Volvo | XC90 | Gebruikershandleiding | Volvo XC90 2007 Late Gebruikershandleiding

Volvo XC90 2007 Late Gebruikershandleiding
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben.
Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw medepassagiers voorop gestaan. Een Volvo is een van de veiligste
auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle
geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan
om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de
onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
00 Inleiding
01 Veiligheid
Inleiding ............................................... 6
Volvo Car Corporation en
het milieu ............................................. 7
Veiligheidsgordels ............................. 12
Airbagsysteem .................................. 15
Airbags (SRS) .................................... 16
Airbag (SRS) activeren/
deactiveren........................................ 19
SIPS-airbags (zij-airbags).................. 21
Opblaasgordijn (IC-systeem)............. 23
WHIPS-systeem................................ 24
ROPS-systeem.................................. 26
Activering van de
veiligheidssystemen .......................... 27
Kinderen en veiligheid ....................... 28
02 Instrumenten, schakelaars
en bediening
Overzicht auto’s met het
stuur links...........................................38
Overzicht auto’s met het
stuur rechts ........................................40
Bedieningspaneel op bestuurdersportier...............................................42
Instrumentenpaneel ...........................43
Controle-en
waarschuwingslampjes......................44
Informatiedisplay ...............................47
Schakelaars op middenconsole.........48
Verlichtingspaneel..............................51
Linker stuurhendel .............................53
Rechter stuurhendel ..........................55
Cruisecontrol (optie) ..........................57
Stuurwielafstelling, alarmlichten ........58
Parkeerrem, elektrische
aansluiting, motorkap, e.d. ................59
Elektrisch bedienbare ruiten ..............61
Achteruitkijkspiegel
en buitenspiegels...............................63
Elektrisch bedienbaar
schuifdak (optie).................................66
00 01 02
2
Inhoud
03 Klimaatregeling
04 Interieur
05 Sloten en alarm
Algemene informatie over
de klimaatregeling ............................. 70
Elektronische klimaatregeling,
ECC ................................................... 72
Standverwarming op
brandstof (optie) ................................ 75
Voorstoelen ........................................80
Interieurverlichting .............................82
Sleutels en afstandsbediening ........ 100
Vergrendelen en ontgrendelen......... 103
Opbergmogelijkheden
in passagiersruimte............................84
Achterbank.........................................89
Kinderslot ........................................ 106
Alarm (optie) .................................... 108
03 04 05
Bagageruimte ....................................91
3
Inhoud
06 Starten en rijden
07 Wielen en banden
08 Verzorging
Algemene informatie........................ 112
Brandstof tanken ............................. 114
Algemene informatie ....................... 152
Bandenspanning ............................. 155
Schoonmaken.................................. 176
Lakschade herstellen.......................179
Motor starten................................... 116
Handgeschakelde
versnellingsbak................................ 118
Gevarendriehoek en reservewiel....... 157
Wielen verwisselen.......................... 160
Roestwering.....................................180
06 07 08
Automatische versnellingsbak......... 119
Vierwielaandrijving........................... 122
Remsysteem.................................... 123
Stabiliteits- en
tractieregelsysteem ......................... 125
Parkeerhulp (optie)........................... 127
BLIS, Blind Spot Information System
(optie)............................................... 129
Slepen en bergen ............................ 132
Starten met hulpaccu ...................... 134
Rijden met een aanhanger............... 135
Trekhaak .......................................... 137
Afneembare trekhaak ...................... 139
Lading vervoeren ............................. 144
Lichtbundel aanpassen ................... 146
4
Bandenspanningscontrolesysteem ... 162
Provisorische bandenreparatie ......... 164
Inhoud
09 Onderhoud en service
10 Infotainment
11 Specificaties
Volvo Service................................... 184
Onderhoud ...................................... 185
Algemene informatie ........................212
Audio, bedieningspanelen ...............213
Typeaanduidingen ........................... 242
Maten en gewichten ........................ 243
Motorkap en motorruimte ............... 186
Dieselolie ......................................... 187
Functies audiosysteem ....................217
Radiofuncties ...................................220
Motorspecificaties ........................... 244
Motorolie.......................................... 245
Oliën en vloeistoffen........................ 188
Wisserbladen................................... 192
Cd-functies ......................................226
Menusysteem, audiosysteem ..........228
Vloeistoffen en smeermiddelen......... 247
Brandstof......................................... 248
Accu ................................................ 193
Gloeilampen vervangen................... 196
Telefoonfuncties (optie) ....................229
Menusysteem, telefoon....................236
Katalysator....................................... 250
Elektrisch systeem .......................... 251
09 10 11
Zekeringen ...................................... 202
5
Inleiding
Inleiding
Instructieboekje
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, bij voorkeur voordat u uw eerste rit
maakt. Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt u tips hoe u het beste in verschillende situaties met de auto kunt omgaan en leert
u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle
mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook
aandacht aan de veiligheidsinstructies in het
boekje:
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven aan dat er
gevaar voor persoonlijk letsel bestaat, als u
de instructies niet opvolgt.
BELANGRIJK
“Belangrijk”-teksten geven aan dat het gevaar bestaat dat de auto beschadigd raakt,
als u de instructies niet opvolgt.
De in het instructieboekje beschreven uitrusting is niet op alle modellen aanwezig. Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit
instructieboekje ook de opties (af fabriek gemonteerde uitrusting) en bepaalde accessoires (extra uitrusting) beschreven.
6
N.B.
De uitrusting van de auto’s van Volvo hangt
af van de verschillende behoeften op de diverse markten en de landelijke en/of regionale wet-en regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
Inleiding
Volvo Car Corporation en het milieu
Milieubeleid van Volvo
Zorg voor het milieu, veiligheid en kwaliteit zijn
de drie kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We
zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze
zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. De meeste eenheden
binnen de Volvo Car Corporation zijn gecertificeerd voor de milieunorm ISO 14001, hetgeen
tot voortdurende verbeteringen op milieugebied leidt.
Alle Volvo-modellen hebben een milieuverklaring (EPI of Environmental Product Information), waarin u zelf de milieu-impact van de
verschillende modellen en motoren gedurende
de totale levenscyclus kunt vergelijken.
Bezoek www.volvocars.com/EPI om meer te
lezen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu op pagina 9.
7
Inleiding
Volvo Car Corporation en het milieu
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
Schoon aan binnen- en buitenkant – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënt uitlaatgasreinigingssysteem. In veel gevallen liggen
uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Op de radiateur zit bovendien PremAir®1, een
speciale laag die schadelijk laaghangend ozon
kan omzetten in zuivere zuurstof wanneer het
ozon langs de radiateur stroomt. Hoeveel
ozon er wordt omgezet hangt af van het ozongehalte van de buitenlucht.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS2 (Interior Air Quality System), zorgt ervoor dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het
verkeer.
1
Optie op vijfcilindermotoren.
PremAir ® is een gedeponeerd handelsmerk
van de Engelhard Corporation.
2 Optie
8
Het systeem bestaat uit een elektronische
sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en als
het gehalte aan schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen
in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Alle stoelhoezen en bekledingsstoffen
zijn getest op stoffen en emissies die schadelijk zijn voor de gezondheid en allergische
reacties kunnen veroorzaken. Dit betekent dat
alle stoffen voldoen aan de eisen van de textielnorm Öko-Tex 1003 – een enorme stap op
weg naar een gezonder milieu in de passagiersruimte.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoorbeeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte garens en stoffen. De leren
bekledingsvarianten zijn chroomvrij gelooid
met plantaardige stoffen en voldoen aan de
gestelde certificeringseisen.
3 Op
www.oekotex.com vindt u meer informatie
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur
en een laag brandstofverbruik van de auto en
op die manier bijdragen aan een schoner milieu. Wanneer u de reparaties en het onderhoud aan de auto toevertrouwd aan de werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een onderdeel van ons systeem. We stellen duidelijke
milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen dat er schadelijke
stoffen vrijkomen in het milieu. Het personeel
in de werkplaatsen van Volvo beschikt over de
kennis en het gereedschap om optimale zorg
voor het milieu te kunnen garanderen.
Inleiding
Volvo Car Corporation en het milieu
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te beschermen door zuinig te rijden, milieuvriendelijke autoverzorgingsproducten te kopen en de
auto te onderhouden of te laten onderhouden
aan de hand van de aanwijzingen in het instructieboekje.
Hier volgen enkele tips voor hoe u het milieu
kunt ontzien:
• Verlaag het brandstofverbruik door de zogeheten ECO-bandenspanning aan te houden (zie pagina 155).
• Lading op het dak en een
skibox resulteren in een
grotere luchtweerstand
waardoor het brandstofverbruik aanzienlijk toeneemt. Verwijder ze
daarom meteen na gebruik.
• Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belading van de auto, des te
hoger het brandstofverbruik.
• Gebruik altijd de elektrische motorverwarming bij een koudestart, als de auto hiermee is uitgerust. Hierdoor nemen het
brandstofverbruik en de uitstoot af.
• Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
• Rijd in de hoogst mogelijke versnelling. Een lager
toerental zorgt voor een
lager verbruik.
• Laat het gaspedaal los
wanneer u van een helling
afrijdt.
• Rem op de motor af om vaart te minderen.
• Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u lang stilstaat in een file.
• Hanteer afvalstoffen die
schadelijk voor het milieu
zijn, zoals accu’s en olie,
op een milieuvriendelijke
manier. Neem contact op
met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker
weet hoe u dergelijk afval moet verwerken.
• Onderhoud uw auto regelmatig.
• Bij hoge snelheden neemt het verbruik aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand. Bij een verdubbeling van de snelheid
neemt de luchtweerstand met een factor
vier toe.
Door deze tips op te volgen kan het brandstofverbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of het plezier in het autorijden. U spaart uw auto, bespaart geld en
gebruikt minder van de hulpbronnen op aarde.
9
Veiligheidsgordels ..................................................................................... 12
Airbagsysteem .......................................................................................... 15
Airbags (SRS) ............................................................................................ 16
Airbag (SRS) activeren/deactiveren........................................................... 19
SIPS-airbags (zij-airbags)..........................................................................21
Opblaasgordijn (IC-systeem).....................................................................23
WHIPS-systeem ........................................................................................24
ROPS-systeem..........................................................................................26
Activering van de
veiligheidssystemen .................................................................................. 27
Kinderen en veiligheid ...............................................................................28
10
VEILIGHEID
01
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Draag altijd een veiligheidsgordel
naar binnen trekken. Als de gordel niet
volledig wordt opgerold, moet u de gordel
handmatig zo ver terugrollen dat deze niet
langer slap hangt.
De gordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken
• wanneer u de gordel te snel uittrekt
• wanneer u remt of optrekt
• als de auto sterk overhelt
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel
goed tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben.
De veiligheidsgordel omdoen:
– Trek de gordel langzaam uit en maak deze
vast door de borglip in de sluiting te steken.
Een duidelijke “klik” geeft aan dat de gordel
vastzit.
Gordel losmaken:
– Druk op de rode knop van de vergrendeling. Laat het oprolmechanisme de gordel
12
Let erop dat
• gebruik geen klemmen of andere accessoires die ervoor zorgen dat u de gordel niet
strak langs uw lichaam kunt trekken
• zorg dat er geen slagen in de gordel zitten
en dat hij nergens achter blijft steken
• de heupgordel moet laag zitten (niet over
de buik)
• u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke gordel is bestemd ter bescherming van
slechts een persoon.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats. Als de gordel zwaar
belast werd, bijvoorbeeld tijdens een aanrijding, moet de complete gordel worden vervangen. De gordel kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de gordel ogenschijnlijk niet
beschadigd is. Vervang de gordel ook als
deze versleten of beschadigd is. De nieuwe
veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en
bedoeld voor montage op dezelfde positie
als de vervangen gordel.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
Gordelwaarschuwing
Wanneer iemand de gordel niet draagt, gaan
er waarschuwingslampjes branden en worden geluidssignalen afgegeven. Of er geluidssignalen klinken hangt af van de snelheid. De
waarschuwingslampjes zitten in de plafondconsole en op het instrumentenpaneel. Bij
lage snelheid vallen de geluidssignalen na zes
seconden stil.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor
de achterbank is tweeledig:
• Aangeven met een melding op het informatiedisplay welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. De melding
wordt na ca. 30 seconden automatisch gewist, maar kan ook handmatig worden bevestigd door op de knop READ te drukken.
• Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in combinatie met een geluidssignaal en een waarschuwingslampje. De waarschuwing stopt
wanneer de gordel weer is omgedaan,
maar kan ook handmatig worden bevestigd
door op de knop READ te drukken.
De melding op het informatiedisplay, die aangeeft welke gordels er gebruikt worden, is altijd beschikbaar. Druk op de knop READ om
de opgeslagen meldingen te zien.
Bepaalde markten
Wanneer iemand de gordel niet draagt, gaan
er waarschuwingslampjes branden en worden er geluidssignalen afgegeven. Bij lage
snelheid vallen de geluidssignalen na zes seconden stil.
01
Veiligheidsgordel en zwangerschap
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de gordel altijd op de juiste manier draagt.
De gordel moet strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de borsten en tegen de zijkant van de buik ligt. Het heupgedeelte van de
gordel moet vlak tegen de buitenkant van de
bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder
de buik liggen. Het mag nooit over de buik
omhoog kunnen glijden. De gordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de gordel
nergens gedraaid zit.
13
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze
met gemak bij het stuur en de pedalen moeten
kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te
maken.
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels (met uitzondering van
de gordel midden achter) hebben gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam
spant. De gordel kan de passagier daarmee
beter in de stoel gedrukt houden.
14
01 Veiligheid
Airbagsysteem
Waarschuwingslampje op
instrumentenpaneel
01
Behalve het waarschuwingslampje verschijnt er, in die gevallen waarin dat nodig is, een
melding op het informatiedisplay. Als het waarschuwingslampje niet werkt, gaat het
waarschuwingsdriehoekje
branden en verschijnt er SRSAIRBAG SERVICE SPOED
op het display. Neem zo spoedig mogelijk contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Het airbagsysteem1 wordt continu gecontroleerd door de regeleenheid. Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat
branden, wanneer u de contactsleutel naar
stand I, II of III draait. Het lampje dooft na ca.
zeven seconden, wanneer de regeleenheid
heeft vastgesteld dat het airbagsysteem1
geen storingen vertoont.
1 Omvat
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
lampje kan ook duiden op een storing in de
gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het
IC-systeem. Neem zo spoedig mogelijk contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
SRS en gordelspanners, SIPS en IC.
15
01 Veiligheid
01
Airbags (SRS)
Airbag (SRS) aan de bestuurderszijde
Airbag (SRS) aan de passagierszijde
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
WAARSCHUWING
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels
ook een airbag (SRS- Supplemental Restraint
System) in het stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het midden van het stuurwiel. Het
stuurwiel is voorzien van het opschrift
SRS AIRBAG.
Als aanvulling op de veiligheidsgordel van de
passagiersstoel heeft uw auto ook een passagiersairbag (SRS, Supplemental Restraint
System). De airbag aan de passagierszijde1 zit
opgevouwen in een ruimte boven het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van het
opschrift SRS AIRBAG.
16
1 Zie
pagina 19 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passagiersstoel als de airbag (SRS) geactiveerd is.1
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen die kleiner zijn dan
1,40 m mogen nooit op de passagiersstoel
plaatsnemen, als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
1 Niet
alle auto’s hebben een airbag (SRS) aan
de passagierszijde. Afhankelijk van de vraag
of de airbag besteld werd tijdens het verkoopproces.
01 Veiligheid
Airbags (SRS)
SRS-systeem
01
N.B.
De airbags werken dusdanig dat de capaciteit ervan wordt afgestemd op de botskracht waaraan de auto blootstaat.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het SRS-systeem kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden
tot ernstig letsel.
SRS-systeem, auto met het stuur links
Het systeem bestaat uit airbags en sensoren.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna de airbag wordt opgeblazen. Daarbij wordt de airbag warm. Om
de klap op te vangen loopt de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag raakt. Daarbij
treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de airbag, neemt
enkele tienden van een seconde in beslag.
SRS-systeem, auto met het stuur rechts
N.B.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet. Het kan dan ook zijn dat er bij
ongelukken slechts een (of geen enkele) van
de airbags wordt opgeblazen. Het SRSsysteem registreert de botskracht waaraan
de auto blootstaat en stemt de activering
van één of meerdere airbags daarop af.
17
01 Veiligheid
01
Airbags (SRS)
Positie van de airbag aan de passagierszijde in
een auto met het stuur links of rechts
WAARSCHUWING
Verricht nooit zelf werkzaamheden aan de
onderdelen van het SRS-systeem in het
stuurwiel of op het paneel boven het dashboardkastje.
Plaats geen voorwerpen of accessoires op
of in de buurt van het SRS AIRBAG-paneel
(boven het dashboardkastje) of binnen de
actieradius van de airbag.
18
01 Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
PACOS (optie)
Activeren/deactiveren
01
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met een airbag (SRS)
aan de passagierszijde maar geen PACOS
heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passagiersstoel wanneer de airbag aan de passagierszijde geactiveerd is. Laat evenmin
personen die kleiner zijn dan 1,40 m op
deze stoel plaatsnemen.
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag (SRS)
aan de passagierszijde gedeactiveerd is
Schakelaar voor PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch)
De airbag (SRS) aan de passagierszijde voorin
kan gedeactiveerd worden met een schakelaar. Dit is bijvoorbeeld noodzakelijk als daar
een kind in een kinderzitje moet zitten.
De schakelaar zit aan de passagierszijde aan
de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen. Controleer of de schakelaar in de gewenste stand
staat. Volvo adviseert u de contactsleutel te
gebruiken om de stand te wijzigen. (U kunt
ook andere voorwerpen gebruiken die qua
vorm op een sleutel lijken.)
Aanduiding
Een tekstmelding op het plafondpaneel geeft
aan dat de airbag (SRS) aan de passagierszijde is gedeactiveerd.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Laat personen die groter zijn dan 1,40 m
nooit plaatsnemen op de passagiersstoel
wanneer de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
19
01 Veiligheid
01
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
Stand van de schakelaar
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de tekst op het plafondpaneel aangeeft dat de airbag (SRS)
aan die kant gedeactiveerd is. Het duidt op
een ernstige storing. Bezoek onmiddellijk
een erkende Volvo-werkplaats.
20
SRS-schakelaar in stand ON
SRS-schakelaar in stand OFF
ON = De airbag (SRS) is geactiveerd. Met de
schakelaar in deze stand kunnen passagiers
groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op de
voorstoel zitten, maar kinderen in een kinderzitje of op een verhogingskussen beslist niet.
OFF = De airbag (SRS) is gedeactiveerd. Met
de schakelaar in deze stand kunnen kinderen
in een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten, maar
passagiers groter dan 1,40 m beslist niet.
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
SIPS-airbags, (zij-airbags)
01
WAARSCHUWING
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen en
de portierpanelen, omdat dit gebied binnen
de actieradius van de SIPS-airbag ligt.
WAARSCHUWING
Gebruik alleen stoelhoezen van Volvo of
stoelhoezen die door Volvo goedgekeurd
zijn. Andere stoelhoezen kunnen de werking
van de SIPS-airbags hinderen.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
Positie van de SIPS-airbags
Een groot deel van de botskracht wordt door
het SIPS-systeem (Side Impact Protection
System) over balken, stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verspreid. De
SIPS-airbags aan de bestuurders- en de passagierszijde beschermende borstkas en vormen een belangrijk onderdeel van het SIPSsysteem. De SIPS-airbags zijn aangebracht in
de rugleuningframes van de voorstoelen.
Opgeblazen SIPS-airbag
WAARSCHUWING
De SIPS-airbags vormen een aanvulling op
het SIPS-systeem. Draag altijd een veiligheidsgordel.
Een SIPS-airbag heeft geen nadelige invloed
op de beschermende werking van kinderzitjes
of verhogingskussens in de auto.
Het is mogelijk een kinderzitje/verhogingskussen op de voorstoel te plaatsen, als de auto
aan de passagierszijde niet is uitgerust met
een geactiveerde1 airbag.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het SIPS-systeem kunnen storingen in de werking en ernstig letsel veroorzaken.
1 Zie
pagina 19 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
21
01 Veiligheid
01
SIPS-airbags (zij-airbags)
SIPS-airbag
Bestuurderszijde
Het SIPS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna de SIPS-airbag
wordt opgeblazen. De SIPS-airbag wordt vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en
het portierpaneel. Daarmee wordt de klap van
de aanrijding opgevangen, waarna de airbag
weer leegloopt. De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen opgeblazen aan de
kant van de aanrijding.
22
Passagierszijde
01 Veiligheid
Opblaasgordijn (IC-systeem)
01
Eigenschappen
Het opblaasgordijn van het IC-systeem (Inflatable Curtain) vormt een aanvulling op het
SIPS-systeem. Het zit verborgen achter de
plafondbekleding langs beide zijden van de
auto en beschermt inzittenden zowel voor- als
achterin. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna de opblaasgordijnen worden geactiveerd. Het systeem helpt voorkomen dat de bestuurder en
eventuele passagiers bij een botsing met hun
hoofd tegen de binnenkant van de auto slaan.
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit iets aan de handgrepen aan het plafond. De haak is alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken
(en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, de portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Er mogen
uitsluitend originele Volvo-onderdelen, bestemd voor montage op deze plaatsen,
worden gebruikt.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de zijruiten.
Anders is het mogelijk dat het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding geen bescherming meer biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
23
01 Veiligheid
01
WHIPS-systeem
Bescherming tegen whiplash-letsel,
WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen op de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en
de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel. Draag altijd een
veiligheidsgordel.
24
Eigenschappen van de stoel
Bij activering van het WHIPS-systeem bewegen de rugleuningen van de voorstoelen naar
achteren, zodat de positie van de bestuurder
en de passagier op de voorstoelen verandert.
Zo wordt de kans op een zogeheten whiplash
beperkt.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de stoel of
het WHIPS-systeem aan en probeer ze
nooit zelf te repareren. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
WHIPS-systeem en kinderzitjes/
verhogingskussens
Het WHIPS-systeem heeft geen nadelige invloed op de beschermende werking van de
kinderzitjes of verhogingskussens in de auto.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de bestuurder en de voorpassagier zo veel mogelijk
in het midden van de stoel plaatsnemen en de
afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun zo
klein mogelijk houden.
01 Veiligheid
WHIPS-systeem
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet nadelig beïnvloedt
01
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten controleren bij een erkende Volvo-werkplaats.
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk intact
is.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats om het systeem te laten controleren, ook na een lichte aanrijding van achteren.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
nadelig beïnvloedt.
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt neergeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het neergeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
25
01 Veiligheid
01
ROPS-systeem
ROPS-systeem
Het Roll-Over Protection System van Volvo is
ontwikkeld om het gevaar te beperken dat de
auto over de kop slaat en maximale bescherming te bieden als een ongeluk onvermijdelijk
blijkt.
Het systeem bestaat uit:
• een stabilisatiesysteem, het RSC (Roll Stability Control) dat het gevaar beperkt dat de
auto kantelt en over de kop slaat wanneer u
bijvoorbeeld krachtig afremt of in de slip
raakt;
• een aanvulling op de inzittendenbeveiliging
door het gebruik van carrosserieverstevigingen, opblaasgordijnen en gordelspanners op alle zitplaatsen (zie ook pagina 14
en pagina 23).
Het RSC-systeem maakt gebruik van een gyrosensor die wijzigingen in de helling overdwars registreert. Aan de hand van deze informatie wordt vervolgens berekend hoe groot
de kans is dat de auto over de kop slaat. Als
het gevaar reëel is, treedt het DSTC-systeem
in werking. Het motortoerental wordt daarbij
verlaagd en één of meer van de wielen worden
afgeremd, totdat de auto zijn stabiliteit hervonden heeft.
Zie pagina 46 en 125 voor meer informatie
over het DSTC-systeem.
26
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
RSC-systeem voor een betere wegligging.
Dit mag echter voor u geen reden zijn om
sneller te gaan rijden. Neem altijd de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen bij het rijden.
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
Gordelspanners
Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of kantelen.
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing1.
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij1.
Opblaasgordijn (IC-systeem)
Bij een aanrijding in de zij1.
WHIPS-systeem
Bij aanrijdingen van achteren.
RSC-systeem
Wanneer de auto bijvoorbeeld krachtig afremt of in de slip raakt.
01
1
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het
gewicht van het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op de wijze van
activering van de verschillende veiligheidssystemen op de auto.
Wanneer de airbags werden opgeblazen,
wordt u het volgende geadviseerd:
• Sleep de auto naar een erkende Volvowerkplaats. Rijd niet in een auto met opgeblazen airbags.
• Laat het vervangen van de onderdelen van
de veiligheidssystemen in de auto over aan
een erkende Volvo-werkplaats.
• Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordelspanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het SRS zit in de middenconsole. Ontkoppel de accukabels als
de vloer van de passagiersruimte vol water
of een andere vloeistof staat. Probeer de
auto niet te starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Sleep de
auto naar een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
27
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en
veilig zitten
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
Kinderzitjes en airbags
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Door het gebruik van originele Volvoonderdelen bent u er zeker van dat de bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op de
juiste wijze zijn aangebracht en sterk genoeg
zijn.
Het volgende kan worden gebruikt:
• een kinderzitje/verhogingskussen op de
passagiersstoel, zolang de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd1 is.
• een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank dat tegen de rugleuning
van de voorstoel steunt.
De plaats van het kind in de auto en de vereiste uitrusting is afhankelijk van het gewicht en
de lengte van het kind (zie pagina 30 voor
meer informatie).
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
28
Kinderzitje en gordelwaarschuwing
Als u een baby- of kinderzitje (achterstevoren)
op de passagiersstoel hebt aangebracht en
met de aanwezige veiligheidsgordel hebt vastgezet, wordt er niet altijd een gordelwaarschuwing gegeven. Controleer daarom altijd of de
gordel goed in de sluiting steekt, voordat u
wegrijdt!
1 Zie
pagina 19 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd is1.
Als de airbag wordt geactiveerd, kan een kind
in een kinderzitje aan de passagierszijde ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
Personen kleiner dan 1,40 m mogen alleen
op de voorstoel plaatsnemen, wanneer de
airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Positie van airbagsticker in voorportieropening
aan passagierszijde
Sticker op zijwand dashboard
01
Sticker op zijwand dashboard (alleen Australië)
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passagiersstoel, als de airbag (SRS) geactiveerd1
is. Het niet opvolgen van de deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
1 Zie
pagina 19 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
29
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Plaats van kinderen in de auto
Gewicht
(leeftijd)
Passagiersstoel met geactiveerde1
airbag (SRS)
Passagiersstoel zonder (of met gedeactiveerde1) airbag (SRS)
(optie)
<10 kg
(tot 9 maanden)
Ongeschikte plaats voor deze leeftijdscategorie.
Mogelijkheden:
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel
en extra bevestigingsband.
Typegoedk.: E5031352
• Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel.
Typegoedk.: E5 031602
• Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met ISOFIX-systeem.
Typegoedk.: E5 031622
9–18 kg
(9–36
maanden)
Ongeschikte plaats voor deze leeftijdscategorie.
Mogelijkheden:
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel
en extra bevestigingsband.
Typegoedk.: E5 031352
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met ISOFIX-systeem.
Typegoedk.: E5 031612
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met ISOFIX-systeem.
Typegoedk.: E5 031632
15–36 kg
(3–12 jaar)
1
Ongeschikte plaats voor deze leeftijdscategorie.
Gordelkussen met of zonder rugleuning.
Typegoedk.: E5 03139
Zie pagina 16 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
2Geschikt
voor speciale kinderzitjes (zie overzicht onder genoemde typegoedkeuring). Kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald merk auto, voor een
beperkte groep merken, semi-universeel of universeel zijn.
30
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht
(leeftijd)
<10 kg
(tot 9 maanden)
01
Derde zitrij op model
met zeven zitplaatsen.
Tweede zitrij, buitenste zitplaatsen1
Tweede zitrij, middelste zitplaats1
Mogelijkheden:
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel, steun en extra
bevestigingsband. Typegoedk.: E5 031352
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel, steun en
bevestigingsband.
Typegoedk. E5 031352
Ongeschikte plaats voor
deze leeftijdscategorie.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel, steun en
bevestigingsband.
Typegoedk.: E5 031352
Ongeschikte plaats voor
deze leeftijdscategorie.
Mogelijkheden:
• Gordelkussen met of zonder rugleuning.
Typegoedk.: E5 031392
Gordelkussen met of zonder
rugleuning.
Typegoedk.: E5 031392
• Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel en steunbeen.
Typegoedk.: E5 031602
• Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met ISOFIX-systeem en steunbeen.
Typegoedk.: E5 03162
9–18 kg
(9–36 maanden)
Mogelijkheden:
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel, steun en extra
bevestigingsband. Typegoedk.: E5 0313522
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel en steunbeen.
Typegoedk.: E5 031612
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met ISOFIX-systeem en steunbeen.
Typegoedk.: E5 031632
15–36 kg
(3–12 jaar)
Gordelkussen met of zonder rugleuning.
Typegoedk.: E5 031392
• Geïntegreerd kinderzitje.
Typegoedk.: E5 031672
1Bij
modellen met zeven zitplaatsen moet de zitrij in de achterste stand staan bij gebruik van een kinderzitje.
voor speciale kinderzitjes (zie overzicht onder genoemde typegoedkeuring). Kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald merk auto, voor een
beperkte groep merken, semi-universeel of universeel zijn.
2Geschikt
31
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Geïntegreerde kinderzitjes (optie)
Kinderzitje uitklappen
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passagiersstoel als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen als de
airbag (SRS) geactiveerd is.1
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
1
Zie pagina 16 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
De geïntegreerde kinderzitjes voor de buitenste zitplaatsen van de achterbank van Volvo
zijn speciaal ontworpen om kinderen optimale
bescherming te bieden. In combinatie met de
aanwezige veiligheidsgordels zijn de kinderzitjes goedgekeurd voor kinderen met een gewicht van 15 tot 36 kg.
– Trek aan de handgreep zodat het kinderzitje omhoogkomt (1).
– Pak het zitje met beide handen vast en duw
het naar achteren (2).
– Druk het zo ver achteruit dat het
vergrendelt (3).
WAARSCHUWING
Het kinderzitje moet in de vergrendelde
stand staan voordat u het kind in het zitje
aanbrengt.
32
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Zorg dat:
01
Kinderzitje inklappen
• het kinderzitje in de vergrendelde stand
staat;
• de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt, nergens slap
hangt of verdraaid is en dat de gordel goed
over de schouder ligt;
• de heupgordel laag over het bekken loopt
om maximale bescherming te bieden;
• de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt;
• stel de stand van de hoofdsteun zorgvuldig
af op de lengte van het kind.
WAARSCHUWING
Reparatie of vervanging dient alleen te worden uitgevoerd door een erkende Volvowerkplaats. Voer zelf geen wijzigingen of
aanpassingen uit aan het geïntegreerde kinderzitje.
Als een geïntegreerd kinderzitje aan grote
krachten heeft blootgestaan zoals tijdens
een aanrijding, moet u het geïntegreerde
kinderzitje in zijn geheel vervangen. Ook al
ziet het geïntegreerde kinderzitje er intact
uit, kunnen er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het geïntegreerde kinderzitje moet ook worden
vervangen als het erg versleten is.
– Trek aan de handgreep (1).
– Duw het kussen zo ver omlaag dat het
vastklikt (2).
Let erop dat u het geïntegreerde kinderzitje
eerst moet inklappen voordat u de ruggedeelten van de achterbank voorover kunt klappen.
33
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Kinderzitje monteren
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig
door Volvo getest is.
WAARSCHUWING
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
Bij het gebruik van andere op de markt verkrijgbare producten is het belangrijk dat u de
bijgeleverde montagevoorschriften zorgvuldig
doorleest en nauwkeurig opvolgt.
• Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje nooit vast aan de hendel waarmee u de
voorstoel in de lengterichting verstelt of aan
veren, rails of balken onder de stoel. Scherpe randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigen.
• Laat de rugleuning van het kinderzitje tegen
het dashboard steunen. Dit geldt voor auto’s zonder airbag aan de passagierszijde of
auto’s waarvan de airbag gedeactiveerd is.
34
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes (optie)
WAARSCHUWING
Plaats nooit een kinderzitje op de voorstoel,
als de auto is uitgerust met een geactiveerde1 airbag aan de passagierszijde. Bij problemen tijdens de montage van
kinderveiligheidsproducten kunt u contact
opnemen met de fabrikant voor nadere inlichtingen over de montage.
1Zie
pagina 19 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
De buitenste zitplaatsen van de achterbank
zijn voorbereid voor het ISOFIXbevestigingssysteem voor kinderzitjes. Neem
contact op met een Volvo-dealer voor meer
informatie over veiligheidsuitrusting voor kinderen.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Bevestigingspunten voor kinderzitjes
01
Veiligheidsgordel met speciale
blokkeerfunctie (ALR/ELR)1
De veiligheidsgordel op de middelste zitplaats van de tweede zitrij is voorzien van een
speciale blokkeerfunctie (ALR/ELR). De blokkeerfunctie helpt de gordel aangespannen te
houden, waardoor het gemakkelijker wordt
een kinderzitje aan te brengen.
Doe het volgende om een kinderzitje met de
veiligheidsgordel vast te zetten.
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes. Deze bevestigingspunten zitten achter op de zitgedeelten
van de achterbank.
N.B.
Bij een model met zeven zitplaatsen zitten
deze bevestigingspunten alleen op de
tweede zitrij.
Klap het ruggedeelte naar voren om bij de bevestigingspunten te komen. Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het kinderzitje voor
gedetailleerde informatie over de manier
waarop u het zitje aan de bovenste bevestigingspunten vastzet.
– Bevestig de veiligheidsgordel aan het kinderzitje volgens de aanwijzingen die de
fabrikant van het zitje heeft verstrekt.
– Trek de veiligheidsgordel volledig uit.
– Zet de gordel vast door de borgtong in de
gordelsluiting te steken. Een duidelijker
“klik” geeft aan dat de gordel vergrendeld is.
– Laat de gordel op het oprolmechanisme
rollen en span het aan rond het kinderzitje.
De veiligheidsgordel maakt een mechanisch geluid, wat volkomen normaal is.
De functie wordt automatisch opgeheven,
wanneer u de veiligheidsgordel uit de gordelsluiting haalt en loslaat.
Bij problemen tijdens de montage van kinderveiligheidsproducten moet u contact opnemen met de fabrikant voor nadere inlichtingen
over de montage.
1 Automatic
Locking Retractor/
Emergency Locking Retractor.
35
Overzicht auto’s met het stuur links..........................................................38
Overzicht auto’s met het stuur rechts .......................................................40
Bedieningspaneel op bestuurdersportier..................................................42
Instrumentenpaneel .................................................................................. 43
Controle-en waarschuwingslampjes .........................................................44
Informatiedisplay....................................................................................... 47
Schakelaars op middenconsole................................................................48
Verlichtingspaneel .....................................................................................51
Linker stuurhendel.....................................................................................53
Rechter stuurhendel.................................................................................. 55
Cruisecontrol (optie).................................................................................. 57
Stuurwielafstelling, alarmlichten................................................................58
Parkeerrem, elektrische
aansluiting, motorkap, e.d.........................................................................59
Elektrisch bedienbare ruiten .....................................................................61
Achteruitkijkspiegel
en buitenspiegels ......................................................................................63
Elektrisch bedienbaar
schuifdak (optie) ........................................................................................66
36
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
02
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
02
38
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
1. Verlichtingspaneel
2. Blaasmond
3. Display
4. Temperatuurmeter
5. Kilometerteller, dagteller, cruisecontrol
6. Snelheidsmeter
7. Richtingaanwijzers
8. Toerenteller
9. Buitentemperatuurmeter, klok, schakelstandindicatie
10. Brandstofmeter
11. Controle- en waarschuwingslampjes
12. Blaasmonden
13. Dashboardkastje
14. Alarmlichten
15. Audiosysteem
16. Klimaatregeling
17. Ruitenwissers
18. Toetsenset voor telefoon/audiosysteem
19. Instrumentenpaneel
20. Claxon
21. Cruisecontrol
22. Richtingaanwijzers, wisselen groot licht-dimlicht, knop READ
23. Handrem
24. Handgreep voor lossen parkeerrem
27. Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak
28. Gordelwaarschuwing
29. Achteruitkijkspiegel
25. Schakelaars leeslampjes
26. Interieurverlichting
39
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
02
40
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
1. Verlichtingspaneel
2. Blaasmond
3. Controle- en waarschuwingslampjes
4. Brandstofmeter
5. Buitentemperatuurmeter, klok, schakelstandindicatie
6. Toerenteller
7. Richtingaanwijzers
8. Snelheidsmeter
9. Kilometerteller, dagteller, cruisecontrol
10. Temperatuurmeter
11. Display
12. Blaasmonden
13. Dashboardkastje
14. Alarmlichten
15. Audiosysteem
16. Klimaatregeling
17. Richtingaanwijzers, wisselen groot licht-dimlicht, knop READ
18. Handrem
19. Cruisecontrol
20. Claxon
21. Instrumentenpaneel
22. Toetsenset telefoon-/audiosysteem
23. Ruitenwissers
24. Handgreep voor lossen parkeerrem
27. Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak
28. Gordelwaarschuwing
29. Achteruitkijkspiegel
25. Schakelaars leeslampjes
26. Interieurverlichting
41
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
Bedieningspaneel
1
2
3
4
02
1. Vergrendelingsknop, simultaanvergrendeling alle portieren
2. Blokkeerknop ruitbediening achterportieren
3. Knop, elektrisch bedienbare ruiten
4. Knop, buitenspiegels
42
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
02
1. Temperatuurmeter – Geeft de temperatuur
in het koelsysteem van de motor aan. Op
het display verschijnt een melding, als de
temperatuur abnormaal hoog is en de
naald tot in het rode gebied uitslaat. Let
erop dat verstralers voor de luchtinlaat het
koelvermogen verminderen.
2. Display – Op het display worden informatieve meldingen en waarschuwingsmeldingen weergegeven.
3. Snelheidsmeter – Geeft de snelheid van de
auto aan.
4. Dagtellers, T1 en T2 – Dienen om kortere
afstanden op te meten. Het rechter cijfer
geeft de afstand in honderden meters aan.
U kunt de dagtellers op nul zetten door de
knop langer dan 2 seconden in te drukken.
Wissel van dagteller door de knop korte
tijd in te drukken.
5. Indicatie voor cruisecontrol.
6. Kilometerteller – Geeft het totale aantal kilometers aan dat er met de auto is gereden.
7. Groot licht aan/uit.
8. Waarschuwingslampje – Als er een storing
optreedt, licht het waarschuwingslampje
op en verschijnt er een melding op het
display.
9. Toerenteller – Geeft het motortoerental
aan in duizenden toeren per minuut. Laat
de naald van de toerenteller niet tot in het
rode gebied uitslaan.
10. Aanduiding voor automatische versnellingsbak – Hier ziet u welk schakelprogramma er wordt aangehouden.
11. Buitentemperatuurmeter – Geeft de buitentemperatuur aan. Wanneer de temperatuur in het interval van –5 °C tot –+2 °C
ligt, verschijnt er een sneeuwvlokje op het
display. Het symbool wijst op het gevaar
voor gladheid. Wanneer de auto stilstaat of
geparkeerd gestaan heeft, is het mogelijk
dat de buitentemperatuurmeter een te
hoge waarde aangeeft.
12. Knop voor de klok – Draai aan de knop om
de tijd in te stellen.
13. Brandstofmeter – Er zit nog ongeveer
8 liter brandstof in de tank, wanneer het
lampje oplicht.
14. Controle- en waarschuwingslampjes.
15. Indicatorlampjes richtingaanwijzers, links/
rechts.
43
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Functietest, lampjes
02
Als de motor niet binnen vijf seconden aanslaat, gaan alle
lampjes uit behalve de lampjes
voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem van de
auto en een te lage oliedruk.
Afhankelijk van de uitrusting
van de auto is het mogelijk dat bepaalde
lampjes geen functie hebben.
Lampjes in het midden van het
instrumentenpaneel
bepaalde motortypes is het lampje voor
een lage oliedruk niet in gebruik! Er verschijnt
in plaats daarvan een displaytekst (zie
pagina 188).
44
– Stop op een veilige plek. Rijd niet verder
met de auto.
– Lees de informatie op het informatiedisplay.
– Verhelp het probleem aan de hand van de
aanwijzingen of neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Het lampje blijft branden en de displaytekst
staan totdat de storing is verholpen.
Oranje lampje
– Lees de melding op het display. Verhelp de
storing!
U kunt de displaytekst verwijderen met een
druk op de knop READ (zie pagina 47). Wanneer u 2 minuten niets doet, verdwijnt de displaytekst automatisch.
Alle controle- en waarschuwingslampjes1
gaan branden, wanneer u de contactsleutel
voor het starten in stand II draait. De werking
van de lampjes wordt dan gecontroleerd. Alle
lampjes moeten weer uitgaan als de motor is
aangeslagen, behalve het lampje voor de parkeerrem. Dit gaat pas uit als de auto van de
parkeerrem wordt gehaald.
1 Bij
Rood lampje
N.B.
Wanneer de tekst TIJD VOOR REG.
SERVICE verschijnt, doet u het waarschuwingslampje uit en verwijdert u de tekst met
behulp van de knop READ. De tekst verdwijnt automatisch als u 2 minuten niets doet.
Het waarschuwingslampje licht
rood of oranje op afhankelijk van
de ernst van de geregistreerde
storing.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Controlelampjes
Storing in ABS
Als het lampje brandt, werkt het
systeem niet. Het normale remsysteem van de auto werkt dan
nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
– Start de motor opnieuw.
– Als het lampje echter blijft branden, moet u
de auto naar een erkende Volvo-werkplaats
rijden om het ABS-systeem te laten controleren.
Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag.
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en controleer het peil in het remvloeistofreservoir (zie pagina 190). Als het
peil lager is dan het MIN-streepje van het
remvloeistofreservoir, kunt u beter niet verder rijden met de auto. Laat de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats slepen om
het remsysteem te laten controleren.
Als de waarschuwingslampjes
voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er een
storing in de remkrachtverdeling
zijn opgetreden.
Gordelwaarschuwing
Het lampje brandt als de bestuurder of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als iemand op de achterbank de gordel
heeft losgenomen.
Te lage oliedruk1
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
– Start de motor opnieuw.
• Rijd verder als beide lampjes uitgaan.
• Als de lampjes echter blijven branden, moet
u het peil in het remvloeistofreservoir controleren (zie pagina 190).
• Als de lampjes blijven branden ondanks dat
het peil van de remvloeistof in orde is, moet
u de auto uiterst voorzichtig naar een erkende Volvo-werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren.
• Als het peil lager is dan het MIN-streepje
van het remvloeistofreservoir dient u niet
verder te rijden met de auto. Laat de auto
naar een erkende Volvo-werkplaats slepen
om het remsysteem te laten controleren.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
02
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie te laag. Zet de motor onmiddellijk af, controleer het motoroliepeil
en vul zo nodig bij. Als het lampje oplicht terwijl
het oliepeil in orde is, moet u contact opnemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
Storing in uitlaatgasreinigingssysteem
Rijd de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats om het systeem
te laten controleren.
Airbags (SRS)
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing in de gordelsluiting of in
het SRS-, SIPS- of IC-systeem
geregistreerd. Rijd de auto zo spoedig mogelijk naar een erkende Volvo-werkplaats om het
systeem te laten controleren.
1 Bij
bepaalde motortypes is het lampje voor een
lage oliedruk niet in gebruik! Er verschijnt in
plaats daarvan een displaytekst (zie pagina 188).
45
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Dynamo laadt niet bij
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is er sprake van een storing in het elektrisch systeem.
Breng een bezoek aan een erkende Volvo-werkplaats.
02
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje brandt als de motor
wordt voorverwarmd. De voorverwarming start als de temperatuur
lager wordt dan –2 °C. De auto
kan worden gestart als het lampje
gedoofd is.
Handrem aangetrokken
Het lampje brandt, wanneer de
handrem is aangetrokken. Haal
de handremhendel bij het aantrekken altijd volledig omhoog.
N.B.
Het lampje geeft alleen aan dát u de handrem hebt aangetrokken maar niet hoe hard!
Mistachterlicht
Dit lampje brandt wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren, de motorkap1 of de
achterklep niet goed afgesloten is, wordt
u daarop attent gemaakt.
Controlelampje voor aanhanger
Lage snelheid
Het lampje knippert, wanneer u
de richtingaanwijzers op de auto
en de aanhanger gebruikt. Als het
lampje niet knippert, is één van de
lampen op de auto of de aanhanger defect.
Als de auto met een snelheid van maximaal
7 km/h rijdt, gaat het informatielampje branden
en verschijnt een van de volgende meldingen
op het display:
BESTUURDERSPORTIER OPEN,
PASSAGIERSPORTIER OPEN,
ACHTERPORTIER LINKS OPEN,
MOTORKAP OPEN of
ACHTERPORTIER RECHTS OPEN. Breng
de auto op een veilige plaats tot stilstand en
sluit het portier dat of de achterklep die open is.
Stabiliteitssysteem STC of DSTC
Zie pagina 126 voor informatie
over de functies en lampjes van
het systeem.
Hoge snelheid
Als de auto sneller rijdt dan 7 km/h,
gaat het lampje branden en wordt
tegelijkertijd een van de meldingen
uit de vorige alinea op het display
weergegeven.
Waarschuwing achterklep
Als de achterklep open is, verschijnt
ACHTERKLEP OPEN op het display.
1 Alleen
46
auto’s met alarm.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Meldingen
Blader met de knop READ de meldingen
door. Meldingen blijven in het geheugen opgeslagen totdat de onderliggende storing is
verholpen.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt
bij gebruik van de boordcomputer, moet u de
melding lezen (druk op de knop READ) voordat u de eerdere activiteit kunt hervatten.
02
Wanneer een waarschuwings- of controlelampje oplicht, verschijnt er tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay.
– Druk op de knop READ (A).
Melding
Betekenis
STOP AUTO Z.S.M.
ZET MOTOR UIT
SERVICE SPOED
ZIE HANDLEIDING
SERVICE VEREIST
TIJD VOOR REG. SERVICE
Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
Laat de auto onmiddellijk nakijken door een erkende Volvo-werkplaats.
Lees het instructieboekje.
Laat de auto zo spoedig mogelijk nakijken door een erkende Volvo-werkplaats.
Het is tijd voor een servicebeurt bij een erkende Volvo-werkplaats. Het moment hangt af van de
afgelegde afstand, het aantal maanden dat sinds de laatste servicebeurt is verstreken en het aantal
draaiuren van de motor.
Het roetfilter van dieselmodellen is aan regeneratie toe (zie pagina 116).
Er gelden beperkingen voor het stabiliteits- en tractieregelsysteem (zie pagina 125 voor meer varianten).
ROETFILTER VOL – ZIE HANDLEIDING
STC/DSTC SPIN CONTROL UIT
47
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
02
Airconditioning achter in
passagiersruimte (optie)
Druk op de knop om de airconditioning achter in de passagiersruimte in te schakelen. De
airconditioning achter in de
passagiersruimte wordt uitgeschakeld, wanneer u het contact uitschakelt.
N.B.
De onderlinge positie van de knoppen kan
variëren.
Kinderslot op
achterportieren (optie)
Met deze knop kunt u het elektrisch kinderslot op de achterportieren in- of uitschakelen.
De contactsleutel moet daarbij
in stand I of II staan. Wanneer het kinderslot
geactiveerd is, brandt de led in de knop. Er
verschijnt een melding op het display, wanneer u het kinderslot in- of uitschakelt.
Inklapbare buitenspiegels
(optie)
Met deze knop kunt u de elektrisch bedienbare buitenspiegels in- en uitklappen.
48
Ga als volgt te werk, als een van de buitenspiegels per ongeluk in- of uitgeklapt is:
– Klap de buitenspiegel die verzet is terug in
de normale stand.
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– Klap de buitenspiegel met behulp van de
knop eerst in en vervolgens opnieuw uit.
De buitenspiegels staan daarna weer in hun
oorspronkelijke stand.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Parkeerhulp (optie)
Het systeem is bij het starten
van de motor altijd geactiveerd.
Druk op de knop om de parkeerhulp uit te schakelen of opnieuw in te schakelen (zie ook
pagina 127).
Alarmsensoren en
Safelock-functie1 tijdelijk
deactiveren
Met deze knop kunt u de Safelock-functie desgewenst uitschakelen (Safelock houdt in
dat portieren na vergrendeling niet meer van
de binnenzijde te openen zijn). Met deze knop
kunt u ook de bewegingsmelder en de niveausensoren van het alarmsysteem buiten werking stellen2. De led in de knop brandt, wanneer de functies zijn uitgeschakeld of buiten
werking zijn gesteld.
Verstralers (accessoires)
Druk op deze knop als u de
verstralers van de auto’s tegelijk met het groot licht wilt voeren of als u de verstralers wilt
uitschakelen.
1 Bepaalde
2 Optie
markten
Active Bi-Xenon Lights,
ABL (optie)
De lichtbundels van de ABLkoplampen draaien met het
stuurwiel mee. De functie
wordt bij het starten van de
motor automatisch geactiveerd en kan met de
bijbehorende knop worden uitgeschakeld/ingeschakeld. De led in de knop brandt, wanneer de functie actief is.
Lichtbundel aanpassen aan links-/
rechtsrijdend verkeer
Houd de knop ten minste 5 seconden lang
ingedrukt. Bij het aanpassen van de lichtbundel dient de auto stil te staan. De melding
DIMLICHT INST. V. RECHTSR. VERK. of
DIMLICHT INST. V. LINKSR. VERK. verschijnt op het display. Zie pagina 146 voor
meer informatie over halogeen- of Bi-Xenonkoplampen en het aanpassen van de lichtbundels.
Elektrische aansluiting
(standaard)/Aansteker
(optie)
De contactsleutel moet ten minste in stand I
staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
U activeert de aansteker door de knop in de
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om een sigaar of sigaret aan te
steken. Om veiligheidsredenen moet u het
deksel altijd op de aansluiting laten zitten,
wanneer deze niet in gebruik is. De maximale
stroomsterkte is 10 A.
02
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
BLIS, Blind Spot
Information System (optie)
Druk op de knop om het systeem te deactiveren of te heractiveren (zie pagina 129 voor
meer informatie).
U kunt de elektrische aansluiting gebruiken verschillende
accessoires die op een spanning van 12 V werken, zoals een mobiele telefoon of een koelbox.
49
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Alarmlichten
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Schakel de elektrische verwarming in om ijs en wasem
van de achterruit en de buitenspiegels te verwijderen. Wanneer u op de knop drukt,
wordt de verwarming van de
achterruit en de buitenspiegels geactiveerd. De led in de knop gaat daarbij branden.
02
De verwarming wordt na ca. 12 minuten automatisch uitgeschakeld.
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen op een
plaats waar deze gevaar of hinder voor het
verkeer kan opleveren. Druk op de knop om
de functie te activeren.
N.B.
De regels voor het gebruik van de alarmlichten verschillen van land tot land.
50
Elektrisch verwarmde
voorstoelen
Zie pagina 72 of pagina 74
voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer kunt verblinden. U kunt
dat voorkomen door de koplamphoogte bij te
stellen.
Stand
Betekenis
Automatisch/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsignalen.
Parkeerlicht achter en achterlicht
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en de
grootlichtsignalen.
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar een
van de eindstanden.
– Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te
stellen.
Auto’s met Bi-Xenonkoplampen1 zijn uitgerust
met automatische koplamphoogteregeling,
zodat het duimwiel (3) ontbreekt.
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen, ongeacht
de stand van de contactsleutel.
– Draai de verlichtingsdraaiknop (2) naar de
middelste stand.
Met de contactsleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór, de achterlichten en de kentekenplaatverlichting altijd aan.
Koplampen
Automatisch dimlicht (bepaalde
landen)
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer u
de contactsleutel naar stand II draait, behalve
wanneer de verlichtingsdraaiknop (1) in de
middelste stand staat. U kunt het automatische dimlicht zo nodig in een erkende Volvowerkplaats buiten werking laten stellen.
02
Automatisch dimlicht, groot licht
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– U schakelt het dimlicht in door de
verlichtingsdraaiknop (1) helemaal rechtsom te draaien.
– U schakelt het groot licht in door de linker
stuurhendel tot in de eindstand naar het
stuur toe te halen en de hendel weer los te
laten (zie pagina 53).
De verlichting wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de contactsleutel naar stand I
of 0 draait.
1 Optie.
51
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Active Bi-Xenon Lights, ABL (optie)
Mistlichten
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlichten verschillen van land tot land.
02
Mistlampen vóór (optie)
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
Lichtbundel actieve/niet-actieve koplampen
De lichtbundels van de ABL-koplampen
draaien met het stuurwiel mee. De functie
wordt automatisch ingeschakeld bij het starten van de motor en is te activeren/deactiveren met de knop op de middenconsole (zie
pagina 49).
52
– Druk op de knop (2).
Het lampje in de knop (2) brandt, wanneer
u de mistlampen vóór hebt ingeschakeld.
Mistachterlicht
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
– Druk op de knop (4).
Het controlelampje voor het mistachterlicht op
het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop (4) branden, wanneer het mistachterlicht
is ingeschakeld.
Instrumentenverlichting
De instrumentenverlichting brandt, wanneer
de contactsleutel in stand II staat en de
verlichtingsdraaiknop (1) in een van de eindstanden. De verlichting wordt bij daglicht automatisch gedimd en valt bij donker handmatig te regelen.
Rol het duimwiel (5) omhoog of omlaag voor
een fellere of zwakkere verlichting.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Standen stuurhendel
Korte serie knippersignalen
Follow-Me-Home-verlichting
– Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar stand (1) en laat deze weer los, waarna
de hendel terugveert naar de uitgangspositie. U kunt de stuurhendel ook in stand (2)
zetten en daarna meteen terugduwen in de
uitgangspositie.
De richtingaanwijzers lichten driemaal op. De
korte serie knippersignalen wordt onmiddellijk
beëindigd, als u de richtingaanwijzers gebruikt
om te signaleren dat u een bocht in de tegenovergestelde richting wilt maken.
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow-Me-Home-verlichting dienst te laten doen na vergrendeling van de auto. De inschakelduur bedraagt 30 seconden1, maar is
te wijzigen in 60 of 90 seconden.
02
– Neem de sleutel uit het contactslot.
– Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
– Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wisselen tussen groot licht en dimlicht
De contactsleutel moet in stand II staan om
het groot licht te kunnen inschakelen.
1. Korte serie knippersignalen, richtingaanwijzers
2. Onafgebroken serie knippersignalen,
richtingaanwijzers
3. Grootlichtsignalen
4. Wisselen tussen groot licht en dimlicht
en Follow-Me-Home-verlichting
Richtingaanwijzers
– Draai de verlichtingsdraaiknop rechtsom
naar de eindstand (zie pagina 51).
– Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
Grootlichtsignalen
– Haal de hendel lichtjes tot in stand (3) naar
het stuurwiel toe.
Het groot licht blijft vervolgens branden, totdat
u de hendel weer loslaat.
Onafgebroken serie knippersignalen
– Haal de stuurhendel omhoog of omlaag tot
in de eindstand (2).
De hendel blijft in de eindstand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het terugdraaien van het stuurwiel.
1 Fabrieksinstellingen.
53
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Boordcomputer (optie)
•
•
•
•
HUIDIG
GEMIDDELD
KILOMETER TOT LEGE TANK
DSTC, zie pagina 126
N.B.
Gemiddelde snelheid
Wanneer u het contact uitschakelt, wordt de
gemiddelde snelheid opgeslagen om als uitgangswaarde te dienen bij het vervolg van de
rit. U kunt de waarde met de knop RESET (C)
op nul stellen.
02
Huidige snelheid mph
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel (B) in
stappen omhoog- of omlaagdraaien. Wanneer
u na het laatste menu nogmaals aan het wieltje
draait, keert u terug naar de uitgangspositie.
De actuele snelheid wordt weergegeven
in mph.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u de melding bevestigen. Doe dat
door op de knop READ (A) te drukken
waarna u naar de boordcomputerfunctie
terugkeert.
Functies
Op de boordcomputer staat de volgende
informatie:
• GEMIDDELDE SNELHEID
• HUIDIGE SNELHEID MPH1
54
1
Bedieningsknoppen
N.B.
Huidig
Het huidige brandstofverbruik wordt eenmaal
per seconde berekend. De waarde op het
display wordt om de paar seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stilstaat, geeft het
display “ ---- ” aan. Tijdens regeneratie2 van
het roetfilter kan het brandstofverbruik tijdelijk
stijgen (zie pagina 116).
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt gezet (RESET). Als u het contact uitschakelt,
wordt het gemiddelde brandstofverbruik
1
Bepaalde landen
2 Geldt
opgeslagen. Het blijft bewaard, totdat u de
functie op nul stelt. Stel de waarde op nul met
de knop RESET (C).
alleen voor dieselmodellen met roetfilter
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
Kilometer tot lege tank
Het bereik tot lege brandstoftank (d.w.z. de
actieradius) wordt berekend aan de hand van
het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km. Wanneer de actieradius kleiner
is dan 20 km, geeft het display “----” aan.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u bijvoorbeeld van rijstijl bent veranderd
of een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
Op nul stellen
– Selecteer GEM. SNELHEID of
GEMIDDELD.
– Houd de knop RESET (C) ten minste vijf
seconden lang ingedrukt om de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig te resetten.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitenwissers
korter interval tussen de slagen. Draai het omlaag om het interval te verlengen.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge
snelheid.
BELANGRIJK
Werking wisser-/sproeiersysteem, voorruit
Ruitenwissers uitgeschakeld
De ruitenwissers zijn uitgeschakeld als de hendel in stand 0 staat.
Sproei een royale hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit wanneer de
ruitenwissers werken. De voorruit moet nat
zijn bij gebruik van de ruitenwissers.
Wanneer er meer dan tien minuten zijn verstreken sinds de laatste sproeibeurt van de
voorruit, worden ook de koplampen weer gesproeid bij het activeren van de ruitensproeiers. Wanneer u de hendel naar het
stuurwiel haalt, wordt alleen de voorruit gesproeid.
02
Gereduceerde sproeifunctie
Wanneer er nog ongeveer één liter ruitensproeiervloeistof in het reservoir zit, worden
de koplampen en de achterruit niet langer
schoongesproeid. Dit omdat het sproeifunctie
van de voorruit de voorrang heeft.
Ruiten-/koplampsproeiers
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken. De wissers maken nog drie slagen nadat u de hendel hebt losgelaten.
Enkele slag
Beweeg de hendel omhoog om
een enkele slag te maken.
Intervalstand
U kunt het aantal wisslagen per
eenheid van tijd instellen. Draai
het duimwiel (1) omhoog voor een
Hogedruksproeiers koplampen
(optie op bepaalde markten)
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid ruitensproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden
de koplampen alleen iedere vijfde keer dat u
de voorruitsproeiers activeert gesproeid (gerekend over een periode van 10 minuten).
55
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitenwisser en sproeier achterklep
innemen1. Als de ruitenwisser van de achterklep echter al op normale snelheid werkt, vindt
er geen wijziging plaats.
Regensensor (optie)
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel (1) (zie afbeelding op pagina 55).
02
Duimwiel
Werking wisser-/sproeiersysteem, achterklep
Wanneer u de hendel naar voren haalt, activeert u de ruitenwisser/-sproeier van de achterklep. De ruitenwisser maakt na het sproeien
een extra slag. De knop aan het uiteinde kent
twee standen:
1. Ruitenwisser achterklep, intervalstand
2. Ruitenwisser achterklep, normale wissnelheid
Ruitenwissers achterklep,
achteruitrijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de
ruitenwisser van de achterklep de intervalstand
56
Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen
per eenheid van tijd instellen (als u de intervalstand hebt geselecteerd) of de gevoeligheid
van de regensensor (als u de regensensor
hebt geactiveerd).
– Draai het duimwiel rechtsom voor een grotere gevoeligheid en linksom voor een lagere gevoeligheid. (De wissers maken een
extra slag, als u het duimwiel rechtsom
draait.)
Aan/Uit
Om de regensensor te activeren dient de contactsleutel in stand I of II te staan en de hendel van de ruitenwissers in stand 0.
1 Deze
functie (intervalfunctie tijdens het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen.
Neem daarvoor contact op met een erkende
Volvo-werkplaats.
U activeert u de regensensor door:
– Op de knop (B) te drukken. Het lampje in de
knop gaat branden om aan te geven dat de
regensensor actief is.
U schakelt de regensensor op een van de
volgende manieren weer uit:
– Druk op de knop (2).
– Haal de hendel omlaag naar een ander
wisprogramma. Als u de hendel omhoogduwt, blijft de regensensor actief. De wissers maken een extra slag en keren terug
naar de regensensorstand, wanneer u de
hendel laat terugveren naar stand 0.
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de sleutel uit het contactslot
neemt of vijf minuten nadat u het contact hebt
uitgezet.
BELANGRIJK
In automatische wasstraten: schakel de regensensor uit door op knop (B) te drukken,
terwijl de contactsleutel in stand I of II
staat. De ruitenwissers kunnen anders in
beweging komen en daarbij beschadigd
raken.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol (optie)
Inschakelen
Snelheid verhogen of verlagen
Tijdelijk uitschakelen
– Druk op 0 om de cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen. Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE. De eerder ingestelde snelheid blijft na een tijdelijke uitschakeling in
het geheugen opgeslagen.
De cruisecontrol wordt bovendien tijdelijk uitgeschakeld, als:
02
• u het rempedaal of koppelingspedaal bedient;
• de snelheid heuvelop lager wordt dan 25–
30 km/h;
• u de keuzehendel in stand N zet;
• als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren;
De bedieningsorganen voor de cruisecontrol
vindt u links op het stuurwiel.
Gewenste snelheid instellen:
– Druk op de knop CRUISE. Op het instrumentenpaneel verschijnt de tekst CRUISE.
– Druk lichtjes op + of — om de snelheid van
de auto vast te zetten. De melding CRUISE
ON verschijnt.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld bij snelheden lager dan 30 km/h of hoger
dan 200 km/h.
– U kunt de snelheid verhogen of verlagen
door de knop + of — in te drukken. De
snelheid die de auto heeft op het moment
dat u de knop loslaat, zal vervolgens worden geprogrammeerd.
Een korte druk (minder dan een halve seconde) op + of — komt overeen met een snelheidswijziging van 1 mph of 1,6 km/h.
N.B.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op
de instelling van de cruisecontrol. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
• een tijdelijke snelheidsverhoging langer dan
een minuut heeft geduurd.
Snelheid hervatten
–Druk op de knop om de eerder ingestelde snelheid te hervatten. Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE ON.
Uitschakelen
– Druk op CRUISE om de cruisecontrol uit te
schakelen. CRUISE ON verdwijnt van het
instrumentenpaneel.
57
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stuurwielafstelling, alarmlichten
Stuurwielafstelling
Alarmlichten
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen.
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen op een
plaats waar deze gevaar of hinder voor het
verkeer kan opleveren. Druk op de knop om
de functie te activeren.
02
– Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te geven.
– Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
– Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel in, voordat u gaat rijden.
Doe dit nooit tijdens het rijden. Controleer
voordat u wegrijdt, of het stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd staat.
58
N.B.
De regels voor het gebruik van de alarmlichten verschillen van land tot land.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Parkeerrem, elektrische aansluiting, motorkap, e.d.
Parkeerrem
Elektrische aansluiting achterin
N.B.
Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel geeft alleen aan dat u het
parkeerrempedaal bedient en niet hoe hard!
02
Parkeerrem aanzetten
– Trap het rempedaal stevig in.
– Trap het parkeerrempedaal (1) stevig zo ver
mogelijk in.
– Haal uw voet van het rempedaal en controleer of de auto blijft stilstaan.
– Als de auto rolt dient u het parkeerrempedaal nog verder in te trappen.
– Zet bij een geparkeerde auto de versnellingspook/keuzehendel in stand 1 (handbak) of P (automaat).
2
1
Parkeerrem, auto met stuur links
Op een helling parkeren
Draai bij het parkeren op een oplopende helling de wielen van de trottoirband af, als de
neus van de auto naar de top van helling wijst.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken, zoals een
mobiele telefoon of koelbox. De aansluiting is
bedoeld om 12 V af te nemen. De maximale
stroomsterkte is 10 A. De contactsleutel moet
ten minste in stand I staan, anders geeft de
aansluiting geen stroom.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
1
Parkeerrem, auto met stuur rechts
2
Handrem lossen
– Trap het rempedaal stevig in.
– Trek aan de handgreep (2).
59
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Parkeerrem, elektrische aansluiting, motorkap, e.d.
Motorkap openen
Stuurwielafstelling
Achterklep openen
Trek de handgreep naar u toe om de motorkapvergrendeling op te heffen.
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen. Duw de hendel aan de
linkerzijde van de stuurkolom omlaag. Zet het
stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
Duw de hendel weer in positie terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als
dit veel moeite kost, kunt u lichte druk op het
stuurwiel aanbrengen terwijl u de blokkeerhendel terugduwt.
Open de achterklep door aan de handgreep te
trekken zoals aangegeven op de afbeelding.
Klap het achterschot omlaag door de handgreep op te tillen.
02
WAARSCHUWING
Sluit de motorkap door uw ene hand er bovenop te leggen en de kap vervolgens omlaag te duwen. Houd de motorkap tijdens
het sluiten niet aan de grille beet. Dit om te
voorkomen dat u met uw vingers tegen motoronderdelen aankomt en daarbij verwondingen oploopt.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
nooit tijdens het rijden. Controleer of het
stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd
staat.
60
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Bediening
Bestuurdersportier
Met de knoppen op de portieren kunt u de ruiten elektrisch bedienen. De ruiten zijn te bedienen wanneer de contactsleutel in stand I of II
staat. Ook wanneer de auto stilstaat en u de
contactsleutel hebt uitgenomen, kunt u de ruiten nog steeds enige tijd openen en sluiten zolang geen van de portieren wordt geopend.
Bedien de ruiten altijd onder toezicht.
Elektrisch bedienbare ruiten in
achterportieren blokkeren
A
B
02
Zijruit openen:
– Druk het voorste deel van de knop omlaag.
Zijruit sluiten:
– Trek het voorste deel van de knop omhoog.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
• Let er bij het verlaten van de auto op dat
u de stroomtoevoer naar de elektrisch
bedienbare ruiten verbreekt door auto de
contactsleutel uit te nemen.
• Zorg er bij het sluiten van de ruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet
met hun handen bekneld kunnen raken.
• Bij het sluiten van de achterste ruiten
vanaf het bestuurdersportier:
• Zorg er bij het sluiten van de ruiten voor
dat achterpassagiers niet met hun handen bekneld kunnen raken.
Vanaf de bestuurdersstoel kunt u alle zijruiten
elektrisch bedienen. U kunt de zijruiten op
twee manieren openen en sluiten:
– Druk de knoppen (A) voorzichtig omlaag of
trek ze voorzichtig omhoog. De elektrisch
bedienbare ruiten gaan dan steeds verder
omhoog of omlaag zolang u de knoppen
bedient.
– Druk de knoppen (A) volledig omlaag of
trek ze volledig omhoog en laat ze vervolgens weer los. De zijruiten gaan dan automatisch volledig open of dicht.
Met de achterste knoppen (B) bedient
u de ruiten in de achterportieren.
U kunt de elektrische bediening van de ruiten
in de achterportieren blokkeren met de knop
op het bedieningspaneel op het bestuurdersportier. Let erop dat u altijd de stroomtoevoer
voor de elektrisch bedienbare ruiten verbreekt
(d.w.z. de contactsleutel verwijdert), wanneer
u kinderen alleen in de auto achterlaat.
Het lampje in de knop brandt
N.B.
Alleen op bepaalde markten werkt de automatische sluitingsfunctie ook aan de passagierszijde.
De ruiten in de achterportieren zijn alleen vanaf het bestuurdersportier te bedienen.
61
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Het lampje in de knop is uit
De zijruiten in de achterportieren zijn zowel met
de knoppen op de portieren als met de knoppen op het bestuurdersportier te bedienen.
Elektrisch bedienbare zijruiten in de
achterportieren
Passagiersstoel, voor
02
Met de knoppen voor elektrische bediening
van de ruiten op het passagiersportier kunt u
alleen de ruit in het passagiersportier bedienen.
U kunt de ruiten in de achterportieren zowel
met de knoppen op de beide achterportieren
als met de knoppen op het bestuurdersportier
bedienen. Als het lampje brandt in de knop
waarmee u de elektrische bediening van de
ruiten in de achterportieren blokkeert (op het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier),
kunt u de ruiten in de achterportieren alleen
vanaf het bestuurdersportier bedienen.
WAARSCHUWING
Wanneer u de zijruiten in de achterportieren
met de knoppen op het bestuurdersportier
sluit, moet u erop letten dat eventuele achterpassagiers niet met hun handen bekneld
kunnen raken.
62
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Achteruitkijkspiegel
Achteruitkijkspiegel met kompas
(optie op bepaalde markten)
Kompaszone instellen
02
De afbeelding is een montage. De spiegel is
voorzien van een handmatige of automatische
dimfunctie, nooit allebei tegelijk.
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u
verblinden. Zet de spiegel in de dimstand,
wanneer u de verlichting van het achteropkomend verkeer als hinderlijk ervaart.
Dimfunctie
A. Normale stand
B. Dimstand
Autodimfunctie (optie)
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de
auto wijst. Er worden acht verschillende richtingen met Engelse afkortingen weergegeven:
N (noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en NW
(noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd,
wanneer u het contactslot in stand II zet of
wanneer de motor loopt, tenzij u het kompas
hebt uitgeschakeld. U kunt het kompas uitschakelen of opnieuw inschakelen door op het
verzonken knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel te drukken. Gebruik bijvoorbeeld een rechtgebogen paperclip. Het
knopje ligt ca. 2,5 cm diep in de spiegel.
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld. Het kompas is afgesteld op het geografische gebied waarin de auto werd afgeleverd.
Het kompas dient te worden gekalibreerd, als
u met de auto meerdere magnetische zones
doorkruist.
– Contactstand II.
– Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden lang
ingedrukt (met een rechtgebogen paperclip
bijvoorbeeld), totdat de tekst ZONE verschijnt. Het cijfer van de huidige magnetische zone verschijnt.
– Druk herhaaldelijk op het knopje totdat het
cijfer van de gewenste magnetische zone
(1–15) verschijnt. Enkele seconden later
staat de kompasrichting weer op het
display, wat aangeeft dat er van zone is
gewisseld.
63
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
02
Magnetische zones voor kompas
Kalibreren
Het kompas moet soms voor de nauwkeurigheid worden gekalibreerd. Schakel voor de
beste resultaten alle grote stroomverbruikers
uit zoals de interieurverlichting, de interieurventilator, de elektrische achterruitverwarming e.d.
en zorg dat er geen metalen of magnetische
voorwerpen in de buurt van de spiegel zijn.
64
– Breng de auto op een groot en open terrein
tot stilstand en laat de motor lopen.
– Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ingedrukt (met bijvoorbeeld een paperclip), totdat de tekst CAL
verschijnt (ca. 6 seconden).
– Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 8 km/h, totdat
de tekst CAL van het display verdwijnt. Dit
geeft aan dat de kalibratie afgerond is.
– Alternatieve kalibratiestap: rijd op de normale manier weg. CAL verdwijnt van het
display, wanneer de kalibratie afgerond is.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Buitenspiegels
BELANGRIJK
Gebruik de spiegelverwarming (zie
pagina 50) om de buitenspiegels van ijs te
ontdoen en geen ijskrabber. Een krabber
kan krassen op het spiegelglas veroorzaken.
Buitenspiegels met geheugen (optie)
Als er buitenspiegels met geheugen op de
auto zitten, werkt het geheugen synchroon
met dat van de bestuurdersstoel (zie
pagina 81).
Geheugen in afstandsbediening (optie)
De knoppen waarmee u de twee buitenspiegels bedient, vindt u voor op de armleuning
van het bestuurdersportier. De buitenspiegels
zijn te bedienen met het contact in stand I of II.
– Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
– U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
– Druk nogmaals op knop L of R. Het lampje
dooft.
WAARSCHUWING
Stel de spiegels af, voordat u gaat rijden!
Wanneer u de auto met een van de afstandsbedieningen ontgrendelt en de instelling van
de buitenspiegels wijzigt, wordt de nieuwe positie van de spiegels in de afstandsbediening
opgeslagen. De volgende keer dat u de auto
ontgrendelt met dezelfde afstandsbediening
en het bestuurdersportier binnen vijf minuten
na ontgrendeling opent, gaan de buitenspiegels in de opgeslagen positie staan.
Gelaagde zijruiten (optie)
Water- en vuilafstotende laag op
voorste zijruiten en/of buitenspiegels
(optie)
De buitenspiegels zijn voorzien van een speciale laag die bij regen voor een beter zicht
zorgen.
Zijruiten en buitenspiegels
met de speciale water- en
vuilafstotende laag zijn voorzien van een klein symbool.
02
Verwarm de buitenspiegels:
• als er sneeuw of ijs op de spiegels zit;
• bij hevige regenval of vieze wegen;
• bij beslagen spiegels.
BELANGRIJK
Gebruik geen ijskrabber van metaal om de
ruiten van ijs te ontdoen. Er kan daarbij
schade aan de waterafstotende laag ontstaan. Gebruik de elektrische verwarming
om de buitenspiegels van ijs te ontdoen!
De ruiten van gelaagd glas in de voor- en achterportieren zorgen voor een verbeterde geluidsisolatie van de passagiersruimte en leveren een verhoogde bescherming tegen inbraak op.
65
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie)
Openingsstanden
U kunt het schuifdak vanuit de ventilatiestand
rechtstreeks in de comfortstand zetten: trek
de knop achteruit in de eindstand (4) en laat
de knop los.
4
1
02
2
3
Automatische bediening
5
6
Trek de knop door het drukpunt (3) in de achterste eindstand (4) of via het drukpunt (2) in
de voorste eindstand (1) en laat de knop vervolgens los. Het schuifdak schuift dan tot in
de comfortstand open of helemaal dicht.
Doe het volgende om het schuifdak vanuit de
comfortstand volledig te openen:
– Trek de knop nogmaals achteruit in de
eindstand (4) en laat de knop vervolgens los.
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. U kunt het schuifdak in
twee standen openen:
A. Ventilatiestand, achterkant omhoog
B. Schuifstand, achteruit/vooruit
De contactsleutel moet daarbij in stand I of II
staan.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Verbreek bij het verlaten van de auto de
stroomtoevoer naar het schuifdak door de
contactsleutel uit te nemen.
66
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Sluiten, automatisch
Sluiten, handmatig
Openen, handmatig
Openen, automatisch
Openen, ventilatiestand
Sluiten, ventilatiestand
Ventilatiestand
Openen:
– Duw de achterkant van de knop (5) omhoog.
Sluiten:
– Trek de achterkant van de knop (6) omlaag.
Handmatige bediening
Openen:
– Trek de knop achteruit naar het
weerstandspunt (3). Het schuifdak schuift
steeds verder open zolang u de knop in
deze stand vasthoudt.
Sluiten:
– Duw de knop vooruit naar het
weerstandspunt (2). Het schuifdak schuift
steeds verder dicht zolang u de knop in
deze stand vasthoudt.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie)
Zonnescherm
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Let er bij het sluiten van het schuifdak op
dat kinderen niet met hun handen bekneld
kunnen raken.
02
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het glijdt automatisch naar achteren bij het openen van het
schuifdak. Pak de handgreep vast en schuif
het scherm naar voren om het te sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een voorwerp wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
67
Algemene informatie over
de klimaatregeling .....................................................................................70
Elektronische klimaatregeling, ECC ..........................................................72
Standverwarming op
brandstof (optie) ........................................................................................75
68
KLIMAATREGELING
03
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
03
Airconditioning
Koudemiddel
De klimaatregeling koelt of verwarmt de lucht
in de passagiersruimte en ontdoet deze van
vocht. De auto is voorzien van automatische
klimaatregeling (ECC).
De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor,
waardoor het koudemiddel onschadelijk voor
de ozonlaag is. Gebruik bij het bijvullen/verversen van koudemiddel alleen R134a. Laat
dergelijke werkzaamheden over aan een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen.
Voor optimale luchtkwaliteit in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de
ruiten beslaan, moet u de airconditioning
echter altijd aan laten staan.
Beslagen ruiten
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
te voorkomen dat ze beslaan. Gebruik een
normaal poetsmiddel voor glaswerk.
Interieurfilter
Zorg dat u het combifilter/interieurfilter op gezette tijden vervangt. Informeer bij een erkende Volvo-werkplaats.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
70
Werking interieurventilator
Wanneer de motor is afgezet (ook al staat de
contactsleutel in stand I of II), zal de interieurventilator automatisch worden uitgeschakeld.
Dit gebeurt om te voorkomen dat de accu uitgeput raakt.
Om de interieurventilator te activeren moet u
de ventilatorknop in de gewenste snelheidsstand draaien.
ECC (optie)
Werkelijke temperatuur
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
Storingen opsporen en verhelpen
Positie van de sensoren
Laat controle- en reparatiewerkzaamheden
aan de klimaatregeling alleen uitvoeren door
een erkende Volvo-werkplaats.
• De zonnesensor zit boven op het dashboard.
• De interieurtemperatuursensor zit achter het
bedieningspaneel van de klimaatregeling.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
Zijruiten en schuifdak
Voor een goede werking van de airconditioning moet u de zijruiten en een eventueel
schuifdak gesloten houden.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt het A/Csysteem tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur kan dan tijdelijk iets oplopen.
Condensatie
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water onder de auto ontstaan. Dit is volkomen
normaal.
Brandstofbesparing
Bij gebruik van ECC wordt ook het A/Csysteem automatisch geregeld en alleen dan
ingeschakeld wanneer de lucht in de passagiersruimte moet worden afgekoeld en de binnenkomende lucht van vocht moet worden
ontdaan. Zo wordt meer brandstof bespaard
dan bij gebruik van conventionele systemen,
waarbij het A/C-systeem de lucht voortdurend
afkoelt tot net boven het vriespunt.
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Luchtverdeling
Blaasmonden in dashboard
Blaasmonden in portierstijlen
a
a
`
03
`
^
^
_
_
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
meerdere blaasmonden die op verschillende
punten in de auto zijn aangebracht.
A. Open
A. Open
B. Dicht
B. Dicht
C. Luchtstroom naar links of rechts
C. Luchtstroom naar links of rechts
D. Luchtstroom omhoog of omlaag
D. Luchtstroom omhoog of omlaag
– Richt de buitenste blaasmonden op de
voorste zijruiten om ze te ontwasemen.
– Bij koud weer: Doe de middelste blaasmonden dicht om de temperatuur in de auto zo
comfortabel mogelijk te houden en de ruiten optimaal te ontwasemen.
– Richt de buitenste blaasmonden op de
achterste zijruiten om ze te ontwasemen.
– Richt de blaasmonden naar binnen toe voor
een behaaglijke temperatuur achter in de
auto.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn
voor luchtstromen en tocht.
Telkens wanneer u op
timerfunctie geactiveerd.
drukt, wordt de
71
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
Bedieningspaneel
O
P
Q
R
S
T
U
03
N
V
NM
NN
NO
1. A/C, Aan/Uit
2. Recirculatie/Combifilter met Air Quality
Sensor
3. Recirculatie
4. AUTO
5. Luchtverdeling
6. Interieurtemperatuursensor
7. Ontdooien voorruit en zijruiten
8. Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels
9. Elektrisch verwarmde voorstoelen
10. Temperatuur rechterzijde
72
11. Temperatuur linkerzijde
12. Ventilator
13. Ventilator, achter in passagiersruimte
(optie op modellen met zeven zitplaatsen)
Functies
1. A/C, Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat aan. De airconditioning wordt automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan automatisch afgekoeld en van vocht ontdaan.
OFF: De airconditioning staat uit..
NP
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning ingeschakeld (uit te schakelen met de knop AC).
2. Interior Air Quality System,
recirculatie/combifilter
(optie op bepaalde markten)
Bepaalde auto’s zijn uitgerust met een zogeheten combifilter en een Air Quality Sensor.
Het combifilter ontdoet de binnenkomende
lucht van gassen en stofdeeltjes en beperkt zo
eventuele hinderlijke geuren en verontreinigingen. De Air Quality Sensor meet de concentratie van de verontreinigingen in de buitenlucht.
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
Wanneer de sensor een verhoogde concentratie registreert, wordt de luchtinlaat afgesloten en recirculeert de lucht in het passagierscompartiment. De lucht in het passagierscompartiment wordt ook tijdens de recirculatie
door het combifilter gereinigd.
Wanneer de Air Quality Sensor actief is,
brandt de groene led AUT in de knop
.
Bediening:
Druk op
om de Air Quality Sensor
te activeren (normale instelling).
Of:
– Kies uit drie verschillende functies door
verschillende malen op de knop
te drukken.
• De led MAN brandt om aan te geven dat de
recirculatiefunctie opnieuw ingeschakeld is.
• Geen van de leds brandt om aan te geven
dat de recirculatiefunctie niet is ingeschakeld (voor zover dat niet nodig is om voor
verkoeling te zorgen bij warm weer).
• De led AUT brandt om aan te geven dat de
Air Quality Sensor actief is.
Niet vergeten:
• U de Air Quality Sensor altijd hebt ingeschakeld.
• Er bij koud weer beperkingen voor de recirculatiefunctie gelden om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
• U de Air Quality Sensor uitschakelt, wanneer de ruiten beslaan.
• Wanneer de ruiten beslaan, u beter ook de
ontwaseming van de voorruit, de zijruiten
en de achterruit kunt inschakelen.
• Raadpleeg het serviceprogramma van
Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval voor het combifilter. In zeer sterk
verontreinigde gebieden is het mogelijk dat
u het combifilter vaker moet vervangen.
3. Recirculatie
De recirculatie kan handmatig worden ingeschakeld, als u vieze lucht, uitlaatgassen en
dergelijke buiten wilt houden. De lucht in het
passagierscompartiment wordt dan gerecirculeerd, d.w.z. er wordt geen lucht van buiten
de auto aangezogen, wanneer de functie actief is.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de binnenkant van de ruiten ontstaan.
Met de timerfunctie (op modellen met een
combifilter en Air Quality Sensor ontbreekt de
timerfunctie) beperkt u de kans op ijs, wasem
en een slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
– Druk de knop
langer dan 3 seconden in. De led knippert 5 seconden. De
lucht in de auto wordt afhankelijk van de
buitentemperatuur 3 tot 12 minuten lang
gerecirculeerd.
– Telkens wanneer u op
drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
03
– Druk de knop
nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. De led gaat
5 seconden branden ter bevestiging van
uw keuze.
4. AUTO
Bij activering van de functie AUTO wordt de
klimaatregeling automatisch dusdanig ingesteld dat de gekozen temperatuur wordt bereikt. De automatische functie regelt de verwarming, de airconditioning, de Air Quality
Sensor, de ventilatorsnelheid, de recirculatie
en de luchtverdeling. Ook als u een of meer
van de genoemde functies handmatig instelt,
worden de resterende functies nog automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen
worden uitgeschakeld, wanneer u de functie
AUTO activeert.
73
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
5. Luchtverdeling
• Wanneer u de bovenste knop hebt ingedrukt, stroomt er lucht uit de openingen bij
de ruiten.
03
• Wanneer u de middelste knop hebt ingedrukt, stroomt er lucht uit de openingen ter
hoogte van bovenlichaam en hoofd.
• Wanneer u de onderste knop hebt ingedrukt, stroomt er lucht uit de openingen ter
hoogte van benen en voeten.
Druk op AUTO, wanneer u de automatische
luchtverdeling weer wilt activeren.
hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
8. Achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Met deze knop kunt u de achterruit en de buitenspiegels snel ontdoen van condens of ijs
(zie pagina 50 voor meer informatie over deze
functie).
6. Interieurtemperatuursensor
9. Elektrisch verwarmde voorstoelen
De interieurtemperatuursensor registreert de
temperatuur in het interieur.
Doe het volgende om de voorstoel te verwarmen:
7. Ontwaseming voorruit en zijruiten
– Hoog verwarmingsniveau:
Eenmaal op de knop drukken – beide lampjes branden.
– Laag verwarmingsniveau:
Een tweede keer op de knop drukken – één
lampje brandt.
Verwarming uit:
Een derde keer op de knop drukken – geen
van de lampjes brandt.
Met deze knop kunt u de voorruit en de zijruiten snel ontwasemen en ontdooien. De ventilator draait dan op hoge snelheid en stuurt
lucht naar de ruiten. Het lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de functie is ingeschakeld.
Bij activering van deze functie gebeurt bovendien het volgende om de lucht in het interieur
zo veel mogelijk van vocht te ontdoen:
• de airconditioning (A/C ) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de
knop AC);
74
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming
U kunt de temperatuur van de verwarming in
een erkende Volvo-werkplaats laten bijstellen.
10 en 11. Temperatuurknoppen
Met de twee draaiknoppen kunt u de temperatuur aan de bestuurderszijde en de passagierszijde instellen.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een hoger of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
12. Ventilator
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te
verhogen of te verlagen. In de stand AUTO
wordt de ventilatorsnelheid automatisch geregeld. De eerder ingestelde ventilatorsnelheid
wordt dan genegeerd.
N.B.
Als u de knop linksom hebt gedraaid en de
ventilatorindicatie op het display gedoofd
is, zijn de ventilator en de airconditioning
uitgeschakeld.
13. Ventilator, achter in
passagiersruimte (optie op modellen
met zeven zitplaatsen)
U kunt de snelheid waarmee de ventilator
draait verhogen of verlagen door aan de knop
te draaien. Dit geldt alleen, als u voor zowel
airconditioning voorin (1) als achterin hebt
gekozen. De knop voor airconditioning achter
in de passagiersruimte vindt u op de middenconsole (zie pagina 48).
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof (optie)
Algemene informatie over
verwarmingen
Als de standverwarming ondanks herhaalde
startpogingen niet aanslaat, wordt u geadviseerd contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats. Er verschijnt een melding
op het display.
Displaytekst
Wanneer u de geprogrammeerde functies
TIMER 2, TIMER 2 en Directe start activeert,
brandt het oranje waarschuwingslampje op
het instrumentenpaneel. Op het display verschijnt bovendien een verklarende tekst.
Wanneer u de auto verlaat, ontvangt u een
melding met de status van de standverwarming.
03
Op een helling parkeren
Voordat u de standverwarming kunt programmeren, moet het elektrisch systeem worden
“gewekt”.
Dat doet u door:
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
naar de voet van de helling wijst. De standverwarming krijgt dan voldoende brandstof.
• op de knop READ te drukken, of,
• het groot licht te activeren, of,
• het contact in te schakelen.
U kunt de standverwarming meteen inschakelen of twee verschillende uitschakeltijden instellen met TIMER 1 en TIMER 2. Onder de
uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop de auto op de gewenste temperatuur is. De
elektronica van de auto rekent aan de hand
van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de
verwarming moet worden uitgeschakeld. Bij
een buitentemperatuur hoger dan 25 °C wordt
de verwarming niet geactiveerd. Bij temperaturen van –10 °C en lager is de maximale bedrijfstijd van de standverwarming 60 minuten.
Klok/timer
Waarschuwingssticker op de tankvulklep.
Als u na het instellen van de timer(s) van de
verwarming de klok van de auto bijstelt, worden alle timerinstellingen geannuleerd.
Timers instellen
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming moet
de auto in de buitenlucht staan.
Schakel voor het tanken de standverwarming uit. Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Controleer op het informatiedisplay of de
standverwarming uit is. (Als de standverwarming werkt, verschijnt er PARK.VERW
AAN op het display.)
Om veiligheidsredenen kunt u uitsluitend tijden voor het komende etmaal programmeren
en dus niet voor meerdere dagen tegelijk.
– Ga met het duimwiel (B) naar TIMER.
– Druk kort op de knop RESET (C), zodat de
uuraanduiding gaat knipperen.
– Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in uren aan te geven.
75
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof (optie)
03
– Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
– Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in minuten aan te geven.
– Druk kort op de knop RESET om de instelling te bevestigen.
– Druk op RESET om de timer te activeren.
Timergestuurde standverwarming
voortijdig uitschakelen
Doe het volgende om de timergestuurde
standverwarming uit te schakelen voordat de
timer dat doet:
Standverwarming meteen
uitschakelen
– Gebruik het duimwiel (B) om naar
DIRECTE START te gaan.
– Druk op de knop RESET (C) om een van de
opties AAN of UIT te selecteren.
– Kies UIT.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming nog aanstaat.
Extra verwarming1 (diesel)
Bij koud weer kan extra verwarming nodig zijn
om de passagiersruimte voldoende te verwarmen.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is
terwijl de motor loopt. De verwarming wordt
automatisch uitgeschakeld, wanneer het
warm genoeg is of wanneer de motor wordt
afgezet.
Druk op de knop READ (A).
Ga met behulp van de draairing (B) naar
TIMER PARK.VERW 1 of 2. De tekst AAN
knippert.
Druk op de knop RESET (C). De tekst UIT
brandt continu en de standverwarming wordt
uitgeschakeld.
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld. Er
verschijnt dan een melding op het informatiedisplay. Bevestig deze melding door op de
knop READ (A) te drukken.
Standverwarming meteen inschakelen
– Gebruik het duimwiel (B) om naar
DIRECTE START te gaan.
– Druk op de knop RESET (C) om een van de
opties AAN of UIT te selecteren.
– Kies AAN.
De verwarming zal vervolgens 60 minuten
lang blijven werken. De verwarming van het
interieur gaat van start, zodra de koelvloeistof
in de motor een temperatuur van 30 °C heeft
bereikt.
76
BELANGRIJK
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren. Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto
rijden als de verwarming aanstond. Dit om
te zorgen dat de dynamo evenveel energie
kan bijladen als de verwarming verbruikt.
1
Bepaalde landen
03 Klimaatregeling
03
77
Voorstoelen ...............................................................................................80
Interieurverlichting.....................................................................................82
Opbergmogelijkheden
in passagiersruimte ...................................................................................84
Achterbank................................................................................................89
Bagageruimte............................................................................................91
78
INTERIEUR
04
04 Interieur
Voorstoelen
Zithouding
5. Hellingshoek rugleuning wijzigen – aan
de knop draaien.
6. Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoelen (optie).
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het
rijden.
Controleer of de stoel in zijn stand vergrendeld staat.
04
Rugleuning voorstoel omklappen
(optie)
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld voor een optimale zit-en
rijhouding.
1. Vooruit/achteruit – de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en
de pedalen in te stellen. Controleer of de
stoel na het afstellen in de nieuwe stand
geblokkeerd staat.
2. Voorkant zitting hoger/lager zetten,
omhoog-/omlaagpompen (optie passagierszijde).
3. Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/omlaagpompen (optie passagierszijde).
4. Lendensteun wijzigen 1, aan de knop
draaien.
80
De rugleuning van de passagiersstoel kan
worden omgeklapt om ruimte te maken voor
lange lading.
– Schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren.
– Zet de rugleuning rechtop (90 graden).
– Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning tijdens het omklappen naar voren.
– Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
Vloermatten (optie)
Volvo biedt vloermatten die speciaal voor de
auto vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Zorg dat de vloermat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat deze
kan gaan glijden en achter of onder de pedalen blijft haken.
1 Geldt
stoel.
ook voor een elektrisch bedienbare
04 Interieur
Voorstoelen
Elektrisch bedienbare voorstoel (optie)
Geheugenfunctie
dat de auto met dezelfde transpondersleutel
wordt ontgrendeld, nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de vastgelegde positie in.
N.B.
Het sleutelgeheugen werkt onafhankelijk
van de geheugenfunctie van de stoel.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een willekeurige knop drukken om
de stoel tot stilstand te brengen.
Tot enige tijd nadat u het portier met de afstandsbediening hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. Het is altijd
mogelijk de stoel te verstellen, wanneer de
contactsleutel in stand I of II staat.
1. Voorkant zitting omhoog/omlaag
2. Stoel vooruit/achteruit
3. Stoel omhoog/omlaag
4. Hellingshoek rugleuning
Er wordt een beveiliging tegen overbelasting
geactiveerd, als een van de stoelen wordt geblokkeerd. Wanneer dit het geval is, dient u
het contact uit te schakelen en enige tijd te
wachten voordat u de stoel opnieuw probeert
te verstellen. U kunt slechts één verstelfunctie
van de stoel tegelijk activeren.
Knoppen voor geheugenfunctie
Instelling vastleggen
– Verstel de stoel.
– Houd knop MEM ingedrukt, terwijl u
knop 1, 2 of 3 indrukt.
04
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de knoppen spelen.
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter of
onder de stoel liggen tijdens het verstellen.
Zorg er tevens voor dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd een van de geheugenknoppen 1 – 3 ingedrukt, totdat de stoel tot stilstand komt. Bij
het loslaten van de knop wordt de instelling
van de stoel onmiddellijk beëindigd.
Geheugen van transpondersleutel
De positie van de bestuurdersstoel wordt
vastgelegd, wanneer u de auto met de transpondersleutel vergrendelt. Een volgende keer
81
04 Interieur
Interieurverlichting
De interieurverlichting gaat automatisch1
30 seconden lang branden, wanneer:
Leeslampjes voorin en
interieurverlichting
• u de auto van de buitenzijde ontgrendelt
met de sleutel of de afstandsbediening;
• u de contactsleutel na het afzetten van de
motor naar stand 0 draait.
De interieurverlichting gaat aan en blijft 10 minuten lang branden, wanneer:
• er een van de portieren wordt geopend
tenzij u de interieurverlichting hebt uitgeschakeld.
De algemene verlichting gaat uit, wanneer:
04
Leeslampjes achterin
Interieurverlichting voorin en leeslampjes
1. Leeslampje linksvoor
2. Interieurverlichting
3. Leeslampje rechtsvoor
Met de knop (2) kunt u drie verlichtingsstanden selecteren voor de interieurverlichting:
De leeslampjes voorin schakelt u in en uit met
knop (1) of knop (3).
4. Leeslampje linksachter, aan/uit
5. Leeslampje rechtsachter, aan/uit
Automatische verlichting
Alle leeslampjes en de interieurverlichting doven 10 minuten nadat u de motor hebt afgezet
automatisch. Uiteraard kunt u de lampjes en
de verlichting ook eerder handmatig uitschakelen.
• u de motor start;
• u de auto van de buitenzijde ontgrendelt
met de sleutel of de afstandsbediening.
U kunt de automatische verlichting uitschakelen door knop (2) meer dan 3 seconden ingedrukt te houden. Bij kort indrukken van de
knop schakelt u de automatische verlichting
weer in.
De geprogrammeerde inschakelduur
(30 seconden resp. 10 minuten) is te wijzigen
in een Volvo-werkplaats.
De interieurverlichting schakelt u in en uit door
kort op knop (2) te drukken.
1 De
functie is afhankelijk van de lichtinval en
wordt alleen geactiveerd wanneer het donker is.
82
04 Interieur
Interieurverlichting
Make-upspiegel1
04
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
1 Optie
op bepaalde markten.
83
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
3
2
1
04
4
8
7
84
6
5
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergmogelijkheden
Pennenvak
Dashboardkastje
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
Opbergvak op derde zitrij
Opbergvakken en bekerhouders
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje
Aflegvlak in middenconsole
Bekerhouders voor achterpassagiers
Opbergvak (ook aan de voorkant van
de voorstoelzitting)
8. Houder voor boodschappentassen
04
WAARSCHUWING
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
In de middenconsole vindt u een vak waarin u
pennen kunnen bewaren.
In het dashboardkastje kunt u bijvoorbeeld het
instructieboekje, wegenkaarten, pennen en
tankpassen bewaren.
85
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Kledinghaak
Asbak voor achterpassagiers (optie)
Bekerhouder/flessenhouder voor
achterpassagiers
04
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
U opent de asbak door de bovenkant van het
klepje naar buiten toe te klappen.
Leeg de asbak als volgt:
– Open de asbak.
– Duw het klepje omlaag en kantel het achterover.
– Til de asbak vervolgens uit de middenconsole.
86
Trek het insteekelement aan de onderkant
openen. U kunt het insteekelement voor bekers als volgt verwijderen. Wanneer u de twee
klemmen losmaakt, kunt u de bekerhouder
gebruiken als flessenhouder voor twee grote
petflessen.
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvakken en bekerhouders
(model met zeven zitplaatsen)
Aflegvlak in middenconsole
Bekerhouders
04
U kunt de opbergvakken gebruiken om
bijvoorbeeld cd’s en boeken in te bewaren.
De middenconsole kan tevens dienst doen als
tafeltje om bijvoorbeeld eten en drinken op
weg te zetten. U moet daarvoor de middenarmsteun naar achteren toe wegkleppen,
zodat de achterpassagiers het onderliggende
blad als “tafeltje” kunnen gebruiken.
Bekerhouders voor de bestuurders- en passagierszijde.
Asbak (optie)
– Om de asbak te legen moet u het insteekelement uitnemen.
Onder het aflegvlak zit een opbergvak om bijvoorbeeld cd’s in te bewaren.
87
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak op derde zitrij
(model met zeven zitplaatsen)
Koelvak (optie)
04
U kunt de opbergvakken gebruiken om bijvoorbeeld pennen en kleine voorwerpen in te
bewaren.
Onder de opklapbare armsteun is een koelvak
weggewerkt. Het koelvak werkt wanneer de
contactsleutel in stand II staat. Het koelvak
heeft een inhoud van ca. 14 liter en kan tot een
temperatuur van ca. 5 °C/41 °F koelen.
WAARSCHUWING
Zorg dat u eventuele flessen tijdens het rijden in het koelvak bewaart en controleer of
u het deksel goed hebt gesloten.
88
04 Interieur
Achterbank
Achterbank, tweede zitrij
(model met zeven zitplaatsen)–
Verschuifbare stoel
(model met zeven zitplaatsen)
Verschuifbare stoel
(model met zeven zitplaatsen)
1
04
2
A
Ruggedeelte vooroverklappen om in te
stappen
Til de handgreep (1) omhoog en duw de stoel
naar voren. Doe het tegenovergestelde om de
stoel in de oorspronkelijke stand terug te zetten.
Stoel vooruit-/achteruitzetten
U kunt de middelste stoel van de tweede zitrij
iets verder naar voren zetten dan de resterende stoelen. Wanneer u de middelste stoel naar
voren schuift kunt u een kind op het geïntegreerde kinderzitje beter in de gaten houden
vanaf de voorstoelen.
Til de beugel (A) op om de stoel naar voren of
achteren te zetten.
Om de middelste stoel van de tweede zitrij
naar voren te kunnen schuiven, moet u eerst
de middenconsole verwijderen. U doet dat als
volgt:
– Verwijder de achterkant van de middenconsole door de pal recht naar buiten toe te
trekken zoals aangegeven op de bovenstaande afbeelding.
– Til de console vervolgens uit de auto.
Til de beugel (2) op om de stoel verder naar
voren of achteren te zetten.
89
04 Interieur
Achterbank
Hoofdsteunen achterbank, middelste
zitplaats
WAARSCHUWING
Zet de hoofdsteun alleen in de laagste positie, wanneer u het ruggedeelte van de stoel
vooroverklapt of wanneer er niemand op de
stoel zit.
Nadat u de stoelen op de tweede en derde
zitrij rechtop gezet hebt, moet u controleren
of het ruggedeelte van de stoelen geblokkeerd staat. Als dat niet het geval is, kan het
beveiligingssysteem zijn werk niet doen.
04
N.B.
U kunt de hoofdsteun niet helemaal verwijderen!
U kunt de hoofdsteun in het midden van de
achterbank al naar gelang de lengte van de
passagier afstellen. Trek de hoofdsteun zo ver
als nodig is naar boven.
– Als u de hoofdsteun omlaag wilt duwen,
moet u tegelijkertijd de pal indrukken (zie
afbeelding).
90
04 Interieur
Bagageruimte
Bagageruimte vergroten, tweede zitrij
Bagageruimte vergroten, derde zitrij
(model met zeven zitplaatsen)
Derde zitrij rechtop zetten
– Zet het ruggedeelte van de stoelen weer
rechtop.
– Pak de lus beet en trek het zitgedeelte zo
ver uit dat u een klik hoort.
– Zet de hoofdsteun rechtop.
U kunt de stoel daarna weer gebruiken.
04
1
– Zet de stoelen in de achterste stand (geldt
alleen voor modellen met zeven zitplaatsen).
– Klap de hoofdsteunen omlaag.
– Hef de blokkering (1) op en klap het ruggedeelte voorover. Duw het ruggedeelte aan
om het in neergeklapte stand te blokkeren.
WAARSCHUWING
Om veiligheidsredenen mag u geen passagiers op de derde zitrij vervoeren, als de
hoofdsteunen van de buitenste zitplaatsen
van de tweede zitrij omlaaggeklapt zijn.
Schuif de tweede zitrij helemaal naar voren toe
(zie pagina 85).
– Til de handgreep omhoog.
– Schuif het zitgedeelte in de achterste
stand. Klap de verankeringsogen links en
rechts dusdanig in, dat ze niet beschadigd
raken wanneer u de ruggedeelten vooroverklapt.
– Klap het ruggedeelte voorover. (De hoofdsteun wordt automatisch ingeklapt bij het
vooroverklappen van het ruggedeelte.)
91
04 Interieur
Bagageruimte
Algemene informatie
04
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto verminderd met dat
van de gemonteerde accessoires. Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 %
gevuld is en dat van de resterende oliën/vloeistoffen inbegrepen. De gemonteerde accessoires zoals een trekhaak, lastdragers, skibox
e.d. zijn niet inbegrepen.
Het laadvermogen van de auto moet tevens
worden verminderd met het gewicht van het
aantal inzittenden.
Lading in de bagageruimte
Veiligheidsgordels en airbags bieden de bestuurder en eventuele passagiers een goede
bescherming, met name bij frontale botsingen.
92
Zorg ook voor een goede afscherming in de
rug. Let er bij het vervoer van lading in de bagageruimte op dat voorwerpen die niet goed
zijn vastgezet of op de juiste manier zijn ingeladen bij een aanrijding of een krachtige remmanoeuvre met hoge snelheid en met grote kracht
naar voren kunnen worden geslingerd en daarbij ernstige verwondingen kunnen toebrengen.
Let erop dat een voorwerp met een gewicht
van 20 kg bij een frontale botsing op een snelheid van 50 km/h zich gedraagt als een voorwerp met een gewicht van 1000 kg.
Let op het volgende bij het inladen:
• Duw zware lading niet te dicht tegen de
voorstoelen aan om te voorkomen dat het
neergeklapte ruggedeelte onnodig zwaar
belast wordt.
• Breng de lading zo dicht mogelijk tegen de
rugleuning van de achterbank aan.
• Leg zware voorwerpen zo veel mogelijk plat
op de vloer.
• Breng zware lading dusdanig aan dat deze
recht voor de deellijn in de rugleuning van
de achterbank komt te zitten.
• Dek scherpe randen met iets zachts af.
• Zet de lading met sjorbanden aan de verankeringsogen vast.
• Zorg dat de lading nooit boven de rugleuning uitsteekt, wanneer u geen gebruik
maakt van een bagagenet.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt! Als dat namelijk wel het
geval is, kan de lading bij een krachtige
remmanoeuvre of een aanrijding naar voren
worden geslingerd en u of eventuele passagiers ernstig verwonden. Let er ook op dat u
lading altijd goed verankert (vastbindt).
Wanneer u het ruggedeelte van de achterbank hebt neergeklapt, moet u zorgen dat
de lading niet uitsteekt boven de denkbeeldige, horizontale lijn op 50 mm onder de
bovenkant van de ruiten in de achterportieren. Zorg er bovendien voor dat de lading
op 10 cm afstand van de zijruiten zit. Anders is het mogelijk dat het opblaasgordijn
dat schuilgaat achter de plafondbekleding
geen bescherming meer biedt.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Zet de motor af en zet de handrem aan bij
het in- en uitladen van lange voorwerpen!
Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen
de versnellingspook of keuzehendel aan
komen en zo per ongeluk een versnelling inschakelen, waarna de auto kan gaan rollen.
04 Interieur
Bagageruimte
Bagagenet
Bagagenet aanbrengen
– Zorg dat het net voor de armleuning van het
zijpaneel komt te liggen bij aanspanning.
– Trek het bagagenet strak met de trekbanden.
Bagagenet opvouwen
1
Het bagagenet voorkomt dat bagage of lading
uit de bagageruimte de passagiersruimte kan
binnendringen bij krachtige remmanoeuvres.
Als de auto is uitgerust met een bagagerolhoes, moet u deze verwijderen voordat u het
bagagenet aanbrengt.
Het bagagenet is gemaakt van stevige nylonmateriaal en kan op twee verschillende manieren worden bevestigd:
– Haak de bovenste stang achter de voorste
of achterste plafondbevestigingen vast.
– Haak het andere uiteinde van de stang aan
de tegenoverliggende plafondbevestiging
vast.
– Haak de banden van het bagagenet vast
aan de ogen op de vloer, wanneer u het net
aan de achterste plafondbevestigingen
hebt vastgezet.
– Maak gebruik van de verankeringsogen op
de stoelrails, wanneer u het net aan de voorste plafondbevestigingen hebt vastgezet.
Geldt alleen voor model met zeven zitplaatsen:
• achter het ruggedeelte van de achterbank,
• achter de voorstoelen, als u de achterbank
hebt neergeklapt.
04
U kunt het bagagenet opvouwen en opbergen
onder de vloerplaat van de bagageruimte
(geldt voor modellen met vijf zitplaatsen).
Druk de knoppen (1) op de scharnieren van
het bagagenet in om de scharnieren te ontgrendelen en het net op te vouwen.
WAARSCHUWING
Controleer altijd of de bovenste bevestigingen van het bagagenet goed zijn aangebracht en of de banden stevig vastzitten.
Een beschadigd net mag u niet meer gebruiken.
93
04 Interieur
Bagageruimte
Stalen veiligheidsrek (optie)
– Doe hetzelfde aan de andere kant van het rek.
– Draai de beide bevestigingsbeugels beurtelings vast.
– Breng de beschermdoppen aan op het
blootliggende schroefdraadsegment boven
de draaiknoppen.
WAARSCHUWING
Geldt voor modellen met zeven zitplaatsen:
Om veiligheidsredenen mag u geen passagiers op de derde zitrij vervoeren, als u het
bagagenet achter de tweede zitrij hebt gemonteerd.
04
Het veiligheidsrek in de bagageruimte voorkomt dat bagage of huisdieren bij krachtige
remmanoeuvres de passagiersruimte in worden geslingerd.
U moet het veiligheidsrek voor de veiligheid
altijd op de juiste manier bevestigen en verankeren.
Breng het veiligheidsrek als volgt aan:
– Til het veiligheidsrek via de achterklep of
een van de achterportieren in de auto (in
het laatste geval moet u eerst de tweede
zitrij neerklappen).
– Breng een van de bevestigingspennen van
het veiligheidsrek in de bijbehorende houder aan die zich boven het achterportier
achter de tweede zitrij bevindt.
94
– Duw de bevestigingspen van het veiligheidsrek naar voren toe in de houder.
– Breng de andere bevestigingspen van het
veiligheidsrek in de houder boven het tegenoverliggende portier en duw ook hier de
bevestigingspen vooruit in de houder.
– Steek de bevestigingsbeugel vanaf de onderzijde door de onderste houder van het
veiligheidsrek zoals aangegeven op de afbeelding.
– Breng de veer op de bevestigingsbeugel
aan en draai de draaiknop erop vast.
– Bevestig de haak van de bevestigingsbeugel in het verankeringsoog en draai aan de
draaiknop, totdat de bevestigingsbeugel in
het verankeringsoog vastgrijpt.
04 Interieur
Bagageruimte
Elektrische aansluiting bagageruimte
Bagagerolhoes (optie)
Houder voor boodschappentassen
04
Verwijder het kapje, wanneer u de aansluiting
wilt gebruiken. De elektrische aansluiting
werkt onafhankelijk van de stand van het contactslot.
Trek de bagagerolhoes over de bagage heen
uit en haak de hoes vast in de openingen die
in de achterste stijlen van de bagageruimte
zitten.
Als bij het uitschakelen van het contact blijkt
dat de stroomsterkte die via de aansluiting
wordt afgenomen hoger is dan 0,1 A, verschijnt er een waarschuwing op het display.
Bagagerolhoes verwijderen
Open het luik in de bagageruimte. Hang of
bind de boodschappentassen vast met bagagebanden of houders.
Druk het eindstuk van de bagagerolhoes naar
binnen toe en trek het naar boven toe los. Bij
het aanbrengen moet u de eindstukken van de
bagagerolhoes in de houders omlaag drukken.
N.B.
Let erop dat u de aansluiting niet gebruikt,
wanneer het contact is uitgeschakeld. Als u
de aansluiting dan namelijk wel gebruikt,
bestaat de kans dat de accu uitgeput raakt.
WAARSCHUWING
Leg geen voorwerpen op de bagagerolhoes. Ze kunnen de inzittenden verwonden
bij afremmen of uitwijkmanoeuvres.
95
04 Interieur
Bagageruimte
Vloervak bagageruimte, inhoud
Vloervlak bagageruimte openen
(model met vijf zitplaatsen)
– Til het luik in de vloer van de bagageruimte
op.
– Doe het volgende als uw auto is uitgerust
met een houder voor boodschappentassen:
– Til het luik op en maak de bagagebanden
van de houder voor de boodschappentassen los.
04
Vloervak bagageruimte openen
(model met zeven zitplaatsen)
1. Model met vijf zitplaatsen 2. Model met zeven
zitplaatsen
Onder de vloer van de bagageruimte vindt u
het volgende:
• Gevarendriehoek (bepaalde markten)
• Gereedschapstas
• EHBO-kit (bepaalde markten)
• Krik (alternatieve positie)
N.B.
Bepaalde producten in de EHBO-kit zijn verzien van een uiterste houdbaarheidsdatum.
U dient de producten te vervangen, voordat
de aangegeven data zijn verstreken.
96
– Til het luik op.
Doe het volgende als uw auto is uitgerust met
een houder voor boodschappentassen:
– Klap het bovenste luik open, maak de
bagagebanden van een eventuele houder
voor boodschappentassen los en klap
vervolgens het onderste luik open.
BELANGRIJK
Let erop dat er geen voorwerpen onder de
stoelkussens liggen wanneer u de stoelen
hebt neergeklapt. Dergelijke voorwerpen
kunnen de stoelkussens en de verstelmechanismen namelijk beschadigen.
04 Interieur
04
97
Sleutels en afstandsbediening ................................................................ 100
Vergrendelen en ontgrendelen ................................................................ 103
Kinderslot ................................................................................................ 106
Alarm (optie) ............................................................................................ 108
98
SLOTEN EN ALARM
05
05 Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
Sleutels, elektronische
startblokkering
1. Hoofdsleutel
De hoofdsleutel past op alle sloten.
2. Servicesleutel1
Sleutel die past op bestuurdersportier
en stuurslot/contactslot.
Bij de auto worden twee hoofdsleutels en een
servicesleutel geleverd1. Eén hoofdsleutel is
inklapbaar en voorzien van een ingebouwde
afstandsbediening.
N
05
Als u een van de sleutels verliest, moet u contact opnemen met een erkende Volvowerkplaats en alle resterende sleutels meenemen. Ter voorkoming van diefstal moet de
code van de zoekgeraakte sleutel uit het systeem worden gewist. Tegelijkertijd moeten de
codesignalen van de resterende sleutels opnieuw in het systeem worden geprogrammeerd.
De unieke code van de sleutels is bekend bij
de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutels kunnen worden besteld.
Er kunnen maximaal zes afstandsbedieningen/sleutels voor één en dezelfde auto worden geprogrammeerd en gebruikt.
O
Elektronische startblokkering
De sleutels zijn voorzien van gecodeerde
transponderchips. Deze code moet overeenkomen met die van de ontvanger in het
1 Alleen
100
bepaalde markten
contactslot. U kunt de auto alleen starten,
wanneer u een sleutel met de juiste code gebruikt.
N.B.
Het sleutelblad van de hoofdsleutel (1) moet
volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld) bij
het starten van de auto. Anders bestaat het
risico dat de startblokkering in werking
treedt en de motor niet kan worden gestart.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met andere sleutels of metalen voorwerpen aan dezelfde sleutelbos hangen. Anders kan de elektronische startblokkering per ongeluk worden
geactiveerd, zodat de auto niet kan worden
gestart.
05 Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
Functies afstandsbediening
N
O
S
P
Paniekfunctie
Vergrendelen
U kunt gebruik maken van de paniekfunctie
om in noodgevallen de aandacht van anderen
te trekken. Als u de rode alarmknop (3) ten
minste drie seconden lang ingedrukt houdt of
tweemaal achtereen indrukt, activeert u de
richtingaanwijzers en de claxon. U schakelt de
paniekfunctie weer uit met een druk op een
willekeurige knop van de afstandsbediening.
Als u niets doet, wordt de paniekfunctie na
25 seconden automatisch uitgeschakeld.
Met knop (5) vergrendelt u alle portieren, de
achterklep en de tankvulklep. Voor de tankvulklep geldt een vertraging van ca. 10 minuten.
R
Sleutel in-/uitklappen
U kunt de sleutel inklappen door knop (6) in te
drukken, terwijl u het mechanische gedeelte
inklapt.
De ingeklapte sleutel wordt automatisch uitgeklapt met een druk op de knop.
Approach-verlichting
Q
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Ontgrendelen
Achterklep openen
Paniekfunctie
Approach-verlichting
Vergrendelen
Sleutel in-/uitklappen
Ontgrendelen
– Bij eenmaal indrukken van knop (1) worden
alle portieren, de achterklep en de tankvulklep ontgrendeld.
Achterklep
– Bij eenmaal indrukken van knop (2) wordt
alleen de achterklep ontgrendeld.
Doe het volgende, wanneer u op de auto toeloopt:
– Druk op de gele knop (4) van uw afstandsbediening.
De interieurverlichting, de stadslichten vóór en
verlichting achter, de kentekenplaatverlichting en de lampjes in de buitenspiegels (optie)
gaan branden. Als er een aanhanger achter de
auto hangt, gaat ook de verlichting van de
aanhanger branden. De lampen blijven 30, 60
of 90 seconden branden. In een erkende Volvo-werkplaats kunt u een passende inschakelduur laten instellen.
05
Doe het volgende om de Approach-verlichting
uit te schakelen:
– Druk nogmaals op de gele knop van uw
afstandsbediening.
101
05 Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
Batterij afstandsbediening vervangen
05
Als de sloten niet meer bij de gebruikelijke
afstand reageren op signalen van de afstandsbediening, moet u de batterij bij de eerstvolgende servicebeurt vervangen.
– Haal de afdekking los door deze met een
smalle schroevendraaier aan de achterkant
voorzichtig open te wrikken.
– Vervang de batterij (type CR 2032, 3 V) en
zorg dat de pluspool omhoogwijst. Kom
niet met uw vingers aan de polen van de
batterij of de contactvlakken.
– Plaats de afdekking terug. Zorg dat het
afdichtrubber goed zit en intact is, zodat er
geen vocht kan binnendringen.
102
– Geef de lege batterij af bij uw Volvo-dealer,
zodat de batterij op milieuvriendelijke wijze
wordt verwerkt.
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Van de buitenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
N.B.
Ook als er nog een portier of de achterklep
openstaat is het mogelijk de auto te
vergrendelen1. Wanneer u het geopende
portier vervolgens sluit bestaat het gevaar
dat u zich buitensluit met de sleutels nog in
de auto.
Automatische vergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na ontgrendeling
opent, worden alle sloten automatisch opnieuw vergrendeld. Deze functie beperkt de
kans dat u de auto per ongeluk onvergrendeld
kunt laten staan.
Zie pagina 108 voor auto’s met alarm.
Automatische vergrendeling
Met de hoofdsleutel of de afstandsbediening
kunt u alle zijportieren en de achterklep tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen. De vergrendelingsknoppen op de portieren en de
portierhandgrepen aan de binnenzijde zijn dan
niet meer te bedienen1.
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat. De tankvulklep
blijft 10 minuten lang onvergrendeld staan,
nadat u de auto vergrendeld hebt.
1 Geldt
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier kunt u de automatische vergrendeling activeren of deactiveren. Bij automatische vergrendeling worden de portieren automatisch vergrendeld wanneer de auto een
snelheid bereikt van meer dan 7 km/h. De portieren blijven vergrendeld totdat een portier
van de binnenzijde worden geopend of alle
portieren tegelijkertijd worden ontgrendeld
vanaf het bedieningspaneel.
Automatische vergrendeling activeren/
deactiveren
De contactsleutel moet in stand I of II staan.
Druk op de knop READ op de linker stuurhendel om eventuele meldingen op het informatiedisplay te bevestigen.
05
Houd de knop voor centrale vergrendeling ingedrukt, totdat er een nieuwe melding over de
vergrendelingsstatus op het informatiedisplay
verschijnt.
De melding AUTOLOCK GEACTIVEERD (automatische vergrendeling tijdens het wegrijden) of AUTOLOCK GEDEACTIVEERD verschijnt op het informatiedisplay.
voor bepaalde markten
103
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Auto van de binnenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
Dashboardkastje vergrendelen
Achterklep met afstandsbediening
vergrendelen/ontgrendelen
05
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier (of het passagiersportier) zijn alle
portieren en de achterklep gelijktijdig te vergrendelen dan wel te ontgrendelen.
Alle portieren zijn te vergrendelen met de vergrendelknop op het bedieningspaneel van het
bewuste portier.
Als de auto niet van de buitenzijde vergrendeld werd, is deze te ontgrendelen door een
portier met de handgreep te openen.1
1 Geldt
104
voor bepaalde markten
U kunt het dashboardkastje alleen met de
hoofdsleutels vergrendelen/ontgrendelen en
dus niet met de servicesleutel.
Alleen achterklep ontgrendelen:
– Druk eenmaal op de bijbehorende knop van
de afstandsbediening zoals afgebeeld.
– Als de achterklep openstond toen u de
overige portieren vergrendelde, blijft de
achterklep ook na sluiting onvergrendeld en
onbewaakt staan. De overige portieren zijn
echter nog steeds vergrendeld en bewaakt.
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
– Druk nogmaals op de knop LOCK om in
een dergelijk geval de achterklep te vergrendelen en in het alarm te betrekken.
Safelock-functie en eventuele
alarmsensoren tijdelijk deactiveren
N.B.
Als u van de knop LOCK gebruik maakt om
de achterklep te ontgrendelen zonder de
klep te openen, wordt de klep ca. 2 minuten
automatisch opnieuw vergrendeld.
afstandsbediening vergrendelt. Er verschijnt
een melding op het display zolang de sleutel in
het contactslot steekt. De volgende keer dat u
het contact van de auto inschakelt, worden de
sensoren en de Safelock-functie weer
geactiveerd.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren.
Safelock-functie1
Bij activering van de Safelock-functie zijn de
portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld zijn.
De Safelock-functie kan alleen van de buitenzijde worden geactiveerd door het bestuurdersportier met de sleutel of de afstandsbediening te vergrendelen. Alle portieren moeten
zijn gesloten, voordat u de Safelock-functie
kunt activeren. De portieren kunnen daarna
niet meer van de binnenzijde worden geopend. De auto kan alleen van de buitenzijde
worden geopend met de sleutel in het bestuurdersportier of via de afstandsbediening.
De Safelock-functie treedt 25 seconden na
het sluiten van de portieren in werking.
1 Bepaalde
landen
05
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft (bijvoorbeeld tijdens de overtocht met
een veerverbinding), kunt u de Safelock-functie tijdelijk deactiveren. U doet dat als volgt:
– Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug naar
stand I of 0.
– Druk op de knop (zie afbeelding).
Als de auto is uitgerust met alarm stelt u ook
de bewegings- en niveausensoren buiten werking (zie pagina 109).
Het lampje in de knop licht op en blijft branden, totdat u de auto met de sleutel of de
105
05 Sloten en alarm
Kinderslot
Handbediend kinderslot,
achterportieren en achterklep
B. Uitgeschakeld kinderslot – de achterportieren kunnen wel van de binnenzijde worden
geopend (naar binnen toe draaien).
WAARSCHUWING
Houd de vergrendelingsknoppen altijd omhoog tijdens het rijden. Bij ongelukken kunnen hulpverleners dan snel in de auto
komen. Zolang het kinderslot ingeschakeld
is, kunnen de achterportieren niet van de
binnenzijde worden geopend.
05
Bediening kinderslot, achterklep
De bediening van de kindersloten vindt u onder op de achterklep1 en achter op de korte
kant van de achterportieren, zodat ze alleen
bereikbaar zijn wanneer de achterklep of het
desbetreffende portier openstaat.
– U bedient het kinderslot op de achterklep
door de knop in een van beide eindstanden
opzij te duwen (gebruik daarvoor een plat
metalen voorwerp zoals een schroevendraaier):
1 Alleen
106
bepaalde markten
Bedieningscilinder kinderslot, linker en rechter
achterportier
A. Ingeschakeld kinderslot – de achterklep
kan niet van de binnenzijde worden geopend.
B. Uitgeschakeld kinderslot – de achterklep
kan wel van de binnenzijde worden geopend.
– U bedient het kinderslot op de achterportieren door de cilinder in een van beide
eindstanden te draaien (gebruik daarvoor
een plat metalen voorwerp zoals een
schroevendraaier):
A. Ingeschakeld kinderslot – de achterportieren kunnen niet van de binnenzijde worden geopend (naar buiten toe draaien).
05 Sloten en alarm
Kinderslot
Elektrisch kinderslot –
achterportieren1
Er verschijnt een melding op het informatiedisplay, wanneer het kinderslot geactiveerd/gedeactiveerd wordt.
N.B.
Zolang het elektrisch kinderslot is ingeschakeld, kunnen de achterportieren niet van de
binnenzijde worden geopend.
05
Gebruik de knop op de middenconsole om het
kinderslot op de achterportieren in of uit te
schakelen.
– Draai de contactsleutel naar stand I of II
staan.
– Druk op de knop.
Het lampje in de knop licht op om aan te geven dat de bedieningsknoppen voor de achterste zijruiten en de achterportieren vergrendeld zijn.
1 Optie
op bepaalde markten
107
05 Sloten en alarm
Alarm (optie)
Alarmsysteem
Alarmlampje op dashboard
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontroleerd.
N.B.
Het alarm gaat af, als:
05
• een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend;
• het contactslot wordt omgedraaid met een
verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd;
• er een beweging in de passagiersruimte
wordt waargenomen (als er een bewegingsmelder aanwezig is);
• de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor);
• de accukabel wordt ontkoppeld;
• iemand de sirene probeert los te koppelen.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Alarmfunctie inschakelen
Een lampje op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
• Het lampje brandt niet – het alarm is uitgeschakeld.
• Het lampje licht eenmaal per twee seconden op nadat de richtingaanwijzers van de
auto een lang lichtsignaal hebben afgegeven – het alarm is ingeschakeld.
• Het lampje knippert snel vanaf het moment
van uitschakelen van het alarm tot het
moment van inschakelen van het contact:
Het alarm is afgegaan.
• Als er een storing is opgetreden in het
alarmsysteem, verschijnt er een displaymelding.
108
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het informatiedisplay. Neem in dat geval contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
– Druk op de knop LOCK van de afstandsbediening. De richtingaanwijzers van de auto
geven een lang lichtsignaal af ter bevestiging dat het alarm is ingeschakeld en dat
alle portieren zijn vergrendeld.
BELANGRIJK
De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af en het lampje op het
dashboard licht om de twee seconden eenmaal op ter bevestiging dat het alarm volledig is ingeschakeld.
Alarmfunctie uitschakelen
– Druk op de knop UNLOCK van de afstandsbediening. De richtingaanwijzers van
de auto geven twee korte lichtsignalen af ter
bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld.
05 Sloten en alarm
Alarm (optie)
Als de batterijen in de afstandsbediening leeg
zijn, kunt u het alarm uitschakelen door de
contactsleutel naar stand II te draaien.
Automatische inschakeling van het
alarm
De functie voorkomt dat u de auto per ongeluk
verlaat zonder het alarm in te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na uitschakeling
van het alarm opent (en de auto werd met de
afstandsbediening ontgrendeld), dan wordt
het alarm automatisch weer ingeschakeld.
De auto wordt tegelijkertijd vergrendeld.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
• Er klinkt 25 seconden lang een sirene. Deze
beschikt over een eigen accu die wordt
ingeschakeld, als de accu van de auto te
weinig vermogen heeft of ontkoppeld is.
• Alle richtingaanwijzers knipperen
vijf minuten lang of totdat u het alarm uitschakelt.
Alarmsensoren en Safelock-functie
tijdelijk deactiveren
– Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug in
stand I of 0.
– Druk op de knop.
Het lampje in de knop licht op en blijft branden, totdat u de auto met de sleutel of de afstandsbediening vergrendelt.
Er verschijnt een melding op het display zolang
de sleutel in het contactslot steekt. De volgende keer dat u het contact van de auto inschakelt, worden de sensoren en de Safelockfunctie weer geactiveerd (zie pagina 105).
05
Automatische activering van het alarm
In bepaalde landen (zoals in België, Israël e.d.)
wordt het alarm na enige vertraging automatisch ingeschakeld, wanneer het bestuurdersportier werd geopend en gesloten maar
daarna niet werd vergrendeld.
Geactiveerd alarm uitschakelen
– Druk op de knop UNLOCK van de afstandsbediening of steek de sleutel in het
contactslot.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
Om te voorkomen dat het alarm per ongeluk
afgaat, als u bijvoorbeeld een hond in de auto
achterlaat of gebruik maakt van een veerboot,
kunt u de bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk uitschakelen:
109
Algemene informatie ............................................................................... 112
Brandstof tanken..................................................................................... 114
Motor starten .......................................................................................... 116
Handgeschakelde versnellingsbak.......................................................... 118
Automatische versnellingsbak ................................................................ 119
Vierwielaandrijving .................................................................................. 122
Remsysteem ........................................................................................... 123
Stabiliteits- en tractieregelsysteem......................................................... 125
Parkeerhulp (optie) .................................................................................. 127
BLIS, Blind Spot Information System (optie)........................................... 129
Slepen en bergen .................................................................................... 132
Starten met hulpaccu.............................................................................. 134
Rijden met een aanhanger ...................................................................... 135
Trekhaak .................................................................................................. 137
Afneembare trekhaak .............................................................................. 139
Lading vervoeren..................................................................................... 144
Lichtbundel aanpassen ........................................................................... 146
110
STARTEN EN RIJDEN
06
06 Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie.
06
• Laat de motor zo snel mogelijk op bedrijfstemperatuur komen.
• Laat de motor niet stationair lopen, maar
rijd zo snel mogelijk met een lichte belasting. Een koude motor verbruikt meer
brandstof dan een warme.
• Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig
remmen.
• Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
• Gebruik geen winterbanden op sneeuwvrije
wegen.
• Verwijder de lastdrager wanneer u deze
niet nodig hebt.
• Rijd niet met open zijruiten.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de nieuwe auto bij gladheid
reageert.
Motor en koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een zware lading, bestaat het gevaar dat de motor en
het koelsysteem oververhit raken.
112
Vermijd oververhitting van het
koelsysteem
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u met
een aanhanger achter de auto een lange en
steile helling oprijdt.
• Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
• Verwijder verstralers die voor de grille zitten, als u bij extreem warm weer rijdt.
Vermijd oververhitting van de motor
Laat de motor geen hogere toeren maken dan
4500 omw/min (dieselmotor: 3500 omw/min),
wanneer u met een aanhanger of caravan achter de auto in heuvelachtig gebied rijdt. Anders kan de olietemperatuur te hoog oplopen.
Open achterklep
Rijd niet met een geopende achterklep. Als u
toch en stukje met een geopende achterklep
moet rijden, kunt u het volgende doen:
– Doe alle ruiten dicht.
– Stuur de lucht naar de voorruit en de vloer
en laat de ventilator op de hoogste snelheid
draaien.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Er
kunnen giftige gassen via de bagageruimte
de passagiersruimte in worden gezogen.
Op oneffen wegen rijden
Hoewel de Volvo XC90 voornamelijk geconstrueerd is voor het gebruik op verharde wegen, biedt de auto ook goede eigenschappen
op onverharde en slecht onderhouden wegen.
De auto gaat desondanks langer mee als u op
het volgende let:
• Rijd langzaam als het wegdek oneffen is
om schade aan het onderstel van de auto
te voorkomen.
• Als de ondergrond rul is of uit droog zand
of sneeuw bestaat, verdient het altijd de
voorkeur om de auto in beweging te houden en overschakelen te voorkomen. Breng
de auto nooit tot stilstand.
• Als de weg buitengewoon steil is zodat het
gevaar bestaat dat de auto kantelt, moet u
de auto nooit op de helling proberen te
keren maar achteruit terugrijden. Rijd nooit
schuin maar altijd recht een helling op en af.
N.B.
Rijd bij voorkeur geen steile helling op of af,
wanneer het brandstofniveau laag is. De katalysator kan beschadigd raken, als de motor onvoldoende brandstof krijgt. Zorg er bij
het beklimmen van een buitengewoon steile
helling voor dat de brandstoftank voor meer
dan de helft gevuld is, om motoruitval te
voorkomen.
06 Starten en rijden
Algemene informatie
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 40 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij diepere waterpartijen kan er water in de
transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen daarbij af,
waardoor de genoemde systemen minder
lang meegaan.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het oversteken van de waterpartij
lichtjes op het rempedaal om te controleren of
de remwerking in orde is. Bij water en vuil op
de remblokken kunnen er vertragingen in de
remwerking optreden.
N.B.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en modder.
BELANGRIJK
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken komt om
elektrische storingen te voorkomen.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten. Sleep de auto uit
de waterpartij.
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
melding op het display. De energiebesparingsfunctie schakelt bepaalde onderdelen/
systemen uit of verlaagt de belasting van de
accu door bijvoorbeeld de interieurventilator
lager te zetten en de geluidsinstallatie uit te
schakelen. U laadt de accu op door de motor
te starten.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten
de accu in verschillende mate. Laat de contactsleutel niet te lang achtereen in stand II
staan, als u de motor hebt afgezet. Gebruik
liever stand I. Op die manier wordt er minder
stroom afgenomen. De 12V-aansluiting in de
kofferbak levert ook spanning als u de contactsleutel hebt uitgenomen.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
06
• interieurventilator
• ruitenwissers
• audiosysteem (hoog volume)
• stadslichten.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrische systeem belasten. Maak
daarom geen gebruik van functies die veel
stroom afnemen, wanneer u de motor hebt
afgezet.
113
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
Tankvulklep openen
De tankdop vindt u achter de tankvulklep in het spatbord rechtsachter. De dop is op te hangen aan de binnenzijde van de tankvulklep.
06
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat.
N.B.
De tankvulklep blijft tien minuten lang onvergrendeld staan, nadat u de auto vergrendeld hebt. De tankvulklep wordt daarna
automatisch vergrendeld.
Tankvulklep handmatig openen
Wanneer u de tankvulklep niet op de normale
manier kunt openen moet u de tankvulklep
wellicht handmatig openen.
114
Doe in dat geval het volgende:
– Til de vloerbekleding in de bagageruimte
aan de rechter achterhoek op.
– Open de afdekking door de handgreep op
te tillen en naar buiten trekken.
– Haal de isolatie opzij om bij de elektrische
vergrendeling van de tankvulklep te komen.
– Steek uw hand door de opening en zoek de
vergrendeling op. De vergrendeling zit ter
hoogte van de achterkant van de tankvulklep.
– Trek de pal recht naar achteren. U kunt de
tankvulklep vervolgens openen. Sluit na het
tanken de tankvulklep en duw de pal weer
naar voren.
WAARSCHUWING
Er zitten onderdelen met scherpe randen
achter het paneel. Beweeg uw hand daarom langzaam en voorzichtig.
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
Tankdop
Bij hoge buitentemperaturen kan er een bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam open.
N.B.
Plaats de tankdop na het tanken terug.
Draai de dop zo ver dicht dat u een of meer
duidelijke klikken hoort.
Brandstof tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan aangegeven op pagina 249, omdat dit een nadelige invloed kan hebben op
het motorvermogen en het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan door de hete uitlaatgassen ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. Het belsignaal kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
Benzine
BELANGRIJK
Voeg nooit reinigende additieven (dopes)
aan de benzine toe zonder het uitdrukkelijke
advies van Volvo.
06
Dieselolie
Bij lage temperaturen (–5 °C tot –40 °C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat
aanleiding kan geven tot startproblemen.
BELANGRIJK
Gebruik speciale winterbrandstof tijdens de
wintermaanden.
115
06 Starten en rijden
Motor starten
Voordat de motor wordt gestart
N.B.
– Trek de handrem aan.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat
het motortoerental merkbaar hoger ligt dan
normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Automatische versnellingsbak
– Zet de keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak
– Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt. Dit is met name van belang
bij strenge vorst.
Motor starten
Benzine
WAARSCHUWING
06
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden uit het contactslot, ook niet als de auto
gesleept wordt. U loopt anders het gevaar
dat het stuurslot wordt geactiveerd, waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
Bij het slepen moet de contactsleutel in
stand II staan.
N.B.
Het sleutelblad van de hoofdsleutel moet
volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld op
pagina 100) bij het starten van de auto. Anders bestaat het risico dat de startblokkering in werking treedt en de motor niet kan
worden gestart.
– Draai de contactsleutel naar stand III.
Als de motor niet binnen 5–10 seconden
aanslaat, moet u de sleutel loslaten en een
nieuwe startpoging doen.
Dieselolie
1. Draai de contactsleutel naar stand II.
Een controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden om aan te geven dat
de motor wordt voorverwarmd (zie
pagina 46).
2. Draai de sleutel naar stand III, wanneer
het controlelampje uitgaat.
Roetfilter dieselmotor (DPF)1
Dieselmodellen zijn mogelijk uitgerust met
een roetfilter, waardoor een nog efficiëntere
uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale
rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit
de uitlaatgassen in het filter achter. Om de
1
116
Bepaalde markten
roetdeeltjes te verbranden en het filter te legen
wordt een zogeheten regeneratie gestart.
Daarvoor moet de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregenereerd. De regeneratie duurt normaal 10 tot
20 minuten. Gedurende deze tijd kan het
brandstofverbruik ietwat stijgen.
Om de motor tijdens de regeneratie zwaarder
te belasten is het mogelijk dat de achterruitverwarming zonder verdere indicatie spontaan
aanslaat.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
bereikt de motor de normale bedrijfstemperatuur niet. Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht het oranje gevarendriehoek op het instrumentenpaneel op en
verschijnt de melding ROETFILTER VOL ZIE
HANDLEIDING op het display van het instrumentenpaneel. U start de regeneratie van het
filter door met de auto op een secundaire weg
of op een snelweg te rijden totdat de motor
voldoende op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog ca. 20 minuten verder. Na afloop van de regeneratie verdwijnt de melding
automatisch.
06 Starten en rijden
Motor starten
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met deeltjes gevuld
is, kan het onbruikbaar worden. De motor
start dan moeilijk en de kans bestaat dat het
filter moet worden vervangen.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming
(optie) inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met andere sleutels of metalen voorwerpen aan dezelfde sleutelbos hangen. Als u dat wel doet, kan
de elektronische startblokkering per ongeluk
worden geactiveerd.
Laat de motor meteen na een koude start
nooit op te hoge toeren draaien! Neem contact op met een Volvo-werkplaats, als de motor niet aanslaat of overslaat.
WAARSCHUWING
Schakel nooit tijdens het rijden het contact
uit (sleutel in stand 0 of I) en neem de contactsleutel evenmin uit het contactslot. U
loopt dan het gevaar dat het stuurslot wordt
geactiveerd, waarbij de auto onbestuurbaar
wordt.
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
contactsleutel uit het contactslot. Dit geldt
in het bijzonder wanneer er kinderen in de
auto achterblijven.
Contact- en stuurslot
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de
sleutel uit het contactslot
neemt.
I – Radiostand
Sommige onderdelen van
het elektrisch systeem kunnen worden ingeschakeld.
Het elektrisch systeem van
de motor is echter uitgeschakeld.
II – Rijstand
De stand waarin de contactsleutel tijdens het rijden
staat. Het elektrisch systeem van de auto is ingeschakeld.
Als het u moeite kost om de sleutel om te
draaien, is het mogelijk dat de stand van de
voorwielen voor spanningen in het stuurslot
zorgt. Draai de contactsleutel in dat geval om,
terwijl u het stuurwiel heen en weer draait.
Automatisch starten (3.2 en V8)
Met de functie Automatisch starten hoeft i de
contactsleutel niet langer in de startstand
(stand III) vast te houden totdat de motor is
aangeslagen. Draai de contactsleutel naar de
startstand en laat de sleutel weer los. De startmotor blijft vervolgens automatisch (tot
tien seconden lang) draaien totdat de motor is
aangeslagen.
N.B.
Zorg dat het stuurwiel geblokkeerd is, wanneer u de auto verlaat. Zo beperkt u de kans
op diefstal.
06
III – Startstand
De startmotor wordt ingeschakeld. Wanneer u nadat
de motor is aangeslagen de
sleutel loslaat, veert deze
automatisch terug in de rijstand.
117
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelstanden
06
– Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
– Haal uw voet na het schakelen weer van het
koppelingspedaal af! Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden moet u zo veel mogelijk gebruik maken van de 6e versnelling.
Blokkering achteruitversnelling
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat.
118
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Koude start
Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk
dat het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt
omdat de versnellingsbakolie bij lagere temperaturen stroperiger wordt. Om de uitstoot
van uitlaatgassen te beperken schakelt de
versnellingsbak later op dan normaal, wanneer u bij lage temperaturen wegrijdt.
N.B.
Afhankelijk van de motortemperatuur tijdens de start is het mogelijk dat het motortoerental van bepaalde motortypen na een
koude start iets hoger is dan normaal.
Turbomotor
Wanneer u met een koude motor wegrijdt,
schakelt de versnellingsbak bij een hoger toerental op dan normaal. Zo komt de katalysator
sneller op temperatuur met minder uitstoot
van uitlaatgassen.
Adaptief systeem
De versnellingsbak wordt afgeregeld aan de
hand van een zogeheten adaptief schakelsysteem dat voortdurend “leert” hoe de versnellingsbak zich gedraagt. Het systeem registreert de manier waarop de versnellingsbak
schakelt, zodat er in elke situatie optimaal
wordt geschakeld.
Lock-upfunctie
Sleutelblokkering, Keylock
De versnellingen zijn voorzien van lock-up (geblokkeerde versnellingen) om beter op de motor te kunnen afremmen en het brandstofverbruik te verlagen.
De keuzehendel moet in stand P staan om de
contactsleutel te kunnen uitnemen. In alle andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Kick-down
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kick-down.
Wanneer u het gaspedaal uit de kick-downstand loslaat, schakelt de versnellingsbak automatisch op.
Gebruik de kick-down om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Om overtoeren te voorkomen, is het stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien van
een terugschakelblokkering waardoor de zogeheten kick-down niet mogelijk is.
Kick-down is niet mogelijk in een handmatige
schakelstand.
Beveiligingssystemen
Parkeerstand (stand P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
– Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de
keuzehendel verzet.
Elektrische schakelblokkering –
Shiftlock Parkeerstand (stand P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen, moet de contactsleutel in stand I of II
staan en moet het rempedaal ingedrukt zijn.
Schakelblokkering, vrijstand (stand N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de
auto heeft minstens drie seconden stilgestaan (of de motor nu loopt of niet), is de keuzehendel geblokkeerd in stand N.
06
Om de keuzehendel uit stand N te halen, moet
het rempedaal worden bediend en moet de
contactsleutel in stand II staan.
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveiligingssystemen:
119
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug, afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg dat de auto stilstaat, voordat u de keuzehendel vanuit stand R in
stand D zet.
P – Parkeerstand
06
Selecteer stand P, wanneer u de motor start
of de auto parkeert.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Zet na het parkeren altijd de parkeerrem aan!
R – Achteruitrijstand
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
N.B.
U moet het rempedaal bedienen om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen.
120
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
N – Neutraalstand
Stand N is de neutrale stand. In deze stand
kunt u de motor starten, maar er is geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan,
wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel
in stand N staat.
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Keuzehendelblokkering
Handmatige schakelstanden
Om van de automatische rijstand D naar een
handmatige stand over te schakelen, moet u
de keuzehendel in stand M zetten. Om van
stand M naar de automatische rijstand D over
te schakelen, moet u de keuzehendel in
stand D zetten.
Bij de vijftraps automatische versnellingsbak
zijn de 3e, 4e en 5e1 versnelling voorzien van
lock-up (geblokkeerde versnellingen) om beter
op de motor te kunnen afremmen en het
brandstofverbruik te verlagen.
Tijdens het rijden
U kunt de keuzehendel altijd ongehinderd
heen en weer halen tussen de stand N en D.
Om de hendel in een van de overige standen
te zetten, moet u een blokkering opheffen
door op de blokkeerknop op de keuzehendel
te drukken.
Wanneer u de blokkeerknop indrukt, kunt u de
hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
standen N, R en P.
De handmatige schakelstanden kunnen op elk
moment tijdens het rijden ingeschakeld worden. De ingeschakelde versnelling is geblokkeerd, totdat u een andere versnelling kiest.
Als u de keuzehendel naar de – (min) beweegt,
schakelt de versnellingsbak automatisch een
versnelling terug en wordt er tegelijkertijd op
de motor afgeremd als u het gaspedaal loslaat. Als u de keuzehendel naar de + (plus) beweegt, schakelt de versnellingsbak een versnelling op.
W – Winterprogramma
Druk op de knop W om het
winterprogramma W in- en
uitschakelen. Wanneer het
winterprogramma ingeschakeld is, brandt het symbool
W op het instrumentenpaneel.
In het winterprogramma geldt de 3e versnelling als wegrijversnelling om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen komen. In het winterprogramma worden de lagere versnellingen alleen bij kick-down ingeschakeld.
U kunt het programma W altijd inschakelen
ongeacht de stand van de keuzehendel. Het
programma werkt echter alleen, wanneer de
keuzehendel in stand D staat.
06
De 3e versnelling is de hoogste versnelling die
u bij het wegrijden kunt inschakelen.
1
Bij de zestraps automatische versnellingsbak
zijn ook de 2e en 6e versnelling voorzien van
lock-up.
121
06 Starten en rijden
Vierwielaandrijving
Vierwielaandrijving, AWD
(All Wheel Drive)
De vierwielaandrijving is permanent ingeschakeld.
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven. Het motorkoppel wordt automatisch over de voor- en
achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt het vermogen over het wielpaar dat op dat moment
de beste grip op het wegdek heeft. Dit om optimale wegligging te verkrijgen en te voorkomen dat de wielen doorslippen.
Bij normaal rijden worden de voorwielen naar
verhouding iets sterker aangedreven dan de
achterwielen.
06
122
Vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
06 Starten en rijden
Remsysteem
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een uitgeschakelde motor, moet u ongeveer vijfmaal
zoveel druk uitoefenen op het rempedaal als
wanneer de motor loopt. Als u bij het starten
van de motor op het rempedaal trapt, kan het
rempedaal iets omlaagkomen. Dit is volkomen
normaal omdat de rembekrachtiging geactiveerd wordt. Bij een auto met EBA (Emergency Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te
merken zijn.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
N.B.
Als geremd moet worden met een uitgeschakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal – dus niet pompen.
Remkringen
Het nevenstaande lampje licht op,
wanneer er een remkring defect is.
Als er een storing in een van de remkringen optreedt, is remmen nog
steeds mogelijk. U moet het rempedaal echter
verder intrappen en het pedaal kan minder stug
aanvoelen. U moet harder op het pedaal trappen om de normale remkracht te verkrijgen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat. Daardoor kunnen de wrijvingseigenschappen van
de remblokken gewijzigd worden, zodat u een
bepaalde verlenging van de aanspreekduur
van de remmen kunt merken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de remblokken waardoor het vocht verdampt. Deze
procedure is ook aan te raden voordat u de
auto voor langere tijd in dergelijke weersomstandigheden parkeert.
Anti-blokkeerremsysteem (ABS)
Als de remmen zwaar belast worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met vergelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als u
niet bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandigheden vaak laag is, worden de remmen niet even
goed gekoeld als bij snelle ritten op vlakke wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugschakelen dan het rempedaal gebruiken. Gebruik dezelfde versnelling die u zou gebruiken wanneer u een helling oprijdt. Op die manier kunt u
beter op de motor afremmen en hoeft u de
rem slechts korte tijd te gebruiken.
Het ABS (Anti-lock Braking System)
voorkomt dat de wielen tijdens het
remmen geblokkeerd raken.
Zo blijft de auto bestuurbaar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is om obstakels te ontwijken.
Wanneer u na het starten van de motor wegrijdt en een snelheid van ca. 20 km/h hebt bereikt, gaat er een korte zelftest van het ABS
van start. Dit kunt u zowel horen als voelen
aan de pulsaties in het rempedaal.
Om het ABS maximaal te benutten:
– Trap zo hard mogelijk op het rempedaal (er
zijn pulsaties voelbaar).
– Stuur de auto in de rijrichting en blijf druk
op het rempedaal uitoefenen.
Aarzel niet om op een terrein zonder verkeer te
testen hoe het ABS in verschillende weersomstandigheden reageert.
Het waarschuwingslampje voor ABS licht
twee seconden op, als er de vorige keer dat
de motor liep een storing in het ABS is opgetreden.
06
123
06 Starten en rijden
Remsysteem
Elektronische remkrachtverdeling, EBD
Remkrachtverhoging, EBA
Het EBD-systeem (Electronic Brakeforce Distribution) vormt een geïntegreerd onderdeel
van het ABS-systeem. Het EBD-systeem regelt de remkracht op de achterwielen altijd
dusdanig af dat de maximale remwerking
wordt verkregen. Wanneer het systeem de
remkracht afregelt, treden er merkbare pulsaties in het rempedaal op.
(Emergency Brake Assistance) Het EBA is
dusdanig geconstrueerd dat u, wanneer u
krachtig moet remmen, altijd meteen het
maximale remvermogen kunt afnemen. Het
systeem registreert het moment waarop u
krachtig wilt afremmen door de snelheid te
meten waarmee u op het rempedaal trapt. Blijf
remmen zonder het rem pedaal los te laten.
Het systeem wordt uitgeschakeld, wanneer u
het rempedaal loslaat. Het systeem is altijd
actief. U kunt het dan ook niet uitschakelen.
WAARSCHUWING
06
124
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en het ABS tegelijkertijd oplichten, kan er een storing zijn opgetreden in
het remsysteem. Als het remvloeistofpeil in
dat geval in orde is, moet u de auto voorzichtig naar de dichtstbijzijnde erkende
Volvo-werkplaats rijden om het remsysteem
te laten controleren.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal (houd het ingedrukt) zolang dat nodig is. Zodra u het
rempedaal loslaat, worden de remmen volledig gelost.
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
Algemene informatie
Beperkte functie
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC,
(Dynamic Stability and Traction Control) helpt
de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
WAARSCHUWING
Bij een ingreep van het systeem kunnen er
merkbare pulsaties optreden in het rem- of
gaspedaal. Bij het geven van gas kan de auto
bovendien langzamer dan verwacht optrekken.
Antislipregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
Het lampje
brandt tegelijkertijd om u eraan
te herinneren dat er beperkingen voor het systeem gelden. De beperkingen voor de werking
van het systeem blijven van kracht totdat u de
motor een volgende keer opnieuw start.
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en
u gas geeft.
Het systeem grijpt bij doorslippende wielen
dan later in, zodat er een hogere mate van
doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere
bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden.
De aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt verbeterd, omdat er dan geen beperkingen meer gelden voor de te geven hoeveelheid gas.
Bediening
– Draai aan het duimwiel (1) totdat het menu
DSTC verschijnt.
DSTC AAN betekent dat de werking van het
systeem ongewijzigd is.
DSTC SPIN CONTROL UIT betekent dat er
beperkingen gelden voor de werking van het
systeem.
– Houd RESET (2) ingedrukt totdat het menu
DSTC wordt gewijzigd.
N.B.
DSTC AAN verschijnt iedere keer dat u de
motor start enkele seconden op het display.
Meldingen op informatiedisplay
TRACTIECONTROLE TIJDELIJK UIT betekent dat de functie van de regeling tijdelijk beperkt is wegens een te hoge remtemperatuur.
De regeling wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen weer zijn afgekoeld.
06
DSTC SERVICE VEREIST betekent dat de regeling door een storing werd uitgeschakeld.
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
Als de melding een volgende keer dat u motor
start opnieuw verschijnt, rijd de auto dan naar
een erkende Volvo-werkplaats.
125
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
Lampjes op instrumentenpaneel
DSTC
Het lampje brandt continu
DSTC SPIN CONTROL UIT staat ondertussen
op het display.
Herinnert u eraan dat er beperkingen gelden
voor het DSTC-systeem.
Het lampje licht op om na ca.
twee seconden weer te doven
Geeft aan dat de systeemtest bij het starten
van de motor loopt.
Het lampje knippert
Geeft aan het systeem actief is.
Het lampje brandt continu
De melding DSTC SERVICE VEREIST staat
ondertussen op het display.
Geeft aan dat er sprake is van een storing in
het DSTC-systeem.
06
126
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
– Start de auto opnieuw.
• Als het waarschuwingslampje dooft, was er
geen sprake van een werkelijke storing.
U hoeft dan geen bezoek aan een werkplaats te brengen.
• Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, moet u de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats rijden om het systeem te
laten controleren.
Waarschuwingslampje
Het oranje lampje brandt continu en
de melding TRACTIECONTROLE
TIJDELIJK UIT staat ondertussen
op het display.
Geeft aan dat de functie van de regeling tijdelijk beperkt is wegens een te hoge remtemperatuur.
De regeling wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remtemperatuur weer
normaal is.
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
DSTC-systeem voor een betere wegligging.
Dit mag echter voor u geen reden zijn om
sneller te gaan rijden.
Wees altijd gepast voorzichtig in bochten
en op gladde wegen.
06 Starten en rijden
Parkeerhulp (optie)
Algemene informatie 1
Functie
Het systeem wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. Daarbij verschijnt de melding Parkeerhulp actief Exit =
uitschakelen op het audiodisplay.
De parkeerhulp is actief bij snelheden tot
15 km/h. Bij hogere snelheden wordt het systeem gedeactiveerd. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan
10 km/h.
Parkeerhulp voor- en achterzijde
De parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven de
afstand tot een waargenomen obstakel aan.
WAARSCHUWING
Hoewel de parkeerhulp handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig
bij eventuele fouten. Wanneer er obstakels
in de dode hoeken van de sensoren zitten,
zal het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
1 Afhankelijk
van de markt is parkeerhulp een
standaardfunctie, optie of accessoire.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
naar het audiosysteem luistert, wordt het volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon. Als
er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand liggen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan
linker- en rechterzijde.
Parkeerhulp achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter de auto. De parkeerhulp aan de achterzijde
wordt geactiveerd bij het inschakelen van de
achteruitversnelling. Als het systeem uitgeschakeld is, verschijnt op het audiodisplay de
melding Parkeerhulp inactief Enter = activeren zodra u de achteruitversnelling inschakelt.
De geluidssignalen komen uit de luidsprekers
achterin.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager
op de trekhaak dient u het systeem uit te
schakelen. Als u dat niet doet, reageren de
sensoren op de aanhanger/fietsdrager.
De parkeerhulp aan de achterzijde wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter de auto hebt hangen die met
een originele aanhangerkabel van Volvo
aangesloten is.
Parkeerhulp voorzijde2
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen komen uit de luidspreker voorin.
Het is niet mogelijk de parkeerhulp te combineren met verstralers, omdat de sensoren op
de verstralers reageren.
06
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het informatiesymbool continu
brandt en PARKEERHULP
SERVICE VEREIST op het informatiedisplay verschijnt, is de parkeerhulp defect.
2 Op
voorwaarde dat er aan voor- en achterzijde
sensoren voor parkeerhulp zijn aangebracht.
127
06 Starten en rijden
Parkeerhulp (optie)
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Sensoren schoonmaken
U kunt de parkeerhulp uitschakelen met de
knop op het schakelaarpaneel, waarna de led
in de knop dooft. De parkeerhulp is weer actief, wanneer u nogmaals op de knop drukt en
de led brandt.
Sensoren voor parkeerhulp
Door bepaalde geluidsbronnen kan het systeem ten onrechte waarschuwingssignalen
afgeven. Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen zijn onder meer claxons, natte banden op asfaltwegen, luchtdrukremmen en
uitlaten van motorfietsen. Sneeuw en ijs op
de sensoren kunnen ook ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
06
128
De sensoren werken alleen naar behoren,
wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met
water en autoshampoo.
06 Starten en rijden
BLIS, Blind Spot Information System (optie)
Algemene informatie
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder in bepaalde omstandigheden waarschuwt,
wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
Dode hoeken
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
BLIS is gebaseerd op digitale cameratechniek. De camera’s (1) zitten onder de buitenspiegels.
Wanneer een camera een voertuig heeft waarneemt in de dode hoek, licht een
controlelampje (2) op dat continu blijft branden.
N.B.
Buitenspiegel met BLIS-systeem
1. BLIS-camera
2. Controlelampje
3. BLIS-symbool
WAARSCHUWING
Het systeem vormt een aanvulling op – geen
vervanging voor – een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige manier van rijstrook wordt gewisseld.
Het lampje gaat branden aan die kant van de
auto waar het voertuig is waargenomen. Als
de auto aan weerszijden wordt ingehaald,
gaan dan ook beide lampjes branden.
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een
melding op het display van het informatiepaneel. Controleer de cameralenzen in dat geval
en maak ze zo nodig schoon. U kunt het systeem zo nodig tijdelijk uitschakelen met een
druk op de knop BLIS (zie pagina 130).
Dode hoeken die de BLIS-camera’s in de gaten
houden.
Afstand A = ca. 3,0 m
Afstand B = ca. 9,5 m
06
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de cameralenzen schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een vochtige
spons. Maak de lenzen voorzichtig schoon om
krassen te voorkomen.
BELANGRIJK
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
ze nodig sneeuw van de lenzen af.
129
06 Starten en rijden
BLIS, Blind Spot Information System (optie)
Wanneer BLIS werkt
Het systeem is alleen actief bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Inhalen
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is
dan 10 km/h.
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het inhalende voertuig kleiner is
dan 70 km/h.
WAARSCHUWING
06
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan
het zicht ontnemen op andere voertuigen
op aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe
leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
Daglicht en donker
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Voertuigen
waarvan de koplampen niet zijn ontstoken, zal
het systeem niet kunnen waarnemen. Dit houdt
130
in dat het systeem bijvoorbeeld niet reageert
op een aanhanger achter een auto of vrachtwagen, omdat daar geen brandende koplampen op zitten.
Activeren/deactiveren
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kunnen hinder ondervinden van de aanwezigheid van felle lichtbronnen of juist de afwezigheid van
lichtbronnen (wegenverlichting of voertuigverlichting) bij ritten in het donker. Het systeem kan uit de afwezigheid van licht ten
onrechte opmaken dat de camera’s zijn afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een melding
op het informatiepaneel.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden is
het mogelijk dat het systeem tijdelijk minder
goed kan presteren (zie pagina 131), waarbij een displaymelding verschijnt.
Wanneer de displaymelding spontaan verdwijnt, werkt het BLIS weer naar behoren.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit
houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval en dichte mist.
Knop voor activering/deactivering
BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
U kunt het systeem deactiveren/heractiveren
door op BLIS te drukken.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het
BLIS gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien een displaymelding op het instrumentenpaneel.
Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes op
de portierpanelen driemaal op. Druk op de
knop READ om de displaymelding te laten
verdwijnen. Zie pagina 47 voor meer informatie over de meldingsfuncties.
06 Starten en rijden
BLIS, Blind Spot Information System (optie)
Systeemmelding BLIS
Displaymelding
Systeemstatus
BLINDEHOEKSYST.
SERVICE
VEREIST
BLIS buiten werking
BEPERKTE
FUNCTIE BLIS
Beperkte werking
BLINDEHOEKSYST. R
CAMERA
GEBLOK.
Rechter camera
afgedekt
BLINDEHOEKSYST. L
CAMERA
GEBLOK.
Linker camera
afgedekt
BLINDEHOEKSYST.
CAMERA’S
GEBLOK.
Een of meer camera’s
zijn afgedekt
BLINDEHOEKINFO.
SYSTEEM UIT
BLIS uitgeschakeld
BLINDEHOEKINFO.
SYSTEEM AAN
BLIS ingeschakeld
De meldingen verschijnen alleen, als de contactsleutel in stand II staat (of als de motor
loopt) en BLIS actief is (de bestuurder heeft
het systeem niet gedeactiveerd).
06
131
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Probeer de motor nooit aan te slepen
Gebruik een hulpaccu als de accu leeg is en
de motor niet wil starten. Probeer de auto niet
te starten door hem te slepen.
maximaal 80 km verslepen. Sleep de auto
altijd met de voorkant van de auto in de rijrichting. U kunt de motor niet op gang trekken. Zie
pagina 134 voor “Starten met hulpaccu”.
Handgeschakelde versnellingsbak:
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
Slepen
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor slepen.
06
– Zorg ervoor dat de contactsleutel in stand I
staat, zodat het stuurslot niet werkt en de
auto bestuurbaar is.
– Let erop dat de rem- en stuurbekrachtiging
niet werken, als u de motor hebt afgezet. U
moet ongeveer vijfmaal harder op het rempedaal trappen en de auto stuurt aanzienlijk
zwaarder dan normaal.
– Rijd rustig. Houd de sleepkabel gespannen
om schokkende bewegingen te voorkomen.
Automatische versnellingsbak:
– Zet de keuzehendel in stand N.
De snelheidslimiet voor het wegslepen van
een auto met automatische versnellingsbak is
80 km/h. U mag de auto over een afstand van
132
– Zet de versnellingspook in de neutrale
stand.
– Zorg dat de sleepkabel altijd strak staat om
schokken te voorkomen. Houd uw voet op
het rempedaal.
WAARSCHUWING
Het stuurslot blijft in de stand staan die het
had toen de spanning werd verbroken. Het
stuurslot moet worden opgeheven, voordat
u de auto sleept.
De contactsleutel moet in stand II staan.
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden of slepen uit het contactslot.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
Bergen
De toelaatbare maximumsnelheid voor het
bergen van modellen met een automatische
versnellingsbak is 80 km/h (met geheven
vooras). De maximaal toelaatbare afstand bedraagt 80 km. Berg de auto altijd zo dat de
wielen in de rijrichting draaien.
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Sleepoog
Het sleepoog vindt u in de gereedschapstas in
de bagageruimte. Schroef het sleepoog op
zijn plaats vóór het slepen. De uitsparing en
afdekking voor het sleepoog vindt u aan de
rechterzijde van de voor- en achterbumper.
Ga als volgt te werk om een afdekking te verwijderen:
– Haal de onderkant van de afdekking (A) los
met een muntstuk.
– Schroef het sleepoog (B) vast.
– Schroef het stevig vast tot aan de flens (C).
Gebruik daarvoor gerust de wielsleutel.
Draai het sleepoog na gebruik los en plaats
het afdekkapje terug.
Het sleepoog is alleen te gebruiken voor het
slepen over de weg en niet geschikt voor berging, wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden. Voor bergingswerkzaamheden moet u professionele hulp inroepen.
06
BELANGRIJK
Wanneer de afneembare trekhaak gemonteerd is, kunt u het sleepoog niet aanbrengen in de achterste bevestiging. Bevestig
de sleepkabel in dat geval aan de trekhaak.
Om die reden wordt geadviseerd de afneembare trekhaak in de auto te bewaren
wanneer u de trekhaak niet nodig hebt.
133
06 Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Starten met een hulpaccu
Als de accu leeg is, kunt u de stroom van een
losse accu of van de accu in een andere auto
gebruiken. Controleer altijd of de klemmen
van de startkabels goed vastzitten en of er
geen vonken kunnen ontstaan tijdens de startpoging.
06
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan
te houden om explosiegevaar te voorkomen:
– Draai de contactsleutel naar stand 0.
– Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 volt levert.
– Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van die auto
afzetten. Zorg ervoor dat de auto’s elkaar
niet raken.
134
– Sluit de rode startkabel aan tussen de
pluspool (1+) van de hulpaccu en de
pluspool (2+) van de lege accu.
– Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
op de minpool (3–) van de hulpaccu.
– Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het massapunt (4–) dat op bij de
linker veerpoot zit.
– Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
– Start de motor van de auto met de lege
accu.
– Verwijder de startkabels. Verwijder eerst de
zwarte kabel en daarna de rode. Zorg dat
geen van de klemmen aan de zwarte startkabel contact kan maken met de pluspool
van de accu of met de aangesloten klem
van de rode startkabel.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar
voor vonkvorming.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een arts,
als u accuzuur in uw ogen krijgt.
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals een trekhaak, lastdragers, skibox e.d.
alsmede van het totaalgewicht van de inzittenden en kogeldruk. Het laadvermogen van de
auto moet tevens worden verminderd met het
gewicht van het aantal inzittenden.
Als de trekhaak in een erkende Volvowerkplaats wordt gemonteerd, is de auto bij
aanlevering voorzien van de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
• De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
• Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw Volvo-dealer om te controleren of uw auto van de nodige uitrusting is
voorzien om met een aanhanger te kunnen
rijden.
• Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
• Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Zie
pagina 156 voor de positie van de bandenspanningstabel.
• Maak de trekhaak regelmatig schoon en vet
de1 kogel regelmatig in.
• Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is! Wacht
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
• Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
• Wanneer de auto bij warm weer zwaar belast wordt, kunnen de motor en de versnellingsbak oververhit raken. Als de
temperatuurmeter voor de koelvloeistof op
het instrumentenpaneel tot in het rode gebied uitslaat, moet u de auto stoppen en de
motor enkele minuten stationair laten
draaien. De automatische versnellingsbak
reageert met een ingebouwde beveiligingsfunctie. Zie de melding op het informatiedisplay. Bij oververhitting kan de
airconditioning zichzelf tijdelijk uitschakelen.
• Rijd om veiligheidsredenen niet sneller dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in bepaalde landen een hogere snelheid toe.
• Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de handrem. Gebruik wielblokken, als u een auto met aanhanger op een steile helling parkeert.
Aanhangergewichten
Zie pagina 243 voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten.
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
N.B.
De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald.
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht
van de auto.
06
1 Geldt
niet voor de trekhaak bij gebruik van
een kogelsegment met trillingsdemper.
135
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Automatische versnellingsbak, rijden
met een aanhanger
N.B.
Sommige modellen moeten worden uitgerust met een oliekoeler voor de automatische versnellingsbak om gebruik te maken
van een aanhanger. Informeer dan ook bij
de dichtstbijzijnde Volvo-dealer naar wat er
voor uw auto geldt, als u achteraf een trekhaak monteert.
Op een helling parkeren
1. Zet de parkeerrem aan.
2. Zet de keuzehendel in de
parkeerstand P.
Op een helling wegrijden
1. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
2. Haal de auto van de parkeerrem.
06
Gemakkelijker wegrijden met
aanhanger
Auto’s met een V8-motor zijn voorzien van een
ingebouwde functie die voorkomt dat de auto
schokkerig beweegt en wielspin vertoont bij
het wegrijden met een aanhanger.
Activeren
Om de functie te activeren moet u de bedrading van de aanhanger aansluiten op de trekhaakaansluiting die naast de trekhaak zit (zie
pagina 137).
Deactiveren
Koppel de bedrading bij de aansluiting los.
N.B.
De functie is tevens actief als u andere elektrische uitrusting op de trekhaakaansluiting
aansluit. De auto trekt dan langzamer op tijdens het wegrijden.
Steile hellingen
• Kies bij het omhoogrijden op steile hellingen of in langzaam rijdend verkeer de juiste
handmatige lage versnellingsstand. Zo
voorkomt u dat de versnellingsbak opschakelt en houdt u de versnellingsbakolie koel.
• Schakel geen hogere, handmatige versnelling in dan de motor “aankan”. Rijden in
hoge versnellingen is niet altijd zuinig.
• Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 15 % bij het gebruik van een
aanhanger.
136
Niveauregeling (optie op model met
vijf zitplaatsen, standaard op model
met zeven zitplaatsen)
Als uw auto is uitgerust met automatische niveauregeling, neemt de achtertrein van de
auto tijdens het rijden altijd de juiste rijhoogte
aan ongeacht de belading. Wanneer de auto
stilstaat, zakt de achtertrein omlaag. Dit is volkomen normaal. Bij het wegrijden met lading
wordt het niveau na enige tijd rijden naar boven toe bijgesteld.
06 Starten en rijden
Trekhaak
Trekhaak
Aanhangerkabel
U moet de kogel regelmatig schoonmaken en
met vet insmeren. Wanneer u een trekhaak
met trillingsdemper gebruikt, hoeft de kogel
niet te worden ingevet.
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het monteren van het kogelsegment zorgvuldig worden opgevolgd (zie pagina 139).
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde bevestiging vastmaakt.
WAARSCHUWING
Let op het volgende als uw auto is uitgerust
met de afneembare trekhaak van Volvo:
• Volg de montagevoorschriften voor het
kogelsegment nauwkeurig op.
• Zorg dat het kogelsegment met de sleutel
vergrendeld is voordat u begint te rijden.
• Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een 7-polig contact, hebt u een adapter nodig. Gebruik
een door Volvo goedgekeurde adapterkabel.
Zorg dat de kabel niet over de grond sleept.
06
N.B.
Neem na gebruik altijd het kogelsegment
los. Bewaar het in de kofferbak.
137
06 Starten en rijden
Trekhaak
Specificaties
Afmetingen voor bevestigingspunten (mm)
06
Vaste of afneembare trekhaak
138
A
B
C
1110
85
1081
D
E
F
G
541
122
50
354
1
Langsligger
2
Middelpunt kogel
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
Kogelsegment monteren
– Verwijder de beschermkap.
– Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
– Controleer of het controlevenster (3) rood
van kleur is. Als het venster niet rood van
kleur is, moet u (1) indrukken en de borgknop linksom (2) draaien totdat u een klik
hoort.
06
139
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
– Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
06
140
– Controleer of het controlevenster groen van
kleur is.
– Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
N.B.
Controleer of het kogelsegment vastzit door
het omhoog, omlaag en naar achteren te
trekken. Als het kogelsegment niet goed zit,
moet u het verwijderen en het opnieuw
monteren zoals eerder werd beschreven.
N.B.
De veiligheidskabel van de aanhanger moet
aan de bevestiging van de trekhaak worden
vastgemaakt.
06
141
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
Kogelsegment verwijderen
– Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
06
142
– Druk de vergrendelingsknop (1) in en draai
deze linksom (2) totdat u een klik hoort.
– Draai de vergrendelingsknop volledig omlaag totdat deze niet verder kan. Houd de
knop in deze stand vast terwijl u het kogelsegment schuin naar achteren toe omhoogtrekt.
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
– Duw de beschermkap erop.
06
143
06 Starten en rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie
Lading op het dak
Lastdrager monteren
Positie van lasdragers (accessoire)
Zorg dat u de lastdrager in de juiste positie op
de dakrelingen (rails) aanbrengt. U kunt de
lastdragers in iedere gewenste stand over de
volle lengte van de dakrelingen aanbrengen.
Wanneer u geen lading op het dak vervoert,
moet u de voorste lastdrager ca. 200 mm voor
de middelste dakbevestiging aanbrengen en
de achterste lastdrager recht tussen de middelste en de achterste dakbevestiging (zie afbeelding) om de rijwindgeluiden te beperken.
Bevestig de lange lastdrager vooraan.
Zorg dat de lastdrager goed om de beide
dakrelingen heen vastklemt. Schroef de lastdrager vervolgens vast. Maak gebruik van de
bijgeleverde momentsleutel om de boutjes tot
aan het merkje op de sleutel vast te draaien
(overeenkomend met een moment van 6 Nm).
Zie de afbeelding!
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals een trekhaak, lastdragers, skibox e.d.
alsmede van het totaalgewicht van de inzittenden en de kogeldruk. Het laadvermogen van
de auto moet tevens worden verminderd met
het gewicht van het aantal inzittenden. Zie
pagina 243 voor informatie over de toelaatbare gewichten.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
06
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de auto.
144
06 Starten en rijden
Lading vervoeren
Dekkap van lastdrager
• Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de lading niet
diagonaal op de lastdragers. Zorg dat u de
zwaarste voorwerpen onderop legt.
• Let erop dat het zwaartepunt van de auto
verschuift en dat de rijeigenschappen zich
wijzigen bij het vervoer van lading op het
dak.
• Houd er rekening mee dat de auto meer
wind vangt en daardoor meer brandstof
verbruikt, naarmate de omvang van de lading toeneemt.
• Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
Gebruik bij voorkeur de nok aan het uiteinde
van de momentsleutel (zie afbeelding) of de
contactsleutel om de kap los of vast te draaien.
Een kwartslag draaien.
Lastdragers gebruiken
• Om schade aan de auto te voorkomen en
op een veilige manier lading op het dak te
kunnen vervoeren, adviseren wij u alleen
gebruik te maken van de lastdragers die
Volvo speciaal voor uw auto ontwikkeld
heeft.
• Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden!
WAARSCHUWING
De maximale dakbelasting is 100 kg inclusief
de lastdragers en een eventuele skibox. Bij
het vervoer van lading op het dak verschuift
het zwaartepunt en treden er wijzigingen op
in de rijeigenschappen van de auto.
06
145
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Juiste lichtbundel voor rechtsof linksrijdend verkeer
moet overeenkomen met de rode stip op de
mal. De lange rode lijn op de afbeeldingen
komt overeen met de lijn in het koplampglas
ten opzichte waarvan u de mal moet inpassen.
Meet de mallen na het overtrekken ter controle nog eens op om te zorgen dat de lichtbundel voldoende wordt afgedekt.
De mallen kunnen worden gebruikt voor modellen met het stuur links of rechts en moeten
worden aangebracht zoals aangegeven op de
afbeelding.
De bovenste afbeelding geeft de positie op
een model met het stuur links aan. De onderste afbeelding geeft de positie op een model
met het stuur rechts aan.
A. Lichtbundel voor linksrijdend verkeer
B. Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer
06
U kunt de lichtbundel van de koplampen afplakken om te voorkomen dat u tegenliggers
verblindt. Daarbij wordt de lichtopbrengst iets
lager.
Koplampen afplakken
Trek de mallen over die op pagina 147 staan.
Knip een stuk zelfklevend en watervast materiaal zoals ondoorzichtige tape langs de randen van de mallen uit.
Breng de afplaktape in positie aan ten opzichte van de stip (5) in het koplampglas. Deze stip
146
Halogeenkoplampen
Trek mal 1 en 2 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een
stuk zelfklevend en watervast materiaal en
knip uit.
Breng de mallen dusdanig aan dat de pijlen
naar het midden van de auto wijzen en dat de
stippen op de mallen overeenkomen met de
stippen op de koplampglazen.
Referentiematen mal 1 en 2:
De lange kant van de mallen moet ca. 82 mm
lang zijn.
Bi-Xenonkoplampen
Trek mal 3 en 4 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een
stuk zelfklevend en watervast materiaal en
knip uit.
Breng de mallen dusdanig aan dat de pijlen
naar het midden van de auto wijzen en dat de
stippen op de mallen overeenkomen met de
stippen op de koplampglazen. Pas de merkjes
> < op de mallen in ten opzichte van de lijn op
het koplampglas.
Referentiematen mal 3:
De lijn tussen de merkjes > < en op de mallen
moet ca. 140 mm lang zijn.
Referentiematen mal 4:
De lijn tussen de merkjes > < en op de mallen
moet ca. 112 mm lang zijn.
Zie pagina 49 voor het aanpassen van de lichtbundel van de Active Bi-Xenon Lights (ABL).
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
06
Positie van afplaktape op de koplampen (de bovenste figuur geeft het afplakken van een model met het stuur links weer en de onderste figuur dat van een model
met het stuur rechts/de mallen 1 en 2 gelden voor halogeenkoplampen/de mallen 3 en 4 gelden voor Bi-Xenonkoplampen).
147
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
06
148
06 Starten en rijden
06
149
Algemene informatie ............................................................................... 152
Bandenspanning ..................................................................................... 155
Gevarendriehoek en reservewiel ............................................................. 157
Wielen verwisselen.................................................................................. 160
Bandenspanningscontrolesysteem......................................................... 162
Provisorische bandenreparatie ............................................................... 164
150
WIELEN EN BANDEN
07
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen en banden
Snelheidsaanduidingen
Nieuwe banden
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto.
Uw auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto. De enige uitzondering daarop vormt het
gebruik van winterbanden (zowel spijkerbanden
als banden zonder spijkers). Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van 160 km/h).
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na
enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip
op het wegdek stukje bij
beetje af. Gebruik bij het
verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het
bijzonder voor winterbanden. De week en het
jaar van productie worden aangeduid met de
DOT-code (Department of Transportation) bestaande uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1502. De
band op de afbeelding is in de 15e week van
het jaar 2002 geproduceerd.
Let er bij het verwisselen van banden op dat
de nieuwe banden op alle vier de wielen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben
en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbevolen bandenspanning aan die op de bandenspanningsticker staat (zie pagina 155 voor de
plaatsing).
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding is: 225/70R16 102 H.
225
Breedte van de band (mm)
70
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
07
16
102
H
Aanduiding voor radiaalbanden
Velgdiameter van de band (")
Aanduiding van het draagvermogen
van de band (in dit geval 615 kg)
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval 270 km/h)
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en niet
de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de maximumsnelheid is.
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet
u door een vakman laten controleren, ook al
zien ze er intact uit. Dit omdat het materiaal
waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert
en afgebroken wordt, als banden zelden of
nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking
van de band worden aangetast, in welk geval
u de band niet meer dient te gebruiken. Dit
geldt ook voor reservebanden, winterbanden
en banden die u voor toekomstig gebruik hebt
opgeslagen. Scheurvorming of verkleuring zijn
de zichtbare kenmerken van een band die ongeschikt is voor gebruik.
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
152
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Gelijkmatige slijtage en onderhoud
Banden met slijtage-indicatoren
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen
die dwars op het profiel van de band staan.
De letters TWI (Tread Wear Indicator) op de
zijkant van de band geven aan dat een band is
uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band
dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van
het profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan zomerse ritten. Daarom wordt er een minimale
profieldiepte van vier mm voor winterbanden
geadviseerd.
Winterbanden
De juiste bandenspanning levert gelijkmatige
slijtage op (zie pagina 156). Voor optimale
rijeigenschappen en een gelijkmatige bandenslijtage wordt geadviseerd de banden van
tijd tot tijd van voor naar achter of omgekeerd
te verwisselen (nooit van links naar rechts of
omgekeerd). Verwissel de banden de eerste
keer van voor naar achter (of omgekeerd) na
5000 km en daarna om de 10.000 km. Monteer de banden met het diepste profiel altijd
op de achteras om het gevaar voor slippen te
verminderen. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Volvo raadt winterbanden met bepaalde afmetingen aan. Deze staan op een bandenspanningsticker (zie plaatsing pagina 155). De bandenmaat is afhankelijk van het motortype. Gebruik altijd winterbanden op alle vier de wielen.
N.B.
Neem contact op met een Volvo-dealer
voor advies over de beste soort velgen en
banden.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km voorzichtig worden ingereden,
zodat de “spikes” zich kunnen zetten. Zo gaan
de banden en vooral de “spikes” langer mee.
Sneeuwkettingen
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen. Dit geldt ook
voor modellen met voorwielaandrijving.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. Maak nooit
gebruik van sneeuwkettingen met zogeheten
snelsluitingen, omdat de ruimte tussen de
schijfremmen en de wielen te gering is.
07
BELANGRIJK
Gebruik originele sneeuwkettingen van Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn
afgestemd op het model en de band- en
velgafmetingen. Vraag een erkende Volvowerkplaats om advies.
153
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Zomer- en winterbanden
en drab minder goed afvoeren. Monteer de
banden met het diepste profiel altijd op de
achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen).
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker bent van de profieldiepte.
De pijl geeft de draairichting van de band aan
07
154
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de
band noteren waar de band zat: bijvoorbeeld
L voor links, R voor rechts enz. Bij banden met
een speciaal profiel dat alleen goed werkt
wanneer de banden in een bepaalde richting
draaien, staat deze richting aangegeven met
een pijl op de zijkant van de band. Zorg dat de
banden altijd dezelfde draairichting hebben.
Banden mogen alleen van voor naar achter
verwisseld worden, nooit van links naar rechts
of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de remeigenschappen van de
auto af en kunnen de banden regen, sneeuw
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Aanbevolen bandenspanning
Bandenspanning controleren
Controleer regelmatig de bandenspanning.
N.B.
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
In de bandenspanningstabel voor op de portierstijl aan de bestuurderszijde staat de juiste
bandenspanning voor uw auto aangegeven bij
verschillende belading en snelheid.
Op de sticker staan:
• Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
• ECO-bandenspanning
• Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare)
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de stuureigenschappen en de geproduceerde weggeluiden.
Al na enkele kilometers rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. Laat daarom geen lucht uit de banden ontsnappen als u
de spanning controleert bij warme banden. Als
de spanning bij warme banden echter te laag
is, moet u de band harder oppompen. Onvoldoende opgepompte banden hebben een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de
levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit raken en kapotgaan.
Zie de bandenspanningstabel op pagina 156
voor meer informatie over de juiste bandenspanning. De aangegeven bandenspanning
geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur).
07
155
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Bandenspanningstabel
Type
Bandenmaat
Snelheid (km/h)
Belading (1–3 inzittenden)
Voorin (kPa) Achterin (kPa)
Max. belading
Voorin (kPa) Achterin (kPa)
225/70R16
235/65R17
235/60R18
255/50R19
0 – 160
160+
220
220
220
220
270
270
270
270
240
240
240
240
270
270
270
270
2701
420
2701
420
2701
420
2701
420
Alle
Alle
0–160
160 +
0–160
Reservewiel
T125/85R16 99M
0 – 80
Temporary Spare
1
07
156
Zie pagina 155 voor de ECO-bandenspanning.
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel
Gevarendriehoek
Doe het volgende na gebruik:
– Berg de onderdelen in de omgekeerde
volgorde weer op.
Zorg dat de opberghoes met de gevarendriehoek goed vastzit in de bagageruimte.
BELANGRIJK
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
Compact reservewiel Temporary Spare
U mag het compacte reservewiel2 alleen gebruiken gedurende de korte tijd die nodig is
om het normale wiel te repareren of te vervangen. Gebruik zo spoedig mogelijk weer een
normaal wiel. Het rijgedrag van de auto kan
zich wijzigen bij het gebruik van een compact
reservewiel.
Houd u aan de bepalingen die gelden voor het
gebruik van een gevarendriehoek1 in uw land.
Gebruik de gevarendriehoek als volgt:
– Haal de opberghoes met de gevarendriehoek los. De hoes zit met klittenband vast.
– Haal de gevarendriehoek uit de hoes (A).
– Klap de vier steunpootjes van de gevarendriehoek uit.
– Klap de beide rode driehoekszijden uit. Zet
de gevarendriehoek op een geschikt punt
achter de auto neer om het achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
1 Bepaalde
landen
Volgens de wet mag het reservewiel/de band
alleen tijdelijk worden gebruikt, wanneer een
band beschadigd is. Een wiel/band van dit
type moet daarom zo spoedig mogelijk door
een normaal wiel/normale band worden vervangen.
Let er ook op dat het compacte reservewiel in
combinatie met normale wielen of banden wijzigingen in de rijeigenschappen kan veroorzaken. Bij modellen met vierwielaandrijving kan
overschrijding van deze snelheid bovendien
aanleiding geven tot schade aan de aandrijflijn.
07
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik van
een compact reservewiel.
2 Bepaalde
varianten en markten
157
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel
Reservewiel tevoorschijn halen
Het reservewiel zit onder de auto. De krik1, de
gereedschapstas1 en de slingerdelen vindt u
onder het vloerluik. De slinger bestaat uit twee
delen. Het ene deel zit bij de gevarendriehoek,
terwijl het andere deel in de gereedschapstas
opgeborgen is.
07
N.B.
In de gereedschapstas zit een speciale
sleutel om de naafdop te verwijderen (bepaalde wielopties).
1 Bepaalde
158
varianten en markten
De positie van de krik hangt af van het aantal
zitplaatsen (zevenzitter (1) en vijfzitter (2)).
Maak het reservewiel als volgt los:
– Klap het onderste gedeelte van de achterklep omlaag en til het vloerluik in de bagageruimte op.
– Haal de twee delen van de slinger tevoorschijn en monteer ze.
– Steek de slinger in de lier.
– Laat het wiel zakken door de slinger tot aan
de aanslag linksom te draaien.
– Haal het wiel van de kabel af en draai de
kabel rechtsom omhoog met de slinger.
N.B.
De kabel kan schade aan de auto toebrengen, als deze tijdens het rijden loshangt.
– Leg de lekke band in de bagageruimte.
U vindt een plastic zak in de gereedschapstas om de band in op te bergen.
N.B.
De reservewielruimte onder de auto is uitsluitend bestemd voor het originele reservewiel. U kunt er dan ook geen andere merken
reservewielen aanbrengen.
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel
Reservewiel, terugplaatsen
Het is handigst als u iemand u helpt bij het terugplaatsen van het reservewiel. Eén van u
beiden draait aan de slinger, terwijl de ander
het wiel in de juiste richting duwt.
– Vier de kabel met de slinger en breng de
anker aan het uiteinde van de kabel in het
gat in het midden van de velg aan.
– Haal de kabel een stukje omhoog door de
slinger langzaam (rechtsom) te draaien.
– Kantel het reservewiel om het langs de
uitlaatpijp te halen.
– Houd de achterkant van het wiel omlaag,
terwijl u het met de slinger omhooghaalt.
– Breng het wiel boven op de achteras, tegen
de vloerplaat aan.
– Draai de slinger tot aan de aanslag rechtsom.
– Controleer of het wiel stevig vastzit.
WAARSCHUWING
Controleer of u gebruik maakt van de juiste
steunpunten. Tussen de kriksteunpunten op
de auto is een speciale kriksteunpunt voor
productiedoeleinden aangebracht. Dit
steunpunt is voorzien van een pen. Het
steunpunt is echter niet sterk genoeg om de
auto onder op te krikken. Bij twijfel over de
positie van de verschillende kriksteunpunten
kunt u contact opnemen met een erkende
Volvo-werkplaats. Wanneer u de krik op een
verkeerd punt aanbrengt, kan er schade aan
het portier en de carrosserie ontstaan.
07
159
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen demonteren
Let erop dat u de gevarendriehoek opzet, wanneer u een wiel moet verwisselen aan de kant
van de weg. Er zitten twee kriksteunpunten
aan weerszijden van de auto. Deze steunpunten zitten in het midden onder de portieren.
07
160
– Parkeer de auto op een egale en stevige,
niet hellende ondergrond.
– Zet de parkeerrem aan en schakel de 1e
versnelling in op auto’s met een handgeschakelde versnellingsbak (stand P op auto’s met een automatische
versnellingsbak). Breng houten wielblokken
of grote stenen aan vóór en achter de
wielen die op de grond blijven staan.
– Haal de krik, de wielmoersleutel en de slinger
tevoorschijn (zie pagina 158 voor de positie).
– Draai de wielbouten ½- 1 slag los met de
wielmoersleutel. Draai de bouten linksom los.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder een auto die slechts op
een krik steunt! De auto kan namelijk van de
krik vallen en letsel toebrengen.
Gebruik de krik die bij de auto werd geleverd alleen voor het verwisselen van wielen.
Voor de overige werkzaamheden moet u
gebruik maken van een garagekrik en
steunbokken onder het geheven deel van
de auto aanbrengen.
Zorg dat u schroef van de krik altijd goed ingevet houdt.
Als de ondergrond te zacht is, kan de krik
opzij wegglijden zodat de auto van de krik
valt. Zorg dat er zich niemand onder de auto
bevindt, wanneer u een wiel verwisselt.
– Zet de krik onder een kriksteunpunt neer en
breng de krik zo ver omhoog dat deze
tegen de bodemplaat van de auto aankomt.
Controleer of u de krik juist hebt aangebracht onder het kriksteunpunt, voordat u
de auto van de grond krikt. Stel de krik
vervolgens dusdanig af dat de voet van de
krik loodrecht onder het kriksteunpunt van
de auto zit (zie afbeelding). Breng geen
blokken hout of iets dergelijks onder de krik
aan, omdat de draagkracht van de krik
daardoor afneemt.
WAARSCHUWING
Wanneer u de auto op het verkeerde punt
opkrikt, kan de auto van de krik vallen. Er
bestaat dan gevaar voor verwondingen!
– Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt.
– Draai de wielbouten los en verwijder het wiel.
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen monteren
– Reinig de contactvlakken op het wiel en de
naaf.
– Breng het wiel aan. Draai de wielbouten
vast.
– Breng de auto zo ver omlaag dat de wielen
niet meer ongehinderd kunnen draaien.
– Draai de wielbouten kruiselings telkens iets
strakker vast. Aanhaalmoment: 140 Nm
(14.0 kpm). Het is belangrijk dat u de bouten met het juiste aanhaalmoment vastdraait. Controleer het aanhaalmoment dan
ook met een momentsleutel.
– Schroef de krik weer volledig in elkaar,
voordat u deze in de bagageruimte teruglegt. Bind de krik vervolgens weer vast.
– Controleer of het nieuwe wiel de juiste
bandenspanning heeft.
Let erop dat u de juiste soort bouten gebruikt.
Neem bij twijfel contact op met uw Volvowerkplaats.
BELANGRIJK
Als er TPMS op de auto zit, dient u de nieuwe banden na montage te kalibreren. Lees
“Bandenspanningscontrolesysteem afstellen” op pagina 162.
N.B.
Wielbouten zijn er twee verschillende uitvoeringen afhankelijk van de vraag of er stalen of lichtmetalen velgen op uw auto zitten.
Op de wielbouten van lichtmetalen velgen
zitten losse ringen, terwijl die op de bouten
voor stalen velgen ontbreken.
07
161
07 Wielen en banden
Bandenspanningscontrolesysteem
Algemene informatie
Het bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS, Tyre Pressure Monitoring System)
waarschuwt de bestuurder, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is. Het systeem maakt gebruik van sensoren in de ventielen van de banden. Bij snelheden van ca.
40 km/h controleert het systeem de bandenspanning. Als de spanning dan te laag is, gaat
het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een melding op het informatiedisplay.
Controleer het systeem altijd na het verwisselen van wielen om er zeker van te zijn dat de
vervangende wielen compatibel zijn met het
systeem.
Zie pagina 155 en 156 voor informatie over de
juiste bandenspanning.
Ook mét het TPMS-systeem moet u het normale onderhoud aan de banden blijven plegen.
07
162
BELANGRIJK
Als er een storing optreedt in het bandenspanningscontrolesysteem, gaat het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel
branden. Bovendien verschijnt de melding
BANDENSP.SYSTEEM SERVICE
VEREIST. Dit kan meerdere oorzaken hebben. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat er een
wiel gemonteerd werd met een sensor die
niet past bij het bandenspanningscontrolesysteem van Volvo.
Bandenspanningscontrolesysteem
afstellen
Om de aanbevolen bandenspanning van
Volvo aan te kunnen houden is het mogelijk
het bandenspanningscontrolesysteem af te
stellen, bijvoorbeeld bij een zware belading.
N.B.
De motor mag daarbij niet lopen.
– Pomp de banden tot de juiste spanning op.
– Zet het contact in stand I of II.
– Draai aan het duimwiel op de linker
stuurhendel, totdat de melding
BANDENSPANNING KALIBREREN op het
informatiedisplay verschijnt.
– Houd de knop RESET ingedrukt, totdat de
melding BANDENSPANNING
GEKALIBREERD! verschijnt.
Bij een lage bandenspanning
Doe het volgende, wanneer de melding LAGE
BANDENSPAN. CONTR. BANDEN voor een
lage bandenspanning op het informatiedisplay
verschijnt:
– Controleer de bandenspanning van alle vier
de wielen.
– Pomp de band(en) tot de juiste spanning
op.
– Rijd ten minste 1 minuut onafgebroken in
de auto op een snelheid van 40 km/h of
hoger en ga na of de melding verdwijnt.
Bandenspanningscontrole deactiveren
N.B.
De motor mag daarbij niet lopen.
– Zet het contact in stand I of II.
– Draai aan het duimwiel op de linker stuurhendel, totdat de melding
BANDENSP.SYSTEEM AAN op het informatiedisplay verschijnt.
– Houd de knop RESET ingedrukt, totdat de
melding BANDENSP.SYSTEEM UIT verschijnt.
Herhaal de punten 1 –3 om het systeem opnieuw te activeren, waarna de melding BANDENSP.SYSTEEM AAN op het informatiedisplay verschijnt.
07 Wielen en banden
Bandenspanningscontrolesysteem
Adviezen
Er zitten alleen TPMS-sensoren in de ventielen
van de wielen die in de fabriek werden gemonteerd.
• Bij een compact reservewiel (Temporary
Spare) ontbreekt een dergelijke sensor.
• Bij gebruik van wielen zonder TPMS-sensor
zal iedere keer dat u meer dan 10 minuten
lang sneller rijdt dan 40 km/h de melding
BANDENSP.SYSTEEM SERVICE
VEREIST verschijnen.
• Volvo adviseert TPMS-sensoren te laten
monteren op alle wielen (zomer- of winterbanden) van de auto.
• Volvo raadt het af sensoren van het ene
wiel over te zetten op een ander wiel.
WAARSCHUWING
Houd bij het oppompen van een band met
TPMS het mondstuk recht tegen het ventiel
aan om het ventiel niet te beschadigen.
07
163
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Algemene informatie
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
De bandenreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de set te repareren die grote
groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
Vijfzitter, op de afbeelding staat een bandenreparatieset type 1
Zevenzitter, op de afbeelding staat een bandenreparatieset type 1
De bandenreparatieset met compressor en
gereedschap zit onder de vloer in de bagageruimte.
De bandenreparatieset1 wordt gebruikt om
een lek te dichten alsook om de bandenspanning te controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren. De set bestaat uit een compressor en
een bus met afdichtmiddel. De set dient om
noodreparaties uit te voeren. De bus met het
afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de houdbaarheidsdatum is verstreken en
tevens na het gebruik. Zie pagina 168 voor informatie over het vervangen bij type 1 en
pagina 172 bij type 2.
N.B.
07
De auto kan zijn uitgerust met een provisorische bandenreparatieset in twee mogelijke
uitvoeringen. De uitvoeringen worden elk
apart besproken en worden verder aangeduid als type 1 en type 2.
N.B.
De krik is optioneel op auto’s met de bandenreparatieset.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
1 Bepaalde
164
varianten en markten
Een 12 V-aansluiting voor de compressor zit
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de bagageruimte. Gebruik de
elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h wanneer u de
bandenreparatieset voor een noodreparatie hebt gebruikt. Vervang de tijdelijk afgedichte band zo spoedig mogelijk (maximale
rijafstand 200 km).
Bandenreparatieset erbij nemen
– Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
– Til de bandenreparatieset op.
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Type 1
Oppompen
Zet een gevarendriehoek op, als u een wiel
langs een drukke weg moet oppompen.
– Zorg dat de oranje knop (2) in stand 0 staat
en haal de kabel (5) en de luchtslang (4) uit
het zijvak (3) erbij.
– Draai de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
– Sluit de kabel (5) op een van de 12V-aansluitingen in de auto aan.
– Start de motor. De auto moet in een goed
geventileerde ruimte staan.
– Start de compressor door de knop (2) in
stand I te zetten.
– Pomp de band op tot de druk die op de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
– Schakel de compressor uit door de
knop (2) in stand 0 te zetten. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ventieldopje terug.
– Leg de kabel (5) en de luchtslang (4) in het
zijvak (3) terug.
– Leg de bandenreparatieset onder de vloer
in de bagageruimte.
– De compressor mag niet langer dan tien
minuten achtereen werken. Laat de
compressor daarna afkoelen, omdat de
kans op oververhitting aanwezig is.
– Met de compressor kunt u voorwerpen
oppompen met een inhoud tot 50 liter.
07
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd zijn.
165
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Lekke band repareren
Zet een gevarendriehoek op, als u een wiel
langs een drukke weg moet repareren.
07
166
– Haal de sticker (1) met de toelaatbare maximumsnelheid uit de bandenreparatieset en
bevestig deze op het stuurwiel waar de
bestuurder hem duidelijk kan zien.
– Zorg dat de oranje knop (2) in stand 0 staat
en haal de kabel (5) en de luchtslang (4) uit
het zijvak (3) erbij.
– Draai de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
– Sluit de kabel (5) op een 12V-aansluiting in
de auto aan.
– Maak de veiligheidspal (6) los en draai het
oranje gedeelte (7) 90 graden tot in de verticale stand, totdat u een klik hoort.
– Start de motor. De auto moet in een goed
geventileerde ruimte staan.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd zijn.
– Start de compressor door de knop (2) in
stand I te zetten. Een tijdelijke spannings-
verhoging van maximaal 4 bar zal zich
voordoen terwijl het afdichtmiddel naar binnen wordt gepompt. Na ca. een minuut
daalt de spanning en geeft de manometer
een nauwkeuriger bandenspanning aan.
– Pomp de band op tot een spanning van
1,8 tot 3,5 bar. Als de spanning na tien
minuten pompen nog geen 1,8 bar heeft
bereikt, moet u de compressor uitschakelen om oververhitting te voorkomen.
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Bandenspanning opnieuw controleren:
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Let vooral
op de zijkanten van de banden. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke moet u de compressor onmiddellijk uitschakelen. Onder
zulke omstandigheden moet u uw rit beëindigen. Neem contact op met een erkende
bandenreparateur.
– Koppel de luchtslang (4) van het ventiel los
en breng het ventieldopje weer aan. Haal
de kabel (5) uit de elektrische aansluiting.
Klap het oranje gedeelte (7) in de oorspronkelijke stand terug en zet de pal (6) vast.
Berg de bandenreparatieset op een veilige
plaats in de auto op.
– Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 kilometer af bij een snelheid van
80 km/h om ervoor te zorgen dat het afdichtmiddel de band goed afdicht.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h wanneer u de
bandenreparatieset voor een noodreparatie hebt gebruikt. Vervang de tijdelijk afgedichte band zo spoedig mogelijk (maximale
rijafstand 200 km).
N.B.
Het oranje gedeelte (7) niet opklappen wanneer u alleen de compressor gebruikt voor
het bijvullen van lucht.
– Sluit de luchtslang (4) aan op het ventiel
van de band. Sluit de kabel (5) aan op
de 12V-aansluiting. Lees de spanning van
de compressor af. Als de bandenspanning
lager is dan 1,3 bar, is de band onvoldoende afgedicht. Onder zulke omstandigheden
moet u uw rit beëindigen. Neem contact op
met een bandenreparateur.
– Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven op de bandenspanningsticker (zie pagina 155 voor de
positie). Als de bandenspanning te hoog is,
moet u lucht uit de band laten ontsnappen
met behulp van de reduceerklep (8).
– Schakel de compressor uit door de
knop (2) in stand 0 te zetten. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ventieldopje terug.
– Leg de kabel (5) en de luchtslang (4) in het
zijvak (3) terug.
– Leg de bandenreparatieset onder de vloer
in de bagageruimte.
BELANGRIJK
De compressor mag niet langer dan tien minuten achtereen werken. Laat de compressor daarna afkoelen, omdat de kans op
oververhitting aanwezig is.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik.
07
167
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Bus met afdichtmiddel vervangen
De bus met het afdichtmiddel mag niet meer
worden gebruikt na het verstrijken van de
houdbaarheidsdatum (zie datumsticker (1)) of
het gebruik van de bandenreparatieset. Na
gebruik moet u de bus (6) met houder (8) en
luchtslang (10) vervangen.
07
U kunt de vervanging in een erkende Volvowerkplaats laten uitvoeren of dit zelf doen volgens de instructies.
BELANGRIJK
Lees de veiligheidsvoorschriften aan de onderkant van de bus.
168
WAARSCHUWING
Zorg dat de compressor niet aangesloten is
op de 12V-aansluiting bij het vervangen van
de bus.
Bus vervangen voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is
– Draai de twee boutjes (2) op de oranje
behuizing (3) los.
– Verwijder de snelheidssticker (4) en de
datumsticker (1) en ontgrendel de
veiligheidspal (5). Haal de behuizing (3) los
en verwijder deze.
– Draai de bus (6) los en verwijder deze.
– Controleer of de verzegeling (7) van de
nieuwe bus intact is. Draai de bus vast.
– Plaats de behuizing (3) terug. Controleer of
u de behuizing op de juiste manier vastzit
en draai deze met de boutjes (2) aan.
– Breng de snelheidssticker (4) en een nieuwe datumsticker (1) op de bandenreparatieset aan.
Behandel de vervangen bus als klein chemisch
afval (KCA).
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Bus en slang na gebruik vervangen
– Draai de twee boutjes (2) op de oranje
behuizing (3) los.
– Verwijder de snelheidssticker (4) en de
datumsticker (1) en ontgrendel de
veiligheidspal (5). Haal de behuizing (3) los
en verwijder deze.
– Duw de knop (8) omlaag terwijl u de bus (6)
met houder (9) rechtsom draait en ze verwijdert.
– Trek de luchtslang (10) los.
– Veeg het resterende afdichtmiddel met een
doek af of gebruik een krabber als het
middel al enigszins ingedroogd is.
– Breng een nieuwe luchtslang (10) aan en
controleer of die correct zit.
– Controleer of de verzegeling (7) van de
nieuwe bus intact is. Draai de houder (9) op
de bus (6) vast en draai deze linksom vast
totdat u een klik hoort.
– Plaats de behuizing (3) terug. Controleer of
u de behuizing op de juiste manier vastzit
en draai deze met de boutjes (2) aan.
– Breng de snelheidssticker (4) en een nieuwe datumsticker (1) op de bandenreparatieset aan.
De lege bus en luchtslang zijn te behandelen
als normaal afval.
07
169
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Type 2
7. Luchtslang
8. Bus met afdichtmiddel
9. Manometer
Overzicht
10. Handschoenen
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan
10 minuten achtereen werken.
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
3. Sluit de kabel aan op een van de 12Vaansluitingen in de auto en start de
motor.
10
07
1.
2.
3.
4.
5.
6.
170
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Kabel
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
G014337
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd zijn.
4. Schakel de compressor in door de knop
in stand I te zetten.
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven. (Laat eventueel lucht ontsnappen met
het drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug.
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
4. Trek de handschoenen aan.
Lekke band repareren
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
5. Draai de oranje beschermdop los evenals de dop op de bus met afdichtmiddel.
N.B.
Verbreek de verzegeling van de bus niet
handmatig. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact
op met een erkende bandenreparateur.
N.B.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30 s weer dalen.
10. Vul de band 7 minuten lang met
afdichtmiddel.
6. Draai de bus in de bushouder vast.
G014338
BELANGRIJK
Zie de afbeelding op pagina 170 voor informatie
over de werking van de onderdelen
1. Open het deksel van de bandenreparatieset.
2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de
sticker op het stuurwiel.
3. Controleer of de knop in stand 0 staat
en neem de kabel en de luchtslang erbij.
BELANGRIJK
Draai na het gebruik de bus niet uit de bushouder, aangezien er vloeistofresten naar
buiten kunnen lopen.
7. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan
10 minuten achtereen werken.
11. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te
lezen. De bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en maximaal 3,5 bar te
bedragen.
07
8. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting
aan en start de motor.
9. Zet de knop in stand I.
171
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Neem contact op met een
erkende bandenreparateur.
12. Schakel de compressor uit en trek de
kabel los uit de 12V-aansluiting.
13. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
14. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal 80 km/h, zodat het afdichtmiddel
zich kan verdelen en de band afdicht.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
07
172
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
• Als de spanning lager is dan 1,3 bar, werd
de band onvoldoende afgedicht. Beëindig
in dat geval de rit. Neem contact op met
een bandenreparateur.
• Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de bandenspanningstabel. Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
3. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
N.B.
Laat de bus in de bushouder zitten om morsen tegen te gaan.
4. Leg de bandenreparatieset in de kofferbak terug.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Laat het vervangen over
aan een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Rijd naar de dichtstbijzijnde erkende Volvowerkplaats om de beschadigde band te laten
vervangen. Geef aan het werkplaatspersoneel
door dat er afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
Rijd voorzichtig! Houd na gebruik van de
provisorische bandenreparatieset een maximumsnelheid aan van 80 km/h. Vervang de
tijdelijk afgedichte band zo spoedig mogelijk
(maximale rijafstand 200 km).
Bus met afdichtmiddel vervangen
voordat de houdbaarheidsdatum
verstreken is
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen bus
als klein chemisch afval (KCA).
BELANGRIJK
Lees de veiligheidsvoorschriften aan de onderkant van de bus.
07 Wielen en banden
07
173
Schoonmaken ......................................................................................... 176
Lakschade herstellen .............................................................................. 179
Roestwering ............................................................................................ 180
174
VERZORGING
08
08 Verzorging
Schoonmaken
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Gebruik hiervoor autoshampoo. Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot corrosie.
• Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan oplopen. Zorg dat de auto op een spoelvloer
met afvoerscheiding staat.
• Spoel zorgvuldig het vuil van het onderstel
van de auto.
• Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij gebruik van een hogedrukreiniger: Houd bij
het wassen de spuitkop van de hogedrukreiniger ten minste 30 cm van de carrosserie af. Spuit niet direct in de richting van de
sloten.
• Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
• Als het vuil hardnekkig is, kunt u de auto
met een koud ontvettingsmiddel wassen.
• Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
• Reinig de wisserbladen met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
08
176
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk
condens optreden aan de binnenkant van het
lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en
alle externe verlichting is erop gebouwd om
dit zo veel mogelijk te voorkomen. Condens
verdwijnt normaal uit het lamphuis, wanneer
de lamp enige tijd brandt.
Vogelpoep verwijderen
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die
de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. Een dergelijke verkleuring is alleen te
herstellen door de vakman.
BELANGRIJK
Voor de lak is het beter om de auto met de
hand te wassen dan in een automatische
wasstraat. Een nieuwe laklaag is bovendien
kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt
daarom geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen
met de hand te wassen.
Bedien zo nu en dan voorzichtig het rempedaal, wanneer u lange periodes door regen of
sneeuwmodder rijdt. Zo verwarmt en droogt u
de remblokken. Doe dit ook bij het wegrijden
onder zeer vochtige of koude weersomstandigheden.
Kunststof exterieuronderdelen
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er echter op dat een wasbeurt in een automatische
wasstraat nooit een alternatief vormt voor een
gedegen wasbeurt met de hand, omdat de
borstels van de wasstraat niet overal even
goed bij kunnen.
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen om te voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten waardoor
de remwerking afneemt.
Voor het schoonmaken van kunststof exterieuronderdelen wordt een speciaal reinigingsmiddel geadviseerd dat verkrijgbaar is bij de
Volvo-dealer. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
08 Verzorging
Schoonmaken
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met terpentine.
U kunt hardnekkige vlekken met een speciaal
voor autolak bestemde, fijne schuurpasta
(“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig
op. Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel als was.
BELANGRIJK
Lakbehandelingen zoals lakconservering,
verzegeling, bescherming, glansverzegeling
e.d. kunnen lakschade veroorzaken.
Lakschade als gevolg van dergelijke behandelingen valt niet onder de Volvo-garantie.
Buitenspiegels en voorste zijruiten
met waterafstotende laag (optie)
schoonmaken
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op de spiegels of de ruiten, omdat
de water- en vuilafstotende laag daardoor beschadigd kan raken.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om
krassen op het glas te voorkomen.
Om schade aan het glas te voorkomen moet u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan natuurlijke slijtage.
N.B.
Om de waterafstotende laag intact te houden, wordt geadviseerd de behandeling te
vernieuwen met een nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij Volvo-dealers. Gebruik het middel de eerste keer na drie jaar
en daarna om het jaar.
Interieur reinigen
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding
De Volvo-dealer heeft een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding. Andere reinigingsmiddelen kunnen de brandvertragende
eigenschappen van de bekleding aantasten.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is voorzien van
een speciale laag die bescherming biedt tegen
vuil. Bij schoonmaak van het leer wordt de beschermende laag hersteld die door vet en vuil
werd aangetast. Er bestaat een complete serie
verzorgingsproducten voor leren bekleding.
Volvo biedt een leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt schoonmaken en
de beschermende laag kunt herstellen.
BELANGRIJK
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen. Ze
kunnen bekleding van textiel, vinyl en leer
namelijk beschadigen.
08
177
08 Verzorging
Schoonmaken
BELANGRIJK
Let erop dat de bekleding kan verkleuren bij
contact met materialen die afgeven (nieuwe
spijkerbroek, gekleurde suède kleding e.d.).
Voor het beste resultaat adviseert Volvo de
beschermende crème twee- tot viermaal per
jaar op te brengen.
Vraag bij de Volvo-dealer naar het leerverzorgingsproduct van Volvo.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
– Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en knijp
erin om een dikke laag schuim te krijgen.
– Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
– Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet!
– Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
08
178
– Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in
cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
– Laat het leer vervolgens 20 minuten drogen
alvorens erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en voorzien van een uv-filter.
Behandeling van vlekken op kunststof
interieuronderdelen en-panelen
Voor het schoonmaken van interieuronderdelen en-panelen van kunststof wordt een speciaal reinigingsmiddel geadviseerd, dat verkrijgbaar is bij de Volvo-dealer. Krab of wrijf
nooit over een vlek. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan met name het textielreinigingsmiddel
dat bij de Volvo-dealer verkrijgbaar is. Zorg
dat de gordel droog is, voordat deze weer
wordt opgerold.
08 Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
Steenslagplekken en krassen
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade meteen
herstellen. De meest voorkomende soorten
lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken,
krassen en plekjes op de spatbordranden en
portieren.
Als de steenslagplek wel tot op het
blanke plaatwerk is doorgedrongen
– Plak een stuk afplaktape over het beschadigd gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zo veel mogelijk lakresten te
verwijderen.
– Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng deze met een fijn kwastje of een
lucifer aan. Breng de lak met een kwastje
aan, wanneer de primer droog is.
– Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
– Pets na enkele dagen de herstelde lak op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
Kleurcode
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er bovendien voor dat de auto warmer is dan 15 °C.
Benodigdheden
Typeplaatje
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur gebruikt. De code voor de autolak (1) staat op
het typeplaatje (zie pagina 242).
•
•
•
•
Grondlak (primer) in een bus
Lak in een bus of een lakstift
Kwastje
Afplaktape
Steenslagplekken en krassen
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een intacte laklaag over is, volstaat het om na verwijdering van het vuil de ontbrekende lak aan
te brengen.
08
179
08 Verzorging
Roestwering
Controleren en onderhouden
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling
ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit
gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is
voorzien van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een dunne, doordringende roestwerende vloeistof gespoten.
U kunt de roestwering van de auto als volgt
onderhouden:
• Houd de auto schoon. Spoel het onderstel
af. Houd bij gebruik van een hogedrukreiniger de spuitkop ten minste 30 cm van
gelakte onderdelen af.
• Controleer de roestwering regelmatig en
werk deze zo nodig bij.
De roestwering van de auto hoeft normaal gesproken pas na ongeveer 12 jaar te worden
nabehandeld. Laat de auto daarna om de 3
jaar een nabehandeling ondergaan. Laat u
hierin assisteren door een erkende Volvowerkplaats.
Roestwering herstellen
08
180
Als u de roestwering zelf wilt bijwerken, moet
u zorgen dat het te behandelen gebied schoon
en droog is. Spoel de auto af, was deze
schoon en droog deze zorgvuldig af. Gebruik
een spuitbus of breng het roestwerende middel met een kwastje op.
Er zijn twee soorten roestwerende middelen
verkrijgbaar:
• dunne (kleurloze) middelen, voor de zichtbare plaatsen
• dikke middelen, voor de slijtplekken op het
onderstel.
U kunt de middelen op de volgende plaatsen
aanbrengen:
• Zichtbare lasnaden en paneelverbindingen
(dunne vloeistof)
• Onderstel (dikke vloeistof)
• Portierscharnieren (dunne vloeistof)
• Scharnieren en slotpal van de motorkap
(dunne vloeistof).
Wanneer u klaar bent met de behandeling,
kunt u het teveel aan roestwerend middel verwijderen met een doek die u hebt bevochtigd
met het aanbevolen reinigingsmiddel. Onderdelen van de motor en de veerpootbevestigingen in de motorruimte zijn in de fabriek behandeld met een kleurloos roestwerend middel op
wasbasis. Dit middel is bestand tegen normale wasmiddelen zonder dat het middel daarbij
oplost of wordt afgebroken.
Als u de motor echter wast met zogeheten
aromatische oplosmiddelen zoals terpentine
of thinner (en dan met name middelen die
geen emulgatoren bevatten), moet u de waslaag na het reinigen vernieuwen. De Volvodealer heeft dergelijke wassen op voorraad.
08 Verzorging
08
181
Volvo Service........................................................................................... 184
Onderhoud .............................................................................................. 185
Motorkap en motorruimte ....................................................................... 186
Dieselolie................................................................................................. 187
Oliën en vloeistoffen................................................................................ 188
Wisserbladen .......................................................................................... 192
Accu ........................................................................................................ 193
Gloeilampen vervangen........................................................................... 196
Zekeringen ..............................................................................................202
182
ONDERHOUD EN SERVICE
09
09 Onderhoud en service
09
Volvo Service
Serviceprogramma van Volvo
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
uitvoerig getest. De auto werd nogmaals gecontroleerd naar de normen van Volvo Car
Corporation, net voordat de auto aan u werd
geleverd.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van uw Volvo op een
hoog peil te houden, moet u de voorschriften
van het Serviceprogramma van Volvo opvolgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo. Laat serviceen reparatiewerkzaamheden door een erkende Volvo-werkplaats uitvoeren. Volvowerkplaatsen beschikken over het personeel,
het speciale gereedschap en de servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog mogelijke
servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
Speciale servicewerkzaamheden
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem van de auto kunnen alleen
worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
184
elektronische apparatuur. Neem daarom altijd
contact op met een erkende Volvowerkplaats, voordat u servicewerkzaamheden
aan het elektrisch systeem laat uitvoeren.
Installatie van accessoires
Een verkeerde aansluiting en montage van accessoires kan een nadelige invloed hebben op
de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de bijbehorende software in de
elektronische systemen van de auto wordt geladen. Neem daarom altijd contact op met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires monteert die in verbinding staan met of
van invloed zijn op het elektrisch systeem.
Vastlegging van voertuiggegevens
Er kunnen één of meer computers op uw
Volvo zitten die gedetailleerde informatie kunnen opslaan. Deze informatie is bestemd voor
onderzoek ter verbetering van de veiligheid en
voor het opsporen van storingen in de autosystemen. De informatie kan gegevens bevatten over zaken als het gebruik van de veiligheidsgordel door de bestuurder en de passagier(s), gegevens over de werking van verschillende autosystemen en-modules en
informatie over de status van de motor, gasklep, besturing, remmen en andere systemen.
De informatie kan tevens gegevens bevatten
over de rijstijl van de bestuurder. Dergelijke
informatie kan gegevens bevatten (maar niet
uitsluitend) als de rijsnelheid, het gebruik van
het rem- of gaspedaal en de stuuruitslag. De
laatstgenoemde informatie kan voor een begrensde tijd tijdens het rijden, tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk worden vastgelegd. Volvo Car Corporation zal de opgeslagen informatie niet zonder uw toestemming
vrijgeven. Volvo Car Corporation kan echter
op last van de nationale wetgeving gedwongen worden om bepaalde informatie te verstrekken. Voor de rest geldt dat alleen Volvo
Car Corporation en de erkende Volvowerkplaatsen de informatie kunnen uitlezen en
gebruiken.
09 Onderhoud en service
Onderhoud
Voordat u met werkzaamheden begint
Regelmatig controleren
Accu
Controleer regelmatig het volgende, bijvoorbeeld bij het tanken:
Controleer of de accukabels op de juiste manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor loopt
(bij het vervangen van de accu bijvoorbeeld).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn ontkoppeld tijdens het opladen.
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u de
accu op een milieuvriendelijke manier verwerkt. Neem hiervoor contact op met de
Volvo-dealer.
• Koelvloeistof – De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
• Motorolie – De olie moet tussen het MINen MAX-streepje staan.
• Stuurbekrachtigingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
• Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir
moet goed gevuld zijn. Vul bij met antivries
bij temperaturen rond het vriespunt.
• Rem- en koppelingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
WAARSCHUWING
Het ontstekingssysteem wekt zeer hoge
spanningen op. De spanning van het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Zet
daarom altijd de auto van het contact bij
werkzaamheden in de motorruimte.
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het contact aanstaat of als de motor warm is.
WAARSCHUWING
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
09
Omhoogbrengen van de auto
Als u de auto met een garagekrik omhoogbrengt, moet u de krik tegen de voorzijde van
het subframe van de motor aanbrengen.
Zorg dat de spatplaat onder de motor niet beschadigd raakt. Let erop dat u de garagekrik
dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet vanaf
kan glijden. Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
omhoogbrengt, moet u zorgen dat de voorste
en achterste dragerarmen onder de hefpunten
bij de drempelkokers komen te zitten (zie afbeelding).
185
09 Onderhoud en service
09
Motorkap en motorruimte
Motorkap openen
V
NM
U
NN
T
S
R
1
Q
O
P
– Trek aan de ontgrendelingshandgreep uiterst links onder het dashboard (of rechts
op modellen met het stuur rechts). U hoort
dat de slotpal losschiet.
– Steek uw hand rechts onder de voorzijde
van de motorkap (onder de grille).
– Duw de handgreep van de slotpal omhoog.
– Laat de handgreep weer los en open de
motorkap.
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
186
Motorruimte
1. Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
2. Relais en zekeringen
3. Luchtfilter (de uitvoering van het deksel
is afhankelijk van het motortype)
4. Radiateur
5. Peilstok, motorolie
6. Vultuit, motorolie
7. Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
8. Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
9. Expansiereservoir, koelsysteem
10. Chassisnummerplaatje (VIN)
11. Accu (in bagageruimte)
09 Onderhoud en service
Dieselolie
Brandstofsysteem
Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreinigingen. Maak daarom alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen, die aan de kwaliteitseisen voor brandstof
voldoet. Giet nooit dieselolie van twijfelachtige
kwaliteit in de tank (zie pagina 249). De grote
oliemaatschappijen produceren ook speciale
dieselolie bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen rond het vriespunt. Deze dieselolie
is dunner bij lage temperaturen en beperkt de
kans op vlokvorming in het brandstofsysteem.
Het risico van condens in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied
rond de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst hebt het gebied met water en zeep
schoon.
09
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolieachtige brandstoffen: speciale toevoegingen (dopes), scheepsolie, stookolie, RME
(biodiesel) of plantaardige olie. Dergelijke
brandstoffen voldoen niet aan de kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot
verhoogde vormen van slijtage en motorschade die niet worden gedekt door de garanties van Volvo.
Om motorstoringen tegen te gaan ontdoet het
brandstoffilter de brandstof van condensatie.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er verontreinigde brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK
BELANGRIJK
Bij modeljaar 2006 en hoger mag het zwavelgehalte maximaal 50 ppm zijn.
Sommige speciale toevoegingen verwijderen
het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
Wanneer u de tank leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden. Het brandstofsysteem wordt automatisch ontlucht, als de contactsleutel ca.
60 seconden lang in stand II staat voordat u
een nieuwe startpoging doet.
187
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Sticker voor oliekwaliteit in motorruimte
Olie verversen en oliefilter vervangen
Volvo adviseert olieproducten van
. Houd voor het verversen van de
olie en het vervangen van het oliefilter de intervallen aan die staan aangegeven in het Service- en garantieboekje.
BELANGRIJK
BELANGRIJK
Gebruik altijd olie van de aanbevolen kwaliteit (zie sticker in motorruimte). Controleer
het oliepeil vaak en ververs de olie regelmatig. De motor raakt beschadigd, wanneer u
olie gebruikt van minder goede kwaliteit dan
wordt voorgeschreven of wanneer u met
een te laag oliepeil rondrijdt.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden adviseert Volvo u een oliesoort te gebruiken met een hogere kwaliteit dan de sticker in
de motorruimte vermeldt (zie pagina 245).
188
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor,
de startgewilligheid, het brandstofverbruik
en de milieu-impact. Om de aanbevolen service-intervallen aan te kunnen houden dient
u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen een oliesoort van de
voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat zowel bij het bijvullen als bij
het verversen van olie. Een negatieve invloed
op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet uitgesloten.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een
lage oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien
van een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van een waarschuwingslampje voor de
oliedruk. Bij modellen met een olieniveausen-
sor wordt gewaarschuwd met een waarschuwingslampje midden op het instrumentenpaneel en met displayteksten. Op bepaalde modellen zijn beide systemen aanwezig. Neem
voor meer informatie contact op met een erkende Volvo-dealer.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst. Het Service- en garantieboekje geeft
aan bij welke kilometerstand de olie moet worden ververst.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De beste meting wordt verkregen bij een koude motor vóór de start. Meteen
na het afzetten van de motor krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok geeft dan een te
laag peil aan, omdat de olie geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar het oliecarter.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Peil controleren
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
Oliepeil controleren bij een koude
motor:
– Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
– Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
– Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje
dan bij het MIN-streepje op de peilstok ligt.
Zie pagina 245–246 voor de aan te houden
hoeveelheid.
Oliepeil controleren bij een warme
motor:
– Parkeer de auto op een vlakke ondergrond,
zet de motor af en wacht ten minste
10–15 minuten zodat de olie naar het carter
terug kan lopen.
– Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
– Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij totdat
de olie dichter bij het MAX-streepje dan bij het
MIN-streepje op de peilstok ligt. Zie
pagina 245–246 voor de aan te houden
hoeveelheid.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
BELANGRIJK
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAXstreepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
09
Ruitensproeiervloeistof bijvullen
Positie van reservoir voor ruitensproeiervloeistof
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir. Giet tijdens de wintermaanden ruitensproeier-antivries in het reservoir om te voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het reservoir en de slangen bevriest. Zie pagina 247
voor de hoeveelheden.
Gebruik tijdens de wintermaanden ruitensproeier-antivries in het reservoir om te voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het reservoir en de slangen bevriest.
N.B.
Meng het antivries met water voordat u
koelvloeistof bijvult.
189
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Koelvloeistof controleren en bijvullen
Zie pagina 247 voor de aan te houden hoeveelheden.
Rem- en koppelingsvloeistof
controleren en bijvullen
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem plaatselijk dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor schade (scheurvorming) in de cilinderkop ontstaat.
Vul koelvloeistof bij, wanneer het peil tot onder
het MIN-streepje is gezakt.
WAARSCHUWING
Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
Het is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende
weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit
alleen met schoon water. Het gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer het percentage koelvloeistof te laag is als wanneer
het te hoog is.
BELANGRIJK
Het is uitermate belangrijk dat u een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen
gebruikt volgens de aanbevelingen van Volvo. Een nieuwe auto is voorzien van koelvloeistof die bestand is tegen temperaturen
tot ca. –35 °C.
190
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor op bedrijfstemperatuur is, moet u langzaam de dop
van het expansiereservoir losdraaien om de
overdruk te laten ontsnappen.
N.B.
De motor mag alleen draaien met een goed
gevuld koelsysteem. De temperaturen kunnen plaatselijk hoog oplopen, wat schade
(scheurvorming) aan de cilinderkop kan veroorzaken.
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir 1. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan. Controleer het
peil regelmatig. Ververs de remvloeistof om de
twee jaar of iedere tweede geplande servicebeurt.
Zie pagina 247 voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van de
remvloeistof.
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of in
landen met een tropisch klimaat en een hoge
1
Positie verschilt op auto’s met het stuur links
of rechts
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt, dient u
de remvloeistof ieder jaar te verversen.
Stuurbekrachtigingsvloeistof
controleren en bijvullen
09
N.B.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u
de auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar. De auto zal echter veel zwaarder dan normaal sturen en er is meer kracht
nodig om het stuurwiel te verdraaien.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
N.B.
Controleer tijdens iedere servicebeurt ook
het vloeistofpeil.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof moet tussen het ADD- en FULL-streepje
staan. Zie pagina 247 voor de hoeveelheden
en de aanbevolen vloeistofkwaliteit.
191
09 Onderhoud en service
09
Wisserbladen
Wisserbladen vervangen
Vervangen
Wisserbladen vervangen, achterklep
– Klap de wisserarm naar buiten en houd het
wisserblad vast.
N.B.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
– Duw de geribde borgveren van het wisserblad in, terwijl u het blad bij de verlenging
van de arm lostrekt.
– Breng het nieuwe wisserblad in omgekeerde volgorde aan en controleer of het goed
vastzit.
– Klap de wisserarm naar achteren toe uit.
– Verwijder het wisserblad door het naar
boven/buiten (zie afbeelding) in de richting
van de achterklep te halen.
– Duw het nieuwe wisserblad vast.
– Controleer of het blad goed vastzit.
192
09 Onderhoud en service
Accu
09
Onderhoud van de accu
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen, en zo schade aan de auto
en letsel te veroorzaken. De accu bevat ook
zwavelzuur, wat ernstige corrosieve verwondingen door etsing kan veroorzaken. Als u
accuzuur in de ogen krijgt, of op uw huid of
uw kleren morst, moet u meteen met grote
hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in de ogen krijgt.
Er kunnen twee soorten accu’s op de auto zitten.
De types zijn volledig uitwisselbaar.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
BELANGRIJK
Gebruik altijd gedestilleerd of gedeïoniseerd water (accuwater).
Om de accu in optimale staat te houden:
• Controleer regelmatig of het accuvloeistofpeil in orde is (A) en vul nooit meer bij dan
tot aan het peilstreepje.
• Controleer alle cellen. Verwijder de celdoppen (of het deksel) met een schroevendraaier.
• Vul zo nodig bij met gedestilleerd water tot
aan het MAX-streepje.
• Breng de celdoppen (of het deksel) op de
juiste manier weer aan.
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
N.B.
Zamel oude accu’s op een milieuvriendelijke manier in, omdat ze lood bevatten.
193
09 Onderhoud en service
09
Accu
Symbolen op de accu
Explosiegevaar.
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie het
instructieboekje dat bij de
auto hoort.
Knalgas afvoeren
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
De accu bevat een bijtend
zuur.
Vermijd vonken en open
vuur.
194
WAARSCHUWING
Let erop dat de accu het zeer explosieve
knalgas bevat. Zorg dat de ontluchtingsslang goed is aangesloten!
De accu kan het zeer explosieve knalgas produceren. Om te voorkomen dat dit knalgas in
de bagageruimte blijft hangen en de passagiersruimte binnendringt, is er een ontluchtingsslang om het gas af te voeren. Als u de
accu om wat voor reden dan ook moet vervangen, moet u altijd zorgen dat u de ontluchtingsslang op de nieuwe accu aansluit en op
de afvoeropening in de carrosserie.
09 Onderhoud en service
Accu
Accu vervangen
09
Accu aanbrengen
Accu verwijderen
– Zet het contact uit en neem de sleutel uit.
– Schroef de console los evenals de dekplaat
die over de accu heen zit.
– Wacht ten minste 5 minuten, voordat u een
van de elektrische aansluitingen aanraakt
(zo kan de informatie in het elektrisch systeem van de auto worden opgeslagen in de
verschillende regeleenheden).
– Ontkoppel eerst de minkabel.
– Ontkoppel daarna de pluskabel en de ontluchtingsslang voor het knalgas.
–
–
–
–
Plaats de accu.
Sluit de pluskabel aan.
Sluit de minkabel aan.
Zorg dat de ontluchtingsslang op de juiste
manier is aangesloten tussen de accu en
de afvoeropening in de carrosserie.
– Breng de dekplaat en console weer aan.
195
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Algemene informatie
Gloeilampen in koplamphuis vervangen
Op pagina 252 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
Gloeilampen en puntverlichting van een bijzonder type of lampen die alleen in een werkplaats te vervangen zijn:
• Interieurverlichting aan het plafond
– Til het lampelement recht omhoog naar
buiten.
– Koppel de connector los door de kliksluiting eerst vanaf de onderkant in te drukken
en vervolgens vanaf de bovenkant iets omhoog te trekken.
BELANGRIJK
• Leeslampjes en verlichting dashboardkastje
• Richtingaanwijzers, buitenspiegels en Approach-verlichting
• Derde remlicht
• Active Bi-Xenon- en Bi-Xenonkoplampen
Trek alleen aan de connector en niet aan de
kabel.
– Til het koplampelement in zijn geheel naar
buiten en leg het op een zachte ondergrond
neer om krassen op de lens te voorkomen.
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van Bi-Xenonkoplampen, moet u de lamp in een erkende
Volvo-werkplaats laten vervangen. Omdat
de Bi-Xenonkoplampen voorzien zijn van
een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt, dient u er bijzonder voorzichtig mee om te gaan.
BELANGRIJK
Raak het glas van gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaan.
196
Bij het vervangen van de gloeilampen van het
dimlicht, groot licht en de stadslichten moet u
eerst het lampelement in zijn geheel verwijderen. Verwijder de gloeilampen door het lampelement als volgt te verwijderen en volg daarna
de specifieke aanwijzingen voor de verschillende gloeilampen op.
Lamphuis losmaken:
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Open de motorkap.
– Maak het lampelement los door de twee
borgpennen omhoog te trekken waarmee
het element vastzit.
Plaats het koplampelement in omgekeerde
volgorde terug. Controleer na afloop of u de
borgpennen correct hebt ingestoken.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Positie van gloeilampen in koplamphuis
1
5
1.
2.
3.
4.
5.
Dimlicht, halogeen
Groot licht
Halogeen- en Bi-Xenonkoplampen
2
4
09
3
Dimlicht
Groot licht
Richtingaanwijzer
Stadslicht/parkeerlicht vóór
Zijmarkeringslicht
– Draai de buitenste afdekking linksom los.
– Trek de connector los.
– Maak de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts zodat de veerklem loskomt en
haal de klem vervolgens schuin naar buiten
toe omlaag.
– Trek de lamp naar buiten.
– Breng de nieuwe gloeilamp aan. Dit kan
slechts op één manier.
– Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te
zitten.
– Druk de connector in positie terug.
– Draai de afdekking weer vast. Het opschrift
HAUT moet omhoogwijzen.
– Trek de buitenste afdekking recht naar achteren toe los en trek de connector los.
– Haal de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts, zodat deze loslaat en haal de
klem vervolgens naar buiten toe omlaag.
– Trek de lamp naar buiten.
– Breng de nieuwe gloeilamp aan. Dit kan
slechts op één manier.
– Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te
zitten.
– Duw de connector weer vast en plaats de
afdekking terug.
197
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Groot licht
Active Bi-Xenonkoplampen
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Verwijder de afdekking.
– Draai de lamp linksom en trek deze naar
buiten toe los.
– Koppel de connector los door de vergrendeling naar buiten te duwen en aan de
connector te trekken.
– Sluit de connector op de gloeilamp aan.
U hoort een klikgeluid.
– Plaats de gloeilamp terug en draai deze in
positie.
– Plaats de afdekking terug.
198
Zijmarkeringslichten en stadslichten/
parkeerlichten vóór
De lamphouders zijn voorzien van een bajonetfitting.
– Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
– Trek de gloeilamp recht naar buiten.
– Breng de nieuwe gloeilamp aan door deze
voorzichtig in de uitsparingen te duwen.
– Plaats de lamphouder terug en draai deze
rechtsom.
Richtingaanwijzers
De lamphouder is voorzien van een bajonetfitting.
– Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
– Duw de gloeilamp naar binnen, draai de
lamp linksom en verwijder deze.
– Breng de nieuwe gloeilamp aan door deze
in de uitsparingen te duwen en vervolgens
rechtsom te draaien.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Mistlampen
Gloeilampen in achterlamphuis
Positie van gloeilampen
Gloeilampen vervangen
`
_
^
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Draai de lamphouder iets naar links.
– Verwijder de gloeilamp.
– Breng de nieuwe gloeilamp aan. Het profiel
van de lamphouder past in de voet van de
lamp.
– Plaats de lamphouder terug door deze iets
naar rechts te draaien. Zorg dat het opschrift TOP omhoogwijst!
1.
2.
3.
4.
5.
Parkeerlicht
Richtingaanwijzer
Achteruitrijlicht
Achterlicht
Remlicht
N.B.
Als de foutmelding STORING LAMPJE/
CONTROLEER REMLICHT niet verdwijnt
nadat de kapotte gloeilamp is vervangen,
dient u een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken.
09
a
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Klap het onderste gedeelte van de achterklep omlaag en open het vloerluik. (Als uw
auto is uitgerust met een houder voor
boodschappentassen (optie), moet u de
steunband van deze houder losnemen.)
– Verwijder het hoekstuk (A).
– Open het luik (B ) in het zijpaneel door de
pal (C) omhoog en naar u toe te trekken.
– Neem ringsleutel nr. 10 uit de gereedschapstas en draai de moeren (D) los.
– Trek het lampelement in zijn geheel recht
naar achteren.
– Maak de bijeengebonden extra kabellengte
los om ruimte te maken.
199
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
– Leg het element op een zachte ondergrond
neer om krassen op het lampglas te voorkomen.
– Trek de lamphouder linksom naar buiten.
– Draai de gloeilamp linksom los. (Geldt voor
de richtingaanwijzers, achteruitrijlichten en
remlichten.)
– Trek de gloeilamp recht naar buiten. (Geldt
voor de achterlichten.)
– Vervang de gloeilamp.
– Plaats de lamphouder in de uitsparing terug
en draai de houder rechtsom.
– Duw de extra kabellengte terug.
– Plaats het lampelement over de schroefgaten heen. Duw het element in positie.
– Draai de moeren vast.
– Plaats het zijpaneel en het hoekstuk terug.
200
Mistachterlicht
Kentekenplaatverlichting
– Steek een platte schroevendraaier bij de pijl
op de afbeelding naar binnen.
– Beweeg het lampelement naar buiten toe.
– Draai de lamphouder linksom om deze te
verwijderen.
– Draai de gloeilamp linksom om deze te
verwijderen.
– Vervang de gloeilamp.
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
– Verwijder het volledige lamphuis voorzichtig en trek het naar buiten.
– Vervang de gloeilamp.
– Plaats het complete lamphuis terug en
draai het boutje vast.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Instapverlichting
Gloeilamp in achterklep
Verlichting make-upspiegel
De instapverlichting vindt u onder het dashboard aan de bestuurders- en passagierszijde.
– Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en verdraai deze iets, zodat het lamphuis loskomt.
– Verwijder de kapotte gloeilamp.
– Breng een nieuwe gloeilamp aan. Controleer of de gloeilamp werkt.
– Plaats het lamphuis terug.
– Steek een platte schroevendraaier naast de
middelste clip onder aan het spiegelelement. Beweeg het spiegelelement omhoog,
zodat de middelste clip loskomt.
– Trek de schroevendraaier naar de linker- en
de rechterkant zodat de buitenste clips
loskomen.
– Til het spiegelelement naar buiten.
– Vervang de gloeilampjes.
– Plaats het spiegelelement met de bovenkant naar voren gekanteld terug. Let erop
dat de bovenste clips goed ingedrukt zijn,
voordat u het spiegelelement in positie
terugklapt.
– Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en verdraai deze iets, zodat de lens
loskomt.
– Verwijder de kapotte gloeilamp.
– Breng een nieuwe gloeilamp aan.
– Plaats de lens terug.
09
201
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Algemene informatie
Hoewel de kabelloop per motortype ietwat kan verschillen, zitten de onderdelen op de lijst echter altijd op de aangegeven positie
Om te voorkomen dat het elektrisch systeem
van uw auto beschadigd raakt door kortsluiting of overbelasting, zijn alle verschillende
elektrische functies en componenten door een
aantal zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op vier verschillende
plaatsen in de auto:
1. Relais- en zekeringenkastje in de motor
ruimte
2. Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde achter de geluidsisolatie)
202
3. Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde in de zijkant
van het dashboard)
4. Zekeringenkastje in de kofferbak
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is.
– Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
– Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
– Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
Aan de binnenkant van het deksel in het dashboard zitten enkele reservezekeringen. U vindt
er tevens een trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Als telkens dezelfde zekering doorbrandt, is er
sprake van een storing in de bijbehorende
component en moet u een bezoek brengen
aan een erkende Volvo-werkplaats om de auto
te laten controleren.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
Relais- en zekeringenkastje in motorruimte
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
ABS ............................................................................................. 30 A
ABS ..................................................................................... 30 A
Hogedruksproeiers koplampen ............................................ 35 A
Standverwarming (optie) ...................................................... 25 A
Verstralers (optie) ................................................................. 20 A
Relais startmotor .................................................................. 35 A
Ruitenwissers....................................................................... 25 A
Brandstofpomp .................................................................... 15 A
Regeleenheid transmissie (TCM),
(V8, diesel, 6-cil. benzine) .................................................... 15 A
10. Bobines (benzine), regeleenheid (ECM),
injectoren (diesel) ................................................................. 20 A
11. Gaspedaalsensor (APM), A/C-compressor,
ventilator elektronicakastje .................................................. 10 A
12. Regeleenheid motor (ECM) (benzine),
injectoren (benzine), luchtmassameter (benzine) ................. 15 A
Luchtmassameter (diesel) ...................................................... 5 A
13. Regeleenheid gasklep (V8), VIS (6-cil. benzine) .................... 10 A
Regeleenheid gasklep, magneetklep,
SWIRL (luchtmengklep),
brandstofdrukregelaar (diesel) ............................................. 15 A
14. Lambdasonde (benzine) ....................................................... 20 A
Lambdasonde (diesel) .......................................................... 10 A
203
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
15. Verwarming carterventilatie, magneetkleppen,
lekdiagnose (5-cil. benzine) .................................................. 10 A
Verwarming carterventilatie (V8, 6-cil. benzine),
A/C-koppeling (V8, 6-cil. benzine), magneetkleppen,
lekdiagnose (V8, 6-cil. benzine), ECM (V8, 6-cil. benzine),
luchtmassameter (V8), gloeibougies (diesel) ......................... 15 A
16. Dimlicht links ....................................................................... 20 A
17. Dimlicht rechts ..................................................................... 20 A
18. - ................................................................................................ 19. Regeleenheid motor (ECM) voeding, motorrelais .................... 5 A
20. Stadslichten ......................................................................... 15 A
21. - ................................................................................................ -
204
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
Relais- en zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde in de zijkant van het dashboard)
Een sticker in het deksel van het relais- en zekeringkastje dat aan de zijkant van het dashboard zit, geeft de positie en het amperage van de verschillende
zekeringen aan.
1. Ventilator klimaatregeling ............................................................ 30 A
2. Audiosysteem (versterker) .................................................... 30 A
3. Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel................................ 25 A
4. Elektrisch bedienbare passagiersstoel ................................. 25 A
5. Regeleenheid linker voorportier ............................................ 25 A
6. Regeleenheid rechter voorportier ......................................... 25 A
7. - ................................................................................................ 8. Radio, cd-speler, RSE-systeem ............................................ 15 A
9. RTI-display, RTI-module, MMM ............................................ 10 A
10. OBDII, verlichtingsdraaiknop (LSM), stuurhoeksensor (SAS),
stuurregeleenheid (SWM) .......................................................5 A
11. Contactslot, SRS-systeem,
regeleenheid motor ECM (V8, 6-cil. benzine),
uitschakeling SRS passagierszijde (PACOS),
elektronische startblokkering (IMMO),
regeleenheid transmissie TCM
(V8, diesel, 6-cil. benzine) ................................................... 7,5 A
12. Interieurverlichting plafond (RCM),
bovenste elektronische regeleenheid (UEM) ......................... 10 A
13. Schuifdak ............................................................................ 15 A
14. Telefoon ................................................................................ 5 A
15. -38- ........................................................................................... -
205
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Relais- en zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde achter de geluidsisolatie)
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Stoelverwarming, rechterzijde ..................................................... 15 A
Stoelverwarming, linkerzijde ................................................. 15 A
Claxon ................................................................................. 15 A
Reservepositie .......................................................................... Infotainment ......................................................................... 10 A
Reservepositie .......................................................................... -
7. Reservepositie .......................................................................... 8. Sirene alarmsysteem .............................................................. 5 A
9. Voeding remlichtschakelaar ...................................................5 A
10. Instrumentenpaneel (DIM), klimaatregeling (CCM),
standverwarming, elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel .................................................................. 10 A
206
11. Elektrische aansluiting voor- en achterin en koelvak ............ 15 A
12. Reservepositie ........................................................................... 13. Reservepositie ........................................................................... 14. Reservepositie ........................................................................... 15. ABS, STC/DSTC .................................................................... 5 A
16. Elektronische stuurbekrachtiging (ECPS),
Active Bi-Xenon (HCM), koplamphoogteregeling .................. 10 A
17. Mistlamp linksvoor .............................................................. 7,5 A
18. Mistlamp rechtsvoor ........................................................... 7,5 A
19. Reservepositie ........................................................................... 20. Koelvloeistofpomp (V8) .......................................................... 5 A
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
21. Regeleenheid transmissie (TCM),
blokkering achteruitversnelling (M66) ................................... 10 A
22. Groot licht links .................................................................... 10 A
23. Groot licht rechts ................................................................. 10 A
24. Reservepositie .......................................................................... 25. Reservepositie .......................................................................... 26. Reservepositie .......................................................................... 27. Reservepositie .......................................................................... 28. Elektrisch bedienbare passagiersstoel ...................................5 A
29. Brandstofpomp ................................................................... 7,5 A
30. BLIS .......................................................................................5 A
31. Reservepositie .......................................................................... 32. Reservepositie .......................................................................... 33. Vacuümpomp ....................................................................... 20 A
34. Sproeierpomp ...................................................................... 15 A
35. Reservepositie .......................................................................... 36. Reservepositie .......................................................................... -
207
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Zekeringen in kofferbak
1. Achteruitrijlichten .........................................................................10 A
2. Achterlichten, mistachterlicht, kofferbakverlichting,
kentekenplaatverlichting, leds in remlichten ......................... 20 A
3. Accessoires (AEM) ............................................................... 15 A
4. Reservepositie ........................................................................... 5. Elektronica (REM) ................................................................ 10 A
6.
7.
8.
9.
Rear Seat Entertainment, RSE (accessoire) ......................... 7,5 A
Trekhaak (30-voeding) ......................................................... 15 A
Elektrische aansluiting kofferbak.......................................... 15 A
Achterportier, rechts: Ruitbediening,
blokkering ruitbediening ...................................................... 20 A
10. Achterportier, links: Ruitbediening,
blokkering ruitbediening ...................................................... 20 A
11. Reservepositie ........................................................................... 12. Reservepositie ........................................................................... 13. Verwarming dieselfilter......................................................... 15 A
14. Subwoofer, airconditioning achterin (A/C) ............................ 15 A
15. Reservepositie ........................................................................... 16. Reservepositie ........................................................................... 17. Accessoires Infotainment ....................................................... 5 A
18. Reservepositie ........................................................................... 19. Ruitenwisser, achterklep ...................................................... 15 A
20. Trekhaak (15-voeding) ......................................................... 20 A
21. Reservepositie ........................................................................... 22. - ................................................................................................ 23. AWD ................................................................................... 7,5 A
24. Reservepositie ........................................................................... -
208
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
25. - ................................................................................................ 26. Parkeerhulp ...........................................................................5 A
27. Hoofdzekering: Trekhaak, parkeerhulp, AWD ....................... 30 A
28. Centrale vergrendeling (PCL) ................................................ 15 A
29. Aanhangerverlichting, links:
Achterlicht, richtingaanwijzer ............................................... 25 A
30. Aanhangerverlichting, rechts:
Remlicht, mistachterlicht, richtingaanwijzer .......................... 25 A
31. Hoofdzekering: zekering 37, 38 ............................................ 40 A
32. - ................................................................................................ 33. - ................................................................................................ 34. - ................................................................................................ 35. - ................................................................................................ 36. - ................................................................................................ 37. Elektrische achterruitverwarming ......................................... 20 A
38. Elektrische achterruitverwarming ......................................... 20 A
209
Algemene informatie ............................................................................... 212
Audio, bedieningspanelen....................................................................... 213
Functies audiosysteem ........................................................................... 217
Radiofuncties ..........................................................................................220
Cd-functies .............................................................................................226
Menusysteem, audiosysteem .................................................................228
Telefoonfuncties (optie) ...........................................................................229
Menusysteem, telefoon...........................................................................236
210
INFOTAINMENT
10
10 Infotainment
Algemene informatie
Infotainment
10
Het Infotainmentsysteem heeft geïntegreerde
audio- en telefoonfuncties.
Het Infotainmentsysteem kunt u handig en
eenvoudig bedienen vanaf het gemeenschappelijke bedieningspaneel of de toetsenset op
het stuur.
De XC90 kan worden uitgerust met Dolby Surround Pro Logic II (Premium Sound). Dit systeem zorgt voor een zeer realistische geluidsweergave met een breed en natuurlijk geluidsprofiel.
Het Infotainmentsysteem biedt u en eventuele
passagiers de mogelijkheid een hoofdtelefoon (optie) aan te sluiten zodat iedereen naar
een verschillende geluidsbron kan luisteren.
Dolby Surround Pro Logic II
Dolby Surround Pro Logic II1 verdeelt de twee
kanalen van het stereogeluid over de luidsprekers links, midden, rechts en achterin. Dit levert een realistischer geluidsweergave op dan
bij normale tweekanaals stereo.
Dolby Surround Pro Logic II en het
Dolby-logo zijn handelsmerken van
Dolby Laboratories Licensing Corporation. Dolby Surround Pro Logic II
System is vervaardigd onder licentie van Dolby
Laboratories Licensing Corporation.
1 Premium
212
Sound
10 Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Bediening audiofuncties
10
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Aan/uit – audiosysteem
Volume
CD – Sneltoets
Sneltoets AM/FM (FM1 – FM2 – AM)
Display
ENTER – menu-opties kiezen, een keuze
activeren of telefoon activeren die
stand-by staat
7. Aan/uit/stand-by – telefoon
8. MY KEY – te programmeren sneltoets
voor favoriete functie
9. SELECTOR – geluidsbron kiezen
10. SOUND – geluidsregeling
11. EXIT/CLEAR – terugbladeren in menu’s,
een keuze annuleren, de telefoon standby zetten of het voorgaande teken wissen bij invoer van cijfers en/of tekens
12. Simkaarthouder
13. Keuzetoetsen menu-opties
14. Uitwerpen, cd-speler en cd-wisselaar
15. Cd-speler en cd-wisselaar (optie)
16. Sneltoetsen radiozenders/keuzetoets
sleuf cd-wisselaar (1–6), alfanumerieke
toetsen voor telefoon en sneltoetsen in
menu’s
17. IR-ontvanger voor afstandsbedieningen
(optie)
18. Track, zender opzoeken/wisselen of
vooruit- en achteruitbladeren bij invoer
van tekst en cijfers
213
10 Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Toetsenset op stuurwiel
10
Menufuncties
Sneltoetsen
De menu-opties zijn genummerd en kunnen
rechtstreeks worden gekozen via de toetsenset (1–9).
Audio, telefoon
Persoonlijke sneltoets, MY KEY
Onder MY KEY kunt u uw favoriete menufunctie opslaan, zoals TP.
– Kies de functie die u wilt opslaan door
MY KEY meer dan twee seconden lang
ingedrukt te houden.
Wanneer de tekst MY KEY STORED op het
display verschijnt, is de functie opgeslagen.
– Activeer de functie vervolgens door kort op
MY KEY te drukken.
Met de vier toetsen van de toetsenset op het
stuurwiel kunt u zowel het audiosysteem als
de telefoon regelen. De functie van de toetsen
hangt af van het systeem dat u geactiveerd
hebt. Met de toetsenset op het stuur kunt u
het volume regelen en een andere radiozender
of een andere track op een cd selecteren.
214
Sommige Infotainmentfuncties zijn toegankelijk
via een menusysteem. Het actuele menuniveau
staat rechts bovenaan op het display. De menuopties staan in het midden van het display.
• Met MENU opent u het menusysteem. Met
de pijl-omlaag/pijl-omhoog (1) loopt u de
menu-opties door.
• Met ENTER kiest u of activeert/deactiveert
u een menu-optie.
• Met EXIT gaat u een stap terug binnen het
menusysteem. Bij lang indrukken van EXIT
verlaat u het menusysteem.
10 Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Bedieningspaneel met
hoofdtelefoonaansluiting
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken
Druk kort op
/
om een track op een cd
of een van de voorkeurzenders te selecteren.
Druk dezelfde toets lang in om tracks op de cd
versneld vooruit/achteruit te spoelen of automatisch radiozenders te zoeken.
10
Beperkingen
Welke geluidsbron (FM, AM, CD e.d.) er via de
luidsprekers wordt weergegeven valt niet te
sturen vanaf het achterste bedieningspaneel.
Eventuele RDS-teksten kunnen achterwege
blijven, als de radio via de hoofdtelefoons
wordt beluisterd terwijl er een andere geluidsbron via de luidsprekers wordt weergegeven.
Voor de beste geluidsweergave wordt geadviseerd een hoofdtelefoon te gebruiken met een
impedantie van 16–32 ohm en een gevoeligheid van 102 dB of meer.
Activeren/deactiveren
U activeert het bedieningspaneel met de knop
SELECTOR wanneer het audiosysteem ingeschakeld is. Het paneel wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u het audiosysteem uitschakelt of lang op SELECTOR drukt.
215
10 Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Afstandsbediening (optie)
8. Geen functie
9. Aan/uit – audiosysteem
10
1
2
4
5
6
7
3
8
9
1. MEMORY – slaat de gevonden radiozenders. op Sla een zender als volgt op:
– Druk op de toets MEMORY.
– Selecteer Preset met PRESET/DISC (5).
– Bevestig uw keuze met de toets MEMORY.
2. Volume
3. Track vooruit-/achteruitspoelen/
wisselen
4. SOURCE – geluidsbronnen doornemen
5. PRESET/DISC – cd in cd-wisselaar of
voorkeurzender selecteren
6. AUTO – de best doorkomende zenders
opslaan
7. Geen functie
216
– Richt de afstandsbediening op de IR-ontvanger (zie afbeelding) die zich onder de
aan/uit-knop bevindt.
N.B.
De afstandsbediening bevat batterijen van
het type AAA (R03). Als de afstandsbediening niet werkt, moet u eerst controleren
of de batterijen aan vervanging toe zijn.
10 Infotainment
Functies audiosysteem
Aan/uit-knop – audiosysteem
Geluidsbron kiezen
Bij herhaalde malen indrukken van de toets
AM/FM (4) loopt u de radiostanden FM1, FM2
en AM door. Met een druk op CD (1) activeert
u de cd-speler/cd-wisselaar.
Draai aan SELECTOR (5) om uit de externe
geluidsbron AUX en de interne geluidsbronnen FM1, FM2, AM, CD en CDC (cd-wisselaar) te kiezen.
– Regel het volume met SELECTOR of met
de pijl-omhoog/pijl-omlaag (6). Druk daarna
op ENTER.
10
N.B.
Werkt niet met de toetsenset op het stuurwiel.
AUX
Het is mogelijk een mp3-speler op de AUX-ingang aan te sluiten.
N.B.
Druk op de knop POWER (2) om het audiosysteem in of uit te schakelen.
Als u de motor afzet terwijl het audiosysteem
actief is, zal het audiosysteem de volgende
keer dat u de motor start opnieuw actief zijn.
Volumeregeling
Draai de knop (3) rechtsom of linksom om het
volume te verhogen of te verlagen. De volumeregeling verloopt elektronisch en kent geen
eindstanden. U kunt het volume ook verhogen
of verlagen met de toetsen (+) of (–) van de
toetsenset op het stuurwiel mits de telefoon
niet actief is.
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler
in dat geval niet op tijdens het beluisteren.
Soms wijkt het volume waarop de externe geluidsbron (AUX) wordt weergegeven af van
dat van de interne geluidsbronnen. Als de geluidssterkte van de externe geluidsbron te
hoog is, kan de geluidskwaliteit verslechteren. U kunt dat tegengaan door het ingangsvolume van de externe geluidsbron aan te
passen:
Ingang voor externe geluidsbron (AUX), 3,5 mm
BELANGRIJK
Laat dat de afdekking van de bekerhouders
openstaan, terwijl de stekker in de AUXingang steekt.
– Kies voor AUX input vol in het menu en
druk op ENTER.
217
10 Infotainment
Functies audiosysteem
Geluidsregeling
10
Surround
N.B.
U kunt het niveau van de middenluidspreker
alleen bijregelen, als u voor Dolby Pro
Logic II (DPL II) of driekanaals stereoweergave (3-CH) hebt gekozen in het menu. Het
niveau van de subwoofer is alleen bij te regelen als u voor Subwoofer hebt gekozen in
het menu.
– Druk op de toets SOUND (1).
– Druk net zolang op de toets SOUND totdat
de aanduiding van de functie verschijnt die
u wilt bijregelen. U hebt de keuze uit
BASS, TREBLE, FADER, BALANCE,
SUBWOOFER (optie), CENTRE (optie)
en SURROUND (optie).
– Regel het niveau bij met de knop
SELECTOR (2). Op het display verschijnt
een schaal van MIN tot MAX. De functie is
normaal gesproken op de middelste stand
afgesteld.
Programmatype
Displaytekst
Lage tonen
Hoge tonen
Balans tussen
luidsprekers links en
rechts
Balans tussen
luidsprekers voor en
achter
Niveau voor subwoofer
(optie)
Niveau voor middenluidspreker (Premium
Sound)
Niveau voor Ambient
Surround Sound
(Premium Sound)
BASS
TREBLE
BALANCE
FADER
SUBWOOFER
CENTRE
SURROUND
De Surround-instellingen1 zijn bepalend voor
het ruimtelijke effect van de geluidsweergave.
De instellingen voor de verschillende geluidsbronnen alsmede de activering en deactivering ervan worden elk apart vastgelegd.
Het symbool
op het display geeft aan dat
Dolby Pro Logic II actief is. De Surround-functie kent drie verschillende standen:
• PRO LOGIC II
• 3 CHANNEL
• OFF Tweekanaals stereo
Surround-functie activeren/deactiveren
– Druk op MENU, ga naar “Audio settings”
en druk op ENTER.
– Kies voor SURROUND en druk op ENTER.
– Kies voor Pro Logic II, 3 channel of OFF
en druk op ENTER.
Dolby Surround Pro Logic II is het handelsmerk van Dolby Laboratories Licensing
Corporation. Dolby Surround Pro Logic II System is vervaardigd onder licentie van Dolby
Laboratories Licensing Corporation.
1 Bepaalde
218
modellen
10 Infotainment
Functies audiosysteem
Basluidspreker, SUBWOOFER (optie)
De basluidspreker ondersteunt het audiosysteem en zorgt voor een voller geluidsbeeld en
een diepere basweergave.
– Kies voor AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor SUBWOOFER en druk op
ENTER. Een kruisje in het selectievakje
geeft aan dat u voor SUBWOOFER hebt
gekozen.
Equalizer FR (bepaalde modellen)
– Kies voor AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor Equalizer RR en druk op ENTER.
– Stel het gewenste niveau in met de keuzetoetsen voor de menu-opties (pijl-omhoog/
pijl-omlaag) of met de knop SELECTOR.
– Druk op ENTER om de volgende frequentie
te kiezen. U hebt de keuze uit vijf frequenties.
– Druk op ENTER totdat u in het menusysteem bent aangekomen om de wijzigingen
die u aanbracht op te slaan.
10
De functie Equalizer FR gebruikt u om de geluidsweergave van de voorste luidsprekers fijn
af te regelen
– Kies voor AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor Equalizer FR en druk op ENTER.
– Stel het gewenste niveau in met de keuzetoetsen voor de menu-opties (pijl-omhoog/
pijl-omlaag) of met de knop SELECTOR.
– Druk op ENTER om de volgende frequentie
te kiezen. U hebt de keuze uit vijf frequenties.
– Druk op ENTER totdat u in het menusysteem bent aangekomen om de wijzigingen
die u aanbracht op te slaan.
Equalizer RR (bepaalde modellen)
De functie Equalizer RR gebruikt u om de geluidsweergave van de achterste luidsprekers
fijn af te regelen .
219
10 Infotainment
Radiofuncties
Zenders zoeken
10
– Laat de toets los, wanneer de gewenste
frequentie op het display verschijnt.
– Als u de frequentie nog iets wilt bijregelen,
kunt u de pijltoetsen
of
korte tijd
indrukken.
– Wanneer u de laatste toets loslaat, hebt u
nog vijf seconden de tijd om handmatig
instellingen te verrichten.
Zenders opslaan
U kunt als volgt een favoriete radiozender opslaan onder een van de sneltoetsen 0–9 (2)
voor radiozenders:
– Kies een golflengte AM/FM1/FM2 met de
knop SELECTOR (3) of de toets AM/FM (1).
– Druk de toets
of
korte tijd in om de
eerstvolgende goed doorkomende zender
op te zoeken.
– Druk nogmaals op een van de toetsen om
een andere zender te zoeken.
Bekende frequentie handmatig
instellen
– Druk op de toets
of
en houd deze
ingedrukt. Op het display verschijnt de tekst
MAN. De radio loopt de frequenties aanvankelijk langzaam in de gekozen richting door
om na enige seconden te versnellen.
220
– Stel de gewenste radiozender in.
– Druk op de sneltoets waaronder u de zender wilt opslaan en houd de toets ingedrukt.
Het geluid valt enige seconden weg en op
het display verschijnt STATION STORED.
De zender is daarmee opgeslagen.
U kunt tot 10 radiozenders per radiostand
(AM, FM1 en FM2), dus in totaal 30 zenders
opslaan.
10 Infotainment
Radiofuncties
AUTOSTORE, automatisch zenders
opslaan
AM FM
CD
LUM
VO E
MY KEY
PHONE
LECTOR
SE
SOUND
POWER
2
ABC
4
GHI
7
PQRS
AUTO
*
3
DEF
Automatische vastlegfunctie beëindigen
EXIT
ENTER
1
– Druk op EXIT.
CLEAR
Automatisch vastgelegde
voorkeurzender kiezen
MENU
5
6
JKL
MNO
8
9
TUV WXYZ
0
vervolgens rechtstreeks te kiezen met de
voorkeurtoetsen 0–9. Als er geen radiozender
kont worden gevonden met een signaal dat
krachtig genoeg is, verschijnt de tekst
NO AST FOUND.
Wanneer u de radio in de stand Auto zet, kunt
u gebruik maken van de automatisch vastgelegde voorkeurzenders.
SCAN
#
G016637
Met AUTO (1) kunt u tot tien goed te ontvangen radiozenders opzoeken en ze automatisch vastleggen in een aparte geheugenbank. Deze functie is met name handig in gebieden waar u de radiozenders en hun frequenties niet kent.
Automatische opslag starten
– Kies de frequentieband met AM/FM.
– Houd AUTO (1) ingedrukt, totdat
AUTOSTORING... op het display verschijnt.
Wanneer AUTOSTORING... van het display
verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De radio
gaat over op de automatische stand en de
tekst Auto verschijnt op het display. De automatisch vastgelegde voorkeurzenders zijn
– Druk kort op AUTO (1). De tekst AUTO
verschijnt op het display.
– Druk op een van de voorkeurtoetsen 0–9.
– De radio blijft in de automatische stand
staan, totdat u kort op de toetsen AUTO
(1), EXIT of AM/FM drukt.
Scannen, SCAN
Met SCAN (2) wordt een frequentieband automatisch doorzocht op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. acht seconden lang weergegeven voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
Scan-functie activeren/deactiveren
– Kies de frequentieband met AM/FM.
– Druk op SCAN (2) om de functie te activeren. De tekst SCAN verschijnt op het display.
– Druk tot slot op SCAN of EXIT.
Gevonden zender als voorkeurzender
vastleggen
10
Tijdens de functie SCAN kunt u een gevonden
zender als voorkeurzender vastleggen.
– Druk op een van de voorkeurtoetsen 0–9 en
houd deze ingedrukt, totdat de melding
Station stored op het display verschijnt.
De functie SCAN wordt beëindigd, waarna u
de vastgelegde zender als voorkeurzender
kunt gebruiken.
RDS-functies
RDS (Radio Data System) verbindt FM-zenders in een netwerk met elkaar. Een FM-zender in een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde informatie, waardoor een RDS-radio onder
meer de volgende mogelijkheden biedt:
• Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
• Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
• Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
N.B.
Sommige radiozenders maken geen gebruik van RDS of slechts in beperkte mate.
221
10 Infotainment
Radiofuncties
Volumeregeling, NEWS/TP/ALARM
10
N.B.
Als u bijvoorbeeld een cd beluistert op het
moment dat de radio een verkeersbulletin
ontvangt, wordt de cd-speler in de pauzestand gezet. De melding wordt weergegeven
op het volume dat u van tevoren met de volumeknop hebt ingesteld voor het beluisteren van het bericht. Het systeem hervat na
afloop onmiddellijk het oude volume en
speelt (in het gegeven geval) de cd verder
af. Als u het volume tijdens de weergave
van het bericht bijregelt, wordt het nieuwe
volume opgeslagen en bij een volgend bericht opnieuw gehanteerd.
Nieuws, NEWS
Met de functie NEWS kunt u ervoor zorgen dat
de weergave van andere geluidsbronnen zoals
een cd wordt onderbroken voor een nieuwsbulletin.
– Kies een golflengte met de knop
SELECTOR of de toets AM/FM.
– Kies voor NEWS en druk op ENTER.
– De tekst NEWS verschijnt op het display.
– Kies nogmaals voor NEWS en druk op
ENTER om de functie NEWS uit te schakelen.
Bij activering van deze functie krijgt u nieuwsbulletins binnen van RDS-zenders. Als u een
222
andere geluidsbron dan de radio beluistert,
wordt deze weergave onderbroken en ontvangt u de bulletins op het volume dat u voor
het beluisteren hebt ingesteld. Na afloop van
het bulletin hervat het audiosysteem de weergave van de voorgaande geluidsbron op het
oude volume.
Wanneer de functie actief is, verschijnt de
tekst TP op het display. Als de door u beluisterde radiozender verkeersinformatie kan
doorgeven, staat er
op het display. De
weergave van een geluidsbron kan dan ook
alleen worden onderbroken, wanneer de
tekst
op het display staat.
Doe het volgende om een nieuwsbulletin voortijdig af te breken:
Doe het volgende om een verkeersbulletin
voortijdig af te breken:
– Druk op de toets EXIT. De functie TP blijft
echter actief, zodat de radio op het volgende verkeersbulletin wacht.
– Druk op de toets EXIT. De functie NEWS
blijft echter actief, zodat de radio op het
volgende nieuwsbulletin wacht.
TP SEARCH
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van de functie TP krijgt u verkeersinformatie binnen van RDS-zenders. Als
u een andere geluidsbron dan de radio beluistert, wordt deze weergave onderbroken en
ontvangt u de verkeersinformatie op het volume voor het beluisteren van verkeersinformatie dat u tevoren hebt ingesteld. Na afloop van
de verkeersinformatie hervat het audiosysteem de weergave van de voorgaande geluidsbron op het oude volume.
– Kies voor TP in het menu en druk op
ENTER.
– De tekst TP verschijnt op het display.
– Kies nogmaals voor TP en druk op ENTER
om de functie TP uit te schakelen.
Met de functie TP SEARCH kunt u naar verkeersinformatie blijven luisteren tijdens internationale ritten (in Europa) zonder dat u daarvoor zelf van zender hoeft te wisselen.
– Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor TP en druk op ENTER.
– Kies voor TP Search en druk op ENTER.
Om de functie uit te schakelen moet u nogmaals voor TP Search kiezen en op ENTER
drukken.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de programma’s, de uitvoerende artiesten e.d. Dergelijke informatie kan
dan in tekstvorm op het display verschijnen.
– Druk op de toets MENU.
10 Infotainment
Radiofuncties
– Selecteer RADIOTEXT in het menu en druk
op ENTER.
– Kies nogmaals voor RADIOTEXT en druk
op ENTER om de functie uit te schakelen.
Alarm
Alarmmeldingen worden altijd automatisch
doorgegeven, zodat u de functie niet kunt deactiveren. Er verschijnt Alarm! op het display
van de radio, wanneer er een alarmmelding
wordt verzonden. Deze functie wordt gebruikt
om u attent te maken op ernstige ongelukken
of calamiteiten, zoals ingestorte bruggen of
ongelukken in kerncentrales.
Programmatype, PTY
Met de functie PTY is het mogelijk verschillende programmatypes te kiezen zoals popmuziek en klassieke muziek. De melding PTY
geeft aan dat de functie actief is.
Programmatype weergeven
– Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor PTY in het menu en druk op
ENTER.
– Selecteer SHOW PTY en druk op ENTER.
Het PTY van de door u beluisterde zender verschijnt vervolgens op het display.
N.B.
Niet alle radiozenders zijn voorzien van een
PTY-code.
Programmatype
Displaytekst
Programmatype
Displaytekst
Actualiteiten
CURRENT
AFFAIRS
RELIGION
VARIED SPEECH
Weer
Overige muziek
WEATHER
OTHER MUSIC
Religie
Gevarieerde
praatprogramma’s
Country
Documentaires
Financieel nieuws
Volksmuziek
Ontspanning
Kinderprogramma’s
Gouwe ouwe
Informatie
Jazz
Klassiek
Kunst en cultuur
Licht klassiek
Easy listening
Nationale muziek
Pop
Reizen
Rock
Maatschappelijke
programma’s
Sport
Hoorspel
Inbelprogramma’s
Educatie
Wetenschap
COUNTRY MUSIC
DOCUMENTARY
FINANCE
FOLK MUSIC
LEISURE &
HOBBY
CHILDREN
OLDIES MUSIC
INFORMATION
JAZZ MUSIC
SERIOUS
CLASSIC
CULTURES
LIGHT CLASSIC
EASY LISTENING
NATIONAL MUSIC
POP MUSIC
TRAVEL
ROCK MUSIC
SOCIAL AFFAIRS
SPORT
DRAMA
PHONE IN
EDUCATION
SCIENCE
10
Zender zoeken met een bepaald
programmatype
U kunt de radio een zender met een bepaald
soort programma’s laten opzoeken op de aangegeven golflengte.
– Kies FM 1 of FM 2 en druk op de toets
MENU.
– Kies voor RADIO SETTINGS en druk op
ENTER.
– Selecteer PTY en druk op ENTER.
– Kies voor SELECT PTY en druk op ENTER.
– Druk op ENTER om één of meer van de
opgesomde programmatypes te selecteren. Het symbool PTY verschijnt op het
display, wanneer u uw eerste keuze maakt.
De functie PTY van de radio staat vervolgens stand-by.
– Wanneer u alle programmatypes van uw
keuze geselecteerd hebt, moet u op EXIT/
CLEAR drukken om de PTY-lijst te verlaten.
– Kies voor SEARCH PTY en druk op ENTER.
Als de radio een zender met het gekozen
programmatype heeft gevonden, wordt deze
zender via de luidsprekers weergegeven.
– Als de radio een zender heeft gevonden die
niet in de smaak valt, kunt u de radio verder
laten zoeken met de toetsen
/
.
223
10 Infotainment
Radiofuncties
10
– Als er geen zender met het gekozen programmatype kan worden gevonden, gaat
de radio terug naar de voorgaande frequentie. De functie PTY staat dan stand-by,
totdat er een programma van het gekozen
type wordt uitgezonden. Wanneer dat het
geval is, gaat de radio automatisch over op
de zender die het geselecteerde programmatype uitzendt.
Om de stand-bystand van de functie PTY op
te heffen, moet u het menu openen en voor
CLEAR ALL PTY kiezen. Het symbool PTY
verdwijnt dan van het display en de radio keert
terug naar de normale weergavestand.
Verkeersinformatie, TP STATION
In het menu TP STATION kunt u aangeven van
welke radiozender u verkeersinformatie wenst
te ontvangen.
Let erop dat de functie alleen werkt wanneer
het symbool
op het display staat.
TP STATION activeren/deactiveren
Stem af op de radiozender met de verkeersinformatie die u wilt ontvangen.
– Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor TP en druk op ENTER.
– Selecteer TP STATION en druk op ENTER.
– Selecteer SET CURRENT om de functie te
activeren of RESET CURRENT om de
224
functie te deactiveren en druk daarna op
ENTER.
N.B.
U zult vervolgens alleen verkeersinformatie
van de opgeslagen zender doorkrijgen.
Nieuws, NEWS STATION
Onder NEWS STATION kunt u aangeven van
welke radiozender u nieuws wenst te ontvangen.
Let erop dat functie alleen werkt als de ingestelde zender een RDS-zender is.
NEWS STATION activeren/deactiveren
Stem af op de radiozender met het nieuws dat
u wilt ontvangen.
– Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor NEWS STATION en druk
op ENTER.
– Selecteer TP STATION en druk op ENTER.
– Selecteer SET CURRENT om de functie te
activeren of RESET CURRENT om de
functie te deactiveren en druk daarna
op ENTER.
N.B.
U zult vervolgens alleen nieuws van de opgeslagen zender doorkrijgen.
Automatische afstemfunctie, AF
Bij activering van de functie AF wordt er automatisch afgestemd op het sterkste signaal
voor een bepaalde radiozender. Soms moet de
radio de gehele FM-band doorzoeken om een
sterk zendersignaal te vinden. In dat geval valt
de radio stil en verschijnt de tekst PI SEEK
PRESS EXIT TO CANCEL op het display.
AF activeren/deactiveren
– Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Selecteer AF en druk op ENTER.
Om de functie AF uit te schakelen, moet u
nogmaals AF kiezen en op ENTER drukken.
Regionale radioprogramma’s, REG
Deze functie maakt het mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is.
– Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor REG en druk op ENTER.
– De tekst REG verschijnt op het display.
– Kies nogmaals voor REG en druk daarna
op ENTER om de functie REG uit te schakelen.
EON (Enhanced Other Networks)
De functie EON is met name handig in stedelijke gebieden met een groot aantal regionale
10 Infotainment
Radiofuncties
radiozenders. Bij activering van de functie is
de afstand tot de zendmast van een radiozender bepalend voor de vraag of de weergave
van de actieve geluidsbron kan worden onderbroken voor uitzendingen van een bepaald
programmatype.
10
• LOCAL – Alleen onderbreking wanneer de
zendmast van de radiozender dichtbij is.
• DISTANT1 – Ook onderbreking als de
zendmast van de zender ver weg staat en
het signaal ervan storingen vertoont.
• OFF – Geen onderbreking voor een uitzending van een bepaald programmatype via
andere zenders.
EON activeren/deactiveren
– Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Selecteer EON en druk op ENTER.
– Kies voor LOCAL, DISTANT of OFF en
druk op ENTER.
RDS-instellingen resetten
Met de functie Reset alles kunt u alle fabriekinstellingen voor RDS herstellen.
– Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
– Kies voor RESET ALL en druk op ENTER.
– Druk ter bevestiging nogmaals op ENTER.
1 Standaard-/fabriekinstelling.
225
10 Infotainment
Cd-functies
10
Cd aanbrengen (cd-wisselaar)
Muziekbestanden (optie)
– Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen 1–6
of met de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de
navigatieknop.
Op het display staat aangegeven welke sleuf
leeg is. De tekst INSERT DISC geeft aan dat u
een volgende cd kunt aanbrengen. De cd-wisselaar biedt plaats aan zes cd’s.
De cd-speler ondersteunt behalve standaard
muziek-cd’s ook muziekbestanden in mp3- en
wma-formaat.
– Steek een cd in de invoeropening (2) van de
cd-wisselaar.
Cd uitwerpen
U hebt 12 seconden de tijd om een uitgeworpen cd uit te nemen. Als de cd na afloop van
deze periode nog in de cd-speler zit, wordt de
cd weer ingenomen en verder afgespeeld.
Enkele cd’s (cd-speler/cd-wisselaar)
Weergave starten (cd-speler)
Een eventuele muziek-cd in de speler wordt
automatisch afgespeeld, wanneer het audiosysteem in de stand CD staat. Steek anders
een cd in de invoeropening en schakel met
SELECTOR (4) of CD (1) over op de stand CD.
Weergave starten (cd-wisselaar)
Als er een cd-sleuf met een muziek-cd is gekozen, gaat de weergave automatisch van
start wanneer u het audiosysteem inschakelt.
Schakel als dat niet het geval is over op de cdwisselaarstand met SELECTOR (4) of CD (1)
en kies een cd met de cijfertoetsen 1–6.
226
Met een korte druk op de uitwerptoets (3) kunt
u één enkele cd uitwerpen.
Alle cd’s (cd-wisselaar)
Met een lange druk op de uitwerptoets kunt u
alle cd’s uitwerpen. Alle cd’s in het magazijn
worden dan één voor één uitgeworpen. Op het
display verschijnt de tekst EJECTING ALL.
De functie is alleen te activeren wanneer de
auto stilstaat. Het uitwerpen wordt onderbroken, als de auto begint te rijden.
Pauzeren
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler gepauzeerd. Bij het verhogen van het volume wordt
er weer verder gespeeld.
N.B.
Sommige muziekbestanden met kopieerbeveiliging kan de speler niet lezen.
Wanneer u een cd met muziekbestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele mapstructuur op de cd automatisch geladen. Afhankelijk van de kwaliteit van de cd kan het enige
tijd duren voordat de weergave van start gaat.
Navigeren en afspelen
Als er een schijf met muziekbestanden in de
cd-speler zit, kunt u met ENTER de mapstructuur openen. U navigeert op dezelfde manier
in de mapstructuur als in de menustructuur
van het audiosysteem. Muziekbestanden worden aangeduid met het symbool
en mappen met
. Druk op
/
, als het display
niet breed genoeg is om de naam van het muziekbestand in zijn geheel weer te geven. Met
een druk op ENTER gaat het afspelen van het
gemarkeerde muziekbestand van start.
Wanneer een bepaald muziekbestand helemaal
afgespeeld is, worden de overige bestanden in
dezelfde map weergegeven. Nadat alle bestanden in een bepaalde map zijn afgespeeld,
wordt er automatisch van map gewisseld.
10 Infotainment
Cd-functies
Versneld vooruit-/achteruitspoelen/Van
track en muziekbestand wisselen
Door kort op
/
te drukken kunt u de
tracks/muziekbestanden op een cd doornemen. Door lang op dezelfde toetsen te drukken kunt u tracks/muziekbestanden op een cd
versneld vooruit-/achteruitspoelen. U kunt
daarvoor ook gebruik maken van toetsenset
op het stuurwiel.
Cd doorzoeken
Bij activering van deze functie worden van ieder nummer/muziekbestand op een cd de eerste tien seconden weergegeven. Druk op
SCAN om de functie te activeren. Beëindig de
functie met EXIT of SCAN om de weergave
van het actuele nummer/muziekbestand voort
te zetten. De functie SCAN werkt alleen voor de
geselecteerde cd. De tekst SCAN verschijnt op
het display, wanneer de functie actief is.
N.B.
Als de functie Disc Text actief is, staat er
geen SCAN op het display.
Willekeurige afspeelvolgorde, RANDOM
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen
tracks/muziekbestanden op de cd op de gebruikelijke manier doorbladeren.
N.B.
Bij gebruik van de pijl-links of pijl-rechts
wordt alleen een nieuwe willekeurige track
op de afgespeelde cd geselecteerd.
Activeren/deactiveren (cd-speler)
Tijdens het afspelen van een normale muziek-cd:
– Kies voor RANDOM in het menu en druk op
ENTER.
Tijdens het afspelen van een cd met muziekbestanden:
– Kies voor DISC of FOLDER in het menu en
druk op ENTER.
• RANDOM houdt in dat de tracks/muziekbestanden op slechts één van de muziekcd’s worden afgespeeld.
• RND ALL houdt in dat alle tracks/muziekbestanden op alle muziek-cd’s in de cdspeler worden afgespeeld.
• RANDOM FOLDER houdt in dat de muziekbestanden in een willekeurige map op
de gekozen cd worden afgespeeld.
10
N.B.
Als de functie Disc Text actief is, verschijnen deze meldingen niet.
Activeren/deactiveren (cd-wisselaar)
Disc Text
Tijdens het afspelen van een normale muziek-cd:
– Kies voor RANDOM in het menu en druk op
ENTER.
– Ga naar SINGLE DISC of ALL DISCS en
druk op ENTER.
Het alternatief ALL DISCS geldt alleen voor de
muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
Tijdens het afspelen van een cd met muziekbestanden:
– Kies voor SINGLE DISC of FOLDER in het
menu en druk op ENTER.
– Ga naar de gewenste cd of map en druk op
ENTER.
Wanneer u een andere cd kiest, wordt de
functie gedeactiveerd.
Afhankelijk van het type willekeurige afspeelvolgorde dat geselecteerd is, verschijnt er een
bepaalde displaymelding:
Eventuele titelgegevens op een cd kunnen via
het display worden weergegeven.
Activeren/deactiveren
Start de weergave van een cd.
– Kies voor DISC TEXT in het menu en druk
op ENTER.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs
helemaal uitblijft.
WAARSCHUWING
Speel uitsluitend standaard-cd’s met een
diameter van 12 cm. Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket losraken
en schade aan de cd-speler veroorzaken.
227
10 Infotainment
Menusysteem, audiosysteem
10
Menu FM
Menu CD
1. NEWS
2. TP
3. Radiotekst
4. Radio settings
4.1.
PTY
4.2.
TP
4.3.
NEWS Station
4.4.
AF
4.5.
Regional
4.6.
EON
4.7.
Reset all
5. Audio settings1
5.1.
Surround
1.
2.
3.
4.
5.2.
Subwoofer2
5.3.
Equalizer Fr
5.4.
Equalizer Rr
5.5.
Reset all
6. Audio-instellingen
Menu AM
1. Audio settings1
Zie Audio settings in Menu FM.
1 Bepaalde
2 Optie
228
modellen
Random
NEWS
TP
Disc text
5. Audio settings1
Zie Audio settings in Menu FM.
Menu AUX
1. AUX input vol
2. NEWS
3. TP
4. Audio settings
Zie Audio settings in Menu FM.
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
10
Onderdelen van het telefoonsysteem
229
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
10
230
Onderdelen van het telefoonsysteem
Algemene informatie
1. Toetsenset op stuurwiel (optie)
Met de toetsenset op het stuurwiel kunt u
de meeste functies van uw telefoonsysteem regelen. Wanneer het telefoonsysteem in de actieve stand staat, kunt u de
toetsenset op het stuurwiel alleen gebruiken voor de telefoonfuncties. In de actieve
stand staan er altijd telefoongegevens op
het display.
2. Microfoon
De microfoon voor handsfree bellen is in
de plafondconsole bij de achteruitkijkspiegel geïntegreerd.
3. Bedieningspaneel op middenconsole
Alle telefoonfuncties (behalve het gespreksvolume) zijn te regelen via het
bedieningspaneel.
4. Simkaartlezer
U breng de simkaart aan de voorkant
van het bedieningspaneel in.
5. Handset (optie)
Gebruik de handset om ongestoord te
kunnen praten.
6. Antenne
De antenne is tegen de voorruit aangebracht, achter de achteruitkijkspiegel.
• De verkeersveiligheid staat altijd voorop.
• Als u als bestuurder gebruik wilt maken van
de handset, moet u de auto eerst op een
veilige plaats parkeren.
• Schakel het telefoonsysteem uit tijdens het
tanken.
• Schakel het systeem uit in gebieden waar
met explosieven wordt gewerkt.
• Laat reparatiewerkzaamheden aan het telefoonsysteem over aan een erkende Volvowerkplaats.
Noodoproepen
Ook zonder een simkaart is het mogelijk het
alarmnummer te bellen. Uw auto moet zich
echter wel binnen het dekkingsgebied van een
gsm-provider bevinden.
– Activeer het telefoonsysteem.
– Kies het alarmnummer van het land waarin
u zich bevindt (112 binnen de EU).
– Druk op de toets ENTER op het bedieningspaneel of die van de toetsenset op het
stuurwiel.
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Bediening
Knop aan/uit/stand-by
Systeem activeren:
2
4
6
9
1. Display
2. ENTER – gesprekken beantwoorden,
menuselecties verrichten of telefoon activeren die stand-by staat
3. Aan/uit/stand-by
4. EXIT/CLEAR – een gesprek beëindigen/
weigeren, terugbladeren in menu’s, een
keuze annuleren of ingevoerde cijfers/
tekens wissen
5. Simkaarthouder
6. Keuzetoets menu-opties
7. Alfanumerieke toetsen voor telefoon en
sneltoets in menu’s
8. Pijl-links/pijl-rechts – vooruit- of achteruitbladeren bij de invoer van tekst en/of
nummers
9. Gespreksvolume verhogen/verlagen. De
telefoon maakt geen gebruik van de
middenluidspreker 1
10
– Druk op de toets PHONE (3) om het telefoonsysteem in te schakelen.
Systeem uitschakelen:
– Houd de toets PHONE ingedrukt om het
telefoonsysteem uit te schakelen.
Zet het systeem als volgt stand-by:
– Druk korte tijd op de toets PHONE of druk
op de toets EXIT/CLEAR om het telefoonsysteem stand-by te zetten.
– Druk korte tijd op de toets PHONE om het
systeem opnieuw te activeren.
Wanneer de telefoon actief is of stand-by
staat, staat er een hoorn op het display.
N.B.
Bij het audiosysteem Performance (standaarduitvoering) kunt u tijdens een telefoongesprek geen radioprogramma, cd of
verkeersbulletin beluisteren.
Als u het contact uitschakelt terwijl het telefoonsysteem actief is, zal het telefoonsysteem
eveneens actief zijn wanneer u het contact opnieuw inschakelt. Wanneer u het telefoonsysteem hebt uitgeschakeld, kunt u geen gesprekken aannemen.
1 Optie
231
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
10
Volumeverlaging tijdens gesprekken
Verkeersveiligheid
Als de telefoon gaat terwijl u naar de radio
luistert, wordt het volume verlaagd zodra u het
gesprek aanneemt. Na afloop van het gesprek
speelt de radio op het oude volume verder.
U kunt het radiovolume ook tijdens het gesprek bijregelen, waarna de radio na afloop
van het gesprek op het nieuwe volume verder
speelt. U kunt het geluid van het audiosysteem ook helemaal uitzetten tijdens een telefoongesprek (zie pagina 238).
De functie geldt alleen voor het geïntegreerde
telefoonsysteem van Volvo.
Om veiligheidsredenen zijn delen van het menusysteem voor de telefoon niet toegankelijk
bij snelheden hoger dan 8 km/h. U kunt de begonnen activiteiten in het menusysteem echter nog wel beëindigen.
In het menu 5.6 kunt u deze snelheidsbegrenzing opheffen.
Simkaart
Bellen en gesprekken aannemen
Bellen:
– Kies het nummer en druk op ENTER op de
toetsenset op het stuurwiel of op het bedieningspaneel (of til de handset op).
Inkomende gesprekken aannemen:
Stand-by
Wanneer het telefoonsysteem stand-by staat,
kunt u gesprekken aannemen terwijl het audiosysteem aanstaat en er informatie van de
geluidsbronnen van het audiosysteem op het
display verschijnt.
Om van de overige functies van het telefoonsysteem gebruik te maken moet de telefoon in
de actieve stand staan.
– Druk op ENTER of til de handset op. U kunt
ook gebruik maken van de automatische
aanneemfunctie Auto antw. (zie pagina 238).
Het geluid van het audiosysteem kan automatisch worden uitgeschakeld tijdens een gesprek (zie pagina 238).
Sneltoetsen in menu’s
Wanneer u met de menutoets naar het menusysteem bent gesprongen, kunt u gebruik
maken van de numerieke toetsen in plaats van
de pijltoetsen en de toets ENTER om naar het
gewenste submenu op het hoofdniveau te
springen. Iedere menu-optie heeft een bepaald
nummer. Het nummer van het geselecteerde
menu staat samen met de naam van de menuoptie op het display weergegeven.
232
– Duw de simkaarthouder naar buiten toe
door de houder korte tijd in te drukken.
– Leg de sim kaart dusdanig in de houder dat
de kant met het metaal omlaagwijst.
– Zorg dat de afgeschuinde hoek van de simkaart overeenkomt met die van de houder.
– Duw de houder weer naar binnen toe.
Neem bij problemen met de simkaart contact
op met uw netwerkprovider.
Gesprekken beëindigen
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart (Subscriber Identity Module). U hebt deze kaart
van uw provider ontvangen.
Breng altijd de simkaart aan, als u gebruik wilt
maken van het telefoonsysteem.
– Schakel het telefoonsysteem uit.
– Druk op EXIT/CLEAR op de toetsenset van
het stuurwiel of op het bedieningspaneel of
leg de handset op.
Het audiosysteem gaat weer in de voorgaande stand staan.
U weigert inkomende gesprekken met een
druk op de toets EXIT/CLEAR.
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Handset
A
– Druk op ENTER en leg de handset neer. Als
u de handset al hebt opgenomen wanneer
de telefoon gaat, wordt het geluid via het
handsfreesysteem doorgegeven.
– Druk op de toets MENU, ga naar Handset
en druk op ENTER om het geluid via de
handset weer te geven.
Laatst gekozen nummers
Het telefoonsysteem slaat automatisch de tien
laatst gekozen telefoonnummers/namen op.
Als u privégesprekken wilt voeren, kunt u gebruik maken van de handset. Neem de handset op door korte tijd op de bovenkant (A) te
drukken.
– Voer het gewenste nummer in met de toetsenset op het bedieningspaneel en neem
de handset op om te bellen. U regelt het
volume met de draaiknop op de zijkant van
de handset.
U kunt het gesprek beëindigen door de handset terug in de houder te leggen.
Overgaan op handsfree zonder het gesprek te
beëindigen:
– Druk op
op het stuurwiel (of maak
gebruik van de menutoetsen op het bedieningspaneel) en kies voor Handsfree.
– Druk op ENTER van de toetsenset op het
stuurwiel of op het bedieningspaneel.
– Blader met de pijltoetsen vooruit of achteruit door de laatst gekozen nummers. De
nummers verschijnen op het display.
– Druk op ENTER.
Verkort kiezen
Telefoonnummers onder een voorkeurtoets opslaan
De nummers die zijn opgeslagen in het telefoonboek van het systeem kunt u koppelen
aan een bepaalde sneltoets (1–9).
U doet dat als volgt:
– Selecteer Telefoonboek in het menu en
druk op ENTER.
– Blader verder naar Verk. kiezen (zie
pagina 238) en druk op ENTER.
– Druk op de sneltoets waaronder u het
nummer wilt opslaan. Druk ter bevestiging
op ENTER.
– Zoek de naam of het telefoonnummer van
uw keuze op in het telefoonboek. Druk op
ENTER om een keuze te maken.
10
Verkort kiezen
– Houd de gewenste sneltoets
ca. twee seconden ingedrukt om te bellen
of druk eerst kort op de cijfertoets en
daarna op de toets ENTER.
– Na inschakeling van de telefoon moet u
enkele seconden wachten, voordat u gebruik
kunt maken van de functie verkort kiezen.
N.B.
Om verkort te kunnen kiezen moet menuoptie 3.3.1 (zie pagina 240) geactiveerd zijn.
Tijdens het bellen een tweede gesprek
aannemen
Als u tijdens het bellen twee korte geluidssignalen hoort, komt er een tweede gesprek binnen. U kunt deze functie in- of uitschakelen in
dit menu.
U kunt het tweede gesprek vervolgens wel of
niet aannemen. Als u het gesprek niet wilt aannemen, moet u op EXIT/CLEAR drukken of
niets doen.
Als u het gesprek echter wel wilt aannemen,
moet u op ENTER drukken. U parkeert het lopende gesprek dan tijdelijk. Als u op EXIT/
CLEAR drukt, worden beide gesprekken
beëindigd.
233
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
10
Functies tijdens het bellen
Gespreksvolume
Tijdens het bellen kunt u de volgende functies
activeren (blader met de pijltoetsen en druk op
ENTER om een keuze te maken):
Verhoog of verlaag het gespreksvolume door
tijdens het gesprek op de toetsen + of – van
de toetsenset op het stuurwiel te drukken.
Wanneer de telefoon in de actieve stand staat,
kunt u met de toetsenset op het stuurwiel alleen de telefoonfuncties regelen.
Als u de toetsen wilt gebruiken om instellingen
in het audiosysteem te verrichten, moet u eerst
de telefoon stand-by zetten (zie pagina 232).
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Parkeren/Hervatten
Handset/Handsfree
Telefoonboek
Ruggespraakstand
Om het lopende wel
of niet te parkeren
Om de handset of
de handsfree te
gebruiken
Telefoonboek
bekijken
Wanneer u tijdens het bellen een tweede gesprek hebt geparkeerd, kunt u de volgende
functies activeren (blader met de pijltoetsen
en druk op ENTER om een keuze te maken):
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Handset/Handsfree
Telefoonboek
Samenvoegen
Wisselen
234
Ruggespraakstand
Om de handset of
de handsfree te
gebruiken
Telefoonboek
bekijken
Om twee gespreken
tegelijk te voeren
(conferentie)
Om te wissen
tussen de twee
gesprekken
Nummers uit het geheugen bellen
Telefoonboek
Telefoonnummers en namen kunt u in het geheugen van de telefoon zelf opslaan of in het
geheugen op de simkaart.
Wanneer u een gesprek aanneemt afkomstig
van een van de nummers die in het telefoonboek liggen opgeslagen, wordt de bijbehorende naam op het display weergegeven.
U kunt maximaal 255 namen in het geheugen
van de telefoon opslaan.
Telefoonnummers met namen opslaan
– Druk op de toets MENU, kies voor Telefoonboek en druk op ENTER.
– Blader verder naar Toevoegen en druk op
ENTER.
– Voer een naam in en druk op ENTER.
– Voer een nummer in en druk op ENTER.
– Geef aan in welk geheugen u het nummer
en de naam wilt opslaan en druk vervolgens op ENTER.
– Druk op de pijl-omlaag (1) van de MENUtoetsen of op
op het stuurwiel om het
telefoonboek te doorzoeken.
Kies uit de volgende mogelijkheden:
– Druk op ENTER en blader met de pijltoetsen naar de naam van uw keuze.
– Druk op de toets die overeenkomt met de
eerste letter van de bijbehorende naam (of
voer de complete naam in) en druk op
ENTER.
– Druk op ENTER om het geselecteerde
nummer te bellen.
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Namen (of berichten) invoeren
Tekstinvoer afbreken:
Druk op de toets met het teken van uw keuze:
druk eenmaal op de toets om het eerste teken
van de toets in te voeren, tweemaal om het
tweede teken in te voeren enz. Druk op de 1 om
een spatie in te voegen.
– U kunt alle ingevoerde tekens wissen door
lang op de toets EXIT/CLEAR te drukken.
– Keer terug naar het menu door nogmaals
lang op de toets EXIT/CLEAR te drukken.
Specificaties
Vermogen
2W
Simkaart
klein, 3 V
Dubbele simkaart
Geheugenposities
2551
10
1
spatie 1 - ? ! , . : " ' ( )
Sms
ja
2
abc2äåàæç
Data/Fax
nee
3
def3èé
Dualband
ja (900/1800)
4
ghi4ì
1
5
jkl5
6
mno6ñöòØ
7
pqrs7ß
8
tuv8üù
IMEI-nummer
9
wxyz9
*
om tweemaal achtereen hetzelfde
teken op de toets in te voeren.
0
+0@*#&$£/%
#
wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters.
EXIT
het laatst ingevoerde teken wissen.
Wanneer u de toets lang ingedrukt
houdt, kunt u het nummer of de
tekst in zijn geheel wissen.
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEInummer van de telefoon aan uw provider
doorgeven. Dit nummer is een serienummer
bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon
geprogrammeerd is. Toets *#06# op uw telefoon in om het nummer op het display te zien.
Noteer het nummer en bewaar het op een veilige plaats.
255 geheugenposities in het geheugen
van de telefoon. Het aantal geheugenposities op de simkaart verschilt afhankelijk van het abonnement.
Veel providers bieden dubbele simkaarten aan:
een voor de autotelefoon en een voor een andere telefoon. Als u over een dubbele simkaart
beschikt, kunt u hetzelfde nummer voor twee
verschillende telefoons gebruiken. Neem contact op met uw provider over de mogelijkheden
en het gebruik van een dubbele simkaart.
235
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
3. Telefoonboek
Overzicht
10
1. Oproepregister
1.1.
1.2.
1.3.
1.4.
Gem. oproep
Ontvangen oproepen
Uitgaande opr.
Wis lijst
1.4.1.
1.4.2.
1.4.3.
1.4.4.
1.5.
Alle oproepen
Gemiste oproepen
Ontv. oproepen
Uitgaande opr.
Duur oproep
1.5.1.
1.5.2.
1.5.3.
1.5.4.
Laatste oproepen
Tel oproepen
Totale tijd
Reset timer
2. Meldingen
2.1.
2.2.
2.3.
Lezen
Invoeren
Inst. boodsch.
2.3.1.
2.3.2.
2.3.3.
SMSC-nummer
Geldigheid
Soort boodsch.
3.1.
3.2.
3.3.
Toevoegen
Zoeken
Alles kopiëren
3.3.1.
3.3.2.
3.4.
5.1.
5.2.
Actief
Nummer kiezen
SIM-geheugen wissen
Telefoon wissen
Geheugenstatus
Nummer mee
Oproep wacht
Auto antw.
Automatisch herkiezen
Doorschakelen
4.5.1.
4.5.2.
4.5.3.
4.5.4.
4.5.5.
4.5.6.
4.5.7.
Alle oproepen
Bij bezet
Onbeantwoord
Niet bereikb.
Fax-oproepen
Data-oproepen
Alles annul.
5.3.
PIN-code
Telefooncode
Geluiden
5.5.1.
5.5.2.
236
Aan
Uit
Automatisch
Wijzig codes
5.4.1.
5.4.2.
5.5.
English UK
English US
Español
Français CAN
Français FR
Italiano
Nederlands
Português BR
Português P
Suomi
Svenska
Dansk
Deutsch
SIM-beveiligd
5.3.1.
5.3.2.
5.3.3.
5.4.
Automatisch
Handmatig
Taal
5.2.1.
5.2.2.
5.2.3.
5.2.4.
5.2.5.
5.2.6.
5.2.7.
5.2.8.
5.2.9.
5.2.10.
5.2.11.
5.2.12.
5.2.13.
4. Belopties
4.1.
4.2.
4.3.
4.4.
4.5.
Netwerk
5.1.1.
5.1.2.
Verk. kiezen
3.4.1.
3.4.2.
3.5.
3.6.
3.7.
SIM naar tel
Tel naar SIM
5. Inst. tel.
Belvolume
Belsignaal
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
5.5.3.
5.5.4.
5.6.
Verkeersv.
5.6.1.
5.6.2.
5.7.
Radio Mute
Boodsch.sign.
Menuvergrend.
IDIS
Fabrieksinst.
Beschrijving van menu-opties
1. Oproepregister
1.1. Gemiste oproepen
Lijst met gemiste gesprekken. U kunt de bijbehorende nummers bellen, wissen of in het telefoonboek opslaan.
1.2. Ontvangen oproepen
Lijst met beantwoorde gesprekken. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
1.3. Uitgaande gesprekken
Lijst met eerder gebelde nummers. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
1.4. Wis lijst
De lijsten wissen in de menu’s 1.1., 1.2. en
1.3. zoals hieronder beschreven.
1.4.1.
Alle
1.4.2.
Gemist
1.4.3.
Ontvangen
1.4.4.
Uitgaande
1.5. Duur oproep
De duur van alle gesprekken of van het laatste
gesprek. Om de gespreksteller te resetten
hebt u de telefooncode nodig (zie menu 5.4).
1.5.1.
1.5.2.
Laatste oproepen
Tel oproepen
1.5.3.
1.5.4.
Totale tijd
Reset timer
10
2. Meldingen
2.1. Lezen
Ontvangen SMS-berichten. U kunt de gelezen berichten (of delen ervan) wissen, doorsturen, wijzigen of opslaan.
2.2. Invoeren
Met de toetsenset een bericht invoeren.
U kunt het bericht vervolgens opslaan of versturen.
2.3. Instellingen boodschappen
Het nummer (SMSC-nummer) van de mailbox
aangeven, waarnaar u uw berichten wilt doorschakelen. Neem contact op met uw netwerkprovider voor informatie over de instellingen
en het SMSC-nummer. U hoeft de instellingen
normaal gesproken niet te wijzigen.
2.3.1.
2.3.2.
2.3.3.
SMSC-nummer
Geldigheid
Soort boodschap
3. Telefoonboek
3.1. Toevoegen
Namen en telefoonnummers vastleggen in het
telefoonboek (zie pagina 234).
237
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
3.2. Zoeken
Namen in het telefoonboek zoeken.
10
3.3. Alles kopiëren
Telefoonnummers en namen op de simkaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
3.3.1.
Van het geheugen op de
simkaart naar dat van de
telefoon
3.3.2.
Van het geheugen van de
telefoon naar dat op de simkaart
3.4. Verkort kiezen
Nummers die zijn vastgelegd in het telefoonboek koppelen aan een sneltoets voor verkort
kiezen.
3.5. SIM-geheugen wissen
Het geheugen op de simkaart geheel wissen.
3.6. Telefoon wissen
Het complete geheugen van de telefoon wissen.
3.7. Geheugenstatus
Bekijken hoe veel geheugenposities er in beslag
genomen worden in het geheugen van de simkaart en in dat van de telefoon. In de tabel staat
aangegeven hoe veel van de beschikbare posities er in gebruik zijn (bijvoorbeeld 100 (250)).
4. Bel-opties
4.1. Nummer mee
4.5.6.
4.5.7.
Aangeven of uw eigen telefoonnummer wel of
niet op het display van de gebelde persoon
moet verschijnen. Neem contact op met de
netwerkprovider voor een permanent geheim
nummer.
5. Telefooninstellingen
5.1. Netwerk
4.2. Oproep wacht
Aangeven of u wel of geen signaal wilt ontvangen, wanneer er tijdens het bellen een tweede
gesprek wacht.
4.3. Auto antw.
Inkomende gesprekken automatisch beantwoorden.
4.4. Autom. herh.
Een eerder gekozen nummer bellen.
4.5. Doorschakel.
In dit menu kunt u aangegeven welke soorten
oproepen moeten worden doorgeschakeld
naar het gespecificeerde telefoonnummer en
wanneer.
4.5.1.
4.5.2.
4.5.3.
4.5.4.
4.5.5.
238
Alle gespr. (de instelling geldt
alleen tijdens het lopende
gesprek)
Bij bezet
Onbeantwoord
Niet bereikb.
Fax-oproepen
Data-oproepen
Alles annul.
Geef aan of u automatisch of handmatig netwerken wilt selecteren. De geselecteerde provider verschijnt tijdens het inschakelen van het
telefoonsysteem op het display.
5.1.1.
Auto
5.1.2.
Handmatig
5.2. Taal
De taal van het telefoonsysteem aangeven.
5.2.1.
5.2.2.
5.2.3.
5.2.4.
5.2.5.
5.2.6.
5.2.7.
5.2.8.
5.2.9.
5.2.10.
5.2.11.
5.2.12.
5.2.13.
English UK
English US
Español
Français CAN
Français FR
Italiano
Nederlands
Português BR
Português P
Suomi
Svenska
Dansk
Deutsch
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
5.3. SIM-beveiligd
Aangeven of de invoer van de pincode actief
of inactief moet zijn of automatisch moet verlopen.
5.3.1.
Aan
5.3.2.
Uit
5.3.3.
Automatisch
5.4. Wijzig codes
De pincode of telefooncode wijzigen. Noteer
de codes en bewaar ze goed.
5.4.1.
5.4.2.
PIN-code
Telefooncode. De fabrieksinstelling voor de telefooncode is
1234 geldt zolang u de code
niet hebt gewijzigd. U hebt de
telefooncode nodig om de
gespreksteller te resetten.
5.5. Geluiden
5.5.1.
Volume. Het volume van het
belsignaal regelen.
5.5.2.
Belsignaal. Uit zeven verschillende belsignalen kiezen.
5.5.3.
Radio Mute: On/off
5.5.4.
Berichttoon
5.6. Verkeersveiligheid
5.6.1.
Menuvergrend. Bij het opheffen
van de menuvergrendeling hebt
u tijdens het rijden toegang tot
alle delen van het
menusysteem.
5.6.2.
IDIS. Als u de functie IDIS
uitschakelt, worden inkomende
gesprekken ongeacht de rijsituatie zonder vertraging
doorgegeven.
5.7. Fabrieksinstellingen
10
De fabriekinstellingen van het systeem
herstellen.
239
Typeaanduidingen ...................................................................................242
Maten en gewichten................................................................................ 243
Motorspecificaties...................................................................................244
Motorolie ................................................................................................. 245
Vloeistoffen en smeermiddelen............................................................... 247
Brandstof ................................................................................................248
Katalysator ..............................................................................................250
Elektrisch systeem .................................................................................251
240
SPECIFICATIES
11
11 Specificaties
Typeaanduidingen
11
Wanneer u contact opneemt met uw Volvodealer of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om de
typeaanduiding, het chassisnummer en het
motornummer bij de hand te hebben.
1. Typeaanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
2. Typeaanduiding van de motor, onderdeel- en serienummer.
3. Sticker voor motorolie.
4. Typeaanduiding en serienummer van de
versnellingsbak:
a: Automatische versnellingsbak AW
b: Handgeschakelde versnellingsbak
c: Automatische versnellingsbak
5. Sticker voor standverwarming.
6. VIN (type- en modeljaaraanduiding alsmede chassisnummer).
242
11 Specificaties
Maten en gewichten
Maten
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Lengte: 481 cm
Max. dakbelasting: 100 kg
Breedte: 190 cm
Geremde aanhanger
Hoogte: 178 cm
Max.
Max.
aanhangergewicht kogeldruk
(kg)
kg
Wielbasis: 286 cm
Spoorbreedte, vooras: 163 cm
Spoorbreedte, achteras: 162 cm
Gewichten
Bij het rijklaar gewicht is het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen e.d. inbegrepen. Het gewicht van
de passagiers en de gemonteerde accessoires
zoals een trekhaak (en de kogeldruk daarvan
bij gebruik van een aanhanger (zie tabel)), lastdragers, skibox e.d. zijn van invloed op de
laadcapaciteit en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht. Toelaatbare belasting (zonder
bestuurder) = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
Zie pagina 242 voor de positie van de sticker.
1. Max. totaalgewicht
2. Max. treingewicht (auto + aanhanger)
3. Max. voorasdruk
4. Max. achterasdruk
1.6
1200
1.6D
1300
1.8
1300
2.0
1350
overi
ge
1500
11
75
Ongeremde aanhanger
Max.
Max. kogeldruk
aanhangergewicht
kg
(kg)
700
50
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Alleen China
1. Max. totaalgewicht
2. Max. aanhangergewicht
243
11 Specificaties
Motorspecificaties
11
2.5T
V8
3.2
D5
Motoraanduiding
B5254T2
B8444S
B6324S
D5244T4
Vermogen (kW bij omw/min)
154/4980
232/5850
175/6200
136/4000
(pk bij omw/min)
210/5000
315/5850
238/6200
185/4000
Motorkoppel (Nm bij omw/min)
320/1500–
4500
440/3900
320/3200
400/2000–
2760
Aantal cilinders
5
8
6
5
Cilinderboring (mm)
83
94
84
81
Slaglengte (mm)
93,2
79,5
96
93,2
Cilinderinhoud (liter)
2,52
4,41
3,2
2,40
Compressieverhouding
9,0:1
10,4:1
10,8:1
17,0:1
Typeaanduiding, onderdeel- en serienummer
van de motor vindt u op de motor
(zie pagina 242).
244
11 Specificaties
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C.
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Controleer het oliepeil eveneens vaker bij korte ritten (over afstanden kleiner dan 10 km) bij
lage temperaturen (onder +5 °C).
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van
.
BELANGRIJK
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor,
de startgewilligheid, het brandstofverbruik
en de milieu-impact. Om de aanbevolen service-intervallen aan te kunnen houden dient
u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen een oliesoort van de
voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat zowel bij het bijvullen als bij
het verversen van olie. Een negatieve invloed
op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet uitgesloten. Volvo
Car Corporation wijst alle garantieclaims af
bij gebruik van een motoroliesoort die niet
voldoet aan de voorgeschreven kwaliteitsen viscositeitseisen.
Viscositeitsdiagram
11
245
11 Specificaties
Motorolie
Oliesticker
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit (zie pagina 242 voor de positie), geldt het volgende:
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W-30.
11
Motortype
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN–MAX (liter)
Hoeveelheid1
(liter)
2.5T
B5254T2
1,2
5,5
3.2
B6324S
0,8
7,3
V8 AWD
B8444S
1,2
6,7
D5 AWD
D5244T4
2,0
6,2
1
246
Inclusief hoeveelheid in filter.
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistof
Systeem
Volume
Aanbevolen kwaliteit
Versnellingsbakolie
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
2,0 liter
Versnellingsbakolie: MTF 97309
Automatische versnellingsbak (TF-80SC)
7,0 liter
Versnellingsbakolie: JWS 3309
Benzinemotor 3.2
9,7 liter
Benzinemotor V8
10,2 liter
Dieselmotor D5
12,5 liter
Koelvloeistof met corrosiewerende dope aangelengd met water (zie verpakking). Thermostaat
opent bij:
benzinemotoren, 90 °C, dieselmotoren 82 °C.
Koelvloeistof
Olie: PAG, koudemiddel: R134a (HFC134a)
Airconditioning1
Remvloeistof
Stuurbekrachtiging
0,6 liter
DOT 4+
Systeem
1,0 liter
waarvan reservoir
0,2 liter
Stuurbekrachtigingsvloeistof: WSS M2C204-A of
een soortgelijk product met dezelfde specificaties.
Ruitensproeiervloeistof
1
11
6,5 liter
Bij vorst wordt u geadviseerd een door Volvo
aanbevolen antivries aangelengd met water te
gebruiken.
Het gewicht hangt af van het motortype. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor de juiste gegevens.
BELANGRIJK
Om schade aan de versnellingsbak te voorkomen moet u de aanbevolen kwaliteit versnellingsbakolie gebruiken en geen
verschillende merken met elkaar vermengen. Neem contact op met de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats voor service,
als er een andere oliesoort werd gebruikt.
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft de
versnellingsbakolie niet te worden ververst
zolang de versnellingsbak meegaat. Onder
ongunstige rijomstandigheden moet de olie
mogelijk wel worden ververst (zie pagina 245).
247
11 Specificaties
Brandstof
Verbruik, uitstoot en tankinhoud
Motor
2.5T
B5254T2
3.2
B6324S
V8 AWD
B84444S
D5 AWD
B5244T4
11
Versnellingsbak
Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van kooldioxide
(CO2) in g/km
Tankinhoud
liter
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
11,1 (11,2)1
266 (269)1
80
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
11,7 (11,8)1
280 (282)1
Automatische versnellingsbak (TF 80SC)
(11,8)1
277 (281)1
13,3 (13,5)1
317 (322)1
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
1
248
Geldt voor model met zeven zitplaatsen.
11,6
1
9,0 (9,0)
239 (239)1
8,2 (8,3)1
217 (219)1
68
11 Specificaties
Brandstof
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
Dit om optimale prestaties en een zo laag mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus
conform EU-richtlijn 80/1268 voor voertuigen
met verbrandingsmotoren. Het gebruik van
extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht
van de auto verhogen. Ook de rijstijl en andere
niet-technische factoren kunnen van invloed
zijn op het brandstofverbruik. Bij gebruik van
brandstof met een octaangetal van 91 (RON),
neemt het brandstofverbruik toe terwijl het
motorvermogen lager wordt.
Benzine: norm NEN-EN 228
Benzine
De meeste motoren lopen op benzine met een
octaangetal van 91, 95 en 98 (RON).
BELANGRIJK
Tank alleen loodvrije benzine om schade
aan te katalysator te voorkomen. Giet nooit
alcohol bij de benzine, omdat het brandstofsysteem daardoor schade kan oplopen
en de Volvo-garantie vervalt.
11
Dieselolie
Het brandstofsysteem van een dieselmotor is
gevoelig voor verontreinigingen (zie pagina 187).
Dieselolie: norm NEN-EN 590 of JIS K2204
• 91 (RON) mag u niet gebruiken voor
4 cilindermotoren en slechts bij hoge uitzondering in de overige motortypes.
• 95 (RON) is te gebruiken in de normale
rijomstandigheden.
• 98 (RON) wordt geadviseerd voor maximale
prestaties tegen een minimaal brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken.
249
11 Specificaties
Katalysator
Algemene informatie
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
11
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator is dicht bij de motor
in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen. De katalysator bestaat
uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De wanden van de kanalen zijn bekleed
met platina/rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z.
ze versnellen een chemische reactie zonder
dat ze daar zelf actief aan deelnemen.
250
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan een elektronisch systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept
de ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Algemene informatie
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders
worden gebruikt.
11
Accu
Spanning
2.5T
3.2
V8
12 V
12 V
12 V
D5
12 V
Koudestartcapaciteit (SAE)
600 A
Reservecapaciteit (RC)
120 min.
100 min.
125 min.
150 min.
Capaciteit (Ah)
70
60
70
90
1
1
520 A
1
600 A
1
800 A
Op een auto met standverwarming zit een accu van 800 A
Let er bij het vervangen van de accu op, dat
de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele accu
heeft (zie sticker op de accu).
251
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Gloeilampen
11
252
Verlichting
Vermogen W Lampvoet
Groot licht/dimlicht, halogeen
55
H7
Groot licht, Active Bi-Xenon
65
H9
Active Bi-Xenon
35
D1S
Groot licht, Bi-Xenon
55
H7
Bi-Xenon
35
D2R
Mistlampen vóór
55
H1
Stadslichten vóór/achterlichten, parkeerlichten vóór, zijmarkeringslichten vóór, kentekenplaatverlichting, instapverlichting achter
5
W2,1X9,5d
Richtingaanwijzers voor, mistachterlicht
21
BAY9s
Remlichten, achteruitrijlichten
21
BA15S
Richtingaanwijzers achter
21
BAU15s
Make-upspiegel
1,2
SV5,5
Instapverlichting voor, bagageruimteverlichting
5
SV8.5
Verlichting dashboardkastje
3
BA9
11 Specificaties
11
253
Alfabetisch register
A
A/C, elektronische klimaatregeling .............72
Aanhanger
aanhangergewicht ................................243
kabel ....................................................137
rijden met een aanhanger ....................135
Aanrijding
aanrijdingssensoren ...............................23
opblaasgordijn, IC-systeem ...................23
Aanstaande moeders
veiligheidsgordel ....................................13
Aanstekeropening .......................................49
ABL .............................................................52
ABS ...........................................................123
ABS, storing in ABS-systeem .....................45
Accu
onderhoud ............................................193
overbelasting ........................................113
starten met een hulpaccu ....................134
symbolen op de accu ..........................194
vervangen ............................................195
Achterbank, omklappen ..............................89
Achterklep
rijden met een geopende klep .............112
Achteruitkijkspiegel .....................................63
kompas ..................................................63
Adaptief systeem ......................................119
Afstandsbediening ....................................100
batterij vervangen ................................102
254
functies ................................................ 101
Afstandsbedieningssysteem,
typegoedkeuring ....................................... 253
Airbag
bestuurders- en passagierszijde ........... 16
deactiveren ............................................ 20
Airconditioning
achter in passagiersruimte .................... 48
algemene informatie .............................. 70
Alarm
alarmlampje ......................................... 108
alarmsignalen ...................................... 109
algemene informatie ............................ 108
automatische inschakeling
van het alarm ....................................... 109
geactiveerd alarm uitschakelen ........... 109
inschakelen ......................................... 108
uitschakelen ........................................ 108
Alarmlichten ................................................ 58
Alarmsensoren ............................................ 49
Antislipregeling ......................................... 125
Antispinregeling ........................................ 125
Asbak achterin ............................................ 86
Audio, zie ook Geluidssysteem ................ 213
Auto wassen ............................................. 176
AUTO, ECC ................................................ 72
Autobekleding .......................................... 177
Autodimfunctie ........................................... 63
Automatische vergrendeling ..................... 103
Automatische versnellingsbak .................. 119
aanhanger ............................................ 135
beveiligingssystemen .......................... 119
knop W ................................................ 121
Lock-upfunctie ..................................... 119
slepen en bergen ................................. 132
Automatische wasstraat ........................... 176
AWD .......................................................... 122
B
Bagageklep
vergrendelen/ontgrendelen .................. 101
Bagagenet ................................................... 93
Bagagerolhoes ............................................ 95
Bagageruimte
lading ..................................................... 92
Banden
algemene informatie ............................ 152
bandenreparatie ................................... 164
draairichting ......................................... 154
ECO-bandenspanning ......................... 156
maataanduiding ................................... 152
rijeigenschappen ................................. 152
slijtage-indicatoren .............................. 153
snelheidsaanduidingen ........................ 152
spanning .............................................. 155
winterbanden ....................................... 153
zomer- en winterbanden ...................... 154
Bandenspanningscontrolesysteem .......... 162
Basluidspreker .......................................... 219
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
bediening ............................................... 61
Alfabetisch register
overzicht .................................................42
Bekerhouder ...............................................86
Bekerhouders ..............................................87
“Belangrijk!”-teksten .....................................6
Benzinekwaliteit ........................................249
Bergen .......................................................132
Beslagen ruiten
ontwasemen .....................................70, 74
Beveiliging tegen overbelasting,
schuifdak .....................................................67
Blaasmonden
dashboard ..............................................71
Blaasmonden in portierstijl .........................71
BLIS ............................................................49
Boordcomputer ...........................................54
Botsing, zie Aanrijding ................................23
Brandstof
brandstofbesparing ..............................155
brandstoffilter .......................................187
brandstofsysteem ................................187
brandstofverbruik, aanduiding ...............54
standverwarming ...................................76
tanken ..................................................114
verbruik ............................................7, 248
Brandstofmeter ...........................................43
Buitenspiegels .............................................65
elektrisch inklapbare ..............................65
Buitenspiegels, inklapbare ..........................48
Buitentemperatuurmeter .............................43
C
Cd-functies ............................................... 226
Condenswater .......................................... 187
Contactsleutel .......................................... 117
Controles
vloeistoffen en oliën ............................. 188
vloeistoffen en oliën,
algemene informatie ............................ 185
Cruisecontrol .............................................. 57
D
Dagteller ..................................................... 43
Dashboardkastje ........................................ 85
dashboardkastje ....................................... 104
Diesel ........................................................ 187
Diesel, voorgloeifunctie .............................. 46
Dieselfilter ................................................. 187
Dimlicht ................................................. 51, 53
Displayteksten ............................................ 47
Dode hoek (BLIS) ..................................... 129
Doorwaaddiepte ....................................... 113
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem ........... 125
deactiveren/activeren .......................... 125
lampje .................................................... 46
E
ECC, elektronische klimaatregeling ........... 70
ECO-bandenspanning
brandstofbesparing ............................. 155
tabel ..................................................... 156
Elektrisch bedienbare stoel ........................ 81
Elektrisch bedienbare zijruiten .................... 61
achterbank ............................................. 62
blokkeren ............................................... 61
passagiersplaats .................................... 62
Elektrisch verwarmde voorstoelen .............. 74
Elektrische aansluiting
achterin .................................................. 59
kofferbak ................................................ 95
Elektronische startblokkering ................... 100
EON, Enhanced Other Networks .............. 224
Equalizer ................................................... 219
Extra verwarming ........................................ 76
F
Flessenhouder ............................................ 86
Follow-Me-Home-verlichting ...................... 53
Functies audiosysteem ............................. 217
G
Geïntegreerd kinderzitje .............................. 32
Geluidsregeling ......................................... 218
Geluidssysteem
audio-instellingen ................................ 213
geluidsbron .......................................... 213
Gemiddeld brandstofverbruik ..................... 54
Gevarendriehoek ....................................... 157
Gloeilampen
specificaties ......................................... 252
255
Alfabetisch register
vervangen ............................................196
Gordelwaarschuwing ..................................13
Groot licht ...................................................53
aan/uit ....................................................51
wisselen groot licht en dimlicht ..............53
H
Handgeschakelde versnellingsbak ...........118
Handrem ...............................................46, 59
Hoofdsleutel ..............................................100
Hoofdsteun,
middelste zitplaats achterbank .............89, 90
I
In de was zetten ........................................177
Infotainment ..............................................212
Instrumenten
overzicht, auto met het stuur links .........38
overzicht, auto met het stuur rechts ......40
Instrumentenpaneel ....................................43
Instrumentenverlichting ...............................52
Interieurfilter ................................................70
Interieurverlichting .......................................82
Interior Air Quality System, combifilter .......72
Intervalstand ...............................................55
ISOFIX-bevestigingssysteem ......................34
K
Katalysator ................................................250
bergen ..................................................132
256
Kick-down,
automatische versnellingsbak .................. 119
Kinderen
kinderslot ............................................. 106
kinderzitjes en airbags ........................... 28
kinderzitjes en SIPS-airbags ................. 21
positie in de auto, tabel ......................... 30
veiligheid ............................................... 32
veiligheidsuitrusting ............................... 28
Kinderslot ................................................... 48
Kinderzitje ................................................... 32
bevestigingssysteem ............................. 34
monteren ............................................... 34
Kinderzitje, geïntegreerd ............................ 32
Kledinghaak ................................................ 86
Kleurcode, lak ........................................... 179
Klimaatregeling, algemene informatie ........ 70
Klok,instellen .............................................. 43
Knalgas ..................................................... 134
Koelsysteem ............................................. 112
Koelvak ....................................................... 88
Koelvloeistof, controleren en bijvullen ...... 190
Kofferbak
bagagenet ............................................. 93
elektrische aansluiting ........................... 95
houder voor boodschappentassen ....... 95
Kompas ...................................................... 63
Koplampen
aan/uit ................................................... 51
ABL ........................................................ 52
koplampsproeiers .................................. 55
Koppelingsvloeistof,
controleren en bijvullen ............................. 190
Koude start
automatische versnellingsbak ............. 119
Koudemiddel ............................................... 70
Kruissnelheidsregeling ................................ 57
L
Lading op het dak ..................................... 144
Lading vervoeren
algemene informatie ............................ 144
laadvermogen ...................................... 144
lastdragers ........................................... 144
Lak
kleurcode ............................................. 179
lakschade en schade herstellen .......... 179
Lambdasonde ........................................... 250
Lampjes .................................................... 126
controlelampjes ..................................... 45
waarschuwingslampjes ......................... 44
Leeslampjes ................................................ 82
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften .. 178
Lichtbundel ............................................... 146
Lichtsignaal ................................................. 53
Luchtverdeling ............................................ 71
ECC ....................................................... 74
M
Maataanduiding ........................................ 152
Alfabetisch register
Mensysteem
telefoon, overzicht ................................236
Menusysteem
telefoon, menu-opties ..........................237
Middenconsole achterin, verwijderen .........89
Milieubeleid ...................................................7
Mistlichten, aan/uit ......................................52
Motor .........................................................186
Motor starten ............................................116
Motorkap ...................................................186
Motorolie ...................................................188
filter ......................................................188
hoeveelheden .......................................246
oliedruk ..................................................45
oliekwaliteit ..........................................245
rijden onder ongunstige
rijomstandigheden ...............................245
verversen ..............................................188
Motorruimte ..............................................186
Motorspecificaties .....................................244
N
“N.B.”-teksten ...............................................6
Noodoproepen ..........................................230
O
Olie, zie ook Motorolie
oliedruk ..................................................45
Onderhoud
eigen onderhoud ..................................185
roestwering .......................................... 180
Ontwaseming ............................................. 74
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte 84
Openen, achterklep .................................... 60
Openen, motorkap ..................................... 60
P
Parkeerhulp .............................................. 127
sensoren voor parkeerhulp .................. 128
Parkeerlichten ............................................. 51
Poetsen .................................................... 177
Provisorische bandenreparatie ................. 164
PTY, programmatype ............................... 223
R
Radio
alarm .................................................... 223
AUTOSTORE ....................................... 221
EON ..................................................... 224
NEWS .................................................. 222
programmatypes ................................. 223
radio-instellingen ................................. 220
radiozenders ........................................ 220
regionaal .............................................. 224
verkeersinformatie ............................... 222
volumeregeling, programmatypes ....... 222
zenders zoeken ................................... 221
Recirculatie ................................................. 73
REG, regionale radioprogramma’s ........... 224
Regensensor .............................................. 56
Reinigen
bekleding ............................................. 177
Relais- en zekeringenkastje
bagageruimte ....................................... 208
in de passagiersruimte ................ 205, 206
in motorruimte ..................................... 203
Remsysteem ..................................... 123, 190
Remvloeistof, controleren en bijvullen ...... 190
Reservewiel Temporary Spare .................. 157
Richtingaanwijzers ...................................... 53
Rijden
gladde wegen ...................................... 112
in waterpartijen .................................... 113
koelsysteem ......................................... 112
met een aanhanger .............................. 135
met een geopende achterklep ............. 112
zuinig ................................................... 112
Rijden tijdens de winter ............................ 116
Rijklaar gewicht ......................................... 243
Roestwering .............................................. 180
Roetfilter ............................................. 47, 116
roetfilter vol .......................................... 116
ROPS-systeem
(Roll-Over Protection System) .................... 26
Ruitensproeiervloeistof bijvullen ............... 189
Ruitenwissers en -sproeiers ....................... 55
S
Safelock-functie
alarmsensoren tijdelijk deactiveren ..... 109
257
Alfabetisch register
tijdelijk deactiveren ..............................105
SCAN, radiozenders .................................221
Schoon aan binnen- en buitenkant ...............8
Schoonmaken
automatische wasstraat .......................176
leren bekleding .....................................177
veiligheidsgordels ................................178
vuil- en waterafstotende laag ...............177
wassen, auto ........................................176
Schuifdak ....................................................66
beveiliging tegen overbelasting .............67
zonnescherm .........................................67
Serviceprogramma ....................................184
Servicesleutel ............................................100
SIPS-airbags ...............................................21
Sleepoog ...................................................133
Slepen .......................................................132
Sleutel .......................................................101
afstandsbediening ................................100
Smeermiddelen, hoeveelheden ................247
Snelheidsaanduidingen, banden ...............152
Snelheidsmeter ...........................................43
Spiegel
achteruitkijk- ..........................................63
Spiegels
buiten- ....................................................65
Spin Control ..............................................125
Sproeier
achterklep ..............................................56
Sproeiers
258
voorruit en koplampen .......................... 55
SRS-systeem
algemene informatie .............................. 17
schakelaar ............................................. 20
Stabiliteitssysteem ................................... 125
indicatie ................................................. 46
Stadslichten vóór ........................................ 51
Standverwarming
accu en brandstof ................................. 76
algemene informatie .............................. 75
op een helling parkeren ......................... 75
tijd instellen ........................................... 75
Startblokkering ......................................... 117
Starthulp ................................................... 134
STC ........................................................... 125
Steenslagplekken en krassen ................... 179
Stoel
elektrisch bedienbaar ............................ 81
handmatig bedienbaar .......................... 80
Stuurbekrachtigingsvloeistof,
controleren en bijvullen ............................ 191
Stuurslot ................................................... 117
Stuurwiel
cruisecontrol .......................................... 57
stuurwielafstelling .................................. 58
toetsenset linkerzijde ............................. 57
Stuurwielafstelling ...................................... 60
Subwoofer ................................................ 219
Surround ................................................... 218
T
Tanken
bijvullen ................................................ 115
tankdop ................................................ 115
Tankinhoud ............................................... 248
Telefoon
bedieningstoetsen ............................... 231
geheugen ............................................. 234
gespreksvolume .................................. 234
handset ................................................ 233
laatst gekozen nummers ..................... 233
simkaart ....................................... 232, 235
sneltoetsen .......................................... 232
stand-by ............................................... 232
telefoonboek ........................................ 234
verkeersveiligheid ................................ 232
verkort kiezen ...................................... 233
Volumeverlaging tijdens gesprekken ... 232
Telefoonsysteem ....................................... 229
Temperatuur
interieur,
elektronische klimaatregeling ................ 74
werkelijke temperatuur .......................... 70
TMPS ........................................................ 162
Toerenteller ................................................. 43
Toetsenset op stuurwiel ............................ 214
Totaalgewicht ........................................... 243
Tractieregeling .......................................... 125
Traction Control ........................................ 125
Alfabetisch register
Trekhaak
algemene informatie ............................137
demonteren ..........................................142
monteren ..............................................139
specificaties .........................................138
Trekinrichting, zie Trekhaak ......................137
Typeaanduidingen .....................................242
Typegoedkeuring,
afstandsbedieningssysteem .....................253
U
Uitlaatgasreiniging ........................................7
foutmelding ............................................45
Uitstoot .....................................................248
kooldioxide ...........................................249
V
Veiligheid .....................................................12
Veiligheidsgordel .........................................12
achterbank .............................................13
zwangerschap ........................................13
Veiligheidsrek ..............................................94
Veiligheidssystemen, tabel ..........................27
Ventilator .....................................................74
Ventilator achter in passagiersruimte ..........74
Vergrendelen/ontgrendelen ......................104
achterklep ............................................104
van de binnenzijde ...............................104
van de buitenzijde ................................103
Verlichting
Active Bi-Xenon Lights ...........................52
automatische verlichting, dimlicht ......... 51
dimlicht .................................................. 51
Follow-Me-Home-verlichting ................. 53
gloeilampen vervangen,
algemene informatie ............................ 196
gloeilampen, specificaties ................... 252
groot licht/dimlicht ................................ 53
interieur ................................................. 82
koplamphoogteregeling ........................ 51
leeslampjes ............................................ 82
mistachterlicht ....................................... 52
mistlichten ............................................. 52
stads-/parkeerlichten vóór
en achterlichten ..................................... 51
verlichtingspaneel ................................. 51
verlichtingspaneel, interieur ................... 82
Verlichting, gloeilampen vervangen
dimlicht, halogeen ............................... 197
groot licht, Active Bi-Xenon ................. 198
groot licht, Bi-Xenon ........................... 197
groot licht, halogeen ............................ 197
instapverlichting .................................. 201
kentekenplaatverlichting ..................... 200
knipperlichten ...................................... 198
kofferbak ............................................. 201
make-upspiegel ................................... 201
mistachterlicht ..................................... 200
mistlampen vóór .................................. 199
parkeerlichten vóór .............................. 198
positie van gloeilampen
in koplamphuis .................................... 197
richtingaanwijzers ................................ 198
stadslichten ......................................... 198
voorzijde .............................................. 196
zijmarkeringslichten ............................. 198
Verschuifbare stoel ..................................... 89
Versnellingsbak
automatisch ......................................... 119
handgeschakeld .................................. 118
Verstralers ................................................... 49
Verzorging, leren bekleding ...................... 178
Vierwielaandrijving .................................... 122
Vlekken ..................................................... 177
Vloeistoffen en oliën
algemene informatie ............................ 185
controles motorruimte ......................... 188
Vloeistoffen, hoeveelheden ....................... 247
Vloermatten ................................................. 80
Vloervak bagageruimte ............................... 96
Voertuiggegevens ..................................... 184
Volumeregeling ......................................... 217
W
Waarschuwingslampje
stabiliteits- en tractieregelsysteem ...... 125
Waarschuwingslampje, airbagsysteem ...... 15
Waarschuwingsteksten ................................. 6
Wassen, auto ............................................ 176
Werking interieurventilator .......................... 70
Whiplash-letsel, WHIPS-systeem ............... 24
259
Alfabetisch register
WHIPS-systeem
en kinderzitjes ........................................24
whiplash-letsel .......................................24
Wielen, demonteren ..................................158
Winterbanden ............................................153
Wisser, bediening achterklep ......................56
Wisserbladen
vervangen achterklep ...........................192
vervangen, voorruit ..............................192
Z
Zekeringen
achter de geluidsisolatie ......................206
algemene informatie ............................202
kastje aan zijkant dashboard ...............205
relais- en zekeringenkastje
in motorruimte ......................................203
zijkant dashboard .................................205
Zij-airbags ...................................................21
Zonnescherm, schuifdak .............................67
Zuinig rijden ..............................................112
260
Alfabetisch register
261
Volvo. for life
Volvo Car Corporation TP 9064 (Dutch), AT 0648, Printed in Sweden, Göteborg 2006, Copyright © 2000-2006 Volvo Car Corporation
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising