Volvo | XC90 | Gebruikershandleiding | Volvo XC90 2010 Gebruikershandleiding

Volvo XC90 2010 Gebruikershandleiding
VOLVO XC90
Instructieboekje
WEB EDITION
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&%.'&9jiX]!6I%.'%Eg^ciZY^cHlZYZc!<ŽiZWdg\'%%.!8deng^\]i'%%%"'%%.Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben.
Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s
ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende
veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan
om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de
onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
00 01 02
00 Inleiding
01 Veiligheid
Belangrijke informatie................................. 8
Volvo en het milieu.................................... 11
Veiligheidsgordels.....................................
Airbagsysteem..........................................
Airbags (SRS)............................................
Airbag (SRS) activeren/deactiveren*.........
SIPS-airbag (zij-airbag).............................
Opblaasgordijn (IC-systeem)....................
WHIPS-systeem........................................
Rolbeugels (ROPS)...................................
Activering van de veiligheidssystemen.....
Kinderen en veiligheid...............................
16
18
19
22
24
26
27
29
30
31
02 Instrumenten, schakelaars en
bediening
Overzicht auto’s met het stuur links.........
Overzicht auto’s met het stuur rechts.......
Bedieningspaneel op bestuurdersportier..
Instrumentenpaneel..................................
Controle- en waarschuwingslampjes........
Informatiedisplay.......................................
Schakelaars op middenconsole................
Verlichtingspaneel.....................................
Linker stuurhendel....................................
Boordcomputer*.......................................
Rechter stuurhendel..................................
Cruisecontrol*...........................................
Parkeerrem, elektrische aansluiting, e.d.. .
Elektrisch bedienbare ruiten.....................
Ruiten en spiegels.....................................
Elektrisch bedienbaar schuifdak*..............
42
44
46
47
49
53
55
58
60
61
63
65
67
69
72
77
HomeLinkŸ *.............................................. 79
2
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Inhoud
03 04 05
03 Klimaatregeling
04 Interieur
05 Sloten en alarm
Algemene informatie over de klimaatregeling............................................................ 84
Elektronische klimaatregeling, ECC.......... 88
Standverwarming op brandstof*............... 91
Voorstoelen............................................... 96
Voorstoelen (Executive) ........................... 99
Interieurverlichting................................... 100
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte...................................................... 102
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte (Executive) ................................... 107
Achterbank.............................................. 108
Bagageruimte.......................................... 110
Transpondersleutel - sleutel met afstandsbediening................................................ 120
Vergrendelen en ontgrendelen................ 122
Kinderslot................................................ 125
Alarm*...................................................... 127
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
Inhoud
06 07 08
06 Starten en rijden
Algemene informatie...............................
Brandstof tanken....................................
Motor starten..........................................
Handgeschakelde versnellingsbak.........
Automatische versnellingsbak................
Vierwielaandrijving*.................................
Remsysteem...........................................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem*.......
Park Assist*.............................................
BLIS (Blind Spot Information System)*...
Slepen en bergen....................................
Starten met hulpaccu..............................
Rijden met een aanhanger......................
Trekhaak*................................................
Afneembare trekhaak*............................
Lading vervoeren....................................
Lichtbundel aanpassen...........................
4
07 Wielen en banden
132
134
138
140
141
144
145
147
149
151
155
157
158
160
162
166
167
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie...............................
Bandenspanning.....................................
Gevarendriehoek* en reservewiel*..........
Wielen verwisselen..................................
Noodreparatie banden*...........................
08 Verzorging
174
177
179
182
184
Schoonmaken......................................... 190
Lakschade herstellen.............................. 194
Roestwering............................................ 195
Inhoud
09 10 11
09 Onderhoud en service
Volvo Service..........................................
Onderhoud..............................................
Motorkap en motorruimte.......................
Dieselolie.................................................
Oliën en vloeistoffen...............................
Wisserbladen..........................................
Accu........................................................
Gloeilampen vervangen..........................
Zekeringen..............................................
10 Infotainment
198
199
201
203
204
209
211
213
220
Algemene informatie...............................
Audio, bedieningspanelen......................
Functies audiosysteem...........................
Radiofuncties..........................................
Cd-functies.............................................
Menusysteem, audiosysteem.................
Telefoonfuncties*....................................
Menusysteem, telefoon...........................
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment)
met twee beeldschermen* .....................
11 Specificaties
234
235
239
244
251
254
255
263
Typeaanduidingen..................................
Maten en gewichten................................
Motorspecificaties...................................
Motorolie.................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen...............
Brandstof................................................
Katalysator..............................................
Elektrisch systeem..................................
Typegoedkeuring....................................
274
276
279
280
282
284
286
287
289
267
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5
Inhoud
12
12 Alfabetisch register
Alfabetisch register................................. 290
6
Inhoud
7
Inleiding
Belangrijke informatie
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
De in het instructieboekje beschreven uitrusting is niet op alle auto’s aanwezig. Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit
instructieboekje ook de opties (van fabriekswege gemonteerde uitrusting) en bepaalde
accessoires (ingebouwde extra uitrusting)
beschreven. Uw wordt geadviseerd contact op
te nemen met de erkende Volvo-dealer voor
informatie over wat tot de standaarduitrusting
behoort en wat tot de opties/accessoires.
De uitrusting van de auto’s van Volvo hangt af
van de verschillende behoeften op de diverse
markten en de landelijke en/of regionale weten regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
8
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
Optie
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje
in het instructieboekje.
Het aanbod aan opties kan voor alle auto’s gelden, maar soms alleen voor bepaalde uitvoeringen en/of bepaalde markten. De meeste
opties worden in de fabriek gemonteerd en
kunnen niet achteraf worden ingebouwd.
Accessoires worden achteraf ingebouwd.
U wordt geadviseerd voor meer informatie
contact op te nemen met de erkende Volvodealer.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop meldingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld Audioinstellingen).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
Inleiding
Belangrijke informatie
Gevaar voor lichamelijk letsel
Gevaar voor materiële schade
Informatie
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met
mogelijk dodelijke afloop.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
9
Inleiding
Belangrijke informatie
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
•
•
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
een hoofdstuk wordt voortgezet op de volgende pagina.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
10
Koelvloeistof
Accessoires en opties
Motorolie
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt geladen. U wordt daarom altijd geadviseerd contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires monteert die in
verbinding staan met of van invloed zijn op het
elektrische systeem.
Zie ommezijde
`` Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
Vastlegging van gegevens
De rij- en veiligheidssystemen van de auto
maken gebruik van computers die de functie
van de auto controleren en onderling gegevens
uitwisselen. Een of meer van deze computers
leggen bij een aanrijding of bijna-aanrijding
mogelijk informatie vast over de systemen die
ze bij normale ritten bewaken. De vastgelegde
informatie wordt mogelijk gebruikt door:
•
•
•
•
Volvo Car Corporation
Service- of reparatiewerkplaatsen
Politie en andere instanties
Derden die wettige aanspraken maken op
kennisname van de informatie of iemand
die door de autobezitter gevolmachtigd is
tot kennisname van de informatie.
Informatie op internet
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
Inleiding
Volvo en het milieu
G000000
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation die van invloed zijn
op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het verkeer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11
Inleiding
Volvo en het milieu
Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Ze voldoen dan ook aan de eisen van de norm
Öko-Tex 1001 – een enorme stap op weg naar
een gezonder milieu in de passagiersruimte.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoorbeeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte stoffen. De leren bekledingsvarianten zijn chroomvrij gelooid met plantaardige stoffen en voldoen aan de gestelde certificeringseisen.
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
We stellen duidelijke milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg voor het milieu te kunnen garanderen.
12
Meer informatie staat op www.oekotex.com
•
Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belasting van de auto, des
te hoger het brandstofverbruik.
•
Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming, als de auto hiermee is
uitgerust. Hierdoor nemen het brandstofverbruik en de uitstoot af.
•
•
Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
•
•
Rem af op de motor.
•
Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor
het milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. U wordt geadviseerd contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, als u niet zeker
weet hoe u dergelijk afval moet verwerken.
•
•
Onderhoud uw auto regelmatig.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door bijvoorbeeld zuinig te rijden
en de auto te (laten) onderhouden aan de hand
van de aanwijzingen in het instructieboekje.
Hieronder volgen nog meer tips voor hoe u het
milieu kunt ontzien:
•
•
1
het brandstofverbruik toeneemt. Verwijder
ze daarom meteen na gebruik.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Verlaag het brandstofverbruik door de
zogeheten ECO-bandenspanning aan te
houden (zie pagina 177).
Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling.
Een lager toerental zorgt voor een lager
verbruik.
Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat.
Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand. Bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
Inleiding
Volvo en het milieu
Door deze tips op te volgen kan het brandstofverbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of op het rijplezier. U
ontziet uw auto, bespaart geld en gebruikt minder van de hulpbronnen op aarde.
Milieu-aspecten van het
instructieboekje
Het FSC-symbool geeft aan dat de papiervezels waarvan deze publicatie gemaakt is
afkomstig zijn uit FSC-gecertificeerde bossen
of andere gecontroleerde bronnen.
13
14
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
16
18
19
22
24
26
27
29
30
31
G020871
Veiligheidsgordels...................................................................................
Airbagsysteem........................................................................................
Airbags (SRS)..........................................................................................
Airbag (SRS) activeren/deactiveren*.......................................................
SIPS-airbag (zij-airbag)...........................................................................
Opblaasgordijn (IC-systeem)..................................................................
WHIPS-systeem......................................................................................
Rolbeugels (ROPS)..................................................................................
Activering van de veiligheidssystemen...................................................
Kinderen en veiligheid.............................................................................
VEILIGHEID
01
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
Draag altijd een veiligheidsgordel
ting te steken. Een duidelijke “klik” geeft
aan dat de veiligheidsgordel vastzit.
Veiligheidsgordel losmaken
±
Druk op de rode knop van de sluiting en
laat het oprolmechanisme de veiligheidsgordel naar binnen trekken. Als de veiligheidsgordel niet volledig wordt opgerold,
moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
G020104
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en
kan niet verder worden uitgetrokken
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben. Voor optimale bescherming
van de veiligheidsgordel is het van belang dat
de gordel goed tegen het lichaam ligt. Laat de
rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
De veiligheidsgordel omdoen:
±
16
Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de slui-
•
•
•
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Let erop dat
•
u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
•
er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken
•
de heupgordel moet laag zitten (niet over
de buik)
•
u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats. Als een veiligheidsgordel aan
grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren,
zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk
niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd
is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn
goedgekeurd en bedoeld voor montage op
dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordel en zwangerschap
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
Gordelwaarschuwing
dens het starten). De waarschuwingslampjes
zitten in de plafondconsole en op het instrumentenpaneel.
N.B.
De gordelwaarschuwing is bestemd voor
volwassenen inzittenden. Als u een kinderzitje op de passagiersstoel hebt aangebracht en het met de veiligheidsgordel hebt
vastgezet, wordt er geen gordelwaarschuwing gegeven.
Bepaalde markten
G020105
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder de gordel niet draagt. Op lage
snelheden klinkt de eerste 6 seconden lang een
geluidssignaal.
Gordelspanners
G027049
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel draagt. Nog belangrijker
is het dat u de veiligheidsgordel dan op de
juiste manier draagt. De veiligheidsgordel moet
strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de
borsten en tegen de zijkant van de buik ligt. Het
heupgedeelte van de veiligheidsgordel moet
vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen
liggen en zo ver mogelijk onder de buik liggen.
Het mag nooit over de buik omhoog kunnen
glijden. De veiligheidsgordel moet zo strak
mogelijk over het lichaam lopen zonder onnodige speling. Controleer ook of de gordel nergens gedraaid zit.
01
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder en een eventuele voorpassagier
de gordel niet dragen. Of er geluidssignalen
klinken, hangt af van de snelheid (op lage snelheden) en in bepaalde gevallen van de tijd (tij-
Alle veiligheidsgordels (met uitzondering van
de gordel midden achter) hebben gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam
spant. De veiligheidsgordel kan de passagier
daarmee beter in de stoel gedrukt houden.
17
01 Veiligheid
Airbagsysteem
01
Waarschuwingslampje op
instrumentenpaneel
Behalve het brandende waarschuwingslampje verschijnt er, in die
gevallen waarin dat nodig is, een
melding op het display. Als het
waarschuwingslampje niet werkt,
gaat het waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt er
SRS-AIRBAG SERVICE of
SPOED op het informatiedisplay.
Volvo adviseert u daarvoor zo spoedig mogelijk
contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
WAARSCHUWING
Het airbagsysteem1 wordt continu gecontroleerd door de regelmodule. Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat
branden, wanneer u de transpondersleutel
naar stand I, II of III draait. Het lampje dooft na
ca. 6 seconden, wanneer de regelmodule heeft
vastgesteld dat het airbagsysteem1 geen storingen vertoont.
1
18
Omvat SRS en gordelspanners, SIPS en IC.
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
lampje kan ook duiden op een storing in de
gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het
IC-systeem. Volvo adviseert u zo spoedig
mogelijk contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid
Airbags (SRS)
Airbag (SRS) aan de bestuurderszijde
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
Airbag (SRS) aan de passagierszijde
01
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
G020108
WAARSCHUWING
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m
mogen nooit op de passagiersstoel plaatsnemen als de airbag (SRS) geactiveerd is.
G020109
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels
aan de bestuurderszijde ook een airbag (SRS Supplemental Restraint System) in het stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift SRS AIRBAG.
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag (SRS) geactiveerd is. 2
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
Als aanvulling op de veiligheidsgordel van de
passagiersstoel heeft uw auto ook een passagiersairbag1 die ligt opgevouwen in een ruimte
1
2
Niet alle auto’s hebben een airbag (SRS) aan de passagierszijde. Dit is afhankelijk van de vraag of de airbag besteld werd tijdens het verkoopproces.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS), zie pagina 22.
``
19
01 Veiligheid
01
Airbags (SRS)
SRS-systeem
N.B.
SRS-systeem, auto met het stuur links.
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer airbags worden opgeblazen. Daarbij worden de
airbags warm. Om de klap op te vangen loopt
de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
20
G020110
G020111
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet.
SRS-systeem, auto met het stuur rechts
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u voor reparatie contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het airbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig
lichamelijk letsel tot gevolg.
Het is dan ook mogelijk dat er bij ongelukken slechts één (of geen enkele) van de airbags wordt opgeblazen. Het SRS-systeem
registreert de botskracht waaraan de auto
blootstaat en stemt de activering van een of
meerdere airbags daarop af.
De airbags werken dusdanig dat de capaciteit ervan wordt afgestemd op de botskracht waaraan de auto blootstaat.
01 Veiligheid
Airbags (SRS)
01
Positie van de airbag aan de passagierszijde in een
auto met het stuur links of rechts.
G032243
G020113
Airbagsticker
Positie van sticker voor airbag aan passagierzijde,
auto met stuur links.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht.
21
01 Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren*
PACOS deactiveren met sleutel
Algemene informatie
De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto
is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde
aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen (zie
onder het kopje Activeren/deactiveren verderop).
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Volvo adviseert u het sleutelblad
te gebruiken om de stand te wijzigen.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties
opleveren.
22
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de passagiersairbag geactiveerd
is. Het niet opvolgen van deze aanbeveling
kan levensgevaarlijke situaties opleveren
voor het kind.
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met een airbag (SRS)
aan de passagierszijde maar geen PACOS
heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
G019678
01
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de melding op de
achteruitkijkspiegel aangeeft dat de airbag
(SRS) aan die kant gedeactiveerd is. Dit
duidt op een ernstige storing. Bezoek zo
spoedig mogelijk een werkplaats. Volvo
adviseert u daarvoor contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
Locatie van de schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag.
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een comfortkussen beslist
niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een comfortkussen
aan de passagierszijde op de voorstoel zitten, maar passagiers groter dan 1,40 m
beslist niet.
01 Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren*
WAARSCHUWING
01
Melding
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
G027050
Kinderen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, als de airbag gedeactiveerd is.
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag (SRS) aan
de passagierszijde gedeactiveerd is.
Een melding op de achteruitkijkspiegel geeft
aan dat de airbag (SRS) aan de passagierszijde
voorin gedeactiveerd is (zie voorgaande
afbeelding).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
23
01 Veiligheid
SIPS-airbag (zij-airbag)
SIPS-airbag
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u voor reparatie contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Verkeerde ingrepen in het SIPS-airbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen
in de werking met mogelijk ernstig lichamelijk letsel tot gevolg.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geactiveerde1 airbag.
G020118
WAARSCHUWING
Positie van de SIPS-airbags.
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en de heupen en vormen een
belangrijk onderdeel van het systeem. De
SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleuningframes van de voorstoelen.
1
24
Kinderzitjes en SIPS-airbags
Positie
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen en
de portierpanelen, omdat dit gebied binnen
de actieradius van de SIPS-airbag ligt.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u alleen stoelhoezen te
gebruiken die door Volvo zijn goedgekeurd.
Andere stoelhoezen kunnen de SIPS-airbags in hun werking hinderen.
G025315
01
WAARSCHUWING
De SIPS-airbags vormen een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd de veiligheidsgordel.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS), zie pagina 22.
Bestuurdersplaats, auto met stuur links
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren.
01 Veiligheid
SIPS-airbag (zij-airbag)
01
G032246
G025316
Sticker, SIPS-airbag
Passagiersplaats, auto met het stuur links
De SIPS-airbags worden vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel.
Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van
de aanrijding op voor de inzittende, waarna de
airbags weer leeglopen. De SIPS-airbag wordt
normaal gesproken alleen opgeblazen aan de
kant van de aanrijding.
Positie van sticker voor SIPS-airbag aan bestuurderszijde, auto met stuur links.
25
01 Veiligheid
01
Opblaasgordijn (IC-systeem)
Eigenschappen
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen
zoals paraplu’s).
G027047
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo
adviseert u uitsluitend originele Volvoonderdelen, bestemd voor montage op
deze plaatsen, te gebruiken.
De opblaasgordijnen van het IC-systeem (Inflatable Curtain) vormen een aanvulling op het
SIPS-systeem en de airbags. Ze zitten verborgen achter de plafondbekleding langs beide
zijden van de auto en beschermen inzittenden
op de buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een
voldoende krachtige aanrijding reageren de
sensoren, die op hun beurt de opblaasgordijnen activeren. Het systeem helpt voorkomen
dat de bestuurder en eventuele passagiers bij
een botsing met hun hoofd tegen de binnenkant van de auto slaan.
26
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de zijruiten.
Anders is het mogelijk dat het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding geen bescherming meer biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
01 Veiligheid
WHIPS-systeem
01
G020347
Bescherming tegen whiplash-letsel, WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de veiligheidsgordel.
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of het
WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
WHIPS-systeem en kinderzitjes/
comfortkussens
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zo veel mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
``
27
01 Veiligheid
01
WHIPS-systeem
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet nadelig beïnvloedt
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
G020125
G020126
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk intact
is.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
28
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt neergeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het neergeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor een
controle van het systeem, ook na een lichte
aanrijding van achteren.
01 Veiligheid
Rolbeugels (ROPS)
Functie
Het Roll-Over Protection System (ROPS) van
Volvo is ontwikkeld om het gevaar te beperken
dat de auto over de kop slaat en maximale
bescherming te bieden als een ongeluk onvermijdelijk blijkt.
01
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
RSC-systeem voor een betere wegligging.
Dit mag echter voor u geen reden zijn om
sneller te gaan rijden. Neem altijd de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen bij het rijden.
Het systeem bestaat uit:
•
een stabilisatiesysteem, het RSC (Roll Stability Control) dat het gevaar beperkt dat de
auto kantelt en over de kop slaat wanneer
u bijvoorbeeld krachtig afremt of in de slip
raakt.
•
een aanvulling op de inzittendenbeveiliging
door het gebruik van carrosserieverstevigingen, opblaasgordijnen en gordelspanners op alle zitplaatsen. Zie ook pagina
17 en 26.
Het RSC-systeem maakt gebruik van een gyrosensor die wijzigingen in de helling overdwars
registreert. Aan de hand van deze informatie
wordt vervolgens berekend hoe groot de kans
is dat de auto over de kop slaat. Als het gevaar
reëel is, treedt het DSTC-systeem in werking.
Het motortoerental wordt daarbij verlaagd en
één of meer van de wielen worden afgeremd,
totdat de auto zijn stabiliteit hervonden heeft.
Zie pagina 147 voor meer informatie over het
DSTC-systeem.
29
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
01
Systeem
Activering
Gordelspanners
Bij een frontale botsing en/of kantelen.
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsingA
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zijA
Opblaasgordijn (IC-systeem)
Bij een aanrijding in de zij en/of kantelenA.
WHIPS-systeem
Bij aanrijdingen van achteren.
RSC-systeem
Wanneer de auto bijvoorbeeld krachtig afremt of in de slip raakt.
A
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van het lichaam waarmee de
auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
•
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen airbags.
•
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
•
30
Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordelspanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regelmodule van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u hem te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en veilig
kunnen zitten
Het gewicht en de lengte van het kind zijn
bepalend voor de plaats van het kind in de auto
en de vereiste uitrusting. Voor meer informatie,
zie pagina 33.
N.B.
01
N.B.
Neem voor duidelijker instructies voor de
bevestiging van kinderveiligheidsproducten
contact op met de producent.
Bij gebruik van andere op de markt verkrijgbare kinderveiligheidsproducten is het van
belang dat u de bijgeleverde montageinstructies zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt.
Kinderzitjes
N.B.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Door scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigd raken.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
1
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
G020128
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Volvo adviseert u originele Volvo-onderdelen te gebruiken om er zeker van te zijn dat
de bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op de juiste wijze zijn aangebracht en
sterk genoeg zijn.
Raadpleeg voor de juiste montage de montage-instructies bij het kinderzitje.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen
die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig door
Volvo getest is.
•
een kinderzitje/comfortkussen op de passagiersstoel, zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd1 is.
•
een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank.
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd is.
Als de airbag wordt geactiveerd, kan een kind
aan de passagierszijde ernstig letsel oplopen.
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de passagiersairbag (SRS), zie pagina 22.
``
31
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag (SRS) geactiveerd is. 2
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen als de
airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
2
32
WAARSCHUWING
Sticker airbag
Gebruik geen comfortkussens/kinderzitjes
met stalen beugels of andere constructies
die tegen de ontgrendelingsknop van de
gordelsluiting kunnen aankomen. Dit om te
voorkomen dat de veiligheidsgordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de passagiersairbag (SRS), zie pagina 22.
Sticker op zijwand dashboard.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Aanbevolen kinderzitjes3
Gewicht (leeftijd)
Passagiersstoel met geactiveerdeA airbag (SRS)
Passagiersstoel zonder (of met gedeactiveerdeA) airbag (SRS)*
Groep 0
Ongeschikte plaats voor deze leeftijdscategorie.
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
<10 kg
Typegoedkeuring: E5 03135
(0-9 maanden)
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren gemonteerd
babyzitje bevestigd met ISOFIX-systeem.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren gemonteerd
babyzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Groep 1
9–18 kg
(9–36 maanden)
Ongeschikte plaats voor deze leeftijdscategorie.
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Fixway – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met ISOFIX-systeem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
Britax Multitech - achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
3
Om andere zitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
``
33
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Gewicht (leeftijd)
Passagiersstoel met geactiveerdeA airbag (SRS)
Passagiersstoel zonder (of met gedeactiveerdeA) airbag (SRS)*
Groep 2/3
Ongeschikte plaats voor deze leeftijdscategorie.
Volvo comfortkussen – met of zonder rugleuning.
15–36 kg
Typegoedkeuring: E5 03139
(3–12 jaar)
Britax KidPlus.
Typegoedkeuring: E1 04301198
A
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS), zie pagina 22.
Gewicht (leeftijd)
Tweede zitrij, buitenste zitplaatsenA
Tweede zitrij, middelste zitplaatsA
Derde zitrij bij zevenzitter
Groep 0
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
Ongeschikte plaats voor deze leeftijdscategorie.
<10 kg
(0-9 maanden)
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren
gemonteerd babyzitje bevestigd met ISOFIXsysteem.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren
gemonteerd babyzitje bevestigd met veiligheidsgordel
Typegoedkeuring: E1 03301146
34
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht (leeftijd)
Tweede zitrij, buitenste zitplaatsenA
Tweede zitrij, middelste zitplaatsA
Derde zitrij bij zevenzitter
Groep 1
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
Ongeschikte plaats voor deze leeftijdscategorie.
9–18 kg
(9–36 maanden)
Typegoedkeuring: E5 03135
01
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Fixway – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
Britax Multitech - achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
``
35
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Gewicht (leeftijd)
Tweede zitrij, buitenste zitplaatsenA
Tweede zitrij, middelste zitplaatsA
Derde zitrij bij zevenzitter
Groep 2/3
Volvo comfortkussen – met of zonder rugleuning.
Volvo comfortkussen – met of zonder rugleuning.
Gordelkussen met of zonder rugleuning.
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
15–36 kg
(3–12 jaar)
Geïntegreerd kinderzitje van Volvo
– als optie verkrijgbaar.
Typegoedkeuring: E5 03167
A
36
Britax KidPlus.
Britax KidPlus.
Britax KidPlus.
Typegoedkeuring: E1 04301198
Typegoedkeuring: E1 04301198
Typegoedkeuring: E1 04301198
Bij zevenzitters moet de zitrij in de achterste stand staan bij gebruik van een kinderzitje.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Geïntegreerd kinderzitje*
Trek aan de handgreep zodat het kinderzitje omhoogkomt.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Pak het zitje met beide handen vast en duw
het naar achteren.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen als de
airbag (SRS) geactiveerd is. 4
Druk het zitje zo ver achteruit dat het vergrendelt.
G031071
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
WAARSCHUWING
Het kinderzitje moet in de vergrendelde
stand staan voordat u het kind in het zitje
aanbrengt.
Geïntegreerd kinderzitje opklappen
Zorg dat:
•
het kinderzitje in de vergrendelde stand
staat.
•
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt, nergens slap
hangt of verdraaid is en dat de veiligheidsgordel goed over de schouder ligt.
•
de heupgordel laag over het bekken loopt
om maximale bescherming te bieden.
•
de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt.
•
Stel de stand van de hoofdsteun zorgvuldig af op de lengte van het kind.
G020808
Het geïntegreerde kinderzitje van Volvo op de
middelste zitplaats achterin is speciaal ontworpen om kinderen maximale bescherming te
bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels is het geïntegreerde kinderzitje
goedgekeurd voor kinderen met een gewicht
van 15 tot 36 kg.
4
01
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de passagiersairbag (SRS), zie pagina 22.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
37
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Trek aan de handgreep.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u reparatie- en vervangingswerk over te laten aan een erkende Volvowerkplaats. Verricht geen wijzigingen in of
aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje.
Duw het zitje zo ver omlaag dat het vastklikt.
Als een geïntegreerd kinderzitje aan grote
krachten heeft blootgestaan zoals tijdens
een aanrijding, moet u het geïntegreerde
kinderzitje in zijn geheel vervangen. Ook als
het geïntegreerde kinderzitje er intact uitziet, kunnen er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het geïntegreerde kinderzitje moet ook worden vervangen als het erg versleten is.
Let erop dat u het geïntegreerde kinderzitje
eerst moet inklappen voordat u de ruggedeelten van de achterbank voorover kunt
klappen.
N.B.
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes*
bank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie bovenstaande afbeelding) geven de
positie van deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
Bevestigingspunten voor kinderzitjes
G014507
38
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achter-
G027032
G015268
Kinderzitje inklappen
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
De auto is uitgerust met bevestigingspunten
voor kinderzitjes. Deze bevestigingspunten zitten achter op de zitgedeelten van de achterbank.
N.B.
Bij een zevenzitter zitten deze bevestigingspunten alleen op de tweede zitrij.
Klap het ruggedeelte naar voren om bij de
bevestigingspunten te komen. Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het kinderzitje voor
gedetailleerde informatie over de manier
waarop u het zitje aan de bovenste bevestigingspunten vastzet.
Veiligheidsgordel met speciale
blokkeerfunctie (ALR/ELR)5
De veiligheidsgordel op de middelste zitplaats
van de tweede zitrij is voorzien van een speciale blokkeerfunctie (ALR/ELR). De blokkeerfunctie helpt de gordel aangespannen te houden, waardoor het gemakkelijker wordt een
kinderzitje aan te brengen.
01
1. Bevestig de veiligheidsgordel aan het kinderzitje volgens de aanwijzingen die de
fabrikant van het zitje heeft verstrekt.
2. Trek de veiligheidsgordel volledig uit.
3. Zet de veiligheidsgordel vast door de borglip in de sluiting te steken. Een duidelijke
“klik” geeft aan dat de veiligheidsgordel
vastzit.
4. Laat het oprolmechanisme de veiligheidsgordel naar binnen trekken en span de gordel rond het kinderzitje. De veiligheidsgordel maakt dan een mechanisch geluid, wat
volkomen normaal is.
De functie wordt automatisch opgeheven,
wanneer u de veiligheidsgordel uit de gordelsluiting haalt en loslaat.
Bij problemen tijdens de montage van kinderveiligheidsproducten moet u contact opnemen
met de fabrikant voor nadere inlichtingen over
de montage.
Doe het volgende om een kinderzitje met de
veiligheidsgordel vast te zetten:
5
Automatic Locking Retractor/Emergency Locking Retractor.
39
42
44
46
47
49
53
55
58
60
61
63
65
67
69
72
77
HomeLinkŸ *............................................................................................ 79
40
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G020901
Overzicht auto’s met het stuur links.......................................................
Overzicht auto’s met het stuur rechts.....................................................
Bedieningspaneel op bestuurdersportier................................................
Instrumentenpaneel................................................................................
Controle- en waarschuwingslampjes......................................................
Informatiedisplay.....................................................................................
Schakelaars op middenconsole..............................................................
Verlichtingspaneel...................................................................................
Linker stuurhendel...................................................................................
Boordcomputer*......................................................................................
Rechter stuurhendel................................................................................
Cruisecontrol*.........................................................................................
Parkeerrem, elektrische aansluiting, e.d.................................................
Elektrisch bedienbare ruiten...................................................................
Ruiten en spiegels...................................................................................
Elektrisch bedienbaar schuifdak*............................................................
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
02
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
G000000
02
42
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
Verlichtingspaneel
Claxon
Blaasmond
Cruisecontrol
Display
Richtingaanwijzers, wisselen groot lichtdimlicht, knop READ
Temperatuurmeter
Kilometerteller, dagteller, cruisecontrol
Snelheidsmeter
Richtingaanwijzers
Toerenteller
02
Parkeerrem
Handgreep voor lossen parkeerrem
Schakelaars leeslampjes
Interieurverlichting
Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak
Buitentemperatuurmeter, klok, schakelstandindicatie
Gordelwaarschuwing
Brandstofmeter
Achteruitkijkspiegel
Controle- en waarschuwingslampjes
Blaasmonden
Dashboardkastje
Alarmlichten
Audiosysteem
Klimaatregeling
Ruitenwissers
Toetsenset voor telefoon/audiosysteem
Instrumentenpaneel
43
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
G027038
02
44
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
Verlichtingspaneel
Claxon
Blaasmond
Instrumentenpaneel
Controle- en waarschuwingslampjes
Toetsenset telefoon-/audiosysteem
Brandstofmeter
Ruitenwissers
Buitentemperatuurmeter, klok, schakelstandindicatie
Handgreep voor lossen parkeerrem
Toerenteller
Richtingaanwijzers
Snelheidsmeter
Kilometerteller, dagteller, cruisecontrol
Temperatuurmeter
02
Schakelaars leeslampjes
Interieurverlichting
Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak
Gordelwaarschuwing
Achteruitkijkspiegel
Display
Blaasmonden
Dashboardkastje
Alarmlichten
Audiosysteem
Klimaatregeling
Richtingaanwijzers, wisselen groot lichtdimlicht, knop READ
Parkeerrem
Cruisecontrol
45
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
Bedieningspaneel
G029570
02
Vergrendelingsknop, simultaanvergrendeling alle portieren
Blokkeerknop ruitbediening achterportieren
Knop, elektrisch bedienbare ruiten
Knop, buitenspiegels
46
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
G026973
02
Temperatuurmeter – Geeft de temperatuur
in het koelsysteem van de motor aan. Op
het display verschijnt een melding, als de
temperatuur abnormaal hoog is en de
naald tot in het rode gebied uitslaat. Let
erop dat verstralers voor de luchtinlaat het
koelvermogen verminderen.
Display – Op het display worden informatieve meldingen en waarschuwingsmeldingen weergegeven.
Snelheidsmeter – Geeft de snelheid van de
auto aan.
Dagtellers, T1 en T2 – Dienen om kortere
afstanden op te meten. Het rechter cijfer
geeft de afstand in honderden meters aan.
U kunt de dagtellers op nul zetten door de
knop langer dan 2 seconden in te drukken.
Wissel van dagteller door de knop korte tijd
in te drukken.
Aanduiding voor cruisecontrol.
Kilometerteller – Geeft het totale aantal
kilometers aan dat er met de auto is gereden.
Grootlichtindicatie
Waarschuwingslampje – Als er een storing
optreedt, licht het waarschuwingslampje
op en verschijnt er een melding op het display.
Toerenteller – Geeft het motortoerental aan
in duizenden toeren per minuut. Laat de
naald van de toerenteller niet tot in het rode
gebied uitslaan.
Aanduiding voor automatische versnellingsbak – Hier ziet u welke schakelstand
er actief is.
Buitentemperatuurmeter – Geeft de buitentemperatuur aan. Wanneer de temperatuur in het interval van 5°C tot +2°C ligt,
verschijnt er een sneeuwvlokje op het display. Het symbool wijst op het gevaar voor
gladheid. Wanneer de auto stilstaat of
geparkeerd gestaan heeft, is het mogelijk
dat de buitentemperatuurmeter een te
hoge waarde aangeeft.
Knop voor de klok – Draai aan de knop om
de tijd in te stellen.
``
47
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
02
Wanneer het lampje op het hoofdinstrument gaat branden is het brandstofpeil te
laag. Tank dan zo spoedig mogelijk. Zie
ook de boordcomputer, pagina 61.
Controle- en waarschuwingslampjes
Indicatorlampjes richtingaanwijzers, links/
rechts
48
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Functietest, lampjes
Als de motor niet binnen 5 seconden aanslaat, gaan alle lampjes uit
behalve de lampjes voor storingen
in het uitlaatgasreinigingssysteem
van de auto en een te lage oliedruk.
Afhankelijk van de uitrusting van
de auto is het mogelijk dat
bepaalde lampjes geen functie
hebben.
Lampjes in het midden van het
instrumentenpaneel
Alle controle- en waarschuwingslampjes1 gaan
branden, wanneer u de transpondersleutel
voor het starten naar stand II draait. De werking
van de lampjes wordt dan gecontroleerd. Alle
lampjes moeten weer uitgaan als de motor is
aangeslagen, behalve het lampje voor de
handrem. Dit gaat pas uit, als de auto van de
handrem wordt gehaald.
1
Het waarschuwingslampje licht
rood of oranje op afhankelijk van
de ernst van de geregistreerde storing.
02
Rood lampje
1. Stop de auto zo spoedig mogelijk. Rijd niet
verder met de auto.
2. Lees de informatie op het display.
3. Verhelp het probleem aan de hand van de
aanwijzingen of neem contact op met een
werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor
een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Het lampje blijft branden en de displaytekst
staan totdat de storing is verholpen.
Oranje lampje
±
Lees de melding op het display. Verhelp de
storing!
U kunt de displaytekst verwijderen met een
druk op de knop READ, zie pagina 53. Wanneer u 2 minuten niets doet, verdwijnt de displaytekst automatisch.
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 204.
``
49
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Storing in remsysteem
N.B.
02
Wanneer de melding TIJD VOOR REG.
SERVICE verschijnt, kunt u het waarschuwingslampje laten doven en de melding verwijderen met de knop READ. De melding
verdwijnt automatisch als u 2 minuten niets
doet.
Controlelampjes
Storing in ABS
Als het lampje brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog
wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
3. Volvo adviseert u naar een erkende Volvowerkplaats te rijden voor een controle van
het ABS-systeem, als het lampje blijft
branden.
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag.
Rijd verder als beide lampjes uitgaan.
•
Als de lampjes blijven branden ondanks
dat het peil van de remvloeistof in orde is,
moet u de auto uiterst voorzichtig naar een
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren.
•
Als de vloeistof lager staat dan het MINstreepje van het remvloeistofreservoir
dient u niet verder te rijden met de auto.
Laat de auto naar een erkende Volvo-werkplaats slepen om het remsysteem te laten
controleren.
1. Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en controleer het peil in het remvloeistofreservoir, zie pagina 207.
2. Als de vloeistof onder het MIN-merkje van
het reservoir staat, kunt u beter niet verder
rijden met de auto. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats te laten slepen
voor een controle van het remsysteem.
Als de waarschuwingslampjes
voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er een storing in de remkrachtverdeling zijn
opgetreden.
Als de lampjes echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreservoir
controleren, zie pagina 207.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
Gordelwaarschuwing
1. Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
50
•
•
Het lampje brandt als de bestuurder of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als
iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Te lage oliedruk2
Dynamo laadt niet bij
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie
te laag. Zet de motor onmiddellijk
af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het symbool oplicht terwijl het oliepeil in orde is, moet
u contact opnemen met een erkende Volvowerkplaats.
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is er sprake van een storing in het elektrische systeem.
Volvo adviseert u een bezoek te
brengen aan een erkende Volvowerkplaats voor een controle.
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan het lampje
gaan branden. Volvo adviseert u
naar een erkende Volvo-werkplaats te rijden voor een controle.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje gaat branden wanneer
de motor wordt voorverwarmd. De
voorverwarming start als de temperatuur lager wordt dan 2°C. De
auto kan worden gestart als het
lampje gedoofd is.
Dit lampje brandt wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
02
Controlelampje voor aanhanger
Het lampje knippert wanneer u de
richtingaanwijzers gebruikt met
een aanhanger achter de auto. Als
het lampje niet knippert, is een van
de lampjes op de auto of op de
aanhanger defect.
Stabiliteitssysteem STC of DSTC
Voor informatie over de functies en
lampjes van het systeem, zie
pagina 148.
Parkeerrem aangezet
Airbags (SRS)
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing in de gordelsluiting of in het
SRS-, SIPS- of IC-systeem geregistreerd. Volvo adviseert u de
auto zo spoedig mogelijk naar een erkende
Volvo-werkplaats te rijden om het systeem te
laten controleren.
Mistachterlicht
Het lampje brandt, wanneer de
parkeerrem bediend wordt. Trap
het parkeerrempedaal altijd helemaal omlaag.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
N.B.
Het lampje geeft alleen aan dát u de parkeerrem hebt bediend maar niet hoe hard!
Als een van de portieren of de achterklep niet
goed afgesloten is, wordt u daarop attent
gemaakt.
Lage snelheid
Als de auto met een snelheid van maximaal
7 km/h rijdt, gaat het informatielampje branden
en verschijnt een van de volgende meldingen
op het display: BESTUURDERS- PORTIER
2
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 204.
``
51
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
02
OPEN, PASSAGIERS- PORTIER OPEN,
ACHTERPORTIER LINKS OPEN of
ACHTERPORTIER RECHTS OPEN. Breng
de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en
sluit het portier dat of de motorkap die openstaat.
Hoge snelheid
Als de auto sneller rijdt dan
7 km/h, gaat het lampje branden
en wordt tegelijkertijd een van de
meldingen uit de vorige alinea op
het display weergegeven.
Waarschuwing achterklep
Als de achterklep open is, verschijnt
ACHTERKLEP OPEN op het display.
52
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Berichten
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt bij gebruik van de boordcomputer,
moet u de melding lezen (druk op de knop
READ) voordat u de eerdere activiteit kunt
hervatten.
Betekenis
STOP AUTO
Z.S.M.
Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
ZET DE MOTOR
AF
Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
SERVICE SPOED
Volvo adviseert u de
auto onmiddellijk te
laten controleren
door een erkende
Volvo-werkplaats.
ZIE HANDLEIDING
Lees het instructieboekje.
G026979
Melding
Wanneer een waarschuwings- of controlelampje oplicht, verschijnt er tevens een aanvullende melding op het display.
±
Druk op de knop READ (A).
Blader met de knop READ de meldingen door.
Meldingen blijven in het geheugen vastgelegd
totdat u de onderliggende storing hebt laten
verhelpen.
Melding
Betekenis
SERVICE VEREIST
Volvo adviseert u de
auto zo spoedig
mogelijk te laten
controleren door
een erkende Volvowerkplaats.
TIJD VOOR REG.
SERVICE
Tijd voor een servicebeurt. Volvo adviseert u de servicebeurt over te laten
aan een erkende
Volvo-werkplaats.
Het moment hangt
af van de afgelegde
afstand, het aantal
maanden dat sinds
de laatste servicebeurt is verstreken
en het aantal draaiuren van de motor.
02
``
53
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
02
54
Melding
Betekenis
ROETFILTER VOL
– ZIE HANDLEIDING
Het roetfilter van
dieselmodellen is
aan regeneratie toe,
zie pagina 136.
STC/DSTC SPIN
CONTROL UIT
Er gelden beperkingen voor het stabiliteits- en tractieregelsysteem, zie
pagina 147 voor
meer varianten.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Knop
G026944
02
N.B.
De onderlinge positie van de knoppen kan
variëren.
Airconditioning achter in
passagiersruimte*
Druk op de knop om de airconditioning achter in de passagiersruimte in te schakelen. De
airconditioning achter in de
passagiersruimte wordt uitgeschakeld, wanneer u het contact uitschakelt.
Kinderslot op achterportieren*
Met deze knop kunt u het elektrische kinderslot op de achterportieren in- of uitschakelen.
De transpondersleutel moet
daarbij in stand I of II staan.
Wanneer het kinderslot geactiveerd is, brandt het lampje in de knop. Er verschijnt een melding op het display, wanneer u
het kinderslot in- of uitschakelt, zie
pagina 125.
Inklapbare buitenspiegels*
Met deze knop kunt u de elektrisch bedienbare buitenspiegels in- en uitklappen.
Ga als volgt te werk, als een van de buitenspiegels per ongeluk in- of uitgeklapt is:
1. Klap de buitenspiegel die verzet is terug in
de normale stand.
2. Draai de transpondersleutel naar stand II.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
55
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
02
3. Klap de buitenspiegel met behulp van de
knop eerst in en vervolgens opnieuw uit.
De buitenspiegels staan daarna weer in hun
oorspronkelijke stand.
Park Assist*
Het systeem is bij het starten
van de motor altijd geactiveerd.
Druk op de knop om Park
Assist uit te schakelen of
opnieuw in te schakelen. Zie
ook pagina 149.
Safelock-functie* en alarmsensoren
deactiveren
Met deze knop kunt u de Safelock-functie desgewenst uitschakelen (Safelock houdt in
dat portieren na vergrendeling
niet meer van de binnenzijde te
openen zijn). Met deze knop
kunt u ook de bewegingsmelder en de niveausensoren van het alarmsysteem buiten werking
stellen*. Het lampje in de knop brandt, wanneer
de functies zijn uitgeschakeld of buiten werking zijn gesteld, zie pagina 124 en 128.
56
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Verstralers*
Elektrische aansluiting/Aansteker*
Druk op deze knop als u de verstralers van de auto’s tegelijk
met het groot licht wilt voeren
of als u de verstralers wilt uitschakelen.
Actieve Dual Xenon-koplampen*
Als de auto is uitgerust met
actieve koplampen (Active
Bending Lights, ABL), draaien
de lichtbundels van de koplampen mee met het stuurwiel. De
functie wordt bij het starten van
de motor automatisch geactiveerd en kan met
de bijbehorende knop worden uitgeschakeld/
ingeschakeld. Het lampje in de knop brandt,
wanneer de functie actief is
Lichtbundel aanpassen aan links-/
rechtsrijdend verkeer
Houd de knop ten minste 5 seconden lang
ingedrukt. Bij het aanpassen van de lichtbundel dient de auto stil te staan. De melding
KOPLAMPSET VERKEER RECHTS of
KOPLAMPSET VERKEER LINKS verschijnt
op het display. Voor meer informatie over halogeen- of Dual Xenon-koplampen en het aanpassen van de lichtbundels, zie pagina 167.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken,
zoals een mobiele telefoon of
koelbox.
De transpondersleutel moet ten minste in
stand I staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken. Om veiligheidsredenen moet u het
deksel altijd op de aansluiting laten zitten, wanneer deze niet in gebruik is. De maximale
stroomsterkte is 10 A.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
BLIS (Blind Spot Information System)*
Druk op de knop om het systeem te deactiveren of te heractiveren (voor meer informatie,
zie pagina 151).
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Alarmlichten
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
AM FM
CD
LUM
VO E
POWER
*
3
DEF
5
6
JKL
MNO
8
9
TUV WXYZ
0
#
G027096
2
ABC
1
4
GHI
7
PQRS
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen op een
plaats waar deze gevaar of hinder voor het verkeer kan opleveren. Druk op de knop om de
functie te activeren.
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en de
buitenspiegels snel te ontwasemen en te ontdooien. Wanneer
u op de knop drukt, wordt de
verwarming van de achterruit
en de buitenspiegels geactiveerd. Het lampje in de knop
gaat daarbij branden. De verwarming wordt na ca. 12 minuten automatisch uitgeschakeld.
02
Elektrisch verwarmde voorstoelen
Voor voorstoelen met elektrische verwarming, zie
pagina 88 of 90 voor meer
informatie.
N.B.
De regels voor het gebruik van de alarmlichten verschillen van land tot land.
57
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Koplampen
Stand
02
Betekenis
Automatisch/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsignalen.
Parkeerlicht achter en achterlicht
G027100
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en
de grootlichtsignalen.
Bedieningspaneel verlichting
Mistlampen*
Duimwiel voor koplamphoogteregeling
Mistachterlicht
Duimwiel voor afstelling van de verlichting
van het instrumentenpaneel
Automatisch dimlicht*
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer u
de transpondersleutel naar stand II draait,
behalve wanneer de verlichtingsdraaiknop (1)
in de middelste stand staat. U kunt het automatische dimlicht zo nodig buiten werking
laten stellen. Volvo adviseert u dit over te laten
aan een erkende Volvo-werkplaats.
Automatisch dimlicht, groot licht
1. Draai de transpondersleutel naar stand II.
2. U schakelt het dimlicht in door de verlichtingsdraaiknop (1) helemaal rechtsom te
draaien.
3. U schakelt het groot licht in door de linker
stuurhendel tot in de eindstand naar het
stuur toe te halen en de hendel weer los te
laten, zie pagina 60.
58
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De verlichting wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de transpondersleutel naar
stand I of 0 draait.
Parkeerlicht achter en achterlicht
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen, ongeacht
de stand van de transpondersleutel.
±
Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar de
middelste stand.
Met de transpondersleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór, de achterlichten en de kentekenplaatverlichting altijd
aan.
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen.
1. Draai de transpondersleutel naar stand II.
2. Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar een
van de eindstanden.
3. Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te stellen.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Auto’s met Dual Xenon-koplampen* zijn uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel (3) ontbreekt.
Mistachterlicht
Instrumentenverlichting
±
De instrumentenverlichting brandt, wanneer de
transpondersleutel in stand II staat en de verlichtingsdraaiknop (1) in een van de eindstanden. De verlichting wordt bij daglicht automatisch gedimd en valt bij donker handmatig te
regelen.
Het controlelampje voor het mistachterlicht op
het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop branden, wanneer het mistachterlicht is
ingeschakeld.
Rol het duimwiel (5) omhoog of omlaag voor
een fellere of zwakkere verlichting.
keld bij het starten van de motor en is te activeren/deactiveren met de knop op de middenconsole, zie pagina 56.
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
02
Druk op de knop (4).
Actieve Dual Xenon-koplampen*
Mistlichten
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlichten verschillen van land tot land.
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
±
Druk op de knop (2).
Het lampje in de knop brandt, wanneer u de
mistlampen vóór hebt ingeschakeld.
G020789
Mistlampen*
Lichtbundel actieve/niet-actieve koplampen.
Als de auto is uitgerust met actieve koplampen
(Active Bending Lights, ABL), draaien de lichtbundels van de koplampen mee met het stuurwiel. De functie wordt automatisch ingescha-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
59
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Standen stuurhendel
02
Richtingaanwijzers
Wisselen tussen groot licht en dimlicht
Onafgebroken serie knippersignalen
De transpondersleutel moet in stand II staan
om het groot licht te kunnen inschakelen.
±
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eindstand (2).
De hendel blijft in de eindstand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Korte serie knippersignalen
G026954
±
Korte serie knippersignalen, richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen, richtingaanwijzers
Grootlichtsignalen
“Follow Me Home”-verlichting en wisselen
tussen groot licht en dimlicht
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar stand (1) en laat deze weer los,
waarna de hendel terugveert naar de uitgangspositie. U kunt de stuurhendel ook in
stand (2) zetten en daarna meteen terugduwen in de uitgangspositie.
De richtingaanwijzers lichten driemaal op. De
korte serie knippersignalen wordt onmiddellijk
beëindigd, als u de richtingaanwijzers gebruikt
om te signaleren dat u een bocht in de tegenovergestelde richting wilt maken.
1. Draai de verlichtingsdraaiknop rechtsom
naar de eindstand, zie pagina 58.
2. Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
Grootlichtsignalen
±
Haal de hendel lichtjes tot in stand (3) naar
het stuurwiel toe.
Het groot licht blijft vervolgens branden, totdat
u de hendel weer loslaat.
“Follow Me Home”-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als “Follow Me Home”-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto. De
inschakelduur bedraagt 30 seconden1, maar is
te wijzigen in 60 of 90 seconden.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2. Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
1
60
Fabriekinstelling.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer*
Algemene informatie
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u de melding bevestigen. Doe dat
door op de knop READ te drukken waarna
u naar de boordcomputerfunctie terugkeert.
Functies
Op de boordcomputer staat de volgende informatie:
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt
gesteld. U stelt de waarde op nul met RESET.
Gemiddelde snelheid
G026956
RESET - op nul stellen
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel (B) in
stappen omhoog- of omlaagdraaien. Wanneer
u na het laatste menu nogmaals aan het wieltje
draait, keert u terug naar de uitgangspositie.
1
Gemiddeld
Duimwiel - menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren
Bedieningsknoppen
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stilstaat, geeft het display “---- ” aan. Tijdens
regeneratie1 van het roetfilter kan het brandstofverbruik tijdelijk stijgen, zie pagina 136.
HUIDIGE SNELHEID MPH*
HUIDIG
02
Huidig
GEM. SNELHEID
•
•
•
•
•
•
READ - bevestigen
schaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in mph.
GEMIDDELD
KILOMETER TOT LEGE TANK
DSTC, zie pagina 147
Wanneer u het contact uitschakelt, wordt de
gemiddelde snelheid opgeslagen om als uitgangswaarde te dienen bij het vervolg van de
rit. U stelt de waarde op nul met de knop
RESET.
Huidige snelheid mph*
Bij een snelheidsmeter met een kilometerschaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in km/h. Bij een snelheidsmeter met een miles-
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming* op brandstof hebt
gebruikt.
Kilometer tot lege tank
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km en de resterende hoeveelheid
brandstof. Het display geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Geldt alleen voor dieselmodellen met roetfilter.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
61
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer*
02
Wanneer “ --- kilometer tot lege tank” op het
display staat, zijn geen garanties meer te geven
voor de resterende actieradius. Tank dan zo
spoedig mogelijk.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming* op brandstof hebt
gebruikt of van rijstijl bent veranderd.
Op nul stellen
1. Selecteer GEM. SNELHEID of
GEMIDDELD
2. Houd de knop RESET (C) ten minste vijf
seconden lang ingedrukt om de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig te resetten.
62
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitenwissers
Intervalstand
U kunt het interval tussen de wisslagen zelf instellen. Draai het
duimwiel omhoog voor een korter
wisinterval. Draai het omlaag om
het interval te verlengen.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
G026953
De wissers bewegen op hoge snelheid.
Werking wisser-/sproeiersysteem, voorruit.
Duimwiel
BELANGRIJK
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit (alsmede de achterruit) sneeuw- en ijsvrij zijn.
Regensensor*
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met het
duimwiel.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid of omlaag voor een lagere gevoeligheid. (De wissers maken een extra slag, als
u het duimwiel omhoog draait).
Aan/Uit
Om de regensensor te activeren dient de transpondersleutel in stand I of II te staan en de ruitenwisserhendel in stand 0 (niet geactiveerd).
U activeert u de regensensor door:
±
Regensensor, Aan/Uit
Ruitenwissers uitgeschakeld
De ruitenwissers zijn uitgeschakeld als de hendel in stand 0 staat.
Enkele slag
Beweeg de hendel omhoog om
een enkele slag te maken.
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit, wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
02
Druk op de knop. Het lampje in de knop
gaat branden om aan te geven dat de
regensensor actief is.
U schakelt de regensensor op een van de volgende manieren weer uit:
•
Druk op de knop. Het lampje in de knop
dooft.
•
Haal de hendel omlaag naar een ander wisprogramma. Als u de hendel omhoogduwt,
blijft de regensensor actief. De wissers
maken een extra slag en keren terug naar
de regensensorstand, wanneer u de hendel laat terugveren naar stand 0.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
63
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
02
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de transpondersleutel uit het
contactslot neemt of 5 minuten nadat u het
contact hebt uitgezet.
BELANGRIJK
De ruitenwissers op de voorruit kunnen in
een automatische wasstraat spontaan
inschakelen en daarbij beschadigd raken.
Schakel de regensensor met een druk op
knop (2) uit, als de transpondersleutel in
stand I of II staat.
het activeren van de ruitensproeiers. Wanneer
u de hendel kort naar het stuurwiel haalt, wordt
alleen de voorruit gesproeid.
Gereduceerde sproeifunctie
Wanneer er nog ca. 1 liter ruitensproeiervloeistof in het reservoir zit, worden de koplampen
en de achterruit niet langer schoongesproeid.
Dit omdat het sproeifunctie van de voorruit de
voorrang heeft.
Ruitenwisser en sproeier achterklep
terklep. De ruitenwisser maakt na het sproeien
nog enkele extra slagen. De knop aan het uiteinde van de hendel is een schakelaar met drie
mogelijke standen:
Intervalstand: Druk het bovenste gedeelte
van de knop in.
Neutrale stand: Wisser/sproeier uitgeschakeld.
Continu wissen: Druk het onderste
gedeelte van de knop in.
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de
ruitenwisser van de achterklep de intervalstand1 innemen. Als de ruitenwisser van de
achterklep echter al op normale snelheid
werkt, vindt er geen wijziging plaats.
Ruiten-/koplampsproeiers
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken. De wissers maken nog enkele
slagen nadat u de hendel hebt losgelaten.
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid (gerekend over een periode van 10 minuten). Wanneer er meer dan 10 minuten zijn verstreken
sinds de laatste sproeibeurt van de voorruit,
worden ook de koplampen weer gesproeid bij
1
64
G027127
Hogedruksproeiers koplampen*
Werking wisser-/sproeiersysteem, achterklep.
Wanneer u de hendel naar voren haalt, activeert u de ruitenwisser/-sproeier van de ach-
Deze functie (intervalstand tijdens het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-dealer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
Inschakelen
Snelheid verhogen of verlagen
N.B.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op
de instelling van de cruisecontrol. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
02
Tijdelijk uitschakelen
G027098
G026949
±
De bedieningsorganen voor de cruisecontrol
vindt u links op het stuurwiel.
Gewenste snelheid instellen:
1. Druk op de knop CRUISE. Op het instrumentenpaneel verschijnt de tekst
CRUISE.
2. Druk kort op + of – om de snelheid van de
auto vast te zetten. De melding CRUISE
ON verschijnt.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld
bij snelheden lager dan 30 km/h of hoger dan
200 km/h.
1
±
U kunt de snelheid verhogen of verlagen
door de knop + of – in te drukken. De snelheid die de auto heeft op het moment dat
u de knop loslaat, zal vervolgens worden
geprogrammeerd.
Een korte druk (minder dan een halve seconde)
op + of – komt overeen met een snelheidswijziging van 1 km/h of 1 mph1.
Druk op 0 om de cruisecontrol tijdelijk uit
te schakelen. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE. De eerder ingestelde
snelheid blijft na een tijdelijke uitschakeling
in het geheugen opgeslagen.
De cruisecontrol wordt bovendien tijdelijk uitgeschakeld, als:
•
u het rempedaal of koppelingspedaal
bedient
•
de snelheid heuvelop lager wordt dan
25–30 km/h
•
•
u de keuzehendel in stand N zet
•
een tijdelijke snelheidsverhoging langer
dan 1 minuut heeft geduurd.
als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren
Afhankelijk van het motortype.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
Snelheid hervatten
Druk op de knop om de eerder
ingestelde snelheid te hervatten.
Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE ON.
02
Uitschakelen
±
66
Druk op CRUISE om de cruisecontrol uit te
schakelen. CRUISE ON verdwijnt van het
instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Parkeerrem, elektrische aansluiting, e.d.
Parkeerrem
2. Trap het parkeerrempedaal stevig en zo
ver mogelijk in.
3. Haal uw voet van het rempedaal en controleer of de auto blijft stilstaan.
02
4. Als de auto rolt dient u het parkeerrempedaal nog verder in te trappen.
Parkeerrem, auto met stuur links.
G026994
G026992
5. Zet de versnellingspook/keuzehendel bij
het parkeren altijd in de 1e versnelling
(handbak) of in stand P (automaat).
Parkeerrem, auto met stuur rechts.
Parkeerrempedaal
Handgreep waarmee de parkeerrem wordt
gelost
Op vloerhoogte vindt u het parkeerrempedaal
(zie afbeelding), waarmee u de parkeerrem
kunt aanzetten die op de achterwielen werkt.
Op een helling parkeren
Draai bij het parkeren op een oplopende helling
de wielen van de trottoirband af, als de neus
van de auto naar de top van helling wijst.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
Parkeerrem lossen
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek aan de handgreep.
N.B.
Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel geeft alleen aan dat u het
parkeerrempedaal bedient en niet hoe hard!
Parkeerrem aanzetten
1. Trap het rempedaal stevig in.
``
67
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Parkeerrem, elektrische aansluiting, e.d.
Elektrische aansluiting achterin
Stuurwielafstelling
Achterklep openen
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken, zoals een mobiele telefoon of koelbox. De aansluiting is
bedoeld voor accessoires die op 12 V werken.
De maximale stroomsterkte is 10 A. De transpondersleutel moet ten minste in stand I staan,
anders geeft de aansluiting geen stroom.
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen. Duw de hendel aan de linkerzijde van de stuurkolom omlaag. Zet het
stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
Duw de hendel weer in positie terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als
dit veel moeite kost, kunt u lichte druk op het
stuurwiel aanbrengen terwijl u de blokkeerhendel terugduwt.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
nooit tijdens het rijden. Controleer of het
stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd
staat.
68
G027005
G026999
G028425
02
Open de achterklep door aan de handgreep te
trekken zoals aangegeven op de afbeelding.
Klap het achterschot omlaag door de handgreep op te tillen.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Bediening
Zijruit openen:
±
Druk het voorste deel van de knop omlaag.
Zijruit sluiten:
±
Trek het voorste deel van de knop
omhoog.
WAARSCHUWING
Bestuurdersportier
Als er kinderen in de auto zitten:
•
02
Let erop dat u altijd de stroomtoevoer
naar de elektrisch bedienbare ruiten
verbreekt door de transpondersleutel te
verwijderen.
•
Let er bij het sluiten van de zijruiten op
dat kinderen of andere inzittenden niet
bekneld kunnen raken.
Wanneer u de achterste zijruiten vanaf het
bestuurdersportier sluit, dient u erop te letten op dat achterpassagiers niet met hun
handen bekneld kunnen raken.
G029571
Met de schakelaars op de portieren kunt u de
ruiten elektrisch bedienen. De ruiten zijn te
bedienen wanneer de contactsleutel in stand
I of II staat. Ook wanneer de auto stilstaat en u
de transpondersleutel hebt uitgenomen, kunt u
de ruiten nog steeds enige tijd openen en sluiten zolang geen van de portieren wordt
geopend. Bedien de ruiten altijd onder toezicht.
Knoppen voor elektrisch bedienbare zijruiten.
Knop voor elektrisch bedienbare zijruiten
voorin
N.B.
U kunt de rijwindgeluiden tijdens ritten met
geopende achterportierruiten beperken
door ook de voorportierruiten een stukje te
openen.
Knop voor elektrisch bedienbare zijruiten
achterin
Vanaf de bestuurdersstoel kunt u alle zijruiten
elektrisch bedienen. U kunt de zijruiten op twee
manieren openen en sluiten:
•
Druk een van de bedieningsknoppen (A) of
(B) voorzichtig omlaag of trek er één voorzichtig omhoog. De elektrisch bedienbare
zijruiten komen steeds verder omhoog of
omlaag zolang u de knoppen bedient.
•
Druk een van de bedieningsknoppen (A) of
(B) omlaag of trek er één omhoog en laat
``
69
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
N.B.
Alleen op bepaalde markten werkt de automatische sluitingsfunctie ook aan de passagierszijde.
U kunt de elektrische bediening van de ruiten
in de achterportieren blokkeren met de knop
op het bedieningspaneel op het bestuurdersportier. Let erop dat u altijd de stroomtoevoer
voor de elektrisch bedienbare ruiten verbreekt
(d.w.z. de transpondersleutel verwijdert), wanneer u kinderen alleen in de auto achterlaat.
Passagiersstoel, voorin
Het lampje in de knop brandt
De ruiten in de achterportieren zijn alleen vanaf
het bestuurdersportier te bedienen.
Het lampje in de knop is uit
Elektrisch bedienbare zijruiten in
achterportieren blokkeren
De zijruiten in de achterportieren zijn zowel met
de knoppen op de portieren als met de knoppen op het bestuurdersportier te bedienen.
G029573
02
deze vervolgens los. De zijruiten gaan dan
automatisch open of dicht. Als een zijruit
door iets worden geblokkeerd, wordt de
op- of neergaande beweging van die zijruit
afgebroken.
G029572
Met de knoppen voor elektrische bediening
van de ruiten op het passagiersportier kunt u
alleen de ruit in het passagiersportier bedienen.
Elektrisch bedienbare zijruiten blokkeren en elektrisch bedienbaar kinderslot*.
70
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Elektrisch bedienbare zijruiten in de
achterportieren
WAARSCHUWING
02
G029574
Wanneer u de achterste zijruiten vanaf het
bestuurdersportier sluit, dient u erop te letten op dat achterpassagiers niet bekneld
kunnen raken.
De zijruiten in de achterportieren zijn zowel met
de knoppen op de beide portieren als met de
knoppen op het bestuurdersportier te bedienen. Als het lampje brandt in de knop waarmee
u de elektrische bediening van de achterste zijruiten blokkeert (op het bedieningspaneel op
het bestuurdersportier), zijn de zijruiten in de
achterportieren alleen vanaf het bestuurdersportier te bedienen.
71
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
Achteruitkijkspiegel
Achteruitkijkspiegel met kompas*
voorbeeld een rechtgebogen paperclip. Het
knopje ligt ca. 2,5 cm diep in de spiegel.
02
Kompaszone instellen
Z
O
N
E
Normale stand
Dimstand.
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel in de autodimstand,
wanneer u de verlichting van het achteropkomend verkeer als hinderlijk ervaart.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd.
72
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
In de linker bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst. Er worden acht verschillende richtingen
met Engelse afkortingen weergegeven: N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd,
wanneer u het contactslot in stand II zet of
wanneer de motor loopt, tenzij u het kompas
hebt uitgeschakeld. U kunt het kompas uitschakelen of opnieuw inschakelen door op het
verzonken knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel te drukken. Gebruik bij-
C
A
L
Z
O
N
E
G026950
Dimfunctie
G026965
G026660
C
A
L
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas is ingesteld op het geografische
gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het
kompas dient te worden gekalibreerd, als u
met de auto meerdere magnetische zones
doorkruist.
1. Contactslotstand II.
2. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden lang
ingedrukt (met een rechtgebogen paperclip bijvoorbeeld), totdat de tekst ZONE
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
verschijnt. Het nummer van de huidige
magnetische zone verschijnt.
3. Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van het gewenste geografische gebied (1–15) verschijnt. Enkele
seconden later staat de kompasrichting
weer op het display, wat aangeeft dat er
van zone is gewisseld.
02
``
73
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
G026677
02
Magnetische zones voor kompas.
74
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
Kalibreren
Buitenspiegels
WAARSCHUWING
Het kompas moet soms voor de nauwkeurigheid worden gekalibreerd. Schakel voor de
beste resultaten alle grote stroomverbruikers
uit zoals de interieurverlichting, de interieurventilator, de elektrische achterruitverwarming
e.d. en zorg dat er geen metalen of magnetische voorwerpen in de buurt van de spiegel
zijn.
Stel de spiegels af, voordat u gaat rijden!
Buitenspiegels met geheugen*
Als er buitenspiegels met geheugen op de auto
zitten, werkt het geheugen synchroon met dat
van de bestuurdersstoel, zie pagina 97.
Geheugenfunctie van
afstandsbediening*
3. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 8 km/h, totdat
de tekst CAL van het display verdwijnt. Dit
geeft aan dat de kalibratie afgerond is. Dit
geeft aan dat de kalibratie afgerond is.
4. Alternatieve kalibratiestap: Rijd op de normale manier weg. CAL verdwijnt van het
display, wanneer de kalibratie is afgerond.
G029575
1. Breng de auto op een groot en open terrein
tot stilstand en laat de motor lopen.
2. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ingedrukt (met bijvoorbeeld een paperclip), totdat de melding
CAL opnieuw verschijnt (ca. 6 seconden
lang).
02
De knoppen waarmee u de twee buitenspiegels bedient, vindt u voor op de armleuning van
het bestuurdersportier. De buitenspiegels zijn
te bedienen met het contact in stand I of II.
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
dooft.
Wanneer u de auto met een van de afstandsbedieningen ontgrendelt en de instelling van de
buitenspiegels wijzigt, wordt de nieuwe positie
van de spiegels in de afstandsbediening opgeslagen. De volgende keer dat u de auto ontgrendelt met dezelfde afstandsbediening en
het bestuurdersportier binnen vijf minuten na
ontgrendeling opent, gaan de buitenspiegels in
de opgeslagen positie staan.
Gelaagde zijruiten*
De ruiten van gelaagd glas in de voor- en achterportieren zorgen voor een verbeterde
geluidsisolatie van de passagiersruimte en
leveren een verhoogde bescherming tegen
inbraak op.
Buitenspiegels resetten, zie pagina 55.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
75
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
02
Water- en vuilafstotende laag op
voorste zijruiten*
Zijruiten met de speciale water- en vuilafstotende laag zijn voorzien van een
klein symbool. Voor informatie over het onderhoud van dergelijke zijruiten en spiegels, zie
pagina 191.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de ruiten van ijs te ontdoen. Er kan daarbij schade
aan de waterafstotende laag ontstaan.
76
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Openingsstanden
Ventilatiestand
WAARSCHUWING
Openen:
Als er kinderen in de auto zitten:
±
Verbreek bij het verlaten van de auto de
stroomtoevoer naar het schuifdak door de
transpondersleutel uit te nemen.
Duw de achterkant van de knop (5)
omhoog.
02
Sluiten:
±
Trek de achterkant van de knop (6) omlaag.
U kunt het schuifdak vanuit de ventilatiestand
rechtstreeks in de comfortstand zetten: trek de
knop achteruit in de eindstand (4) en laat de
knop los.
G007503
Automatische bediening
Trek de knop door het weerstandspunt (3) in de
achterste eindstand (4) of via het weerstandspunt (2) in de voorste eindstand (1) en laat de
knop vervolgens los. Het schuifdak schuift dan
tot in de comfortstand open of helemaal dicht.
G027010
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. U kunt het schuifdak in
twee standen openen:
Ventilatiestand, achterkant omhoog
Schuifstand, achteruit/vooruit
De transpondersleutel moet daarbij in stand I
of II staan.
Sluiten, automatisch
Doe het volgende om het schuifdak vanuit de
comfortstand volledig te openen:
±
Sluiten, handmatig
Openen, handmatig
Openen, automatisch
Openen, ventilatiestand
Sluiten, ventilatiestand
Trek de knop nogmaals achteruit in de
eindstand (4) en laat de knop vervolgens
los.
Handmatige bediening
Openen:
±
Trek de knop achteruit naar het weerstandspunt (3). Het schuifdak schuift
steeds verder open zolang u de knop in
deze stand vasthoudt.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
77
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Sluiten:
02
±
Duw de knop vooruit naar het weerstandspunt (2). Het schuifdak schuift steeds verder dicht zolang u de knop in deze stand
vasthoudt.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
van het schuifdak. Pak de handgreep vast en
schuif het scherm naar voren om het te sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een voorwerp wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
WAARSCHUWING
Zonnescherm
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
G020157
Let er bij het sluiten van het schuifdak op dat
niemand met zijn handen bekneld kan
raken.
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen
78
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ *
Algemene informatie
N.B.
HomeLink is dusdanig geconstrueerd dat
het niet werkt als de auto van de buitenzijde
vergrendeld is.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen wel goed bewaart voor eventuele
programmering in een later stadium (zoals
bij de aankoop van een nieuwe auto).
G030070
Wis de programmering van de knoppen
wanneer u de auto verkoopt.
HomeLinkŸ is een programmeerbare afstandsbediening waarmee u tot drie verschillende
systemen (bijvoorbeeld elektrische garagedeur, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting)
kunt bedienen en daarmee de originele
afstandsbedieningen vervangt. HomeLink
wordt geleverd in een uitvoering die ingebouwd is in de linker zonneklep.
Het HomeLinkŸ-paneel bestaat uit drie programmeerbare knoppen en een controlelampje.
Gebruik geen zonwering bestaande uit
metaalfolie op auto’s die zijn uitgerust met
HomeLink. Het gebruik ervan kan namelijk
negatieve gevolgen hebben voor de werking van HomeLink.
Bediening
Zodra HomeLinkŸ geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke originele afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in voor activering van de elektrische garagedeur, het
alarmsysteem, etc. Het controlelampje brandt
zolang u de knop ingedrukt houdt.
N.B.
Als het contact niet wordt ingeschakeld,
blijft HomeLink tot 30 minuten na opening
van het bestuurdersportier werken.
Uiteraard kunt u de originele afstandsbedieningen naast HomeLinkŸ blijven gebruiken.
02
WAARSCHUWING
Als u HomeLinkŸ gebruikt om een garagedeur of toegangshek te bedienen, dient u
erop toe te zien dat er niemand in de buurt
van de garagedeur of het toegangshek is
tijdens de bediening.
Maak geen gebruik van de HomeLinkŸafstandsbediening voor een elektrische
garagedeur zonder veiligheidsstop en veiligheidsretour. De garagedeur dient onmiddellijk te reageren bij registratie van een
obstakel, tot stilstand te komen en meteen
de omgekeerde beweging te maken. Een
garagedeur die dat niet doet kan aanleiding
geven tot lichamelijk letsel. Neem voor meer
informatie contact op met de leverancier via
internet: www.homelink.com.
Eerste keer programmeren
Bij stap 1 wordt het complete geheugen van
HomeLinkŸ gewist. Voer dit punt dan ook niet
uit, wanneer u slechts één knop wilt omprogrammeren.
1. Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen. Het knipperende lampje geeft aan dat HomeLinkŸ
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
79
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ *
02
2. Leg de originele afstandsbediening op
5–30 cm afstand van HomeLinkŸ. Houd het
controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLinkŸ hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
•
Brandt niet continu: Het controlelampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 seconden continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rollende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸ-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
3. Druk de te programmeren knop van
HomeLinkŸ en de te kopiëren knop van de
originele afstandsbediening gelijktijdig in.
Laat de knoppen pas los wanneer het controlelampje dat langzaam knippert sneller
gaat knipperen. Een snel knipperend
lampje geeft aan dat de programmering
gelukt is.
5. Zoek de “inleerknop1” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLinkŸ in te
drukken en op het controlelampje te letten:
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
•
1
80
deur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸknop.
in de “inleerstand” staat en klaar is voor
programmering.
Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de programmering afgerond is. De garage-
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLinkŸ terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal deze volgorde van indrukken, vasthouden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke knop te
programmeren:
1. Druk op de gewenste knop van
HomeLinkŸ en houd deze ingedrukt totdat
punt 3 afgerond is.
2. Plaats wanneer het controlelampje van
HomeLinkŸ begint te knipperen (na ca. 20
seconden) de originele afstandsbediening
op 5–30 cm afstand van HomeLinkŸ. Houd
het controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
3. Druk de te kopiëren knop op de originele
afstandsbediening in. Het controlelampje
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ *
begint te knipperen. Laat beide knoppen
weer los, wanneer het lampje dat langzaam
knipperde sneller gaat knipperen. Een snel
knipperend lampje geeft aan dat de programmering gelukt is.
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
•
•
Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de programmering afgerond is. De garagedeur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸknop.
Brandt niet continu: Het controlelampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 seconden continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rollende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸ-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
5. Zoek de “inleerknop2” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
2
02
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLinkŸ terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal deze volgorde van indrukken, vasthouden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
Programmering wissen
Het is alleen mogelijk de programmering van
alle HomeLink-knoppen tegelijk te wissen en
niet van één bepaalde knop afzonderlijk.
±
Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen.
> HomeLinkŸ staat vervolgens in de
“Learn Mode” waarna deze opnieuw
geprogrammeerd kan worden, zie
pagina 79.
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
82
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G020906
Algemene informatie over de klimaatregeling......................................... 84
Elektronische klimaatregeling, ECC........................................................ 88
Standverwarming op brandstof*............................................................. 91
KLIMAATREGELING
03
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
03
Airconditioning
Sneeuw en ijs
De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in
het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht
ontdaan wordt. De auto is voorzien van automatische klimaatregeling (ECC).
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen. Voor
optimale luchtkwaliteit in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten
beslaan, moet u de airconditioning echter
altijd aan laten staan.
Beslagen ruiten
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
te voorkomen dat ze beslaan. Gebruik een normaal poetsmiddel voor glaswerk.
Interieurfilter
Zorg dat u het combifilter/interieurfilter op
gezette tijden vervangt. Volvo adviseert u daarover contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Storingen opsporen en verhelpen
Volvo adviseert u controle- en reparatiewerkzaamheden aan de klimaatregeling over te aan
een erkende Volvo-werkplaats.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor, waardoor het koudemiddel onschadelijk voor de
ozonlaag is. Voor het bijvullen/verversen van
koudemiddel mag alleen R134a worden
gebruikt, zie ook pagina 282. Volvo adviseert
u dergelijke werkzaamheden over te laten aan
een erkende Volvo-werkplaats.
Werkelijke temperatuur
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
Positie van de sensoren
•
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
•
De interieurtemperatuursensor zit achter
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
Zijruiten en schuifdak
Werking interieurventilator
Wanneer de motor is afgezet (ook al staat de
transpondersleutel in stand I of II), zal de interieurventilator automatisch worden uitgeschakeld. Dit gebeurt om te voorkomen dat de accu
uitgeput raakt.
Om de interieurventilator te activeren moet u
de ventilatorknop in de gewenste snelheidsstand draaien.
84
Elektronische klimaatregeling (ECC)
Voor een goede werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een eventueel schuifdak
gesloten houden.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt de airconditioning tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur
kan dan korte tijd iets oplopen.
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Condensatie
Luchtverdeling
Blaasmonden in dashboard
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
Om de klimaatregeling te ventileren kan de
interieurventilator tot 50 minuten na het afzetten van de motor aanslaan. De ventilator slaat
ca. 15 minuten later automatisch af.
03
G028577
Bij gebruik van ECC wordt ook de airconditioning automatisch geregeld en alleen dan ingeschakeld wanneer de lucht in de passagiersruimte moet worden afgekoeld en de binnenkomende lucht van vocht moet worden ontdaan. Zo wordt meer brandstof bespaard dan
bij gebruik van conventionele systemen, waarbij de airconditioning de lucht voortdurend
afkoelt tot net boven het vriespunt.
G027043
Brandstofbesparing
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
meerdere blaasmonden die op verschillende
punten in de auto zijn aangebracht.
Open
Dicht
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag.
1. Richt de buitenste blaasmonden op de
voorste zijruiten om ze te ontwasemen.
2. Bij koud weer: Doe de middelste blaasmonden dicht om de temperatuur in de
auto zo comfortabel mogelijk te houden en
de ruiten optimaal te ontwasemen.
``
85
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Blaasmonden in portierstijlen
Geventileerde voorstoelen (Executive)
Voor maximale ventilatie:
±
Houd
ca. 2 seconden lang ingedrukt.
Om de ventilatie in stapjes te verlagen:
±
.
Om de ventilatie uit te schakelen:
03
Open
Dicht
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag.
1. Richt de buitenste blaasmonden op de
achterste zijruiten om ze te ontwasemen.
2. Richt de blaasmonden naar binnen toe
voor een behaaglijke temperatuur achter in
de auto.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn voor
luchtstromen en tocht.
G030244
0
G027064
±
Houd
ca. 2 seconden lang ingedrukt.
Het is mogelijk de stoelventilatie te combineren
met de elektrische stoelverwarming. U kunt de
functie bijvoorbeeld gebruiken om uw kleding
van vocht te ontdoen.
Het ventilatiesysteem is te activeren, wanneer
de motor loopt.
Bediening van ventilatie voorstoelen.
Het ventilatiesysteem bestaat uit ventilatoren
in de zittingen en de rugleuningen die lucht
door de bekleding heen aanzuigen. Naarmate
de lucht in het interieur kouder is, neemt het
koelingseffect toe.
De ventilatie is bij te regelen met een bedieningsknop op de zijkant van de voorstoelen en
kent drie mogelijke standen.
Om de ventilatie van de stoel te starten:
±
Druk kort op
.
Om de ventilatie in stapjes te verhogen:
±
86
Druk kort op
Druk kort op
.
N.B.
Wie tochtgevoelig is dient de stoelventilatie
met beleid te gebruiken. Voor langdurig
gebruik wordt comfortniveau één geadviseerd.
BELANGRIJK
Bij een interieurtemperatuur lager dan 5°C
is het niet mogelijk de stoelventilatie in te
schakelen. Dit om te voorkomen dat de
inzittende die op de bewuste stoel zit het te
koud krijgt.
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Achterbankverwarming buitenste
zitplaatsen (Executive)
G030976
03
Knop voor in-/uitschakeling achterbankverwarming.
De achterbankverwarming is te bedienen met
de knop op de bovenstaande afbeelding. Achter op de beide zijkanten van de middenconsole zit voor beide buitenste zitplaatsen een
knop.
Om de achterbankverwarming te starten:
±
Druk op de knop.
> Het lampje in de knop gaat branden.
Om de verwarming uit te schakelen:
±
Druk op de knop.
> Het lampje dooft.
87
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
Bedieningspaneel
03
AC – Aan/uit (ON/OFF)
Temperatuur rechterzijde
Recirculatie/Combifilter met Air Quality
Sensor*
Temperatuur linkerzijde
Recirculatie
AUTO
Luchtverdeling
Interieurtemperatuursensor
Ontdooien voorruit en zijruiten
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
Elektrisch verwarmde voorstoelen
88
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Ventilator
Ventilator achter in passagiersruimte*
Functies
1. AC, Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat aan. De airconditioning wordt automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan automatisch
afgekoeld en van vocht ontdaan.
OFF: De airconditioning staat uit. Bij activering
van de ontwaseming wordt de airconditioning
automatisch ingeschakeld (uit te schakelen
met de knop AC).
2. Interior Air Quality System,
recirculatie/combifilter*
Bepaalde auto’s zijn uitgerust met een zogeheten combifilter en een Air Quality Sensor. Het
combifilter ontdoet de binnenkomende lucht
van gassen en stofdeeltjes en beperkt zo eventuele hinderlijke geuren en verontreinigingen.
De Air Quality Sensor meet de concentratie van
de verontreinigingen in de buitenlucht. Wanneer de sensor een verhoogde concentratie
registreert, wordt de luchtinlaat afgesloten en
recirculeert de lucht in de passagiersruimte. De
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
lucht in de passagiersruimte wordt ook tijdens
de recirculatie door het combifilter gereinigd.
•
U de Air Quality Sensor altijd hebt ingeschakeld.
Wanneer de Interior Air Quality
Sensor actief is, brandt het
groene lampje bij AUT.
•
Er bij koud weer beperkingen voor de recirculatiefunctie gelden om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
•
U de Air Quality Sensor uitschakelt, wanneer de ruiten beslaan.
•
Wanneer de ruiten beslaan, u beter ook de
ontwaseming van de voorruit, de zijruiten
en de achterruit kunt inschakelen.
•
Raadpleeg het serviceprogramma van
Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval voor het combifilter. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het combifilter mogelijk vaker vervangen.
Bediening:
±
Druk op AUTO om de Air Quality Sensor te
activeren (normale instelling).
Of:
Kies uit drie verschillende functies door
verschillende malen op de knop
te
drukken:
•
Het lampje bij MAN brandt om aan te
geven dat de recirculatiefunctie
opnieuw ingeschakeld is.
•
Geen van de lampjes brandt om aan te
geven dat de recirculatiefunctie niet is
ingeschakeld (voor zover recirculatie
niet nodig is om voor verkoeling te zorgen bij warm weer).
•
Het lampje bij AUT brandt om aan te
geven dat de Air Quality Sensor
opnieuw ingeschakeld is.
Let erop dat:
3. Recirculatie
U kunt de recirculatie inschakelen als u vieze
lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt
houden. De lucht in de passagiersruimte wordt
dan gerecirculeerd. Er komt met andere woorden geen lucht van buiten de auto in, wanneer
deze functie actief is.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de binnenkant van de ruiten ontstaan.
Met de timerfunctie (op modellen met een
combifilter en Air Quality Sensor ontbreekt de
timerfunctie) beperkt u de kans op ijs, wasem
en een slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
1. Druk de knop
langer dan 3 seconden in. Het lampje knippert 5 seconden. De
lucht in de auto wordt afhankelijk van de
buitentemperatuur 3–12 minuten lang
gerecirculeerd.
03
2. Telkens wanneer u op
drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
±
Druk de knop
nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. Het lampje gaat
5 seconden branden ter bevestiging van
uw keuze.
4. AUTO
Bij activering van de functie AUTO wordt de
klimaatregeling automatisch dusdanig ingesteld dat de gewenste temperatuur wordt
bereikt. De automatische functie regelt de verwarming, de airconditioning, de Air Quality
Sensor, de ventilatorsnelheid, de recirculatie
en de luchtverdeling. Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige
functies nog steeds automatisch geregeld. Alle
handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u op AUTO drukt.
``
89
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
5. Luchtverdeling
•
Wanneer u de bovenste knop hebt ingedrukt, stroomt er lucht uit de openingen bij
de ruiten
•
Wanneer u de middelste knop hebt ingedrukt, stroomt er lucht uit de openingen ter
hoogte van bovenlichaam en hoofd
03
•
Wanneer u de onderste knop hebt ingedrukt, stroomt er lucht uit de openingen ter
hoogte van benen en voeten
Druk op AUTO, wanneer u de automatische
luchtverdeling weer wilt activeren.
6. Interieurtemperatuursensor
8. Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Met deze knop kunt u de achterruit en de buitenspiegels snel ontdoen van condens of ijs,
zie pagina 57 voor meer informatie over deze
functie.
9. Elektrisch verwarmde voorstoelen
Doe het volgende om de voorstoel te verwarmen:
De interieurtemperatuursensor registreert de
temperatuur in het interieur.
1. Eenmaal indrukken: Hoge verwarmingsstand – beide lampje branden.
7. Ontwaseming voorruit en zijruiten
2. Nogmaals indrukken: Lage verwarmingsstand – een van de lampjes brandt.
U gebruikt de ontwaseming om de voorruit en
de zijruiten snel te ontwasemen en te ontdooien. Er stroom dan op hoge snelheid lucht
naar de ruiten. Het lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de functie ingeschakeld
is.
Bij activering van deze functie gebeurt bovendien het volgende om de lucht in het interieur
zo veel mogelijk van vocht te ontdoen:
90
Bij het uitschakelen van de ontwaseming
hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
•
de airconditioning (AC) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC);
•
de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3. Nogmaals indrukken: Verwarming uitgeschakeld – geen van de lampjes brandt.
Volvo adviseert u de temperatuur in een
erkende Volvo-werkplaats te laten bijstellen.
10 en 11. Temperatuurknoppen
Met de twee draaiknoppen kunt u de temperatuur aan de bestuurderszijde en de passagierszijde instellen.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een
hoger of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
12. Ventilator
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te
verhogen of te verlagen. De ventilatorsnelheid
wordt automatisch geregeld, als u AUTO
selecteert. De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan genegeerd.
N.B.
Als u de knop linksom hebt gedraaid en de
ventilatorindicatie op het display gedoofd is,
zijn de ventilator en de airconditioning uitgeschakeld.
13. Ventilator, achter in
passagiersruimte (optie bij zevenzitters)
U kunt de snelheid waarmee de ventilator
draait verhogen of verlagen door aan de knop
te draaien. Dit geldt alleen, als u voor zowel
airconditioning voorin als achterin* hebt gekozen. De knop voor airconditioning achter in de
passagiersruimte vindt u op de middenconsole, zie pagina 55.
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof*
G027095
U kunt de standverwarming meteen inschakelen of twee verschillende uitschakeltijden
instellen met TIMER 1 en TIMER 2. Onder de
uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan
waarop de auto de gewenste temperatuur
bereikt heeft. De elektronica van de auto rekent
aan de hand van de buitentemperatuur zelf uit
wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld. Bij een buitentemperatuur hoger dan
25°C wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij
temperaturen van –10°C en lager is de maximale bedrijfstijd van de standverwarming 60
minuten.
Knop READ
Duimwiel
Knop RESET
Voordat u de standverwarming kunt programmeren, moet het elektrische systeem worden
“gewekt”.
Dat doet u door:
•
•
•
op de knop READ te drukken, of
Als de standverwarming ondanks herhaalde
startpogingen niet aanslaat, adviseert Volvo u
contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats. Er verschijnt een melding op het
display.
WARNING! ACHTUNG!
AVERTISSEMENT!
03
G027102
Algemene informatie over
verwarmingen
Waarschuwingssticker op de tankvulklep.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming moet
de auto in de buitenlucht staan.
Schakel voor het tanken de standverwarming uit. Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Controleer op het display of de standverwarming uit is. (Als de standverwarming
werkt, verschijnt er PARK.VERW. AAN op
het display.)
het groot licht te activeren, of,
Displaytekst
draai de transpondersleutel naar sleutelstand I.
Wanneer u de geprogrammeerde functies
TIMER 1, TIMER 2 en Directe start
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
91
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof*
03
activeert, brandt het oranje waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel.
3. Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in uren aan te geven.
Wanneer u de auto verlaat, ontvangt u een melding met de status van de standverwarming.
De melding verdwijnt wanneer u de auto vanaf
de buitenzijde vergrendelt met de transpondersleutel.
4. Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
naar de voet van de helling wijst. De standverwarming krijgt dan voldoende brandstof.
Klok/timer
Als u na het instellen van de timer(s) van de
verwarming de klok van de auto bijstelt, worden alle timerinstellingen geannuleerd.
Timers instellen
Om veiligheidsredenen kunt u uitsluitend tijden
voor het komende etmaal programmeren en
dus niet voor meerdere dagen tegelijk.
1. Draai aan het duimwiel totdat TIMER 1 of
2 op het display verschijnt.
2. Druk kort op de knop RESET zodat de uuraanduiding gaat knipperen.
92
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5. Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in minuten aan te geven.
6. Druk kort op de knop RESET om de instelling te bevestigen.
7. Druk op de knop RESET om de timer te
activeren.
Timergestuurde standverwarming
voortijdig uitschakelen
Doe het volgende om de timergestuurde
standverwarming uit te schakelen voordat de
timer dat doet:
1. Druk op READ.
2. Ga met het duimwiel naar TIMER
PARK.VERW 1 of 2. De tekst AAN knippert op het display.
3. Druk op RESET. De tekst UIT brandt continu en de standverwarming wordt uitgeschakeld.
Standverwarming meteen inschakelen
1. Draai aan het duimwiel totdat DIRECTE
START op het display verschijnt.
2. Druk op RESET om een van de opties
AAN of UIT te selecteren.
3. Kies AAN.
De verwarming zal vervolgens 60 minuten lang
blijven werken. De verwarming van het interieur
gaat van start, zodra de koelvloeistof in de
motor een temperatuur van 30°C heeft bereikt.
Standverwarming meteen
uitschakelen
1. Draai aan het duimwiel totdat DIRECTE
START op het display verschijnt.
2. Druk op RESET om een van de opties
AAN of UIT te selecteren.
3. Kies UIT.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming nog aanstaat.
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof*
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld. Er verschijnt een melding op het display. Er verschijnt dan een melding op het display. Bevestig deze melding door op de knop READ te
drukken.
03
BELANGRIJK
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren. Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto rijden als de standverwarming aanstond. Dit
om te zorgen dat de dynamo evenveel
stroom kan bijladen als de standverwarming
verbruikt.
Extra verwarming (diesel)*
Bij koud weer kan extra verwarming nodig zijn
om de passagiersruimte voldoende te verwarmen.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is terwijl de motor loopt. De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm
genoeg is of wanneer de motor wordt afgezet.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
93
94
G020908
Voorstoelen............................................................................................. 96
Voorstoelen (Executive) .......................................................................... 99
Interieurverlichting................................................................................. 100
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte.......................................... 102
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte (Executive) ....................... 107
Achterbank............................................................................................ 108
Bagageruimte........................................................................................ 110
INTERIEUR
04
04 Interieur
Voorstoelen
Zithouding
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen (bestuurders- en passagierszijde*).
Rugleuning voorstoelen omklappen
Lendensteun wijzigen1, aan de knop
draaien.
Hellingshoek rugleuning wijzigen – aan de
knop draaien.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
04
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld voor een optimale zit- en rijhouding.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager zetten,
omhoog-/omlaagpompen (bestuurdersen passagierszijde*).
1
96
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
Controleer of de stoel in zijn stand vergrendeld staat.
G014805
G027960
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden.
De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
1. Schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren.
2. Zet de rugleuning rechtop (90 graden).
3. Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning tijdens het omklappen naar
voren.
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
04 Interieur
Voorstoelen
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
Elektrisch bedienbare stoel*
WAARSCHUWING
Controleer of de rugleuning van de voorstoel na het rechtop zetten goed vergrendeld staat.
contact uitschakelen en enige tijd wachten
voordat u de stoel opnieuw probeert te verstellen. U kunt slechts één verstelfunctie van
de stoel tegelijk activeren.
Geheugenfunctie*
Vloermatten*
Volvo biedt vloermatten die speciaal voor de
auto vervaardigd zijn.
04
WAARSCHUWING
Zorg dat de vloermat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat deze
kan gaan glijden en achter of onder de
pedalen blijft haken.
Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. Het is altijd
mogelijk de stoel te verstellen, wanneer de
contactsleutel in stand I of II staat.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit
Knoppen voor geheugenfunctie.
Instelling vastleggen
1. Verstel de stoel.
Stoel omhoog/omlaag
2. Houd de knop MEM ingedrukt, terwijl u
knop 1, 2 of 3 indrukt.
Hellingshoek rugleuning
Stoel in vastgelegde stand zetten
Er wordt een beveiliging tegen overbelasting
geactiveerd, als een van de stoelen wordt
geblokkeerd. Als dit het geval is, moet u het
Druk op een van de geheugenknoppen 1–3,
totdat de stoel tot stilstand komt. Bij het losla``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
97
04 Interieur
Voorstoelen
ten van de knop zal de instelling van de stoel
onmiddellijk worden beëindigd.
Geheugen van transpondersleutel
De positie van de bestuurdersstoel wordt vastgelegd, wanneer u de auto met de transpondersleutel vergrendelt. Een volgende keer dat
de auto met dezelfde transpondersleutel wordt
ontgrendeld en het bestuurdersportier wordt
geopend, nemen de bestuurdersstoel en de
buitenspiegels de vastgelegde standen in.
04
N.B.
Het sleutelgeheugen werkt onafhankelijk
van de geheugenfunctie van de stoel.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een willekeurige knop drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen.
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter of
onder de stoel liggen tijdens het verstellen.
Zorg er tevens voor dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
98
04 Interieur
Voorstoelen (Executive)
Voorstoelen type Comfort
Massage
Lendensteun instellen
Massage
Lendensteun
Knop voor activering massagefunctie.
Harde massage
Zachte massage
Elk van beide voorstoelen is voorzien van een
rugleuning met massagefunctie. De massagefunctie maakt gebruik van luchtkussens die u
een harde of zachte massage geven. Na selectie van de gewenste massagefunctie wordt er
als volgt gemasseerd: 6 minuten massage – 4
minuten pauze – 6 minuten massage enz.
Wanneer de knop in de middelste stand staat
of de transpondersleutel in stand 0, is de massagefunctie niet actief.
G030229
G030180
G030183
04
Knop voor instelling lendensteun.
De lendensteun is traploos in te stellen met
behulp van de luchtkussens die ook gebruikt
worden voor de massafunctie. De luchtkussens op verschillende hoogte in de rugleuning
zijn stuk voor stuk apart traploos harder of
zachter op te blazen (zie bovenstaande afbeelding).
De lendensteun is in te stellen wanneer de
massagefunctie niet actief is.
De stand wordt opgeslagen in een geheugen
zodat de lendensteun na afloop van de massagefunctie of na langdurig parkeren automatisch de laatst opgeslagen stand weer inneemt.
99
04 Interieur
Interieurverlichting
Leeslampjes voorin en
interieurverlichting
II en ook wanneer de motor loopt. De verlichting kan ook worden ingeschakeld binnen 10
minuten nadat:
•
de motor afgezet is en het contact in stand
0 is gezet;
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
Plafondverlichting achterin
De verlichting dooft daarna automatisch.
Plafondverlichting voorin
04
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes voorin en interieurverlichting
Leeslampje linksvoor
Interieurverlichting
Leeslampje rechtsvoor
De interieurverlichting1 wordt in- en uitgeschakeld door kort op knop (2) te drukken. Ook de
automatische verlichting wordt dan geactiveerd c.q. gedeactiveerd, zie pagina 101.
Alle lampjes in het interieur kunnen worden
ingeschakeld met het contactslot in stand I of
1
100
De instapverlichting wordt tegelijk met de interieurverlichting in- of uitgeschakeld.
G027153
G026960
De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen op de plafondconsole.
Leeslampjes achterin
Leeslampje linksachter, aan/uit
Leeslampje rechtsachter, aan/uit
De leeslampjes achterin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen.
Bij zevenzitters zijn er ook leeslampjes voor de
derde zitrij.
Instapverlichting
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) wordt in- en uitgeschakeld bij het openen c.q. sluiten van een portier.
04 Interieur
Interieurverlichting
Kofferbakverlichting
Een lampje aan de binnenkant van de achterklep dient als kofferbakverlichting.
Het achterste plafondlampje en het lampje in
de achterklep worden bij het openen en sluiten
van de achterklep automatisch in- en uitgeschakeld.
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
Automatische verlichting
Verlichting dashboardkastje
U kunt de automatische verlichting uitschakelen door knop (2), zie pagina 100, meer dan 3
seconden ingedrukt te houden. Bij kort indrukken van de knop schakelt u de automatische
verlichting weer in.
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
Bij een geactiveerde automatische verlichting
gaat de interieurverlichting automatisch2 30
seconden lang branden wanneer:
•
de auto wordt ontgrendeld met een sleutel
of transpondersleutel
•
u de contactsleutel na het afzetten van de
motor naar stand 0 draait.
Make-upspiegel*
04
De interieurverlichting gaat aan en blijft 10
minuten lang branden, wanneer een van de
portieren wordt geopend tenzij u de interieurverlichting hebt uitgeschakeld.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
G027045
•
•
2
u de motor start;
de auto wordt ontgrendeld met een sleutel
of transpondersleutel.
De geprogrammeerde inschakelduur (resp. 30
seconden en 10 minuten) is te wijzigen in een
Volvo-werkplaats.
De functie is afhankelijk van de lichtinval en wordt alleen geactiveerd wanneer het donker is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
101
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergmogelijkheden
04
ATTENTION
Pakjdskdl ioiuip kjöpp opoodidåuswi
AIRBAG
MY KEY
L E CTOR
SE
SOUND
ENTER
EXIT
MENU
80
G027041
8504251r
102
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak op derde zitrij
Pennenvak
Dashboardkastje
Opbergvakken en bekerhouders
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje
Aflegvlak in middenconsole
Bekerhouders voor achterpassagiers
ATTENTION
Pakjdskdl ioiuip kjöpp opoodidåuswi
Opbergvak (ook aan de voorkant van de
voorstoelzitting)
AIRBAG
MY KEY
L E CTOR
SE
SOUND
ENTER
04
EXIT
MENU
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre.
In de middenconsole vindt u een vak waarin u
pennen kunnen bewaren.
80
G027025
WAARSCHUWING
G027030
Houder voor boodschappentassen
In het dashboardkastje kunt u bijvoorbeeld het
instructieboekje, wegenkaarten, pennen en
tankpassen bewaren.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
``
103
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Kledinghaak
Asbak voor achterpassagiers*
Bekerhouder/flessenhouder voor
achterpassagiers
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
U opent de asbak door de bovenkant van het
klepje naar buiten toe te klappen.
Leeg de asbak als volgt:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Trek het insteekelement aan de onderkant
openen.
1. Open de asbak.
U kunt het insteekelement voor bekers als volgt
verwijderen:
2. Duw het klepje omlaag en kantel het achterover.
±
3. Til de asbak vervolgens uit de middenconsole.
104
G027063
G027018
G027028
04
Wanneer u de twee klemmen losmaakt,
kunt u de bekerhouder gebruiken als flessenhouder voor twee grote petflessen.
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Aflegvlak in middenconsole
Opbergvakken en bekerhouders
(zevenzitter)
Bekerhouders
U kunt de opbergvakken gebruiken om bijvoorbeeld cd’s en boeken in te bewaren.
In de middenconsole zit een aflegvak om bijvoorbeeld eten en drinken op weg te zetten. U
moet daarvoor de middenarmsteun naar achteren toe wegklappen, zodat de achterpassagiers het onderliggende blad als “tafeltje” kunnen gebruiken.
G027020
G027019
G027040
04
Bekerhouders voor de bestuurders- en passagierszijde.
Asbak*
±
Om de asbak te legen moet u het insteekelement uitnemen.
Onder het aflegvlak zit een opbergvak om bijvoorbeeld cd’s in te bewaren.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
105
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak op derde zitrij (zevenzitter)
G027026
04
U kunt de opbergvakken gebruiken om bijvoorbeeld pennen en kleine voorwerpen in te bewaren.
106
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte (Executive)
Koelbox
G027068
04
Onder de opklapbare armsteun is een koelbox
weggewerkt. Pas de koelstand aan met de
knop (zie afbeelding). De box werkt wanneer de
motor loopt of de transpondersleutel in stand
II staat.
WAARSCHUWING
Draai de flessen goed dicht voordat u ze in
het koelbox bewaart en zorg dat het deurtje
dicht blijft tijdens het rijden.
107
04 Interieur
Achterbank
Achterbank, tweede zitrij (zevenzitter)
Verschuifbare stoel (zevenzitter)
Achterkant middenconsole
verwijderen
Ruggedeelte vooroverklappen om in te
stappen
Til de handgreep (1) omhoog en duw de stoel
tegelijkertijd naar voren. Doe dit in omgekeerde
volgorde om de stoel in de oorspronkelijke
stand terug te zetten.
Stoel vooruit-/achteruitzetten
Til de beugel (2) op om de stoel verder naar
voren of achteren te zetten.
108
U kunt de middelste stoel van de tweede zitrij
iets verder naar voren zetten dan de resterende
stoelen. Wanneer u de middelste stoel naar
voren schuift kunt u een kind op het geïntegreerde kinderzitje beter in de gaten houden
vanaf de voorstoelen.
Til de beugel (A) op om de stoel naar voren of
achteren te zetten.
G028445
G027033
G027027
04
Om de middelste stoel van de tweede zitrij naar
voren te kunnen schuiven, moet u eerst de
middenconsole verwijderen. U doet dat als
volgt.
1. Verwijder de achterkant van de middenconsole door de pal recht naar buiten toe
te trekken zoals aangegeven op de bovenstaande afbeelding.
2. Til de console vervolgens uit de auto.
04 Interieur
Achterbank
Hoofdsteunen achterbank, middelste
zitplaats
WAARSCHUWING
Zet de hoofdsteun alleen in de laagste positie, wanneer u het ruggedeelte van de stoel
vooroverklapt of wanneer er niemand op de
stoel zit.
Nadat u de stoelen op de tweede en derde
zitrij rechtop gezet hebt, moet u controleren
of het ruggedeelte van de stoelen geblokkeerd staat. Als dat niet het geval is, kan het
beveiligingssysteem zijn werk niet doen.
04
G027015
N.B.
U kunt de hoofdsteun niet helemaal verwijderen.
U kunt de hoofdsteun in het midden van de
achterbank naargelang van de lengte van de
passagier afstellen. Trek de hoofdsteun zo ver
omhoog als nodig is.
±
Als u de hoofdsteun omlaag wilt duwen,
moet u tegelijkertijd de pal indrukken. Zie
afbeelding.
109
04 Interieur
Bagageruimte
Bagageruimte vergroten, tweede zitrij
Bagageruimte vergroten, derde zitrij
(zevenzitter)
Derde zitrij rechtop zetten
1. Zet het ruggedeelte van de stoelen weer
rechtop.
2. Pak de lus beet en trek het zitgedeelte zo
ver uit dat u een klik hoort.
3. Zet de hoofdsteun rechtop.
> U kunt de stoel daarna weer gebruiken.
Algemene informatie
2. Klap de hoofdsteunen omlaag.
3. Hef de blokkering (1) op en klap het ruggedeelte voorover. Duw het ruggedeelte
aan om het in neergeklapte stand te blokkeren.
WAARSCHUWING
Om veiligheidsredenen mag u geen passagiers op de derde zitrij vervoeren, als de
hoofdsteunen van de buitenste zitplaatsen
van de tweede zitrij omlaaggeklapt zijn.
110
Schuif de tweede zitrij helemaal naar voren toe,
zie pagina 96.
Til de handgreep omhoog.
Schuif het zitgedeelte in de achterste
stand. Klap de verankeringsogen links en
rechts dusdanig in, dat ze niet beschadigd
raken wanneer u de ruggedeelten vooroverklapt.
Klap het ruggedeelte voorover. (De hoofdsteun wordt automatisch ingeklapt bij het
vooroverklappen van het ruggedeelte.)
G027031
1. Zet de stoelen in de achterste stand (geldt
alleen voor zevenzitters).
G027016
G027022
04
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
04 Interieur
Bagageruimte
gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde
informatie over de gewichten, zie pagina 276.
•
Lading in de bagageruimte
•
•
Dek scherpe randen met iets zachts af.
•
Zorg dat de lading nooit boven de rugleuning uitsteekt, wanneer u geen gebruik
maakt van een bagagenet.
Veiligheidsgordels en airbags bieden de
bestuurder en eventuele passagiers een goede
bescherming, met name bij frontale botsingen.
Zorg echter ook voor een goede afscherming
in de rug. Let er bij het vervoer van lading in de
bagageruimte op dat voorwerpen die niet goed
zijn vastgezet of op de juiste manier zijn ingeladen bij een aanrijding of een krachtige remmanoeuvre met hoge snelheid en met grote
kracht naar voren kunnen worden geslingerd
en daarbij ernstige verwondingen kunnen toebrengen.
Let erop dat een voorwerp met een gewicht
van 20 kg bij een frontale botsing op een snelheid van 50 km/h zich gedraagt als een voorwerp met een gewicht van 1000 kg.
Let op het volgende bij het inladen:
•
Duw zware lading niet te dicht tegen de
voorstoelen aan. Het neergeklapte ruggedeelte wordt anders onnodig zwaar belast.
•
Breng de lading zo dicht mogelijk tegen de
rugleuning van de achterbank aan.
•
Leg zware voorwerpen zo veel mogelijk
plat op de vloer.
Breng zware lading dusdanig aan dat deze
recht voor de deellijn in de rugleuning van
de achterbank komt te zitten.
Zet de lading met sjorbanden aan de verankeringsogen vast.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt! Als dat namelijk wel het
geval is, kan de lading bij een krachtige remmanoeuvre of een aanrijding naar voren
worden geslingerd en u of eventuele passagiers ernstig verwonden. Let er ook op dat
u lading altijd goed verankert (vastbindt).
Wanneer u het ruggedeelte van de achterbank hebt neergeklapt, moet u zorgen dat
de lading niet uitsteekt boven de denkbeeldige, horizontale lijn op 50 mm onder de
bovenkant van de ruiten in de achterportieren. Zorg er bovendien voor dat de lading
op 10 cm afstand van de zijruiten zit. Anders
is het mogelijk dat het opblaasgordijn dat
schuilgaat achter de plafondbekleding geen
bescherming meer biedt.
04
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Zet de motor af en zet de parkeerrem aan
bij het in- en uitladen van lange voorwerpen!
Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen
de versnellingspook of keuzehendel aan
komen en zo per ongeluk een versnelling
inschakelen, waarna de auto kan gaan rollen.
``
111
04 Interieur
Bagageruimte
Bagagenet
Bagagenet aanbrengen
voorste plafondbevestigingen hebt vastgezet.
Geldt alleen voor zevenzitter:
1. Zorg dat het net voor de armleuning van
het zijpaneel komt te liggen bij aanspanning.
2. Trek het bagagenet strak met de trekbanden.
Bagagenet opvouwen
G027058
04
Het bagagenet voorkomt dat bagage of lading
uit de bagageruimte de passagiersruimte kan
binnendringen bij krachtige remmanoeuvres.
Als de auto is uitgerust met een bagagerolhoes, moet u deze verwijderen voordat u het
bagagenet aanbrengt.
Het bagagenet is gemaakt van stevige nylonmateriaal en kan op twee verschillende manieren worden bevestigd:
1. Haak de bovenste stang achter de voorste
of achterste plafondbevestigingen vast.
•
•
achter het ruggedeelte van de achterbank,
achter de voorstoelen, als u de achterbank
hebt neergeklapt.
2. Haak het andere uiteinde van de stang aan
de tegenoverliggende plafondbevestiging
vast.
3. Haak de banden van het bagagenet vast
aan de ogen op de vloer, wanneer u het net
aan de achterste plafondbevestigingen
hebt vastgezet.
4. Maak gebruik van de verankeringsogen op
de stoelrails, wanneer u het net aan de
112
04 Interieur
Bagageruimte
U kunt het bagagenet opvouwen en opbergen
onder de vloerplaat van de bagageruimte
(geldt voor vijfzitters).
2. Breng een van de bevestigingspennen van
het veiligheidsrek in de bijbehorende houder aan die zich boven het achterportier
achter de tweede zitrij bevindt.
Druk de knoppen (1) op de scharnieren van
het bagagenet in om de scharnieren te ontgrendelen en het net op te vouwen.
WAARSCHUWING
Controleer altijd of de bovenste bevestigingen van het veiligheidsnet goed zijn aangebracht en of de spanbanden stevig vastzitten.
04
Een beschadigd net mag u niet meer gebruiken.
Het veiligheidsrek in de bagageruimte voorkomt dat bagage of huisdieren bij krachtige
remmanoeuvres de passagiersruimte in worden geslingerd.
U moet het veiligheidsrek voor de veiligheid
altijd op de juiste manier bevestigen en verankeren.
Breng het veiligheidsrek als volgt aan:
1. Til het veiligheidsrek via de achterklep of
een van de achterportieren in de auto (in
het laatste geval moet u eerst de tweede
zitrij neerklappen).
G027057
G027056
±
Stalen veiligheidsrek*
3. Duw de bevestigingspen van het veiligheidsrek naar voren toe in de houder.
4. Breng de andere bevestigingspen van het
veiligheidsrek in de houder boven het
tegenoverliggende portier en duw ook hier
de bevestigingspen vooruit in de houder.
5. Steek de bevestigingsbeugel vanaf de
onderzijde door de onderste houder van
het veiligheidsrek zoals aangegeven op de
afbeelding.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
113
04 Interieur
Bagageruimte
6. Breng de veer op de bevestigingsbeugel
aan en draai de draaiknop erop vast.
Elektrische aansluiting in
bagageruimte
Bagagerolhoes*
7. Bevestig de haak van de bevestigingsbeugel in het verankeringsoog en draai aan de
draaiknop, totdat de bevestigingsbeugel in
het verankeringsoog vastgrijpt.
8. Doe hetzelfde aan de andere kant van het
rek.
9. Draai de beide bevestigingsbeugels beurtelings vast.
G027099
10. Breng de beschermdoppen aan op het
blootliggende schroefdraadsegment
boven de draaiknoppen.
WAARSCHUWING
Geldt voor zevenzitters: Om veiligheidsredenen mag u geen passagiers op de derde
zitrij vervoeren, als u het bagagenet achter
de tweede zitrij hebt gemonteerd.
G027055
04
Verwijder het kapje, wanneer u de aansluiting
wilt gebruiken. De elektrische aansluiting werkt
onafhankelijk van de stand van het contactslot.
Als bij het uitschakelen van het contact blijkt
dat de stroomsterkte die via de aansluiting
wordt afgenomen hoger is dan 0,1 A, verschijnt
er een waarschuwing op het display.
Trek de bagagerolhoes over de bagage heen
uit en haak de hoes vast in de openingen die in
de achterste stijlen van de bagageruimte zitten.
Bagagerolhoes verwijderen
Druk het eindstuk van de bagagerolhoes naar
binnen toe en trek de rolhoes naar boven toe
los. Bij het aanbrengen moet u de eindstukken
van de bagagerolhoes in de houders omlaag
drukken.
N.B.
Let erop dat u de aansluiting niet gebruikt,
wanneer de motor is afgezet. Als u de aansluiting dan namelijk wel gebruikt, bestaat
de kans dat de accu uitgeput raakt.
114
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Leg geen voorwerpen op de bagagerolhoes. Ze kunnen de inzittenden verwonden
bij afremmen of uitwijkmanoeuvres.
04 Interieur
Bagageruimte
Houder voor boodschappentassen*
Vloervak bagageruimte, inhoud
N.B.
Bepaalde producten in de EHBO-kit zijn
verzien van een uiterste houdbaarheidsdatum. U dient de producten te vervangen,
voordat de aangegeven data zijn verstreken.
Vloervak bagageruimte openen
(vijfzitter)
G027066
G027067
±
04
Doe het volgende als uw auto is uitgerust met
een houder voor boodschappentassen:
±
Open het luik in de bagageruimte. Hang of bind
de boodschappentassen vast met bagagebanden of houders.
Til het luik in de vloer van de bagageruimte
op.
Positie EHBO-kit bij vijfzitters.
Til het luik op en maak de bagagebanden
van de houder voor de boodschappentassen los.
Positie EHBO-kit bij zevenzitters.
Onder de vloer van de bagageruimte vindt u het
volgende:
•
•
•
•
Gevarendriehoek*
Gereedschapstas
EHBO-kit*
Krik (alternatieve positie)
Vloervak bagageruimte openen
(zevenzitter)
±
Til het luik op.
Doe het volgende als uw auto is uitgerust met
een houder voor boodschappentassen:
±
Klap het bovenste luik open, maak de
bagagebanden van een eventuele houder
voor boodschappentassen los en klap vervolgens het onderste luik open.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
115
04 Interieur
Bagageruimte
BELANGRIJK
Let erop dat er geen voorwerpen onder de
stoelkussens liggen wanneer u de stoelen
hebt neergeklapt. Dergelijke voorwerpen
kunnen de stoelkussens en de verstelmechanismen namelijk beschadigen.
04
116
04 Interieur
04
117
Transpondersleutel - sleutel met afstandsbediening............................
Vergrendelen en ontgrendelen..............................................................
Kinderslot..............................................................................................
Alarm*....................................................................................................
118
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
120
122
125
127
SLOTEN EN ALARM
05
05 Sloten en alarm
Transpondersleutel - sleutel met afstandsbediening
Sleutels, elektronische startblokkering
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Functies afstandsbediening
Er kunnen maximaal zes transpondersleutels
voor één en dezelfde auto worden geprogrammeerd en gebruikt.
05
Transpondersleutel. De hoofdsleutel past op alle
sloten.
Bij de auto worden twee transpondersleutels
geleverd – ze zijn inklapbaar en voorzien van
een ingebouwde afstandsbediening.
Verlies van een sleutel
Als u een van de transpondersleutels verliest,
wordt u geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken en alle resterende sleutels
van de auto mee te nemen. Ter voorkoming van
diefstal moet de code van de zoekgeraakte
sleutel uit het systeem worden gewist. Tegelijkertijd moeten de codesignalen van de resterende sleutels opnieuw in het systeem worden
geprogrammeerd.
120
De sleutels zijn voorzien van gecodeerde
chips. Deze code moet overeenkomen met die
van de lezer (ontvanger) in het contactslot. U
kunt de auto alleen starten, wanneer u een
sleutel met de juiste code gebruikt.
G027013
G030177
Elektronische startblokkering
N.B.
Het sleutelblad van de transpondersleutel
moet volledig zijn uitgeklapt (zie afbeelding)
bij het starten van de auto. Anders bestaat
het risico dat de startblokkering in werking
treedt en de motor niet kan worden gestart.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de transpondersleutel nooit samen met
andere sleutels of metalen voorwerpen aan
dezelfde sleutelbos hangen. Anders kan de
elektronische startblokkering per ongeluk worden geactiveerd, zodat de auto niet kan worden gestart.
Ontgrendelen
±
Bij eenmaal indrukken van de knop worden
alle portieren, de achterklep en de tankvulklep ontgrendeld.
Achterklep
±
Bij eenmaal indrukken van de knop wordt
alleen de achterklep ontgrendeld.
Paniekfunctie
U kunt gebruik maken van de paniekfunctie om
in noodgevallen de aandacht van anderen te
trekken. Als u de rode knop ten minste 3
seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal
achtereen binnen drie seconden indrukt, wor-
05 Sloten en alarm
Transpondersleutel - sleutel met afstandsbediening
den de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd. U schakelt de
paniekfunctie weer uit met een druk op een
willekeurige knop van de transpondersleutel.
Als u niets doet, wordt de paniekfunctie na 25
seconden automatisch uitgeschakeld.
Sleutel in-/uitklappen
U kunt de transpondersleutel inklappen door
de knop in te drukken, terwijl u het mechanische gedeelte (sleutelblad) inklapt.
De ingeklapte sleutel wordt automatisch uitgeklapt met een druk op de knop.
3. Plaats de afdekking terug. Zorg dat het
afdichtrubber goed zit en intact is, zodat er
geen vocht kan binnendringen.
Batterij transpondersleutel vervangen
4. Geef de lege batterij af bij uw Volvo-dealer,
zodat de batterij op milieuvriendelijke wijze
wordt verwerkt.
Approach-verlichting
Doe het volgende, wanneer u op de auto toeloopt:
Druk op de gele knop van uw transpondersleutel.
De interieurverlichting, stadslichten vóór en
achterlichten, kentekenplaatverlichting en buitenspiegelverlichting* gaan dan branden. Ook
de verlichting van een aangesloten aanhanger
gaat branden. De lampen blijven 30, 60 of 90
seconden branden. In een werkplaats kunt u
een passende inschakelduur laten instellen –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Doe het volgende om de Approach-verlichting
uit te schakelen:
±
Druk nogmaals op de gele knop van uw
afstandsbediening.
Vergrendelen
Met de knop vergrendelt u alle portieren, de
achterklep en de tankvulklep. Voor de tankvulklep geldt een vertraging van ca. 10 minuten.
05
G027011
±
2. Vervang de batterij (type CR 2032, 3 V) en
zorg dat de pluspool omhoogwijst. Kom
niet met uw vingers aan de polen van de
batterij of de contactvlakken.
Als de sloten niet meer bij de gebruikelijke
afstand reageren op signalen van de transpondersleutel, moet u de batterij bij de eerstvolgende servicebeurt vervangen.
1. Haal de afdekking los door deze met een
smalle schroevendraaier aan de achterkant voorzichtig open te wrikken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
121
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Auto van de buitenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
N.B.
Automatische vergrendeling
Ook als er nog een portier of de achterklep
openstaat is het mogelijk de auto te vergrendelen. Wanneer u het geopende portier
of de achterklep vervolgens sluit bestaat het
gevaar dat u zich buitensluit met de sleutels
nog in de auto.
05
Met de transpondersleutel kunt u alle zijportieren en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/
ontgrendelen. De vergrendelingsknoppen op
de portieren en de portierhandgrepen aan de
binnenzijde zijn dan niet meer te bedienen1.
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat. De tankvulklep
blijft 10 minuten lang onvergrendeld staan,
nadat u de auto vergrendeld hebt.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na ontgrendeling van de
buitenzijde met de transpondersleutel opent,
worden alle sloten automatisch weer vergrendeld. Deze functie beperkt de kans dat u de
auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan.
Voor auto’s met alarmsysteem, zie
pagina 127.
G029646
G026963
Automatische hervergrendeling
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier kunt u de automatische vergrendeling activeren of deactiveren. Bij automatische
vergrendeling worden de portieren automatisch vergrendeld wanneer de auto een snelheid bereikt van meer dan 7 km/h. De portieren
blijven vergrendeld totdat een portier van de
binnenzijde worden geopend of alle portieren
tegelijkertijd worden ontgrendeld vanaf het
bedieningspaneel.
Activeren/deactiveren
De transpondersleutel moet in sleutelstand I of
II staan.
1
122
Geldt voor bepaalde markten
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Druk op de knop READ op de linker stuurhendel om eventuele meldingen op het display te
bevestigen.
Houd de knop voor centrale vergrendeling
ingedrukt, totdat er een nieuwe melding over
de vergrendelingsstatus op het display verschijnt.
De melding AUTOLOCK GEACTIVEERD
(automatische vergrendeling tijdens het wegrijden) of AUTOLOCK GEDEACTIVEERD
verschijnt op het display.
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier (of het passagiersportier) zijn alle
portieren en het kofferdeksel gelijktijdig te vergrendelen dan wel te ontgrendelen.
Achterklep vergrendelen/
ontgrendelen
Alle portieren zijn te vergrendelen met de vergrendelknop op het bedieningspaneel van het
bewuste portier.
Als de auto niet van de buitenzijde vergrendeld
werd, is deze te ontgrendelen door een portier
met de handgreep te openen.2
Dashboardkastje vergrendelen
G028485
Auto van de binnenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
05
Alleen achterklep ontgrendelen:
1. Druk eenmaal op de knop van de transpondersleutel zoals afgebeeld.
ATTENTION
Pakjdskdl ioiuip kjöpp opoodidåuswi
AIRBAG
MY KEY
L E CTOR
SE
SOUND
ENTER
EXIT
G029646
80
2
G027025
MENU
2. Als de achterklep openstond toen u de
overige portieren vergrendelde, blijft de
achterklep ook na sluiting onvergrendeld
en onbewaakt staan. De overige portieren
zijn echter nog steeds vergrendeld en
bewaakt.
Het dashboardkastje is te vergrendelen met de
transpondersleutel.
Geldt voor bepaalde markten
``
123
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
3. Druk nogmaals op de knop LOCK om in
een dergelijk geval de achterklep te vergrendelen en in het alarm te betrekken.
Op het display verschijnt een melding zolang
de transpondersleutel in het contactslot steekt.
Tijdelijk deactiveren
De volgende keer dat u de motor start, wordt
het systeem gereset, waarna de bewegingsmelders en niveausensoren van het alarmsysteem alsmede de Safelock-functie opnieuw
zijn ingeschakeld.
N.B.
Als u van de knop LOCK gebruik maakt om
de achterklep te ontgrendelen zonder de
klep te openen, wordt de klep ca. 2 minuten
automatisch opnieuw vergrendeld.
N.B.
Bij auto’s met alarmsysteem:
Safelock-functie*
05
De Safelock-functie kan alleen van de buitenzijde worden geactiveerd door het bestuurdersportier met de transpondersleutel te vergrendelen. Alle portieren moeten zijn gesloten,
voordat u de Safelock-functie kunt activeren.
De portieren kunnen daarna niet meer van de
binnenzijde worden geopend.
De auto kan alleen handmatig van de buitenzijde worden geopend met de sleutel in het
bestuurdersportier of met de transpondersleutel.
De Safelock-functie treedt 25 seconden na het
sluiten van de portieren in werking.
124
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G027230
Bij activering van de Safelock-functie zijn de
portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld zijn.
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot, draai deze naar sleutelstand II en
vervolgens terug naar stand I of 0.
2. Druk op de knop.
Als de auto is uitgerust met alarm stelt u ook
de bewegingsmelder en niveausensoren buiten werking, zie pagina 128.
Het lampje in de knop brandt, totdat de auto
vergrendeld wordt met de transpondersleutel.
•
Let erop dat de auto bij het vergrendelen op alarm wordt gezet.
•
Wanneer een van de portieren van de
binnenzijde wordt geopend, gaat het
alarm af.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten op het
moment dat de Safelock-functie geactiveerd is.
05 Sloten en alarm
Kinderslot
Handbediend kinderslot,
achterportieren en achterklep
De bediening van de kindersloten vindt u onder
op de achterklep en achter op de korte kant
van de achterportieren. De bediening is alleen
bereikbaar wanneer de achterklep of het desbetreffende portier openstaat.
Uitgeschakeld kinderslot – de achterklep
kan wel van de binnenzijde worden
geopend.
Ingeschakeld kinderslot – de achterportieren kunnen niet van de binnenzijde worden
geopend: Naar buiten toe draaien.
Ingeschakeld kinderslot – de achterklep
kan niet van de binnenzijde worden
geopend.
Uitgeschakeld kinderslot – de achterportieren kunnen wel van de binnenzijde worden geopend: Naar binnen toe draaien.
Achterportieren
Elektrisch kinderslot, achterportieren*
Achterklep
REAR
AC
Bedieningsknop kinderslot, achterklep.
Bedieningscilinder kinderslot, linker en rechter
achterportier.
U bedient het kinderslot op de achterklep door
de knop in een van beide eindstanden opzij te
duwen (gebruik daarvoor een plat metalen
voorwerp zoals een schroevendraaier):
U bedient het kinderslot op de achterportieren
door de cilinder in een van beide eindstanden
te draaien (gebruik daarvoor een plat metalen
voorwerp zoals een schroevendraaier).
G027105
G021512
G021513
05
Gebruik de knop op de middenconsole om het
kinderslot op de achterportieren in of uit te
schakelen.
1. Draai de contactsleutel naar stand I of II,
zie pagina 138.
2. Druk op de knop.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
125
05 Sloten en alarm
Kinderslot
Het lampje in de knop licht op om aan te geven
dat de bedieningsknoppen voor de achterste
zijruiten en de achterportieren vergrendeld zijn.
Er verschijnt een melding op het display, wanneer het kinderslot geactiveerd/gedeactiveerd
wordt.
N.B.
Zolang het kinderslot actief is zijn de achterportieren niet van de binnenzijde te openen.
05
126
05 Sloten en alarm
Alarm*
Alarmsysteem
Alarmindicatie
N.B.
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontroleerd.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Het alarm gaat af, als:
een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend
•
het contactslot wordt omgedraaid met een
verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd;
•
er een beweging in de passagiersruimte
wordt waargenomen (als er een bewegingsmelder aanwezig is);
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor);
•
•
de accukabel wordt ontkoppeld;
iemand de sirene probeert los te koppelen.
Alarmfunctie inschakelen
±
G026963
•
BELANGRIJK
De led is uit – het alarm is uitgeschakeld.
•
De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm tot aan het
moment dat u de transpondersleutel naar
sleutelstand II draait – het alarm is afgegaan.
De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een displaymelding. Neem
dan contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
05
De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af en de led op het
dashboard licht om de twee seconden eenmaal op ter bevestiging dat het alarm volledig is ingeschakeld.
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
•
•
Druk op de knop LOCK van de afstandsbediening. De richtingaanwijzers van de
auto geven een lang lichtsignaal af ter
bevestiging dat het alarm is ingeschakeld
en dat alle portieren zijn vergrendeld.
Alarmfunctie uitschakelen
±
Druk op de knop UNLOCK van de transpondersleutel. De richtingaanwijzers van
de auto geven twee korte lichtsignalen af
ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld.
Als de batterijen in de transpondersleutel leeg
zijn, kunt u het alarm uitschakelen door de
sleutel naar sleutelstand II te draaien.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
127
05 Sloten en alarm
Alarm*
Automatische inschakeling van het
alarm
Alarmsignalen
De functie voorkomt dat u de auto onbedoeld
kunt achterlaten zonder het alarm in te schakelen.
•
Er klinkt 25 seconden lang een sirene.
Deze beschikt over een eigen accu die
wordt ingeschakeld, als de accu van de
auto te weinig vermogen heeft of ontkoppeld is.
•
Alle richtingaanwijzers knipperen vijf minuten lang of korter wanneer u het alarm volgens de bovenstaande aanwijzingen eerder uitschakelt.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent (en de auto werd met de transpondersleutel ontgrendeld), dan wordt het
alarm automatisch weer ingeschakeld. De auto
wordt tegelijkertijd vergrendeld.
Automatische activering van het alarm
05
In bepaalde landen (zoals in België, Israël e.d.)
wordt het alarm na enige vertraging automatisch ingeschakeld, wanneer het bestuurdersportier werd geopend en gesloten maar daarna
niet werd vergrendeld.
Bij alarm gebeurt het volgende:
G027230
Om te voorkomen dat het alarm afgaat wanneer u bijvoorbeeld een hond in de auto ach-
128
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Druk op de knop.
Het lampje in de knop brandt, totdat u de auto
vergrendelt. Op het display verschijnt een melding zolang de transpondersleutel in het contactslot steekt.
De volgende keer dat u de motor start, wordt
het systeem gereset, waarna de bewegingsmelders en niveausensoren van het alarmsysteem alsmede de Safelock-functie opnieuw
zijn ingeschakeld.
Druk op de knop UNLOCK van de transpondersleutel of steek de sleutel in het
contactslot.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot, draai deze naar sleutelstand II en
vervolgens terug naar stand I of 0.
Als de auto is uitgerust met Safelock-functie,
wordt ook deze functie uitgeschakeld zie
pagina 124.
Beperkt alarmniveau
Geactiveerd alarm uitschakelen
±
terlaat of gebruik maakt van een veerboot, kunt
u de bewegingsmelder en de niveausensoren
tijdelijk uitschakelen en wel als volgt:
05 Sloten en alarm
05
129
130
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
132
134
138
140
141
144
145
147
149
151
155
157
158
160
162
166
167
G020912
Algemene informatie.............................................................................
Brandstof tanken...................................................................................
Motor starten.........................................................................................
Handgeschakelde versnellingsbak.......................................................
Automatische versnellingsbak..............................................................
Vierwielaandrijving*...............................................................................
Remsysteem.........................................................................................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem*.....................................................
Park Assist*...........................................................................................
BLIS (Blind Spot Information System)*.................................................
Slepen en bergen..................................................................................
Starten met hulpaccu............................................................................
Rijden met een aanhanger....................................................................
Trekhaak*..............................................................................................
Afneembare trekhaak*...........................................................................
Lading vervoeren..................................................................................
Lichtbundel aanpassen.........................................................................
STARTEN EN RIJDEN
06
06 Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Geopende achterklep
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie. Voor meer tips om het
milieu te sparen, zie pagina 12.
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de nieuwe auto bij gladheid
reageert.
Rijd niet met een geopende achterklep. Als u
toch en stukje met een geopende achterklep
moet rijden, kunt u het volgende doen:
•
Motor en koelsysteem
•
06
Laat de motor zo snel mogelijk op bedrijfstemperatuur komen.
Laat de motor niet stationair lopen, maar
rijd zo snel mogelijk met lichte belasting.
Een koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
•
Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen.
•
Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
•
Gebruik geen winterbanden op sneeuwvrije wegen.
•
Verwijder de lastdrager wanneer u deze
niet nodig hebt.
•
Rijd niet met open zijruiten.
1. Doe alle ruiten dicht.
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een zware
lading, bestaat het gevaar dat de motor en het
koelsysteem oververhit raken.
WAARSCHUWING
Vermijd oververhitting van het
koelsysteem
•
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
•
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten, als u bij extreem warm weer rijdt.
Vermijd oververhitting van de motor
Laat de motor geen hogere toeren maken dan
4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmotoren), wanneer u met een aanhanger of caravan
achter de auto in heuvelachtig gebied rijdt.
Anders kan de olietemperatuur te hoog oplopen.
132
2. Stuur de lucht naar de voorruit en de vloer
en laat de ventilator op de hoogste snelheid draaien.
Rijd niet met een geopende achterklep. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de kofferbak de passagiersruimte in worden gezogen.
Op oneffen wegen rijden
Hoewel de Volvo XC90 voornamelijk geconstrueerd is voor het gebruik op verharde
wegen, biedt de auto ook goede eigenschappen op onverharde en slecht onderhouden
wegen. De auto gaat echter langer mee als u
op het volgende let:
•
Rijd langzaam als het wegdek oneffen is
om schade aan het onderstel van de auto
te voorkomen.
•
Als de ondergrond rul is of uit droog zand
of sneeuw bestaat, verdient het altijd de
voorkeur om de auto in beweging te hou-
06 Starten en rijden
Algemene informatie
den en overschakelen te voorkomen.
Breng de auto niet tot stilstand.
•
Als de weg buitengewoon steil is zodat het
gevaar bestaat dat de auto kantelt, moet u
de auto nooit op de helling proberen te
keren maar achteruit terugrijden. Rijd nooit
schuin maar altijd recht een helling op en
af.
N.B.
Rijd bij voorkeur geen steile helling op of af,
wanneer het brandstofniveau laag is. De
katalysator kan beschadigd raken, als de
motor onvoldoende brandstof krijgt. Zorg er
bij het beklimmen van een buitengewoon
steile helling voor dat de brandstoftank voor
meer dan de helft gevuld is, om motoruitval
te voorkomen.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij diepe waterpartijen kan er water in de
transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen daarbij af,
waardoor de genoemde systemen minder
lang meegaan.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
N.B.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 40 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en modder.
BELANGRIJK
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken komt om
elektrische storingen te voorkomen.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten. Sleep de auto
uit de waterpartij.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten de
accu in verschillende mate. Laat de transpondersleutel niet te lang achtereen in sleutelstand
II staan, als u de motor hebt afgezet. Gebruik
liever stand I. Op die manier wordt er minder
stroom afgenomen. De 12V-aansluiting in de
kofferbak levert ook spanning als u de sleutel
hebt uitgenomen.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
•
•
•
•
interieurventilator
ruitenwissers
audiosysteem (hoog volume)
stadslichten.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrische systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
06
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
melding op het display. De energiebesparingsfunctie schakelt bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt de belasting van de accu
door bijvoorbeeld de interieurventilator lager te
zetten en de geluidsinstallatie uit te schakelen.
U laadt de accu op door de motor te starten.
133
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
Tankvulklep openen
Tankvulklep handmatig openen
G027073
Wanneer u de tankvulklep niet op de normale
manier kunt openen moet u de tankvulklep wellicht handmatig openen.
De tankdop vindt u achter de tankvulklep in het
spatbord rechtsachter. De dop is op te hangen aan
de binnenzijde van de tankvulklep.
06
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat.
N.B.
De tankvulklep blijft tien minuten lang
onvergrendeld staan, nadat u de auto hebt
vergrendeld. De tankvulklep wordt daarna
automatisch vergrendeld.
134
06 Starten en rijden
G027077
Brandstof tanken
Stap 1–3.
Doe in dat geval het volgende:
1. Til de vloerbekleding in de bagageruimte
aan de rechter achterhoek op.
2. Open de afdekking door de handgreep op
te tillen en naar buiten trekken.
G027034
3. Haal de isolatie opzij om bij de elektrische
vergrendeling van de tankvulklep te
komen.
5. Trek de pal recht naar achteren. U kunt de
tankvulklep vervolgens openen.
Sluit na het tanken de tankvulklep en duw
de pal weer naar voren.
06
WAARSCHUWING
Er zitten onderdelen met scherpe randen
achter het paneel. Beweeg uw hand daarom
langzaam en voorzichtig.
4. Steek uw hand door de opening en zoek
de vergrendeling op. De vergrendeling zit
ter hoogte van de achterkant van de tankvulklep.
Stap 4–5.
``
135
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
Tankdop
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam
open.
N.B.
Plaats de tankdop na het tanken terug.
Draai de dop zo ver dicht dat u een of meer
duidelijke klikken hoort.
Brandstof tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
N.B.
06
Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan aangegeven, zie pagina 284,
omdat dit een nadelige invloed kan hebben op
het motorvermogen en het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan door de hete uitlaatgassen ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. De beltoon kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
Benzine
BELANGRIJK
Voeg nooit reinigende additieven (dopes)
aan de benzine toe zonder het uitdrukkelijke
advies van Volvo.
Dieselolie
Bij lage temperaturen (–5°C tot –40°C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat aanleiding kan geven tot startproblemen.
BELANGRIJK
Gebruik speciale winterbrandstof tijdens de
wintermaanden.
136
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Roetfilter dieselmotor (DPF)*
Dieselmodellen zijn mogelijk uitgerust met een
roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te verbranden en het filter te legen wordt
een zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor
moet de motor de normale bedrijfstemperatuur
hebben.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregenereerd. De regeneratie duurt normaal 10 tot 20
minuten. Bij een lage gemiddelde snelheid kan
dit iets langer duren. Gedurende de regeneratie
kan het brandstofverbruik ietwat stijgen.
Om de motor tijdens de regeneratie zwaarder
te belasten is het mogelijk dat de achterruitverwarming zonder verdere indicatie spontaan
aanslaat.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht het oranje informatiesymbool op het instrumentenpaneel op en verschijnt de melding ROETFILTER VOL ZIE
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
HANDLEIDING op het display van het instrumentenpaneel. U start de regeneratie van het
filter door met de auto op een secundaire weg
of op een snelweg te rijden tot de motor voldoende op temperatuur is gekomen. Daarna
rijdt u nog ca. 20 minuten verder. Na afloop van
de regeneratie verdwijnt de melding automatisch.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met deeltjes gevuld is,
kan het onbruikbaar worden. De motor start
dan moeilijk en de kans bestaat dat het filter
moet worden vervangen.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
06
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
137
06 Starten en rijden
Motor starten
Voordat de motor wordt gestart
±
N.B.
Zet de parkeerrem aan.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat het
motortoerental merkbaar hoger ligt dan normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Automatische versnellingsbak
±
Zet de keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak
±
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt. Dit is met name van belang
bij strenge vorst.
Contact- en stuurslot
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt.
I – Radiostand
Motor starten
WAARSCHUWING
06
±
Bij het slepen moet de transpondersleutel in
sleutelstand II staan.
Dieselolie
Het sleutelblad van de transpondersleutel
moet volledig zijn uitgeklapt bij het starten
van de auto, zie pagina 120. Anders is het
risico aanwezig dat de startblokkering in
werking treedt zodat de motor niet kan worden gestart.
138
Benzine
Neem de transpondersleutel nooit tijdens
het rijden uit het contactslot, ook niet als de
auto gesleept wordt. U loopt anders het
gevaar dat het stuurslot wordt geactiveerd,
waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
N.B.
Bepaalde onderdelen van het
elektrische systeem kunnen
worden ingeschakeld. Het
elektrische systeem van de
motor is echter uitgeschakeld.
Draai de transpondersleutel naar sleutelstand III. Als de motor niet binnen
5–10 seconden aanslaat, moet u de sleutel
loslaten en een nieuwe startpoging doen.
1. Draai de transpondersleutel naar sleutelstand II.
Een controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden om aan te geven dat
de motor wordt voorverwarmd, zie
pagina 51.
2. Draai de sleutel naar stand III, wanneer het
controlelampje uitgaat.
II – Rijstand
De stand waarin de transpondersleutel tijdens het rijden
staat. Het elektrische systeem van de auto is ingeschakeld.
06 Starten en rijden
Motor starten
III – Startstand
De startmotor wordt ingeschakeld. Wanneer u nadat
de motor is aangeslagen de
transpondersleutel loslaat,
veert deze automatisch terug
naar de rijstand.
Als het u moeite kost om de sleutel om te
draaien, is het mogelijk dat de stand van de
voorwielen voor spanningen in het stuurslot
zorgt. Draai de contactsleutel in dat geval om,
terwijl u het stuurwiel heen en weer draait.
Transpondersleutels en elektronische
startblokkering
Laat de transpondersleutel nooit samen met
andere sleutels of metalen voorwerpen aan
dezelfde sleutelbos hangen. Als u dat wel doet,
kan de elektronische startblokkering onbedoeld worden geactiveerd.
Laat de motor meteen na een koude start nooit
op te hoge toeren draaien!
Neem contact op met een Volvo-werkplaats,
als de motor niet aanslaat of overslaat – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Automatisch starten (3.2 en V8)
Met de functie Automatisch starten hoeft u de
transpondersleutel niet langer in de startstand
(sleutelstand III) vast te houden totdat de motor
is aangeslagen. Draai de sleutel naar de startstand en laat deze weer los – de startmotor
blijft vervolgens automatisch (tot tien seconden lang) draaien totdat de motor is aangeslagen.
N.B.
Zorg dat het stuurwiel geblokkeerd is, wanneer u de auto verlaat. Zo beperkt u de kans
op diefstal.
WAARSCHUWING
Draai de transpondersleutel nooit naar
sleutelstand I of 0 en neem de transpondersleutel nooit uit het contactslot, wanneer de
auto rijdt. Anders loopt u het gevaar dat het
stuurslot wordt geactiveerd, waardoor de
auto onbestuurbaar wordt.
06
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel uit het contactslot – dit
geldt in het bijzonder wanneer er kinderen
in de auto achterblijven.
139
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelstanden
G026988
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat.
1. Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
06
2. Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af! Houd u aan het
aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden moet u zo veel mogelijk gebruik maken
van de 6e versnelling.
Blokkering achteruitversnelling
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
140
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Schakelstanden
BELANGRIJK
Keuzehendelblokkering
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
N.B.
U moet het rempedaal bedienen om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen.
R – Achteruitrijstand
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
Schakelblokkering, vrijstand (stand N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens drie seconden stilgestaan (of de
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd in stand N.
Om de keuzehendel uit stand N te halen, moet
het rempedaal worden bediend en moet de
transpondersleutel in sleutelstand II staan.
P – Parkeerstand
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert.
N – Vrijstand
Stand N is de neutrale stand. In deze stand
kunt u de motor starten en er is geen versnelling ingeschakeld. Trek de handrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in
stand N staat.
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand R in
stand D zet.
G020237
G027997
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek bij het parkeren altijd de
handrem aan.
U kunt de keuzehendel altijd ongehinderd heen
en weer halen tussen de standen N en D. Om
de hendel in een van de overige standen te
zetten, moet u een blokkering opheffen door
op de blokkeerknop op de keuzehendel te
drukken.
06
Wanneer u de blokkeerknop indrukt, kunt u de
hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
standen N, R en P.
``
141
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Handmatige schakelstanden
Tijdens het rijden
Handmatig schakelen kan op elk moment tijdens het rijden geactiveerd worden. De ingeschakelde versnelling is geblokkeerd, totdat u
een andere versnelling kiest.
G026990
Als u de keuzehendel naar de – (min) beweegt,
schakelt de versnellingsbak automatisch een
versnelling terug en wordt er tegelijkertijd op de
motor afgeremd als u het gaspedaal loslaat.
Als u de keuzehendel naar de + (plus) beweegt,
schakelt de versnellingsbak een versnelling op.
De 3 e versnelling is de hoogste versnelling die
u bij het wegrijden kunt inschakelen.
W – Winterprogramma
06
Om van de automatische rijstand D naar een
handmatige stand over te schakelen, moet u
de keuzehendel in stand M zetten. Om van
stand M naar de automatische rijstand D over
te schakelen, moet u de keuzehendel in stand
D zetten.
Bij de vijftraps automaat zijn de 3e, 4e en 5e1
versnelling voorzien van lock-up (geblokkeerde versnellingen) om beter op de motor te
kunnen afremmen en het brandstofverbruik te
verlagen.
1
142
Druk op de knop W om het winterprogramma in en uit te schakelen.
Wanneer het winterprogramma
ingeschakeld is, brandt het lampje
W op het instrumentenpaneel.
In het winterprogramma geldt de 3e versnelling
als wegrijversnelling om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen komen. In het winterprogramma worden de lagere versnellingen alleen
bij kickdown ingeschakeld.
U kunt het programma W altijd inschakelen
ongeacht de stand van de keuzehendel. Het
Bij de zestraps automaat zijn ook de 2e en 6e versnelling voorzien van lock-up.
programma werkt echter alleen, wanneer de
keuzehendel in stand D staat.
Koude start
Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk dat
het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt omdat
de versnellingsbakolie bij lagere temperaturen
stroperiger wordt. Wanneer u bij lage temperaturen wegrijdt, schakelt de versnellingsbak
later op dan normaal om de uitstoot van uitlaatgassen te beperken.
N.B.
Afhankelijk van de motortemperatuur tijdens de start is het mogelijk dat het motortoerental van bepaalde motortypen na een
koude start iets hoger is dan normaal.
Adaptief systeem
De versnellingsbak wordt afgeregeld aan de
hand van een zogeheten adaptief schakelsysteem dat voortdurend “leert” hoe de versnellingsbak zich gedraagt. Het systeem registreert
de manier waarop de versnellingsbak schakelt,
zodat er in elke situatie optimaal wordt geschakeld.
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Lock-upfunctie
Beveiligingssystemen
De versnellingen zijn voorzien van lock-up
(geblokkeerde versnellingen) om beter op de
motor te kunnen afremmen en het brandstofverbruik te verlagen.
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveiligingssystemen:
Sleutelblokkering, Keylock
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Om overtoeren te voorkomen, is het stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien van
een terugschakelblokkering waardoor de
zogeheten kickdown niet mogelijk is.
De keuzehendel moet in stand P staan om de
transpondersleutel te kunnen uitnemen. In alle
andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Parkeerstand (stand P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
±
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Elektrische schakelblokkering –
Shiftlock Parkeerstand (stand P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet de transpondersleutel in sleutelstand I of II staan en moet het rempedaal worden bediend.
06
Kickdown is niet mogelijk in een handmatige
schakelstand.
143
06 Starten en rijden
Vierwielaandrijving*
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel
Drive)
De vierwielaandrijving is permanent ingeschakeld.
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven. Het
motorkoppel wordt automatisch over de vooren achterwielen verdeeld. Een elektronisch
gestuurd koppelingssysteem verdeelt het vermogen over het wielpaar dat op dat moment
de beste grip op het wegdek heeft. Dit om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin te
voorkomen.
Bij normaal rijden worden de voorwielen naar
verhouding iets sterker aangedreven dan de
achterwielen.
Vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
06
144
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Starten en rijden
Remsysteem
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een uitgeschakelde motor, moet u ongeveer vijfmaal
zoveel druk uitoefenen op het rempedaal als
wanneer de motor loopt. Als u bij het starten
van de motor op het rempedaal trapt, kan het
rempedaal iets omlaagkomen. Dit is volkomen
normaal omdat de rembekrachtiging geactiveerd wordt. Bij een auto met EBA (Emergency
Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te
merken zijn.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
N.B.
Als geremd moet worden met een uitgeschakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal – dus niet pompen.
Remkringen
Het nevenstaande lampje licht op,
wanneer er een remkring defect is.
Als er een storing in een van de
remkringen optreedt, is remmen
nog steeds mogelijk. U moet het rempedaal
echter verder intrappen en het pedaal kan minder stug aanvoelen. U moet harder op het
pedaal trappen om de normale remkracht te
verkrijgen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat. Daardoor kunnen de wrijvingseigenschappen van
de remblokken gewijzigd worden, zodat u een
bepaalde verlenging van de aanspreekduur
van de remmen kunt merken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de remblokken waardoor het vocht verdampt. Deze
procedure is ook aan te raden voordat u de
auto voor langere tijd in dergelijke weersomstandigheden parkeert.
Als de remmen zwaar belast worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met vergelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als u niet
bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandigheden vaak laag is, worden de remmen niet even
goed gekoeld als bij snelle ritten op vlakke
wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugschakelen
dan het rempedaal gebruiken. Gebruik
dezelfde versnelling die u zou gebruiken wanneer u een helling oprijdt. Op die manier kunt u
beter op de motor afremmen en hoeft u de rem
slechts korte tijd te gebruiken.
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
06
Antiblokkeerremsysteem (ABS)
Het ABS (Anti-lock Braking System) voorkomt dat de wielen tijdens het remmen geblokkeerd
raken.
Zo blijft de auto bestuurbaar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is om obstakels te ontwijken.
``
145
06 Starten en rijden
Remsysteem
Wanneer u na het starten van de motor wegrijdt
en een snelheid van ca. 20 km/hhebt bereikt,
gaat er een korte zelftest van het ABS van start.
Dit kunt u zowel horen als voelen aan de pulsaties in het rempedaal.
Om het ABS maximaal te benutten:
1. Trap zo hard. Mogelijk op het rempedaal
(er zijn pulsaties voelbaar).
2. Stuur de auto in de rijrichting. Blijf druk op
het rempedaal uitoefenen.
Aarzel niet om op een terrein zonder verkeer te
testen hoe het ABS in verschillende weersomstandigheden reageert.
Het waarschuwingslampje voor ABS licht twee
seconden op, als er de vorige keer dat de
motor liep een storing in het ABS is opgetreden.
06
Elektronische remkrachtverdeling,
EBD
Het EBD-systeem (Electronic Brakeforce Distribution) vormt een geïntegreerd onderdeel
van het ABS-systeem. Het EBD-systeem regelt
de remkracht op de achterwielen altijd dusdanig af dat de maximale remwerking wordt verkregen. Wanneer het systeem de remkracht
afregelt, treden er merkbare pulsaties in het
rempedaal op.
146
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
kan er een storing in de remkrachtverdeling
zijn opgetreden. Als het remvloeistofpeil in
dat geval in orde is, moet u de auto voorzichtig naar de dichtstbijzijnde werkplaats
rijden om het remsysteem te laten controleren – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Remkrachtverhoging, EBA
Het EBA (Emergency Brake Assistance) is dusdanig geconstrueerd dat u, wanneer u krachtig
moet remmen, altijd meteen het maximale remvermogen kunt afnemen. Het systeem registreert het moment waarop u krachtig wilt
afremmen door de snelheid te meten waarmee
u het rempedaal bedient. Blijf remmen zonder
het rempedaal los te laten. De regeling wordt
uitgeschakeld, wanneer u het rempedaal loslaat. Het systeem is altijd actief. U kunt het dan
ook niet uitschakelen.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem*
Algemene informatie
Beperkte functie
DSTC AAN betekent dat de werking van het
systeem ongewijzigd is.
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC,
Dynamic Stability and Traction Control) helpt
de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
DSTC SPIN CONTROL UIT betekent dat er
beperkingen gelden voor de werking van het
systeem.
Bij een ingreep van het systeem kunnen er
merkbare pulsaties optreden in het rem- of
gaspedaal. Tijdens het gas geven kan de auto
langzamer optrekken dan u verwacht.
±
G028511
Antislipregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Duimwiel
Antispinregeling
Knop RESET
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en u
gas geeft.
Het systeem grijpt bij doorslippende wielen
dan later in, zodat er een hogere mate van
doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere
bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden. De
aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt eveneens verbeterd, omdat er dan geen
beperkingen meer gelden voor de te geven
hoeveelheid gas.
Houd RESET (2) ingedrukt totdat het menu
DSTC zich wijzigt.
Het lampje
brandt tegelijkertijd om u eraan
te herinneren dat er beperkingen voor het systeem gelden. De beperkingen voor de werking
van het systeem blijven van kracht totdat u de
motor een volgende keer opnieuw start.
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
06
N.B.
Iedere keer dat u de motor start verschijnt
enkele seconden lang DSTC AAN op het
display.
Bediening
±
Draai aan het duimwiel (1) totdat het menu
DSTC wordt geopend.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
147
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem*
Displayteksten
TRACTIECONTROLE TIJDELIJK UIT geeft
aan dat de functie van de regeling tijdelijk
beperkt is wegens een te hoge remtemperatuur. Het systeem wordt automatisch opnieuw
ingeschakeld, wanneer de remmen weer voldoende zijn afgekoeld.
DSTC SERVICE VEREIST betekent dat het
systeem wegens een storing werd uitgeschakeld.
±
06
Het lampje brandt continu
De melding DSTC SERVICE VEREIST staat
ondertussen op het display.
Geeft aan dat er sprake is van een storing in het
DSTC-systeem.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de auto opnieuw.
•
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
Als het waarschuwingslampje dooft, was
er geen sprake van een werkelijke storing.
U hoeft dan geen bezoek aan een werkplaats te brengen.
Als de melding een volgende keer dat u motor
start opnieuw verschijnt, rijd de auto dan naar
een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
•
Lampjes op instrumentenpaneel
Het lampje brandt continu
De melding DSTC SPIN CONTROL UIT staat
DSTC
Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, wordt u geadviseerd naar een
erkende Volvo-werkplaats te rijden om het
systeem te laten controleren.
ondertussen op het display.
Herinnert u eraan dat er beperkingen gelden
voor het DSTC-systeem.
Het lampje licht op om na ca. twee
seconden weer te doven
Geeft aan dat de systeemtest bij het starten
van de motor loopt.
Het lampje knippert
Geeft aan het systeem actief is.
148
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Waarschuwingslampje
Het oranje lampje brandt continu
De melding TRACTIECONTROLE
TIJDELIJK UIT staat ondertussen op het display.
Geeft aan dat de functie van de regeling tijdelijk
beperkt is wegens een te hoge remtemperatuur.
De regeling wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remtemperatuur weer
normaal is.
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
DSTC-systeem voor een betere wegligging.
Dit mag echter voor u geen reden zijn om
sneller te gaan rijden.
Wees altijd gepast voorzichtig in bochten en
op gladde wegen.
06 Starten en rijden
Park Assist*
Algemene informatie1
Varianten
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
•
•
Park Assist aan de achterzijde
Park Assist aan de voor- en achterzijde
Functie
Het systeem wordt bij het starten van de motor
automatisch ingeschakeld. Daarbij gaat het
lampje branden in de knop voor Park Assist op
het schakelaarpaneel.
Park Assist voor- en achterzijde.
De Hulp bij parkeren is bedoeld als hulpmiddel
tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven de
afstand tot een waargenomen obstakel aan.
WAARSCHUWING
Hoewel de Hulp bij parkeren handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij
eventuele fouten. Wanneer er obstakels in
de dode hoeken van de sensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
1
nen deze afstand liggen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linkeren rechterzijde.
Park Assist achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. Park Assist aan de achterzijde wordt
geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling. De geluidssignalen komen uit de
luidsprekers achterin.
Op het display verschijnt de melding
PARK.HULP ACTIEF, als u de achteruitversnelling inschakelt of als de voorste sensoren
een obstakel registreren.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager op
de trekhaak moet u het systeem uitschakelen.
Als u dat niet doet, reageren de sensoren op
de aanhanger of fietsdrager.
De Park Assist is actief bij snelheden tot
15 km/h. Bij hogere snelheden wordt het systeem gedeactiveerd. Het systeem wordt
opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan
10 km/h.
Park Assist aan de achterzijde wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger
achter de auto hebt hangen die met een originele aanhangerkabel van Volvo aangesloten is.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, hoe sneller de geluidssignalen elkaar opvolgen. Wanneer u ondertussen een
andere geluidsbron van het audiosysteem
beluistert, wordt het volume daarvan tijdelijk
verlaagd.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het
geluidssignaal uit een ononderbroken toon. Als
er zowel voor als achter de auto obstakels bin-
06
Park Assist aan de voorzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen komen uit de luidspreker voorin.
Het is niet mogelijk Park Assist te combineren
met verstralers, omdat de sensoren op de verstralers reageren.
Afhankelijk van de markt is Park Assist een standaardfunctie, optie of accessoire.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
149
06 Starten en rijden
Park Assist*
Aanduiding voor systeemstoringen
Sensoren schoonmaken
Aan/Uit
Als het informatiesymbool continu
brandt en op het display de melding PARK.HULP SERVICE
VEREIST verschijnt, dan is Park
Assist defect.
06
G026946
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen e.d.
G027104
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan de parkeerhulp ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door externe
geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van dezelfde frequentie als de sensoren van het systeem.
De positie van de knop binnen de rij kan variëren.
Sensoren voor Park Assist.
U kunt Park Assist uitschakelen met de knop
op het schakelaarpaneel, waarna het lampje in
de knop dooft. Park Assist wordt weer ingeschakeld, wanneer u nogmaals op de knop
drukt waarna het lampje gaat branden.
De sensoren werken alleen naar behoren, wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water
en autoshampoo.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
150
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
Algemene informatie
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder in bepaalde omstandigheden waarschuwt,
wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
Dode hoeken
B
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
A
BLIS is gebaseerd op digitale cameratechniek.
De camera’s (1) zitten onder de buitenspiegels.
Buitenspiegel met BLIS-systeem
BLIS-camera
Controlelampje
BLIS-symbool
WAARSCHUWING
Het systeem vormt een aanvulling op – geen
vervanging voor – een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige
manier van rijstrook wordt gewisseld.
G020296
G020295
Wanneer een camera een voertuig heeft waargenomen in de dode hoek, licht een controlelampje (2) op dat continu blijft branden.
N.B.
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden.
Dode hoeken die de BLIS-camera’s in de gaten
houden.
Afstand A = ca. 3,0 m
Afstand B = ca. 9,5 m
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een melding op het display van het informatiepaneel.
Controleer de cameralenzen in dat geval en
maak ze zo nodig schoon. U kunt het systeem
tijdelijk uitschakelen met een druk op de knop
BLIS, zie pagina 152.
06
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van
de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een
vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig
schoon om krassen te voorkomen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
151
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
BELANGRIJK
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
Wanneer BLIS werkt
Het systeem is alleen actief bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Inhalen
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is
dan 10 km/h.
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het inhalende voertuig kleiner is
dan 70 km/h.
06
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan het
zicht ontnemen op andere voertuigen op
aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
Daglicht en donker
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het sys-
152
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
teem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een voertuig de koplampen niet heeft ontstoken, zal het
systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger achter
een auto of vrachtwagen, omdat daar geen
brandende koplampen op zitten.
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kunnen hinder ondervinden van de aanwezigheid van felle lichtbronnen of juist de afwezigheid van lichtbronnen (wegenverlichting of voertuigverlichting) bij ritten in het donker. Het systeem
kan uit de afwezigheid van licht ten onrechte
opmaken dat de camera’s zijn afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een melding
op het paneel.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden is het
mogelijk dat het systeem tijdelijk minder
goed kan presteren, waarbij een displaymelding verschijnt (zie pagina 153).
Wanneer de displaymelding spontaan verdwijnt, werkt het BLIS weer naar behoren.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer
dezelfde beperkingen als het menselijk oog.
Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval en dichte mist.
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
READ om de displaymelding te laten verdwijnen. Voor meer informatie over de meldingsfuncties, zie pagina 53.
Activeren/deactiveren
G026955
Systeemmelding BLIS
Knop voor activering/deactivering
BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
DisplaymeldingA
Betekenis
BLINDE-HOEKINFO. SYSTEEM
AAN
BLIS ingeschakeld
BLINDE-HOEKSYST. SERVICE
VEREIST
BLIS buiten werking
BLINDE-HOEKSYST. FUNCTIE
BEPERKT
U kunt het systeem deactiveren/heractiveren
door op BLIS te drukken.
A
DisplaymeldingA
Betekenis
BLINDE-HOEKSYST. CAMERA'S
GEBLOK.
Een of meer
camera’s zijn afgedekt
BLINDE-HOEKINFO. SYSTEEM
UIT
BLIS uitgeschakeld
Er verschijnen alleen meldingen, als de transpondersleutel in
sleutelstand II staat (of als de motor loopt) en BLIS actief is
(de bestuurder heeft het systeem niet gedeactiveerd).
BELANGRIJK
De BLIS-camera
wordt gehinderd
door bijvoorbeeld
mist of fel zonlicht
recht in de camera.
De camera herstelt
zichzelf zodra de
omstandigheden
weer normaal zijn.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het BLIS
gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien
een displaymelding op het instrumentenpaneel.
BLINDE-HOEKSYST. R CAMERA
GEBLOK.
Rechter camera
afgedekt
Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje
in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes in de
portieren driemaal op. Druk op de knop
BLINDE-HOEKSYST. L CAMERA
GEBLOK.
Linker camera afgedekt
Laat reparaties aan de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Beperkingen
06
Soms kan het controlelampje voor BLIS oplichten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken
kunt waarnemen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
153
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
N.B.
Bij een storing in het BLIS-systeem verschijnt op het display de melding BLINDEHOEKSYST. SERVICE VEREIST.
Hier volgen enkele afbeeldingen van situaties
waarin het controlelampje voor BLIS kan gaan
branden, hoewel er zich geen voertuigen in de
dode hoek bevinden.
G018177
Als het controlelampje voor BLIS soms
oplicht zonder dat u andere voertuigen in de
dode hoeken kunt waarnemen, betekent dit
niet dat het systeem een storing vertoont.
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen.
Laag staande zon in de camera.
06
Reflecties op een glad en nat wegdek.
154
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Starten met hulpaccu
WAARSCHUWING
Gebruik een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden
gestart. Probeer de motor niet aan te slepen,
zie pagina 157.
Het stuurslot blijft in de stand staan die gold
bij het verbreken van de spanning. Het
stuurslot moet worden opgeheven, voordat
u de auto sleept.
De transpondersleutel moet in sleutelstand
II staan. Neem de transpondersleutel nooit
tijdens het rijden uit het contactslot, ook niet
als de auto gesleept wordt.
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
Voordat u gaat slepen moet het sleepoog in de
bumper vastgeschroefd worden. De uitsparing
en afdekking voor het sleepoog zitten aan de
rechterzijde van de voor- en achterbumper.
Het sleepoog vindt u in de gereedschapstas in
de bagageruimte.
WAARSCHUWING
Slepen
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
Sleep de auto altijd met de voorkant van de
auto in de rijrichting.
1. Zorg ervoor dat de contactsleutel in stand
I staat, zodat het stuurslot niet werkt en de
auto bestuurbaar is
Handgeschakelde versnellingsbak
2. Voor de auto die sleept geldt: Rijd rustig.
Automatische versnellingsbak
±
±
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de handrem.
06
Zet de keuzehendel in stand N en los de
handrem.
De snelheidslimiet voor het wegslepen van een
auto met automatische versnellingsbak is
80 km/h. U mag de auto over een afstand van
maximaal 80 km verslepen.
G028528
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor slepen.
Voor de auto die wordt gesleept geldt:
Houd om schokken te voorkomen de
sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen.
Sleepoog
``
155
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Doe het volgende:
1. Maak de onderkant van de afdekking (A)
los met een schroevendraaier of een muntstuk.
2. Schroef het sleepoog (B) vast.
3. Schroef het sleepoog tot aan de flens vast
(C). Maak bij voorkeur gebruik van de wielsleutel.
•
Draai het sleepoog na gebruik los en plaats
het afdekkapje terug.
BELANGRIJK
06
Wanneer de afneembare trekhaak gemonteerd is, kunt u het sleepoog niet aanbrengen in de achterste bevestiging. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak. Om
die reden wordt geadviseerd de afneembare trekhaak in de auto te bewaren, wanneer u de trekhaak niet nodig hebt.
Bergen
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
156
BELANGRIJK
•
Voor auto’s met vierwielaandrijving
(AWD) gelden, bij het bergen met een
geheven vooras, zowel een maximale
snelheid van 70 km/h als een maximale
afstand van 50 km.
WAARSCHUWING
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging. Roep professionele hulp in voor berging.
06 Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Starten met een hulpaccu
3. Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van die auto
afzetten. Zorg ervoor dat de auto’s elkaar
niet raken.
4. Sluit de rode startkabel aan tussen de pluspool (1+) van de hulpaccu en de pluspool
(2+) van de lege accu.
G020298
5. Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
op de minpool (3–) van de hulpaccu.
Als de startaccu leeg is, kunt u stroom van een
losse accu of van de accu in een andere auto
gebruiken. Controleer altijd of de klemmen van
de startkabels goed vastzitten en of er geen
vonken kunnen ontstaan tijdens de startpoging.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan te
houden om explosiegevaar te voorkomen:
1. Draai de transpondersleutel naar sleutelstand 0.
6. Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het massapunt (4–) dat op bij de
linker veerpoot zit.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar voor
vonkvorming.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen.
7. Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal, 1500
omw/min.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in uw ogen krijgt of
op uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen.
8. Start de motor van de auto met de lege
accu.
Neem onmiddellijk contact op met een arts,
als u accuzuur in uw ogen krijgt.
±
06
Verwijder de startkabels: eerst de zwarte
kabel en daarna de rode.
Zorg dat geen van de klemmen aan de
zwarte startkabel contact kan maken met
de pluspool van de accu of met de aangesloten klemmen van de rode startkabel.
2. Zorg dat de hulpaccu een spanning van 12
volt levert.
157
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 276.
Als de trekhaak in een erkende Volvo-werkplaats wordt gemonteerd, is de auto bij aanlevering voorzien van de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
•
De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
•
Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw Volvo-dealer om te controleren of uw auto van de nodige uitrusting is
voorzien om met een aanhanger te kunnen
rijden.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
de positie van de bandenspanningstabel,
zie pagina 178.
06
•
1
158
Maak de trekhaak regelmatig schoon en
vet de kogel1 van tijd tot tijd in.
•
•
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten, zie pagina 276.
WAARSCHUWING
•
Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
•
Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kunnen de motor en de versnellingsbak oververhit raken. Als de temperatuurmeter voor de koelvloeistof tot in
het rode gebied uitslaat, dient u de auto te
stoppen en de motor enkele minuten stationair te laten draaien. De automatische
versnellingsbak reageert met een ingebouwde beveiligingsfunctie. Zie de melding op het display. Bij oververhitting kan
de airconditioning zichzelf tijdelijk uitschakelen.
De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald.
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht
van de auto.
•
Rijd om veiligheidsredenen niet sneller dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
•
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
Geldt niet voor de kogel bij gebruik van een aanhangerkoppeling met trillingsdemper.
N.B.
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Automatische versnellingsbak, rijden
met een aanhanger
N.B.
Sommige modellen moeten worden uitgerust met een oliekoeler voor de automatische versnellingsbak om gebruik te maken
van een aanhanger. Informeer dan ook bij
de dichtstbijzijnde Volvo-dealer naar wat er
voor uw auto geldt, als u achteraf een trekhaak monteert.
•
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Gemakkelijker wegrijden met aanhanger
Auto’s met een V8-motor zijn voorzien van een
ingebouwde functie die voorkomt dat de auto
schokkerig beweegt en wielspin vertoont bij
het wegrijden met een aanhanger.
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling, neemt de achtertrein van de
auto tijdens het rijden altijd de juiste rijhoogte
aan, ongeacht de belading. Wanneer de auto
stilstaat, zakt de achtertrein omlaag. Dit is volkomen normaal. Bij het wegrijden met lading
wordt het niveau na enige tijd rijden naar boven
toe bijgesteld.
Activeren
1. Zet de parkeerrem aan.
Om de functie te activeren moet u de bedrading van de aanhanger aansluiten op de trekhaakaansluiting die naast de trekhaak zit, zie
pagina 160.
2. Zet de keuzehendel in de parkeerstand P.
Deactiveren
Op een helling parkeren
Niveauregeling
Koppel de bedrading bij de aansluiting los.
Op een helling wegrijden
1. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
2. Haal de auto van de parkeerrem.
Steile hellingen
•
Kies bij het omhoog rijden op steile hellingen of in langzaam rijdend verkeer de juiste
handmatige lage versnellingsstand. Zo
voorkomt u dat de versnellingsbak
opschakelt en houdt u de versnellingsbakolie koel.
•
Schakel geen hogere, handmatige versnelling in dan de motor “aankan”. Rijden in
hoge versnellingen is niet altijd zuinig.
N.B.
De functie is tevens actief als u andere elektrische uitrusting aansluit op de trekhaakaansluiting. De auto trekt dan langzamer op
tijdens het wegrijden.
06
159
06 Starten en rijden
Trekhaak*
Trekhaak
Aanhangerkabel
Kogelsegment opbergen
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het monteren van het kogelsegment zorgvuldig worden opgevolgd, zie pagina 162.
WAARSCHUWING
Volg de montagevoorschriften voor het
kogelsegment nauwkeurig op.
•
Zorg dat het kogelsegment met de sleutel vergrendeld is voordat u begint te rijden.
•
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Opbergruimte kogelsegment.
BELANGRIJK
06
Belangrijke controlepunten
•
U moet de kogel van het kogelsegment
regelmatig schoonmaken en met vet
insmeren.
N.B.
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper
gebruikt, hoeft de kogel niet te worden ingevet.
160
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Neem na gebruik altijd het kogelsegment
los en berg het op de daarvoor bestemde
plaats op, goed vastgezet met de bijbehorende riem.
G014589
•
G031114
Let op het volgende als uw auto is uitgerust
met de afneembare trekhaak van Volvo:
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een 7polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
06 Starten en rijden
Trekhaak*
G027109
G026682
G027108
Specificaties
Afmetingen voor bevestigingspunten (mm)
Vaste of afneembare trekhaak
A
B
C
D
E
F
G
1110
85
1081
541
122
50
354
1
Langsligger
2
Middelpunt kogel
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06
161
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
1. Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
.
recht naar achteren te trekken
06
162
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
G020302
G020301
G017317
Kogelsegment monteren
3. Controleer of het controlevenster (3) rood
van kleur is. Als het venster niet rood van
kleur is, moet u (1) indrukken en de borgknop linksom (2) draaien totdat u een klik
hoort.
06 Starten en rijden
4. Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
5. Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
G020307
G020306
G020304
Afneembare trekhaak*
6. Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
163
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
7. Controleer of het kogelsegment vastzit
door het stevig omhoog, omlaag en naar
achteren te bewegen.
06
WAARSCHUWING
Als het kogelsegment niet goed zit, moet u
het verwijderen en het opnieuw monteren
zoals eerder werd beschreven.
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst. Houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
164
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G020301
G020310
G020309
Kogelsegment verwijderen
8. Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
1. Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
06 Starten en rijden
2. Druk de vergrendelingsknop (1) in en draai
deze linksom (2) totdat u een klik hoort.
3. Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
G017318
G020314
G020312
Afneembare trekhaak*
4. Duw de afdekking erop.
06
WAARSCHUWING
Zet het losse kogelsegment goed vast, wanneer u het in de auto bewaart (zie
pagina 160).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
165
06 Starten en rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde
informatie over de gewichten, zie pagina 276.
Voor meer informatie over de bagageruimte,
zie pagina 110.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Lading op het dak
Lastdragers gebruiken
06
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden, wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo ontwikkeld zijn.
Volg de montagevoorschriften die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
166
•
Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
•
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
•
Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
•
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
WAARSCHUWING
De maximale dakbelasting is 100 kg inclusief de lastdragers en een eventuele skibox.
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto.
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
Breng de afplaktape in positie aan ten opzichte
van de stip (5) in het koplampglas. Deze stip
moet overeenkomen met de rode stip op de
mal. De lange rode lijn op de afbeeldingen
komt overeen met de lijn in het koplampglas
ten opzichte waarvan u de mal moet inpassen.
Meet de mallen na het overtrekken ter controle
nog eens op om te zorgen dat de lichtbundel
voldoende wordt afgedekt.
G020317
De mallen kunnen worden gebruikt voor
modellen met het stuur links of rechts en moeten worden aangebracht zoals aangegeven op
de afbeelding.
Lichtbundel voor linksrijdend verkeer.
De bovenste afbeelding geeft de positie op een
model met het stuur links aan. De onderste
afbeelding geeft de positie op een model met
het stuur rechts aan.
Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
U kunt de lichtbundel van de koplampen
afplakken om te voorkomen dat u tegenliggers
verblindt. Daarbij wordt de lichtopbrengst iets
lager.
Koplampen afplakken
Trek de mallen, zie pagina 167, over en knip
een stuk zelfklevend en watervast materiaal
zoals ondoorzichtige tape langs de randen van
de mallen uit.
Halogeenkoplampen
Xenonkoplampen
Trek mal 3 en 4 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een stuk
zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Breng de mallen dusdanig aan dat de pijlen
naar het midden van de auto wijzen en dat de
stippen op de mallen overeenkomen met de
stippen op de koplampglazen. Pas de merkjes
> < op de mallen in ten opzichte van de lijn op
het koplampglas.
Referentiematen mal 3
De lijn tussen de merkjes > < en op de mallen
moet ca. 140 mm lang zijn.
Referentiematen mal 4
De lijn tussen de merkjes > < en op de mallen
moet ca. 112 mm lang zijn.
Lichtbundel aanpassen bij actieve xenonkoplampen (ABL), zie pagina 56.
06
Trek mal 1 en 2 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een stuk
zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Breng de mallen dusdanig aan dat de pijlen
naar het midden van de auto wijzen en dat de
stippen op de mallen overeenkomen met de
stippen op de koplampglazen.
Referentiematen mal 1 en 2
De lange kant van de mallen moet ca. 82 mm
lang zijn.
``
167
06 Starten en rijden
G030200
Lichtbundel aanpassen
Auto met stuur links afgeplakt voor linksrijdend verkeer.
Maskering op glas rechter halogeenkoplamp
Maskering op glas linker halogeenkoplamp
06
Maskering op rechter xenonkoplamp
Maskering op linker xenonkoplamp
Referentiepunt op koplampglas.
168
06 Starten en rijden
G030201
Lichtbundel aanpassen
Auto met stuur rechts afgeplakt voor rechtsrijdend
verkeer.
Maskering op glas linker halogeenkoplamp
Maskering op glas rechter halogeenkoplamp
06
Maskering op linker xenonkoplamp
Maskering op rechter xenonkoplamp
Referentiepunt op koplampglas.
``
169
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
G027103
06
Afplakmallen.
170
06 Starten en rijden
06
171
172
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
174
177
179
182
184
G020918
Algemene informatie.............................................................................
Bandenspanning...................................................................................
Gevarendriehoek* en reservewiel*........................................................
Wielen verwisselen................................................................................
Noodreparatie banden*.........................................................................
WIELEN EN BANDEN
07
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen en banden
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag
van de auto.
Let er bij het verwisselen van banden op dat de
nieuwe banden op alle vier de wielen van hetzelfde type zijn, dezelfde afmetingen hebben
en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbevolen bandenspanning aan die in de bandenspanningstabel staat, zie pagina 177 voor de
positie ervan.
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding:
235/60R18 103 V.
07
174
235
Breedte van de band (mm)
60
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
18
Velgdiameter van de band (")
103
Aanduiding van het draagvermogen van de band (in dit geval
615 kg)
V
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval
210 km/h).
Snelheidsaanduidingen
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto. De enige uitzondering daarop vormt
het gebruik van winterbanden (zowel banden
met als zonder “spikes”). Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van
160 km/h).
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en niet
de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de maximumsnelheid is.
Q
160 km/h (alleen
voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
Nieuwe banden
Banden hebben een beperkte
houdbaarheidsdatum. Na
enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip op
het wegdek stukje bij beetje
af. Gebruik bij het verwisselen
van banden altijd zo nieuw
mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder
voor winterbanden. De laatste cijfers van de
cijferreeks geven de week en het jaar van productie aan. Het is de zogeheten DOT-code
(Department of Transportation) van de band en
bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1502. De
band op de afbeelding is de 15e week van het
jaar 2002 geproduceerd.
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken wordt, als banden zelden of nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de
band worden aangetast. In dit geval dient u de
band niet meer te gebruiken.Dit geldt ook voor
reservebanden, winterbanden en banden die u
voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is
voor gebruik.
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
Gelijkmatige slijtage en onderhoud
Banden met slijtage-indicatoren
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de band staan. De letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant
van de band geven aan dat een band is uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van het
profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
G020323
Leeftijd van de banden
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 178. De rijstijl, de
bandenspanning, het klimaat en de staat van
de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de
voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit
en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
Volvo adviseert u ter controle contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats als
u niet zeker bent van de profieldiepte.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Winterbanden
Volvo raadt winterbanden met bepaalde winterbandenmaten aan. De bandenmaat is
afhankelijk van de motorvariant. Gebruik altijd
het juiste type winterbanden op alle vier de
wielen.
N.B.
Neem contact op met een Volvo-dealer voor
advies over de beste soort velgen en banden.
07
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
``
175
07 Wielen en banden
Algemene informatie
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom wordt geadviseerd een
minimale profieldiepte van vier mm aan te houden voor winterbanden.
BELANGRIJK
Gebruik originele sneeuwkettingen van
Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen die
zijn afgestemd op het model en de band- en
velgafmetingen. Bij twijfel adviseert Volvo u
een erkende Volvo-werkplaats om advies te
vragen.
Zomer- en winterbanden
Volvo adviseert u ter controle contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats als
u niet zeker bent van de profieldiepte.
Sneeuwkettingen
07
176
G020325
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen. Dit geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. Maak nooit
gebruik van sneeuwkettingen met zogeheten
snelsluitingen, omdat de ruimte tussen de
schijfremmen en de wielen te gering is.
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band. Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van
voor naar achter verwisseld worden, nooit van
links naar rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de remeigenschappen van de auto af en kunnen de banden
regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren.
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen).
De pijl geeft de draairichting van de band aan
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom zie pagina 182,
moet u op de banden noteren waar ze zaten:
bijvoorbeeld L voor links, R voor rechts. Bij
banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Aanbevolen bandenspanning
•
Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
•
•
ECO-bandenspanning
Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare)
Bandenspanning controleren
Controleer regelmatig de bandenspanning.
G020791
N.B.
In de bandenspanningstabel voor op de portierstijl aan de bestuurderszijde staat de juiste
bandenspanning voor uw auto aangegeven bij
verschillende belading en snelheid.
Op de sticker staan:
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
Al na enkele kilometers rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. Laat
daarom geen lucht uit de banden ontsnappen
als u de spanning controleert bij warme banden. Als de spanning bij warme banden echter
te laag is, moet u de band harder oppompen.
Onvoldoende opgepompte banden hebben
een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met
een te lage bandenspanning rijdt, kunnen de
banden oververhit raken en kapotgaan.
Voor informatie over de juiste bandenspanning, zie pagina 178. De aangegeven bandenspanning geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur).
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de stuureigenschappen en de geproduceerde weggeluiden.
07
``
177
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Bandenspanningstabel
Type
Alle
Reservewiel
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)A
Belading (1–3 inzittenden)
Max. belading
ECO-bandenspanningB
Voor (kPa)
Achter
(kPa)
Voor (kPa)
Achter (kPa)
235/65R17
tot 160
220
220
270
270
270
235/60R18
160+
220
220
270
270
-
255/50R19
tot 160
240
240
270
270
270
255/45R20
160 +
240
240
270
270
-
T155/85 R18
tot 80
420
420
420
420
-
Compact
reservewiel
A
B
07
178
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa, d.w.z. 270 kPa = 2,70 bar).
Zuinig rijden, zie pagina 177.
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel*
±
Gevarendriehoek
Berg de onderdelen in de omgekeerde
volgorde weer op.
Zorg dat de opberghoes met de gevarendriehoek goed vastzit in de bagageruimte.
BELANGRIJK
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
G027065
Compact reservewiel (Temporary
Spare)*
Houd u aan de bepalingen die gelden voor het
gebruik van een gevarendriehoek* in uw land.
Gebruik de gevarendriehoek als volgt:
1. Haal de opberghoes met de gevarendriehoek los. De hoes zit met klittenband vast.
2. Haal de gevarendriehoek uit de hoes (A).
3. Klap de vier steunpootjes van de gevarendriehoek uit.
4. Klap de beide rode driehoekszijden uit. Zet
de gevarendriehoek op een passend punt
achter de auto op om achteropkomend
verkeer tijdig te waarschuwen.
U mag het compacte reservewiel alleen gebruiken gedurende de korte tijd die nodig is om het
normale wiel te repareren of te vervangen. Vervang het zo spoedig mogelijk door een normaal
wiel. Het rijgedrag van de auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een compact reservewiel.
Volgens de wet mag het reservewiel/de band
alleen tijdelijk worden gebruikt, wanneer een
band beschadigd is. Een wiel/band van dit type
moet daarom zo spoedig mogelijk door een
norma(a)l(e) wiel/band worden vervangen.
Let er ook op dat het compacte reservewiel in
combinatie met normale wielen of banden wijzigingen in de rijeigenschappen kan veroorzaken. Bij modellen met vierwielaandrijving kan
overschrijding van deze snelheid bovendien
aanleiding geven tot schade aan de aandrijflijn.
07
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik van
een compact reservewiel.
Doe het volgende na gebruik:
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
179
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel*
G026998
Reservewiel tevoorschijn halen
Het reservewiel zit onder de auto. De krik*, de
gereedschapstas* en de slingerdelen vindt u
onder het vloerluik. De slinger bestaat uit twee
delen. Het ene deel zit bij de gevarendriehoek,
terwijl het andere deel in de gereedschapstas
opgeborgen is.
07
N.B.
In de gereedschapstas zit een speciale sleutel om de naafdop te verwijderen (bepaalde
wielopties).
De positie van de krik hangt af van het aantal
zitplaatsen:
Zevenzitter
Vijfzitter
Maak het reservewiel als volgt los:
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
De kabel kan schade aan de auto toebrengen, als deze tijdens het rijden loshangt.
1. Klap het onderste gedeelte van de achterklep omlaag en til het vloerluik in de bagageruimte op.
5. Haal het wiel van de kabel af en draai de
kabel rechtsom omhoog met de slinger.
2. Haal de twee delen van de slinger tevoorschijn en monteer ze.
6. Leg de lekke band in de bagageruimte. U
vindt een plastic zak in de gereedschapstas om de band in op te bergen.
3. Steek de slinger in de lier.
180
4. Laat het wiel zakken door de slinger tot aan
de aanslag linksom te draaien.
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel*
N.B.
De reservewielruimte onder de auto is uitsluitend bestemd voor het originele reservewiel. U kunt er dan ook geen andere merken reservewielen aanbrengen.
Reservewiel terugplaatsen
Het is het handigst als iemand u helpt bij het
terugplaatsen van het reservewiel. Eén van uw
beiden draait aan de slinger, terwijl de ander
het wiel in de juiste richting duwt.
1. Vier de kabel met de slinger en breng de
anker aan het uiteinde van de kabel in het
gat in het midden van de velg aan.
2. Haal de kabel een stukje omhoog door de
slinger langzaam (rechtsom) te draaien.
3. Kantel het reservewiel om het langs de uitlaatpijp te halen.
4. Houd de achterkant van het wiel omlaag,
terwijl u het met de slinger omhooghaalt.
5. Breng het wiel boven op de achteras,
tegen de vloerplaat aan.
6. Draai de slinger tot aan de aanslag
rechtsom.
7. Controleer of het wiel stevig vastzit.
WAARSCHUWING
Controleer of u gebruik maakt van de juiste
steunpunten. Tussen de kriksteunpunten
op de auto is een speciaal kriksteunpunt
voor productiedoeleinden aangebracht dat
voorzien is van een pen. Het steunpunt is
echter niet sterk genoeg om de auto onder
op te krikken. Bij twijfel over de positie van
de verschillende kriksteunpunten adviseert
Volvo u om contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats. Wanneer u de
krik op een verkeerd punt aanbrengt, kan er
schade aan portier en carrosserie ontstaan.
Gereedschap, terugplaatsen
Plaats het gereedschap en de krik* na gebruik
op de juiste manier terug. De krik past alleen
als deze in de juiste opbergstand (zie nevenstaande afbeelding) wordt gezet.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte
wanneer u ze niet nodig hebt.
07
EHBO*
Onder de vloer in de bagageruimte ligt een
EHBO-kit.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
181
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen demonteren
Gebruik bijvoorbeeld wielblokken of grote
stenen.
WAARSCHUWING
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
N.B.
G026997
Volvo adviseert alleen de krik* te gebruiken
die bij het desbetreffende model hoort.
Let erop dat u de gevarendriehoek opzet, wanneer u de band moet verwisselen aan de kant
van de weg. Er zitten twee kriksteunpunten aan
weerszijden van de auto. Deze steunpunten
zitten in het midden onder de portieren.
1. Parkeer de auto op een egale en stevige,
niet hellende ondergrond.
07
182
2. Zet de parkeerrem aan en schakel de 1e
versnelling in op auto’s met een handgeschakelde versnellingsbak (stand P op
auto’s met een automatische versnellingsbak). Plaats wielblokken voor en achter de
wielen die op de grond blijven staan.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3. Haal de krik*, de wielsleutel en de slinger
tevoorschijn, zie pagina 180 voor de positie
ervan. Bij gebruik van een andere krik, zie
pagina 199.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder een auto die slechts op
een krik steunt! De auto kan namelijk van de
krik vallen en letsel toebrengen.
Gebruik de krik die bij de auto werd geleverd
alleen voor het verwisselen van banden.
Voor de overige werkzaamheden moet u
gebruik maken van een garagekrik en
steunbokken onder het geheven deel van de
auto aanbrengen.
Zorg dat u schroef van de krik altijd goed
ingevet houdt.
Als de ondergrond te zacht is, kan de krik
opzij wegglijden zodat de auto van de krik
valt. Zorg dat er zich niemand onder de auto
bevindt, wanneer u een band verwisselt.
4. Draai de wielbouten ½–1 slag los met de
wielsleutel. Draai de bouten linksom los.
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt.
WAARSCHUWING
G020332
Wanneer u de auto op het verkeerde punt
opkrikt, kan de auto van de krik vallen. Er
bestaat dan gevaar voor verwondingen!
5. Plaats de krik onder een kriksteunpunt en
breng de krik zo ver omhoog dat deze
tegen de bodemplaat van de auto aankomt. Bij elk steunpunt zit een uitsparing in
de kunststof afdekking. Controleer of u de
krik juist hebt aangebracht onder het kriksteunpunt, voordat u de auto van de grond
krikt. Stel de krik vervolgens dusdanig af
dat de voet van de krik loodrecht onder het
kriksteunpunt van de auto zit. Zie afbeelding.
G027000
6. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt.
7. Draai de wielbouten los en verwijder het
wiel.
Wielen monteren
1. Reinig de contactvlakken op het wiel en de
naaf.
2. Breng het wiel aan. Draai de wielbouten
vast.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat de wielen
niet meer ongehinderd kunnen draaien.
4. Draai de wielbouten kruiselings telkens iets
strakker vast. Aanhaalmoment: 140 Nm
(14,0 kpm). Het is belangrijk dat u het juiste
aanhaalmoment aanhoudt. Controleer het
aanhaalmoment dan ook met een
momentsleutel.
5. Schroef de krik weer volledig in elkaar,
voordat u deze in de bagageruimte teruglegt. Bind de krik vervolgens weer vast.
6. Controleer of het nieuwe wiel de juiste bandenspanning heeft.
N.B.
Dit type wielbout mag ook voor stalen velgen worden gebruikt.
07
Let erop dat u de juiste soort bouten gebruikt.
Volvo adviseert u bij twijfel contact op te
nemen met de dichtstbijzijnde Volvo-werkplaats.
183
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
De noodreparatieset wordt gebruikt om een lek
te dichten alsook om de bandenspanning te
controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren.
De set bestaat uit een compressor en een bus
met afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties uit te voeren. De bus met het afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de
houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens
na het gebruik.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
N.B.
De krik is optioneel op auto’s met de bandenreparatieset.
12V-aansluitingen voor de compressor zitten
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de bagageruimte/kofferbak.
Gebruik de elektrische aansluiting die het
dichtst bij de lekke band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert u een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel bepaalt of de band kan worden gerepareerd of moet worden vervangen.
Noodreparatieset erbij nemen
Sticker, toegestane maximumsnelheid
De noodreparatieset met compressor en
gereedschap zit onder de vloer in de bagageruimte.
Knop
1. Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
Bushouder (oranje deksel)
2. Til de noodreparatieset op.
07
184
De noodreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de set voor noodreparatie te
repareren die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Overzicht
G020400
Algemene informatie
Kabel
Beschermdop
Drukreduceerventiel
Luchtslang
Bus met afdichtmiddel
Manometer
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
Lekke band repareren
3. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Verbreek de verzegeling van de bus niet
handmatig. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
G019723
4. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
Voor informatie over de werking van de onderdelen (zie voorgaande afbeelding).
1. Open het deksel van de noodreparatieset.
2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de sticker op het stuurwiel.
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Draai de bus in de bushouder vast.
6. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te
bezoeken.
N.B.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30seconden weer dalen.
8. Zet de knop in stand I.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
07
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
7. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
185
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd
een erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen.
11. Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12V-aansluiting.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
07
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
3. Als de spanning lager is dan 1,3 bar, werd
de band onvoldoende afgedicht. Beëindig
186
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
in dat geval de rit. Neem contact op met
een Volvo-werkplaats.
4. Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de bandenspanningstabel. Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ventieldopje terug.
6. Leg de noodreparatieset in de kofferbak
terug.
7. Volvo adviseert u naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats te rijden om
daar de beschadigde band te laten vervangen/repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er afdichtmiddel in de
band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert u een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel bepaalt of de band kan worden gerepareerd of moet worden vervangen.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent van de profieldiepte.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
WAARSCHUWING
Inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd worden.
3. Sluit de kabel aan op een van de 12V-aansluitingen in de auto en start de motor.
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
Spuitbus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus wanneer de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen
bus als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-ethanol en natuurrubberlatex.
Gevaarlijk bij inwendig gebruik. Kan aanleiding geven tot overgevoeligheid bij huidcontact.
Contact met huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
N.B.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
Geef de bus af bij een inzamelingsstation
voor opslag van KCA.
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
07
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
187
188
G020920
Schoonmaken....................................................................................... 190
Lakschade herstellen............................................................................ 194
Roestwering.......................................................................................... 195
VERZORGING
08
08 Verzorging
Schoonmaken
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Gebruik autoshampoo. Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot corrosie.
•
Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan oplopen. Zorg dat de auto op een spoelvloer
met afvoerscheiding staat.
•
•
Spoel het onderstel zorgvuldig schoon.
Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
•
Als het vuil hardnekkig is, kunt u de auto
met een koud ontvettingsmiddel wassen.
•
Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Wisserbladen schoonmaken
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit gaan
wisserbladen minder lang mee.
N.B.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens
het tanken bijvoorbeeld.
08
190
Reinig de wisserbladen en de voorruit regelmatig met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Vogelpoep verwijderen
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de
lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. Een dergelijke verkleuring is alleen te herstellen door de vakman.
Verchroomde velgen
BELANGRIJK
Velgreinigingsmiddelen kunnen vlekken
veroorzaken op verchroomde velgen. Was
de auto met een spons, autoshampoo en
een ruime hoeveelheid lauw water.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er echter
op dat een wasbeurt in een automatische wasstraat nooit een alternatief vormt voor een
gedegen wasbeurt met de hand. Dit omdat de
borstels van de wasstraat niet overal even
goed bij kunnen.
BELANGRIJK
Een nieuwe laklaag is bovendien kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt daarom
geadviseerd de eerste maanden na aankoop van een nieuwe auto deze alleen met
de hand te wassen.
Hogedrukreiniger
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen).
08 Verzorging
Schoonmaken
BELANGRIJK
Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij gebruik
van een hogedrukreiniger: Houd bij het wassen de spuitkop van de hogedrukreiniger
ten minste 30 cm van de carrosserie af.
Spuit niet rechtstreeks in de richting van de
sloten.
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de handrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Zo verwarmt en droogt u de
remblokken. Doe hetzelfde bij zeer vochtig of
koud weer.
Kunststof en rubber exterieuronderdelen
en sieronderdelen
Voor het schoonmaken van gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen (zoals glimmende strips), wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel te
gebruiken dat bij de erkende Volvo-werkplaats
verkrijgbaar is. Volg bij het gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij gebruik van ontvetters op kunststof en
rubber onderdelen waar nodig alleen voorzichtig wrijven. Gebruik een zachte schoonmaakspons.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende laag beschadigen of verwijderen.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
Poetsen en in de was zetten
kunt hardnekkige vlekken met een speciaal
voor autolak bestemde, fijne schuurpasta
(“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op.
Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel
als was.
BELANGRIJK
Lakbehandelingen zoals lakconservering,
verzegeling, bescherming, glansverzegeling
e.d. kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade als gevolg van het gebruik van dergelijke behandelingen valt niet onder de
Volvo-garantie.
Waterafstotende laag*
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of u deze extra bescherming wilt bieden.
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Wees voorzichtig tijdens het schoonmaken om
te voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak ontstaan.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met de teerverwijderaar van Volvo of met terpentine. U
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
08
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
191
08 Verzorging
Schoonmaken
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
N.B.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de
eerste keer na drie jaar en daarna ieder jaar.
Interieur reinigen
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding
De erkende Volvo-werkplaats heeft een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding.
Andere reinigingsmiddelen kunnen de brandvertragende eigenschappen van de bekleding
aantasten.
Het leer wordt veredeld en bewerkt zodat het
zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer
is voorzien van een beschermende toplaag,
maar om de goede eigenschappen en het
fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist. Volvo biedt een
universeel leerverzorgingsproduct waarmee u
leren bekleding kunt schoonmaken en de
beschermende laag kunt herstellen mits u de
instructies opvolgt.
Na enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt het
leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van de
oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina
maakt deel van het natuurlijke verouderingsproces van het leer en geeft aan dat het om een
natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo de
beschermende crème een- à viermaal per jaar
(zo nodig vaker) op te brengen. Vraag bij de
erkende Volvo-werkplaats naar het speciale
leerverzorgingsproduct van Volvo.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
08
192
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en
voldoet aan de norm Öko-Tex 100.
BELANGRIJK
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen. Dergelijke middelen kunnen bekleding van textiel,
vinyl en leer beschadigen.
BELANGRIJK
Let erop dat de stoffen bekleding kan verkleuren bij gebruik van materialen die afgeven (nieuwe spijkerbroek, gekleurde suède
kleding e.d.).
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng wat van het leerreinigingsproduct
op een vochtige spons aan en knijp erin om
een dikke laag schuim te krijgen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
08 Verzorging
Schoonmaken
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen wordt een speciaal reinigingsmiddel
geadviseerd dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats. Krab of wrijf nooit over een
vlek. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan met name het textielreinigingsmiddel
dat bij de erkende Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
08
193
08 Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
Steenslagplekken en krassen
wijdering van het vuil de ontbrekende lak aan
te brengen.
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade
meteen herstellen. De meest voorkomende
soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op de spatbordranden en portieren.
Als de steenslagplek wel tot op het
blanke plaatwerk is doorgedrongen
1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
G020345
Kleurcode
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15°C.
Benodigdheden
Typeplaatje.
Kleurcode van de auto
08
194
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. Voor de positie van de productsticker, zie pagina 274.
•
•
•
•
Grondlak (primer) in een bus
Lak in een bus of een lakstift
Kwastje
Afplaktape.
Steenslagplekken en krassen
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na ver-
2. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng deze met een fijn kwastje of een lucifer aan. Breng de lak met een kwastje aan,
wanneer de primer droog is.
3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
08 Verzorging
Roestwering
Controleren en onderhouden
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de
balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
U kunt de roestwering van de auto als volgt
onderhouden.
•
Houd de auto schoon. Spoel het onderstel
af. Houd bij het gebruik van een hogedrukreiniger de spuitkop ten minste 30 cm van
gelakte onderdelen af.
•
Controleer de roestwering regelmatig en
werk deze zo nodig bij.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar te worden nabehandeld. De auto moet daarna om de drie jaar
een nabehandeling ondergaan. Volvo adviseert
u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats, als de auto aan een nabehandeling
toe is.
08
195
196
198
199
201
203
204
209
211
213
220
G020922
Volvo Service........................................................................................
Onderhoud............................................................................................
Motorkap en motorruimte.....................................................................
Dieselolie...............................................................................................
Oliën en vloeistoffen..............................................................................
Wisserbladen........................................................................................
Accu......................................................................................................
Gloeilampen vervangen........................................................................
Zekeringen............................................................................................
ONDERHOUD EN SERVICE
09
09 Onderhoud en service
09
Volvo Service
Serviceprogramma van Volvo
Speciale servicewerkzaamheden
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
zorgvuldig getest. De auto werd nogmaals
gecontroleerd naar de normen van Volvo Car
Corporation, net voordat de auto aan u werd
geleverd.
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem van de auto kunnen alleen
worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
elektronische apparatuur. Volvo adviseert u
ook om contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats, voordat u servicewerkzaamheden aan het elektrische systeem laat
uitvoeren.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van uw Volvo op een hoog
peil te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u
om ook service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen beschikken over
het personeel, het speciale gereedschap en de
servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog
mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
198
09 Onderhoud en service
Onderhoud
Regelmatig controleren
Accu
Controleer regelmatig het volgende, bijvoorbeeld bij het tanken:
Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor loopt
(bij het vervangen van de accu bijvoorbeeld).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn ontkoppeld tijdens het opladen.
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u de
accu op een milieubewuste manier verwerkt.
Neem hiervoor contact op met de erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Het ontstekingssysteem wekt zeer hoge
spanningen op. De spanning van het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Schakel daarom altijd het contact uit bij werkzaamheden in de motorruimte.
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het contact aanstaat of als de motor warm
is.
•
Koelvloeistof – De koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje op het
expansiereservoir staan.
•
Motorolie – De olie moet tussen het MINen MAX-streepje staan.
•
Stuurbekrachtigingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
•
Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir
moet goed gevuld zijn. Vul bij met antivries
bij temperaturen rond het vriespunt.
•
Rem- en koppelingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
WAARSCHUWING
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
Auto omhoogbrengen
G027001
Voordat u met werkzaamheden begint
09
N.B.
Volvo adviseert alleen de krik te gebruiken
die bij het desbetreffende model hoort. Volg
bij gebruik van een andere krik dan door
Volvo geadviseerd de gebruiksaanwijzingen
die bij deze krik werden geleverd.
Als u de auto met een garagekrik omhoogbrengt, moet u de krik tegen de voorzijde van
het subframe van de motor aanbrengen.
Zorg dat de spatplaat onder de motor niet
beschadigd raakt. Let erop dat u de garagekrik
dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af
``
199
09 Onderhoud en service
09
Onderhoud
kan glijden. Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
omhoogbrengt, moet u zorgen dat de voorste
en achterste dragerarmen onder de hefpunten
bij de drempelkokers komen te zitten. Zie voorgaande afbeelding.
200
09 Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
Motorkap openen
09
WAARSCHUWING
G026995
Sluit de motorkap door uw ene hand er
bovenop te leggen en de kap vervolgens
omlaag te duwen. Houd de motorkap tijdens het sluiten niet aan de grille beet. Dit
om te voorkomen dat u met uw vingers
tegen motoronderdelen aankomt en daarbij
verwondingen oploopt.
1. Trek aan de ontgrendelingshandgreep
uiterst links onder het dashboard (of rechts
op modellen met het stuur rechts). U hoort
dat de slotpal losschiet.
2. Steek uw hand rechts onder de voorzijde
van de motorkap (onder de grille).
3. Duw de handgreep van de slotpal omhoog.
4. Laat de handgreep weer los en open de
motorkap.
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
``
201
09 Onderhoud en service
09
Motorkap en motorruimte
G027074
Motorruimte
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
Chassisnummerplaatje (VIN)
Relais en zekeringen
Accu (in bagageruimte)
Luchtfilter (de uitvoering van het deksel is
afhankelijk van het motortype)
Radiateur
Peilstok, motorolie
Vultuit, motorolie
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
Expansiereservoir, koelsysteem
202
09 Onderhoud en service
Dieselolie
Brandstofsysteem
Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreinigingen. Maak alleen gebruik van dieselolie van
gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet
nooit dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de
tank, zie pagina 284. De grote oliemaatschappijen produceren ook speciale dieselolie
bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen
rond het vriespunt. Dergelijke dieselolie is dunner bij lage temperaturen en beperkt de kans
op vlokvorming.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie (zie pagina 284).
1
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolieachtige brandstoffen: speciale toevoegingen (dopes), scheepsolie, stookolie,
RME 1 (biodiesel) of plantaardige olie. Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
BELANGRIJK
Bij modeljaar 2006 en hoger mag het zwavelgehalte maximaal 50 ppm zijn.
Wanneer u de tank leegrijdt
09
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aanleiding geven tot motorstoringen.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er verontreinigde brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter
aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden.
Het brandstofsysteem wordt automatisch ontlucht, als de contactsleutel ca. 60 seconden
lang in stand II staat voordat u een nieuwe
startpoging doet.
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid RME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
203
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Sticker voor oliekwaliteit in
motorruimte.
met een hogere kwaliteit dan de sticker in de
motorruimte vermeldt, zie pagina 280.
Olie verversen en oliefilter vervangen
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Houd voor het verversen van de olie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan
die staan aangegeven in het Service- en garantieboekje.
G021626
BELANGRIJK
BELANGRIJK
Gebruik altijd olie van de aanbevolen kwaliteit (zie sticker in motorruimte). Controleer
het oliepeil vaak en ververs de olie regelmatig. De motor raakt beschadigd, wanneer u
olie gebruikt van minder goede kwaliteit dan
wordt voorgeschreven of wanneer u met
een te laag oliepeil rondrijdt.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden
adviseert Volvo u een oliesoort te gebruiken
204
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. Om de
aanbevolen service-intervallen aan te kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat zowel
bij het bijvullen als verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten. Volvo Car Corporation wijst alle
garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een lage
oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien van
een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van
een waarschuwingslampje voor de oliedruk. Bij
modellen met een olieniveausensor wordt
gewaarschuwd met een waarschuwingssymbool midden op het instrumentenpaneel en
met displayteksten. Op bepaalde modellen zijn
beide systemen aanwezig. Volvo adviseert u
ook om voor meer informatie contact op te
nemen met een erkende Volvo-dealer.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst. Het Service- en garantieboekje geeft aan
bij welke kilometerstand u de olie moet verversen.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Peil controleren
Oliepeil controleren bij een warme motor
09
Ruitensproeiervloeistof bijvullen
1. Parkeer de auto op een vlakke ondergrond,
zet de motor af en wacht ten minste 10 tot
15 minuten zodat de olie weer kan teruglopen in het oliecarter.
2. Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
Oliepeil controleren bij een koude motor
1. Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
2. Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
3. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u om te beginnen 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij totdat de olie dichter bij het
MAX-streepje dan bij het MIN-streepje op
de peilstok ligt. Voor de aan te houden
hoeveelheid, zie pagina 280 en verder.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt, kunt
u om te beginnen 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje dan
bij het MIN-streepje op de peilstok ligt. Voor de
aan te houden hoeveelheid, zie pagina 280 en
verder.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
BELANGRIJK
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAXstreepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
G027097
G020336
3. Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
Positie van reservoir voor ruitensproeiervloeistof.
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir. Giet tijdens de wintermaanden ruitensproeier-antivries in het reservoir om te voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het reservoir en de slangen bevriest. Zie pagina 282
voor de hoeveelheden.
N.B.
TIP! Maak bij het bijvullen van ruitensproeiervloeistof ook meteen de wisserbladen
schoon. Meng het antivries met water, voordat u koelvloeistof bijvult.
``
205
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Koelvloeistof controleren en bijvullen
BELANGRIJK
Het is uitermate belangrijk dat u een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen
gebruikt volgens de aanbevelingen van
Volvo. Een nieuwe auto is voorzien van koelvloeistof die bestand is tegen temperaturen
tot ca. –35°C.
Zie pagina 282 voor de hoeveelheden.
BELANGRIJK
•
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
•
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De temperaturen kunnen plaatselijk hoog oplopen,
wat schade (scheurvorming) aan de
cilinderkop kan veroorzaken.
G027087
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
neemt toe, zowel wanneer de concentratie
koelvloeistof te laag is als wanneer deze te
hoog is.
206
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem plaatselijk dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor schade
(scheurvorming) aan de cilinderkop ontstaat.
Vul koelvloeistof bij, wanneer het peil tot onder
het MIN-streepje is gezakt.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor warm is,
dient u langzaam de dop van het expansiereservoir los te draaien om de overdruk te
laten ontsnappen.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit, zie de tabel onder Vloeistoffen en smeermiddelen op pagina 282.
Rem- en koppelingsvloeistof
controleren en bijvullen
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of
in landen met een tropisch klimaat en een hoge
relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt, dient u
de remvloeistof ieder jaar te verversen.
WAARSCHUWING
09
Stuurbekrachtigingsvloeistof
controleren en bijvullen
FULL
ADD
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
G000000
G026991
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
De rem- en koppelingsvloeistof zit in één reservoir1. De vloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje staan. Controleer het peil regelmatig. Ververs de remvloeistof om de twee jaar
of iedere tweede geplande servicebeurt.
Zie pagina 282 voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van de
remvloeistof.
1
N.B.
Controleer tijdens iedere servicebeurt ook
het vloeistofpeil.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof
moet tussen het ADD- en FULL-streepje
staan. Zie pagina 282 voor de hoeveelheden
en de aanbevolen vloeistofkwaliteit.
Positie verschilt op auto met het stuur links of rechts.
``
207
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
N.B.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u
de auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar. De auto zal echter veel zwaarder dan normaal sturen en er is meer kracht
nodig om het stuurwiel te verdraaien.
208
09 Onderhoud en service
Wisserbladen
Wisserbladen
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie pagina 190.
BELANGRIJK
Controleer regelmatig de wisserbladen. Bij
achterstallig onderhoud gaan de wisserbladen minder lang mee.
Wisserbladen voorruit vervangen
09
N.B.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
1. Klap de wisserarm naar buiten en houd het
wisserblad vast.
2. Duw de geribde borgveren van het wisserblad in, terwijl u het blad bij de verlenging
van de arm lostrekt.
3. Breng het nieuwe wisserblad in omgekeerde volgorde aan en controleer of het
goed vastzit.
``
209
09 Onderhoud en service
09
Wisserbladen
G026959
Wisserblad achterruit vervangen
1. Klap de wisserarm naar achteren toe uit.
2. Verwijder het wisserblad door het naar
boven/buiten (zie afbeelding) in de richting
van de achterklep te halen.
3. Duw het nieuwe wisserblad vast.
4. Controleer of het blad goed vastzit.
210
09 Onderhoud en service
Accu
Onderhoud van de accu
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
N.B.
Zamel oude accu’s op een milieubewuste
manier in, omdat ze lood bevatten.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst,
moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in uw
ogen krijgt.
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
De levensduur van de accu wordt bepaald
door uiteenlopende factoren, waaronder de
rijomstandigheden en het klimaat. De accu
verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als
er langere tijd achtereen niet of slechts korte
afstanden met de auto wordt gereden. Ook
bij strenge vorst neemt de startcapaciteit af.
Om de accu in optimale conditie te houden
wordt geadviseerd wekelijks minstens
15minuten met de auto te rijden of de accu
aan te sluiten op een acculader met automatische druppellading.
09
Zie voor meer informatie het
instructieboekje dat bij de
auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
De accu bevat een bijtend
zuur.
Voor de maximale levensduur dient de accu
altijd volledig opgeladen te blijven.
Symbolen op de accu
Vermijd vonken en open vuur.
Draag een veiligheidsbril.
Explosiegevaar.
``
211
09 Onderhoud en service
09
Accu
Accu vervangen
Accu aanbrengen
Accu verwijderen
WARNING
REMOVAL OF BATTERY
DISCONNECT
O CABLE FIRST
xxxx xxxxx xx xxxxx
xxxx xxxxx xx xxxxx
xxxx xxxxx xxxxx
xxxx xx
-
G027075
DRAIN PIPE
1. Plaats de accu.
1. Zet het contact uit en neem de transpondersleutel uit.
2. Sluit de pluskabel aan.
2. Schroef de console los evenals de dekplaat die over de accu heen zit.
4. Zorg dat de ontluchtingsslang op de juiste
manier is aangesloten tussen de accu en
de afvoeropening in de carrosserie.
3. Wacht ten minste 5 minuten, voordat u een
van de elektrische aansluitingen aanraakt
(zo kan de informatie in het elektrisch systeem van de auto worden opgeslagen in de
verschillende regeleenheden).
4. Ontkoppel eerst de minkabel.
5. Ontkoppel daarna de pluskabel en de ontluchtingsslang voor het knalgas.
212
G027076
+
3. Sluit de minkabel aan.
5. Breng de dekplaat en console weer aan.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Algemene informatie
Op pagina 287 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
Gloeilampen in koplamphuis
vervangen
3. Maak het lampelement los door de twee
borgpennen omhoog te trekken waarmee
het element vastzit.
4. Til het lampelement recht omhoog naar
buiten.
Gloeilampen en puntverlichting van een bijzonder type of lampen die alleen in een werkplaats
te vervangen zijn:
•
•
Interieurverlichting aan het plafond
•
Richtingaanwijzers, buitenspiegels en
Approach-verlichting
•
•
Derde remlicht
BELANGRIJK
Trek alleen aan de connector en niet aan de
kabel.
G027081
Leeslampjes en verlichting dashboardkastje
Xenon en actieve xenonkoplampen
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van Dual Xenonkoplampen, moet u de Dual Xenonlamp door
een werkplaats laten vervangen – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Omdat de Dual Xenonkoplampen voorzien
zijn van een ontstekingsgedeelte dat een
hoge spanning opwekt, dient u er extra
voorzichtig mee om te gaan.
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
09
Bij het vervangen van de gloeilampen van het
dimlicht, groot licht en de stadslichten moet u
eerst het lampelement in zijn geheel verwijderen. Verwijder de gloeilampen door het lampelement als volgt te verwijderen en volg daarna
de specifieke aanwijzingen voor de verschillende gloeilampen op.
5. Koppel de connector los door de kliksluiting eerst vanaf de onderkant in te drukken
en vervolgens vanaf de bovenkant iets
omhoog te trekken.
6. Til het koplampelement in zijn geheel naar
buiten en leg het op een zachte ondergrond neer om krassen op de lens te voorkomen.
Lamphuis losmaken:
1. Schakel alle lichten uit en draai de transpondersleutel naar stand 0.
2. Open de motorkap.
``
213
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Dimlicht, halogeen
G027082
Plaats het koplampelement in omgekeerde
volgorde terug. Controleer na afloop of u de
borgpennen correct hebt ingestoken.
G027088
G027083
Positie van gloeilampen in
koplamphuis
1. Draai de buitenste afdekking linksom los.
Dimlicht
Groot licht
2. Trek de connector los.
Stadslicht/parkeerlicht vóór
3. Maak de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts zodat de veerklem loskomt en
haal de klem vervolgens schuin naar buiten
toe omlaag.
Sidemarker
4. Trek de lamp naar buiten.
Richtingaanwijzer
5. Breng de nieuwe gloeilamp aan. U kunt
hem slechts op één manier aanbrengen.
6. Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te zitten.
7. Druk de connector in positie terug.
214
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
8. Draai de afdekking weer vast. Het opschrift
HAUT moet omhoogwijzen.
5. Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te zitten.
Groot licht
6. Duw de connector weer vast en plaats de
afdekking terug.
Halogeen- en xenonkoplampen
09
5. Sluit de connector op de gloeilamp aan. U
hoort een klikgeluid.
6. Plaats de gloeilamp terug en draai deze in
positie.
7. Plaats de afdekking terug.
Actieve xenonkoplampen
2. Maak de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts zodat de veerklem loskomt en
haal de klem vervolgens schuin naar buiten
toe omlaag.
3. Trek de lamp naar buiten.
4. Breng de nieuwe gloeilamp aan. U kunt
hem slechts op één manier aanbrengen.
G028409
1. Trek de buitenste afdekking recht naar
achteren toe los en trek de connector los.
G027090
G027085
Sidemarkers en stadslichten/
parkeerlichten vóór
1. Schakel alle lichten uit en draai de transpondersleutel naar stand 0.
2. Verwijder de afdekking.
3. Draai de lamp linksom en trek deze naar
buiten toe los.
4. Koppel de connector los door de vergrendeling naar buiten te duwen en aan de connector te trekken.
De lamphouders zijn voorzien van een bajonetfitting.
1. Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
2. Trek de gloeilamp recht naar buiten.
``
215
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
3. Breng de nieuwe gloeilamp aan door deze
voorzichtig in de uitsparingen te duwen.
Mistlampen voorzijde
Gloeilampen in achterlamphuis
4. Plaats de lamphouder terug en draai deze
rechtsom.
G027089
1. Schakel alle lichten uit en draai de transpondersleutel naar stand 0.
De lamphouder is voorzien van een bajonetfitting.
1. Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
2. Duw de gloeilamp naar binnen, draai de
lamp linksom en verwijder deze.
3. Breng de nieuwe gloeilamp aan door deze
in de uitsparingen te duwen en vervolgens
rechtsom te draaien.
216
2. Draai de lamphouder iets naar links.
3. Verwijder de gloeilamp.
4. Breng de nieuwe gloeilamp aan. Het profiel
van de lamphouder past in de voet van de
lamp.
5. Plaats de lamphouder terug door deze iets
naar rechts te draaien. Zorg dat het
opschrift TOP omhoogwijst!
G027094
G027078
Richtingaanwijzer
Achterlicht
Richtingaanwijzer
Achteruitrijlichten
Achterlicht
Remlicht
N.B.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de
kapotte gloeilamp is vervangen, dan wordt
u geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
G027077
Gloeilampen vervangen
1. Schakel alle lichten uit en draai de transpondersleutel naar stand 0.
6. Trek het lampelement in zijn geheel recht
naar achteren.
2. Klap het onderste gedeelte van de achterklep omlaag en open het vloerluik. (Als uw
auto is uitgerust met een houder voor
boodschappentassen*, moet u de steunband van deze houder losnemen.)
7. Maak de bijeengebonden extra kabellengte los om ruimte te maken.
3. Verwijder het hoekstuk.
4. Open het luik in het zijpaneel door de pal
omhoog en naar u toe te trekken.
5. Neem ringsleutel nr. 10 uit de gereedschapstas en draai de moeren los.
8. Leg het element op een zachte ondergrond
neer om krassen op het lampglas te voorkomen.
9. Trek de lamphouder linksom naar buiten.
10. Draai de gloeilamp linksom los. (Geldt voor
de richtingaanwijzers, achteruitrijlichten en
remlichten.)
12. Vervang de gloeilamp.
13. Plaats de lamphouder in de uitsparing
terug en draai de houder rechtsom.
14. Duw de extra kabellengte terug.
15. Plaats het lampelement over de schroefgaten heen. Duw het element in positie.
16. Draai de moeren vast.
17. Plaats het zijpaneel en het hoekstuk terug.
11. Trek de gloeilamp recht naar buiten. (Geldt
voor de achterlichten.)
``
217
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
1. Steek een platte schroevendraaier bij de
pijl op de afbeelding naar binnen.
1. Schakel alle lichten uit en draai de transpondersleutel naar stand 0.
De instapverlichting vindt u onder het dashboard aan de bestuurders- en passagierszijde.
2. Beweeg het lampelement naar buiten toe.
2. Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat de
lens loskomt.
3. Draai de lamphouder linksom om deze te
verwijderen.
4. Draai de gloeilamp linksom om deze te verwijderen.
5. Vervang de gloeilamp.
218
Instapverlichting
G027092
Kentekenplaatverlichting
G027093
Mistachterlicht
3. Verwijder het volledige lamphuis voorzichtig en trek het naar buiten.
G027079
09
2. Verwijder de kapotte gloeilamp.
4. Vervang de gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
5. Plaats het complete lamphuis terug en
draai het boutje vast.
4. Plaats de lens terug.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
G027084
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
2. Verwijder de kapotte gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan. Controleer of de gloeilamp werkt.
G027080
Verlichting make-upspiegel
Gloeilamp in achterklep
4. Plaats het lamphuis terug.
09
1. Steek een platte schroevendraaier naast
de middelste clip onder aan het spiegelelement. Beweeg het spiegelelement
omhoog, zodat de middelste clip loskomt.
2. Trek de schroevendraaier naar de linkeren de rechterkant zodat de buitenste clips
loskomen.
3. Til het spiegelelement naar buiten.
4. Vervang de gloeilampjes.
5. Plaats het spiegelelement met de bovenkant naar voren gekanteld terug. Let erop
dat de bovenste clips goed ingedrukt zijn,
voordat u het spiegelelement in positie
terugklapt.
219
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
G032337
Algemene informatie
De kabelloop kan per motortype ietwat verschillen. De onderdelen op de lijst zitten echter altijd op de aangegeven positie.
Om te voorkomen dat het elektrisch systeem
van uw auto beschadigd raakt door kortsluiting
of overbelasting, zijn alle verschillende elektrische functies en componenten door een aantal
zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op vijf verschillende plaatsen in de auto:
Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte.
Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde achter de
geluidsisolatie).
220
Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde in de zijkant van
het dashboard).
Zekeringenkastje in de kofferbak.
Zekeringenkastje in de kofferbak, Executive*
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is.
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
WAARSCHUWING
Vervang een zekering nooit door vreemde
voorwerpen of een zekering met een hoger
amperage dan gespecificeerd is. Anders
zijn aanzienlijke schade aan het elektrische
systeem en brand niet uitgesloten.
Aan de binnenkant van het deksel in het dashboard zitten enkele reservezekeringen. U vindt
er tevens een trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt,
betekent dit dat het bijbehorende onderdeel
een storing vertoont. Volvo adviseert u in dat
geval ter controle een bezoek te brengen aan
een erkende Volvo-werkplaats.
``
221
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
G026972
Relais- en zekeringenkastje in motorruimte
1.
222
ABS
30 A
2.
ABS
3.
Hogedruksproeiers
koplampen
35 A
4.
Standverwarming*
25 A
5.
Verstralers*
20 A
6.
Relais startmotor
35 A
7.
Ruitenwissers
25 A
8.
Brandstofpomp
15 A
9.
30 A
10.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11.
Regelmodule transmissie (TCM)
Bobines (benzine),
regelmodule motor
(ECM), verstuivers
(diesel)
Gaspedaalsensor
(APM), AC-compressor
12.
15 A
20 A
10 A
Regelmodule motor
(ECM) (benzine), verstuivers (benzine),
luchtmassameter
(benzine)
15 A
Luchtmassameter
(diesel)
5A
09 Onderhoud en service
Zekeringen
13.
Regelmodule gasklep
(V8), VIS (6-cil. benzine)
10 A
Regelmodule gasklep,
magneetklep, SWIRL
(luchtmengklep),
brandstofdrukregelaar
(diesel)
15 A
Lambdasonde (benzine)
20 A
Lambdasonde (diesel)
10 A
Verwarming carterventilatie (benzine),
AC-koppeling (benzine), magneetkleppen, lekdiagnose
(benzine), ECM (benzine), luchtmassameter (V8), voorgloeiregeling (diesel)
15 A
16.
Dimlicht links
20 A
17.
Dimlicht rechts
20 A
18.
-
19.
Regelmodule motor
(ECM) voeding,
motorrelais
14.
15.
20.
Achterlicht
15 A
21.
Vacuümpomp (benzine)
20 A
09
-
5A
``
223
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
G032316
Relais- en zekeringenkastje in de passagiersruimte (aan de bestuurderszijde in de zijkant van het dashboard)
Een sticker in het deksel van het relais- en zekeringkastje dat aan de zijkant van het dashboard zit, geeft de positie en het amperage van de verschillende zekeringen
aan.
1.
2.
3.
4.
5.
224
Ventilator klimaatregeling
30 A
6.
Audiosysteem (versterker)*
30 A
Elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel*
25 A
Elektrisch bedienbare
passagiersstoel*
25 A
Regelmodule linker
voorportier
25 A
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Regelmodule rechter
voorportier
10.
25 A
7.
-
8.
Radio, cd-speler,
RSE-systeem*
15 A
RTI-display, RTImodule, MMM
10 A
9.
-
OBDII, verlichtingsdraaiknop (LSM),
stuurhoeksensor
(SAS), stuurregelmodule (SWM)
5A
09 Onderhoud en service
Zekeringen
11.
Contactslot, SRSsysteem, regelmodule
motor ECM (benzine),
uitschakeling SRS
passagierszijde
(PACOS), elektronische startblokkering
(IMMO), regelmodule
transmissie (TCM)
7,5 A
Interieurverlichting
plafond (RCM),
bovenste elektronische regelmodule
(UEM)
10 A
13.
Schuifdak*
15 A
14.
Telefoon*
5A
12.
15–38
09
-
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
225
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
G028412
Relais- en zekeringenkastje in de passagiersruimte (aan de bestuurderszijde achter de geluidsisolatie)
1.
2.
226
Stoelverwarming, rechterzijde
15 A
Stoelverwarming, linkerzijde
15 A
3.
Claxon
15 A
4.
Reservepositie
5.
Infotainment
6.
-
-
7.
-
-
8.
Sirene alarmsysteem*
5A
9.
Voeding remlichtschakelaar
5A
10.
10 A
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11.
Instrumentenpaneel
(DIM), klimaatregeling
(CCM), standverwarming, elektrisch
bedienbare bestuurdersstoel
Elektrische aansluiting
voor- en achterin en
koelvak*
12.
-
-
13.
-
-
14.
-
-
15.
ABS, STC/DSTC
5A
16.
Elektronische stuurbekrachtiging (ECPS)*,
actieve xenon (HCM)*,
koplamphoogteregeling*
10 A
Mistlamp linksvoor
7,5 A
10 A
15 A
17.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
18.
Mistlamp rechtsvoor
7,5 A
34.
Sproeierpomp
19.
-
-
35.
-
-
20.
Koelvloeistofpomp (V8)
5A
36.
-
-
21.
Regelmodule transmissie (TCM)
10 A
22.
Groot licht links
10 A
23.
Groot licht rechts
10 A
24.
-
-
25.
-
-
26.
-
-
27.
-
-
28.
Elektrisch bedienbare
passagiersstoel*, Rear
Seat Entertainment
(RSE)*
09
15 A
5A
29.
Brandstofpomp
7,5 A
30.
BLIS*
31.
-
-
32.
-
-
33.
Vacuümpomp (benzine)
5A
20 A
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
227
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
G032342
Zekeringen in kofferbak
1.
2.
228
Achteruitrijlichten
10 A
Parkeerlichten/achterlichten, mistachterlicht,
kofferbakverlichting,
kentekenplaatverlichting, remlichten
20 A
3.
Accessoires (AEM)*
15 A
4.
Reservepositie
5.
Elektronica (REM)
10 A
6.
RSE-systeem*
7,5 A
7.
8.
-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
9.
10.
11.
Trekhaakaansluiting*
(30-voeding)
15 A
Elektrische aansluiting
kofferbak
15 A
Achterportier, rechts:
Ruitbediening, blokkering ruitbediening
20 A
Achterportier, links:
Ruitbediening, blokkering ruitbediening
-
12.
-
13.
Verwarming dieselfilter
15 A
14.
Subwoofer, airconditioning achterin (AC)*
15 A
15.
-
-
16.
-
-
17.
Accessoires Infotainment*
20 A
-
-
18.
-
5A
-
09 Onderhoud en service
Zekeringen
19.
20.
Ruitenwisser, achterklep
15 A
31.
Trekhaakaansluiting*
(15-voeding)
20 A
21.
-
-
22.
-
-
23.
AWD
24.
-
-
25.
-
-
26.
Park Assist*
27.
Hoofdzekering: Trekhaakaansluiting, Park
Assist, AWD
30 A
Centrale vergrendeling
(PCL)
15 A
Aanhangerverlichting,
links: Achterlicht, richtingaanwijzer*
25 A
Aanhangerverlichting,
rechts: Remlicht, mistachterlicht, richtingaanwijzer*
25 A
28.
29.
30.
7,5 A
5A
Hoofdzekering: Zekering 37, 38
40 A
32.
-
-
33.
-
-
34.
-
-
35.
-
-
36.
-
-
37.
Elektrische achterruitverwarming
20 A
Elektrische achterruitverwarming
20 A
38.
09
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
229
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
G031532
Zekeringen in de bagageruimte, Executive*
Het zekeringenkastje zit achter het dekpaneel
aan de linkerzijde.
1.
2.
3.
230
Relais verwarming achterbank, Relais massagefunctie voorstoel
5A
Verwarming linker zitplaats achterbank
15 A
Verwarming rechter zitplaats achterbank
15 A
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
4.
Ventilatiefunctie voorstoel, Massagefunctie
voorstoel
10 A
5.
-
-
6.
-
-
09 Onderhoud en service
09
231
232
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
234
235
239
244
251
254
255
263
267
G020924
Algemene informatie.............................................................................
Audio, bedieningspanelen.....................................................................
Functies audiosysteem.........................................................................
Radiofuncties........................................................................................
Cd-functies...........................................................................................
Menusysteem, audiosysteem...............................................................
Telefoonfuncties*..................................................................................
Menusysteem, telefoon.........................................................................
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen* . .
INFOTAINMENT
10
10 Infotainment
Algemene informatie
Infotainment
10
Het Infotainmentsysteem heeft geïntegreerde
audio- en telefoonfuncties.
Het Infotainmentsysteem kunt u handig en
eenvoudig bedienen vanaf het gemeenschappelijke bedieningspaneel of de toetsenset op
het stuur.
De XC90 is uit te rusten met Dolby Surround
Pro Logic II1. Dit systeem zorgt voor een zeer
realistische geluidsweergave met een breed en
natuurlijk geluidsprofiel.
Het Infotainmentsysteem biedt u en eventuele
passagiers de mogelijkheid een hoofdtelefoon* aan te sluiten zodat iedereen naar een
verschillende geluidsbron kan luisteren.
Dolby Surround Pro Logic II1
Dolby Surround Pro Logic II verdeelt de twee
kanalen van het stereogeluid over de luidsprekers links, midden, rechts en achterin. Dit levert
een realistischer geluidsweergave op dan bij
normale tweekanaals stereo.
1
234
Betreft Premium Sound.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Dolby Surround Pro Logic II en het
Dolby-logo zijn handelsmerken van
Dolby Laboratories Licensing
Corporation. Dolby Surround Pro
Logic II System is vervaardigd onder licentie
van Dolby Laboratories Licensing
Corporation.
10 Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Bediening audiofuncties
10
CD – Sneltoets
VOLUME – Volume (draaiknop)
POWER – Audiosysteem aan/uit
AM/FM – Sneltoets voor wisselen FM1,
FM2 en AM
Display
ENTER – Menuopties kiezen, een keuze
activeren of telefoon activeren die standby staat
PHONE – Telefoon aan/uit/stand-by
MY KEY – Programmeerbare sneltoets
voor favoriete functie
SELECTOR – Geluidsbron kiezen (draaiknop)
SOUND – Geluidsregeling
EXIT/CLEAR – Terugbladeren in menu’s,
een keuze annuleren, de telefoon stand-by
zetten of het voorgaande teken wissen bij
invoer van cijfers en/of tekens
Track, zender opzoeken/wisselen of vooruit- en achteruitbladeren bij invoer van
tekst en cijfers
Sneltoetsen radiozenders/keuzetoets sleuf
cd-wisselaar* (1-6), alfanumerieke toetsen
voor telefoon en sneltoetsen in menu’s
IR* – ontvanger voor afstandsbedieningen
Simkaarthouder
MENU – Keuzetoetsen menuopties
Uitwerpen, cd-speler en cd-wisselaar*
Cd-speler en cd-wisselaar*
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
235
10 Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Toetsenset op stuurwiel
10
Menufuncties
Sneltoetsen
De menuopties zijn genummerd en kunnen
rechtstreeks worden gekozen via de toetsenset (1-6).
Audio, telefoon*
Persoonlijke sneltoets, MY KEY
Onder MY KEY kunt u uw favoriete menufunctie opslaan, zoals TP.
G027112
±
Wanneer de tekst MY KEY STORED op het
display verschijnt, is de functie opgeslagen.
±
Met de vier toetsen van de toetsenset op het
stuurwiel kunt u zowel het audiosysteem als de
telefoon regelen. De functie van de toetsen
hangt af van het systeem dat u geactiveerd
hebt. Met de toetsenset op het stuur kunt u het
volume regelen en een andere radiozender of
een andere track op een cd selecteren. Met de
bovenste twee toetsen van de toetsenset
(Yes en No) kunt u een telefoongesprek aannemen of beëindigen.
Kies de functie die u wilt opslaan door MY
KEY meer dan twee seconden lang ingedrukt te houden.
Activeer de menufunctie vervolgens door
kort op MY KEY te drukken.
Sommige Infotainmentfuncties zijn toegankelijk via een menusysteem. Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan op het display. De
menuopties staan in het midden van het display.
Functies die op te slaan zijn onder MY
KEY
•
DISCTEXT
Met MENU opent u het menusysteem. Met
de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de navigatieknop
loopt u de menuopties door.
•
Met ENTER kiest u of activeert/deactiveert
u een menuoptie.
•
Met EXIT gaat u een stap terug binnen het
menusysteem. Bij lang indrukken van
EXIT verlaat u het menusysteem.
Random
TP
News
Radio text
SEARCH PTY
AF
REG
236
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Surround
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken
Bedieningspaneel met
hoofdtelefoonaansluiting
Druk
/
kort in om een track op een
cd of een van de voorkeurzenders te selecteren. Druk dezelfde knop lang in om tracks op
de cd versneld vooruit/achteruit te spoelen of
automatisch radiozenders te zoeken.
Afstandsbediening*
10
Beperkingen
Welke geluidsbron (FM, AM, CD e.d.) er via de
luidsprekers wordt weergegeven valt niet te
sturen vanaf het achterste bedieningspaneel.
G026982
Voor de beste geluidsweergave adviseren wij u
een hoofdtelefoon te gebruiken met een impedantie van 16–32 ohm en een gevoeligheid van
102 dB of meer.
Activeren/deactiveren
U activeert het bedieningspaneel met een druk
op SEL wanneer het audiosysteem ingeschakeld is. Het bedieningspaneel wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u het audiosysteem uitschakelt of SEL lang indrukt.
G027003
Eventuele RDS-teksten kunnen achterwege
blijven, als de radio via de hoofdtelefoons
wordt beluisterd terwijl er een andere geluidsbron via de luidsprekers wordt weergegeven.
MEMORY – Slaat de gevonden radiozenders. op Sla een zender als volgt op:
–
Druk op de toets MEMORY
–
Selecteer Preset met PRESET/DISC
–
Bevestig uw keuze met de toets MEMORY
VOL – Volume
Track vooruit-/achteruitspoelen/wisselen
SOURCE – Geluidsbronnen doornemen
PRESET/DISC – Cd in cd-wisselaar of
voorkeurzender selecteren
AUTO – De best doorkomende zenders
opslaan
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
237
10 Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Geen functie
Geen functie
10
POWER – Audiosysteem aan/uit
AM FM
CD
LUM
VO E
SE
SO
POWER
ENTER
2
ABC
1
4
GHI
7
PQRS
*
3
DEF
5
6
JKL
MNO
8
9
TUV WXYZ
0
#
68
72
68
76
80
64
72
76
80
G026984
64
±
Richt de afstandsbediening op de IR-ontvanger (zie afbeelding) die zich onder de
aan/uit-knop bevindt.
N.B.
De afstandsbediening bevat batterijen van
het type AAA (R03). Als de afstandsbediening niet werkt, moet u eerst controleren of
de batterijen aan vervanging toe zijn.
238
10 Infotainment
Functies audiosysteem
Volumeregeling
Aan/uit-knop – audiosysteem
rechtsom of linksom om het
Draai de knop
volume te verhogen of te verlagen. De volumeregeling verloopt elektronisch en kent geen
eindstanden. U kunt het volume ook verhogen
of verlagen met de toetsen (+) of (–) van de
toetsenset op het stuurwiel mits de telefoon
niet actief is.
G027115
Geluidsbron kiezen
Druk op de knop POWER
om het audiosysteem in of uit te schakelen.
Als u de motor afzet terwijl het audiosysteem
actief is, zal het audiosysteem de volgende
keer dat u de motor start opnieuw actief zijn.
Bij herhaalde malen indrukken van de toets
AM/FM
loopt u de radiostanden FM1, FM2
en AM door. Met een druk op CD
activeert
u de cd-speler/cd-wisselaar.
Draai aan SELECTOR
om uit de externe
geluidsbronnen AUX en USB* en de interne
geluidsbronnen FM1, FM2, AM, CD en CDC*
(cd-wisselaar) te kiezen.
Externe geluidsbronnen
AUX
Op de AUX-ingang kan bijvoorbeeld een
iPodŸ of een mp3-speler worden aangesloten.
N.B.
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler
in dat geval niet op tijdens het beluisteren.
10
Soms wijkt het volume waarop de externe
geluidsbron (AUX) wordt weergegeven af van
dat van de interne geluidsbronnen. Als de
geluidssterkte van de externe geluidsbron te
hoog of te laag is, kan de geluidskwaliteit verslechteren. U kunt dat tegengaan door het
ingangsvolume van de externe geluidsbron
aan te passen:
1. Selecteer AUX VOLUME in het menu en
druk op ENTER.
2. Regel het volume met SELECTOR of met
de pijl-omhoog/pijl-omlaag
. Druk
daarna op ENTER.
N.B.
Werkt niet met de toetsenset op het stuurwiel.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
239
10 Infotainment
Functies audiosysteem
2. Sluit uw iPodŸ, mp3-speler of USBgeheugen aan op de USB-aansluiting*, zie
voorgaande afbeelding.
> De tekst Loading verschijnt op het display, wanneer het systeem de
bestandshiërarchie op het opslagmedium inleest. Dit duurt enige tijd.
USB
10
Na het inlezen verschijnen de trackgegevens
op het display.
G027029
U kunt vervolgens vooruit-/achteruitspoelen en
/
van track wisselen met de toetsen
:
Ingang voor externe geluidsbron (AUX), 3,5 mm.
USB-aansluiting*.
BELANGRIJK
Laat dat de afdekking van de bekerhouders
openstaan, terwijl de stekker in de AUXingang steekt.
Als u ervoor kiest om een iPodŸ, mp3-speler
of USB-geheugen aan te sluiten op de USBaansluiting*, kunt u het geluidsmedium bedienen via de geluidsregeling van de auto.
N.B.
Sluit mediaspeler/USB-geheugen met de
kabel aan op de poort, voer de gegevens in
en sluit het dashboardkastje.
1. Kies USB met de toets SELECTOR.
> De tekst Connect device verschijnt op
het display.
240
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
•
Bij kort indrukken loopt u de tracks door.
Bij lang indrukken spoelt u vooruit/achteruit.
U kunt daarvoor ook gebruik maken van de
toetsenset op het stuurwiel.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning van
muziekbestanden in de muziekformaten
mp3, wma en wav. Er zijn echter varianten
van deze muziekformaten die niet door het
systeem worden ondersteund. Het systeem
biedt verder ondersteuning voor de meeste
iPodŸ-modellen die in 2005 of later
gemaakt zijn. iPodŸ Shuffle wordt echter
niet ondersteund.
10 Infotainment
Functies audiosysteem
USB-geheugen
Om het gebruik van een USB-geheugen te vereenvoudigen is het beter alleen muziekbestanden in het geheugen op te slaan. Het inlezen
duurt aanzienlijk langer, wanneer er behalve
compatibele muziekbestanden nog andere
bestanden op het opslagmedium staan.
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals Bass, Treble en
Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld om u de
mogelijkheid te bieden de geluidsweergave
naar wens af te stellen.
3. Regel het niveau bij met de knop
SELECTOR
. Op het display verschijnt
een schaal van MIN tot MAX. De functie is
normaal gesproken op de middelste stand
afgesteld.
N.B.
Geluidsregeling
U kunt het niveau van de middenluidspreker
alleen bijregelen, als u voor Dolby Pro Logic
II (DPL II) of driekanaals stereoweergave
(3-CH) hebt gekozen in het menu. Het
niveau van de subwoofer is alleen bij te
regelen als u voor Subwoofer hebt gekozen in het menu.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor
draagbare opslagmedia die compatibel zijn
met USB 2.0 en bestandssysteem FAT32.
De speler of het USB-geheugen kan maximaal 500 mappen en 64.000 bestanden
hanteren. De opslagcapaciteit dient minimaal 256 MB te zijn.
Programmatype
Displaytekst
Optimale geluidsweergave
Lage tonen
BASS
Het audiosysteem is gekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking.
Hoge tonen
TREBLE
Balans tussen luidsprekers links en rechts
BALANCE
Balans tussen luidsprekers voor en achter
FADER
Niveau voor de lagetonenluidspreker
SUBWOOFER*
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
10
1. Druk op de toets SOUND
.
2. Druk net zolang op de toets SOUND totdat
de aanduiding van de functie verschijnt die
u wilt bijregelen. U hebt de keuze uit
BASS, TREBLE, FADER, BALANCE,
SUBWOOFER*, CENTRE* of
SURROUND*.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
241
10 Infotainment
Functies audiosysteem
10
Programmatype
Displaytekst
Niveau voor de middenluidspreker
CENTRE*
Niveau voor “Ambient
Surround Sound”
SURROUND*
Surround*
De Surround-instellingen zijn bepalend voor
het ruimtelijke effect van de geluidsweergave.
De instellingen voor de verschillende geluidsbronnen alsmede de activering en deactivering
ervan worden elk apart vastgelegd.
Het symbool
op het display geeft aan dat
Dolby Pro Logic II actief is. De Surround-functie kent drie verschillende standen:
• PRO LOGIC II
• 3-CHANNEL
• OFF Tweekanaals stereo
Surround-functie activeren/deactiveren
1. Druk op MENU, ga naar Audio settings en
druk op ENTER.
2. Kies voor SURROUND en druk op
ENTER.
1
242
Bepaalde systeemuitvoeringen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3. Kies voor Pro Logic II, 3 channel of Off
en druk op ENTER.
Dolby Surround Pro Logic II is het handelsmerk van Dolby Laboratories Licensing
Corporation. Dolby Pro Logic II Surround
System is vervaardigd onder licentie van Dolby
Laboratories Licensing Corporation.
Basluidspreker – SUBWOOFER*
De basluidspreker ondersteunt het audiosysteem en zorgt voor een voller geluidsbeeld en
een diepere basweergave.
1. Selecteer AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor SUBWOOFER en druk op
ENTER. Een kruisje in het selectievakje
geeft aan dat u voor SUBWOOFER hebt
gekozen.
Equalizer FR1
De functie Equalizer FR gebruikt u om de
geluidsweergave van de voorste luidsprekers
fijn af te regelen.
1. Selecteer AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor Equalizer FR en druk op
ENTER.
3. Stel het gewenste niveau in met de keuzetoetsen voor de menu-opties (pijlomhoog/pijl-omlaag) of met de knop
SELECTOR.
4. Druk op ENTER om de volgende frequentie te kiezen. U hebt de keuze uit vijf frequenties.
5. Druk op ENTER totdat u in het menusysteem bent aangekomen om de wijzigingen
die u aanbracht op te slaan.
10 Infotainment
Functies audiosysteem
Equalizer RR1
De functie Equalizer RR gebruikt u om de
geluidsweergave van de achterste luidsprekers fijn af te regelen.
10
1. Selecteer AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor Equalizer RR en druk op
ENTER.
3. Stel het gewenste niveau in met de keuzetoetsen voor de menu-opties (pijlomhoog/pijl-omlaag) of met de knop
SELECTOR.
4. Druk op ENTER om de volgende frequentie te kiezen. U hebt de keuze uit vijf frequenties.
5. Druk op ENTER totdat u in het menusysteem bent aangekomen om de wijzigingen
die u aanbracht op te slaan.
1
Bepaalde systeemuitvoeringen.
243
10 Infotainment
Radiofuncties
Bekende frequentie handmatig
instellen
Zenders zoeken
10
AM FM
LUM
VO E
MY KEY
PHONE
LE CTOR
SE
SOUND
POWER
EXI T
ENTER
2
ABC
1
4
GHI
7
PQRS
AUTO
CLEAR
MENU
5
6
JK L
MNO
8
9
TUV WXYZ
0
2. Laat de toets los, wanneer de gewenste
frequentie op het display verschijnt.
SCAN
#
G027114
*
3
DEF
1. Kies een golflengte AM/FM1/FM2 met de
knop SELECTOR (3) of de toets AM/FM
(1).
2. Druk de toets
of
korte tijd in
om de eerstvolgende goed doorkomende
zender op te zoeken.
3. Druk nogmaals op een van de toetsen om
een andere zender te zoeken.
3. Als u de frequentie nog iets wilt bijregelen,
kunt u de pijltoetsen
of
korte
tijd indrukken.
Wanneer u de laatste toets loslaat, hebt u nog
5 seconden de tijd om handmatig instellingen
te verrichten.
Zenders opslaan
U kunt als volgt een favoriete radiozender
opslaan onder een van de sneltoetsen 0–9 (2)
voor radiozenders:
1. Stel de gewenste radiozender in.
2. Druk op de voorkeurtoets waaronder u de
zender wilt opslaan en houd deze toets
ingedrukt. Het geluid valt enige seconden
weg. De tekst STATION STORED verschijnt op het display. De zender is daarmee opgeslagen.
244
AUTOSTORE, automatisch zenders
opslaan
G027119
CD
1. Druk op de toets
of
en houd
deze ingedrukt. Op het display verschijnt
de tekst MAN. De radio loopt de frequenties aanvankelijk langzaam in de gekozen
richting door om na enige seconden te versnellen.
U kunt tot 10 radiozenders per radiostand
(AM, FM1 en FM2), dus in totaal 30 zenders
opslaan.
Met AUTO (1) kunt u tot 10 goed te ontvangen
radiozenders opzoeken en ze automatisch
vastleggen in een aparte geheugenbank. Deze
functie is met name handig in gebieden, waar
u de radiozenders en hun frequenties niet kent.
Automatische opslag starten
1. Kies de frequentieband met AM/FM.
10 Infotainment
Radiofuncties
2. Houd AUTO (1) ingedrukt, totdat
AUTOSTORING... op het display verschijnt.
Wanneer AUTOSTORING... van het display
verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De radio
gaat over op de automatische stand en de melding AUTO verschijnt op het display. De automatisch vastgelegde voorkeurzenders zijn vervolgens rechtstreeks te kiezen met de voorkeurtoetsen 0–9. Als er geen radiozender kont
worden gevonden met een signaal dat krachtig
genoeg is, verschijnt de tekst NO AST
FOUND.
Automatische vastlegfunctie beëindigen
±
Druk op EXIT.
Scannen
RDS-functies
De functie SCAN (2) doorzoekt een frequentieband automatisch op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. 8 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
RDS (Radio Data System) verbindt FM-zenders
in een netwerk met elkaar. Een FM-zender in
een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDS-radio onder meer de volgende mogelijkheden biedt:
Scan-functie activeren/deactiveren
•
Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
2. Druk op SCAN (2) om de functie te activeren. De tekst SCAN verschijnt op het display.
•
Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
3. Druk tot slot op SCAN of EXIT.
•
Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
1. Kies de frequentieband met AM/FM.
Gevonden zender als voorkeurzender
vastleggen
Automatisch vastgelegde
voorkeurzender kiezen
Tijdens de functie SCAN kunt u een gevonden
zender als voorkeurzender vastleggen.
Wanneer u de radio in de stand Auto zet, kunt
u gebruik maken van de automatisch vastgelegde voorkeurzenders.
±
1. Druk kort op AUTO (1). De tekst AUTO
verschijnt op het display.
De functie SCAN wordt beëindigd, waarna u de
vastgelegde zender als voorkeurzender kunt
gebruiken.
2. Druk op een van de voorkeurtoetsen 0–9.
Druk op een van de voorkeurtoetsen 0–9
en houd deze ingedrukt, totdat de melding
Station stored op het display verschijnt.
10
N.B.
Sommige radiozenders maken geen
gebruik van RDS of slechts in beperkte
mate.
3. De radio blijft in de automatische stand
staan, totdat u de toetsen AUTO (1), EXIT
of AM/FM korte tijd indrukt.
``
245
10 Infotainment
Radiofuncties
Volumeregeling, NEWS/TP/ALARM
10
N.B.
Als u bijvoorbeeld een cd beluistert op het
moment dat de radio een verkeersbulletin
ontvangt, wordt de cd-speler in de pauzestand gezet. De melding wordt weergegeven op het volume dat u van tevoren met de
volumeknop hebt ingesteld voor het beluisteren van het bericht. Het systeem hervat na
afloop onmiddellijk het oude volume en
speelt (in het gegeven geval) de cd verder
af. Als u het volume tijdens de weergave van
het bericht bijregelt, wordt het nieuwe
volume opgeslagen en bij een volgend
bericht opnieuw gehanteerd.
Bij activering van deze functie krijgt u nieuwsbulletins binnen van RDS-zenders. Als u een
andere geluidsbron dan de radio beluistert,
wordt deze weergave onderbroken en ontvangt u de bulletins op het volume dat u voor
het beluisteren hebt ingesteld. Na afloop van
het bulletin hervat het audiosysteem de weergave van de voorgaande geluidsbron op het
oude volume.
Doe het volgende om een nieuwsbulletin voortijdig af te breken;
±
Druk op de toets EXIT. De functie NEWS
blijft echter actief, zodat de radio op het
volgende nieuwsbulletin wacht.
Verkeersinformatie, TP
Nieuws, NEWS
Met de functie NEWS kunt u ervoor zorgen dat
de weergave van andere geluidsbronnen zoals
een cd wordt onderbroken voor een nieuwsbulletin.
1. Kies een golflengte met de knop
SELECTOR of de toets AM/FM.
2. Selecteer NEWS in het menu en druk op
ENTER.
3. De tekst NEWS verschijnt op het display.
4. Kies nogmaals voor NEWS en druk op
ENTER om de functie NEWS uit te schakelen.
246
Bij activering van deze functie krijgt u verkeersinformatie binnen van RDS-zenders. Als u een
andere geluidsbron dan de radio beluistert,
wordt deze weergave onderbroken en ontvangt u de verkeersinformatie op het volume
dat u tevoren hebt ingesteld. Na afloop van de
verkeersinformatie hervat het audiosysteem de
weergave van de voorgaande geluidsbron op
het oude volume.
1. Selecteer TP in het menu en druk op
ENTER.
2. De tekst TP verschijnt op het display.
3. Kies nogmaals voor TP en druk op
ENTER om de functie TP uit te schakelen.
Wanneer de functie actief is, verschijnt de tekst
TP op het display. Als de zender waarop u hebt
afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven,
staat er
op het display. De weergave van
een geluidsbron kan dan ook alleen worden
onderbroken, wanneer de tekst
op het
display staat.
Doe het volgende om een verkeersbulletin
voortijdig af te breken;
±
Druk op de toets EXIT. De functie TP blijft
echter actief, zodat de radio op het volgende verkeersbulletin wacht.
TP Search
Met de functie TP SEARCH kunt u naar verkeersinformatie blijven luisteren tijdens internationale ritten (in Europa) zonder dat u daarvoor zelf van zender hoeft te wisselen.
1. Selecteer RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor TP en druk op ENTER.
3. Kies voor TP Search en druk op ENTER.
Om de functie te deactiveren moet u nogmaals
voor TP Search kiezen en op ENTER drukken.
10 Infotainment
Radiofuncties
Radio text
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Dergelijke informatie kan
dan in tekstvorm op het display verschijnen.
1. Druk op de toets MENU.
2. Selecteer RADIO TEXT in het menu en
druk op ENTER.
3. Kies nogmaals voor RADIO TEXT en druk
op ENTER om de functie uit te schakelen.
Alarm
Alarmmeldingen worden altijd automatisch
doorgegeven, zodat u de functie niet kunt
deactiveren. Er verschijnt Alarm! op het display van de radio, wanneer er een alarmmelding wordt verzonden. Deze functie wordt
gebruikt om u attent te maken op ernstige
ongelukken of calamiteiten, zoals ingestorte
bruggen of ongelukken in kerncentrales.
Programmatype, PTY
Met de functie PTY is het mogelijk verschillende programmatypes te kiezen zoals popmuziek en klassieke muziek. De melding PTY
geeft aan dat de functie actief is.
Programmatype weergeven
1. Selecteer RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Selecteer PTY in het menu en druk op
ENTER.
3. Kies voor SHOW PTY en druk op
ENTER.
Het PTY van de door u beluisterde zender verschijnt vervolgens op het display.
N.B.
Niet alle radiozenders zijn voorzien van een
PTY-code.
Programmatype
Displaytekst
Folk
FOLK MUSIC
Ontspanning
LEISURE & HOBBY
Kinderprogramma’s
CHILDREN
Gouwe ouwe
OLDIES MUSIC
Informatie
INFORMATION
Jazz
JAZZ MUSIC
Klassiek
SERIOUS CLASSIC
Kunst en cultuur
CULTURES
Licht klassiek
LIGHT CLASSIC
10
Programmatype
Displaytekst
Actualiteiten
CURRENT AFFAIRS
Easy listening
EASY LISTENING
Religie
RELIGION
Volksmuziek
NATIONAL MUSIC
Gevarieerde
praatprogramma’s
VARIED SPEECH
Pop
POP MUSIC
Reizen
TRAVEL
Country
COUNTRY MUSIC
Rock
ROCK MUSIC
Documentaires
DOCUMENTARY
SOCIAL AFFAIRS
Financieel
nieuws
FINANCE
Maatschappelijke programma’s
``
247
10 Infotainment
Radiofuncties
10
Programmatype
Displaytekst
Sport
SPORT
Hoorspel
DRAMA
Inbelprogramma’s
PHONE IN
Educatie
EDUCATION
Wetenschap
SCIENCE
Weer
WEATHER
Overige muziek
OTHER MUSIC
Zender zoeken met een bepaald
programmatype
U kunt de radio een zender met een bepaald
soort programma’s laten opzoeken op de aangegeven golflengte.
1. Kies FM 1 of FM 2 en druk op de toets
MENU.
2. Kies voor RADIO SETTINGS en druk op
ENTER.
3. Kies voor PTY en druk op ENTER.
4. Kies voor SELECT PTY en druk op
ENTER.
248
5. Druk op ENTER om één of meer van de
opgesomde programmatypes te selecteren. Het symbool PTY verschijnt op het
display, wanneer u uw eerste keuze maakt.
De functie PTY van de radio staat vervolgens stand-by.
6. Wanneer u alle programmatypes van uw
keuze geselecteerd hebt, moet u op EXIT/
CLEAR drukken om de PTY-lijst te verlaten.
7. Kies voor SEARCH PTY en druk op
ENTER. Als de radio een zender met het
gekozen programmatype heeft gevonden,
wordt deze zender via de luidsprekers
weergegeven.
8. Als de radio een zender heeft gevonden die
niet in de smaak valt, kunt u de radio verder
laten zoeken met de toetsen
/
.
9. Als er geen zender met het gekozen programmatype kan worden gevonden, gaat
de radio terug naar de voorgaande frequentie. De functie PTY staat dan standby, totdat er een programma van het gekozen type wordt uitgezonden. Wanneer dat
het geval is, gaat de radio automatisch
over op de zender die het geselecteerde
programmatype uitzendt.
Om de functie PTY standby te deactiveren,
moet u het menu openen en voor CLEAR ALL
PTY kiezen. Het symbool PTY verdwijnt dan
van het display en de radio keert terug naar de
normale weergavestand.
Verkeersinformatie, TP STATION
In het menu TP STATION kunt u aangeven van
welke radiozender u verkeersinformatie wenst
te ontvangen.
Let erop dat de functie alleen werkt wanneer
op het display staat.
het symbool
TP STATION activeren/deactiveren
Stem af op de radiozender met de verkeersinformatie die u wilt ontvangen.
1. Selecteer RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor TP en druk op ENTER.
3. Kies voor TP STATION en druk op
ENTER.
4. Selecteer SET CURRENT om de functie te
activeren of RESET CURRENT om de
functie te deactiveren en druk daarna op
ENTER.
N.B.
U zult vervolgens alleen verkeersinformatie
van de opgeslagen zender doorkrijgen.
10 Infotainment
Radiofuncties
Nieuws, NEWS STATION
Automatische afstemfunctie, AF
EON (Enhanced Other Networks)
Onder NEWS STATION kunt u aangeven van
welke radiozender u nieuws wenst te ontvangen.
Bij activering van functie AF wordt er automatisch afgestemd op het sterkste signaal voor
een bepaalde radiozender. Soms moet de
radio de gehele FM-band doorzoeken om een
sterk zendersignaal te vinden. In dat geval valt
de radio stil en verschijnt de tekst PI SEEK
PRESS EXIT TO CANCEL op het display.
De functie EON is met name handig in stedelijke gebieden met een groot aantal regionale
radiozenders. Bij activering van de functie is de
afstand tot de zendmast van een radiozender
bepalend voor de vraag of de weergave van de
actieve geluidsbron kan worden onderbroken
voor uitzendingen van een bepaald programmatype.
Let erop dat functie alleen werkt als de ingestelde zender een RDS-zender is.
NEWS STATION activeren/deactiveren
Stem af op de radiozender met het nieuws dat
u wilt ontvangen.
1. Selecteer RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor NEWS STATION en druk op
ENTER.
3. Kies voor TP STATION en druk op
ENTER.
4. Selecteer SET CURRENT om de functie te
activeren of RESET CURRENT om de
functie te deactiveren en druk daarna op
ENTER.
N.B.
U zult vervolgens alleen nieuws van de
opgeslagen zender doorkrijgen.
AF activeren/deactiveren
1. Selecteer RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor AF en druk op ENTER.
Om de functie AF te deactiveren, moet u nogmaals AF kiezen en op ENTER drukken.
Regionale radioprogramma’s, REG
• LOCAL – Alleen onderbreking wanneer de
zendmast van de radiozender dichtbij is.
• DISTANT1 – Ook onderbreking als de
zendmast van de zender ver weg staat en
zijn signaal storingen vertoont.
• OFF – Geen onderbreking voor een uitzending van een bepaald programmatype via
andere zenders.
Deze functie maakt het mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is.
EON activeren/deactiveren
1. Selecteer RADIO SETTINGS in het menu
1. Selecteer RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor EON en druk op ENTER.
2. Kies voor REGIONAL en druk op ENTER.
10
en druk op ENTER.
3. Kies voor LOCAL, DISTANT of OFF en
druk op ENTER.
3. De tekst REG verschijnt op het display.
4. Om REG te deactiveren moet u nogmaals
voor REG kiezen en op ENTER drukken.
1
Standaard-/Fabrieksinstelling.
``
249
10 Infotainment
Radiofuncties
RDS-instellingen resetten
10
Met de functie Reset alles kunt u alle fabriekinstellingen voor RDS herstellen.
1. Selecteer RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor RESET ALL en druk op
ENTER.
3. Druk nogmaals op ENTER om de functie
te activeren.
250
10 Infotainment
Cd-functies
Cd aanbrengen (cd-wisselaar)
Pauzeren
±
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler gepauzeerd. Bij het verhogen van het volume wordt
er verder gespeeld.
Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen 1–
6 of met de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de
navigatieknop.
Op het display staat aangegeven welke sleuf
leeg is. De melding INSERT DISC geeft aan
dat u een volgende cd kunt aanbrengen. De
cd-wisselaar biedt plaats aan 6 cd’s.
G027116
±
Weergave starten (cd-speler)
Een eventuele muziek-cd in de speler wordt
automatisch afgespeeld, wanneer u het audiosysteem in de stand CD zet. Steek anders een
cd in de invoeropening en schakel met
SELECTOR (4) of CD (1) over op de stand CD.
Weergave starten (cd-wisselaar)
Als er een cd-sleuf met een muziek-cd is gekozen, gaat de weergave automatisch van start
wanneer u het audiosysteem inschakelt. Schakel als dat niet het geval is over op de cd-wisselaarstand met SELECTOR (4) of CD (1) en
kies een cd met de cijfertoetsen 1 - 6.
Steek een cd in de invoeropening (2) van
de cd-wisselaar.
Cd uitwerpen
U hebt max. 12 seconden de tijd om een uitgeworpen schijf uit te nemen. Als de schijf na
afloop van deze periode nog in de cd-speler zit,
wordt de schijf weer ingenomen en verder
afgespeeld.
Enkele cd’s (cd-speler/cd-wisselaar)
Met een korte druk op de uitwerpknop (3) kunt
u één enkele cd uitwerpen.
Alle cd’s (cd-wisselaar)
Met een lange druk op de uitwerptoets kunt u
alle cd’s uitwerpen. Alle cd’s in het magazijn
worden dan één voor één uitgeworpen. Op het
display verschijnt de tekst EJECTING ALL.
De functie is alleen te activeren wanneer de
auto stilstaat. Het uitwerpen wordt onderbroken, als de auto begint te rijden.
10
Muziekbestanden
De cd-speler ondersteunt behalve standaard
muziek-cd’s ook muziekbestanden in mp3- en
wma-formaat.
N.B.
Sommige muziekbestanden met kopieerbeveiliging kan de speler niet lezen.
Wanneer u een cd met muziekbestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele mapstructuur op de schijf automatisch geladen.
Afhankelijk van de kwaliteit van de schijf kan
het enige tijd duren voordat de schijf wordt
afgespeeld.
Navigeren en afspelen
Als er een disc met muziekbestanden in de cdspeler zit, kunt u met ENTER de mapstructuur
openen. U navigeert op dezelfde manier in de
mapstructuur als in de menustructuur van het
audiosysteem. Muziekbestanden worden aangeduid met het symbool
en mappen
. Druk op
/
, als het dismet
play niet breed genoeg is om de naam van het
``
251
10 Infotainment
Cd-functies
10
muziekbestand in zijn geheel weer te geven.
Met een druk op ENTER. gaat het afspelen van
het gemarkeerde muziekbestand van start.
Wanneer een bepaald muziekbestand helemaal afgespeeld is, worden de overige bestanden in dezelfde map weergegeven. Nadat alle
bestanden in een bepaalde map zijn afgespeeld, wordt er automatisch van map gewisseld.
Versneld vooruit-/achteruitspoelen/Van
track en muziekbestand wisselen
Door kort op
/
te drukken kunt u de
tracks/muziekbestanden op een cd doornemen. Door lang op dezelfde toetsen te drukken
kunt u tracks/muziekbestanden op een cd versneld vooruit-/achteruitspoelen. U kunt daarvoor ook gebruik maken van toetsenset op het
stuurwiel.
Cd doorzoeken
Bij activering van deze functie worden van alle
tracks/muziekbestanden op een cd de eerste
10 seconden weergegeven. Druk op SCAN om
de functie te activeren. Beëindig de functie met
EXIT of SCAN om de weergave van het actuele
nummer/muziekbestand voort te zetten. De
functie SCAN werkt alleen voor de geselecteerde cd. De tekst SCAN verschijnt op het
display, wanneer de functie actief is.
252
N.B.
Als de functie Disc Text actief is, verschijnt
de melding SCAN niet op het display.
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen
tracks/muziekbestanden op de cd op de
gebruikelijke manier doorbladeren.
N.B.
Bij gebruik van de pijl-links of pijl-rechts
wordt alleen een nieuwe willekeurige track
op de afgespeelde cd geselecteerd.
Activeren/deactiveren (cd-speler)
Tijdens het afspelen van een normale muziekcd:
±
Selecteer RANDOM in het menu en druk
op ENTER.
Tijdens het afspelen van een cd met muziekbestanden:
±
Kies voor DISC of FOLDER in het menu en
druk op ENTER.
Activeren/deactiveren (cd-wisselaar)
Tijdens het afspelen van een normale muziekcd:
1. Selecteer Random in het menu en druk op
ENTER.
2. Ga naar SINGLE DISC of ALL DISCS en
druk op ENTER.
Het alternatief ALL DISCS geldt alleen voor de
muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
Tijdens het afspelen van een cd met muziekbestanden:
1. Kies voor SINGLE DISC of FOLDER in het
menu en druk op ENTER.
2. Ga naar de gewenste cd of map en druk op
ENTER.
Wanneer u een andere cd kiest, wordt de functie gedeactiveerd.
Afhankelijk van het type willekeurige afspeelvolgorde dat geselecteerd is, verschijnt er een
bepaalde displaymelding:
• RANDOM houdt in dat de tracks op
slechts een van de muziek-cd’s worden
afgespeeld.
• RND ALL houdt in dat alle tracks op alle
muziek-cd’s in de cd-speler worden afgespeeld.
• RANDOM FOLDER houdt in dat de
muziekbestanden in een willekeurige map
op de gekozen cd worden afgespeeld.
10 Infotainment
Cd-functies
N.B.
Als de functie Disc Text actief is, verschijnen
deze meldingen niet.
10
Tekst disc
Eventuele titelgegevens op een cd kunnen via
het display worden weergegeven.
Activeren/deactiveren
Start de weergave van een cd.
±
Selecteer DISCTEXT in het menu en druk
op ENTER.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs
helemaal uitblijft.
WAARSCHUWING
Speel uitsluitend standaard-cd’s af (met een
diameter van 12 cm). Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket losraken en schade aan de cd-speler veroorzaken.
253
10 Infotainment
Menusysteem, audiosysteem
10
Menu FM
Menu AM
1.
NEWS
1.
2.
TP
Zie Audio settings in Menu FM.
3.
Radio text
4.
Radio settings
5.
6.
254
4.1.
PTY
4.2.
TP
4.3.
NEWS Station
4.4.
AF
4.5.
Regional
4.6.
EON
4.7.
Reset all
Audio settings*
Menu CD
1.
Random
2.
NEWS
3.
TP
4.
Disc text
5.
Audio settings*
Zie Audio settings in Menu FM.
Menu AUX
Audio settings*
1.
5.1.
Surround
2.
NEWS
5.2.
Subwoofer
3.
TP
5.3.
Equalizer Fr
4.
Audio settings
5.4.
Equalizer Rr
Zie Audio settings in Menu FM.
5.5.
Reset all
Audiomodus
AUX input vol
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
AM FM
CD
LUM
VO E
MY KEY
PHONE
L E CTOR
SE
SOUND
POWER
EXIT
ENTER
2
ABC
1
4
GHI
7
PQRS
0
*
3
DEF
CLEAR
MENU
5
6
JKL
MNO
8
9
TUV WXYZ
#
3905624r
MY KEY
PHONE
SOUND
EXIT
CLEAR
G027002
ENTER
Onderdelen van het telefoonsysteem
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
255
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
Algemene informatie
•
•
De verkeersveiligheid staat altijd voorop.
•
Schakel het telefoonsysteem uit tijdens het
tanken.
•
Microfoon – De microfoon voor handsfree
bellen is in de plafondconsole bij de achteruitkijkspiegel geïntegreerd.
Schakel het systeem uit in gebieden waar
met explosieven wordt gewerkt.
•
Volvo adviseert u servicewerkzaamheden
aan het telefoonsysteem over te laten aan
een erkende Volvo-werkplaats.
Bedieningspaneel op middenconsole –
Alle telefoonfuncties (behalve het
gespreksvolume) zijn te regelen via het
bedieningspaneel.
Noodoproepen
Toetsenset op stuurwiel* – Met de toetsenset op het stuurwiel kunt u de meeste
functies van uw telefoonsysteem regelen.
Wanneer de telefoonsysteem in de actieve
stand staat, kunt u de toetsenset op het
stuurwiel alleen gebruiken voor de telefoonfuncties. In de actieve stand staan er
altijd telefoongegevens op het display.
Simkaartlezer – U breng de simkaart aan
de voorkant van het bedieningspaneel in.
Handset* – Gebruik de handset om ongestoord te kunnen praten.
Antenne – De antenne is tegen de voorruit
aangebracht, achter de achteruitkijkspiegel.
Bediening
Als u als bestuurder gebruik wilt maken van
de handset, moet u de auto eerst op een
veilige plaats parkeren.
Ook zonder een simkaart is het mogelijk het
alarmnummer te bellen. Uw auto moet zich
echter wel binnen het dekkingsgebied van een
gsm-provider bevinden.
1. Activeer het telefoonsysteem.
2. Kies het alarmnummer van het land waarin
u zich bevindt (112 binnen de EU).
3. Druk op de knop ENTER op het bedieningspaneel of die van de toetsenset op
het stuurwiel.
G027117
Onderdelen van het telefoonsysteem
Display
ENTER – Gesprekken beantwoorden,
menuselecties verrichten of telefoon activeren die stand-by staat
Aan/uit/stand-by
EXIT/CLEAR – Een gesprek beëindigen/
weigeren, terugbladeren in menu’s, een
keuze annuleren of ingevoerde cijfers/
tekens wissen
Simkaarthouder
Keuzetoets menu-opties
256
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Knop aan/uit/stand-by
Volumeverlaging tijdens gesprekken
Systeem activeren:
Als de telefoon gaat terwijl u naar de radio luistert, wordt het volume verlaagd zodra u het
gesprek aanneemt. Na afloop van het gesprek
speelt de radio op het oude volume verder. U
kunt het radiovolume ook tijdens het gesprek
bijregelen, waarna de radio na afloop van het
gesprek op het nieuwe volume verder speelt.
U kunt het geluid van het audiosysteem ook
helemaal uitzetten tijdens een telefoongesprek, zie pagina 265.
±
Druk op de knop PHONE (3) om het telefoonsysteem in te schakelen.
Systeem uitschakelen:
±
Houd de knop PHONE ingedrukt om het
telefoonsysteem uit te schakelen
Zet het systeem als volgt stand-by:
1. Druk korte tijd op de knop PHONE of druk
op de knop EXIT/CLEAR om het telefoonsysteem stand-by te zetten.
Alfanumerieke toetsen voor telefoon en
sneltoets in menu’s
Pijl-links/pijl-rechts – vooruit- of achteruitbladeren bij de invoer van tekst en/of nummers
Gespreksvolume verhogen/verlagen. De
telefoon maakt geen gebruik van de middenluidspreker*
2. Druk korte tijd op de knop PHONE om het
systeem opnieuw te activeren.
Wanneer de telefoon actief is of stand-by staat,
staat er een hoorn op het display.
N.B.
Bij het audiosysteem Performance (standaarduitvoering) kunt u tijdens een telefoongesprek geen radioprogramma, cd of verkeersbulletin beluisteren.
10
De functie geldt alleen voor het geïntegreerde
telefoonsysteem van Volvo.
Stand-by
Wanneer het telefoonsysteem stand-by staat,
kunt u gesprekken aannemen terwijl het audiosysteem aanstaat en er informatie van de
geluidsbronnen van het audiosysteem op het
display verschijnt.
Om van de overige functies van het telefoonsysteem gebruik te maken moet de telefoon in
de actieve stand staan.
Als u het contact uitschakelt terwijl het telefoonsysteem actief is, zal het telefoonsysteem
eveneens actief zijn wanneer u het contact
opnieuw inschakelt. Wanneer het telefoonsysteem gedeactiveerd is, kunt u geen gesprekken aannemen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
257
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Sneltoetsen in menu’s
10
Simkaart
4. Zorg dat de afgeschuinde hoek van de
simkaart overeenkomt met die van de houder.
Wanneer u met de menutoets naar het menusysteem bent gesprongen, kunt u gebruik
maken van de numerieke toetsen in plaats van
de pijltoetsen en de knop ENTER om naar het
gewenste submenu op het hoofdniveau te
springen. Iedere menu-optie heeft een bepaald
nummer. Het nummer van het geselecteerde
menu staat samen met de naam van de menuoptie op het display weergegeven.
5. Duw de houder weer naar binnen toe.
Neem bij problemen met de simkaart contact
op met uw netwerkprovider.
Bellen en gesprekken aannemen
Bellen:
±
Om veiligheidsredenen zijn delen van het
menusysteem voor de telefoon niet toegankelijk bij snelheden hoger dan 8 km/h. U kunt de
begonnen activiteiten in het menusysteem
echter nog wel beëindigen.
In het menu 5.6 kunt u deze snelheidsbegrenzing opheffen.
G026980
Verkeersveiligheid
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart
(Subscriber Identity Module). U hebt deze kaart
van uw provider ontvangen.
Breng altijd de simkaart aan, als u gebruik wilt
maken van het telefoonsysteem.
1. Schakel het telefoonsysteem uit.
2. Duw de simkaarthouder naar buiten toe
door de houder korte tijd in te drukken.
3. Leg de simkaart dusdanig in de houder dat
de kant met het metaal omlaagwijst.
258
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Kies het nummer en druk op ENTER op de
toetsenset op het stuurwiel of op het
bedieningspaneel (of til de handset op).
Inkomende gesprekken aannemen:
±
Druk op ENTER of neem de handset op. U
kunt ook gebruik maken van de automatische aanneemfunctie Auto antw., zie
pagina 265.
Het geluid van het audiosysteem kan automatisch worden uitgeschakeld tijdens een
gesprek, zie pagina 265.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
±
Gesprekken beëindigen
±
Druk op EXIT/CLEAR op de toetsenset
van het stuurwiel of op het bedieningspaneel of leg de handset op.
Het audiosysteem gaat weer in de voorgaande
stand staan.
U weigert inkomende gesprekken met een
druk op de knop EXIT/CLEAR.
Voer het gewenste nummer in met de toetsenset op het bedieningspaneel en neem
de handset op om te bellen. U regelt het
volume met de draaiknop op de zijkant van
de handset.
U kunt het gesprek beëindigen door de handset terug in de houder te leggen.
Overgaan op handsfree zonder het gesprek te
beëindigen:
Privacy-handset
Als u privégesprekken wilt voeren, kunt u
gebruik maken van de handset. Neem de
handset op door korte tijd op de bovenkant (A)
te drukken.
1. Druk op
op het stuurwiel (of maak
gebruik van de menutoetsen op het bedieningspaneel) en kies voor Handsfree.
Laatst gekozen nummers
Het telefoonsysteem slaat automatisch de tien
laatst gekozen telefoonnummers/namen op.
10
1. Druk op ENTER van de toetsenset op het
stuurwiel of op het bedieningspaneel.
2. Blader met de pijltoetsen vooruit of achteruit door de laatst gekozen nummers. De
nummers verschijnen op het display.
3. Druk op ENTER.
Verkort kiezen
2. Druk op ENTER en leg de handset op. Als
u de handset al hebt opgenomen wanneer
de telefoon gaat, wordt het geluid via het
handsfreesysteem doorgegeven.
Snelnummers opslaan
3. Druk op de knop MENU, ga naar Handset
en druk op ENTER om het geluid via de
handset weer te geven.
U doet dat als volgt:
De nummers die zijn opgeslagen in het telefoonboek van het systeem kunt u koppelen aan
een bepaalde sneltoets (1–9).
1. Selecteer Telefoonboek in het menu en
druk op ENTER.
2. Blader verder naar One-key bell. (zie
pagina 265) en druk op ENTER.
G026983
3. Druk op de sneltoets waaronder u het snelnummer wilt opslaan. Druk ter bevestiging
op ENTER.
4. Zoek de naam of het telefoonnummer van
uw keuze op in het telefoonboek. Druk op
ENTER om een keuze te maken.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
259
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Verkort kiezen
10
1. Houd de gewenste sneltoets ca. twee
seconden ingedrukt om te bellen of druk
eerst kort op de cijfertoets en daarna op de
knop ENTER.
2. Na inschakeling van de telefoon moet u
enkele seconden wachten, voordat u
gebruik kunt maken van de functie verkort
kiezen.
N.B.
Om snelnummers te kunnen gebruiken
moet menu-optie 3.4 geactiveerd zijn. Zie
Verkort kiezen onder Beschrijving van
menu-opties op pagina 264.
Tijdens het bellen een tweede gesprek
aannemen
Als u tijdens het bellen twee korte geluidssignalen hoort, komt er een tweede gesprek binnen. U kunt deze functie in- of uitschakelen in
dit menu.
U kunt het tweede gesprek vervolgens wel of
niet aannemen. Als u het gesprek niet wilt aannemen, moet u op EXIT/CLEAR drukken of
niets doen.
Als u het gesprek wilt aannemen, moet u op
ENTER drukken. U parkeert het lopende
260
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
gesprek dan tijdelijk. Als u op EXIT/CLEAR
drukt, worden beide gesprekken beëindigd.
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Ruggespraakstand
Functies tijdens het bellen
Handset/Handsfree
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Telefoonboek
Telefoonboek bekijken
Koppelen
Om twee gespreken
tegelijk te voeren
(conferentie)
Swap
Om te wissen tussen
de twee gesprekken
Tijdens het bellen kunt u de volgende functies
activeren (blader met de pijltoetsen en druk op
ENTER om een keuze te maken)
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Ruggespraakstand
Parkeren/Hervatten
Om het lopende wel
of niet te parkeren
Handset/Handsfree
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Telefoonboek
Telefoonboek bekijken
Wanneer u tijdens het bellen een tweede
gesprek hebt geparkeerd, kunt u de volgende
functies activeren (blader met de pijltoetsen en
druk op ENTER om een keuze te maken)
Gespreksvolume
Verhoog of verlaag het gespreksvolume door
tijdens het gesprek op de toetsen + of - van de
toetsenset op het stuurwiel te drukken.
Wanneer de telefoon in de actieve stand staat,
kunt u met de toetsenset op het stuurwiel
alleen de telefoonfuncties regelen.
Als u de toetsen wilt gebruiken om instellingen
in het audiosysteem te verrichten, moet u eerst
de telefoon stand-by zetten, zie pagina 257.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Telefoonboek
Nummers uit het geheugen bellen
Namen (of berichten) invoeren
Telefoonnummers en namen kunt u in het
geheugen van de telefoon zelf opslaan of in het
geheugen op de simkaart.
Wanneer u een gesprek aanneemt afkomstig
van een van de nummers die in het telefoonboek liggen opgeslagen, wordt de bijbehorende naam op het display weergegeven.
AM FM
CD
LUM
VO E
MY KEY
PHONE
LE CTOR
SE
SOUND
POWER
1
4
GHI
U kunt maximaal 255 namen in het geheugen
van de telefoon opslaan.
7
PQRS
AUTO
*
3
DEF
CLEAR
#
G027118
1. Druk op de knop MENU, kies voor
Telefoonboek en druk op ENTER.
3. Voer een naam in en druk op ENTER.
±
spatie 1- ? ! , . : " ' ( )
2
abc2äåàæç
3
def3èé
4
ghi4ì
5
jkl5
6
mno6ñöòØ
7
pqrs7ß
8
tuv8üù
9
wxyz9
*
Om tweemaal achtereen hetzelfde
teken op de toets in te voeren.
0
+0@*#&$£/%
SCAN
Telefoonnummers met namen opslaan
2. Ga naar Nieuwe invoer en druk op
ENTER.
1
MENU
5
6
JK L
MNO
8
9
TUV WXYZ
0
10
EXI T
ENTER
2
ABC
Druk op de toets met het teken van uw keuze:
druk eenmaal op de toets om het eerste teken
van de toets in te voeren, tweemaal om het
tweede teken in te voeren enz. Druk op de 1
om een spatie in te voegen.
Druk op de pijl-omlaag (1) van de MENUop het stuurwiel om het
toetsen of op
telefoonboek te doorzoeken.
4. Voer een nummer in en druk op ENTER.
Kies uit de volgende mogelijkheden:
5. Geef aan in welk geheugen u wilt opslaan
en druk vervolgens op ENTER.
1. Druk op ENTER en blader met de pijltoetsen naar de naam van uw keuze.
2. Druk op de toets die overeenkomt met de
eerste letter van de bijbehorende naam (of
voer de complete naam in) en druk op
ENTER.
3. Druk op ENTER om het geselecteerde
nummer te bellen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
261
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
#
10
EXIT
Wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters.
Het laatst ingevoerde teken wissen. Wanneer u de toets lang ingedrukt houdt, kunt u het nummer of
de tekst in zijn geheel wissen.
Veel providers bieden een dubbele simkaart
aan: een voor de autotelefoon en een voor een
andere telefoon. Als u over een dubbele simkaart beschikt, kunt u hetzelfde nummer voor
twee verschillende telefoons gebruiken. Neem
contact op met uw provider over de mogelijkheden en het gebruik van een dubbele simkaart.
Tekstinvoer afbreken
1. U kunt alle ingevoerde tekens wissen door
lang op de knop EXIT/CLEAR te drukken.
Specificaties
2. Keer terug naar het menu door nogmaals
lang op de knop EXIT/CLEAR te drukken.
Vermogen
2 W
Simkaart
klein, 3 V
Geheugenposities
255A
Sms
ja
Data/Fax
nee
Dualband
ja (900/1800)
Dubbele simkaart
G026980
A
262
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
255 geheugenposities in het geheugen van de telefoon. Het
aantal geheugenposities op de simkaart verschilt afhankelijk
van het abonnement.
IMEI-nummer
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEInummer van de telefoon aan uw netwerkprovider doorgeven. Dit nummer is een serienummer bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon
geprogrammeerd is. Toets *#06# op uw telefoon in om het nummer op het display te zien.
Noteer dit nummer en bewaar het op een veilige plaats.
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
Overzicht
1.
Telefoonboek
4.5.5
Faxoproepen
Logboek
3.1.
Nieuwe invoer
4.5.6
Data-gesprek
1.1.
Gem. oproep
3.2.
Zoeken
4.5.7
Alles annul.
1.2.
Ontvangen oproepen
3.3.
Alles kopie
1.3.
Gebeld
3.3.1
SIM naar tel
1.4.
Wis bellijst
3.3.2
Tel naar SIM
1.5.
2.
3.
1.4.1
Allemaal
1.4.2
Gemist
1.4.3
Ontvangen
1.4.4
Gebeld
3.4.
Belduur
5.
Tlf.Instellingen.
5.1.
Verk. kiezen
3.4.1
Actief
3.4.2
Nummer kiezen
5.2.
Netwerk
5.1.1
Automatisch
5.1.2
Handm. kiezen
Taal
5.2.1
English UK
3.5.
SIM wissen
5.2.2
English US
3.6.
Wis telefoon
5.2.3
Español
3.7.
Geheugengebr.
5.2.4
Français CAN
1.5.1
Laatste gespr.
1.5.2
Gespreksteller
Belopties
5.2.5
Français FR
1.5.3
Totale tijd
4.1.
Nummer verz.
5.2.6
Italiano
1.5.4
Reset timers
4.
10
4.2.
Oproep wacht
5.2.7
Nederlands
Berichten
4.3.
Autom. antw.
5.2.8
Português BR
2.1.
Lezen
4.4.
Automatisch herkiezen
5.2.9
Português P
2.2.
Invoeren
4.5.
Doorschakelen
5.2.10 Suomi
2.3.
Inst. boodsch.
4.5.1
Allemaal
5.2.11 Svenska
2.3.1
SMSC nummer
4.5.2
Indien bezet
5.2.12 Dansk
2.3.2
Geldigh.duur
4.5.3
Niet beantw.
5.2.13 Deutsch
2.3.3
Soort boodsch.
4.5.4
Niet bereikb.
``
263
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
5.3.
10
SIM beveil.
Beschrijving van menu-opties
1.5.2.
Gespreksteller
5.3.1
Aan
1. Logboek
1.5.3.
Totale tijd
5.3.2
Uit
1.1. Gemist
1.5.4.
Reset timers
Automatisch
Lijst met gemiste oproepen. U kunt de bijbehorende nummers bellen, wissen of in het telefoonboek opslaan.
2. Berichten
5.3.3
5.4.
5.5.
5.6.
5.7.
Code bewerk.
5.4.1
PIN-code
1.2. Ontvangen oproepen
5.4.2
Telefooncode
Lijst met beantwoorde oproepen. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
Geluiden
5.5.1
Belvolume
1.3. Gebeld
5.5.2
Belsignaal
5.5.3
Radio mute
Lijst met eerder gebelde nummers. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
5.5.4
Berichttoon
Verkeersv.
1.4. Wis bellijst
5.6.1
Menuvergrend.
De lijsten wissen in de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3
zoals hieronder beschreven.
5.6.2
IDIS
1.4.1.
All
Fabrieksinst.
1.4.2.
Gemist
1.4.3.
Ontvangen
1.4.4.
Uitgaande
1.5. Belduur
De duur van alle gesprekken of van het laatste
gesprek. Om de gespreksteller te resetten hebt
u de telefooncode nodig (zie menu 5.4).
1.5.1.
264
Laatste gespr.
2.1. Lezen
Ontvangen sms-berichten. U kunt de gelezen
berichten (of delen ervan) wissen, doorsturen,
wijzigen of opslaan.
2.2. Opstellen
Met de toetsenset een bericht invoeren. U kunt
het bericht vervolgens opslaan of versturen.
2.3. Bericht inst.
Het nummer (SMSC-nummer) van de berichtencentrale aangeven waarnaar u uw berichten
wilt doorschakelen en de tijd specificeren dat
de berichten moeten blijven liggen. Neem contact op met uw netwerkprovider voor informatie over de instellingen voor de berichtencentrale. U hoeft de instellingen normaal gesproken niet te wijzigen.
2.3.1.
SMSC nummer
2.3.2.
Geldigh.duur
2.3.3.
Soort boodschap
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
3. Telefoonboek
4. Gespreksopties
4.5.5.
Faxoproepen
3.1. Nieuwe invoer
4.1. Nummer verz.
4.5.6.
Data-gesprek
Namen en telefoonnummers vastleggen in het
telefoonboek, zie pagina 260.
Aangeven of uw eigen telefoonnummer wel of
niet op het telefoondisplay van de gebelde persoon moet verschijnen. Neem contact op met
de netwerkprovider voor een permanent
geheim nummer.
4.5.7.
Alles annul.
4.2. Oproep wacht
Aangeven of u wel of geen signaal wilt ontvangen, wanneer er tijdens het bellen een tweede
gesprek wacht.
Aangeven of u automatisch of handmatig netwerken wilt selecteren. De geselecteerde provider verschijnt tijdens het inschakelen van het
telefoonsysteem op het display.
4.3. Autom. antw.
5.1.1. Auto
Inkomende gesprekken automatisch beantwoorden.
5.1.2. Handm. kiezen
3.2. Zoeken
Namen in het telefoonboek zoeken.
3.3. Alles kopie
Telefoonnummers en namen op de simkaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
3.3.1.
Van het geheugen op de simkaart naar
dat van de telefoon
3.3.2.
Van het geheugen van de telefoon naar
dat op de simkaart
5. Telefooninstellingen
5.1. Netwerk
5.2. Taal
3.4. Sneltoetsfunctie
4.4. Autom. herh.
Nummers die zijn vastgelegd in het telefoonboek opslaan als snelnummer.
Een eerder gekozen nummer bellen.
4.5. Doorschakel.
5.2.1.
English UK
3.5. SIM wissen
In dit menu kunt u aangegeven welke soorten
oproepen moeten worden doorgeschakeld
naar het gespecificeerde telefoonnummer en
wanneer.
5.2.2.
English US
5.2.3.
Español
5.2.4.
Français CAN
4.5.1.
5.2.5.
Français FR
De instelling geldt alleen tijdens het lopende
gesprek.
5.2.6.
Italiano
5.2.7.
Nederlands
4.5.2.
Indien bezet
5.2.8.
Português BR
4.5.3.
Niet beantw.
5.2.9.
Português P
4.5.4.
Niet bereikb.
5.2.10. Suomi
Het geheugen op de simkaart geheel wissen.
3.6. Wis telefoon
Het complete geheugen van de telefoon wissen.
3.7. Geheugengebr.
Bekijken hoeveel geheugenposities er in
beslag genomen worden in het geheugen van
de simkaart en in dat van de telefoon. In de
tabel staat aangegeven hoeveel van de
beschikbare positie er in gebruik zijn (bijvoorbeeld 100 (250)).
Allemaal
10
De taal van het telefoonsysteem aangeven.
``
265
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
10
5.2.11. Svenska
5.5.3.
5.2.12. Dansk
Radio mute.
5.2.13. Deutsch
5.5.4.
5.3. SIM beveil.
5.6. Verkeersveiligheid
Aangeven of de invoer van de pincode actief of
inactief moet zijn of automatisch moet verlopen.
5.6.1.
Berichttoon
Menuvergrend.
5.3.1.
Aan
Bij het opheffen van de menuvergrendeling
hebt u tijdens het rijden toegang tot alle delen
van het menusysteem.
5.3.2.
Uit
5.6.2.
5.3.3.
Automatisch
Als u de functie IDIS uitschakelt, worden inkomende gesprekken ongeacht de rijsituatie zonder vertraging doorgegeven.
5.4. Code bewerk.
De pincode of telefooncode wijzigen. Noteer
de codes en bewaar het op een veilige plaats.
5.4.1.
PIN-code
5.4.2.
Telefooncode
De fabrieksinstelling voor de telefooncode is
1234 geldt, zolang u de code niet hebt gewijzigd. U hebt de telefooncode nodig om de
gespreksteller te resetten.
5.5. Geluiden
5.5.1.
VOLUME
Het volume van het belsignaal regelen.
5.5.2.
Belsignaal
Er zijn zeven verschillende belsignalen.
266
On/off
IDIS
5.7. Fabrieksinst.
De fabriekinstellingen van het systeem herstellen.
10 Infotainment
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
Algemene informatie
Het RSE-systeem kan gelijktijdig met het infotainmentsysteem gebruikt worden.
Ook als de achterpassagiers gebruik maken
van de dvd-speler, de RSE-AUX-ingang of tv1
kijken en daarbij de koptelefoon dragen, kunnen de bestuurder en een eventuele voorpassagier de radio of cd-speler blijven beluisteren.
Tv-overzicht
Druk op
- instelling
en kies TV I DVD I AUX
MEDIA MENU.
TV
Systeeminstellingen
Wanneer het systeem eenmaal gebruikt is terwijl het contact niet in stand I stond, is verder
gebruik geblokkeerd. U kunt het systeem dan
pas weer activeren nadat u contactstand I hebt
geactiveerd.
Audiomodus
10
Fabrieksstandaard
Lijst kanaalvergrend.
Instelling tijdzone
CI-module
Stroomverbruik, contactstanden
Het systeem is te activeren in contactstand I of
II en wanneer de motor loopt. Bij het starten
van de motor wordt de filmweergave tijdelijk
gestopt en voortgezet wanneer de motor is
aangeslagen.
TV - instelling
Geen CAM ingestoken
Informatie CImodule
Voorkeur kijker
Signaalsterkte
Kanaalzoeken
Beheer van nieuwe
dragers
Carier toevoegen
Informatie over
carrier
Systeeminstellingen TV
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen TV - instelling.
Carrier wissen
N.B.
Bij langdurig gebruik (meer dan 10 minuten)
van het systeem met de motor uitgeschakeld, kan de ladingstoestand van de accu
dusdanig verslechteren dat de motor startproblemen vertoont.
Alle dragers wissen
Automatisch zoeken
Er verschijnt in dat geval een melding op het
scherm.
1
Tv is een optionele functie van het RSE-systeem.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
267
10 Infotainment
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
10
Bijv. Engels
Taal waarin de tvmenu’s staan aangegeven
Beeldformaat
Audio
16:9
4:3
Automatisch
Modus (beeldschermstand)
Audiomodus
Links
AC3
Links
Tijd banner
De weergaveduur
van de menu’s is in
te stellen op
8–40 seconden.
Systeeminstellingen audiomodus
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen Audiomodus.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Om betaalkanalen te kunnen bekijken moet
een smartcard in een module worden geplaatst
die vervolgens in de digitale tv-ontvanger
wordt aangebracht.
Rechts
Stereo
Rechts
Betaalkanalen
Audio - 2, bijv. GER.
Zoom
Gecentreerd
268
Audio - 1, bijv. ENG.
Basis
Groot scherm
Audiomodus
De originele taal van een tv-programma kan
worden gewijzigd als het programma met
meerdere taalkanalen wordt uitgezonden.
Systeeminstellingen fabrieksstandaard
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen Fabrieksstandaard.
Hier kunt u de fabrieksinstellingen van het systeem herstellen.
Systeeminstellingen instelling tijdzone
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen Instelling tijdzone.
De plaatselijke programmatijden worden alleen
correct weergegeven, wanneer u de juiste tijdzone hebt ingesteld. De menu’s onder GUIDE,
INFO en de klok hangen af van de ingestelde
plaatselijke tijdzone.
G031511
Taal
De digitale tv-ontvanger zit rechts in de bagageruimte.
1. De ontvanger zit in een behuizing. Open
het klepje boven op de behuizing.
2. Open het rubber klepje van de ontvanger.
3. Stop de smartcard in de module. Zorg dat
u de smartcard op de juiste manier in de
module aanbrengt.
10 Infotainment
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
4. Steek de module in de digitale tv-ontvanger. Zorg dat u de module op de juiste
manier aanbrengt.
> Het systeem registreert automatisch dat
het nieuwe informatie ontvangt.
5. Gebruik de zoekfunctie om de nieuwe
kanalen te vinden die u kunt bekijken (zie
onder “Tv-kanalen met smartcard” verderop).
Tv-kanalen met smartcard
Gebruik de zoekfunctie om de kanalen te vinden die u met de smartcard kunt bekijken.
1. Druk op MEDIA MENU op de afstandsbediening.
2. Kies Kanaalzoeken
zoeken.
Automatisch
aangebracht. Zie onder “Betaalkanalen” eerder in dit boekje.
Het systeem kan tv-programma’s in MPEG-2formaat weergeven. Na aanschaf van een speciale module zijn ook programma’s in
MPEG-4-formaat weer te geven. Deze module
wordt op dezelfde manier als de CI-module
voor smartcards in de digitale tv-ontvanger
om een submap te kiezen.
10
De cd is op verschillende manieren af te spelen. Kies met de navigatietoetsen de gewenste
afspeelmethode.
Muziek
Cd beluisteren
1. Plaats een cd met de etiketzijde van de
toetsen af gericht.
> De cd wordt automatisch afgespeeld.
2. Schakel de draadloze koptelefoon(s) in
(kies CH A voor het linker beeldscherm of
CH B voor het rechter beeldscherm).
> Het geluid wordt via de koptelefoon(s)
weergegeven.
3. Stel het volume van de koptelefoon(s) in via
de volumeregeling of met het instelwieltje
op de koptelefoon(s) zelf.
Wanneer het dialoogvenster zichtbaar is:
1. Druk op de rechter navigatietoets om naar
het rechter menu te springen.
2. Blader met de navigatietoetsen om een
keuze te maken uit de afspeelopties.
3.
A B van de
AUX zetten en op de toets
afstandsbediening drukken om het geluid
via de luidsprekers weer te geven.
Map op de cd kiezen
1. Plaats de cd.
2.
Druk op
.
3. Kies met de navigatietoetsen het bestand
van uw keuze.
Bevestig uw keuze met
.
Andere cd-track
±
Kies een andere cd-track met
of
. Spoel voor- of achteruit door de
toetsen ingedrukt te houden.
U kunt het audiosysteem ook in MODE-
.
Door de digitale tv-ontvanger
ondersteunde formaten
Druk op
Verschillende afspeelmethoden
3. Kies het land waarin u zich bevindt en druk
op
4.
Pauze
1.
2.
3.
Met
kunt u de cd-weergave pauzeren of voortzetten.
Met
digen.
kunt u de cd-weergave beëin-
Druk nogmaals op
werpen.
om de cd uit te
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
269
10 Infotainment
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
10
Zelfgebrande cd’s/dvd’s zijn te
beluisteren.
Aansluiten op AUX-ingang RSE-systeem
Systeem
Formaten die door het systeem worden ondersteund.
De afspeelbaarheid en de geluidskwaliteit zijn
echter afhankelijk van het bronbestand, het
gehanteerde formaat en de kwaliteit van de
gebruikte cd/dvd.
AUX-ingang, 12V-aansluiting
De ingang dient om randapparatuur te kunnen
aansluiten. Volg altijd de aansluitinstructies op
van de fabrikant of de verkoper van de
gebruikte randapparatuur. Randapparatuur die
via de AUX-ingang van het RSE-systeem is
aangesloten kan gebruik maken van de beeldschermen, de draadloze koptelefoons, de uitgangen voor koptelefoons met een snoeraansluiting en de luidsprekers van het audiosysteem.
Audioformaten
CD-DA, DVD-Audio Playback,
MP3, WMA
Videoformaten
DVD-video, VCD, SVCD, Divx/
MPEG-4, WMA-video, Photo CD
Kodak, Photo CD JPG
Schijfformaten
DVD-RAM, DVD-ROM, DVD-RW,
DVD+RW, DVD-R, DVD+R, CD-R,
CD-ROM, CD-RW, CD-3, HDCD
G015700
De AUX-ingang van het RSE-systeem zit onder de
dvd-speler in de middenconsole.
1. Sluit de videokabel aan op de gele ingang.
2. Sluit de linker geluidskabel aan op de witte
ingang en de rechter op de rode ingang.
3. Sluit de voedingskabel aan op de 12V-aansluiting als de apparatuur op 12 V werkt.
Geavanceerde systeeminstellingen
Deze instellingen zijn alleen toegankelijk wanneer de dvd-speler leeg is.
±
Druk op MEDIA MENU.
GENERAL SETUP
CAPTION
AUDIO SETUP
270
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ANGLE MARK
COMPRESSION
10 Infotainment
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
1. Draai het boutje los en haal het dekseltje
van het batterijvakje.
DVX(R)
REGISTRATION
PREFERENCES
2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe
batterijen op de aangegeven manier in het
batterijvakje.
TV TYPE
AUDIO
3. Breng het dekseltje aan en draai het boutje
vast.
SUBTITLE
DEFAULTS
3. Breng het dekseltje aan en draai het boutje
vast.
10
N.B.
Als het systeem te heet is of als de accuspanning te laag is, geeft een melding op
het scherm dat aan.
Milieuzorg
Lege batterijen moet u op een milieuvriendelijke manier inzamelen!
Batterijen in afstandsbediening en
koptelefoon(s) vervangen
De afstandsbediening en de koptelefoon(s)
werken op twee batterijen van het type AAA.
G030395
Neem bij lange ritten extra batterijen mee.
Draadloze koptelefoons
G031359
1. Draai het boutje los en haal het dekseltje
van het batterijvakje.
2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe
batterijen op de aangegeven manier in het
batterijvakje.
Afstandsbediening
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
271
272
274
276
279
280
282
284
286
287
289
G000000
Typeaanduidingen.................................................................................
Maten en gewichten..............................................................................
Motorspecificaties.................................................................................
Motorolie...............................................................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen.............................................................
Brandstof..............................................................................................
Katalysator............................................................................................
Elektrisch systeem................................................................................
Typegoedkeuring..................................................................................
SPECIFICATIES
11
11 Specificaties
Typeaanduidingen
G032077
11
274
11 Specificaties
Typeaanduidingen
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de typeaanduiding, het chassisnummer
en het motornummer bij de hand te hebben.
Typeaanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
11
Typeaanduiding van de motor, onderdeelen serienummer
Sticker voor motorolie
Typeaanduiding en serienummer van de
versnellingsbak:
automatische versnellingsbak AW
handgeschakelde versnellingsbak
automatische versnellingsbak
Sticker voor standverwarming.
VIN (type- en modeljaaraanduiding alsmede chassisnummer)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
275
11 Specificaties
Maten en gewichten
Maten
11
276
Maten
mm
Maten
mm
A
Wielbasis
2857
H
Spoorbreedte achteras
1624
B
Lengte
4807
I
Laadbreedte, vloer
1064
C
Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt
2018
J
Breedte
1898
K
Laadlengte, vloer
1118
Breedte incl. buitenspiegels
2112
D
E
Hoogte
1784
F
Laadhoogte, vloer
G
Spoorbreedte vooras
872
1634
Gewichten
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen inbegrepen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (bij
gebruik van een aanhanger (zie tabel)) zijn van
invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
11 Specificaties
Maten en gewichten
N.B.
WAARSCHUWING
Het gedocumenteerde rijklaar gewicht geldt
voor een auto in standaarduitvoering –
d.w.z. een auto zonder extra uitrusting of
accessoires. Dit betekent dat voor ieder
accessoire dat wordt toegevoegd het laadvermogen van de auto met het gewicht van
het desbetreffende accessoire moet worden verminderd.
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
11
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Voorbeelden van accessoires die een vermindering van het laadvermogen betekenen
zijn auto’s in de uitvoeringen Kinetic,
Momentum en Summum alsmede zaken als
trekhaken, lastdragers, skiboxen, audiosystemen, verstralers, gps-systemen, brandstofkachels, veiligheidsrekken, matten,
bagagerolhoezen/-afdekkingen, elektrisch
bediende stoelen, etc.
Een weegbrug is een betrouwbaar instrument om het rijklaar gewicht voor uw auto
te bepalen.
Max. totaalgewicht
Max. dakbelasting: 100 kg
Voor de positie van de sticker, zie pagina 274.
Trekgewichten en kogeldrukwaarden
Max. gewicht geremde aanhanger, kg
Max. kogeldruk, kg
2250
90
``
277
11 Specificaties
Maten en gewichten
11
278
Max. gewicht ongeremde aanhanger, kg
Max. kogeldruk, kg
750
50
11 Specificaties
Motorspecificaties
A
B
Model
MotorA
Vermogen (kW
bij omw/
min)
(pk bij
omw/
min)
Motorkoppel
(Nm bij
omw/
min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring (mm)
Slaglengte
(mm)
Cilinderinhoud (liter)
Compressieverhouding
2.5T*
B5254T2
154/4980
210/5000
320/1500–
4500
5
83
93,2
2,52
9,0:1
V8
B8444S
232/5850
315/5850
440/3900
8
94
79,5
4,41
10,4:1
3.2
B6324S
175/6200
238/6200
320/3200
6
84
96
3,2
10,8:1
D5
D5244T4
136/4000
185/4000
400/2000–
2760
5
81
93,2
2,401
17,0:1
2.4DB
D5244T5
120/4000
163/4000
340/1750–
2750
5
81
93,2
2,401
17,0:1
11
Type-aanduiding, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 274.
Alleen België
279
11 Specificaties
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Viscositeitsdiagram
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
bij temperaturen lager dan –30°C of hoger
dan +40°C.
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Controleer het oliepeil eveneens vaker bij korte
ritten (over afstanden kleiner dan 10 km) bij
lage temperaturen (onder +5°C).
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
280
BELANGRIJK
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. Om de aanbevolen service-intervallen aan te kunnen
houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen een
oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit
(zie sticker in motorruimte) en dat zowel bij
het bijvullen als verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten. Volvo Car Corporation wijst alle
garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
G020236
11
•
11 Specificaties
Motorolie
Oliesticker
G032078
Motortype
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN–MAX (liter)
HoeveelheidA
(liter)
2.5T
B5254T2
1,2
5,5
3.2
B6324S
1,2
7,4
V8 AWD
B8444S
1,2
6,7
D5 AWD
D5244T4
1,5
6,2
2.4DB
D5244T5
1,5
6,2
11
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit, geldt het volgende. Voor de
positie ervan, zie pagina 274.
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W-30.
A
B
Inclusief hoeveelheid in filter.
Alleen België
281
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Versnellingsbakolie
11
Motor
Versnellingsbak
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven versnellingsbakolie
2.5T benzine
Automaat, TF-80SC
7,0
JWS 3309
3.2 benzine
Automaat, TF-80SC
7,0
JWS 3309
V8 benzine
Automaat, TF-80SC
7,0
JWS 3309
D5 diesel
Handbak, M66
1,9
BOT 350M3
D5 diesel
Automaat, TF-80SC
7,0
JWS 3309
2.4D diesel
Handbak, M66
1,9
BOT 350M3
2.4D diesel
Automaat, TF-80SC
7,0
JWS 3309
Vloeistoffen
Vloeistof
Systeem
Koelvloeistof
Benzinemotor T5
8,0
Benzinemotor 3.2
9,7
Benzinemotor V8
10,2
Dieselmotor D5
12,5
Airconditioning
B
Koudemiddel
Hoeveelheid (liter)
Aanbevolen kwaliteit
Koelvloeistof met corrosiewerende
dope aangelengd met waterA (zie verpakking). Thermostaat opent bij:
benzinemotoren, 90°C, dieselmotoren,
82°C
R134a (HFC134a)
Olie: PAG
Remvloeistof
282
Remsysteem
0,6
DOT 4+
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistof
Systeem
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Stuurbekrachtiging
1,0
waarvan reservoir
0,2
Ruitensproeiervloeistof
A
B
Hoeveelheid (liter)
6,5
Aanbevolen kwaliteit
WSS M2C204-A of een vergelijkbaar
product met dezelfde specificatie.
Bij vorst wordt u geadviseerd een door
Volvo aanbevolen antivries aangelengd
met water te gebruiken.
11
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
De hoeveelheid koudemiddel verschilt per motortype. Voor de juiste informatie adviseert Volvo u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Om schade aan de versnellingsbak te voorkomen moet u de aanbevolen kwaliteit versnellingsbakolie gebruiken en geen verschillende merken met elkaar mengen.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde
werkplaats voor service, als er een andere
oliesoort werd gebruikt. Volvo adviseert u
contact op te nemen met de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft u
de versnellingsbakolie nooit te verversen.
Onder ongunstige rijomstandigheden moet
de olie mogelijk wel worden ververst (zie
pagina 280).
283
11 Specificaties
Brandstof
Verbruik, CO2-uitstoot en tankinhoud
Motor
Versnellingsbak
Verbruik
(liter/100 km)
11
B5254T2
Automaat (AW55-51)
11,7 (11,8)A
280 (282)A
80
3.2
B6324S
Automaat (TF-80SC)
12,0 (12,1)A
287 (289)A
80
(13,5)A
(322)A
80
V8 AWD
B84444S
Automaat (TF-80SC)
13,3
D5 AWD
D5244T4
Zestraps handbak (M66)
8,2 (8,3)A
217 (219)A
68
D5 AWD
D5244T4
Automaat (TF-80SC)
8,5 (8,5)A
224 (224)A
68
2.4DB
D5244T5
Handbak (M66)
8,2 (8,3)A
217 (219)A
68
(8,5)A
(224)A
68
D5244T5
Automaat (TF-80SC)
8,5
317
224
Waarden tussen haakjes gelden voor zevenzitters.
Alleen België
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus
conform de EU-richtlijnen 80/1268EEG (combinatierit) en 92/21/EEG.
Het gebruik van extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Ook de
rijstijl en andere niet-technische factoren kun-
284
Tankinhoud (liter)
2.5T
2.4DB
A
B
Uitstoot van
kooldioxide
(CO2) in g/km
nen van invloed zijn op het brandstofverbruik.
Bij gebruik van brandstof met een octaangetal
van 91 (RON), neemt het brandstofverbruik toe
terwijl het motorvermogen lager wordt.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.
Benzine
De meeste motoren lopen op benzine met een
octaangetal van 91, 95 en 98 (RON).
•
91 (RON) mag u slechts bij hoge uitzondering gebruiken.
•
95 (RON) is te gebruiken in de normale rijomstandigheden.
•
98 (RON) wordt geadviseerd voor maximale prestaties tegen een minimaal brandstofverbruik.
11 Specificaties
Brandstof
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38°C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
Benzine: norm NEN-EN 228
11
BELANGRIJK
Tank alleen loodvrije benzine om schade
aan te katalysator te voorkomen. Giet nooit
alcohol bij de benzine, omdat het brandstofsysteem daardoor schade kan oplopen
en de Volvo-garantie vervalt.
Dieselolie
Het brandstofsysteem van een dieselmotor is
gevoelig voor verontreinigingen, zie
pagina 203.
Dieselolie: norm NEN-EN 590 of JIS K2204
285
11 Specificaties
Katalysator
Algemene informatie
11
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator is dicht bij de motor
in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen. De katalysator bestaat
uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De wanden van de kanalen zijn bekleed
met platina/rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z. ze
versnellen een chemische reactie zonder dat
ze daar zelf actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de verstuivers afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
286
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Algemene informatie
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waar-
bij het chassis en het motorblok als geleiders
worden gebruikt.
Accu
11
Motor
A
Spanning, V
Koudestartvermogen,
Reservecapaciteit,
CCA (Cold Cranking Amperes), A
minuten
Capaciteit, Ah
2.5T, 3.2, V8
12
600–800 A
120–150
70–90
D5
12
800
150
90
Vermogen W
Lampvoet
Groot licht/dimlicht, halogeen
55
H7
Groot licht, auto’s met actieve xenonlampen
65
H9
Actieve xenonlampen
35
D1S
Groot licht, auto’s met xenonlampen
55
H7
Xenon
35
D2R
Bij een auto met standverwarming is dit 800 A
Let er bij het vervangen van de accu op, dat de
nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en
reservecapaciteit als de originele accu heeft
(zie sticker op de accu).
Gloeilampen
Verlichting
``
287
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Verlichting
11
288
Vermogen W
Lampvoet
Mistlampen vóór
55
H1
Stadslichten vóór/achterlichten, parkeerlichten vóór, sidemarkers vóór, kentekenplaatverlichting, instapverlichting achter
5
W2,1X9,5d
Richtingaanwijzers voor, mistachterlicht
21
BAY9s
Remlichten, achteruitrijlichten
21
BA15S
Richtingaanwijzers achter
21
BAU15s
Make-upspiegel
1,2
SV5,5
Instapverlichting voor, kofferbakverlichting
5
SV8.5
Verlichting dashboardkastje
3
BA9
11 Specificaties
Typegoedkeuring
Afstandsbedieningssysteem
Land
A, B, CY, CZ, D, DK,
E, EST, F, FIN, GB,
GR, H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P, PL, S,
SK, SLO
Hierbij verklaart Delphi dat het
gebruikte transpondersleutelsysteem in
overeenstemming is
met de essentiële
eigenschappen en
overige relevante
bepalingen zoals
beschreven in de
EU-richtlijn 1999/5/
EG.
11
IS, LI, N, CH
HR
RC
ETC093LPD0155
289
12 Alfabetisch register
"
"Follow Me Home"-verlichting
instellen................................................. 60
Achterklep
openen.................................................. 68
rijden met een geopende achterklep. . 132
vergrendelen/ontgrendelen................ 120
A
Achteruitkijkspiegel.................................... 72
autodimfunctie...................................... 72
Alarmlichten............................................... 57
Aanhanger................................................ 158
kabel................................................... 160
rijden met een aanhanger................... 158
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
inklapbare............................................. 55
Antislipregeling........................................ 147
Actieve Dual Xenon-koplampen.......... 56, 59
Aanpassen, lichtbundel........................... 167
Adaptief systeem..................................... 142
Aanrijding
opblaasgordijnen (IC-systeem)............. 26
AF, automatische afstemfunctie.............. 249
Audio
hoofdtelefoonaansluiting.................... 237
surround............................................. 242
Achterruit, elektrische verwarming............ 57
12
Aanstekeropening...................................... 56
ABS, storing in het ABS............................. 50
Accu................................................. 211, 287
onderhoud.................................. 199, 211
overbelasting...................................... 133
specificaties........................................ 287
starten met hulpaccu.......................... 157
symbolen op de accu......................... 211
Achterbank
instap.................................................. 108
Achterbank, omklappen........................... 108
290
automatische inschakeling van het
alarm...................................................
geactiveerd alarm uitschakelen..........
inschakelen.........................................
uitschakelen........................................
128
128
127
127
Alarmsensoren........................................... 56
Antispinregeling....................................... 147
Afstandsbediening........................... 120, 237
batterij vervangen............................... 121
programmeerbaar................................. 79
Audio, zie ook Geluidssysteem............... 235
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 22
bestuurders- en passagierszijde.......... 19
AUTO, ECC................................................ 89
Airconditioning........................................... 84
achter in passagiersruimte................... 55
ECC...................................................... 88
Alarm
alarmindicatie..................................... 127
alarmsignalen...................................... 128
algemene informatie........................... 127
Audiosysteem
functies............................................... 239
Autobekleding.......................................... 192
Automatische vergrendeling.................... 122
Automatische versnellingsbak......... 141, 142
aanhanger........................................... 159
beveiligingssystemen......................... 143
knop W............................................... 142
lock-upfunctie..................................... 143
slepen en bergen................................ 155
Automatische wasstraten........................ 190
12 Alfabetisch register
Auto wassen............................................ 190
AUX.......................................................... 239
AWD, vierwielaandrijving......................... 144
Bedieningspaneel op bestuurdersportier........................................................ 46, 69
Bekerhouders.................................. 104, 105
B
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 190
Bagagenet............................................... 112
Bagagerolhoes......................................... 114
Bagageruimte..........................................
bagagenet...........................................
bagagerolhoes....................................
elektrische aansluiting........................
houder voor boodschappentassen....
lading vervoeren.................................
veiligheidsrek......................................
verlichting...........................................
vloervak bagageruimte.......................
specificaties........................................ 174
winterbanden...................................... 176
110
112
114
114
115
111
113
101
115
Banden
algemene informatie........................... 174
bandenreparatie................................. 184
draairichting........................................ 176
onderhoud.......................................... 174
rijeigenschappen................................ 174
slijtage-indicator................................. 175
snelheidsaanduidingen....................... 174
spanning..................................... 177, 178
Beslagen ruiten.......................................... 84
achterruit............................................... 57
ontwasemen......................................... 90
Buitenspiegels........................................... 75
C
Cd
wisselaar............................................. 251
Cd-functies.............................................. 251
Condens aan binnenkant lampglazen..... 190
Condenswater......................................... 203
Beveiliging tegen overbelasting, schuifdak............................................................. 78
Contactsleutels........................................ 139
Blaasmonden
dashboard............................................ 85
Cruisecontrol............................................. 65
Blaasmonden in portierstijlen.................... 86
Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 206
BLIS, Blind Spot Information System 56, 151
D
BLIS-systeem (Blind Spot Information System).......................................................... 151
Dakbelasting............................................ 166
Boordcomputer.......................................... 61
Brandstof
brandstofbesparing............................ 177
brandstofverbruik, aanduiding.............. 61
standverwarming.................................. 91
tanken................................................. 134
12
Dashboardkastje...................................... 103
Diesel, voorgloeifunctie............................. 51
Dieselolie.................................................. 203
Display, meldingen.................................... 53
Dolby Surround Pro Logic II.................... 234
Doorwaaddiepte...................................... 133
Buitenafmetingen..................................... 276
291
12 Alfabetisch register
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem..... 51, 147
bediening............................................ 147
E
ECC, elektronische klimaatregeling..... 84, 88
ECO-bandenspanning............................. 177
tabel.................................................... 178
12
EHBO-set................................................. 181
EON, Enhanced Other Networks............. 249
Gesprekken
functies tijdens lopende gesprekken.. 260
Equalizer.................................................. 242
Gevarendriehoek..................................... 179
Externe geluidsbron
AUX-aansluiting.................................. 239
USB-aansluiting.................................. 240
Gewichten
aanhangergewicht.............................. 158
rijklaar gewicht.................................... 276
Extra verwarming....................................... 93
Gloeilampen, zie Verlichting............ 213, 287
Gordelwaarschuwing................................. 17
Elektrisch bedienbaar schuifdak................ 77
F
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 69
Flessenhouder achterin........................... 104
Elektrisch bedienbare stoel....................... 97
FSC, milieulabel......................................... 13
Elektrisch bedienbare zijruiten
achterin................................................. 71
blokkeren.............................................. 70
passagiersplaats............................. 70, 71
Elektrische aansluiting
achterbank............................................ 68
bagageruimte...................................... 114
middenconsole..................................... 56
Elektrische verwarming
achterruit......................................... 57, 90
buitenspiegels................................. 57, 90
voorstoelen........................................... 57
Elektrisch systeem................................... 287
292
Elektronische startblokkering.................. 120
Groot licht en dimlicht
wisselen................................................ 60
Grootlichtsignalen...................................... 60
H
G
Geïntegreerd kinderzitje............................. 37
Geluiden
audio-instellingen....................... 235, 241
geluidsbron................................. 235, 239
Geluidssterkte
telefoon............................................... 257
Handgeschakelde versnellingsbak.......... 140
slepen en bergen................................ 155
Handrem.............................................. 51, 67
Hogedruksproeiers koplampen................. 64
HomeLinkŸ EU.......................................... 79
Hoofdsleutel............................................. 120
Gemiddeld brandstofverbruik.................... 61
Hoofdsteun
middelste zitplaats achterbank........... 109
Gereedschap........................................... 180
Hoofdtelefoonaansluiting......................... 237
Houder voor boodschappentassen......... 115
12 Alfabetisch register
I
K
IMEI-nummer........................................... 262
Katalysator............................................... 286
bergen................................................. 156
In de was zetten....................................... 191
Informatiedisplay....................................... 53
Infotainment............................................. 234
Inklapbare buitenspiegels.......................... 55
Instap
achterbank.......................................... 108
Instructieboekje, milieulabel...................... 13
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 42
auto met stuur rechts........................... 44
Instrumentenpaneel................................... 47
Instrumentenverlichting............................. 59
Interieurfilter....................................... 84, 136
Interieurverlichting................................... 100
Interior Air Quality System, ECC................ 88
Intervalstand.............................................. 63
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes........................................................... 38
Kickdown
automatische versnellingsbak............ 143
Kinderen..................................................... 31
kinderslot...................................... 55, 125
kinderzitjes en airbags.......................... 31
kinderzitjes en SIPS-airbags................. 24
plaats in de auto, tabel......................... 33
positie in de auto.................................. 31
veiligheid............................................... 31
Kinderslot................................................... 55
Kinderzitje
neerklappen.......................................... 38
opklappen............................................. 37
Kompas...................................................... 72
kalibreren.............................................. 75
zone instellen........................................ 72
Koplampen
aan/uit................................................... 58
ABL....................................................... 59
Koplamphoogteregeling............................ 58
Koplampsproeiers...................................... 64
Koppelingsvloeistof, controleren en bijvullen............................................................ 207
Koudemiddel.............................................. 84
Koude start
automatische versnellingsbak............ 142
Krik........................................................... 180
Kinderzitje, geïntegreerd............................ 37
L
Kledinghaak............................................. 104
Lading op het dak.................................... 166
Kleurcode, lak.......................................... 194
Koelbox.................................................... 107
Lading vervoeren
algemene informatie................... 110, 166
bagageruimte...................................... 111
laadvermogen..................................... 166
lading op het dak................................ 166
lastdragers.......................................... 166
Koelsysteem............................................ 132
Lagetonenluidspreker.............................. 242
Klok, instellen............................................. 47
Knalgas.................................................... 157
Knipperlichten............................................ 60
12
293
12 Alfabetisch register
Lak
kleurcode............................................ 194
schade en herstel............................... 194
Lambdasonde.......................................... 286
Lekke band, zie Banden.................. 180, 182
Meters op het instrumentenpaneel
brandstofmeter.....................................
buitentemperatuurmeter.......................
dagteller................................................
snelheidsmeter.....................................
toerenteller............................................
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 192
Middenconsole achterin, verwijderen...... 108
Lichtbundel aanpassen............................ 167
Dual Xenon-koplampen...................... 167
halogeenkoplampen........................... 167
Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 13
Lampen, zie Verlichting............................ 213
Lampjes
stabiliteitssysteem.............................. 147
Leeslampjes............................................. 100
12
47
47
47
47
47
Mp3-functies............................................ 251
Muziekbestanden.................................... 251
MY KEY.................................................... 236
N
NEWS.............................................. 246, 249
Noodoproepen......................................... 256
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 179
Luchtverdeling........................................... 85
Mistlichten
achter.................................................... 59
vóór....................................................... 59
O
Luchtverdeling, AC.................................... 90
Motorkap................................................. 201
Olie, zie ook Motorolie....................... 51, 280
Omklappen, ruggedeelte achterbank...... 108
Meldingen op informatiedisplay................. 53
Motorolie.......................................... 204, 280
filter..................................................... 204
hoeveelheden..................................... 280
oliedruk................................................. 51
oliekwaliteit......................................... 280
ongunstige rijomstandigheden........... 280
vervangen........................................... 204
Meldingen voor BLIS............................... 153
Motorruimte............................................. 202
Menufuncties
audiosysteem..................................... 236
Motorspecificaties................................... 279
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte....................................................... 102
M
Massage
voorstoel............................................... 99
294
Menusysteem
audiosysteem..................................... 254
telefoon, menu-opties......................... 264
telefoon, overzicht.............................. 263
Motor starten........................................... 138
Onderhoud............................................... 199
onderhoud.......................................... 199
roestwering......................................... 195
One-key bell............................................. 259
Ontwaseming............................................. 90
Opbergvak....................................... 105, 106
12 Alfabetisch register
Opblaasgordijnen...................................... 26
Openen, motorkap................................... 201
P
PACOS....................................................... 22
deactiveren met sleutel......................... 22
PTY.....................................................
radio-instellingen................................
radiotekst............................................
radiozenders.......................................
regionaal.............................................
verkeersinformatie..............................
volumeregeling programmatypes.......
voorkeurzenders vastleggen..............
zenders zoeken...................................
247
244
247
244
249
246
246
244
245
Richtingaanwijzers..................................... 60
Rijden
in waterpartijen...................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
met geopende achterklep...................
nieuwe auto’s en gladde wegen.........
zuinig..................................................
133
132
158
132
132
132
Park Assist......................................... 56, 149
sensoren voor Park Assist.................. 150
Radiotekst................................................ 247
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 276
trekgewicht................................. 158, 276
Radiozenders opslaan............................. 244
Rijklaar gewicht........................................ 276
Parkeerlichten............................................ 58
RDS-functies............................................ 245
resetten............................................... 250
RND – Random........................................ 252
Recirculatie
ECC...................................................... 89
Roetfilter............................................ 53, 136
PACOS, schakelaar voor activering/deactivering....................................................... 22
Poetsen.................................................... 191
Provisorische bandenreparatie................ 184
PTY, programmatype............................... 247
Radiofuncties........................................... 244
REG, regionale radioprogramma’s.......... 249
Regensensor.............................................. 63
R
Radio
afstemfunctie...................................... 249
alarm................................................... 247
AUTOSTORE...................................... 244
EON.................................................... 249
NEWS......................................... 246, 249
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 220
Remmen
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 145
Remsysteem............................................ 145
Reservewiel.............................................. 180
compact reservewiel........................... 179
12
Roestwering............................................. 195
Roetfilter vol............................................. 136
Rolbeugels................................................. 29
ROPS (Roll-Over Protection System)........ 29
ROPS (Roll-Over Protection System) (Rolbeugels)..................................................... 29
Rugleuning
voorstoel, omklappen........................... 96
Ruitensproeiers.......................................... 64
Ruitenwissers............................................. 63
regensensor.......................................... 63
295
12 Alfabetisch register
S
Safelock-functie
alarmsensoren tijdelijk deactiveren.... 128
onderbreking...................................... 124
SCAN
radiozenders....................................... 245
12
Schoonmaken
automatische wasstraten................... 190
auto wassen....................................... 190
bekleding............................................ 192
veiligheidsgordels............................... 193
velgen................................................. 190
vuil- en waterafstotende laag............... 76
Schuifdak...................................................
beveiliging tegen overbelasting............
openen en sluiten.................................
ventilatiestand.......................................
zonnescherm........................................
77
78
77
77
78
Serviceprogramma.................................. 198
Simkaart................................................... 258
dubbele............................................... 262
SIPS-airbag................................................ 24
Sleepoog.................................................. 155
Slepen...................................................... 155
sleepoog............................................. 155
296
Sleutel...................................................... 120
transpondersleutel.............................. 120
Stadslichten............................................... 58
Smeermiddelen........................................ 282
Standverwarming
accu en brandstof.................................
algemene informatie.............................
lampjes en displaymeldingen...............
tijd instellen...........................................
Smeermiddelen, hoeveelheden............... 282
Sms.......................................................... 261
schrijven.............................................. 261
Snelnummers........................................... 259
Spiegels
achteruitkijk-.........................................
buiten-..................................................
elektrische verwarming.........................
elektrisch inklapbare.............................
kompas.................................................
Stand-by, telefoon................................... 257
93
91
91
92
Startblokkering........................................ 139
72
75
57
75
72
Spin Control............................................. 147
Sproeiers
achterruit............................................... 64
koplampen............................................ 64
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 205
voorruit.................................................. 64
Starten met hulpaccu.............................. 157
Steenslagplekken en krassen.................. 194
Sticker SIPS-airbags.................................. 24
Stoel
elektrisch bedienbare........................... 97
handmatig verstelling........................... 96
Stoelen en achterbank
elektrische verwarming......................... 57
ruggedeelte achterbank omklappen... 108
rugleuning voorstoel omklappen.......... 96
SRS-AIRBAG............................................. 20
Stuurbekrachtigingsvloeistof, controleren
en bijvullen............................................... 207
SRS-systeem............................................. 20
algemene informatie............................. 20
Stuurslot.................................................. 138
Stabiliteitssysteem................................... 147
aanduiding............................................ 51
deactiveren/activeren......................... 147
lampjes............................................... 147
Stuurwiel
cruisecontrol......................................... 65
stuurwielafstelling................................. 68
toetsenset..................................... 65, 236
12 Alfabetisch register
Stuurwiel afstellen...................................... 68
Subwoofer............................................... 242
Surround.................................................. 242
Symbolen
controlesymbolen................................. 50
waarschuwingssymbolen..................... 49
sneltoetsen.........................................
telefoonboek.......................................
verkeersveiligheid...............................
volumeverlaging tijdens gesprekken. .
258
261
258
257
Telefoonsysteem...................................... 255
Temperatuurregeling.................................. 90
Tanken
tankdop............................................... 136
tanken................................................. 136
Toetsensets op stuurwiel................... 65, 236
Totaalgewicht.......................................... 276
Typegoedkeuring, transpondersleutelsysteem......................................................... 289
U
Uitlaatgasreiniging
foutmelding........................................... 51
12
USB, aansluiting...................................... 240
TP, verkeersinformatie..................... 246, 248
Technische gegevens, motor.................. 279
Tractieregeling......................................... 147
Telefoon
aan/uit.................................................
bediening............................................
bellen..................................................
berichten.............................................
geheugen............................................
gesprek beantwoorden.......................
gesprekken beëindigen......................
gespreksvolume.................................
laatst gekozen nummers....................
one-key bell........................................
privacy-handset..................................
simkaart..............................................
Traction Control....................................... 147
257
256
258
261
261
258
259
260
259
259
259
258
Type-aanduidingen.................................. 274
Telefoonboek........................................... 261
Temperatuur
werkelijke temperatuur......................... 84
T
Trillingsdemper........................................ 160
Transpondersleutel
functies............................................... 120
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring..................................................... 289
Trekgewicht..................................... 158, 276
Trekhaak.......................................... 158, 162
algemene informatie................... 158, 160
monteren............................................ 162
specificaties........................................ 161
verwijderen......................................... 164
V
Veiligheidsgordel
zwangerschap...................................... 17
Veiligheidsgordels...................................... 16
gordelspanners..................................... 17
Veiligheidsrek........................................... 113
Veiligheidszitje........................................... 31
aanbevolen........................................... 33
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................ 38
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 160
297
12 Alfabetisch register
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................ 38
veiligheidsgordel met speciale blokkeerfunctie............................................ 39
Velgen
schoonmaken..................................... 190
Ventilator
ECC...................................................... 90
12
Vergrendelen/ontgrendelen
aan de binnenzijde..............................
achterklep...........................................
dashboardkastje.................................
van de buitenzijde...............................
123
123
123
122
Verkeersinformatie........................... 246, 248
Verlichting................................................ 213
"Follow Me Home"-verlichting.............. 60
actieve Dual Xenon-koplampen..... 56, 59
automatische verlichting, dimlicht........ 58
automatische verlichting, interieur...... 101
bagageruimte...................................... 101
exterieur................................................ 58
gloeilampen, specificaties.................. 287
groot licht/dimlicht................................ 58
in interieur........................................... 100
instrumentenverlichting........................ 59
koplamphoogteverstelling.................... 58
leeslampjes......................................... 100
298
lichtbundel aanpassen aan links-/
rechtsrijdend verkeer, ABL........... 56, 167
mistachterlicht...................................... 59
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten......................................... 58
verlichtingspaneel, interieur.................. 58
Verlichting, gloeilampen vervangen.........
achterlamphuis...................................
achterlicht...........................................
dimlicht, halogeen..............................
groot licht............................................
groot licht, actieve xenonkoplampen.
groot licht, halogeen...........................
groot licht, xenonlamp........................
instapverlichting..................................
kentekenplaatverlichting.....................
kofferbak.............................................
make-upspiegel..................................
mistachterlicht....................................
mistlampen vóór.................................
positie van gloeilampen in koplamphuis.....................................................
richtingaanwijzer.................................
sidemarker..........................................
stadslichten........................................
voorzijde.............................................
213
216
215
214
215
215
215
215
218
218
219
219
218
216
Versnellingsbak
automatische...................................... 141
handgeschakelde............................... 140
Verstralers.................................................. 56
Verwarming
op brandstof......................................... 91
Verzorging................................................ 190
Verzorging, leren bekleding..................... 192
Vierwielaandrijving, AWD......................... 144
Vlekken.................................................... 192
Vloeistoffen, hoeveelheden...................... 282
Vloeistoffen en oliën......................... 204, 282
Vloeistoffen en oliën, algemene informatie............................................................. 199
Vloeistoffen en oliën, controles motorruimte....................................................... 205
Vloermatten................................................ 97
Vloervak bagageruimte............................ 115
214
216
215
215
213
Verschuifbare stoel.................................. 108
Volumeregeling........................................ 239
Voorgloeifunctie motor.............................. 51
Voorstoel
lendensteun.......................................... 99
massage............................................... 99
12 Alfabetisch register
W
Wisser
achterruit............................................... 64
Waarschuwingslampje
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 147
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem. . 18
Water- en vuilafstotende laag.................... 76
Water- en vuilafstotende laag, schoonmaken........................................................... 191
Werking interieurventilator......................... 84
Whiplash-letsel.......................................... 27
WHIPS
whiplash-letsel...................................... 27
WHIPS-systeem
kinderzitje/comfortkussen.................... 27
Wielen
aanbrengen.........................................
demonteren........................................
reservewiel..........................................
sneeuwkettingen.................................
verwisselen.........................................
183
182
180
176
182
Wisserbladen...........................................
schoonmaken.....................................
vervangen, voorruit.............................
vervangen achterklep.........................
209
209
209
210
Z
Zekeringen...............................................
algemene informatie...........................
houder in bagageruimte.....................
kastje aan zijkant dashboard..............
kastje in interieur.................................
kastje in kofferbak, Executive.............
kastje in motorruimte..........................
vervangen...........................................
12
220
220
228
224
226
230
222
220
Zonnescherm, schuifdak........................... 78
Zuinig rijden............................................. 132
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 17
Willekeurige afspeelvolgorde, cd- en
muziekbestanden..................................... 252
Winterbanden.......................................... 176
Wisselen
groot licht en dimlicht........................... 60
299
VOLVO XC90
Instructieboekje
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&%.'&9jiX]!6I%.'%Eg^ciZY^cHlZYZc!<ŽiZWdg\'%%.!8deng^\]i'%%%"'%%.Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising