Volvo | XC90 | Gebruikershandleiding | Volvo XC90 2006 Gebruikershandleiding

Volvo XC90 2006 Gebruikershandleiding
VOLVO
Instructieboekje
WEB EDITION
XC90
2006
Beste Volvo-bezitter
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw medepassagiers voorop
gestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie
in dit instructieboekje.
Dank u dat u gekozen hebt voor Volvo!
1
Inleiding
Instructieboekje
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, bij voorkeur voordat u uw eerste rit
maakt. Zo maakt u kennis met nieuwe
functies, krijgt u tips hoe u het beste in
verschillende situaties met de auto kunt
omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik
kunt maken van alle mogelijkheden die uw
auto biedt. Besteed ook aandacht aan de
veiligheidsinstructies in het boekje:
WAARSCHUWING!
Waarschuwingsteksten geven aan dat er
gevaar voor persoonlijk letsel bestaat, als
u de instructies niet opvolgt.
BELANGRIJK!
“Belangrijk”-teksten geven aan dat het
gevaar bestaat dat de auto beschadigd
raakt als u de instructies niet opvolgt.
De in het instructieboekje beschreven
uitrusting is niet op alle modellen aanwezig.
Als aanvulling op de standaarduitrusting
worden in dit instructieboekje ook de opties
(af-fabriek gemonteerde uitrusting) en
2
bepaalde accessoires (extra uitrusting)
beschreven.
N.B. De uitrusting van de auto’s van Volvo
hangt af van de verschillende behoeften op
de diverse markten en de landelijke en/of
regionale wet- en regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor
om zonder voorafgaande mededeling wijzigingen aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
Volvo Car Corporation en het milieu
Milieubeleid van Volvo Car
Corporation
Zorg voor het milieu, veiligheid en kwaliteit
zijn de drie kernwaarden van Volvo Car
Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat onze
klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. De meeste eenheden
binnen de Volvo Car Corporation zijn gecertificeerd voor de milieunorm ISO 14001,
hetgeen tot voortdurende verbeteringen op
milieugebied leidt.
Alle Volvo-modellen hebben een milieu
verklaring (EPI of Environmental Product
Information), waarin u zelf de invloed van de
verschillende modellen en motoren op het
milieu kunt vergelijken.
Bezoek www.volvocars.com/EPI om meer te
lezen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het
algemeen een geringere uitstoot van het
broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik
(zie pagina 4).
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
Schoon aan binnen- en buitenkant – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënt
uitlaatgasreinigingssysteem. In veel gevallen
liggen uitlaatgasemissies ver onder de
geldende normen.
Op de radiateur zit bovendien PremAir®1,
een speciale laag die schadelijk laaghangend
ozon kan omzetten in zuivere zuurstof.
1.
PremAir® is een gedeponeerd
handelsmerk van de Engelhard
Corporation.
3
Volvo Car Corporation en het milieu
Schone lucht in passagiersruimte
Erkende Volvo-werkplaatsen en
het milieu
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS1 (Interior Air Quality System), zorgt
ervoor dat de lucht in de passagiersruimte
schoner is dan de lucht buiten in het verkeer.
Met regelmatig onderhoud kunt u de
voorwaarden scheppen voor een laag brandstofverbruik en op die manier bijdragen aan
een schoner milieu. Wanneer u de reparaties
en het onderhoud aan de auto toevertrouwd
aan de werkplaatsen van Volvo, wordt de
auto een onderdeel van ons systeem. We
stellen duidelijke milieu-eisen aan de outillage
van onze werkplaatsen om te voorkomen dat
er schadelijke stoffen vrijkomen in het milieu.
Een onderdeel daarvan is een zorgvuldige
inzameling en scheiding van de gasvormige,
vloeibare en afvalstoffen in onze
werkplaatsen. Het personeel in de
werkplaatsen van Volvo beschikt over de
kennis en het gereedschap om optimale zorg
voor het milieu te kunnen garanderen.
Het systeem bestaat uit een elektronische
sensor en een koolstoffilter. De luchtinlaat
wordt afgesloten als het gehalte aan koolmonoxide in het interieur te hoog wordt zoals in
druk verkeer, files en tunnels. Het koolstoffilter zorgt dat stikstofoxiden, laaghangend
ozon en koolwaterstoffen niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo is ontwikkeld om
gezond en veilig te zijn - ook voor mensen met
contactallergieën of astma. Er is extra veel
aandacht besteed aan de selectie van milieuvriendelijke materialen. Ze voldoen dan ook
aan de eisen van de ecologische norm ÖkoTex 100 - een enorme stap op weg naar een
gezonder binnenmilieu.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoorbeeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding en de gebruikte garens en stoffen.
Ook de lederen bekledingsvarianten zijn
chroomvrij gelooid met plantaardige stoffen
en voldoen aan de gestelde eisen.
1.
4
Optie.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door milieuvriendelijke autoverzorgingsproducten te kopen en de auto te
onderhouden of te laten onderhouden aan de
hand van de aanwijzingen in het instructieboekje.
Hieronder volgen een paar tips voor hoe u het
milieu kunt ontzien:
• Zorg ervoor dat de banden de juiste
spanning hebben. Een te lage bandenspanning leidt tot een verhoogd brandstofverbruik. Bij gebruik van de hogere
bandenspanningswaarden die Volvo
adviseert neemt het brandstofverbruik af.
• Een imperiaal en skibox
resulteren in een grotere
luchtweerstand
waardoor het brandstofverbruik aanzienlijk
toeneemt. Verwijder ze
daarom meteen na gebruik.
• Laat spullen niet onnodig in de auto
liggen. Hoe groter de belasting van de
auto, des te hoger het brandstofverbruik.
• Gebruik altijd de elektrische motorverwarming voor een koudestart, als de auto
hiermee is uitgerust. Hierdoor nemen het
brandstofverbruik en de uitstoot af.
Volvo Car Corporation en het milieu
• Rijd rustig. Vermijd onnodig snel
optrekken en krachtig remmen.
• Rijd in de hoogst
mogelijke versnelling.
Een lager toerental zorgt
voor een lager verbruik.
• Laat het gaspedaal los
wanneer u van een
helling afrijdt.
• Rem op de motor. Laat het gaspedaal los
en schakel terug.
• Voorkom stationair draaien. Zet de motor
af wanneer u lang stilstaat in een file.
• Hanteer afvalstoffen die
schadelijk voor het
milieu zijn, zoals accu’s
en olie, op een milieuvriendelijke manier.
Neem contact op met
een erkende Volvo-werkplaats als u niet
zeker weet hoe u dergelijk afval moet
verwerken.
• Onderhoud uw auto regelmatig.
Door deze tips op te volgen kan het brandstofverbruik worden verlaagd zonder dat dit
van invloed is op de reistijd of het plezier in
het autorijden. U spaart uw auto, bespaart
geld en gebruikt minder van de hulpbronnen
op aarde.
5
6
Inhoud
Veiligheid
Instrumenten, schakelaars en bediening
Klimaatregeling
Interieur
Sloten en alarm
Starten en rijden
Wielen en banden
Verzorging
Onderhoud en service
Infotainment
Technische gegevens
9
37
67
79
99
111
147
163
169
197
235
7
8
Veiligheid
Veiligheidsgordels
AIRBAG-systeem
Airbags (SRS)
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
SIPS-airbags, (zij-airbags)
Opblaasgordijn (IC-systeem)
WHIPS-systeem
ROPS-systeem
Activering van de veiligheidssystemen
Inspectie van airbags en opblaasgordijnen
Kinderen en veiligheid
10
13
14
17
19
21
22
24
25
26
27
9
Veiligheid
Veiligheidsgordels
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Draag altijd een
veiligheidsgordel
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als
de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let
er daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben. Zo wordt voorkomen
dat bij een aanrijding de passagiers op de
achterbank tegen de rugleuning van de
voorstoelen worden geslingerd.
De veiligheidsgordel omdoen:
– Trek de gordel langzaam uit en maak deze
vast door de borglip in de sluiting te
steken. Een duidelijke “klik” geeft aan dat
de gordel vastzit.
De gordel losmaken:
– Druk op de rode knop van de vergrendeling. Laat het oprolmechanisme de
10
gordel naar binnen trekken. Als de gordel
niet volledig wordt opgerold, moet u de
gordel handmatig zo ver terugrollen dat
deze niet langer slap hangt.
De gordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken:
• wanneer u de gordel te snel uittrekt
• wanneer u remt of optrekt
• als de auto sterk overhelt.
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel
goed tegen het lichaam ligt. Laat de
rugleuning niet te ver achteroverhellen. De
veiligheidsgordel biedt de beste
bescherming bij een normale rijhouding.
Let erop dat:
• u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de gordel niet strak
langs uw lichaam kunt trekken
• er geen slagen in de gordel zitten en dat
hij nergens achter blijft steken
• de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
• u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld.
WAARSCHUWING!
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de
bescherming die de airbag bij een
aanrijding biedt afnemen waardoor u als
klant ernstig letsel kunt oplopen.
WAARSCHUWING!
Elke gordel is bestemd ter bescherming
van slechts één persoon.
WAARSCHUWING!
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf
te repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Als de gordel zwaar belast werd, bijvoorbeeld tijdens een aanrijding, moet de
complete gordel worden vervangen. De
gordel kan een deel van de beschermende eigenschappen hebben verloren,
zelfs als deze ogenschijnlijk niet
beschadigd is. Vervang de gordel ook als
deze versleten of beschadigd is. De
nieuwe veiligheidsgordel moet zijn
goedgekeurd en bedoeld voor montage
op dezelfde positie als de vervangen
gordel.
Veiligheid
Veiligheidsgordels
waarschuwingsfunctie opnieuw geactiveerd
bij snelheden hoger dan 10 km/h.
N.B. De gordelwaarschuwing is bestemd
voor volwassenen voor in de auto. Als u een
kinderzitje op de passagiersstoel hebt aangebracht en het met de veiligheidsgordel hebt
vastgezet, wordt er geen gordelwaarschuwing gegeven.
Veiligheidsgordel en zwangerschap
Gordelwaarschuwing
Het waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordels op het instrumentenpaneel en
dat op de bovenkant van de achteruitkijkspiegel knipperen, zolang de bestuurder en
een eventuele voorpassagier de veiligheidsgordel niet hebben omgedaan. De gordelwaarschuwing wordt na 6 seconden
automatisch uitgeschakeld, als de snelheid
lager is dan 10 km/h. Als vervolgens bij een
snelheid hoger dan 10 km/h blijkt dat de
bestuurder of de voorpassagier de veiligheidsgordel niet omgedaan heeft, wordt de
waarschuwingsfunctie opnieuw
ingeschakeld. De waarschuwingsfunctie
wordt vervolgens uitgeschakeld, wanneer de
snelheid tot onder 5 km/h daalt.
Als de bestuurder of voorpassagier de gordel
tijdens het rijden losmaakt, wordt de
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk
dat u de gordel altijd op de juiste manier
draagt. De gordel moet strak langs de
schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten
en tegen de zijkant van de buik ligt. Het
heupgedeelte van de gordel moet vlak tegen
de buitenkant van de bovenbenen liggen en
zo ver mogelijk onder de buik liggen. Het mag
nooit over de buik omhoog kunnen glijden.
De gordel moet zo strak mogelijk over het
lichaam lopen zonder onnodige speling.
Controleer ook of de gordel nergens
gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze
met gemak bij het stuur en de pedalen
moeten kunnen komen). Streef ernaar de
afstand tussen de buik en het stuur zo groot
mogelijk te maken.
Veiligheidsgordel en zwangerschap.
11
Veiligheid
Veiligheidsgordels
Keurmerk op veiligheidsgordels met gordelspanner.
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels (met uitzondering van
de gordel midden achter) hebben gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een
aanrijding de veiligheidsgordel rond het
lichaam spant. De gordel kan de passagier
daarmee beter in de stoel gedrukt houden.
12
Veiligheid
AIRBAG-systeem
Behalve het waarschuwingslampje verschijnt er, in die
gevallen waarin dat nodig is,
een melding op het informatiedisplay. Als het waarschuwingslampje niet werkt, gaat
het waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt
er SRS-AIRBAG/SERVICE
SPOED op het display. Neem zo spoedig
mogelijk contact op met een erkende Volvowerkplaats.
Waarschuwingslampje op
instrumentenpaneel
airbagsysteem1
Het
wordt continu gecontroleerd door de regeleenheid. Op het instrumentenpaneel bevindt zich een
waarschuwingslampje. Dit lampje gaat
branden, wanneer u de contactsleutel naar
stand I, II of III draait. Het lampje dooft na ca.
zeven seconden, wanneer de regeleenheid
heeft vastgesteld dat het airbagsysteem1
geen storingen vertoont.
1.
WAARSCHUWING!
Als het waarschuwingslampje voor het
airbagsysteem blijft branden of tijdens het
rijden kortstondig oplicht, betekent dit dat
het airbagsysteem niet naar behoren
werkt. Het lampje kan ook duiden op een
storing in de gordelspanners, het SIPS-,
het SRS- of het IC-systeem. Neem zo
spoedig mogelijk contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Omvat SRS en gordelspanners,
SIPS en IC.
13
Veiligheid
Airbags (SRS)
WAARSCHUWING!
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS)
geactiveerd is1.
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel zitten of staan.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen als de
airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke
situaties opleveren voor het kind.
Airbag (SRS) aan de bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels
ook een airbag (SRS - Supplementary
Restraint System) in het stuurwiel. De airbag
zit opgevouwen in het midden van het
stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het
opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING!
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de
bescherming die de airbag bij een
aanrijding biedt afnemen waardoor u als
klant ernstig letsel kunt oplopen.
14
Airbag (SRS) aan de passagierszijde
De airbag1 aan de passagierszijde zit
opgevouwen in een ruimte boven het
dashboardkastje. Het paneel is voorzien van
het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING!
Om de kans op letsel bij activering van de
airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de
rugleuning. De veiligheidsgordel moet
goed vastzitten.
1.
Niet alle auto’s hebben een airbag
(SRS) aan de passagierszijde. Dit is
afhankelijk van de vraag of de airbag
besteld werd tijdens het verkoopproces.
1. Zie pagina 17 voor informatie over een
geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
Veiligheid
Airbags (SRS)
WAARSCHUWING!
Reparaties mogen alleen door een
erkende Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het SRS-systeem kunnen
storingen in de werking veroorzaken en
leiden tot ernstig letsel.
SRS-systeem, auto met het stuur links.
SRS-systeem, auto met het stuur rechts.
SRS-systeem
N.B. De reactie van de sensoren hangt af van
de ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde of
de passagierszijde vooraan wordt gedragen
of niet. Het kan dan ook zijn dat er bij
ongelukken slechts een (of geen enkele) van
de airbags wordt opgeblazen. Het SRSsysteem registreert de botskracht waaraan
de auto blootstaat en stemt de activering van
één of meerdere airbags daarop af.
De airbag is voorzien van een gasgenerator.
Bij een voldoende krachtige aanrijding wordt
de ontsteking van de gasgenerator geactiveerd door de sensoren. De airbag wordt
opgeblazen en wordt tegelijkertijd warm. Om
de klap op te vangen loopt de airbag leeg
wanneer de inzittende de airbag raakt.
Daarbij treedt er rookvorming in de auto op.
Dit is volkomen normaal. Het totale verloop,
van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een
seconde in beslag.
N.B. De airbags werken dusdanig dat de
capaciteit ervan wordt afgestemd op de
botskrachten waaraan de auto blootstaat.
15
Veiligheid
Airbags (SRS)
Positie van de airbag aan de passagierszijde
in een auto met het stuur links of rechts.
WAARSCHUWING!
Verricht nooit zelf werkzaamheden aan de
onderdelen van het SRS-systeem in het
stuurwiel of op het paneel boven het
dashboardkastje.
Plaats geen voorwerpen of accessoires
op of in de buurt van het SRS AIRBAGpaneel (boven het dashboardkastje) of
binnen de actieradius van de airbag.
16
Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
WAARSCHUWING!
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passagiersstoel wanneer de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag
(SRS) aan de passagierszijde gedeactiveerd
is.
Schakelaar voor PACOS (Passenger Airbag
Cut Off Switch).
PACOS (optie)
Activeren/deactiveren
De schakelaar zit aan de passagierszijde aan
de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Volvo adviseert u de contactsleutel te gebruiken om de stand te wijzigen.
(U kunt ook andere voorwerpen gebruiken
die qua vorm op een sleutel lijken.)
De airbag (SRS) aan de passagierszijde
voorin kan gedeactiveerd worden met een
schakelaar. Dit is bijvoorbeeld noodzakelijk
als daar een kind in een kinderzitje moet
zitten.
Aanduiding
Een tekst op de achteruitkijkspiegel geeft aan
dat de airbag (SRS) aan de passagierszijde
gedeactiveerd is.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Laat personen die groter zijn dan 1,40 m
nooit plaatsnemen op de passagiersstoel
wanneer de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke
situaties opleveren.
WAARSCHUWING!
Als de auto is uitgerust met een airbag
(SRS) aan de passagierszijde maar geen
PACOS heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
17
Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
WAARSCHUWING!
Laat geen passagier op de passagiersstoel plaatsnemen, als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem op
het instrumentenpaneel oplicht terwijl de
tekst op het plafondpaneel aangeeft dat
de airbag (SRS) aan die kant gedeactiveerd is. Het duidt op een ernstige
storing. Bezoek onmiddellijk een erkende
Volvo-werkplaats.
SRS-schakelaar in ON-stand.
SRS-schakelaar in stand OFF.
Stand van de schakelaar
OFF = De airbag (SRS) is gedeactiveerd.
Met de schakelaar in deze stand kunnen
kinderen in een kinderzitje of op een kussen
aan de passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
ON = De airbag (SRS) is geactiveerd. Met de
schakelaar in deze stand kunnen passagiers
groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
18
Veiligheid
SIPS-airbags, (zij-airbags)
WAARSCHUWING!
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen
en de portierpanelen, omdat dit gebied
binnen de actieradius van de SIPS-airbag
ligt.
WAARSCHUWING!
Gebruik alleen stoelhoezen van Volvo of
stoelhoezen die door Volvo goedgekeurd
zijn. Andere stoelhoezen kunnen de
werking van de SIPS-airbags hinderen.
Po sitie van de SIPS-airbags
Opgeblazen SIPS-airbag
Kinderzitjes en SIPS-airbags
SIPS-airbags, (zij-airbags)
Een groot deel van de botskracht wordt door
het SIPS-systeem (Side Impact Protection
System) over balken, stijlen, vloer, dak en
andere delen van de carrosserie verspreid.
De SIPS-airbags aan de bestuurders- en de
passagierszijde beschermende borstkas en
vormen een belangrijk onderdeel van het
SIPS-systeem. De SIPS-airbags zijn aangebracht in de frames van de rugleuning van de
voorstoelen.
WAARSCHUWING!
De SIPS-airbags vormen een aanvulling
op het SIPS-systeem. Draag altijd een
veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING!
Reparaties mogen alleen door een
erkende Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het SIPS-systeem kunnen
storingen in de werking en ernstig letsel
veroorzaken.
Een SIPS-airbag heeft wat kinderzitjes
betreft geen negatieve gevolgen voor de
beschermende functies van de auto.
Er kan een kinderzitje op de voorstoel worden
geplaatst, als de auto aan de passagierszijde
niet is uitgerust met een geactiveerde1
airbag.
1.
Zie pagina 17 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
19
Veiligheid
SIPS-airbags, (zij-airbags)
Auto met het stuur links.
SIPS-airbag
De SIPS-airbag is voorzien van een gasgenerator. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, die op hun beurt de
gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee
wordt de klap van de aanrijding opgevangen,
waarna de airbags weer leeglopen. De SIPSairbags worden normaal gesproken alleen
opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
20
Auto met het stuur rechts.
Veiligheid
Opblaasgordijn (IC-systeem)
Eigenschappen
Het opblaasgordijn van het IC-systeem (Inflatable Curtain) vormt een aanvulling op het
SIPS-systeem. Het zit verborgen achter de
plafondbekleding langs beide zijden van de
auto. Het beschermt inzittenden zowel voorals achterin. Het opblaasgordijn wordt
geactiveerd door de aanrijdingssensoren van
het SIPS-systeem bij een voldoende
krachtige aanrijding of als de auto het risico
loopt te gaan kantelen. Bij activering wordt
het opblaasgordijn opgeblazen. Het systeem
helpt voorkomen dat de bestuurder en
eventuele passagiers bij een botsing met hun
hoofd tegen de binnenkant van de auto slaan.
Bij de Volvo XC90 is het opblaasgordijn
ontwikkeld om de inzittenden te beschermen
als de auto over de kop mocht slaan. Op de
variant met zeven zitplaatsen loopt het
opblaasgordijn door tot aan de derde zitrij.
WAARSCHUWING!
Hang of bevestig nooit iets aan de
handgrepen aan het plafond. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware
kledingstukken (en niet voor harde
voorwerpen zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op
de plafondbekleding, de portierstijlen of
de zijpanelen van de auto. Ze kunnen
daarbij hun beschermende werking
verliezen. Er mogen uitsluitend originele
Volvo-onderdelen, bestemd voor montage
op deze plaatsen, worden gebruikt.
WAARSCHUWING!
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de
zijruiten. Anders is het mogelijk dat het
opblaasgordijn dat schuilgaat achter de
plafondbekleding geen bescherming
meer biedt.
WAARSCHUWING!
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
21
Veiligheid
WHIPS-systeem
Bescherming tegen whiplashletsel, WHIPS
Het WHIPS -systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende
rugleuningen en speciaal voor het systeem
ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide
voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd
bij een aanrijding van achteren, afhankelijk
van de hoek waaronder en de snelheid
waarmee het achteropkomende voertuig de
auto raakt en de materiaaleigenschappen van
dat voertuig.
WAARSCHUWING!
Het WHIPS -systeem vormt een
aanvulling op de veiligheidsgordel. Draag
altijd een veiligheidsgordel.
22
Eigenschappen van de stoel
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Als het WHIPS -systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de positie van de
bestuurder en de passagier op de
voorstoelen verandert. Zo wordt de kans op
een zogeheten whiplash beperkt.
Het WHIPS -systeem heeft geen nadelige
invloed op de beschermende werking van de
kinderzitjes.
WAARSCHUWING!
Breng nooit zelf wijzigingen aan de stoel
of het WHIPS -systeem aan en probeer ze
nooit zelf te repareren. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel
mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen en de afstand tussen het hoofd en de
hoofdsteun zo klein mogelijk houden.
Veiligheid
WHIPS-systeem
WAARSCHUWING!
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten, zoals bij een aanrijding van
achteren, moet u het WHIPS -systeem
laten controleren bij een erkende Volvowerkplaats.
Er kunnen eigenschappen van het WHIPS
-systeem verloren zijn gegaan, ook al ziet
de stoel er onbeschadigd uit. Neem
contact op met een erkende Volvowerkplaats om het systeem te laten
controleren, ook na een lichte aanrijding
van achteren.
Zorg dat u de werking van het
WHIPS-systeem niet beïnvloedt
WAARSCHUWING!
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop
dat u de werking van het WHIPS -systeem
niet beïnvloedt.
WAARSCHUWING!
Als u een van de ruggedeelten van de
achterbank hebt neergeklapt, moet u de
voorstoel aan dezelfde kant naar voren
schuiven zodat de rugleuning van de stoel
niet tegen het neergeklapte ruggedeelte
van de achterbank aankomt.
23
Veiligheid
ROPS-systeem
Het Roll-Over Protection System van Volvo is
ontwikkeld om het gevaar te beperken dat de
auto over de kop slaat en maximale
bescherming te bieden als een ongeluk
onvermijdelijk blijkt.
Het systeem bestaat uit:
• een stabilisatiesysteem, het RSC (Roll
Stability Control) dat het gevaar beperkt
dat de auto kantelt en over de kop slaat
wanneer u bijvoorbeeld krachtig afremt of
in de slip raakt;
• een aanvulling op de inzittendenbeveiliging door het gebruik van carrosserieverstevigingen, opblaasgordijnen en
gordelspanners op alle zitplaatsen (zie
ook pagina 12 en pagina 21).
Het RSC-systeem maakt gebruik van een
gyrosensor die wijzigingen in de helling
overdwars registreert. Aan de hand van deze
informatie wordt vervolgens berekend hoe
groot de kans is dat de auto over de kop
slaat. Als het gevaar reëel is, treedt het
DSTC-systeem in werking. Het motortoerental wordt daarbij verlaagd en één of meer
van de wielen worden afgeremd, totdat de
auto zijn stabiliteit hervonden heeft.
Zie pagina 46 en 124 voor meer informatie
over het DSTC-systeem.
24
WAARSCHUWING!
Onder normale omstandigheden zorgt het
RSC-systeem voor een betere
wegligging. Dit mag echter voor u geen
reden zijn om sneller te gaan rijden. Neem
altijd de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen bij het rijden.
Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Gordelspanners
Airbags (SRS)
SIPS-airbags
Opblaasgordijn (IC-systeem)
WHIPS-systeem
RSC-systeem
Activering
Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij.
Bij frontale botsingen1.
Bij aanrijdingen van opzij1.
Bij een aanrijding in de zij en/of kantelen1.
Bij aanrijdingen van achteren1.
Wanneer de auto bijvoorbeeld krachtig afremt of in de slip raakt.
1. Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en
het gewicht van het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op
de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen op de auto.
Wanneer de airbags werden opgeblazen,
wordt u het volgende geadviseerd:
• Sleep de auto naar een erkende Volvowerkplaats. Rijd niet in een auto met
opgeblazen airbags.
• Laat het vervangen van de onderdelen
van de veiligheidssystemen in de auto
over aan een erkende Volvo-werkplaats.
• Neem altijd contact op met een arts.
N.B. De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de
gordelspanners worden bij een botsing
slechts eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING!
De regeleenheid van het airbagsysteem
zit op de middenconsole van de auto. Als
de middenconsole doorweekt geraakt is,
moet u de accukabels loskoppelen.
Probeer de auto niet te starten, omdat de
airbags daarbij opgeblazen kunnen
worden. Sleep de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING!
Rijd nooit met geactiveerde airbags. Ze
kunnen u bij het sturen danig in de weg
zitten. Ook de andere veiligheidssystemen
kunnen beschadigd zijn. Langdurige
blootstelling aan de rook- en stofdeeltjes
die vrijkomen bij activering van de airbags
kan oog- en huidirritatie veroorzaken.
Spoel bij irritatie met koud water. De
snelheid waarmee de airbags/gordijnen
worden opgeblazen kan in combinatie met
de toegepaste materialen resulteren in
schaaf- en brandwonden.
25
Veiligheid
Inspectie van airbags en opblaasgordijnen
Controle-intervallen
De stickers op de portierstijl(en) geven het
jaar en de maand aan waarin u contact moet
opnemen met een erkende Volvo-werkplaats
om de airbags, gordelspanners en opblaasgordijnen te laten controleren en eventueel te
laten vervangen. Als u vragen hebt over de
systemen, kunt ook contact opnemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Airbag aan de bestuurderszijde
Airbag aan de passagierszijde
SIPS-airbag aan de bestuurderszijde
SIPS-airbag aan de passagierszijde
Opblaasgordijn aan de bestuurderszijde
Opblaasgordijn aan de passagierszijde
Deze sticker vindt u in de portieropening
linksachter.
26
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in
uw auto. Door het gebruik van originele
Volvo-onderdelen bent u er zeker van dat de
bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op de juiste wijze zijn aangebracht en
sterk genoeg zijn.
Kinderzitje en gordelwaarschuwing
Als u een baby- of kinderzitje (achterstevoren) op de passagiersstoel hebt aangebracht en met de aanwezige
veiligheidsgordel hebt vastgezet, wordt er
niet altijd een gordelwaarschuwing gegeven.
Controleer daarom altijd of de gordel goed in
de sluiting steekt, voordat u wegrijdt!
Het volgende kan worden gebruikt:
Kinderen moeten comfortabel en
veilig zitten
De plaats van het kind in de auto en de
vereiste uitrusting is afhankelijk van het
gewicht en de lengte van het kind (zie
pagina 30 voor meer informatie).
• een kinderzitje op de passagiersstoel,
mits de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is1.
• een achterstevoren gemonteerd kinderzitje op de achterbank dat tegen de
rugleuning van de voorstoel steunt.
Kinderen die kleiner zijn dan 1,50 m dienen in
een passend kinderzitje te worden vervoerd.
N.B. De wettelijke bepalingen voor het
vervoer van kinderen in de auto verschillen
van land tot land. Ga na welke regels er in uw
land van kracht zijn.
1.
Zie pagina17 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
27
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
Kinderzitjes en airbags
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd
is1. Als de airbag wordt geactiveerd, kan een
kind in een kinderzitje aan de passagierszijde
ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING!
Personen kleiner dan 1,40 m mogen
alleen op de voorstoel plaatsnemen als de
airbag gedeactiveerd is.
1.
28
Zie pagina 17 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Positie van airbagsticker in voorportieropening aan de passagierszijde
Sticker op zijwand dashboard.
Sticker op zijwand dashboard (alleen
Australië).
WAARSCHUWING!
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passagiersstoel, als de airbag (SRS) geactiveerd is. Het niet opvolgen van de deze
aanbeveling kan levensgevaarlijke
situaties opleveren voor het kind.
29
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Positie van kinderen in de auto
Gewicht (leeftijd)
Passagiersstoel met geactiveerde1
airbag (SRS)
<10 kg
(tot 9 maanden)
Ongeschikte plaats voor deze leeftijdscategorie.
9–18 kg
(9–36 maanden)
Ongeschikte plaats voor deze leeftijdscategorie.
15–36 kg
(3–12 jaar)
Ongeschikte plaats voor deze leeftijdscategorie.
Passagiersstoel zonder (of met gedeactiveerde1) airbag (SRS)
(optie)
Mogelijkheden: Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen
met veiligheidsgordel en extra bevestigingsband. Typegoedk.:
E5031352
Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel.
Typegoedk.: E5 031602
Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met ISOFIXsysteem. Typegoedk.: E5 031622
Mogelijkheden: Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen
met veiligheidsgordel en extra bevestigingsband.
Typegoedk.: E5 031352
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel.
Typegoedk.: E5 031612
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met ISOFIXsysteem. Typegoedk.: E5 031632
Gordelkussen met of zonder rugleuning.
Typegoedk.: E5 03139
1. Zie pagina 17 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag.
2. Geschikt voor speciale kinderzitjes (zie overzicht onder genoemde typegoedkeuring). Kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor één bepaald merk auto, voor
een beperkte groep merken, semi-universeel of universeel zijn.
30
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Positie van kinderen in de auto
Gewicht (leeftijd) Tweede zitrij, buitenste zitplaatsen1
<10 kg
(tot 9 maanden)
9–18 kg
(9–36 maanden)
15–36 kg
(3–12 jaar)
1.
2.
3.
Mogelijkheden: Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel, steunbeen en extra bevestigingsband. Typegoedk.: E5 031352
Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met
veiligheidsgordel en steunbeen. Typegoedk.: E5 031602
Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met
ISOFIX-systeem en steunbeen. Typegoedk.: E5 031622
Mogelijkheden: Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel, steunbeen en extra bevestigingsband. Typegoedk.: E5 031352
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met
veiligheidsgordel en steunbeen. Typegoedk.: E5 031612
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met
ISOFIX-systeem en steunbeen. Typegoedk.: E5 031632
Gordelkussen met of zonder rugleuning.
Typegoedk.: E5 031392
Tweede zitrij, middelste
zitplaats1
Derde zitrij op model
met zeven zitplaatsen.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel, steun en
bevestigingsband.
Typegoedk.: E5 031352
Ongeschikte plaats
voor deze leeftijdscategorie.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel, steun en
bevestigingsband.
Typegoedk.: E5 031352
Ongeschikte plaats
voor deze leeftijdscategorie.
Mogelijkheden: Gordelkussen met of zonder
rugleuning. Typegoedk.:
E5 031392
Geïntegreerd kinderzitje.
Typegoedk.: E5 031673
Gordelkussen met of
zonder rugleuning.
Typegoedk.: E5 031392
Bij modellen met zeven zitplaatsen moet de zitrij in de achterste stand staan bij gebruik van een kinderzitje.
Geschikt voor speciale kinderzitjes (zie overzicht onder genoemde typegoedkeuring). Kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor één bepaald merk auto,
voor een beperkte groep merken, semi-universeel of universeel zijn.
Ingebouwd en goedgekeurd voor deze leeftijdscategorie.
31
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Zorg dat:
Geïntegreerde kinderzitjes
(optie op model met vijf
zitplaatsen, standaard op model
met zeven zitplaatsen)
De geïntegreerde kinderzitjes voor de
buitenste zitplaatsen van de achterbank van
Volvo zijn speciaal ontworpen om kinderen
optimale bescherming te bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels
zijn de kinderzitjes goedgekeurd voor
kinderen met een gewicht van 15 tot 36 kg.
32
Kinderzitje uitklappen
– Trek aan de handgreep zodat het kinderzitje omhoogkomt (1).
– Pak het zitje met beide handen vast en
duw het naar achteren (2).
– Druk het zo ver achteruit dat het
vergrendelt (3).
WAARSCHUWING!
Het kinderzitje moet in de vergrendelde
stand staan voordat u het kind in het zitje
aanbrengt.
• het kinderzitje in de vergrendelde stand
staat;
• de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt, nergens slap
hangt of verdraaid is en dat de gordel
goed over de schouder ligt;
• de heupgordel laag over het bekken loopt
om maximale bescherming te bieden;
• de veiligheidsgordel niet tegen de nek
van het kind aankomt of onder de
schouder langs loopt.
• Stel de stand van de hoofdsteun
zorgvuldig af op de lengte van het kind.
WAARSCHUWING!
Reparatie of vervanging dient alleen te
worden uitgevoerd door een erkende
Volvo-werkplaats. Voer zelf geen wijzigingen of aanpassingen uit aan het
geïntegreerde kinderzitje.
Als een geïntegreerd kinderzitje aan grote
krachten heeft blootgestaan zoals tijdens
een aanrijding, moet u het geïntegreerde
kinderzitje in zijn geheel vervangen. Ook al
ziet het geïntegreerde kinderzitje er intact
uit, kunnen er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het
geïntegreerde kinderzitje moet ook
worden vervangen als het erg versleten is.
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderzitje inklappen
– Trek aan de handgreep (1).
– Duw het kussen zo ver omlaag dat het
vastklikt (2).
N.B. Let erop dat u het geïntegreerde kinderzitje eerst moet inklappen voordat u de
ruggedeelten van de achterbank voorover
kunt klappen.
33
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderzitje monteren
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor
kinderen die afgestemd is op uw Volvo en
uitvoerig door Volvo getest is.
WAARSCHUWING!
Gebruik geen kinderzitjes met stalen
beugels of andere constructies die tegen
de ontgrendelingsknop van de gordelsluiting kunnen aankomen. Dit om te
voorkomen dat de gordels plotseling
losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de
bovenkant tegen de voorruit aankomt.
Bij het gebruik van andere op de markt
verkrijgbare producten is het belangrijk dat u
de bijgeleverde montagevoorschriften
zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt.
• Zet de bevestigingsbanden van het
kinderzitje nooit vast aan de hendel
waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren, rails of
balken onder de stoel. Scherpe randen
kunnen de bevestigingsbanden beschadigen.
• Laat de rugleuning van het kinderzitje
tegen het dashboard steunen. Dit geldt
voor auto’s zonder airbag aan de passagierszijde of auto’s waarvan de airbag
gedeactiveerd is.
34
WAARSCHUWING!
Plaats nooit een kinderzitje op de
voorstoel als de auto is uitgerust met een
geactiveerde airbag aan de passagierszijde. Bij problemen tijdens de montage
van kinderveiligheidsproducten kunt u
contact opnemen met de fabrikant voor
nadere inlichtingen over de montage.
ISOFIX-bevestigingssysteem
voor kinderzitjes (optie)
De buitenste zitplaatsen van de achterbank
zijn voorbereid voor het ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes. Neem contact op
met uw erkende Volvo-dealer voor meer informatie over veiligheidsuitrusting voor
kinderen.
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Veiligheidsgordel met speciale
blokkeerfunctie (ALR/ELR1)
De veiligheidsgordel op de middelste
zitplaats van de tweede zitrij is voorzien van
een speciale blokkeerfunctie (ALR/ELR). De
blokkeerfunctie helpt de gordel aangespannen te houden, waardoor het gemakkelijker wordt een kinderzitje aan te brengen.
Bij problemen tijdens de montage van kinderveiligheidsproducten moet u contact
opnemen met de fabrikant voor nadere inlichtingen over de montage.
Doe het volgende om een kinderzitje met de
veiligheidsgordel vast te zetten.
• Bevestig de veiligheidsgordel aan het
kinderzitje volgens de aanwijzingen die de
fabrikant van het zitje heeft verstrekt.
• Trek de veiligheidsgordel volledig uit.
• Zet de gordel vast door de borgtong in de
gordelsluiting te steken. Een duidelijker
“klik” geeft aan dat de gordel vergrendeld
is.
• Laat de gordel op het oprolmechanisme
rollen en span het aan rond het kinderzitje. De veiligheidsgordel maakt een
mechanisch geluid, wat volkomen
normaal is.
De functie wordt automatisch opgeheven,
wanneer u de veiligheidsgordel uit de gordelsluiting haalt en loslaat.
1.
Automatic Locking Retractor/
Emergency Locking Retractor.
35
Veiligheid
36
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
Overzicht auto’s met het stuur rechts
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
Instrumentenpaneel
Controle- en waarschuwingslampjes
Informatiedisplay
Schakelaars op middenconsole
Verlichtingspaneel
Linker stuurhendel
Rechter stuurhendel
Boordcomputer
Cruise control
Parkeerrem, motorkap, elektrische aansluiting e.d.
Elektrisch bedienbare zijruiten
Spiegels en zijruiten
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie)
38
40
42
43
44
47
49
52
53
54
56
57
58
61
63
65
37
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
38
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
24.
25.
26.
Verlichtingspaneel ...............................................................pagina 52
Blaasmond............................................................................pagina 69
Display ...................................................................................pagina 47
Temperatuurmeter ...............................................................pagina 43
Kilometerteller, dagteller, Cruise control ........................pagina 43
Snelheidsmeter....................................................................pagina 43
Richtingaanwijzers ..............................................................pagina 43
Toerenteller ...........................................................................pagina 43
Buitentemperatuurmeter, klokje,
schakelstandindicatie .........................................................pagina 43
Brandstofmeter ....................................................................pagina 43
Controle- en waarschuwingslampjes..............................pagina 44
Blaasmonden .......................................................................pagina 69
Dashboardkastje .................................................................pagina 86
Alarmlichten..........................................................................pagina 51
Infotainmentsysteem........................................................ pagina 208
Klimaatregeling ............................................................ pagina 70, 73
Ruitenwissers.......................................................................pagina 54
Toetsenset voor telefoon/audiosysteem ...................... pagina 200
Instrumentenpaneel ............................................................pagina 43
Claxon.................................................................................................... –
Cruise control ......................................................................pagina 57
Richtingaanwijzers, wisselen groot licht-dimlicht,
knop READ...........................................................................pagina 53
Parkeerrem............................................................................pagina 58
Handgreep voor lossen parkeerrem................................pagina 58
Schakelaars leeslampjes ...................................................pagina 83
Interieurverlichting...............................................................pagina 83
27. Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak..........................pagina 65
28. Gordelwaarschuwing .........................................................pagina 11
29. Achteruitkijkspiegel.............................................................pagina 63
39
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
40
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
24.
25.
26.
Verlichtingspaneel ...............................................................pagina 52
Blaasmond............................................................................pagina 69
Controle- en waarschuwingslampjes..............................pagina 44
Brandstofmeter ....................................................................pagina 43
Buitentemperatuurmeter, klokje,
schakelstandindicatie .........................................................pagina 43
Toerenteller ...........................................................................pagina 43
Richtingaanwijzers ..............................................................pagina 43
Snelheidsmeter....................................................................pagina 43
Kilometerteller, dagteller, Cruise control ........................pagina 43
Temperatuurmeter ...............................................................pagina 43
Display ...................................................................................pagina 47
Blaasmonden .......................................................................pagina 69
Dashboardkastje .................................................................pagina 86
Alarmlichten..........................................................................pagina 51
Infotainmentsysteem........................................................ pagina 208
Klimaatregeling ............................................................ pagina 70, 73
Richtingaanwijzers, wisselen groot licht-dimlicht,
knop READ...........................................................................pagina 53
Parkeerrem............................................................................pagina 58
Cruise control ......................................................................pagina 57
Claxon.................................................................................................... –
Instrumentenpaneel ............................................................pagina 43
Toetsenset telefoon-/audiosysteem.............................. pagina 200
Ruitenwissers.......................................................................pagina 54
Handgreep voor lossen parkeerrem................................pagina 58
Schakelaars leeslampjes ...................................................pagina 83
Interieurverlichting...............................................................pagina 83
27. Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak..........................pagina 65
28. Gordelwaarschuwing .........................................................pagina 11
29. Achteruitkijkspiegel.............................................................pagina 63
41
Instrumenten, schakelaars en bediening
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
1
1.
2.
3.
4.
42
2
3
4
Vergrendelingsknop, simultaanvergrendeling alle portieren
Blokkeerknop ruitbediening achterportieren
Knop, elektrisch bedienbare ruiten
Knop, buitenspiegels
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
1. Temperatuurmeter
De temperatuurmeter geeft de temperatuur in
het koelsysteem van de motor aan. Op het
display verschijnt een bericht, als de temperatuur abnormaal hoog is en de naald tot in het
rode gebied uitslaat. Let erop dat verstralers
voor de radiateurgrille het koelvermogen
verminderen bij een hoge buitentemperatuur
en een zware belasting van de motor.
2. Display
Op het display worden informatieve
berichten en waarschuwingsberichten
weergegeven.
3. Snelheidsmeter
De snelheidsmeter geeft de snelheid van de
auto aan.
4. Dagtellers, T1 en T2
De dagtellers gebruikt u om kortere afstanden
op te meten. Het rechter cijfer geeft de afstand
in honderden meters aan. U kunt de dagtellers
op nul zetten door de knop langer dan
2 seconden in te drukken. U wisselt van
dagteller door de knop korte tijd in te drukken.
5. Indicatie voor Cruise control
Zie pagina 57.
6. Kilometerteller
De kilometerteller geeft het totale aantal
kilometers aan dat er met de auto is gereden.
7. Groot licht aan/uit
8. Waarschuwingslampjes
Als er een storing optreedt, licht het
waarschuwingslampje op en verschijnt er een
bericht op het display.
9. Toerenteller
De toerenteller geeft het motortoerental aan
in duizenden toeren per minuut. Laat de
naald van de toerenteller niet tot in het rode
gebied uitslaan.
10. Indicatie voor automatische versnellingsbak
U ziet hier welk schakelprogramma er wordt
aangehouden.
11. Buitentemperatuurmeter
De buitentemperatuurmeter geeft de buitentemperatuur aan. Wanneer de temperatuur in
het interval van –5 °C tot +2 °C ligt,
verschijnt er een sneeuwvlokje op het display.
Het symbool wijst op het gevaar voor
gladheid.
Wanneer de auto stilstaat of geparkeerd
gestaan heeft, kan het zijn dat de buitentemperatuurmeter een te hoge waarde aangeeft.
12. Klokje
Draai aan de knop om het klokje op de juiste
tijd in te stellen.
13. Brandstofmeter
Er zit nog ongeveer 8 liter brandstof in de
tank, wanneer het lampje op het instrumentenpaneel oplicht.
14. Controle- en waarschuwingslampjes
15. Richtingaanwijzers, links/rechts
43
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
en een te lage oliedruk. Afhankelijk van de
uitrusting van de auto is het mogelijk dat
bepaalde lampjes geen functie hebben.
Waarschuwingslampje midden
op instrumentenpaneel
Het waarschuwingslampje knippert
met een rood of oranje licht afhankelijk van de ernst van de geregistreerde storing.
Functietest, lampjes
Alle controle- en waarschuwingslampjes
gaan branden1 wanneer u de contactsleutel
voor het starten naar stand II draait. De
werking van de lampjes wordt dan gecontroleerd. Alle lampjes moeten weer uitgaan als
de motor is aangeslagen, behalve het lampje
voor de parkeerrem. Dit gaat pas uit als de
auto van de parkeerrem wordt gehaald.
Als de motor niet binnen vijf
seconden aanslaat, gaan alle
lampjes uit behalve de lampjes
voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem van de auto
1.
44
Bij sommige motortypes licht het
waarschuwingslampje voor een te
lage oliedruk niet op.
Rood licht
– Breng de auto tot stilstand. Lees het
bericht op het display.
Het lampje blijft branden en de displaytekst
staan totdat de storing is verholpen.
Oranje licht
– Lees het bericht op het display. Verhelp
de storing!
U kunt de displaytekst verwijderen met een
druk op de knop READ (zie pagina 47).
Wanneer u 2 minuten niets doet, verdwijnt de
displaytekst automatisch.
N.B. Wanneer de tekst “TIJD VOOR REG.
SERVICE” verschijnt, doet u het waarschuwingslampje uit en verwijdert u de tekst met
behulp van de knop READ. Dit gebeurt
automatisch na 2 minuten.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Storing in ABS
Als het waarschuwingslampje voor
het ABS -systeem oplicht, werkt het
ABS -systeem niet meer. Het
normale remsysteem van de auto
werkt dan nog, zij het zonder ABS -regeling.
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af. Start de
motor opnieuw.
– Als het waarschuwingslampje dooft, kunt
u verder rijden. Er was dan geen sprake
van een werkelijke storing.
– Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, moet u de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
ABS -systeem te laten controleren.
Storing in remsysteem
Als het lampje voor het remsysteem
oplicht, is het mogelijk dat het
remvloeistofpeil te laag is.
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir.
Als het peil lager is dan het MIN-merkje van
het reservoir, kunt u beter niet verder rijden
met de auto. Laat de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats slepen om het remsysteem
te controleren.
Als de waarschuwingslampjes
REMSYSTEEM en ABS tegelijkertijd branden, kan er een storing in
de remkrachtverdeling zijn
opgetreden.
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af. Start de
motor opnieuw.
• Als de beide lampjes weer doven, was er
geen sprake van een werkelijke storing.
• Als de waarschuwingslampjes echter
blijven branden, moet u het peil in het
remvloeistofreservoir controleren.
• Als het peil lager is dan het MIN -merkje
van het remvloeistofreservoir, kunt u beter
niet verder rijden met de auto. Laat de
auto naar een erkende Volvo-werkplaats
slepen om het remsysteem te controleren.
• Als de lampjes echter blijven branden
ondanks dat het peil in het remvloeistofpeil in orde is, moet u de auto uiterst
voorzichtig naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren.
WAARSCHUWING!
Als de waarschuwingslampjes
REMSYSTEEM en ABS tegelijkertijd
oplichten, bestaat het gevaar dat de
achtertrein bij krachtig remmen gaat
slippen.
Gordelwaarschuwing
Het lampje brandt, zolang de
bestuurder en de voorpassagier de
gordel niet hebben omgedaan.
Te lage oliedruk
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie
te laag. Zet de motor onmiddellijk af
en controleer het motoroliepeil. Als
het lampje oplicht terwijl het oliepeil in orde
is, moet u de auto tot stilstand brengen en
contact opnemen met een erkende Volvowerkplaats.
Storing in uitlaatgasreinigingssysteem
Neem contact op met een erkende
Volvo-werkplaats om het systeem te
laten controleren.
Storing in SRS-systeem
Als het waarschuwingslampje voor
het SRS-systeem oplicht, is er een
storing in het SRS-systeem geregistreerd. Rijd de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats om het systeem te
laten controleren.
Dynamo laadt niet bij
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is er waarschijnlijk sprake
van een storing in het elektrisch
systeem. Breng een bezoek aan een erkende
Volvo-werkplaats.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje licht op wanneer de
voorgloeifunctie van de motor actief
is. Wanneer het lampje dooft, kunt u
de motor starten. Geldt alleen voor dieselmodellen.
45
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Parkeerrem aangezet
Het lampje brandt, wanneer u de
parkeerrem bedient. Trap het
parkeerrempedaal altijd zo ver
mogelijk in.
N.B. Het controlelampje geeft alleen aan dát
u de parkeerrem hebt bediend maar niet hoe
hard!
Mistachterlicht
Het lampje brandt, wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Controlelampje aanhanger
Het controlelampje knippert,
wanneer u de richtingaanwijzers op
de auto en op de aanhanger
gebruikt. Als het lampje niet knippert, is een
van de richtingaanwijzers op de auto of de
aanhanger defect.
Stabiliteitssysteem en DSTC
Het DSTC -systeem (Dynamic Stability and
Traction Control) dat meerdere deelsystemen omvat staat uitvoeriger beschreven op
pagina 124.
Het lampje licht op om na
ca. twee seconden weer te doven
Het lampje licht tijdens het starten
van de motor op om aan te geven
dat er een systeemtest plaatsvindt.
46
Het lampje knippert
De SC-regeling (Spin Control)
tracht te voorkomen dat de aangedreven wielen van de auto
doorslippen. De TC -regeling
(Traction Control) tracht de grip van de auto
op de weg te verbeteren.
De AYC -regeling (Active Yaw Control) tracht
te voorkomen dat de auto in de slip raakt.
Het RSC -systeem (Roll Stability Control)
tracht te voorkomen dat de auto over de kop
slaat.
Het oranje waarschuwingslampje brandt
continu
Het lampje brandt en de melding
TRACTIECONTROLE TIJDELIJK
UIT verschijnt op het informatiedisplay.
De TC -regeling is tijdelijk beperkt wegens
een te hoge remtemperatuur.
De regeling wordt automatisch opnieuw
ingeschakeld, wanneer de remtemperatuur
weer normaal is.
Het oranje waarschuwingslampje brandt
continu
Het lampje licht op en de melding
ANTI SKID SERVICE VEREIST
verschijnt op het informatiedisplay.
Het DSTC -systeem werd door een
storing uitgeschakeld.
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
– Start de motor opnieuw.
Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, moet u de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats rijden om het systeem te
laten controleren.
Storing in DSTC -systeem
Als het waarschuwingslampje oplicht en
continu brandt, terwijl u het systeem niet hebt
uitgeschakeld is er sprake van een storing in
een van de systemen. De tekst “ANTISKID SERVICE VEREIST” verschijnt op het
display.
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af. Start de
motor opnieuw.
• Als het waarschuwingslampje dooft, was
er geen sprake van een werkelijke storing.
U hoeft dan geen bezoek aan een
werkplaats te brengen.
• Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, moet u de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
systeem te laten controleren.
WAARSCHUWING!
Onder normale omstandigheden zorgt het
DSTC -systeem voor een betere
wegligging. Dit mag echter voor u geen
reden zijn om sneller te gaan rijden. Wees
altijd voorzichtig bij het nemen van
bochten en het rijden op gladde wegen.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Berichten die in het geheugen liggen
opgeslagen kunt u op een later tijdstip
nogmaals doorlezen. Druk op de knop
READ (A), als u de opgeslagen berichten wilt
bekijken. U kunt de berichten doorbladeren
door op de knop READ te drukken. Druk
nogmaals op de knop READ om de berichten
weer in het geheugen op te slaan.
Als er een waarschuwingsbericht verschijnt
terwijl u zich bijvoorbeeld in een menu van de
boordcomputer bevindt of wilt telefoneren,
moet u eerst bevestigen dat u het bericht
hebt gezien. U doet dat door op de knop
READ (A) te drukken.
Displaymelding
Wanneer er een controle- of waarschuwingslampje oplicht, verschijnt er tevens een
bericht op het display. Wanneer u het bericht
gelezen en begrepen hebt, kunt u op de knop
READ (A) drukken. Het bericht wordt dan van
het display gewist en in het geheugen
opgeslagen. Het bericht blijft in het
geheugen opslagen, totdat u de onderliggende storing hebt laten verhelpen.
Berichten die duiden op zeer ernstige
storingen kunt u niet van het display wissen.
De berichten blijven op het display staan,
totdat u de onderliggende storing hebt laten
verhelpen.
47
Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Melding
STOP AUTO Z.S.M.
ZET DE MOTOR AF
SERVICE SPOED
ZIE HANDLEIDING
SERVICE VEREIST
BIJ ONDERHOUD
TIJD VOOR REG. SERVICE
OLIEPEIL LAAG1 – BIJVULLEN 3
OLIEPEIL LAAG2 – STOP AUTO Z.S.M.3
OLIEPEIL LAAG2 – ZET MOTOR UIT3
OLIEPEIL LAAG2 – ZIE HANDLEIDING3
ROETFILTER VOL –
ZIE HANDLEIDING1
Betekenis
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
Breng uw auto voor controle naar de werkplaats.
Raadpleeg het instructieboekje.
Laat uw auto zo spoedig mogelijk controleren.
Laat uw auto tijdens de volgende servicebeurt controleren.
Als de displaytekst verschijnt, moet de auto voor een servicebeurt naar de werkplaats.
Wanneer de tekst verschijnt, hangt af van de afgelegde afstand, het aantal maanden dat
verstreken is sinds de laatste servicebeurt en het aantal draaiuren van de motor.
Het oliepeil van de motor is te laag. Controleer het peil en vul zo spoedig mogelijk olie bij (zie
pagina 174 voor meer informatie).
Het oliepeil van de motor is te laag. Breng de auto op een veilige manier tot stilstand om het
oliepeil te controleren (zie pagina 174).
Het oliepeil van de motor is te laag. Breng de auto op een veilige manier tot stilstand en zet de
motor af om het oliepeil te controleren (zie pagina 174).
Het oliepeil van de motor is te laag. Breng de auto op een veilige manier tot stilstand en zet de
motor af om het oliepeil te controleren (zie pagina 174).
Het roetfilter van dieselmodellen is aan regeneratie toe (zie pagina 115).
1. Verschijnt samen met een oranje gevarendriehoek.
2. Verschijnt samen met een rode gevarendriehoek.
3. Geldt alleen voor motortypes met olieniveausensor.
48
Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
N.B. De onderlinge positie van de knoppen
kan variëren.
DSTC-systeem
Met deze knop kunt u de
functie van het DSTC systeem beperken of een
geldende beperking
opheffen. Wanneer de LED
in de knop brandt, is het
DSTC -systeem actief (voor
zover er geen sprake is van een storing).
N.B. Om veiligheidsredenen moet u de knop
minstens een halve seconde lang ingedrukt
houden om de functie van het DSTC systeem te beperken. De LED in de knop
dooft dan en de tekst “DSTC SPIN
CONTROL UIT” verschijnt op het display.
Beperk de functie van het systeem als u een
wiel met een afwijkende maat gebruikt.
De volgende keer dat u de motor start, is het
DSTC-systeem weer actief.
WAARSCHUWING!
Let erop dat de rijeigenschappen van de
auto veranderen, als u het DSTC -systeem
uitschakelt.
Airconditioning achter in passagiersruimte (optie)
Druk op de knop om de
airconditioning achter in de
passagiersruimte in te
schakelen. De airconditioning achter in de passagiersruimte wordt
uitgeschakeld, wanneer u
het contact uitschakelt.
Kinderslot op achterportieren
(optie)
Met deze knop kunt u het
elektrisch kinderslot op de
achterportieren in- of
uitschakelen. De contactsleutel moet daarbij in
stand I of II staan. Wanneer
het kinderslot geactiveerd is, brandt de LED
in de knop. Er verschijnt een bericht op het
display, wanneer u het kinderslot in- of
uitschakelt.
49
Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Inklapbare buitenspiegels
(optie)
Met deze knop kunt u de
elektrisch bedienbare
buitenspiegels in- en
uitklappen.
Ga als volgt te werk, als een
van de buitenspiegels per
ongeluk in- of uitgeklapt is:
– Klap de buitenspiegel die verzet is terug
in de normale stand.
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– Klap de buitenspiegel met behulp van de
knop eerst naar binnen en vervolgens
weer naar buiten toe. De buitenspiegels
staan daarna weer in hun oorspronkelijke
stand.
Parkeerhulp (optie)
Het systeem is bij het
starten van de motor altijd
geactiveerd. Druk op de
knop om de parkeerhulp uit
te schakelen of opnieuw in
te schakelen (zie ook
pagina 125).
Alarmsensoren en Safelockfunctie1 tijdelijk deactiveren
Met deze knop kunt u de
Safelock-functie desgewenst uitschakelen
(Safelock houdt in dat
portieren na vergrendeling
niet meer van de binnenzijde
te openen zijn). Met deze knop kunt u ook de
bewegingsmelder en de niveausensoren van
het alarmsysteem buiten werking stellen2. De
LED in de knop brandt, wanneer de functies
zijn uitgeschakeld of buiten werking zijn
gesteld.
Verstralers (accessoire)
Druk op deze knop als u de
verstralers van de auto’s
tegelijk met het groot licht
wilt voeren of als u de
verstralers uit wilt schakelen.
De LED in de knop brandt
om aan te geven dat de functie actief is.
U kunt de elektrische
aansluiting gebruiken
verschillende accessoires
die op een spanning van
12 V werken, zoals een
mobiele telefoon of een
koelbox.
De contactsleutel moet ten minste in stand I
staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
U activeert de aansteker door de knop in de
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de
aansteker uit de opening en gebruik het
roodgloeiende deel om een sigaar of sigaret
aan te steken. Om veiligheidsredenen moet u
het deksel altijd op de aansluiting laten zitten,
wanneer deze niet in gebruik is. De maximale
stroomsterkte is 10 A.
BLIS, Blind Spot Information
System (optie)
Druk op de knop om het
systeem te deactiveren of te
heractiveren (zie pagina 143
voor meer informatie).
1.
2.
50
Elektrische aansluiting
(standaard)/Aansteker (optie)
Bepaalde markten
Optie
Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Schakel de elektrische
verwarming in om ijs en
wasem van de
achterruit en de buitenspiegels te verwijderen.
Wanneer u op de
schakelaar drukt, wordt
de verwarming van de
achterruit en de buitenspiegels geactiveerd.
De LED in de
schakelaar gaat daarbij branden.
Alarmlichten
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto
noodgedwongen tot stilstand moet brengen
op een plaats waar deze gevaar of hinder
voor het verkeer kan opleveren. Druk op de
knop om de functie te activeren.
De verwarming wordt na ca. 12 minuten
automatisch uitgeschakeld.
Elektrisch verwarmde
voorstoelen
Zie pagina 71 of 75
voor meer informatie.
N.B. De regels voor het gebruik van de alarmlichten verschillen van land tot land.
51
Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen ongeacht
de stand van de contactsleutel.
– Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar de
middelste stand.
Met de contactsleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de
achterlichten altijd aan. De kentekenplaatverlichting wordt gelijktijdig met de stadslichten/
parkeerlichten vóór en de achterlichten
ingeschakeld.
Koplamphoogteverstelling
Door de belading van de auto wordt de
hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u
tegemoetkomend verkeer kunt verblinden. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen.
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar
een van de eindstanden.
– Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te
stellen.
Auto’s met Bi-Xenonkoplampen1 zijn
uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel (3) ontbreekt.
1.
52
Optie.
Koplampen
Automatisch dimlicht
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer
u de contactsleutel naar stand II draait,
behalve wanneer de
verlichtingsdraaiknop (1) in de middelste
stand staat. U kunt het automatische dimlicht
zo nodig in een erkende Volvo-werkplaats
buiten werking laten stellen.
Handmatig dimlicht (bepaalde landen)
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– Draai de verlichtingsdraaiknop (1)
rechtsom naar de eindstand.
Groot licht
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– Draai de verlichtingsdraaiknop (1)
rechtsom naar de eindstand.
– Haal de linker stuurhendel tot in
eindstand naar het stuur toe en laat de
hendel vervolgens los (zie pagina 53).
Mistlichten
N.B. De regels voor het gebruik van de
mistlichten verschillen van land tot land.
Mistlampen vóór (optie)
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de
achterlichten.
– Druk op de knop (2).
De LED in de knop (2) brandt, wanneer u de
mistlampen vóór hebt ingeschakeld.
Mistachterlicht
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
– Druk op de knop (4).
Het controlelampje voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en de LED in de
knop (4) branden, wanneer het mistachterlicht is ingeschakeld.
Instrumentenverlichting
De instrumentenverlichting brandt, wanneer
de contactsleutel in stand II staat en de
verlichtingsdraaiknop (1) in een van de
eindstanden. De verlichting wordt bij daglicht
automatisch gedimd en valt bij donker
handmatig te regelen.
– Draai het duimwiel (5) omhoog of omlaag
voor een fellere of zwakkere verlichting.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Korte serie knippersignalen
– Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
tot in stand (1) en laat de hendel
vervolgens los.
Wanneer u de stuurhendel loslaat veert deze
terug naar de uitgangspositie, zodat de
richtingaanwijzers worden uitgeschakeld.
Wisselen tussen groot licht en
dimlicht
is in een erkende Volvo-werkplaats te
wijzigen in 60 of 90 seconden.
– Neem de sleutel uit het contactslot.
– Haal de stuurhendel tot in de
eindstand (4) naar het stuurwiel toe en
laat de hendel los.
– Stap uit de auto en vergrendel het portier.
De contactsleutel moet in stand II staan om
het groot licht te kunnen inschakelen.
Standen stuurhendel
1.
2.
3.
4.
Korte serie knippersignalen, richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen,
richtingaanwijzers
Grootlichtsignalen
Wisselen tussen groot licht en dimlicht
en “Follow-Me-Home”-verlichting
Richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen
– Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
tot in de eindstand (2).
De hendel blijft in de eindstand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
– Draai de verlichtingsdraaiknop rechtsom
naar de eindstand (zie pagina 52).
– Haal de stuurhendel tot in de
eindstand (4) naar het stuurwiel toe en
laat de hendel los.
Grootlichtsignalen
– Haal de hendel lichtjes tot in stand (3)
naar het stuurwiel toe.
Het groot licht blijft vervolgens branden,
totdat u de hendel weer loslaat.
“Follow-Me-Home”-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als “Follow-Me-Home”-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto. De
inschakelduur bedraagt 30 seconden1, maar
1.
Fabrieksinstellingen.
53
Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
De wissers werken op hoge
snelheid.
BELANGRIJK!
Sproei een royale hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit wanneer
de ruitenwissers werken. De voorruit
moet nat zijn bij gebruik van de
ruitenwissers.
Werking wisser-/sproeiersysteem, voorruit
Ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld.
Wanneer u de hendel vanuit stand 0
omhoogduwt, maken de wissers
slagen zolang u de hendel vasthoudt.
Intervalstand
U kunt de snelheid van de wissers in
de intervalstand bijstellen. Wanneer
u de ring (1) rechtsom draait, neemt het
aantal wisserslagen per eenheid van tijd toe.
Wanneer u de ring linksom draait, neemt het
aantal wisserslagen per eenheid van tijd af.
De wissers werken op normale
snelheid.
54
Regensensor (optie)
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met
de ring (1).
– Draai de ring rechtsom voor een grotere
gevoeligheid en linksom voor een lagere
gevoeligheid (de wissers maken een extra
slag, als u de ring rechtsom draait).
Aan/Uit
Als u de regensensor activeert, moet de
contactsleutel in stand I of II staan en de
hendel van de ruitenwissers in stand 0.
U activeert u de regensensor door:
– op de knop (2) te drukken. De LED in de
knop gaat branden om aan te geven dat
de regensensor actief is.
U schakelt de regensensor op een van de
volgende manieren weer uit:
– druk op de knop (2); of
– haal de hendel omlaag naar een ander
wisprogramma. Als u de hendel
omhoogduwt, blijft de regensensor actief.
De wissers maken een extra slag en keren
terug naar de regensensorstand, wanneer
u de hendel laat terugveren naar stand 0.
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de sleutel uit het
contactslot neemt of vijf minuten nadat u de
auto van het contact hebt gezet.
BELANGRIJK!
In automatische wasstraten:
Schakel de regensensor uit door op
knop (2) te drukken, terwijl de contactsleutel in stand I of II staat. De ruitenwissers kunnen anders in beweging
komen en daarbij beschadigd raken.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitensproeiers
Ruitenwissers achterklep, achteruitrijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet
terwijl de voorruitwissers actief zijn, zal de
achterruitwisser automatisch in de intervalstand gaan staan1. Als de achterruitwisser
echter al op normale snelheid werkt, vindt er
geen wijziging in de wisfunctie plaats.
U activeert de ruitensproeiers door de hendel
naar het stuurwiel toe te trekken.
Koplampsproeiers
(optie op bepaalde markten)
De koplampsproeiers verbruiken grote
hoeveelheden ruitensproeiervloeistof. Om
vloeistof te besparen worden de koplampen
alleen iedere vijfde keer dat u de voorruitsproeiers activeert gesproeid (gerekend over
een periode van tien minuten). Wanneer er
meer dan tien minuten zijn verstreken sinds
de laatste sproeibeurt van de voorruit,
worden ook de koplampen weer gesproeid
bij het activeren van de ruitensproeiers.
Gereduceerde sproeifunctie
Wanneer er nog ongeveer één liter ruitensproeiervloeistof in het reservoir zit, worden
de koplampen en de achterruit niet langer
schoongesproeid. Dit omdat de sproeifunctie
van de voorruit de voorrang heeft.
Werking wisser-/sproeiersysteem,
achterklep.
Ruitensproeier en wisser,
achterklep
Wanneer u de hendel naar voren duwt,
schakelt u de ruitensproeier op de achterklep
in.
1.
2.
Ruitenwisser achterklep, intervalstand
Ruitenwisser achterklep, normale
wissnelheid
1.
Deze functie (intervalfunctie tijdens
het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Neem daarvoor
contact op met een erkende Volvowerkplaats.
55
Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer
Functies
De boordcomputer toont de volgende informatie:
Bediening
Om toegang te krijgen tot de informatie van
de boordcomputer moet u de ring (B) op de
hendel stapsgewijs linksom of rechtsom
draaien. Wanneer u na het laatste menu
nogmaals aan de ring draait, keert u terug in
de uitgangspositie.
N.B. Als er een waarschuwingsbericht
verschijnt terwijl u zich bijvoorbeeld in een
menu van de boordcomputer bevindt of wilt
telefoneren, moet u eerst bevestigen dat u
het bericht hebt gezien. U doet dat door op
de knop READ (A) te drukken. U keert dan
terug naar het menu van de boordcomputer
waarin u zich bevond.
• GEMIDDELDE SNELHEID
• SNELHEID IN MILES PER HOUR1
• ACTUEEL BRANDSTOFVERBRUIK
• GEMIDDELD BRANDSTOFVERBRUIK
• BEREIK TOT LEGE BRANDSTOFTANK
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid sinds de laatste
maal dat u de waarde op nul hebt gezet
(RESET). Wanneer u het contact uitschakelt,
wordt de gemiddelde snelheid opgeslagen
om als uitgangswaarde te dienen bij het
vervolg van de rit. U kunt de waarde op nul
zetten met een druk op de knop RESET (C)
op de hendel.
Snelheid in miles per hour1
De actuele snelheid wordt weergegeven in
mph.
Actueel brandstofverbruik
In het menu voor het actuele brandstofverbruik wordt het brandstofverbruik voortdurend bijgehouden. Het brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto
stilstaat, geeft het display “----” aan.
1.
56
Bepaalde landen
N.B. Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
Gemiddeld brandstofverbruik
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt
gezet (RESET). Wanneer u het contact
uitschakelt, wordt het gemiddelde brandstof
verbruik opgeslagen. De waarde blijft in het
geheugen opgeslagen, totdat u deze met een
druk op de knop RESET (C) op de hendel op
nul zet.
N.B. Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
Bereik tot lege brandstoftank
Het bereik tot lege brandstoftank (d.w.z. de
actieradius) wordt berekend aan de hand van
het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km. Wanneer de actieradius
kleiner is dan 20 km, geeft het display “----”
aan.
N.B. N.B. Er kunnen onjuiste waarden
verschijnen, als u bijvoorbeeld van rijstijl bent
veranderd of een standverwarming op
brandstof hebt gebruikt.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruise control
de auto heeft op het moment dat u de knop
loslaat, zal vervolgens worden geprogrammeerd.
Een korte druk (minder dan
een halve seconde) op + of – komt overeen
met een snelheidswijziging van 1 km/h.
N.B. Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op de
instelling van de Cruise control. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
Inschakelen
De bedieningsorganen voor de Cruise
control vindt u links op het stuurwiel.
Gewenste snelheid instellen:
– Druk op de knop CRUISE. Op het instrumentenpaneel verschijnt de tekst
CRUISE.
– Druk lichtjes op + of – om de snelheid
van de auto vast te zetten. Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE-ON.
De Cruise control kan niet worden
ingeschakeld bij snelheden lager dan 30 km/h
of hoger dan 200 km/h.
Snelheid verhogen of verlagen
U kunt de snelheid verhogen of verlagen door
de knop + of –in te drukken. De snelheid die
Tijdelijk uitschakelen
Druk op 0 om de Cruise control tijdelijk uit te
schakelen. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE. De eerder ingestelde
snelheid blijft na een tijdelijke uitschakeling in
het geheugen opgeslagen.
Snelheid hervatten
De Cruise control wordt bovendien tijdelijk
uitgeschakeld, als:
Uitschakelen
• u het rempedaal of koppelingspedaal
bedient;
• de snelheid heuvelop lager wordt dan
30 km/h;
• u de keuzehendel in stand N zet;
• als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren;
• een tijdelijke snelheidsverhoging langer
dan een minuut heeft geduurd.
Druk op de knop om de eerder
ingestelde snelheid te hervatten. Op
het instrumentenpaneel verschijnt
CRUISE-ON.
Druk op CRUISE om de Cruise control uit te
schakelen. CRUISE-ON verdwijnt van het
instrumentenpaneel.
57
Instrumenten, schakelaars en bediening
Parkeerrem, motorkap, elektrische aansluiting e.d.
Parkeerrem aanzetten:
2
1
Parkeerrem, auto met stuur links.
Parkeerrem
Links op de vloer vindt u het parkeerrempedaal, waarmee u de parkeerrem kunt
aanzetten die op de achterwielen werkt.
Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel geeft alleen aan dát u de
parkeerrem hebt bediend en niet hoe hard!
Trap het parkeerrempedaal daarom altijd zo
ver mogelijk in.
58
– Trap het rempedaal stevig in.
– Trap het parkeerrempedaal (1) zo ver
mogelijk in.
– Haal uw voet van het rempedaal en
controleer of de auto blijft stilstaan.
– Schakel de
eerste versnelling in (handbak)
of zet de keuzehendel in stand P
(automaat).
Op een helling parkeren
• Draai de wielen van de trottoirband af bij
het parkeren op een oplopende helling.
• Draai de wielen naar de trottoirband toe
bij het parkeren op een aflopende helling.
Parkeerrem lossen:
– Trap het rempedaal stevig in.
– Trek de handgreep (2) naar buiten.
1
Parkeerrem, auto met stuur rechts.
2
Instrumenten, schakelaars en bediening
Parkeerrem, motorkap, elektrische aansluiting e.d.
Motorkap openen
Trek de handgreep naar u toe om de motorkapvergrendeling op te heffen.
WAARSCHUWING!
Sluit de motorkap door uw ene hand er
bovenop te leggen en de kap vervolgens
omlaag te duwen. Houd de motorkap
tijdens het sluiten niet aan de grille beet.
Dit om te voorkomen dat u met uw vingers
tegen motoronderdelen aankomt en
daarbij verwondingen oploopt.
Elektrische aansluiting achterin
(optie)
U kunt de elektrische aansluiting voor
verschillende accessoires gebruiken die op
een spanning van 12 V werken, zoals een
mobiele telefoon of een cd-speler. U kunt
maximaal 10 A via de aansluiting afnemen.
De contactsleutel moet ten minste in stand I
staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
Stuurwielafstelling
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen. Duw de hendel aan de
linkerzijde van de stuurkolom omlaag. Zet het
stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
Duw de hendel weer in positie terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als
dit veel moeite kost, kunt u lichte druk op het
stuurwiel aanbrengen terwijl u de blokkeerhendel terugduwt.
WAARSCHUWING!
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden
en nooit tijdens het rijden. Controleer of
het stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd staat.
59
Instrumenten, schakelaars en bediening
Parkeerrem, motorkap, elektrische aansluiting e.d.
Achterklep openen
Open de achterklep door aan de handgreep
te trekken zoals aangegeven op de
afbeelding. Klap het achterschot omlaag
door de handgreep op te tillen.
60
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare zijruiten
Met de schakelaars op de armleuning van de
portieren kunt u de ruiten elektrisch
bedienen. U kunt de ruiten alleen bedienen,
wanneer de contactsleutel in stand I of II
staat. Ook wanneer de auto stilstaat en u de
contactsleutel hebt uitgenomen, kunt u de
ruiten nog steeds openen en sluiten zolang u
geen van de voorportieren hebt geopend.
De ruiten gaan open, wanneer u de voorzijde
van de schakelaar omlaagdrukt, of dicht,
wanneer u de voorzijde van de schakelaar
omhoogtrekt.
WAARSCHUWING!
Als er kinderen in de auto zitten:
• Let er bij het verlaten van de auto op
dat u de stroomtoevoer naar de elektrisch
bedienbare zijruiten verbreekt door auto
de contactsleutel uit te nemen.
• Zorg er bij het sluiten van de zijruiten
voor dat kinderen of andere inzittenden
niet met hun handen bekneld kunnen
raken.
Bij het sluiten van de achterste zijruiten
vanaf het bestuurdersportier:
• Zorg er bij het sluiten van de zijruiten
voor dat achterpassagiers niet met hun
handen bekneld kunnen raken.
A
B
Elektrisch bedienbare ruiten in
de voorportieren
U kunt de ruiten in de voorportieren op twee
manieren vanaf de voorstoelen openen.
– Druk de schakelaars (A) voorzichtig
omlaag of trek ze voorzichtig omhoog. De
elektrisch bedienbare ruiten gaan dan
steeds verder omhoog of omlaag zolang u
de schakelaars bedient.
– Druk de schakelaars (A) volledig omlaag
of trek ze volledig omhoog en laat ze
vervolgens weer los. De zijruiten gaan dan
automatisch volledig open of dicht. Als de
ruiten worden geblokkeerd, wordt de opof neergaande beweging van de zijruiten
afgebroken en zakken de ruiten weer iets
omlaag.
N.B. Alleen op bepaalde markten werkt de
automatische sluitingsfunctie ook aan de
passagierszijde.
Met de achterste schakelaars (B) bedient u
de ruiten in de achterportieren.
Elektrisch bedienbare zijruiten in
achterportieren blokkeren
U kunt de elektrische bediening van de ruiten
in de achterportieren blokkeren met de
schakelaar op het bedieningspaneel op het
bestuurdersportier. Let erop dat u altijd de
stroomtoevoer voor de elektrisch bedienbare
ruiten verbreekt (d.w.z. de contactsleutel
verwijdert), wanneer u kinderen alleen in de
auto achterlaat.
LED in schakelaar brandt niet
De zijruiten in de achterportieren zijn zowel
met de knoppen op de portieren als met de
knoppen op het bestuurdersportier te
bedienen.
61
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare zijruiten
LED in schakelaar brandt
De zijruiten in de achterportieren zijn alleen
vanaf het bestuurdersportier te bedienen.
Elektrisch bedienbare ruit in
voorportier, passagierszijde
Met de schakelaar voor elektrische bediening
van de ruit op het passagiersportier kunt u
alleen de ruit in het passagiersportier
bedienen.
Elektrisch bedienbare ruiten in
achterportieren
U kunt de ruiten in de achterportieren zowel
met de schakelaars op de beide achterportieren als met de schakelaars op het bestuurdersportier bedienen. Als de LED in de
schakelaar waarmee u de elektrische
bediening van de ruiten in de achterportieren
blokkeert (op het bedieningspaneel op het
bestuurdersportier) brandt, kunt u de ruiten in
de achterportieren alleen vanaf het bestuurdersportier bedienen.
WAARSCHUWING!
Wanneer u de zijruiten in de achterportieren met de knoppen op het bestuurdersportier sluit, moet u erop letten dat
eventuele achterpassagiers niet met hun
handen bekneld kunnen raken.
62
Instrumenten, schakelaars en bediening
Spiegels en zijruiten
BELANGRIJK!
Gebruik de spiegelverwarming (zie
pagina 51) om de buitenspiegels van ijs
te ontdoen en geen ijskrabber. Een
krabber kan krassen op het spiegelglas
veroorzaken.
met dat van de bestuurdersstoel (zie
pagina 81).
A
B
Achteruitkijkspiegel
Buitenspiegels
A. Normale stand.
B. Anti-verblindingsstand. Gebruik deze
stand, als u de koplampen van het
achteropkomende verkeer als hinderlijk
ervaart.
Bepaalde modellen hebben een zogeheten
autodim-functie, hetgeen inhoudt dat de
achteruitkijkspiegel automatisch in de antiverblindingsstand gaat staan afhankelijk van
de lichtinval. De gevoeligheid van deze
functie kunt u in een erkende Volvowerkplaats laten afstellen.
De schakelaars waarmee u de twee buitenspiegels bedient, vindt u voor op de
armleuning van het bestuurdersportier.
WAARSCHUWING!
Stel de spiegels af, voordat u gaat rijden!
– Druk de schakelaar L of R in (L = linker
buitenspiegel, R = rechter buitenspiegel).
De LED in de schakelaar brandt.
– U stelt de stand van de buitenspiegels bij
met het centrale hendeltje. Druk
vervolgens eenmaal op de schakelaar. De
LED mag niet langer branden.
Buitenspiegels met geheugen
(optie)
Geheugen in afstandsbediening (optie)
Wanneer u de auto met een van de afstandsbedieningen ontgrendelt en de instelling van
de buitenspiegels wijzigt, wordt de nieuwe
positie van de spiegels in de afstandsbediening opgeslagen. De volgende keer dat u
de auto ontgrendelt met dezelfde afstandsbediening en het bestuurdersportier binnen
vijf minuten na ontgrendeling opent, gaan de
buitenspiegels in de opgeslagen positie
staan.
Gelaagde zijruiten (optie)
De zijruiten van gelaagd glas in de voor- en
achterportieren zorgen voor een verbeterde
geluidsisolatie van de passagiersruimte en
leveren een verhoogde bescherming tegen
inbraak op.
Als er buitenspiegels met geheugen op de
auto zitten, werkt het geheugen synchroon
63
Instrumenten, schakelaars en bediening
Spiegels en zijruiten
Water- en vuilafstotende laag op
voorste zijruiten en/of buitenspiegels (optie)
De voorste zijruiten en/of de buitenspiegels
zijn voorzien van een speciale laag die bij
regen voor een beter zicht zorgen. Zie
pagina 165 voor informatie over het
onderhoud van dergelijk glaswerk.
Zijruiten en buitenspiegels
met de speciale water- en
vuilafstotende laag zijn
voorzien van een klein
symbool.
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
In bepaalde weersomstandigheden werkt de
vuilafstotende laag beter, als u de elektrische
verwarming van de buitenspiegels inschakelt
(zie pagina 51).
Verwarm de buitenspiegels:
• als er sneeuw of ijs op de spiegels zit
• bij hevige regenval of vieze wegen
• bij beslagen spiegels.
64
BELANGRIJK!
Gebruik geen metalen ijskrabber om de
ruiten van ijs te ontdoen. De water- en
vuilafstotende laag kan beschadigd
raken.
Gebruik de elektrische verwarming om de
buitenspiegels van ijs te ontdoen!
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie)
A
B
Openingsstanden
De bedieningsknop voor het schuifdak zit aan
het plafond. U kunt het schuifdak op twee
manieren bedienen:
A.
Achterkant omhoog/omlaag (ventilatiestand)
B. Achteruit/vooruit (openingsstand/
comfortstand)1. De contactsleutel moet
daarbij in stand I of II staan.
WAARSCHUWING!
Als er kinderen in de auto zitten: Verbreek
bij het verlaten van de auto de stroomtoevoer naar het schuifdak door de
contactsleutel uit te nemen.
4
1
2
3
5
6
1. Automatisch sluiten
2. Sluiten, handmatig
3. Openen, handmatig
4. Openen, automatisch
5. Openen, ventilatiestand
6. Sluiten, ventilatiestand
Ventilatiestand
Openen: Duw de achterkant van de
schakelaar (5) omhoog.
Sluiten: Trek de achterkant van de
schakelaar (6) omlaag.
1.
In de comfortstand staat het
schuifdak op een kier om de rijwindgeluiden te beperken.
U kunt het schuifdak vanuit de ventilatiestand
rechtstreeks in de comfortstand zetten: Trek
de schakelaar achteruit in de eindstand (4)
en laat de schakelaar los.
65
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie)
Automatische bediening
Duw de schakelaar door het drukpunt (3) in
de achterste eindstand (4) of via het
drukpunt (2) in de voorste eindstand (1) en
laat de schakelaar vervolgens los. Het
schuifdak schuift dan tot in de comfortstand
open of helemaal dicht.
WAARSCHUWING!
De beveiliging tegen overbelasting van
het schuifdak werkt alleen bij automatisch
sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Let er bij het sluiten van het schuifdak op
dat kinderen niet met hun handen bekneld
kunnen raken.
Doe het volgende om het schuifdak vanuit de
comfortstand volledig te openen: trek de
schakelaar nogmaals achteruit in de
eindstand (4) en laat de schakelaar
vervolgens los.
Handmatige bediening
Openen: Trek de schakelaar achteruit naar
het drukpunt (3). Het schuifdak schuif steeds
verder open zolang u de schakelaar in deze
stand vasthoudt.
Sluiten: Duw de schakelaar naar vooruit in
het drukpunt (2). Het schuifdak schuift
steeds verder dicht zolang u de schakelaar in
deze stand vasthoudt.
WAARSCHUWING!
Als er kinderen in de auto zitten, moet u
zorgen dat ze bij het sluiten van het
schuifdak niet met hun handen gekneld
kunnen raken.
66
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het glijdt
automatisch naar achteren bij het openen van
het schuifdak. Pak de handgreep vast en
schuif het scherm naar voren om het te
sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd,
als het schuifdak door een voorwerp wordt
gehinderd. Het schuifdak komt dan tot
stilstand en keert vervolgens automatisch
terug naar de laatst gebruikte, geopende
stand.
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C
Elektronische klimaatregeling, ECC
Standverwarming (optie)
68
70
73
76
67
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Beslagen ruiten
Werking interieurventilator
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon
om te voorkomen dat ze beslaan. Gebruik
een normaal poetsmiddel voor glaswerk.
Wanneer de motor is afgezet (ook al staat de
contactsleutel in stand I of II), zal de interieurventilator automatisch worden uitgeschakeld. Dit gebeurt om te voorkomen dat
de accu uitgeput raakt.
Interieurfilter
Zorg dat u het interieurfilter op gezette tijden
vervangt. Informeer bij een erkende Volvowerkplaats.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (het rooster tussen de
motorkap en de voorruit).
Storingen opsporen
Een erkende Volvo-werkplaats beschikt over
de juiste uitrusting en instrumenten voor het
opsporen van storingen en het uitvoeren van
reparaties aan de klimaatregeling. Laat
controle- en reparatiewerkzaamheden over
aan gekwalificeerd personeel.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het
koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor,
waardoor het koudemiddel onschadelijk voor
de ozonlaag is. Gebruik bij het bijvullen/
verversen van koudemiddel alleen R134a.
Laat dergelijke werkzaamheden over aan een
erkende Volvo-werkplaats.
68
Om de interieurventilator te activeren moet u
de ventilatorknop in de gewenste snelheidsstand draaien.
Auto’s met ECC
Werkelijke temperatuur
De door u gekozen temperatuur komt
overeen met de gevoelstemperatuur op
grond van de heersende omstandigheden in
en rond de auto wat de luchtsnelheid, de
luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde
warmte enz. betreft.
Sensoren
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
Let erop dat u de zonnesensor niet mag
afdekken. Dek de interieurtemperatuursensor
op het bedieningspaneel van de klimaatregeling evenmin af.
Zijruiten en schuifdak
Voor een goede werking van het A/Csysteem moet u de zijruiten en een eventueel
schuifdak gesloten houden.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt het A/Csysteem tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur kan dan tijdelijk iets oplopen.
Condensatie
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje
water onder de auto ontstaan. Dit is
volkomen normaal.
Brandstofbesparing
Bij gebruik van ECC wordt ook het A/Csysteem automatisch geregeld en alleen dan
ingeschakeld wanneer de lucht in de passagiersruimte moet worden afgekoeld en de
binnenkomende lucht van vocht moet worden
ontdaan. Zo wordt meer brandstof bespaard
dan bij gebruik van conventionele systemen,
waarbij het A/C-systeem de lucht voortdurend afkoelt tot net boven het vriespunt.
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
D
D
C
C
A
A
B
B
Luchtverdeling
Blaasmonden in dashboard
Blaasmonden in portierstijlen
De binnenkomende lucht wordt verdeeld
over meerdere blaasmonden die op verschillende punten in de auto zijn aangebracht.
A. Open
B. Dicht
C. Luchtstroom naar links of rechts
D. Luchtstroom omhoog of omlaag.
– Richt de buitenste blaasmonden op de
zijruiten om ze te ontwasemen.
– Bij koud weer: Doe de middelste blaasmonden dicht om de temperatuur in de
auto zo comfortabel mogelijk te houden
en de ruiten optimaal te ontwasemen.
A. Open
B. Dicht
C. Luchtstroom naar links of rechts
D. Luchtstroom omhoog of omlaag.
– Richt de blaasmonden op de achterste
zijruiten om ze te ontwasemen.
– Richt de blaasmonden naar binnen toe
voor een behaaglijke temperatuur achter
in de auto.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn
voor luchtstromen en tocht.
69
Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C
2
3
4
5
1
8
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
7
A/C, Aan/Uit
Recirculatie
Luchtverdeling
Elektrisch verwarmde achterruit en
buitenspiegels
Elektrisch verwarmde voorstoelen
Temperatuur rechterzijde
Temperatuur linkerzijde
Ventilator
6
Als u het A/C-systeem wilt inschakelen, moet
u de ventilatorknop (8) uit stand 0 draaien.
Gebruik het A/C-systeem ook bij lage temperaturen (0–15 °C) om de inkomende lucht
van vocht te ontdoen.
1. A/C, Aan/Uit
De koel- en ontwasemingsfunctie van de
airconditioning is actief, wanneer de LED
(ON) brandt. De airconditioning is uitgeschakeld, wanneer de LED (OFF) brandt.
2. Recirculatie
U kunt de recirculatie inschakelen, als u vieze
lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt
houden. De lucht in het passagierscompartiment wordt dan gerecirculeerd, d.w.z. er
wordt geen lucht van buiten de auto aange70
zogen, wanneer de functie actief is. Bij
gebruik van de recirculatie (in combinatie met
het A/C-systeem) wordt de lucht in de passagiersruimte bij warm weer sneller afgekoeld.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de
binnenkant van de ruiten ontstaan. Met de
timerfunctie beperkt u de kans op ijs, wasem
en een slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
– Druk de knop
langer dan
3 seconden in. De LED knippert
5 seconden. De lucht in de auto wordt
3 –12 minuten gerecirculeerd, afhankelijk
van de buitentemperatuur.
Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C
– Telkens wanneer u op
drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
– Druk de knop
nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. De LED gaat
5 seconden branden ter bevestiging van
uw keuze.
3. Luchtverdeling
Voor optimaal comfort kunt u de met stippen
gemarkeerde luchtverdelingsstanden tussen
de verschillende symbolen gebruiken om de
luchtverdeling precies af te stellen.
Ontwaseming
Zet de knop voor de luchtverdeling in de
stand voor ontwaseming
om de
voorruit en de zijruiten snel te ontwasemen en
ontdooien. Er stroomt dan op hoge snelheid
lucht naar de ruiten.
Bij activering van deze functie gebeurt
bovendien het volgende om de lucht in het
interieur zoveel mogelijk van vocht te
ontdoen:
• de airconditioning (A/C) wordt automatisch ingeschakeld (tenzij de ventilator in
stand 0 staat);
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming
hervat de klimaatregeling de
voorgaande instellingen.
4. Elektrisch verwarmde
achterruit en buitenspiegels
Met deze knop kunt u de achterruit en de
buitenspiegels snel ontdoen van condens of
ijs (zie pagina 51 voor meer informatie over
deze functie).
5. Elektrisch verwarmde
voorstoelen
6 en 7. Temperatuur, linker-/
rechterzijde
Draai aan de knop om de temperatuur van de
binnenkomende lucht te regelen. Koeling is
alleen mogelijk, wanneer de airconditioning
actief is.
8. Ventilator
U kunt de snelheid waarmee de ventilator
draait verhogen of verlagen door aan de knop
te draaien.
Als de draaiknop in stand 0 staat, wordt de
airconditioning niet ingeschakeld.
Doe het volgende, als u extra verwarming in
de voorstoel(en) wenst:
– Eenmaal indrukken: Hoge verwarmingsstand – beide LED’s in de schakelaar(s)
gaan branden.
– Nogmaals indrukken: Lage verwarmingsstand – een van de LED’s in de
schakelaar(s) gaat branden.
– Nogmaals indrukken: Verwarming uitgeschakeld – geen van de LED’s in de
schakelaar(s) brandt.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
een erkende Volvo-werkplaats laten
bijstellen.
71
Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C
Luchtverdeling
Lucht via
de blaasmonden
voor- en achterin.
Toepassing
Voor een goede
koeling bij warm
weer.
Lucht naar
de ruiten. In
deze stand
vindt er geen luchtrecirculatie plaats.
Het A/C-systeem
is altijd
ingeschakeld. Er
komt een bepaalde
hoeveelheid lucht
uit de blaasmonden.
Lucht naar
de vloer en
de ruiten.
Er komt een
bepaalde
hoeveelheid lucht
uit de blaasmonden.
Voor het verwijderen van ijs en
wasem. Laat de
ventilator op hoge
snelheid draaien.
72
Voor een comfortabel klimaat en
een goede ontwaseming bij koud
weer. Laat de
ventilator niet te
langzaam draaien.
Luchtverdeling
Lucht naar
de vloer. Er
komt een
bepaalde
hoeveelheid lucht
uit de blaasmonden en uit de
ontdooieropeningen voor de
voorruit en de
zijruiten.
Lucht naar
de vloer en
de blaasmonden.
Toepassing
Voor verwarming
van de voeten.
Bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
2
3
4
5
6
7
8
1
9
10
12
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
13
11
A/C, Aan/Uit
Recirculatie/Combifilter met “Air Quality
Sensor”
Recirculatie
AUTO
Luchtverdeling
Interieurtemperatuursensor
Ontdooien voorruit en zijruiten
Elektrisch verwarmde achterruit en
buitenspiegels
Elektrisch verwarmde voorstoelen
Temperatuur rechterzijde
Temperatuur linkerzijde
Ventilator
Ventilator, achter in passagiersruimte
(optie op modellen met zeven
zitplaatsen)
1. A/C, Aan/Uit
Wanneer de LED bij ON brandt, wordt het A/
C-systeem automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan automatisch
afgekoeld en van vocht ontdaan. Wanneer u
gekozen hebt voor A/C OFF en de LED bij
OFF brandt, blijft het A/C-systeem uitgeschakeld totdat u het weer handmatig
inschakelt. De overige functies van de
klimaatregeling worden nog steeds automatisch geregeld. Het A/C-systeem werkt tot
ca. 0 °C.
2. Interior Air Quality System
(optie op bepaalde markten)
Bepaalde auto’s zijn uitgerust met een
zogeheten combifilter en een “Air Quality
Sensor”. Het combifilter ontdoet de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes en
beperkt zo eventuele hinderlijke geuren en
veront reinigingen. De “Air Quality Sensor”
meet de concentratie van de verontreinigingen in de buitenlucht. Wanneer de sensor
een verhoogde concentratie registreert,
wordt de luchtinlaat afgesloten en recirculeert de lucht in het passagierscompartiment.
De lucht in het passagierscompartiment
wordt ook tijdens de recirculatie door het
combifilter gereinigd.
Wanneer de “Air Quality Sensor” actief is,
brandt de groene LED AUT in de knop
.
Bediening
Druk op
om de “Air Quality
Sensor” te activeren (normale instelling).
Of:
73
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
Kies uit drie verschillende functies door
verschillende malen op de knop
te
drukken.
• De LED MAN brandt om aan te geven dat
de recirculatiefunctie opnieuw
ingeschakeld is.
• Geen van de LED’s brandt om aan te
geven dat de recirculatiefunctie niet is
ingeschakeld (voor zover dat niet nodig is
om voor verkoeling te zorgen bij warm
weer).
• De LED AUT brandt om aan te geven dat
de “Air Quality Sensor” actief is.
Let erop dat:
• U de “Air Quality Sensor” altijd hebt
ingeschakeld.
• Er bij koud weer beperkingen voor de
recirculatiefunctie gelden om te
voorkomen dat de ruiten beslaan.
• U de “Air Quality Sensor” uitschakelt,
wanneer de ruiten beslaan.
• Wanneer de ruiten beslaan, u beter ook
de ontdooiers van de voorruit, de zijruiten
en de achterruit kunt inschakelen.
• Raadpleeg het serviceprogramma van
Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval voor het combifilter. In zeer sterk
verontreinigde gebieden kan het zijn dat u
het combifilter vaker moet vervangen.
3. Recirculatie
De recirculatie kan handmatig worden
ingeschakeld, als u vieze lucht, uitlaatgassen
en dergelijke buiten wilt houden. De lucht in
het passagierscompartiment wordt dan
gerecirculeerd, d.w.z. er wordt geen lucht van
74
buiten de auto aangezogen, wanneer de
functie actief is.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de
binnenkant van de ruiten ontstaan.
Met de timerfunctie (op modellen met een
combifilter en “Air Quality Sensor” ontbreekt
de timerfunctie) beperkt u de kans op ijs,
wasem en een slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
– Druk de knop
langer dan
3 seconden in. De LED knippert
5 seconden. De lucht in de auto wordt
afhankelijk van de buitentemperatuur 3 tot
12 minuten lang gerecirculeerd.
– Telkens wanneer u op
drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
– Druk de knop
nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. De LED gaat
5 seconden branden ter bevestiging van
uw keuze.
4. AUTO
Bij activering van de functie AUTO wordt de
klimaatregeling automatisch dusdanig
ingesteld dat de gekozen temperatuur wordt
bereikt. De automatische functie regelt de
verwarming, het A/C-systeem, de “Air Quality
Sensor”, de ventilatorsnelheid, de recirculatie
en de luchtverdeling. Ook als u één of meer
van de genoemde functies handmatig instelt,
worden de resterende functies nog automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen
worden uitgeschakeld, wanneer u de functie
AUTO activeert.
5. Luchtverdeling
• Wanneer u de bovenste knop hebt
ingedrukt, stroomt er lucht uit de
openingen bij de ruiten.
• Wanneer u de middelste knop hebt
ingedrukt, stroomt er lucht uit de
openingen ter hoogte van bovenlichaam
en hoofd.
• Wanneer u de onderste knop hebt
ingedrukt, stroomt er lucht uit de
openingen ter hoogte van benen en
voeten.
Druk op AUTO, wanneer u de automatische
luchtverdeling weer wilt activeren.
6. Interieurtemperatuursensor
De interieurtemperatuursensor registreert de
temperatuur in het interieur.
7. Ontdooien voorruit en zijruiten
Met deze knop kunt u de voorruit en de
zijruiten snel ontwasemen en ontdooien. De
ventilator draait dan op hoge snelheid en
stuurt lucht naar de ruiten. De LED in de
ontwasemingsknop brandt, wanneer de
functie is ingeschakeld.
Bij activering van deze functie gebeurt
bovendien het volgende om de lucht in het
interieur zoveel mogelijk van vocht te
ontdoen:
• de airconditioning (A/C) wordt automatisch ingeschakeld (tenzij de ventilatorknop helemaal naar links is gedraaid);
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming
hervat de klimaatregeling de
voorgaande instellingen.
8. Achterruit- en buitenspiegelverwarming
Met deze knop kunt u de achterruit en de
buitenspiegels snel ontdoen van condens of
ijs (zie pagina 51 voor meer informatie over
deze functie).
9. Stoelverwarming
Doe het volgende, als u extra verwarming in
de voorstoel(en) wenst:
• Eenmaal indrukken: Hoge verwarmingsstand – beide LED’s in de schakelaar(s)
gaan branden.
• Nogmaals indrukken: Lage verwarmingsstand – een van de LED’s in de
schakelaar(s) gaat branden.
• Nogmaals indrukken: Verwarming uitgeschakeld – geen van de LED’s in de
schakelaar(s) brandt.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
een erkende Volvo-werkplaats laten
bijstellen.
passagiersruimte niet sneller warm of koud
wordt, wanneer u een hogere of lagere
temperatuur kiest dan de gewenste temperatuur.
12. Ventilator
U kunt de snelheid waarmee de ventilator
draait verhogen of verlagen door aan de knop
te draaien. In de stand AUTO wordt de ventilatorsnelheid automatisch geregeld. De
eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt
dan genegeerd.
Als u de knop voor de ventilatorsnelheid
zover linksom draait dat alleen de oranje LED
links boven de knop oplicht, zijn de ventilator
en het A/C-systeem uitgeschakeld.
13. Ventilator, achter in passagiersruimte (optie op modellen
met zeven zitplaatsen)
U kunt de snelheid waarmee de ventilator
draait verhogen of verlagen door aan de knop
te draaien. Dit geldt alleen, als u voor zowel
airconditioning voorin (1) als achterin hebt
gekozen. De knop voor airconditioning achter
in de passagiersruimte vindt u op de middenconsole (zie pagina 49).
10 en 11. Temperatuur
Met de twee draaiknoppen kunt u de temperatuur aan de bestuurderszijde en de passagierszijde instellen. Let erop dat de
75
Klimaatregeling
Standverwarming (optie)
wanneer de standverwarming moet worden
ingeschakeld om de ingestelde uitschakeltijd
te kunnen halen. Bij een buitentemperatuur
hoger dan 25 °C vindt er geen activering van
de standverwarming plaats. Bij temperaturen
van –10 °C en lager is de maximale bedrijfstijd van de standverwarming 60 minuten.
Als de standverwarming ondanks herhaalde
startpogingen niet aanslaat, wordt u geadviseerd contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats. Er verschijnt een bericht
op het display.
WAARSCHUWING!
Algemene informatie
Voordat u de standverwarming kunt programmeren, moet het elektrisch systeem worden
“gewekt”.
Dat doet u het eenvoudigst door:
• op de knop READ te drukken, of
• grootlichtsignalen te geven, of
• het contact in te schakelen.
U kunt de standverwarming meteen inschakelen of twee verschillende uitschakeltijden
voor de standverwarming instellen: TIMER 1
en TIMER 2. Onder de uitschakeltijd wordt
het tijdstip verstaan waarop de auto op de
gewenste temperatuur is.
De elektronica van de auto rekent aan de
hand van de buitentemperatuur zelf uit,
76
• Schakel voor het tanken de standverwarming op brandstof uit. Gemorste
brandstof kan door de hete uitlaatgassen
ontvlammen.
• Controleer op het informatiedisplay of
de verwarming uit is. (Als de standverwarming werkt, verschijnt er
PARK.VERW AAN op het display.)
WAARSCHUWING!
Bij gebruik van de standverwarming op
benzine of dieselolie moet de auto in de
buitenlucht staan.
Waarschuwingssticker op de tankvulklep
Displaymelding
Wanneer u de geprogrammeerde functies
TIMER 1, TIMER 2 en Directe start activeert,
brandt het oranje waarschuwingslampje op
het instrumentenpaneel. Op het display
verschijnt bovendien een verklarende tekst.
Wanneer u de auto verlaat, ontvangt u een
bericht met de status van de standverwarming.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling
parkeert, moet u ervoor zorgen dat de
voorkant naar de top van de helling wijst. De
standverwarming krijgt dan voldoende
brandstof.
Klimaatregeling
Klokje en gebruik van de timer(s)
Als u na het instellen van de timer(s) het
klokje bijstelt, worden alle timerinstellingen
om veiligheidsredenen geannuleerd.
TIMER 1 en 2 instellen
Om veiligheidsredenen kunt u uitsluitend
tijden voor het komende etmaal programmeren en dus niet voor meerdere dagen
tegelijk.
– Ga met de draairing (B) naar TIMER 1.
– Druk kort op de knop RESET (C), zodat
de uuraanduiding gaat knipperen.
– Ga met de draairing (B) naar het
gewenste tijdstip in uren.
– Druk lichtjes op de knop RESET om
toegang te krijgen tot de knipperende
minutenaanduiding.
– Ga met de draairing (B) naar het
gewenste tijdstip in minuten.
– Druk lichtjes op de knop RESET om uw
instelling te bevestigen.
– Druk op de knop RESET om de timer te
activeren.
Wanneer u TIMER 1 hebt ingesteld, kunt u
naar TIMER 2 gaan. U stelt deze timer op
dezelfde manier in als TIMER 1.
Timergestuurde standverwarming
voortijdig uitschakelen
Doe het volgende om de timergestuurde
verwarming uit te schakelen voordat de timer
dat doet:
– Druk op de knop READ (A).
– Ga met behulp van de draairing B naar
TIMER PARK.VERW 1 of 2. De tekst
AAN knippert.
– Druk op de knop RESET (C). De tekst
UIT brandt continu en de verwarming
wordt uitgeschakeld.
Standverwarming meteen
inschakelen
– Ga met de draairing (B) naar DIRECTE
START.
– Druk op de knop RESET (C) om de
opties AAN of UIT te selecteren.
Selecteer AAN.
De standverwarming zal vervolgens
60 minuten lang blijven werken. De
verwarming van het interieur gaat van start,
zodra de koelvloeistof in de motor op temperatuur gekomen is.
Standverwarming meteen uitschakelen
– Ga met de draairing (B) naar DIRECTE
START.
– Druk op de knop RESET (C) om een van
de opties AAN of UIT te selecteren.
– Kies UIT.
Accu en brandstof
Als de accu niet voldoende opgeladen is of
als de brandstoftank bijna leeg is, wordt de
standverwarming uitgeschakeld. Er verschijnt
in dat geval een bericht op het display. U
moet dit bericht met de knop READ (A)
bevestigen.
BELANGRIJK!
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden
dat de accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren.
Om er zeker van te zijn dat de dynamo
evenveel energie produceert als de
verwarming afneemt, moet u bij regelmatig gebruik van de verwarming
minstens even lang met de auto rijden als
de inschakelduur van de verwarming.
Extra verwarming (diesel)
(bepaalde landen)
Bij koud weer kan extra verwarming nodig zijn
om de passagiersruimte voldoende te
verwarmen.
De extra verwarming wordt automatisch
ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig
is terwijl de motor loopt. De verwarming
wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer
het warm genoeg is of wanneer de motor
wordt afgezet.
77
Klimaatregeling
78
Interieur
Voorstoelen
Interieurverlichting
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Achterbank
Bagageruimte
80
83
85
90
92
79
Interieur
Voorstoelen
5.
6.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, draai
aan de knop
Bedieningspaneel voor elektrisch
bedienbare stoel
WAARSCHUWING!
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het
rijden.
Controleer of de stoel in zijn stand
vergrendeld staat.
Zithouding
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld op voor een optimale zit- en
rijhouding.
1.
2.
3.
4.
80
Vooruit/achteruit, til de hendel omhoog
om de juiste afstand tot het stuurwiel en
de pedalen in te stellen. Controleer of
de stoel na het afstellen in de nieuwe
stand geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager zetten,
pomp omhoog/omlaag
Stoel hoger/lager zetten, pomp
omhoog/omlaag
Lendensteun wijzigen, draai aan de
knop
Rugleuning voorstoel
omklappen
U kunt de rugleuning van de passagiersstoel
horizontaal vooroverklappen om lange
voorwerpen te kunnen vervoeren. Klap de
rugleuning als volgt naar voren:
– Schuif de stoel zo ver mogelijk naar
achteren.
– Zet de rugleuning rechtop.
– Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog.
– Klap tegelijkertijd de rugleuning naar
voren.
– Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
Interieur
Voorstoelen
Elektrisch bedienbare voorstoel
(optie)
Voorbereidingen
U kunt de stoel normaal gesproken alleen
verstellen, als de contactsleutel in stand I of
II staat. De stoel kan ook binnen 4,5 minuten
na ontgrendeling van het portier met de
sleutel of afstandbediening worden versteld.
Als het portier gesloten is en de contactsleutel nog niet in het contactslot steekt of in
stand 0 staat, hebt u na sluiting van het
portier nog 40 seconden de tijd om instellingen te verrichten.
Geheugen in afstandsbediening (optie)
De afstandsbediening die wordt gebruikt om
de auto te ontgrendelen slaat informatie op
over de stoelinstellingen die worden
gewijzigd. Een volgende keer dat de auto
wordt ontgrendeld met dezelfde afstandsbediening en het bestuurdersportier binnen vijf
minuten wordt geopend, gaan de bestuurdersstoel en de buitenspiegels in de
opgeslagen stand staan.
Stoel afstellen
Met de schakelaars kunt u het volgende
instellen:
1. Voorkant zitting omhoog/omlaag
2. Stoel vooruit/achteruit
3. Stoel omhoog/omlaag
4. Hellingshoek rugleuning
U kunt de slechts één verstelfunctie van de
stoel tegelijk activeren. De elektrisch
bedienbare stoelen zijn voorzien van een
beveiliging tegen overbelasting, die geactiveerd wordt als een van de stoelen door een
obstakel wordt geblokkeerd. Als dit het geval
is, moet u het contact uitzetten (contactsleutel in stand 0) en ca. 20 seconden
wachten voordat u de stoel opnieuw probeert
te verstellen.
Stoel met geheugen
5. Instelling van stoel en buitenspiegels,
programma 1
6. Instelling van stoel en buitenspiegels,
programma 2
7. Instelling van stoel en buitenspiegels,
programma 3
8. Stoelinstellingen opslaan
U kunt drie verschillende standen in het
geheugen opslaan. Na verstelling van de
stoel moet u de knop MEM (8) ingedrukt
houden, terwijl u op knop (5) drukt. Met de
knoppen (6) en (7) kunt u nog twee andere
standen van de stoel en de buitenspiegels in
het geheugen opslaan.
81
Interieur
Voorstoelen
Stoel in opgeslagen stand zetten
Houd geheugenknop (5), (6) of (7) ingedrukt,
totdat de stoel tot stilstand komt. Om veiligheidsredenen zal de instelling van de stoel
onmiddellijk worden beëindigd bij het
loslaten van de knop.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
WAARSCHUWING!
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter
of onder de stoel liggen tijdens het
instellen.
Zorg er tevens voor dat geen van de
passagiers op de achterbank bekneld kan
raken.
Laat kinderen niet met de schakelaars
spelen vanwege het gevaar voor
beknelling.
82
Interieur
Interieurverlichting
Algemene verlichting
U schakelt de algemene verlichting in en uit,
wanneer u op de middelste knop drukt. U
kunt de algemene verlichting altijd in- en
uitschakelen door kort op de bijbehorende
knop te drukken. De algemene verlichting is
voorzien van een automatische inschakelfunctie1 die ervoor zorgt dat de verlichting
wordt ingeschakeld en 30 seconden of
10 minuten aan blijft wanneer u de motor
hebt afgezet.
De algemene verlichting wordt ingeschakeld
om 30 seconden lang te blijven branden,
wanneer u:
1.
De functie is afhankelijk van de
lichtinval en wordt alleen geactiveerd
wanneer het donker is.
• de auto van de buitenzijde ontgrendelt
met de sleutel of de afstandsbediening;
• de motor hebt afgezet en de contactsleutel in stand 0 draait.
De algemene verlichting wordt ingeschakeld
om 10 minuten lang te blijven branden,
wanneer:
• een van de portieren openstaat;
• de algemene verlichting niet wordt uitgeschakeld.
De algemene verlichting gaat uit, wanneer:
• u de motor start;
• u de auto van de buitenzijde vergrendelt
met de sleutel of de afstandsbediening.
U kunt de algemene verlichting altijd in- en
uitschakelen door kort op de bijbehorende
knop te drukken.
De algemene verlichting gaat 10 minuten na
het afzetten van de motor automatisch uit,
voor zover u de verlichting niet eerder
handmatig hebt uitgeschakeld.
U kunt de automatische inschakelfunctie
buiten werking stellen door de bijbehorende
knop langer dan 3 seconden ingedrukt te
houden. Wanneer u dezelfde knop daarna
nogmaals kort indrukt, stelt u de automatische inschakelfunctie weer in werking.
De voorgeprogrammeerde inschakeltijden
van 30 seconden en 10 minuten kunt u
desgewenst laten wijzigen. Neem hiervoor
contact op met uw Volvo-werkplaats.
Leeslampjes
U schakelt de leeslampjes in en uit met een
druk op de bijbehorende knop. Voor de
leeslampjes op de derde zitrij van een model
met zeven zitplaatsen geldt dat bij een druk
op een van de knoppen beide leeslampjes inof uitgeschakeld worden. De leeslampjes
gaan 10 minuten na het afzetten van de
motor automatisch uit, voor zover u ze niet
eerder handmatig uitschakelt.
83
Interieur
Interieurverlichting
Make-upspiegel1
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
1.
84
Optie op bepaalde markten.
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
3
2
1
4
8
7
6
5
85
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergmogelijkheden
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
Opbergvak op derde zitrij
Opbergvakken en bekerhouders
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje
Aflegvlak in middenconsole
Bekerhouders voor achterpassagiers
Opbergvak (ook aan de voorkant van de
zittingen van de voorstoelen)
Houder voor boodschappentassen.
WAARSCHUWING!
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen
veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre.
Maak grote en zware voorwerpen altijd
vast met een van de veiligheidsgordels of
een bagageband.
86
Pennenvak
In de middenconsole vindt u een vak waarin u
pennen kunnen bewaren.
Dashboardkastje
In het dashboardkastje kunt u bijvoorbeeld
het instructieboekje, wegenkaarten, pennen
en een tankpas bewaren.
Vloermatten (optie)
Volvo biedt vloermatten die speciaal voor uw
auto vervaardigd zijn. Zorg dat u de vloermatten goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzet om te voorkomen dat ze
kunnen gaan glijden en achter of onder de
pedalen aan de bestuurderszijde blijven
haken.
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Kledinghaak
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
Asbak voor achterpassagiers
(optie)
Bekerhouder/flessenhouder
voor achterpassagiers
U opent de asbak door de bovenkant van het
klepje naar buiten toe te klappen.
Trek het insteekelement aan de onderkant
openen. U kunt het insteekelement voor
bekers als volgt verwijderen. Wanneer u de
twee klemmen losmaakt, kunt u de bekerhouder gebruiken als flessenhouder voor
twee grote PET-flessen.
Leeg de asbak als volgt:
– Open de asbak.
– Duw het klepje omlaag en kantel het
achterover.
– Til de asbak vervolgens uit de middenconsole.
87
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvakken en bekerhouders
(model met zeven zitplaatsen)
U kunt de opbergvakken gebruiken om
bijvoorbeeld cd’s en boeken in te bewaren.
Aflegvlak in middenconsole
Bekerhouders
De middenconsole kan tevens dienst doen
als tafeltje om bijvoorbeeld eten en drinken
op weg te zetten. U moet daarvoor de
middenarmsteun naar achteren toe
wegkleppen, zodat de achterpassagiers het
onderliggende blad als “tafeltje” kunnen
gebruiken.
Bekerhouders voor de bestuurders- en
passagierszijde.
Onder het aflegvlak zit een opbergvak om
bijvoorbeeld cd’s in te bewaren.
88
Asbak (optie)
Om de asbak te legen moet u het insteekelement uitnemen.
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak op derde zitrij (model
met zeven zitplaatsen)
U kunt de opbergvakken gebruiken om
bijvoorbeeld pennen en kleine voorwerpen in
te bewaren.
89
Interieur
Achterbank
1
2
A
Achterbank, tweede zitrij (model
met zeven zitplaatsen)
Verschuifbare stoel (model met
zeven zitplaatsen)
Achterkant middenconsole
verwijderen
Ruggedeelte vooroverklappen om in te
stappen
Til de handgreep (1) omhoog en duw de
stoel naar voren. Doe het tegenovergestelde
om de stoel in de oorspronkelijke stand terug
te zetten.
U kunt de middelste stoel van de tweede zitrij
iets verder naar voren zetten dan de resterende stoelen. Wanneer u de middelste stoel
naar voren schuift kunt u een kind op het
geïntegreerde kinderzitje beter in de gaten
houden vanaf de voorstoelen.
Om de middelste stoel van de tweede zitrij
naar voren te kunnen schuiven, moet u eerst
de middenconsole verwijderen. U doet dat
als volgt:
Stoel vooruit-/achteruitzetten
Til de beugel (2) op om de stoel verder naar
voren of achteren te zetten.
Til de beugel (A) op en de stoel naar voren of
achteren te zetten.
90
– Verwijder de achterkant van de middenconsole door de pal recht naar buiten toe
te trekken zoals aangegeven op de
bovenstaande afbeelding.
– Til de console vervolgens uit de auto.
Interieur
Achterbank
WAARSCHUWING!
Zet de hoofdsteun alleen in de laagste
positie, wanneer u het ruggedeelte van de
stoel vooroverklapt of wanneer er
niemand op de stoel zit.
Nadat u de stoelen op de tweede en
derde zitrij rechtop gezet hebt, moet u
controleren of het ruggedeelte van de
stoelen geblokkeerd staat. Als dat niet het
geval is, kan het beveiligingssysteem zijn
werk niet doen.
Hoofdsteunen achterbank,
middelste zitplaats
U kunt de hoofdsteun in het midden van de
achterbank al naar gelang de lengte van de
passagier afstellen. Trek de hoofdsteun zover
als nodig is naar boven. Als u de hoofdsteun
omlaag wilt duwen, moet u tegelijkertijd de
pal indrukken (zie afbeelding).
Let erop dat u de hoofdsteun niet helemaal
kunt verwijderen!
91
Interieur
Bagageruimte
Stoelen op derde zitrij rechtop
zetten
– Zet het ruggedeelte van de stoelen weer
rechtop.
– Pak de lus beet en trek het zitgedeelte zo
ver uit dat u een klik hoort.
– Zet de hoofdsteun rechtop.
U kunt de stoel daarna weer gebruiken.
1
Bagageruimte vergroten, tweede
zitrij
– Zet de stoelen in de achterste stand
(geldt alleen voor modellen met zeven
zitplaatsen).
– Klap de hoofdsteunen omlaag.
– Hef de blokkering (1) op en klap het
ruggedeelte voorover. Duw het ruggedeelte aan om het in neergeklapte stand
te blokkeren.
Bagageruimte vergroten, derde
zitrij (model met zeven
zitplaatsen)
Schuif de tweede zitrij naar voren toe in de inen uitstappositie (zie pagina 90).
1.
2.
WAARSCHUWING!
Om veiligheidsredenen mag u geen
passagiers op de derde zitrij vervoeren,
als de hoofdsteunen van de buitenste
zitplaatsen van de tweede zitrij omlaaggeklapt zijn.
92
3.
Til de handgreep omhoog.
Schuif het zitgedeelte in de achterste
stand. Klap de verankeringsogen links
en rechts dusdanig in, dat ze niet
beschadigd raken wanneer u de ruggedeelten vooroverklapt.
Klap het ruggedeelte voorover. (De
hoofdsteun wordt automatisch ingeklapt
bij het vooroverklappen van het ruggedeelte.)
Interieur
Bagageruimte
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het
rijklaar gewicht van de auto verminderd met
dat van de gemonteerde accessoires. Bij het
rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende
oliën/vloeistoffen inbegrepen. De gemonteerde accessoires zoals een trekhaak,
lastdragers, skibox e.d. zijn niet inbegrepen.
Het laadvermogen van de auto wordt
bovendien beïnvloed door het aantal passagiers en hun gezamenlijke gewicht.
Lading in de bagageruimte
Veiligheidsgordels en airbags bieden de
bestuurder en eventuele passagiers een
goede bescherming, met name bij frontale
botsingen. Zorg ook voor een goede
afscherming in de rug. Let er bij het vervoer
van lading in de bagageruimte op dat
voorwerpen die niet goed zijn vastgezet of op
de juiste manier zijn ingeladen bij een
aanrijding of een krachtige remmanoeuvre
met hoge snelheid en met grote kracht naar
voren kunnen worden geslingerd en daarbij
ernstige verwondingen kunnen toebrengen.
Let erop dat een voorwerp met een gewicht
van 20 kg bij een frontale botsing op een
snelheid van 50 km/h zich gedraagt als een
voorwerp met een gewicht van 1000 kg.
Let op het volgende bij het inladen:
• Duw zware lading niet te dicht tegen de
voorstoelen aan om te voorkomen dat het
neergeklapte ruggedeelte onnodig zwaar
belast wordt.
• Breng de lading zo dicht mogelijk tegen
de rugleuning van de achterbank aan.
• Leg zware voorwerpen zo veel mogelijk
plat op de vloer.
• Breng zware lading dusdanig aan dat
deze recht voor de deellijn in de
rugleuning van de achterbank komt te
zitten.
• Dek scherpe randen met iets zachts af.
• Zet de lading met sjorbanden aan de
verankeringsogen vast.
• Zorg dat de lading nooit boven de
rugleuning uitsteekt, wanneer u geen
gebruik maakt van een bagagenet.
WAARSCHUWING!
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er
wijzigingen in de rijeigenschappen op.
WAARSCHUWING!
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt! Als dat namelijk wel het
geval is, kan de lading bij een krachtige
remmanoeuvre of een aanrijding naar
voren worden geslingerd en u of
eventuele passagiers ernstig verwonden.
Let er ook op dat u lading altijd goed
verankert (vastbindt).
Wanneer u het ruggedeelte van de
achterbank hebt neergeklapt, moet u
zorgen dat de lading niet uitsteekt boven
de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de ruiten
in de achterportieren. Zorg er bovendien
voor dat de lading op 10 cm afstand van
de zijruiten zit. Anders kan het zijn dat het
opblaasgordijn dat schuilgaat achter de
plafondbekleding geen bescherming
meer biedt.
Zorg dat u de bagage altijd goed
verankert. Bij krachtig remmen kan de
bagage namelijk gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Zet de motor af en zet de parkeerrem aan
bij het in- en uitladen van lange
voorwerpen! Lange voorwerpen kunnen
namelijk tegen de versnellingspook of
keuzehendel aan komen en zo per ongeluk
een versnelling inschakelen, waarna de
auto kan gaan rollen.
93
Interieur
Bagageruimte
op de stoelrails, wanneer u het net aan de
voorste plafondbevestigingen hebt
vastgezet.
Geldt alleen voor model met zeven
zitplaatsen:
– Zorg dat het net voor de armleuning van
het zijpaneel komt te liggen bij
aanspanning.
– Trek het bagagenet strak met de
trekbanden.
Bagagenet
Bagagenet aanbrengen
Het bagagenet voorkomt dat bagage of
lading uit de bagageruimte de passagiersruimte kan binnendringen bij krachtige
remmanoeuvres.
Als de auto is uitgerust met een bagagerolhoes, moet u deze verwijderen voordat u
het bagagenet aanbrengt.
Het bagagenet is gemaakt van stevige nylonmateriaal en kan op twee verschillende
manieren worden bevestigd:
– achter het ruggedeelte van de
achterbank,
– achter de voorstoelen, als u de
achterbank hebt neergeklapt.
94
– Haak de bovenste stang achter de
voorste of achterste plafondbevestigingen vast.
– Haak het andere uiteinde van de stang
aan de tegenoverliggende plafondbevestiging vast.
– Haak de banden van het bagagenet aan
de ogen op de vloer vast, wanneer u het
net aan de achterste plafondbevestigingen hebt vastgezet.
Maak gebruik van de verankeringsogen
Interieur
Bagageruimte
1
Bagagenet opvouwen
U kunt het bagagenet opvouwen en
opbergen onder de vloerplaat van de
bagageruimte (geldt voor modellen met vijf
zitplaatsen).
Druk de knoppen (1) op de scharnieren van
het bagagenet in om de scharnieren te
ontgrendelen en het net op te vouwen.
WAARSCHUWING!
Controleer altijd of de bovenste bevestigingen van het bagagenet goed zijn
aangebracht en of de banden stevig
vastzitten.
Een beschadigd net mag u niet meer
gebruiken.
Stalen bagagerek (optie)
Het bagagerek in de bagageruimte voorkomt
dat bagage of huisdieren bij krachtige
remmanoeuvres de passagiersruimte in
worden geslingerd.
U moet het bagagerek voor de veiligheid altijd
op de juiste manier bevestigen en verankeren.
Breng het bagagerek als volgt aan:
– Til het bagagerek via de achterklep of een
van de achterportieren in de auto (in het
laatste geval moet u eerst de tweede zitrij
neerklappen).
– Breng een van de bevestigingspennen
van het bagagerek in de bijbehorende
houder aan die zich boven het achterportier achter de tweede zitrij bevindt.
– Duw de bevestigingspen van het
bagagerek naar voren toe in de houder.
– Breng de andere bevestigingspen van het
bagagerek in de houder boven het tegenoverliggende portier en duw ook hier de
bevestigingspen vooruit in de houder.
– Steek de bevestigingsbeugel vanaf de
onderzijde door de onderste houder van
het bagagerek zoals aangegeven op de
afbeelding.
– Breng de veer op de bevestigingsbeugel
aan en draai de draaiknop erop vast.
95
Interieur
Bagageruimte
– Bevestig de haak van de bevestigingsbeugel in het verankeringsoog en draai
aan de draaiknop, totdat de bevestigingsbeugel in het verankeringsoog vastgrijpt.
– Doe hetzelfde aan de andere kant van het
rek.
– Draai de beide bevestigingsbeugels
beurtelings vast.
– Breng de beschermdoppen aan op het
blootliggende schroefdraadsegment
boven de draaiknoppen.
WAARSCHUWING!
Geldt voor modellen met zeven
zitplaatsen: Om veiligheidsredenen mag u
geen passagiers op de derde zitrij
vervoeren, als u het bagagenet achter de
tweede zitrij hebt gemonteerd.
96
Elektrische aansluiting bagageruimte
Verwijder het kapje, wanneer u de aansluiting
wilt gebruiken. De elektrische aansluiting
werkt onafhankelijk van de stand van het
contactslot.
Als bij het uitschakelen van het contact blijkt
dat de stroomsterkte die via de aansluiting
wordt afgenomen hoger is dan 0,1 A,
verschijnt er een waarschuwing op het
display.
N.B. Let erop dat u de aansluiting niet
gebruikt, wanneer het contact is uitgeschakeld. Als u de aansluiting dan namelijk
wel gebruikt, bestaat de kans dat de accu
uitgeput raakt.
Bagagerolhoes (optie)
Trek de bagagerolhoes over de bagage heen
uit en haak de hoes vast in de openingen die
in de achterste stijlen van de bagageruimte
zitten.
Bagagerolhoes verwijderen
Druk het eindstuk van de bagagerolhoes naar
binnen toe en trek het naar boven toe los. Bij
het aanbrengen moet u de eindstukken van
de bagagerolhoes in de houders omlaag
drukken.
WAARSCHUWING!
Leg geen voorwerpen op de bagagerolhoes. Ze kunnen de inzittenden
verwonden bij afremmen of uitwijkmanoeuvres.
Interieur
Vak onder vloer bagageruimte
openen (model met zeven
zitplaatsen)
– Til het luik op.
Doe het volgende als uw auto is uitgerust met
een houder voor boodschappentassen:
– Klap het bovenste luik open, maak de
bagagebanden van een eventuele houder
voor boodschappentassen los en klap
vervolgens het onderste luik open.
BELANGRIJK!
Houder voor boodschappentassen
Open het luik in de bagageruimte. Hang of
bind de boodschappentassen vast met
bagagebanden of houders.
1. Model met vijf zitplaatsen
2. Model met zeven zitplaatsen
Vak onder vloer bagageruimte
openen (model met vijf
zitplaatsen)
– Til het luik in de vloer van de bagageruimte op.
Doe het volgende als uw auto is uitgerust met
een houder voor boodschappentassen:
– Til het luik op en maak de bagagebanden
van de houder voor de boodschappentassen los.
Let erop dat er geen voorwerpen onder
de stoelkussens liggen wanneer u de
stoelen hebt neergeklapt. Dergelijke
voorwerpen kunnen de stoelkussens en
de verstelmechanismen namelijk beschadigen.
Vak onder vloer bagageruimte,
inhoud
Onder de vloer van de bagageruimte vindt u
het volgende:
• Gevarendriehoek (bepaalde markten)
• Gereedschapstas
• EHBO-kit (bepaalde markten)
• Krik (alternatieve positie)
N.B. Bepaalde producten in de EHBO-kit zijn
verzien van een uiterste houdbaarheidsdatum. U dient de producten te vervangen,
voordat de aangegeven data zijn verstreken.
97
Interieur
98
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
Vergrendelen en ontgrendelen
Kinderslot
Alarm (optie)
100
103
106
108
99
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
1
1.
Hoofdsleutel
Sleutel die op alle sloten past.
2.
Servicesleutel1
Sleutel die past op bestuurdersportier
en stuurslot/contactslot.
Sleutels, elektronische
startblokkering
Bij de auto worden twee hoofdsleutels en
een servicesleutel1 geleverd. Eén hoofdsleutel is inklapbaar en voorzien van een
ingebouwde afstandsbediening.
Als u een van de sleutels verliest, moet u
contact opnemen met een erkende Volvowerkplaats en alle resterende sleutels
meenemen. Ter voorkoming van diefstal moet
de code van de zoekgeraakte sleutel uit het
systeem worden gewist. Tegelijkertijd
moeten de codesignalen van de resterende
sleutels opnieuw in het systeem worden
geprogrammeerd.
2
De unieke code van de sleutels is bekend bij
de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutels kunnen worden gemaakt.
Er kunnen maximaal zes afstandsbedieningen/sleutels voor één en dezelfde auto
worden geprogrammeerd en gebruikt.
1.
100
Alleen bepaalde markten
Elektronische startblokkering
De sleutels zijn voorzien van gecodeerde
transponderchips. De code in de transponderchips moet overeenkomen met die van de
ontvanger in het contactslot. U kunt de auto
alleen starten, wanneer u een sleutel met de
juiste code gebruikt.
N.B. Het sleutelblad van de hoofdsleutel (1)
moet volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld)
bij het starten van de auto. Anders is het
risico aanwezig dat de startblokkering in
werking treedt en de motor niet kan worden
gestart.
Contactsleutels en elektronische startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met
andere sleutels of metalen voorwerpen aan
dezelfde sleutelbos hangen. Als u dat wel
doet, kan de elektronische startblokkering
per ongeluk worden geactiveerd.
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
1
6
2
5
4
1.
2.
3.
4.
5.
6.
3
Ontgrendelen
Achterklep openen
Paniekfunctie
“Approach”-verlichting
Vergrendelen
Sleutel in-/uitklappen
Functies afstandsbediening
Ontgrendelen
– Druk eenmaal op de knop (1) om alle
portieren, de achterklep en de tankvulklep
te ontgrendelen.
Achterklep
– Druk tweemaal op de knop (2) om alleen
de achterklep te ontgrendelen.
N.B. Bij gebruik van deze knop gaat de
achterklep niet open.
Doe het volgende om de “Approach”verlichting uit te schakelen:
Paniekfunctie
U kunt gebruik maken van de paniekfunctie
om in noodgevallen de aandacht van anderen
te trekken. Als u de rode alarmknop (3) ten
minste drie seconden lang ingedrukt houdt of
tweemaal achtereen indrukt, activeert u de
richtingaanwijzers en de claxon. U schakelt
de paniekfunctie weer uit met een druk op
een willekeurige knop van de afstandsbediening. Als u niets doet, wordt de paniekfunctie na 25 seconden automatisch
uitgeschakeld.
– Druk nogmaals op de gele knop van uw
afstandsbediening.
Vergrendelen
Met knop (5) vergrendelt u alle portieren, de
achterklep en de tankvulklep. Voor de
tankvulklep geldt een vertraging van ca.
10 minuten.
“Approach”-verlichting
Doe het volgende, wanneer u de auto nadert:
Sleutel in-/uitklappen
U kunt de sleutel inklappen door knop (6) in
te drukken, terwijl u het mechanische
gedeelte inklapt.
De ingeklapte sleutel wordt automatisch
uitgeklapt met een druk op de knop.
– Druk op de gele knop (4) van uw
afstandsbediening.
De interieurverlichting, de stadslichten vóór
en verlichting achter, de kentekenplaatverlichting en de lampjes in de buitenspiegels
(optie) gaan branden. Als er een aanhanger
achter de auto hangt, gaat ook de verlichting
van de aanhanger branden. De lampen
blijven 30, 60 of 90 seconden branden. In
een erkende Volvo-werkplaats kunt u een
passende inschakelduur laten instellen.
101
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
– Plaats de afdekking terug. Zorg dat het
afdichtrubber goed zit en intact is, zodat
er geen vocht kan binnendringen.
– Geef de lege batterij af bij uw Volvodealer, zodat de batterij op milieuvriendelijke wijze wordt verwerkt.
Batterij in afstandsbediening
vervangen
Als de sloten niet meer op de gebruikelijke
afstand reageren op signalen van de
afstandsbediening, moet u de batterij
vervangen.
– Haal de afdekking los door deze met een
smalle schroevendraaier aan de
achterkant voorzichtig open te wrikken.
– Vervang de batterij (type CR 2032, 3 V)
en zorg dat de pluspool omhoogwijst.
Kom niet met uw vingers aan de polen
van de batterij of de contactvlakken.
102
Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Automatische vergrendeling
Als u geen van de portieren noch de
achterklep binnen twee minuten na ontgrendeling van de buitenzijde met de afstandsbediening opent, worden alle sloten
automatisch weer vergrendeld. Deze functie
voorkomt dat u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten staan.
Zie pagina 108 voor auto’s met alarm.
Automatische vergrendeling
Auto van de buitenzijde vergrendelen en ontgrendelen
Met de hoofdsleutel of de afstandsbediening
kunt u alle portieren en de achterklep gelijktijdig (van de buitenzijde) vergrendelen of
ontgrendelen. De vergrendelingsknoppen en
de openingshandgrepen zijn dan niet meer
van de binnenzijde te bedienen.
De tankvulklep kan worden geopend,
wanneer de auto onvergrendeld staat. De
tankvulklep blijft 10 minuten lang onvergrendeld staan, nadat u de auto vergrendeld
hebt.
De portieren worden automatisch
vergrendeld wanneer de snelheid van de auto
oploopt tot een waarde hoger dan 7 km/h. De
portieren blijven vergrendeld, totdat er een
portier van de binnenzijde wordt geopend of
met behulp van de knoppen voor centrale
vergrendeling wordt ontgrendeld.
Auto van de binnenzijde vergrendelen en ontgrendelen
Met de schakelaar op het portierpaneel kunt
u alle portieren en de achterklep tegelijkertijd
vergrendelen en ontgrendelen.
U kunt alle portieren ook ieder apart vergrendelen met de vergrendelingsknop en
ontgrendelen met de handgreep.
Het bovenstaande geldt, zolang u de auto
niet van de buitenzijde hebt vergrendeld!
103
Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
– Om de achterklep in een dergelijk geval te
vergrendelen en in het alarm te betrekken
moet u de toets LOCK nogmaals
indrukken.
N.B. Als u van deze toets gebruik maakt om
de achterklep te ontgrendelen zonder de klep
te openen, wordt de klep twee minuten later
automatisch opnieuw vergrendeld.
Safelock-functie1
Bij activering van de zogeheten Safelockfunctie zijn de portieren niet meer van de
binnenzijde te openen, als ze eenmaal
vergrendeld zijn.
Dashboardkastje vergrendelen
U kunt het dashboardkastje alleen met de
hoofdsleutels vergrendelen/ontgrendelen en
dus niet met de servicesleutel.
Achterklep met afstandsbediening vergrendelen/ontgrendelen
Ga als volgt te werk om de achterklep alleen
te ontgrendelen:
– Druk tweemaal binnen 3 seconden
langzaam op de bijbehorende toets van
de afstandsbediening (zie afbeelding).
– Als de achterklep openstond toen u de
overige portieren vergrendelde, blijft de
achterklep ook na sluiting onvergrendeld
en onbewaakt staan. De overige portieren
zijn echter nog steeds vergrendeld en
bewaakt.
De Safelock-functie kan alleen van de buitenzijde worden geactiveerd door het bestuurdersportier met de sleutel of de
afstandsbediening te vergrendelen. Alle
portieren moeten zijn gesloten, voordat u de
Safelock-functie kunt activeren. De portieren
kunnen daarna niet meer van de binnenzijde
worden geopend. De auto kan alleen van de
buitenzijde worden geopend met de sleutel in
het bestuurdersportier of via de afstandsbediening.
De Safelock-functie treedt 25 seconden na
het sluiten van de portieren in werking.
1.
104
Bepaalde landen
Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Als de auto is uitgerust met alarm stelt u ook
de bewegings- en niveausensoren buiten
werking (zie pagina 108).
De LED in de knop licht op en blijft branden,
totdat u de auto met de sleutel of de
afstandsbediening vergrendelt. Er verschijnt
een bericht op het display zolang de sleutel in
het contactslot steekt. De volgende keer dat
u het contact inschakelt, worden de sensoren
weer geactiveerd.
WAARSCHUWING!
Safelock-functie en eventuele
alarmsensoren tijdelijk deactiveren
Laat niemand in de auto zitten zonder op
het moment dat de Safelock-functie
geactiveerd wordt.
Als u de portieren van de buitenzijde wilt
vergrendelen terwijl er iemand in de auto
achterblijft (bijvoorbeeld tijdens de overtocht
met een veerverbinding), kunt u de Safelockfunctie tijdelijk deactiveren. U doet dat als
volgt:
– Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug
naar stand I of 0.
– Druk op de knop (zie afbeelding).
105
Sloten en alarm
Kinderslot
B. Uitgeschakeld kinderslot – de achterportieren kunnen wel van de binnenzijde
worden geopend (naar binnen toe
draaien).
WAARSCHUWING!
Bediening kinderslot, achterklep.
Handmatig kinderslot,
achterportieren en achterklep
De bediening van de kindersloten vindt u
onder op de achterklep1 en achter op de
korte kant van de achterportieren, zodat ze
alleen bereikbaar zijn wanneer de achterklep
of het desbetreffende portier openstaat.
– U bedient het kinderslot op de achterklep
door de knop in een van beide
eindstanden opzij te duwen (gebruik
daarvoor een plat metalen voorwerp zoals
een schroevendraaier):
1.
106
Alleen bepaalde markten
Bedieningscilinder kinderslot, linker en
rechter achterportier.
A.
Ingeschakeld kinderslot – de achterklep
kan niet van de binnenzijde worden
geopend.
B. Uitgeschakeld kinderslot – de
achterklep kan wel van de binnenzijde
worden geopend.
– U bedient het kinderslot op de achterportieren door de cilinder in een van beide
eindstanden te draaien (gebruik daarvoor
een plat metalen voorwerp zoals een
schroevendraaier):
A. Ingeschakeld kinderslot – de achterportieren kunnen niet van de binnenzijde
worden geopend (naar buiten toe
draaien).
Let erop dat de achterpassagiers bij een
ongeluk de achterportieren niet van de
binnenzijde kunnen openen, als u het
kinderslot hebt geactiveerd.
Houd de vergrendelingsknoppen van de
portieren daarom omhoog tijdens het
rijden. Bij een ongeluk kunnen hulpverleners de portieren dan van de buitenzijde
openen.
Sloten en alarm
Kinderslot
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontroleerd. Het alarm gaat af, als:
•
•
•
•
•
•
Elektrisch kinderslot, achterportieren (optie op bepaalde
markten)
•
•
de motorkap wordt geopend;
de achterklep wordt geopend;
een van de zijportieren wordt geopend;
het contactslot wordt omgedraaid met
een verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd;
er een beweging in het passagierscompartiment wordt waargenomen;
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor (optie));
de accukabel wordt ontkoppeld;
iemand de sirene probeert los te
koppelen.
Gebruik de knop op de middenconsole om
het kinderslot op de achterportieren in of uit
te schakelen. Het contactslot moet daarbij in
stand I of II staan. De LED in de knop brandt
om aan te geven dat het kindersloten is
ingeschakeld. Er verschijnt tevens een
melding op het display, wanneer u het
kinderslot in- of uitschakelt.
N.B. Zolang het elektrisch kinderslot is
ingeschakeld, kunnen de achterportieren niet
van de binnenzijde worden geopend.
107
Sloten en alarm
Alarm (optie)
Alarm inschakelen
Druk op de toets LOCK van de afstandsbediening. De richtingaanwijzers van de auto
geven een lang lichtsignaal af ter bevestiging
dat het alarm is ingeschakeld en dat alle
portieren zijn gesloten.
Uitschakelen van geactiveerd
alarm
Alarm uitschakelen
Om het alarm uit te schakelen wanneer het
eenmaal is afgegaan, moet u op de knop
UNLOCK van de afstandsbediening drukken.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
Druk op de toets UNLOCK van de afstandsbediening. De richtingaanwijzers van de auto
geven twee korte lichtsignalen af ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld.
Alarmsignalen
Een sirene met reservebatterij geeft de
geluidssignalen voor het alarm af. De geluidssignalen duren telkens 25 seconden.
Automatische inschakeling van
het alarm
Wanneer het alarm afgaat, gaan alle richtingaanwijzers 5 minuten lang knipperen of
korter wanneer u het alarm volgens de bovenstaande aanwijzingen eerder uitschakelt.
Als u de portieren of de achterklep niet
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent nadat u de auto via de afstandsbediening hebt ontgrendeld, wordt het alarm
automatisch weer ingeschakeld. De auto
wordt bovendien vergrendeld. Deze functie
voorkomt dat u de auto onbedoeld kunt
achterlaten zonder het alarm in te schakelen.
Automatische activering van het alarm
In bepaalde landen (zoals in België, Israël
e.d.) wordt het alarm na enige vertraging
automatisch ingeschakeld, wanneer het
bestuurdersportier werd geopend en
gesloten maar daarna niet werd vergrendeld.
108
Alarmsensoren en Safelockfunctie tijdelijk deactiveren
Om te voorkomen dat het alarm afgaat
wanneer u bijvoorbeeld een hond in de auto
achterlaat of gebruik maakt van een veerboot,
kunt u de bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk uitschakelen en wel als volgt:
– Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug
naar stand I of 0.
– Druk op de knop.
De LED in de knop licht op en blijft branden,
totdat u de auto met de sleutel of de
afstandsbediening vergrendelt.
Sloten en alarm
Alarm (optie)
Als het alarmsysteem niet goed werkt, moet u
de auto in een erkende Volvo-werkplaats
laten nakijken.
Er verschijnt een bericht op het display
zolang de sleutel in het contactslot steekt. De
volgende keer dat u het contact inschakelt,
worden de sensoren weer geactiveerd.
BELANGRIJK!
Als uw auto is uitgerust met de zogeheten
Safelock-functie, wordt ook deze functie
tegelijkertijd geactiveerd (zie pagina
pagina 104).
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen in het alarmsysteem uit. Dergelijke
ingrepen kunnen van invloed zijn op de
verzekeringsvoorwaarden.
Alarmdiode op dashboard
Een alarmdiode boven op het dashboard (zie
afbeelding) geeft de status van het alarmsysteem aan:
• Het lampje brandt niet: Het alarm is uitgeschakeld.
• Het lampje licht eenmaal per twee
seconden op: Het alarm is ingeschakeld.
• Het lampje knippert snel vanaf het
moment van uitschakelen van het alarm
tot het moment van inschakelen van het
contact: Het alarm is afgegaan.
• Als er een storing is opgetreden in het
alarmsysteem, verschijnt er een displaymelding.
109
Sloten en alarm
110
Starten en rijden
Algemene informatie
Brandstof tanken
Motor starten
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Vierwielaandrijving
Remsysteem
Stabiliteitssysteem
Parkeerhulp (optie)
Slepen en bergen
Starten met hulpaccu
Rijden met een aanhanger
Afneembare trekhaak – monteren
Afneembare trekhaak – demonteren
Lading vervoeren
Lichtbundel aanpassen
BLIS, Blind Spot Information System – (optie)
112
114
115
117
118
121
122
124
125
127
129
130
134
136
138
140
143
111
Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de heersende verkeerssituatie.
versnellingsbak. Aarzel daarom niet om onder
gecontroleerde omstandigheden (zoals op
een slipbaan) te testen hoe de auto bij
gladheid reageert.
bij het beklimmen van een buitengewoon
steile helling voor dat de brandstoftank voor
meer dan de helft gevuld is, om motoruitval te
voorkomen.
Let op het volgende:
Op oneffen wegen rijden
Doorwaaddiepte
• Laat de motor zo spoedig mogelijk op
bedrijfstemperatuur komen! D.w.z. dat u
de motor niet stationair moet laten lopen,
maar zo spoedig mogelijk moet wegrijden
en de motor licht moet belasten.
• Een koude motor verbruikt meer
brandstof dan een warme.
• Laat de auto zoveel mogelijk staan voor
de kortere ritten, waarbij de motor niet op
temperatuur komt.
• Rijd rustig! Vermijd onnodig snel
optrekken en krachtig remmen.
• Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
• Gebruik geen winterbanden op sneeuwvrije en droge wegen.
• Verwijder de lastdrager, wanneer u deze
niet meer nodig hebt.
• Open de zijruiten niet onnodig.
Hoewel de Volvo XC90 voornamelijk geconstrueerd is voor het gebruik op verharde
wegen, biedt de auto ook goede eigenschappen op onverharde en slecht onderhouden wegen. De auto gaat desondanks
langer mee als u op het volgende let:
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 48 cm diep rijden.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Het rijgedrag van de auto varieert afhankelijk
van de vraag of uw auto is uitgerust met een
handgeschakelde of een automatische
112
• Rijd langzaam als het wegdek oneffen is
om schade aan het onderstel van de auto
te voorkomen.
• Als de ondergrond rul is of uit droog zand
of sneeuw bestaat, verdient het altijd de
voorkeur om de auto in beweging te
houden en overschakelen te voorkomen.
Breng de auto nooit tot stilstand.
• Als de weg buitengewoon steil is zodat
het gevaar bestaat dat de auto kantelt,
moet u de auto nooit op de helling
proberen te keren maar achteruit terugrijden. Rijd nooit schuin maar altijd recht
een helling op en af.
N.B. Rijd bij voorkeur geen steile helling op
of af, wanneer het brandstofniveau laag is. De
katalysator kan beschadigd raken, als de
motor onvoldoende brandstof krijgt. Zorg er
N.B. Bij diepere waterpartijen kan er water in
de differentieelklokken en de transmissie
dringen. De smerende eigenschappen van
de olie nemen daarbij af, waardoor deze
systemen minder lang meegaan.
Houd een lage snelheid aan tijdens het
waden en breng de auto niet in het water tot
stilstand. Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en
vuil op de remblokken kunnen er vertragingen
in de remwerking optreden.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling
schoon na ritten in water en modder.
N.B. Laat de auto niet langdurig in water
staan dat tot boven de dorpelbalken komt om
elektrische storingen te voorkomen.
Starten en rijden
Algemene informatie
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten
de accu in verschillende mate. Laat de
contactsleutel niet te lang achtereen in
stand II staan, als u de motor hebt afgezet.
Gebruik liever stand I. Op die manier wordt er
minder stroom afgenomen. De 12 Vaansluiting in de bagageruimte levert ook
spanning als u de contactsleutel hebt uitgenomen.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
• interieurventilator
• ruitenwissers
• audiosysteem
• stadslichten.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Maak
daarom geen gebruik van functies die veel
stroom afnemen, wanneer u de motor hebt
afgezet. Als de accuspanning laag is,
verschijnt er een bericht op het display. Het
bericht blijft op het display staan, totdat de
motor is aangeslagen. De energiebesparingsfunctie schakelt bepaalde onderdelen/
systemen uit of verlaagt de belasting van de
accu door bijvoorbeeld de ventilatorsnelheid
of het volume van het audiosysteem te
verlagen.
Voorkom oververhitting van de
motor en het koelsysteem
Rijd niet met een geopende
achterklep!
In speciale omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een
zware lading, bestaat het gevaar dat de motor
en het koelsysteem oververhit raken. Dit geldt
in het bijzonder bij warm weer.
Wanneer u met de achterklep open rijdt,
kunnen er uitlaatgassen en daarmee giftig
koolmonoxide via de bagageruimte de passagiersruimte in worden gezogen. Als u echter
toch een stukje met een geopende
achterklep moet rijden, doe dan het
volgende:
Om oververhitting van het koelsysteem
te voorkomen
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange, steile helling oprijdt.
• Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd
stationair laten lopen.
• Verwijder verstralers die voor de grille
zitten, als u bij extreem warm weer rijdt.
Om oververhitting van de motor te
voorkomen
Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (dieselmotor:
3500 omw/min), wanneer u met een
aanhanger of caravan achter de auto in
heuvelachtig gebied rijdt. Anders kan de
olietemperatuur te hoog oplopen.
• Doe alle ruiten dicht.
• Stuur de lucht naar de voorruit en de vloer
en laat de ventilator op de hoogste
snelheid draaien.
U laadt de accu op door de motor te starten.
113
Starten en rijden
Brandstof tanken
de tank. Laat het vulpistool bij voorkeur niet
meer dan eenmaal automatisch afslaan! Als
de brandstoftank te vol zit, kan het zijn dat de
tank bij hoge buitentemperaturen overloopt!
Breng na het tanken de tankvuldop weer aan
en draai deze zover dicht dat u één of meer
klikken hoort.
WAARSCHUWING!
De tankvuldop vindt u achter de tankvulklep
in het spatbord rechtsachter. De dop is op te
hangen aan de binnenzijde van de
tankvulklep.
Tankvulklep openen
De tankvulklep kan worden geopend,
wanneer de auto onvergrendeld staat.
N.B. De tankvulklep blijft tien minuten lang
onvergrendeld staan, nadat u de auto
vergrendeld hebt. De tankvulklep wordt
daarna automatisch vergrendeld.
Tankdop
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankvuldop dan
langzaam open. Tank niet te veel brandstof in
114
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. Het belsignaal kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de
brandstofdampen ontsteken met gevaar
voor brand en verwondingen.
Benzine tanken
N.B. Voeg nooit op eigen initiatief reinigende
additieven (dopes) aan de benzine toe
zonder het uitdrukkelijke advies van een
Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK!
Giet benzinemodellen altijd met loodvrije
benzine vol om te voorkomen dat de
katalysator beschadigd raakt.
Dieselolie tanken
Bij lage temperaturen (–5 °C tot –40 °C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat
tot startproblemen kan leiden. Zorg er
daarom voor dat u tijdens de wintermaanden
speciale winterbrandstof gebruikt.
Starten en rijden
Motor starten
U start de motor als volgt
(benzine)
– Trap op het parkeerrempedaal.
– Automatische versnellingsbak: Zet de
keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak: Zet de
versnellingspook in de neutraalstand en
trap het koppelingspedaal volledig in. Dit
is vooral van belang bij strenge vorst.
N.B. Het sleutelblad van de hoofdsleutel
moet volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld
op pagina 100) bij het starten van de auto.
Anders is het risico aanwezig dat de startblokkering in werking treedt en de motor niet
kan worden gestart.
– Draai de contactsleutel naar de startstand. Als de motor niet binnen 5–10
seconden aanslaat, moet u de sleutel
loslaten (zie ook “Automatisch starten” op
pagina 116) en een nieuwe startpoging
doen.
N.B. Tijdens de koude start is het mogelijk
dat het motortoerental merkbaar hoger is dan
normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat er naar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de
uitstoot te beperken van stoffen die
schadelijk zijn voor het milieu.
U start de motor als volgt
(diesel)
– Trap op het parkeerrempedaal.
– Automatische versnellingsbak: Zet de
keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak: Zet de
versnellingspook in de neutraalstand en
trap het koppelingspedaal volledig in. Dit
is vooral van belang bij strenge vorst.
N.B. Het sleutelblad van de hoofdsleutel
moet volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld
op pagina 100) bij het starten van de auto.
Anders is het risico aanwezig dat de startblokkering in werking treedt en de motor niet
kan worden gestart.
– Draai de contactsleutel naar de rijstand.
Een controlelampje op het instrumentenpaneel licht op om aan te geven dat de
voorgloeifunctie van de motor actief is.
Draai de sleutel naar de startstand,
wanneer het controlelampje is gedoofd.
Roetfilter dieselmodel (bepaalde
modellen)
Bepaalde dieselmodellen zijn uitgerust met
een roetfilter, waardoor de uitlaatgasreiniging
nog efficiënter verloopt. Wanneer de motor
op bedrijfstemperatuur komt (de motor is
warmgelopen), vindt automatisch een
zogeheten regeneratie van het filter plaats.
Dit houdt in dat de roetdeeltjes die door het
filter zijn opgevangen worden weggebrand
en dat het filter wordt geleegd.
De regeneratie neemt 10 tot 15 minuten in
beslag. Tijdens de regeneratie kan het brandstofverbruik iets stijgen.
Gebruik tijdens de wintermaanden
Als u vaak korte ritten met de auto maakt bij
koud weer, bereikt de motor de normale
bedrijfstemperatuur niet. Dit betekent dat er
geen regeneratie van het roetfilter plaatsvindt
en dat het filter niet wordt geleegd.
Wanneer het filter voor ca. 80 % gevuld is
met roetdeeltjes, gaat een oranje waarschuwingsdriehoek op het instrumenten paneel
branden. Ook de melding “ROETFILTER
VOL ZIE HANDLEIDING” verschijnt op het
display.
Om te voorkomen dat het roetfilter minder
goed functioneert door frequente korte ritten
bij koud weer, moet u het filter regelmatig
regenereren.
• U start de regeneratie van het filter door
met de auto op een landweg of op een
snelweg te rijden tot de motor voldoende
op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt
u nog ca. 20 minuten verder.
• Na afloop van de regeneratie kunt u de
waarschuwingsmelding van het display
wissen door het contact uit te zetten, de
contactsleutel uit te nemen, minstens drie
minuten te wachten en het contact
vervolgens weer aan te zetten.
• Wanneer u bij koud weer de standverwarming (optie) inschakelt, bereikt de
motor sneller de normale bedrijfstemperatuur.
115
Starten en rijden
Motor starten
BELANGRIJK!
Als het filter helemaal volzit met
roetdeeltjes kan de motor startproblemen
vertonen en heeft het filter geen functie
meer. U moet het filter dan vervangen.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met
andere sleutels of metalen voorwerpen aan
dezelfde sleutel bos hangen. Als u dat wel
doet, kan de elektronische startblokkering
per ongeluk worden geactiveerd. Als dat
gebeurt, moet u de andere sleutels van de
sleutelbos halen en de motor opnieuw
starten.
Laat de motor meteen na een koude start
nooit op te hoge toeren draaien! Neem
contact op met een Volvo-werkplaats, als de
motor niet aanslaat of overslaat.
WAARSCHUWING!
Schakel nooit tijdens het rijden het
contact uit (sleutel in stand 0 of 1) en
neem de contactsleutel evenmin uit het
contactslot. U loopt dan het gevaar dat
het stuurslot wordt geactiveerd, waarbij
de auto onbestuurbaar wordt.
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
contactsleutel uit het contactslot. Dit geldt
in het bijzonder wanneer er kinderen in de
auto achterblijven.
116
Contact- en stuurslot
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de
sleutel uitneemt.
I – Tussenstand,
“radiostand”
Sommige onderdelen van
het elektrisch systeem
kunnen worden
ingeschakeld. Het elektrisch
systeem van de motor is echter uitgeschakeld.
II – Rijstand
De stand waarin de contactsleutel tijdens het rijden
staat. Het complete
elektrisch systeem van de
auto is ingeschakeld.
III – Startstand
De startmotor wordt
ingeschakeld. Wanneer u
nadat de motor is aangeslagen de sleutel loslaat,
veert deze automatisch
terug in de rijstand. Als het u moeite kost om
de sleutel om te draaien, kan het zijn dat de
stand van de voorwielen voor spanningen in
het stuurslot zorgt. Draai de contactsleutel in
dat geval om, terwijl u het stuurwiel heen en
weer draait.
Automatisch starten (V8 met AWD)
Met de functie Automatisch starten hoeft i de
contactsleutel niet langer in de startstand
(stand III) vast te houden totdat de motor is
aangeslagen. Draai de contactsleutel naar de
startstand en laat de sleutel weer los. De
startmotor blijft vervolgens automatisch (tot
tien seconden lang) draaien totdat de motor
is aangeslagen.
N.B. Zorg dat het stuurwiel geblokkeerd is,
wanneer u de auto verlaat. Zo beperkt u de
kans op diefstal.
Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelstanden
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw
voet na het schakelen weer van het koppelingspedaal af! Houd u aan het aangegeven
schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden moet u zoveel mogelijk gebruik
maken van de 6de versnelling.
Blokkering achteruitversnelling
Schakel de achteruitversnelling alleen in,
wanneer de auto stilstaat.
117
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Koude start
Beveiligingssystemen
Als u bij koud weer wegrijdt, kan het zijn dat
het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt
omdat de versnellingsbakolie bij lagere
temperaturen stroperiger wordt. Om de
uitstoot van uitlaatgassen te beperken
schakelt de versnellingsbak later op dan
normaal, wanneer u bij lage temperaturen
wegrijdt.
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveiligingssystemen:
Turbomotor
Wanneer u met een koude motor wegrijdt,
schakelt de versnellingsbak bij een hoger
toerental op dan normaal. Zo komt de katalysator sneller op temperatuur met minder
uitstoot van uitlaatgassen.
Adaptief systeem
De versnellingsbak wordt afgeregeld aan de
hand van een zogeheten adaptief schakelsysteem dat voortdurend “leert” hoe de
versnellingsbak zich gedraagt. Het systeem
registreert de manier waarop de versnellingsbak schakelt, zodat er in elke situatie
optimaal wordt geschakeld.
Lock-up
De versnellingen zijn voorzien van Lock-Up
(geblokkeerde versnellingen) om beter op de
motor te kunnen afremmen en het brandstofverbruik te verlagen.
118
Sleutelblokkering, Keylock
De keuzehendel moet in stand P staan om de
contactsleutel te kunnen uitnemen. In alle
andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Parkeerstand (stand P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
– Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
Parkeerstand (stand P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet de contactsleutel in stand I of II
staan en moet het rempedaal worden
bediend.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot
voorbij de normale volgasstand), schakelt de
versnellingsbak automatisch terug naar een
lagere versnelling. Dit is de zogeheten
kickdown.
Wanneer de maximale snelheid voor de
ingeschakelde versnelling is bereikt of
wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Om overtoeren te voorkomen is het stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien van
een terugschakelblokkering.
U kunt de kickdown niet gebruiken
zolang de keuzehendel in een van de
handmatige schakelstanden staat. Zet
de keuzehendel in dat geval eerst terug
in de automatische schakelstand D.
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
P – Parkeerstand
N – Neutraalstand
Keuzehendelblokkering
Zet de keuzehendel in de parkeerstand,
wanneer u de motor start of de auto parkeert.
Stand N is de neutraalstand. In deze stand
kunt u de motor starten, maar er is geen
versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem
aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
U kunt de keuzehendel altijd ongehinderd
heen en weer halen tussen de stand N en D1.
Om de hendel in een van de overige standen
te zetten, moet u een blokkering opheffen
door op de blokkeerknop op de keuzehendel
te drukken.
Zet de keuzehendel alleen in stand P,
wanneer de auto stilstaat!
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Zet na het parkeren altijd de
parkeerrem aan!
R – Achteruitrijstand
Zet de keuzehendel alleen in stand R,
wanneer de auto stilstaat!
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal
en de snelheid. Zorg dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand R in
stand D zet.
Wanneer u de blokkeerknop indrukt, kunt u
de hendel vooruit of achteruit bewegen
tussen de standen N, R en P.
1.
Bij modellen met een 4-traps automatische versnellingsbak moet u de
blokkeerknop op de keuzehendel
indrukken.
119
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Handmatige schakelstanden
keuzehendel
Handmatige schakelstanden
Als u vanuit de automatische schakelstand D
wilt overgaan op de handmatige schakelstand, moet u de hendel naar links halen. Om
vanuit stand MAN over te gaan op de
automatische schakelstand D moet u de
hendel naar rechts in stand D zetten.
Bij de viertraps automatische versnellingsbak
zijn de 3de en 4de1 versnelling voorzien van
Lock-up (geblokkeerde versnellingen) om
beter op de motor te kunnen afremmen en
het brandstofverbruik te verlagen.
Tijdens het rijden
Tijdens het rijden is het altijd mogelijk voor de
handmatige schakelstanden te kiezen. De
ingeschakelde versnelling is geblokkeerd,
zolang u geen andere versnelling kiest. De
versnellingsbak schakelt alleen terug, als u
uw vaart drastisch mindert.
Als u de keuzehendel naar de min (–) haalt,
schakelt de versnellingsbak één versnelling
terug en wordt er op de motor afgeremd. Als
u de keuzehendel naar de plus (+) haalt,
1.
120
Bij een vijftraps automatische versnellingsbak is ook de 5de versnelling
voorzien van Lock-up.
Bij de zestraps automatische versnellingsbak zijn ook de 2de en 6de
versnelling voorzien van Lock-up.
schakelt de versnellingsbak één versnelling
op.
De 3de versnelling is de hoogste versnelling
die u bij het wegrijden kunt inschakelen.
W – Winter
Met de knop W bij de keuzehendel schakelt u het winterprogramma W in of uit. Bij
inschakeling van het winterprogramma licht het lampje
W op het instrumentenpaneel op.
In het winterprogramma geldt de 3de
versnelling als wegrijversnelling om bij
gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen. In het winterprogramma worden de
lagere versnellingen alleen bij kickdown
ingeschakeld.
Het winterprogramma W is alleen te selecteren met de keuzehendel in stand D.
Starten en rijden
Vierwielaandrijving
Vierwielaandrijving, AWD (All
Wheel Drive)
De vierwielaandrijving is permanent
ingeschakeld.
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de
wielen van de auto tegelijk aangedreven. Het
motorkoppel wordt automatisch over de
voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt
het vermogen over het wielpaar dat op dat
moment de beste grip op het wegdek heeft.
Dit om optimale wegligging te verkrijgen en te
voorkomen dat de wielen doorslippen.
Bij normaal rijden worden de voorwielen naar
verhouding iets sterker aangedreven dan de
achterwielen.
Vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid
tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
121
Starten en rijden
Remsysteem
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een
uitgeschakelde motor, moet u
ongeveer vijfmaal zoveel druk uitoefenen op
het rempedaal als wanneer de motor loopt.
Als u bij het starten van de motor op het
rempedaal trapt, kan het rempedaal iets
omlaagkomen. Dit is volkomen normaal
omdat de rembekrachtiging geactiveerd
wordt. Bij een auto met EBA (Emergency
Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te
merken zijn.
N.B. Als geremd moet worden met een uitgeschakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal - dus niet pompen.
WAARSCHUWING!
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
Remkringen
Het nevenstaande lampje licht op,
wanneer er een remkring defect is.
Als er een storing in een van de
remkringen optreedt, is remmen nog steeds
mogelijk. U moet het rempedaal echter verder
intrappen en het pedaal kan minder stug
aanvoelen. U moet harder op het pedaal
122
trappen om de normale remkracht te
verkrijgen.
even goed gekoeld als bij snelle ritten op
vlakke wegen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval,
in waterplassen of tijdens een wasbeurt)
worden de onderdelen van het remsysteem
nat. Daardoor kunnen de wrijvingseigenschappen van de remblokken gewijzigd
worden, zodat u een bepaalde verlenging van
de aanspreekduur van de remmen kunt
merken.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugschakelen dan het rempedaal gebruiken. Gebruik
dezelfde versnelling die u zou gebruiken
wanneer u een helling oprijdt. Op die manier
kunt u beter op de motor afremmen en hoeft
u de rem slechts korte tijd te gebruiken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de
remblokken waardoor het vocht verdampt.
Deze procedure is ook aan te raden voordat
u de auto voor langere tijd in dergelijke
weersomstandigheden parkeert.
Als de remmen zwaar belast
worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met
vergelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als
u niet bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandigheden vaak laag is, worden de remmen niet
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
Antiblokkeerremsysteem (ABS)
Het ABS (Anti-lock Braking System)
voorkomt dat de wielen tijdens het
remmen geblokkeerd raken.
Zo blijft de auto bestuurbaar,
waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is om
obstakels te ontwijken.
Wanneer u na het starten van de motor
wegrijdt en een snelheid van ca. 20 km/h
hebt bereikt, gaat er een korte zelftest van het
ABS van start. Dit kunt u zowel horen als
voelen aan de pulsaties in het rempedaal.
Om het ABS maximaal te benutten:
• Trap zo hard mogelijk op het rempedaal
(er zijn pulsaties voelbaar).
• Stuur de auto in de rijrichting en blijf druk
op het rempedaal uitoefenen.
Starten en rijden
Remsysteem
Aarzel niet om op een terrein zonder verkeer
te testen hoe het ABS in verschillende weersomstandigheden reageert.
Het ABS-lampje licht op en blijft ca. twee
seconden lang branden tijdens de start als
het ABS door een storing werd uitgeschakeld.
Elektronische remkrachtverdeling, EBD
Het EBD-systeem (Electronic Brakeforce
Distribution) vormt een geïntegreerd
onderdeel van het ABS-systeem. Het EBDsysteem regelt de remkracht op de achterwielen altijd dusdanig af dat de maximale
remwerking wordt verkregen. Wanneer het
systeem de remkracht afregelt, treden er
merkbare pulsaties in het rempedaal op.
WAARSCHUWING!
Als de waarschuwingslampjes voor het
REMSYSTEEM en het ABS tegelijkertijd
oplichten, kan er een storing zijn
opgetreden in het remsysteem. Als het
remvloeistofpeil in dat geval in orde is,
moet u de auto voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats
rijden om het remsysteem te laten controleren.
Als de remvloeistof onder het MINstreepje van het reservoir staat, mag u niet
verder rijden voordat u remvloeistof hebt
bijgevuld. Controleer tevens de oorzaak
van het remvloeistofverlies.
Remkrachtverhoging, EBA
(Emergency Brake Assistance) Het EBA is
dusdanig geconstrueerd dat u, wanneer u
krachtig moet remmen, altijd meteen het
maximale remvermogen kunt afnemen. Het
systeem registreert het moment waarop u
krachtig wilt afremmen door de snelheid te
meten waarmee u op het rempedaal trapt.
Blijf remmen zonder het rem pedaal los te
laten. Het systeem wordt uitgeschakeld,
wanneer u het rempedaal loslaat. Het
systeem is altijd actief. U kunt het dan ook
niet uitschakelen.
123
Starten en rijden
Stabiliteitssysteem
Wanneer het stabiliteitssysteem actief is, kan
het lijken alsof de auto niet normaal reageert
op de stand van het gaspedaal. Dit komt
doordat het systeem de grip op het wegdek
registreert en de verschillende deelsystemen
van het stabiliteitssysteem inschakelt.
De auto is uitgerust met STC (Stability and
Traction Control), stabiliteits- en tractieregelsysteem of met DSTC (Dynamic Stability and
Traction Control), dynamisch stabiliteits- en
tractieregelsysteem.
Functie/
systeem
TC
SC
AYC
STC
X
X
DSTC1
X
X
X
1. Optie op bepaalde markten.
Tractieregeling, Traction Control (TC)
De tractieregeling brengt de aandrijfkracht
van een slippend aandrijfwiel over op een
aandrijfwiel dat niet slipt. Om de aandrijfkracht in een dergelijke situatie te verhogen,
kan het zijn dat u het gaspedaal verder dan
normaal moet intrappen. Wanneer de tractieregeling actief is, kunt u een pulserend geluid
horen. Dit is volkomen normaal. De tractieregeling is voornamelijk actief op lage
snelheden. U kunt de functie niet uitschakelen.
124
Antispinregeling, Spin Control (SC)
De antispinregeling voorkomt dat de aangedreven wielen tijdens het optrekken
doorslippen. De regeling verhoogt de
veiligheid op gladde wegen. Bij het rijden met
sneeuwkettingen of bij het rijden in een diepe
laag sneeuw of zand, kan het handig zijn om
de antispinregeling uit te schakelen om zo de
tractie te verhogen. U kunt de regeling
uitschakelen met de knop voor STC/DSTC.
Antislipregeling, Active Yaw Control
(AYC)
De antislipregeling zorgt ervoor dat één of
meer wielen van de auto automatisch worden
geremd om de auto te stabiliseren als deze in
de slip dreigt te raken. Het rempedaal doet
stugger aan dan normaal en u hoort een
pulserend geluid.
De antislipregeling is altijd actief. U kunt de
regeling dan ook niet uitschakelen.
WAARSCHUWING!
Bij een beperking van de functionaliteit
van het STC- of DSTC-systeem kunnen
de rijeigenschappen van de auto zich
wijzigen. Wees altijd voorzichtig in
bochten en op gladde wegen.
Starten en rijden
Parkeerhulp (optie)
geluidssignalen beurtelings uit de
luidsprekers voor- en achterin.
Wanneer u ondertussen naar een andere
geluidsbron van het audiosysteem luistert,
wordt het volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Het systeem is altijd actief bij het starten van
de motor.
WAARSCHUWING!
Parkeerhulp voor- en achterzijde
Algemene informatie
De parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel
tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven
de afstand tot een waargenomen obstakel
aan.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor1 de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het
geluidssignaal uit een ononderbroken toon.
Als er zowel voor als achter1 auto obstakels
binnen deze afstand liggen, komen de
1.
Hoewel de parkeerhulp handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig
bij eventuele fouten.
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de sensoren zitten, zal het systeem ze
niet kunnen ontdekken. Houd kinderen en
dieren in de buurt van de auto in de gaten.
Parkeerhulp achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht
achter de auto. De melding PARK.HULP
ACTIEF verschijnt op het audiodisplay,
wanneer u de achteruitversnelling inschakelt.
Bij gebruik van een aanhanger of een fietsdrager op de trekhaak moet u het systeem
uitschakelen. Als u dat niet doet, reageren de
sensoren op de aanhanger/fietsdrager.
De parkeerhulp wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter
de auto hebt hangen die met een originele
aanhangerkabel van Volvo aangesloten is.
Parkeerhulp voorzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De melding PARK.HULP ACTIEF
verschijnt op het audiodisplay, wanneer de
sensoren op een obstakel voor de auto
reageren.
Het is niet mogelijk de parkeerhulp te combineren met verstralers, omdat de sensoren op
de verstralers reageren.
Op voorwaarde dat er aan voor- en
achterzijde sensoren voor
parkeerhulp zijn aangebracht.
125
Starten en rijden
Parkeerhulp (optie)
de achteruitversnelling. De geluidssignalen
komen uit de luidspreker achterin.
Aanduiding voor systeemstoringen
Het informatielampje brandt
continu
PARK.HULP SERVICE VEREIST
verschijnt op het informatiedisplay in
het midden van het instrumentenpaneel.
Parkeerhulp uitschakelen/
opnieuw inschakelen
U kunt de parkeerhulp uitschakelen met de
knop op het schakelaarpaneel, waarna de
LED in de schakelaar dooft. De parkeerhulp
is weer actief, wanneer u nogmaals op de
schakelaar drukt en de LED brandt.
Parkeerhulp voorzijde
De parkeerhulpsensor aan voorzijde is actief
bij snelheden tot 15 km/h, ook tijdens het
achteruitrijden. De geluidssignaal komen uit
de luidspreker voorin.
Parkeerhulp achterzijde
De parkeerhulpsensoren aan de achterzijde
worden geactiveerd bij het inschakelen van
126
Sensoren voor parkeerhulp
Sensoren schoonmaken
De sensoren werken alleen naar behoren,
wanneer u ze regelmatig schoonmaakt.
Reinig ze met water en autoshampoo.
De sensoren kunnen reageren op een laag
sneeuw en ijs.
BELANGRIJK!
In bepaalde omstandigheden kan het
parkeerhulpsysteem vals alarm geven
doordat externe geluidsbronnen dezelfde
ultrasone geluidsfrequenties afgeven als
die waar het systeem mee werkt.
Voorbeelden daarvan zijn onder meer
claxons, natte banden op asfalt, luchtdrukremmen, uitlaten van motorfietsen.
Het fenomeen is geen teken van een
storing in het systeem.
Starten en rijden
Slepen en bergen
Motor niet op gang slepen
Als u de motor van een auto met een handgeschakelde versnellingsbak op gang probeert
te slepen, kan de katalysator beschadigd
raken. Auto’s met een automatische versnellingsbak kunt u niet op gang slepen. Als de
accu leeg is, moet u een opgeladen hulpaccu
gebruiken.
• Sleep de auto alleen vooruit weg.
• Het is niet mogelijk de motor op gang te
slepen. Zie pagina 129 voor “Starten met
hulpaccu”.
Als de auto gesleept moet
worden
• Zorg ervoor dat de contactsleutel in stand
I staat, zodat het stuurslot niet werkt en
de auto bestuurbaar is.
• Let erop dat u de maximaal toegestane
snelheid aanhoudt.
• Let erop dat de rem- en stuurbekrachtiging niet werken, als u de motor hebt
afgezet. U moet ongeveer vijfmaal harder
op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
• Rijd rustig. Houd de sleepkabel
gespannen om schokkende bewegingen
te voorkomen.
Modellen met een automatische
versnellingsbak
• Zorg dat de keuzehendel in stand N staat.
• De maximaal toelaatbare snelheid voor
auto’s met een automatische versnellingsbak bedraagt 80 km/h.
127
Starten en rijden
Slepen en bergen
Sleepoog
Het sleepoog vindt u in de gereedschapstas
in de bagageruimte. Schroef het sleepoog op
zijn plaats vóór het slepen. De uitsparing en
afdekking voor het sleepoog vindt u aan de
rechterzijde van de voor- en achterbumper.
Ga als volgt te werk om een afdekking te
verwijderen:
A.
Haal de onderkant van de afdekking los
met een muntstuk.
B. Schroef het sleepoog tot aan de flens
vast (C). Maak bij voorkeur gebruik van
de wielsleutel.
128
Draai het sleepoog na gebruik los en plaats
de afdekking terug.
Het sleepoog is alleen te gebruiken voor het
slepen over de weg en niet geschikt voor
berging, wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden. Voor bergingswerkzaamheden moet u professionele hulp inroepen.
Starten en rijden
Starten met hulpaccu
4
3
2
1
Starten met een hulpaccu
Als de accu om wat voor reden dan ook
ontladen is, kunt u stroom “ lenen ” van een
losse reserveaccu of van een accu in een
andere auto om op die manier de motor te
starten. Controleer altijd of de accuklemmen
goed vastzitten en of er geen vonken
ontstaan tijdens de startpogingen.
Om explosiegevaar te voorkomen adviseren
wij u de volgende aanwijzingen nauwkeurig
op te volgen:
– Sluit de rode kabel aan tussen de
pluspool van de hulpaccu (1+) en de
rode aansluiting in de motorruimte van uw
auto (2+).
Bevestig de klem aan het contactpunt dat
onder een zwart luikje met een plusteken
erop zit. Het luikje vormt een geheel met
het deksel van het zekeringenkastje.
– Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
op de minpool (3–) van de hulpaccu.
– Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op een van de hijsogen van de motor
(4–) in uw auto.
– Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een
toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
– Start de motor van de auto met de lege
accu.
– Verwijder de kabels in omgekeerde
volgorde.
N.B. Kom niet aan de klemmen tijdens de
startpoging (gevaar voor vonkvorming).
WAARSCHUWING!
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot
ontploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur, wat
ernstige verwondingen door etsing kan
veroorzaken. Als u accuzuur in uw ogen
krijgt of op uw huid of kleren morst, moet
u onmiddellijk met grote hoeveelheden
water spoelen. Neem onmiddellijk contact
op met een arts, als u accuzuur in uw ogen
krijgt.
– Draai de contactsleutel naar stand 0.
– Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 volt levert.
– Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van deze auto
afzetten en zorgen dat de twee auto’s
elkaar niet kunnen raken.
129
Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals een trekhaak (een kogeldruk van 75 kg
bij een aangekoppelde aanhanger),
lastdragers, skibox e.d. plus het totaalgewicht van de inzittenden. Het laadvermogen
van de auto moet worden verminderd met het
gewicht van het aantal inzittenden.
WAARSCHUWING!
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er
wijzigingen in de rijeigenschappen op.
• De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
• Als u een model met trekhaak bij Volvo
hebt besteld wordt de auto compleet
aangeleverd met de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een
aanhanger. Bij montage achteraf moet u
contact opnemen met uw Volvo-dealer
om te controleren of uw auto van de
nodige uitrusting is voorzien om met een
aanhanger te kunnen rijden.
• Verdeel de lading in de aanhanger
dusdanig dat de druk op de trekhaak de
maximale kogeldruk niet overschrijdt.
• Verhoog de bandenspanning tot de druk
die geldt voor maximale belasting.
Raadpleeg de bandenspanningstabel!
130
• Maak de trekhaak regelmatig schoon en
vet de kogel1 en alle bewegende delen in
om onnodige slijtage te voorkomen.
• Rijd niet met een zware aanhanger,
wanneer de auto nog helemaal nieuw is!
Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile
hellingen worden de remmen veel
zwaarder belast dan normaal. Schakel
dan terug naar een lagere versnelling en
pas uw snelheid aan.
• Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kunnen de motor en de
versnellingsbak oververhit raken. Bij
oververhitting slaat de temperatuurmeter
op het instrumentenpaneel tot in het rode
gebied uit. Breng de auto dan tot
stilstand en laat de motor enkele minuten
afkoelen.
• Bij oververhitting schakelt de airconditioning zichzelf automatisch tijdelijk uit.
• Bij oververhitting schakelt de versnellingsbak een ingebouwde beschermingsfunctie in. Zie de displaymelding!
• Bij het gebruik van een aanhanger wordt
de motor zwaarder belast dan normaal.
1.
Geldt niet voor de kogel bij gebruik
van een aanhangerkoppeling met
trillingsdemper.
• Rijd om veiligheidsredenen niet sneller
dan 80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
• Het maximaal toelaatbare gewicht voor
een ongeremde aanhanger bedraagt
750 kg.
• Zet de keuzehendel bij het parkeren met
een aanhanger altijd in stand P (automatische versnellingsbak) of schakel een
versnelling in (handgeschakelde versnellingsbak). Maak altijd gebruik van de
parkeerrem. Gebruik wielblokken bij het
parkeren op steile hellingen.
Aanhangergewichten
Zie pagina 237 voor de toelaatbare aanhangergewichten.
N.B. De aangegeven maximaal toelaatbare
aanhangergewichten zijn door Volvo
bepaald. Let erop dat er op grond van de
wetgeving voor motorvoertuigen in uw land
verdere beperkingen van het aanhangergewicht en de snelheid kunnen gelden. Het is
bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht van
de auto.
WAARSCHUWING!
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De
aanhanger en de auto kunnen anders
moeilijk bestuurbaar worden tijdens
uitwijk- en remmanoeuvres.
Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Rijden met een aanhanger in een
Volvo met een automatische
versnellingsbak
Zet bij het parkeren op hellingen eerst de
parkeerrem aan, voordat u de keuzehendel in
stand P zet. Zet bij het wegrijden op een
helling eerst de keuzehendel in de rijstand en
haal de auto vervolgens van de parkeerrem.
• Kies bij het omhoog rijden op steile
hellingen of in langzaam rijdend verkeer
de juiste lage versnellingsstand. Zo
voorkomt u dat de automatische versnellingsbak opschakelt. De versnellingsbakolie wordt dan minder warm.
• Schakel geen hogere, handmatige
versnelling in dan de motor “aankan”.
Rijden in hoge versnellingen is niet altijd
zuinig.
• Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 15 % bij het gebruik van een
aanhanger achter een model met automatische versnellingsbak.
N.B. Sommige modellen moeten worden
uitgerust met een oliekoeler om met
aanhangers te rijden.
Informeer daarom bij de dichtstbijzijnde
Volvo-dealer of er een oliekoeler nodig is, als
u een trekhaak achteraf monteert.
Gemakkelijker wegrijden met aanhanger
Auto’s met een V8-motor zijn voorzien van
een ingebouwde functie die voorkomt dat de
auto schokkerig beweegt en wielspin
vertoont bij het wegrijden met een
aanhanger.
Activeren
Om de functie te activeren moet u de
bedrading van de aanhanger aansluiten op
de trekhaakaansluiting die naast de trekhaak
zit (zie pagina 132).
Deactiveren
Koppel de bedrading bij de aansluiting los.
N.B. De functie is tevens actief als u andere
elektrische uitrusting op de trekhaakaansluiting aansluit. De auto trekt dan langzamer
op tijdens het wegrijden.
Niveauregeling (optie op model
met vijf zitplaatsen, standaard op
model met zeven zitplaatsen)
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling, neemt de achtertrein van de
auto tijdens het rijden altijd de juiste rijhoogte
aan ongeacht de belading. Wanneer de auto
stilstaat, zakt de achtertrein omlaag. Dit is
volkomen normaal. Bij het wegrijden met
lading wordt het niveau na enige tijd rijden
naar boven toe bijgesteld.
131
Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Trekhaak (optie)
N.B. Controleer of de auto is uitgerust met
een transmissie-oliekoeler, als u achteraf een
trekhaak monteert.
Vaste trekhaak (A)
Let erop dat u de veiligheidskabel altijd aan
de daarvoor bestemde bevestiging
vastmaakt (zie afbeelding)!
Afneembare trekhaak (B)
Volg altijd nauwkeurig de montagevoorschriften op.
Zie de beschrijving op pagina 134.
Let erop dat u de veiligheidskabel altijd aan
de daarvoor bestemde bevestiging
vastmaakt (zie afbeelding)!
Let er tevens op dat u de koppelpen regelmatig schoonmaakt en invet.
Maak daarvoor gebruik van de aanbevolen
vetsoort met het art.nr. 8624203.
N.B. Het kan zijn dat er op uw auto een
trekhaak zit met een 13-polig contact dat u
wilt aansluiten op een aanhanger met een
7-polig contact. Maak in dat geval alleen
gebruik van een originele adapterkabel van
Volvo. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
132
A
B
Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Specificaties
Afstand A op de bovenstaande
afbeelding:
Vaste trekhaak: 1124 mm
Afstand B op de bovenstaande
afbeelding:
Vaste trekhaak: 80 mm
Afneembare trekhaak: 80 mm
Afneembare trekhaak: 1124 mm
Max. toelaatbare kogeldruk: 90 kg
133
Starten en rijden
Afneembare trekhaak – monteren
ONTGRENDELD
ONTGRENDELD
B
– Verwijder de beschermkap.
134
– Steek de sleutel in het afneembare
gedeelte en draai de sleutel rechtsom in
de ontgrendelde stand.
– Neem het kogelsegment en draai de
handgreep rechtsom naar de vergrendelde stand.
Starten en rijden
Afneembare trekhaak – monteren
VERGRENDELD
BLOKKEREN
– Duw het kogelsegment zo ver op de
koppelpen dat het blokkeert. Houd de
handgreep niet vast.
N.B. De handgreep schiet met kracht in
positie!
RODE PIN (B)
NIET ZICHTBAAR
– Controleer of de indicatorpen (B)
ingeschoven is.
– Draai de sleutel linksom in de vergrendelde stand.
Neem de sleutel uit het slot.
135
Starten en rijden
Afneembare trekhaak – demonteren
ONTGRENDELD
– Steek de sleutel in het afneembare
gedeelte en draai de sleutel rechtsom in
de ontgrendelde stand.
ONTGRENDELD
– Draai de handgreep rechtsom in de
vergrendelde stand en pak het kogelsegment beet.
– Trek het kogelsegment van de koppelpen
af. Houd de handgreep niet vast.
BELANGRIJK!
Het kogelsegment is alleen te vergrendelen wanneer de rode pen niet zichtbaar
is.
136
Starten en rijden
Afneembare trekhaak – demonteren
VERGRENDELD
– Draai de sleutel linksom in de vergrendelde stand.
Neem de sleutel uit het slot.
– Schuif de beschermkap over de
koppelpen zoals aangegeven op de
afbeelding.
137
Starten en rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals een trekhaak (een kogeldruk van 75 kg
bij een aangekoppelde aanhanger),
lastdragers, skibox e.d. plus het totaalgewicht van de inzittenden. Het laadvermogen
van de auto moet worden verminderd met het
gewicht van het aantal inzittenden.
WAARSCHUWING!
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er
wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Lading op het dak
Positie van lasdragers (accessoire)
Zorg dat u de lastdrager in de juiste positie
op de dakrelingen (rails) aanbrengt. U kunt
de lastdragers in iedere gewenste stand over
de volle lengte van de dakrelingen
aanbrengen. Wanneer u geen lading op het
dak vervoert, moet u de voorste lastdrager
ca. 200 mm voor de middelste dakbevestiging aanbrengen en de achterste lastdrager
recht tussen de middelste en de achterste
dakbevestiging (zie bovenstaande
afbeelding) om de rijwindgeluiden te
beperken. Bevestig de lange lastdrager
vooraan.
138
Lastdrager monteren
Zorg dat de lastdrager goed om de beide
dakrelingen heen vastklemt. Schroef de
lastdrager vervolgens vast. Maak gebruik van
de bijgeleverde momentsleutel om de
schroeven tot aan het merkje op de sleutel
vast te draaien (overeenkomend met een
moment van 6 Nm). Zie de afbeelding!
Starten en rijden
Lading vervoeren
Dekkap van lastdrager
Gebruik bij voorkeur de nok aan het uiteinde
van de momentsleutel (zie afbeelding) of de
contactsleutel om de kap los of vast te
draaien. Een kwartslag draaien.
Lastdragers gebruiken
• Om schade aan de auto te voorkomen en
op een veilige manier lading op het dak te
kunnen vervoeren, adviseren wij u alleen
gebruik te maken van de lastdragers die
Volvo speciaal voor uw auto ontwikkeld
heeft.
• Controleer regelmatig of de lastdragers
en de lading goed vastzitten. Zet de
lading stevig vast met sjorbanden!
• Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de lading
niet diagonaal op de lastdragers. Zorg dat
u de zwaarste voorwerpen onderop legt.
• Let erop dat het zwaartepunt van de auto
verschuift en dat de rijeigenschappen zich
wijzigen bij het vervoer van lading op het
dak.
• Houd er rekening mee dat de auto meer
wind vangt en daardoor meer brandstof
verbruikt, naarmate de omvang van de
lading toeneemt.
• Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel
op, rem niet te hard en maak niet te
scherpe bochten.
WAARSCHUWING!
De maximale dakbelasting is 100 kg
inclusief de lastdragers en een eventuele
skibox. Bij het vervoer van lading op het
dak verschuift het zwaartepunt en treden
er wijzigingen op in de rijeigenschappen
van de auto.
139
Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
stip op de mal. De lange rode lijn op de
afbeeldingen komt overeen met de lijn in het
koplampglas ten opzichte waarvan u de mal
moet inpassen.
Meet de mallen na het overtrekken ter
controle nog eens op om te zorgen dat de
lichtbundel voldoende wordt afgedekt.
A. Lichtbundel voor linksrijdend verkeer
B. Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
U kunt de lichtbundel van de koplampen
afplakken om te voorkomen dat u tegenliggers verblindt. Daarbij wordt de lichtopbrengst iets lager.
Koplampen afplakken
Trek de mallen over die op pagina 142 staan.
Knip een stuk zelfklevend en watervast
materiaal zoals ondoorzichtige tape langs de
randen van de mallen uit.
Breng de afplaktape in positie aan ten
opzichte van de stip (5) in het koplampglas.
Deze stip moet overeenkomen met de rode
140
De mallen kunnen worden gebruikt voor
modellen met het stuur links of rechts en
moeten worden aangebracht zoals aangegeven op de afbeelding.
De bovenste afbeelding geeft de positie op
een model met het stuur links aan. De
onderste afbeelding geeft de positie op een
model met het stuur rechts aan.
Halogeenkoplampen
Trek mal 1 en 2 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een
stuk zelfklevend en watervast materiaal en
knip uit.
Breng de mallen dusdanig aan dat de pijlen
naar het midden van de auto wijzen en dat de
stippen op de mallen overeenkomen met de
stippen op de koplampglazen.
Referentiematen:
Mal 1 en 2) De lange kant van de mallen moet
ca. 82 mm lang zijn.
Bi-Xenonkoplampen
Trek mal 3 en 4 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een
stuk zelfklevend en watervast materiaal en
knip uit.
Breng de mallen dusdanig aan dat de pijlen
naar het midden van de auto wijzen en dat de
stippen op de mallen overeenkomen met de
stippen op de koplampglazen. Pas de
merkjes > < op de mallen in ten opzichte van
de lijn op het koplampglas.
Referentiematen:
Mal 3) De lijn tussen de merkjes > < en op de
mallen moet ca. 140 mm lang zijn.
Mal 4) De lijn tussen de merkjes > < en op de
mallen moet ca. 112 mm lang zijn.
Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Positie van afplaktape op de koplampen (de bovenste figuur geeft het afplakken van een model met het stuur links weer en de onderste figuur
dat van een model met het stuur rechts/mallen 1 en 2 gelden voor halogeenkoplampen/mallen 3 en 4 gelden voor Bi-Xenonkoplampen).
141
Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Afplakmallen
142
Starten en rijden
BLIS, Blind Spot Information System –(optie)
B
A
1. BLIS-camera 2. Controlelampje
3. BLIS-symbool
BLIS
BLIS is een informatiesysteem dat de
bestuurder waarschuwt, wanneer er zich een
voertuig in de zogeheten dode hoek bevindt
en in dezelfde richting rijdt.
WAARSCHUWING!
Het systeem vormt slechts een aanvulling
op - geen vervanging voor - de aanwezige
buitenspiegels. De bestuurder moet altijd
oplettend en verantwoord blijven rijden.
De bestuurder is er verantwoordelijk voor
dat er op een veilige manier van rijstrook
wordt gewisseld.
“Dode hoeken” die BLIS in de gaten houdt
(afstand A = ca. 9,5 m; afstand B = ca. 3 m)
Het systeem werkt het best in druk verkeer
op meerbaanswegen.
BLIS is gebaseerd op digitale cameratechniek. De camera’s (1) zitten onder de
buitenspiegels.
Wanneer een camera een voertuig heeft
waargenomen in de dode hoek, gaat er een
controlelampje op het portierpaneel (2)
branden. Het lampje brandt continu om de
bestuurder te attenderen op het voertuig in
de dode hoek.
nomen. Als de auto aan weerszijden wordt
ingehaald, gaan dan ook beide lampjes
branden.
BLIS is eveneens voorzien van een geïntegreerde functie die de bestuurder
waarschuwt bij fouten in het systeem. Als de
camera’s van het systeem bijvoorbeeld zijn
afgedekt, knippert het controlelampje voor
BLIS en verschijnt er een melding op het
display van het instrumentenpaneel (zie de
tabel op pagina 145). Controleer de cameralenzen in dat geval en maak ze zo nodig
schoon. U kunt het systeem tijdelijk uitschakelen met een druk op de knop BLIS (zie
pagina 145).
Wanneer BLIS werkt
Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Wanneer u inhaalt:
• Het systeem reageert als het snelheidsverschil tussen u en het ingehaalde
voertuig kleiner is dan 10 km/h.
Wanneer u wordt ingehaald:
• Het systeem reageert als het snelheidsverschil tussen u en het inhalende
voertuig kleiner is dan 70 km/h.
N.B. Het lampje gaat branden aan die kant
van de auto waar het voertuig is waarge143
Starten en rijden
BLIS, Blind Spot Information System –(optie)
WAARSCHUWING!
• BLIS werkt niet in scherpe bochten.
• BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
• Een brede aanhanger achter de auto
kan het zicht ontnemen op andere
voertuigen op aangrenzende rijstroken.
Dit kan ertoe leiden dat BLIS geen
voertuigen in dit afgeschermde gebied
kan waarnemen.
Systeemfunctie bij daglicht en bij
donker
Daglicht
Bij daglicht reageert het systeem op de
contouren van omringende voertuigen. Het
systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en
motorfietsen waar te nemen.
Donker
Bij donker reageert het systeem op de
koplampen van omringende voertuigen. Als
een voertuig de koplampen niet heeft
ontstoken, zal het systeem dit voertuig niet
kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het
systeem bijvoorbeeld niet reageert op een
aanhanger achter een auto of vrachtwagen,
omdat daar geen brandende koplampen op
zitten.
144
WAARSCHUWING!
• Het systeem reageert niet op fietsers
en bromfietsers.
• De BLIS-camera’s kunnen hinder
ondervinden van de aanwezigheid van
felle lichtbronnen of juist de afwezigheid
van lichtbronnen (wegenverlichting of
voertuigverlichting) bij ritten in het
donker. Het systeem kan uit de
afwezigheid van licht ten onrechte
opmaken dat de camera’s zijn afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een displaytekst op het instrumentenpaneel.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden
kunt u het systeem tijdelijk deactiveren
(zie de informatie op de volgende pagina).
Wanneer de displaytekst is verdwenen,
werkt het systeem weer optimaal.
• De BLIS-camera’s kennen dezelfde
beperkingen als het menselijk oog. Dit
houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval en dichte
mist.
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de cameralenzen schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een vochtige
spons. Maak de lenzen voorzichtig schoon
om krassen te voorkomen.
WAARSCHUWING!
• De lenzen zijn elektrisch verwarmd om
ze van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen.
Veeg ze nodig sneeuw van de lenzen af.
Starten en rijden
BLIS, Blind Spot Information System –(optie)
• U kunt BLIS heractiveren door nogmaals
op de knop te drukken. De LED in de
knop licht vervolgens op, er verschijnt een
nieuwe tekst op het display en de controlelampjes op de portierpanelen lichten
driemaal op. Druk op de knop READ (zie
pagina 47) om de melding te laten
verdwijnen.
BLIS deactiveren en heractiveren
• BLIS wordt automatisch geactiveerd,
wanneer u het contact aanzet. De controlelampjes op de portierpanelen lichten
een derde keer op bij het aanzetten van
het contact.
• U kunt het systeem deactiveren door op
de knop BLIS te drukken die op het
schakelaarpaneel van de middenconsole
zit (zie bovenstaande afbeelding). De
LED in de knop dooft, wanneer het
systeem uitgeschakeld is. Er verschijnt
bovendien een displaytekst op het instrumentenpaneel.
De meldingen verschijnen alleen, als de
contactsleutel in stand II staat (of als de
motor loopt) en BLIS actief is (de bestuurder
heeft het systeem niet gedeactiveerd).
Systeemteksten BLIS
SysteemDisplaytekst
status
BLIS buiten
BLINDE-HOEKSYST.
werking
SERVICE VEREIST
Rechter
BLINDE-HOEKSYST.
camera
R CAMERA GEBLOK.
afgedekt
Linker camera
BLINDE-HOEKSYST. L
afgedekt
CAMERA GEBLOK.
Beide
BLINDE-HOEKSYST.
camera’s
CAMERA’S GEBLOK.
afgedekt
BLIS uitgeBLINDE-HOEKINFO.
schakeld
SYSTEEM UIT
BLIS
BLINDE-HOEKINFO.
ingeschakeld
SYSTEEM AAN
Beperkte
BLIS BEPERKTE
BLIS-functie
FUNCTIE
145
Starten en rijden
146
Wielen en banden
Algemene informatie
Bandenspanning
Gevarendriehoek en reservewiel
Wielen verwisselen
Provisorische bandenreparatie
148
151
152
154
157
147
Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen en banden
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de
snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het
rijgedrag van de auto.
Let er bij het verwisselen van banden op dat
de nieuwe banden op alle vier de wielen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben
en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbevolen bandenspanning aan die op de
bandenspanningsticker staat (zie pagina 151
voor de positie).
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde
maataanduiding. Een voorbeeld van een
dergelijke aanduiding is 225/70R16 102H.
225 breedte van de band (mm)
70
verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
aanduiding voor radiaalbanden
16
velgdiameter van de band (")
102 aanduiding van het draagvermogen
van de band (in dit geval 615 kg)
H
aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval 210 km/h)
Snelheidsaanduidingen
Uw auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken
148
van de afmetingen en snelheidsaanduidingen
die staan aangegeven op de typegoedkeuring van de auto. De enige uitzondering
daarop vormt het gebruik van winterbanden
(zowel spijkerbanden als banden zonder
spijkers). Bij gebruik van dergelijke banden
mag u niet sneller rijden dan de maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype
geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld
een maximumsnelheid van 160 km/h).
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en
niet de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de
maximumsnelheid is.
Q
160 km/h (enkel voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Nieuwe banden
Banden hebben een
beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren
worden de banden hard en
neemt de grip op het
wegdek stukje bij beetje af.
Gebruik bij het verwisselen van banden altijd
zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het
bijzonder voor winterbanden. De week en het
jaar van productie worden aangeduid met de
DOT-code (Department of Transportation)
bestaande uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1502.
De band op de afbeelding is in de 15de week
van het jaar 2002 geproduceerd.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet
u door een vakman laten controleren, ook al
zien ze er intact uit. Dit omdat het materiaal
waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert
en afgebroken wordt, als banden zelden of
nooit worden gebruikt. Daarbij kan de
werking van de banden worden aangetast, in
welk geval u de banden niet meer dient te
gebruiken.
Dit geldt ook voor reservebanden, winterbanden en banden die u voor toekomstig
gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de
zichtbare kenmerken van een band die
ongeschikt is voor gebruik.
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
Wielen en banden
Algemene informatie
spanningsticker (zie plaatsing pagina 151).
De bandenmaat is afhankelijk van het
motortype. Gebruik altijd winterbanden op
alle vier de wielen.
N.B. Neem contact op met een Volvo-dealer
voor advies over de beste soort velgen en
banden.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de
eerste 500-1000 km rustig worden
ingereden, zodat de “spikes” zich zetten. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
Banden met slijtage-indicatoren
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen
die dwars op het profiel van de band staan
(de letters TWI (Tread Wear Indicator) op de
zijkant van de band geven aan dat een band
is uitgerust met slijtage-indicatoren). De
indicatoren zijn duidelijk zichtbaar wanneer
een band dusdanig versleten is dat slechts
1,6 mm van het profiel over is. Vervang de
banden dan onmiddellijk. Let erop dat een
band met een gering profiel zeer weinig grip
op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Winterbanden
Volvo raadt winterbanden met bepaalde
afmetingen aan. Deze staan op een banden-
de banden daardoor overmatig slijten. Maak
nooit gebruik van sneeuwkettingen met
zogeheten snelsluitingen, omdat de ruimte
tussen de schijfremmen en de wielen te
gering is.
BELANGRIJK!
Gebruik originele sneeuwkettingen van
Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen
die zijn afgestemd op het model en de
band- en velgafmetingen. Vraag een
erkende Volvo-werkplaats om advies.
N.B. De wettelijke bepalingen voor het
gebruik van banden met “spikes” verschillen
van land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom wordt er een
minimale profieldiepte van vier mm voor
winterbanden geadviseerd.
Sneeuwkettingen
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen. Dit geldt ook
voor modellen met voorwielaandrijving.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije
wegen, omdat zowel de sneeuwkettingen als
149
Wielen en banden
Algemene informatie
de banden regen, sneeuw en drab minder
goed afvoeren. Monteer de banden met het
diepste profiel altijd op de achteras (om het
gevaar voor slippen te verminderen).
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat
ze nooit rechtop staan.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker bent van de
profieldiepte.
De pijl geeft de draairichting van de band
aan
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de
band noteren waar de band zat: bijvoorbeeld
L voor links, R voor rechts enz. Bij banden
met een speciaal profiel dat alleen goed
werkt wanneer de banden in een bepaalde
richting draaien, staat deze richting aangegeven met een pijl op de zijkant van de band.
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van
voor naar achter verwisseld worden, nooit
van links naar rechts of omgekeerd. Als u de
banden verkeerd aanbrengt, nemen de
remeigenschappen van de auto af en kunnen
150
Wielen en banden
Bandenspanning
Aanbevolen bandenspanning
Bandenspanning controleren
Op de sticker aan de binnenzijde van de tank
vulklep staat de juiste bandenspanning voor
uw auto aangegeven bij verschillende
belading en snelheid.
Controleer de bandenspanning regelmatig.
De juiste bandenspanning staat in de
bandenspanningstabel aangegeven. De
aangegeven bandenspanning geldt bij koude
banden (kan verschillen naargelang de
buitentemperatuur).
1.
2.
Overige markten (niet VS, Canada)
1:1 Originele Volvo-banden
1:2 Reservebanden
Australië
Als u met de verkeerde bandenspanning rijdt,
is het rijgedrag van de auto slechter en is het
mogelijk dat de banden veel sneller slijten. Al
na enkele kilometers rijden worden de
banden warm en loopt de spanning op. Laat
daarom geen lucht uit de banden ontsnappen
als u de spanning controleert terwijl de
banden warm zijn.
151
Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel
punt achter de auto neer om het achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
Doe het volgende na gebruik:
– Berg de onderdelen in de omgekeerde
volgorde weer op.
Zorg dat de opberghoes met de gevarendriehoek goed vastzit in de bagageruimte.
Reservewiel “Temporary Spare”
Gevarendriehoek (bepaalde
landen)
Houd u aan de bepalingen die gelden voor
het gebruik van gevarendriehoeken in uw
land.
Gebruik de gevarendriehoek als volgt:
– Haal de opberghoes met de gevarendriehoek los. De hoes zit met klittenband
vast.
– Haal de gevarendriehoek uit de hoes (A).
– Klap de vier steunpootjes van de gevarendriehoek uit.
– Klap de beide rode driehoekszijden uit.
Zet de gevarendriehoek op een geschikt
U mag het compacte reservewiel1 alleen
gebruiken gedurende de korte tijd die nodig
is om het normale wiel te repareren of te
vervangen. Gebruik zo spoedig mogelijk
weer een normaal wiel. Het rijgedrag van de
auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een
compact reservewiel.
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik van
een compact reservewiel.
Volgens de wet mag het reservewiel/de band
alleen tijdelijk worden gebruikt, wanneer een
band beschadigd is. Een wiel/band van dit
type moet daarom zo spoedig mogelijk door
een normaal wiel/normale band worden
vervangen.
Let er ook op dat het compacte reservewiel in
combinatie met normale wielen of banden
wijzigingen in de rijeigenschappen kan
veroorzaken. Bij modellen met vierwie1.
152
Bepaalde varianten en markten
laandrijving kan overschrijding van deze
snelheid bovendien aanleiding geven tot
schade aan de aandrijflijn.
BELANGRIJK!
Rijd nooit met meer dan één compact
reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel
1. Vierzitter
2. Vijfzitter
Reservewiel te voorschijn halen
Het reservewiel1 zit onder de auto. De krik,
de gereedschapstas en de slingerdelen vindt
u onder het vloerluik. De slinger bestaat uit
twee delen. Het ene deel zit in de gereedschapstas, terwijl het andere deel onder de
gereedschapstas ligt.
N.B. In de gereedschapstas zit een speciale
sleutel om de naafdop2 te verwijderen.
De positie van de krik hangt af van het aantal
zitplaatsen (model met zeven zitplaatsen (1)
en model met vijf zitplaatsen (2)).
Maak het reservewiel als volgt los:
1.
2.
Bepaalde varianten en markten
Bepaalde optionele wielen
– Klap het onderste gedeelte van de
achterklep omlaag.
– Til het vloerluik in de bagageruimte op.
– Haal de twee delen van de slinger te
voorschijn en monteer ze.
– Steek de slinger in de lier.
– Laat het wiel zakken door de slinger tot
aan de aanslag linksom te draaien.
– Haal het wiel van de kabel af.
– Draai de kabel weer met de slinger
(rechtsom) omhoog.
N.B. De kabel kan schade aan de auto
toebrengen, als deze tijdens het rijden
loshangt.
– Leg de lekke band in de bagageruimte. U
vindt een plastic zak in de gereedschapstas om de band in op te bergen.
N.B. De reservewielruimte onder de auto is
uitsluitend bestemd voor het originele reservewiel. U kunt er dan ook geen andere
merken reservewielen aanbrengen.
153
Wielen en banden
Wielen verwisselen
Reservewiel, terugplaatsen
Het is handigst als u iemand u helpt bij het
terugplaatsen van het reservewiel. Eén van u
beiden draait aan de slinger, terwijl de ander
het wiel in de juiste richting duwt.
– Vier de kabel met de slinger en breng de
anker aan het uiteinde van de kabel in het
gat in het midden van de velg aan.
– Haal de kabel een stukje omhoog door de
slinger langzaam (rechtsom) te draaien.
– Kantel het reservewiel om het langs de
uitlaatpijp te halen.
– Houd de achterkant van het wiel omlaag,
terwijl u het met de slinger omhooghaalt.
– Breng het wiel boven op de achteras,
tegen de vloerplaat aan.
Draai de slinger tot aan de aanslag verder
rechtsom.
Controleer of het wiel goed vastzit.
WAARSCHUWING!
Controleer of u gebruik maakt van de
juiste steunpunten. Tussen de kriksteunpunten op de auto is een speciale
kriksteunpunt voor productiedoeleinden
aangebracht. Dit steunpunt is voorzien
van een pen. Het steunpunt is echter niet
sterk genoeg om de auto onder op te
krikken. Bij twijfel over de positie van de
verschillende kriksteunpunten kunt u
contact opnemen met uw Volvowerkplaats. Wanneer u de krik op een
verkeerd punt aanbrengt, kan er schade
aan het portier en de carrosserie ontstaan.
154
De kriksteunpunten zitten in het midden de
onder de portieren.
Wielen demonteren
Let erop dat u de gevarendriehoek opzet,
wanneer u een wiel moet verwisselen aan de
kant van de weg. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Deze
steunpunten zitten in het midden onder de
portieren.
– Parkeer de auto op een egale en stevige,
niet hellende ondergrond.
– Zet de parkeerrem aan en schakel de
1ste versnelling in op auto’s met een
handgeschakelde versnellingsbak
(stand P op auto’s met een automatische
versnellingsbak). Breng houten
wielblokken of grote stenen aan vóór en
achter de wielen die op de grond blijven
staan.
– Haal de krik, de wielmoersleutel en de
slinger te voorschijn (zie pagina 153 voor
de positie).
– Draai de wielbouten ½-1 slag los met de
wielmoersleutel. Draai de bouten linksom
los.
Wielen en banden
Wielen verwisselen
WAARSCHUWING!
Kruip nooit onder een auto die slechts op
een krik steunt! De auto kan namelijk van
de krik vallen en letsel toebrengen.
Gebruik de krik die bij de auto werd
geleverd alleen voor het verwisselen van
wielen. Voor de overige werkzaamheden
moet u gebruik maken van een garagekrik
en steunbokken onder het geheven deel
van de auto aanbrengen.
Zorg dat u schroef van de krik altijd goed
ingevet houdt.
Als de ondergrond te zacht is, kan de krik
opzij wegglijden zodat de auto van de krik
valt. Zorg dat er zich niemand onder de
auto bevindt, wanneer u een wiel
verwisselt.
155
Wielen en banden
Wielen verwisselen
WAARSCHUWING!
Wanneer u de auto op het verkeerde punt
opkrikt, kan de auto van de krik vallen. Er
bestaat dan gevaar voor verwondingen!
– Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt.
– Draai de wielbouten los en verwijder het
wiel.
Wielen monteren
– Zet de krik onder een kriksteunpunt neer
en breng de krik zo ver omhoog dat deze
tegen de bodemplaat van de auto
aankomt. Controleer of u de krik juist hebt
aangebracht onder het kriksteunpunt,
voordat u de auto van de grond krikt. Stel
de krik vervolgens dusdanig af dat de
voet van de krik loodrecht onder het
kriksteunpunt van de auto zit (zie
afbeelding). Breng geen blokken hout of
iets dergelijks onder de krik aan, omdat
de draagkracht van de krik daardoor
afneemt.
156
– Reinig de contactvlakken op het wiel en
de naaf.
– Breng het wiel aan. Draai de wielbouten
vast.
– Breng de auto zo ver omlaag dat de
wielen niet meer ongehinderd kunnen
draaien.
– Draai de wielbouten kruiselings telkens
iets strakker vast. Aanhaalmoment:
140 Nm (14,0 kpm). Het is belangrijk dat
u de bouten met het juiste aanhaalmoment vastdraait. Controleer het
aanhaalmoment dan ook met een
momentsleutel.
– Schroef de krik weer volledig in elkaar,
voordat u deze in de bagageruimte
teruglegt. Bind de krik vervolgens weer
vast.
– Controleer of het nieuwe wiel de juiste
bandenspanning heeft.
N.B. Wielbouten zijn er twee verschillende
uitvoeringen afhankelijk van de vraag of er
stalen of lichtmetalen velgen op uw auto
zitten. Op de wielbouten van lichtmetalen
velgen zitten losse ringen, terwijl die op de
bouten voor stalen velgen ontbreken.
Let erop dat u de juiste soort bouten gebruikt.
Neem bij twijfel contact op met uw Volvowerkplaats.
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Model met vijf zitplaatsen
Model met zeven zitplaatsen
Algemene informatie
Provisorische b andenreparatie
Auto’s die niet zijn uitgerust met een reservewiel, zijn in plaats daarvan voorzien van een
bandenreparatieset. De reparatieset is zowel
te gebruiken om een lek te dichten als de
bandenspanning tijdelijk te corrigeren. De
bandenreparatieset bestaat uit een
elektrische luchtcompressor en een geï
ntegreerde spuitbus met afdichtmiddel.
N.B. De krik is optioneel op auto’s uitgerust
met de bandenreparatieset.
De bandenreparatieset1 is alleen bedoeld
voor tijdelijke noodreparaties, waarmee de
auto nog 200 km of naar de dichtstbijzijnde
Volvo-werkplaats gereden kan worden. Het
afdichtmiddel dicht banden met een lek in het
loopvlak effectief af.
De spuitbus met het afdichtmiddel mag niet
meer worden gebruikt na het verstrijken van
de houdbaarheidsdatum of het gebruik van
de bandenreparatieset.
De houdbaarheidsdatum staat aan de
voorkant van de compressor (zie afbeelding
op pagina 161.
1.
Zie pagina 161 voor informatie over het
vervang en van de spuitbus.
N.B. De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
De bandenreparatieset leent zich minder
goed voor banden met een gat in het zijvlak.
Probeer geen banden met de set te
repareren die grote groeven, scheuren en
dergelijke vertonen.
De bandenreparatieset met compressor en
gereedschap zit onder de vloer in de bagageruimte.
Een 12 V-aansluiting voor de compressor zit
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de bagageruimte. Gebruik
de elektrische aansluiting die het dichtst bij
de lekke band zit.
WAARSCHUWING!
Het afdichtmiddel kan bij direct
huidcontact irritatie veroorzaken. Was bij
huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water en zeep.
Bandenreparatieset erbij nemen
– Pak de vloermat aan de achterzijde beet
en klap deze naar voren toe op.
– Til de bandenreparatieset op.
Bepaalde varianten en markten
157
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Oppompen
Zet een gevarendriehoek op, als u een wiel
langs een drukke weg moet oppompen.
– Zorg dat de oranje knop (2) in stand 0
staat en haal de kabel (5) en de
luchtslang (4) uit het zijvak (3) erbij.
– Draai de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
– Sluit de kabel (5) op een van de 12Vaansluitingen in de auto aan.
– Start de motor. De auto moet in een goed
geventileerde ruimte staan.
– Start de compressor door de knop (2) in
stand I te zetten.
158
– Pomp de band op tot de druk die op de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
– Schakel de compressor uit door de
knop (2) in stand 0 te zetten. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
– Leg de kabel (5) en de luchtslang (4) in
het zijvak (3) terug.
– Leg de bandenreparatieset onder de
vloer in de bagageruimte.
– De compressor mag niet langer dan tien
minuten achtereen werken. Laat de
compressor daarna afkoelen, omdat de
kans op oververhitting aanwezig is.
– Met de compressor kunt u voorwerpen
oppompen met een inhoud tot 50 liter.
WAARSCHUWING!
Het inademen van uitlaatgassen kan
levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die zijn afgesloten of
onvoldoende geventileerd zijn.
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Lekke band repareren
Zet een gevarendriehoek op, als u een wiel
langs een drukke weg moet repareren.
– Haal de sticker (1) met de toelaatbare
maximumsnelheid uit de bandenreparatieset en bevestig deze op het stuurwiel
waar de bestuurder hem duidelijk kan
zien.
– Zorg dat de oranje knop (2) in stand 0
staat en haal de kabel (5) en de
luchtslang (4) uit het zijvak (3) erbij.
– Draai de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
– Sluit de kabel (5) op een 12V-aansluiting
in de auto aan.
– Maak de veiligheidspal (6) los en draai
het oranje gedeelte (7) 90 graden tot in
de verticale stand, totdat u een klik hoort.
– Start de motor. De auto moet in een goed
geventileerde ruimte staan.
WAARSCHUWING!
Het inademen van uitlaatgassen kan
levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die zijn afgesloten of
onvoldoende geventileerd zijn.
– Start de compressor door de knop (2) in
stand I te zetten. Een tijdelijke spanningsverhoging van maximaal 4 bar zal zich
voordoen terwijl het afdichtmiddel naar
binnen wordt gepompt. Na ca. een
minuut daalt de spanning en geeft de
manometer een nauwkeuriger bandenspanning aan.
– Pomp de band op tot een spanning van
1,8 tot 3,5 bar. Als de spanning na tien
minuten pompen nog geen 1,8 bar heeft
bereikt, moet u de compressor uitschakelen om oververhitting te voorkomen.
– Koppel de luchtslang (4) van het ventiel
los en breng het ventieldopje weer aan.
Haal de kabel (5) uit de elektrische
aansluiting. Klap het oranje gedeelte (7)
in de oorspronkelijke stand terug en zet
de pal (6) vast. Berg de bandenreparatieset op een veilige plaats in de auto op.
159
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
WAARSCHUWING!
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Let vooral
op de zijkanten van de banden. Bij
barsten, oneffenheden en dergelijke moet
u de compressor onmiddellijk uitschakelen. Onder zulke omstandigheden moet
u uw rit beëindigen. Neem contact op met
een erkende bandenreparateur.
– Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 kilometer af bij een snelheid van
80 km/h om ervoor te zorgen dat het
afdichtmiddel de band goed afdicht.
WAARSCHUWING!
Rijd nooit sneller dan 80 km/h wanneer u
de bandenreparatieset voor een noodreparatie hebt gebruikt. Vervang de tijdelijk
afgedichte band zo spoedig mogelijk
(maximale rijafstand 200 km).
– Bandenspanning opnieuw controleren:
N.B. Het oranje gedeelte (7) niet opklappen
wanneer u alleen de compressor gebruikt
voor het bijvullen van lucht.
– Sluit de luchtslang (4) aan op het ventiel
van de band.
160
– Sluit de kabel (5) aan op de 12 Vaansluiting. Lees de spanning van de
compressor af. Als de bandenspanning
lager is dan 1,3 bar, is de band onvoldoende afgedicht. Onder zulke omstandigheden moet u uw rit beëindigen. Neem
contact op met een bandenreparateur.
– Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven op de
bandenspanningsticker (zie pagina 151
voor de positie). Als de bandenspanning
te hoog is, moet u lucht uit de band laten
ontsnappen met behulp van de
reduceerklep (8).
– Schakel de compressor uit door de
knop (2) in stand 0 te zetten. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
– Leg de kabel (5) en de luchtslang (4) in
het zijvak (3) terug.
– Leg de bandenreparatieset onder de
vloer in de bagageruimte.
De compressor mag niet langer dan tien
minuten achtereen werken. Laat de
compressor daarna afkoelen, omdat de kans
op oververhitting aanwezig is.
N.B. Vervang de spuitbus met afdichtmiddel
en de slang na gebruik.
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Spuitbus met afdichtmiddel
vervangen
De spuitbus met het afdichtmiddel mag niet
meer worden gebruikt na het verstrijken van de
houdbaarheidsdatum (zie datumsticker (1)) of
het gebruik van de bandenreparatieset. Na
gebruik moet u de spuitbus (6) met houder (8)
en luchtslang (10) vervangen.
BELANGRIJK!
Lees de veiligheidsvoorschriften aan de
onderkant van de spuitbus.
Voordat de houdbaarheidsdatum
verstreken is
– Draai de twee boutjes (2) op de oranje
behuizing (3) los.
WAARSCHUWING!
Zorg dat de compressor niet aangesloten
is op de 12V-aansluiting bij het vervangen
van de spuitbus.
– Verwijder de snelheidssticker (4) en de
datumsticker (1) en ontgrendel de
veiligheidspal (5). Haal de behuizing (3)
los en verwijder deze.
– Draai de spuitbus (6) los en verwijder
deze.
– Controleer of de verzegeling (7) van de
nieuwe spuitbus intact is. Draai de
spuitbus vast.
– Plaats de behuizing (3) terug. Controleer
of u de behuizing op de juiste manier
vastzit en draai deze met de boutjes (2)
aan.
– Breng de snelheidssticker (4) en een
nieuwe datumsticker (1) op de bandenreparatieset aan.
Behandel de vervangen spuitbus als klein
chemisch afval (KCA).
Spuitbus en slang na gebruik vervangen
– Draai de twee boutjes (2) op de oranje
behuizing (3) los.
– Verwijder de snelheidssticker (4) en de
datumsticker (1) en ontgrendel de
veiligheidspal (5). Haal de behuizing (3)
los en verwijder deze.
161
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
– Duw de knop (8) omlaag terwijl u de
spuitbus (6) met houder (9) rechtsom
draait en ze verwijdert.
– Trek de luchtslang (10) los.
– Veeg het resterende afdichtmiddel met
een doek af of gebruik een krabber als
het middel al enigszins ingedroogd is.
– Breng een nieuwe luchtslang (10) aan en
controleer of die correct zit.
– Controleer of de verzegeling (7) van de
nieuwe spuitbus intact is. Draai de
houder (9) op de spuitbus (6) vast en
draai deze linksom vast totdat u een klik
hoort.
– Plaats de behuizing (3) terug. Controleer
of u de behuizing op de juiste manier
vastzit en draai deze met de boutjes (2)
aan.
– Breng de snelheidssticker (4) en een
nieuwe datumsticker (1) op de bandenreparatieset aan.
De lege spuitbus en luchtslang zijn te behandelen als normaal afval.
162
Verzorging
Schoonmaken
Lakschade herstellen
Roestwering
164
166
168
163
Verzorging
Schoonmaken
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Gebruik hiervoor autoshampoo. Vuil en
strooizout kunnen aanleiding geven tot
corrosie.
• Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan
oplopen. Zorg dat de auto op een spoelvloer met afvoerscheiding staat.
• Spoel zorgvuldig het vuil van het
onderstel van de auto.
• Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij
gebruik van een hogedrukreiniger: Houd
bij het wassen de spuitkop van de
hogedrukreiniger ten minste 30 cm van
de carrosserie af. Spuit niet direct in de
richting van de sloten.
• Was de auto met een spons, autoshampoo en een ruime hoeveelheid lauw
water.
• Als het vuil hardnekkig is, kunt u de auto
met een koud ontvettingsmiddel wassen.
• Droog de auto af met een schoon en
zacht stuk zeemleer of een trekker.
• Reinig de wisserbladen met een lauwe
zeepoplossing of autoshampoo.
Vogelpoep verwijderen
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die
de lak aantasten en deze zeer snel doen
verkleuren. Een dergelijke verkleuring is
alleen te herstellen door de vakman.
WAARSCHUWING!
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor
heet is, bestaat er gevaar voor brand.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er
echter op dat een wasbeurt in een automatische wasstraat nooit een alternatief vormt
voor een goede wasbeurt met de hand,
omdat de borstels van de wasstraat niet
overal even goed bij kunnen.
WAARSCHUWING!
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen om te voorkomen dat vocht en
corrosie de remblokken aantasten
waardoor de remwerking afneemt.
Bedien zo nu en dan voorzichtig het
rempedaal, wanneer u lange periodes door
164
BELANGRIJK!
Voor de lak is het beter om de auto met
de hand te wassen dan in een automatische wasstraat. Een nieuwe laklaag is
bovendien kwetsbaarder dan een oude
laag. U wordt daarom geadviseerd de
eerste maanden na aankoop van een
nieuwe auto deze alleen met de hand te
wassen.
regen of sneeuwmodder rijdt. Zo verwarmt en
droogt u de remblokken. Doe dit ook bij het
wegrijden onder zeer vochtige of koude
weersomstandigheden.
Kunststof exterieuronderdelen
Voor het reinigen van kunststof exterieuronderdelen wordt een speciaal reinigingsmiddel geadviseerd dat verkrijgbaar is bij de
Volvo-dealer. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
Verzorging
Schoonmaken
Interieur schoonmaken
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding
De Volvo-dealer heeft een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding. Andere
reinigingsmiddelen kunnen de brandvertragende eigenschappen van de bekleding
aantasten.
BELANGRIJK!
Scherpe voorwerpen en klittenband
kunnen de stoffen bekleding beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
Voor vuile leren bekleding wordt u geadviseerd gebruik te maken van de speciale reinigingsmiddelen die bij de Volvo-dealer
verkrijgbaar zijn. Behandel leren bekleding
een- tot tweemaal per jaar met de leerverzorgingsset van Volvo. Gebruik nooit sterke
oplosmiddelen. Dergelijke middelen kunnen
bekleding van textiel, vinyl en leer beschadigen.
Behandeling van vlekken op kunststof
interieuronderdelen en -panelen
Voor het reinigen van interieuronderdelen en
-panelen van kunststof wordt een speciaal
reinigingsmiddel geadviseerd, dat
verkrijgbaar is bij de Volvo-dealer. Krab of
wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit sterke
vlekken.middelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan met name het textielreinigingsmiddel
dat bij de Volvo-dealer verkrijgbaar is. Zorg
dat de gordel droog is, voordat deze weer
wordt opgerold.
Onderdelen die warmer zijn dan 45 °C kunt u
beter niet poetsen of in de was zetten.
Buitenspiegels en voorste
zijruiten met water- en vuilafstotende laag (optie) schoonmaken
Gebruik nooit producten als autowas, ontvettingsmiddelen e.d. op de spiegels of de
ruiten, omdat ze de water- en vuilafstotende
eigenschappen kunnen verstoren.
Poetsen en in de was zetten
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om
krassen op het glas te voorkomen.
Poets de auto op en zet deze in de was,
wanneer de lak er dof uitziet en u deze extra
bescherming wilt bieden zoals net voor het
begin van de winterperiode.
Om schade aan het glas te voorkomen moet
u voor het verwijderen van ijs alleen een
krabber van kunststof gebruiken.
Normaal gesproken hoeft u de auto pas na
een jaar te poetsen. Was kunt u eerder
aanbrengen.
Was de auto schoon en droog deze
zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen/de
was aanbrengt. Verwijder asfalt- en
teervlekken met terpentine. De hardnekkiger
vlekken kunt u verwijderen met een speciaal
voor autolak bestemde fijne schuurpasta
(“rubbing compound”). Poets de lak eerst op
en behandel deze daarna met was in
vloeibare of vaste vorm. Volg de aanwijzingen
op de verpakking nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel als was.
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
N.B. Om de waterafstotende eigenschappen
te behouden, wordt geadviseerd de behandeling te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij Volvodealers. Gebruik het middel de eerste keer na
drie jaar en daarna om het jaar.
165
Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd.
Lakschade moet u meteen herstellen om
roestvorming te voorkomen. De meest
voorkomende soorten lakschade die u zelf
kunt herstellen zijn:
• minder grote steenslagplekken en
krassen;
• schade aan de spatbordranden en de
portieren.
Voor het herstel van lakschade moet u de
auto eerst schoonwassen en zorgvuldig laten
drogen. Zorg dat de auto een temperatuur
van meer dan 15 °C heeft.
Kleurcode
1
Type 1
3
Verwijder eventuele lakresten met een stuk
tape. Plak zo nodig af.
Steenslagplekken en krassen
Type 2
Zorg dat u de juiste lakkleur hebt. De
kleurcode staat op het typeplaatje in de
motorruimte.
Alleen China
166
2
Benodigdheden:
• Grondlak (primer) in een bus.
• Lak in een bus of een zogeheten bijtippen.
• Kwastje.
• Afplaktape
• Als de steenslagplek niet tot op het
blanke plaatwerk is doorgedrongen en er
nog een intacte laklaag over is, volstaat
het om na verwijdering van het vuil de
ontbrekende lak aan te brengen.
Verzorging
Lakschade herstellen
Als de sleenslagplek echter wel tot het
blanke plaatwerk is doorgedrongen,
moet u als volgt te werk gaan:
• Plak een stuk afplaktape over het
beschadigd gebied heen. Trek de tape
weer van de lak af om zoveel mogelijk
lakresten te verwijderen (figuur 1).
• Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om
en breng met een fijn kwastje of een
lucifer (figuur 2) aan.
• Wanneer de grondlak droog is, brengt u
de lak aan met een kwastje.
• Zorg dat u de lak goed hebt omgeroerd
en breng de lak vervolgens in meerdere,
dunne lagen aan. Laat de lak na elke laag
drogen.
• Krassen kunt u op dezelfde manier
herstellen, zij het dat u de onbeschadigde
lak het beste met afdektape kunt
beschermen (zie figuur 3).
• Wacht enkele dagen en rond de
werkzaamheden af door de bijgewerkte
lak op te poetsen. Gebruik daarvoor een
zachte doek en wees zuinig met de
schuurpasta.
167
Verzorging
Roestwering
Roestwering, controleren en
bijwerken
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst
grondige en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat
voor een deel uit gegalvaniseerd plaatwerk.
Het onderstel is voorzien van een slijtvaste
bodembescherming (“undercoating”). In de
langsdragers, de holle ruimten en de
gesloten profielen werd een dunne, penetrerende roestwerende vloeistof gespoten.
U kunt de roestwering van de auto onderhouden door onder meer het volgende te
doen:
• Houd de auto schoon! Spoel het
onderstel af. Houd bij gebruik van een
hogedrukreiniger de spuitkop ten minste
30 cm van gelakte onderdelen af!
• Laat de roestwering regelmatig controleren en bijwerken.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ongeveer 8 jaar te worden
nabehandeld. Laat de auto daarna om de
3 jaar een nabehandeling ondergaan. Laat u
hierin assisteren door de Volvo-werkplaats.
Roestwering herstellen
Als u de roestwering zelf wilt bijwerken, moet
u zorgen dat het te behandelen gebied
schoon en droog is. Spoel de auto af, was
deze schoon en droog deze zorgvuldig af.
Gebruik een spuitbus of breng het roestwerende middel met een kwastje op.
168
Er zijn twee soorten roestwerende middelen
verkrijgbaar:
• dunne (kleurloze) middelen, voor de
zichtbare plaatsen
• dikke middelen, voor de slijtplekken op
het onderstel
U kunt de middelen op de volgende plaatsen
aanbrengen:
• Zichtbare lasnaden en paneelverbindingen (dunne vloeistof)
• Onderstel (dikke vloeistof)
• Portierscharnieren (dunne vloeistof)
• scharnieren en slotpal van de motorkap
(dunne vloeistof).
Wanneer u klaar bent met de behandeling,
kunt u het teveel aan roestwerend middel
verwijderen met een doek die u hebt
bevochtigd met het aanbevolen reinigingsmiddel. Onderdelen van de motor en de
veerpootbevestigingen in de motorruimte zijn
in de fabriek behandeld met een kleurloos
roestwerend middel op wasbasis. Dit middel
is bestand tegen normale wasmiddelen
zonder dat het middel daarbij oplost of wordt
afgebroken.
Als u de motor echter wast met zogeheten
aromatische oplosmiddelen zoals terpentine
of thinner (en dan met name middelen die
geen emulgatoren bevatten), moet u de
waslaag na het reinigen vernieuwen. Uw
Volvo-dealer heeft dergelijke wassen op
voorraad.
Onderhoud en service
Volvo Service
Onderhoud
Motorkap en motorruimte
Dieselolie
Oliën en vloeistoffen
Wisserbladen
Accu
Gloeilampen vervangen
Zekeringen
170
171
172
173
174
178
179
182
190
169
Onderhoud en service
Volvo Service
Serviceprogramma van Volvo
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
uitvoerig getest. De auto werd nogmaals
gecontroleerd naar de normen van Volvo Car
Corporation, net voordat de auto aan u werd
geleverd.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van uw Volvo op een
hoog peil te houden, moet u de voorschriften
van het Serviceprogramma van Volvo
opvolgen zoals die omschreven staan in het
Service- en garantieboekje van Volvo. Laat
service- en reparatiewerkzaamheden door
een erkende Volvo-werkplaats uitvoeren.
Volvo-werkplaatsen beschikken over het
personeel, het speciale gereedschap en de
servicehandboeken waardoor zij u een zo
hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen
garanderen.
BELANGRIJK!
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de
aanwijzingen opvolgt.
Speciale servicewerkzaamheden
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem van de auto kunnen alleen
170
worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
elektronische apparatuur. Neem daarom
altijd contact op met een erkende Volvowerkplaats, voordat u servicewerkzaamheden aan het elektrisch systeem laat
uitvoeren.
Installatie van accessoires
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed
hebben op de werking van de elektronische
systemen van de auto. Bepaalde accessoires
werken alleen, wanneer de bijbehorende
software in de elektronische systemen van de
auto wordt geladen. Neem daarom altijd
contact op met een erkende Volvowerkplaats, voordat u accessoires monteert
die in verbinding staan met of van invloed zijn
op het elektrisch systeem.
Vastlegging van
voertuiggegevens
Er kunnen één of meer computers op uw
Volvo zitten die gedetailleerde informatie
kunnen opslaan. Deze informatie is bestemd
voor onderzoek ter verbetering van de
veiligheid en voor het opsporen van storingen
in de autosystemen. De informatie kan
gegevens bevatten over zaken als het gebruik
van de veiligheidsgordel door de bestuurder
en de passagier(s), gegevens over de
werking van verschillende autosystemen en modules en informatie over de status van de
motor, gasklep, besturing, remmen en andere
systemen. De informatie kan tevens
gegevens bevatten over de rijstijl van de
bestuurder. Dergelijke informatie kan
gegevens bevatten (maar niet uitsluitend) als
de rijsnelheid, het gebruik van het rem- of
gaspedaal en de stuuruitslag. De laatstgenoemde informatie kan voor een begrensde
tijd tijdens het rijden, tijdens een aanrijding of
bij een bijna-ongeluk worden vastgelegd.
Volvo Car Corporation zal de opgeslagen
informatie niet zonder uw toestemming
vrijgeven. Volvo Car Corporation kan echter
op last van de nationale wetgeving
gedwongen worden om bepaalde informatie
te verstrekken. Voor de rest geldt dat alleen
Volvo Car Corporation en de erkende Volvowerkplaatsen de informatie kunnen uitlezen
en gebruiken.
Onderhoud en service
Onderhoud
Voordat u met werkzaamheden
begint
Accu
Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor
loopt (bij het vervangen van de accu bijvoorbeeld).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn
ontkoppeld tijdens het opladen.
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u
de accu op een milieuvriendelijke manier
verwerkt. Neem hiervoor contact op met uw
Volvo-dealer.
WAARSCHUWING!
Het ontstekingssysteem wekt zeer hoge
spanningen op. De spanning van het
ontstekingssysteem is levensgevaarlijk.
Zet daarom altijd de auto van het contact
bij werkzaamheden in de motorruimte.
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het contact aanstaat of als de motor warm
is.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig het volgende, bijvoorbeeld bij het tanken:
• Koelvloeistof - Het peil moet tussen het
MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
• Motorolie - Het peil moet tussen het MINen MAX-streepje staan.
• Stuurbekrachtigingsvloeistof - Het peil
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
• Ruitensproeiervloeistof - Het reservoir
moet goed gevuld zijn. Vul bij met
antivries bij temperaturen rond het
vriespunt.
• Rem- en koppelingsvloeistof - Het peil
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
WAARSCHUWING!
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor over
aan een werkplaats. Als de motor heet is,
bestaat er gevaar voor brand.
Omhoogbrengen van de auto
Als u de auto met een garagekrik omhoogbrengt, moet u de krik tegen de voorzijde van
het subframe van de motor aanbrengen.
Zorg dat de spatplaat onder de motor niet
beschadigd raakt. Let erop dat u de
garagekrik dusdanig aanbrengt, dat de auto
er niet vanaf kan glijden. Maak altijd gebruik
van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
omhoogbrengt, moet u zorgen dat de voorste
en achterste dragerarmen onder de
hefpunten bij de drempelkokers komen te
zitten (zie afbeelding).
171
Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
9
10
8
11
7
6
5
1
4
2
3
Motorkap openen
Motorruimte
– Trek aan de ontgrendelingshandgreep
uiterst links onder het dashboard (of
rechts op modellen met het stuur rechts).
U hoort dat de slotpal losschiet.
– Steek uw hand rechts onder de voorzijde
van de motorkap (onder de grille).
– Duw de handgreep van de slotpal
omhoog.
– Laat de handgreep weer los en open de
motorkap.
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er iets anders uitzien. De onderdelen
op de lijst zitten echter altijd op de aangegeven positie.
172
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
Relais en zekeringen
Luchtfilter (de uitvoering van het deksel
is afhankelijk van het motortype)
Radiateur
Peilstok, motorolie
Vultuit, motorolie
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
9. Expansiereservoir, koelsysteem
10. Chassisnummerplaatje (VIN)
11. Accu (in bagageruimte)
WAARSCHUWING!
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt!
Onderhoud en service
Dieselolie
Brandstofsysteem
Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreinigingen. M aak daarom alleen gebruik van
dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen, die aan de kwaliteitseisen voor
brandstof voldoet zoals aangegeven op
pagina 244. Giet nooit dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De grote
oliemaatschappijen produceren ook speciale
dieselolie bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen rond het vriespunt. Deze
dieselolie is dunner bij lage temperaturen en
beperkt de kans op vlokvorming in het brandstofsysteem.
Het risico van condensatie in de brandstoftank neemt af, als u de tank altijd goed
gevuld houdt.
Houd tijdens het tanken het gebied rond de
vulpijp goed schoon.
Voorkom morsen op gelakte oppervlakken.
Maak als u gemorst hebt het gebied met
water en zeep schoon.
Wanneer u de tank leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden. Het brandstofsysteem wordt automatisch ontlucht, als u de contactsleutel ca.
60 seconden lang in stand II laat staan
voordat u een nieuwe startpoging doet.
BELANGRIJK!
Maak geen gebruik van de volgende
dieselolie-achtige brandstoffen:
speciale toevoegingen (dopes),
scheepsolie, stookolie, RME (biodiesel) of
plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan
de kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven
aanleiding tot verhoogde vormen van
slijtage en motorschade die niet worden
gedekt door de garanties van Volvo.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Om motorstoringen tegen te gaan ontdoet
het brandstoffilter de brandstof van condenswater.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Serviceen garantieboekje staan aangegeven. Ook
wanneer u vermoedt dat er vervuilde
brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
173
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden adviseert Volvo u een oliesoort te
gebruiken met een hogere kwaliteit dan de
sticker in de motorruimte vermeldt (zie
pagina 239).
Ongunstige rijomstandigheden
Olie verversen en oliefilter
vervangen
Houd voor het verversen van de olie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan
die staan aangegeven in het Service- en
garantieboekje.
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
Sticker voor oliekwaliteit in motorruimte
BELANGRIJK!
Gebruik altijd olie van de aanbevolen
kwaliteit (zie sticker in motorruime).
Controleer het oliepeil vaak en ververs de
olie regelmatig.
De motor raakt beschadigd, wanneer u
olie gebruikt van minder goede kwaliteit
dan wordt voorgeschreven of wanneer u
met een te laag oliepeil rondrijdt.
Volvo adviseert olieproducten van
.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
174
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• in temperaturen lager dan –30 °C of
hoger dan +40 °C
• Doe dat ook bij korte ritten (over
afstanden kleiner dan 10 km) bij lage
temperaturen (onder 5 °C).
In dergelijke omstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik
abnormaal toenemen.
BELANGRIJK!
Als blijkt dat het oliepeil te laag is, moet u
verse olie bijvullen met dezelfde kwaliteit
en viscositeit als de olie in de motor.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden
ververst. Het Service- en garantieboekje
geeft aan bij welke kilometerstand u de olie
moet verversen.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De beste meting wordt
verkregen bij een koude motor vóór de start.
Meteen na het afzetten van de motor krijgt u
een verkeerd resultaat. De peilstok geeft dan
een te laag peil aan, omdat de olie geen tijd
heeft gehad om terug te lopen naar het
oliecarter.
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
De olie moet binnen het gemarkeerde
gebied op de peilstok staan
Oliepeil controleren bij een koude
motor:
– Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
– Controleer het oliepeil met de peilstok.
De olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
– Als de olie dichter bij het MIN-streepje
ligt, kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul
bij totdat de olie dichter bij het MAXstreepje dan bij het MIN-streepje op de
peilstok ligt. Zie pagina 240 voor de aan
te houden hoeveelheid.
Oliepeil controleren bij een warme
motor:
– Parkeer de auto op een vlakke ondergrond, zet de motor af en wacht ten
minste 10 –15 minuten zodat de olie naar
het carter terug kan lopen.
– Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
– Controleer het oliepeil met de peilstok.
De olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
– Als de olie dichter bij het MIN-streepje
ligt, kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul
bij totdat de olie dichter bij het MAXstreepje dan bij het MIN-streepje op de
peilstok ligt. Zie pagina 240 voor de aan
te houden hoeveelheid.
BELANGRIJK!
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAXstreepje. Het olieverbruik kan toenemen,
als u teveel olie in de motor giet.
WAARSCHUWING!
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk, omdat er gevaar voor brand
bestaat.
175
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
kan de temperatuur in het systeem plaatselijk
dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor
schade (scheurvorming) in de cilinder kop
ontstaat. Vul koelvloeistof bij, wanneer het
peil tot onder het MIN-streepje is gezakt.
N.B. De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De temperaturen
kunnen plaatselijk hoog oplopen, wat schade
(scheurvorming) aan de cilinderkop kan
veroorzaken.
BELANGRIJK!
Ruitensproeiervloeistofreservoir
De ruitensproeiers en koplampsproeiers
maken gebruik van hetzelfde vloeistofreservoir. Zie de aan te houden hoeveelheden
en de aanbevolen kwaliteit voor vloeistoffen
en oliën op pagina 242.
Giet tijdens de wintermaanden antivries in
het reservoir om te voorkomen dat de
vloeistof in de pomp, het reservoir en de
slangen bevriest.
Tip: Maak bij het bijvullen van ruitensproeiervloeistof ook meteen de wisserbladen
schoon.
176
Koelvloeistof controleren en
bijvullen
Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
Het is belangrijk dat u verhouding tussen
koelvloeistof en water afstemt op de
heersende weersomstandigheden. Vul het
reservoir nooit alleen met schoon water. Het
gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel
wanneer het percentage koelvloeistof te laag
is als wanneer het te hoog is.
Zie pagina 242 voor de aan te houden
hoeveelheden.
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt,
Het is uitermate belangrijk dat u een
koelvloeistof met roestwerende eigenschappen gebruikt volgens de aanbevelingen van Volvo. Een nieuwe auto is
voorzien van koelvloeistof die bestand is
tegen temperaturen tot ca. –35 °C.
WAARSCHUWING!
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn.
Als u moet bijvullen terwijl de motor op
bedrijfstemperatuur is, moet u langzaam
de dop van het expansiereservoir
losdraaien om de overdruk te laten
ontsnappen.
BELANGRIJK!
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De temperaturen kunnen plaatselijk hoog oplopen,
wat schade (scheurvorming) aan de cilinderkop kan veroorzaken.
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
en een hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt, moet u de remvloeistof ieder jaar
verversen.
WAARSCHUWING!
Als de remvloeistof onder het MINstreepje van het reservoir staat, mag u niet
verder rijden voordat u remvloeistof hebt
bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het
remvloeistofverlies.
Rem- en koppelingsvloeistof
controleren en bijvullen
Stuurbekrachtigingsvloeistof
controleren en bijvullen
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in
hetzelfde reservoir1. De vloeistof moet tussen
het MIN- en MAX-streepje staan. Controleer
het peil regelmatig. Ververs de remvloeistof
om de twee jaar of iedere tweede geplande
servicebeurt.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De
vloeistof moet tussen het ADD- en FULLstreepje staan.
Zie pagina 242 voor de aan te houden
hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van
de remvloeistof.
N.B. Ook als er een storing optreedt in de
stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt
en u de auto moet laten wegslepen, blijft de
auto bestuurbaar. De auto zal echter veel
zwaarder dan normaal sturen en er is meer
kracht nodig om het stuurwiel te verdraaien.
N.B. Wanneer u vaak met uw auto in de
bergen of in landen met een tropisch klimaat
1.
Zie pagina 242 voor de aan te houden
hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit.
Positie verschilt op auto met het stuur
links of rechts
177
Onderhoud en service
Wisserbladen
– Trek het complete wisserblad omlaag,
zodat het oog van de wisserarm door het
gat in de wisserbladhouder gaat.
– Trek het wisserblad vervolgens omhoog,
zodat het oog van de wisserarm aan de
zijkant van de wisserbladhouder kan
passeren. Breng het nieuwe wisserblad in
omgekeerde volgorde aan en controleer
of het goed vastzit.
N.B. Let erop dat het wisserblad aan de
bestuurderszijde recht is en van een spoiler is
voorzien, terwijl dat aan de passagierszijde
enigszins gekromd is. De spoiler op het
wisserblad aan de bestuurderzijde moet
onderaan komen te zitten. De kromming van
het wisserblad aan de passagierszijde moet
overeenkomen met die van de onderkant van
de voorruit.
Wisserbladen voorruit
vervangen
– Klap de wisserarm uit en houd het
wisserblad onder 45° ten opzichte van de
wisserarm. Druk de borgveer op het
wisserblad in.
178
Wisserblad achterruit vervangen
– Klap de wisserarm naar achteren toe uit.
– Verwijder het wisserblad door het naar
buiten toe, in de richting van de
achterklep te halen.
– Duw het nieuwe wisserblad vast.
Controleer of het blad goed vastzit!
Onderhoud en service
Accu
• Controleer alle cellen. Verwijder de
celdoppen met een schroevendraaier.
Elke cel heeft zijn eigen MAX-streepje.
• Vul zo nodig bij met gedestilleerd water
tot aan het MAX-streepje.
• Vul nooit meer vloeistof bij dan tot aan
het MAX-streepje (A).
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
De accu bevat een bijtend
zuur.
BELANGRIJK!
Gebruik altijd gedestilleerd of gedeïoniseerd water (accuwater).
Onderhoud van de accu
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden,
het aantal malen dat de accu leegraakte e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de
werking van de accu.
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat
de accu uitgeput raakt en startproblemen
opleveren.
Let op het volgende om de accu in optimale
staat te houden:
• Controleer regelmatig of het peil van de
accuvloeistof in orde is (A).
– Draai de celdoppen stevig vast.
N.B. Hoe vaker de accu ontladen raakt, des
te minder lang gaat de accu mee.
Vermijd vonken en open
vuur.
Explosiegevaar.
Symbolen op de accu
De onderstaande symbolen zitten op de
accu.
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie het
instructieboekje dat bij de
auto hoort.
179
Onderhoud en service
Accu
Knalgas afvoeren
Accu vervangen
De accu kan het zeer explosieve knalgas
produceren. Om te voorkomen dat dit
knalgas in de bagageruimte blijft hangen, is
er een ontluchtingsslang om het gas af te
voeren. Als u de accu om wat voor reden dan
ook moet vervangen, moet u altijd zorgen dat
u de ontluchtingsslang op de nieuwe accu
aansluit op de afvoeropening in de carrosserie.
Om de accu te kunnen verwijderen moet u,
nadat u de afdekking hebt losgeschroefd, als
volgt te werk gaan:
180
– Zorg dat het contact is afgezet.
– Wacht ten minste 5 minuten, voordat u
een van de elektrische aansluitingen
aanraakt (zo kan de informatie van het
elektrisch systeem van de auto worden
opgeslagen in de verschillende regeleenheden).
– Ontkoppel eerst de minkabel.
– Ontkoppel daarna de pluskabel en de
ontluchtingsslang voor het knalgas.
Ga als volgt te werk bij het aanbrengen van
een accu:
–
–
–
–
Plaats de accu.
Sluit eerst de pluskabel aan.
Sluit daarna de minkabel aan.
Zorg dat de ontluchtingsslang op de
juiste manier is aangesloten tussen de
accu en de afvoeropening in de
carrosserie.
Onderhoud en service
Accu
WAARSCHUWING!
Let erop dat de accu het zeer explosieve
knalgas bevat. Zorg dat de ontluchtingsslang goed is aangesloten!
WAARSCHUWING!
Accu’s kunnen het zeer explosieve
knalgas produceren. Een enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van de startkabels, is voldoende om de
accu tot ontploffing te brengen, en zo
schade aan de auto en letsel te veroorzaken. De accu bevat ook zwavelzuur, wat
ernstige corrosieve verwondingen door
etsing kan veroorzaken. Als u accuzuur in
de ogen krijgt, of op uw huid of uw kleren
morst, moet u meteen met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk
contact op met een arts, als u accuzuur in
de ogen krijgt.
181
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Algemene informatie
Op pagina 247 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
Gloeilampen en puntverlichting van een
bijzonder type of lampen die alleen in een
werkplaats te vervangen zijn:
•
•
•
•
•
Interieurverlichting aan het plafond
Plafondverlichting
Leeslampjes
Verlichting dashboardkastje
Bi-Xenonkoplampen.
BELANGRIJK!
Raak het glas van gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op
uw vingers kunnen door de hitte
verdampen. Dit zorgt voor aanslag op de
reflector, waardoor deze al snel
kapotgaan.
182
WAARSCHUWING!
Als een auto is voorzien van Bi-Xenonkoplampen, moet u alle werkzaamheden aan
de lamp door een erkende Volvowerkplaats laten uitvoeren.
Omdat Bi-Xenonkoplampen voorzien zijn
van een ontstekingsgedeelte dat een
hoge spanning opwekt, moet u er
voorzichtig mee omgaan.
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
1
5
Dimlicht, groot licht, richtingaanwijzers, stadslichten en zijmarkeringslichten
Bij het vervangen van de gloeilampen van het
dimlicht, groot licht en de stadslichten moet u
eerst het lampelement in zijn geheel verwijderen. Verwijder de gloeilampen door het
lampelement als volgt te verwijderen en volg
daarna de specifieke aanwijzingen voor de
verschillende gloeilampen op.
– Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
– Open de motorkap.
– Maak het lampelement los door de twee
borgpennen omhoog te trekken waarmee
het element vastzit.
– Til het lampelement recht omhoog naar
buiten.
– Koppel de connector los door de
kliksluiting eerst vanaf de onderkant in te
drukken en vervolgens vanaf de
bovenkant iets omhoog te trekken.
– Til het koplampelement in zijn geheel naar
buiten en leg het op een zachte ondergrond neer om krassen op de lens te
voorkomen.
Plaats het koplampelement in omgekeerde
volgorde terug. Controleer na afloop of u de
borgpennen correct hebt ingestoken.
2
4
3
Positie van gloeilampen in
koplamphuis
1.
2.
3.
4.
5.
Dimlicht
Groot licht
Richtingaanwijzer
Stadslicht/parkeerlicht vóór
Zijmarkeringslicht
183
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Gloeilamp dimlicht
– Draai de buitenste afdekking linksom los.
– Trek de connector los.
– Maak de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts zodat de veerklem loskomt en
haal de klem vervolgens schuin naar
buiten toe omlaag.
– Trek de gloeilamp naar buiten.
– Breng de nieuwe gloeilamp aan. Dit kan
slechts op één manier.
– Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te
zitten.
– Druk de connector in positie terug.
– Draai de afdekking weer vast. Het
opschrift “ HAUT ” moet naar boven
wijzen.
184
Gloeilamp groot licht
– Trek de buitenste afdekking recht naar
achteren toe los.
– Trek de connector los.
– Maak de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts zodat de klemveer loskomt en
haal de klem vervolgens schuin naar
buiten toe omlaag.
– Trek de gloeilamp naar buiten.
– Breng de nieuwe gloeilamp aan. Dit kan
slechts op één manier.
– Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te
zitten.
– Druk de connector in positie terug.
– Plaats de afdekking terug.
Zijmarkeringslichten en stadslichten/parkeerlichten vóór
De lamphouders zijn voorzien van een
bajonetfitting.
– Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
– Trek de gloeilamp recht naar buiten.
– Breng de nieuwe gloeilamp aan door
deze voorzichtig in de uitsparingen te
duwen.
– Plaats de lamphouder terug en draai deze
rechtsom.
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Richtingaanwijzers
Zijrichtingaanwijzers
Mistlampen
De lamphouder is voorzien van een bajonetfitting.
– Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
– Probeer voorzichtig met een platte
schroevendraaier het lamphuis los te
halen.
– Draai de lamphouder een kwartslag
linksom en trek deze recht naar buiten
toe.
– Trek de defecte gloeilamp recht naar
buiten toe.
– Vervang de gloeilamp en druk deze recht
naar binnen.
– Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
– Draai de lamphouder iets naar links.
– Verwijder de gloeilamp.
– Breng de nieuwe gloeilamp aan. Het
profiel van de lamphouder past in de voet
van de lamp.
– Plaats de lamphouder terug door deze
iets naar rechts te draaien. Zorg dat het
opschrift “TOP” omhoogwijst!
– Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
– Duw de gloeilamp naar binnen, draai de
lamp linksom en verwijder deze.
– Breng de nieuwe gloeilamp aan door
deze in de uitsparingen te duwen en
vervolgens rechtsom te draaien.
185
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
1
2
3
4
Positie van gloeilampen in
achterlamphuis
1. Richtingaanwijzer
2. Remlicht
3. Achteruitrijlicht
4. Achterlicht
N.B. Als de foutmelding “Storing lampje”/
“Controleer remlicht” niet verdwijnt nadat de
kapotte lamp is vervangen, moet u contact
opnemen met een erkende Volvo-werkplaats
om de storing te verhelpen.
186
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
B
C
D
A
D
Gloeilampen in achterlamphuis
– Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
– Klap het onderste gedeelte van de
achterklep omlaag en open het vloerluik.
– Als uw auto is uitgerust met een houder
voor boodschappentassen (optie), moet u
de steunband van deze houder losnemen.
– Verwijder het hoekstuk (A).
– Open het luik (B) in het zijpaneel door de
pal (C) omhoog en naar u toe te trekken.
– Neem ringsleutel nr. 10 uit de gereedschapstas.
– Draai de moeren (D) los.
– Trek het lampelement in zijn geheel recht
naar achteren.
– Maak de bijeengebonden extra kabellengte los om ruimte te maken.
– Leg het element op een zachte ondergrond neer om krassen op het lampglas
te voorkomen.
– Trek de lamphouder linksom naar buiten.
– Draai de gloeilamp linksom los.
– Vervang de gloeilamp.
– Plaats de lamphouder in de uitsparing
terug en draai de houder rechtsom.
– Duw de extra kabellengte terug.
– Plaats het lampelement over de schroefgaten heen. Duw het element in positie.
– Draai de moeren vast.
– Plaats het zijpaneel en het hoekstuk
terug.
187
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Mistachterlicht
Kentekenplaatverlichting
Kentekenplaatverlichting
– Steek een platte schroevendraaier bij de
pijl op de afbeelding naar binnen.
– Beweeg het lampelement naar buiten toe.
– Draai het lampelement linksom en trek de
gloeilamp naar buiten.
– Vervang de gloeilamp.
N.B. Geldt voor auto’s geproduceerd vóór de
9de week van 2006.
– Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
– Draai het boutje los met een schroevendraaier.
– Haal voorzichtig het complete lamphuis
los en trek het naar buiten. Draai de
connector linksom en trek de gloeilamp
naar buiten.
– Vervang de gloeilamp.
– Plaats de connector terug en draai deze
rechtsom.
– Plaats het complete lamphuis terug en
schroef het vast.
N.B. Geldt voor auto’s geproduceerd vanaf
de 9de week van 2006.
188
– Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
– Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
– Verwijder het volledige lamphuis
voorzichtig en trek het naar buiten.
– Vervang de gloeilamp.
– Plaats het complete lamphuis terug en
schroef het vast.
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Instapverlichting
Gloeilamp in achterklep
Make-upspiegel
De instapverlichting vindt u onder het
dasboard aan de bestuurders- en passagierszijde. Vervang de gloeilampen van de
instapverlichting als volgt:
– Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
– Verwijder de kapotte gloeilamp.
– Breng een nieuwe gloeilamp aan.
Controleer of de gloeilamp werkt.
– Plaats het lamphuis terug.
– Steek een platte schroevendraaier naast
de middelste clip onder aan het spiegelelement. Beweeg het spiegelelement
omhoog, zodat de middelste clip loskomt.
– Trek de schroevendraaier naar de linkeren de rechterkant zodat de buitenste clips
loskomen.
– Til het spiegelelement naar buiten.
– Vervang de gloeilampjes.
– Plaats het spiegelelement met de
bovenkant naar voren gekanteld terug.
Let erop dat de bovenste clips goed
ingedrukt zijn, voordat u het spiegelelement in positie terugklapt.
– Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
– Verwijder de kapotte gloeilamp.
– Breng een nieuwe gloeilamp aan.
Controleer of de gloeilamp werkt.
– Plaats het lamphuis terug.
189
Onderhoud en service
Zekeringen
Hoewel de kabelloop per motortype ietwat kan verschillen, zitten de onderdelen op de lijst echter altijd op de aangegeven positie.
Om te voorkomen dat het elektrisch systeem
van uw auto beschadigd raakt door
kortsluiting of overbelasting, zijn alle verschillende elektrische functies en componenten
door een aantal zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op vier verschillende
plaatsen in de auto:
1.
2.
3.
4.
190
Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte.
Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde achter de
geluidsisolatie).
Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde in de zijkant
van het dashboard).
Zekeringenkastje in de bagageruimte.
Als een van de elektrische onderdelen of
functies niet werkt, kan het zijn dat de bijbehorende zekering overbelast werd en
daardoor gesmolten is.
– Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
– Trek de zekering naar buiten en bekijk
deze van opzij om te kijken of het
gebogen draadje soms doorgebrand is.
– Breng in dat geval een nieuwe zekering
aan met dezelfde kleur en hetzelfde
amperage.
Aan de binnenkant van het deksel in het
dashboard zitten enkele reservezekeringen.
U vindt er tevens een trekker waarmee u de
zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en
aanbrengen.
Als telkens dezelfde zekering doorbrandt, is
er sprake van een storing in de bijbehorende
component en moet u een bezoek brengen
aan een erkende Volvo-werkplaats om er de
auto te laten controleren.
Onderhoud en service
Zekeringen
Duw de kunststof borgnokken aan de zijkanten van het kastje in en trek het deksel omhoog.
Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
ABS................................................................................................ 30 A
ABS................................................................................................ 30 A
Hogedruksproeiers koplampen................................................. 35 A
Standverwarming (optie) ............................................................ 25 A
Verstralers (optie) ......................................................................... 20 A
Relais startmotor ......................................................................... 35 A
Ruitenwissers............................................................................... 25 A
Regeleenheid transmissie (TCM), (V8, diesel) ...................... 15 A
Brandstofpomp............................................................................. 15 A
Bobines (benzine), regeleenheid (ECM),
injectoren (diesel)........................................................................ 20 A
11. Gaspedaalsensor (APM), A/C-compressor, ventilator
elektronicakastje ........................................................................... 10 A
12. Regeleenheid motor (ECM) (benzine), injectoren (benzine),
luchtmassameter (benzine)....................................................... 15 A
luchtmassameter (diesel) .............................................................. 5 A
13. Regeleenheid gasklep (diesel), magneetklep,
SWIRL (luchtmengklep), brandstofdrukregelaar (diesel).....10 A
14. Lambdasonde (benzine)..............................................................20 A
Lambdasonde (diesel) .................................................................10 A
15. Magneetkleppen, gloeibougies (diesel)...................................10 A
Verwarming carterventilatie, magneetkleppen
luchtmassameter (V8), benzine .................................................15 A
16. Dimlicht (links) ..............................................................................20 A
17. Dimlicht (rechts) ...........................................................................20 A
18. -................................................................................................................ 19. Regeleenheid motor (ECM), voeding, motorrelais .................. 5 A
20. Achterlicht.......................................................................................15 A
21. -................................................................................................................ 191
Onderhoud en service
Zekeringen
Een sticker in het deksel van het relais- en zekeringkastje dat aan de zijkant van het dashboard zit, geeft de positie en het amperage van de
verschillende zekeringen aan.
Zekeringen in de passagiersruimte (aan de
bestuurderszijde in de zijkant van het dasboard)
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
192
Ventilator klimaatregeling........................................................... 30 A
Versterker audiosysteem............................................................ 30 A
Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel.................................. 25 A
Elektrisch bedienbare passagiersstoel.................................... 25 A
Regeleenheid linker voorportier ................................................ 25 A
Regeleenheid rechter voorportier ............................................. 25 A
- ................................................................................................................ - ................................................................................................................ Infotainment, RTI-display, cd, md.............................................. 10 A
10. OBDII, verlichtingsdraaiknop (LSM), stuurhoeksensor (SAS),
stuurregeleenheid (SWM) ........................................................... 5 A
11. Contactslot, SRS, motorregeleenheid (ECM) uitschakeling
SRS passagierszijde (PACOS), elektronische startblokkering
(IMMO), regeleenheid transmissie TCM (V8), diesel ..........7,5 A
12. Interieurverlichting plafond (RCM), bovenste elektronische
regeleenheid (UEM) ................................................................... 10 A
13. Schuifdak........................................................................................15 A
14. Telefoon............................................................................................. 5 A
15-38 --
Onderhoud en service
Zekeringen
Zekeringen in de passagiersruimte (aan de
bestuurderszijde in de zijkant van het dasboard)
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
Stoelverwarming, rechterzijde ................................................... 15 A
Stoelverwarming, linkerzijde....................................................... 15 A
Claxon............................................................................................. 15 A
- ................................................................................................................ Infotainment ................................................................................... 10 A
Reservepositie ...................................................................................... Reservepositie ...................................................................................... Sirene alarmsysteem ......................................................................5 A
Voeding remlichtschakelaar ..........................................................5 A
Instrumentenpaneel (DIM), klimaatregeling (CCM), standverwarming, elektrisch bedienbare bestuurdersstoel........... 10 A
11. Elektrische aansluiting voor en achterin.................................. 15 A
12. - ................................................................................................................ -
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
24.
25.
26.
Reservepositie ...................................................................................... -................................................................................................................ ABS, STC/DSTC ............................................................................ 5 A
Elektronische stuurbekrachtiging (ECPS), Bi-Xenon,
koplamphoogteverstelling ...........................................................10 A
Mistlicht linksvoor.........................................................................7,5 A
Mistlicht rechtsvoor .....................................................................7,5 A
Reservepositie ...................................................................................... Koelvloeistofpomp (V8) ................................................................. 5 A
Regeleenheid transmissie (TCM), blokkering
achteruitversnelling (M66) ..........................................................10 A
Groot licht, links ............................................................................10 A
Groot licht, rechts .........................................................................10 A
-................................................................................................................ -................................................................................................................ Reservepositie ...................................................................................... 193
Onderhoud en service
Zekeringen
27.
28.
29.
30.
31.
32.
33.
34.
35.
36.
194
Reservepositie ...................................................................................... Elektrisch bedienbare passagiersstoel.......................................5 A
Reservepositie ...................................................................................... BLIS ...................................................................................................5 A
Reservepositie ...................................................................................... Reservepositie ...................................................................................... Vacuümpomp ................................................................................ 20 A
Sproeierpomp ............................................................................... 15 A
- ................................................................................................................ - ................................................................................................................ -
Onderhoud en service
Zekeringen
Zekeringen in de bagageruimte
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
24.
Achteruitrijlicht ...............................................................................10 A
Achterlichten, mistachterlicht, bagageruimteverlichting,
kentekenplaatverlichting, LED’s in remlichten.........................20 A
Accessoires (AEM).......................................................................15 A
Reservepositie ...................................................................................... Elektronica (REM).........................................................................10 A
RTI, radio-ontvanger, RSE..........................................................7,5 A
Trekhaak (30-voeding) .................................................................15 A
Elektrische aansluiting bagageruimte.......................................15 A
Achterportier, rechts: Ruitbediening,
blokkering ruitbediening ..............................................................20 A
Achterportier, links: Ruitbediening, blokkering
ruitbediening ..................................................................................20 A
Reservepositie ...................................................................................... Reservepositie ...................................................................................... Verwarming dieselfilter.................................................................15 A
Subwoofer, airconditioning achterin (A/C)..............................15 A
Reservepositie ...................................................................................... Reservepositie ...................................................................................... Accessoires Infotainment .............................................................. 5 A
Reservepositie ...................................................................................... Ruitenwisser, achterklep..............................................................15 A
Trekhaak (15-voeding) .................................................................20 A
Reservepositie ...................................................................................... -................................................................................................................ AWD ...............................................................................................7,5 A
Reservepositie ...................................................................................... 195
Onderhoud en service
Zekeringen
25.
26.
27.
28.
29.
30.
31.
32.
33.
34.
35.
36.
37.
38.
196
- ................................................................................................................ Parkeerhulp.......................................................................................5 A
Hoofdzekering: Trekhaak, parkeerhulp, AWD ........................ 30 A
Centrale vergrendeling (PCL) ................................................... 15 A
Aanhangerverlichting, links: Achterlicht, richtingaanwijzer. 25 A
Aanhangerverlichting, rechts: Remlicht, mistachterlicht,
richtingaanwijzer........................................................................... 25 A
Hoofdzekering: Zekering 37, 38............................................... 40 A
- ................................................................................................................ - ................................................................................................................ - ................................................................................................................ - ................................................................................................................ - ................................................................................................................ Elektrische achterruitverwarming .............................................. 20 A
Elektrische achterruitverwarming ............................................. 20 A
Infotainment
Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Functies audiosysteem
Radiofuncties
Cd/md (optie)
Cd-wisselaar (optie)
Menusysteem – audio
Telefoon (optie)
Telefoonfuncties
Menu-instellingen en menuselectie – telefoon
198
199
204
208
216
218
220
222
224
231
197
Infotainment
Infotainment
Informatie en amusement
Het Infotainmentsysteem bestaat uit een
geïntegreerd audio- en telefoonsysteem. Het
Infotainmentsysteem kunt u handig en
eenvoudig bedienen vanaf het gemeenschappelijke bedieningspaneel of de
toetsenset op het stuur. Op het display staat
altijd aangegeven van welke functie u gebruik
maakt.
De XC90 kan worden uitgerust met Dolby
Surround Pro Logic II (Premium Sound). Dit
systeem zorgt voor een zeer realistische
geluidsweergave met een breed en natuurlijk
geluidsprofiel.
Het Infotainmentsysteem biedt u en
eventuele passagiers de mogelijkheid een
hoofdtelefoon (optie) aan te sluiten zodat
iedereen naar een verschillende geluidsbron
kan luisteren.
198
Infotainment
Audio, bedieningspanelen
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
1.
2.
3.
4.
5.
6.
20
11
19
12
18
13
17
14
16
15
Aan/uit, audiosysteem
Volume
Sneltoets cd
Sneltoets AM/FM (FM1 – FM2 – AM)
Display
ENTER – menu-opties kiezen, een
keuze activeren of telefoon activeren die
stand-by staat
7. Aan/uit/stand-by, telefoon
8. MY KEY – te programmeren sneltoets
voor favoriete functie
9. SELECTOR – geluidsbron kiezen
10. SOUND – geluidsregeling
11. EXIT/CLEAR – terugbladeren in menu’s,
een keuze annuleren, de telefoon standby zetten of het voorgaande teken
wissen bij invoer van cijfers en/of tekens
12. SIM-kaarthouder
13. Keuzetoetsen menu-opties
14. Uitwerpen, md-speler
15. Uitwerpen, cd-speler en cd-wisselaar
16. Cd-speler en cd-wisselaar (optie)
17. Md-speler (optie)
18. Sneltoetsen radiozenders/keuzetoets
sleuf cd-wisselaar (1-6), alfanumerieke
toetsen voor telefoon en sneltoetsen in
menu’s
19. IR-ontvanger voor afstandsbedieningen
(optie)
20. Nummer, zender opzoeken/wisselen of
vooruit- en achteruitbladeren bij invoer
van tekst en cijfers.
199
Infotainment
Audio, bedieningspanelen
1
Menusysteem
Met het menusysteem kunt u instellingen
controleren of wijzigen en nieuwe functies in
het systeem programmeren. De verschillende
menu-opties verschijnen op het display.
Wanneer menu-opties gevolgd worden door
een aantal punten bestaan er meerdere
subniveaus.
Druk op de toets MENU (1) om het
menusysteem te openen.
Voor het menusysteem geldt het volgende:
Toetsenset op stuurwiel
Audio, telefoon
Met de vier toetsen van de toetsenset op het
stuurwiel kunt u zowel het audiosysteem als
de telefoon regelen. De functie van de
toetsen hangt af van het systeem dat u
geactiveerd hebt. Met de toetsenset op het
stuur kunt u het volume regelen en een
andere zender (radio) of een ander nummer
(cd/md) selecteren.
200
Wanneer u de toetsen
of
ingedrukt
houdt, kunt u een nummer versneld voor- of
achteruitspoelen of een radiozender
opzoeken.
Om de telefoonfuncties met deze toetsen te
kunnen sturen, moet het telefoonsysteem in
de actieve stand staan (zie pagina 225).
Als u de toetsen wilt gebruiken om instellingen in het audiosysteem te verrichten,
moet u eerst de telefoon stand-by zetten
(deactiveren).
– Met de keuzetoetsen voor menu-opties
(pijl omhoog/pijl omlaag) gaat u een stap
omhoog of omlaag in het geopende
menu.
– Wanneer u EXIT/CLEAR lang ingedrukt
houdt, verlaat u het menusysteem.
– Wanneer u EXIT/CLEAR kort ingedrukt
houdt, annuleert u een optie of gaat u een
stap terug in het menusysteem.
– Wanneer u op ENTER drukt, bevestigt of
selecteert u een optie of gaat u van een
submenu naar het volgende submenu.
Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Aansluiting voor hoofdtelefoon
(optie)
De passagiers beschikken over hoofdtelefoonaansluitingen in de portierstijlen achter
de tweede zitrij. Zo kunnen er meerdere
personen tegelijk elk naar hun eigen
geluidsbron luisteren, zonder elkaar te storen.
Op elke aansluiting zijn twee hoofdtelefoons
aan te sluiten.
– Met de toets SEL kunt u de verschillende
geluidsbronnen doorbladeren.
– Met de pijltoetsen
of
kunt u van
nummer wisselen op de cd/md of van
radiozender veranderen.
– Houd de toetsen
of
ingedrukt om
versneld voor- of achteruit te spoelen of
de eerstvolgende goed doorkomende
zender op de geselecteerde golflengte te
zoeken.
– Druk op de toets SEL en houd deze
ingedrukt om het systeem uit te
schakelen.
– Wijzig het volume voor de hoofdtelefoons
met de bijbehorende volumeregelingstoets aan de zijkant van het paneel.
Wanneer u het audiosysteem met de
contactsleutel uitzet, schakelt u daarmee ook
alle hoofdtelefoons uit. U moet ze bij het
starten van de motor stuk voor stuk en
handmatig opnieuw inschakelen.
Voor de beste geluidsweergave adviseren wij
u een hoofdtelefoon met een impedantie van
16–32 ohm te gebruiken. De gevoeligheid
van dergelijke hoofdtelefoons moet minstens
102 dB zijn. De hoofdtelefoonaansluiting zit
onder aan het bedieningspaneel (1) en is
bestemd voor jackpluggen van 3,5 mm. Er
zijn adapters leverbaar van DIN naar minijack.
het niet mogelijk om vanaf het bedieningspaneel voor de hoofdtelefoon van
nummer of zender te veranderen. Dit om
de bestuurder niet te veel af te leiden.
• Als de bestuurder via het bedieningspaneel echter overschakelt naar de
geluidsbron waarnaar een passagier met
een hoofdtelefoon luistert, neemt de
bestuurder daarmee de controle over
deze geluidsbron over.
• Gebruikers van een hoofdtelefoon kunnen
een keuze maken uit de mogelijke
voorkeuren binnen de golflengte (AM,
FM1, FM2) die de bestuurder heeft
geselecteerd. Dit betekent dat de
bestuurder in bepaalde gevallen geen
nieuws- (NEWS) of verkeersbulletins (TP)
kan ontvangen, ook al is de functie TP/
NEWS geselecteerd.
• Er kan slechts één nummer van een van
de cd’s in de cd-wisselaar tegelijk worden
beluisterd.
Hoofdtelefoon, beperkingen
• Wanneer passagiers met een hoofdtelefoon naar dezelfde geluidsbron luisteren
als de bestuurder via de luidsprekers, is
201
Infotainment
Audio, bedieningspanelen
6.
2
1
4
2
5
3
6
7
8
9
Display
Afstandsbediening (optie)
Op het display (2) worden de actuele
functies zoals menu’s, berichten, telefoonnummers of instellingen weergegeven.
1.
Maak het display schoon met een droge en
zachte doek. Gebruik geen schoonmaakmiddelen.
–
–
–
2.
3.
4.
5.
202
MEMORY, slaat de gevonden radiozenders. op Sla een zender als volgt op:
Druk op de toets MEMORY.
Selecteer PRESET met PRESET/
DISC (5).
Bevestig uw keuze met de toets
MEMORY.
Volume
Nummer vooruit-/achteruitspoelen/
wisselen
SOURCE, geluidsbronnen doornemen
PRESET/DISC, cd in cd-wisselaar of
voorkeurzender selecteren
7.
8.
9.
AUTO, de best doorkomende zenders
opslaan
Geen functie
Geen functie
Aan/uit, audiosysteem
Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Richt de afstandsbediening op de IRontvanger (zie afbeelding) die zich onder de
aan/uit-knop bevindt.
N.B. De afstandsbediening bevat batterijen
van het type AAA (R03). Als de afstandsbediening niet werkt, moet u eerst controleren
of de batterijen aan vervanging toe zijn.
203
Infotainment
Functies audiosysteem
1
2
3
4
– Wanneer u op de toets AM/FM blijft
drukken, loopt u de radiostanden FM1,
FM2 en AM door.
Op het display staat aangegeven welke
geluidsbron u hebt gekozen.
1
U kunt alleen voor md kiezen met de knop
SELECTOR.
Aan/uit-knop, audiosysteem
Volumeregeling
Druk op de knop POWER (1) om het audiosysteem in of uit te schakelen.
Draai de knop (1) rechtsom of linksom om het
volume te verhogen of te verlagen. De
volumeregeling verloopt elektronisch en kent
geen eindstanden. U kunt het volume ook
verhogen of verlagen met de toetsen (+)
of (–) van de toetsenset op het stuurwiel mits
de telefoon niet actief is.
Als u de motor afzet terwijl het audiosysteem
actief is, zal het audiosysteem de volgende
keer dat u de motor start opnieuw actief zijn.
Geluidsbron kiezen
U kunt op twee verschillende manieren een
geluidsbron kiezen:
Met de selectietoetsen CD (2) en AM/FM (3)
of met de knop SELECTOR (4).
– Draai aan de knop SELECTOR om te
kiezen uit radio (FM1, FM2 of AM), cd/cdwisselaar (optie) of md (optie).
204
Pauzestand
Wanneer u het volume op nul hebt
afgeregeld, staat de cd/md-speler in de
pauzestand. Activeer de speler in dat geval
door het volume te verhogen.
Infotainment
Functies audiosysteem
Volumeregeling, TP/PTY/
NEWS/ALARM
Als u naar een geluidsbron zoals een cd
luistert op het moment dat de radio een
verkeersbulletin ontvangt, wordt de cd-speler
in de pauzestand gezet. Het bericht wordt
weergegeven op het volume dat u van
tevoren met de volumeknop hebt ingesteld
voor het beluisteren van het bericht. Het
systeem hervat na afloop onmiddellijk het
oude volume en speelt (in het gegeven geval)
de cd verder af. Als u het volume tijdens de
weergave van het bericht bijregelt, wordt het
nieuwe volume opgeslagen en bij een
volgend bericht opnieuw gehanteerd.
1
2
Dolby Pro Logic II (DPL II ) of driekanaals
stereoweergave (3-CH) hebt gekozen in het
menu.
U kunt het niveau van de “Ambient Surround
Sound” alleen bijregelen, als u voor
Dolby Pro Logic II hebt gekozen in het menu.
Het niveau van de subwoofer is alleen bij te
regelen als u voor Subwoofer hebt gekozen
in het menu.
Geluidsregeling
Geluidsregeling
– Druk op de toets SOUND (1).
– Druk net zolang op de toets SOUND
totdat de aanduiding van de functie
verschijnt die u wilt bijregelen. U hebt de
keuze uit BASS, TREBLE, FADER,
BALANCE, SUBWOOFER (optie),
CENTRE (optie) en SURROUND (optie).
– Regel het niveau bij met de knop
SELECTOR (2). Op het display verschijnt
een schaal van MIN tot MAX. De functie
is normaal gesproken op de middelste
stand afgesteld.
N.B. U kunt het niveau van de middenluidspreker alleen bijregelen, als u voor
Lage tonen
Hoge tonen
Balans tussen
luidsprekers links en
rechts
Balans tussen
luidsprekers voor en
achter
Niveau voor lagetonenluidsprekers
Niveau voor middenluidspreker
Niveau voor “Ambient
Surround Sound”
Displaytekst
BASS
TREBLE
BALANCE
FADER
SUBWOOFER
(optie)
CENTRE
(Premium
Sound)
SURROUND
(Premium
Sound)
205
Infotainment
Functies audiosysteem
N.B. Als de ontvangst van FM-zenders
verslechtert, levert twee- of driekanaals
stereoweergave een betere geluidsweergave
op dan de Surround-functie.
– Kies voor AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor SURROUND en druk op
ENTER.
– Kies voor Dolby FM of Dolby cd/md en
druk op ENTER.
– Kies voor PRO LOGIC II, 3 CHANNEL of
OFF en druk op ENTER.
SURROUND (optie)
Dolby Surround Pro Logic II
In combinatie met een centrale luidspreker in
het midden van het dashboard zorgt Dolby
Surround Pro Logic II1 voor een zeer realistische geluidsweergave. De normale stereokanalen links en rechts worden dan
opgedeeld in links, midden en rechts.
Bovendien produceren de luidsprekers
achterin het zogeheten “ambient surround
sound”. Dit effect evenaart de nagalm in de
opnameruimte. De instellingen voor de FMzenders en de cd-/md-speler worden elk
apart opgeslagen.
1.
206
Premium Sound.
• Het symbool
PL II verschijnt op het
display om aan te geven dat u voor Dolby
Pro Logic II hebt gekozen.
• Het symbool 3 CH verschijnt op het
display, als u voor 3 CHANNEL hebt
gekozen.
• Wanneer u voor OFF kiest, is de normale
stereoweergave actief.
Dolby Surround Pro Logic II is het
handelsmerk van Dolby Laboratories
Licensing Corporation. Dolby Pro Logic II
Surround Systeem is vervaardigd onder
licentie van Dolby Laboratories Licensing
Corporation.
Lagetonenluidsprekers,
SUBWOOFER (optie)
De lagetonenluidspreker ondersteunt het
audiosysteem en zorgt voor een voller
geluidsbeeld en een diepere basweergave.
– Kies voor AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor SUBWOOFER en druk op
ENTER. Een kruisje in het selectievakje
geeft aan dat u voor SUBWOOFER hebt
gekozen.
Infotainment
Functies audiosysteem
Equalizer FR (bepaalde
modellen)
De functie Equalizer FR gebruikt u om de
geluidsweergave van de voorste luidsprekers
fijn af te regelen
– Kies voor AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor Equalizer FR en druk op
ENTER.
– Stel het gewenste niveau in met de
keuzetoetsen voor de menu-opties (pijl
omhoog/pijl omlaag) of met de knop
SELECTOR.
– Druk op ENTER om de volgende
frequentie te kiezen. U hebt de keuze uit
vijf frequenties.
– Druk op ENTER totdat u in het
menusysteem bent aangekomen om de
wijzigingen die u aanbracht op te slaan.
– Stel het gewenste niveau in met de
keuzetoetsen voor de menu-opties (pijl
omhoog/pijl omlaag) of met de knop
SELECTOR.
– Druk op ENTER om de volgende
frequentie te kiezen. U hebt de keuze uit
vijf frequenties.
– Druk op ENTER totdat u in het
menusysteem bent aangekomen om de
wijzigingen die u aanbracht op te slaan.
Equalizer RR (bepaalde
modellen)
De functie Equalizer RR gebruikt u om de
geluidsweergave van de achterste
luidsprekers fijn af te regelen
– Kies voor AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor Equalizer RR en druk op
ENTER.
207
Infotainment
Radiofuncties
1
2
aanvankelijk langzaam in de gekozen
richting door om na enige seconden te
versnellen.
– Laat de toets los, wanneer de gewenste
frequentie op het display verschijnt.
– Als u de frequentie nog iets wilt bijregelen, kunt u de pijltoetsen
of
kortstondig indrukken.
– Wanneer u de laatste toets loslaat, hebt u
nog vijf seconden de tijd om handmatig
instellingen te verrichten.
1
Zenders zoeken
Zenders opslaan
– Kies een golflengte AM/FM1/FM2 met de
knop SELECTOR (2) of de toets AM/
FM (1).
U kunt als volgt een favoriete radiozender
opslaan onder een van de sneltoetsen
0-9 (1) voor radiozenders:
– Druk de toets
of
korte tijd in om
de eerstvolgende goed doorkomende
zender op te zoeken.
– Druk nogmaals op een van de toetsen om
een andere zender te zoeken.
– Stel de gewenste radiozender in.
– Druk op de sneltoets waaronder u de
zender wilt opslaan en houd de toets
ingedrukt. Het geluid valt enige seconden
weg en op het display verschijnt
STATION STORED. De zender is
daarmee opgeslagen.
Handmatig een bekende
frequentie instellen
– Druk op de toets
of
en houd deze
ingedrukt. Op het display verschijnt de
tekst MAN. De radio loopt de frequenties
208
Infotainment
Radiofuncties
U kunt tot 10 radiozenders per radiostand
(AM, FM1 en FM2), dus in totaal 30 zenders
opslaan.
Radio
FM
AM (LW)
AM (MW)
Golflengte
87,5 – 108 MHz
153 – 279 kHz
522 – 1611 kHz
Automatisch zenders opslaan,
AUTOSTORE
Met behulp de functie AUTOSTORE kunt u
tot tien goed te ontvangen AM- of FMzenders opzoeken en deze opslaan in een
afzonderlijk geheugen. Als er meer dan tien
zenders gevonden worden, worden alleen de
tien best doorkomende zenders geselecteerd. Deze functie is met name handig in
gebieden, waar u de radiozenders en hun
frequenties niet kent.
– Kies een golflengte met de knop
SELECTOR of de toets AM/FM.
– Kies voor AUTOSTORE en druk op
ENTER.
– Kies voor AST SEARCH en druk op
ENTER.
– Op het display verschijnt de tekst
AUTOSTORING, terwijl een aantal
zenders met een krachtig signaal
(maximaal 10) op de gekozen golflengte
automatisch in het geheugen worden
opgeslagen. Als er geen radiozender kont
worden gevonden met een signaal dat
krachtig genoeg is, verschijnt de tekst
NO AST FOUND.
– U kunt de opgeslagen radiozenders
activeren met een druk op een van de
sneltoetsen 0–9.
– Wanneer de functie autostore van de
radio actief is, verschijnt de tekst AUTO
op het display. De tekst AUTO verdwijnt
weer, wanneer u terugkeert naar de
normale radiostand.
– Keer terug naar de normale radiostand
met een druk op de toets AM/FM of EXIT/
CLEAR.
– Om een eerder opgeslagen zender te
activeren, moet u de punten 1–2
uitvoeren zoals eerder beschreven maar
in punt 3 voor AST MODE kiezen en
vervolgens op ENTER drukken.
209
Infotainment
Radiofuncties
1
Scannen, SCAN
Bij activering van de functie scannen zoekt de
radio automatisch de dichtstbijzijnde radiozender (AM of FM) met een krachtig signaal
op. Wanneer de radio een zender heeft
gevonden, wordt het scannen
ca. 8 seconden stopgezet. De radio gaat
daarna verder met scannen.
– Kies een golflengte met de knop
SELECTOR of de toets AM/FM.
– Kies voor SCAN en druk op ENTER.
– De tekst SCAN verschijnt op het display.
– Druk op de toets EXIT/CLEAR om de
scanfunctie te beëindigen.
“Radio Data System”, RDS
RDS is een systeem dat radiozenders binnen
een netwerk met elkaar verbindt. Het systeem
210
wordt onder meer gebruikt om automobilisten te helpen op de beste frequentie van
een bepaalde zender afgestemd te blijven
ongeacht de beluisterde zender of
geluidsbron (zoals een cd). Het systeem
wordt tevens gebruikt om verkeersinformatie
te ontvangen en radioprogramma’s van een
bepaald type te vinden. Bij activering van
radiotekst, een andere functie van RDS,
wordt radiozenders de mogelijkheid geboden
om tijdens de uitzending informatie over het
programma op het display te laten
verschijnen.
N.B. Sommige radiozenders maken geen
gebruik van RDS of slechts in beperkte mate.
Automatisch programma-informatie zoeken, PI Seek
Bij het beluisteren van een RDS-zender
wordt diverse informatie in de radio (zoals
verkeersinformatie) opgeslagen.
Wanneer u op een ingestelde RDS-zender
afstemt, werkt de radio de opgeslagen RDSinformatie van deze zender bij. Als de auto
zich net binnen of buiten het bereik van de
zender bevindt, zoekt de radio automatisch
naar het krachtigste signaal van een andere
zender die het door u beluisterde programma
doorgeeft.
Als er geen andere zender binnen het bereik
ligt, valt de radio stil en verschijnt de displaytekst “ PI SEEK PRESS EXIT TO CANCEL ”
zolang er geen andere zender gevonden is.
Als u op EXIT (1) drukt, geeft de radio de
gekozen zender weer zonder de RDS-informatie bij te werken.
Nieuws, NEWS
Met de functie NEWS kunt u ervoor zorgen
dat de weergave van andere geluidsbronnen
zoals een cd wordt onderbroken voor een
nieuwsbulletin.
– Kies een golflengte met de knop
SELECTOR of de toets AM/FM.
– Kies voor NEWS en druk op ENTER.
– De tekst NEWS verschijnt op het display.
– Kies nogmaals voor NEWS en druk op
ENTER om de functie NEWS uit te
schakelen.
Bij activering van deze functie krijgt u nieuwsbulletins binnen van RDS-zenders. Als u een
andere geluidsbron dan de radio beluistert,
wordt deze weergave onderbroken en
ontvangt u de bulletins op het volume dat u
voor het beluisteren hebt ingesteld. Na afloop
van het bulletin hervat het audiosysteem de
weergave van de voorgaande geluidsbron op
het oude volume.
– Als u een nieuwsbulletin voortijdig wilt
afbreken, moet u op de toets EXIT
drukken. De functie NEWS blijft echter
actief, zodat de radio op het volgende
nieuwsbulletin wacht.
Infotainment
Radiofuncties
– Kies nogmaals voor TP en druk op
ENTER om de functie TP uit te schakelen.
Wanneer de functie actief is, verschijnt de
tekst TP op het display. Als de door u beluisterde radiozender verkeersinformatie kan
doorgeven, staat er TP))) op het display. De
weergave van een geluidsbron kan dan ook
alleen worden onderbroken, wanneer de
tekst TP))) op het display staat.
– Als u een verkeersbulletin voortijdig wilt
afbreken, moet u op de toets EXIT
drukken. De functie TP blijft echter actief,
zodat de radio op het volgende verkeersbulletin wacht.
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van de functie TP krijgt u
verkeersinformatie binnen van RDS-zenders.
Als u een andere geluidsbron dan de radio
beluistert, wordt deze weergave onderbroken
en ontvangt u de verkeersinformatie op het
volume voor het beluisteren van verkeersinformatie dat u tevoren hebt ingesteld. Na
afloop van de verkeersinformatie hervat het
audiosysteem de weergave van de
voorgaande geluidsbron op het oude volume.
– Kies voor TP in het menu en druk op
ENTER.
– De tekst TP verschijnt op het display.
TP SEARCH
Met de functie TP SEARCH kunt u naar
verkeersinformatie blijven luisteren tijdens
internationale ritten (in Europa) zonder dat u
daarvoor zelf van zender hoeft te wisselen.
– Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor TP en druk op ENTER.
– Kies voor TP SEARCH en druk op
ENTER.
– Om de functie uit te schakelen moet u
nogmaals voor TP SEARCH kiezen en op
ENTER drukken.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie
door over de inhoud van de programma’s, de
uitvoerende artiesten e.d. Dergelijke informatie kan dan in tekstvorm op het display
verschijnen.
– Druk op de toets MENU.
– Selecteer RADIOTEXT in het menu en
druk op ENTER.
– Kies nogmaals voor RADIOTEXT en druk
op ENTER om de functie uit te schakelen.
211
Infotainment
Radiofuncties
Alarm
beluistert verschijnt vervolgens op het
display.
N.B. Niet alle radiozenders zijn voorzien van
een PTY-code.
Alarmmeldingen worden altijd automatisch
doorgegeven, zodat u de functie niet kunt
deactiveren.
Er verschijnt “Alarm!” op het display van de
radio, wanneer er een alarmmelding wordt
verzonden. Deze functie wordt gebruikt om u
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten, zoals ingestorte bruggen of
ongelukken in kerncentrales.
Programmatype
Actualiteiten
Programmatype, PTY
Met de functie PTY kunt u programma’s met
een bepaald onderwerp kiezen. U hebt de
keuze uit de programmatypes die in de
nevenstaande lijst staan.
PTY weergeven
Tot welk PTY behoort de zender die u
beluistert?
– Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor PTY in het menu en druk op
ENTER.
– Kies voor SHOW PTY en druk op
ENTER. Het PTY van de zender die u
212
Informatie
Sport
Educatie
Hoorspel
Kunst en cultuur
Wetenschap
Gevarieerde praatprogramma’s
Pop
Rock
Easy listening
Licht klassiek
Klassieke muziek
Overige muziek
Weer
Financieel nieuws
Kinderprogramma’s
Maatschappelijke
programma’s
Displaytekst
CURRENT
AFFAIRS
INFORMATION
SPORT
EDUCATION
DRAMA
CULTURES
SCIENCE
VARIED SPEECH
POP MUSIC
ROCK MUSIC
EASY LISTENING
LIGHT CLASSIC
SERIOUS
CLASSIC
OTHER MUSIC
WEATHER
FINANCE
CHILDREN
SOCIAL AFFAIRS
Infotainment
Radiofuncties
Programmatype
Religie
Inbelprogramma’s
Reizen
Ontspanning
Jazz
Country
Nationale muziek
Goud van oud
Volksmuziek
Documentaires
Displaytekst
RELIGION
PHONE IN
TRAVEL
LEISURE &
HOBBY
JAZZ MUSIC
COUNTRY MUSIC
NATIONAL
MUSIC
OLDIES MUSIC
FOLK MUSIC
DOCUMENTARY
Zender met een bepaald
programmatype (PTY) zoeken
U kunt de radio een zender met een bepaald
soort programma’s laten opzoeken op de
aangegeven golflengte.
– Kies FM 1 of FM 2 en druk op de toets
MENU.
– Kies voor RADIO SETTINGS en druk op
ENTER.
– Selecteer PTY en druk op ENTER.
– Kies voor SELECT PTY en druk op
ENTER.
– Druk op ENTER om één of meer van de
opgesomde programmatypes te selecteren. Het symbool PTY verschijnt op het
display, wanneer u uw eerste keuze
maakt. De functie PTY van de radio staat
vervolgens stand-by.
– Wanneer u alle programmatypes van uw
keuze geselecteerd hebt, moet u op EXIT/
CLEAR drukken om de PTY -lijst te
verlaten.
– Kies voor SEARCH PTY en druk op
ENTER. Als de radio een zender met het
gekozen programmatype heeft gevonden,
wordt deze zender via de luidspreker
weergegeven.
– Als de radio een zender heeft gevonden
die niet in de smaak valt, kunt u de radio
verder laten zoeken met de toetsen
en
.
– Als er geen zender met het gekozen
programmatype kan worden gevonden,
gaat de radio terug naar de voorgaande
frequentie. De functie PTY staat dan
stand-by, totdat er een programma van
het gekozen type wordt uitgezonden.
Wanneer dat het geval is, gaat de radio
automatisch over op de zender die het
geselecteerde programmatype uitzendt.
– Om de stand-bystand van de functie PTY
op te heffen, moet u het menu openen en
voor CLEAR ALL PTY kiezen. Het
symbool PTY verdwijnt dan van het
display en de radio keert terug naar de
normale weergavestand.
PTY stand-by
Om de functie PTY van de radio stand-by te
zetten moet u de stappen 1-6 herhalen.
213
Infotainment
Radiofuncties
N.B. U zult vervolgens alleen verkeersinformatie van de opgeslagen zender doorkrijgen.
Nieuws, NEWS STATION
Onder NEWS STATION kunt u aangeven
van welke radiozender u nieuws wenst te
ontvangen.
Let erop dat functie alleen werkt als de
ingestelde zender een RDS-zender is.
Verkeersinformatie, TP STATION
In het menu TP STATION kunt u aangeven
van welke radiozender u verkeersinformatie
wenst te ontvangen.
Let erop dat de functie alleen werkt wanneer
het symbool ))) op het display staat.
– Stem af op de radiozender met de
verkeersinformatie die u wilt ontvangen.
– Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor TP en druk op ENTER.
– Selecteer TP STATION en druk op
ENTER.
– Kies voor SET CURRENT en druk op
ENTER.
214
– Stem af op de radiozender met het
nieuws dat u wilt ontvangen.
– Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor NEWS STATION en druk op
ENTER.
– Kies voor SET CURRENT en druk op
ENTER.
N.B. U zult vervolgens alleen nieuws van de
opgeslagen zender doorkrijgen.
TP STATION/NEWS STATION uitschakelen
– Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor TP/NEWS STATION en druk
op ENTER.
– Kies voor RESET STATION en druk op
ENTER.
Automatische afstemfunctie, AF
De functie AF is normaal gesproken actief en
zorgt ervoor dat de radio afstemt op de
zender met het sterkste signaal voor de
gekozen zender.
– Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Selecteer AF en druk op ENTER.
– Om de functie AF uit te schakelen, moet u
nogmaals AF kiezen en op ENTER
drukken.
Regionale radioprogramma’s,
REG
De functie REG die normaal gesproken uitgeschakeld is, maakt het u mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te
blijven, ook al is het bijbehorende zendersignaal zwak.
– Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor REG en druk op ENTER.
– De tekst REG verschijnt op het display.
– Kies nogmaals voor REG en druk daarna
op ENTER om de functie REG uit te
schakelen.
Infotainment
Radiofuncties
– Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Selecteer EON en druk op ENTER.
– Kies voor LOCAL, DISTANT of OFF en
druk op ENTER.
RDS-instellingen resetten,
RESET ALL
Met de functie RESET ALL kunt u alle fabrieksinstellingen voor de RDS-functies van de
radio hervatten.
EON – LOCAL/DISTANT
(Enhanced Other Networks)
De functie EON staat normaal gesproken in
de stand DISTANT. De functie bepaalt of het
radioprogramma dat u beluistert moet
worden onderbroken voor bijvoorbeeld
verkeersinformatie of nieuwsbulletins (voor
zover u deze functies hebt geselecteerd). De
functie kent twee standen. Als u voor LOCAL
kiest, vindt er alleen onderbreking plaats
wanneer het signaal krachtig genoeg is. Als u
voor DISTANT kiest, vindt er ook onderbreking plaats wanneer het binnenkomende
signaal zwakker is. Er vindt geen onderbreking plaats, als u voor OFF kiest.
– Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor RESET ALL in het menu en
druk op ENTER.
– Druk nogmaals op ENTER om uw keuze
te bevestigen.
215
Infotainment
Cd/md (optie)
1
2
3
4
Versneld spoelen
3
1
2
Druk op
of
en houd deze toets
ingedrukt om een bepaald gedeelte binnen
een nummer of op de cd/md op te zoeken.
Zolang u de toets ingedrukt houdt, zoekt de
speler verder. Als uw stuurwiel is uitgerust
met een toetsenset, kunt u gebruik maken
van de bijbehorende toetsen.
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM
Met de functie RANDOM kunt u de nummers
op een cd/md in een willekeurige volgorde
laten afspelen.
Cd/md-speler starten
– Start de cd-speler met de knop
SELECTOR (3) of druk op de toets
CD (1). Leg een cd in de cd-speler (4).
– Start de md-speler met de knop
SELECTOR (3). Leg een md in de mdspeler (2).
Van nummer wisselen
Druk op
om naar het volgende nummer te
gaan of op
om naar het vorige nummer te
gaan. Het display geeft het nummer aan dat
wordt afgespeeld. Als uw stuurwiel is
uitgerust met een toetsenset, kunt u gebruik
maken van de bijbehorende toetsen.
216
– Kies voor RANDOM in het menu en druk
op ENTER.
– De tekst RND staat op het display, zolang
de functie actief is.
– Kies voor RANDOM OFF of druk op de
toets EXIT om de functie te beëindigen.
Scannen
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
ieder nummer de eerste tien seconden weer
te geven.
– Kies voor SCAN en druk op ENTER.
– Druk op de toets EXIT/CLEAR, wanneer
u een nummer hebt gevonden dat u wilt
beluisteren.
Disctext (alleen md)
Op sommige schijven staat informatie over
het album en de nummers. Deze informatie
verschijnt in tekstvorm op het display, als u de
functie DISCTEXT hebt geactiveerd.
– Kies voor DISCTEXT in het menu en druk
op ENTER.
Infotainment
Cd/md (optie)
– Als er aanvullende informatie op de md
staat, verschijnt deze vervolgens op het
display.
– Om de functie weer uit te schakelen moet
u DISCTEXT selecteren en op ENTER
drukken.
Md uitwerpen
Als u op de uitwerptoets (1) drukt, valt de
weergave van de md stil en wordt de md
uitgeworpen.
BELANGRIJK!
Speel uitsluitend standaard-cd’s met een
diameter van 12 cm. Gebruik geen cd’s
met een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het
etiket losraken en schade aan de cdspeler veroorzaken.
Cd uitwerpen
Als u op de uitwerptoets (2) drukt, valt de
weergave van de cd stil en wordt de cd uitgeworpen.
Om veiligheidsredenen hebt u 12 seconden
de tijd om de uitgeworpen cd uit te nemen.
Als de cd na afloop van deze periode nog in
de cd-speler zit, wordt de cd weer
ingenomen. Druk op de toets CD (3) om de
cd-speler weer te activeren.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het
mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of
zelfs helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die
voldoen aan de norm ISO 60908 bieden de
beste geluidskwaliteit.
217
Infotainment
Cd-wisselaar (optie)
1
3
2
Van nummer wisselen
Druk op
om naar het volgende nummer te
gaan of op
om naar het vorige nummer te
gaan. Het display geeft het nummer aan dat
wordt afgespeeld. Als uw stuurwiel is
uitgerust met een toetsenset, kunt u gebruik
maken van de bijbehorende toetsen.
Versneld spoelen
Cd-wisselaar inschakelen
De cd-wisselaar biedt plaats aan maximaal
zes cd’s.
– Selecteer de cd-stand met de knop
SELECTOR (2) of druk op de toets
CD (1).
– Kies een lege sleuf met de sneltoetsen
1-6 (3). Op het display staat aangegeven
welke sleuf leeg is.
– Breng een cd in de cd-wisselaar aan.
Wacht totdat de tekst INSERT DISC
verschijnt, voordat u een nieuwe cd
aanbrengt.
Sleuf kiezen
U kiest de sleuf waarin de af te spelen cd ligt
met de sneltoetsen 1-6 (3). Op het display
verschijnt het nummer van de geselecteerde
cd en het gekozen nummer op deze cd.
218
Druk op
of
en houd deze toets
ingedrukt om een bepaald gedeelte binnen
een nummer of op de cd/md op te zoeken.
Zolang u de toets ingedrukt houdt, zoekt de
speler verder. Als uw stuurwiel is uitgerust
met een toetsenset, kunt u gebruik maken
van de bijbehorende toetsen.
Scannen, SCAN
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
ieder nummer de eerste tien seconden weer
te geven.
– Druk op de toets MENU.
– Kies voor SCAN en druk op ENTER.
– Druk op de toets EXIT/CLEAR, wanneer
u een nummer hebt gevonden dat u wilt
beluisteren.
De functie scannen werkt alleen voor de
geselecteerde cd.
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM
Met de functie RANDOM kunt u de nummers
op een cd/md in een willekeurige volgorde
laten afspelen.
– Kies voor RANDOM in het menu en druk
op ENTER.
– Kies voor SINGLE DISC of ALL DISCS
om de nummers op een van de cd’s of op
alle cd’s in de cd-wisselaar in een willekeurige volgorde te laten afspelen.
– De tekst RND of RND ALL staat op het
display, zolang de functie actief is.
– Druk op de toets EXIT om de functie te
beëindigen.
Druk op
om het volgende willekeurig
gekozen nummer af te spelen.
N.B. U kunt alleen een volgend, willekeurig
nummer op dezelfde cd kiezen.
Disctekst
Op sommige schijven staat informatie over
het album en de nummers. Deze informatie
verschijnt in tekstvorm op het display, als u de
functie DISCTEXT hebt geactiveerd.
– Druk op de toets MENU.
– Kies voor DISCTEXT in het menu en druk
op ENTER.
– Als er aanvullende informatie op de cd
staat, verschijnt deze vervolgens op het
display.
– Om de functie weer uit te schakelen moet
u DISCTEXT selecteren en op ENTER
drukken.
Infotainment
Cd-wisselaar (optie)
1
tekst EJECTING ALL verschijnt op het
display.
De functie is alleen te activeren wanneer de
auto stilstaat en wordt onderbroken, als de
auto begint te rijden.
Om veiligheidsredenen hebt u 12 seconden
de tijd om de uitgeworpen cd uit te nemen.
Als de cd na afloop van deze periode nog in
de wisselaar zit, wordt de uitwerpfunctie
afgebroken.
Cd’s
Cd uitwerpen
Als u op de uitwerptoets (1) drukt, valt de
weergave van de cd stil en wordt de cd uitgeworpen.
Om veiligheidsredenen hebt u 12 seconden
de tijd om de uitgeworpen cd uit te nemen.
Als de cd na afloop van deze periode nog in
de cd-speler zit, wordt de cd weer
ingenomen.
Alle cd’s uitwerpen, EJECT ALL
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het
mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of
zelfs helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die
voldoen aan de norm ISO 60908 bieden de
beste geluidskwaliteit.
BELANGRIJK!
Speel uitsluitend standaard-cd’s met een
diameter van 12 cm. Gebruik geen cd’s
met een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het
etiket losraken en schade aan de cdspeler veroorzaken.
Wanneer u de uitwerptoets EJECT (1) lang
indrukt, activeert u de functie EJECT ALL.
Alle cd’s in het magazijn van de cd-wisselaar
worden dan één voor één uitgeworpen. De
219
Infotainment
Menusysteem, –audio
Menu AM/FM
1
1. Autostore
1. AST Search
2. AST Mode
2. Scan1
3. News1 (On/ Off2)
4. TP1 (On/Off2)
5. Radiotekst1 (On/Off2)
6. Radio Settings
1. PTY
1. Select PTY
1. Clear All PTY
2. PTY List
2. Search PTY2
3. Show PTY (On/Off2)
2. TP
1. TP Station
1. Set Current/Reset Current
2. TP Search (On/Off2)
3. News Station
1. Set Current /Reset Current
4. AF2 (On2/Off)
5. Regional2 (On/Off2)
6. EON
1. Off
2. Local
1.
2.
220
Te programmeren met MY KEY (zie
pagina 221).
Standaard-/fabriekinstelling.
3. Distant2
7. Reset All
7. Audio Settings3
1. Dolby FM
1. Pro Logic II
2. 3 Channel
3. Off2
2. Dolby CD/MD
1. Pro Logic II2
2. 3 Channel
3. Off
3. Subwoofer2,4 (On2/Off)
4. Equalizer Fr
5. Equalizer Rr
6. Reset All
Menu CD
1. Random1
2. Scan1
3. News1 (On/Off2)
4. TP1 (On/Off2)
5. Audio Settings3
Zie Audio Settings in Menu AM/FM
3.
4.
Bepaalde modellen
Optie.
Menu CD (cd-wisselaar)
1. Random1
1. Off2
2. Single Disc
3. All Discs
2. Scan1
3. News1 (On/Off2)
4. TP1 (On/Off2)
5. Disc Text1 (On/Off2)
6. Audio Settings3
Zie Audio Settings in Menu AM/FM
Menu MD
1. Random1
2. Scan1
3. News1
4. TP1
5. Disc Text1 (On/Off2)
6. Audio Settings3
Zie Audio Settings in Menu AM/FM
Infotainment
Menusysteem, –audio
1
– Om een nieuwe functie onder de toets op
te slaan moet u de bovenstaande
punten (1-4) herhalen.
Persoonlijke sneltoets, MY KEY
Onder de persoonlijke sneltoets MY KEY (1)
kunt u uw favoriete menufunctie opslaan,
zoals SCAN, AUTOSTORE of TP.
– Blader de functies door met de keuzetoetsen voor menu-opties.
– Kies de functie die u wilt opslaan door de
toets MY KEY meer dan twee seconden
lang ingedrukt te houden.
– Wanneer de tekst MY KEY STORED op
het display verschijnt, is de functie
opgeslagen.
– Activeer de functie vervolgens door de
toets MY KEY kortstondig in te drukken.
221
Infotainment
Telefoon (optie)
222
Infotainment
Telefoon (optie)
Onderdelen van het telefoonsysteem
1. Toetsenset op stuurwiel
Met de toetsenset op het stuurwiel kunt u de
meeste functies van uw telefoonsysteem
regelen.
Wanneer het telefoonsysteem in de actieve
stand staat, kunt u de toetsenset op het
stuurwiel alleen gebruiken voor de telefoonfuncties. In de actieve stand staan er altijd
telefoongegevens op het display.
2. Microfoon
De microfoon voor handsfree bellen is in de
plafondconsole geïntegreerd.
3. Bedieningspaneel
Met behulp van de toetsen op het bedieningspaneel kunt u alle functies van het telefoonsysteem behalve het gespreksvolume
regelen. Op het display verschijnen menu’s,
berichten, telefoonnummers e.d.
4. SIM-kaart
U breng de SIM-kaart aan de voorkant van
het bedieningspaneel in.
5. Handset
De handset kunt u gebruiken om ongestoord
te kunnen praten.
6. Antenne
De antenne is tegen de voorruit aangebracht,
achter de achteruitkijkspiegel.
Algemene voorschriften
• Verkeersveiligheid staat voorop! Als u als
bestuurder gebruik wilt maken van de
handset, moet u de auto eerst op een
veilige plaats parkeren.
• Schakel het systeem uit tijdens het
tanken.
• Schakel het systeem uit in gebieden waar
met explosieven wordt gewerkt.
• Laat reparatie van de telefoon aan erkend
servicepersoneel over.
Noodoproepen
Ook zonder een SIM-kaart is het mogelijk het
alarmnummer te bellen. Uw auto moet zich
echter wel binnen het dekkingsgebied van
een GSM-provider bevinden.
– Activeer het telefoonsysteem.
– Kies het alarmnummer van het land
waarin u zich bevindt (112 binnen de EU).
– Druk op de toets ENTER op het bedieningspaneel of het stuurwiel.
Luidsprekers
Het telefoonsysteem maakt gebruik van de
luidspreker in het bestuurdersportier of van
de middenluidspreker (voor zover aanwezig)
van het audiosysteem.
223
Infotainment
Telefoonfuncties
1
2
3
4
5
2
6
7
1.
2.
3.
4.
224
8
4
9
6
Display
ENTER – gesprekken beantwoorden,
menuselecties verrichten of telefoon
activeren die stand-by staat
Aan/uit/stand-by
EXIT/CLEAR – een gesprek beëindigen/weigeren, terugbladeren in
menu’s, een keuze annuleren of
ingevoerde cijfers/tekens wissen
5.
6.
7.
8.
9.
SIM-kaarthouder
Keuzetoetsen menu-opties
Alfanumerieke toetsen voor telefoon en
sneltoets in menu’s
Pijl naar links/rechts, vooruit- of achteruitbladeren bij de invoer van tekst en/of
nummers
Gespreksvolume verhogen/verlagen
Infotainment
Telefoonfuncties
1
Wanneer de telefoon actief is of stand-by
staat, staat er een hoorn op het display.
N.B. Bij het audiosysteem Performance
(standaarduitvoering) kunt u tijdens een
telefoongesprek geen radioprogramma, cd,
md of verkeersbulletin beluisteren.
Als u het contact uitschakelt terwijl het
telefoonsysteem actief is, zal het telefoonsysteem eveneens actief zijn wanneer u het
contact opnieuw inschakelt. Wanneer u het
telefoonsysteem hebt uitgeschakeld, kunt u
geen gesprekken aannemen.
Toets Aan/uit/stand-by,
telefoon
Systeem activeren:
– Druk op de toets PHONE (1) om het
telefoonsysteem in te schakelen.
Systeem uitschakelen:
– Houd de toets PHONE ingedrukt om het
telefoonsysteem uit te schakelen.
Zet het systeem als volgt stand-by:
– Druk korte tijd op de toets PHONE of
druk op de toets EXIT/CLEAR om het
telefoonsysteem stand-by te zetten.
– Druk korte tijd op de toets PHONE om
het systeem opnieuw te activeren.
Volumeverlaging tijdens
gesprekken
Als de telefoon gaat terwijl u naar de radio
luistert, wordt het volume verlaagd zodra u
het gesprek aanneemt. Na afloop van het
gesprek speelt de radio op het oude volume
verder. U kunt het radiovolume ook tijdens
het gesprek bijregelen, waarna de radio na
afloop van het gesprek op het nieuwe volume
verder speelt. U kunt het geluid van het audiosysteem ook helemaal uitzetten tijdens een
telefoongesprek (zie het menu 5.5.3 op
pagina 231).
De functie geldt alleen voor het geïntegreerde telefoonsysteem van Volvo.
Stand-by
Wanneer het telefoonsysteem stand-by
staat, kunt u gesprekken aannemen terwijl
het audiosysteem aanstaat en er informatie
van de geluidsbronnen van het audiosysteem
op het display verschijnt.
Om van de overige functies van het telefoonsysteem gebruik te maken moet de telefoon
in de actieve stand staan.
Sneltoetsen in menu’s
Wanneer u met de menutoets naar het
menusysteem bent gesprongen, kunt u
gebruik maken van de numerieke toetsen in
plaats van de pijltoetsen en de toets ENTER
om naar het gewenste submenu op het
225
Infotainment
Telefoonfuncties
hoofdniveau te springen. Iedere menu-optie
heeft een bepaald nummer. Het nummer van
het geselecteerde menu staat samen met de
naam van de menu-optie op het display
weergegeven.
– Duw de houder weer naar binnen toe.
Neem bij problemen met de SIM-kaart
contact op met uw netwerkprovider.
Bellen en gesprekken aannemen
Bellen:
Verkeersveiligheid
– Kies het nummer en druk op ENTER op
de toetsenset op het stuurwiel of op het
bedieningspaneel (of til de handset op).
Inkomend gesprek aa nnemen:
Om veiligheidsredenen zijn delen van het
menusysteem voor de telefoon niet toegankelijk bij snelheden hoger dan 8 km/h. U kunt
de begonnen activiteiten in het menusysteem
echter nog wel beëindigen.
In het menu 5.6 kunt u deze snelheidsbegrenzing opheffen.
SIM-kaart
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige SIM-kaart
(Subscriber Identity Module). U hebt deze
kaart van uw provider ontvangen.
Breng altijd de SIM-kaart aan, als u gebruik
wilt maken van het telefoonsysteem.
– Schakel het telefoonsysteem uit.
– Duw de SIM-kaarthouder naar buiten toe
door de houder korte tijd in te drukken.
– Leg de kaart dusdanig in de houder dat
de kant met het metaal omlaagwijst.
– Zorg dat de afgeschuinde hoek van de
SIM-kaart overeenkomt met die van de
houder.
226
– Druk op ENTER of til de handset op. U
kunt ook gebruik maken van de automatische aanneemfunctie “Auto antw.” (zie
menu-optie 4.3).
Het geluid van het audiosysteem kan automatisch worden uitgeschakeld tijdens een
gesprek (zie menu-optie 5.6.3.).
Gesprekken beëindigen
Druk op EXIT/CLEAR op de toetsenset van
het stuurwiel of op het bedieningspaneel of
leg de handset op. Het audiosysteem gaat
weer in de voorgaande stand staan.
U weigert inkomende gesprekken met een
druk op de toets EXIT/CLEAR.
Infotainment
Telefoonfuncties
A
op
op het stuurwiel (of maak gebruik
van de menutoetsen op het bedieningspaneel) en kies voor Handsfree. Druk op
ENTER en leg de handset neer. Als u de
handset al hebt opgenomen wanneer de
telefoon gaat, wordt het geluid via het
handsfreesysteem doorgegeven. Druk op
de toets MENU, ga naar Handset en druk
op ENTER om het geluid in de handset
weer te geven.
Laatst gekozen nummers
Handset
Als u privégesprekken wilt voeren, kunt u
gebruik maken van de handset. Neem de
handset op door korte tijd op de bovenkant
(A) te drukken.
– Voer het gewenste nummer in met de
toetsenset op het bedieningspaneel en
neem de handset op om te bellen. U
regelt het volume met de draaiknop op de
zijkant van de handset.
– U kunt het gesprek beëindigen door de
handset terug in de houder te leggen.
– Doe het volgende als u tijdens een
lopend gesprek wilt overgaan op het
gebruik van de handsfree zonder
daarvoor het gesprek te beëindigen: druk
Het telefoonsysteem slaat automatisch de
tien laatst gekozen telefoonnummers/namen
op.
– Druk op ENTER van de toetsenset op het
stuurwiel of op het bedieningspaneel.
– Blader met de pijltoetsen vooruit of
achteruit door de laatst gekozen
nummers. De nummers verschijnen op het
display.
– Druk op ENTER.
Verkort kiezen
Telefoonnummers onder een sneltoets
opslaan
De nummers die zijn opgeslagen in het
telefoonboek van het systeem kunt u
koppelen aan een bepaalde sneltoets (1–9).
U doet dat als volgt:
– Selecteer Telefoonboek in het menu en
druk op ENTER.
– Blader verder naar Verk. kiezen
(menu 3.3.) en druk op ENTER.
– Druk op de sneltoets waaronder u het
nummer wilt opslaan. Druk op ENTER om
uw keuze te bevestigen.
– Zoek de naam of het telefoonnummer van
uw keuze op in het telefoonboek. Druk op
ENTER om een keuze te maken.
Sneltoets gebruiken
Houd de gewenste sneltoets ca.
twee seconden ingedrukt om te bellen of
druk eerst kort op de cijfertoets en daarna op
de toets ENTER.
N.B. Na inschakeling van de telefoon moet u
enkele seconden wachten, voordat u gebruik
kunt maken van de functie verkort kiezen. Om
verkort te kunnen kiezen moet Menu 3.3.1
geactiveerd zijn.
Tijdens een lopend gesprek een
tweede gesprek aannemen
Als u tijdens een lopend gesprek twee korte
geluidssignalen hoort, komt er een tweede
gesprek binnen. U kunt deze functie in- of
uitschakelen in dit menu.
U kunt het tweede gesprek vervolgens wel of
niet aannemen. Als u het gesprek niet wilt
aannemen, moet u op EXIT/CLEAR drukken
of niets doen.
Als u het gesprek echter wel wilt aannemen,
moet u op ENTER drukken. U parkeert het
lopende gesprek dan tijdelijk. Als u op EXIT/
CLEAR drukt, worden beide gesprekken
beëindigd.
227
Infotainment
Telefoonfuncties
Functies tijdens lopende
gesprekken
Telefoonboek
Telefoonnummers en namen kunt u in het
geheugen van de telefoon zelf opslaan of in
het geheugen op de SIM-kaart.
Tijdens een lopend gesprek kunt u de
volgende functies activeren (blader met de
pijltoetsen en druk op ENTER om een keuze
te maken):
Ruggespraak/
Ruggespraakstand
Ruggespraak
uit
Parkeren/
Om het lopende wel of
Hervatten
niet te parkeren
Handset/
Om de handset of de
Handsfree
handsfree te gebruiken
Telefoonboek
Telefoonboek bekijken
Wanneer u tijdens een lopend gesprek een
tweede gesprek hebt geparkeerd, kunt u de
volgende functies activeren (blader met de
pijltoetsen en druk op ENTER om een keuze
te maken):
Ruggespraak/
Ruggespraak
uit
Handset/
Handsfree
Telefoonboek
Samenvoegen
Wisselen
228
Ruggespraakstand
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Telefoonboek bekijken
Om twee gesprekken
tegelijk te voeren
(conferentie)
Om te wisselen tussen
de twee gesprekken
1
Wanneer u een gesprek aanneemt afkomstig
van een van de nummers die in het
telefoonboek liggen opgeslagen, wordt de
bijbehorende naam op het display weergegeven.
U kunt maximaal 255 namen in het geheugen
van de telefoon opslaan.
Telefoonnummers met namen
opslaan
Gespreksvolume
Verhoog of verlaag het gespreksvolume door
tijdens het gesprek op de toetsen + of – (1)
van de toetsenset op het stuurwiel te
drukken.
Wanneer de telefoon in de actieve stand
staat, kunt u met de toetsenset op het
stuurwiel alleen de telefoonfuncties regelen.
Als u de toetsen wilt gebruiken om instellingen in het audiosysteem te verrichten,
moet u eerst de telefoon stand-by zetten (zie
pagina 225).
– Druk op de toets MENU, kies voor
Telefoonboek en druk op ENTER.
– Blader verder naar Toevoegen en druk op
ENTER.
– Voer een naam in en druk op ENTER.
– Voer een nummer in en druk op ENTER.
– Geef aan in welk geheugen u het nummer
en de naam wilt opslaan en druk
vervolgens op ENTER.
Namen (of berichten) invoeren
Druk op de toets met het teken van uw keuze:
druk eenmaal op de toets om het eerste
teken van de toets in te voeren, tweemaal om
het tweede teken in te voeren enz. Druk op
de 1 om een spatie in te voegen.
Infotainment
Telefoonfuncties
spatie 1 - ? ! , . : " ' ( )
abc2äåàáâæç
def3èéëê
ghi4ìíîï
Tekstinvoer afbreken:
– U kunt alle ingevoerde tekens wissen
door lang op de toets EXIT/CLEAR te
drukken.
– Keer terug naar het menu door nogmaals
lang op de toets EXIT/CLEAR te drukken.
jkl5
mno6ñöòóØ
pqrs7ß
tuv8üùúû
1
wxyz9
om tweemaal achtereen
hetzelfde teken van een toets in
te voeren moet u na de eerste
maal op * drukken of enkele
seconden wachten.
+0@*#&$£/%
om te wisselen tussen hoofdletters en kleine letters
om het laatst ingevoerde teken
te wissen. Wanneer u de toets
lang ingedrukt houdt, kunt u het
nummer of de tekst in zijn
geheel wissen.
Nummers uit het geheugen
bellen
– Druk op de pijl omlaag (1) van de MENUtoetsen of op
op het stuurwiel om het
telefoonboek te doorzoeken.
– Kies uit de volgende mogelijkheden:
• Druk op ENTER en blader met de
pijltoetsen naar de naam van uw keuze.
• Druk op de toets die overeenkomt met de
eerste letter van de bijbehorende naam
(of voer de complete naam in) en druk op
ENTER.
– Druk op ENTER om het geselecteerde
nummer te bellen.
229
Infotainment
Telefoonfuncties
Specificaties
Vermogen
SIM-kaart
Geheugenposities
SMS
(Short Message
Service)
Data/Fax
Dualband
2W
Klein, 3 V
2551
Ja
Nee
Ja (900/
1800)
1. 255 geheugenposities in het geheugen
van de telefoon. Het aantal geheugenposities op de SIM-kaart verschilt
afhankelijk van het abonnement.
Dubbele SIM-kaart
Veel providers bieden dubbele SIM-kaarten
aan: één voor de autotelefoon en één voor
een andere telefoon. Als u over een dubbele
SIM-kaart beschikt, kunt u hetzelfde nummer
voor twee verschillende telefoons gebruiken.
Neem contact op met uw provider over de
mogelijkheden en het gebruik van een
dubbele SIM-kaart.
230
IMEI-nummer
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEInummer van de telefoon aan uw provider
doorgeven. Dit nummer is een serienummer
bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon
geprogrammeerd is. Toets *#06# op uw
telefoon in om het nummer op het display te
zien. Noteer het nummer en bewaar het op
een veilige plaats.
Infotainment
Menu-instellingen en menuselectie – telefoon
1. Oproepreg., CALL
1.1.
Gem. oproep
1.2.
Ontvangen oproepen
1.3.
Uitgaande opr.
1.4.
Wis lijst
1.4.1.
Alle oproepen
1.4.2.
Gemiste oproepen
1.4.3.
Ontv. oproepen
1.4.4.
Uitgaande opr.
1.5.
Duur oproep
1.5.1.
Laatste oproepen
1.5.2.
Tel oproepen
1.5.3.
Totale tijd
1.5.4.
Reset timer
2. Meldingen
2.1.
Lezen
2.2.
Nieuw bericht invoeren
2.3.
Inst. boodsch.
2.3.1.
SMSC-nummer
2.3.2.
Geldigheid
2.3.3.
Soort boodsch.
3. Telefoonboek
3.1.
Toevoegen
3.2.
Zoeken
3.3.
Alles kopiëren
3.3.1.
SIM naar tel
3.3.2.
Tel naar SIM
3.4.
Verk. kiezen
3.4.1.
Actief
3.4.2.
Nummer kiezen
3.5.
SIM-geheugen wissen
3.6.
Telefoon wissen
3.7.
Geheugenstatus
4. Bel-opties.
4.1.
Nummer mee
4.2.
Oproep wacht
4.3.
Auto antw.
4.4.
Automatisch herkiezen
4.5.
Doorschakelen
4.5.1.
Alle oproepen
4.5.2.
Bij bezet
4.5.3.
Onbeantwoord
4.5.4.
Onbereikbaar
4.5.5.
Fax-oproepen
4.5.6.
Data-oproepen
4.5.7.
Alles annul.
5. Inst. tel.
5.1.
Netwerk
5.1.1.
Automatisch
5.1.2.
Handmatig
5.2.
Taal
5.2.1.
Dansk
5.2.2.
Deutsch
5.2.3.
English UK
5.2.4.
English US
5.2.5.
Español
5.2.6.
Français CAN
5.2.7.
Français FR
5.2.8.
Italiano
5.2.9.
Nederlands
5.2.10. Português BR
5.2.11. Português P
5.2.12. Suomi
5.2.13. Svenska
5.3.
SIM-beveiligd
5.3.1.
Aan
5.3.2.
Uit
5.3.3.
Automatisch
5.4.
Wijzig codes
5.4.1.
PIN-code
5.4.2.
Telefooncode
5.5.
Geluiden
5.5.1.
Belvolume
5.5.2.
Belsignaal
5.5.3.
Radio Mute
5.5.4.
Boodsch.sign.
5.6.
Verkeersv.
5.7.
Fabrieksinst.
231
Infotainment
Menu-instellingen en menuselectie – telefoon
1. Oproepregister
1.1. Gemiste oproepen
In dit menu verschijnt een lijst met de tien
laatst gemiste oproepen. U kunt de nummers
bellen, wissen of toevoegen aan het
telefoonboek.
1.2. Ontvangen oproepen
In dit menu verschijnt een lijst met de tien
laatst ontvangen oproepen. U kunt de
nummers bellen, wissen of toevoegen aan
het telefoonboek.
1.3. Uitgaande gesprekken
In dit menu verschijnt een lijst met de tien
laatst gekozen nummers. U kunt de nummers
bellen, wissen of toevoegen aan het
telefoonboek.
1.4. Wis lijst
Met behulp van deze functie kunt u de lijsten
onder de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3 wissen zoals
hieronder beschreven.
1.4.1.
Alle
1.4.2.
Gemist
1.4.3.
Ontvangen
1.4.4.
Uitgaande
1.5. Duur oproep
In dit menu hebt u de mogelijkheid om de
duur van al uw oproepen of alleen de laatste
te zien. U kunt ook het aantal oproepen
bekijken en de timer resetten.
1.5.1.
Laatste oproepen
232
1.5.2.
Tel oproepen
1.5.3.
Totale tijd
1.5.4.
Reset timer
Om de timer te kunnen resetten moet u over
de telefooncode beschikken (zie Menu 5.5).
2. Meldingen
2.1. Lezen
In dit menu kunt u de ingekomen
boodschappen lezen. U kunt de gelezen
boodschappen (of gedeelten ervan)
vervolgens wissen, doorsturen, wijzigen of
opslaan.
2.2. Nieuw bericht invoeren
Met de toetsenset kunt u boodschappen
invoeren. U kunt de boodschappen
vervolgens opslaan of versturen.
2.3. Instellingen boodschappen
In dit menu kunt u het nummer van de mailbox
(SMSC-nummer) aangeven waarnaar u uw
boodschappen wilt doorschakelen. U kunt
tevens aangeven hoe uw boodschap de
geadresseerde moet bereiken en hoelang
deze in de mailbox moet blijven liggen.
2.3.1.
SMSC-nummer
2.3.2.
Geldigheid
2.3.3.
Soort boodschap
Neem contact op met uw provider voor informatie over deze instellingen en het SMSCnummer. U hoeft deze instellingen normaal
gesproken niet te wijzigen.
3. Telefoonboek
3.1. Toevoegen
In dit menu hebt u de mogelijkheid om namen
en telefoonnummers op te slaan in het
telefoonboek. Zie het hoofdstuk over het
telefoonboek voor meer informatie.
3.2. Zoeken
3.3. Alles kopiëren
Telefoonnummers en namen op de SIM-kaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
3.3.1.
Van het geheugen op de SIM-kaart
naar dat van de telefoon
3.3.2.
Van het geheugen van de telefoon
naar dat op de SIM-kaart
3.4. Verkort kiezen
Een nummer dat in het telefoonboek ligt
opgeslagen, kunt u aan een sneltoets met
een bepaald nummer koppelen.
3.5. SIM-geheugen wissen
In dit menu kunt u het complete geheugen op
de SIM-kaart wissen.
3.6. Telefoon wissen
In dit menu kunt u het complete geheugen
van de telefoon wissen.
3.7. Geheugenstatus
In dit menu kunt u zien hoeveel geheugenposities in beslag genomen worden door de
namen en telefoonnummers in het geheugen
op de SIM-kaart en in dat van de telefoon.
Infotainment
4. Bel-opties
4.1. Nummer mee
Geef aan of uw eigen nummer wel of niet op
het display van de ontvanger moet
verschijnen. Neem contact op met uw
provider voor een permanent geheim
nummer.
4.2. Oproep wacht
Geef aan of u wel of geen signaal wilt
ontvangen, wanneer er tijdens een lopend
gesprek een tweede oproep wacht.
4.3. Auto antw.
Geef aan of u inkomende gesprekken
automatisch wilt beantwoorden.
4.4. Automatisch herkiezen
Geef aan of u een eerder gekozen nummer na
een bezettoon automatisch wilt laten
herkiezen.
4.5. Doorschakelen
In dit menu kunt u aangegeven welke soorten
oproepen moeten worden doorgeschakeld
naar het gespecificeerde telefoonnummer en
wanneer.
4.5.1.
Alle oproepen (de instelling geldt
alleen tijdens het lopende gesprek).
4.5.2.
Bij bezet
4.5.3.
Onbeantwoord
4.5.4.
Onbereikbaar
4.5.5.
Fax-oproepen
4.5.6.
Data-oproepen
4.5.7.
Alles annul.
5. Telefooninstellingen
5.1. Netwerk
Geef aan of u automatisch of handmatig
netwerken wilt selecteren. De geselecteerde
provider verschijnt tijdens het inschakelen
van het telefoonsysteem op het display.
5.1.1.
Auto
5.1.2.
Handmatig
5.2. Taal
In dit menu kunt u aangeven in welke taal u de
berichten op het display wilt zien.
5.2.1.
Dansk
5.2.2.
Deutsch
5.2.3.
English UK
5.2.4.
English US
5.2.5.
Español
5.2.6.
Français CAN
5.2.7.
Français FR
5.2.8.
Italiano
5.2.9.
Nederlands
5.2.10. Português BR
5.2.11. Português P
5.2.12. Suomi
5.2.13. Svenska
5.3. SIM-beveiligd
In dit menu kunt u aangeven of de invoer van
de PIN-code actief of inactief moet zijn of
automatisch moet verlopen.
5.3.1.
Aan
5.3.2.
Uit
5.3.3.
Automatisch
5.4. Wijzig codes
In dit menu kunt u uw PIN-code of uw
telefooncode wijzigen.
5.4.1.
PIN-code
5.4.2.
Telefooncode (gebruik 1234,
voordat u overgaat op uw eigen
code). U gebruikt de telefooncode
om de timer op nul te kunnen
stellen.
N.B. Noteer de code en bewaar deze op een
veilige plaats.
5.5. Geluiden
5.5.1.
Belvolume: In dit menu kunt u het
volume van het belsignaal bij een
binnenkomend gesprek instellen.
5.5.2.
Belsignaal: In dit menu kunt u
kiezen uit verschillende soorten
belsignalen.
5.5.3.
Radio Mute: On/off
5.5.4.
Aanp. Snelh.: Geef aan of het
volume wel of niet afhankelijk moet
zijn van de rijsnelheid.
5.5.5.
Boodschapsignaal
5.6. Verkeersveiligheid
In dit menu kunt u aangeven of u de
snelheidsbegrenzing die geldt voor het
menusysteem wel of niet wilt uitschakelen,
zodat u het complete menusysteem ook
tijdens het rijden kunt gebruiken.
5.7. Fabrieksinstellingen
Functie om de fabrieksinstellingen te
herstellen.
233
Infotainment
234
Technische gegevens
Type-aanduidingen
Maten en gewichten
Motorspecificaties
Motorolie
Overige vloeistoffen en smeermiddelen
Brandstof
Katalysator
Elektrisch systeem
236
237
238
239
242
243
245
246
235
Technische gegevens
Type-aanduidingen
Wanneer u contact opneemt met uw Volvodealer of vervangende onderdelen of
accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn als u de typeaanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand
hebt.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
1.
236
Bepaalde motortypes
Type-aanduiding van de motor,
onderdeel- en serienummer
Sticker voor standverwarming.
Chassisnummer.
Type-aanduiding, chassisnummer,
maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor lak en bekleding en
typegoedkeuringsnummer.
a. type 1
b. type 2
Type-aanduiding en serienummer van
de versnellingsbak.
a: Automatische versnellingsbak GM.
b: Automatische versnellingsbak AW.
c: Handgeschakelde versnellingsbak.
d: Automatische versnellingsbak.
Motoroliesticker1
Op de sticker staan de oliekwaliteit, viscositeit en de aan te houden
hoeveelheid.
Technische gegevens
Maten en gewichten
Maten
Lengte: 480 cm
Breedte: 190 cm
Hoogte: 178 cm
Wielbasis: 286 cm
Spoorbreedte, vooras: 163 cm
Spoorbreedte, achteras: 162 cm
Type 1
Gewichten
Alleen China
Bij het rijklaar gewicht is het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende
oliën/vloeistoffen e.d. inbegrepen. Het
gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires zoals een trekhaak (en de
kogeldruk daarvan bij gebruik van een
aanhanger (zie tabel)), lastdragers, skibox
e.d. zijn van invloed op de laadcapaciteit en
zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare belasting (zonder bestuurder) =
totaalgewicht – rijklaar gewicht.
1. Max. totaalgewicht
2. Max. aanhangergewicht
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
WAARSCHUWING!
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er
wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Max. dakbelasting: 100 kg
Geremde aanhanger
Type 2
1. Max. totaalgewicht
2. Max. treingewicht (auto + aanhanger)
3. Max. voorasdruk
4. Max. achterasdruk
Zie pagina 236 voor de positie van de sticker.
Max. aanhangergewicht
0-1200 kg
2250 kg
Max.
kogeldruk
50 kg
90 kg
Ongeremde aanhanger
Max. aanhangergewicht 750 kg
237
Technische gegevens
Motorspecificaties
Specificatie
Vermogen (kW bij omw/s)
(pk bij omw/min)
Motorkoppel (Nm bij omw/s)
(kpm bij omw/min)
Aantal cilinders
Cilinderboring (mm)
Slaglengte (mm)
Cilinderinhoud (dm3 of liter)
Compressieverhouding
Bougies:
Elektrodeafstand (mm)
Aanhaalmoment (Nm)
Motoraanduiding
2.5T
B5254T2
T6
B6294T
V8 AWD
B8444S
D5 AWD
D5244T4
154/83
210/5000
320/25-75
32,6/15004500
5
83
93,2
2,521
9,0:1
200/85
272/5100
380/30-83
38,8/18005000
6
83
90
2,922
8,5:1
232/98
315/5850
440/65
44,9/3900
8
94
79,5
4,414
10,4:1
136/67
185/4000
400/33-46
40,8/20002750
5
81
93,2
2,40
17,0:1
0,7
30
0,7
30
1,1
30
-
Type-aanduiding, onderdeel- en serienummer
van de motor vindt u op de motor (zie
pagina 236).
238
Technische gegevens
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• in temperaturen lager dan -30 °C of hoger
dan +40 °C
• Doe dat ook bij korte ritten (over
afstanden kleiner dan 10 km) bij lage
temperaturen (onder 5 °C)
In dergelijke omstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik
abnormaal toenemen.
BELANGRIJK!
Gebruik altijd een oliesoort met de
voorgeschreven kwaliteit en viscositeit.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats voor service,
als er een andere olie werd gebruikt dan
voorgeschreven.
Gebruik geen toevoegingen (dopes). Ze
kunnen de motor beschadigen.
Viscositeitsdiagram
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van
.
239
Technische gegevens
Motorolie
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit (zie pagina 236 voor de
positie), geldt het volgende:
Oliekwaliteit: ACEA A1/B1
Viscositeit: SAE 5W–30
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
Oliesticker
Hoeveelheden
Motortype
T6
B6294T
1. Inclusief hoeveelheid in filter.
240
Hoeveelheid1
(liter)
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN – MAX (liter)
1,5 liter
6,6
Technische gegevens
Motorolie
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit (zie pagina 236 voor de
positie), geldt het volgende:
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W-30
Oliesticker
Hoeveelheden
Motortype
2.5T
B5254T2
V8 AWD
B8444S
D5 AWD
D5244T4
Hoeveelheid1
(liter)
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN – MAX (liter)
1,2
5,5
6,7
2,0
6,2
1. Inclusief hoeveelheid in filter.
241
Technische gegevens
Overige vloeistoffen en smeermiddelen
BELANGRIJK!
Om schade aan de versnellingsbak te voorkomen moet u de aanbevolen kwaliteit versnellingsbakolie gebruiken en geen verschillende
merken met elkaar vermengen. Neem contact op met de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats voor service, als er een andere oliesoort
werd gebruikt.
Vloeistof
Versnellingsbakolie
Koelvloeistof
Systeem
Handgeschakelde zesversnellingsbak
(M66)
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
Automatische versnellingsbak (GM4T65)
Automatische versnellingsbak (TF-80SC)
Benzinemotor 2.5T
Benzinemotor T6
Benzinemotor V8
Dieselmotor D5
Airconditioning
met A/C achterin
Remvloeistof
Stuurbekrachtiging
Ruitensproeiervloeistof
242
Systeem
waarvan reservoir
Hoeveelheid
Aanbevolen kwaliteit
2,0 liter
Versnellingsbakolie: MTF 97309
7,2 liter
12,7 liter
7,0 liter
9,0 liter
10,5 liter
10,2 liter
12,5 liter
1000 g
1300 g
0,6 liter
1,0 liter
0,2 liter
Versnellingsbakolie: JWS 3309
Transmissie-olie Dexron III G
Versnellingsbakolie: JWS 3309
Koelvloeistof met corrosiewerende dope
aangelengd met water (zie verpakking).
Thermostaat opent bij: benzinemotoren,
90 ºC, dieselmotoren 82 ºC.
6,5 liter
Olie: PAG
Koudemiddel R134a (HFC134a)
DOT 4+
Stuurbekrachtigingsvloeistof: WSS
M2C204-A of een soortgelijk product met
dezelfde specificaties.
Bij vorst wordt u geadviseerd een door
Volvo aanbevolen antivries aangelengd met
water te gebruiken.
Technische gegevens
Brandstof
Verbruik, uitstoot
Motor
2.5T
B5254T2
T6
V8 AWD
D5 AWD
B6294T
B8444S
D5244T4
Versnellingsbak
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
Automatische versnellingsbak (GM4T65)
Automatische versnellingsbak (TF-80SC)
Automatische versnellingsbak (TF-80SC)
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van
kooldioxide
(CO2) in g/km
11,1(11,2)1
11,7(11,8)1
12,7
13,3(13,5)1
266(269)1
280(282)1
304
317(322)1
9,0(9,0)1
8,2(8,3)1
239(239)1
217(219)1
Tankinhoud
in liter
80
80
80
68
1. Geldt voor model met zeven zitplaatsen.
243
Technische gegevens
Brandstof
Brandstofverbruik en uitstoot
van kooldioxide
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn
gebaseerd op een gestandaardiseerde
rijcyclus conform EU-richtlijn 80/1268 voor
voertuigen met verbrandingsmotoren. Het
gebruik van extra accessoires kan de
verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de
accessoires het gewicht van de auto
verhogen. Ook de rijstijl en andere niettechnische factoren kunnen van invloed zijn
op het brandstofverbruik. Bij gebruik van
brandstof met een octaangetal van 91
(RON), neemt het brandstofverbruik toe
terwijl het motorvermogen lager wordt.
244
Benzine
De meeste motoren lopen op benzine met
een octaangetal van 91, 95 en 98 RON.
• 91 RON mag u niet gebruiken in 4-cilindermotoren.
• 95 (RON) is te gebruiken in de normale
rijomstandigheden.
• 98 (RON) wordt geadviseerd voor een
maximaal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan
+38 ºC wordt u geadviseerd een brandstofsoort met een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties
en een zo laag mogelijk brandstofverbruik te
verkrijgen.
Benzine:
Norm NEN-EN 228
Diesel:
Norm NEN-EN 590
Technische gegevens
Katalysator
LambdasondeTM
(zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het
regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te
beperken en de energie-inhoud van de
brandstof beter te benutten.
Algemene informatie
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator is dicht bij de
motor in het uitlaatsysteem gemonteerd om
snel op temperatuur te komen.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor
verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse wordt doorgegeven aan het
elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het lucht-brandstofmengsel
dat de motor krijgt, wordt continu bijgesteld.
De regeling schept de ideale omstandigheden voor een effectieve verbranding van de
schadelijke stoffen (koolwaterstoffen,
koolmonoxide en stikstofoxiden) in de
driewegkatalysator.
De katalysator bestaat uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. De metalen hebben een
katalytische werking, d.w.z. ze versnellen een
chemische reactie zonder dat ze daar zelf
actief aan deelnemen.
245
Technische gegevens
Elektrisch systeem
Algemene informatie
12V-systeem met wisselstroomdynamo en spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders
worden gebruikt. De minpool is verbonden met het chassis.
Accu
Prestaties
Spanning
Koudestartcapaciteit
(CCA)
Reservecapaciteit (RC)
Motor
2.5T
12 V
600 A1
T6
12 V
600 A1
V8 AWD
12 V
600 A1
D5 AWD
12 V
800 A
120 min.
120 min.
120 min.
170 min.
1. Op een auto met standverwarming zit een accu van 800 A.
Let er bij het vervangen van de accu op, dat de nieuwe accu dezelfde
koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele accu heeft
(zie sticker op de accu).
Dynamo
Prestaties
Max. stroomsterkte (A)
Motor
2.5T
140
T6
160
2.5T
1,4
T6
1,7
V8 AWD
170
D5 AWD
140
Startmotor
Prestaties
Vermogen (kW)
246
Motor
V8 AWD
2,0
D5 AWD
2,2
Technische gegevens
Elektrisch systeem
Gloeilampen
Verlichting
1. Groot licht/dimlicht
2. Bi-Xenon-systeem
3. Mistlampen vóór
4. Stadslichten/parkeerlichten vóór, zijmarkeringslichten vóór, kentekenplaatverlichting, instapverlichting achter
5. Richtingaanwijzers voor, mistachterlicht
6. Zijrichtingaanwijzers
7. Remlichten, achteruitrijlichten
8. Richtingaanwijzers achter
9. Achterlichten
10. Make-upspiegel
11. Instapverlichting voor, bagageruimteverlichting
Verlichting dashboardkastje
Vermogen W
Lampvoet
55
35
55
5
H7
D2R
H1
W 2,1x9,5d
21
5
21
21
4
1,2
5
3
BAY9s
W 2,1x9,5d
BAY15d
BA 15s
BAZ15s
SV5,5
SV8,5
BA9
247
Technische gegevens
248
Alfabetisch register
A
B
C
Aanhanger .................................................... 130
Aanhangergewicht ...................................... 237
Aanrijdingssensoren ......................................21
Aanstaande moeders ....................................11
Aansteker/elektrische aansluiting ...............50
ABS ...................................................................45
Accu ............................... 129, 171, 179, 246
Achterbank, hoofdsteunen ...........................91
Achterbank, ruggedeelte omklappen .........90
Achterlamphuis ............................................ 186
Adaptief systeem ......................................... 118
Afneembare trekhaak ................................. 134
Afstandsbediening ............................100, 202
Afstemfunctie, automatische .................... 214
Airbag, passagierszijde .................................14
Airbags .............................................................26
Airconditioning achter in
passagiersruimte ............................................49
Alarm .............................................................. 212
Alarmdiode ................................................... 109
Alarmlichten .....................................................51
Alarmsensoren ................................................50
Audio, bedieningspanelen ........................ 199
Auto wassen ................................................. 164
AUTO, ECC ....................................................74
Automatische vergrendeling ..................... 103
Automatische versnellingsbak .................. 118
Automatische versnellingsbak,
beveiligingssystemen ................................. 118
Bagagenet ...................................................... 94
Bagagerolhoes ............................................... 96
Bagageruimte ...............................................189
Banden
maataanduiding .....................................148
rijeigenschappen ..................................148
slijtage-indicatoren ...............................149
snelheidsaanduidingen .......................148
Bandenreparatie, provisorisch ..................157
Bandenspanning, aanbevolen ..................151
Batterijtje vervangen,
afstandsbediening .......................................102
Bekleding reinigen ......................................165
“Belangrijk”-kaders ...........................................2
Benzinekwaliteit ...........................................244
Bergen ...........................................................127
Bescherming tegen whiplash ..................... 22
Beslagen ruiten .............................................. 68
Beveiliging tegen overbelasting ................. 66
Blaasmonden ................................................. 69
BLIS .......................................................50, 143
Boordcomputer .............................................. 56
Brandstofmeter .............................................. 43
Brandstofsysteem ........................................173
Brandstofverbruik ........................................244
Brandstofverbruik, actueel ........................... 56
Buitenspiegels, elektrisch verwarmde ...... 51
Buitenspiegels, inklapbare .......................... 50
Buitentemperatuurmeter .............................. 43
Cd/md ........................................................... 216
Cd/md, scannen ......................................... 216
Cd’s uitwerpen ............................................ 219
Cd-wisselaar ................................................ 218
Condensatie ................................................. 173
Contactsleutel .............................................. 116
Controle- en waarschuwingslampjes ........43
D
Dagteller ...........................................................43
Dashboardkastje ................................. 86, 104
Dimlicht ................................................. 52, 184
Disctekst ....................................................... 216
Display ..............................................................47
Dode hoek (BLIS) ....................................... 143
Doorwaaddiepte .......................................... 112
DSTC ............................................. 46, 49, 124
Dynamo ......................................................... 246
E
ECC, luchtverdeling ......................................74
Elektrisch kinderslot ................................... 107
Elektrisch systeem ...................................... 246
Elektrisch verwarmde voorstoelen ..............71
Elektrische achterruitverwarming ................71
Elektrische buitenspiegelverwarming ........71
Elektronische startblokkering ................... 100
EON ............................................................... 215
249
Alfabetisch register
Equalizer ........................................................ 207
Extra verwarming ............................................77
F
“Follow-Me-Home”-verlichting .....................53
Functies afstandsbediening ...................... 101
Functies audiosysteem .............................. 204
G
Geïntegreerd kinderzitje ...............................32
Geluidsregeling ........................................... 205
Gemiddeld brandstofverbruik ......................56
Gesprekken, volume ................................... 228
Gevarendriehoek ......................................... 152
Gewicht ......................................................... 237
Gloeilamp kentekenplaatverlichting ........ 188
Gloeilampen ................................................. 182
Gordelspanners .............................................12
Gordelwaarschuwing ....................................11
Groot licht ..................................... 43, 52, 184
Groot licht, wisselen, grootlichtsignalen ...53
H
Handmatige schakelstanden,
keuzehendel ................................................. 120
Handset ......................................................... 227
Herstellen, lakschade ................................. 166
Herstellen, roestwering .............................. 168
Hoofdtelefoonaansluitingen ...................... 201
250
I
IMEI-nummer ................................................230
In de was zetten en poetsen .....................165
Informatiedisplay ............................................ 47
Infotainment ..................................................198
Instapverlichting ...........................................189
Instellen, nieuws ..........................................210
Instrumentenverlichting ................................ 52
Interieurverlichting ......................................... 83
Interior Air Quality System, ECC ................ 73
Intervalstand ................................................... 54
ISOFIX-bevestigingssysteem ...................... 34
K
Katalysator .....................................................245
Keuzehendelblokkering ..............................119
Kickdown .......................................................118
Kilometerteller ................................................. 43
Kinderen in de auto, plaats .......................... 30
Kinderslot ..............................................49, 106
Kinderzitje, monteren .................................... 34
Kinderzitjes en airbags ................................. 28
Kinderzitjes en SIPS-airbags ...................... 19
Kleurcode, lak ...............................................166
Klokje ................................................................ 43
Knalgas ..........................................................180
Knipperlichten ..............................................185
Koelvloeistof .................................................176
Kooldioxide ...................................................244
Koplampen ...................................................... 52
Koplamphoogteverstelling ...........................52
Koplamphuis ................................................ 183
Koplampsproeiers ..........................................55
Koppelingsolie ............................................. 177
Koppelingsvloeistof .................................... 177
Koude start ................................................... 118
Koudemiddel ...................................................68
L
Lading in de bagageruimte ..........................93
Lagetonenluidspreker ................................ 206
Lak, kleurcode ............................................. 166
Lambdasonde .............................................. 245
Lichtbundel ................................................... 140
Lichtsignaal .....................................................53
Lock-up ......................................................... 118
Lopende gesprekken, functies ................. 228
Luchtverdeling, A/C .......................................71
M
Make-upspiegel ........................................... 189
Maten ............................................................. 237
Melding, display .............................................47
Menusysteem ............................................... 200
Menusysteem, audio .................................. 220
Milieubeleid ....................................................... 3
Mistachterlicht ............................................. 188
Mistlampen ................................................... 185
Mistlichten .......................................................52
Motorkap ....................................................... 172
Alfabetisch register
Motorolie .............................................174, 240
Motoroliesticker ........................................... 236
Motorruimte .................................................. 172
MY KEY ......................................................... 221
N
“N.B.”-teksten ................................................... 2
Nieuwe auto’s en gladde wegen ............. 112
O
Oliedruk ............................................................45
Oliefilter ......................................................... 174
Oliekwaliteit .................................................. 240
Ontgrendelen ............................................... 103
Opbergmogelijkheden in
passagiersruimte ............................................85
Opblaasgordijn .......................................21, 26
Openen, achterklep .......................................60
Openen, motorkap .........................................59
Overbelasting, accu ................................... 113
P
PACOS ............................................................17
Parkeerhulp .......................................... 50, 125
Parkeerlichten .............................................. 184
Parkeerlichten vóór ........................................52
Parkeerrem ......................................................58
PI zoeken ...................................................... 210
Poetsen en in de was zetten .................... 165
Programmatypes, volumeregeling ............205
PTY, programmatype ..................................212
R
Radiotekst .....................................................211
RDS ................................................................210
Recirculatie ..................................................... 70
Regensensor .................................................. 54
Regionale radioprogramma’s, REG ........214
Relais- en zekeringenkastje .......................191
Remolie ..........................................................177
Remsysteem ................................................... 45
Remvloeistof .................................................177
Reservewiel ...................................................153
Reservewiel “Temporary Spare” ..............152
Resetten, RDS .............................................215
Richtingaanwijzers ......................43, 53, 185
Rijklaar gewicht ............................................237
Roetfilter ........................................................115
Roetfilter, diesel ...........................................115
Ruitensproeier en wisser, achterklep ........ 55
Ruitensproeiers .............................................. 55
Ruitensproeiervloeistof ...............................176
Ruitenwissers ................................................. 54
S
Safelock-functie ...................................50, 104
Scannen, SCAN ..........................................210
Schakelstanden, zesversnellingsbak .......117
Schoon aan binnen- en buitenkant ...............3
Schoonmaken, auto wassen .................... 164
Serviceprogramma ..................................... 170
SIM-kaart ...................................................... 226
SIM-kaart, dubbele ..................................... 230
SIPS-airbags ...................................................19
SIPS-airbagsysteem ......................................20
Sleepoog ...................................................... 128
Slepen ........................................................... 127
Sleutel ............................................................ 100
Smeermiddelen ........................................... 242
Snelheidsmeter ..............................................43
SRS, schakelaar .............................................18
SRS-systeem ..................................................15
Stabiliteitssysteem ...................................... 124
Stadslichten ................................................. 184
Stadslichten en achterlichten ......................52
Stand-by ........................................................ 225
Stand-bystand ............................................. 225
Standverwarming, accu en brandstof ........77
Standverwarming, parkeren .........................76
Startblokkering ..................................100, 116
Starten met hulpaccu ................................. 129
Startmotor ..................................................... 246
STC ................................................................ 124
Stoel, elektrisch bedienbare ........................81
Stoel, zithouding ............................................80
Stuurbekrachtigingsvloeistof .................... 177
Stuurslot ........................................................ 116
Stuurwielafstelling ..........................................59
Subwoofer .................................................... 206
Surround ....................................................... 206
251
Alfabetisch register
T
Tanken ........................................................... 114
Tankvulklep ................................................... 114
Telefoon, aan/uit-knop ............................... 225
Telefoon, sneltoetsen ................................. 225
Telefoonboek ............................................... 228
Telefoonfuncties .......................................... 224
Telefoongesprek, volume verlagen .......... 225
Telefoonsysteem, overzicht ....................... 223
Temperatuurmeter ..........................................43
Timer .................................................................70
Toerenteller ......................................................43
Toetsenset op stuurwiel ............................ 200
Totaalgewicht ............................................... 237
Tractieregeling ............................................. 124
Trekhaak ........................................................ 132
U
Vergroten, bagageruimte ............................. 92
Verkeersinformatie, TP ...............................211
Verkort kiezen ...............................................227
Verlichting .....................................................182
Verschuifbare stoel ....................................... 90
Versneld spoelen .........................................216
Verstralers ....................................................... 50
Viscositeit ......................................................240
Vlekken ...........................................................165
Vloeistoffen ...................................................242
Vloermatten ..................................................... 86
Voertuiggegevens ........................................170
Vogelpoep .....................................................164
Volumeregeling ............................................204
Volvo Car Corporation en het milieu ............3
Voorstoel, rugleuning omklappen .............. 80
Voorstoelen, elektrisch verwarmde ............ 51
“Voorzichtig”-teksten .......................................2
Uitlaatgasreinigingssysteem ........................45
W
V
Waarschuwingskaders ....................................2
Waarschuwingsteksten ...................................2
Whiplash-letsel .............................................. 22
WHIPS-systeem ............................................ 22
Wielen
demonteren ............................................154
draairichting ...........................................150
monteren .................................................156
Willekeurige afspeelvolgorde ....................218
Van nummer wisselen, cd/md .................. 216
Veiligheidsgordel schoonmaken .............. 165
Veiligheidsgordels .........................................10
Veiligheidsrek ..................................................95
Veiligheidsuitrusting voor kinderen ............27
Ventilator ..........................................................71
Ventilator, ECC ...............................................75
Vergrendelen ................................................ 103
252
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM ..................................................... 216
Winterbanden .............................................. 149
Wisserbladen ............................................... 178
Z
Zenders opslaan ...............................208, 209
Zenders zoeken ........................................... 208
Zijknipperlichten .......................................... 185
Zijmarkeringslichten ................................... 184
Zijrichtingaanwijzers ................................... 185
Zoeken, PTY ................................................. 213
Zonnescherm ..................................................66
Zuinig rijden ................................................. 112
TP 8197 (Dutch). AT 0540. Printed in Sweden, Elanders Infologistics Väst AB, Mölnlycke 2005
WEB EDITION
2006
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising