Druk op een app op het appscherm om deze
te starten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Auto met internetverbinding (p. 447)
Apps downloaden, bijwerken of verwijderen
(p. 453)
Instellingen wijzigen voor apps (p. 175)
N.B.
Het downloaden van data kan van invloed zijn
op andere diensten die gebruik maken van
gegevensuitwisseling, zoals de internetradio.
Als u deze invloed op andere diensten als
hinderlijk ervaart, kunt u het downloaden
annuleren. Het is ook mogelijk om andere
diensten te annuleren of tijdelijk te onderbreken.
De apps zijn te hanteren via
Updates op het applicatiescherm.
Om apps te kunnen downloaden, bijwerken of verwijderen
moet de auto een internetverbinding hebben.
App downloaden
Applicatiescherm.
1.
Open de app Updates.
Bepaalde basisapps zijn altijd beschikbaar. Er zijn
meer apps te downloaden. De apps die gedownload kunnen worden variëren, maar het kan bijvoorbeeld gaan om internetradio en muziekdiensten.
2.
Kies Zoeken om een lijst te openen met de
apps die beschikbaar zijn voor installatie in
de auto.
}}
453
AUDIO EN MEDIA
||
3.
Druk op een bepaalde app om de lijst uit te
vouwen en meer informatie over de app te
krijgen.
4.
Kies Installeren om de app van uw keuze te
downloaden.
> De installatiestatus wordt voortdurend
aangegeven.
Als een bepaalde download niet kan starten, verschijnt een melding. De app blijft
echter op de downloadlijst staan, zodat u
later een nieuwe poging tot downloaden
kunt doen.
Downloaden annuleren
– Druk op Annuleer om een lopende download te annuleren.
Let erop dat alleen de download te annuleren is,
zodat u een eventuele installatiefase niet meer
kunt annuleren zodra deze van start gegaan is.
Apps bijwerken
Als bij het bijwerken van een app blijkt dat de
desbetreffende app in gebruik is, wordt deze app
opnieuw gestart om de installatie te voltooien.
Alle apps bijwerken
1. Open de app Updates.
2.
Kies Alles installeren.
> De update start.
Bepaalde apps bijwerken
1. Open de app Updates.
454
2.
Kies Applicatie-updates om een lijst te
openen met alle beschikbare updates.
3.
Zoek de gewenste app op en kies
Installeren.
> De update start.
App verwijderen
U kunt een app niet verwijderen, wanneer deze
gebruikt wordt.
1.
Open de app Updates.
2.
Kies Applicatie-updates om een lijst te
openen met alle geïnstalleerde apps.
3.
Zoek de gewenste app op en kies Deinstall. om de app te verwijderen.
> Zodra de app verwijderd is, verdwijnt deze
uit de lijst.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Auto met internetverbinding (p. 447)
Radio (p. 423)
Mediaspeler (p. 430)
Systeemupdates (p. 501)
AUDIO EN MEDIA
Licentieovereenkomst voor audio en
media
Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen te verrichten of het recht om gebruik te maken van
een product waar een andere rechtspersoon
octrooi of eigendomsrechten op heeft, onder de
voorwaarden vervat in de overeenkomst. Hier
volgen de teksten van de overeenkomsten tussen Volvo en producenten/ontwikkelaars. Een
groot aantal van deze teksten is in het Engels.
Bowers & Wilkins
Bowers & Wilkins en B&W zijn handelsmerken
van B&W Group Ltd. Nautilus is een handelsmerk
van B&W Group Ltd. Kevlar is een geregistreerd
handelsmerk van DuPont.
Dirac Unison®
DivX®
Dirac Unison optimaliseert de luidsprekers qua
tijd, ruimte en frequentie voor optimale basintegratie en helderheid. De technologie maakt ook
een waarheidsgetrouwe weergave mogelijk van
de akoestische eigenschappen van specifieke
concertzalen. Met behulp van geavanceerde algoritmes stuurt Dirac Unison op digitale wijze alle
luidsprekers aan op basis van akoestische metingen met een grote nauwkeurigheid. Net als een
echte dirigent garandeert Dirac Unison dat de
luidsprekers bij de weergave perfect op elkaar
zijn afgestemd.
DivX®, DivX Certified® en daaraan gerelateerde
logo's zijn handelsmerken die eigendom zijn van
Rovi Corporation of diens dochterondernemingen
en worden gebruikt onder licentie.
Over DIVX VIDEO: DivX® is een digitaal videoformaat, dat is gemaakt door DivX, LLC, een dochterbedrijf van Rovi Corporation. Dit is een officieel
DivX®-gecertificeerde eenheid, die testen heeft
ondergaan om te controleren of hij DivX video
kan afspelen. Breng een bezoek aan divx.com
voor meer informatie en programmatools om
bestanden te converteren naar DivX video.
OVER DIVX VIDEO-ON-DEMAND: Om Video-onDemand-films (VOD) in DivX-formaat te kunnen
afspelen moet u deze DivX Certified® eenheid
eerst registreren. U vindt uw registratiecode via
de sectie DivX VOD in het instellingenmenu van
de eenheid. Breng voor meer informatie over het
afronden van de registratie een bezoek aan
vod.divx.com.
}}
455
AUDIO EN MEDIA
||
Octrooinummer
Beschermd door een of meer van de volgende
octrooien in de VS. 7,295,673; 7,460,668;
7,515,710; 8,656,183; 8,731,369; RE45,052
Gracenote®
Het copyright © van bepaalde delen van de
inhoud berust bij Gracenote of zijn leveranciers.
Gracenote, Gracenote-logo en -logotype,
"Powered by Gracenote" en Gracenote MusicID
zijn geregistreerde handelsmerken of handelsmerken die eigendom zijn van Gracenote, Inc. in
de VS en/of andere landen.
Licentieovereenkomst Gracenote®
Deze toepassing of dit apparaat bevat software
van Gracenote, Inc. uit Emeryville, Californië (‘Gracenote’). Met de software van Gracenote (“Gracenote-software”) kan deze toepassing schijf- en of
bestandsidentificatie uitvoeren en muziekverwante gegevens ophalen, waaronder informatie
over de naam, artiest, track en titel (“Gracenotegegevens”) vanuit online-servers of ingesloten
456
databases (samen “Gracenote-servers”). De toepassing kan tevens andere functies verrichten. U
mag Gracenote-gegevens uitsluitend gebruiken
door middel van de beoogde eindgebruikersfuncties van deze toepassing of dit apparaat.
U stemt ermee in de Gracenote-gegevens, de
Gracenote-software en Gracenote-servers uitsluitend voor uw eigen, niet-commercieel privégebruik te gebruiken. U stemt ermee in de Gracenote-software of welke Gracenote-gegevens dan
ook niet aan derden toe te wijzen, te kopiëren,
over te dragen of door te zenden. U STEMT
ERMEE IN DE GRACENOTE-GEGEVENS, DE
GRACENOTE-SOFTWARE OF DE GRACENOTESERVERS UITSLUITEND TE GEBRUIKEN OP
DE MANIER DIE HIERIN UITDRUKKELIJK
WORDT TOEGESTAAN.
U stemt ermee in dat uw niet-exclusieve licentie
om de Gracenote-gegevens, de Gracenote-software en de Gracenote-servers te gebruiken, zal
worden beëindigd als u inbreuk maakt op deze
beperkingen. Als uw licentie wordt beëindigd,
stemt u ermee in op geen enkele wijze meer
gebruik te maken van de Gracenote-gegevens,
de Gracenote-software en de Gracenote-servers.
Gracenote behoudt zich alle rechten voor met
betrekking tot de Gracenote-gegevens, de Gracenote-software en de Gracenote-servers, inclusief alle eigendomsrechten. In geen geval is Gracenote aansprakelijk voor betaling aan u voor
informatie die u verschaft. U stemt ermee in dat
Gracenote, Inc. volgens deze overeenkomst uit
eigen naam rechtstreeks mag toezien op naleving van de rechten jegens u.
De Gracenote-service gebruikt een unieke identificatiecode om query's na te sporen voor statistische doeleinden. Het doel van deze willekeurig
toegewezen numerieke code is om de Gracenote-service query's te laten tellen zonder te
weten wie u bent. Ga voor meer informatie naar
de webpagina over het Privacybeleid van Gracenote voor de Gracenote-service.
De licentie voor de Gracenote-software en alle
onderdelen van de Gracenote-gegevens wordt
verstrekt op "AS IS"-basis. Gracenote doet geen
toezeggingen en verstrekt geen garantie, uitdrukkelijk of stilzwijgend, ten aanzien van de juistheid
van de Gracenote-gegevens in de Gracenoteservers. Gracenote behoudt zich het recht voor
om gegevens te verwijderen van de Gracenoteservers of om gegevenscategorieën te wijzigen
als Gracenote hiertoe voldoende reden ziet. Er
wordt geen garantie verstrekt dat de Gracenotesoftware of Gracenote-servers geen onjuistheden
bevatten of dat het functioneren van de Gracenote-software of Gracenote-servers ononderbroken zal zijn. Gracenote is niet verplicht u te voorzien van nieuwe, verbeterde of extra gegevenstypen of -categorieën die Gracenote mogelijk in de
toekomst verschaft; Gracenote mag de diensten
op elk moment beëindigen.
GRACENOTE WIJST ALLE GARANTIES, UITDRUKKELIJK OF STILZWIJGEND, INCLUSIEF
AUDIO EN MEDIA
MAAR NIET BEPERKT TOT STILZWIJGENDE
GARANTIES MET BETREKKING TOT VERKOOPBAARHEID, GESCHIKTHEID VOOR EEN
BEPAALD DOEL, EIGENDOMSRECHT EN HET
GEEN INBREUK MAKEN OP RECHTEN VAN
DERDEN, VAN DE HAND. GRACENOTE VERSTREKT GEEN GARANTIES TEN AANZIEN VAN
DE RESULTATEN DIE WORDEN VERKREGEN
VOOR UW GEBRUIK VAN GRACENOTE-SOFTWARE OF WELKE GRACENOTE-SERVER DAN
OOK. GRACENOTE IS IN GEEN GEVAL AANSPRAKELIJK VOOR INDIRECTE OF GEVOLGSCHADE, GEDERFDE WINST OF VERLIES VAN
INKOMSTEN.
© Gracenote, Inc. 2009
Sensus software
This software uses parts of sources from clib2
and Prex Embedded Real-time OS - Source
(Copyright (c) 1982, 1986, 1991, 1993, 1994),
and Quercus Robusta (Copyright (c) 1990,
1993), The Regents of the University of
California. All or some portions are derived from
material licensed to the University of California by
American Telephone and Telegraph Co. or Unix
System Laboratories, Inc. and are reproduced
herein with the permission of UNIX System
Laboratories, Inc. Redistribution and use in
source and binary forms, with or without
modification, are permitted provided that the
following conditions are met: Redistributions of
source code must retain the above copyright
notice, this list of conditions and the following
disclaimer. Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer in the
documentation and/or other materials provided
with the distribution. Neither the name of the
<ORGANIZATION> nor the names of its
contributors may be used to endorse or promote
products derived from this software without
specific prior written permission. THIS
SOFTWARE IS PROVIDED BY THE COPYRIGHT
HOLDERS AND CONTRIBUTORS "AS IS" AND
ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY
AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE
ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE
COPYRIGHT OWNER OR CONTRIBUTORS BE
LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT,
INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING,
BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF
SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF
USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS
INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON
ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN
CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT
(INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE)
ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF
THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE
POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE.
This software is based in part on the work of the
Independent JPEG Group.
This software uses parts of sources from
"libtess". The Original Code is: OpenGL Sample
Implementation, Version 1.2.1, released January
26, 2000, developed by Silicon Graphics, Inc. The
Original Code is Copyright (c) 1991-2000 Silicon
Graphics, Inc. Copyright in any portions created
by third parties is as indicated elsewhere herein.
All Rights Reserved. Copyright (C) [1991-2000]
Silicon Graphics, Inc. All Rights Reserved.
Permission is hereby granted, free of charge, to
any person obtaining a copy of this software and
associated documentation files (the "Software"),
to deal in the Software without restriction,
including without limitation the rights to use,
copy, modify, merge, publish, distribute,
sublicense, and/or sell copies of the Software,
and to permit persons to whom the Software is
furnished to do so, subject to the following
conditions: The above copyright notice including
the dates of first publication and either this
permission notice or a reference to http://
oss.sgi.com/projects/FreeB/ shall be included in
all copies or substantial portions of the Software.
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
}}
457
AUDIO EN MEDIA
||
SILICON GRAPHICS, INC. BE LIABLE FOR ANY
CLAIM, DAMAGES OR OTHER LIABILITY,
WHETHER IN AN ACTION OF CONTRACT,
TORT OR OTHERWISE, ARISING FROM, OUT
OF OR IN CONNECTION WITH THE SOFTWARE
OR THE USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE. Except as contained in this notice,
the name of Silicon Graphics, Inc. shall not be
used in advertising or otherwise to promote the
sale, use or other dealings in this Software
without prior written authorization from Silicon
Graphics, Inc.
This software is based in parts on the work of the
FreeType Team.
This software uses parts of SSLeay Library:
Copyright (C) 1995-1998 Eric Young
(eay@cryptsoft.com). All rights reserved
Linux software
The website provides the Source Code "As Is"
and without warranty of any kind.
By downloading Source Code, you expressly
assume all risk and liability associated with
downloading and using the Source Code and
complying with the user agreements that
accompany each Source Code.
Please note that we cannot respond to any
inquiries regarding the source code.
camellia:1.2.0
Copyright (c) 2006, 2007
NTT (Nippon Telegraph and Telephone
Corporation). All rights reserved.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
1.
This product contains software licensed under
GNU General Public License (GPL) or GNU
Lesser General Public License (LGPL), etc.
You have the right of acquisition, modification,
and distribution of the source code of the GPL/
LGPL software.
You may download Source Code from the
following website at no charge: http://
www.embedded-carmultimedia.jp/linux/oss/
download/TVM_8351_013
458
2.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer as
the first lines of this file unmodified.
Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY NTT ``AS
IS'' AND ANY EXPRESS OR IMPLIED
WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED
TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN
NO EVENT SHALL NTT BE LIABLE FOR ANY
DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL,
EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES
(INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR
SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS;
OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER
CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY,
OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF
THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
Unicode: 5.1.0
COPYRIGHT AND PERMISSION NOTICE
Copyright c 1991-2013 Unicode, Inc. All rights
reserved. Distributed under the Terms of Use in
http://www.unicode.org/copyright.html.
Permission is hereby granted, free of charge, to
any person obtaining a copy of the Unicode data
files and any associated documentation (the
"Data Files") or Unicode software and any
associated documentation (the "Software") to
deal in the Data Files or Software without
restriction, including without limitation the rights
to use, copy, modify, merge, publish, distribute,
and/or sell copies of the Data Files or Software,
and to permit persons to whom the Data Files or
Software are furnished to do so, provided that (a)
AUDIO EN MEDIA
the above copyright notice(s) and this permission
notice appear with all copies of the Data Files or
Software, (b) both the above copyright notice(s)
and this permission notice appear in associated
documentation, and (c) there is clear notice in
each modified Data File or in the Software as
well as in the documentation associated with the
Data File(s) or Software that the data or software
has been modified.
THE DATA FILES AND SOFTWARE ARE
PROVIDED "AS IS", WITHOUT WARRANTY OF
ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING
BUT NOT LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT OF THIRD PARTY
RIGHTS. IN NO EVENT SHALL THE
COPYRIGHT HOLDER OR HOLDERS
INCLUDED IN THIS NOTICE BE LIABLE FOR
ANY CLAIM, OR ANY SPECIAL INDIRECT OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES, OR ANY
DAMAGES WHATSOEVER RESULTING FROM
LOSS OF USE, DATA OR PROFITS, WHETHER
IN AN ACTION OF CONTRACT, NEGLIGENCE
OR OTHER TORTIOUS ACTION, ARISING OUT
OF OR IN CONNECTION WITH THE USE OR
PERFORMANCE OF THE DATA FILES OR
SOFTWARE.
Verklaring van overeenstemming voor
Bluetooth®-module
Except as contained in this notice, the name of a
copyright holder shall not be used in advertising
or otherwise to promote the sale, use or other
dealings in these Data Files or Software without
prior written authorization of the copyright holder.
}}
459
AUDIO EN MEDIA
||
Land/
regio
EU:
Exportland: Japan
Producent: Mitsubishi Electric Corporation
Type uitrusting: Audio Navigation Unit
Mitsubishi Electric Corporation verklaart hierbij dat Audio Navigation Unit voldoet aan de eisen en bepalingen van de Europese richtlijn
1999/5/EG.
460
AUDIO EN MEDIA
Land/
regio
China:
1.
■ 使用频率
2.4 - 2.4835 GHz
■ 等效全向辐射
■ 最大
率(EIRP)
率谱密度
天线增益
天线增益
10dBi 时
10dBi 时
≤100 mW 或≤20 dBm ①
≤20 dBm / MHz(EIRP) ①
■ 载频容限
20 ppm
■ 帯外发射
率(在 2.4-2.4835GHz 頻段以外) ≤-80 dBm / Hz (EIRP)
■ 杂散发射(辐射)
•
•
•
•
•
率(对应载波±2.5 倍信道带宽以外)
≤-36 dBm / 100 kHz (30 - 1000 MHz)
≤-33 dBm / 100 kHz (2.4 - 2.4835 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (3.4 - 3.53 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (5.725 - 5.85 GHz)
≤-30 dBm / 1 MHz (其它 1 - 12.75 GHz)
2.不得擅自更改发射频率
大发射
率(包括额外
3.使用时不得对各种合法的无线电通信业
使用
4.使用微
率无线电设备,必须忍
装射频
产生有害干扰
各种无线电业
率放大器),不得擅自外接天线或改用其它发射天线
一旦发现有干扰现象时,应立即停止使用,并采
的干扰或工业
措施消除干扰后方可继续
科学及医疗应用设备的辐射干扰
5.不得在飞机和机场附近使用
}}
461
AUDIO EN MEDIA
||
Land/
regio
Korea:
B 급 기기 (가정용 방송통신기자재)
이 기기는 가정용(B 급) 전자파적합기기로서 주로
가정에서 사용하는 것을
적으로 하며,
든
지역에서 사용할 수 있습니다.
해당 무선설비는 전파혼신 가능성이 있으므로 인명안전과 관련된 서비스는 할 수 없습니다.
Taiwan:
低功率電波輻射性電機管理辦法
第十二條
經型式認證合格之低功率射頻電機,非經許可,公司
變更頻率
商號或使用者均不得擅自
加大功率或變更原設計之特性及功能
第十四條
低功率射頻電機之使用不得影響飛航安全及干擾合法通信;經發現有干擾現象時,應
立停用,改善至無干擾時方得繼續使用
電通信
之干擾
462
前項合法通信,指依電信法規定作業之無線
低功率射頻電機須忍受合法通信或工業
科學及醫療用電波輻射性電機設備
AUDIO EN MEDIA
Land/
regio
Brazilië:
Este equipamento opera em caráter secundário isto e, náo tem direito a protecão contra interferéncia prejudicial, mesmo tipo, e não pode
causar interferéncia a sistemas operando em caráter primário.
Para consultas, visite: www.anatel.gov.br
Kazachstan:
Modelnaam: NR-0V
Producent: Mitsubishi Electric Corporation
Exportland: Japan
}}
463
AUDIO EN MEDIA
||
Land/
regio
Mexico:
Verenigde
Arabische
Emiraten:
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
464
Audio en media (p. 422)
Mediaspeler (p. 430)
Auto met internetverbinding (p. 447)
Gracenote® (p. 433)
Sensus - connectiviteit en entertainment
(p. 29)
AUDIO EN MEDIA
Voorwaarden voor diensten en
beleid inzake vertrouwelijkheid van
klantgegevens
Lees de servicevoorwaarden en het beleid
inzake vertrouwelijkheid van klantengegevens
door op support.volvocars.com.
Servicevoorwaarden
Volvo wil u optimale diensten aanbieden om zo
veilig, comfortabel en aangenaam mogelijk in uw
Volvo te kunnen rijden. Volvo stelt een groot
assortiment aan diensten beschikbaar, van hulp
in noodsituaties tot navigatie en diverse infotainmentdiensten.
Het volledige beleid kunt u doorlezen op
support.volvocars.com.
Gerelateerde informatie
•
Licentieovereenkomst voor audio en media
(p. 455)
•
Licentieovereenkomst voor bestuurdersdisplay (p. 99)
•
Typegoedkeuring voor radareenheden
(p. 311)
Lees deze voorwaarden ("servicevoorwaarden")
zorgvuldig door voordat u de diensten gaat
gebruiken - support.volvocars.com.
Beleid inzake vertrouwelijkheid van
klantengegevens
Dit beleid geldt voor de verwerking van klant- en
persoonsgegevens. Doel van het beleid is om
onze huidige, voormalige en potentiële klanten
een algemeen inzicht te geven in:
•
de omstandigheden waarin wij uw persoonsgegevens verzamelen en gebruiken
•
de soorten persoonsgegevens die wij verzamelen
•
de redenen waarom wij uw persoonsgegevens verzamelen
•
de manier waarop wij met uw persoonsgegevens omgaan.
465
WIELEN EN BANDEN
WIELEN EN BANDEN
Banden
De banden bieden onder meer draagvermogen,
grip op de ondergrond, trillingsdemping en
beschermen de wielen tegen slijtage.
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat,
de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn
belangrijk voor het rijgedrag van de auto.
Nieuwe banden
band op de afbeelding is de 07e week van het
jaar 2015 geproduceerd.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u door
een vakman laten controleren, ook al zien ze er
intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken
wordt, als banden zelden of nooit worden
gebruikt. Daarbij kan de werking van de band
worden aangetast. Dit geldt voor alle banden die
u voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is voor
gebruik.
Slijtage en onderhoud
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op. De rijstijl, de bandenspanning, het
klimaat en de staat van de wegen zijn van invloed
op de snelheid waarmee de banden verouderen
en slijten.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en
neemt de grip op het wegdek stukje bij beetje af.
Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo
nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De laatste cijfers van de
cijferreeks geven de week en het jaar van productie aan. Het is de zogeheten DOT-code
(Department of Transportation) van de band en
bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld 0715. De
468
Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en
slijtpatronen in de banden tegen te gaan kunt u
de wielen op de voor- en achteras onderling van
plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca.
5000 km uit en doe dat daarna om de
10.000 km opnieuw.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, als u niet zeker bent
van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in de slijtage (> 1 mm verschil in profiel-
diepte) van de banden, dienen de minst versleten
banden altijd op de achteras te zitten. Slippende
voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende achterwielen, omdat de auto rechtuit blijft
rijden in plaats van uit te breken met de achterkant waarbij u mogelijk de controle over de auto
verliest. Daarom is belangrijk dat de achterwielen
nooit vóór de voorwielen grip verliezen.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan voor een oncontroleerbare auto zorgen.
Opslag
Bewaar wielen met omgelegde banden altijd liggend of hangend - nooit staand.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Bandenspanning controleren (p. 470)
De draairichting van de banden. (p. 469)
Slijtage-indicator van banden (p. 469)
Bandenspanningscontrolesysteem (p. 471)
Noodreparatieset voor banden (p. 481)
Maataanduiding voor banden (p. 494)
WIELEN EN BANDEN
De draairichting van de banden.
N.B.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een bepaalde
richting draaien, staat deze richting aangegeven
met een pijl op de zijkant van de band.
Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde maat
en ook hetzelfde merk voor beide wielparen
hebt.
Slijtage-indicator van banden
De slijtage-indicator geeft de status aan van de
profieldiepte van de band.
Gerelateerde informatie
•
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting
hebben. Banden mogen alleen van voor naar
achter verwisseld worden, nooit van links naar
rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd
aanbrengt, nemen de remeigenschappen van de
auto af en kunnen de banden regen, sneeuw en
drab minder goed afvoeren. Monteer de banden
met het diepste profiel altijd op de achteras (om
het gevaar voor slippen te verminderen).
Banden (p. 468)
De slijtage-indicator is een smalle ophoging die
dwars op het bandenprofiel staat. Op de zijkant
van de band staan de letters TWI (Tread Wear
Indicator). De slijtage-indicatoren zijn duidelijk
zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten
is dat slechts 1,6 mm van het profiel over is. Vervang de banden dan zo spoedig mogelijk. Let
erop dat een band met een gering profiel zeer
weinig grip op het wegdek heeft bij regen of
sneeuw.
Gerelateerde informatie
•
Banden (p. 468)
469
WIELEN EN BANDEN
Bandenspanning controleren
Het gebruik van de juiste bandenspanning verhoogt de rijveiligheid, bespaart brandstof en
komt de levensduur van banden ten goede.
Dat de bandenspanning na verloop van tijd daalt
is normaal. De bandenspanning varieert ook
afhankelijk van de omgevingstemperatuur. Een te
lage bandenspanning heeft een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de levensduur van
de banden en de rijeigenschappen van de auto.
Wanneer u met een te lage bandenspanning rijdt,
kunnen de banden oververhit en beschadigd
raken. De bandenspanning is van invloed op het
rijcomfort, de geproduceerde weggeluiden en de
rijeigenschappen.
Aanbevolen bandenspanning
staat de juiste bandenspanning voor uw auto
aangegeven bij verschillende belading en snelheid.
Zuiniger rijden met ECO-bandenspanning
Voor optimale zuinigheid bij snelheden tot
160 km/h (100 mph) wordt de ECO-bandenspanning geadviseerd (zowel bij maximale als bij
lichte belading).
Bandenspanning controleren
1.
Controleer iedere maand de bandenspanning. Voer de controle uit bij koude banden,
wat betekent dat de banden even koud/
warm zijn als hun omgeving. Al na enkele
kilometers rijden worden de banden warm en
loopt de spanning op.
2.
Vul zo nodig lucht bij zodat de bandenspanning overeenkomt met de goedgekeurde
bandenspanning op de bandenspanningssticker.
N.B.
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier)
470
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
Gerelateerde informatie
•
•
Banden (p. 468)
Controleer de bandenspanning met het systeem voor bandenspanningscontrole
(p. 473)
•
Band oppompen met de compressor uit de
noodreparatieset voor banden (p. 485)
•
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 566)
WIELEN EN BANDEN
Bandenspanningscontrolesysteem3
Het bandenspanningscontrolesysteem Tyre
Pressure Monitoring System (TPMS) waarschuwt u met een controlesymbool op het
bestuurdersdisplay voor een te lage bandenspanning in één of meer banden van de auto.
Als het symbool eerst ongeveer een minuut knippert en vervolgens constant gaat branden, kan
dat komen doordat het systeem niet in staat is
om een te lage bandenspanning te detecteren of
ervoor te waarschuwen.
Het bandenspanningscontrolesysteem maakt
gebruik van sensoren op de ventielen van de
banden. Bij snelheden van zo'n 30 km/h
(20 mph) of hoger controleert het systeem de
bandenspanning. Als de bandenspanning te laag
is, gaat het controlesymbool voor lage bandenspanning op het bestuurdersdisplay branden en
verschijnt een melding.
Symbool
Betekenis
Het symbool brandt bij een te lage
bandenspanning.
Bij een storing in het TPMS gaat
het symbool eerst ongeveer één
minuut knipperen, waarna het continu brandt.
3
Standaard op bepaalde markten.
Algemene informatie over het systeem voor
bandenspanningscontrole
Iedere band, ook de reserveband*, moet elke
maand gecontroleerd worden. Bij controle moet
de band koud zijn en de luchtdruk hebben die
door de autofabrikant wordt aanbevolen op de
bandenspanningssticker of in de bandenspanningstabel. Als de auto banden heeft met een
andere maat dan de maat die door de fabrikant
wordt aanbevolen, moet u uitzoeken wat voor
deze banden het juiste luchtdrukniveau is.
Als extra veiligheidsmaatregel is de auto voorzien
van een bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS) dat aangeeft wanneer de luchtdruk in
een of meer banden te laag is. Als het controlesymbool voor lage luchtdruk gaat branden, moet
u zo snel mogelijk stoppen, de banden controleren en de banden oppompen tot de juiste druk.
Rijden op banden met een te lage bandenspanning kan ertoe leiden dat de band oververhit
raakt, waardoor de band lek kan gaan. Door een
lage bandenspanning gaat u ook minder zuinig
rijden en gaan de banden minder lang mee én
het kan gevolgen hebben voor ritten met de auto
en het vermogen om tot stilstand te komen. Let
erop dat het TPMS geen vervanging vormt voor
normaal bandenonderhoud. De bestuurder is
ervoor verantwoordelijk dat de bandenspanning
correct is, óók als de grenswaarde voor lage ban-
denspanning niet is bereikt en het controlesymbool daardoor nog niet is gaan branden.
De auto is ook voorzien van een indicator voor
storingen in het TPMS-systeem. Deze geeft aan
wanneer het systeem niet correct werkt. De indicator voor storingen in het TPMS-systeem is
gecombineerd met het controlesymbool voor lage
bandenspanning. Als het systeem een storing
detecteert, gaat het symbool op het bestuurdersdisplay circa één minuut knipperen om vervolgens te blijven branden. Dit wordt telkens herhaald als de auto wordt gestart tot de storing is
verholpen. Als het symbool brandt, kan dat gevolgen hebben voor het vermogen van het systeem
om lage bandenspanning te detecteren en ervoor
te waarschuwen.
Storingen in het TPMS-systeem kunnen diverse
oorzaken hebben, bijvoorbeeld dat er een reservewiel is geplaatst of andere banden of wielen
waardoor TPMS niet correct kan functioneren.
Controleer altijd het controlesymbool voor TPMS
nadat u een of meer banden hebt vervangen om
zeker te weten dat de nieuwe band of het nieuwe
wiel goed werkt in combinatie met TPMS.
Zowel originele fabrieksbanden als naderhand
gemonteerde banden zijn te voorzien van ventielen met TPMS-sensoren. Bij gebruik van een
reservewiel of ander wiel zonder TPMS-sensor
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 471
WIELEN EN BANDEN
||
verschijnt de foutmelding na enkele minuten rijden op het bestuurdersdisplay.
Ook mét dit systeem moet u het normale onderhoud aan de banden blijven plegen.
Melding op bestuurdersdisplay
De volgende meldingen kunnen verschijnen in
combinatie met een brandend controlesymbool:
• Bandenspanningssyst. Service vereist.
• Bandenspanningssyst. Tijdelijk niet
•
Bij vervanging van een van de banden of verhuizing van de TPMS-sensor naar een
andere band moet u de ventielafdichting en
het ventielinzetstuk vervangen.
•
Bij montage van een TPMS-sensor moet de
auto minstens 15 minuten hebben stilgestaan, omdat anders een foutmelding op het
bestuurdersdisplay verschijnt.
•
Controleer het systeem altijd na het verwisselen van wielen om er zeker van te zijn dat
de vervangende wielen compatibel zijn met
het systeem. Zorg ervoor dat nieuwe wielen
een TPMS-sensor hebben. Dit om storingsmeldingen voor het systeem te voorkomen.
beschikbaar
• Bandenspanning laag alsook welke
band(en) het betreft.
• Band nu oppompen, alsook welke
band(en) het betreft.
Als het systeem niet kan vaststellen welke band
een lage spanning heeft, volgt er een algemene
waarschuwing:
• Bandenspanning laag Controleer de
banden
• Band nu oppompen Controleer de
N.B.
Bij het vervangen van de bandenmaat waardoor de aanbevolen bandenspanning verandert, moet het TPMS-systeem opnieuw worden geconfigureerd. Neem voor aanvullende
informatie contact op met een erkende Volvowerkplaats.
banden
Systeem uitschakelen4
Adviezen
•
•
Zorg dat alle banden van de auto, ook de
winterbanden, zijn voorzien van TPMS-sensoren.
Verplaats de sensoren niet tussen verschillende banden.
4 Geldt
472
alleen voor bepaalde markten.
U kunt het bandenspanningscontrolesysteem uitschakelen via het middendisplay.
1.
Parkeer de auto en zet de motor af.
2.
Activeer contactslotstand I.
3.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
4.
Druk op My Car IntelliSafe en verwijder
de markering bij Controle
bandenspanning.
> Het systeem blijft tot heractivering uitstaan.
Gerelateerde informatie
•
•
Banden (p. 468)
Controleer de bandenspanning met het systeem voor bandenspanningscontrole
(p. 473)
•
•
Bandenspanningscontrolesysteem (p. 475)
•
Typegoedkeuring voor bandenspanningscontrolesysteem (p. 477)
Lage bandenspanning verhelpen bij auto's
met bandenspanningscontrolesysteem
(p. 474)
WIELEN EN BANDEN
Controleer de bandenspanning met
het systeem voor
bandenspanningscontrole9
weer te laten verschijnen. Dit kan komen
doordat het systeem nog geen waarde heeft
gemeten of omdat er een kalibratie bezig is.
•
Met het systeem voor bandenspanningscontrole,
Tyre Pressure Monitoring System (TPMS), kunt
u op het middendisplay de bandenspanning
bekijken.
Instellingen voor
bandenspanningscontrolesysteem
Eenheid voor de bandenspanning wijzigen via het
middendisplay:
Status controleren
Open de app Auto status op
het appscherm en druk op
Status om de gemeten waarden voor bandenspanning te
bekijken.
De grafische voorstelling geeft de bandenspanning aan voor alle banden.
Statusscherm10.
1.
Statusindicatie
Als de bandenspanning normaal is (d.w.z. boven
de grenswaarde voor lage bandenspanning ligt),
wordt alleen de waarde voor de bandenspanning
weergegeven.
2.
Druk op Systeem
3.
Onder Bandenspanning kiest u de gewenste eenheid voor de bandenspanning: Bar,
kPa of Psi.
•
•
•
9 Standaard op bepaalde markten.
10 De afbeelding is schematisch. Afhankelijk
Een knipperend controlesymbool dat na ca. 1
minuut constant gaat branden en de melding
Service vereist duiden op een storing in het
systeem.
Een gele markering onder de waarde voor de
bandenspanning duidt op een lage bandenspanning. Stop onmiddellijk om de bandenspanning te controleren/corrigeren.
Een rode markering onder de waarde voor de
bandenspanning duidt op een zeer lage bandenspanning. Stop onmiddellijk om de bandenspanning te corrigeren.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
Eenheden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bandenspanningscontrolesysteem (p. 471)
Bandenspanningscontrolesysteem (p. 475)
Lage bandenspanning verhelpen bij auto's
met bandenspanningscontrolesysteem
(p. 474)
Autostatus (p. 498)
Als de bandenspanningswaarde ontbreekt,
moet u mogelijk enkele minuten sneller dan
30 km/h (20 mph) rijden om de waarde
van de softwareversie en het model zijn afwijkingen mogelijk.
473
WIELEN EN BANDEN
Lage bandenspanning verhelpen bij
auto's met
bandenspanningscontrolesysteem14
2.
Als het bandenspanningscontrolesysteem, Tyre
Pressure Monitoring System (TPMS), waarschuwt, is de bandenspanning in een of meer
banden van de auto te laag.
Pomp de banden op tot de juiste spanning,
volgens de bandenspanningssticker aan de
binnenkant van de portierstijl aan bestuurderszijde.
N.B.
•
Het TPMS hanteert een zogeheten spanningswaarde die gecorrigeerd wordt op
basis van de banden- en buitentemperatuur. Dit betekent dat de bandenspanning
iets kan afwijken van de aanbevolen
spanningswaarden die staan aangegeven
op de bandenspanningssticker op de Bstijl aan bestuurderszijde (tussen voor- en
achterportier). Het kan daarom nodig zijn
warme banden op te pompen tot ca. 0,3
bar, ofwel 30 kPa, boven de aanbevolen
bandenspanning teneinde een bericht
inzake lage spanning weg te nemen.
•
Controleer de bandenspanning bij koude
banden om de verkeerde bandenspanning tegen te gaan. Koude banden hebben dezelfde temperatuur als de omgeving (na ca. 3 uur stilstand). Al na enkele
kilometers rijden worden de banden
warm en loopt de spanning op.
Controleer de bandenspanning en corrigeer deze zo nodig, wanneer het controlesymbool voor TPMS gaat branden
en de melding Bandenspanning laag
of Band nu oppompen verschijnt.
1.
Controleer met een manometer de bandenspanning van de aangegeven banden.
3.
14
474
Standaard op bepaalde markten.
Om het TPMS-symbool en de melding te verwijderen, moet u soms enkele minuten in de
auto rijden op een snelheid hoger dan
30 km/h (20 mph).
WIELEN EN BANDEN
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
WAARSCHUWING
Houd bij het oppompen van een band met
TMPS het mondstuk recht tegen het ventiel
aan om het ventiel niet te beschadigen.
•
Band oppompen met de compressor uit de
noodreparatieset voor banden (p. 485)
Bandenspanningscontrolesysteem1
8
Wijzig zo nodig de referentiewaarden voor het
bandenspanningscontrolesysteem, Tyre
Pressure Monitoring System (TPMS).
Kalibreer het TPMS-systeem na het afstellen van
de bandenspanning volgens de aanbevelingen
van Volvo voor de bandenspanning, bijvoorbeeld
voorafgaand aan rijden met een zware lading of
met een hoge snelheid.
N.B.
De auto moet stilstaan bij het starten van de
kalibratie.
WAARSCHUWING
•
Een verkeerde bandenspanning kan tot
bandenpech leiden, waarbij u de controle
over de auto kunt verliezen.
•
Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
1.
Zet de motor af.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bandenspanningscontrolesysteem (p. 471)
Controleer de bandenspanning met het systeem voor bandenspanningscontrole (p. 473)
Bandenspanningscontrolesysteem (p. 475)
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 566)
}}
475
WIELEN EN BANDEN
||
2.
Pomp de banden op tot de gewenste spanning, volgens de bandenspanningssticker aan
de binnenkant van de portierstijl aan bestuurderszijde.
6.
Druk op Kalibreren en daarna op Klaar.
U kunt de kalibratie ook starten via het
hoofdscherm van het middendisplay. Druk op
Instellingen My Car IntelliSafe en
kies Bandenspanning kalibreren.
7.
Rijd ten minste 10 minuten op een snelheid
van 30 km/h (20 mph) of hoger.
> De kalibratie start automatisch na het
opstarten. Het systeem geeft een bevestiging na afloop van de kalibratie.
De nieuwe referentiewaarden zijn van kracht, totdat u de kalibratie herhaalt.
Gerelateerde informatie
3.
Start de motor.
4.
Open de app Auto status op het appscherm.
5.
Druk op Status om de bandenspanningscontrole te zien.
18
476
Standaard op bepaalde markten.
•
•
•
Bandenspanningscontrolesysteem (p. 471)
Controleer de bandenspanning met het systeem voor bandenspanningscontrole (p. 473)
Lage bandenspanning verhelpen bij auto's
met bandenspanningscontrolesysteem
(p. 474)
WIELEN EN BANDEN
Typegoedkeuring voor
bandenspanningscontrolesysteem2
Pressure Monitoring System (TPMS), staat in
onderstaande tabel.
2
De typegoedkeuring voor de sensoren van het
bandenspanningscontrolesysteem, Tyre
Land/regio
Europa EU
Schrader Electronics Ltd., hereby declares that this TPMS is in compliance with the essential requirements and other provisions of
Directive 1999/5/EC. The Declaration of Conformity may be consulted at emcteam@schrader.co.uk
Servië
Moldavië
22
Standaard op bepaalde markten.
}}
477
WIELEN EN BANDEN
||
Land/regio
Oekraïne
Schrader Electronics і
і
і
і є
(
і
ь
)
і Schrader Electronics
emcteam@schrader.co.uk
Brazilië
Verenigde Arabische Emiraten
TRA
REGISTERED NO:ER36479/14
DEALER NO:DA0047074/10
478
є,
(
є ь
і
і
КМ № 679 і
і
24
і VHSS4
і
2009 .) Д
і
і
і
і
і
і
і
і
ь
WIELEN EN BANDEN
Land/regio
Filippijnen
Jordanië
Kingdom of Jordan Type approval for tyre pressure sensor.
Manufacturer: Schrader Electronics Ltd
Model: VH SS4
Type Approval Number: TRC/LPD/2014/261
Singapore
Complies with
IDA Standards
DA 105282
Zuid-Afrika
}}
479
WIELEN EN BANDEN
||
Land/regio
Marokko
AGREE PAR L'ANRT MAROC
Numéro d'agrément: MR10410 ANRT
2015
Date d'agrément: 21/05/2015
Argentinië
Schrader VHSS4 Numero de Registro CNC: AFTIC: H-14802
Gerelateerde informatie
•
480
Bandenspanningscontrolesysteem (p. 471)
WIELEN EN BANDEN
Noodreparatieset voor banden
Positie
U gebruikt de noodreparatieset voor banden,
Temporary Mobility Kit (TMK), om een lek in een
band tijdelijk af te dichten én om de bandenspanning te controleren en zo nodig aan te passen.
De noodreparatieset voor banden zit in het blok
schuimrubber onder de vloer in de bagageruimte.
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-Ethanol en natuurrubberlatex.
Gevaarlijk bij inname. Kan bij huidcontact
allergie veroorzaken.
Contact met de huid en ogen vermijden.
De noodreparatieset voor banden bestaat uit een
compressor en een bus met afdichtmiddel. Het
afdichtmiddel dient om noodreparaties uit te voeren. Het afdichtmiddel dicht banden met een lek
in het loopvlak effectief af.
De noodreparatieset voor banden leent zich minder goed voor banden met een gat in het zijvlak.
Gebruik de noodreparatieset niet voor banden
met diepe sneeën, barsten of soortgelijke
beschadigingen.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
WAARSCHUWING
Wanneer de vloeistof op de huid terechtkomt,
moet u de vloeistof met een ruime hoeveelheid water en zeep verwijderen.
Locatie in de bagageruimte.24
De bus met afdichtmiddel
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend bedoeld
voor het repareren van banden met een lek in
het loopvlak.
Vervang de bus met afdichtmiddel voordat de
houdbaarheidsdatum verstreken is en na ieder
gebruik. Behandel de vervangen bus als klein
chemisch afval (KCA).
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden gebruiken
(p. 482)
•
Band oppompen met de compressor uit de
noodreparatieset voor banden (p. 485)
•
Banden (p. 468)
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd.
24
De afbeelding is schematisch - afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
481
WIELEN EN BANDEN
Noodreparatieset voor banden
gebruiken
Dicht een lek met de noodreparatieset voor banden, Temporary Mobility Kit (TMK).
Bus met afdichtmiddel
3.
Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de voedingskabel en de luchtslang
erbij.
4.
Schroef het oranje deksel van de compressor
los en draai de drop van de bus.
Knop
Aansluiten
Overzicht
N.B.
Voor het gebruik de verzegeling van de bus
niet verbreken. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
Voedingskabel
1.
Luchtslang
Laat een eventuele spijker of iets dergelijks
in de lekke band zitten. Het lek is zo beter af
te dichten.
Drukreduceerventiel
Beschermdop
Bushouder (oranje deksel)
Manometer
Sticker, toelaatbare maximumsnelheid
482
Plaats een gevarendriehoek en schakel de
alarmlichten in, als u een lekke band moet
afdichten langs een drukke weg.
2.
Verwijder de sticker met de toelaatbare maximumsnelheid (die aan de ene kant van de
compressor zit) en bevestig deze op het
stuurwiel. Rijd na gebruik van de noodreparatieset voor banden nooit sneller dan
80 km/h (50 mph).
WIELEN EN BANDEN
5.
Schroef de bus tot aan de aanslag in de bushouder vast.
> De bus en de bushouder zijn voorzien van
een terugdraaiblokkering om te voorkomen dat er afdichtmiddel weglekt. U kunt
een vastgeschroefde bus niet meer uit de
bushouder losdraaien. De bus is alleen in
een werkplaats te verwijderen; geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan de huid irriteren. Bij
huidcontact het middel direct met zeep en
water afspoelen.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
6.
Draai het ventieldopje van de band los.
Controleer of het drukreduceerventiel van de
luchtslang volledig vastgeschroefd is en
schroef de ventielaansluiting tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het
bandventiel.
7.
Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
N.B.
Zorg er bij een actieve compressor voor dat
geen van de overige 12V-aansluitingen in
gebruik is.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
8.
Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u de compressor
onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat
geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een
erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
N.B.
Als de compressor start, kan de druk tot 6 bar
toenemen. De druk daalt echter na ca. 30
seconden.
9.
Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor mag
niet langer dan 10 minuten werken.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning moet minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar bedragen. (Laat eventueel
lucht ontsnappen via het drukreduceerventiel,
als de bandenspanning te hoog is.)
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in dat
geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een
erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
11. Schakel de compressor uit en koppel de voedingskabel los.
12. Schroef de luchtslang los van het bandventiel en plaats het ventieldopje terug op de
band.
13. Plaats de beschermdop op de luchtslang om
te voorkomen dat restanten afdichtmiddel
weglekken.
}}
483
WIELEN EN BANDEN
||
14. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie minstens 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h (50 mph), zodat het afdichtmiddel
de band kan afdichten.
16. Lees de bandenspanning van de manometer
af.
•
N.B.
Tijdens de eerste slagen die de band ronddraait spuit er afdichtvloeistof uit het gat.
WAARSCHUWING
Houd bij het wegrijden omstanders uit de
buurt van de auto om te voorkomen dat ze
afdichtmiddel op zich krijgen. De afstand
moet minimaal twee meter zijn.
15. Controle achteraf
Sluit de luchtslang aan op het bandventiel en
schroef de ventielaansluiting tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het
bandventiel. De compressor moet zijn uitgeschakeld.
•
Bij een spanning lager dan 1,3 bar is de
band niet goed afgedicht. Beëindig in dat
geval de rit. Neem contact op met een
bandenwerkplaats.
Bij een bandenspanning hoger dan 1,3
bar moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven op de
bandenspanningssticker aan de binnenkant van de portierstijl aan bestuurderszijde (1 bar = 100 kPa). Laat bij een te
hoge bandenspanning lucht uit de band
ontsnappen.
18. Koppel de noodreparatieset voor banden los,
plaats de beschermdop op de luchtslang,
vouw de luchtslang op en plaats deze in de
daarvoor bestemde uitsparing.
Leg de noodreparatieset voor banden (TMK)
in de bagageruimte.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
19. Plaats het ventieldopje terug op de band.
N.B.
17. Als de band moet worden opgepompt:
1. Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
2. Schakel de compressor in en pomp de
band op tot de spanning de bandenspanningssticker.
3. Schakel de compressor uit.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het vervangen over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
484
WIELEN EN BANDEN
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Volvo adviseert u de auto naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats te rijden om de
beschadigde band te laten vervangen/repareren.
Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er
afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
Rijd na het gebruik van de noodreparatieset
voor banden niet sneller dan 80 km/h
(50 mph). Volvo adviseert een bezoek aan
een erkende Volvo-werkplaats voor een
inspectie van de gerepareerde band (maximaal 200 km rijden). Het personeel kan
bepalen of de band te repareren is of moet
worden vervangen.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden (p. 481)
Band oppompen met de
compressor uit de noodreparatieset
voor banden
De originele banden van de auto zijn op te pompen met de compressor uit de noodreparatieset
voor banden.
1.
De compressor moet zijn uitgeschakeld. Zorg
dat de knop in stand 0 staat en neem de
kabel en de luchtslang erbij.
2.
Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
3.
Sluit de kabel aan op een van de
12V-aansluitingen in de auto en start de
motor.
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor mag
niet langer dan 10 minuten werken.
5.
Pomp de band op tot de spanning die op de
bandenspanningssticker aan de binnenkant
van de portierstijl aan bestuurderszijde staat.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning
te hoog is.)
6.
Schakel de compressor uit. Koppel de luchtslang en de kabel los.
7.
Plaats het ventieldopje terug.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die afgesloten zijn of onvoldoende
ventilatie hebben.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
4.
Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
Gerelateerde informatie
•
•
Noodreparatieset voor banden (p. 481)
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 566)
485
WIELEN EN BANDEN
Bij het verwisselen van wielen
Wielen demonteren
U kunt de wielen vervangen door bijvoorbeeld
winterwielen of een reservewiel.
Instructie voor het demonteren van wielen bij het
verwisselen van wielen.
Neem de desbetreffende instructie in acht voor
het demonteren en monteren van wielen.
1.
Bij montage van een andere
bandenmaat
Neem bij montage van een andere bandenmaat
altijd contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor een update van de software. Bij montage van een grotere of kleinere bandenmaat en
ook bij het vervangen van zomerbanden door winterbanden is mogelijk een update van de software vereist.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
486
Wielen demonteren (p. 486)
Wiel monteren (p. 488)
Gereedschap in bagageruimte (p. 491)
2.
Plaats een gevarendriehoek en schakel de
alarmlichten in, als u een wiel moet verwisselen langs een drukke weg.
Schakel de parkeerrem in en schakel stand
P in.
WAARSCHUWING
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft en
vrij van vuil is.
3.
Neem de krik*, de wielsleutel* en het demontagegereedschap voor de kunststof wielboutdoppen uit het blok schuimrubber.
Geldt voor auto's met Besturing
niveauregeling*: Bij een auto met luchtvering moet u de luchtvering uitschakelen,
voordat u de auto met een krik opneemt.
Schakel het systeem uit via het hoofdscherm
van het middendisplay door op Instellingen
My Car Ophanging te drukken en
Reg. ophanging+vering uitsch. te kiezen.
Demontagegereedschap voor kunststof boutafdekkingen.
Winterwielen (p. 490)
Reservewiel* (p. 490)
Wielbouten (p. 489)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WIELEN EN BANDEN
N.B.
5.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met een
krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden
opgekrikt of voor langere tijd zoals bij het
onderling roteren van de banden wordt het
gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg
in dat geval de gebruiksaanwijzing van de
desbetreffende krik.
4.
Plaats wielblokken voor en achter de wielen
die op de grond blijven staan. Gebruik daarvoor bijvoorbeeld grote houten blokken of
grote stenen.
Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in
de wielsleutel* vast.
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto.
BELANGRIJK
De ondergrond dient vast en egaal te zijn en
niet te hellen.
8.
BELANGRIJK
Het sleepoog dient volledig in de wielsleutel
te worden gedraaid.
6.
Verwijder de kunststof boutafdekkingen met
het demontagegereedschap.
7.
Draai de wielbouten ½-1 slag linksom los
met de wielsleutel.
Bij het opnemen van de auto is het belangrijk
dat u de krik of de dragerarmen onder de
voorziene steunpunten in het onderstel van
de auto plaatst. Driehoekige markeringen op
de kunststof afdekking geven aan waar de
kriksteunpunten/hefpunten zitten. Er zitten
aan beide zijden van de auto twee kriksteunpunten. Bij elk steunpunt zit een uitsparing
voor de krik.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 487
WIELEN EN BANDEN
||
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op een krik
staat.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat. Bij het verwisselen van
een wiel langs de kant van de weg moeten
eventuele passagiers op een veilige plek gaan
staan.
9.
Breng de krik omhoog, zodat deze in contact
komt met het kriksteunpunt van de auto.
Controleer of de kop van de krik juist in het
steunpunt is geplaatst, zodat de verhoging in
het midden van de kop in de opening in het
steunpunt past en of de voet loodrecht onder
het steunpunt staat. Let ook op dat u de krik
zo draait dat de slinger zo ver mogelijk van de
zijkant van de auto komt. De armen van de
krik staan dan haaks op de rijrichting van de
auto.
488
Neem de auto zo ver op dat het wiel van de
grond komt. Verwijder de wielbouten en til
het wiel eraf.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 486)
Auto opnemen (p. 504)
Wiel monteren (p. 488)
Gereedschap in bagageruimte (p. 491)
Wiel monteren
Instructie voor het monteren van wielen bij het
verwisselen van wielen.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op een krik
staat.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat. Bij het verwisselen van
een wiel langs de kant van de weg moeten
eventuele passagiers op een veilige plek gaan
staan.
1.
Reinig de contactvlakken tussen het wiel en
de naaf.
2.
Breng het wiel aan. Haal de wielbouten stevig aan.
3.
Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
WIELEN EN BANDEN
4.
Draai de wielbouten kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielbouten stevig aanhaalt. Haal aan met 140 Nm. Controleer het
aanhaalkoppel met een momentsleutel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Wielen demonteren (p. 486)
Bij het verwisselen van wielen (p. 486)
Wielbouten
De wielen zitten met wielbouten op de naven
vast.
Reservewiel* (p. 490)
BELANGRIJK
U dient de wielbouten aan te halen met 140
Nm. Als u ze te strak aanhaalt, kan de boutverbinding beschadigd raken.
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd
zijn door Volvo en deel uitmaken van de originele
accessoires van Volvo. Controleer met een
momentsleutel het aanhaalkoppel van de wielbouten.
Afsluitbare wielbouten*
5.
Plaats de kunststof doppen terug op de wielbouten.
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
In het blok schuimrubber onder de vloer in de
bagageruimte is ruimte om de dop voor de
afsluitbare wielbouten in op te bergen.
Gerelateerde informatie
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 486)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 489
WIELEN EN BANDEN
BELANGRIJK
Winterwielen
•
Rijd met een reservewiel op de auto nooit
sneller dan 80 km/h (50 mph).
Winterwielen zijn aangepast voor winterse
omstandigheden.
•
Rijd nooit met de auto, als deze is voorzien van meer dan één reservewiel van
het type "Temporary Spare".
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van de
motorvariant. Gebruik altijd het juiste type winterbanden op alle vier de wielen.
Reservewiel*
Het reservewiel van het type Temporary spare is
te gebruiken voor tijdelijke vervanging van een
standaardwiel met een lekke band.
Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag in
de ruimte voor het reservewiel. Dezelfde doorloopbout waarmee het blok schuimrubber vastzitten houdt ook het reservewiel in positie. Het blok
schuimrubber bevat al het gereedschap.
De rijeigenschappen van de auto kunnen zich wijzigen bij het gebruik van een compact reservewiel. Vervang het reservewiel dan ook zo spoedig
mogelijk weer door een standaardwiel.
Het reservewiel is kleiner dan het gewone wiel.
Dit heeft gevolgen voor de bodemspeling van de
auto. Wees voorzichtig bij hoge trottoirbanden en
reinig de auto niet in een autowasstraat.
490
•
Neem de bandenspanning in acht die de
fabrikant van het reservewiel adviseert.
•
Bij vierwielaangedreven auto's is de achterwielaandrijving uit te schakelen.
•
Als het reservewiel op de vooras zit, kunt u
geen sneeuwkettingen omleggen.
•
Het reservewiel mag niet worden gerepareerd.
Reservewiel tevoorschijn halen
1.
Pak vloer in de bagageruimte aan de achterzijde beet en klap deze naar voren toe
omhoog.
2.
Draai de bevestigingsbout los.
3.
Til het blok schuimrubber met het gereedschap erin uit de auto.
4.
Til het reservewiel uit de auto.
Gerelateerde informatie
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 486)
N.B.
Informeer bij een Volvo-dealer naar de
geschiktste velgen en banden.
Tips bij het monteren van winterbanden
Noteer bij het vervangen van de zomerbanden
door winterbanden of andersom op de banden
aan welke kant ze zaten: bijvoorbeeld L voor links,
R voor rechts.
Banden met "spikes"
Winterbanden met "spikes" moeten de eerste
500-1000 km rustig worden ingereden, zodat de
"spikes" hun positie in kunnen nemen. Zo gaan
de banden en vooral de "spikes" langer mee.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het gebruik
van banden met spikes verschillen per land.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WIELEN EN BANDEN
Profieldiepte
WAARSCHUWING
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of
vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen. Alleen enkelzijdige sneeuwkettingen zijn toegestaan.
Sneeuwkettingen
Volvo adviseert u om bij twijfel over het juiste
type sneeuwketting contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde
sneeuwketting kan ernstige schade aan de
auto veroorzaken en aanleiding geven tot een
ongeluk.
Volvo adviseert om geen sneeuwkettingen te
gebruiken bij bandenmaten van meer dan
19 inch.
De montage-instructies worden bij originele
sneeuwkettingen van Volvo meegeleverd in de
verpakking.
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor modellen met voorwielaandrijving). Rijd met sneeuwkettingen nooit sneller dan 50 km/h (30 mph). Rijd
evenmin op sneeuwvrije wegen, omdat zowel de
sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten.
Gereedschap in bagageruimte
In de bagageruimte van de auto ligt gereedschap dat bijvoorbeeld bij slepen of bij het verwisselen van een wiel kan worden gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 486)
In het blok schuimrubber onder de vloer in de
bagageruimte ligt het sleepoog van de auto, een
noodreparatieset voor banden, gereedschap om
de kunststof doppen van de wielbouten te verwijderen, de krik* en de wielsleutel*. Er is tevens
ruimte om de dop voor de afsluitbare wielbouten
in op te bergen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 486)
Krik* (p. 493)
Gevarendriehoek (p. 492)
EHBO-set (p. 493)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 491
WIELEN EN BANDEN
Gevarendriehoek
Gerelateerde informatie
•
•
Gebruik de gevarendriehoek om medeweggebruikers te waarschuwen, als u onderweg met
pech stil komt te staan.
Activeer ook de alarmlichten.
Opbergmogelijkheid
De gevarendriehoek zit in de ruimte aan de binnenkant van de achterklep.
Gevarendriehoek opzetten
Open de klep door eerst de knop 90 graden
te draaien en vervolgens de klep uit zijn
bevestigingen aan de boven- en onderkant
te trekken.
Druk het snapslot waarmee de gevarendriehoek vastzit licht naar rechts en verwijder de
houder.
Haal de gevarendriehoek uit de houder, klap
de gevarendriehoek uit en zet de uiteinden in
elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek
uit.
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op om
achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
Zorg er na gebruik voor dat de gevarendriehoek
en de houder goed vastzitten in hun opbergruimte en dat de klep helemaal dicht is.
492
Gereedschap in bagageruimte (p. 491)
Alarmlichten (p. 145)
WIELEN EN BANDEN
Krik*
Gebruik de krik om de auto omhoog te brengen
om bijvoorbeeld een wiel te verwisselen.
Gebruik alleen de originele krik bij vervangen
door het reservewiel of bij wisselen tussen
zomer- en winterbanden. Houd de schroef van de
krik altijd goed ingevet.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor
bestemde plaats in de bagageruimte wanneer
u ze niet nodig hebt.
Geldt voor auto's met niveauregeling*
Bij een auto met luchtvering moet u de luchtvering uitschakelen, voordat u de auto met de krik
opneemt.
Zet de functie uit via het middendisplay:
1.
EHBO-set
De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen
van eerste hulp.
De EHBO-set zit rechts in de bagageruimte.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Reg. ophanging+vering uitsch..
Ophanging .
Gerelateerde informatie
•
•
Gereedschap in bagageruimte (p. 491)
Auto opnemen (p. 504)
De krik past alleen als deze tot in de juiste stand
omlaaggedraaid wordt.
N.B.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met een
krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden
opgekrikt of voor langere tijd zoals bij het
onderling roteren van de banden wordt het
gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg
in dat geval de gebruiksaanwijzing van de
desbetreffende krik.
Gerelateerde informatie
•
Gereedschap in bagageruimte (p. 491)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 493
WIELEN EN BANDEN
Maataanduiding voor wielen
Maataanduiding voor banden
Snelheidsklasse
Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals in
de onderstaande tabel.
Aanduidingen voor de afmetingen, lastindex en
snelheidsklasse van de banden.
Alle wielen hebben een bepaalde maataanduiding, bijvoorbeeld: 8Jx18x42,5.
De typegoedkeuring van de auto geldt in combinatie met bepaalde wielen en banden.
Elke band is berekend op een bepaalde maximumsnelheid. De snelheidsklasse, SS (Speed
Symbol), van de banden moet minimaal overeenkomen met de topsnelheid van de auto. In onderstaande tabel staat welke toelaatbare maximumsnelheid voor de verschillende snelheidsklassen
(SS) geldt. De enige uitzondering hierop vormen
winterbanden25, waarvoor een lagere snelheidsklasse gebruikt mag worden. Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor klasse Q geldt bijvoorbeeld een
maximumsnelheid van 160 km/h (100 mph).) De
gesteldheid van het wegdek is bepalend voor de
maximumsnelheid en niet de snelheidsklasse op
de banden.
8
Velgbreedte in inch
J
Profiel velgrand
18
Velgdiameter van de band
42,5
Bolling in mm (afstand tussen de verticale aslijn door het wiel en het contactvlak met de naaf)
De typegoedkeuring van de auto geldt in combinatie met bepaalde wielen en banden.
Gerelateerde informatie
•
•
Maataanduiding
Alle banden hebben een bepaalde maataanduiding, bijvoorbeeld: 235/60 R18 103 H.
235
Breedte van de band (mm)
60
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
18
Velgdiameter van de band
103
Aanduiding van het draagvermogen van
de band, lastindex (LI)
Banden (p. 468)
Maataanduiding voor banden (p. 494)
H
Aanduiding van de snelheidslimiet van
de band, snelheidsklasse (SS). (In het
gegeven geval 210 km/h (130 mph).)
N.B.
In de tabel staat de maximaal toegestane
snelheid.
Q
160 km/h (100 mph) (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h (118 mph)
H
210 km/h (130 mph)
V
240 km/h (149 mph)
Lastindex
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen,
wat wordt aangeduid met de lastindex (LI). Het
gewicht van de auto bepaalt het draagvermogen
van de banden. De toelaatbare minimumindex
staat in de lastindextabel.
25
494
Onder winterbanden worden zowel banden met als zonder "spikes" verstaan.
WIELEN EN BANDEN
W
270 km/h (168 mph)
Y
300 km/h (186 mph)
WAARSCHUWING
De minimaal toelaatbare lastindex (LI) en de
snelheidsklasse (SS) van de banden op auto’s
met de verschillende motorvarianten vindt u in
de registratiepapieren van de auto. Bij gebruik
van banden met een te lage lastindex of snelheidsklasse kunnen de banden oververhit en
beschadigd raken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden (p. 468)
Maataanduiding voor wielen (p. 494)
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 566)
495
ONDERHOUD EN SERVICE
ONDERHOUD EN SERVICE
Serviceprogramma van Volvo
Autostatus
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die
omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo.
De algehele status van de auto kan worden
weergegeven op het middendisplay, terwijl ook
afspraken voor service kunnen worden gemaakt.
Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen beschikken
over het personeel, het speciale gereedschap en
de servicehandboeken waardoor zij u een zo
hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Om de garantie van Volvo te laten gelden,
moet u het Service- en garantieboekje controleren en volgen.
Gerelateerde informatie
•
Onderhoud aan klimaatregeling (p. 511)
De app Auto status start u
vanaf het appscherm op het
middendisplay. De app heeft
drie tabs:
• Berichten - opgeslagen statusmeldingen
• Status - controleren van bandenspanning en
motoroliepeil
• Afspraken - afspraken maken voor servicebeurten en reparatie.
Gerelateerde informatie
•
Meldingen opgeslagen vanuit het bestuurders- en middendisplay hanteren (p. 109)
•
Controleer de bandenspanning met het systeem voor bandenspanningscontrole (p. 473)
•
•
Motorolie controleren en bijvullen (p. 509)
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie (p. 498)
Afspraak maken voor servicebeurt
en reparatie3
Informatie over geplande afspraken voor service
en reparatie bekijken vanuit een Connected Car.
De informatie wordt verwerkt in de app Auto
status, die u opent vanaf het appscherm op het
middendisplay.
Deze dienst vormt voor bepaalde markten een
handige manier om rechtstreeks vanuit de auto
een afspraak voor service of reparatie te maken.
De autogegevens worden doorgestuurd naar uw
dealer ter voorbereiding op het werkplaatsbezoek. U krijgt van de dealer dan een boekingsvoorstel. Op bepaalde markten herinnert het systeem u tijdig aan geplande afspraken en het navigatiesysteem4 kan bovendien in routebegeleiding
naar de werkplaats voorzien. U kunt in de auto
ook beschikken over informatie over uw dealer.
Ook kunt u op elk gewenst moment contact
opnemen met uw werkplaats.
Voordat de dienst te gebruiken is
Volvo ID
• Maak een Volvo ID aan, zie het artikel "Volvo
ID".
•
3
4
498
Registreer de Volvo ID voor de auto, zie het
artikel "Volvo ID". Als er al een Volvo ID is,
gebruikt u hetzelfde e-mailadres als bij het
aanmaken van het Volvo ID.
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor Sensus Navigation*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ONDERHOUD EN SERVICE
Ander contactadres
Als u een ander e-mailadres wilt opgeven, kunt u
dit doen door contact op te nemen met een
Volvo-dealer.
Volvo-dealer kiezen
Kies de Volvo-dealer waar u contact mee wilt
opnemen voor service en reparaties door naar
www.volvocars.com te gaan en daar verder te
navigeren naar My Volvo.
Connected Service Booking
Vul een boekingsaanvraag in, wanneer u dat wilt
of wanneer op het bestuurdersdisplay en boven
op het middendisplay de melding verschijnt dat
service of reparatie vereist is.
Boekingsaanvraag invullen en versturen
De motor van de auto moet draaien om een boekingsaanvraag te kunnen versturen.
8.
Als Ik lever de auto bij voorkeur in gekozen is, kiest u ook Ik wens vervangend
vervoer als u een leenauto wilt5.
9.
Geef informatie voor de werkplaats aan in
het veld Informatie voor de werkplaats,
bijvoorbeeld of er iets is dat u tijdens het
bezoek aan de werkplaats wilt laten doen of
andere belangrijke informatie voor uw werkplaats.
Voorwaarden voor het maken van afspraken
vanuit de auto
Om afspraakinformatie te kunnen uitwisselen
vanuit de auto, moet de auto verbinding hebben.
Zie het artikel "Connected Car".
Dienst gebruiken
Wanneer het tijd is voor service en in sommige
gevallen ook wanneer de auto aan reparatie toe
is, verschijnt een melding op het bestuurdersdisplay en op het middendisplay. Het tijdstip voor
service wordt bepaald door de verstreken tijd, het
aantal uren dat de motor gedraaid heeft of het
aantal gereden kilometers sinds de laatste servicebeurt.
U kunt een werkplaatsbezoek ook later inplannen
via de webportal My Volvo. Om te zorgen dat uw
dealer de laatste informatie over uw auto krijgt,
kunt u de autogegevens doorsturen. Zie het artikel "Autogegevens sturen" hieronder.
5
Geldt voor bepaalde markten.
1.
Open de app Auto status vanuit het appscherm op het middendisplay.
2.
Druk op de knop Afspraken.
3.
Druk op de knop Afspraak aanvragen.
4.
Zorg ervoor dat u het juiste Volvo-id invult.
5.
Zorg ervoor dat u de gewenste Dealer invult.
6.
Kies Gewenste monteur5.
7.
Selecteer Ik wacht bij voorkeur tijdens
bezoek of Ik lever de auto bij voorkeur
in5.
U kunt ook op de knop drukken en uw gegevens dicteren. De gedicteerde gegevens verschijnen dan in het informatieveld van de
boekingsaanvraag.
}}
499
ONDERHOUD EN SERVICE
||
10. Druk op de knop Afspraakverzoek
verzenden.
> U krijgt binnen enkele dagen een boekingsvoorstel6. U krijgt dezelfde informatie
ook via e-mail toegezonden en de informatie is ook te bekijken op My Volvo.
Als u de boekingsaanvraag hebt verstuurd, verdwijnt voor sommige markten
de melding dat de auto service nodig
heeft van het bestuurdersdisplay.
11. Druk op de knop Verzoek annuleren als u
de aanvraag wilt annuleren.
Bij acceptatie van een boekingsvoorstel wordt de
reactie via uw internetverbinding naar de werkplaats gestuurd.
Autogegevens sturen
De motor van de auto moet draaien om autogegevens te kunnen sturen.
U kunt op elk gewenst moment autogegevens
vanuit de auto verzenden, bijvoorbeeld als u
rechtstreeks via de webportal My Volvo een
afspraak bij de werkplaats maakt. Uw werkplaats
beschikt dan over betere basisgegevens.
De boekingsaanvraag bevat autogegevens wanneer deze via uw internetverbinding vanaf de auto
naar de werkplaats wordt verzonden. Met deze
informatie kan de werkplaats de aanvraag
gemakkelijker inplannen.
Voorstel voor afspraak accepteren
De auto haalt het boekingsvoorstel op via uw
internetverbinding wanneer het beschikbaar is.
Wanneer de auto een boekingsvoorstel heeft
ontvangen, verschijnt een melding boven aan het
middendisplay.
1.
Druk op de melding.
2.
Als het voorstel u schikt, drukt u op de knop
Accepteren. Zo niet, druk dan op knop
Nieuw voorstel of knop Afwijzen.
6
4
500
3.
1.
Open de app Auto status vanuit het appscherm op het middendisplay.
2.
Druk op de knop Afspraken.
Druk op de knop Autodata verzenden.
> Boven aan het middendisplay verschijnt
een melding dat er autogegevens worden
verzonden. U kunt de gegevensoverdracht
annuleren door op het kruisje in de activiteitsindicator te drukken.
De autogegevens worden verzonden via
uw internetverbinding.
Zie werkplaatsgegevens
1.
Open de app Auto status vanuit het appscherm op het middendisplay.
2.
Druk op de knop Afspraken.
3.
Druk op de knop Werkplaats- informatie.
> Er wordt een pop-upvenster geopend met
informatie over uw dealer.
4.
Bel desgewenst uw dealer of druk op het
adres of de gps-coördinaten voor routebegeleiding naar de werkplaats4.
Het tijdsbestek kan per markt verschillen.
Geldt voor Sensus Navigation*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ONDERHOUD EN SERVICE
Afspraakinformatie en autogegevens
Externe updates
Systeemupdates
Bij het maken van een afspraak voor een servicebeurt of het verzenden van autogegevens vanuit
uw auto worden boekingsinformatie en autogegevens verzonden via uw internetverbinding. Aan
de hand van de autogegevens kan de werkplaats
zich beter voorbereiden op uw bezoek.
Meerdere systemen in de auto kunnen worden
bijgewerkt vanaf het middendisplay bij een Connected Car.
Systeemupdates hebben betrekking op die
delen van de auto die de internetverbinding en
infotainment betreffen. Indien er updates van
systeemsoftwareproducten beschikbaar zijn,
kunnen de updates allemaal tegelijk of een voor
een worden uitgevoerd.
De app Updates start u vanaf
het appscherm op het middendisplay. Met de app kunt u:
De autogegevens bestaan uit gegevens op de
volgende gebieden:
•
•
•
•
•
•
•
•
servicebehoefte
tijd sinds laatste servicebeurt
•
•
functiestatus
vloeistofpeilen
•
kilometerstand
identificatienummer van de auto
(VIN7)
softwareversie van de auto
diagnosegegevens van de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Volvo ID (p. 23)
Auto met internetverbinding (p. 447)
Autostatus (p. 498)
systeemsoftware zoeken en bijwerken
kaartgegevens voor Sensus Navigation bijwerken
apps downloaden, bijwerken en verwijderen.
Gerelateerde informatie
•
•
Systeemupdates (p. 501)
Apps downloaden, bijwerken of verwijderen
(p. 453)
Systeemupdates zijn te hanteren via de app Updates op het
applicatiescherm van het middendisplay. Bij een druk op de
knop verschijnt een downloadapplicatie op het onderste
deelscherm van het homescherm. Als er sinds het laatste gebruik van het
infotainmentsysteem geen controle op beschikbare updates is verricht, gaat de controle alsnog
van start. Er vindt geen controle plaats tijdens het
installeren van software. Een pictogram op de
knop Systeem-updates van de downloadapplicatie geeft aan hoeveel updates er beschikbaar
zijn. Bij een druk op de knop verschijnt een lijst
met de updates die u in de auto kunt installeren.
Ga voor meer informatie en antwoorden op veelgestelde vragen over de werking en voor het
downloaden van bepaalde systeemupdates naar
support.volvocars.com.
Systeemupdates zijn alleen mogelijk, wanneer de
auto een internetverbinding heeft.
7
Vehicle Identification Number.
}}
501
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Op de achtergrond controleren op beschikbare software-updates is geactiveerd bij aflevering vanuit de fabriek.
N.B.
Het downloaden van data kan van invloed zijn
op andere diensten die gebruik maken van
gegevensuitwisseling, zoals de internetradio.
Als u deze invloed op andere diensten als
hinderlijk ervaart, kunt u het downloaden
annuleren. Het is ook mogelijk om andere
diensten te annuleren of tijdelijk te onderbreken.
N.B.
Een update kan worden onderbroken als u
het contact uitzet en de auto verlaat.
De update hoeft echter niet voltooid te zijn
voordat u de auto verlaat, omdat de update
wordt vervolgd als u de auto de volgende keer
gebruikt.
Alle systeemsoftwareproducten
bijwerken
–
Kies Alles installeren onder aan de lijst.
Als u geen lijst wenst te zien, kunt u ook Alles
installeren kiezen bij de knop Systeemupdates.
502
Afzonderlijk systeemsoftwareproduct
bijwerken
–
Kies Installeren voor het gewenste softwareproduct.
Downloaden annuleren
–
Druk op het kruisje in de activiteitsindicator
die bij aanvang van het downloaden de knop
Installeren verving.
Let erop dat alleen de download te annuleren is,
zodat u een eventuele installatiefase niet meer
kunt annuleren zodra deze van start gegaan is.
Op de achtergrond controleren op
beschikbare software-updates
Deze functie kan via het middendisplay worden
gedeactiveerd:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Systeem
3.
Deselecteer Achtergrondcontroles op
software-updates.
Updates.
Als er een update beschikbaar is, verschijnt de
melding Nieuwe sofwareupdates
beschikbaar op de statusbalk van het middendisplay. Bij een druk op de melding verschijnt een
downloadapplicatie op het onderste deelscherm
van het homescherm. Na het opstarten van de
downloadapplicatie geeft een pictogram op de
knop Systeem-updates aan hoeveel updates er
beschikbaar zijn.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Auto met internetverbinding (p. 447)
Apps downloaden, bijwerken of verwijderen
(p. 453)
Externe updates (p. 501)
ONDERHOUD EN SERVICE
Gegevensoverdracht tussen auto en
werkplaats8
De vereiste tijd voor een bezoek aan een Volvowerkplaats is te bekorten als storingsdiagnosegegevens worden overgedragen zodra de auto
stopt bij de werkplaats.
De overdracht verloopt het eenvoudigst als u de
optie Automatisch verbinden zodra ik
aankom selecteert op het instellingsscherm van
het middendisplay.
Als de auto afremt, gaat de auto zodra de snelheid eenmaal laag genoeg is op zoek naar een
wifi-netwerk. Als de auto een erkend Volvo-netwerk (bij een werkplaats) vindt, verschijnt er een
melding of verschijnt een pop-upvenster op het
middendisplay (geldt niet voor een handmatige
verbinding, zie paragraaf "Handmatige verbinding
met werkplaats" hieronder).
Automatische verbinding met
werkplaats
N.B.
Om te voorkomen dat de bestuurder wordt
gestoord door ongewenste verzoeken om verbinding (bijvoorbeeld als de auto vaak wordt
geparkeerd in de buurt van een werkplaats
met een erkend Volvo-netwerk), wordt de
manier van verbinden omgezet in handmatig
verbinden als de bestuurder een verzoek om
verbinden in een tijdsbestek van 5 dagen 2
keer afwijst.
Zonder bevestiging van de bestuurder
Dit alternatief is de eenvoudigste manier om storingsdiagnosegegevens over te dragen. U hoeft
de verbinding met de auto niet te bevestigen.
Als de auto stopt bij de werkplaats en u de motor
afzet met de startknop, verschijnt er een melding
boven aan het middendisplay. De auto wordt
automatisch verbonden zodra u het bestuurdersportier opent, op voorwaarde dat u niet op knop
Annuleren van de melding drukt.
Met bevestiging van de bestuurder
Dit alternatief houdt in dat u de verbinding met
de auto moet bevestigen.
ster op het middendisplay. De auto wordt automatisch verbonden zodra u het bestuurdersportier opent, als u op knop Verbinden van het popupvenster drukt. Als u niets doet of op knop
Annuleer van het pop-upvenster drukt, komt er
geen verbinding tot stand.
Handmatige verbinding met werkplaats
De onderhoudsmonteur zorgt ervoor dat handmatig verbinding gemaakt wordt.
Manier van verbinden wijzigen
De manier om de auto te verbinden is te wijzigen
op het instellingsscherm van het middendisplay.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
servicenetwerken.
3.
Kies Automatisch verbinden zodra ik
aankom, Eerst vragen voor verbinden of
Nooit verbinden en nooit vragen (handmatig verbinden).
Volvo-
Gerelateerde informatie
•
•
Auto met internetverbinding (p. 447)
Instellingsscherm (p. 171)
Als de auto stopt bij de werkplaats en u de motor
afzet met de startknop, verschijnt een pop-upven8
Deze functie zal geleidelijk worden ingevoerd, al naar gelang de servicewerkplaatsen hun dienstenaanbod uitbouwen.
503
ONDERHOUD EN SERVICE
Auto opnemen
Bij het opnemen van de auto is het belangrijk
dat u de krik of werkplaatskrik/garagekrik onder
de voorziene steunpunten in het onderstel van
de auto aanbrengt.
Voor auto's met niveauregeling* geldt dat als de
auto is uitgerust met luchtvering deze moet worden uitgeschakeld voordat de auto opgenomen
wordt. Schakel deze functie uit via het middendisplay:
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Reg. ophanging+vering uitsch..
Ophanging .
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken
die bij de auto hoort. Volg bij gebruik van een
andere krik dan door Volvo geadviseerd de
aanwijzingen die bij deze krik werden geleverd.
504
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ONDERHOUD EN SERVICE
De driehoeken in de kunststof afdekking wijzen aan waar de kriksteunpunten/hefpunten (rood gemarkeerd) zitten.
Als u de auto opheft met een garagekrik, moet u
de krik onder een van de vier hefpunten plaatsen.
Let erop dat u de garagekrik dusdanig aanbrengt,
dat de auto er niet van af kan glijden. Let op dat
de krikschotel is voorzien van een rubberen
bescherming, zodat de auto stilstaat en niet
beschadigt. Maak altijd gebruik van steunbokken
of vergelijkbare hulpmiddelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 486)
Krik* (p. 493)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 505
ONDERHOUD EN SERVICE
Motorkap openen en sluiten
Draai de hendel onder de kap linksom om de
kap los te maken uit de borghaak van de
motorkapvergrendeling en breng de kap
omhoog.
De motorkap opent u met behulp van een hendel in het interieur en een hendel onder de kap.
Motorkap openen
Waarschuwingen - motorkap niet gesloten
Als de kap los is gemaakt, gaan het
waarschuwingslampje en de grafische
voorstelling op het bestuurdersdisplay
branden in combinatie met een
geluidssignaal. Als de auto in beweging komt,
klinkt er meerdere keren een geluidssignaal.
Zie voor meer informatie over de grafische voorstelling artikel "Portier- en gordelwaarschuwing".
N.B.
Trek aan de hendel bij de pedalen om de kap
te openen vanuit de volledig gesloten positie.
Als het waarschuwingssymbool brandt of het
waarschuwingssymbool klinkt, ook al is de
kap goed dicht, ga dan naar een werkplaats geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Motorkap sluiten
506
1.
Druk de motorkap omlaag tot deze uit zichzelf verder zakt.
2.
Als de motorkap tegen de motorkapvergrendeling aan is gekomen, drukt u op de kap om
deze volledig te sluiten.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Let op dat de sluitroute
onder de motorkap vrij is. Anders bestaat er
gevaar voor persoonlijk letsel.
WAARSCHUWING
Controleer of de motorkap bij sluiten goed
vergrendelt. De motorkap moet aan weerszijden hoorbaar ingrijpen.
ONDERHOUD EN SERVICE
Overzicht motorruimte
WAARSCHUWING
Het overzicht laat een aantal servicespecifieke
componenten zien.
Vergeet niet dat de koelventilator (vóór in de
motorruimte, achter de radiateur) tot enige tijd
na het afzetten van de motor automatisch kan
aanslaan.
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Als de motor warm
is, bestaat er brandgevaar.
WAARSCHUWING
Motorkap volledig gesloten.
Het ontstekingssysteem werkt met een zeer
hoge en levensgevaarlijke spanning. Houd het
elektrische systeem van de auto altijd in contactslotstand 0 bij werkzaamheden in de
motorruimte.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met geopende motorkap!
Mocht u tijdens het rijden merken dat de
motorkap niet helemaal dicht is, stop dan
onmiddellijk en sluit de kap goed.
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht motorruimte (p. 507)
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 62)
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er
anders uitzien.
Reservoir voor remvloeistof (aan bestuurderszijde)
Vulpijp voor sproeiervloeistof9
Relais- en zekeringenhouder
Luchtfilter
Vulpijp voor motorolie
9
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer het
elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat of wanneer de motor warm
is.
Expansiereservoir voor koelsysteem
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Motorkap openen en sluiten (p. 506)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 520)
Koelvloeistof bijvullen (p. 510)
Zekeringen in motorruimte (p. 528)
Motorolie controleren en bijvullen (p. 509)
Contactslotstanden (p. 370)
Vul regelmatig sproeiervloeistof bij, tijdens het tanken bijvoorbeeld.
507
ONDERHOUD EN SERVICE
Motorolie
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken.
Volvo adviseert:
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De
oliesoort werd met grote zorg geselecteerd
lettend op de levensduur van de motor, de
startgewilligheid, het brandstofverbruik en de
milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit
en dat zowel bij het bijvullen als bij het verversen van olie. Een negatieve invloed op de
levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact is
anders niet uitgesloten.
Indien u geen motorolie van de voorgeschreven kwaliteit en viscositeit gebruikt, kunnen
aan de motor gerelateerde onderdelen
beschadigd raken. Volvo Cars wijst garantieaanspraken voor dit type schade af.
Volvo adviseert de olie in een erkende Volvowerkplaats te laten verversen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag/hoog oliepeil of een
lage oliedruk. Bij motorvarianten met een oliedruksensor wordt gebruikt gemaakt van het
508
waarschuwingssymbool voor een lage oliedruk
op het bestuurdersdisplay. Bij varianten
met een olieniveausensor wordt u geïnformeerd
via een waarschuwingssymbool
op het
bestuurdersdisplay en met displayteksten.
Bepaalde varianten zijn voorzien van allebei.
Neem voor meer informatie contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Houd voor het verversen van de motorolie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan die
staan aangegeven in het Service- en garantieboekje.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken met
een hogere kwaliteit dan aangegeven. Bij ritten
onder ongunstige omstandigheden adviseert
Volvo een olie van een hogere kwaliteit.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Motorolie controleren en bijvullen (p. 509)
Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie (p. 559)
Specificaties van de motorolie (p. 557)
ONDERHOUD EN SERVICE
Motorolie controleren en bijvullen
Een elektronische oliepeilsensor detecteert het
oliepeil.
BELANGRIJK
Verschijnt dit symbool in combinatie met een melding over een
gering oliepeil (bijvoorbeeld
Motoroliepeil laag Vul 0,5 liter
motorolie bij.), vul dan alleen de aangegeven hoeveelheid bij (bijvoorbeeld 0,5 liter).
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
Oliepeil controleren
Vulpijp10.
In sommige gevallen moet olie worden bijgevuld
tussen de servicebeurten door.
Aanpassing van het motoroliepeil is niet nodig,
voordat er een displaytekst op het bestuurdersdisplay verschijnt.
WAARSCHUWING
Verschijnt dit symbool in combinatie
met de melding Motoroliepeil
Service vereist, bezoek dan een
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Het oliepeil is
mogelijk te hoog.
10
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok.
Open de app Auto status
vanaf het appscherm op het
middendisplay en druk op
Status om het oliepeil weer te
geven.
Grafische weergave van het oliepeil op het middendisplay.
Wanneer de motor afstaat, kunt u het middendisplay gebruiken om het oliepeil te laten controleren door de elektronische oliepeilsensor.
N.B.
Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het
even voordat het systeem wijzigingen in het
oliepeil kan waarnemen. De auto moet
ca. 30 km hebben gereden en vervolgens 5
minuten op een vlakke ondergrond hebben
stilgestaan met de motor afgezet, voordat het
weergegeven oliepeil correct is.
}}
509
ONDERHOUD EN SERVICE
||
N.B.
Als niet aan de gestelde voorwaarden voor
meting van het oliepeil is voldaan (verstreken
tijd na motoruitschakeling, hellingshoek van
de auto, buitentemperatuur e.d.), zal de melding Geen wrdn. aanwez. op het middendisplay verschijnen. Dit betekent niet dat een
van de autosystemen een storing vertoont.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Motorolie (p. 508)
Specificaties van de motorolie (p. 557)
Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie (p. 559)
Contactslotstanden (p. 370)
Autostatus (p. 498)
Koelvloeistof bijvullen
De koelvloeistof koelt de verbrandingsmotor af
tot de juiste bedrijfstemperatuur. De warmte die
de motor overdraagt op de koelvloeistof is te
benutten voor verwarming van de passagiersruimte.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Vul
het reservoir nooit alleen met schoon water. Het
gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer
de koelvloeistofconcentratie te laag is als wanneer deze te hoog is.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan zeer heet zijn. Als er
moet worden bijgevuld terwijl de motor warm
is, moet u de dop voorzichtig van het expansievat draaien zodat de overdruk verdwijnt.
Verwijder de rubber strip door deze in de
motorruimte te duwen.
Neem het deksel in de kunststof afdekking
los door de borghaak opzij te buigen en het
deksel omhoog te klappen.
Draai de dop los en vul koelvloeistof bij. De
vloeistof moet tussen het MIN- en MAXstreepje op het expansiereservoir staan.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
510
ONDERHOUD EN SERVICE
BELANGRIJK
Onderhoud aan klimaatregeling
•
Hoge concentraties chloor, chloriden en
andere zoutverbindingen kunnen aanleiding geven tot corrosie in het koelsysteem.
Service en reparatie aan het aircosysteem
mogen uitsluitend door een erkende werkplaats
worden uitgevoerd.
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen volgens de aanbevelingen van Volvo.
•
De airconditioning bevat een fluorescerend traceermiddel. Bij zoeken naar lekken moet ultraviolet licht worden gebruikt.
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor 50 %
uit koelvloeistof bestaat.
Volvo adviseert u om contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij twijfel
over de waterkwaliteit altijd een kant-enklare koelvloeistof volgens de aanbevelingen van Volvo.
Auto's met koudemiddel R134a
•
•
Wanneer u overstapt op een ander soort
koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd, dient u het
koelsysteem schoon te spoelen met leidingwater van goede kwaliteit of met
kant-en-klare koelvloeistof.
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. Als dat niet het
geval is, kunnen er hoge temperaturen
optreden met gevaar voor beschadiging
(barsten) van de cilinderkop.
Gerelateerde informatie
•
Specificaties van de koelvloeistof (p. 560)
Gerelateerde informatie
•
Serviceprogramma van Volvo (p. 498)
Storingen opsporen en verhelpen
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk. Service en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door
een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
Auto's met koudemiddel R1234yf
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R1234yf onder druk. Conform de
SAE-norm J2845 (“Technician Training for
Safe Service and Containment of Refrigerants
Used in Mobile A/C System”) mogen service
en reparatie aan het koudemiddelsysteem
alleen worden uitgevoerd door een daartoe
bekwaam en bevoegd technicus om de veiligheid van het systeem te garanderen.
511
ONDERHOUD EN SERVICE
Lamp vervangen
U kunt de gloeilampen in de halogeenkoplamp
zelf vervangen.
De gloeilampen in halogeenkoplampen kunnen
zonder hulp van een werkplaats worden vervangen, maar voordat de lampen vervangen kunnen
worden moet eerst de kunststof afdekking over
de koplamp worden verwijderd.
Verwijder de rubber strip door deze in de
motorruimte te duwen.
Haal de pennen in de vier clips van de kunststof afdekking los door de pennen met een
schroevendraaier of iets dergelijks omlaag te
duwen. Haal de afdekking er vervolgens af.
Plaats de afdekking in omgekeerde volgorde
terug.
een storing aan led12-lampen wordt in de meeste
gevallen de hele lampeenheid vervangen.
WAARSCHUWING
Bij het vervangen van een lamp moet het
elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0 staan.
BELANGRIJK
N.B.
Duw de pennen van de clips helemaal terug
alvorens de clips in de afdekking terug te
plaatsen.
Bij het terugplaatsen van de afdekking moet
u de pennen zover indrukken dat de eindvlakken even hoog liggen als de clips.
De lamp voor dimlicht is bereikbaar als de ronde
rubberen afdichting van de koplamp wordt losgenomen.
De lampen voor richtingaanwijzers, groot licht en
dagrijlicht/stadslicht zijn bereikbaar als de langwerpige afdekking van de koplamp wordt losgenomen.
Neem contact op met een werkplaats11, als een
van de andere lampen defect raakt. Dit geldt ook
voor de gloeilampen van de achteruitrijlichten. Bij
11
12
512
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
Raak het glas van de gloeilampen nooit rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt
voor een laagje op de reflector die dan kapot
kan gaan.
N.B.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de
kapotte gloeilamp is vervangen, wordt geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken.
ONDERHOUD EN SERVICE
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen
en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit
is een natuurlijk verschijnsel en alle externe
verlichting is erop gebouwd om dit zoveel
mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt
normaal uit het lamphuis, wanneer de lamp
enige tijd brandt.
Richtingaanwijzer
Mistlampen voor/bochtverlichting* (LED12)
Lampen achterzijde
Gerelateerde informatie
•
•
Dimlichtlamp vervangen (p. 514)
•
•
Lampspecificaties (p. 517)
Langwerpige afdekking van lamphuis losnemen (p. 514)
Contactslotstanden (p. 370)
Koplampen (auto met
halogeenkoplampen)
Remlicht (led12)
Achterlicht (led)
Achteruitrijlicht13
Achterlicht (led)
Richtingaanwijzers (led)
Dimlicht
Mistachterlicht (led)
Groot licht
Remlicht - centraal, hoog geplaatst (LED)
Dagrijlicht/stadslicht
12
13
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
Neem bij vervangen contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 513
ONDERHOUD EN SERVICE
Dimlichtlamp vervangen
3.
Trek de lamp recht naar buiten toe los.
U kunt de dimlichtlamp in de halogeenkoplamp
zelf vervangen.
4.
Vervang de gloeilamp.
5.
Voordat u de lamp kunt vervangen, moet u eerst
de kunststof afdekking van het lamphuis tillen, zie
het artikel "Lamp vervangen".
De geleidepen moet bij het aanbrengen van
de lamp in de lampvoet recht omhoog staan.
6.
Duw de connector vast.
7.
Plaats de ronde rubberen afdichting terug.
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt
voor een laagje op de reflector die dan kapot
kan gaan.
Langwerpige afdekking van
lamphuis losnemen
De meeste lampen in de koplamp zijn bereikbaar
na verwijdering van de langwerpige afdekking.
Voordat u de langwerpige afdekking kunt losnemen, moet u eerst de kunststof afdekking van het
lamphuis tillen, zie het artikel "Lamp vervangen".
Gerelateerde informatie
•
•
Lamp vervangen (p. 512)
Lampspecificaties (p. 517)
1.
Draai de vier bouten van de afdekking los
met een torx-sleutel, T20 (1). Verwijder ze
echter niet, 3–4 slagen is voldoende.
Duw de afdekking opzij.
3.
514
1.
Verwijder de ronde rubberen afdekking van
de koplamp.
2.
Koppel de connector van de gloeilamp los.
Verwijder de afdekking.
Plaats de afdekking in omgekeerde volgorde
terug.
ONDERHOUD EN SERVICE
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Grootlichtlamp vervangen (p. 515)
Daglichtlamp/stadslichtlamp vóór vervangen
(p. 516)
Richtingaanwijzer vóór vervangen (p. 516)
Lamp vervangen (p. 512)
Grootlichtlamp vervangen
2.
Steek een schroevendraaier tussen de borgnok en de kunststof behuizing en werk de
borgnok voorzichtig los.
3.
Koppel de connector van de lamp los.
4.
Vervang de gloeilamp.
5.
Plaats de lamp in de lampvoet aan en draai
deze omlaag. U kunt de lamp op slechts één
manier bevestigen.
U kunt de grootlichtlamp in de halogeenkoplamp
zelf vervangen.
Voordat u de lamp kunt vervangen, moet u eerst
de kunststof afdekking van het lamphuis tillen, zie
het artikel 'Langwerpige afdekking van lamphuis
losnemen'.
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt
voor een laagje op de reflector die dan kapot
kan gaan.
1.
Gerelateerde informatie
•
Langwerpige afdekking van lamphuis losnemen (p. 514)
•
Lampspecificaties (p. 517)
Haal de gloeilamp los door de lamphouder
omhoog te kantelen en vervolgens recht naar
buiten te trekken.
515
ONDERHOUD EN SERVICE
Daglichtlamp/stadslichtlamp vóór
vervangen
U kunt de daglichtlamp/stadslichtlamp in de
halogeenkoplamp zelf vervangen.
Voordat u de lamp kunt vervangen, moet u eerst
de kunststof afdekking van het lamphuis tillen, zie
het artikel 'Langwerpige afdekking van lamphuis
losnemen'.
N.B.
Haal de grootlichtlamp los door de lamphouder omhoog te kantelen en vervolgens recht
naar buiten te trekken. De daglichtlamp/
stadslichtlamp is dan gemakkelijker bereikbaar.
Vervang de gloeilamp.
Richtingaanwijzer vóór vervangen
4.
Plaats de lamphouder in de lampvoet en druk
hem op zijn plaats.
U kunt de richtingaanwijzer in de halogeenkoplamp zelf vervangen.
5.
Als de grootlichtlamp hebt losgenomen,
plaatst u deze in de lampvoet en kantelt u
deze omlaag. U kunt de lamp op slechts één
manier bevestigen.
Voordat u de lamp kunt vervangen, moet u eerst
de kunststof afdekking van het lamphuis tillen, zie
het artikel 'Langwerpige afdekking van lamphuis
losnemen'.
3.
Gerelateerde informatie
•
Langwerpige afdekking van lamphuis losnemen (p. 514)
•
Lampspecificaties (p. 517)
1.
Druk de borghaken naar elkaar toe en trek
de lamphouder recht naar buiten.
2.
Vervang de lamphouder met de gloeilamp.
3.
Plaats de lamphouder in de lampvoet en druk
hem op zijn plaats.
Gerelateerde informatie
516
1.
Trek de lamphouder recht naar buiten.
2.
Trek de gloeilamp recht naar buiten toe los.
•
Langwerpige afdekking van lamphuis losnemen (p. 514)
•
Lampspecificaties (p. 517)
ONDERHOUD EN SERVICE
Lampspecificaties
Wisserbladen in servicestand
Servicestand activeren
De specificaties gelden voor de gloeilampen in
halogeenkoplampen. Neem contact op met een
werkplaats14 als er zich mankementen voordoen
bij andere gloeilampen.
Om de wisserbladen van de voorruit te kunnen
vervangen en dergelijke moet u deze eerst in de
servicestand zetten.
Activering van de servicestand is mogelijk als de
auto stilstaat en de ruitenwissers niet zijn ingeschakeld. De servicestand is op twee manieren te
activeren via het middendisplay:
Functie
[W]A
Type
Dimlicht
55
H7
Groot licht
65
H9
Richtingaanwijzer
24
PY24W
21/5
W21/5W
Dagrijlicht/stadslicht
A
Via het functiescherm
Druk op de knop
Servicestand ruitenwisser.
Het controlelampje in de knop
brandt als de servicestand
geactiveerd is. Bij activering
gaan de wissers recht omhoog
staan.
Via ‘Instellingen’
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
Watt
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen (p. 512)
Wisserbladen in servicestand.
De wisserbladen dienen in de servicestand te
staan om ze te kunnen vervangen, reinigen of
optillen (bijvoorbeeld om ijs van de voorruit te
krabben).
BELANGRIJK
2.
Druk op My Car
3.
Kies Servicestand ruitenwisser.
> De wisserarmen bewegen omhoog en
gaan verticaal staan.
Ruitenwisser.
Servicestand deactiveren
De servicestand is op verschillende manieren te
deactiveren:
Voordat de wisserbladen in de servicestand
worden gezet, moet u controleren of ze niet
vastgevroren zijn.
14
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
}}
517
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Via het functiescherm
Druk op de knop
Servicestand ruitenwisser
op het middendisplay. Het controlelampje in de knop dooft als
de servicestand gedeactiveerd
is.
Via ‘Instellingen’
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Deselecteer Servicestand ruitenwisser
om de servicestand te deactiveren.
Ruitenwisser.
De wisserarmen verlaten de servicestand ook in
de volgende gevallen:
•
•
•
U activeert de ruitenwissers van de voorruit.
U activeert de ruitensproeiers van de voorruit.
U activeert de regensensor.
BELANGRIJK
Als de wisserarmen in de servicestand van de
voorruit af zijn gehaald, moeten ze tegen de
voorruit worden teruggeklapt voordat de wissers worden geactiveerd. Dit gebeurt om te
voorkomen dat de lak op de motorkap
beschadigd raakt.
518
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Wisserbladen vervangen (p. 518)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 520)
Overzicht van het middendisplay (p. 33)
Ruiten- en koplampsproeiers (p. 152)
Wisserbladen vervangen
De wisserbladen vegen neerslag van de voor- en
achterruit. In combinatie met sproeiervloeistof
reinigen ze de ruiten voor een goed zicht tijdens
het rijden. De wisserbladen van de ruitenwissers
van voor- en achterruit zijn te vervangen.
Wisserbladen voorruit vervangen
ONDERHOUD EN SERVICE
Wisserbladen achterruit vervangen
Klap de wisserarm omhoog als deze in de
servicestand staat. Druk op de knop die op
de wisserbladhouder zit en trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar binnen dat u een klik hoort.
Controleer of het blad goed vastzit.
4.
Klap de wisserarm terug op de voorruit.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
N.B.
De wisserbladen hebben een verschillende
lengte. Het blad aan de bestuurderskant is
langer dan dat aan de passagierskant.
1.
Klap de wisserarm uit.
2.
Pak het wisserblad aan de binnenkant (bij de
pijl) beet.
3.
Draai het wisserblad linksom om de aanslag
op de wisserarm als hefboom te gebruiken
zodat het wisserblad gemakkelijker loskomt.
4.
Druk het nieuwe wisserblad vast, u moet een
klik horen. Controleer of het goed vastzit.
5.
Klap de wisserarm terug.
BELANGRIJK
Controleer de bladen regelmatig. Verwaarloosd onderhoud verkort de levensduur van
de bladen.
}}
519
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Gerelateerde informatie
•
•
Wisserbladen in servicestand (p. 517)
Exterieur reinigen (p. 540)
Vulopening voor sproeiervloeistof
Om de koplampen en ruiten schoon te houden
wordt sproeiervloeistof gebruikt. Bij temperaturen onder het vriespunt moet sproeiervloeistof
met antivries worden gebruikt.
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij koud weer
en onder het vriespunt.
BELANGRIJK
Gebruik originele sproeiervloeistof van Volvo
of een vergelijkbaar product met de aanbevolen pH-waarde tussen 6 en 8 (gebruiksklaar
mengsel, d.w.z. gelijke delen/1:1 bij neutraal
water).
BELANGRIJK
Gebruik bij temperaturen onder nul sproeiervloeistof met antivries, zodat de vloeistof niet
vastvriest in pomp, reservoir en slangen.
Bijvullen van sproeiervloeistof vindt plaats door
openen van het blauwe dekseltje.
N.B.
Wanneer er nog zo’n 1 liter sproeiervloeistof
in het reservoir zit, verschijnt op het bestuurdersdisplay de melding Sproeiervloeistof
Niveau te laag, bijvullen samen met het
symbool
.
520
Hoeveelheid:
•
•
Auto's met koplampsproeiers: 5,5 liter.
Auto's zonder koplampsproeiers: 3,5 liter.
Gerelateerde informatie
•
Ruiten- en koplampsproeiers (p. 152)
ONDERHOUD EN SERVICE
Startaccu
Het elektrische systeem is enkelpolig en
gebruikt het chassis en het motorblok als geleiders.
De startaccu dient voor inschakeling van het
elektrische systeem en aandrijving van de startmotor en andere uitrusting in de auto.
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van een startkabel, kan volstaan om de
accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat
ernstige chemische brandwonden kan
veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw
huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
Laat de hulpaccu vervangen in een werkplaats.
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar.
De startaccu is een AGM-accu van 12 V die speciaal ontwikkeld is met het oog op de CO2-verlagende systemen Start/Stop en regeneratief
laden en de werking van uiteenlopende autosystemen ondersteunt.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal startpogingen, de weersomstandigheden en dergelijke zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
•
Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor draait.
•
Controleer of de kabels van de startaccu op
de juiste manier zijn aangesloten en stevig
vastzitten.
Bij het aansluiten van een externe startaccu of
acculader worden de laadpunten van de accu in
de motorruimte gebruikt. De accupolen op de
startaccu van de auto in de bagageruimte mogen
niet worden gebruikt.
Bij opladen wordt zowel de startaccu als de hulpaccu opgeladen.
Positief laadpunt
Negatief laadpunt
BELANGRIJK
Gebruik voor het opladen van de startaccu of
de hulpaccu alleen een moderne acculader
met laadspanningsregeling. Maak geen
gebruik van een eventuele snellaadfunctie,
omdat de accu daarbij beschadigd kan raken.
}}
521
ONDERHOUD EN SERVICE
||
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt na aansluiting van een externe startaccu of acculader de energiebesparingsfunctie voor het
infotainmentsysteem mogelijk tijdelijk uit
en/of verschijnt er tijdelijk geen displaytekst
over de ladingstoestand van de startaccu op
het bestuurdersdisplay:
•
Gebruik de minpool van de startaccu in
de auto nooit voor aansluiting van een
externe startaccu of acculader – alleen
het negatieve laadpunt van de auto
mag als massapunt dienen.
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
De levensduur van de accu wordt bepaald
door uiteenlopende factoren, waaronder de
rijomstandigheden en het klimaat. De accu
verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit
en moet daarom bijgeladen worden, als er
langere tijd achtereen niet of slechts korte
afstanden met de auto wordt gereden. Ook bij
strenge vorst neemt de startcapaciteit af.
Om de accu in optimale conditie te houden
wordt geadviseerd wekelijks minstens
15 minuten met de auto te rijden of de accu
aan te sluiten op een acculader met automatische druppellading.
De startaccu bevindt zich in de bagageruimte.
In de volgende tabel staan de specificaties van
de startaccu die in twee varianten verkrijgbaar is
(afhankelijk van de modeluitvoering van de auto).
Accu
Voor de maximale levensduur dient de accu
altijd volledig opgeladen te blijven.
522
H7 AGM
H8 AGM
Spanning
(V)
12
12
KoudestartvermogenA CCAB (A)
800
850
ONDERHOUD EN SERVICE
Volvo adviseert om accu's altijd te laten vervangen door een erkende Volvo-werkplaats.
Accu
H7 AGM
H8 AGM
BELANGRIJK
Afmetingen ,
l×b×h
(mm)
315×175×190
353×175×190
Capaciteit
(Ah)
80
95
A
B
Volgens EN-norm.
Cold Cranking Amperes.
BELANGRIJK
Accu H8 AGM heeft een spanband. Let op
dat de spanband altijd goed strak zit.
Bij het vervangen van een start- of hulpaccu
of moet u een accu van het type AGM15 monteren.
BELANGRIJK
Bij vervanging van de startaccu moet u erop
letten dat u een accu met hetzelfde koudestartvermogen en van hetzelfde type gebruikt
als de originele accu (zie de sticker op de
accu).
Accu H8 AGM met spanband.
Voor accu H7 AGM is geen spanband verkrijgbaar.
N.B.
De grootte van de startaccubehuizing dient
overeen te komen met de afmetingen van de
originele accu.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Symbolen op de accu’s (p. 524)
Hulpaccu (p. 524)
Starthulp met andere accu (p. 373)
Accu H7 AGM.
15
Absorbed Glass Mat.
523
ONDERHOUD EN SERVICE
Symbolen op de accu’s
Hulpaccu
Op de accu’s zitten symbolen die informatie verstrekken en waarschuwen.
Auto’s met Start/Stop-systeem hebben behalve
de startaccu ook een hulpaccu.
Vermijd vonken en open
vuur.
Draag een veiligheidsbril.
Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien van
twee 12V-accu’s – één extra krachtige startaccu
en een hulpaccu die gebruikt wordt voor de startprocedure middels het Start/Stop-systeem.
Explosiegevaar.
Zie voor meer informatie de
gebruikershandleiding die
bij de auto hoort.
Bestemd voor inzameling.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
N.B.
Een uitgediende start- of steunaccu moet op
een milieuvriendelijke manier worden gerecycled - deze bevat namelijk lood.
De accu bevat een bijtend
zuur.
524
De hulpaccu zit in een bak naast de veerpootbevestiging.
In de volgende tabel staan de specificaties van
de hulpaccu.
Spanning (V)
Gerelateerde informatie
•
•
Startaccu (p. 521)
Hulpaccu (p. 524)
KoudestartvermogenA
(A)
12
-
CCAB
170
ONDERHOUD EN SERVICE
Afmetingen , l×b×h (mm)
Capaciteit (Ah)
A
B
150×90×130
10
Volgens EN-norm.
Cold Cranking Amperes.
BELANGRIJK
Bij het vervangen van een start- of hulpaccu
of moet u een accu van het type AGM16 monteren.
N.B.
•
Hoe hoger de stroomafname in de auto
(extra koeling/verwarming e.d.), hoe meer
de accu’s moeten worden bijgeladen =
hoe hoger het brandstofverbruik.
•
Wanneer de capaciteit van de startaccu
tot onder de ondergrens is gedaald,
wordt het Start/Stop-systeem uitgeschakeld.
problemen contact op met een werkplaats geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Als de startaccu dermate ontladen is dat alles
‘zwart’ is en alle elektrische standaardsystemen van de auto’s nagenoeg uitgeschakeld
zijn en u de motor vervolgens start met een
externe accu of acculader, zal het Start/Stopsysteem actief zijn. Automatische motorafslag
is in dat geval mogelijk, maar het Start/Stopsysteem kan na automatische motorafslag
mogelijk geen automatische motoraanslag
uitvoeren door onvoldoende capaciteit van de
startaccu.
BELANGRIJK
Bij het negeren van het volgende valt het
Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader:
•
Gebruik de minpool van de startaccu in
de auto nooit voor aansluiting van een
externe startaccu of acculader – alleen
het negatieve laadpunt van de auto
mag als massapunt dienen.
Voor een geslaagde automatische aanslag ná
automatische afslag dient de accu eerst te
worden opgeladen. Bij een buitentemperatuur
van +15 °C moet de accu ten minste 1 uur
lang worden opgeladen. Bij lagere buitentemperaturen wordt een laadduur geadviseerd
van 3–4 uur. Geadviseerd wordt de accu op te
laden met een externe acculader.
Als iets dergelijks niet voorhanden is, wordt
geadviseerd het Start/Stop-systeem uit te
schakelen totdat de startaccu voldoende bijgeladen is.
Een tijdelijke functiebeperking van het
Start/Stop-systeem op grond van een hoge
stroomafname houdt het volgende in:
•
Er vindt automatische motorstart plaats zonder dat u het rempedaal loslaat.
De hulpaccu vergt doorgaans niet meer service
dan de normale startaccu. Neem bij vragen of
16
Absorbed Glass Mat.
Gerelateerde informatie
•
•
Startaccu (p. 521)
Start/Stop (p. 380)
}}
525
ONDERHOUD EN SERVICE
•
•
Starthulp met andere accu (p. 373)
Zekeringen
Symbolen op de accu’s (p. 524)
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door enkele zekeringen beschermd.
Als een van de elektrische onderdelen of functies
niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende
zekering overbelast werd en daardoor gesmolten
is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt,
betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een
storing vertoont. Volvo adviseert u om dan voor
controle contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Positie van relais- en
zekeringenhouders
Positie van de relais- en zekeringenhouders bij
auto’s met het stuur links – bij auto’s met het
526
stuur rechts zit de relais- en zekeringenhouder
onder het dashboardkastje aan de andere kant
van de auto.
Motorruimte
Onder dashboardkastje
Bagageruimte
Gerelateerde informatie
•
Zekering vervangen (p. 527)
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekering vervangen
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door enkele zekeringen beschermd.
Vervangen
1.
Zoek in de zekeringentabel op waar de zekering zit.
2.
Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3.
Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
WAARSCHUWING
Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een
zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit kan
aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot brand leiden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Zekeringen (p. 526)
Zekeringen in motorruimte (p. 528)
Zekeringen onder dashboardkastje
(p. 532)
Zekeringen in bagageruimte (p. 536)
527
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen in motorruimte
De zekeringen in de motorruimte beschermen
onder meer de motor- en remfuncties.
528
ONDERHOUD EN SERVICE
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
In de relais- en zekeringhouder is tevens plaats
voor enkele reservezekeringen.
Posities
Aan de binnenkant van het deksel zit een sticker
met de positie van de verschillende zekeringen.
•
De zekeringen 18–30, 35–37, 46–54 en
55–70 zijn van het type "Micro".
•
De zekeringen 31–34, 38–45 en 71–78 zijn
van het type "MCASE" en moeten door een
werkplaats worden vervangen17.
Functie
-
17
[A]A
-
-
-
-
-
-
-
-
-
USB-aansluiting in tunnelconsole, voorin*
5
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Functie
[A]A
Functie
[A]A
12V-aansluiting in tunnelconsole, voorin
15
Elektrische voorruitverwarming*
links
40
12V-aansluiting in tunnelconsole, in de voetenruimte voor de
tweede zitrijB
15
Koplampsproeiers*
25
Ruitenwissers
25
12V-aansluiting in tunnelconsole, tussen achterstoelenC;
UBS-aansluitingen, tussen achterstoelenC
12V-aansluiting in bagageruimte*
-
15
USB-aansluitingen voor iPadhouderC
-
Claxon
20
Sirene alarmsysteem*
5
Regeleenheid voor remsysteem
(kleppen, parkeerrem)
40
-
-
Ruitenwissers
30
-
-
Achterruitensproeier
25
-
-
Elektrische voorruitverwarming*
rechts
40
-
-
Standverwarming*
20
Regeleenheid voor remsysteem
(ABS-pomp)
40
Elektrische voorruitverwarming*
links
Shunt
-
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 529
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Functie
[A]A
Elektrische voorruitverwarming*
rechts
Shunt
Voeding bij ingeschakeld contact: Motorregeleenheid; transmissiecomponenten; elektrische
stuurbekrachtiging; centrale
elektronicaregeleenheid
5
Regeleenheid voor remsysteem
Rechter koplamp
-
-
Regeleenheid voor accu-inschakeling
5
Airbags
5
Transmissieregeleenheid
530
7,5
-
Gaspedaalsensor
[A]A
Motorregeleenheid
5
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Linker koplamp
Functie
Motorregeleenheid; actuator;
smoorklepeenheid; EGR-klep
(diesel); positiesensor voor
turbo (diesel); klep voor turbocompressor (benzine)
20
Magneetkleppen (benzine);
kleppen; thermostaat voor
motorkoelsysteem (benzine);
koelpomp voor EGR (diesel);
gloeiregeleenheid (diesel)
10
Vacuümregelaars; klep
7,5
7,5
5
15
Regeleenheid spoilerafdekking;
regeleenheid radiateurafdekking
5
-
-
Functie
[A]A
Voorste lambdasonde; achterste
lambdasonde (benzine); roetsensor (diesel)
15
Magneetklep voor motoroliepomp; magneetkoppeling A/C;
middelste lambdasonde (benzine), achterste lambdasonde
(diesel)
15
-
-
Regeleenheid motor
20
Bobines (benzine); bougies
(benzine)
15
Brandstoffilterverwarming (diesel)
30
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ONDERHOUD EN SERVICE
Functie
A
B
C
[A]A
Startmotor
Shunt
Startmotor
40
Ampère
Uitgezonderd Excellence
Excellence
Gerelateerde informatie
•
•
Zekering vervangen (p. 527)
•
Zekeringen in bagageruimte (p. 536)
Zekeringen onder dashboardkastje
(p. 532)
531
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen onder dashboardkastje
De zekeringen onder het dashboardkastje
beschermen o.a. 230 V-aansluitingen, displays
en portiermodules.
532
ONDERHOUD EN SERVICE
Aan de binnenkant van het deksel van de relaisen zekeringenhouder in de motorruimte zit
een speciale trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
In de relais- en zekeringenhouder in de
motorruimte is tevens plaats voor enkele reservezekeringen.
}}
533
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Posities
Functie
•
De zekeringen 1, 3-21, 23-36, 39-53 en
55-59 zijn van het type "Micro".
•
De zekeringen 2, 22, 37-38 en 54 zijn van
het type "MCase" en moet u laten vervangen
in een werkplaats18.
Functie
230V-aansluiting in tunnelconsole, in de voetenruimte voor de
tweede zitrij*B
[A]A
30
230V-aansluiting in tunnelconsole, tussen achterstoelenC
18
534
-
-
Bewegingsmelder*
5
Mediaspeler
5
Bestuurdersdisplay
5
Knoppenset op middenconsole
5
Zonnesensor
5
[A]A
-
-
-
-
Stuurwieleenheid
5
Module voor startknop en voor
bediening, parkeerrem
5
Module voor elektrische stuurverwarming*
15
-
-
-
-
-
-
-
-
Functie
[A]A
Ventilatormodule voor klimaatregeling voorin
40
Knopverlichting; interieurverlichting; dimfunctie van achteruitkijkspiegel*; gecombineerde regenen lichtsensor*; knoppenset in
tunnelconsole, in voetenruimte
voor tweede zitrij*B; elektrische
bedienbare voorstoelen*
7,5
Elektrisch bedienbare achterstoelenC; display voor comfortfuncties
achterstoelenC; modules voor
stoelcomfort (massagefunctie)
achterinC
Regeleenheid voor rijhulpsystemen
5
Panoramadak met zonnescherm*
20
Regeleenheid voor klimaatregeling
10
Stuurslot
7,5
Head-updisplay*
5
Diagnoseaansluiting OBDII
10
Interieurverlichting
5
Middendisplay
5
-
-
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ONDERHOUD EN SERVICE
Functie
[A]A
Display op plafondconsole (gordelwaarschuwing/indicatie voor
passagiersairbag voorin)
5
-
-
Vochtsensor
5
Portiermodule in portier rechtsachter
20
Zekeringen in bagageruimte
10
Regeleenheid voor Connected
Car; regeleenheid voor telematica
5
Portiermodule in portier linksachter
20
Regeleenheid audio (versterker)
40
Functie
[A]A
Functie
Achterruitwisser
15
-
Regeleenheid voor brandstofpomp
15
Portiermodule in portier rechtsvoor
20
Display voor comfortfuncties achterstoelenC
5C
Tv* (bepaalde markten)
5
Hoofdzekering voor zekeringen
53 en 58
15
-
-
-
-
Verwarming voorstoel bestuurderszijde
15
Verwarming voorstoel passagierszijde
15
Koelvloeistofpomp
10
40
Module voor multibandantenne
5
Modules voor stoelcomfort (massagefunctie) voorin*
5
-
-
-
Ampère
Uitgezonderd Excellence
Excellence
Gerelateerde informatie
-
Ventilatormodule voor klimaatregeling achterin*
A
B
C
[A]A
-
Portiermodule in portier linksvoor
20
Regeleenheid voor wielophanging
(actieve chassisregeling)*
20
Regeleenheid Sensus
-
•
•
•
Zekering vervangen (p. 527)
Zekeringen in motorruimte (p. 528)
Zekeringen in bagageruimte (p. 536)
10
-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 535
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen in bagageruimte
Zekeringen in bagageruimte beschermen o.a.
elektrisch bedienbare stoelen*, airbags en gordelspanners.
536
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ONDERHOUD EN SERVICE
Het kastje zit onder het opbergvak aan de rechterzijde.
Aan de binnenkant van het deksel van de relaisen zekeringenhouder in de motorruimte zit
een speciale trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
In de relais- en zekeringenhouder in de
motorruimte is tevens plaats voor enkele reservezekeringen.
}}
537
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Posities
•
De zekeringen 13-17 en 21-36 zijn van het
type "Micro".
•
De zekeringen 1-12, 18-20 en 37 zijn van
het type "MCase" en moet u laten vervangen
in een werkplaats19.
Functie
[A]A
Elektrische achterruitverwarming
30
Elektrisch bedienbare stoel linksachterB
20B
Compressor voor luchtvering*
40
Elektrische hulpverwarming
rechtsachter*
30
Elektrische hulpverwarming linksachter*
30
Elektrisch bedienbare stoel
rechtsachterB
20B
Elektrische achterklepbediening*
19
538
-
25
Functie
[A]A
Functie
Elektrisch bedienbare passagiersstoel voor*
20
-
-
Regeleenheid trekhaak*
40
-
-
Module voor gordelspanners
rechts
40
Interne relaisspoelen
5
-
-
Detectiemodule schopbeweging*
(om de elektrisch bedienbare achterklep te openen)
5
-
-
-
-
Ioniserende luchtreinigerB
[A]A
5B
-
-
Regeleenheid voor airbags en
gordelspanners
5
KoelkastB; verwarmde/gekoelde
bekerhouder achterinB
10B
Stoelverwarming linksachter *
15
-
-
Blind Spot Information (BLIS)*
5
-
-
Modules voor gordelspanners
5
Regeleenheid trekhaak*
25
Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel*
20
Module voor gordelspanners links
40
Actuator voor uitlaatgassen
5
Parkeercamera*
5
-
-
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ONDERHOUD EN SERVICE
Functie
[A]A
Regeleenheid AWD*
15
Stoelverwarming rechtsachter *
15
A
B
-
Ampère
Excellence
Gerelateerde informatie
•
•
•
Zekering vervangen (p. 527)
Zekeringen onder dashboardkastje (p. 532)
Zekeringen in motorruimte (p. 528)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 539
ONDERHOUD EN SERVICE
Exterieur reinigen
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg
dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider
staat. Gebruik autoshampoo.
WAARSCHUWING
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is, bestaat
er brandgevaar.
N.B.
De eerste maanden mag de auto alleen met
de hand worden gewassen. De reden hiervoor
is dat de lak gevoeliger is als deze nieuw is.
Met de hand wassen
•
•
•
540
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die
de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. Gebruik bijvoorbeeld een zachte tissue of een spons die u goed nat hebt
gemaakt. U wordt geadviseerd een dergelijke
verkleuring te laten herstellen door een
erkende Volvo-werkplaats.
Spoel het onderstel af.
Spoel de hele auto af totdat al het losse vuil
is verwijderd om het risico van waskrassen te
beperken. Spuit niet rechtstreeks in de richting van de sloten.
•
Gebruik zo nodig een koudontvetter voor
hardnekkig vuil. Let erop dat de oppervlakken
dan niet door de zon opgewarmd mogen zijn.
•
Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
•
Reinig de wisserbladen met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
•
Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker. Door waterdruppels niet in felle zon te laten opdrogen,
verkleint u het risico van watervlekken die
moeten worden weggepoetst.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken slechter. Maak ze
regelmatig schoon, bijvoorbeeld als u tankt.
Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen,
maar water en een niet krassende spons.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen
en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit
is een natuurlijk verschijnsel en alle externe
verlichting is erop gebouwd om dit zoveel
mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt
normaal uit het lamphuis, wanneer de lamp
enige tijd brandt.
Automatische wasstraat
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken, maar
de borstels van de wasstraat kunnen niet overal
even goed bij. Voor het beste resultaat wordt u
geadviseerd de auto met de hand te wassen.
BELANGRIJK
Deactiveer alvorens de auto een wasstraat in
te rijden de automatische rem bij stilstand
(Auto Hold) en de automatische activering
van de parkeerrem. Als u deze functies niet
deactiveert, zal het remsysteem bij stilstand
blokkeren zodat de auto niet kan rijden.
Voor automatische wasstraten waar de auto
wordt voortgetrokken geldt het volgende:
1.
Rijd de automatische wasstraat binnen.
2.
Deactiveer de automatische rem bij stilstand
(Auto Hold) met de schakelaar op de tunnelconsole.
3.
Deactiveer de automatische activering van de
parkeerrem via het middendisplay.
4.
Zet de keuzehendel in de N-stand.
5.
Zet de motor af door de startknop op de tunnelconsole naar STOP te draaien. Houd de
knop minstens 4 seconden in de STOPstand vast.
> De auto is klaar voor de automatische
wasstraat.
ONDERHOUD EN SERVICE
BELANGRIJK
Het systeem schakelt automatisch naar stand
P als bovenstaande stappen niet in acht worden genomen. In stand P zijn de wielen
geblokkeerd, wat ze niet moeten zijn bij wassen in een wasstraat.
Hogedrukreinigers
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de spuitkop op minstens 30 cm afstand van de auto
houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen). Spuit
niet rechtstreeks in de richting van de sloten.
Remmen testen
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal, als
u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder
aflegt. Door de wrijving worden de remblokken
warm, zodat het vocht verdampt. Doe hetzelfde bij
zeer vochtig of koud weer.
WAARSCHUWING
Test de rem na het wassen altijd, ook de parkeerrem, zodat vocht en corrosie de remvoering niet aantasten en de remmen verslechteren.
Wisserbladen
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs en dergelijke op de voorruit
gaan wisserbladen minder lang mee.
Zet de wisserbladen bij het reinigen in de servicestand.
N.B.
Reinig de wisserbladen en voorruit regelmatig
met een lauw sopje of autoshampoo. Gebruik
geen sterke oplosmiddelen.
Kunststof en rubber sieronderdelen
exterieur
Voor het reinigen en verzorgen van gekleurde
kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende strips, wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel te gebruiken
dat bij de Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg
bij het gebruik van dit reinigingsmiddel de
gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
Velgen
Gebruik alleen de velgreinigingsmiddelen die
Volvo adviseert.
Sterke velgreinigingsmiddelen kunnen het oppervlak beschadigen en vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Poetsen en in de was zetten (p. 542)
Wisserbladen in servicestand (p. 517)
Automatische rem bij stilstand (p. 396)
Parkeerrem gebruiken (p. 394)
Schakelstanden van automatische versnellingsbak (p. 375)
BELANGRIJK
Waxen en polijsten op kunststof en rubber is
niet toegestaan.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber mag u, als dat nodig is, slechts
met lichte druk wrijven. Gebruik een zachte
spons.
Door het polijsten van glimmende strips kan
de glimmende oppervlaktelaag wegslijten of
beschadigd raken.
Gebruik geen poetsmiddel dat schuurmiddel
bevat.
541
ONDERHOUD EN SERVICE
Poetsen en in de was zetten
BELANGRIJK
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden. U hoeft een nieuwe auto pas
na een jaar te poetsen. In de was zetten kunt u
eerder doen. Zorg dat de auto bij het poetsen of
in de was zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat
u begint te poetsen of de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met een teerverwijderaar of terpentine. U kunt hardnekkige vlekken
met een speciaal voor autolak bestemde, fijne
schuurpasta (“rubbing compound”) verwijderen.
Waxen en polijsten op kunststof en rubber is
niet toegestaan.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber mag u, als dat nodig is, slechts
met lichte druk wrijven. Gebruik een zachte
spons.
Voor de carrosserie bestaat de corrosiebescherming uit moderne metallische, beschermende
lagen op de plaat, een hoogkwalitatief lakproces,
tegen corrosie beschermde en minimale plaatoverlappingen, evenals afschermende kunststof
componenten, slijtagebescherming en aanvullende roestwerende vloeistof op kwetsbare plaatsen. Deze combinatie garandeert dat de carrosserie langdurig gevrijwaard blijft van corrosieproblemen. In het chassis zijn de kwetsbare delen
van de wielophanging uitgevoerd in corrosiebestendig aluminiummateriaal.
Door het polijsten van glimmende strips kan
de glimmende oppervlaktelaag wegslijten of
beschadigd raken.
Gebruik geen poetsmiddel dat schuurmiddel
bevat.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op. Veel
preparaten bevatten zowel poetsmiddel als was.
BELANGRIJK
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling,
bescherming, glansverzegeling e.d. kunnen
lakschade veroorzaken. Lakschade als gevolg
van dergelijke behandelingen valt niet onder
de Volvo-garantie.
Gerelateerde informatie
•
•
542
Roestwering
De auto heeft een efficiënte bescherming tegen
corrosie.
Exterieur reinigen (p. 540)
Lakschade (p. 545)
Controleren en onderhouden
De corrosiebescherming van de auto hoeft normaal gesproken niet onderhouden te worden,
maar door de auto schoon te houden, verkleint u
de risico's op roestvorming nog verder. Sterk
alkalische of zure reinigingsvloeistoffen moeten
op glanzende sieronderdelen te allen tijde worden vermeden. Repareer eventuele steenslagplekken zo snel mogelijk na constatering.
Gerelateerde informatie
•
•
Exterieur reinigen (p. 540)
Lakschade (p. 545)
ONDERHOUD EN SERVICE
Interieur reinigen
Stoffen bekleding en plafondbekleding
Leren paneel*
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Reinig het interieur regelmatig en
behandel vlekken meteen voor het beste resultaat. Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
Volvo biedt een universeel textielverzorgingsproduct voor stoffen bekleding en plafondbekleding,
waarmee u de bekleding in optimale staat kunt
houden, mits u de instructies opvolgt. Het textielverzorgingsproduct is verkrijgbaar bij Volvo-dealers.
Leer moet kunnen ademen. Dek het leer aan de
bovenkant van het dashboard of bij het portierpaneel nooit af. Voor het reinigen van leren panelen
adviseren wij Volvo Leather Care Kit/Wipes.
Leren bekleding*
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken geadviseerd,
die verkrijgbaar zijn bij een erkende Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
•
•
•
•
Sommige geverfde kledingstukken (zoals
spijkerbroeken en suède kleding) kunnen
afgeven en voor verkleuring van de bekleding zorgen. In dat geval is het belangrijk
om de verkleurde delen van de bekleding
zo spoedig mogelijk te reinigen en te verzorgen.
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen zoals
sproeiervloeistof, wasbenzine of terpentine voor het reinigen van het interieur,
omdat zowel de bekleding als de overige
interieuronderdelen daarbij beschadigd
kunnen raken.
Spuit reinigingsmiddelen nooit rechtstreeks op componenten met elektrische
knoppen of bedieningselementen. Maak
ze in plaats daarvan schoon met een
doek die u met het reinigingsmiddel
bevochtigd hebt.
Scherpe voorwerpen en klittenbandsluitingen kunnen de stoffen bekleding van
de auto beschadigen.
De leren bekleding van Volvo is behandeld om de
bekleding in oorspronkelijke staat te bewaren.
Leren bekleding is een natuurproduct dat na verloop van tijd een mooi patina krijgt. Voor het
behoud van de eigenschappen en kleur van het
leer is regelmatige reiniging en verzorging vereist.
Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct, Volvo Leather Care Kit/Wipes, waarmee u
leren bekleding kunt reinigen en de beschermende laag kunt herstellen, mits u de instructies
opvolgt.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo de
beschermende crème een- à viermaal per jaar (zo
nodig vaker) op te brengen. U kunt de Volvo Leather Care Kit/Wipes kopen bij Volvo-dealers.
Leren stuurwiel
Leer moet kunnen ademen. Dek het leren stuurwiel nooit af met kunststof bescherming. Reinigen het leren stuurwiel bij voorkeur met Volvo
Leather Care Kit/Wipes.
Interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit
sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordels
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel en
in het bijzonder het textielreinigingsmiddel dat bij
erkende Volvo-dealers verkrijgbaar is. Zorg dat de
gordel droog is, voordat deze weer wordt opgerold.
Inlegmatten en vloermat
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart schoon te
kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en
stof te verwijderen. Elk van beide inlegmatten zit
met pennen vast.
Verwijder de inlegmat door de inlegmat bij elk
van beide pennen vast te pakken en recht
omhoog te tillen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 543
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Breng de inlegmat aan door deze bij beide pennen vast te drukken.
WAARSCHUWING
Gebruik voor alle zitplaatsen slechts één
inlegmat tegelijk en controleer alvorens weg
te rijden of de mat voor de bestuurdersstoel
goed in de bevestigingsklemmen op de vloer
vastzit om te voorkomen dat deze kan gaan
glijden en achter of onder de pedalen blijft
haken.
Middendisplay reinigen
BELANGRIJK
Vuil, vlekken en vettige vingerafdrukken kunnen
ertoe leiden dat het middendisplay minder goed
werkt en minder goed af te lezen is. Reinig het
scherm regelmatig met een microvezeldoek.
De microvezeldoek moet bij het schoonmaken van het middendisplay vrij van zand en
vuil zijn.
BELANGRIJK
Breng alleen lichte druk aan op het scherm
bij het reinigen van het middendisplay. Bij te
hard drukken kan het scherm beschadigd
raken.
Voor vlekken op de vloermat wordt geadviseerd
het speciale reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken nadat u hebt gestofzuigd. U
dient vloermatten te reinigen met de door de
Volvo-dealer geadviseerde producten.
Gerelateerde informatie
•
Middendisplay reinigen (p. 544)
BELANGRIJK
Homeknop voor middendisplay.
1.
Schakel het middendisplay uit door lang op
de homeknop te drukken.
2.
Neem het scherm af met de meegeleverde
microvezeldoek of gebruik een andere microvezeldoek van vergelijkbare kwaliteit. Neem
het scherm in kleine cirkelende bewegingen
af met een schone en droge microvezeldoek.
U kunt de microvezeldoek zo nodig licht
bevochtigen met schoon water.
3.
544
Spuit geen vloeistoffen of bijtende chemicaliën rechtstreeks op het middendisplay.
Gebruik geen ruitenreiniger, reinigingsmiddelen, sprays, oplosmiddelen, alcoholen, ammonia-oplossingen of schuren reinigingsmiddelen.
Activeer het display door kort op de homeknop te drukken.
Gebruikt nooit schurende poetsdoeken,
papieren handdoeken of zijdepapier omdat dit
aanleiding kan geven tot krassen op het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
Interieur reinigen (p. 543)
Overzicht van het middendisplay (p. 33)
ONDERHOUD EN SERVICE
Lakschade
Geringe lakschade herstellen
Lakschade herstellen
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. De meest voorkomende soorten lakschade zijn bijvoorbeeld
steenslagplekken, krassen en plekjes op de
spatbordranden, portieren en bumpers.
Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct herstellen.
Bij reparatie van lakschade moet de auto schoon
en droog zijn en warmer zijn dan 15 °C.
Kleurcode
De sticker voor kleurcode zit op de portierstijl en
wordt bij het openen van het rechter achterportier
zichtbaar.
Eventueel benodigde materialen
• Grondlak (primer)20 - voor met kunststof
beklede bumpers en dergelijke zijn er spuitbussen met speciale hechtprimer verkrijgbaar.
•
•
•
basislak en heldere lak – verkrijgbaar in
spuitbussen of als bijwerkpen/-stift21.
Afplaktape.
fijn schuurlinnen20.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Lakschade herstellen (p. 545)
Typeaanduidingen (p. 548)
Roestwering (p. 542)
Kleurcode exterieur
Eventuele secundaire kleurcode exterieur
1.
Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van de
lak af om eventuele lakresten te verwijderen.
Als de beschadiging tot op het metaal (plaat)
zit, moet een grondlak (primer) worden
gebruikt. Bij beschadiging van een kunststof
oppervlak moet voor een optimaal resultaat
een hechtprimer worden gebruikt - spuit wat
primer in de dop van de spuitbus en strijk
dun op.
Het is belangrijk dat u de juiste kleur gebruikt.
20
21
Eventueel.
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen/-stift werden geleverd.
}}
545
ONDERHOUD EN SERVICE
||
2.
Vóór het lakken kunt u zo nodig (bij ongelijkmatige randen bijvoorbeeld) plaatselijk licht
schuren met zeer fijn schuurlinnen. Maak het
oppervlak goed schoon en laat drogen.
3.
Roer de grondlak (primer) goed door en
breng deze met een fijn kwastje, een lucifer
of iets dergelijks aan. Werk als de grondlak
droog is af met basislak en heldere lak.
Krassen kunt u op de hierboven beschreven
manier herstellen, maar dek ter bescherming de
onbeschadigde lak rond de kras af.
Bijwerkpennen en spuitbussen zijn verkrijgbaar
bij de Volvo-dealer.
N.B.
Als de steenslag niet tot het metalen oppervlak (blanke plaat) is doorgedrongen en er
nog steeds een intacte laklaag aanwezig is,
moet u de basislak en heldere lak direct aanbrengen nadat u het oppervlak hebt gereinigd.
Gerelateerde informatie
•
•
546
Lakschade (p. 545)
Exterieur reinigen (p. 540)
SPECIFICATIES
SPECIFICATIES
Typeaanduidingen
Typeaanduiding, chassisnummer en dergelijke
(voertuigspecifieke informatie) staan aangegeven op stickers in de auto.
Positie van stickers en plaatjes
Wanneer u contact opneemt met uw erkende Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om de typeaanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
548
SPECIFICATIES
Typeaanduiding, chassisnummer, maximaal
toelaatbaar gewicht, kleurcode voor lakwerk en
typegoedkeuringsnummer. De sticker zit op de
portierstijl en wordt bij het openen van het rechter achterportier zichtbaar.
Sticker A/C-systeem voor auto's met het
koudemiddel R134a.
Motorcode en serienummer van de motor.
Sticker voor motorolie.
Sticker voor standverwarming.
Sticker A/C-systeem voor auto's met het
koudemiddel R1234yf.
}}
549
SPECIFICATIES
||
N.B.
De in de gebruikershandleiding afgebeelde
stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw auto
aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn alleen
bedoeld om aan te geven hoe de stickers er
in grote lijnen uitzien en waar u ze ongeveer
kunt aantreffen. Op de stickers van de auto
vindt u de informatie die op uw auto van toepassing is.
Typeaanduiding en serienummer van de versnellingsbak.
Gerelateerde informatie
•
Identificatienummer van de auto (VIN, Vehicle
Identification Number).
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
550
Specificaties van de airconditioning
(p. 561)
SPECIFICATIES
Maten
In de tabel ziet u de maten van de auto wat de
lengte, hoogte e.d. betreft.
Maten
mm
Maten
A
Wielbasis
2984
E
Hoogte
B
Lengte
4950
F
Laadhoogte
C
Laadlengte, vloer, achterbank
neergeklaptA
2040
G
Spoorbreedte voorasF
D
Laadlengte, vloer
1260B
1220C
554D
761/898E
mm
1776
H
Maten
mm
Spoorbreedte achterasF
1675G
1667H
816
1673G
Spoorbreedte achterasI
1665H
Spoorbreedte voorasI
1676G
1679G
1671H
I
Laadbreedte, vloer
1192
1668H
}}
551
SPECIFICATIES
||
J
Maten
mm
Breedte
1923J
1931K
1958L
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
552
K
Breedte incl. buitenspiegels
2140
L
Breedte incl. ingeklapte buitenspiegels
2008
Geldt niet voor vierzitters.
Vanaf de tweede zitrij bij een zevenzitter.
Vijfzitter.
Zevenzitter.
Vierzitter.
Auto zonder luchtvering.
Geldt voor wielen van 20, 21 en 22 inch.
Geldt voor wielen van 18 en 19 inch.
Auto met luchtvering.
Carrosseriebreedte
Breedte voor auto met wielen van 18 en 19 inch.
Breedte voor auto met wielen van 20, 21 en 22 inch.
SPECIFICATIES
Gewichten
Het maximale totaalgewicht staat aangegeven
op een sticker in de auto.
Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het
gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/vloeistoffen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (bij
gebruik van een aanhanger) zijn van invloed op
het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het
rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht –
rijklaar gewicht.
N.B.
Het gedocumenteerde rijklare gewicht geldt
voor een auto in de basisuitvoering, dus een
auto zonder extra uitrusting of opties. Dat
houdt in dat voor elke optie die wordt toegevoegd, de laadcapaciteit van de auto met het
gewicht van de optie afneemt.
Voorbeelden van opties die de laadcapaciteit
verminderen zijn de onderdelen voor de speciale uitvoeringen Kinetic/Momentum/
Summum en andere opties zoals: trekhaak,
lastdrager, dakbox, audiosysteem, verstralers,
gps-navigatie, verwarming op brandstof, veiligheidsrek, matten, bagagerolhoes, elektrisch
bedienbare stoelen e.d.
De sticker zit op de portierstijl en wordt bij het openen
van het rechter achterportier zichtbaar.
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
De auto wegen is een veilige manier om te
weten te komen wat het rijklare gewicht van
uw auto is.
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
WAARSCHUWING
Het rijgedrag van de auto verandert door hoe
zwaar de auto beladen is en hoe de lading is
geplaatst.
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 100 kg.
Gerelateerde informatie
•
•
Typeaanduidingen (p. 548)
Trekgewicht en kogeldruk (p. 554)
553
SPECIFICATIES
Trekgewicht en kogeldruk
Max. gewicht geremde aanhanger
Het trekgewicht en de kogeldruk voor het rijden
met een aanhanger staan in de tabellen.
N.B.
Voor aanhangers/caravans zwaarder dan
1800 kg wordt een trillingsdemper op de
trekhaak geadviseerd.
A
Motor
MotorcodeA
Versnellingsbak
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
T5 AWD
B4204T20
Automaat, TG-81SC
2400
140
T5 AWD
T6 AWD
B4204T23
Automaat, TG-81SC
2400
140
B4204T27
Automaat, TG-81SC
2700
140
D4
D4204T14
Automaat, TG-81SC
1800
140
D4 AWD
D4204T6
Automaat, TG-81SC
2400
140
D5 AWD
D4204T11
Automaat, TG-81SC
2700
140
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor.
BELANGRIJK
Bij ritten met een aanhanger achter de auto
is het toegestaan het totale gewicht van de
auto (inclusief het trekgewicht) tot 100 kg te
overschrijden, op voorwaarde dat er maximaal
100 km/h (62 mph) wordt gereden. Neem
echter altijd de landelijke wetgeving in acht
ten aanzien van bijvoorbeeld de snelheid van
de combinatie van auto plus aanhanger.
554
SPECIFICATIES
Max. gewicht ongeremde aanhanger
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
750
50
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Typeaanduidingen (p. 548)
Gewichten (p. 553)
Rijden met aanhanger (p. 412)
Aanhangerstabilisering* (p. 415)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 555
SPECIFICATIES
Motorspecificaties
N.B.
De motorspecificaties (vermogen enz.) voor de
verschillende motoralternatieven staan in de
tabel.
Motor
MotorcodeA
T5 AWD
B4204T20
T5 AWD
Vermogen
Vermogen
Koppel
(kW bij omw/min)
(pk bij omw/min)
(Nm bij omw/min)
183/5500
249/5500
350/1500–4500
4
B4204T23
187/5500
254/5500
350/1500–4800
4
T6 AWD
B4204T27
235/5700
320/5700
400/2200–5400
4
D4
D4204T14
140/4250
190/4250
400/1750–2500
4
D4 AWD
D4204T6
140/4250
190/4250
420/1500–2500
4
D5 AWD
D4204T11
165/4250
225/4250
470/1750–2500
4
A
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor.
Gerelateerde informatie
•
•
•
556
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
Typeaanduidingen (p. 548)
Specificaties van de motorolie (p. 557)
Specificaties van de koelvloeistof (p. 560)
Aantal cilinders
SPECIFICATIES
Specificaties van de motorolie
De motoroliekwaliteit en de te hanteren hoeveelheden voor de verschillende motoralternatieven
staan in de tabel.
Volvo adviseert:
Motor
MotorcodeA
Oliekwaliteit
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
A
T5 AWD
B4204T20
Castrol Edge Professional V 0W-20 of VCC RBS0-2AE 0W-20
ca. 5,9
T5 AWD
B4204T23
ca. 5,9
T6 AWD
B4204T27
ca. 5,9
D4
D4204T14
ca. 5,2
D4 AWD
D4204T6
ca. 5,2
D5 AWD
D4204T11
ca. 5,2
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor.
}}
557
SPECIFICATIES
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
558
Typeaanduidingen (p. 548)
Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie (p. 559)
Motorolie controleren en bijvullen (p. 509)
Motorolie (p. 508)
SPECIFICATIES
Ongunstige rijomstandigheden voor
motorolie
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De
oliesoort werd met grote zorg geselecteerd
lettend op de levensduur van de motor, de
startgewilligheid, het brandstofverbruik en de
milieu-impact.
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden van
ongunstige rijomstandigheden.
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
•
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit
en dat zowel bij het bijvullen als bij het verversen van olie. Een negatieve invloed op de
levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact is
anders niet uitgesloten.
op hoge snelheden
bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C.
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere ritten
bij lage temperaturen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige
rijomstandigheden. Ze bieden de motor extra
bescherming.
Indien u geen motorolie van de voorgeschreven kwaliteit en viscositeit gebruikt, kunnen
aan de motor gerelateerde onderdelen
beschadigd raken. Volvo Cars wijst garantieaanspraken voor dit type schade af.
Volvo adviseert:
Volvo adviseert de olie in een erkende Volvowerkplaats te laten verversen.
Gerelateerde informatie
•
•
Specificaties van de motorolie (p. 557)
Motorolie (p. 508)
559
SPECIFICATIES
Specificaties van de koelvloeistof
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 %
water1, zie verpakking.
Specificaties van de
versnellingsbakolie
De voorgeschreven transmissieolie voor de verschillende versnellingsbakopties staat in de
tabel.
Automatische versnellingsbak
Voorgeschreven versnellingsbakolie
TG-81SC
AW1
N.B.
In normale rijomstandigheden hoeft de versnellingsbakolie niet te worden ververst.
1
560
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
Specificaties van de remvloeistof
Remvloeistof is de naam van het middel in een
hydraulisch remsysteem, dat wordt gebruikt om
druk over te brengen vanuit bijvoorbeeld een
rempedaal via een hoofdremcilinder naar een of
meerdere hulpcilinders die op hun beurt een
mechanische rem bedienen.
Voorgeschreven kwaliteit: DOT 4
N.B.
Geadviseerd wordt remvloeistof te laten verversen of bijvullen door een erkende Volvowerkplaats.
SPECIFICATIES
Brandstoftank - inhoud
Specificaties van de airconditioning
De inhoud van de brandstof voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel.
De klimaatregeling van de auto maakt, afhankelijk van de markt, gebruik van het koudemiddel
R1234yf of R134a. Op een sticker aan de binnenkant van de motorkap staat aangegeven,
welk koudemiddel er in de klimaatregeling van
de auto zit.
Motor
Hoeveelheid (liter)
Benzinemotor
ca. 71A
Dieselmotor
ca. 71A
A
Op sommige markten is dit 60 liter.
Gerelateerde informatie
•
Tankvulklep openen/sluiten en tanken
(p. 403)
Sticker voor R1234yf
In de onderstaande tabellen ziet u welke kwaliteit
vloeistoffen en smeermiddelen er in het aircosysteem zitten en in welke hoeveelheden.
A/C-sticker
Sticker voor R134a
}}
561
SPECIFICATIES
||
Toelichting symbolen R1234yf
Symbool
WAARSCHUWING
Betekenis
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk. Service en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door
een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
Voorzichtigheid betrachten
Mobiele airco (MAC)
650 g (900
A
Voorgeschreven kwaliteit
gA)
R1234yf
Betreft een auto met A/C op de derde zitrij.
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R1234yf onder druk. Conform de
SAE-norm J2845 (“Technician Training for
Safe Service and Containment of Refrigerants
Used in Mobile A/C System”) mogen service
en reparatie aan het koudemiddelsysteem
alleen worden uitgevoerd door een daartoe
bekwaam en bevoegd technicus om de veiligheid van het systeem te garanderen.
Onderhoud aan de mobiele airco
(MAC) is voorbehouden aan een
bevoegd onderhoudsmonteur.
Brandbaar koudemiddel
Koudemiddel
Auto’s met koudemiddel R134a
Gewicht
750 g (1000 gA)
A
562
Compressorolie
Hoeveelheid
Voorgeschreven kwaliteit
60 ml (80
R134a
Betreft een auto met A/C op de derde zitrij.
BELANGRIJK
Het is niet toegestaan de aircocondensor te
repareren of te vervangen door een gebruikte
condensor. De nieuwe condensor moet conform de SAE-norm J2842 zijn gekeurd en
gemerkt.
Auto’s met koudemiddel R1234yf
Gewicht
Type smeermiddel
Verdamper
A
mlA)
Voorgeschreven kwaliteit
PAG SP-A2
Betreft een auto met A/C op de derde zitrij.
Gerelateerde informatie
•
•
Onderhoud aan klimaatregeling (p. 511)
Typeaanduidingen (p. 548)
SPECIFICATIES
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
Stadsverkeer
handgeschakelde versnellingsbak
Het brandstofverbruik voor een auto wordt
gemeten in liter per 100 km en de CO2-uitstoot
in gram CO2 per km.
Snelwegrit
Automatische versnellingsbak
Combinatierit
Uitleg
N.B.
gram CO2/km
Als de gegevens over brandstofverbruik en
emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement.
liter/100 km
T5 AWDA (B4204T23)
220
9,5
151
6,5
176
7,6
T5 AWDC (B4204T23)
217
9,3
150
6,5
174
7,5
T6 AWDA, B (B4204T27)
229
9,8
162
7,0
186
8,0
T6 AWDC, B (B4204T27)
224
9,6
154
6,6
179
7,7
-
-
-
-
-
-
152
5,8
127
4,9
136
5,2
T6 AWDD (B4204T27)
D4 (D4204T14)
}}
563
SPECIFICATIES
||
D4 AWDA (D4204T6)
168
6,4
143
5,5
152
5,8
D4 AWDC (D4204T6)
164
6,2
140
5,4
149
5,7
D5 AWDA, B (D4204T11)
168
6,4
143
5,5
152
5,8
D5 AWDC, B (D4204T11)
164
6,2
140
5,4
149
5,7
-
-
-
-
-
-
D5 AWDD (D4204T11)
A
B
C
D
Geldt niet voor de variant met een geringe emissie.
Geldt niet voor vierzitters.
Geldt alleen voor de variant met een geringe emissie.
Geldt voor vierzitters.
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in de
bovenstaande tabel zijn gebaseerd op speciale
EU-rijcycli2, die gelden voor een auto met rijklaar
gewicht in standaarduitvoering zonder extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting neemt het
autogewicht toe. Dit alsook de mate van belading
2
564
van de auto zorgt voor een verhoging van het
brandstofverbruik en de uitstoot van kooldioxide.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor een
verhoogd brandstofverbruik ten opzichte van de
tabelwaarden. Daarbij valt te denken aan factoren
als:
•
•
Uw rijstijl.
De grotere rolweerstand als u kiest voor grotere wielen dan de standaardwielen op de
basisuitvoering van het model.
De officieel gedeclareerde brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in een laboratoriumomgeving ("EU-rijcycli") volgens EU Regulation no 692/2008, 715/2007 (Euro 5 /
Euro 6) en UN ECE Regulation no 101. Aangezien de rijcycli ook worden gebruikt in het kader van de kwaliteitscontrole worden er hoge eisen gesteld aan de herhaalbaarheid van de tests. Daarom worden de
tests zorgvuldig gecontroleerd en alleen uitgevoerd voor de basisfuncties van de auto (bijvoorbeeld met gedeactiveerde airconditioning, radio enz.). Als gevolg hiervan zijn de resultaten van de officiële cijfers niet
vanzelfsprekend representatief voor wat klanten ervaren bij daadwerkelijk gebruik van de auto. De regelgeving omvat de rijcycli "Stadsverkeer" en "Snelwegrit". - Rijcyclus "Stadsverkeer" - de meting begint met
een koude start van de motor. De test betreft een gesimuleerde rit. - Rijcyclus "Snelwegrit" - de auto trekt op en remt af bij snelheden tussen 0–120 km/h (0–75 mph). De test betreft ook weer een gesimuleerde rit. - De officiële waarde voor gemengd rijden, zoals weergegeven in de tabel, is overeenkomstig de wettelijke eisen een combinatie van de rijcycli "Stadsverkeer" en "Snelwegrit". CO2-emissie - om de
kooldioxide-emissie tijdens de twee rijcycli te berekenen worden de uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en het resultaat hiervan is de waarde voor de CO2-emissie.
SPECIFICATIES
•
De grotere luchtweerstand bij hogere snelheden.
•
De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de
staat van de auto.
•
Zuinig rijden (p. 408)
Een combinatie van de hier genoemde voorbeelden kan ook een aanzienlijk hoger verbruik opleveren. Raadpleeg voor meer informatie de richtlijnen waar eerder aan gerefereerd werd2.
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik
mogelijk bij een vergelijking met de EU-rijcycli2
die gehanteerd worden bij certificering van de
auto en waarop de verbruikscijfers in de tabel
gebaseerd zijn.
N.B.
Extreme weersomstandigheden, rijden met
een aanhanger/caravan of rijden op grote
hoogte zijn, in combinatie met de brandstofkwaliteit, factoren die het brandstofverbruik
kunnen beïnvloeden.
Gerelateerde informatie
•
•
2
Typeaanduidingen (p. 548)
Gewichten (p. 553)
De officieel gedeclareerde brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in een laboratoriumomgeving ("EU-rijcycli") volgens EU Regulation no 692/2008, 715/2007 (Euro 5 /
Euro 6) en UN ECE Regulation no 101. Aangezien de rijcycli ook worden gebruikt in het kader van de kwaliteitscontrole worden er hoge eisen gesteld aan de herhaalbaarheid van de tests. Daarom worden de
tests zorgvuldig gecontroleerd en alleen uitgevoerd voor de basisfuncties van de auto (bijvoorbeeld met gedeactiveerde airconditioning, radio enz.). Als gevolg hiervan zijn de resultaten van de officiële cijfers niet
vanzelfsprekend representatief voor wat klanten ervaren bij daadwerkelijk gebruik van de auto. De regelgeving omvat de rijcycli "Stadsverkeer" en "Snelwegrit". - Rijcyclus "Stadsverkeer" - de meting begint met
een koude start van de motor. De test betreft een gesimuleerde rit. - Rijcyclus "Snelwegrit" - de auto trekt op en remt af bij snelheden tussen 0–120 km/h (0–75 mph). De test betreft ook weer een gesimuleerde rit. - De officiële waarde voor gemengd rijden, zoals weergegeven in de tabel, is overeenkomstig de wettelijke eisen een combinatie van de rijcycli "Stadsverkeer" en "Snelwegrit". CO2-emissie - om de
kooldioxide-emissie tijdens de twee rijcycli te berekenen worden de uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en het resultaat hiervan is de waarde voor de CO2-emissie.
565
SPECIFICATIES
Goedgekeurde
bandenspanningswaarden
De goedgekeurde bandenspanningen voor de
verschillende motoralternatieven staan in de
tabel.
Motor
Bandenmaat
N.B.
Alle motoren, banden of combinaties daarvan
zijn niet altijd beschikbaar op alle markten.
Snelheid
(km/h)
235/60 R 18
Belading, 1–3 inzittenden
Max. belading
ECO-bandenspanningA
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)B
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
0 - 160C
240
240
270
270
270
160+D
240
240
270
270
-
max. 80E
420
420
420
420
-
235/55 R 19
Alle motoren
275/45 R 20
275/40 R 21
275/35 R 22
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
C
D
E
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
0 - 100 mph
100+ mph
max. 50 mph
Gerelateerde informatie
•
•
566
Typeaanduidingen (p. 548)
Bandenspanning controleren (p. 470)
ALFABETISCH REGISTER
1, 2, 3 ...
****
4WD
64
389
Aanhanger
kabel
pendelbeweging
rijden met een aanhanger
ruggedeelten omklappen
Temperatuur
Ventilator
374
415
413
415
412, 414
131, 133
186
189
Achterkant hoger zetten
223
achterkant lager zetten
223
Achterklep
elektrisch bediend
vergrendelen/ontgrendelen
A
Aandrijflijn
Versnellingsbak
ALFABETISCH REGISTER
250, 252
243, 245
225
Afdichtmiddel
481
Afsluitbare wielbouten
489
157
158
Afstandsbediening HomeLink®
programmeerbaar
Achteruitkijkspiegel
autodimfunctie
ABS
antiblokkeerremsysteem
390
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Kompas
158, 159
AC (Airconditioning)
185
Achterbank
127
elektrische verwarming
199
hellingshoek ruggedeelte aanpassen 130
hoofdsteun
128
instappen/uitstappen
133
Klimaat
182, 184
langsverstelling
129
Afdekking
bagageruimte
190
153
153
220
22
398
Achterruit
elektrische verwarming
Sproeier
Wisser
Aansteker
Accessoires en extra uitrusting
398
Afdalingsregeling (Hill Descent Control)
155
56, 59, 64, 70
286, 294
Afdalingsassistent
Achterportier
zonnescherm
Aanrijding
ACC - Adaptieve cruisecontrol
snelheid instellen
289, 290
stand-bystand
292
Storingzoeken
295
tijdelijk deactiveren
292
van cruisecontrolfunctie wisselen
296
volgtijd instellen
291
Actieve parkeerhulp
bediening
Beperkingen
functie
Symbolen en meldingen
353
355
357
353
360
Adaptieve bochtverlichting
142
Adaptieve cruisecontrol
functie
inhalen
Radarsensor
286, 294
286
293
307
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie
498
Airbag
Activeren/deactiveren
bestuurderszijde
passagierszijde
Airconditioning
164
64
66
64
64, 66
185
Airconditioning, vloeistof
hoeveelheid en kwaliteit
561
alarm
beperkt alarmniveau
deactiveren
259
259
262
567
ALFABETISCH REGISTER
Alarm
automatische herinschakeling
261
Alarmlichten
145
All Wheel Drive (vierwielaandrijving)
389
239
Automatische rem
na een aanrijding
396
392
Automatische schakelblokkering deactiveren
377
Autoverzorging
Leren bekleding
540
543
AUX
contact voor aansluiting van media
435
AWD, vierwielaandrijving
389
Antenne
positie
237
Automatische snelheidsbegrenzer
Antislipregeling
270
Antispin
270
Automatische stop van motor
autostop
380
B
Automatische versnellingsbak
aanhanger
375
414
Bagageafdekking
225
Automatische wasstraat
540
Bagageruimte
bagagenet
bevestigingspunten
elektrische aansluiting
Verlichting
222
227
224
216
148
279
Apple CarPlay
437
Applicatiemanager
501
Applicaties
Instellingen
175
Automatisch geregeld klimaat
185
150
Automatisch groot licht
140
Auto met internetaansluiting
afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie
498
Approach-verlichting
Apps
453
downloaden, updaten en deïnstalleren 453
Asbak
220
Audio en media
422
Audio-instellingen
Displaymelding
media
media spelen
Telefoon
Autoberging
568
Automatische hervergrendeling
422, 447
445
436
431
446
418
Autofuncties
op middendisplay
47
Autogordel, zie Veiligheidsgordel
59
Auto met internetverbinding
afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie
auto verbinden
geen of een slechte verbinding
447
498
448
451
Automodem
auto aansluiten op internet
Instellingen
448
452
Auto opnemen
504
Autostatus
Bandenspanning
498
473
Banden
band afdichten
bandenspanningscontrole
demonteren
draairichting
monteren
opbergen
profieldiepte
slijtage-indicator
spanning
specificaties
Winterbanden
468
481
471
486
469
488
468
490
469
470, 566
566
490
Bandenmaat
486, 494
Banden oppompen
485
ALFABETISCH REGISTER
Bandenspanningscontrole
Kalibreren
lage bandenspanning
uitschakelen
471
475
474
471
Bandenspanningstabel
Batt. sleutel bijna leeg
Batterij
Hulponderhoud
Startstarten met hulpaccu
Symbolen op de accu
Waarschuwingssymbolen
Bedrijfsrem
Beglazing
470
Bluetooth
aansluiten
auto aansluiten op internet
Instellingen
Telefoon
435
448
449
441
254
Bochtverlichting
144
Boordcomputer
168, 169, 170
524
521
521
373
524
524
390, 392
32
Behoud van klimaatcomfort
start/uitschakelen
203
207
Bekleding
543
Benzinekwaliteit
405
Bergen
418
Bestuurdersdisplay
applicatiemenu
Meldingen
Bestuurdersprestatie
BLIS
104
105
170
361, 362, 363
Botsing, zie Aanrijding
Brandstof
brandstofverbruik
56
404, 405, 406
563
C
Camerasensor
330
Cd-speler
City Safety™
434
325, 327, 328, 330, 333
Claxon
134
Clean Zone Interior Package
180
CO2-uitstoot
563
Collision Warning
Radarsensor
voetgangersdetectie
325
307
328
Brandstofdampen
404
Brandstofgebrek
dieselolie
407
Compact reservewiel
compact reservewiel
490
490
Brandstoftank
inhoud
561
Condens
Condens in koplamp
540
Brandstof tanken
403
Condens in koplamp
540
Buitenmaten
551
Contactslotstand
370
Buitenspiegels
autodimfunctie
elektrische verwarming
elektrisch inklapbaar
resetten
156
157
190
157
156
Controlesymbolen
93
Buitentemperatuurmeter
97
Controlesysteem
Bandenspanning
Corner Traction Control
Cruisecontrol
snelheid instellen
tijdelijk deactiveren
uitschakelen
CTA
471
270
282, 283
283
284
285
363, 364, 365
569
ALFABETISCH REGISTER
CZIP (Clean Zone Interior Package)
180
Draairichting
469
Drive-E
Milieubeleid
D
DAB-radio
427
Dagrijlicht
139
Dagteller op nul stellen
169
Dagtellers
168
Dakbelasting, max. gewicht
553
Dashboardkastje
221
Data
opnemen
overdracht tussen auto en werkplaats
21
503
Diagnoseaansluiting
570
22
Driver Alert Control
bediening
ECO-bandenspanning
405
Etiketten
548
Extra verwarming (Hulpverwarming)
212
470, 566
F
Fietserdetectie
Eerste hulp
493
Flitskast
320
EHBO-kit
493
Follow Me Home-verlichting
149
Elektrisch bedienbare ruiten
resetten
153
155
Elektrisch bedienbare zijruiten resetten
155
Foutmeldingen
Adaptieve cruisecontrol
zie Meldingen en symbolen
297
297
160
Foutmeldingen BLIS
367
216
FSC, milieulabel
Dieselolie
406
Elektrische aansluiting
Digitale radio (DAB)
427
Elektrische achterklepbediening
Dimlicht
139
Displaymeldingen
hanteren
opgeslagen
105
107
109
Elektrische parkeerrem
lage accuspanning
400
Ethanolgehalte
max. 10 volumeprocent
386
Elektrisch bediend panoramadak
Doorwaaddiepte
257
ECO-stand
407
322, 323
324
334
335
521
Elektronische startblokkering
E
Diesel
brandstofgebrek
Distance Alert
Beperkingen
25
Elektrisch systeem
328
32
250, 252
393
395
Elektrische stoelbediening
120, 122
Elektrische verwarming
Ruiten
Stoelen en achterbank
stuurwiel
190
199
202
Elektrisch inklapbare buitenspiegels
157
G
Gebruikershandleiding
milieulabel
op middendisplay
19
32
15, 16
Gebruikershandleiding in de mobiel
17
Gebruikersinformatie
14
ALFABETISCH REGISTER
Geïntegreerde stoelverhoger
inklappen
uitklappen
83
84
84
Gelaagd glas
32
Gereedschap
416, 491
Gevarendriehoek
Gewichten
rijklaar gewicht
Gladde wegen
Gladheid
Glazen
gelaagd/versterkt
gloeilampen, specificaties
Gordelspanners
Gordelwaarschuwing
492
553
402, 403
403
32
517
Hoge motortemperatuur
400
Instellingen herstellen
HomeLink®
164
Hoofdsteun
128
Instrumenten, schakelaars en bediening
Hoogte lichtbundel koplampen aanpassen
137
Hoogteregeling
388
Houder voor boodschappentassen
224
Hulpaccu
524
Hulpverwarming
212
I
59
IAQS (Interior Air Quality System)
62
IC (Inflatable Curtain)
Gracenote®
433
Groot licht
140
H
HDC
398
Hefgereedschap
493
Hellingrem
Hill Start Assist (HSA)
396
Hill Start Assist
396
181
69
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links
auto met stuur rechts
IntelliSafe
Bestuurdersondersteuning
176
88, 89
88
89
28
Interieur
aansteker
asbak
elektrische aansluiting
tunnelconsole
Zonneklep
214
220
220
216
215
221
Interieurluchtfilter
180
Interieurverlichting
automatische functie
146
147
In de was zetten
542
Inflatable Curtain
69
Interieurverwarming (Standverwarming)
211
Informatiedisplay
91
Interior Air Quality System
181
Infotainment (Audio en media)
422
Internet, zie Auto met internetverbinding
447
Inklapbare trekhaak
409
Intervalfunctie wisser
151
Inparkeerhulp - PAP
353
iPod®, aansluiting
435
Instellingen
Categorieën
Instellingenscherm
Resetten
Systeeminstellingen
171
173
171
175
174
571
ALFABETISCH REGISTER
ventilatieregeling
zones
K
572
189
178
Lage accuspanning
Startaccu
401
Lak
kleurcode
lakschade en herstel ervan
545
545
Lampen
512
Kachel
hulpverwarming
Standverwarming
210
212
211
Katalysator
Bergen
Klimaatregeling
Achterbank
middendisplay
reparatie
418
Klok, instellen
Keuzehendelblokkering
377
Kilometerstand
168
Koelsysteem
oververhitting
400
Lane Keeping Aid - LKA
Kinderslot
258
Koelvloeistof
560
178, 182
184
182
511
98
Lane Departure Warning - LDW 336, 338,
340
336, 339, 340
Lasthaken
224
Kinderveiligheid
72
Koelvloeistof, bijvullen
510
Lastindex
494
Kinderveiligheidszitje
Bovenste bevestigingspunten
geïntegreerde stoelverhoger
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten
onderste bevestigingspunten
plaatsen/monteren
plaatsingstabel
tabel voor i-Size
tabel voor ISOFIX
72
74
83
78
75
72
76
82
79
Kompas
kalibreren
158
159
LDW - Lane Departure Warning 336, 338,
Koplampen
afdekking
514
Koudemiddel
511
Krik
493
Kleurcode, lak
545
L
Klimaat
automatische regeling
gevoelstemperatuur
parkeerplaats
sensoren
spraakherkenning
temperatuurregeling
178
185
179
203
178
117
186
Laag oliepeil
509
Lading vervoeren
algemene informatie
bagageruimte
lange lading
verankeringsogen
222
222
223
224
340
Lekke band
481
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften
543
Licentieovereenkomst
455
Lichtbundel, aanpassen
143
Lichtbundel aanpassen
143
Lichtbundel koplampen
aanpassen
hoogteregeling
143
137
Lichtbundel koplampen aanpassen
LKA - Lane Keeping Aid
Loopvlak
143
336, 339, 340
469
ALFABETISCH REGISTER
Luchtkwaliteit
allergie en astma
interieurluchtfilter
Luchtrecirculatie
Luchtverdeling
blaasmonden
ontdooien
recirculatie
tabel met alternatieven
wijzigen
179, 181
180
180
193
194
194, 196
190
193
197
195
M
Middenconsole
Middendisplay
bediening
instellingen wijzigen
klimaatregeling
Meldingen
overzicht
Reinigen
symbolen op statusbalk
144
144
Mobiele telefoon, zie Telefoon
442
400
380
371
372
372
Maten
Trekhaak
551
411
Max. dakbelasting
553
Motor afzetten
Mediaspeler
compatibele bestandsformaten
spraakherkenning
430
439
117
Motorkap, openen
Meldingen BLIS
367
Meldingen en symbolen
Adaptieve cruisecontrol
Collision Warning with Auto Brake
Lane Departure Warning
297
333
340
Metr., Imper., VS
147
97
36, 40
45
182
105
33
544
45
Mistverlichting
achter
Voor
Motor
oververhitting
Start/Stop
starten
uitschakelen
Make-upspiegel
verlichting
215
Motorolie
filter
kwaliteit en hoeveelheid
ongunstige rijomstandigheden
506
508, 559
508
557
559
Motorolie, bijvullen
509
Motoroliepeil controleren
509
Motorrem, automatisch
398
Motorremregeling
270
Motorruimte
koelvloeistof
Motorolie
overzicht
510
508
507
Motorspecificaties
556
Motor starten
371
Motor uitzetten
372
N
Net
bagageruimte
Niveauregeling
Noodreparatieset banden
227
388
481, 485
Noodreparatieset voor banden
afdichtmiddel
band oppompen
overzicht
positie
resultaat controleren
uitvoering
482
481
485
482
481
482
482
Nooduitrusting
EHBO-kit
gevarendriehoek
493
492
573
ALFABETISCH REGISTER
O
octaangetal
Olie, zie ook Motorolie
405
557, 559
Park Assist
functie
342, 344, 346
342, 344
R
Parkeerhulpcamera
Instellingen
347, 349, 352
351
Radarsensor
Beperkingen
286
308
Radio
DAB
Instellingen
spraakherkenning
vervangen en radiozender zoeken
423
427
428
117
424
66
Regeneratie
407
509
Regensensor
151
Reinigen
Automatische wasstraat
bekleding
middendisplay
Stoffen bekleding
veiligheidsgordels
Velgen
wasstraat
540
543
544
543
543
541
540
Remfuncties
390
Remhulp
na een aanrijding
392
Remlichten
145
Ondergelopen weg
400
Onderhoud
roestwering
Parkeerklimaat
Symbolen en meldingen
542
Parkeerrem
393, 394, 395
Ontdooien
190
Partikelfilter
407
Ontgrendelen
met sleutelblad
van de buitenzijde
248
237
Op afstand bediende startblokkering
257
Opbergmogelijkheden
dashboardkastje
tunnelconsole
214
221
215
Opblaasgordijn
Oververhitting
203
209
Passenger Airbag Cut Off Switch
69
400, 414
Peilstok, elektronisch
Pilot Assist
298, 301
pincode
452
Poetsen
542
Positie buitenspiegels herstellen
156
Preconditioning
start/uitschakelen
timer
203
204
205
Profieldiepte
469, 490
P
PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch) 66
574
Panoramadak
openen en sluiten
Ventilatiestand
zonnescherm
161
163
160
PAP - Actieve parkeerhulp
353
Q
Queue Assist
298
Remmen
390
antiblokkeerremsysteem, ABS
390
automatisch bij stilstand
396
noodremlichten
392
parkeerrem
393, 394, 395
ALFABETISCH REGISTER
remkrachtverhoging, BAS
Remlichten
remsysteem
392
145
390
Remvloeistof
kwaliteit
560
Resetten dagteller
169
Richtingaanwijzer
146
Richtingaanwijzers
146
Rijadviezen
402
Rijbaanassistent
bediening
298
338, 339
Rijden
koelsysteem
met een aanhanger
400
412
Rijden met een aanhanger
kogeldruk
trekgewicht
554
554
Rijden tijdens de winter
402
Rijeigenschappen aanpassen
270, 383
Rijklaar gewicht
553
Rijstand
383
Ritstatistiek
170
Ritten op lage snelheden
397
Roestwering
542
Roetfilter dieselmotor
407
Roll Stability Control
275
RSC-systeem (Roll Stability Control)
Rugleuning
achterbank, omklappen
achterbank, verstellen
stoel voorin, verstellen
275
131, 133
130, 133
119, 121, 123
Ruit
rolgordijn
155
Ruitenwisser voor
Regensensor
150
151
S
Safelock-functie
deactiveren
Safety mode
start/verplaatsen
242
242
70
71
Serviceprogramma
Side Impact Protection System
SIM-kaart
SIPS-airbag
68, 69
452
68
SIPS-airbag (Side Impact Protection System)
68, 69
Sleepoog
416
Slepen
417
Sleutel
234, 240
Snelheidsbegrenzer
beknopte bedieningsinstructies
tijdelijk deactiveren
uitschakelen
469
275, 279
276, 277
278
279
494
377
Spiegel
achteruitkijk-
157
375
Spiegels
buiten-
156
Spin control
270
Spraakherkenning
Instellingen
kaartnavigatie
Klimaat
116
118
117
Schakelindicator
Sensus
aansluiting en entertainment
148
Snelheidsklassen, banden
377
sensoren
Klimaat
Luchtkwaliteit
517
Sfeerverlichting
Slijtage-indicator
Schakelindicatie (GSI)
Schakelstanden
Automatische versnellingsbak
Servicestand
178
181
29
498
575
ALFABETISCH REGISTER
radio en media
Telefoon
Sproeien voorruit
Sproeier
Achterruit
sproeiervloeistof, bijvullen
Voorruit
117
116
Starten met hulpaccu
373
Stroombesparingsfunctie
401
Steenslagplekken en krassen
545
Stuurkracht, snelheidsafhankelijk
270
152
Stembediening
114
Stuurkrachtniveau, zie Stuurkracht
270
Stickers
548
Stuurpaddle
134
Stoel, zie Stoelen en achterbank
119
Stuurpaddles
378
153
520
152
Sproeiervloeistof
520
Sproeikoppen, verwarmd
152
Stabilisator
aanhangwagen
Stabiliteits- en tractieregeling
415
270, 273
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
bediening
271
stabiliteitsregeling
270
Stadslicht
138
Stalen rek
229
Standaardeenheid
Boordcomputer
169
Standverwarming
211
Start/Stop
380, 382
automatische motorafslag werkt niet
382
Functie en bediening
380
576
Startaccu
overbelasting
521
401
Startblokkering
257
Stoelen en achterbank
Achterbank
elektrisch bediende voorstoel
elektrische verwarming
geheugenfunctie voorstoel
handmatig bediende voorstoel
Ventilatie
WHIPS-systeem
Stoel voorin
elektrische verwarming
Klimaat
Temperatuur
Ventilatie
Ventilator
Stuurslotfout
127
120, 122
199
121
119
201
57
199
182
186
201
189
Stoffen die allergieën en/of astma kunnen
verwekken
180
Stop/start-functie
380
Storingsdiagnose van camerasensor
315
Storingsmeldingen
Lane Departure Warning
340
Storingzoeken
Adaptieve cruisecontrol
295
Stuurwiel
elektrische verwarming
paddle
Stuur afstellen
Toetsenset
373
134, 135
202
134
135
134
Stuurwiel afstellen
135
Support
18
Symbolen
Controlesymbolen
93
Symbolen en meldingen
Adaptieve cruisecontrol
Collision Warning with Auto Brake
de statusbalk van het middendisplay
Lane Departure Warning
parkeerklimaat
297
333
45
340
209
Systeem
updates
501
ALFABETISCH REGISTER
T
Tanken
Bijvullen
403
Telefoon
aansluiten
Displaymelding
Gesprek
spraakherkenning
441
442
445
444
116
Temperatuur
gevoelsRegeling
179
186
Toeteren
134
Toetsenbord
49
Toetsensets op stuurwiel
134
Totaalgewicht
553
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring
263
V
Trekgewicht en kogeldruk
554
Veertransport
Trekhaak
in- en uitklapbaar
specificaties
409
409
411
Veiligheid
zwangerschap
56
57
Trillingsdemper
409
59
59
62
60
57
Tunneldetectie
139
Veiligheidsgordel
gordelspanner
gordelwaarschuwing
omdoen/afdoen
zwangerschap
Typeaanduidingen
548
Veiligheidsrek
229
Typegoedkeuring
bandenspanningscontrole
radarsysteem
transpondersleutelsysteem
477
311
263
Velg, maten
494
TSA, Trailer Stability Assist
271, 415
TPMS - Tyre Pressure Monitoring System
471, 473, 475
U
Traction Control
Uitstoot van kooldioxide
563
USB
auto aansluiten op internet
contact voor aansluiting van media
448
435
Trailer Stability Assist
Transmissie
Transpondersleutel
Actieradius
afneembaar sleutelblad
batterij vervangen
zoekgeraakt
270
271, 415
374
234, 240
236
247
254
234
388
Velgen
Reinigen
Ventilatie
Stoelen en achterbank
541
194, 195, 196
201
Ventilator
blaasmonden
Luchtverdeling
Regeling
196
195
189
Verankeringsogen
bagageruimte
224
Vergrendelen/ontgrendelen
achterklep
243, 245
Vergrendeling
ontgrendelen
vergrendelen
237, 241
237, 241
577
ALFABETISCH REGISTER
Vergrendelingsindicatie
240
Verkeersbordinformatie
bediening
Beperkingen
318
318, 320, 321
322
Verkeersinformatie
428
Verlichting
adaptieve bochtverlichting
142
Approach-verlichting
150
automatische verlichting, interieur
147
automatisch groot licht
140
Bedieningselementen
136, 146
bochtverlichting
144
dagrijlicht
139
Dimlicht
139
Follow Me Home-verlichting
149
gloeilampen, specificaties
517
Groot licht
140
in interieur
146
Koplamphoogteregeling
137
mistachterlicht
144
mistlamp
144
Stadslicht
138
Verlichting display
137
Verlichting instrumentenpaneel
137
verlichting van bedieningselementen
137
Verlichting, gloeilampen vervangen
dagrijlicht/stadslichten vóór
Dimlicht
578
512
516
514
Groot licht
richtingaanwijzers voorzijde
515
516
Verlichting display
137
Verlichting instrumentenpaneel
137
massagefunctie
multifunctionele bediening
stoel verstellen
Voorstoel - handbediend
123
122, 123
121, 127
119
Verlichtingsbediening
136
Verlichting van bedieningselementen
137
Vermogen
556
Versnellingsbak
automaat
374
375
Waarschuwingsgeluid
Parkeerrem
395
Versnellingsbakolie
kwaliteit
560
Verwarmde sproeikoppen
152
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol
stabiliteits- en tractieregeling
286
270
Video
Instellingen
435, 436
431
Vierwielaandrijving, AWD
389
Vlekken
543
Vloeistoffen, hoeveelheden
Vloeistoffen en oliën
Volgtijd instellen
Volvo ID
Voorruit
elektrische verwarming
geprojecteerd beeld
Voorstoel - elektrisch bediend
Easy Entry en Exit
geheugenfunctie
520, 560, 561
560, 561
323
23
190
111
120, 122
126
121
W
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)
dynamo laadt niet bij
gordelwaarschuwing
Lage oliedruk
parkeerrem ingeschakeld
startaccu wordt niet opgeladen
storing in remsysteem
Waarschuwing
96
96
96
96
96
96
96
96
Waarschuwingssymbolen
veiligheid
96
56
Wasstraat
540
Whiplash Protection System
57
WHIPS (Whiplash Protection System)
57
WHIPS-systeem
57
ALFABETISCH REGISTER
Wielbouten
afsluitbare
489
489
Wielen
demonteren
monteren
Sneeuwkettingen
486
488
490
Wielen en banden
lastindex en snelheidsklasse
494
Wiel vervangen
486
Wifi
auto aansluiten op internet
internetaansluiting delen, hotspot
netwerk verwijderen
techniek en veiligheid
448
450
451
452
Winterbanden
490
Wisserblad
Servicestand
vervangen
517
518
Wissers en -sproeiers
150
onder het dashboardkastje
vervangen
532
527
Zekeringenkastje
526
Zonneklep
221
Zonnescherm
achterportier
panoramadak
155
160
Zuinigheid
Zuinig rijden
408
386, 408
Z
Zekeringen
algemene informatie
in bagageruimte
in motorruimte
526
536
528
579
ALFABETISCH REGISTER
580
TP 20375 (Dutch), AT 1546, MY16, Printed in Sweden, Göteborg 2015, Copyright © 2000-2015 Volvo Car Corporation
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising