Volvo | XC90 | Gebruikershandleiding | Volvo XC90 2018 Gebruikershandleiding

Volvo XC90 2018 Gebruikershandleiding
XC90
G EB RUIK E RSHA N DLE IDIN G
VÄLKOMMEN!
We hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het
ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Volvo streeft ernaar auto's te produceren die tot de veiligste ter
wereld behoren. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw Volvo te hebben, adviseren we u om de
instructies en de onderhoudsinformatie in deze gebruikershandleiding
door te nemen. De gebruikershandleiding is tevens beschikbaar als
mobiele app (Volvo Manual) en op de supportsite van Volvo Cars
(support.volvocars.com).
We adviseren bovendien iedereen om in deze auto en andere auto's de
veiligheidsgordel te dragen. Rijd niet wanneer u onder de invloed bent
van alcohol of medicijnen – of als u rijvermogen om wat voor reden dan
ook beperkt is.
INHOUD
INFORMATIE VOOR DE
EIGENAAR
UW VOLVO
30
Veiligheid
46
30
Veiligheid tijdens de zwangerschap
47
47
Bedieningsinformatie
18
Volvo ID aanmaken en registreren
Gebruikershandleiding op middendisplay
19
Drive-E - schoner rijplezier
32
Whiplash Protection System
Navigeren in de gebruikershandleiding op het middendisplay
21
IntelliSafe - rijhulp
35
Veiligheidsgordels
49
Gebruikershandleiding op mobiele
apparaten
23
Sensus - connectiviteit en entertainment
36
Veiligheidsgordel omdoen en losmaken
49
Software-updates
39
Gordelspanners
51
52
Supportsite van Volvo Cars
23
Vastlegging van gegevens
39
Elektrische gordelspanner resetten
Gebruikershandleiding doornemen
24
Servicevoorwaarden
40
Portier- en gordelwaarschuwing
53
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding
27
Privacybeleid voor klanten
40
Airbags
54
Belangrijke informatie over accessoires en extra uitrusting
41
Bestuurdersairbags
55
Installatie van accessoires
41
Passagiersairbag
56
Uitrusting aansluiten op de diagnoseaansluiting van de auto
42
Passagiersairbag* activeren en deactiveren
57
Voertuigidentificatienummer van
auto tonen
43
Zijairbags
59
Opblaasgordijnen
60
Safety Mode
61
Auto in Safety Mode starten en verplaatsen
62
Kinderveiligheid
63
Kinderzitje
63
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
64
Onderste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
65
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten
voor kinderzitjes
65
Afleiding van de bestuurder
2
VEILIGHEID
Volvo ID
43
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Positie van kinderzitje
66
Kinderzitje monteren
67
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die
de veiligheidsgordel in de auto gebruiken
70
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
72
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
73
Geïntegreerd kinderzitje*
76
Zitkussen van geïntegreerd kinderzitje* uitklappen
77
Zitkussen van geïntegreerd kinderzitje* inklappen
77
Instrumenten en bediening bij een
auto met het stuur links
80
Opgeslagen bestuurdersdisplaymeldingen hanteren
108
Instrumenten en bediening bij een
auto met het stuur rechts
81
Overzicht van het middendisplay
110
Bestuurdersdisplay
84
Middendisplay hanteren
113
Instellingen voor bestuurdersdisplay
88
Middendisplay activeren en deactiveren
116
Brandstofmeter
89
Navigeren in schermen op het middendisplay
116
Boordcomputer
89
91
Deelschermen op middendisplay
hanteren
120
Rijstatistieken tonen op het bestuurdersdisplay
Functiescherm op het middendisplay
123
Dagteller resetten
92
125
Verbruiksinfo weergeven op het middendisplay
92
Apps en knoppen op middendisplay
verplaatsen
93
Symbolen op de statusbalk van het
middendisplay
125
Instellingen voor verbruiksinfo
Tijd en datum
94
Toetsenbord op middendisplay
127
Buitentemperatuurmeter
94
Taal wijzigen voor toetsenbord van
middendisplay
131
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
95
Waarschuwingssymbolen op
bestuurdersdisplay
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay
131
97
Opzet van middendisplay aanpassen
Licentieovereenkomst voor bestuurdersdisplay
133
98
Volume van systeemgeluid uitschakelen of aanpassen op middendisplay
133
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
104
Systeemeenheden wijzigen
Appmenu op bestuurdersdisplay
hanteren
134
105
Systeemtaal wijzigen
134
Melding op bestuurdersdisplay
106
Instellingen openen op middendisplay
134
Melding op bestuurdersdisplay hanteren
107
Contextuele instellingen openen op
het middendisplay
135
Instellingen wijzigen op middendisplay
136
3
VERLICHTING
4
Gebruikersgegevens resetten bij
doorverkoop
136
Verlichtingsbediening
154
RUITEN, GLASWERK EN
SPIEGELS
155
170
137
Verlichtingsfuncties aanpassen via
het middendisplay
Ruiten, glazen daken en spiegels
Instellingen resetten op middendisplay
Instellingstypes op middendisplay
Koplamphoogte aanpassen
170
137
156
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen
Tabel met instellingen op middendisplay
138
Stadslichten voor/achterlichten
157
171
Bestuurdersprofielen
139
Dagrijlicht
157
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
Bestuurdersprofiel kiezen
140
Dimlicht
158
Elektrisch bedienbare ruiten
171
Naam van bestuurdersprofiel wijzigen
141
Groot licht gebruiken
159
Elektrisch bedienbare ruiten
172
Instellingen resetten in bestuurdersprofielen
141
Automatisch groot licht
159
Zonnescherm gebruiken*
173
Richtingaanwijzers gebruiken
161
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
174
Actieve bochtverlichting*
162
Dimfunctie van spiegels aanpassen
174
Buitenspiegels kantelen
175
Transpondersleutel koppelen aan
bestuurdersprofiel
142
Melding op het middendisplay
143
Mistlampen voor/bochtverlichting*
162
Meldingen op middendisplay hanteren
144
Mistachterlicht
163
Opgeslagen middendisplaymeldingen hanteren
144
Remlichten
164
Noodremlichten
Head-updisplay*
145
Panoramadak*
177
Panoramadak* bedienen
178
164
Automatische sluiting van zonnescherm van panoramadak*
180
Alarmlichten
164
Ruitenwissers gebruiken
Head-updisplay* activeren en deactiveren 147
181
Follow Me Home-verlichting gebruiken
165
Instellingen voor head-updisplay*
182
147
Approach-verlichting
165
Verwarmde sproeikoppen voor de
ruitenwissers*
Stembediening
148
Interieurverlichting
166
Regensensor gebruiken
182
Stembediening gebruiken
149
Interieurverlichting aanpassen
168
183
Stembediening telefoon
150
Geheugenfunctie van regensensor
gebruiken
Stembediening radio en media
151
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
184
Instellingen voor stembediening
151
Achterruitwisser en -sproeier
185
Automatische activering achterruitwisser bij achteruitrijden
186
STOELEN EN STUURWIEL
KLIMAAT
Handmatig bediende voorstoel
188
Stuurslotfout
203
Klimaatregeling
206
Elektrisch bedienbare voorstoel*
189
Stuurwiel instellen
204
Klimaatzones
206
Klimaatsensoren
207
Gevoelstemperatuur
207
Stembediening klimaat
208
Luchtkwaliteit
209
Clean Zone*
209
Clean Zone Interior Package*
210
Interior Air Quality System*
210
Luchtkwaliteitssensor* activeren en
deactiveren
211
Elektrisch bedienbare voorstoel* verstellen
189
Geheugenfunctie instellen voor elektrisch bedienbare voorstoel*
190
Geheugenfunctie van elektrisch
bedienbare stoel gebruiken
191
Instellingen voor massagefunctie van
voorstoel*
192
Instellingen voor massagefunctie*
voorstoel aanpassen
193
Verlengbaar zitkussen van voorstoel
verstellen
193
Interieurfilter
211
Zijsteunen* voorstoel instellen
194
Luchtverdeling
212
195
Luchtverdeling aanpassen
212
Passagiersstoel verstellen vanaf
bestuurdersstoel*
195
Blaasmonden openen, sluiten en richten
213
Tabel met luchtverdelingsstanden
214
Rugleuning tweede zitrij omklappen
196
Klimaatregelingsbediening
217
Hoofdsteun tweede zitrij verstellen
198
220
Achterbank tweede zitrij naar voren/
achteren*
200
Elektrische voorstoelverwarming*
activeren en deactiveren
200
Automatische inschakeling van elektrische stoelverwarming voorin* activeren en deactiveren
220
Hellingshoek ruggedeelte tweede
zitrij aanpassen
In- en uitstappen derde zitrij*
201
221
Ruggedeelte derde zitrij omklappen*
202
Elektrische stoelverwarming achter*
activeren en deactiveren
Bedieningselementen op stuurwiel
en claxon
203
Stoelventilatie voor* activeren en
deactiveren
222
Lendensteun* voorstoel instellen
5
Elektrische stuurverwarming* activeren en deactiveren
223
Klimaat derde zitrij* activeren en
deactiveren
234
Automatische inschakeling van elektrische stuurverwarming* activeren
en deactiveren
223
Automatische inschakeling van klimaatregeling derde zitrij* activeren
en deactiveren
235
Vergrendelingsindicatie
248
Instelling voor vergrendelingsbevestiging
249
een transpondersleutel
249
Vergrendelen en ontgrendelen met
transpondersleutel
251
Automatische klimaatregeling activeren
224
Parkeerklimaat*
235
Luchtrecirculatie activeren en deactiveren
224
Preconditioning*
236
225
Preconditioning* inschakelen/
uitschakelen
236
Instellingen voor ontgrendeling op
afstand en van de binnenzijde
253
Timerinstelling voor luchtrecirculatie
activeren en deactiveren
225
Timerinstelling voor preconditioning*
237
Achterklep ontgrendelen met transpondersleutel
253
Maximale ontwaseming activeren en
deactiveren
Timerinstelling voor preconditioning*
toevoegen en bewerken
238
Bereik transpondersleutel
254
Timerinstelling voor preconditioning*
activeren en deactiveren
239
Batterij in transpondersleutel vervangen
255
Meer transpondersleutels nabestellen
258
259
Elektrische voorruitverwarming* activeren en deactiveren
227
Automatische inschakeling van elektrische voorruitverwarming* activeren
en deactiveren
228
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren
Timerinstelling voor preconditioning*
verwijderen
240
Red Key - transpondersleutel met
beperkte functionaliteit*
228
Klimaatcomfort bij parkeren*
240
Instellingen voor Red Key*
259
229
241
260
Automatische inschakeling van elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren
Klimaatcomfort tijdens het parkeren*
inschakelen en uitschakelen
Afneembaar sleutelblad
262
242
Ventilatorstand voorin regelen
229
Symbolen en meldingen voor parkeerklimaat*
Vergrendelen en ontgrendelen met
afneembaar sleutelblad
Elektronische startblokkering
264
Ventilatorstand achterin* regelen
230
Verwarming*
243
265
Temperatuur voorin regelen
231
Standverwarming*
244
Typegoedkeuring voor transpondersleutels
232
Extra verwarming*
245
Temperatuur synchroniseren
233
Automatische inschakeling van extra
verwarming activeren en deactiveren
Keyless vergrendeling/ontgrendeling
en aanraakgevoelige gebieden*
274
Temperatuur achterin* regelen
246
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
275
Airconditioning activeren en deactiveren
6
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN
EN ALARM
234
Instellingen voor passieve ontgrendeling*
276
Achterklep passief ontgrendelen*
276
Locatie antennes voor start- en vergrendelingssysteem
277
Vergrendelen en ontgrendelen van
de binnenzijde van de auto
278
Achterklep ontgrendelen vanaf de
binnenzijde
280
Kinderslot activeren en deactiveren
280
Automatische vergrendeling bij het
wegrijden
282
Elektrisch bedienbare achterklep*
openen en sluiten
282
BESTUURDERSONDERSTEUNIN
G
Rijhulpsystemen
296
Snelheidsafhankelijke stuurkracht
296
Stabiliteitsregeling Roll Stability Control
elektronische stabiliteitsregeling
297
298
Beperkingen van de automatische
snelheidsbegrenzer
309
Cruisecontrol
310
Cruisecontrol activeren en starten
311
Snelheidsfuncties voor cruisecontrol
312
313
Sportstand bij elektronische stabiliteitsregeling
299
Snelheidsbegrenzer deactiveren en
stand-by zetten
Sportstand van elektronische stabiliteitsregeling activeren/deactiveren
300
Cruisecontrol heractiveren vanuit de
stand-bystand
314
Beperking van Sportstand van elektronische stabiliteitsregeling
300
Cruisecontrol uitschakelen
315
Afstandswaarschuwing*
315
Symbolen en meldingen voor elektronische stabiliteitsregeling
301
Head-updisplay voor afstandswaarschuwing
317
Snelheidsbegrenzer
302
303
Afstandswaarschuwing activeren/
deactiveren
317
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
Snelheidsfuncties voor snelheidsbegrenzer
303
Tijdsverschil instellen voor afstandswaarschuwing
318
Snelheidsbegrenzer deactiveren en
stand-by zetten
304
Beperkingen van afstandswaarschuwing
319
Adaptieve cruisecontrol*
320
305
Adaptieve cruisecontrol en waarschuwing bij een dreigende botsing
323
Head-updisplay voor adaptieve
cruisecontrol bij gevaar voor botsingen
323
Adaptieve cruisecontrol activeren en
starten
324
Snelheidsfuncties voor adaptieve
cruisecontrol
325
Maximale openingshoek voor elektrische achterklepbediening* programmeren
285
Achterklep openen en sluiten met
een schopbeweging*
286
Privacy locking
288
Privacy locking activeren en deactiveren
288
Alarm*
289
Alarm* activeren en deactiveren
291
Verlaagde guard*
292
Snelheidsbegrenzer heractiveren
vanuit de stand-bystand
Safelock-functie*
293
Snelheidsbegrenzer uitschakelen
305
Safelock-functie* tijdelijk deactiveren
293
Beperkingen van de snelheidsbegrenzer
306
Detectie van onbekende autocomponenten*
294
Automatische snelheidsbegrenzer
306
Automatische snelheidsbegrenzer
activeren/deactiveren
308
Tolerantie voor de automatische
snelheidsbegrenzer wijzigen
309
7
Tijdsverschil instellen voor adaptieve
cruisecontrol
326
Adaptieve cruisecontrol deactiveren/
heractiveren
327
Inhaalassistent met adaptieve cruisecontrol
329
Inhaalassistent van adaptieve cruisecontrol starten
329
Beperkingen van de inhaalassistent
bij adaptieve cruisecontrol
330
Van doelvoertuig veranderen bij
adaptieve cruisecontrol
330
346
Inhaalassistent van Pilot Assist starten
346
Beperkingen van de inhaalassistent
van Pilot Assist
347
Van doelvoertuig veranderen bij Pilot
Assist
347
Automatische remfunctie van Pilot Assist
348
Beperkingen van Pilot Assist
348
Symbolen en meldingen voor
Pilot Assist*
350
Radarsensor
City Safety bij ontoereikende uitwijkmanoeuvre
373
Beperkingen van City Safety
374
Meldingen voor City Safety
377
Rear Collision Warning
378
Beperkingen van Rear Collision Warning
378
BLIS*
379
Activeren/deactiveren BLIS
380
Beperkingen van BLIS
381
Aanbevolen onderhoud van BLIS
381
353
Meldingen voor BLIS
383
Cross Traffic Alert*
384
Activeren/deactiveren Cross Traffic Alert
385
351
Automatische remfunctie van adaptieve cruisecontrol
331
Beperkingen van adaptieve cruisecontrol
332
Aanbevolen onderhoud van de radarsensor
356
Wisselen tussen cruisecontrol en
adaptieve cruisecontrol
332
Typegoedkeuring voor radarsensor
357
Beperkingen van Cross Traffic Alert
385
Camera
361
386
Beperkingen van de camera
362
Onderhoudsadvies voor Cross Traffic
Alert
Beperkingen van de radarsensor
Symbolen en meldingen voor adaptieve cruisecontrol
334
Pilot Assist
336
Aanbevolen onderhoud van de camera
365
Meldingen voor Cross Traffic Alert
387
Pilot Assist en waarschuwing bij
dreigende aanrijding
340
City Safety™
365
Verkeersbordinformatie*
388
340
Parameters en deelfuncties van City
Safety
366
389
Head-updisplay voor Pilot Assist bij
dreigende botsing
Verkeersbordinformatie activeren/
deactiveren
341
Waarschuwingsafstand instellen voor
City Safety
368
Verkeersbordinformatie en bordweergave 389
Pilot Assist activeren en starten
342
Obstakeldetectie met City Safety
369
Verkeersbordinformatie en Sensus
Navigation
391
Snelheidsfuncties voor Pilot Assist
Tijdsverschil instellen voor Pilot Assist
343
City Safety bij kruisend verkeer
372
344
372
Verkeersbordinformatie met snelheidswaarschuwing en instellingen
391
Beperkingen van City Safety bij kruisend verkeer
Pilot Assist deactiveren/heractiveren
8
Inhaalassistent met Pilot Assist
Snelheidswaarschuwing van verkeersbordinformatie activeren/deactiveren
392
Informatie op verkeersbord met
informatie over flitspalen
Beperkingen van Verkeersbordinformatie
Driver Alert Control
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken activeren/deactiveren
406
Hulplijnen voor parkeerhulpcamera
421
406
423
393
Beperkingen van de stuurhulp bij
dreigende bermongelukken
Sensorveld van parkeerhulp voor parkeerhulpcamera
407
Parkeerhulpcamera starten
423
393
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
Beperkingen van parkeerhulpcamera
424
425
394
Driver Alert Control activeren/deactiveren 395
Begeleiding naar parkeerplaats kiezen bij waarschuwing van Driver Alert
Control
Beperkingen van Driver Alert Control
Rijbaanassistent
Stuurhulp bij rijbaanassistent
396
396
396
398
Stuurhulp bij dreigende botsing met
tegenliggers activeren/deactiveren
408
Aanbevolen onderhoud van de parkeerhulpcamera
Beperkingen van de stuurhulp bij
dreigende tegenliggerbotsing
408
Symbolen en meldingen voor de parkeerhulpcamera
426
Stuurhulp bij dreigende staartbotsing*
409
Actieve parkeerhulp*
427
Stuurhulp bij dreigende staartbotsing
activeren/deactiveren*
410
Parkeervarianten bij actieve parkeerhulp
427
Inparkeren met actieve parkeerhulp
428
Beperkingen van de stuurhulp bij
dreigende staartbotsing
410
Uitparkeren met actieve parkeerhulp
431
Symbolen en meldingen voor de
stuurhulp bij een dreigende botsing
412
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp*
432
Parkeerhulp*
413
Aanbevolen onderhoud van de
actieve parkeerhulp
434
Parkeerhulp aan voorzijde, achterzijde en zijkanten
414
Meldingen voor Actieve parkeerhulp*
435
Rijbaanassistent activeren/deactiveren
399
Assistentie-opties voor rijbaanassistent kiezen
399
Beperkingen van rijbaanassistent
399
Symbolen en meldingen voor rijbaanassistent
401
Symbolen op het bestuurdersdisplay
voor de rijbaanassistent
Parkeerhulp activeren/deactiveren
403
415
Beperkingen van parkeerhulp
415
Stuurhulp bij botsgevaar
404
416
Stuurhulp bij dreigende botsing activeren/deactiveren
Aanbevolen onderhoud van de parkeerhulp
404
Symbolen en meldingen voor parkeerhulp 417
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
405
Niveau van stuurhulp bij dreigende
bermongelukken
405
Parkeerhulpcamera*
418
Camera-aanzichten van de parkeerhulpcamera's
419
9
STARTEN EN RIJDEN
10
Motor starten
438
Versnellingsbak
452
Auto afzetten
439
453
Contactslotstanden
440
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak
Contactslotstand kiezen
441
Alcoholslot*
442
Alcoholslot* omzeilen
Afdalingsremregeling* activeren en
deactiveren met functieknop
474
Zuinig rijden
474
475
Schakelen met stuurpaddles*
454
Voorbereidingen voor een lange rit
Keuzehendelblokkering
456
Rijden tijdens de winter
476
442
Automatische schakelblokkering
opheffen
456
Doorwaaddiepte
477
Alvorens een motor met alcoholslot
te starten
443
Kickdownfunctie
457
Tankvulklep openen en sluiten
477
443
457
478
Remsystemen
Schakelindicator*
Brandstof tanken
444
458
479
Rempedaal
Vierwielaandrijving*
Hanteren van brandstof
445
458
479
Remversterker
Rijmodi*
Benzine
Benzineroetfilter
Rijmodus* wijzigen
461
480
Dieselolie
Rijmodus ECO
481
461
Wanneer u de tank leegrijdt van een
dieselmodel
482
Remmen op natte rijbanen
445
Remmen op gepekelde rijbanen
446
Onderhoud van het remsysteem
446
463
Parkeerrem
Rijmodus ECO activeren en deactiveren met functieknop
446
Roetfilter
483
Parkeerrem activeren en deactiveren
Start/Stop-systeem
447
464
Uitlaatgasreiniging met AdBlue®
Instelling voor automatische activering van de parkeerrem
Rijden met Start/Stop-systeem
483
448
464
Start/Stop-systeem tijdelijk uitschakelen
AdBlue® hanteren
484
465
466
485
449
Symbolen en meldingen voor AdBlue®
487
Bij een storing in de parkeerrem
Voorwaarden voor het Start/Stopsysteem
AdBlue® controleren en bijvullen
Op een helling parkeren
449
450
468
489
Automatische rem bij stilstand
Niveauregeling* en schokdemping
Oververhitting van motor en aandrijving
450
471
490
Automatische rem bij stilstand activeren en deactiveren
Instellingen voor niveauregeling*
Overbelasting van de startaccu
Lagesnelheidsregeling*
471
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
451
472
Automatisch remmen na een aanrijding
451
Lagesnelheidsregeling* activeren en
deactiveren met functieknop
Afdalingsremregeling*
473
Starthulp met andere accu
490
Trekhaak*
492
Specificaties van de trekhaak*
492
In- en uitklapbare trekhaak*
493
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Rijden met aanhangwagen
495
Audio, media en internet
510
DivX® weergeven
Aanhangwagenstabilisering*
497
Audio-instellingen
510
Instellingen voor video
527
Aanhangwagenverlichting controleren
498
Apps
512
Media via Bluetooth®
527
526
Op trekhaak gemonteerde fietsdrager*
499
Apps downloaden
513
Eenheid aansluiten via Bluetooth®
527
Slepen
500
Apps bijwerken
513
Media AUX/USB-poort
528
Sleepoog monteren en demonteren
501
Apps verwijderen
514
Eenheid aansluiten via USB-poort
528
Bergen
503
Radio
514
TV*
529
HomeLink®*
503
Radio starten
515
Tv* gebruiken
504
Van radioband en radiozender wisselen
529
HomeLink®* programmeren
516
530
HomeLink gebruiken
506
Radiokanaal zoeken
Instellingen voor tv*
516
507
517
530
Typegoedkeuring voor HomeLink®*
Radiofavorieten instellen
Apple® CarPlay®*
Instellingen voor radio
518
Kompas
507
Kompas activeren en deactiveren
507
Kompas kalibreren
508
Apple® CarPlay®* gebruiken
531
Instellingen voor Apple® CarPlay®*
532
RDS-radio
519
Digitale radio*
520
Tips voor het gebruik van Apple®
CarPlay®*
533
Schakelen tussen de radiobanden
FM en digitale radio*
521
Android Auto*
533
Mediaspeler
521
Media afspelen
522
Media regelen en van media wisselen
523
Media zoeken
524
Gracenote®
525
Cd-speler*
525
Video
526
Video afspelen
526
Android Auto* gebruiken
534
Instellingen voor Android Auto*
535
Tips voor het gebruik van Android Auto*
536
Telefoon
536
Telefoon eerste keer verbinden met
de auto via Bluetooth
537
Telefoon automatisch verbinden met
de auto via Bluetooth
539
Telefoon handmatig verbinden met
de auto via Bluetooth
539
11
WIELEN EN BANDEN
12
Telefoon met Bluetooth-verbinding
loskoppelen
540
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling
552
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding kiezen
Banden
566
Maataanduiding voor banden
540
Gegevensuitwisseling activeren en
deactiveren
552
568
Maataanduiding voor wielen
Telefoon met Bluetooth-verbinding
verwijderen
541
Compatibele formaten voor media
569
De draairichting van de banden.
569
554
Slijtage-indicator van banden
Telefoonfuncties
541
Technische specificaties voor USBeenheden
570
Bandenspanning controleren
Berichtfuncties
542
570
Vrije geheugenruimte op harde schijf
554
Bandenspanning aanpassen
Instellingen voor tekstbericht
543
571
Licentieovereenkomst voor audio en
media
555
Aanbevolen bandenspanning
Telefoonboekfuncties
544
572
Bandenspanningscontrolesysteem*
Instellingen voor telefoon
544
573
Bandenspanningscontrolesysteem
kalibreren*
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
545
574
Auto met actieve internetverbinding*
545
Bandenspanningsstatus op het middendisplay* bekijken
Internetverbinding voor de auto
maken via een mobiel apparaat
(Bluetooth)
576
547
Maatregel bij een waarschuwing voor
een lage bandenspanning
577
Internetverbinding voor de auto
maken via een mobiel apparaat (Wi-Fi)
547
Bij het verwisselen van wielen
578
Gereedschapsset
Internetverbinding voor de auto
maken via automodem (simkaart)
548
578
Krik*
579
Wielbouten
Instellingen voor automodem
549
579
Wielen demonteren
Internetverbinding van auto delen via
Wi-Fi-hotspot
550
580
Wiel monteren
Geen internetverbinding of een
slechte verbinding
582
551
Wi-Fi-netwerk verwijderen
551
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi
552
553
Reservewiel*
583
Reservewiel tevoorschijn halen
585
Winterwielen
585
Sneeuwkettingen
586
Noodreparatieset voor banden
587
Noodreparatieset voor banden gebruiken
588
Band oppompen met compressor uit
reparatieset voor banden
591
LAADMOGELIJKHEDEN,
OPBERGMOGELIJKHEDEN EN
INTERIEUR
ONDERHOUD EN SERVICE
Serviceprogramma van Volvo
614
614
Auto-interieur
594
Gegevensoverdracht tussen auto en
werkplaats via wifi
Tunnelconsole
595
Download Center
615
Stroomaansluitingen
596
615
Elektrische aansluitingen gebruiken
598
Systeemupdates hanteren via Download Center
Dashboardkastje gebruiken
600
Autostatus
616
Zonnekleppen
601
Afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie
616
Bagageruimte
601
Autogegevens naar de werkplaats sturen
618
Adviezen voor het vervoer van bagage
601
Auto opnemen
619
Lading vervoeren op het dak en op
lastdragers
603
Motorkap openen en sluiten
621
Draagtashouders
603
Onderhoud aan klimaatregeling
622
Verankeringsogen
604
Head-updisplay bij vervanging van de
voorruit*
623
Bagagerolhoes* monteren en
demonteren
605
Overzicht motorruimte
623
Bagagerolhoes hanteren*
605
Motorolie
624
Veiligheidsrek* monteren en demonteren
608
Motorolie controleren en bijvullen
625
Bagagenet monteren en demonteren*
609
Koelvloeistof bijvullen
626
EHBO-set
611
Lampen vervangen
627
Gevarendriehoek
612
Kunststof afdekking losnemen bij
vervangen lamp
628
Langwerpige afdekking van lamphuis
losnemen
629
Positie buitenverlichting
630
Dimlichtlamp vervangen
630
13
SPECIFICATIES
14
Grootlichtlamp vervangen
631
Poetsen en in de was zetten
656
Typeaanduidingen
670
Dagrijlichtlamp/stadslichtlamp vóór
vervangen
632
Met de hand wassen
657
Maten
673
Richtingaanwijzerlamp voor vervangen
633
Automatische wasstraat
658
Gewichten
675
Lampspecificaties
633
Hogedrukreinigers
659
Trekgewichten en kogeldruk
676
Startaccu
634
Wisserbladen reinigen
660
Motorspecificaties
678
Hulpaccu
637
Kunststof en rubber sieronderdelen
exterieur reinigen
660
Specificaties van de motorolie
679
Symbolen op de accu's
638
Velgen reinigen
661
Ongunstige rijomstandigheden voor
motorolie
681
Zekeringen en relais- en zekeringhouders
639
Roestwering
662
Specificaties van de koelvloeistof
682
Zekering vervangen
640
Autolak
662
Specificaties van de versnellingsbakolie
682
Zekeringen in motorruimte
641
Geringe lakschade herstellen
663
Specificaties van de remvloeistof
682
Zekeringen onder dashboardkastje
644
Kleurcodes
664
Brandstoftank - inhoud
683
Zekeringen in bagageruimte
647
Interieur reinigen
651
Middendisplay reinigen
651
Head-updisplay* reinigen
652
Textielbekleding en hemelbekleding
reinigen
AdBlue®
Wisserbladen achterruit vervangen
664
Bij te vullen hoeveelheid
Wisserblad voorruit vervangen
665
Specificaties van de airconditioning
683
Wisserbladen in servicestand
666
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
686
Vulopening voor sproeiervloeistof
667
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
688
653
Minimaal toelaatbare lastindex en
snelheidsklassen voor banden
689
Veiligheidsgordels reinigen
653
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
690
Vloermatten en inlegmatten reinigen
653
Leren bekleding reinigen
654
Leren stuurwiel reinigen
655
Interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout reinigen
655
Exterieur reinigen
656
683
ALFABETISCH REGISTER
Alfabetisch register
691
15
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Bedieningsinformatie
Beeldscherm van de auto1
Supportsite van Volvo Cars
Gebruikersinformatie is beschikbaar in verschillende productformaten, zowel digitaal als in
drukvorm. De gebruikershandleiding is te raadplegen via het middendisplay van de auto, via de
mobiele app en op de supportsite van Volvo
Cars. In het dashboardkastje ligt een Quick
Guide en een supplement bij de gebruikershandleiding met onder meer informatie over
zekeringen en specificaties. U kunt een gebruikershandleiding in drukvorm bestellen.
Open op het middendisplay het
hoofdscherm en druk op
Handleiding. Hier hebt u de
mogelijkheid tot visuele navigatie aan de hand van afbeeldingen van het auto-exterieur en interieur. De informatie is doorzoekbaar en ook beschikbaar in een indeling in
categorieën.
Bezoek support.volvocars.com
en kies uw land. Hier vindt u
gebruikershandleidingen online
en in PDF-formaat. Op de supportsite van Volvo Cars vindt u
tevens instructievideo's en
meer informatie over het
gebruik en het bezit van uw Volvo. De site is
beschikbaar voor de meeste markten.
Mobiele app
Informatie in drukvorm
Zoek op App Store of Google
Play naar "Volvo Manual",
download de app naar uw
smartphone of tablet en kies
uw model. De app bevat
instructievideo's en biedt de
mogelijkheid tot visuele navigatie aan de hand van afbeeldingen van het autoexterieur en -interieur. De navigatie tussen de
verschillende artikelen van de gebruikershandleiding verloopt eenvoudig en de inhoud is doorzoekbaar.
1 Op
18
markten zonder gebruikershandleiding op het middendisplay wordt een volledige gebruikershandleiding in drukvorm verstrekt.
In het dashboardkastje ligt een
supplement bij de gebruikershandleiding1 met informatie
over zekeringen en specificaties plus een overzicht van
belangrijke en nuttige informatie.
Ook in drukvorm beschikbaar is een Quick Guide
met beknopte informatie over de meeste
gebruikte autofuncties om aan de slag te kunnen.
Afhankelijk van het gekozen uitrustingsniveau, de
markt en dergelijke liggen er aanvullende documenten met gebruikersinformatie in drukvorm in
de auto.
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Het is mogelijk een gedrukt exemplaar van de
gebruikershandleiding en het bijbehorende supplement te bestellen. Neem voor bestelling contact op met een Volvo-dealer.
BELANGRIJK
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat
u de auto op veilig wijze bestuurt en dat u de
geldende wetgeving en voorschriften in acht
neemt. Het is ook belangrijk dat u de auto
volgens Volvo's adviezen in de gebruikershandleiding onderhoudt en bedient.
Bij afwijkingen in de informatie op het middendisplay en in de gedrukte informatie, geldt
altijd de informatie in drukvorm.
•
•
Supportsite van Volvo Cars (p. 23)
Gebruikershandleiding doornemen (p. 24)
Gebruikershandleiding op
middendisplay
Via het middendisplay van de auto kunt u de
gebruikershandleiding in digitale2 vorm raadplegen.
De digitale gebruikershandleiding is te raadplegen via het hoofdscherm en in bepaalde gevallen
is ook de contextuele gebruikershandleiding te
raadplegen via het hoofdscherm.
N.B.
De digitale gebruikershandleiding is tijdens
het rijden niet beschikbaar.
N.B.
Wanneer u de taal in het middendisplay verandert, kan dat betekenen dat bepaalde informatie voor de eigenaar niet overeenkomt met
landelijke of plaatselijke wet- en regelgeving.
Kies geen taal die moeilijk is te begrijpen. Dat
maakt het wellicht lastig om de structuur in
het scherm terug te vinden.
Gerelateerde informatie
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 19)
•
Gebruikershandleiding op mobiele apparaten
(p. 23)
}}
19
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
||
Gebruikershandleiding
Contextuele gebruikershandleiding
De gebruikershandleiding is vanuit het hoofdscherm te
openen.
De contextuele gebruikershandleiding is vanuit het
hoofdscherm te openen.
Om de gebruikershandleiding te openen - sleep
het hoofdscherm op het middendisplay omlaag
en tik op Handleiding.
Wanneer een contextuele gebruikershandleiding
beschikbaar is, verschijnt deze rechts van
Handleiding in het hoofdscherm.
De informatie in de gebruikershandleiding is
rechtstreeks te raadplegen via de startpagina van
de gebruikershandleiding of via het hoofdmenu.
Tik eenmaal op de contextuele gebruikershandleiding om het artikel van de gebruikershandleiding te openen dat verband houdt met de
getoonde inhoud op het display. Tik bijv. op
Handleiding Navigatie om een artikel te openen dat verband houdt met de navigatie.
Dit geldt alleen voor bepaalde apps in de auto.
Voor gedownloade apps van derden zijn bijv.
geen appspecifieke artikelen te openen.
2
20
Geldt voor de meeste markten.
Gerelateerde informatie
•
Navigeren in de gebruikershandleiding op
het middendisplay (p. 21)
•
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 116)
•
Apps downloaden (p. 513)
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Navigeren in de
gebruikershandleiding op het
middendisplay
De digitale gebruikershandleiding is te bereiken
via het hoofdscherm van het middendisplay in de
auto. De informatie is doorzoekbaar en de navigatie tussen de verschillende artikelen verloopt
eenvoudig.
Menu openen op het hoofdmenu
Quick Guide
–
Tik op het symbool om een
pagina te openen met koppelingen naar enkele artikelen die
u vooral moet doornemen om
kennis te maken met de meest
gebruikelijke autofuncties. De
artikelen zijn ook via categorieën bereikbaar, maar staan hier om er snel bij te
kunnen. Druk op een artikel om het in zijn geheel
te lezen.
Tik op
in de bovenste lijst in de gebruikershandleiding.
> Er wordt een menu geopend met verschillende opties om informatie te vinden:
Startpagina
Druk op het symbool om terug
te gaan naar de startpagina van
de gebruikershandleiding.
Categorieën
De gebruikershandleiding is vanuit het hoofdscherm te
openen.
–
Om de gebruikershandleiding te openen sleep het hoofdscherm op het middendisplay
omlaag en tik op Handleiding.
U kunt op verschillende manieren informatie vinden in de gebruikershandleiding. De menu-opties
zijn te bereiken via de startpagina van de gebruikershandleiding en via het hoofdmenu.
De artikelen van de gebruikershandleiding zijn geordend naar
hoofdcategorieën en subcategorieën. Hetzelfde artikel kan in
meerdere categorieën voorkomen zodat het gemakkelijker is
te vinden.
1.
Druk op Categorieën.
> De hoofdcategorieën staan in een lijst.
2.
Druk op een hoofdcategorie ( ).
> Er verschijnt een lijst met subcategorieën
( ) en artikelen ( ).
3.
Druk op een artikel om dit te openen.
Druk op de pijl-links om een stap terug te doen.
}}
21
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
||
Hotspots voor exterieur en interieur
Overzichtsbeelden (exterieur en
interieur) van de auto. Diverse
delen zijn voorzien van hotspots
waarmee u naar artikelen over
het desbetreffende deel van de
auto gaat.
Favorieten
Tik op het symbool om de artikelen te openen die als favorieten zijn opgeslagen. Druk op
een artikel om het in zijn
geheel te lezen.
Artikelen als favoriet opslaan of verwijderen
Sla een artikel op als favoriet door in een
geheel rechtsboven te
geopend artikel op
drukken. De ster wordt gevuld wanneer een artikel is opgeslagen als favoriet:
.
1.
Druk op Exterieur of Interieur.
> Er verschijnen afbeeldingen van exterieur
of interieur met hotspots. De hotspots leiden naar artikelen over het desbetreffende deel van de auto. Veeg horizontaal
over het scherm om van de ene naar de
andere afbeelding te navigeren.
2.
Druk op een hotspot.
> De titel van een artikel op dit terrein verschijnt.
3.
Druk op de titel om het artikel te openen.
Druk op de pijl-links om een stap terug te doen.
22
Om een artikel te verwijderen uit de favoriete artikelen, kunt u vanuit het geopende artikel
opnieuw op de ster drukken.
Video
Tik op het symbool om naar de
pagina te gaan met korte
instructievideo's voor verschillende autofuncties.
Informatie
Druk op het symbool voor informatie over de versie van de
gebruikershandleiding in de
auto en andere praktische
informatie.
Zoekfunctie gebruiken op het
hoofdmenu
1.
op het hoofdmenu van de
Druk op
gebruikershandleiding. Onder aan het
scherm verschijnt een toetsenbord.
2.
Voer een zoekterm in, bijv. "veiligheidsgordel".
> Er verschijnen suggesties voor artikelen
en categorieën naarmate u letters invoert.
3.
Druk op het artikel dat of de categorie om
het of deze te openen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 19)
Toetsenbord op middendisplay (p. 127)
Gebruikershandleiding doornemen (p. 24)
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Gebruikershandleiding op mobiele
apparaten
De gebruikershandleiding is beschikbaar als
mobiele app3 en is verkrijgbaar via zowel App
Store als Google Play. De app is aangepast
voor zowel smartphones als tablets.
desbetreffende gebieden. De navigatie tussen de
verschillende artikelen van de gebruikershandleiding verloopt eenvoudig en de inhoud is doorzoekbaar.
Supportsite van Volvo Cars
Op de web- en supportsite van Volvo Cars staat
meer informatie over uw auto.
Support op internet
Ga naar support.volvocars.com om deze pagina te
bezoeken. De supportpagina is beschikbaar voor
de meeste markten.
Hier vindt u support voor zaken die bijv. te maken
hebben met online diensten en functies, Volvo
On Call*, het navigatiesysteem* en apps. Video's
en stapsgewijze instructies verklaren verschillende procedures, bijv. hoe de auto via een mobiele telefoon te verbonden is met internet.
Te downloaden informatie
Kaarten
Voor auto's met Sensus Navigation zijn via de
supportsite kaarten te downloaden.
De gebruikershandleiding is als
mobiele app te downloaden via
App Store of Google Play. De
QR-code hiernaast leidt rechtstreeks naar de app. Of zoek
anders naar "Volvo manual" in
App Store of Google Play.
De app bevat video's alsook afbeeldingen van
exterieur en interieur waarop verschillende delen
van de auto staan aangegeven met zogenoemde
hotspots, die verder leiden naar artikelen over de
3
De mobiele app is verkrijgbaar via zowel App Store als
Google Play.
Gebruikershandleidingen in pdf-vorm
Er zijn gebruikershandleidingen in pdf-formaat te
downloaden. Download de gewenste gebruikershandleiding door een model en modeljaar te kiezen.
Gerelateerde informatie
Contact
•
Gebruikershandleiding doornemen (p. 24)
Op de supportpagina staan de contactgegevens
van de klantenservice en de dichtstbijzijnde
Volvo-dealers.
Voor bepaalde mobiele apparaten.
}}
* Optie/accessoire.
23
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
||
Aanmelden op de website van Volvo
Cars
Registreert uw eigen Volvo ID en meld u aan op
www.volvocars.com. Zodra u bent aangemeld,
kunt u bijvoorbeeld een overzicht krijgen van service, contracten en garanties. U vindt hier ook
informatie over model-specifieke accessoires en
softwareproducten voor uw Volvo.
Gerelateerde informatie
•
Volvo ID (p. 30)
Gebruikershandleiding doornemen
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om de gebruikershandleiding
door te nemen, idealiter voor aanvang van de
eerste rit.
Het doornemen van de gebruikershandleiding is
een goede manier om vertrouwd te raken met
nieuwe functies, tips te krijgen voor hoe u de
auto in verschillende situaties het beste kunt
bedienen en te leren hoe u optimaal gebruik kunt
maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt.
Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in de gebruikershandleiding.
De gebruikershandleiding dient alleen om uitleg
te geven bij alle beschikbare functies en opties
voor een Volvo. De handleiding is dan ook geen
garantie dat alle beschreven functies en opties
ook op alle auto's aanwezig zijn. Bepaalde termen kunnen verschillen van de terminologie die
in verkoop-, marketing- en reclamematerialen
wordt gebezigd.
Er vindt voortdurend productontwikkeling plaats
ter verbetering van ons product. Aanpassingen
kunnen ertoe leiden dat de gegevens, beschrijvingen en illustraties in de gebruikershandleiding
afwijken van de werkelijke uitrusting op uw auto.
We behouden ons het recht voor om zonder
voorafgaande mededeling wijzigingen aan te
brengen.
lijke informatie over hoe en waar u professionele
hulp kunt krijgen.
© Volvo Car Corporation
Opties/accessoires
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden
in de gebruikershandleiding ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje * in de gebruikershandleiding.
De uitrusting die in de gebruikershandleiding
wordt beschreven is niet op alle auto's aanwezig
- welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven informatie over
kans op letsel.
Laat dit boekje altijd in de auto liggen - anders
ontbreekt bij eventuele problemen de noodzake-
24
* Optie/accessoire.
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
BELANGRIJK
Belangrijk-teksten geven informatie over kans
op materiële schade.
auto zijn van de onderstaande aflopende waarschuwings-/informatiegraad.
Gevaar voor materiële schade
Gevaar voor lichamelijk letsel
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips en
adviezen die het gebruik van bepaalde mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
Op verschillende plekken in de gebruikershandleiding treft u informatie aan in voetnoten onder
aan een pagina of onder aan een tabel. Deze
informatie vormt een aanvulling op de tekst waar
het nummer van de voetnoot naar verwijst. Als de
voetnoot naar tekst in een tabel verwijst, worden
letters gebruikt in plaats van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop menuen displayteksten kunnen worden weergegeven.
Dergelijke teksten in de gebruikershandleiding
onderscheiden zich van de normale tekst. Voorbeeld van menuteksten en displaymeldingen:
Telefoon, Nieuw bericht.
Zwarte ISO-symbolen in een geel waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op
een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met mogelijk
dodelijke afloop.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op
een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de auto
om belangrijke informatie op een simpele en duidelijke manier over te dragen. De stickers in de
}}
25
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
||
Informatie
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant
is, worden de instructies voorafgegaan door
letters.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
De in de gebruikershandleiding afgebeelde
stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw auto
aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn alleen
bedoeld om aan te geven hoe de stickers er
in grote lijnen uitzien en waar u ze ongeveer
kunt aantreffen. Op de stickers van uw auto
vindt u de informatie die op uw auto van toepassing is.
26
Pijlen met een letter dienen om een beweging weer te geven waarbij de onderlinge
volgorde niet van belang is.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij de
afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
Procedurelijsten
Opsommingslijsten
Procedures met handelingen die in een bepaalde
volgorde moeten worden uitgevoerd, staan
genummerd in de gebruikershandleiding:
Bij opsommingen in de gebruikershandleiding
wordt gebruikgemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
•
•
Koelvloeistof
Motorolie
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie verwijst naar andere artikelen met aanverwante informatie.
Afbeeldingen
De afbeeldingen in de gebruikershandleiding zijn
soms schematisch en bedoeld om een overzicht
of voorbeeld van een bepaalde functie te geven.
Afbeeldingen kunnen dan ook afwijken van uw
uitvoering van de auto, afhankelijk van het uitrustingsniveau en de markt.
Zie ommezijde
}} Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
een artikel wordt voortgezet op de volgende
pagina.
Vervolg van de vorige pagina
|| Dit symbool staat links bovenaan wanneer
een artikel wordt voortgezet van de vorige pagina.
Gerelateerde informatie
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 19)
•
Gebruikershandleiding op mobiele apparaten
(p. 23)
•
Supportsite van Volvo Cars (p. 23)
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Milieu-aspecten van de
gebruikershandleiding
De gebruikershandleiding is gedrukt op papier
waarvoor de grondstoffen afkomstig zijn uit
gecontroleerde bossen.
Het Forest Stewardship Council (FSC)®-symbool
geeft aan dat de papiervezels waarvan een
gebruikershandleiding in drukvorm gemaakt is
afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of
andere gecontroleerde bronnen.
Gerelateerde informatie
•
Drive-E - schoner rijplezier (p. 32)
27
UW VOLVO
UW VOLVO
Volvo ID
Een Volvo ID biedt toegang tot een breed scala
aan persoonlijke Volvo-diensten1 online.
Het is mogelijk om vanuit de auto een Volvo ID
aan te maken, volvocars.com of Volvo On Callapp2. Voor sommige functies en diensten is registratie vereist van een persoonlijke Volvo ID.
Wanneer het Volvo ID ook voor de auto geregistreerd wordt, krijgt u toegang tot een breed scala
aan Volvo-diensten, die vanuit de auto beschikbaar zijn.
slechts één gebruikersnaam en één wachtwoord te onthouden.
•
Bij het wijzigen van een gebruikersnaam/
wachtwoord voor een bepaalde dienst (zoals
Volvo On Call) wordt deze ook automatisch
gewijzigd voor de overige diensten.
Gerelateerde informatie
•
•
Volvo ID aanmaken en registreren (p. 30)
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie (p. 616)
Voorbeeld van diensten:
•
Volvo On Call* - Volvo ID wordt gebruikt bij
het inloggen op de Volvo On Call-app.
•
Send to Car - Mogelijkheid om een adres van
een kaartservice op internet rechtstreeks
naar de auto te sturen.
•
Onderhoud en reparatie reserveren - Registreer de door u gewenste werkplaats/dealer
op volvocars.com om onderhoud rechtstreeks
vanuit de auto te kunnen reserveren.
Volvo ID aanmaken en registreren
Een Volvo ID is op verschillende manieren aan te
maken. Als een Volvo ID wordt aangemaakt op
volvocars.com of via de app Volvo On Call moet
het Volvo ID tevens worden geregistreerd op de
auto om gebruik te kunnen maken van de verschillende Volvo ID-diensten.
Volvo ID registreren via app
1. Download de app Volvo ID via Download
Center op het appscherm van het middendisplay.
2.
Start de app en registreer een persoonlijk emailadres.
3.
Volg de instructies op die automatisch verstuurd worden naar het opgegeven e-mailadres.
> Er is daarmee een Volvo ID aangemaakt
en het ID staat automatisch geregistreerd
voor de auto. De Volvo ID-diensten kunnen nu gebruikt worden.
Voordelen van Volvo ID
•
1
2
30
Een gebruikersnaam en een wachtwoord
voor online diensten, dat wil zeggen u hoeft
Het aanbod aan diensten kan veranderen en hangt af van het uitrustingsniveau en de markt.
Voor mensen met Volvo On Call*.
* Optie/accessoire.
UW VOLVO
Volvo ID registreren op website van Volvo
Cars
1. Surf naar www.volvocars.com en meld u aan3
via het icoontje rechts bovenaan. Kies Volvo
ID aanmaken.
2.
Geef een persoonlijk e-mailadres op.
3.
Volg de instructies op die automatisch verstuurd worden naar het opgegeven e-mailadres.
> Er is daarmee een Volvo ID aangemaakt.
Lees hieronder over hoe u het ID registreert voor de auto.
Volvo ID registreren via de Volvo On Callapp4
1. Download de nieuwste versie van de Volvo
On Call-app via de smartphone, op bijvoorbeeld AppStore, Windows Phone of Google
Play.
2.
3.
Kies op de startpagina van de app voor het
aanmaken van een Volvo ID en geef een persoonlijk e-mailadres aan.
Volg de instructies op die automatisch verstuurd worden naar het opgegeven e-mailadres.
> Er is daarmee een Volvo ID aangemaakt.
Lees hieronder over hoe u het ID registreert voor de auto.
Uw Volvo ID voor de auto registreren
Als de Volvo ID werd aangemaakt op internet of
met de Volvo On Call-app, registreer deze dan
voor de auto:
1.
Download de app Volvo ID vanaf Download
Center op het appscherm als dat nog niet is
gebeurd.
N.B.
Om apps te kunnen downloaden moet de
auto verbinding hebben met internet.
2.
Start de app en vul uw Volvo ID/mailadres in.
3.
Volg de instructies op, die automatisch naar
het e-mailadres worden gestuurd dat aan uw
Volvo ID is gekoppeld.
> Uw Volvo ID is daarmee voor de auto
geregistreerd. De Volvo ID-diensten kunnen nu gebruikt worden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Volvo ID (p. 30)
•
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 545)
Apps downloaden (p. 513)
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 615)
3 Beschikbaar op bepaalde markten.
4 Auto's met Volvo On Call*.
* Optie/accessoire.
31
UW VOLVO
Drive-E - schoner rijplezier
Volvo Car Corporation werkt voortdurend aan de
ontwikkeling van veiliger en effectievere produc-
Milieuzorg is een van de kernwaarden van Volvo
Cars die van invloed is op alle activiteiten. De
milieu-activiteiten gaan uit van de volledige
levensduur van de auto en houden rekening met
de milieu-effecten, van ontwikkeling tot sloop en
recycling. Volvo Cars hanteert het uitgangspunt
dat de milieu-effecten van nieuwe producten
geringer moeten zijn dan die van de producten
waarvoor ze in de plaats komen.
Een van de resultaten van de inspanningen van
Volvo op milieugebied is de ontwikkeling van de
Drive-E-aandrijflijnen, die effectiever werken en
minder vervuilend zijn. Ook het persoonlijke
32
ten en oplossingen om de milieu-effecten te
beperken.
milieu heeft de volle aandacht van Volvo - de
lucht in een Volvo is door de klimaatregeling bijvoorbeeld schoner dan de lucht buiten.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieu-eisen. Alle productie-eenheden van Volvo
hebben een ISO 14001-certificaat, wat een systematische benadering van de milieu-aspecten
van de productie betekent om voortdurend verbeteringen aan te brengen en de milieu-effecten te
beperken. Dit ISO-certificaat betekent ook dat de
geldende wettelijke bepalingen en voorschriften
op milieugebied wordt nageleefd. Volvo eist ook
van de samenwerkingspartners dat ze aan deze
normen voldoen.
Brandstofverbruik
Omdat de milieu-effecten van auto's voor een
groot deel toe te schrijven zijn aan het gebruik
ervan richt Volvo Cars zich op het beperken van
het brandstofverbruik, de uitstoot van kooldioxide
en andere verontreinigende stoffen. De auto's
van Volvo zijn concurrerend in hun klasse wat het
brandstofverbruik betreft. Een lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
UW VOLVO
Bijdragen aan een schoner milieu
Een zuinige auto levert niet alleen een beperking
van de milieu-effecten op, maar betekent ook
lagere kosten voor de eigenaar van de auto. Als
bestuurder kunt u eenvoudig brandstof en geld
besparen en zo een bijdrage leveren aan een
schoner milieu. Hier volgen enkele tips en adviezen:
•
Plan een effectieve gemiddelde snelheid.
Snelheden boven zo'n 80 km/h (50 mph) en
onder zo'n 50 km/h (30 mph) zorgen voor
een hoger energieverbruik.
manier van verwerken van dergelijk afval - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
"Schoon aan binnen- en buitenkant" - een concept dat een schone passagiersruimte combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies
ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Een luchtfilter helpt voorkomen dat stofdeeltjes
en pollen via de luchtinlaatopening de passagiersruimte binnendringen.
•
Neem de intervallen voor onderhoud en service aan de auto in acht die in het Serviceen garantieboekje geadviseerd worden.
•
Voorkom stationair draaien - zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat. Houdt u zich
aan de plaatselijke voorschriften.
•
Rijd anticiperend - bij onnodig vaak stoppen
en optrekken en een ongelijkmatige snelheid
stijgt het brandstofverbruik.
•
Activeer de preconditioning* vóór een koude
start - dit verhoogt de startgewilligheid en
beperkt de slijtage bij koud weer. De motor
komt sneller op bedrijfstemperatuur, wat een
beperking van het verbruik en de uitstoot
oplevert.
Het systeem ontdoet de lucht in de passagiersruimte van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon. Als de Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de
buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten
waarna de lucht in de passagiersruimte wordt
gerecirculeerd. Iets dergelijks kan zich voordoen
in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Let er tevens op dat u afvalstoffen die schadelijk
zijn voor het milieu, zoals accu's en olie, op een
milieuvriendelijke manier afvoert. Neem contact
op met een werkplaats bij twijfel over de juiste
Het IAQS is onderdeel van het CZIP (Clean Zone
Interior Package)* dat voorzien is van een speciale ventilatorfunctie die aanslaat, wanneer de
auto via de transpondersleutel wordt ontgrendeld.
Het luchtkwaliteitssysteem IAQS* (Interior Air
Quality System) zorgt ervoor dat de lucht die de
passagiersruimte binnenkomt, schoner is dan de
lucht buiten in het verkeer.
Interieur
De gebruikte materialen voor het interieur van
een Volvo zijn zorgvuldig geselecteerd en uitvoerig getest op comfort en hypoallergeniteit.
Bepaalde afwerkingsdetails zijn handmatig aangebracht: zo is de stuurwielbekleding met de
hand genaaid. Het interieur is getest op de afwezigheid van sterke geuren of stoffen die klachten
kunnen geven bij hoge temperaturen of direct
zonlicht.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en een
laag brandstofverbruik. U draagt zo tevens bij aan
een schoner milieu. Wanneer u de reparaties en
het onderhoud aan de auto toevertrouwt aan de
werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een
onderdeel van Volvo's systeem. Volvo stelt duidelijke milieu-eisen aan de outillage van de werkplaatsen om te voorkomen dat er schadelijke
stoffen in het milieu vrijkomen. Het werkplaatspersoneel beschikt over de kennis en het
gereedschap om optimale milieuzorg te garanderen.
Recycling
Omdat Volvo werkt vanuit een levensduurperspectief is het ook belangrijk dat autowrakken op
milieuvriendelijke wijze worden gerecycled. De
auto is nagenoeg geheel te recyclen. De laatste
eigenaar van de auto wordt daarom verzocht con}}
* Optie/accessoire.
33
UW VOLVO
||
tact op te nemen met een dealer voor de locatie
van een gecertificeerd/erkend recyclingbedrijf.
Gerelateerde informatie
34
•
•
•
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 686)
•
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 27)
•
Luchtkwaliteit (p. 209)
Zuinig rijden (p. 474)
Preconditioning* inschakelen/uitschakelen
(p. 236)
* Optie/accessoire.
UW VOLVO
IntelliSafe - rijhulp
IntelliSafe is het rijveiligheidsconcept van Volvo
Cars. IntelliSafe bestaat uit enkele systemen,
zowel standaardsystemen als optionele systemen, die de rijveiligheid verhogen, schade/letsel
voorkomen en inzittenden en overige verkeersdeelnemers beschermen.
Ondersteuning
Onderdeel van IntelliSafe zijn rijhulpsystemen
zoals de adaptieve cruisecontrol* die u helpt om
een gelijkmatige snelheid aan te houden in combinatie met een bepaald tijdsverschil ten opzichte
van voorliggers.
Pilot Assist5 helpt u om tussen de zijmarkeringen
van de rijbaan te blijven rijden dankzij stuurhulp,
een constante snelheid aan te houden en een
vooraf geselecteerd tijdsverschil ten opzichte van
voorliggers.
De actieve parkeerhulp* helpt u bij het in- en uitparkeren.
Automatisch groot licht, Cross Traffic Alert
(CTA)* en Blind Spot Information (BLIS)* zijn
andere voorbeelden van systemen die u ondersteuning kunnen bieden.
Voorkomen
City Safety is een functie dat kan helpen om
ongelukken te voorkomen. De functie kan een
botsing met voetgangers, fietsers, grotere dieren
5
of voertuigen voorkomen of de kracht van de
impact te beperken. Bij een dreigende botsing
krijgt u waarschuwingen in de vorm van visuele
en akoestische signalen alsook rempedaaltrillingen om u te helpen tijdig in te grijpen. Als u niet
op een waarschuwing reageert en er een aanrijding dreigt, kan City Safety de auto automatische
remmen.
De rijbaanassistent (LKA) is een ander voorbeeld
van een systeem dat kan bijdragen om ongelukken te voorkomen door op snelwegen, hoofdwegen en dergelijke het gevaar te helpen beperken
dat u onbedoeld de eigen rijbaan verlaat.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Rijhulpsystemen (p. 296)
Automatisch groot licht (p. 159)
Veiligheid (p. 46)
Veiligheidsgordels (p. 49)
Airbags (p. 54)
Whiplash Protection System (p. 47)
De functie Stuurhulp tijdens verhoogd
botsrisico kan het risico helpen beperken dat de
auto onbedoeld de eigen rijbaan verlaat en/of in
botsing komt met een ander voertuig of een
obstakel door de auto actief terug de eigen rijbaan in te sturen en/of een uitwijkmanoeuvre te
beginnen.
Beschermen
Om u en inzittenden te beschermen is de auto
uitgerust met gordelspanners die de veiligheidsgordels in kritieke situaties en bij aanrijdingen
kunnen aanpassen. De auto is ook voorzien van
airbags en gordijnairbags alsook Whiplash
Protection System (WHIPS), dat bescherming
biedt tegen whiplash-letsel.
Afhankelijk van de markt is dit een standaardfunctie of een optie.
* Optie/accessoire.
35
UW VOLVO
Sensus - connectiviteit en
entertainment
schijnt, hangt af van hoe belangrijk de informatie
is voor u als bestuurder.
Sensus biedt u de mogelijkheid om te internetten, diverse apps te gebruiken en een Wi-Fi-hotspot van uw auto te maken.
Dit is Sensus
Sensus biedt een intelligente bedieningsinterface
en contact met de digitale wereld. Dankzij de
intuïtieve navigatiestructuur kunt u altijd toegang
krijgen tot hulp, informatie en entertainment, zonder te worden afgeleid.
Sensus omvat alle oplossingen in de auto die
verband houden met entertainment, connectiviteit, navigatie* en de bedieningsinterface tussen
bestuurder en auto. Sensus maakt communicatie
mogelijk tussen u, uw auto en de omgeving.
Informatie waar en wanneer u die nodig
hebt
Op de verschillende displays in de auto staat
altijd relevante informatie. Waar de informatie ver-
36
* Optie/accessoire.
UW VOLVO
Waar welke informatie verschijnt, hangt af van hoe belangrijk de informatie is.
Head-updisplay*
Op het head-updisplay verschijnt het gekozen
type informatie dat onmiddellijke actie van u vereist. Het kan bijv. gaan om verkeersinformatie en
informatie over snelheid en navigatie*. Ook informatie over verkeersborden en telefoonoproepen
verschijnen op het head-updisplay. Dergelijke
informatie is te hanteren met de rechter stuurknoppenset en vanaf het middendisplay.
Bestuurdersdisplay
12 inch* bestuurdersdisplay.
}}
* Optie/accessoire.
37
UW VOLVO
Een groot aantal van de primaire functies van de
auto wordt aangestuurd vanaf het middendisplay,
een touchscreen dat reageert bij aanraking. Dit
houdt een beperking in van het aantal fysieke
knoppen en bedieningselementen in de auto. Het
display is met of zonder handschoenen aan te
bedienen.
||
8 inch bestuurdersdisplay.
Het bestuurdersdisplay geeft informatie over
onder meer snelheid en bijv. telefoonoproepen of
informatie over het afgespeelde nummer. Het is
te bedienen met de twee knoppensets op het
stuurwiel.
Middendisplay
•
Internetverbinding van auto delen via Wi-Fihotspot (p. 550)
Vanaf het middendisplay zijn bijv. de klimaatregeling, het infotainmentsysteem en de stoelverstelling* te bedienen. De functies van het middendisplay zijn door de bestuurder of een eventuele
passagier te bedienen.
Stembediening
Als bestuurder kunt u de stembediening gebruiken om uw
handen aan het stuur te kunnen houden. Het systeem
begrijpt bepaalde stemcommando's. Gebruik de stembediening om bijvoorbeeld een
track af te spelen, iemand te bellen, de verwarming hoger te zetten of een sms-bericht te laten
voorlezen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
38
Head-updisplay* (p. 145)
Bestuurdersdisplay (p. 84)
Overzicht van het middendisplay (p. 110)
Stembediening (p. 148)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 545)
* Optie/accessoire.
UW VOLVO
Software-updates
Vastlegging van gegevens
Om ervoor te zorgen dat u als Volvo-bezitter uw
auto ten volle kunt benutten blijven we de autosystemen en beschikbare diensten verder ontwikkelen.
In het kader van de veiligheids- en kwaliteitsinspanningen van Volvo wordt bepaalde informatie
over de werking, de functionaliteit en bijna-aanrijdingen door de auto vastgelegd.
U kunt van tijd tot tijd terecht bij de erkende
Volvo-dealer om de software van uw Volvo bij te
werken. Bij een update krijgt u toegang tot
nieuwe functies en verbeteringen, naast eventuele nieuwe functies in eerdere updates.
Deze auto is uitgerust met een "Event Data
Recorder" (EDR). Het belangrijkste doel daarvan
is het vastleggen en opnemen van gegevens bij
verkeersongevallen of op aanrijdingen lijkende
situaties, zoals wanneer de airbag wordt geactiveerd of als de auto een wegversperring raakt.
De gegevens worden geregistreerd om meer
inzicht te krijgen in hoe de systemen van de auto
in dit soort situaties werken. De EDR is zodanig
vormgegeven dat deze gedurende een korte tijd
gegevens vastlegt die verband houden met de
autodynamiek en de veiligheidssystemen, normaal gesproken 30 seconden of korter.
Breng voor meer informatie over de beschikbare
updates en antwoorden op veelgestelde vragen
een bezoek aan support.volvocars.com.
N.B.
De functionaliteit na de update kan variëren
afhankelijk van markt, model, modeljaar en
optie.
Gerelateerde informatie
•
Sensus - connectiviteit en entertainment
(p. 36)
•
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 615)
De EDR in deze auto is zodanig geconstrueerd
dat deze bij verkeersongevallen of bijna-ongelukken gegevens vastlegt die verband houden met
het volgende:
•
Hoe de verschillende systemen in de auto
werkten;
•
In hoeverre de veiligheidsgordels van
bestuurder en passagiers vastzaten;
•
Het gebruik door de bestuurder van het gasof rempedaal;
•
Met welke snelheid de auto reed.
Dit kan een bijdrage leveren aan een beter
inzicht in de omstandigheden waarin bepaalde
verkeersongevallen en schades ontstaan. De
EDR legt alleen gegevens vast, als er sprake is
van een niet-alledaagse aanrijdingssituatie - bij
normale rijomstandigheden registreert de EDR
geen gegevens. Ook registreert het systeem
nooit wie de auto bestuurt of wat de geografische positie is voor de aanrijding of bijna-aanrijding. Andere partijen, zoals de politie, kunnen
echter gebruikmaken van de vastgelegde gegevens in combinatie met het type persoonlijk identificeerbare informatie dat bij een verkeersongeval routinematig wordt verzameld. Om de geregistreerde gegevens te kunnen interpreteren zijn
speciale apparatuur en toegang tot de auto of de
EDR vereist.
De auto is naast de EDR ook uitgerust met een
aantal computers, die tot taak hebben de werking
van de auto continu te controleren en bewaken.
Deze kunnen in normale rijomstandigheden
gegevens vastleggen, maar vooral wanneer deze
een fout registreren die betrekking heeft op de
bediening en werking van de auto of bij activering
van de actieve rijhulp (zoals City Safety en de
automatische remfunctie).
Een deel van de vastgelegde gegevens heeft de
monteur nodig om service en onderhoud te kunnen verrichten met als doel eventuele storingen
die in de auto zijn opgetreden te diagnosticeren
en verhelpen. De geregistreerde informatie heeft
Volvo ook nodig om te kunnen voldoen aan de
}}
39
UW VOLVO
juridische eisen conform de wet- en regelgeving.
De in de auto geregistreerde informatie is opgeslagen in de computers totdat de auto een servicebeurt krijgt of wordt gerepareerd.
Naast het bovenstaande kan de geregistreerde
informatie ook in een samengestelde vorm worden gebruikt voor verzekerings- en productontwikkelingsdoeleinden om de veiligheid en kwaliteit van Volvo's te verbeteren.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet zonder de toestemming van de eigenaar van de auto
vrijgeven aan derden. Vanwege nationale wet- en
regelgeving kan Volvo echter worden gedwongen
om dit type informatie te verstrekken aan de politie of andere autoriteiten die het wettelijke recht
hebben om hiertoe toegang te krijgen. Om de
door vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen
en interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij Volvo en
de werkplaatsen die een contract hebben met
Volvo. Volvo ziet erop toe dat de gegevens, die in
verband met reparatie en onderhoud worden
doorgegeven aan Volvo, zorgvuldig worden opgeslagen en gehanteerd en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden
gebruikt. Neem voor meer informatie contact op
met een Volvo-dealer.
40
Servicevoorwaarden
Privacybeleid voor klanten
Volvo biedt diensten om zo veilig, comfortabel
en aangenaam mogelijk in uw Volvo te kunnen
rijden.
Deze diensten variëren van hulp in noodsituaties
tot navigatie en diverse infotainmentdiensten.
Volvo respecteert de persoonlijke integriteit van
alle bezoekers van zijn websites.
Het privacybeleid geldt voor de verwerking van
klant- en persoonsgegevens. Het doel is om huidige, voormalige en potentiële klanten een algemeen inzicht te geven in:
Het is belangrijk dat u voor het gebruik van de
diensten de Servicevoorwaarden op
support.volvocars.com doorneemt.
Gerelateerde informatie
•
Privacybeleid voor klanten (p. 40)
•
de omstandigheden waarin we uw persoonsgegevens verzamelen en gebruiken;
•
de soorten persoonsgegevens die we verzamelen;
•
de redenen waarom we uw persoonsgegevens verzamelen;
•
de manier waarop we met uw persoonsgegevens omgaan.
Het volledige beleid kunt u doornemen op
support.volvocars.com.
Gerelateerde informatie
•
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 552)
•
•
Servicevoorwaarden (p. 40)
Vastlegging van gegevens (p. 39)
UW VOLVO
Belangrijke informatie over
accessoires en extra uitrusting
WAARSCHUWING
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op een veilige wijze gebruikt en dat u
zich aan de geldende wet- en regelgeving
houdt.
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires en extra uitrusting kan een nadelige
invloed hebben op de werking van de elektronische systemen van de auto.
We adviseren Volvo-bezitters om uitsluitend door
Volvo goedgekeurde originele accessoires te
installeren en om deze accessoires uitsluitend te
laten installeren door daarvoor opgeleide en
gediplomeerde onderhoudstechnici van Volvo.
Sommige accessoires werken alleen nadat de
vereiste software in het computersysteem van de
auto is geïnstalleerd.
De uitrusting die in de gebruikershandleiding
wordt beschreven is niet op alle auto's aanwezig
- welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
Optionele apparatuur of accessoires die in deze
handleiding worden beschreven, zijn aangeduid
met een sterretje. Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of opties/accessoires contact op
met een Volvo-dealer.
Het is ook belangrijk dat voor onderhoud en
service van de auto de aanbevelingen van
Volvo worden aangehouden in lijn met de
gebruikersinformatie en het service- en
garantieboekje.
Als de informatie in de auto afwijkt van de
gedrukte gebruikershandleiding moet altijd de
gedrukte informatie worden aangehouden.
Installatie van accessoires
We adviseren Volvo-bezitters om uitsluitend
door Volvo goedgekeurde originele accessoires
te installeren en om deze accessoires uitsluitend
te laten installeren door daarvoor opgeleide en
gediplomeerde onderhoudstechnici van Volvo.
Sommige accessoires werken alleen nadat de
vereiste software in het computersysteem van de
auto is geïnstalleerd.
•
Originele accessoires van Volvo worden
getest om te zorgen dat ze goed samenwerken met de autosystemen voor prestaties,
veiligheid en emissiebeheersing. Bovendien
weet een geschoolde en gekwalificeerde
onderhoudsmonteur van Volvo waar accessoires al dan niet veilig in uw Volvo mogen
worden geïnstalleerd. Vraag altijd een
geschoolde en gekwalificeerde onderhoudsmonteur van Volvo om advies voordat u
accessoires in of op uw auto installeert.
•
Van accessoires die niet zijn goedgekeurd
door Volvo is mogelijk niet speciaal getest of
ze geschikt zijn voor gebruik in uw auto.
•
Sommige prestatie- of veiligheidssystemen
van de auto kunnen nadelig worden beïnvloed als u accessoires installeert die niet
door Volvo zijn getest, of als u iemand die
geen ervaring heeft van de auto accessoires
laat installeren.
•
Schade veroorzaakt door accessoires die op
een niet goedgekeurde of niet correcte
Gerelateerde informatie
•
•
Installatie van accessoires (p. 41)
•
Gebruikershandleiding doornemen (p. 24)
Uitrusting aansluiten op de diagnoseaansluiting van de auto (p. 42)
}}
41
UW VOLVO
manier zijn geïnstalleerd, worden mogelijk
niet gedekt door de garantie op de nieuwe
auto. Meer informatie over de garantie vindt u
in het service- en garantieboekje. Volvo wijst
elke vorm van aansprakelijkheid af voor sterfgevallen, persoonlijk letsel of kosten die kunnen ontstaan als gevolg van de installatie van
niet-originele accessoires.
||
Gerelateerde informatie
•
Belangrijke informatie over accessoires en
extra uitrusting (p. 41)
Uitrusting aansluiten op de
diagnoseaansluiting van de auto
Een verkeerde aansluiting en montage van software kan een nadelige invloed hebben op de
werking van de elektronische systemen van de
auto.
We adviseren Volvo-bezitters om uitsluitend door
Volvo goedgekeurde originele accessoires te
installeren en om deze accessoires uitsluitend te
laten installeren door daarvoor opgeleide en
gediplomeerde onderhoudstechnici van Volvo.
Sommige accessoires werken alleen nadat de
vereiste software in het computersysteem van de
auto is geïnstalleerd.
Diagnoseaansluiting (On-board Diagnostic-aansluiting,
OBDII) onder het instrumentenpaneel aan de bestuurderszijde.
42
N.B.
Volvo Cars aanvaardt geen aansprakelijkheid
voor de gevolgen indien niet-goedgekeurde
apparatuur wordt aangesloten op de Onboard Diagnostic-aansluiting (OBDII). Deze
aansluiting mag uitsluitend worden gebruikt
door opgeleide en gekwalificeerde Volvo-servicemonteurs.
Gerelateerde informatie
•
Belangrijke informatie over accessoires en
extra uitrusting (p. 41)
UW VOLVO
Voertuigidentificatienummer van
auto tonen
Bij contact met een Volvo-dealer in het kader
van bijv. een Volvo On Call-abonnement hebt u
het voertuigidentificatienummer (VIN6) van de
auto nodig.
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Ga verder naar Systeem
Systeeminformatie Vehicle
Identification Number.
> Het voertuigidentificatienummer van de
auto verschijnt.
Afleiding van de bestuurder
Het is uw verantwoordelijkheid als bestuurder
om uw eigen veiligheid en de veiligheid van inzittenden en andere weggebruikers op alle mogelijke manieren te waarborgen. Tot deze verantwoordelijkheid behoort het ontwijken van afleidingen, zodat u zich bijvoorbeeld niet moet
bezighouden met zaken die niet direct verband
houden met de besturing van de auto in het verkeer.
WAARSCHUWING
Uw nieuwe Volvo is, of kan zijn uitgerust met een
inhoudelijk rijke entertainment- en communicatiesystemen. Dat kan een mobiele telefoon met
handsfree zijn, een navigatiesysteem en/of een
geluidsinstallatie met vele functies. U hebt wellicht ook andere draagbare elektronische apparaten voor uw eigen gemak. Mits correct en veilig
gebruikt, kunnen ze uw rijervaring verrijken. Maar
bij verkeerd gebruik, kunnen ze een bron van
afleiding zijn.
Voor al deze systemen willen we, als blijk van Volvo's toewijding aan uw veiligheid, de volgende
waarschuwing met u delen. Gebruik dergelijke
apparaten of functies in de auto nooit zodanig
dat u wordt afgeleid van uw taak om veilig te rijden. Als u wordt afgeleid kan dit ernstige ongelukken veroorzaken. Los van deze algemene
waarschuwing, willen we u graag de volgende
6
adviezen geven voor enkele nieuwe functies
waarmee de auto kan zijn uitgerust:
•
Gebruik tijdens het rijden nooit een handheld mobiele telefoon. In bepaalde gebieden is het voor de bestuurder verboden
om een mobiele telefoon te gebruiken
wanneer de auto in beweging is.
•
Als de auto is voorzien van een navigatiesysteem, moet u alleen instellingen en
wijzigingen doorvoeren in het reisplan
wanneer de auto geparkeerd staat.
•
Programmeer het geluidssysteem nooit
terwijl de auto in beweging is. Programmeer de voorinstellingen van de radio terwijl de auto geparkeerd staat en gebruik
de geprogrammeerde voorinstellingen om
daarmee sneller en eenvoudiger de radio
te kunnen bedienen.
•
Gebruik nooit laptops of tablets wanneer
de auto in beweging is.
Gerelateerde informatie
•
Audio, media en internet (p. 510)
Vehicle Identification Number
43
VEILIGHEID
VEILIGHEID
Veiligheid
De auto is voorzien van diverse veiligheidssystemen die samenwerken om u en uw medepassagiers te beschermen bij een ongeluk.
De auto is uitgerust met een aantal sensoren die
bij een ongeval reageren en bepaalde veiligheidssystemen activeren, zoals verschillende soorten
airbags en de gordelspanners van de veiligheidsgordels. Afhankelijk van de specifieke ongevalssituatie, zoals aanrijdingen onder verschillende
hoeken, over de kop slaan of van de weg raken,
reageren de systemen op verschillende manieren
om zo de beste bescherming te bieden.
Daarnaast zijn er mechanische veiligheidssystemen zoals het Whiplash Protection System. De
auto is bovendien zodanig gebouwd dat een
groot deel van de kracht bij een aanrijding wordt
verdeeld over de balken, de stijlen, de vloer, het
dak en andere carrosseriedelen.
Na een ongeval kan de Safety Mode van de auto
worden geactiveerd, als er een belangrijke functie
in de auto beschadigd is geraakt.
46
Waarschuwingssymbool op
bestuurdersdisplay
Het waarschuwingssymbool op het
bestuurdersdisplay gaat branden, wanneer u het elektrische systeem van de
auto in contactslotstand II zet. Het
symbool dooft na ongeveer 6 seconden, als blijkt
dat de veiligheidssystemen van de auto in orde
zijn.
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingssymbool blijft branden
of tijdens het rijden gaat branden en het
bericht SRS airbag Service urgent Rijd
naar werkplaats op het bestuurdersdisplay
verschijnt, is dit een teken dat een gedeelte
van een veiligheidssysteem niet naar behoren
werkt. Volvo adviseert u om zo spoedig mogelijk contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de verschillende veiligheidssystemen van de auto aan en
probeer deze nooit zelf te repareren. Een verkeerde ingreep in een systeem kan tot een
onjuiste werking leiden met ernstig letsel als
gevolg. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als het specifieke waarschuwingssymbool defect is, gaat in plaats daarvan
het algemene waarschuwingssymbool
branden en het bestuurdersdisplay
geeft dezelfde melding weer.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Veiligheid tijdens de zwangerschap (p. 47)
Veiligheidsgordels (p. 49)
Airbags (p. 54)
Whiplash Protection System (p. 47)
Safety Mode (p. 61)
Kinderveiligheid (p. 63)
VEILIGHEID
Veiligheid tijdens de zwangerschap
Zithouding
Whiplash Protection System
Het is belangrijk dat zwangere passagiers hun
veiligheidsgordel op de juiste manier dragen en
dat een zwangere bestuurder haar zithouding
aanpast.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuurwiel
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig onder
controle hebben (wat inhoudt dat ze met gemak
bij het stuur en de pedalen moeten kunnen
komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik
en het stuur zo groot mogelijk te houden.
Het Whiplash Protection System (WHIPS) is
een beveiliging die het risico van letsel door whiplash vermindert.. Het systeem bestaat uit energieabsorberende rugleuningen plus zitkussens
en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen.
WHIPS wordt geactiveerd bij een aanrijding van
achteren, afhankelijk van de hoek waaronder en
de snelheid waarmee het achteropkomende
voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
Veiligheidsgordel
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
De veiligheidsgordel moet strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de borsten en tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel moet
vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik liggen. Het
mag nooit over de buik omhoog kunnen glijden.
De veiligheidsgordel moet zo strak mogelijk over
het lichaam lopen zonder onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens
gedraaid zit.
Veiligheid (p. 46)
Veiligheidsgordels (p. 49)
Handmatig bediende voorstoel (p. 188)
Elektrisch bedienbare voorstoel* (p. 189)
Bij activering van het WHIPS klappen de rugleuningen van de voorstoelen naar achteren en de
zittingen omlaag, zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. De beweging helpt om een gedeelte
van de krachten te absorberen, die whiplash-letsel kunnen veroorzaken.
WAARSCHUWING
WHIPS vormt een aanvulling op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel
altijd.
}}
* Optie/accessoire.
47
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoelen of
WHIPS aan en probeer deze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Plaats dozen e.d. niet dusdanig, dat deze vastgeklemd zitten tussen het zitgedeelte van de
achterbank en de rugleuning van de voorstoelen.
Als de voorstoelen aan grote krachten hebben blootgestaan zoals tijdens een aanrijding,
moet u de stoelen vervangen. De stoelen kunnen een deel van hun beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als ze ogenschijnlijk niet zijn beschadigd.
Als er op de achterbank een rugleuning
omlaag is geklapt, moet een eventuele lading
worden vastgezet om te voorkomen dat deze
bij een aanrijding tegen de rugleuning van de
voorstoel aan kan glijden.
WHIPS en kinderzitjes
WHIPS beïnvloedt de beschermende werking van
kinderzitje en/of verhogingskussen niet negatief.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Veiligheid (p. 46)
Handmatig bediende voorstoel (p. 188)
Elektrisch bedienbare voorstoel* (p. 189)
Rear Collision Warning (p. 378)
WAARSCHUWING
Als een rugleuning op de achterbank is
omgeklapt of als er op de achterbank een
achterstevoren geplaatst kinderzitje wordt
gebruikt, moet de bijbehorende voorstoel naar
voren worden geklapt, zodat deze geen contact heeft met de omgeklapte rugleuning of
het kinderzitje.
Zithouding
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter of onder de
voorstoelen of op de achterbank achter de bestuurdersof passagiersstoel die het WHIPS kunnen hinderen.
Voor optimale bescherming door het WHIPS
moeten bestuurder en voorpassagier de juiste zithouding innemen en zorgen dat het systeem niet
wordt gehinderd.
Stel voordat u wegrijdt de juiste zithouding in
voor de voorstoel.
U en een eventuele voorpassagier moeten zoveel
mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen
en de afstand tussen hoofd en hoofdsteun zo
klein mogelijk houden.
48
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWING
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen.
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te
ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt
de beste bescherming bij een normale rijhouding.
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten
heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn
geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
Denk eraan geen clips te gebruiken of de
gordel vast te maken rond haken of andere
delen van het interieur, omdat de veiligheidsgordel daardoor niet goed aansluit.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de veiligheidsgordel niet of verkeerd wordt
gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed
zijn op het effect van de airbag.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Gordelspanners (p. 51)
•
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 53)
Veiligheid (p. 46)
Veiligheidsgordel omdoen en
losmaken
Let erop dat alle passagiers hun veiligheidsgordel om hebben voordat u gaat rijden.
Veiligheidsgordel omdoen
1.
Rol de gordel langzaam af. Zorg dat er geen
slag in zit en let erop dat hij niet is beschadigd.
Zorg er bij de middelste zitplaats op de
tweede zitrij voor dat de gordel goed in de
gordelgeleider zit.
N.B.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan
niet verder worden uitgetrokken:
•
•
•
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Veiligheidsgordel omdoen en losmaken
(p. 49)
}}
49
VEILIGHEID
||
2.
Zet de gordel vast door de borglip in de bijbehorende gordelsluiting te steken.
> Een duidelijke "klik" geeft aan dat de gordel vastzit.
3.
Voorin en op de beide buitenste zitplaatsen
op de tweede zitrij kunt u de gordel hoger of
lager zetten.
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de gordelsluiting aan de juiste
zijde. De veiligheidsgordels en de gordelsluiting werken anders mogelijk niet naar behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat gevaar
voor ernstige verwondingen.
De gordel moet over de schouder lopen (en niet over de
bovenarm).
4.
Druk de gordelbevestiging in elkaar en zet de
gordel hoger of lager.
Span de heupgordel over de heupen door de
diagonale schoudergordel in de richting van
de schouder omhoog te trekken.
Zet de gordel zo hoog mogelijk zonder dat de
gordel daarbij langs de nek schuurt.
De heupgordel moet laag zitten (niet over de buik).
50
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bedoeld voor slechts
één persoon.
WAARSCHUWING
Denk eraan geen clips te gebruiken of de
gordel vast te maken rond haken of andere
delen van het interieur, omdat de veiligheidsgordel daardoor niet goed aansluit.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordels nooit beschadigen en
geen vreemde voorwerpen aanbrengen in de
gordelsluiting. De veiligheidsgordels en de
gordelsluiting werken anders mogelijk niet
naar behoren tijdens een aanrijding. Er
bestaat gevaar voor ernstige verwondingen.
Veiligheidsgordel losmaken
1.
Druk op de rode knop van de gordelsluiting
en laat het oprolmechanisme de gordel naar
binnen trekken.
2.
Als de gordel niet volledig wordt opgerold,
moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
Zorg er bij de middelste zitplaats op de
tweede zitrij voor dat de gordel goed in de
gordelgeleider zit.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Veiligheidsgordels (p. 49)
Gordelspanners (p. 51)
Portier- en gordelwaarschuwing (p. 53)
Gordelspanners
De auto is voorzien van standaardgordelspanners en elektrische gordelspanners die de veiligheidsgordels in kritieke situaties en bij aanrijdingen kunnen aanspannen.
Standaardgordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met een
standaardgordelspanner.
De gordelspanner spant de veiligheidsgordel bij
een voldoende krachtige botsing om de inzittende efficiënter te kunnen opvangen.
Elektrische gordelspanners
De gordelspanners voor bestuurder en passagier
op de voorstoel zijn uitgerust met een elektrische
gordelspanner.
De gordelspanner werkt samen met en is te activeren door de rijhulpsystemen City Safety en
Rear Collision Warning. In kritieke situaties, zoals
bij een noodstop, van de weg raken (bijvoorbeeld
wanneer de auto in een greppel belandt, van de
grond komt of tegen een obstakel in het terrein
botst), slippen of gevaar voor een botsing, wordt
de veiligheidsgordel mogelijk aangespannen door
de elektromotor van de gordelspanner.
De elektrische gordelspanner helpt bij het positioneren van de inzittende, wat het risico reduceert
dat deze tegen het interieur van de auto wordt
geworpen en het effect van veiligheidssystemen
(zoals de airbags van de auto) verbetert.
}}
51
VEILIGHEID
||
Wanneer de kritieke situatie voorbij is, worden de
gordel en de elektrische gordelspanner automatisch gereset. Ze zijn echter ook handmatig te
resetten.
BELANGRIJK
Als de passagiersairbag wordt gedeactiveerd,
wordt ook de elektrische gordelspanner aan
de passagierskant gedeactiveerd.
•
•
•
•
Elektrische gordelspanner resetten (p. 52)
Elektrische gordelspanner resetten
Passagiersairbag* activeren en deactiveren
(p. 57)
De elektrische gordelspanner is dusdanig
geconstrueerd dat deze automatisch wordt gereset, maar als de gordel desondanks aangespannen blijft is deze ook handmatig te resetten.
1. Parkeer de auto op een veilige plek.
City Safety™ (p. 365)
Rear Collision Warning (p. 378)
2.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u om contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten
heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn
geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
Gerelateerde informatie
•
•
52
Veiligheidsgordels (p. 49)
Veiligheidsgordel omdoen en losmaken
(p. 49)
Neem de veiligheidsgordel los en doe deze
vervolgens weer om.
> De gordel en de elektrische gordelspanner worden gereset.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten
heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn
geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
Gerelateerde informatie
•
•
Gordelspanners (p. 51)
Veiligheidsgordels (p. 49)
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Portier- en gordelwaarschuwing
Het systeem herinnert inzittenden eraan de veiligheidsgordel om te doen en waarschuwt ook
als een portier, motorkap, achterklep of tankvulklep niet goed dichtstaat.
U kunt de grafische voorstelling resetten door
een druk op de O-knop van de rechter knoppengroep op het stuurwiel.
Gordelwaarschuwing
Grafische voorstelling op
bestuurdersdisplay
Visueel signaal op plafondconsole.
Grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay met
verschillende soorten waarschuwingen. De waarschuwingskleur voor portier en achterklep is afhankelijk van
de rijsnelheid.
De grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay geeft de zitplaatsen weer waarvan de veiligheidsgordel wel of juist niet in gebruik is.
In dezelfde grafische voorstelling wordt aangegeven of de motorkap, de achterklep, de tankvulklep
of een portier openstaat.
De visuele signalen worden verstrekt via de plafondconsole en het waarschuwingssymbool op
het bestuurdersdisplay.
Het geluidssignaal is afhankelijk van de snelheid,
de rijtijd en de afgelegde afstand.
De gordelstatus voor de bestuurder en de passagiers geeft via de grafische voorstelling op het
bestuurdersdisplay aan wanneer een gordel
wordt omgedaan of losgenomen.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet voor
kinderzitjes.
Voorstoel
Er worden visuele signalen en geluidssignalen
afgegeven, wanneer u en een eventuele voorpassagier niet in de gordel zitten.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
•
Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. Bij gebruik
van de veiligheidsgordels verschijnt een grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay.
•
Met visuele signalen en geluidssignalen
ervoor waarschuwen dat een van de veiligheidsgordel achterin tijdens het rijden werd
losgenomen. De herinnering verdwijnt zodra
de veiligheidsgordel weer is vastgemaakt.
Waarschuwing voor portier, motorkap,
achterklep en tankvulklep
Als de motorkap, de achterklep, de tankvulklep of
een van de portieren niet goed dichtstaan, geeft
de grafische voorstelling op het bestuurdersdisplay aan wat openstaat. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het onderdeel
dat aanleiding gaf tot de waarschuwing.
Bij een rijsnelheid tot 10 km/h (6 mph)
gaat het informatiesymbool op het
bestuurdersdisplay branden.
}}
53
VEILIGHEID
Bij een rijsnelheid hoger dan zo'n 10
km/h (6 mph) gaat het waarschuwingssymbool op het bestuurdersdisplay branden.
||
Airbags
De auto is voorzien van airbags en opblaasgordijnen aan bestuurders- en passagierszijde.
•
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in de
auto over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
•
Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
•
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen
airbags.
De sensoren reageren verschillend, afhankelijk van het verloop van de botsing en of er al
dan niet een veiligheidsgordel wordt gebruikt.
Geldt voor alle gordelposities.
Veiligheidsgordels (p. 49)
Veiligheidsgordel omdoen en losmaken
(p. 49)
WAARSCHUWING
Er kunnen dus ongelukken ontstaan als
slechts één (of geen) van de airbags wordt
geactiveerd. De sensoren registreren de
kracht waaraan de auto bij de botsing blootstaat en blazen op basis daarvan geen, een of
meer airbags op.
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Dat kan
het besturen van de auto bemoeilijken. Ook
andere veiligheidssystemen kunnen beschadigd zijn. De rook en stof die bij het opblazen
van de airbags worden gevormd, kunnen bij
een intensieve blootstelling irritaties aan de
huid en ogen/letsel veroorzaken. Bij last met
koud water wassen. Het snelle opblazen kan
ook, in combinatie met het materiaal van de
airbag, voor wrijvings- en brandwonden op de
huid zorgen.
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit in
de middenconsole. Als de middenconsole
doorweekt geraakt is, moet u de kabels loskoppelen van de startaccu. Probeer de auto
niet te starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u de auto te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
Opgeblazen airbags
Wanneer een van de airbags is opgeblazen,
wordt het volgende geadviseerd:
•
54
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Veiligheid (p. 46)
Bestuurdersairbags (p. 55)
Passagiersairbag (p. 56)
Zijairbags (p. 59)
Opblaasgordijnen (p. 60)
VEILIGHEID
Bestuurdersairbags
Als aanvulling op de veiligheidsgordel is de auto
voorzien van een stuurairbag en een knie-airbag
aan de bestuurderszijde.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de gordel niet of verkeerd wordt gebruikt,
kan dit bij een botsing van invloed zijn op het
effect van de airbag.
Gerelateerde informatie
•
•
Airbags (p. 54)
Passagiersairbag (p. 56)
Om geen letsel op te lopen wanneer de airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo
rechtop mogelijk zitten met de voeten op de
vloer en de rug tegen de rugleuning.
WAARSCHUWING
De stuurairbag en knie-airbag voorin aan de bestuurderszijde.
Bij een frontale botsing helpen de airbags voorkomen dat de bestuurder letsel aan hoofd, nek,
gezicht en borstkas oploopt of gewond raakt aan
knieën en benen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren
van de airbags activeren. De airbags vangen de
klap van de aanrijding op voor de inzittende. De
airbags lopen vervolgens weer leeg. Daarbij
treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de airbag, neemt
enkele tienden van een seconde in beslag.
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in het airbagsysteem kan tot een onjuiste werking leiden
met ernstig letsel als gevolg.
Positie van de stuurairbag
De airbag zit opgevouwen in het midden van het
stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het
opschrift AIRBAG.
Positie van de knie-airbag
De airbag zit opgevouwen onder in het dashboard aan de bestuurderszijde. Het paneel is
voorzien van het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
Plaats of bevestig geen voorwerpen vóór of
op het paneel waar de knie-airbag geplaatst
is.
55
VEILIGHEID
Passagiersairbag
Als aanvulling op de veiligheidsgordel is de auto
voorzien van airbags aan de passagierszijde
voorin.
WAARSCHUWING
Sticker voor passagiersairbag
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de gordel niet of verkeerd wordt gebruikt,
kan dit bij een botsing van invloed zijn op het
effect van de airbag.
Om geen letsel op te lopen wanneer de airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo
rechtop mogelijk zitten met de voeten op de
vloer en de rug tegen de rugleuning.
WAARSCHUWING
Airbag voor de voorstoel aan passagierszijde.
Bij een frontale botsing helpt de airbag voorkomen dat de passagier letsel aan hoofd, nek,
gezicht en borstkas oploopt of gewond raakt aan
knieën en benen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren
van de airbag activeren. De airbags vangen de
klap van de aanrijding op voor de inzittende. De
airbags lopen vervolgens weer leeg. Daarbij
treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de airbag, neemt
enkele tienden van een seconde in beslag.
56
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in het airbagsysteem kan tot een onjuiste werking leiden
met ernstig letsel als gevolg.
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
Positie van de airbag aan
passagierszijde
De airbag zit opgevouwen in een ruimte boven
het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van
het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen vóór of bovenop het
dashboard op de plek waar de airbag voor de
passagiersstoel zit.
Sticker op portierstijl aan passagierszijde. Bij het openen
van het passagiersportier is de sticker zichtbaar.
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag
is aangebracht als hierboven.
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Als de auto niet is uitgerust met een schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag (PACOS), is de passagiersairbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
Passagiersairbag* activeren en
deactiveren
De passagiersairbag is te deactiveren als de
auto is voorzien van een speciale schakelaar,
Passenger Airbag Cut Off Switch (PACOS).
PACOS-schakelaar
De PACOS-schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag zit aan de passagierszijde aan de zijkant van het dashboard en u
kunt erbij door het portier aan die kant te openen.
kinderzitje kunnen veilig op de passagiersstoel zitten.
WAARSCHUWING
Als de auto niet is uitgerust met een schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag (PACOS), is de passagiersairbag altijd geactiveerd.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat.
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Airbags (p. 54)
Bestuurdersairbags (p. 55)
Passagiersairbag* activeren en deactiveren
(p. 57)
ON - De airbag is geactiveerd en alle passagiers (kinderen en volwassenen) kunnen veilig in de rijrichting op de passagiersstoel zitten.
OFF - De airbag is gedeactiveerd en kinderen in een tegen de rijrichting in geplaatst
}}
* Optie/accessoire.
57
VEILIGHEID
||
Passagiersairbag activeren
Trek de schakelaar naar buiten en draai deze
vanuit OFF (B) naar ON (A).
> Op het bestuurdersdisplay verschijnt de
melding Passagiersairbag aan Graag
bevestigen.
N.B.
Als u de passagiersairbag hebt geactiveerd/
gedeactiveerd met de auto in contactslotstand I of lager en het contactslot vervolgens
in stand II zet, verschijnt na ca. 6 seconden
een melding op het bestuurdersdisplay in
combinatie met de volgende indicatie op de
plafondconsole.
2.
Bevestig de melding door de O-knop van de
rechter stuurknoppenset in te drukken.
> Een displaytekst en een waarschuwingssymbool op de plafondconsole geven aan
dat de passagiersairbag geactiveerd is.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de airbag aan die kant
geactiveerd is.
De passagiersairbag moet altijd zijn geactiveerd, wanneer er passagiers (kinderen of volwassenen) op de passagiersstoel voorin zitten.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
58
Passagiersairbag deactiveren
Trek de schakelaar naar buiten en draai deze
vanuit ON (A) naar OFF (B).
> Op het bestuurdersdisplay verschijnt de
melding Passagiersairbag uit Graag
bevestigen.
N.B.
Als u de passagiersairbag hebt geactiveerd/
gedeactiveerd met de auto in contactslotstand I of lager en het contactslot vervolgens
in stand II zet, verschijnt na ca. 6 seconden
een melding op het bestuurdersdisplay in
combinatie met de volgende indicatie op de
plafondconsole.
VEILIGHEID
2.
Bevestig de melding door de O-knop van de
rechter stuurknoppenset in te drukken.
> Een displaytekst en een brandend lampje
op de plafondconsole geven aan dat de
passagiersairbag gedeactiveerd is.
WAARSCHUWING
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, wanneer de airbag aan die kant gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbeveling kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
Gerelateerde informatie
•
•
Gordelspanners (p. 51)
Kinderzitje (p. 63)
Zijairbags
De zijairbags aan bestuurders- en passagierszijde dienen ter bescherming van borstkas en
heupen bij een aanrijding.
De SIPS-airbags zijn in de buitenste rugframes
van de voorstoelen gemonteerd en dragen bij tot
het beschermen van de bestuurder en de passagier in de voorstoelen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren
activeren. De SIPS-airbags worden vervolgens
opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. De airbags lopen vervolgens weer leeg.
De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen
opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
BELANGRIJK
Als de passagiersairbag wordt gedeactiveerd,
wordt ook de elektrische gordelspanner aan
de passagierskant gedeactiveerd.
}}
59
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in de zij-airbags
kan tot een onjuiste werking leiden met ernstig letsel als gevolg.
Opblaasgordijnen
De gordijnairbags, Inflatable Curtain (IC) helpen
voorkomen dat bestuurder en eventuele passagiers bij een botsing met hun hoofd tegen de
binnenkant van de auto stoten.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen in het gebied tussen
de buitenzijde van de stoel en het portierpaneel, aangezien dit gebied door de zijairbag
kan worden beïnvloed.
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan
de plafondhandgrepen. De haken zijn alleen
bedoeld voor niet al te zware kledingstukken
(en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Volvo adviseert om uitsluitend door Volvo
goedgekeurde overtrekbekleding te gebruiken. Andere bekleding kan de werking van de
zijairbags hinderen.
WAARSCHUWING
De zijairbag vormt een aanvulling op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel
altijd.
Zijairbags en kinderzitjes
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende
werking van kinderzitje en/of verhogingskussen
niet negatief.
Gerelateerde informatie
•
60
Airbags (p. 54)
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in het systeem
van het opblaasgordijn kan tot een onjuiste
werking leiden met ernstig letsel als gevolg.
Het opblaasgordijn is langs de beide kanten van
de hemelbekleding gemonteerd en beschermt
bestuurder en passagiers op de buitenste stoelen van de auto. De panelen zijn voorzien van het
opschrift IC AIRBAG.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gordijnairbags
activeren.
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo adviseert om alleen originele Volvo-onderdelen,
bestemd voor montage op deze plaatsen, te
gebruiken.
WAARSCHUWING
Houd 10 cm (4 inch) afstand aan tussen de
bagage en de zijruiten, als u de bagage
opstapelt tot boven de portierruiten. Anders
kan de beschermende werking van de
opblaasgordijnen, die in de plafondbekleding
zijn weggewerkt, uitblijven.
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Gerelateerde informatie
•
Airbags (p. 54)
Safety Mode
WAARSCHUWING
Safety Mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt, wanneer tijdens een aanrijding
mogelijk belangrijke onderdelen zijn beschadigd
zoals de brandstofleidingen, de sensoren voor
de veiligheidssystemen of het remsysteem.
Als de auto een aanrijding heeft gehad, kan de
tekst Safety mode Zie handleiding worden
weergegeven op het bestuurdersdisplay in combinatie met het waarschuwingslampje als het display niet beschadigd is geraakt en het elektrische
systeem van de auto nog functioneert. De melding betekent dat de functionaliteit van de auto is
verminderd.
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety Mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een slechte
functie van de auto. Volvo adviseert u de auto
altijd in een erkende Volvo-werkplaats te laten
controleren en naar Normal Mode te laten
resetten nadat de melding Safety mode Zie
handleiding is verschenen.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept zolang
deze in de Safety mode staat. De auto moet
op een bergingsvoertuig worden afgevoerd.
Volvo adviseert u hem te laten afvoeren naar
een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt
terwijl de melding Safety mode Zie
handleiding verschijnt. Verlaat de auto
onmiddellijk.
Als de auto in de veiligheidsmodus staat kan het
systeem worden gereset om de auto te starten
en over een korte afstand te verplaatsen. bijv. als
de auto op een plaats staat waar de verkeersveiligheid in gevaar komt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Veiligheid (p. 46)
Auto in Safety Mode starten en verplaatsen
(p. 62)
Bergen (p. 503)
61
VEILIGHEID
Auto in Safety Mode starten en
verplaatsen
Als de auto in de veiligheidsmodus staat kan het
systeem worden gereset om de auto te starten
en over een korte afstand te verplaatsen. bijv. als
de auto op een plaats staat waar de verkeersveiligheid in gevaar komt.
Auto in Safety Mode starten
1.
Onderzoek de auto op beschadigingen en of
er geen brandstof uit de auto is gelekt. Er
mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
Bij minder ernstige schade en als er geconstateerd is dat geen sprake is van brandstoflekkage, kan er een startpoging worden
gedaan.
3.
BELANGRIJK
Als de melding Safety mode Zie
handleiding nog steeds op het display staat,
mag u niet met de auto rijden en deze evenmin verslepen. U moet de auto dan laten bergen. Verborgen schade kan de auto tijdens
het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als het
lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
Auto in Safety Mode verrijden
1.
Als de melding Normal mode The car is
now in normal mode op het bestuurdersdisplay wordt getoond nadat een startpoging
gedaan is, kan de auto voorzichtig worden
verplaatst, bijv. als hij op een plaats staat
waar de verkeersveiligheid in gevaar
gebracht wordt.
2.
Verrijd de auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt
terwijl de melding Safety mode Zie
handleiding verschijnt. Verlaat de auto
onmiddellijk.
2.
Zet de auto uit.
Probeer vervolgens de auto te starten.
> De auto-elektronica verricht een systeemcontrole en probeert vervolgens de normale modus te activeren.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept zolang
deze in de Safety mode staat. De auto moet
op een bergingsvoertuig worden afgevoerd.
Volvo adviseert u hem te laten afvoeren naar
een erkende Volvo-werkplaats.
62
Gerelateerde informatie
•
•
•
Safety Mode (p. 61)
Motor starten (p. 438)
Bergen (p. 503)
VEILIGHEID
Kinderveiligheid
Kinderen in rijdende auto's moeten altijd veilig
zitten.
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten
(kinderzitjes en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto zijn ontwikkeld. Met kinderveiligheidsproducten van Volvo schept u optimale
voorwaarden voor een veilig vervoer van kinderen
in de auto. U weet bovendien zeker dat de producten passen en eenvoudig in het gebruik zijn.
Het gewicht en de lengte van het kind zijn bepalend voor de te gebruiken producten.
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3–4
jaar) en daarna tot een lengte van 1,40 m (4 voet
7 inch) op/in een verhogingskussen of een in de
rijrichting geplaatst kinderzitje.
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is
het belangrijk om de bijgeleverde montagevoorschriften door te nemen.
Neem bij onduidelijkheden over de montage
van kinderveiligheidsproducten contact op
met de producent.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot zitten.
Kinderzitje
Als u kinderen in de auto vervoert, moet u altijd
een adequate kinderbescherming gebruiken.
Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen
zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de juiste
plaats aanbrengt, monteert en op de juiste wijze
gebruikt.
Raadpleeg voor de juiste montage de montageinstructies bij het kinderzitje.
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is
het belangrijk om de bijgeleverde montagevoorschriften door te nemen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Veiligheid (p. 46)
Neem bij onduidelijkheden over de montage
van kinderveiligheidsproducten contact op
met de producent.
Kinderzitje (p. 63)
Kinderslot activeren en deactiveren (p. 280)
N.B.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het te gebruiken type kinderzitje voor kinderen in verschillende leeftijdscategorieën en gewichtsklassen verschillen van land tot land. Ga na wat er
in uw land geldt.
Laat een kinderzitje nooit los in de auto liggen. Bevestig het altijd volgens de instructies
voor het kinderzitje, ook als u het niet
gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Kinderveiligheid (p. 63)
Geïntegreerd kinderzitje* (p. 76)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 64)
* Optie/accessoire.
}}
63
VEILIGHEID
•
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 65)
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 65)
•
•
Positie van kinderzitje (p. 66)
De auto is voorzien van bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes op de buitenste zitplaatsen van de tweede zitrij.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd
kinderzitje aan te bevestigen.
Passagiersairbag* activeren en deactiveren
(p. 57)
WAARSCHUWING
Haal de bovenste bevestigingsband van het
kinderzitje door de opening in de ene poot
van de hoofdsteun, voordat u de band aan het
bevestigingspunt vastzet. Volg, als dit niet
mogelijk is, de aanbevelingen van de producent van het kinderzitje op.
N.B.
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de bovenste bevestigingspunten vastzet.
Klap de hoofdsteunen omlaag om het monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen
bij auto’s met neerklapbare hoofdsteunen op
de beide buitenste zitplaatsen.
Positie van de bevestigingspunten
N.B.
In auto’s met een bagagerolhoes over de
bagageruimte moet deze worden verwijderd
voordat het kinderzitje in de bevestigingspunten kan worden gemonteerd.
Gerelateerde informatie
Symbolen achter op de rugleuningen geven de positie
van de bevestigingspunten aan.
De bevestigingspunten zitten aan de achterzijde
van de buitenste zitplaatsen op de tweede zitrij.
64
•
•
Kinderzitje (p. 63)
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 65)
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 65)
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 70)
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Onderste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
voor het activeren/deactiveren van de passagiersairbag *.
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten
voor kinderzitjes
De auto is voorzien van onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes voorin* en op de tweede
zitrij.
De onderste bevestigingspunten zijn bedoeld
voor gebruik in combinatie met bepaalde tegen
de rijrichting in geplaatste kinderzitjes.
De auto is voorzien van i-Size/ISOFIX1-bevestigingspunten voor kinderzitjes op de tweede zitrij.
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de onderste bevestigingspunten vastzet.
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
Positie van de bevestigingspunten
Positie van de bevestigingspunten
i-Size/ISOFIX is een bevestigingssysteem voor
kinderzitjes dat gebaseerd is op een internationale norm.
Positie van de bevestigingspunten op de tweede zitrij.
De bevestigingspunten op de tweede zitrij zitten
op de achterste uiteinden van de vloerrails voor
de voorstoelen.
Gerelateerde informatie
•
•
De positie van de bevestigingspunten voorin.
De bevestigingspunten voorin zitten aan de zijkanten van de beenruimte voor de passagiersstoel.
De bevestigingspunten voorin zijn alleen gemonteerd als de auto is voorzien van een schakelaar
Kinderzitje (p. 63)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 64)
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 65)
•
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 70)
Symbolen1 achter op de rugbekleding geven de positie
van de bevestigingspunten aan.
Achter de onderkant van de rugleuningen op de
beide buitenste zitplaatsen van de tweede zitrij
gaan de bevestigingspunten voor het i-Size/
ISOFIX-systeem schuil.
}}
* Optie/accessoire.
65
VEILIGHEID
||
Duw het zitkussen van de zitplaats omlaag om bij
de bevestigingspunten te komen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Kinderzitje (p. 63)
Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 64)
Positie van kinderzitje
Het is belangrijk om het kinderzitje op de juiste
stoel in de auto te plaatsen, wat onder meer
afhangt van het type kinderzitje en van de vraag
of de passagiersairbag is ingeschakeld.
Onderste bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 65)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 72)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 73)
N.B.
De wettelijke bepalingen voor hoe een kind in
de auto moet worden geplaatst, verschillen
per land. Stel u op de hoogte van wat van toepassing is.
WAARSCHUWING
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
Tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes en airbags
gaan niet samen.
Zet tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes
altijd op de tweede of derde* zitrij, als de passagiersairbag geactiveerd is. Als de airbag wordt
opgeblazen, kan een kind op de passagiersstoel
ernstig letsel oplopen.
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
Als de passagiersairbag gedeactiveerd is, kunt u
een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op
de passagiersstoel voorin zetten.
1
66
Naam en symbool verschillen per markt.
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Sticker voor passagiersairbag
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Kinderzitje (p. 63)
Kinderzitje monteren (p. 67)
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 70)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 72)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 73)
Kinderzitje monteren
Bij de montage en het gebruik van een kinderzitje dient u op enkele dingen te letten. Het
hangt van de plaats van het kinderzitje af welke
dingen dat precies zijn.
WAARSCHUWING
Comfortkussens/kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de openingsknop van de gordelsluiting aan kunnen
liggen, mogen niet worden gebruikt aangezien
ze ervoor kunnen zorgen dat de veiligheidsgordel per ongeluk open gaat.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
niet vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan de
veren, rails of balken onder de stoel. Scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigen.
Laat het bovengedeelte van het kinderzitje
niet tegen de voorruit leunen.
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is
het belangrijk om de bijgeleverde montagevoorschriften door te nemen.
Sticker op portierstijl aan passagierszijde. Bij het openen
van het passagiersportier is de sticker zichtbaar.
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag
is aangebracht als hierboven.
Neem bij onduidelijkheden over de montage
van kinderveiligheidsproducten contact op
met de producent.
}}
67
VEILIGHEID
||
N.B.
Op tweede zitrij monteren
Laat een kinderzitje nooit los in de auto liggen. Bevestig het altijd volgens de instructies
voor het kinderzitje, ook als u het niet
gebruikt.
Op voorstoel monteren
•
•
Controleer bij montage van in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes of de passagiersairbag geactiveerd is.
•
Gebruik alleen door Volvo geadviseerde kinderzitjes met een universele of semi-universele goedkeuring waarbij uw auto op de lijst
van compatibele auto's staat.
•
ISOFIX-kinderzitjes zijn alleen te monteren,
wanneer de auto is uitgerust met een
ISOFIX-console2 (accessoire).
•
Als het kinderzitje voorzien is van onderste
bevestigingsbanden, adviseert Volvo u om
deze aan de onderste bevestigingspunten
vast te zetten2.
•
2
3
4
68
Controleer bij montage van tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes of de passagiersairbag gedeactiveerd is.
Om de montage van kinderzitjes te vereenvoudigen kunt u gebruikmaken van een
ISOFIX-geleider.
•
Verstel na het vastzetten van eventuele
onderste bevestigingsbanden van een kinderzitje in de onderste bevestigingspunten
de desbetreffende stoel niet meer. Vergeet
niet om bij het demonteren van een kinderzitje ook altijd eventuele onderste bevestigingsbanden te verwijderen.
•
Maak bij montage van een kinderzitje geen
gebruik van een ISOFIX-geleider.
WAARSCHUWING
Het is niet toegestaan om kinderzitjes met
steunbenen op de middelste zitplaats te monteren, omdat daaraan mogelijk risico's kleven.
•
Gebruik alleen door Volvo geadviseerde kinderzitjes met een universele of semi-universele goedkeuring3 waarbij uw auto op de lijst
van compatibele auto's staat.
•
De buitenste zitplaatsen zijn uitgerust met
ISOFIX-systeem en goedgekeurd voor iSize4.
•
De buitenste zitplaatsen zijn uitgerust met
bevestigingspunten bovenaan. Volvo adviseert u om de bovenste bevestigingsbanden
door de hoofdsteunopening te halen alvorens ze vast te zetten aan de bevestigingspunten. Volg de adviezen van de producent
van het kinderzitje op, als dit niet mogelijk is.
•
Bij auto's moet een derde zitrij* moet u de
tweede zitrij eerst zo ver mogelijk naar achteren schuiven. Als u echter ook een kinderzitje op de derde zitrij gebruikt, kunt u afwijken van het voorgaande. Controleer in dat
geval altijd of het kinderzitje volgens de
instructies van de producent gemonteerd is.
Op derde zitrij monteren*
•
Gebruik alleen door Volvo geadviseerde kinderzitjes met een universele of semi-universele goedkeuring waarbij uw auto op de lijst
van compatibele auto's staat.
•
Het is niet toegestaan om kinderzitjes met
steunbenen op de derde zitrij te monteren.
•
Schuif de tweede zitrij zo nodig naar voren
om voldoende ruimte te creëren. Controleer
bij gelijktijdig gebruik van een kinderzitje op
de tweede zitrij of dit kinderzitje nog steeds
volgens de instructies van de producent vastzit.
Gerelateerde informatie
•
•
Positie van kinderzitje (p. 66)
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 70)
Het aanbod aan accessoires verschilt per markt.
Geldt niet voor de middelste zitplaats.
Verschilt per markt.
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 72)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 73)
69
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die
de veiligheidsgordel in de auto
gebruiken
De tabel geeft aanbevelingen voor de te gebruiken kinderzitjes op de verschillende zitplaatsen
en voor de desbetreffende gewichtsgroepen.
Gewicht
Groep 0
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
Groep 1
9–18 kg
Groep 2
15–25 kg
70
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag, alleen tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes)
N.B.
Neem alvorens een kinderzitje in de auto te
monteren altijd het hoofdstuk over de montage van kinderzitjes in de gebruikershandleiding door.
Voorstoel (met geactiveerde
airbag, alleen in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)
Buitenste zitplaatsen,
tweede zitrij
Middelste zitplaats, tweede
zitrij
Derde zitrij*
UA, B
X
UB
LB
U
UA, B
X
UB
LB
U
LC
UFA, D
U, LC
L
U
LC
UFA, E
UE, LC
B*, F, LE
UE
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag, alleen tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes)
Groep 3
22–36 kg
Voorstoel (met geactiveerde
airbag, alleen in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)
Buitenste zitplaatsen,
tweede zitrij
UFA, G
X
UG
Middelste zitplaats, tweede
zitrij
Derde zitrij*
B*, F, LG
UG
U: Geschikt voor kinderzitjes met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes met universele goedkeuring.
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of semi-universeel zijn.
B: een geïntegreerd kinderzitje dat goedgekeurd is voor vervoer van kinderen in de betrokken gewichtsgroep.
X: deze plaats is niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsgroep.
A
B
C
D
E
F
G
Zet de rugleuning beter rechtop.
Volvo adviseert: Volvo-babyzitje (typegoedkeuring E1 04301146).
Volvo adviseert: Tegen de rijrichting in geplaatst omkeerbaar Volvo-zitje (typegoedkeuring E5 04192); tegen de rijrichting in geplaatste Volvo-kinderzitje (typegoedkeuring E5 04212).
Voor kinderen in deze gewichtsgroep adviseert Volvo een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje.
Volvo adviseert: In de rijrichting geplaatst omkeerbaar Volvo-zitje (typegoedkeuring E5 04192); verhogingskussen met of zonder rugleuning (typegoedkeuring E5 04216); Volvo-kinderzitje met rugleuning (typegoedkeuring E1 04301169); Volvo-kinderzitje (typegoedkeuring E1 04301312).
Volvo adviseert: geïntegreerd kinderzitje (typegoedkeuring E5 04218).
Volvo adviseert: Verhogingskussen met of zonder rugleuning (typegoedkeuring E5 04216); Volvo-kinderzitje met rugleuning (typegoedkeuring E1 04301169); Volvo-kinderzitje (typegoedkeuring E1
04301312).
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 72)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 73)
•
Veiligheidsgordels (p. 49)
Gerelateerde informatie
•
•
Positie van kinderzitje (p. 66)
Kinderzitje monteren (p. 67)
* Optie/accessoire.
71
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor i-Sizekinderzitjes
plaatsen en voor de desbetreffende gewichtsgroepen.
De tabel geeft aanbevelingen voor de te gebruiken i-Size-kinderzitjes op de verschillende zit-
Het kinderzitje moet zijn goedgekeurd conform
UN Reg R129.
N.B.
Neem alvorens een kinderzitje in de auto te
monteren altijd het hoofdstuk over de montage van kinderzitjes in de gebruikershandleiding door.
Type kinderzitje
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag, alleen tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes)
Voorstoel (met geactiveerde
airbag, alleen in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)
Buitenste zitplaatsen,
tweede zitrij
Middelste zitplaats,
tweede zitrij
Derde zitrij*
i-Size-kinderzitje
X
X
i-UA
X
X
i-U: Geschikt voor i-Size-kinderzitje met "universele" goedkeuring dat in of tegen de rijrichting in geplaatst is.
X: Niet geschikt voor kinderzitjes met universele goedkeuring.
A
Volvo adviseert een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje voor deze categorie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
72
Positie van kinderzitje (p. 66)
Kinderzitje monteren (p. 67)
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 70)
•
Plaatsingstabel voor ISOFIX-kinderzitjes
(p. 73)
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 65)
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Plaatsingstabel voor ISOFIXkinderzitjes
plaatsen en voor de desbetreffende gewichtsgroepen.
De tabel geeft aanbevelingen voor de te gebruiken ISOFIX-kinderzitjes op de verschillende zit-
Het kinderzitje moet zijn goedgekeurd conform
UN Reg R44 en de producent van het zitje moet
het desbetreffende automodel op de lijst met
compatibele auto's vermelden.
Gewicht
Groep 0
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
AfmetingscategorieA
Type kinderzitje
E
Tegen rijrichting in
geplaatst babyzitje
E
Tegen rijrichting in
geplaatst babyzitje
C
Tegen rijrichting in
geplaatst kinderzitje
D
Tegen rijrichting in
geplaatst kinderzitje
N.B.
Neem alvorens een kinderzitje in de auto te
monteren altijd het hoofdstuk over de montage van kinderzitjes in de gebruikershandleiding door.
Voorstoel (met
gedeactiveerde airbag, alleen tegen
de rijrichting in
geplaatste kinderzitjes)B
Voorstoel (met
geactiveerde airbag, alleen in de
rijrichting geplaatste kinderzitjes)B
Buitenste zitplaatsen, tweede
zitrij
Middelste zitplaats, tweede
zitrij
Derde zitrij*
ILB, C, XD
X
ILC
X
X
ILB, C, XD
X
ILC
X
X
}}
* Optie/accessoire.
73
VEILIGHEID
||
Gewicht
Groep 1
9–18 kg
AfmetingscategorieA
Type kinderzitje
A
In rijrichting geplaatst
kinderzitje
B
In rijrichting geplaatst
kinderzitje
B1
In rijrichting geplaatst
kinderzitje
C
Tegen rijrichting in
geplaatst kinderzitje
D
Tegen rijrichting in
geplaatst kinderzitje
Voorstoel (met
gedeactiveerde airbag, alleen tegen
de rijrichting in
geplaatste kinderzitjes)B
Voorstoel (met
geactiveerde airbag, alleen in de
rijrichting geplaatste kinderzitjes)B
Buitenste zitplaatsen, tweede
zitrij
Middelste zitplaats, tweede
zitrij
Derde zitrij*
X
ILB, E, XD
ILE, IUFE
X
X
ILB, XD
X
ILF
X
X
IL: Geschikt voor bepaalde ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of semiuniverseel zijn.
IUF: Geschikt voor in de rijrichting geplaatste ISOFIX-kinderzitjes met een universele goedkeuring voor gebruik voor kinderen in de betrokken gewichtsgroep.
X: Niet geschikt voor ISOFIX-kinderzitjes.
A
B
C
D
E
F
74
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-systeem zijn er afmetingscategorieën om te helpen bij het kiezen van het juiste type kinderzitje. De afmetingscategorie staat aangegeven op het etiket van het kinderzitje.
Geschikt voor montage van ISOFIX-kinderzitjes met semi-universele goedkeuring (IL), als de auto is uitgerust met een ISOFIX-console (accessoire) (het aanbod aan accessoires verschilt per markt).
Volvo adviseert: Volvo-babyzitje bevestigd met ISOFIX-systeem (typegoedkeuring E1 04301146).
Geldt bij een auto zonder ISOFIX-console.
Voor kinderen in deze gewichtsgroep adviseert Volvo een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje.
Volvo adviseert: BeSafe iZi Kid X3 ISOfix (typegoedkeuring E5 04200).
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
N.B.
Als een i-Size/ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, moet het automodel op
de voertuiglijst van het kinderzitje staan.
N.B.
Volvo raadt u aan om contact op te nemen
met een erkende Volvo-dealer voor de i-Size/
ISOFIX-kinderzitjes die Volvo adviseert.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Positie van kinderzitje (p. 66)
Kinderzitje monteren (p. 67)
Plaatsingstabel voor kinderzitjes die de veiligheidsgordel in de auto gebruiken (p. 70)
•
Plaatsingstabel voor i-Size-kinderzitjes
(p. 72)
•
i-Size/ISOFIX-bevestigingspunten voor kinderzitjes (p. 65)
75
VEILIGHEID
Geïntegreerd kinderzitje*
In het geïntegreerde kinderzitje op de middelste
zitplaats van de tweede zitrij kunnen kinderen
comfortabel en veilig meerijden.
De kinderzitjes zijn speciaal ontworpen om kinderen optimale bescherming te bieden.
Het kinderzitje is goedgekeurd voor kinderen met
een gewicht van 15–36 kg (33–80 lbs) en een
lengte van minimaal 97 cm (38 inch).
•
•
de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt
de heupgordel laag over het bekken loopt,
zodat deze maximale bescherming biedt.
WAARSCHUWING
Gerelateerde informatie
•
•
•
Kinderzitje (p. 63)
Zitkussen van geïntegreerd kinderzitje* uitklappen (p. 77)
Zitkussen van geïntegreerd kinderzitje*
inklappen (p. 77)
Volvo adviseert om de reparatie of vervanging
van het geïntegreerde kinderzitje alleen te
laten uitvoeren door een erkende Volvo-werkplaats. Het kinderzitje mag niet worden aangepast of van extra's worden voorzien. Als een
geïntegreerd kinderzitje is blootgesteld aan
een zware belasting, bijvoorbeeld bij een aanrijding, moet het zitgedeelte, de veiligheidsgordel, de rugleuning of eventueel het hele
zitje worden vervangen. Ook als het kinderzitje
niet beschadigd lijkt te zijn, kunnen de veiligheidsfuncties van het zitje voor een deel verloren zijn gegaan. Dit geldt ook als het zitgedeelte omlaag was geklapt bij een aanrijding
of iets dergelijks. Het zitgedeelte moet ook
worden vervangen als het sterk versleten is.
Goede positie: de gordel loopt midden over de schouder.
Zorg alvorens weg te rijden dat:
•
•
•
76
het zitkussen vergrendeld is
de hoofdsteun op dezelfde hoogte staat als
het hoofd van uw kind, zodat de hoofdsteun
zo mogelijk het hele achterhoofd bedekt
WAARSCHUWING
Bij het negeren van de instructies voor het
geïntegreerde kinderzitje kan het kind in geval
van een ongeluk ernstig letsel oplopen.
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens slap
hangt of verdraaid is;
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
Zitkussen van geïntegreerd
kinderzitje* uitklappen
Zitkussen van geïntegreerd
kinderzitje* inklappen
Als het geïntegreerde kinderzitje gebruikt wordt,
moet het zitkussen worden opgeklapt.
Als het geïntegreerde kinderzitje niet gebruikt
wordt, moet het zitkussen in de achterbank worden geklapt.
Duw het zitkussen naar achteren om het te
vergrendelen.
WAARSCHUWING
Bij het negeren van de instructies voor het
geïntegreerde kinderzitje kan het kind in geval
van een ongeluk ernstig letsel oplopen.
Trek de handgreep naar voren en omhoog
om het zitkussen te ontgrendelen.
Trek de handgreep naar voren om het zitkussen te ontgrendelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Geïntegreerd kinderzitje* (p. 76)
Zitkussen van geïntegreerd kinderzitje*
inklappen (p. 77)
}}
* Optie/accessoire.
77
VEILIGHEID
||
Duw het zitkussen met uw hand omlaag om
het te vergrendelen.
BELANGRIJK
Controleer vóór het omlaag klappen of er
geen losse voorwerpen (bijvoorbeeld speelgoed) zijn achtergebleven in de ruimte onder
het zitgedeelte van het kinderzitje.
N.B.
Bij het inklappen van rugleuningen achter
moet eerst het zitgedeelte van het kinderzitje
worden neergeklapt.
Gerelateerde informatie
•
•
78
Geïntegreerd kinderzitje* (p. 76)
Zitkussen van geïntegreerd kinderzitje* uitklappen (p. 77)
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Instrumenten en bediening bij een
auto met het stuur links
In de overzichten wordt aangegeven waar displays en bedieningselementen dicht bij de
bestuurder zitten.
Stuurwiel en instrumentenpaneel
Stuurwielafstelling
Claxon
Linker knoppenset op het stuur
Motorkap openen
Displayverlichting, achterklep ontgrendelen/
openen* / vergrendelen/sluiten*, koplamphoogteregeling van halogeenkoplampen
Plafondconsole
Middendisplay
Alarmlichten, ontwaseming, media, klep
dashboardkastje ontgrendelen
Schakelhendel/keuzehendel
Startknop
Stadslicht, dagrijlicht, dimlicht, groot licht,
richtingaanwijzers, mistlampen vóór/bochtverlichting*, mistachterlicht, op nul zetten van
dagtellers
Stuurpaddles om handmatig te schakelen
met een automatische versnellingsbak*
Head-updisplay*
Bestuurdersdisplay
Wissers en sproeiers, regensensor*
Rechter stuurknoppenset
80
Rijmodusknop*
Parkeerrem
Leeslampjes en interieurverlichting voorin
Panoramadak*
Automatische rem bij stilstand
Bestuurdersportier
Display in plafondconsole
Handmatige dimfunctie van achteruitkijkspiegel
Midden- en tunnelconsole
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
•
Versnellingsbak (p. 452)
Instrumenten en bediening bij een
auto met het stuur rechts
In de overzichten wordt aangegeven waar displays en bedieningselementen dicht bij de
bestuurder zitten.
Stuurwiel en instrumentenpaneel
Geheugens voor instellingen van elektrisch
bedienbare voorstoel*, buitenspiegels en
head-updisplay*
Centrale vergrendeling
Elektrisch bedienbare ruiten, buitenspiegels,
elektrisch kinderslot*
Instelling van voorstoel
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 188)
Elektrisch bedienbare voorstoel* verstellen
(p. 189)
Stuurwiel instellen (p. 204)
Verlichtingsbediening (p. 154)
Motor starten (p. 438)
Bestuurdersdisplay (p. 84)
Overzicht van het middendisplay (p. 110)
}}
* Optie/accessoire.
81
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Stuurwielafstelling
||
Linker knoppenset op het stuur
Plafondconsole
Stadslicht, dagrijlicht, dimlicht, groot licht,
richtingaanwijzers, mistlampen vóór/bochtverlichting*, mistachterlicht, op nul zetten van
dagtellers
Middendisplay
Alarmlichten, ontwaseming, media, klep
dashboardkastje ontgrendelen
Stuurpaddles om handmatig te schakelen
met een automatische versnellingsbak*
Leeslampjes en interieurverlichting voorin
Head-updisplay*
Panoramadak*
Bestuurdersdisplay
Display in plafondconsole
Wissers en sproeiers, regensensor*
Handmatige dimfunctie van achteruitkijkspiegel
Rechter stuurknoppenset
Displayverlichting, achterklep ontgrendelen/
openen* / vergrendelen/sluiten*, koplamphoogteregeling van halogeenkoplampen
Schakelhendel/keuzehendel
Startknop
Rijmodusknop*
Parkeerrem
Automatische rem bij stilstand
Midden- en tunnelconsole
Motorkap openen
Claxon
82
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Bestuurdersportier
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 110)
Versnellingsbak (p. 452)
Geheugens voor instellingen van elektrisch
bedienbare voorstoel*, buitenspiegels en
head-updisplay*
Centrale vergrendeling
Elektrisch bedienbare ruiten, buitenspiegels,
elektrisch kinderslot*
Instelling van voorstoel
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 188)
Elektrisch bedienbare voorstoel* verstellen
(p. 189)
Stuurwiel instellen (p. 204)
Verlichtingsbediening (p. 154)
Motor starten (p. 438)
Bestuurdersdisplay (p. 84)
* Optie/accessoire.
83
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Bestuurdersdisplay
Het bestuurdersdisplay geeft informatie weer
over de auto en het rijden.
Van het bestuurdersdisplay maken deel uit
meters, indicatoren en controle- en waarschuwingssymbolen. Wat er op het bestuurdersdisplay
wordt weergegeven, hangt af van de uitrusting,
instellingen en de op dat moment actieve functies van de auto.
Het bestuurdersdisplay is verkrijgbaar in twee uitvoeringen: één van 12 inch* en één van 8 inch.
Het bestuurdersdisplay wordt geactiveerd zodra
er een portier wordt geopend, d.w.z. in contactslotstand 0. Het bestuurdersdisplay dooft, als het
enige tijd niet wordt gebruikt. Om het weer te
activeren moet u het volgende doen:
•
•
•
Bedien het rempedaal.
Activeer contactslotstand I.
Open een van de portieren.
Bestuurdersdisplay, 12 inch*
WAARSCHUWING
Bij storingen in het bestuurdersdisplay kan
mogelijk geen informatie over het remsysteem, de airbags of andere veiligheidssystemen worden weergegeven. U kunt de status
van de autosystemen dan niet controleren en
evenmin waarschuwingen en informatie ontvangen.
WAARSCHUWING
Maak geen gebruik van de auto, als het
bestuurdersdisplay na de activering/start
dooft of niet oplicht of als het bestuurdersdisplay of delen ervan onleesbaar zijn. Bezoek
onmiddellijk een werkplaats. Geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Positie op het bestuurdersdisplay:
84
Links
In het midden
Rechts
Snelheidsmeter
Controle- en waarschuwingssymbolen
Toerenteller/ECO-meterA
Dagtellers
Buitentemperatuurmeter
Schakelindicator
KilometertellerB
Klok
Rijmodus
Informatie over cruisecontrol en snelheidsbegrenzer
Meldingen, in bepaalde gevallen met grafische voorstellingen
Brandstofmeter
Verkeersbordinformatie*
Informatie over portieren en gordels
Status van Start/Stop-systeem
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
A
B
Links
In het midden
Rechts
-
Mediaspeler
Actieradius op tank
-
Navigatiekaart*
Momentaan brandstofverbruik
-
Telefoon
Appmenu (te activeren met de knoppenset op het
stuurwiel)
-
Stembediening
-
-
KompasA
-
Afhankelijk van de gekozen rijmodus.
Gecumuleerde afstand.
Bestuurdersdisplay, 8 inch
}}
* Optie/accessoire.
85
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Positie op het bestuurdersdisplay:
A
B
86
Links
In het midden
Rechts
Brandstofmeter
Snelheidsmeter
Mediaspeler
Rijmodus
Verkeersbordinformatie*
Telefoon
Schakelindicator
Informatie over cruisecontrol en snelheidsbegrenzer
Navigatie-informatie*
Toerenteller/ECO-meterA
Informatie over portieren en gordels
Klok
Actieradius op tank
Status van Start/Stopp-systeem
Appmenu (te activeren met de knoppenset op het stuurwiel)
Buitentemperatuurmeter
-
Momentaan brandstofverbruik
Controle- en waarschuwingssymbolen
-
KilometertellerB
-
-
Dagtellers
-
-
Controle- en waarschuwingssymbolen
-
-
Stembediening
-
-
Motortemperatuurmeter
-
-
Meldingen, in bepaalde gevallen met grafische voorstellingen
-
-
KompasA
Afhankelijk van de gekozen rijmodus.
Gecumuleerde afstand.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Dynamisch symbool
Het dynamische symbool in zijn
basisvorm.
In het midden van het bestuurdersdisplay staat
een dynamisch symbool dat er afhankelijk van het
type melding anders uitziet. Een amberkleurige of
rode markering rond het symbool geeft de ernstigheidsgraad van controle- en waarschuwingsmeldingen aan. Aan de hand van een animatie is
de basisvorm te wijzigen in een groeiend symbool
om grafisch aan te geven waar het probleem zich
bevindt of om informatie te verduidelijken.
Gerelateerde informatie
•
•
Instellingen voor bestuurdersdisplay (p. 88)
•
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
(p. 95)
•
•
•
Waarschuwingssymbolen op bestuurdersdisplay (p. 97)
Boordcomputer (p. 89)
Melding op bestuurdersdisplay (p. 106)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 105)
Voorbeeld van controlesymbool.
87
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Instellingen voor bestuurdersdisplay
Instellingen voor de weergave-opties van het
bestuurdersdisplay zijn te verrichten in het applicatiemenu van het bestuurdersdisplay en in het
instellingsmenu van het middendisplay.
Instellingen in appmenu van
bestuurdersdisplay
Thema kiezen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Kies thema (uiterlijk) van het bestuurdersdisplay:
•
•
•
•
In het appmenu is te kiezen welke informatie op
het bestuurdersdisplay moet verschijnen:
•
•
•
•
boordcomputer
mediaspeler
navigatiesysteem*.
Instellingen op middendisplay
Informatietype kiezen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car Displays
bestuurdersscherm.
3.
Kies wat er op de achtergrond moet verschijnen:
88
2.
Informatie
• Geen info in achtergrond tonen
• Info huidige gespeelde media tonen
• Navigatie ook tonen zonder
1
Instellingen wijzigen op middendisplay
(p. 136)
Toon skins
Glass
Minimalistic
Performance
Chrome Rings.
Taal kiezen
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
telefoon
ingestelde route1.
Displays
•
Druk op Systeem Systeemtalen en eenheden Systeemtaal om een taal te
kiezen.
> Een wijziging werkt door op de taal op alle
niveaus.
De instellingen zijn persoonlijk en worden automatisch opgeslagen onder het actieve gebruikersprofiel.
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 84)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 105)
Alleen bij het 12 inch bestuurdersdisplay verschijnt een kaart*. Bij het 8 inch bestuurdersdisplay verschijnt alleen routebegeleiding.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Brandstofmeter
Boordcomputer
De brandstofmeter op het bestuurdersdisplay
geeft het brandstofpeil in de tank aan.
De boordcomputer van de auto registreert en
berekent waarden zoals afgelegde afstand,
brandstofverbruik en gemiddelde snelheid tijdens het rijden.
Om eenvoudiger zuinig te kunnen rijden, worden
het momentane en het gemiddelde brandstofverbruik geregistreerd. De boordcomputerinformatie
is weer te geven op het bestuurdersdisplay.
Brandstofmeter op 8 inch bestuurdersdisplay:
Brandstofmeter op 12 inch bestuurdersdisplay:
Het beige gebied van de brandstofmeter geeft
het brandstofpeil in de tank aan.
Wanneer het brandstofpeil gering is en u moet
bijtanken, gaat het amberkleurige tanksymbool
branden. De boordcomputer geeft ook de resterende actieradius op de tank aan.
De balkjes van de brandstofmeter geven het
brandstofpeil in de tank aan.
Wanneer het brandstofpeil gering is en u moet
bijtanken, gaat het amberkleurige tanksymbool
branden. De boordcomputer geeft ook de resterende actieradius op de tank aan. Wanneer het
brandstofpeil kritiek laag is, rest nog één amberkleurig balkje. Tank de auto dan zo spoedig
mogelijk bij.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 84)
Brandstof tanken (p. 478)
Brandstoftank - inhoud (p. 683)
}}
89
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
•
•
||
Actieradius op tank
Actieradius op tank
Toerist (alternatieve snelheidsmeter)
De boordcomputer berekent de actieradius op
basis van de resterende hoeveelheid brandstof in
de tank.
Eenheden voor afstand, snelheid en dergelijk zijn
te wijzigen via de systeeminstellingen op het middendisplay.
Er zijn twee dagtellers, TM en TA.
De actieradius wordt berekend aan de hand van
het gemiddelde brandstofverbruik over de laatste
30 km (20 mijl) en de resterende hoeveelheid
brandstof.
TM kan handmatig op nul worden gezet en TA
wordt automatisch op nul gezet als de auto minimaal vier uur niet wordt gebruikt.
Als de meter "----" aangeeft, is er te weinig
brandstof over om de actieradius te kunnen berekenen. Tank zo spoedig mogelijk.
Dagtellers
12 inch bestuurdersdisplay*.
Tijdens de rit wordt informatie geregistreerd over:
•
•
•
•
Afstand
Rijtijd
Gemiddelde snelheid
Gemiddeld brandstofverbruik.
De waarden zijn berekend op basis van de waarden sinds de laatste reset.
Kilometerteller
De kilometerteller registreert de totale afgelegde
afstand van de auto. Deze waarde is niet op nul
te zetten.
8 inch bestuurdersdisplay.
De volgende meters maken deel uit van de
boordcomputer:
•
•
•
90
Dagtellers
Kilometerteller
Momentaan brandstofverbruik
Momentaan brandstofverbruik
Deze meter geeft het actuele brandstofverbruik
van de auto aan. De waarde wordt zowat iedere
seconde bijgewerkt.
N.B.
Er is een bepaalde afwijking mogelijk, als u
van rijstijl verandert.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een langere actieradius.
Toerist (alternatieve snelheidsmeter)
De alternatieve digitale snelheidsmeter vereenvoudigt het rijden in landen waar verkeersborden
met de voorgeschreven snelheden een andere
eenheid hebben dan wat de instrumenten van de
auto laten zien.
De digitale snelheid wordt dan weergegeven in
de eenheid die de analoge snelheidsmeter juist
niet geeft. Is de analoge snelheidsmeter ingesteld op mph, dan wordt de snelheid op de
boordcomputermeter weergegeven in km/h en
omgekeerd.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Gerelateerde informatie
•
Rijstatistieken tonen op het bestuurdersdisplay (p. 91)
•
•
Dagteller resetten (p. 92)
•
Bestuurdersdisplay (p. 84)
Verbruiksinfo weergeven op het middendisplay (p. 92)
Rijstatistieken tonen op het
bestuurdersdisplay
De door de boordcomputer geregistreerde en
berekende waarden kunnen worden weergegeven op het bestuurdersdisplay.
De waarden worden opgeslagen in een boordcomputerapp. Via het appmenu kunt u die informatie kiezen die op het bestuurdersdisplay moeten worden weergegeven.
Open het appmenu2 en blader erin met de rechter
stuurknoppenset.
Appmenu
Links/rechts
Omhoog/omlaag
Bevestigen
2
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
1.
Open het appmenu op het bestuurdersdisplay door op (1) te drukken.
(Het appmenu is niet te openen als er nog
een onbevestigde melding op het bestuurdersdisplay staat. De melding moet eerst
worden bevestigd voordat het appmenu te
openen is.)
2.
Navigeer naar de boordcomputerapp door
met (2) naar links of rechts te vegen.
> Op de bovenste vier menuregels staan de
gemeten waarden voor dagteller TM. Op
de vier menuregels eronder staan de
gemeten waarden voor dagteller TA. Blader omhoog of omlaag in de lijst met (3).
3.
Blader verder omlaag naar de alternatievenknoppen om te kiezen welke informatie op het
bestuurdersdisplay moet worden weergegeven:
•
•
•
Actieradius op tank
Kilometerteller
Afgelegde afstand voor dagteller TM, TA
of geen weergave van afgelegde afstand
•
Momentaan brandstofverbruik, gemiddeld
verbruik voor TM of TA of geen weergave
van het brandstofverbruik
•
Toerist (alternatieve snelheidsmeter).
Selecteer of deselecteer een optie met de
knop O (4). De wijziging gaat meteen in.
}}
91
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Gerelateerde informatie
•
•
Boordcomputer (p. 89)
Dagteller resetten
Reset de dagteller met de linker stuurhendel.
Verbruiksinfo weergeven op het
middendisplay
De verbruiksinfo van de boordcomputer verschijnt in grafische vorm op het middendisplay
en biedt u het overzicht waarmee u eenvoudig
zuiniger kunt rijden.
Dagteller resetten (p. 92)
Open de app Bestuurder
prestaties op het appscherm
om de verbruiksinfo weer te
geven.
–
Reset alle informatie van de dagteller TM
(dat wil zeggen actieradius, gemiddeld verbruik, gemiddelde snelheid en rijtijd) door de
RESET-knop op de linker stuurhendel lang
in te drukken.
Bij kort indrukken van de RESET-knop reset
u alleen de actieradius.
Dagteller TA heeft alleen een automatische
resetfunctie die start, wanneer de auto vier uur
lang niet wordt gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
92
Boordcomputer (p. 89)
Elke staaf in het diagram staat
voor een afstand van 1, 10 of
100 km (of miles). Tijdens het rijden worden de
staven van rechts naar links aangevuld. De staaf
uiterst rechts geeft de waarde voor de actuele
etappe aan.
Het gemiddelde brandstofverbruik en de totale
rijtijd zijn bepaald op basis van de verbruiksinfo
sinds de laatste nulstelling.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Instellingen voor verbruiksinfo
De instellingen voor verbruiksinfo zijn op nul te
stellen of aan te passen.
1.
Open de app Bestuurder prestaties op het
appscherm om de verbruiksinfo weer te
geven.
Gerelateerde informatie
•
Verbruiksinfo weergeven op het middendisplay (p. 92)
•
•
Boordcomputer (p. 89)
Dagteller resetten (p. 92)
Verbruiksinfo van de boordcomputer3.
Gerelateerde informatie
•
•
Instellingen voor verbruiksinfo (p. 93)
Boordcomputer (p. 89)
2.
Druk op Voorkeur om
•
de schaalverdeling te wijzigen. Kies een
resolutie van 1, 10 of 100 km/miles voor
de staaf.
•
de verbruiksinfo na afloop van een rit op
nul te zetten. Wanneer de auto meer dan
4 uur stilgestaan heeft.
•
de gegevens over de actuele rit op nul te
zetten.
Verbruiksinfo, berekend gemiddeld verbruik
en totale rijtijd worden altijd gelijktijdig op nul
gezet.
Eenheden voor afstand, snelheid en dergelijk zijn
te wijzigen via de systeeminstellingen op het middendisplay.
3
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
93
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Tijd en datum
Instellingen voor tijd en datum
Buitentemperatuurmeter
De klok is zichtbaar op zowel bestuurders- als
middendisplay.
–
De buitentemperatuurmeter staat aangegeven
op het bestuurdersdisplay.
Een sensor registreert de temperatuur buiten de
auto.
Positie van de klok
Kies Instellingen Systeem Datum en
tijd op het hoofdscherm van het middendisplay om de instellingen voor tijd- en datumformaat te wijzigen.
Stel de tijd en datum in door op de pijlen
omhoog of omlaag op het touchscreen te
drukken.
Positie van de klok bij een 12 inch en een 8 inch
bestuurdersdisplay.
Op het middendisplay zit de klok rechts bovenaan
op de statusbalk.
In sommige situaties kan de klok op het bestuurdersdisplay schuilgaan achter meldingen en
informatie.
Automatische tijd voor auto's met gps
Bij een auto met navigatiesysteem kunt u
Automatische tijd kiezen. De tijdzone wordt dan
automatisch ingesteld aan de hand van waar de
auto zich bevindt. Voor een bepaald type navigatiesysteem moet ook de huidige locatie (land)
worden ingesteld om de juiste tijdzone te krijgen.
Als Automatische tijd niet is gekozen, stelt u
tijd en datum met de pijlen omhoog of omlaag op
het touchscreen.
Zomertijd
In sommige landen kan automatische instelling
van de zomertijd worden geselecteerd met Auto.
Voor alle overige landen kan de zomertijd worden
ingesteld met Aan of Uit.
Gerelateerde informatie
•
•
94
Bestuurdersdisplay (p. 84)
Instellingen wijzigen op middendisplay
(p. 136)
Positie van de buitentemperatuurmeter bij een 12 inch
en een 8 inch bestuurdersdisplay.
Als de auto geparkeerd heeft gestaan, is het
mogelijk dat de meter een te hoge temperatuur
aangeeft.
Wanneer de buitentemperatuur in het gebied –5
tot +2 °C (23 tot 36 °F) ligt, brandt er ook een
sneeuwvloksymbool op het bestuurdersdisplay,
dat voor slipgevaar waarschuwt.
Het sneeuwvloksymbool gaat ook tijdelijk branden op het head-updisplay, als de auto daarmee
is uitgerust.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Wijzig de eenheid voor o.a. de temperatuurmeter
via systeeminstellingen op het hoofdscherm van
het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 84)
Systeemeenheden wijzigen (p. 134)
Controlesymbolen op
bestuurdersdisplay
De controlesymbolen attenderen u erop dat de
bijbehorende functies ingeschakeld zijn, de desbetreffende systemen actief zijn of dat er storingen of gebreken zijn opgetreden.
Symbool
Betekenis
Informatie, lees displaymelding
Bij een afwijking in een van de
autosystemen gaat het informatiesymbool branden op het bestuurdersdisplay en verschijnt er een
displaytekst. Het informatiesymbool
kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
Storing in remsysteem
Het symbool brandt bij een storing
in de parkeerrem.
Storing in ABS
Als het symbool brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog
wel, zij het zonder ABS-regeling.
Symbool
Betekenis
Automatische rem aan
Het symbool brandt, wanneer de
functie actief is en de bedrijfsrem
of parkeerrem ingrijpen. De rem
zorgt dat de auto stil blijft staan,
nadat deze tot stilstand is gekomen.
Bandenspanningssysteem
Het symbool brandt bij een te lage
bandenspanning. Bij een storing in
het bandenspanningssysteem gaat
het symbool eerst ca. 1 minuut
knipperen en vervolgens permanent branden. Dit kan komen doordat het systeem niet als beoogd
een lage bandenspanning kan
registreren of daarvoor waarschuwen.
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan na een motorstart het symbool gaan branden.
Rijd voor een controle naar een
werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
}}
95
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Symbool
Betekenis
Richtingaanwijzer links en
rechts
De symbolen knipperen als de richtingaanwijzers worden gebruikt.
Symbool
Betekenis
Het symbool brandt, wanneer de
stadslichten zijn ingeschakeld.
Fout in het koplampsysteem
Het symbool brandt, als er een storing is opgetreden in het ABL
(Active Bending Lights) of als er
een andere storing is opgetreden
in het koplampsysteem.
Automatisch groot licht aan
96
Betekenis
Groot licht aan
Regensensor aan
Het symbool brandt, wanneer u het
groot licht voert of grootlichtsignalen geeft.
Dit symbool brandt, wanneer de
regensensor aanstaat.
Automatisch groot licht aan
Stadslichten voor/achterlichten
Symbool
Preconditioning aan
Het symbool brandt met blauw licht
als het automatisch groot licht aan
is. Stadslichten zijn ingeschakeld.
Het symbool brandt, wanneer de
motor- en interieurverwarming/
airconditioning voor preconditioning van de auto zorgen.
Automatisch groot licht uit
Stabiliteitsregeling
Het symbool brandt met wit licht
als het automatisch groot licht uit
is. Stadslichten zijn ingeschakeld.
Het knipperende symbool geeft
aan dat de stabiliteitsregeling
werkt. Als het symbool continu
brandt is er sprake van een storing
in het systeem.
Groot licht aan
Het symbool brandt, wanneer het
groot licht en de stadslichten zijn
ingeschakeld.
Het symbool brandt met blauw licht
als het automatisch groot licht aan
is.
Mistlampen aan
Automatisch groot licht uit
Mistachterlicht aan
Het symbool brandt met wit licht
als het automatisch groot licht uit
is.
Het symbool brandt, wanneer het
mistachterlicht is ingeschakeld.
Het symbool brandt, wanneer de
mistlampen voor zijn ingeschakeld.
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
Het symbool brandt, wanneer de
Sport-stand is geactiveerd. De
Sport-stand maakt een actievere
rijervaring mogelijk. Het systeem
registreert dan of de gaspedaal- en
stuurwielbediening alsook het
bochtenwerk aan te merken zijn als
sportiever dan normaal, waarna het
systeem toestaat dat de achtertrein
een gecontroleerde vorm van slippen vertoont voordat het ingrijpt en
de auto stabiliseert.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Symbool
Betekenis
Rijbaanassistent
Wit symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is waargenomen.
Grijs symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is niet waargenomen.
Amberkleurig symbool: Rijbaanassistent waarschuwt/grijpt in.
De waarschuwingssymbolen attenderen u erop
dat belangrijke functies zijn ingeschakeld of dat
er ernstige storingen of gebreken zijn opgetreden.
Symbool
Betekenis
Waarschuwing
Grijs symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is niet waargenomen. De regensensor is aan.
Het rode waarschuwingssymbool
gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd die van
invloed kan zijn op de veiligheid
en/of de rijeigenschappen van de
auto. Er verschijnt tegelijkertijd een
verklarende tekstmelding op het
bestuurdersdisplay. Het waarschuwingssymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
AdBlue-systeemA
Gordelwaarschuwing
Het symbool brandt bij een gering
AdBlue-peil of bij een storing in
het AdBlue-systeem.
Het symbool brandt of knippert als
u of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als iemand
op de achterbank de gordel heeft
losgenomen.
Rijbaanassistent en regensensor
Wit symbool: Rijbaanassistent aan
en wegbelijning is waargenomen.
De regensensor is aan.
A
Waarschuwingssymbolen op
bestuurdersdisplay
Geldt voor een auto met dieselmotor.
Symbool
Betekenis
Airbags
Als het symbool tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing geregistreerd in een van de
veiligheidssystemen van de auto.
Lees de melding op het bestuurdersdisplay. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag.
Bezoek de dichtstbijzijnde erkende
werkplaats om het remvloeistofpeil
te laten controleren en aanpassen.
Parkeerrem aangezet
Het lampje brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet.
Een knipperend symbool houdt in
dat er een storing is opgetreden.
Lees de melding op het bestuurdersdisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 84)
Waarschuwingssymbolen op bestuurdersdisplay (p. 97)
}}
97
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Symbool
Betekenis
Lage oliedruk
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie
te laag. Zet de motor onmiddellijk
af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het lampje
oplicht terwijl het oliepeil in orde is,
moet u contact opnemen met een
werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Dynamo laadt niet bij
Het lampje gaat tijdens het rijden
branden, als er sprake is van een
storing in het elektrisch systeem.
Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
Dreigende botsing
City Safety geeft een waarschuwing bij een dreigende botsing met
andere voertuigen, voetgangers,
fietsers en grotere dieren.
Gerelateerde informatie
98
•
Controlesymbolen op bestuurdersdisplay
(p. 95)
•
Bestuurdersdisplay (p. 84)
Licentieovereenkomst voor
bestuurdersdisplay
Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen te verrichten of het recht om gebruik te maken van
een product waar een andere rechtspersoon
octrooi of eigendomsrechten op heeft, onder de
voorwaarden vervat in de overeenkomst. Hier
volgt een Engelse versie van de overeenkomst
tussen Volvo en producenten of ontwikkelaars.
Boost Software License 1.0
Permission is hereby granted, free of charge, to
any person or organization obtaining a copy of
the software and accompanying documentation
covered by this license (the "Software") to use,
reproduce, display, distribute, execute, and
transmit the Software, and to prepare derivative
works of the Software, and to permit third-parties
to whom the Software is furnished to do so, all
subject to the following: The copyright notices in
the Software and this entire statement, including
the above license grant, this restriction and the
following disclaimer, must be included in all
copies of the Software, in whole or in part, and all
derivative works of the Software, unless such
copies or derivative works are solely in the form
of machine-executable object code generated by
a source language processor.
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE, TITLE AND NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL THE
COPYRIGHT HOLDERS OR ANYONE
DISTRIBUTING THE SOFTWARE BE LIABLE
FOR ANY DAMAGES OR OTHER LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, TORT OR
OTHERWISE, ARISING FROM, OUT OF OR IN
CONNECTION WITH THE SOFTWARE OR THE
USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
BSD 4-clause "Original" or "Old" License
Copyright (c) 1982, 1986, 1990, 1991, 1993
The Regents of the University of California. All
rights reserved.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer.
2.
Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution.
3.
All advertising materials mentioning features
or use of this software must display the
following acknowledgement: This product
includes software developed by the
University of California, Berkeley and its
contributors.
4.
Neither the name of the University nor the
names of its contributors may be used to
endorse or promote products derived from
this software without specific prior written
permission.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE
REGENTS AND CONTRIBUTORS ``AS IS'' AND
ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY
AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE
ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE
REGENTS OR CONTRIBUTORS BE LIABLE
FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL,
SPECIAL, EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL
DAMAGES (INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR
SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS;
OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER
CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY,
OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF
THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
BSD 3-clause "New" or "Revised" License
Copyright (c) 2011-2014, Yann Collet.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer.
2.
Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution.
3.
Neither the name of the organisation nor the
names of its contributors may be used to
endorse or promote products derive from this
software without specific prior written
permission.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE
COPYRIGHT HOLDERS AND CONTRIBUTORS
"AS IS" AND ANY EXPRESS OR IMPLIED
WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED
TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN
NO EVENT SHALL THE COPYRIGHT HOLDER
OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY
DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL,
EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES
(INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR
SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS;
OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER
CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY,
OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF
THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
}}
99
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
BSD 2-clause “Simplified” license
Copyright (c) <YEAR>, <OWNER> All rights
reserved.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer.
2.
Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution.
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE
COPYRIGHT HOLDERS AND CONTRIBUTORS
"AS IS" AND ANY EXPRESS OR IMPLIED
WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED
TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN
NO EVENT SHALL THE COPYRIGHT OWNER
OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY
DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL,
EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES
(INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR
SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS;
OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER
CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY,
100
OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF
THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
The views and conclusions contained in the
software and documentation are those of the
authors and should not be interpreted as
representing official policies, either expressed or
implied, of the FreeBSD Project.
FreeType Project License
1. 1 Copyright 1996-1999 by David Turner,
Robert Wilhelm, and Werner Lemberg
Introduction The FreeType Project is
distributed in several archive packages; some
of them may contain, in addition to the
FreeType font engine, various tools and
contributions which rely on, or relate to, the
FreeType Project. This license applies to all
files found in such packages, and which do
not fall under their own explicit license. The
license affects thus the FreeType font
engine, the test programs, documentation
and makefiles, at the very least. This license
was inspired by the BSD, Artistic, and IJG
(Independent JPEG Group) licenses, which
all encourage inclusion and use of free
software in commercial and freeware
products alike. As a consequence, its main
points are that: o We don't promise that this
software works. However, we are be
interested in any kind of bug reports. (`as is'
distribution) o You can use this software for
whatever you want, in parts or full form,
without having to pay us. (`royalty-free'
usage) o You may not pretend that you wrote
this software. If you use it, or only parts of it,
in a program, you must acknowledge
somewhere in your documentation that
you've used the FreeType code. (`credits')
We specifically permit and encourage the
inclusion of this software, with or without
modifications, in commercial products,
provided that all warranty or liability claims
are assumed by the product vendor. Legal
Terms 0. Definitions Throughout this license,
the terms `package', `FreeType Project', and
`FreeType archive' refer to the set of files
originally distributed by the authors (David
Turner, Robert Wilhelm, and Werner
Lemberg) as the `FreeType project', be they
named as alpha, beta or final release. `You'
refers to the licensee, or person using the
project, where `using' is a generic term
including compiling the project's source code
as well as linking it to form a `program' or
`executable'. This program is referred to as `a
program using the FreeType engine'. This
license applies to all files distributed in the
original FreeType archive, including all source
code, binaries and documentation, unless
otherwise stated in the file in its original,
unmodified form as distributed in the original
archive. If you are unsure whether or not a
particular file is covered by this license, you
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
must contact us to verify this. The FreeType
project is copyright (C) 1996-1999 by David
Turner, Robert Wilhelm, and Werner
Lemberg. All rights reserved except as
specified below. 1. No Warranty THE
FREETYPE ARCHIVE IS PROVIDED `AS IS'
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EITHER EXPRESSED OR IMPLIED,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND
FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE.
IN NO EVENT WILL ANY OF THE
AUTHORS OR COPYRIGHT HOLDERS BE
LIABLE FOR ANY DAMAGES CAUSED BY
THE USE OR THE INABILITY TO USE, OF
THE FREETYPE PROJECT. As you have not
signed this license, you are not required to
accept it. However, as the FreeType project
is copyrighted material, only this license, or
another one contracted with the authors,
grants you the right to use, distribute, and
modify it. Therefore, by using, distributing, or
modifying the FreeType project, you indicate
that you understand and accept all the terms
of this license.
2.
Redistribution Redistribution and use in
source and binary forms, with or without
modification, are permitted provided that the
following conditions are met: o Redistribution
of source code must retain this license file
(`licence.txt') unaltered; any additions,
deletions or changes to the original files
must be clearly indicated in accompanying
documentation. The copyright notices of the
unaltered, original files must be preserved in
all copies of source files. o Redistribution in
binary form must provide a disclaimer that
states that the software is based in part of
the work of the FreeType Team, in the
distribution documentation. We also
encourage you to put an URL to the
FreeType web page in your documentation,
though this isn't mandatory. These conditions
apply to any software derived from or based
on the FreeType code, not just the
unmodified files. If you use our work, you
must acknowledge us. However, no fee need
be paid to us.
3.
Advertising The names of FreeType's authors
and contributors may not be used to endorse
or promote products derived from this
software without specific prior written
permission. We suggest, but do not require,
that you use one or more of the following
phrases to refer to this software in your
documentation or advertising materials:
`FreeType Project', `FreeType Engine',
`FreeType library', or `FreeType Distribution'.
4.
Contacts There are two mailing lists related
to FreeType: o freetype@freetype.org
Discusses general use and applications of
FreeType, as well as future and wanted
additions to the library and distribution. If you
are looking for support, start in this list if you
haven't found anything to help you in the
documentation. o devel@freetype.org
Discusses bugs, as well as engine internals,
design issues, specific licenses, porting, etc.
o http://www.freetype.org Holds the current
FreeType web page, which will allow you to
download our latest development version and
read online documentation. You can also
contact us individually at: David Turner
<david.turner@freetype.org> Robert Wilhelm
<robert.wilhelm@freetype.org> Werner
Lemberg <werner.lemberg@freetype.org>
}}
101
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
libpng versions 0.97, January 1998, through
1.0.6, March 20, 2000, are Copyright (c) 1998,
1999 Glenn Randers-Pehrson, and are
distributed according to the same disclaimer and
license as libpng-0.96, with the following
individuals added to the list of Contributing
Authors:
For the purposes of this copyright and license,
"Contributing Authors" is defined as the following
set of individuals:
Tom Lane
Paul Schmidt
If you modify libpng you may insert additional
notices immediately following this sentence.
Glenn Randers-Pehrson
Tim Wegner
Willem van Schaik
libpng versions 1.0.7, July 1, 2000, through
1.0.13, April 15, 2002, are Copyright (c)
2000-2002 Glenn Randers-Pehrson and are
distributed according to the same disclaimer and
license as libpng-1.0.6 with the following
individuals added to the list of Contributing
Authors
libpng versions 0.89, June 1996, through 0.96,
May 1997, are Copyright (c) 1996, 1997
Andreas Dilger Distributed according to the same
disclaimer and license as libpng-0.88, with the
following individuals added to the list of
Contributing Authors:
The PNG Reference Library is supplied "AS IS".
The Contributing Authors and Group 42, Inc.
disclaim all warranties, expressed or implied,
including, without limitation, the warranties of
merchantability and of fitness for any purpose.
The Contributing Authors and Group 42, Inc.
assume no liability for direct, indirect, incidental,
special, exemplary, or consequential damages,
which may result from the use of the PNG
Reference Library, even if advised of the
possibility of such damage.
Libpng License
This copy of the libpng notices is provided for
your convenience. In case of any discrepancy
between this copy and the notices in the file
png.h that is included in the libpng distribution,
the latter shall prevail.
COPYRIGHT NOTICE, DISCLAIMER, and
LICENSE:
Simon-Pierre Cadieux
Eric S. Raymond
Gilles Vollant
and with the following additions to the disclaimer:
There is no warranty against interference with
your enjoyment of the library or against
infringement. There is no warranty that our efforts
or the library will fulfill any of your particular
purposes or needs. This library is provided with all
faults, and the entire risk of satisfactory quality,
performance, accuracy, and effort is with the user.
102
John Bowler
Kevin Bracey
Sam Bushell
Magnus Holmgren
Greg Roelofs
Tom Tanner
libpng versions 0.5, May 1995, through 0.88,
January 1996, are Copyright (c) 1995, 1996 Guy
Eric Schalnat, Group 42, Inc.
Andreas Dilger
Dave Martindale
Guy Eric Schalnat
Permission is hereby granted to use, copy,
modify, and distribute this source code, or
portions hereof, for any purpose, without fee,
subject to the following restrictions:
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
1.
The origin of this source code must not be
misrepresented.
2.
Altered versions must be plainly marked as
such and must not be misrepresented as
being the original source.
3.
This Copyright notice may not be removed or
altered from any source or altered source
distribution.
The Contributing Authors and Group 42, Inc.
specifically permit, without fee, and encourage
the use of this source code as a component to
supporting the PNG file format in commercial
products. If you use this source code in a product,
acknowledgment is not required but would be
appreciated.
A "png_get_copyright" function is available, for
convenient use in "about" boxes and the like:
printf("%s",png_get_copyright(NULL));
Also, the PNG logo (in PNG format, of course) is
supplied in the files "pngbar.png" and
"pngbar.jpg (88x31) and "pngnow.png" (98x31).
Libpng is OSI Certified Open Source Software.
OSI Certified Open Source is a certification mark
of the Open Source Initiative.
Glenn Randers-Pehrson randeg@alum.rpi.edu
April 15, 2002
MIT License
Copyright (c) <year> <copyright holders>
Permission is hereby granted, free of charge, to
any person obtaining a copy of this software and
associated documentation files (the "Software"),
to deal in the Software without restriction,
including without limitation the rights to use,
copy, modify, merge, publish, distribute,
sublicense, and/or sell copies of the Software,
and to permit persons to whom the Software is
furnished to do so, subject to the following
conditions:
This software is provided 'as-is', without any
express or implied warranty. In no event will the
authors be held liable for any damages arising
from the use of this software.
Permission is granted to anyone to use this
software for any purpose, including commercial
applications, and to alter it and redistribute it
freely, subject to the following restrictions:
1.
The origin of this software must not be
misrepresented; you must not claim that you
wrote the original software. If you use this
software in a product, an acknowledgment in
the product documentation would be
appreciated but is not required.
2.
Altered source versions must be plainly
marked as such, and must not be
misrepresented as being the original
software.
3.
This notice may not be removed or altered
from any source distribution.
The above copyright notice and this permission
notice shall be included in all copies or
substantial portions of the Software.
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
THE AUTHORS OR COPYRIGHT HOLDERS BE
LIABLE FOR ANY CLAIM, DAMAGES OR
OTHER LIABILITY, WHETHER IN AN ACTION
OF CONTRACT, TORT OR OTHERWISE,
ARISING FROM, OUT OF OR IN CONNECTION
WITH THE SOFTWARE OR THE USE OR
OTHER DEALINGS IN THE SOFTWARE.
zlib License
The zlib/libpng License Copyright (c) <year>
<copyright holders>
}}
103
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
SGI Free Software B License Version 2.0.
SGI FREE SOFTWARE LICENSE B (Version 2.0,
Sept. 18, 2008)
Copyright (C) [dates of first publication] Silicon
Graphics, Inc. All Rights Reserved. Permission is
hereby granted, free of charge, to any person
obtaining a copy of this software and associated
documentation files (the "Software"), to deal in
the Software without restriction, including without
limitation the rights to use, copy, modify, merge,
publish, distribute, sublicense, and/or sell copies
of the Software, and to permit persons to whom
the Software is furnished to do so, subject to the
following conditions: The above copyright notice
including the dates of first publication and either
this permission notice or a reference to http://
oss.sgi.com/projects/FreeB/ shall be included in
all copies or substantial portions of the Software.
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
SILICON GRAPHICS, INC. BE LIABLE FOR ANY
CLAIM, DAMAGES OR OTHER LIABILITY,
WHETHER IN AN ACTION OF CONTRACT,
TORT OR OTHERWISE, ARISING FROM, OUT
OF OR IN CONNECTION WITH THE SOFTWARE
OR THE USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE.
104
Except as contained in this notice, the name of
Silicon Graphics, Inc. shall not be used in
advertising or otherwise to promote the sale, use
or other dealings in this Software without prior
written authorization from Silicon Graphics, Inc.
Applicatiemenu op
bestuurdersdisplay
Via het applicatiemenu (appmenu) van het
bestuurdersdisplay krijgt u snel toegang tot de
meest gebruikte functies voor bepaalde apps.
Gerelateerde informatie
•
Bestuurdersdisplay (p. 84)
Het appmenu op het bestuurdersdisplay is te gebruiken
in plaats van het middendisplay. De afbeelding is schematisch, zodat afwijkingen in de opzet mogelijk zijn.
Het appmenu verschijnt op het bestuurdersdisplay en navigatie is mogelijk via de rechter stuurknoppenset. Dankzij het appmenu kunt u eenvoudiger van app of appfunctie wisselen zonder
daarvoor uw handen van het stuur te hoeven
nemen.
Functies van het appmenu
U hebt toegang tot uiteenlopende functies via
verschillende apps. Vanuit het appmenu zijn de
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
volgende apps en de bijbehorende appfuncties te
regelen:
Appmenu op bestuurdersdisplay
hanteren
Appmenu openen/sluiten
–
Het applicatiemenu (appmenu) op het bestuurdersdisplay is te gebruiken via de rechter stuurknoppenset.
Druk op Openen/sluiten (1).
(Het appmenu is niet te openen als er nog
een onbevestigde melding op het bestuurdersdisplay staat. De melding moet eerst
worden bevestigd voordat het appmenu te
openen is.)
> Het appmenu wordt geopend/gesloten.
App
Functies
Boordcomputer
Dagteller kiezen, kiezen wat op
het bestuurdersdisplay moet
worden weergegeven en dergelijke.
Mediaspeler
Actieve bron voor mediaspeler
kiezen.
Het appmenu wordt na een periode van inactiviteit automatisch gesloten of na bepaalde keuzes.
Telefoon
Contact in de gesprekslijst bellen.
Navigeren en kiezen in appmenu
Navigatie
Begeleiding naar de bestemming e.d.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bestuurdersdisplay (p. 84)
Overzicht van het middendisplay (p. 110)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 105)
Appmenu en rechter stuurknoppenset.
Openen/sluiten
1.
Navigeer door de beschikbare apps door op
links of rechts (2) te drukken.
> In het appmenu verschijnen de functies
voor de vorige/volgende app.
2.
Blader door de functies voor de gekozen app
door op omhoog of omlaag (3) te drukken.
3.
Bevestig de actuele functie of markeer uw
keuze door op bevestigen (4) te drukken.
> De desbetreffende functie wordt geactiveerd, waarna in bepaalde gevallen het
appmenu wordt gesloten.
Links/rechts
Omhoog/omlaag
Bevestigen
Als het appmenu weer opent, verschijnen direct
de functies voor de laatst gekozen app.
Gerelateerde informatie
•
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
(p. 104)
•
Melding op bestuurdersdisplay (p. 106)
105
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Melding op bestuurdersdisplay
Servicemeldingen
Hier volgt een greep uit de belangrijke servicemeldingen en hun betekenis.
Op het bestuurdersdisplay kunnen in uiteenlopende situaties meldingen verschijnen om u te
informeren of helpen.
Melding
Stop
Melding op
bestuurdersdisplay5.
Op het bestuurdersdisplay verschijnen meldingen
die voor u als bestuurder belangrijk zijn.
Melding op bestuurdersdisplay4.
Afhankelijk van de andere informatie die op dit
moment wordt weergegeven, kan de positie van
de meldingen op het bestuurdersdisplay variëren.
De meldingen verdwijnen na enige tijd automatisch of na eventuele bevestiging/reactie van het
bestuurdersdisplay. Als een melding moet worden opgeslagen, wordt deze bewaard in de app
Auto status, die opent vanuit het appscherm op
het middendisplay.
De meldingen kunnen er verschillende uitzien en
worden mogelijk gecombineerd met grafische
voorstellingen, symbolen en knoppen om de desbetreffende melding bijvoorbeeld te bevestigen
of in te stemmen met een bepaald verzoek.
4
5
106
Met 8 inch bestuurdersdisplay.
Met 12 inch bestuurdersdisplay.
veiligA
Betekenis
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade - bezoek
een werkplaatsB.
Zet de motor
afA
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade - bezoek
een werkplaatsB.
Service
urgent Rijd
naar werkplaatsA
Bezoek een werkplaatsB om
de auto onmiddellijk te laten
controleren.
Service vereistA
Bezoek een werkplaatsB om
de auto zo spoedig mogelijk
te laten controleren.
Normaal
onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt - bezoek een werkplaatsB. Verschijnt geruime
tijd vóór het geprogrammeerde tijdstip voor de volgende servicebeurt.
Bespreek tijd
voor onderhoud
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Melding
Betekenis
Normaal
onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt - bezoek een werkplaatsB. Verschijnt op het
geprogrammeerde tijdstip
voor de volgende servicebeurt.
Onderhoud
nodig
Normaal
onderhoud
Onderhoudstermijn verstreken
Tijdelijk uitA
B
Meldingen op het bestuurdersdisplay zijn te hanteren via de rechter stuurknoppenset.
Het is tijd voor een servicebeurt - bezoek een werkplaatsB. Verschijnt wanneer
het geprogrammeerde tijdstip voor een servicebeurt is
overschreden.
De bijbehorende functie is
tijdelijk uitgeschakeld en
wordt na enige tijd rijden of
de volgende keer dat u de
motor start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over de
locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
A
Melding op bestuurdersdisplay
hanteren
Melding op bestuurdersdisplay7 en rechter stuurknoppenset.
Links/rechts
Melding op bestuurdersdisplay6 en rechter stuurknoppenset.
Bevestigen
Bepaalde meldingen op het bestuurdersdisplay
worden gecombineerd met een of meer knoppen
om de desbetreffende meldingen bijvoorbeeld te
bevestigen of in te stemmen met een bepaald
verzoek.
Gerelateerde informatie
•
Melding op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 107)
•
Opgeslagen bestuurdersdisplaymeldingen
hanteren (p. 108)
•
Melding op het middendisplay (p. 143)
6
Met 8 inch bestuurdersdisplay.
}}
107
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Nieuwe melding hanteren
Voor meldingen met knoppen:
1.
Navigeer door de beschikbare knoppen door
op links of rechts (1) te drukken.
2.
Bevestig uw keuze door te drukken op
bevestigen (2).
> De melding verdwijnt van het bestuurdersdisplay.
Opgeslagen
bestuurdersdisplaymeldingen
hanteren
Meldingen die zijn opgeslagen vanuit het
bestuurders- en middendisplay worden in beide
gevallen gehanteerd in het middendisplay.
Sluit de melding door op bevestigen (2) te
drukken of doe niets, waarna de melding
enige tijd later automatisch verdwijnt.
> De melding verdwijnt van het bestuurdersdisplay.
Als een melding moet worden opgeslagen, wordt
deze bewaard in de app Auto status, die opent
vanuit het appscherm op het middendisplay. In
verband hiermee verschijnt de melding
Autobericht opgesl. in app Autostatus op het
middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
7
108
Melding op bestuurdersdisplay (p. 106)
Opgeslagen bestuurdersdisplaymeldingen
hanteren (p. 108)
Melding op het middendisplay (p. 143)
Met 12 inch bestuurdersdisplay.
–
Druk op de knop rechts van de melding
Autobericht opgesl. in app Autostatus in
het middendisplay.
> De opgeslagen melding verschijnt in de
app Auto status.
Lees de opgeslagen melding achteraf:
Voor meldingen zonder knoppen:
–
Opgeslagen melding lezen
Lees de opgeslagen melding direct:
Opgeslagen meldingen zijn te bekijken in de app Auto
status.
Meldingen die op het bestuurdersdisplay zijn weergegeven
en die opgeslagen moeten
worden, worden bewaard in de
app Auto status op het middendisplay. In verband hiermee
verschijnt de melding
Autobericht opgesl. in app Autostatus op het
middendisplay.
1.
Open de app Auto status vanuit het appscherm op het middendisplay.
> De app start in het onderste deelscherm
van het homescherm.
2.
Kies het tabblad Berichten in de app.
> Er verschijnt een lijst met opgeslagen
meldingen.
3.
Tik op een melding om deze uit te vouwen/
minimaliseren.
> Er verschijnt meer informatie over de melding in de lijst en de afbeelding links in de
app geeft informatie in grafische vorm
over de melding.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Een opgeslagen melding hanteren
Bepaalde meldingen hebben in uitgevouwen
vorm twee knoppen, nl. om onderhoud te reserveren of de gebruikershandleiding te lezen.
Meldingen opgeslagen in de app worden automatisch gewist telkens bij het starten van de
motor.
Onderhoud reserveren voor een opgeslagen melding:
•
•
–
Druk in de uitgevouwen stand van de melding op Afspraak aanvragenBel voor een
afspraak8 om hulp te krijgen bij het reserveren van onderhoud.
> Met Afspraak aanvragen: Het tabblad
Afspraken gaat open in de app en u
krijgt een vraag voorgelegd over het
reserveren van onderhoud en reparatie.
Gerelateerde informatie
•
Melding op bestuurdersdisplay (p. 106)
Melding op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 107)
Melding op het middendisplay (p. 143)
Met Bel voor een afspraak: De telefoonapp wordt gestart en deze belt een
onderhoudscentrum om service en reparatie te reserveren.
Lees de gebruikershandleiding voor de opgeslagen melding:
–
8
Druk in de uitgevouwen stand van de melding op Handleiding om in de gebruikershandleiding over de melding te lezen.
> De gebruikershandleiding gaat open op
het middendisplay en deze geeft informatie die aan de melding is gekoppeld.
Afhankelijk van de markt. Er moet ook een Volvo ID zijn geregistreerd en een voorkeurswerkplaats zijn gekozen.
109
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Overzicht van het middendisplay
Vanaf het middendisplay zijn tal van autofuncties
te regelen. Hier volgt een beschrijving van het
middendisplay en de mogelijkheden ervan.
110
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Drie van de basisschermen van het middendisplay. Veeg naar rechts of naar links om het functie- of appscherm te openen9.
Functiescherm - autofuncties die met één
druk te activeren of deactiveren zijn. Som9
mige functies zijn ook zogenoemde triggerfuncties, die vensters met instelmogelijkhe-
Bij een auto met het stuur rechts zijn de schermen onderling van plaats gewisseld.
den openen. Bijvoorbeeld Camera. Instellingen voor het head-updisplay* zijn ook te ver}}
* Optie/accessoire. 111
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
richten vanuit het functiescherm, maar aanpassingen verricht u met de rechter stuurknoppenset.
Media - laatst gebruikte apps die verband
houden met media. Druk op het scherm om
het uit te vouwen.
Homescherm - het eerste scherm dat verschijnt bij inschakeling van display.
Telefoon - van hieruit hebt u toegang tot de
telefoon. Druk op het scherm om het uit te
vouwen.
Het applicatiescherm (appscherm) - apps die
zijn gedownload (apps van derden) maar ook
apps voor ingebouwde functies, bijvoorbeeld
FM-radio. Druk op een app-pictogram om de
app te openen.
Het extra deelscherm - laatst gebruikte apps
of autosystemen die niet thuishoren in een
van de overige deelschermen. Druk op het
scherm om het uit te vouwen.
Klimaatveld - informatie en rechtstreekse
interactie voor bijvoorbeeld het instellen van
temperatuur en stoelverwarming*. Tik op het
symbool in het midden van het klimaatveld
om het klimaatscherm met meer klimaatinstellingen te openen.
Statusbalk - boven aan het scherm staan de
activiteiten in de auto. Links op de statusbalk
verschijnen netwerk- en aansluitingsgegevens en rechts verschijnen mediaspecifieke
informatie en een klok plus een aanduiding
van lopende achtergrondactiviteiten.
Hoofdscherm - sleep het tabblad omlaag om
het hoofdscherm te openen. Van hieruit zijn
Instellingen, Handleiding, Profiel alsook de
opgeslagen berichten van de auto te openen.
In bepaalde gevallen zijn ook contextuele
instellingen (bijv. Navigatie Instellingen) en
de contextuele gebruikershandleiding (bijv.
Handleiding Navigatie) via het hoofdscherm te bereiken.
Navigatie - voert naar de kaartnavigatie, aan
de hand van bijvoorbeeld Sensus
Navigation*. Druk op het deelscherm om het
uit te vouwen.
112
•
•
•
•
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 19)
Mediaspeler (p. 521)
Telefoon (p. 536)
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
Volume van systeemgeluid uitschakelen of
aanpassen op middendisplay (p. 133)
•
Opzet van middendisplay aanpassen
(p. 133)
•
•
•
•
Systeemtaal wijzigen (p. 134)
Systeemeenheden wijzigen (p. 134)
Middendisplay reinigen (p. 651)
Melding op het middendisplay (p. 143)
Gerelateerde informatie
•
•
Middendisplay hanteren (p. 113)
•
Functiescherm op het middendisplay
(p. 123)
•
•
Apps (p. 512)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 116)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 125)
•
Instellingen openen op middendisplay
(p. 134)
•
Contextuele instellingen openen op het middendisplay (p. 135)
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Middendisplay hanteren
Veel autofuncties zijn te bedienen en regelen
vanaf het middendisplay. Het middendisplay is
een touchscreen dat op aanraking reageert.
Touchscreenfunctie middendisplay
gebruiken
De schermreacties hangen af van de vraag of u
erop drukt of slepende of vegende bewegingen
maakt. U kunt bijv. van het ene naar het andere
scherm bladeren, objecten markeren, scrollen in
Methode
een lijst en apps verplaatsen door het scherm op
verschillende manieren aan te raken.
Dankzij IR-stralen vlak boven het schermoppervlak kan het scherm ook vingers op korte afstand
vóór het scherm registreren. Deze technologie
maakt het mogelijk om het scherm ook te gebruiken als u handschoenen aan hebt.
Het display is gelijktijdig door twee mensen te
bedienen, bijv. om het klimaat aan de bestuurders- en passagierszijde in te stellen.
BELANGRIJK
Raak het scherm niet met scherpe voorwerpen aan om krassen te voorkomen.
In de onderstaande tabel worden de verschillende methoden voor schermbediening toegelicht:
Uitvoering
Resultaat
Eenmaal indrukken.
Een object markeren, een keuze bevestigen of een functie activeren.
Tweemaal snel drukken.
Inzoomen op een digitaal object, zoals de kaart*.
Eenmaal drukken en vasthouden.
Een object beetpakken. Is te gebruiken om apps of kaartpunten op de kaart te verplaatsen*. Houd de vinger(s) op het scherm gedrukt, terwijl u het object naar de gewenste locatie sleept.
Eenmaal drukken met twee
vingers.
Uitzoomen van een digitaal object, zoals de kaart*.
}}
* Optie/accessoire. 113
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Methode
Uitvoering
Resultaat
Vegen
Wisselen tussen schermen, bladeren in een lijst, tekst of scherm. Ingedrukt houden en verslepen om apps
of kaartpunten op de kaart te verplaatsen*. Horizontaal of verticaal over het scherm slepen.
Snel vegen/slepen
Wisselen tussen schermen, bladeren in een lijst, tekst of scherm. Horizontaal of verticaal over het scherm
slepen.
Let erop dat het hoofdscherm mogelijk wordt geopend bij aanraking van het bovenste deel van het scherm.
114
Spreiden
Inzoomen.
Knijpen
Uitzoomen.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Terugkeren naar homescherm vanuit
een ander scherm
•
het bedieningselement naar de gewenste
temperatuur te slepen,
1.
•
op + of − te drukken om de temperatuur in
stapjes te verhogen of te verlagen, of
•
op de gewenste temperatuur op het bedieningselement te drukken.
2.
Druk kort op de homeknop onder het middendisplay.
> De laatst geactiveerde stand voor het
homescherm verschijnt.
Druk opnieuw kort op de homeknop.
> Alle deelschermen van het homescherm
worden in de standaardstand gezet.
Gerelateerde informatie
N.B.
In het homescherm van de standaardstand –
druk kort op de homeknop. Op het scherm
verschijnt een animatie die uitlegt hoe u de
verschillende tegels kunt openen.
De bladerindicator verschijnt op het middendisplay, wanneer u omhoog of omlaag kunt bladeren.
•
Middendisplay activeren en deactiveren
(p. 116)
•
Apps en knoppen op middendisplay verplaatsen (p. 125)
•
Toetsenbord op middendisplay (p. 127)
Bediening op middendisplay gebruiken
In een lijst, artikel of scherm bladeren
Wanneer een bladerindicator zichtbaar is op het
scherm, kunt u omhoog- of omlaagbladeren.
Veeg op een willekeurige plaats op het scherm
omhoog of omlaag.
Temperatuurregeling.
Tal van autosystemen gebruiken bedieningselementen. Regel bijv. de temperatuur door:
115
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Middendisplay activeren en
deactiveren
1.
Het middendisplay is te dimmen en te activeren
met de homeknop onder het display.
2.
Houd de fysieke homeknop onder het display
langere tijd ingedrukt.
> Het display dooft, met uitzondering van
het klimaatveld dat nog steeds zichtbaar
is. Alle functies die aan het scherm
gekoppeld zijn blijven werken.
Display opnieuw inschakelen - kort op de
homeknop drukken.
> U ziet dan weer hetzelfde als toen het
scherm werd uitgeschakeld.
N.B.
Het scherm kan niet worden uitgezet als er
een bepaald commando op het scherm staat.
Homeknop voor middendisplay.
Bij bediening van de homeknop wordt het
scherm gedimd en reageert het touchscreen niet
langer op aanraking. Het klimaatveld blijft nog
steeds zichtbaar. Alle functies die aan het scherm
gekoppeld zijn, zoals klimaat, geluid, routebegeleiding* en apps blijven werken. Dim het middendisplay bijvoorbeeld om het scherm te reinigen.
Het middendisplay is bijvoorbeeld ook te dimmen
om niet gestoord te worden tijdens het rijden.
N.B.
Het middendisplay wordt automatisch uitgeschakeld als de motor uit is en het bestuurdersportier wordt geopend.
Gerelateerde informatie
•
•
•
116
Middendisplay reinigen (p. 651)
Opzet van middendisplay aanpassen
(p. 133)
Overzicht van het middendisplay (p. 110)
Navigeren in schermen op het
middendisplay
Het middendisplay heeft vijf verschillende basisschermen: homescherm, hoofdscherm, klimaatscherm, applicatiescherm (appscherm) en functiescherm. Bij het openen van het bestuurdersportier wordt het display automatisch ingeschakeld.
Homescherm
Het homescherm is het scherm dat verschijnt bij
inschakeling van het display. Het bestaat uit vier
deelschermen: Navigatie, Media, Telefoon en
een extra deelscherm.
Een app of autofunctie die gekozen wordt vanuit
het app- of functiemenu, start in het desbetreffende deelmenu in het homescherm. Zo start bijvoorbeeld FM-radio in het Media-deelscherm.
Het extra deelscherm bestaat uit de laatst
gebruikte app of autofunctie die niet thuishoort in
een van de overige drie schermen.
De deelschermen bevatten beknopte informatie
over de desbetreffende apps.
N.B.
Bij het starten van de auto verschijnt in de
deelschermen van het homescherm informatie over de actuele stand van de apps in het
desbetreffende deelscherm.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
N.B.
In het homescherm van de standaardstand –
druk kort op de homeknop. Op het scherm
verschijnt een animatie die uitlegt hoe u de
verschillende tegels kunt openen.
Statusbalk
Boven aan het scherm staan de activiteiten in de
auto. Links op de statusbalk verschijnen netwerken aansluitingsgegevens en rechts verschijnen
mediaspecifieke gegevens, klok alsook een aanduiding dat er achtergrondactiviteiten gaande
zijn.
Hoofdscherm
het tabblad te klikken of door van boven naar
beneden over het scherm te slepen/vegen.
Het hoofdscherm biedt altijd toegang tot:
• Instellingen
• Handleiding
• Profiel
• De opgeslagen berichten van de auto.
Het hoofdscherm biedt soms toegang tot:
•
Contextuele instelling (bijvoorbeeld
Navigatie Instellingen). Wijzig instellingen
rechtstreeks in het hoofdscherm wanneer
een app (zoals navigatie) actief is.
•
Contextuele gebruikershandleiding (bijvoorbeeld Handleiding Navigatie). Open rechtstreeks vanuit het hoofdscherm het artikel in
de digitale gebruikershandleiding dat verband houdt met hetgeen op het scherm verschijnt.
Hoofdscherm verlaten - druk op een punt buiten
het hoofdscherm, op de homeknop of onder aan
het hoofdscherm en sleep het omhoog. Het
onderliggende scherm wordt dan weer zichtbaar
zodat u het kunt gebruiken.
N.B.
Het hoofdscherm is niet beschikbaar tijdens
het starten/uitschakelen of als er een displaytekst op het scherm staat. Dat is evenmin het
geval als het klimaatscherm wordt weergegeven.
Klimaatscherm
Onder aan het display is altijd het klimaatveld
zichtbaar. Daar zijn rechtstreeks de meest
gebruikte klimaatinstellingen te verrichten, zoals
het instellen van de temperatuur en de stoelverwarming*.
Tik op het symbool midden in het klimaatveld om het klimaatscherm te
openen en om toegang te krijgen tot
meer klimaatinstellingen.
Tik op het symbool om het klimaatscherm te sluiten en terug te gaan
naar het eerdere scherm.
Hoofdscherm omlaaggesleept.
Midden op de statusbalk boven aan het display
vindt u een tab. Open het hoofdscherm door op
}}
* Optie/accessoire. 117
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Applicatiescherm
rechtstreeks op het appscherm, zoals het aantal
ongelezen sms-berichten voor Berichten.
Functiescherm
Druk op een app om deze te openen. Deze opent
dan in het deelscherm waar hij bij hoort, bijvoorbeeld Media.
Afhankelijk van het aantal apps kunt u omlaagbladeren in het appscherm. U doet dat door van
onder naar boven te vegen/slepen.
Ga terug naar het homescherm door van links
naar rechts10 over het display te vegen of door
op de homeknop te drukken.
Applicatiescherm met de apps van de auto.
links10
Veeg van rechts naar
over het display om
vanuit het homescherm het applicatiescherm
(appscherm) te openen. Hier liggen apps die zijn
gedownload (apps van derden) maar ook apps
voor ingebouwde functies, bijvoorbeeld FMradio. Bepaalde apps tonen beknopte informatie
10
118
Functiescherm met knoppen voor uiteenlopende autofuncties.
Veeg van links naar rechts10 over het display om
vanuit het homescherm het functiescherm te
openen. Van daaruit kunt u verschillende autofuncties activeren of deactiveren, bijv. BLIS*,
Lane Keeping Aid* en Parkeerhulp*.
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Afhankelijk van het aantal functies kunt u ook
omlaagbladeren in het scherm. U doet dat door
van onder naar boven te vegen/slepen.
•
Functiescherm op het middendisplay
(p. 123)
•
Overzicht van het middendisplay (p. 110)
In tegenstelling tot het appscherm waar bij een
druk op een app de bijbehorende app wordt
geopend, wordt bij een druk op een functieknop
in het functiescherm alleen de desbetreffende
functie geactiveerd of gedeactiveerd. Bepaalde
functies, de triggerfuncties, openen door erop te
drukken in een eigen venster.
Ga terug naar het homescherm door van rechts
naar links10 over het display te vegen of door op
de homeknop te drukken.
Gerelateerde informatie
•
Deelschermen op middendisplay hanteren
(p. 120)
•
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 125)
•
Instellingen openen op middendisplay
(p. 134)
•
Contextuele instellingen openen op het middendisplay (p. 135)
•
Gebruikershandleiding op middendisplay
(p. 19)
•
•
•
10
Bestuurdersprofielen (p. 139)
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
Apps (p. 512)
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
119
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Deelschermen op middendisplay
hanteren
Het homescherm bestaat uit vier deelschermen:
Navigatie, Media, Telefoon en een extra deelscherm. Deze schermen zijn uit te vouwen.
120
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Een deelscherm uitvouwen vanuit standaardstand
Standaardstand en uitgevouwen stand van het deelscherm van het middendisplay.
}}
121
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Deelscherm uitvouwen:
–
Voor de deelschermen Navigatie, Media en
Telefoon: Druk op een willekeurige plaats
op het deelscherm. Bij het uitvouwen van
een deelscherm verdwijnt het extra deelscherm op het homescherm tijdelijk naar de
achtergrond. De andere twee worden ingeklapt en tonen slechts bepaalde informatie.
Na een druk op het extra deelscherm worden
de andere drie deelschermen ingeklapt en
tonen slechts bepaalde informatie.
scherm voor nog meer informatie en aanvullende
instelmogelijkheden.
Bij weergave van een gemaximaliseerd deelscherm verschijnt er geen informatie van de overige deelschermen.
In het uitgevouwen scherm hebt u toegang
tot de basisfunctie van de desbetreffende
app.
•
Tik op het bovenste deel van het uitgevouwen deelscherm.
Gerelateerde informatie
•
Tik op een ander deelscherm (dan opent
dit namelijk in uitgevouwen stand).
•
Druk kort op de fysieke homeknop onder
het middendisplay.
Het extra deelscherm11 en het deelscherm voor
Navigatie zijn te maximaliseren tot volledig
122
Homeknop voor middendisplay.
Het deelscherm is op drie verschillende
manieren te sluiten:
Deelscherm maximaliseren of
minimaliseren
11
Tik op het symbool om terug te
gaan naar de uitgevouwen
stand of druk op de homeknop
onder aan het display.
U kunt altijd teruggaan naar het homescherm
door op de homeknop te drukken. Om vanuit de
gemaximaliseerde stand terug te gaan naar de
standaardweergave van het homescherm - druk
tweemaal op de homeknop.
Uitgevouwen deelscherm sluiten:
–
Om de app vanuit uitgevouwen
stand te maximaliseren - tik op
het symbool.
Geldt niet voor alle apps of autofuncties die via het extra deelscherm te openen zijn
•
•
Middendisplay hanteren (p. 113)
•
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 116)
Middendisplay activeren en deactiveren
(p. 116)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Functiescherm op het
middendisplay
In het functiescherm, een van de basisschermen
van het middendisplay, liggen alle knoppen voor
autofuncties. Navigeer vanuit het homescherm
naar het functiescherm door van links naar
rechts over het display te vegen.12.
Verschillende soorten knoppen
Er zijn drie verschillende soorten knoppen voor
autofuncties, zie hieronder:
Soort knop
Eigenschap
Bijbehorende autofunctie
Functieknoppen
Hebben een Aan/Uit-stand.
De meeste knoppen in het functiescherm zijn functieknoppen.
Bij een geactiveerde functie brandt een led-lampje links van de knopicoon. Druk op de knop
om de bijbehorende functie te activeren/deactiveren.
Triggerknoppen
Hebben geen Aan/Uit-stand.
Bij het gebruik van een triggerknop wordt een venster voor de desbetreffende functie
geopend. Bijvoorbeeld een venster voor aanpassing van de stoelinstellingen.
Parkeerknoppen
Hebben een Aan/Uit-stand en een aftaststand.
Lijken op functieknoppen maar hebben een extra stand voor het aftasten van parkeerruimte.
12
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
• Camera
• Hfdsteun omlaag
• Head-up display afstellen
• Inparkeren
• Uitparkeren
}}
123
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Verschillende standen van de knoppen
Wanneer het groene led-lampje brandt van een
functie- of parkeerknop, is de desbetreffende
functie geactiveerd. Bij het activeren van functies
verschijnt voor sommige functies een extra tekst
over wat deze inhouden. De tekst blijft een paar
seconden staan, waarna de knop met het brandende led-lampje verschijnt.
Het systeem is gedeactiveerd, wanneer het ledlampje is gedoofd.
Voor Lane Keeping Aid verschijnt bijvoorbeeld
de tekst Werkt alleen bij bepaalde snelheden
bij het indrukken van de knop.
Tik eenmaal kort op de knop om de functie te
activeren of deactiveren.
Wanneer er in de rechter bovenhoek van de knop
een gevarendriehoekje verschijnt, is er sprake van
een fout.
Gerelateerde informatie
•
•
124
Middendisplay hanteren (p. 113)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 116)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Apps en knoppen op middendisplay
verplaatsen
N.B.
Verberg de apps die u zelden of nooit
gebruikt door ze helemaal onderaan te plaatsen, buiten het zichtveld. Op die manier kunt
u makkelijker de apps vinden die u vaker
gebruikt.
De apps en de knoppen voor autofuncties op
het app- en functiescherm zijn te verplaatsen en
naar wens anders te organiseren.
1. Veeg van rechts naar links13 om het appscherm te openen of van links naar rechts13
om het functiescherm te openen.
2.
3.
N.B.
Blijf op een app of knop drukken.
> De app of knop verandert van grootte en
wordt transparant. U kunt de app/knop
vervolgens verplaatsen.
Sleep de app of knop naar een lege plek op
het scherm.
Het maximale aantal regels voor apps of knoppen
is 48. Om een app of knop tot buiten het zichtbare schermgedeelte te verplaatsen moet u deze
naar de onderkant van het scherm slepen. Er
worden dan automatisch nieuwe regels voor de
app of knop toegevoegd.
Apps en autofunctieknoppen kunnen niet
worden bewaard op plaatsen die al bezet zijn.
Gerelateerde informatie
•
Functiescherm op het middendisplay
(p. 123)
•
•
Apps (p. 512)
Middendisplay hanteren (p. 113)
Symbolen op de statusbalk van het
middendisplay
Overzicht van de symbolen die mogelijk op de
statusbalk van het middendisplay verschijnen.
De statusbalk geeft de lopende activiteiten en in
bepaalde gevallen hun status aan. Omdat de
ruimte in het veld beperkt is, worden niet voortdurend alle symbolen weergegeven.
Symbool
Betekenis
Internetverbinding.
Internetverbinding mislukt.
Roaming geactiveerd.
Signaalsterkte in netwerk voor
mobiele telefonie.
Bluetooth-apparaat aangesloten.
Het is dan ook mogelijk om een app of knop verder naar onderen te verplaatsen, zodat deze in de
normale schermstand niet zichtbaar is.
Bluetooth geactiveerd maar geen
eenheid aangesloten.
Veeg over het scherm om omhoog of omlaag te
bladeren.
Er wordt informatie van en naar het
gps gestuurd.
Aangesloten op Wi-Fi-netwerk.
13
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
}}
125
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Symbool
Betekenis
Gerelateerde informatie
'Internet sharing' geactiveerd (WiFi-hotspot). De auto deelt dus de
beschikbare verbinding.
•
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 116)
•
Melding op het middendisplay (p. 143)
Automodem geactiveerd.
Internet delen via USB actief.
Proces gaande.
Timer voor preconditioning actief.
Weergave audiobron gestart.
Weergave audiobron gestopt.
Telefoongesprek gaande.
Weergave audiobron onderdrukt.
Er komt nieuws binnen via een
radiokanaal.
Verkeersinformatie mogelijk.
Klok.
126
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Toetsenbord op middendisplay
Met het toetsenbord van het middendisplay kunt
u met toetsen tekst invoeren op het scherm,
maar ook handmatig door letters en tekens "in te
tekenen" op het scherm.
Met het toetsenbord kunnen tekens, letters en
cijfers worden ingevoerd, bijv. om sms-berichten
vanuit de auto op te stellen, wachtwoorden in te
vullen en naar artikelen te zoeken in de digitale
gebruikershandleiding.
Het toetsenbord verschijnt alleen als het mogelijk
is om op het scherm te schrijven.
}}
127
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
De afbeelding laat een overzicht zien van een aantal van de knoppen die op het toetsenbord kunnen verschijnen. De opzet wisselt, al naar gelang de taalinstellingen en in welk
verband het toetsenbord wordt gebruikt.
128
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Regel met suggesties voor woorden of
tekens14. De voorgestelde woorden worden
aangepast naarmate er nieuwe letters worden ingetypt. Blader door de suggesties door
op de pijlen naar links en naar rechts te
drukken. Druk op een suggestie om deze te
selecteren. Let erop dat deze functie niet
door alle taalopties wordt ondersteund. De
regel is dan niet zichtbaar op het toetsenbord.
Afhankelijk van de voor het toetsenbord
gekozen taal (zie punt 7) worden de beschikbare tekens aangepast. Druk op een teken
om dit in te voeren.
Afhankelijk van de situatie waarin u het
toetsenbord gebruikt, heeft de knop een
andere functie – @ (bij invoer van een e-mailadres) of nieuwe regel (bij normale tekstinvoer).
Verbergt het toetsenbord. Als dat niet mogelijk is, verschijnt de knop niet.
Wordt gebruikt om met hoofdletters te schrijven. Druk eenmaal om een hoofdletter te
schrijven en dan verder te gaan met kleine
letters. Door nogmaals te drukken worden
alle letters hoofdletters. Als u nog eens drukt,
wordt het toetsenbord weer ingesteld op
kleine letters. In deze stand wordt de eerste
letter na een punt, uitroepteken of vraagteken als hoofdletter geschreven. Dit geldt ook
14
Geldt voor Aziatische talen.
voor de eerste letter in het tekstveld. In tekstvelden die bestemd zijn voor namen of
adressen begint automatisch elk woord met
een hoofdletter. In tekstvelden waar wachtwoorden, webadressen of e-mailadressen
moeten worden ingevuld, worden alle letters
juist klein, tenzij anderszins actief met de
knop wordt ingesteld.
Bij eenmaal indrukken van de bevestigingsknop
boven het toetsenbord (niet zichtbaar op de
afbeelding) bevestigt u de ingevoerde tekst. De
knop ziet er verschillend uit, al naar gelang de
context.
Varianten van een letter of een teken
Cijferinvoer. Het toetsenbord (2) laat dan cijfers zien. Druk op
, dat in de cijferstand
verschijnt in plaats van
, om terug te
keren naar het toetsenbord met letters, of op
om het toetsenbord met speciale
tekens te zien.
Wijzigt de taal voor de tekstinvoer, bijvoorbeeld EN. Tekens die kunnen worden ingevoerd alsook suggesties voor woorden (1)
veranderen al naar gelang de gekozen taal.
Om op het toetsenbord van taal te kunnen
wisselen, moeten de talen eerst onder Instellingen worden toegevoegd.
Spatie.
Maakt tekstinvoer ongedaan. Bij kort indrukken verwijdert u één teken tegelijk. Houd de
knop ingedrukt om meerdere tekens in sneller tempo te verwijderen.
U kunt varianten van een letter of teken invoeren,
bijv. é of è, door op de letter of het teken te blijven drukken. Er verschijnt een venster met mogelijke varianten van de letter/het teken. Druk op de
gewenste variant. Als u geen van de varianten
selecteert, wordt het oorspronkelijk gekozen letter of teken ingevoerd.
Vervangt de toetsenbordstand om in plaats
daarvan handmatig letters en tekens in te
voeren.
}}
129
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
130
Gerelateerde informatie
•
Taal wijzigen voor toetsenbord van middendisplay (p. 131)
•
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay (p. 131)
•
•
Middendisplay hanteren (p. 113)
Berichtfuncties (p. 542)
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Taal wijzigen voor toetsenbord van
middendisplay
Op het toetsenbord wisselen tussen
verschillende talen
Wanneer u in Instellingen verschillende talen hebt geselecteerd, gebruikt u knop op het
toetsenbord om te wisselen
tussen de talen.
Om op het toetsenbord tussen de verschillende
talen te kunnen wisselen, moeten de talen eerst
onder Instellingen worden toegevoegd.
Taal toevoegen of verwijderen in
instellingen
Het toetsenbord is automatisch ingesteld op
dezelfde taal als de systeemtaal. De taal voor het
toetsenbord kan handmatig worden aangepast
zonder dat dit gevolgen heeft voor de systeemtaal.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm.
2.
Druk op Systeem Systeemtalen en eenheden Toetsenbordindelingen.
3.
Kies een of meer talen in de lijst.
> Nu kunt u direct op het toetsenbord schakelen tussen de geselecteerde talen om
tekst in te voeren.
Als u onder Instellingen niet actief een taal hebt
gekozen, hanteert het toetsenbord dezelfde taal
als de systeemtaal van de auto.
Om de taal op het toetsenbord te wijzigen met
weergave van de lijst:
1.
Druk lang op de knop.
> Er verschijnt een lijst.
2.
Kies de gewenste taal. Als er onder
Instellingen meer dan vier talen zijn geselecteerd, is het mogelijk om op het toetsenbord door de lijst te bladeren.
> Het toetsenbord wordt aangepast aan de
gekozen taal en er worden andere suggesties voor woorden gegeven.
Handmatig tekens, letters of
woorden invoeren op middendisplay
Het toetsenbord van het middendisplay biedt u
de mogelijkheid om tekens, letters en woorden
in te voeren door ze met de hand op het scherm
te "tekenen".
Tik op de desbetreffende knop
van het toetsenbord om te wisselen tussen het invoeren met
behulp van het toetsenbord en
het handmatig tekenen van letters en tekens.
Om de taal op het toetsenbord te wijzigen zonder
weergave van de lijst:
–
Druk de knop kortstondig in.
> Het toetsenbord wordt aangepast aan de
volgende taal in de lijst, maar zonder de
lijst zelf te tonen.
Gerelateerde informatie
•
•
Systeemtaal wijzigen (p. 134)
Toetsenbord op middendisplay (p. 127)
Ruimte om tekens/letters/woorden/woorddelen te tekenen.
Tekstveld waar suggesties voor tekens of
woorden15 verschijnen naargelang u deze op
het scherm (1) tekent.
Suggesties voor tekens/letters/woorden/
woorddelen. U kunt bladeren in de lijst.
}}
131
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Spatie. U kunt ook een spatie invoeren door
een verbindingsstreepje (-) te tekenen in het
tekstveld voor handgeschreven letters (1).
Zie de onderstaande rubriek "Spatie invoeren in het vrije veld bij handgeschreven
tekst".
||
Tekstinvoer ongedaan maken. Kort indrukken
om één teken/letter per keer te verwijderen.
Wacht even voordat u opnieuw drukt om het
volgende teken of de volgende letter te verwijderen et cetera.
Teruggaan naar het toetsenbord met
gewone tekeninvoer.
Geluid bij invoer in-/uitschakelen.
Toetsenbord verbergen. Als dat niet mogelijk
is, verschijnt de knop niet.
Taal voor tekstinvoer wijzigen.
15
16
132
Tekens/letters/woorden handmatig invoeren
1. Schrijf een teken, een letter, een woord of
delen van een woord in de ruimte voor handgeschreven letters (1). Schrijf de letters of
delen van het woord over elkaar heen of achter elkaar op één lijn.
> Er verschijnt een aantal suggesties voor
tekens, letters of woorden (3). Het meest
waarschijnlijke staat bovenaan in de lijst.
Tekens/letters verwijderen/wijzigen die
handmatig zijn ingevoerd
BELANGRIJK
Raak het scherm niet met scherpe voorwerpen aan om krassen te voorkomen.
2.
Voer het teken/de letter/het woord in door
heel even te wachten.
> Het teken/de letter/het woord boven aan
de lijst wordt ingevoerd. U kunt ook een
ander teken kiezen dat wat er boven aan
de lijst verschijnt. Druk op het teken, de
letter of het woord dat u zoekt in de lijst.
Geldt voor bepaalde systeemtalen.
Veeg bij een Arabisch toetsenbord in tegengestelde richting. Wanneer u van rechts naar links veegt, voegt u een spatie in.
Wis de tekens in het tekstveld (2) door over het veld
voor handgeschreven tekst (1) te vegen.
–
Om tekens/letters te wijzigen zijn er meerdere alternatieven:
•
Druk in de lijst (3) op de letter die of het
woord dat u eigenlijk bedoelde.
•
Druk op de knop voor het ongedaan
maken van tekstinvoer (5) om de letter te
verwijderen en begin opnieuw.
•
Veeg horizontaal van rechts naar links16
over de ruimte voor handgeschreven letters (1). Verwijder meerdere letters door
meerdere keren over de ruimte te vegen.
•
Eenmaal drukken op het kruisje in het
tekstveld (2) neemt alle ingevoerde tekst
weg.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Van regel wisselen in het vrije veld met
handgeschreven tekst
Opzet van middendisplay
aanpassen
U kunt de opzet van het middendisplay aanpassen door een thema te kiezen.
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
Wissel handmatig van regel door bovenstaand teken in
te tekenen in het veld voor handgeschreven tekst17.
Spatie invoeren in het vrije veld bij
handgeschreven tekst
2.
Druk op My Car
3.
Kies vervolgens een thema, bijv.
Minimalistic of Chrome Rings.
Displays
Toon skins.
Als aanvulling hierop is het mogelijk om te kiezen
tussen Normaal en Helder. Bij Normaal is de
achtergrond op het scherm donker en zijn de teksten licht. Dit is de standaardinstelling voor alle
thema's. Desgewenst kan een lichte variant worden gekozen, waarbij de opzet zo wordt gewijzigd
dat de achtergrond licht wordt en de teksten
donker. Deze instelling is bijv. handig bij fel daglicht.
De mogelijkheden zijn altijd beschikbaar voor de
gebruiker en zijn niet afhankelijk van de verlichting eromheen.
Volume van systeemgeluid
uitschakelen of aanpassen op
middendisplay
Het volume van het systeemgeluid is op het middendisplay te wijzigen of uit te schakelen.
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op Geluid
3.
Verschuif de bediening onder
Aanraakgeluiden om het geluid voor het
aantikken van het scherm te wijzigen/uit te
zetten. Schuif de bediening naar het gewenste geluidsniveau.
Systeemvolumes.
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 110)
•
Audio-instellingen (p. 510)
Instellingen wijzigen op middendisplay
(p. 136)
Gerelateerde informatie
Voer een spatie in door van links naar rechts een
streepje te tekenen18.
Gerelateerde informatie
•
17
18
Toetsenbord op middendisplay (p. 127)
•
Instellingen openen op middendisplay
(p. 134)
•
Middendisplay activeren en deactiveren
(p. 116)
•
Middendisplay reinigen (p. 651)
Voor Arabisch toetsenbord - schrijf hetzelfde teken, maar dan gespiegeld.
Schrijf bij een Arabisch toetsenbord hetzelfde teken, maar dan van rechts naar links.
133
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Systeemeenheden wijzigen
Systeemtaal wijzigen
Instellingen voor de eenheden verricht u in het
menu Instellingen van het middendisplay.
Instellingen voor de taal verricht u in het menu
Instellingen van het middendisplay.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Ga verder naar Systeem Systeemtalen
en -eenheden Meeteenheden.
3.
Kies uit de volgende eenheidsnormen:
• Metr. - kilometer, liter en graden Celsius.
• Imper. - miles, gallons en graden Celsius.
• VS - miles, gallons en graden Fahrenheit.
> De eenheden op het bestuurdersdisplay,
het middendisplay en het head-updisplay
worden gewijzigd.
Gerelateerde informatie
134
N.B.
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 110)
•
Instellingen wijzigen op middendisplay
(p. 136)
•
Systeemtaal wijzigen (p. 134)
Instellingen openen op
middendisplay
Op het middendisplay vindt u Instellingen en
informatie over tal van autofuncties.
Wanneer u de taal in het middendisplay verandert, kan dat betekenen dat bepaalde informatie voor de eigenaar niet overeenkomt met
landelijke of plaatselijke wet- en regelgeving.
Kies geen taal die moeilijk is te begrijpen. Dat
maakt het wellicht lastig om de structuur in
het scherm terug te vinden.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Ga verder naar Systeem
en -eenheden.
3.
Kies Systeemtaal. Talen met ondersteuning
van stembediening hebben een stembedieningssymbool.
> De taal op het bestuurdersdisplay, het
middendisplay en het head-updisplay
wordt gewijzigd.
Instellingen openen op middendisplay
(p. 134)
Systeemtalen
Het hoofdscherm met de knop voor Instellingen.
1.
Open het hoofdscherm door op het tabblad
te klikken of door van boven naar beneden
over het scherm te slepen/vegen.
2.
Druk op Instellingen om het instellingsmenu te openen.
3.
Druk op een van de categorieën die verschijnt en blader naar subcategorieën en de
desbetreffende instellingen door nogmaals
te drukken.
4.
Druk op Terug om terug te gaan naar het
instellingsscherm.
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 110)
•
Instellingen wijzigen op middendisplay
(p. 136)
•
Systeemeenheden wijzigen (p. 134)
Instellingen openen op middendisplay
(p. 134)
Druk op Sluiten om het instellingsmenu te
sluiten.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 110)
•
•
Instellingstypes op middendisplay (p. 137)
Instellingen wijzigen op middendisplay
(p. 136)
Tabel met instellingen op middendisplay
(p. 138)
Contextuele instellingen openen op
het middendisplay
3.
Via de contextuele instellingen zijn rechtstreeks
vanuit het topscherm op het middendisplay
instellingen te wijzigen voor de meeste standaardapps van de auto.
Druk op Sluiten of op de fysieke homeknop op
het middendisplay om het instellingsscherm te
sluiten.
Wijzig de instellingen naar wens en bevestig
uw keuze(s).
De meeste basisapps van de auto bieden deze
contextuele instelmogelijkheid, maar niet allemaal.
Apps van derden
Apps van derden zoals Volvo-id zijn bij aflevering
van de auto niet voorgeïnstalleerd en moeten
naderhand worden gedownload. Bij dergelijke
apps van derden verricht u eventuele instellingen
altijd in de desbetreffende apps en niet vanuit het
hoofdscherm.
Gerelateerde informatie
Hoofdscherm met de knop voor contextuele instellingen.
De standaardapps van de auto, zoals FM-radio
en USB, maken deel uit van Sensus en behoren
tot de geïntegreerde autofuncties. De instellingen
voor deze apps kunnen rechtstreeks op het
hoofdscherm van het middendisplay worden
gewijzigd.
•
Instellingen openen op middendisplay
(p. 134)
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 110)
•
Apps downloaden (p. 513)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 137)
Wanneer contextuele instellingen beschikbaar
zijn:
1.
Open het hoofdscherm wanneer een app
zoals Navigatie uitgevouwen is.
2.
Druk op Navigatie Instellingen.
135
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Instellingen wijzigen op
middendisplay
Via het middendisplay kunt u de Instellingen en
informatie wijzigen voor tal van autofuncties.
1. Open het hoofdscherm door op het tabblad
te klikken of door van boven naar beneden
over het scherm te slepen/vegen.
2.
Druk op Instellingen om het instellingsmenu te openen.
3.
Tik op een van de categorieën en subcategorieën om naar de gewenste instelling te
bladeren.
4.
Wijzig een of meer instellingen. De manier
van wijzigen hangt van het type instelling af.
> De wijzigingen worden onmiddellijk opgeslagen.
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 110)
•
•
Instellingstypes op middendisplay (p. 137)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 137)
Tabel met instellingen op middendisplay
(p. 138)
Gebruikersgegevens resetten bij
doorverkoop
Bij doorverkoop moeten gebruikersgegevens en
systeeminstellingen worden gereset naar de
fabrieksinstellingen.
De instellingen van de auto kunnen op verschillende niveaus gereset worden. Reset bij doorverkoop alle gebruikersgegevens en systeeminstellingen naar de oorspronkelijke fabrieksinstellingen. Bij verkoop van de auto is het ook belangrijk
om de doorverkoop te registreren in Volvo On
Call* te wijzigen.
Gerelateerde informatie
•
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 137)
Een subcategorie in het instellingsscherm met verschillende soorten instellingen, heeft een meerkeuzeknop en
keuzerondjes.
136
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Instellingen resetten op
middendisplay
4.
U kunt de fabrieksinstellingen herstellen voor alle
instellingen die zijn verricht in het instellingsmenu van het middendisplay.
Twee soorten resets
Er zijn twee soorten resets voor de instellingen in
het instellingsmenu:
• Fabrieksreset - wist alle gegevens en
bestanden en herstelt de standaardwaarden
voor alle instellingen.
• Persoonlijke instellingen resetten - wist
persoonlijke gegevens en herstelt de standaardwaarden voor alle persoonlijke instellingen.
Instellingen resetten
Druk op OK om de reset te bevestigen.
Instellingstypes op middendisplay
Voor de optie Persoonlijke instellingen
resetten wordt de reset bevestigd door op
Resetten voor het actieve profiel of
Resetten voor alle profielen te drukken.
> De geselecteerde instellingen worden
gereset.
De manier van wijzigen hangt van het type instelling af. Zie de tabel voor een beschrijving van de
verschillende instellingstypes.
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 110)
•
Instellingen wijzigen op middendisplay
(p. 136)
•
Tabel met instellingen op middendisplay
(p. 138)
Instellingen openen op middendisplay
(p. 134)
Instellingstypes
Instellingstype
Beschrijving
Triggerfunctie
Start een app of een afzonderlijk
scherm voor geavanceerdere
instellingen door op de tekst te
drukken, bijvoorbeeld om een
eenheid met Bluetooth® aan te
sluiten.
Keuzerondje
Kies uit meerdere opties een
instelling door op het gewenste
keuzerondje te drukken, bijvoorbeeld om een systeemtaal te kiezen.
Meerkeuzeknop
Kies een niveau voor iets door op
het gewenste deel van de knop
te drukken, bijvoorbeeld om het
gevoeligheidsniveau voor City
Safety te kiezen.
Doe het volgende om de instellingen te resetten.
N.B.
Fabrieksreset is alleen mogelijk, wanneer de
auto stilstaat.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Ga verder naar Systeem
3.
Kies het gewenste type reset.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
Fabrieksreset.
}}
137
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Instellingstype
Beschrijving
Selectievakjes
Kies ervoor een functie te activeren/deactiveren door op het
vakje te drukken om dit aan te
kruisen of leeg te maken, bijvoorbeeld om automatische start van
elektrische stoelverwarming te
kiezen.
Schuifknoppen
Weergave
van informatie
Kies een niveau voor een
bepaalde instelling binnen een
interval door op de knop te tikken en deze te verschuiven, bijv.
om het geluidsniveau te kiezen.
Geen eigenlijke instelling, geeft
ergens informatie over, bijvoorbeeld het identificatienummer
van de auto.
Gerelateerde informatie
•
Overzicht van het middendisplay (p. 110)
Tabel met instellingen op
middendisplay
Subcategorie
Het instellingsmenu van het middendisplay heeft
een aantal hoofdcategorieën en subcategorieën
waarin instellingen en informatie voor tal van
functies van de auto zijn verzameld.
Vergrendeling
Er zijn zeven hoofdcategorieën: My Car, Geluid,
Navigatie, Media, Communicatie, Klimaat en
Systeem.
Elke categorie omvat op zijn beurt een aantal
subcategorieën en instelmogelijkheden. In de
onderstaande tabellen wordt het eerste niveau
van subcategorieën weergegeven. De instelmogelijkheden voor een functie of terrein worden
uitvoeriger beschreven in de desbetreffende artikelen van de gebruikershandleiding.
Sommige instellingen zijn persoonlijk, wat inhoudt
dat ze opgeslagen kunnen worden voor een
Bestuurdersprofielen. Andere zijn algemeen
zijn, wat betekent dat ze niet zijn gekoppeld aan
een bestuurdersprofiel.
My Car
Spiegels en Comfort
Parkeerrem en vering
Ruitenwisser voorruit
Audio
Subcategorie
Toon
Balans
Systeemvolumes
Navigatie
Subcategorie
Kaart
Route en begeleiding
Verkeer
Subcategorie
Displays
138
Media
IntelliSafe
Subcategorie
Rijvoorkeuren/Individuele rijmodus*
AM/FM-radio
Lampen en verlichting
DAB*
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Subcategorie
Systeem
Subcategorie
Gracenote®
TV*
Video
Communicatie
Bestuurdersprofiel
Datum en tijd
Systeemtalen en -eenheden
Privacy en gegevens
Subcategorie
Toetsenbordindelingen
Telefoon
Stembediening*
Tekstberichten
Fabrieksreset
Android Auto*
Systeeminformatie
Apple CarPlay*
Bluetooth-apparaten
Wi-Fi
Wi-Fi hotspot auto
Internet via automodem*
Volvo On Call*
Volvo-servicenetwerken
Klimaatregeling
Gerelateerde informatie
•
•
Overzicht van het middendisplay (p. 110)
•
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 137)
Instellingen wijzigen op middendisplay
(p. 136)
Bestuurdersprofielen
Tal van instellingen in de auto zijn naar wens aan
te passen en op te slaan in een of meer bestuurdersprofielen.
De persoonlijke instellingen worden automatisch
in het actieve bestuurdersprofiel opgeslagen.
Elke sleutel is te koppelen aan een bestuurdersprofiel. Bij gebruik van een sleutel waaraan een
bestuurdersprofiel is gekoppeld, wordt de auto
aangepast volgens de instellingen van dat specifieke bestuurdersprofiel.
Welke instellingen worden opgeslagen
in bestuurdersprofielen?
De verrichte auto-instellingen zijn hetzij persoonlijk, hetzij algemeen. Het zijn de persoonlijke
instellingen die in bestuurdersprofielen worden
opgeslagen.
Instellingen die zijn op te slaan in een bestuurdersprofiel zijn onder meer schermweergaven,
spiegels, voorstoelen, navigatie*, audio- en
mediasysteem, taal en stembediening.
Bepaalde instellingen, de zogeheten algemene
instellingen, zijn te wijzigen, maar worden niet
opgeslagen in een specifiek bestuurdersprofiel.
Wijzigen van de algemene instellingen is van
invloed op alle profielen.
De hoofdcategorie Klimaat heeft geen subcategorieën.
}}
* Optie/accessoire. 139
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Algemene instellingen
De algemene instellingen en de parameters wijzigen niet als het ene bestuurdersprofiel wordt verruild voor een ander. Ze blijven gelijk, ongeacht
welk bestuurdersprofiel actief is.
De instellingen van de toetsenbordindeling zijn
voorbeelden van algemene instellingen. Als u
bestuurdersprofiel X gebruikt om meer talen aan
het toetsenbord toe te voegen, blijven deze opgeslagen en kunt u ook bij gebruik van bestuurdersprofiel Y van taal wissen. De instellingen van de
toetsenbordindeling worden niet opgeslagen
onder een specifiek bestuurdersprofiel - deze
instellingen zijn algemeen.
Persoonlijke instellingen
Als bestuurdersprofiel X is gebruikt om bijvoorbeeld de lichtsterkte op het middendisplay in te
stellen, wordt bestuurdersprofiel Y niet door deze
instelling beïnvloed. Deze is opgeslagen voor
bestuurdersprofiel X - de instelling van de lichtsterkte is een persoonlijke instelling.
•
Tabel met instellingen op middendisplay
(p. 138)
Bestuurdersprofiel kiezen
Bij inschakeling van het middendisplay verschijnt
boven aan het display het gekozen bestuurdersprofiel. Bij ontgrendeling van de auto wordt
automatisch het laatst gebruikte bestuurdersprofiel gekozen. Na ontgrendeling van de auto kunt
u een ander bestuurdersprofiel kiezen. Als de
transpondersleutel echter aan een ander
bestuurdersprofiel is gekoppeld, wordt bij het
starten het desbetreffende profiel gekozen.
U kunt op twee manieren van bestuurdersprofiel
veranderen.
Alternatief 1:
1.
2.
Kies het gewenste bestuurdersprofiel.
3.
Druk op Bevestig.
> Het bestuurdersprofiel is gekozen, waarna
het systeem de instellingen van het
nieuwe bestuurdersprofiel laadt.
Gerelateerde informatie
•
•
140
Bestuurdersprofiel kiezen (p. 140)
Naam van bestuurdersprofiel wijzigen
(p. 141)
Druk tijdens het inschakelen van het middendisplay op de naam van het bestuurdersprofiel dat boven aan het middendisplay staat.
> Er verschijnt een lijst met de te kiezen
bestuurdersprofielen.
Alternatief 2:
•
Instellingen resetten in bestuurdersprofielen
(p. 141)
1.
Sleep het hoofdscherm van het middendisplay open.
•
Transpondersleutel koppelen aan bestuurdersprofiel (p. 142)
2.
Druk op Profiel.
> Dezelfde lijst als die voor alternatief 1 verschijnt.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
3.
Kies het gewenste bestuurdersprofiel.
4.
Druk op Bevestig.
> Het bestuurdersprofiel is gekozen, waarna
het systeem de instellingen van het
nieuwe bestuurdersprofiel laadt.
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersprofielen (p. 139)
Navigeren in schermen op het middendisplay
(p. 116)
•
Naam van bestuurdersprofiel wijzigen
(p. 141)
•
Transpondersleutel koppelen aan bestuurdersprofiel (p. 142)
Naam van bestuurdersprofiel
wijzigen
Instellingen resetten in
bestuurdersprofielen
U kunt de verschillende bestuurdersprofielen die
in de auto worden gebruikt een andere naam
geven.
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
Instellingen die zijn opgeslagen onder een of
meer bestuurdersprofielen zijn te herstellen, als
de auto stilstaat.
2.
Druk op Systeem
Bestuurdersprofielen.
3.
Kies Profiel bewerken.
> Er verschijnt een menu waarin het profiel
kan worden bewerkt.
4.
Druk op het vakje Profielnaam.
> Er verschijnt een toetsenbord, waarna u
de naam kunt wijzigen. Druk op
om
het toetsenbord te sluiten.
5.
Sla de naamswijziging op door te tikken op
Terug of Sluiten.
> De naam is daarmee gewijzigd.
N.B.
Fabrieksreset is alleen mogelijk, wanneer de
auto stilstaat.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Systeem Fabrieksreset
Persoonlijke instellingen resetten.
3.
Kies een van de opties Resetten voor het
actieve profiel, Resetten voor alle
profielen of Annuleren.
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersprofielen (p. 139)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 137)
N.B.
Een profielnaam kan niet beginnen met een
spatie, omdat de profielnaam dan niet wordt
opgeslagen.
Gerelateerde informatie
•
•
Bestuurdersprofiel kiezen (p. 140)
Toetsenbord op middendisplay (p. 127)
141
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Transpondersleutel koppelen aan
bestuurdersprofiel
2.
Druk op Systeem
Bestuurdersprofielen.
U kunt uw sleutel koppelen aan een bestuurdersprofiel. Op die manier wordt telkens automatisch het bestuurdersprofiel met alle bijbehorende instellingen geselecteerd als de auto
wordt gebruikt met die specifieke transpondersleutel.
3.
Markeer het gewenste profiel. Op het display
verschijnt het startscherm opnieuw. Het profiel Gast kan niet aan een sleutel worden
gekoppeld.
4.
Open het hoofdscherm weer en tik op
Instellingen Systeem
Bestuurdersprofielen Profiel
bewerken.
De eerste keer dat de transpondersleutel wordt
gebruikt, is deze nog niet gekoppeld aan een
specifiek bestuurdersprofiel. Bij het starten van
de auto wordt automatisch het profiel Gast
geactiveerd.
Het is mogelijk om handmatig een bestuurdersprofiel te kiezen zonder dit aan de sleutel te
koppelen. Bij ontgrendeling van de auto wordt
het laatst gehanteerde bestuurdersprofiel geactiveerd. Als de sleutel eenmaal gekoppeld is aan
een bestuurdersprofiel, hoeft u bij gebruik van
deze sleutel geen bestuurdersprofiel meer te kiezen.
Transpondersleutel koppelen aan een
bestuurdersprofiel
Kies eerst het profiel dat u aan de sleutel wilt
koppelen, voor zover het te koppelen profiel niet
al actief is. Het actieve profiel is vervolgens aan
de sleutel te koppelen.
1.
142
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
5.
Kies Sleutel koppelen om het profiel aan
de sleutel te koppelen. Het is niet mogelijk
om een bestuurdersprofiel te koppelen aan
een andere sleutel dan de momenteel in de
auto gebruikte sleutel. Als er meerdere sleutels in de auto zijn, verschijnt de tekst Meer
dan één sleutel gevonden, pak de
sleutel die u met de back-uplezer wilt
verbinden.
Positie back-uplezer in de tunnelconsole.
> Als de tekst Profiel gekoppeld aan
sleutel verschijnt, zijn de sleutel en het
bestuurdersprofiel aan elkaar gekoppeld.
6.
Druk op OK.
> De huidige sleutel is daarmee gekoppeld
aan het bestuurdersprofiel en blijft gekoppeld zolang het hokje voor Sleutel
koppelen is aangevinkt.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bestuurdersprofielen (p. 139)
Naam van bestuurdersprofiel wijzigen
(p. 141)
Melding op het middendisplay
Op het middendisplay kunnen in uiteenlopende
situaties meldingen verschijnen om u te informeren of helpen.
een transpondersleutel (p. 249)
Pop-upmeldingen
In bepaalde gevallen verschijnen pop-upmeldingen. Pop-upmeldingen zijn belangrijker dan meldingen op de statusbalk en verdwijnen alleen na
bevestiging/actie. Meldingen die moeten worden
opgeslagen, worden bewaard op het hoofdscherm van het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
Meldingen op middendisplay hanteren
(p. 144)
•
Opgeslagen middendisplaymeldingen hanteren (p. 144)
•
Melding op bestuurdersdisplay (p. 106)
Melding op het hoofdscherm van het middendisplay.
Op het middendisplay verschijnen meldingen die
voor u als bestuurder minder belangrijk zijn.
De meeste meldingen verschijnen boven de statusbalk van het middendisplay. De meldingen verdwijnen na enige tijd automatisch of na eventuele
reactie uit de statusbalk. Als een melding moet
worden opgeslagen, wordt deze bewaard op het
hoofdscherm van het middendisplay.
De meldingen kunnen er verschillend uitzien en
worden mogelijk gecombineerd met grafische
voorstellingen, symbolen of een knop om bijvoorbeeld een systeem dat aan de melding is gekoppeld, te activeren/deactiveren.
143
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Meldingen op middendisplay
hanteren
Meldingen op het middendisplay zijn te hanteren
via de schermen op het middendisplay.
Voor meldingen zonder knoppen:
–
Sluit de melding door erop te drukken of doe
niets, waarna de melding enige tijd later
automatisch verdwijnt.
> De melding verdwijnt van de statusbalk.
Opgeslagen
middendisplaymeldingen hanteren
Meldingen die zijn opgeslagen vanuit het
bestuurders- en middendisplay worden in beide
gevallen gehanteerd in het middendisplay.
Als een melding moet worden opgeslagen, wordt
deze bewaard op het hoofdscherm van het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Melding op het middendisplay (p. 143)
Opgeslagen middendisplaymeldingen hanteren (p. 144)
Melding op bestuurdersdisplay (p. 106)
Melding op het hoofdscherm van het middendisplay.
Bepaalde meldingen op het middendisplay hebben een knop (of meerdere knoppen in popupmeldingen) om bijvoorbeeld een functie te
activeren/deactiveren die aan de melding gekoppeld is.
Nieuwe melding hanteren
Voor meldingen met knoppen:
–
144
Druk op de knop om de maatregel uit te voeren of laat de melding automatisch na een
poosje gesloten worden.
> De melding verdwijnt van de statusbalk.
Opgeslagen meldingen en beschikbare opties in het
hoofdscherm.
Meldingen die op het middendisplay zijn weergegeven en die opgeslagen moeten worden, worden bewaard in het hoofdscherm van het middendisplay.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Opgeslagen melding lezen
1. Open het hoofdscherm op het middendisplay.
> Er verschijnt een lijst met opgeslagen
meldingen. Meldingen met een pijl-rechts
kunnen worden uitgevouwen.
2.
Head-updisplay*
Het head-updisplay is een aanvulling op het
bestuurdersdisplay van de auto en projecteert
informatie van het bestuurdersdisplay op de
voorruit. Het geprojecteerde beeld is alleen vanuit de positie van de bestuurder zichtbaar.
Tik op een melding om deze uit te vouwen/
minimaliseren.
> Er verschijnt meer informatie over de melding in de lijst en de afbeelding links in de
app geeft informatie in grafische vorm
over de melding.
Druk op de knop om de maatregel uit te voeren.
Opgeslagen meldingen in het hoofdscherm worden automatisch gewist als de auto wordt uitgezet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Melding op het middendisplay (p. 143)
•
•
gebruik van een polariserende zonnebril
een zithouding waarbij u niet goed in het
midden van de stoel zit
•
voorwerpen op het dekglas van de displaymodule
•
ongunstige lichtomstandigheden,
BELANGRIJK
Een opgeslagen melding hanteren
Bepaalde meldingen hebben een knop om bijvoorbeeld een functie te activeren/deactiveren
die aan de melding is gekoppeld.
–
N.B.
U kunt de informatie op het head-updisplay
mogelijk minder goed zien bij:
Telefoonoproepen.
Het head-updisplay projecteert waarschuwingen
en informatie met betrekking tot snelheid, cruisecontrolfuncties, navigatie en dergelijke binnen het
gezichtsveld van de bestuurder. Ook verkeersbordinformatie en gegevens over telefoonoproepen kunnen op het head-updisplay verschijnen.
De displaymodule die de informatie projecteert zit in het dashboard. Leg geen voorwerpen op het dekglas en zorg dat er evenmin
voorwerpen op kunnen vallen om schade aan
het dekglas van de displaymodule te voorkomen.
Meldingen op middendisplay hanteren
(p. 144)
Melding op bestuurdersdisplay (p. 106)
}}
* Optie/accessoire. 145
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
N.B.
Bij bepaalde afwijkingen in de lichtbreking
kan het gebruik van het head-updisplay aanleiding geven tot hoofdpijn en vermoeide
ogen.
•
Head-updisplay bij vervanging van de voorruit* (p. 623)
City Safety op head-updisplay
Voorbeelden van wat op het display kan verschijnen.
Bij activering van het City Safety wordt de informatie op het head-updisplay vervangen door een
grafische voorstelling voor City Safety. Deze grafische voorstelling verschijnt ook als het headupdisplay is uitgeschakeld
Snelheid
Cruisecontrol
Navigatie
Verkeersborden
Bepaalde symbolen kunnen korte tijd op het
head-updisplay verschijnen, zoals:
Licht het waarschuwingssymbool op lees de waarschuwingsmelding op het
bestuurdersdisplay.
Licht het informatiesymbool - lees de
melding op het bestuurdersdisplay.
146
De grafische voorstelling voor City Safety knippert om
uw aandacht te trekken.
Gerelateerde informatie
•
Head-updisplay* activeren en deactiveren
(p. 147)
•
Head-updisplay* reinigen (p. 652)
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Head-updisplay* activeren en
deactiveren
Het head-updisplay is na het starten van de auto
te activeren en deactiveren.
Tik op de knop Head-up
display op het functiescherm
van het middendisplay. Een
brandend lampje in de knop
geeft aan dat de functie geactiveerd is.
Gerelateerde informatie
•
•
Instellingen voor head-updisplay* (p. 147)
Head-updisplay* (p. 145)
Instellingen voor head-updisplay*
Lichtsterkte en hoogte aanpassen
Pas de instellingen aan voor de weergave van
het head-updisplay op de voorruit.
De instellingen zijn te verrichten in het instellingsmenu op het middendisplay wanneer de
auto is gestart en er een beeld op de binnenkant
van de voorruit wordt geprojecteerd.
De instelling wordt als persoonlijke instelling
opgeslagen in het bestuurdersprofiel.
1.
Tik op de knop Head-up display afstellen
op het functiescherm van het middendisplay.
Weergave-opties kiezen
2.
Pas de lichtsterkte en hoogte van de geprojecteerde afbeelding in uw blikveld aan met
behulp van de rechter stuurknoppenset.
Kies de functies die op het head-updisplay moeten verschijnen.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car Displays
head-up display.
3.
Kies een of meer functies:
•
•
•
•
Opties
Toon navigatie
Toon Road Sign Information
Toon rijhulp
Toon telefoon.
Lichtsterkte verlagen
Lichtsterkte verhogen
Positie verhogen
Positie verlagen
}}
* Optie/accessoire. 147
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Stembediening19
Bevestigen
||
U kunt bepaalde functies van de mediaspeler,
een via Bluetooth aangesloten telefoon, de klimaatregeling en Volvo’s navigatiesysteem* met
stemcommando’s te bedienen.
De lichtsterkte van de grafische voorstellingen
wordt automatisch afgestemd op de heersende
lichtomstandigheden. De lichtsterkte van het
head-updisplay hangt tevens af van de gehanteerde lichtsterkte voor de overige displays in de
auto.
Stemcommando's zorgen voor extra gebruiksgemak en voorkomen dat u wordt afgeleid, zodat u
zich concentreren richten op het rijden, op de
weg en op de verkeerssituatie.
De hoogte is op te slaan in de geheugenfunctie
van de elektrisch bedienbare voorstoel*.
Horizontale stand kalibreren
WAARSCHUWING
De horizontale stand van het head-updisplay
moet mogelijk gekalibreerd worden bij het vervangen van de voorruit of de displayeenheid. Kalibreren houdt in dat de geprojecteerde afbeelding
linksom of rechtsom wordt gedraaid.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Kies My Car Displays Opties headup display Head-up display kalibreren.
3.
Kalibreer de horizontale stand van de afbeelding met de rechter stuurknoppenset.
Linksom draaien
Rechtsom draaien
Bevestigen
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt en de geldende verkeersregels in
acht neemt.
Gerelateerde informatie
•
•
Head-updisplay* (p. 145)
Head-updisplay* activeren en deactiveren
(p. 147)
Microfoon van de stembediening
19
148
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
De stembediening vindt plaats in de vorm van
een dialoog; de gebruiker zegt commando's en
krijgt een verbale reactie van het systeem. De
stembediening maakt gebruik van dezelfde
microfoon als apparaten die via Bluetooth zijn
verbonden en geeft antwoord via de luidsprekers
in de auto. In sommige gevallen verschijnt tevens
een tekstmelding op het bestuurdersdisplay. De
functies worden aangestuurd met de rechter
stuurknoppenset en instellingen doet u via het
middendisplay.
Stembediening gebruiken20
•
Spreek met een normale stem in een normaal tempo.
Systeemupdate
Het systeem voor stembediening wordt voortdurend verder verbeterd. Voor optimale functionaliteit kunt u op support.volvocars.com updates
downloaden.
•
Wacht met spreken, totdat het systeem klaar
is met antwoorden (zolang het systeem antwoordt, werkt de stembediening namelijk
niet).
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Druk op de stuurknop voor
stembediening
om de
werking te activeren en een
dialoog met stemcommando's
te starten.
Aandachtspunten:
•
Stembediening gebruiken (p. 149)
Vermijd achtergrondgeluiden in het interieur
door portieren, ruiten en panoramadak* dicht
te houden.
Stembediening telefoon (p. 150)
U kunt de stembediening als volgt beëindigen:
Stembediening radio en media (p. 151)
•
•
Stembediening klimaat (p. 208)
Instellingen voor stembediening (p. 151)
Zeg "Annuleer".
Druk lang op de stuurknop voor stembedie.
ning
Voorbeelden van stembediening
Tik op
, zeg "Bel [Voornaam]
[Achternaam] [nummercategorie]" - het
gekozen contact uit het telefoonboek bellen. Als
er meerdere telefoonnummers (zoals thuis,
mobiel, werk) voor het contact bestaan, moet u
ook de juiste categorie noemen.
Tik dus op
Mobiel".
en zeg "Bel Robyn Smith
Commando's/zinnen
De volgende commando's zijn altijd mogelijk:
•
•
•
"Herhaal" - de laatst gegeven steminstructie van de actieve dialoog herhalen.
"Annuleer" - de dialoog annuleren.
"Help" - een hulpdialoog starten. Het systeem antwoordt met commando's die in de
actuele situatie gebruikt kunnen worden, een
vraag of een voorbeeld.
Commando's voor specifieke functies, zoals de
telefoon en de radio, staan beschreven in de desbetreffende artikelen.
Om de commandodialoog te verkorten en systeemvragen over te slaan voordat het volgende
commando wordt aangegeven, kunt u wanneer
het systeem spreekt de stuurknop voor stembeindrukken.
diening
20
Geldt voor bepaalde markten.
}}
* Optie/accessoire. 149
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
Cijfers
Geef de cijfercommando's aan, afhankelijk van
welke functie moet worden aangestuurd:
•
•
•
Telefoonnummers en postcodes moet u
apart en cijfer voor cijfer zeggen, bijvoorbeeld
nul drie een twee twee vier vier drie
(03122443).
Huisnummers kunt u apart of in een groep
zeggen, bijvoorbeeld twee twee of tweeëntwintig (22). Bij Engels en Nederlands kunt u
meerdere groepen achter elkaar zeggen, bijvoorbeeld tweeëntwintig tweeëntwintig (22
22). Bij Engels kunt u ook dubbel of drievoudig gebruiken, bijvoorbeeld dubbel nul (00).
U kunt nummers aangeven binnen het interval 0–2300.
Frequenties kunt u als volgt zeggen: achtennegentig komma acht (98,8) en honderdenvier komma twee (104,2).
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
21
22
150
Stembediening (p. 148)
Stembediening telefoon (p. 150)
Stembediening telefoon21
Bel naar een contact, laat berichten voorlezen of
dicteer korte berichten met de stemcommando's
voor een telefoon met Bluetooth-aansluiting.
Om een contactpersoon in het telefoonboek aan
te geven moet het stemcommando contactgegevens bevatten die in het telefoonboek staan. Als
er voor een contactpersoon, bijvoorbeeld Robyn
Smith, meerdere telefoonnummers in het telefoonboek staan, kunt u ook de nummercategorie
aangeven, bijvoorbeeld Thuis of Mobiel: "Bel
Robyn Smith Mobiel".
Druk op
mando's:
•
"Bel [contact]" - hiermee belt u de gekozen
contactpersoon uit het telefoonboek.
•
"Bel [telefoonnummer]" - hiermee belt u
een telefoonnummer.
•
"Recente gesprekken" - hiermee geeft u
de gesprekslijst weer.
•
"Lees bericht" - hiermee laat u een bericht
voorlezen. Als er meerdere berichten zijn geef aan welk bericht moet worden voorgelezen.
•
"Bericht aan [contact]" - de gebruiker
wordt gevraagd om een kort bericht hardop
te zeggen. Vervolgens wordt het bericht
voorgelezen en kunt u ervoor kiezen om het
Stembediening radio en media (p. 151)
Stembediening klimaat (p. 208)
Instellingen voor stembediening (p. 151)
en zeg een van de volgende com-
bericht te versturen22 of het bericht opnieuw
aan te maken. Voor deze functie moet de
auto verbinding hebben met internet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Stembediening (p. 148)
Stembediening gebruiken (p. 149)
Stembediening radio en media (p. 151)
Stembediening klimaat (p. 208)
Instellingen voor stembediening (p. 151)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 545)
Geldt voor bepaalde markten.
Alleen bepaalde telefoons kunnen berichten verzenden via de auto. Kijk voor de compatibiliteit op support.volvocars.com.
* Optie/accessoire.
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
Stembediening radio en media23
Hier volgen commando's voor stembediening
van radio en mediaspeler.
Druk op
en zeg een van de volgende commando's:
•
"Media" - start een dialoog voor media en
radio en geeft voorbeelden van commando's
weer.
•
"Speel [artiest]" - muziek afspelen van
gekozen artiest.
•
"Speel [tracknaam]" - gekozen track
afspelen.
•
"Speel [tracknaam] van [album]" - gekozen track van gekozen album afspelen.
•
"Speel [Tv-zendernaam]" - gekozen tvzender*24 starten.
•
"Speel [radiokanaal]" - gekozen radiokanaal starten.
•
•
•
23
24
25
"Stem af op [frequentie]" - gekozen radiofrequentie starten op actieve radioband. Als
op dat moment geen radiobron actief is,
wordt standaard de FM-band ingeschakeld.
"Stem af op [frequentie]
[frequentieband]" - gekozen radiofrequentie starten op gekozen radioband.
"Radio" - FM-radio starten.
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor bepaalde markten.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
"FM Radio" - FM-radio starten.
Instellingen voor stembediening25
"AM Radio" - AM-radio starten.
Hier kiest u de instellingen voor de stembediening.
"DAB" - DAB-radio* starten.
"Tv" - tv*24-weergave starten.
"CD" - cd*-weergave starten.
"USB" - USB-weergave starten.
"iPod" - iPod-weergave starten.
"Bluetooth" - weergave vanaf een mediabron met Bluetooth-verbinding starten.
"Vergelijkbare muziek" - muziek op via de
USB-poort aangesloten eenheden spelen
die op de weergegeven muziek lijkt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Stembediening (p. 148)
Instellingen
Systeem
Stembediening
U kunt instellingen verrichten ten aanzien van het
volgende:
• Stemcommando herhalen
• Geslacht
• Spreeksnelheid
Audio-instellingen
Kies audio-instellingen onder:
Instellingen Geluid
Stembediening
Systeemvolumes
Stembediening gebruiken (p. 149)
Stembediening telefoon (p. 150)
Stembediening klimaat (p. 208)
Instellingen voor stembediening (p. 151)
Taalinstellingen
Stembediening is niet voor alle talen mogelijk. De
beschikbare talen voor stembediening zijn in de
.
talenlijst aangegeven met een pictogram,
Een eventuele taalwijziging geldt ook voor de
menu-, display- en hulpteksten.
Instellingen Systeem Systeemtalen
en -eenheden Systeemtaal
}}
* Optie/accessoire. 151
DISPLAYS EN STEMBEDIENING
||
152
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Stembediening (p. 148)
Stembediening gebruiken (p. 149)
Stembediening telefoon (p. 150)
Stembediening klimaat (p. 208)
Stembediening radio en media (p. 151)
Audio-instellingen (p. 510)
Systeemtaal wijzigen (p. 134)
VERLICHTING
VERLICHTING
Verlichtingsbediening
Met de verschillende knoppen op het bedieningspaneel voor de verlichting kunt u de buitenen binnenverlichting regelen. Met de linker stuurhendel kunt u de buitenverlichting inschakelen
en aanpassen. Met het duimwiel voor de verlichting op het instrumentenpaneel kunt u de sterkte
van de interieurverlichting aanpassen.
Ook de koplamphoogte1 is te regelen met een
duimwiel op het dashboard.
Buitenverlichting
Stand
Betekenis
Stand
Dagrijlicht.
Betekenis
Dagrijlicht en stadslichten voor/
achterlichten bij daglicht.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dimlicht en stadslichten voor/
achterlichten bij weinig daglicht of
donker of wanneer de mistlampen
voor* en/of het mistachterlicht
geactiveerd zijn.
Dagrijlicht en stadslichten voor/
achterlichten.
Stadslichten voor/achterlichten,
wanneer de auto geparkeerd staat.A
Het automatisch groot licht is te
activeren.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dimlicht en stadslichten voor/
achterlichten.
U kunt het groot licht inschakelen,
wanneer u het dimlicht voert.
Groot licht is te activeren.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Automatisch groot licht aan/uit.
A
Als u bij een ingeschakelde en stilstaande auto de draairing
vanuit een willekeurige andere stand naar de stand
draait, branden de stadslichten voor/achterlichten in plaats van
andere verlichting.
Volvo adviseert om stand
te gebruiken als
er met de auto wordt gereden.
Draairing op linker stuurhendel.
Wanneer het elektrische systeem van de auto in
contactslotstand II staat of wanneer de auto
loopt, gelden de volgende functies in de verschillende standen van de draairing:
1
154
Geldt voor auto's met halogeenkoplampen.
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
WAARSCHUWING
Het verlichtingssysteem van de auto kan niet
in elke situatie bepalen of het daglicht te
zwak of sterk genoeg is, bijv. bij mist en regen.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op de
heersende omstandigheden en de geldende
verkeerswetgeving.
Duimwielen op dashboard
Een auto met led-2 koplampen* heeft automatische
koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel voor
koplamphoogteregeling ontbreekt.
Gerelateerde informatie
•
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 155)
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Interieurverlichting (p. 166)
Stadslichten voor/achterlichten (p. 157)
Richtingaanwijzers gebruiken (p. 161)
Groot licht gebruiken (p. 159)
Dimlicht (p. 158)
Mistlampen voor/bochtverlichting* (p. 162)
Mistachterlicht (p. 163)
Actieve bochtverlichting* (p. 162)
Remlichten (p. 164)
Noodremlichten (p. 164)
Alarmlichten (p. 164)
Verlichtingsfuncties aanpassen via
het middendisplay
Via het middendisplay zijn meerdere verlichtingsfuncties te activeren en aan te passen waaronder automatisch groot licht, Follow Me Homeverlichting en de Approach-verlichting.
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Autoverlichting of
Interieurverlichting.
Lampen en verlichting.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verlichtingsbediening (p. 154)
Automatisch groot licht (p. 159)
Follow Me Home-verlichting gebruiken
(p. 165)
•
•
•
Approach-verlichting (p. 165)
•
Functiescherm op het middendisplay
(p. 123)
Richtingaanwijzers gebruiken (p. 161)
Instellingen openen op middendisplay
(p. 134)
Duimwiel voor het aanpassen van de lichtsterkte in het interieur
Duimwiel voor koplamphoogteregeling1
2
1
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
Geldt voor auto's met halogeenkoplampen.
* Optie/accessoire. 155
VERLICHTING
Koplamphoogte aanpassen
Beladingssituatie
Duimwielstand
Bestuurder en voorpassagier.
1
De koplamphoogte3 is te regelen met een van
de duimwielen op het dashboard.
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegenliggers
mogelijk verblindt. U kunt dat voorkomen door de
koplamphoogte bij te stellen. Stel de koplampen
lager af als de auto zwaar beladen is.
1.
Laat de motor draaien of zet het elektrische
systeem van de auto in de contactslotstand I.
2.
Draai het duimwiel omhoog of omlaag om de
koplampen hoger of lager af te stellen.
Hieronder ziet u in welke stand het duimwiel
moet staan in enkele beladingssituaties.
Drie passagiers op de tweede zitrij.
220 kg bagage in de bagageruimte.
Voorbeelden van duimwielstanden.
156
Bestuurder en voorpassagier.
1
Twee passagiers op de derde zitrij*.
Duimwiel in stand 1
0
Bestuurder en voorpassagier.
Twee passagiers op de derde zitrij*.
Duimwielstand
Bestuurder en voorpassagier.
Alleen bestuurder.
0
Twee passagiers op de derde zitrij*.
Bestuurder en voorpassagier.
0
70 kg bagage in de bagageruimte.
Bestuurder en voorpassagier.
1
Drie passagiers op de tweede zitrij.
3
2
Drie passagiers op de tweede zitrij.
Duimwiel in stand 0
Beladingssituatie
Bestuurder plus maximale belading
in bagageruimte.
1
Drie passagiers op de tweede zitrij.
Gerelateerde informatie
•
Verlichtingsbediening (p. 154)
Geldt voor auto's met halogeenkoplampen.
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
Stadslichten voor/achterlichten
De stadslichten voor/achterlichten zijn te gebruiken om zichtbaar te blijven voor medeweggebruikers als de auto stilstaat of geparkeerd staat.
Stadslichten voor/achterlichten zijn in te schakelen via de draairing van de stuurhendel.
Als u bij een ingeschakelde en stilstaande auto
de draairing vanuit een willekeurige andere stand
naar de stand voor de stadslichten voor/achterdraait, branden de stadslichten
lichten
voor/achterlichten in plaats van andere verlichting.
Wanneer u meer dan 30 seconden op een snelheid van maximaal 10 km/h (zo'n 6 mph) rijdt of
als de rijsnelheid oploopt tot boven 10 km/h
(zo'n 6 mph), gaat de dagrijverlichting branden. U
dient dan over te schakelen op een andere stand
.
dan
De draairing van de stuurhendel in de stand voor stadslichten voor/achterlichten.
Zet de draairing in stand
- de stadslichten
voor/achterlichten gaan branden (ook de kentekenverlichting wordt ingeschakeld).
Als het elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat of als de auto is ingeschakeld, brandt het dagrijlicht in plaats van de stadslichten vóór. Wanneer de draairing in deze stand
staat, branden de stadslichten voor en de achterlichten ongeacht de contactslotstand van het
elektrische systeem van de auto.
Dagrijlicht
De auto heeft sensoren die de lichtomstandigheden rondom registreren. Wanneer de draairing
,
of
van de stuurhendel in stand
staat terwijl het elektrische systeem van
de auto in contactslotstand II staat of de auto
rijdt, brandt het dagrijlicht. In de stand
schakelen de koplampen automatisch over op
het dimlicht bij weinig daglicht of in het donker.
Als het buiten donker is en de achterklep wordt
geopend, gaan de achterlichten branden (als ze
al niet zijn ingeschakeld) om het achteropkomende verkeer te waarschuwen. Dat gebeurt
altijd, ongeacht de stand van de draairing of de
contactslotstand van het elektrische systeem van
de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verlichtingsbediening (p. 154)
De draairing van de stuurhendel in stand AUTO.
Contactslotstanden (p. 440)
Dagrijlichtlamp/stadslichtlamp vóór vervangen (p. 632)
}}
157
VERLICHTING
||
Wanneer de draairing van de stuurhendel in
staat, brandt het dagrijlicht (DRL4)
stand
wanneer de auto overdag rijdt. De auto schakelt
automatisch over van dagrijlicht op dimlicht bij
een zwakke verlichting overdag of in het donker.
Overschakeling op dimlicht vindt ook automatisch
plaats, als u de mistlampen voor */mistachterlichten activeert.
Dimlicht
Tijdens ritten met de draairing van de stuurhenwordt het dimlicht automadel in stand
tisch geactiveerd bij een zwakke verlichting overdag of in het donker, wanneer het elektrische
systeem van de auto in contactslotstand II staat
of wanneer de auto is ingeschakeld.
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet in
alle gevallen kan bepalen wanneer de omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is
bij mist en regen bijvoorbeeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op de
heersende omstandigheden en de geldende
verkeerswetgeving.
•
•
•
•
4
158
Verlichtingsbediening (p. 154)
Contactslotstanden (p. 440)
Dimlicht (p. 158)
Dagrijlichtlamp/stadslichtlamp vóór vervangen (p. 632)
Tunneldetectie
De auto detecteert dat hij een tunnel inrijdt en
schakelt dan over van dagrijlicht op dimlicht.
Let erop dat de tunneldetectie alleen werkt, als
de linker stuurhendel in stand
gedraaid is.
WAARSCHUWING
Gerelateerde informatie
Wanneer de draairing van de stuurhendel in
staat terwijl het elektrische systeem
stand
van de auto in contactslotstand II staat of de
auto is ingeschakeld, brandt altijd het dimlicht.
Verlichtingsbediening (p. 154)
Contactslotstanden (p. 440)
Dagrijlicht (p. 157)
Dimlichtlamp vervangen (p. 630)
De draairing van de stuurhendel in stand AUTO.
Met de draairing op de stuurhendel in stand
wordt het dimlicht ook automatisch geactiveerd in de volgende gevallen:
•
•
•
u activeert de mistlampen voor*
u activeert het mistachterlicht
u activeert de mistlampen voor en het mistachterlicht
Daytime Running Lights
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
Groot licht gebruiken
Het groot licht is te bedienen met de linker
stuurhendel. Het groot licht is de felste verlichtingsfunctie op de auto en dient tijdens ritten in
het donker te worden gebruikt om het zicht te
verbeteren, zolang u tegenliggers niet verblindt.
tie deactiveren door de stuurhendel naar
achteren te halen.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt het
symbool
op het bestuurdersdisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Stuurhendel met draairing.
Grootlichtsignalen
Haal de stuurhendel naar achteren, naar de
stand voor grootlichtsignalen. Het groot licht
brandt totdat u de hendel loslaat.
Groot licht
Het groot licht is te activeren met de draai5 of
ring van de stuurhendel in stand
. Activeer het groot licht door de stuurhendel naar voren te duwen. U kunt de func-
5
Wanneer het dimlicht brandt.
Automatisch groot licht
Automatisch groot licht is een systeem dat met
een camerasensor boven aan de voorruit de
koplampen van tegenliggers of de achterlichten
van voorliggers registreert en automatisch overschakelt van groot licht naar dimlicht.
Verlichtingsbediening (p. 154)
Automatisch groot licht (p. 159)
Grootlichtlamp vervangen (p. 631)
Automatisch groot licht is te activeren met de draairing
van de stuurhendel in stand
.
Het systeem kan ook rekening houden met de
straatverlichting. Wanneer de camerasensor geen
tegen-/voorliggers meer waarneemt, wordt weer
overgeschakeld naar groot licht.
Het systeem kan starten bij ritten in het donker,
wanneer de auto een rijsnelheid heeft van zo'n
20 km/h (12 mph) of hoger.
}}
159
VERLICHTING
||
Deactiveren van automatisch groot licht wanneer
het groot licht aanstaat, leidt ertoe dat er direct
wordt overgeschakeld op dimlicht.
bundel dat rechtstreeks op de tegenliggers/voorliggers gericht is wordt gedimd.
Wanneer automatisch groot licht geactiveerd is,
op het bestuurdersdislicht het symbool
play wit op.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt het
symbool blauw. Bij led-koplampen geldt dit ook
bij gedeeltelijk groot licht, dat wil zeggen zodra
de lichtbundel iets sterker brandt dan het geval is
bij dimlicht.
Auto met halogeenkoplampen
Wanneer de camerasensor geen invallend licht
van voor-/tegenliggers waarneemt, schakelt de
verlichting enkele seconden later weer over naar
groot licht.
Auto met led6-koplampen*
Wanneer bij automatisch groot licht met automatische in-/uitschakeling7 de camerasensor geen
invallend licht van voor-/tegenliggers meer waarneemt, schakelt de verlichting enkele seconden
later weer over naar groot licht.
Bij automatisch groot licht met adaptatiefunctie7
blijft in tegenstelling tot wat er gebeurt bij de
standaarddimfunctie dat deel van de lichtbundel
dat naast tegen- of voorliggers valt op grootlichtsterkte branden – alleen dat deel van de licht-
6 Lichtdiode (Light Emitting Diode)
7 Afhankelijk van het uitrustingsniveau
160
Als dit symbool samen met de melding
Actief grootlicht Tijdelijk niet
beschikbaar op het bestuurdersdisplay verschijnt, moet u handmatig overschakelen tussen groot licht en dimlicht. Desondanks kan de draairing van de stuurhendel in
staan. Het symbool
dooft,
stand
wanneer deze melding verschijnt.
Hetzelfde geldt als dit symbool samen
met de melding Voorruitsensor
Sensor afgedekt, zie handleiding
verschijnt.
Adaptatiefunctie: Dimlicht recht vooruit in de richting van
tegenliggers, maar groot licht aan weerszijden van de
tegenliggers.
Wanneer de camerasensor geen invallend licht
van voor-/tegenliggers waarneemt, schakelt de
verlichting enkele seconden later weer over naar
volledig groot licht.
Beperkingen van het automatisch groot licht
De camerasensor waar de functie gebruik van
maakt kent beperkingen.
Automatisch groot licht is mogelijk tijdelijk niet
beschikbaar, zoals in dichte mist of bij zware
regenval. Wanneer automatisch groot licht weer
beschikbaar is of als de voorruitsensoren niet
langer geblokkeerd zijn, verdwijnt de melding en
branden.
gaat het symbool
WAARSCHUWING
Actief groot licht is een systeem dat u helpt
om in ongunstige omstandigheden de optimale verlichting te kiezen.
Als bestuurder bent u echter altijd verplicht
om handmatig te wisselen tussen groot licht
en dimlicht, als dat gezien de verkeerssituatie
en/of weersgesteldheid vereist is.
van de auto.
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verlichtingsbediening (p. 154)
Groot licht gebruiken (p. 159)
Beperkingen van de camera (p. 362)
Richtingaanwijzers gebruiken
N.B.
De richtingaanwijzers van de auto zijn te bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven knipperen,
afhankelijk van hoe ver u de hendel omhoog of
omlaag beweegt.
•
Deze reeks automatische knipperingen is
te onderbreken door de stuurhendel
onmiddellijk in tegengestelde richting te
bewegen.
•
Als het richtingaanwijzersymbool op het
bestuurdersdisplay sneller knippert dan
normaal – zie de melding op het bestuurdersdisplay.
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
de eindstand.
De hendel blijft in deze stand staan en is handmatig in de uitgangspositie terug te zetten of
veert automatisch terug bij het terugdraaien van
het stuurwiel.
Richtingaanwijzer.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
de eerste stand en laat de hendel vervolgens
los. De richtingaanwijzers lichten driemaal op.
De functie is te activeren/deactiveren via het
middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Alarmlichten (p. 164)
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 155)
Richtingaanwijzerlamp voor vervangen
(p. 633)
161
VERLICHTING
Actieve bochtverlichting*
Actieve bochtverlichting is ontworpen om in
bochten en op kruisingen voor maximale verlichting te zorgen. Een auto met led8-koplampen*
kan afhankelijk van het uitrustingsniveau van de
auto zijn uitgerust met actieve bochtverlichting.
De functie is alleen actief bij een zwakke verlichting overdag of in het donker en alleen, wanneer
de auto rijdt of het dimlicht is ontstoken.
Mistlampen voor/bochtverlichting*
De mistlampen voor branden feller dan de dimlichten, zodat ze extra effectief zijn bij mist.
Functie deactiveren/activeren
U kunt de functie die bij aflevering vanuit de
fabriek geactiveerd is via het functiescherm op
het middendisplay deactiveren/activeren:
Druk op de knop Actieve
bochtverlichting.
Gerelateerde informatie
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde
(rechts) functie.
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 155)
•
Mistlampen voor/bochtverlichting* (p. 162)
Knop voor mistlampen voorzijde.
De mistlampen zijn in te schakelen, wanneer het
contactslot in stand II staat of wanneer de auto is
ingeschakeld en de draairing van de stuurhendel
in stand
,
of
staat.
De actieve bochtverlichting volgt de stuurbewegingen om voor een optimale verlichting in bochten en op kruisingen te zorgen en kan op die
manier mogelijk uw zicht verbeteren.
Tik op de knop om te activeren en deactiveren.
op het bestuurdersdisplay
Het symbool
brandt wanneer de mistlampen voor zijn ingeschakeld.
De functie wordt automatisch ingeschakeld bij
het starten van de motor. Wanneer de functie
een storing vertoont, brandt het symbool
op het middendisplay en verschijnt op hetzelfde
middendisplay een verklarende tekst.
De mistlampen voor doven automatisch, wanneer
u de startknop rechtsom draait om de auto uit te
schakelen of wanneer u de draairing op de stuurdraait.
hendel naar stand
8
162
•
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
N.B.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistlicht verschillen per land.
Bochtverlichting*
Mistachterlicht
Omdat het mistachterlicht veel feller brandt dan
de standaardachterlichten, moet u de verlichtingsfunctie alleen gebruiken bij een beperkt
zicht door mist, sneeuw, rook of stof zodat achterliggers uw auto tijdig kunnen waarnemen.
De mistlampen zijn mogelijk voorzien van de
functie bochtverlichting, zodat de lampen bij een
scherpe bocht tijdelijk met het stuurwiel meedraaien of in de richting die de richtingaanwijzers
aangeven.
Druk op de knop voor aan/uit. Het symbool
op het bestuurdersdisplay brandt, wanneer
het mistachterlicht brandt.
Het mistachterlicht dooft automatisch in de volgende gevallen:
•
u draait de startknop rechtsom om de auto
uit te schakelen of de draairing op de stuurhendel staat in de stand
•
de draairing op de stuurhendel staat in stand
en de mistlampen zijn gedoofd.
De functie wordt geactiveerd bij een zwakke verlichting overdag of in het donker, wanneer de
of
draairing van de stuurhendel in stand
staat en de auto een rijsnelheid heeft
lager dan zo'n 30 km/h (20 mph).
Ook tijdens het achteruitrijden gaat de bochtverlichting branden bij wijze van aanvulling op de
achteruitrijlichten.
U kunt de functie die bij aflevering vanuit de
fabriek geactiveerd is via het middendisplay activeren en deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Verlichtingsbediening (p. 154)
N.B.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistachterlicht verschillen per land.
Gerelateerde informatie
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht bestaat uit een lamp achter
op de auto, aan de bestuurderszijde.
Actieve bochtverlichting* (p. 162)
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 155)
Verlichtingsbediening (p. 154)
Mistlampen voor/bochtverlichting* (p. 162)
Contactslotstanden (p. 440)
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen in de
volgende gevallen:
•
het contactslot staat in stand II of de auto is
ingeschakeld en de draairing van de stuurof
hendel staat in stand
•
de draairing op de stuurhendel staat in stand
en de mistlampen voor branden.
Contactslotstanden (p. 440)
Mistachterlicht (p. 163)
•
•
•
* Optie/accessoire. 163
VERLICHTING
Remlichten
Noodremlichten
Alarmlichten
De remlichten gaan automatisch branden, wanneer u remt.
De noodremlichten worden geactiveerd om achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt.
Bij het bedienen van het rempedaal gaan de
remlichten branden. Ze gaan ook branden, wanneer een van de rijhulpsystemen de auto afremmen.
Daarbij knipperen de remlichten in plaats van dat
ze continu branden, zoals bij normaal remmen.
De noodremlichten worden geactiveerd bij krachtig remmen of als het ABS-systeem wordt geactiveerd bij hoge snelheden.
De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig
knipperen. De functie is te gebruiken om te
waarschuwen voor gevaarlijke verkeerssituaties.
Gerelateerde informatie
•
•
Noodremlichten (p. 164)
Remsystemen (p. 443)
Nadat u afremt tot een geringe snelheid en het
rempedaal loslaat, gaat het remlicht weer op de
normale wijze constant branden
Tegelijkertijd worden de alarmlichten van de auto
geactiveerd. Deze blijven knipperen totdat de
bestuurder weer versnelt naar een hogere snelheid of tot uitschakeling van de alarmlichten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
164
Remlichten (p. 164)
Knop voor alarmlichten.
Rempedaal (p. 444)
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren.
Alarmlichten (p. 164)
De alarmlichten worden automatisch geactiveerd
als er zo sterk met de auto wordt geremd dat de
noodremlichten worden geactiveerd en de snelheid laag is. Nadat de noodremlichten zijn opgehouden met knipperen, gaan de alarmlichten
knipperen en de alarmlichten worden automatisch gedeactiveerd, wanneer u weer wegrijdt of
de desbetreffende knop indrukt.
VERLICHTING
N.B.
De regels voor het gebruik van alarmlichten
kunnen per land variëren.
Gerelateerde informatie
•
•
Noodremlichten (p. 164)
Richtingaanwijzers gebruiken (p. 161)
Follow Me Home-verlichting
gebruiken
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en als
Follow Me Home-verlichting dienst te laten doen
na vergrendeling van de auto.
Om de functie in te schakelen:
1.
Zet de auto uit.
2.
Duw de linker stuurhendel naar voren richting het dashboard en laat los.
3.
Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Bij activering van de functie gaan een symbool
op het bestuurdersdisplay, de stadslichten voor/
achterlichten, de buitengreepverlichting* en de
kentekenplaatverlichting branden.
De duur van de Follow Me Home-verlichting kan
worden ingesteld via het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 155)
•
Approach-verlichting (p. 165)
Approach-verlichting
De Approach-verlichting wordt geactiveerd als
de auto wordt ontgrendeld en wordt gebruikt om
de verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
De functie wordt geactiveerd wanneer u de transpondersleutel gebruikt voor ontgrendeling. In dat
geval branden de stadslichten voor/achterlichten,
de verlichting in de buitengrepen*, de plafondverlichting en de vloerverlichting alsook de verlichting in de kofferbak/bagageruimte. Als binnen de
activeringstijd een portier wordt geopend, wordt
de inschakelduur van de buitengreepverlichting*
en de interieurverlichting verlengd.
De functie is te activeren en deactiveren via het
middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 155)
•
Follow Me Home-verlichting gebruiken
(p. 165)
•
een transpondersleutel (p. 249)
* Optie/accessoire. 165
VERLICHTING
Interieurverlichting
Het interieur is uitgerust met diverse soorten verlichtingsfuncties voor een betere rijbeleving. Zo
is voorzien in leeslampjes, dashboardkastverlichting en grondverlichting.
Alle verlichting in het interieur is handmatig in en
uit te schakelen binnen 5 minuten nadat:
•
de auto is afgezet en het elektrische systeem in contactslotstand 0 staat
•
de auto ontgrendeld is zonder dat deze is
gestart.
Plafondverlichting voorin
Automatische bediening voor interieurverlichting
•
Leeslampje rechterzijde
Plafondverlichting achterin
Leeslampjes
De leeslampjes links of rechts doet u aan of uit
door kort op de bijbehorende knop op de plafondconsole te drukken. De lichtsterkte is aan te
passen door de knop ingedrukt te houden.
blijft 2 minuten branden, als een van de portieren openstaat.
In het achterste deel van de auto zitten leeslampjes, die ook als interieurverlichting dienen.
Interieurverlichting
De vloerverlichting en plafondverlichting zijn in en
uit te schakelen door de bijbehorende knop op
de plafondconsole kort in te drukken.
Automatische bediening voor
interieurverlichting
De automatische verlichting is te activeren door
de AUTO-knop op de plafondconsole kort in te
drukken. Met de automatische verlichting geactiveerd brandt het led-lampje in de knop en de
interieurverlichting gaat branden en dooft zoals
hieronder vermeld.
Leeslampjes boven de achterbank9.
De interieurverlichting:
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes
en interieurverlichting voorin.
Leeslampje linkerzijde
Interieurverlichting
9
166
•
gaat branden, wanneer de auto wordt ontgrendeld en wanneer deze wordt uitgeschakeld
•
dooft, wanneer de auto wordt gestart en
wanneer deze wordt vergrendeld
•
wordt in- en uitgeschakeld bij het openen of
sluiten van een portier
Er zitten ook leeslampjes boven de derde zitrij*.
* Optie/accessoire.
VERLICHTING
Grondverlichting*
Verlichting in portiervakken
De grondverlichting wordt in- en uitgeschakeld
bij het openen of sluiten van het desbetreffende
portier.
De verlichting in de opbergvakken van portieren
gaat branden bij het openen van de portieren en
dooft bij het vergrendelen van de auto. De lichtsterkte is fijn af te stellen met behulp van het
duimwiel op het dashboard.
Dorpelverlichting
De dorpelverlichting wordt in- en uitgeschakeld
bij het openen of sluiten van een portier.
Verlichting in bagageruimte
Een auto met panoramadak* is voorzien van twee lampjes: aan beide zijden van het plafond één.10
De leeslampjes zijn in en uit te schakelen met
een korte druk op de knop van het lampje. De
lichtsterkte is aan te passen door de knop ingedrukt te houden.
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
Spiegelverlichting zonneklep*
De verlichting van de spiegel in de zonneklep
wordt bij het openen en sluiten van het spiegelklepje in- en uitgeschakeld.
10
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen
en sluiten van de achterklep automatisch in- en
uitgeschakeld.
Sierverlichting
De omringende sierverlichting gaat branden bij
het openen van de portieren en dooft bij het vergrendelen van de auto. De sterkte van de sierverlichting is aan te passen op het middendisplay en
tevens fijn af te stemmen met het duimwiel op
het instrumentenpaneel.
Verlichting van bekerhouder voor in
tunnelconsole
De verlichting van de bekerhouder voorin gaat
branden bij ontgrendeling van de auto en dooft
bij vergrendeling. De lichtsterkte is fijn af te stellen met behulp van het duimwiel op het dashboard.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Interieurverlichting aanpassen (p. 168)
Verlichtingsbediening (p. 154)
Contactslotstanden (p. 440)
Auto-interieur (p. 594)
Sfeerverlichting*
De auto is uitgerust met een aantal leds waarmee de kleur van de verlichting te veranderen is.
Deze verlichting brandt, wanneer de auto is ingeschakeld. De sterkte van de sfeerverlichting is
aan te passen op het middendisplay en tevens
fijn af te stellen met het duimwiel op het dashboard.
Geldt niet voor de derde zitrij*.
* Optie/accessoire. 167
VERLICHTING
Interieurverlichting aanpassen
Afhankelijk van de contactslotstand gaat de interieurverlichting op een bepaalde manier branden. De verlichting in het interieur is aan te passen met een duimwiel op het dashboard en
bepaalde verlichtingsfuncties zijn ook via het
middendisplay aan te passen.
Met het duimwiel op het instrumentenpaneel bij het stuurwiel
regelt u de sterkte van de displayverlichting, de verlichting
van de bedieningselementen,
de omringende sierverlichting
en de sfeerverlichting*
Verlichtingssterkte wijzigen
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op My Car Lampen en verlichting
Interieurverlichting
Stemmingsverlichting interieur.
3.
Kies onder Intensiteit sfeerverlichting uit
Uit, Laag en Hoog.
Verlichtingskleur wijzigen
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op My Car Lampen en verlichting
Interieurverlichting
Stemmingsverlichting interieur.
3.
Kies uit Op temperatuur en Op kleur om
de kleur van de verlichting te wijzigen.
Omringende sierverlichting aanpassen
1.
2.
3.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
Druk op My Car Lampen en verlichting
Interieurverlichting.
Kies uit de volgende instellingen:
•
Kies onder Intensiteit omgevingslicht
uit Uit, Laag en Hoog.
•
Kies onder Niveau omgevingslicht uit
Verm. en Vol.
Sfeerverlichting aanpassen*
De auto is uitgerust met een aantal leds waarmee de kleur van de verlichting te veranderen is.
Deze verlichting brandt, wanneer de auto is ingeschakeld.
168
Bij de keuze Op temperatuur verandert de
verlichting afhankelijk van de ingestelde interieurtemperatuur.
Bij de keuze Op kleur kan de subcategorie
Themakleuren worden gebruikt voor verdere aanpassing.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Interieurverlichting (p. 166)
Verlichtingsfuncties aanpassen via het middendisplay (p. 155)
Contactslotstanden (p. 440)
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Ruiten, glazen daken en spiegels
•
In de auto zitten bedieningselementen voor ruiten, glazen daken en spiegels. Enkele ruiten van
de auto zijn verstevigd met gelaagd glas.
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 184)
Inklembeveiliging op ruiten en
zonneschermen
•
Elektrische voorruitverwarming* activeren en
deactiveren (p. 227)
Gelaagd glas
•
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 228)
Alle ruiten en zonneschermen* met elektrische
bediening zijn voorzien van inklembeveiliging die
wordt geactiveerd als de ruiten of zonneschermen tijdens het openen of sluiten worden gehinderd.
Bij blokkering komt de ruit/het zonnescherm tot
stilstand, waarna deze/dit wordt geopend tot op
zo'n 50 mm (2 inch) van de geblokkeerde stand
(of tot de maximale ventilatiestand).
De voorruit en het panoramadak* zijn voorzien
van gelaagd glas. Het glas is verstevigd voor een
verbeterde inbraakbeveiliging en geluidsisolatie
van het interieur. Bepaalde ruiten zijn als optie te
voorzien van gelaagd glas.
Dit symbool staat op beglazing bestaande uit gelaagd
glas1/>
Gerelateerde informatie
•
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 170)
•
•
•
Panoramadak* (p. 177)
•
•
•
Zonnescherm gebruiken* (p. 173)
1
170
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 171)
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
(p. 174)
Head-updisplay* (p. 145)
Ruitenwissers gebruiken (p. 181)
Ook als de inklembeveiliging in werking is getreden, is het mogelijk om de ruit/het zonnescherm
nog een keer zonder inklembeveiliging in
dezelfde richting te bewegen, op voorwaarde dat
deze beweging binnen 10 seconden na activering van de inklembeveiliging wordt gestart. Het
is dus mogelijk om de inklembeveiliging op te
heffen, wanneer de sluitfunctie is afgebroken
zoals bij ijsvorming, door de knop in de stand te
duwen waarbij de ruit/het zonnescherm volledig
gesloten is en de knop in deze stand vast te houden.
WAARSCHUWING
Als de startaccu losgekoppeld is geweest,
werkt de automatische openings-/sluitingsfunctie pas weer naar behoren nadat deze is
gereset. Resetten is nodig om de inklembeveiliging te laten werken.
Geldt niet voor de voorruit en het panoramadak*, die altijd van gelaagd glas zijn en daarom dit symbool niet hebben.
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
(p. 171)
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 172)
Resetprocedure voor de
inklembeveiliging
Bij problemen met de elektrische bedienbare ruiten kunt u een resetprocedure proberen.
WAARSCHUWING
Zonnescherm gebruiken* (p. 173)
Als de startaccu losgekoppeld is geweest,
werkt de automatische openings-/sluitingsfunctie pas weer naar behoren nadat deze is
gereset. Resetten is nodig om de inklembeveiliging te laten werken.
Panoramadak* (p. 177)
Elektrisch bedienbare ruiten
De elektrisch bedienbare ruiten zijn te bedienen
via de bedieningspanelen op de desbetreffende
portieren. Het bestuurdersportier heeft bedieningsknoppen waarmee alle ruiten en ook de
kindersloten te bedienen zijn.
Neem bij aanhoudende problemen of bij problemen met het panoramadak of het schuif-/kanteldak contact op met een werkplaats.2
Elektrisch bedienbare ruit resetten
1. Zorg dat de ruit in de gesloten stand staat.
2.
Druk vervolgens in de handmatige stand 3
keer op de knop voor het sluiten.
> De resetprocedure gaat automatisch van
start.
Gerelateerde informatie
2
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
•
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 170)
•
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 172)
Zonnescherm gebruiken* (p. 173)
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot* dat de bedieningsknoppen op de achterportieren deactiveert
om te voorkomen dat portieren en ruiten van
de binnenzijde te openen zijn.
Bedieningsknoppen voor achterste zijruiten.
Bedieningsknoppen voor voorste zijruiten.
De elektrisch bedienbare ruiten zijn voorzien van
een inklembeveiliging. Bij problemen met de
}}
* Optie/accessoire. 171
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
||
inklembeveiliging kunt u een resetprocedure proberen.
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door bewegende
delen.
•
•
Let altijd op bij bediening van ruiten.
•
Laat kinderen nooit alleen achter in de
auto.
•
•
Laat kinderen niet met de bedieningselementen spelen.
Onderbreek altijd de stroom voor de ruitbediening door het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand 0 te zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
Steek geen voorwerpen of lichaamsdelen
via de ruiten naar buiten, ook al is het
elektrische systeem van de auto volledig
uitgeschakeld.
Elektrisch bedienbare ruiten
Via het bedieningspaneel op het bestuurdersportier zijn alle ruiten te bedienen – via het
bedieningspaneel op de overige portieren is
alleen de ruit in het desbetreffende portier te
bedienen.
De elektrisch bedienbare ruiten zijn voorzien van
een inklembeveiliging. Bij problemen met de
inklembeveiliging kunt u een resetprocedure proberen.
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door bewegende
delen.
•
•
Let altijd op bij bediening van ruiten.
•
Laat kinderen nooit alleen achter in de
auto.
•
Onderbreek altijd de stroom voor de ruitbediening door het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand 0 te zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
•
Steek geen voorwerpen of lichaamsdelen
via de ruiten naar buiten, ook al is het
elektrische systeem van de auto volledig
uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
172
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 172)
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 170)
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
(p. 171)
Laat kinderen niet met de bedieningselementen spelen.
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare ruiten.
Handmatige bediening. Trek voorzichtig een
van de bedieningsknoppen omhoog of duw
er een omlaag. De elektrisch bedienbare ruiten komen steeds verder omhoog of omlaag
zolang u de bedieningsknop bedient.
Automatische bediening. Trek een van de
bedieningsknoppen omhoog of duw er een
omlaag en laat deze vervolgens los. De desbetreffende zijruit gaat automatisch volledig
open of dicht.
Voor het gebruik van de elektrisch bedienbare
ruiten moet de contactslotstand I of II zijn. Bij uitschakeling van de auto zijn de elektrisch bedienbare ruiten nadat het contact is uitgeschakeld
nog enkele minuten te bedienen, maar niet nadat
een portier is geopend. Er kan slechts één bedieningspaneel tegelijk worden bediend.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Bediening is tevens mogelijk met behulp van de
transpondersleutel, passieve opening* via de portiergreep of de knop voor centrale vergrendeling.
WAARSCHUWING
Let erop dat kinderen of andere inzittenden
niet bekneld raken wanneer u alle ruiten tegelijkertijd sluit via:
•
•
•
passief sluiten*
•
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
(p. 171)
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 275)
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 251)
•
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 278)
Zonnescherm gebruiken*
Er zijn mogelijk zonneschermen ingebouwd in de
beide achterportieren.
Op achterportier - handmatig bediend
de knop voor centrale vergrendeling
de transpondersleutel.
N.B.
Om het pulserende windgeluid te verminderen als de beide achterruiten open staan, kunt
u de voorste ruiten ook een stukje openen.
N.B.
Bij snelheden hoger dan zo'n 180 km/h
(112 mph) zijn de zijruiten niet te openen,
maar wel te sluiten.
Als bestuurder bent u altijd gehouden aan de
geldende verkeersregels.
Haak met bijbehorende vergrendeling
–
Trek het zonnescherm omhoog en haak het
vast aan de haak boven aan de ruitopening.
Ook bij gebruik van het zonnescherm kan de zijruit worden geopend en gesloten.
Gerelateerde informatie
•
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 170)
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 171)
•
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 170)
Resetprocedure voor de inklembeveiliging
(p. 171)
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 171)
Gerelateerde informatie
•
•
De afbeelding is schematisch, zodat de uitvoering kan
variëren.
* Optie/accessoire. 173
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Achteruitkijkspiegel en
buitenspiegels
De achteruitkijkspiegel en de buitenspiegels dienen om u een beter zicht naar achteren te
geven.
•
•
Buitenspiegels kantelen (p. 175)
Dimfunctie van spiegels aanpassen
Geheugenfunctie instellen voor elektrisch
bedienbare voorstoel* (p. 190)
•
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 228)
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties in
de spiegels veroorzaken en u verblinden. Activeer de dimstand, wanneer u de verlichting van
achterliggers als hinderlijk ervaart.
Achteruitkijkspiegel
Handmatige dimfunctie
De achteruitkijkspiegel is eenvoudig te verstellen
door deze handmatig in een bepaalde stand te
kantelen. De achteruitkijkspiegel is mogelijk uitgerust met HomeLink*, autodimfunctie* en kompas*.
De achteruitkijkspiegel is te dimmen met een
knopje aan de onderzijde van de spiegel.
Buitenspiegels
WAARSCHUWING
Beide spiegels zijn gebogen voor optimaal
zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken
dan ze in werkelijkheid zijn.
Stel de stand van de buitenspiegels bij met het
hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier. U beschikt tevens over meerdere automatische instellingen die te koppelen
zijn aan de geheugenfunctie van de elektrisch
bedienbare bestuurdersstoel*.
Gerelateerde informatie
•
•
•
174
HomeLink®* (p. 503)
Kompas (p. 507)
Hendeltje voor handmatige dimfunctie.
1.
Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2.
Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje
naar de voorruit toe te duwen.
Bij een spiegel met autodimfunctie ontbreekt het
hendeltje voor handmatig dimmen.
Dimfunctie van spiegels aanpassen (p. 174)
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt te
fel is, worden de achteruitkijkspiegel en buitenspiegels automatisch gedimd. De autodimfunctie
is tijdens het rijden altijd actief, behalve bij
inschakeling van de achteruitversnelling.
De buitenspiegels zijn alleen uitgerust met autodimfunctie als ook de achteruitkijkspiegel is voorzien van iets dergelijks.
N.B.
Als de sensoren door bijvoorbeeld parkeervergunningen, transponders, zonnekleppen of
voorwerpen op de achterbank of in de bagageruimte dusdanig worden gehinderd dat er
geen licht op de sensoren valt, gelden er
beperkingen voor de autodimfunctie van de
achteruitkijkspiegel en buitenspiegels.
N.B.
Bij aanpassing van het gevoeligheidsniveau
van de autodimfunctie is de wijziging pas na
enige tijd te merken.
De gevoeligheid van de dimfunctie is van invloed
op zowel de achteruitkijkspiegel als de buitenspiegels.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Kies onder Binnenspiegel automatisch
dimmen voor Normaal, Donker of Licht.
Buitenspiegels kantelen
Voor optimaal zicht naar achteren moet u de buitenspiegels verstellen. U beschikt over meerdere
automatische instellingen die tevens te koppelen
zijn aan de geheugenfunctie van de elektrisch
bedienbare bestuurdersstoel*.
Bedieningsknoppen voor
buitenspiegels gebruiken
Gerelateerde informatie
•
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
(p. 174)
•
Buitenspiegels kantelen (p. 175)
Spiegels en Comfort.
De achteruitkijkspiegel is voorzien van twee sensoren (één aan de voorkant en één aan de achterkant) die samenwerken om hinderlijke lichtinval te identificeren en te verhelpen. De sensor
aan de voorkant registreert omgevingslicht, terwijl
de sensor aan de achterkant de koplampen van
achterliggers registreert.
Bedieningsknoppen voor buitenspiegels.
Stel de stand van de buitenspiegels bij met het
hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier.
1.
Druk op de knop L voor de buitenspiegel
links of op R voor de buitenspiegel rechts.
Het lampje in de knop brandt.
2.
U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
}}
* Optie/accessoire. 175
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
||
3.
Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de
neutrale stand worden teruggezet zodat het elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt.
1.
Klap de spiegels in door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken.
2.
Klap ze weer uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken.
3.
Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt.
1.
2.
Druk de knoppen L en R gelijktijdig in (contactslotstand minimaal I).
Laat ze na ongeveer 1 seconde los. De spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
3 Alleen
176
Kantelen bij parkeren3
3.
De buitenspiegels zijn omlaag te kantelen zodat
u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van
de weg kunt zien.
–
Schakel de achteruitversnelling in en druk op
de knop L of R.
Let erop dat u de knop mogelijk 2 keer moet
indrukken, als de kantelfunctie al was geactiveerd. Wanneer de buitenspiegel omlaaggekanteld is, knippert de knop. Wanneer u de auto uit
de achteruitversnelling haalt, keert de buitenspiegel zo'n 3 seconden later automatisch terug naar
de oorspronkelijke stand (die de spiegel na zo'n
8 seconden bereikt).
Automatisch kantelen bij parkeren3
Dankzij deze instelling kantelen de buitenspiegels automatisch omlaag bij inschakeling van de
achteruitversnelling. De omlaaggekantelde stand
is vooraf ingesteld en valt niet aan te passen. Het
is mogelijk om de buitenspiegel direct terug te
laten keren naar de oorspronkelijke stand door 2
keer op de knop L of R te drukken.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
Spiegels en Comfort.
Kies onder Buitenspiegel kantelen bij
achteruit voor Uit, Bestuurder, Passagier
of Beide om te activeren/deactiveren en om
te kiezen welke buitenspiegel moet worden
gekanteld.
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen*
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel
vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Spiegel inklappen bij vergrendelen
om te activeren/deactiveren.
Spiegels en Comfort.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
(p. 174)
Dimfunctie van spiegels aanpassen (p. 174)
Geheugenfunctie instellen voor elektrisch
bedienbare voorstoel* (p. 190)
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 228)
in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugenknoppen*.
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Panoramadak*
Het panoramadak is verdeeld in twee glassegmenten. Het voorste kan aan de achterkant verticaal (ventilatiestand) of horizontaal (open stand)
worden geopend. Het achterste is een vast dakglas.
Het panoramadak is voorzien van een windscherm alsook een zonnescherm, dat gemaakt is
van geperforeerd textiel en onder het glazen dak
zit, voor extra bescherming tegen bijvoorbeeld
fel zonlicht.
Het panoramadak en het zonnescherm zijn te
bedienen met een bedieningsknop aan het plafond.
Bediening is tevens mogelijk met behulp van de
transpondersleutel, passieve opening* via de portiergreep of de knop voor centrale vergrendeling.
Om het panoramadak en het zonnescherm te
kunnen bedienen moet het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand I of II staan.
BELANGRIJK
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door bewegende
delen.
•
•
Let altijd op bij bediening van ruiten.
•
Laat kinderen nooit alleen achter in de
auto.
•
Onderbreek altijd de stroom voor de ruitbediening door het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand 0 te zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
•
Steek geen voorwerpen of lichaamsdelen
via de ruiten naar buiten, ook al is het
elektrische systeem van de auto volledig
uitgeschakeld.
•
Verwijder sneeuw en ijs van het panoramadak alvorens het te openen.
•
Bedien het panoramadak niet, als het
vastgevroren is.
Windscherm
Laat kinderen niet met de bedieningselementen spelen.
BELANGRIJK
•
Open het panoramadak niet, wanneer
lastdragers zijn gemonteerd.
•
Leg geen zware voorwerpen boven op
het panoramadak.
Bij het panoramadak hoort een windscherm dat
opgeklapt wordt bij een geopend panoramadak.
Gerelateerde informatie
•
•
Panoramadak* bedienen (p. 178)
Automatische sluiting van zonnescherm van
panoramadak* (p. 180)
•
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 170)
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 275)
}}
* Optie/accessoire. 177
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
•
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 251)
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 278)
Panoramadak* bedienen
Het panoramadak en het zonnescherm zijn te
bedienen met een bedieningsknop aan het plafond en zijn allebei voorzien van een inklembeveiliging.
BELANGRIJK
•
Open het panoramadak niet, wanneer
lastdragers zijn gemonteerd.
•
Leg geen zware voorwerpen boven op
het panoramadak.
WAARSCHUWING
Kinderen, andere passagiers of voorwerpen
kunnen bekneld raken door bewegende
delen.
•
•
Let altijd op bij bediening van ruiten.
•
Laat kinderen nooit alleen achter in de
auto.
•
Onderbreek altijd de stroom voor de ruitbediening door het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand 0 te zetten en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto.
•
Laat kinderen niet met de bedieningselementen spelen.
Steek geen voorwerpen of lichaamsdelen
via de ruiten naar buiten, ook al is het
elektrische systeem van de auto volledig
uitgeschakeld.
BELANGRIJK
•
Verwijder sneeuw en ijs van het panoramadak alvorens het te openen.
•
Bedien het panoramadak niet, als het
vastgevroren is.
Om het panoramadak en het zonnescherm te
kunnen bedienen moet het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand I of II staan.
Bediening is tevens mogelijk met behulp van de
transpondersleutel, passieve opening* via de portiergreep of de knop voor centrale vergrendeling.
WAARSCHUWING
Let erop dat kinderen of andere inzittenden
niet bekneld raken wanneer u alle ruiten tegelijkertijd sluit via:
•
•
•
178
passief sluiten*
de knop voor centrale vergrendeling
de transpondersleutel.
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
BELANGRIJK
Openen en sluiten, ventilatiestand
Controleer of het panoramadak bij sluiten
goed vergrendelt.
Panoramadak volledig openen en
sluiten via bediening aan plafond
Het dak komt tot stilstand, als u bij handmatige
bediening de bedieningsknop loslaat of als het
glas de comfortstand4 heeft bereikt of maximaal
geopend of gesloten is. De beweging van het
panoramadak en het zonnescherm wordt eveneens onderbroken, als u een tegengesteld commando geeft met de bedieningsknop aan het plafond.
Het panoramadak en het zonnescherm zijn ook
voorzien van een inklembeveiliging.
N.B.
Bij handmatige opening is het panoramadak
pas te openen, wanneer het zonnescherm
volledig geopend is. Bij de omgekeerde procedure moet het panoramadak eerst volledig
dichtstaan, voordat het zonnescherm helemaal kan worden gesloten.
Ventilatiestand, achterkant verticaal opengekanteld.
Open het dak door de bedieningsknop eenmaal omhoog te duwen.
Sluit het dak door de bedieningsknop eenmaal omlaag te duwen.
Bij activering van de ventilatiestand wordt het
voorste glassegment aan de achterzijde opengekanteld. Als het zonnescherm helemaal dichtstaat
bij activering van de ventilatiestand, wordt het
automatisch zo'n 50 mm (2 inch) geopend.
Bediening, stand voor handmatige bediening
Bediening, stand voor automatische bediening
Het zonnescherm beweegt automatisch mee, als
u het panoramadak vanuit de ventilatiestand sluit.
4
De comfortstand is een stand waarbij het dak zover geopend is dat rijwind- en resonantiegeluiden op een aangenaam laag niveau liggen.
}}
179
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
||
Handmatige bediening
1. Zonnescherm openen – duw de bedieningsknop achteruit naar de stand voor handmatig
openen.
2.
3.
Panoramadak openen tot in comfortstand –
duw de bedieningsknop een tweede maal
naar achteren naar de stand voor handmatig
openen.
Panoramadak maximaal openen – duw de
bedieningsknop een derde maal naar achteren naar de stand voor handmatig openen.
Sluit het dak door de voorgaande procedure in
omgekeerde volgorde te doorlopen – duw de
bedieningsknop nu echter vooruit/omlaag naar
de stand voor handmatig sluiten.
Volautomatische bediening
1. Zonnescherm helemaal openen – duw de
bedieningsknop naar achteren naar de stand
voor automatisch openen en laat de knop
weer los.
2.
3.
Panoramadak openen tot in comfortstand –
duw de bedieningsknop een tweede maal
naar achteren naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
Panoramadak maximaal openen – duw de
bedieningsknop een derde maal naar achteren naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
Sluit het dak door de voorgaande procedure in
omgekeerde volgorde te doorlopen – duw de
180
bedieningsknop nu echter vooruit/omlaag naar
de stand voor automatisch sluiten.
Automatische sluiting van
zonnescherm van panoramadak*
Volautomatische bediening - snel openen of
sluiten
Het panoramadak en het zonnescherm zijn tegelijkertijd te openen of sluiten:
Dankzij deze functie sluit het zonnescherm als
de auto bij warm weer geparkeerd staat automatisch 15 minuten na vergrendeling. Dit gebeurt
om de interieurtemperatuur te verlagen en de
autobekleding te beschermen tegen verkleuring
door de zon.
U kunt de functie die bij aflevering vanuit de
fabriek gedeactiveerd is via het middendisplay
activeren of deactiveren.
–
Openen – duw de bedieningsknop tweemaal
naar achteren naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
–
Sluiten – duw de bedieningsknop tweemaal
naar voren/onderen naar de stand voor automatisch openen en laat de knop weer los.
Gerelateerde informatie
•
•
Panoramadak* (p. 177)
1.
2.
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 170)
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 275)
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 251)
•
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 278)
Druk op My Car
Vergrendeling.
Kies Zonnescherm automatisch sluiten
om te activeren/deactiveren.
Automatische sluiting van zonnescherm van
panoramadak* (p. 180)
•
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
N.B.
Ook het zonnescherm sluit, wanneer alle ruiten worden gesloten via:
•
•
•
passief sluiten*
de knop voor centrale vergrendeling
de transpondersleutel.
Gerelateerde informatie
•
•
Panoramadak* (p. 177)
Panoramadak* bedienen (p. 178)
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
•
Inklembeveiliging op ruiten en zonneschermen (p. 170)
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 275)
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 251)
•
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 278)
Ruitenwissers gebruiken
Intervalstand
De ruitenwissers reinigen de voorruit. Met de
rechter stuurhendel zijn verschillende instellingen voor de ruitenwisser mogelijk.
Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd.
Ononderbroken wissen
Haal de hendel omhoog om de wissers
op normale snelheid te laten wissen.
Haal de hendel nog eens omhoog om de
wissers op hoge snelheid te laten wissen.
BELANGRIJK
Controleer voordat u de wissers activeert of
de wisserbladen niet zijn vastgevroren en of
eventuele sneeuw- en ijsresten op voor- en
achterruit zijn verwijderd.
Rechter stuurhendel.
Duimwiel, wordt gebruikt om de gevoeligheid
van de regensensor en de wissnelheid in te
stellen.
BELANGRIJK
Gebruik voldoende sproeiervloeistof als de
wissers de voorruit schoonmaken. De voorruit
moet nat zijn als de ruitenwissers werken.
Enkele slag
Haal de hendel omlaag en laat deze weer
los om de wissers een enkele wisslag te
laten maken.
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de ruitenwissers uit te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Regensensor gebruiken (p. 182)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 184)
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 186)
}}
* Optie/accessoire. 181
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
•
Verwarmde sproeikoppen voor de ruitenwissers* (p. 182)
Verwarmde sproeikoppen voor de
ruitenwissers*
•
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 183)
•
•
•
•
•
Achterruitwisser en -sproeier (p. 185)
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch
verwarmd om te voorkomen dat de sproeiervloeistof bevriest.
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 667)
Wisserbladen in servicestand (p. 666)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 665)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 664)
Regensensor gebruiken
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch de
ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid
van de regensensor is af te stellen met het duimwiel op de rechter stuurhendel.
Gerelateerde informatie
•
•
Regensensor gebruiken (p. 182)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 184)
•
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 186)
•
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 183)
•
•
•
•
•
•
Achterruitwisser en -sproeier (p. 185)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 667)
Wisserbladen in servicestand (p. 666)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 665)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 664)
Ruitenwissers gebruiken (p. 181)
Rechter stuurhendel.
Regensensorknop
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid
ruitenwissers
Wanneer de regensensor actief is, verschijnt het
op het bestuurdersregensensorsymbool
display.
Regensensor activeren
Om de regensensor te kunnen activeren motor
de motor draaien of het elektrische systeem in
182
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
contactslotstand I of II staan en de ruitenwisserhendel in stand 0 of die voor een enkele wisslag.
BELANGRIJK
In de wasstraat kunnen de ruitenwissers van
de voorruit starten en beschadigd raken.
Schakel de regensensor uit, terwijl de auto
rijdt of wanneer het elektrische systeem van
de auto in contactslotstand I of II staat. Het
symbool op het bestuurdersdisplay dooft.
Activeer de regensensor door op de regensensorknop
te drukken.
Als u de hendel omlaaghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Geheugenfunctie van regensensor
gebruiken
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch de
ruitenwissers op de voorruit in.
Geheugenfunctie activeren/deactiveren
U kunt zo nodig de geheugenfunctie voor de
regensensor activeren, zodat u iedere keer dat u
de auto start de regensensorknop niet hoeft in te
drukken:
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere gevoeligheid. De wissers maken een extra slag, als u
het duimwiel omhoogdraait.
Gerelateerde informatie
•
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 184)
Regensensor deactiveren
•
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 186)
•
Verwarmde sproeikoppen voor de ruitenwissers* (p. 182)
•
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 183)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Achterruitwisser en -sproeier (p. 185)
Deactiveer de regensensor met een druk op de
of haal de hendel
regensensorknop
omhoog voor een ander wisprogramma.
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer het elektrische systeem in contactslotstand 0 staat of wanneer de motor is
afgezet.
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de wisserarmen in de servicestand zet. De regensensor wordt opnieuw geactiveerd, wanneer de wisserarmen niet meer in de
servicestand staan.
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 667)
Wisserbladen in servicestand (p. 666)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 665)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 664)
Ruitenwissers gebruiken (p. 181)
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Geheugen regensensor om de
geheugenfunctie te activeren/deactiveren.
•
•
Ruitenwisser.
Regensensor gebruiken (p. 182)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 184)
•
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 186)
•
Verwarmde sproeikoppen voor de ruitenwissers* (p. 182)
•
•
•
•
Achterruitwisser en -sproeier (p. 185)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 667)
Wisserbladen in servicestand (p. 666)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 665)
}}
* Optie/accessoire. 183
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
•
•
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 664)
Ruitenwissers gebruiken (p. 181)
Voorruit- en koplampsproeiers
gebruiken
De ruiten- en koplampsproeiers reinigen de
voorruit en de koplampen. Via de rechter stuurhendel zijn de voorruit- en koplampsproeiers te
starten.
Ruiten- en koplampsproeiers starten
BELANGRIJK
Activeer de sproeiers niet bij bevriezing of bij
een leeg sproeiervloeistofreservoir, omdat de
pomp anders schade kan oplopen.
Koplampsproeiers*
Om vloeistof te besparen worden ingeschakelde
koplampen automatisch volgens bepaalde patronen gesproeid.
Gereduceerde sproeifunctie
Sproeifunctie, rechter stuurhendel.
–
184
U activeert de sproeiers van de voorruit en
de koplampen door de rechter stuurhendel
naar het stuurwiel toe te trekken.
> Nadat u de hendel hebt losgelaten maken
de ruitenwissers op de voorruit nog
enkele slagen.
Wanneer er nog zo'n 1 liter (1 qt) sproeiervloeistof in het reservoir zit en op het bestuurdersdisplay de melding Sproeiervloeistof Niveau
laag, bijvullen verschijnt in combinatie met het
, worden de koplampen niet langer
symbool
schoongesproeid. Dit omdat de sproeifunctie van
de voorruit en een goed zicht door de voorruit de
voorrang hebben. De koplampen worden alleen
schoongesproeid als het groot licht of dimlicht is
ingeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
Regensensor gebruiken (p. 182)
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 186)
•
Verwarmde sproeikoppen voor de ruitenwissers* (p. 182)
•
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 183)
•
Achterruitwisser en -sproeier (p. 185)
* Optie/accessoire.
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
•
•
•
•
•
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 667)
Achterruitwisser en -sproeier
Wisserbladen in servicestand (p. 666)
De achterruitwisser en -sproeiers reinigen de
achterruit. Via de rechter stuurhendel is de reiniging te starten en zijn instellingen te verrichten.
Wisserblad voorruit vervangen (p. 665)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 664)
Ruitenwissers gebruiken (p. 181)
Achterruitwisser en -sproeier activeren
–
Gerelateerde informatie
•
•
N.B.
De achterruitwisser is beveiligd tegen oververhitting, zodat de wissermotor wordt uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een bepaalde afkoelperiode.
Duw de rechter stuurhendel naar voren om
de achterruit schoon te sproeien en te wissen.
Regensensor gebruiken (p. 182)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 184)
•
Automatische activering achterruitwisser bij
achteruitrijden (p. 186)
•
Verwarmde sproeikoppen voor de ruitenwissers* (p. 182)
•
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 183)
•
•
•
•
•
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 667)
Wisserbladen in servicestand (p. 666)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 665)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 664)
Ruitenwissers gebruiken (p. 181)
Selecteer
voor de intervalstand van de
achterruitwisser.
Selecteer
voor een continue wissnelheid van de achterruitwisser.
* Optie/accessoire. 185
RUITEN, GLASWERK EN SPIEGELS
Automatische activering
achterruitwisser bij achteruitrijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl
de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de ruitenwisser voor de achterruit starten. Bij het inschakelen van een andere versnelling valt de ruitenwisser op de achterklep stil.
1.
•
•
•
Wisserblad voorruit vervangen (p. 665)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 664)
Ruitenwissers gebruiken (p. 181)
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Selecteer Automatisch wissen achter om
wissen bij achteruitrijden te activeren/deactiveren.
Ruitenwisser.
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al op
continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging
plaats.
Gerelateerde informatie
•
•
186
Regensensor gebruiken (p. 182)
Voorruit- en koplampsproeiers gebruiken
(p. 184)
•
Verwarmde sproeikoppen voor de ruitenwissers* (p. 182)
•
Geheugenfunctie van regensensor gebruiken
(p. 183)
•
•
•
Achterruitwisser en -sproeier (p. 185)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 667)
Wisserbladen in servicestand (p. 666)
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
STOELEN EN STUURWIEL
Handmatig bediende voorstoel
Zet de hele stoel hoger/lager door de handgreep omhoog/omlaag te bewegen.
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen
verschillende instelmogelijkheden.
•
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 195)
Pas de hellingshoek van het ruggedeelte aan
door aan de knop te draaien.
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden.
Controleer of de stoel vergrendeld staat om
letsel te voorkomen bij hard afremmen of een
aanrijding.
Gerelateerde informatie
•
•
Zet de voorkant van de zitting hoger/lager*
door deze omhoog/omlaag te pompen.1
•
Wijzig de zitlengte* door de hendel omhoog
te trekken en de zitting met de hand vooruit/
achteruit te bewegen.
Geheugenfunctie instellen voor elektrisch
bedienbare voorstoel* (p. 190)
•
Geheugenfunctie van elektrisch bedienbare
stoel gebruiken (p. 191)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 193)
•
Verlengbaar zitkussen van voorstoel verstellen (p. 193)
•
Instellingen voor massagefunctie van voorstoel* (p. 192)
Zet de stoel vooruit/achteruit door de handgreep omhoog te tillen en de juiste afstand
tot het stuurwiel en de pedalen in te stellen.
Controleer of de stoel na het verstellen in de
nieuwe stand geblokkeerd staat.
Pas de lendensteun* aan door op de knop
omhoog/omlaag/vooruit/achteruit te drukken.
1
188
Elektrisch bedienbare voorstoel* (p. 189)
Elektrisch bedienbare voorstoel* verstellen
(p. 189)
•
•
Zijsteunen* voorstoel instellen (p. 194)
Lendensteun* voorstoel instellen (p. 195)
Geldt alleen voor de bestuurdersstoel.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
Elektrisch bedienbare voorstoel*
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen
verschillende instelmogelijkheden. De elektrisch
bedienbare stoel is naar voren/achteren en
omhoog/omlaag te zetten. De voorkant van de
zitting is te verhogen/verlagen en in de lengte* te
verstellen en de hellingshoek van de rugleuning
is te wijzigen. De lendensteun kan omhoog/
omlaag/vooruit/achteruit worden versteld.
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen door
een obstakel wordt geblokkeerd. Als dat het
geval is, neemt u het obstakel weg en bedient de
stoel opnieuw.
Tot enige tijd nadat u het portier hebt ontgrendeld blijft het mogelijk de stoel te verstellen, ook
al draait de motor niet. De stoel is altijd te verstellen, wanneer de motor draait. Dat kan ook
nog enige tijd na het afzetten van de motor.
Gerelateerde informatie
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 188)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 193)
Elektrisch bedienbare voorstoel*
verstellen
•
Verlengbaar zitkussen van voorstoel verstellen (p. 193)
•
Instellingen voor massagefunctie van voorstoel* (p. 192)
Stel de gewenste zitpositie in met de handgreep
op het zitgedeelte van de voorstoel. Druk op de
knop omhoog/omlaag om de multifunctionele
bediening te activeren en de verschillende comfortfuncties in te stellen.
•
•
•
Zijsteunen* voorstoel instellen (p. 194)
Lendensteun* voorstoel instellen (p. 195)
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 195)
Druk op de knop omhoog/omlaag* om de
multifunctionele bediening te activeren en de
verschillende comfortfuncties in te stellen.
Elektrisch bedienbare voorstoel* verstellen
(p. 189)
•
Zet de voorkant van de zitting hoger/lager
door de handgreep omhoog/omlaag te
bewegen.
Geheugenfunctie instellen voor elektrisch
bedienbare voorstoel* (p. 190)
•
Zet de hele stoel hoger/lager door de handgreep omhoog/omlaag te bewegen.
Geheugenfunctie van elektrisch bedienbare
stoel gebruiken (p. 191)
}}
* Optie/accessoire. 189
STOELEN EN STUURWIEL
Zet de hele stoel naar voren/achteren door
de handgreep naar voren/achteren te bewegen.
||
Pas de hellingshoek van het ruggedeelte aan
door de handgreep naar voren/achteren te
bewegen.
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
De ruggedeelten van de voorstoelen zijn niet
helemaal neer te klappen.
Geheugenfunctie instellen voor
elektrisch bedienbare voorstoel*
De geheugenfunctie slaat instellingen op voor
de stoel, de buitenspiegels en het head-updisplay*.
Met de geheugenfunctie kunt u drie verschillende instellingen opslaan. De knoppenset van
de geheugenfunctie zit op een van de voorportieren of op allebei*.
Gerelateerde informatie
•
•
•
190
Elektrisch bedienbare voorstoel* (p. 189)
Geheugenfunctie instellen voor elektrisch
bedienbare voorstoel* (p. 190)
Geheugenfunctie van elektrisch bedienbare
stoel gebruiken (p. 191)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 193)
•
Verlengbaar zitkussen van voorstoel verstellen (p. 193)
•
Instellingen voor massagefunctie van voorstoel* (p. 192)
•
•
•
Zijsteunen* voorstoel instellen (p. 194)
Lendensteun* voorstoel instellen (p. 195)
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 195)
1.
Zet de stoel, buitenspiegels en het headupdisplay in de gewenste stand.
2.
Houd de M-knop ingedrukt. Het controlelampje in de knop brandt.
3.
Druk binnen drie seconden op een van de
knoppen 1, 2 of 3 en houd deze ingedrukt.
> Wanneer de standen zijn opgeslagen
onder de geheugenknop van uw keuze,
klinkt er een akoestisch signaal en dooft
het controlelampje in de knop M.
Als u niet binnen drie seconden een van de
geheugenknoppen indrukt, dooft het controlelampje in de knop M en worden de standen niet
vastgelegd.
Handmatig bediende voorstoel (p. 188)
•
Instelling vastleggen
Om een andere instelling vast te leggen moet u
de stoel eerst verstellen.
Gerelateerde informatie
Geheugenknop
•
•
•
Geheugenknop
Geheugenknop
Knop M voor vastlegging van de instellingsset.
Handmatig bediende voorstoel (p. 188)
Elektrisch bedienbare voorstoel* (p. 189)
Elektrisch bedienbare voorstoel* verstellen
(p. 189)
•
Geheugenfunctie van elektrisch bedienbare
stoel gebruiken (p. 191)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 193)
•
Verlengbaar zitkussen van voorstoel verstellen (p. 193)
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
•
Instellingen voor massagefunctie van voorstoel* (p. 192)
Geheugenfunctie van elektrisch
bedienbare stoel gebruiken
•
•
•
Zijsteunen* voorstoel instellen (p. 194)
De geheugenfunctie slaat instellingen op voor
de stoel, de buitenspiegels en het head-updisplay*.
Lendensteun* voorstoel instellen (p. 195)
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 195)
WAARSCHUWING
Stoel in vastgelegde stand zetten
De vastgelegde standen zijn altijd op te roepen,
of het voorportier nu open- of dichtstaat:
Geopend voorportier
– Druk eenmaal kort op een van de geheugenknoppen 1-3. De stoel, de buitenspiegels en
het head-updisplay komen in bewegen en
nemen de standen in die onder de ingedrukte geheugenknop zijn vastgelegd.
Gesloten voorportier
– Houd een van de geheugenknoppen 1-3
ingedrukt, totdat de stoel, de buitenspiegels
en het head-updisplay de standen innemen
die onder de desbetreffende geheugenknop
zijn vastgelegd.
Bij het loslaten van de geheugenknop komen de
stoel, de buitenspiegels en de head-updisplay tot
stilstand.
•
Omdat de voorstoelen ook bij een uitgeschakeld contact te verstellen zijn, moet u
kinderen nooit alleen in de auto achterlaten.
•
De beweging van de stoel is op ieder
moment te stoppen door bediening van
een van de andere knoppen voor stoelverstelling.
•
•
Verstel de stoel nooit tijdens het rijden.
Zorg dat er bij het verstellen niets onder
de stoelen ligt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 188)
Elektrisch bedienbare voorstoel* (p. 189)
Elektrisch bedienbare voorstoel* verstellen
(p. 189)
•
Geheugenfunctie instellen voor elektrisch
bedienbare voorstoel* (p. 190)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 193)
•
Verlengbaar zitkussen van voorstoel verstellen (p. 193)
•
Instellingen voor massagefunctie van voorstoel* (p. 192)
•
Zijsteunen* voorstoel instellen (p. 194)
}}
* Optie/accessoire. 191
STOELEN EN STUURWIEL
•
•
Lendensteun* voorstoel instellen (p. 195)
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 195)
Instellingen voor massagefunctie
van voorstoel*
• Snelheid: kies uit Langzaam, Normaal en
Voor verstelling kunt u zowel de multifunctionele
bediening* op de stoel als het middendisplay
gebruiken. De verschillende instellingen verschijnen op het middendisplay.
Massagefunctie herstarten
De massagefunctie wordt na 20 minuten automatisch uitgeschakeld. De functie is handmatig
te herstarten.
Snel.
–
Tik op Hrstart op het middendisplay om de
gekozen massagefunctie te herstarten.
> De massagefunctie start opnieuw. Wanneer u niets doet, verschijnt de melding
op het hoofdscherm.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Elektrisch bedienbare voorstoel* verstellen
(p. 189)
Multifunctionele bediening, op de zijkant van het zitgedeelte van de stoel.
•
Geheugenfunctie instellen voor elektrisch
bedienbare voorstoel* (p. 190)
Instellingen voor massagefunctie
•
Geheugenfunctie van elektrisch bedienbare
stoel gebruiken (p. 191)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 193)
•
Verlengbaar zitkussen van voorstoel verstellen (p. 193)
Voor de massagefunctie hebt u de keuze uit de
volgende instellingen:
• Aan/Uit: kies Aan/Uit om de massagefunctie in/uit te schakelen.
• Programma 1–5: Er zijn 5 vooraf ingestelde
massageprogramma's. Kies uit Golf, Loop,
Geavanc., Lenden en Schouder.
• Intensiteit: kies uit Laag, Normaal en
Hoog.
192
Handmatig bediende voorstoel (p. 188)
Elektrisch bedienbare voorstoel* (p. 189)
•
•
•
Zijsteunen* voorstoel instellen (p. 194)
Lendensteun* voorstoel instellen (p. 195)
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 195)
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
Instellingen voor massagefunctie*
voorstoel aanpassen
Voor verstelling kunt u zowel de multifunctionele
bediening op de stoel als het middendisplay
gebruiken. De verschillende instellingen verschijnen op het middendisplay*.
Instellingen voor massagefunctie*
voorstoel aanpassen
De voorstoel is voorzien van een rugleuning met
massagefunctie. De massagefunctie die gebruik
maakt van luchtkussens heeft verschillende
instellingen.
De massagefunctie is alleen te activeren wanneer de motor van de auto is ingeschakeld.
1.
Activeer de multifunctionele bediening door
de knop omhoog/omlaag te draaien. Het
stoelverstellingsscherm verschijnt op het
middendisplay.
2.
Kies Massage op het stoelverstellingsscherm.
3.
Om een van de verschillende massagefuncties te activeren maakt u een keuze op het
touchscreen of u beweegt de cursor
omhoog/omlaag met de knop omhoog/
omlaag van de multifunctionele bediening.
Wijzig de instelling van de gekozen functie
door rechtstreeks op het touchscreen een
keuze te maken via de pijlen of via de knop
vooruit/achteruit van de multifunctionele
bediening.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Handmatig bediende voorstoel (p. 188)
Elektrisch bedienbare voorstoel* (p. 189)
Elektrisch bedienbare voorstoel* verstellen
(p. 189)
•
Geheugenfunctie instellen voor elektrisch
bedienbare voorstoel* (p. 190)
•
Geheugenfunctie van elektrisch bedienbare
stoel gebruiken (p. 191)
•
Verlengbaar zitkussen van voorstoel verstellen (p. 193)
•
Instellingen voor massagefunctie van voorstoel* (p. 192)
•
•
•
Zijsteunen* voorstoel instellen (p. 194)
Verlengbaar zitkussen van voorstoel
verstellen
Voor verstelling kunt u zowel de multifunctionele
bediening* op de stoel als het middendisplay
gebruiken. De verschillende instellingen verschijnen op het middendisplay.
Lendensteun* voorstoel instellen (p. 195)
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 195)
Multifunctionele bediening, op de zijkant van het zitgedeelte van de stoel.
Voor het activeren van de multifunctionele bediening draait u de bedieningsknop omhoog/
omlaag.
Zitkussen verstellen
Gebruik de multifunctionele bediening om het zitkussen te verlengen.
1.
Activeer de multifunctionele bediening door
de knop omhoog/omlaag te draaien. Het
stoelverstellingsscherm verschijnt op het
middendisplay.
}}
* Optie/accessoire. 193
STOELEN EN STUURWIEL
||
2.
Kies Kussenverl. op het stoelverstellingsscherm.
•
Druk op de voorkant van de (ronde) vierwegknop om het zitkussen te verlengen.
•
Druk op de achterkant van de vierwegknop om het zitkussen te verkorten.
Zijsteunen* voorstoel instellen
Gerelateerde informatie
•
•
•
Kies Zijsteunen op het stoelverstellingsscherm.
•
Druk op de voorkant van de vierwegknop
.
voor meer zijsteun
•
Druk op de achterkant van de vierwegknop voor minder zijsteun.
Gerelateerde informatie
Handmatig bediende voorstoel (p. 188)
•
•
•
Elektrisch bedienbare voorstoel* (p. 189)
Elektrisch bedienbare voorstoel* verstellen
(p. 189)
Handmatig bediende voorstoel (p. 188)
Elektrisch bedienbare voorstoel* (p. 189)
Elektrisch bedienbare voorstoel* verstellen
(p. 189)
•
Geheugenfunctie instellen voor elektrisch
bedienbare voorstoel* (p. 190)
•
•
Geheugenfunctie instellen voor elektrisch
bedienbare voorstoel* (p. 190)
Geheugenfunctie van elektrisch bedienbare
stoel gebruiken (p. 191)
•
•
Geheugenfunctie van elektrisch bedienbare
stoel gebruiken (p. 191)
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 193)
Multifunctionele bediening, op de zijkant van het zitgedeelte van de stoel.
•
•
Instellingen voor massagefunctie van voorstoel* (p. 192)
De zijsteunen van de rugleuning zijn te verstellen
voor steun in de zij.
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 193)
•
Verlengbaar zitkussen van voorstoel verstellen (p. 193)
Zijsteunen* voorstoel instellen (p. 194)
Zo verstelt u de zijsteun:
•
Lendensteun* voorstoel instellen (p. 195)
1.
Instellingen voor massagefunctie van voorstoel* (p. 192)
•
•
Lendensteun* voorstoel instellen (p. 195)
•
•
•
194
2.
Voor verstelling kunt u zowel de multifunctionele
bediening* op de stoel als het middendisplay
gebruiken. De verschillende instellingen verschijnen op het middendisplay.
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 195)
Activeer de multifunctionele bediening door
. Het
de knop omhoog/omlaag te draaien
stoelverstellingsscherm verschijnt op het
middendisplay.
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 195)
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
Lendensteun* voorstoel instellen
2.
Activeer de multifunctionele bediening* door de
knop omhoog/omlaag te draaien. Het stoelverstellingsscherm verschijnt op het middendisplay.
Kies Lenden op het stoelverstellingsscherm.
•
Druk de (ronde) vierwegknop omhoog/
omlaag om de lendensteun hoger/lager
te zetten.
De voorste passagiersstoel is vanaf de bestuurdersstoel te verstellen.
•
Druk op de voorkant van de vierwegknop
voor meer lendensteun.
Functie activeren
•
Druk op de achterkant van de vierwegknop voor minder lendensteun.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Multifunctionele bediening, op de zijkant van het zitgedeelte van de stoel.
Handmatig bediende voorstoel (p. 188)
•
Geheugenfunctie instellen voor elektrisch
bedienbare voorstoel* (p. 190)
•
Geheugenfunctie van elektrisch bedienbare
stoel gebruiken (p. 191)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 193)
•
Verlengbaar zitkussen van voorstoel verstellen (p. 193)
Lendensteun* voorstoel instellen
•
Instellingen voor massagefunctie van voorstoel* (p. 192)
•
•
Zijsteunen* voorstoel instellen (p. 194)
1.
Activeer de multifunctionele bediening door
de knop omhoog/omlaag te draaien. Het
stoelverstellingsscherm verschijnt op het
middendisplay.
De functie is te activeren via het functiescherm
op het middendisplay:
Druk op de knop
Passagierstoel aanpassen
om te activeren.
Elektrisch bedienbare voorstoel* (p. 189)
Elektrisch bedienbare voorstoel* verstellen
(p. 189)
U kunt de 4-wegverstelling van de lendensteun
activeren door op de vierwegknop te drukken die
op zijkant van het zitgedeelte van de stoel zit. De
lendensteun is naar voren/achteren en hoger/
lager te zetten.
Zo verstelt u de lendensteun:
Passagiersstoel verstellen vanaf
bestuurdersstoel*
Passagiersstoel verstellen
Na activering van de functie hebt u 10 seconden
de tijd om de passagiersstoel te verstellen. Als
gedurende deze periode geen verstelling plaatsvindt, wordt de functie gedeactiveerd.
U verstelt de bestuurdersstoel met de handgrepen op de bestuurdersstoel:
Passagiersstoel verstellen vanaf bestuurdersstoel* (p. 195)
}}
* Optie/accessoire. 195
STOELEN EN STUURWIEL
||
Hele passagiersstoel naar voren/achteren
zetten door de handgreep naar voren/
achteren te bewegen.
Hellingshoek van het ruggedeelte van de
passagiersstoel aanpassen door de handgreep naar voren/achteren te bewegen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
196
Handmatig bediende voorstoel (p. 188)
Elektrisch bedienbare voorstoel* (p. 189)
Elektrisch bedienbare voorstoel* verstellen
(p. 189)
•
Geheugenfunctie instellen voor elektrisch
bedienbare voorstoel* (p. 190)
•
Geheugenfunctie van elektrisch bedienbare
stoel gebruiken (p. 191)
•
Instellingen voor massagefunctie* voorstoel
aanpassen (p. 193)
•
Verlengbaar zitkussen van voorstoel verstellen (p. 193)
•
Instellingen voor massagefunctie van voorstoel* (p. 192)
•
•
Zijsteunen* voorstoel instellen (p. 194)
Lendensteun* voorstoel instellen (p. 195)
Rugleuning tweede zitrij omklappen
De tweede zitrij bestaat uit drie afzonderlijke zitplaatsen. De rugleuningen zijn elk apart om te
klappen.
WAARSCHUWING
•
Stel de bank vóór vertrek in en zet deze
vast. Wees voorzichtig bij het instellen van
de bank. Een ongecontroleerde of
onvoorzichtige instelling kan tot beknellingsletsel leiden.
•
Zet lange voorwerpen tijdens het vervoer
altijd goed vast om schade/letsel te voorkomen als er snel geremd moet worden.
•
Zet altijd de motor af en activeer de parkeerrem bij het in- en uitladen van de
auto.
•
Zet bij een auto met automatische transmissie de keuzehendel in de stand P om
te voorkomen dat u de keuzehendel per
ongeluk verzet.
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels
mogen evenmin zijn ingestoken. Schade aan
de bekleding van de achterbank is anders
namelijk niet uitgesloten.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
BELANGRIJK
Middelste zitplaats
Buitenste zitplaatsen
U kunt de rugleuning als volgt omklappen:
U kunt de rugleuning als volgt omklappen:
Het zitgedeelte van het geïntegreerde kinderzitje* moet omlaag worden geklapt voordat de
rugleuning van de middelste zitplaats wordt
ingeklapt.
Klap de middenarmsteun* op alvorens de
stoel neer te klappen.
Bij een auto met Privacy locking* moet het
skiluik zijn gesloten alvorens de stoel neer te
klappen.
N.B.
U moet mogelijk de voorstoelen naar voren
zetten en/of de rugleuningen rechtop zetten
om de ruggedeelten van de achterbank volledig naar voren te kunnen klappen.
1.
Klap de hoofdsteun handmatig om.
2.
Trek aan de riem die aan de rechterzijde van
de middelste zitplaats zit.
U moet de achterbank mogen ook naar achteren verschuiven.
3.
Klap de rugleuning om totdat deze vergrendelt. Bij het omklappen van de rugleuning
beweegt het zitkussen omlaag/naar voren
om een vlakke vloer te creëren.
Bij het neerklappen van de tweede zitrij moeten de stoelen omhoog staan; zij moeten niet
worden neergeklapt als ze voorover staan
voor het in-/uitstappen van de derde zitrij.
U kunt de rugleuning als volgt rechtop zetten:
1.
Trek aan de riem.
2.
Klap de rugleuning omhoog en laat de riem
los. Schuif de rugleuning door totdat deze
vastklikt.
3.
Pas de stand van de hoofdsteun zo nodig
aan.
N.B.
Ga bij neerklappen van de tweede zitrij altijd
uit van de normale stand van de zitting.
Gebruik de hendel voor het neerklappen van
de zitting niet wanneer de zitting in de stand
voor in-/uitstappen in de derde zitrij staat.
1.
Trek de handgreep aan de zijkant van de zitplaats omhoog en houd de handgreep tijdens het omklappen in deze stand vast.
}}
* Optie/accessoire. 197
STOELEN EN STUURWIEL
||
2.
Zorg ervoor dat de rugleuning met hoofdsteun bij het omklappen niet in aanraking
komt met de voorstoel. Klap de rugleuning
om totdat deze vergrendelt.
> Bij het omklappen van de rugleuning
beweegt het zitkussen omlaag/naar voren
om een vlakke vloer te creëren. Bij het
neerklappen van de achterbank wordt de
hoofdsteun automatisch omgeklapt.
WAARSCHUWING
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop zetten
goed vergrendeld zijn.
Bij vervoer van achterpassagiers moeten de
hoofdsteunen op de buitenste zitplaatsen
altijd omhoog staan.
De hoofdsteunen op de buitenste plaatsen op
de tweede zitrij moeten met passagiers op de
derde zitrij* altijd rechtop staan.
Controleer of de rugleuningen goed zijn vergrendeld nadat ze zijn neergeklapt.
198
1.
Trek de handgreep aan de zijkant van de zitplaats omhoog en houd de handgreep tijdens het rechtop zetten in deze stand vast.
2.
Zorg ervoor dat de rugleuning met hoofdsteun bij het omhoogklappen niet in aanraking komt met de voorstoel. Klap de rugleuning omhoog en laat de handgreep los.
3.
Schuif de rugleuning door totdat deze vergrendelt.
4.
De hoofdsteun moet handmatig rechtop worden gezet.
Hoofdsteun middelste zitplaats
verstellen
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
U kunt de rugleuning als volgt rechtop zetten:
Hoofdsteun tweede zitrij verstellen
Stel de hoofdsteun van de middelste zitplaats af
aan de hand van de lengte van de passagier.
Klap de hoofdsteun* van de buitenste zitplaatsen
omlaag voor een beter zicht naar achteren.
Gerelateerde informatie
•
•
Hoofdsteun tweede zitrij verstellen (p. 198)
Achterbank tweede zitrij naar voren/
achteren* (p. 200)
•
Hellingshoek ruggedeelte tweede zitrij aanpassen (p. 200)
•
•
In- en uitstappen derde zitrij* (p. 201)
Ruggedeelte derde zitrij omklappen*
(p. 202)
De hoofdsteun voor de middelste zitplaats is aan
te passen aan de lengte van de passagier, zodat
de hoofdsteun zo mogelijk het hele achterhoofd
bedekt. Trek de hoofdsteun handmatig zo ver
omhoog als nodig is.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
Buitenste hoofdsteunen achterbank
elektrisch omklappen*
WAARSCHUWING
Klap de buitenste hoofdsteunen niet om, als
er passagiers op de achterbank zitten.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop zetten in de vergrendelde stand staan.
WAARSCHUWING
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u de
knop (in het midden tussen het ruggedeelte en
de hoofdsteun, zie afbeelding) indrukken terwijl u
de hoofdsteun voorzichtig omlaagduwt.
WAARSCHUWING
De hoofdsteun van de middelste zitplaats
moet in de onderste stand staan, wanneer de
middelste zitplaats niet in gebruik is. Wanneer
de middelste zitplaats wel wordt gebruikt,
moet de hoofdsteun goed op de lengte van
de passagier zijn afgesteld, zodat deze zo
mogelijk diens hele achterhoofd afdekt.
De hoofdsteunen op de buitenste plaatsen op
de tweede zitrij moeten met passagiers op de
derde zitrij* altijd rechtop staan.
De buitenste hoofdsteunen zijn om te klappen via
het functiescherm van het middendisplay. De
hoofdsteunen zijn om te klappen in de contactslotstand 0.
Druk op de knop Hfdsteun
omlaag om omklappen te activeren/deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
Rugleuning tweede zitrij omklappen (p. 196)
Achterbank tweede zitrij naar voren/
achteren* (p. 200)
•
Hellingshoek ruggedeelte tweede zitrij aanpassen (p. 200)
•
•
In- en uitstappen derde zitrij* (p. 201)
Ruggedeelte derde zitrij omklappen*
(p. 202)
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig rechtop
totdat deze hoorbaar vastklikt.
* Optie/accessoire. 199
STOELEN EN STUURWIEL
Achterbank tweede zitrij naar voren/
achteren*
WAARSCHUWING
Bij een 7-zitter* zijn de zitplaatsen van de
tweede zitrij elk apart naar voren of achteren te
zetten om de inzittenden op de tweede en derde
zitrij voldoende beenruimte te bieden. Bij een 5zitter is de achterbank niet naar voren of achteren te zetten.
•
Stel de bank vóór vertrek in en zet deze
vast. Wees voorzichtig bij het instellen van
de bank. Een ongecontroleerde of
onvoorzichtige instelling kan tot beknellingsletsel leiden.
•
Zet lange voorwerpen tijdens het vervoer
altijd goed vast om schade/letsel te voorkomen als er snel geremd moet worden.
•
Zet altijd de motor af en activeer de parkeerrem bij het in- en uitladen van de
auto.
•
Zet bij auto's met automatische transmissie de keuzehendel in de stand P om te
voorkomen dat u de keuzehendel per
ongeluk verzet.
Gerelateerde informatie
Til de handgreep onder de desbetreffende
zitplaats op.
Schuif de zitplaats tot in de gewenste stand
naar voren of achteren.
3.
Laat de handgreep los en schuif de zitplaats
door totdat deze vastklikt.
Controleer of de stoel na het verstellen in de
nieuwe stand geblokkeerd staat.
200
•
•
•
•
•
Rugleuning tweede zitrij omklappen (p. 196)
Hoofdsteun tweede zitrij verstellen (p. 198)
Hellingshoek ruggedeelte tweede zitrij aanpassen (p. 200)
In- en uitstappen derde zitrij* (p. 201)
Ruggedeelte derde zitrij omklappen*
(p. 202)
Hellingshoek ruggedeelte tweede
zitrij aanpassen
De hellingshoek van het ruggedeelte is voor elk
van de zitplaatsen op de tweede zitrij apart aan
te passen.
Middelste zitplaats
1.
Trek aan de riem die aan de rechterzijde van
de middelste zitplaats zit.
2.
Kantel het ruggedeelte naar voren/achteren
door minder/meer druk op het ruggedeelte
uit te oefenen.
3.
Laat de riem los om de positie van de rugleuning te vergrendelen en schuif de rugleuning
door totdat deze vastklikt.
Controleer of de stoel na het verstellen in de
nieuwe stand geblokkeerd staat.
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
WAARSCHUWING
In- en uitstappen derde zitrij*
•
Stel de bank vóór vertrek in en zet deze
vast. Wees voorzichtig bij het instellen van
de bank. Een ongecontroleerde of
onvoorzichtige instelling kan tot beknellingsletsel leiden.
U kunt de tweede zitrij verstellen om het in- en
uitstappen voor de derde zitrij* te vereenvoudigen.
•
Zet lange voorwerpen tijdens het vervoer
altijd goed vast om schade/letsel te voorkomen als er snel geremd moet worden.
•
Zet altijd de motor af en activeer de parkeerrem bij het in- en uitladen van de
auto.
•
Zet bij auto's met automatische transmissie de keuzehendel in de stand P om te
voorkomen dat u de keuzehendel per
ongeluk verzet.
Buitenste zitplaatsen
1.
Trek de handgreep op de zijkant van de zitplaats omhoog.
2.
Kantel het ruggedeelte naar voren/achteren
door minder/meer druk op het ruggedeelte
uit te oefenen.
3.
Laat de handgreep los om de positie van de
rugleuning te vergrendelen en schuif de rugleuning door totdat deze vastklikt.
Controleer of de stoel na het verstellen in de
nieuwe stand geblokkeerd staat.
U kunt de rugleuning als volgt omklappen:
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
1.
Trek de handgreep omhoog/naar voren die
boven op het ruggedeelte zit van de buitenste zitplaatsen op de tweede zitrij.
Achterbank tweede zitrij naar voren/
achteren* (p. 200)
2.
Klap het ruggedeelte om en schuif de hele
stoel naar voren.
In- en uitstappen derde zitrij* (p. 201)
U kunt de stoel als volgt rechtop zetten:
Ruggedeelte derde zitrij omklappen*
(p. 202)
–
Rugleuning tweede zitrij omklappen (p. 196)
Hoofdsteun tweede zitrij verstellen (p. 198)
Schuif de stoel achteruit tot aan de stopstand. De rugleuning moet dan eenvoudig in
de juiste stand worden geklapt.
}}
* Optie/accessoire. 201
STOELEN EN STUURWIEL
||
N.B.
Als de rugleuning in de middelste zitrij na inof uitstappen niet vergrendelt bij het terug
bewegen, moet u hem misschien weer naar
voren schuiven en met wat meer kracht nogmaals terug bewegen.
WAARSCHUWING
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop zetten
goed vergrendeld zijn.
Ruggedeelte derde zitrij
omklappen*
2.
De derde zitrij bestaat uit twee afzonderlijke zitplaatsen. Deze zijn elk apart om te klappen.
BELANGRIJK
Om de ruggedeelten op de derde zitrij te kunnen omklappen moet u de zitplaatsen op de
tweede zitrij mogelijk verder naar voren zetten
en hellingshoek van de ruggedeelten aanpassen.
Bij vervoer van achterpassagiers moeten de
hoofdsteunen op de buitenste zitplaatsen
altijd omhoog staan.
Bij het omhoogklappen van de stoel klapt u de
rugleuning handmatig omhoog totdat deze vergrendelt. De hoofdsteun moet handmatig rechtop
worden gezet.
WAARSCHUWING
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop zetten
goed vergrendeld zijn.
Gerelateerde informatie
•
•
•
202
Rugleuning tweede zitrij omklappen (p. 196)
Bij vervoer van achterpassagiers moeten de
hoofdsteunen op de buitenste zitplaatsen
altijd omhoog staan.
Hoofdsteun tweede zitrij verstellen (p. 198)
Achterbank tweede zitrij naar voren/
achteren* (p. 200)
•
Hellingshoek ruggedeelte tweede zitrij aanpassen (p. 200)
•
Ruggedeelte derde zitrij omklappen*
(p. 202)
Zorg ervoor dat de rugleuning met hoofdsteun bij het omklappen niet in aanraking
komt met de stoel ervóór. Klap het ruggedeelte naar voren toe om.
> Bij het omklappen van de rugleuning
beweegt het zitkussen omlaag/naar voren
om een vlakke vloer te creëren. Bij het
neerklappen van de achterbank wordt de
hoofdsteun automatisch omgeklapt.
Gerelateerde informatie
1.
Trek de handgreep omhoog/naar voren die
boven op het ruggedeelte zit.
•
•
•
Rugleuning tweede zitrij omklappen (p. 196)
Hoofdsteun tweede zitrij verstellen (p. 198)
Achterbank tweede zitrij naar voren/
achteren* (p. 200)
•
Hellingshoek ruggedeelte tweede zitrij aanpassen (p. 200)
•
In- en uitstappen derde zitrij* (p. 201)
* Optie/accessoire.
STOELEN EN STUURWIEL
Bedieningselementen op stuurwiel
en claxon
Claxon
Stuurslotfout
Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij
gebruik van de auto door onbevoegden. Er is
mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar,
wanneer u het stuurslot inschakelt of opheft.
Op het stuurwiel zitten de claxon en bedieningselementen voor onder meer rijhulpsystemen en
stembediening.
Stuurslot activeren
Wanneer u de auto van de buitenzijde vergrendelt en de motor is uitgeschakeld, wordt het
stuurslot geactiveerd. Als u de auto onvergrendeld achterlaat, wordt na verloop van korte tijd
automatisch het stuurslot geactiveerd.
De claxon zit in het midden van het stuurwiel.
Gerelateerde informatie
Knoppensets en paddles* op stuurwiel.
•
•
Stuurslotfout (p. 203)
Stuurwiel instellen (p. 204)
Bediening voor rijhulp2.
Paddle* voor handmatig schakelen bij een
automatische versnellingsbak.
Bediening voor stembediening, verstellen van
head-updisplay plus menu-, meldings- en
telefoonfuncties.
2
Stuurslot opheffen
Wanneer u de auto van de buitenzijde ontgrendelt, wordt het stuurslot gedeactiveerd. Als de
auto niet vergrendeld staat, hoeft u terwijl de
transpondersleutel in de aanwezig is alleen de
startknop rechtsom te draaien om het stuurslot
op te heffen.
Gerelateerde informatie
•
Bedieningselementen op stuurwiel en claxon
(p. 203)
•
Stuurwiel instellen (p. 204)
Snelheidsbegrenzer*, Cruisecontrol, Adaptieve cruisecontrol*, Afstandswaarschuwing* en Pilot Assist*.
* Optie/accessoire. 203
STOELEN EN STUURWIEL
Stuurwiel instellen
Het stuurwiel is in verschillende standen te zetten.
Hendel voor verstelling van het stuurwiel.
Het stuurwiel is in diepte en hoogte te verstellen.
WAARSCHUWING
1.
Beweeg de hendel naar voren om het stuurwiel te ontkoppelen.
2.
Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste
stand.
3.
Trek de hendel naar achteren om het stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als dit
moeite kost, kunt u lichtjes op het stuurwiel
drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
Stel het stuurwiel vóór vertrek in en zet deze
vast. Het stuur mag tijdens het rijden nooit
worden ingesteld.
Bij auto's met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging is de vereiste stuurkracht in te stellen.
De mate van stuurbekrachtiging wordt afgestemd
op de rijsnelheid om u een beter weggevoel te
geven.
204
Gerelateerde informatie
•
•
Stuurslotfout (p. 203)
Bedieningselementen op stuurwiel en claxon
(p. 203)
KLIMAAT
KLIMAAT
Klimaatregeling
Klimaatzones
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt ervoor dat de
lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of van
vocht ontdaan wordt.
Alle klimaatfuncties zijn te bedienen via het middendisplay en de fysieke knoppen op de middenconsole.
Afhankelijk van het aantal klimaatzones van de
auto kunt u verschillende temperaturen instellen
voor verschillende delen van het interieur.
Klimaatregeling met 4 zones*
Klimaatregeling met 2 zones
Bepaalde functies voor de achterbank zijn ook te
bedienen via de klimaatregelingsknoppen* achter
op de tunnelconsole.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
206
Klimaatzones (p. 206)
Klimaatzones bij klimaatregeling met 4 zones.
Klimaatsensoren (p. 207)
Bij klimaatregeling met 4 zones zijn de interieurtemperaturen voor de zones linksvoor, rechtsvoor,
linksachter en rechtsachter elk apart in te stellen.
Gevoelstemperatuur (p. 207)
Stembediening klimaat (p. 208)
Parkeerklimaat* (p. 235)
Verwarming* (p. 243)
Luchtkwaliteit (p. 209)
Klimaatzones bij klimaatregeling met 2 zones.
Bij klimaatregeling met 2 zones zijn de interieurtemperaturen voor de linker en rechter zone elk
apart in te stellen.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregeling (p. 206)
Luchtverdeling (p. 212)
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Klimaatsensoren
De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren voor de regeling van het autoklimaat.
Bij het Interior Air Quality System* is er ook een
luchtkwaliteitssensor, die in de luchtinlaat van de
klimaatregeling zit.
Positie van de sensoren
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregeling (p. 206)
Interior Air Quality System* (p. 210)
Gevoelstemperatuur
De klimaatregeling regelt het autoklimaat op
basis van de gevoelstemperatuur en niet de werkelijke temperatuur.
De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen
met de gevoelstemperatuur op basis van de
heersende omstandigheden in en rond de auto
wat buitentemperatuur, luchtsnelheid, luchtvochtigheidsgraad, ingestraalde warmte en dergelijke
betreft.
Het systeem beschikt over een zonnesensor die
de stand van de zon registreert. Daardoor kan de
temperatuur van de lucht uit de blaasmonden
links en rechts afwijken, ondanks dat de temperatuurknoppen voor de beide zijden in dezelfde
stand staan.
Vochtsensor - in de voetafdekking van de
achteruitkijkspiegel.
Buitentemperatuursensor - in de rechter buitenspiegel.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregeling (p. 206)
Binnentemperatuursensor - bij de fysieke
koppen op de middenconsole.
Zonnesensor - boven op het dashboard.
N.B.
Bedek of blokkeer de sensoren niet met kledingstukken of andere voorwerpen.
* Optie/accessoire. 207
KLIMAAT
Stembediening klimaat1
Opdrachten voor klimaatregeling met stembediening om bijvoorbeeld de temperatuur te wijzigen, elektrische stoelverwarming* te activeren of
de ventilatorstand te wijzigen.
Druk op
en zeg een van de volgende commando's:
•
"Klimaatregeling" - start een dialoog voor
klimaatregeling en geeft voorbeelden van
commando's weer.
•
"Stel temperatuur in op X graden" - stelt
de gewenste temperatuur in.
•
"Verhoog temperatuur" / "Verlaag
temperatuur" - verhoogt/verlaagt de ingestelde temperatuur met één stap.
•
"Synchroniseer temperatuur" - synchroniseert de temperatuur voor alle klimaatzones
in de auto met de voor de bestuurderszone
ingestelde temperatuur.
•
"Lucht op voeten" / "Lucht op lichaam" opent de gewenste blaasmond.
•
•
1
208
•
"Schakel auto-klimaat in" - activeert de
automatische klimaatregeling.
"Verhoog stuurwielverwarming" /
"Verlaag stuurwielverwarming" - verhoogt/verlaagt ingesteld niveau voor de
elektrische stuurverwarming* met één stap.
•
•
"Airconditioning aan" / "Airconditioning
uit" - activeert/deactiveert de airconditioning.
"Schakel stoelverwarming in" / "Schakel
stoelverwarming uit" - activeert/deactiveert elektrische stoelverwarming*.
•
•
"Recirculatie aan" / "Recirculatie uit" activeert/deactiveert de luchtrecirculatie.
•
"Schakel ruitontdooiing in" / "Schakel
ruitontdooiing uit" - activeert/deactiveert
ontwaseming van ruiten en buitenspiegels.
"Verhoog stoelverwarming" / "Verlaag
stoelverwarming" - verhoogt/verlaagt ingesteld niveau voor de elektrische stoelverwarming* met één stap.
•
•
"Schakel max. ruitontdooiing in" /
"Schakel max. ruitontdooiing uit" - activeert/deactiveert maximale ontwaseming.
"Schakel stoelventilatie in" / "Schakel
stoelventilatie uit" - activeert/deactiveert
stoelventilatie*.
•
•
"Schakel elektrische ruitverwarming
in" / "Schakel elektrische
ruitverwarming uit" - activeert/deactiveert
elektrische voorruitverwarming*.
"Verhoog stoelventilatie" / "Verlaag
stoelventilatie" - verhoogt/verlaagt ingesteld niveau voor de stoelventilatie* met één
stap.
•
"Verhoog ventilatorsnelheid" / "Verlaag
ventilatorsnelheid" - verhoogt/verlaagt de
ingestelde ventilatorstand met één stap.
•
•
"Lucht op voeten uit" / "Lucht op
lichaam uit" - sluit de gewenste blaasmond.
"Zet ventilator op max." / "Schakel
ventilator uit" - verandert de ventilatorstand
naar Max/Off.
•
"Schakel achterruitverwarming in" /
"Schakel achterruitverwarming uit" activeert/deactiveert elektrische achterruiten buitenspiegelverwarming.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Klimaatregeling (p. 206)
Stembediening (p. 148)
Stembediening gebruiken (p. 149)
Instellingen voor stembediening (p. 151)
"Schakel stuurwielverwarming in" /
"Schakel stuurwielverwarming uit" - activeert/deactiveert elektrische stuurverwarming*.
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Luchtkwaliteit
De gekozen interieurmaterialen en het luchtreinigingssysteem zorgen voor een hoge luchtkwaliteit in de auto.
•
Interieurfilter (p. 211)
Clean Zone*
Clean Zone controleert en geeft aan of wel of
niet is voldaan aan alle voorwaarden voor een
goede luchtkwaliteit in het interieur.
Materiaal in de passagiersruimte
Het interieur werd dusdanig vormgegeven dat het
gerieflijk en comfortabel is - ook voor mensen
met contactallergieën of astma.
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is.
De vloerbekleding in zowel de passagiersruimte
als de bagageruimte is eenvoudig te verwijderen
en schoon te maken.
Gebruik de door Volvo geadviseerde schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten voor
het reinigen van het interieur.
Luchtreinigingssysteem
Los van het interieurfilter dragen ook Clean Zone
Interior Package* en het luchtkwaliteitssysteem
Interior Air Quality System* bij aan een hoge
luchtkwaliteit in de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Klimaatregeling (p. 206)
Clean Zone* (p. 209)
Clean Zone Interior Package* (p. 210)
Interior Air Quality System* (p. 210)
De indicator staat in het klimaatveld op het
middendisplay.
De indicator staat in het klimaatveld, wanneer
het klimaatscherm niet geopend is.
Als niet is voldaan aan de voorwaarden, verschijnt
de tekst Clean Zone in het wit. Wanneer is voldaan aan alle voorwaarden, verandert de kleur
van de tekst in blauw.
Op de volgende voorwaarden wordt gecontroleerd:
•
•
•
Alle portieren en de achterklep staan dicht.
Alle zijruiten en panoramadak* staan dicht.
Het luchtkwaliteitssysteem Interior Air Quality
System* is geactiveerd.
}}
* Optie/accessoire. 209
KLIMAAT
||
•
•
De interieurventilator is geactiveerd.
Clean Zone Interior Package*
Interior Air Quality System*
De luchtrecirculatie is gedeactiveerd.
Clean Zone Interior Package (CZIP) omvat een
aantal aanpassingen om stoffen die aanleiding
kunnen geven tot allergieën en/of astma uit het
interieur te weren.
Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet
de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken.
IAQS maakt deel uit van Clean Zone Interior
Package (CZIP) en ontdoet de lucht in de passagiersruimte van verontreinigingen in de vorm van
stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en
laaghangend ozon.
N.B.
Clean Zone geeft niet per se aan dat de
luchtkwaliteit goed is, maar duidt er alleen op
dat is voldaan aan de voorwaarden voor een
goede luchtkwaliteit.
Het volgende is inbegrepen:
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Luchtkwaliteit (p. 209)
Clean Zone Interior Package* (p. 210)
Interior Air Quality System* (p. 210)
Interieurfilter (p. 211)
•
Een geavanceerde ventilatorfunctie die aanslaat, wanneer de auto via de transpondersleutel wordt ontgrendeld. De ventilator vult
het interieur op die manier met verse lucht.
De functie start als dat nodig is en stopt na
bij het openen van een van de portieren. Bij
inactiviteit wordt de functie na enige tijd
automatisch beëindigd. De tijd dat de ventilatorfunctie werkt zal langzaam maar zeker
korter worden, totdat de auto 4 jaar oud is.
Als de luchtkwaliteitssensor van het systeem
registreert dat de buitenlucht vervuild is, wordt de
luchtinlaat gesloten en de luchtrecirculatie geactiveerd.
N.B.
Voor de beste lucht in het interieur moet de
luchtkwaliteitssensor altijd zijn ingeschakeld.
Het volautomatische luchtkwaliteitssysteem
Interior Air Quality System (IAQS).
In een koud klimaat is de recirculatie beperkt
om het beslaan van de ruiten te voorkomen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Luchtkwaliteit (p. 209)
Schakel bij condens de elektrische verwarming van de voorruit, zijruiten en achterruiten
in.
Clean Zone* (p. 209)
Interior Air Quality System* (p. 210)
Interieurfilter (p. 211)
Gerelateerde informatie
210
•
Luchtkwaliteitssensor* activeren en deactiveren (p. 211)
•
•
Luchtkwaliteit (p. 209)
Clean Zone* (p. 209)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
•
•
Clean Zone Interior Package* (p. 210)
Interieurfilter (p. 211)
Luchtkwaliteitssensor* activeren en
deactiveren
De luchtkwaliteitssensor maakt deel uit van de
volautomatische luchtkwaliteitsregeling Interior
Air Quality System (IAQS).
U kunt de luchtkwaliteitssensor desgewenst activeren/deactiveren.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Luchtkwaliteitssensor om de luchtkwaliteitssensor te activeren/deactiveren.
Interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter.
Interieurfilter vervangen
Om een goed interieurklimaat te kunnen handhaven moet u het filter op gezette tijden vervangen.
Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor
het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk
verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
N.B.
Er zijn verschillende soorten interieurfilters.
Let erop dat het juiste filter wordt gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
Interior Air Quality System* (p. 210)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Luchtkwaliteit (p. 209)
Clean Zone* (p. 209)
Clean Zone Interior Package* (p. 210)
Interior Air Quality System* (p. 210)
* Optie/accessoire. 211
KLIMAAT
Luchtverdeling
portierstijlen (aan weerszijden één) tussen
voor- en achterportier.
De klimaatregeling verdeelt de binnenkomende
lucht over uiteenlopende blaasmonden verspreid
over het interieur.
Extra bij klimaatregeling met 4 zones* - twee
blaasmonden achter in de tunnelconsole.
Verstelbare blaasmonden
Sommige blaasmonden in de auto zijn instelbaar,
wat betekent dat u ze kunt openen/sluiten en de
uitstroomrichting kunt wijzigen.
De luchtverdeling is desgewenst handmatig te
wijzigen.
Extra bij klimaatregeling met 4 zones* en
zeven zitplaatsen - twee blaasmonden in de
portierstijlen (aan weerszijden één) achter de
achterportieren.
Automatische en handmatige
luchtverdeling
Wanneer u de automatische klimaatregeling hebt
geactiveerd, verloopt de luchtverdeling automatisch. De luchtverdeling is zo nodig handmatig bij
te regelen.
Luchtverdeling aanpassen
Gerelateerde informatie
•
•
•
Luchtverdeling aanpassen (p. 212)
•
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 214)
Klimaatregeling (p. 206)
Blaasmonden openen, sluiten en richten
(p. 213)
Luchtverdelingsknoppen op klimaatscherm.
Luchtverdeling - ontwasemingsopeningen
voorruit
Luchtverdeling - blaasmonden dashboard en
middenconsole
Luchtverdeling - blaasmonden vloer
Positie van verstelbare blaasmonden in interieur.
Bij klimaatregeling met 2 zones zitten er vier
blaasmonden in het dashboard en twee in de
212
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Druk op een of meer luchtverdelingsknoppen
om de desbetreffende blaasmond(en) te
openen/sluiten.
> De luchtverdeling wordt gewijzigd, waarna
de knoppen gaan branden/doven.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Gerelateerde informatie
•
•
•
Luchtverdeling (p. 212)
Blaasmonden openen, sluiten en richten
(p. 213)
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 214)
Blaasmonden openen, sluiten en
richten
Blaasmonden richten
Sommige blaasmonden in het interieur zijn apart
te openen, sluiten en richten.
Als u de buitenste blaasmonden op de zijruiten
richt kunt u condens voorkomen.
Als u de buitenste blaasmonden in de auto naar
binnen richt, creëert u een warm en comfortabel
autoklimaat.
Blaasmonden openen en sluiten
Hendeltje van blaasmond2.
–
Beweeg het hendeltje naar links/rechts of
omhoog/omlaag om de luchtstroom uit de
blaasmond te richten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Luchtverdeling (p. 212)
Luchtverdeling aanpassen (p. 212)
Tabel met luchtverdelingsstanden (p. 214)
Duimwiel van blaasmond2.
–
Draai aan het duimwiel om de luchtaanvoer
uit de blaasmond te openen/sluiten.
De luchtaanvoer neemt toe naarmate er
meer van de witte lijnen op het duimwiel
zichtbaar zijn.
2
Schematische afbeelding - de uitvoering van de blaasmond verschilt afhankelijk van de locatie.
213
KLIMAAT
Tabel met luchtverdelingsstanden
De luchtverdeling is desgewenst handmatig te
wijzigen. De volgende standen zijn in te stellen.
Luchtverdeling
Doel
Bij deactivering van alle luchtverdelingsknoppen in de handmatige stand schakelt de klimaatregeling weer over op automatische klimaatregeling.
214
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Gaat condens- en ijsvorming tegen (om dat te
realiseren mag de ventilatorstand niet te laag
zijn).
De meeste lucht komt uit de blaasmonden in het dashboard. Er komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende koeling bij warm weer.
De meeste lucht komt uit de blaasmonden bij de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor verwarming of koeling van de voetenruimte.
KLIMAAT
Luchtverdeling
Doel
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen en blaasmonden in het dashboard. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort bij warm en droog
weer.
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen en de blaasmonden bij de vloer.
Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort en ontwaseming bij
koud en vochtig weer.
De meeste lucht komt uit de blaasmonden in het dashboard en de blaasmonden bij de
vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de overige blaasmonden.
Voor voldoende comfort bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
De meeste lucht komt uit de ontwasemingsopeningen, de blaasmonden in het dashboard en de blaasmonden bij de vloer.
Voor een gebalanceerd comfort in het interieur.
}}
215
KLIMAAT
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
216
Luchtverdeling (p. 212)
Blaasmonden openen, sluiten en richten
(p. 213)
Luchtverdeling aanpassen (p. 212)
KLIMAAT
Klimaatregelingsbediening
U kunt van tabblad wisselen door naar links/
rechts te vegen of op de desbetreffende rubriek
te drukken.
De klimaatregelingsfuncties zijn te bedienen via
de fysieke knoppen op de middenconsole, het
middendisplay en de klimaatregelingsbediening
achter op de tunnelconsole*.
Fysieke knoppen op middenconsole
Temperatuurregeling voor bestuurders- en
passagierszone.
Bediening voor elektrische stoelverwarming*
en -ventilatie* voorin plus elektrische stuurverwarming*.
Knop voor elektrische achterruitverwarming*
en maximale ontwaseming.
Knop voor elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming.
Klimaatveld op middendisplay
Via het klimaatveld zijn de meest voorkomende
klimaatfuncties te regelen.
Knop voor toegang tot het klimaatscherm.
De grafische voorstelling op de knop geeft
de geactiveerde klimaatinstellingen weer.
Klimaatveld op middendisplay
Bij eenmaal indrukken van de middelste knop in
het klimaatveld opent u het klimaatscherm. Het
klimaatscherm is opgesplitst in de tabbladen:
• Klimaat hoofdinstelling
• Klimaat achter*
• Parkeerverwarming*
}}
* Optie/accessoire. 217
KLIMAAT
||
Hoofdklimaat
Op het tabblad Klimaat hoofdinstelling kunt u
behalve de klimaatfuncties in het klimaatveld ook
de hoofdklimaatfuncties regelen.
Ventilatorbediening voorin (en achterin bij klimaatregeling met 2 zones).
AUTO - Automatische klimaatregeling.
Klimaat achterin*
Op het tabblad Klimaat achter zijn alle klimaatfuncties voor achterin te regelen.
Klimaat tweede rij - Bediening voor klimaatregeling achterin, tweede zitrij. Ventilatorbediening voor achterin, tweede zitrij.
Max, Elektrisch, Achter - Bediening voor
ontwaseming van ruiten en buitenspiegels.
AC - Bediening voor airconditioning.
Recirc. - Bediening voor luchtrecirculatie.
Klimaat derde rij - Bediening voor klimaatregeling achterin, derde zitrij*.
Temperatuurregeling voor achterin.
Bediening voor elektrische achterbankverwarming*.
Bediening voor luchtverdeling.
218
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Parkeerklimaat*
Op het tabblad Parkeerverwarming is het parkeerklimaat van de auto te regelen.
Klimaatregelingsbediening achter op
de tunnelconsole*
Het klimaatpaneel is voorzien van een schermvergrendeling om onbedoelde wijziging van ventilatorstand en temperatuur tegen te gaan. Bij een
vergrendeld scherm verschijnen alleen de stoelbediening* en de knop voor schermontgrendeling.
Na ontgrendeling zijn vanuit het klimaatpaneel
ook de ventilatorstand en temperatuur te wijzigen
en verschijnen alle gekozen klimaatinstellingen.
Het scherm wordt automatisch vergrendeld na
enige tijd van inactiviteit.
•
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 228)
•
•
•
•
Ventilatorstand voorin regelen (p. 229)
•
Klimaat derde zitrij* activeren en deactiveren
(p. 234)
Ventilatorstand achterin* regelen (p. 230)
Temperatuur synchroniseren (p. 233)
Airconditioning activeren en deactiveren
(p. 234)
Gerelateerde informatie
•
•
Bediening voor elektrische achterbankverwarming*.
Ventilatorbediening voor achterin.
Temperatuurregeling voor achterin.
Knop voor vergrendeling/ontgrendeling van
het klimaatpaneel.
Als de auto niet is uitgerust met een klimaatpaneel achter op de tunnelconsole maar wel elektrische achterbankverwarming* heeft, zitten er
fysieke bedieningsknoppen achter op de tunnelconsole.
Klimaatregeling (p. 206)
Elektrische voorstoelverwarming* activeren
en deactiveren (p. 220)
•
Elektrische stoelverwarming achter* activeren en deactiveren (p. 221)
•
Stoelventilatie voor* activeren en deactiveren
(p. 222)
•
Elektrische stuurverwarming* activeren en
deactiveren (p. 223)
•
Automatische klimaatregeling activeren
(p. 224)
•
Luchtrecirculatie activeren en deactiveren
(p. 224)
•
Maximale ontwaseming activeren en deactiveren (p. 225)
•
Elektrische voorruitverwarming* activeren en
deactiveren (p. 227)
* Optie/accessoire. 219
KLIMAAT
Elektrische voorstoelverwarming*
activeren en deactiveren
2.
De stoelverwarming is te activeren om het comfort voor bestuurder en inzittenden te verhogen,
wanneer het koud is.
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stoelverwarming om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed
kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt
of die om een andere reden moeilijkheden
hebben om de elektrisch verwarmde stoel te
bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan.
Gerelateerde informatie
Stuur- en stoelknoppen in het klimaatveld.
1.
Druk op de stuur-/stoelknop voor de linker of
rechter zone in het klimaatveld op het middendisplay om de bediening voor de stoelen
en het stuurwiel te openen.
Als de auto niet is uitgerust met stoelventilatie of elektrische stuurverwarming staat de
knop voor elektrische stoelverwarming direct
in het klimaatveld.
220
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
Automatische inschakeling van
elektrische stoelverwarming voorin*
activeren en deactiveren
De stoelverwarming is te activeren om het comfort voor bestuurder en inzittenden te verhogen,
wanneer het koud is.
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische stoel-/achterbankverwarming bij
het starten van de motor al dan niet geactiveerd
moet zijn. Met automatische inschakeling geactiveerd zal de elektrische verwarming starten bij
een lage omgevingstemperatuur.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Tik op Klimaat.
3.
Kies Niveau aut. verwarming
bestuurdersstoel en Niveau aut.
verwarming passagiersstoel om automatische inschakeling van de elektrische verwarming van de bestuurdersstoel en passagiersstoel te activeren/deactiveren.
4.
Kies na activering van de functie uit de
niveaus Laag, Gemiddeld of Hoog.
Automatische inschakeling van elektrische
stoelverwarming voorin* activeren en deactiveren (p. 220)
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
Elektrische voorstoelverwarming* activeren
en deactiveren (p. 220)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Elektrische stoelverwarming achter*
activeren en deactiveren
De stoelverwarming is te activeren om het comfort voor bestuurder en inzittenden te verhogen,
wanneer het koud is.
Elektrische stoelverwarming achterin
activeren en deactiveren vanaf de
achterstoelen
Met klimaatregeling met 4 zones*:
Met klimaatregeling met 2 zones:
Elektrische stoelverwarming achterin
activeren en deactiveren vanaf de
voorstoelen*
Indicatie en regeling stoelverwarming op klimaatpaneel
achter op tunnelconsole.
–
Knoppen voor elektrische achterbankverwarming achter
op tunnelconsole.
–
Knoppen voor elektrische stoelverwarming in de groep
Klimaat achter op het klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay en kies het tabblad Klimaat achter.
2.
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stoelverwarming om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
Druk meerdere keren op de fysieke knoppen
voor de elektrische achterbankverwarming
achter op de tunnelconsole om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geven de ledjes
in de knop de ingestelde stand aan.
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische achterbankverwarming in het klimaatpaneel op de tunnelconsole om de vier
standen te doorlopen: Uit, Hoog,
Gemiddeld en Laag.
> De stand wordt aangepast, waarna het
scherm van het klimaatpaneel de ingestelde stand aangeeft.
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed
kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt
of die om een andere reden moeilijkheden
hebben om de elektrisch verwarmde stoel te
bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan.
}}
* Optie/accessoire. 221
KLIMAAT
||
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
Stoelventilatie voor* activeren en
deactiveren
De stoelventilatie is in te schakelen voor bijvoorbeeld een groter comfort bij warm weer.
Het ventilatiesysteem bestaat uit ventilatoren in
de zittingen en de rugleuningen die lucht door de
bekleding heen aanzuigen. Naarmate de lucht in
het interieur kouder is, neemt het koelingseffect
toe. Het systeem is te activeren, wanneer de
motor loopt.
2.
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stoelventilatie om de vier standen
te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
Stuur- en stoelknoppen in het klimaatveld.
1.
Druk op de stuur-/stoelknop voor de linker of
rechter zone in het klimaatveld op het middendisplay om de bediening voor de stoelen
en het stuurwiel te openen.
Als de auto niet is uitgerust met elektrische
stoelverwarming of elektrische stuurverwarming staat de knop voor stoelventilatie direct
in het klimaatveld.
222
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Elektrische stuurverwarming*
activeren en deactiveren
De stuurverwarming is te activeren om het stuurcomfort te verhogen, wanneer het koud is.
Stuur- en stoelknoppen in het klimaatveld.
1.
Druk op de stuur-/stoelknop voor de
bestuurderszone in het klimaatveld op het
middendisplay om de bediening voor de
stoelen en het stuurwiel te openen.
Als de auto niet is uitgerust met elektrische
stoelverwarming of stoelventilatie staat de
knop voor elektrische stuurverwarming direct
in het klimaatveld.
2.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
Automatische inschakeling van elektrische
stuurverwarming* activeren en deactiveren
(p. 223)
Automatische inschakeling van
elektrische stuurverwarming*
activeren en deactiveren
De stuurverwarming is te activeren om het stuurcomfort te verhogen, wanneer het koud is.
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische stuurverwarming bij het starten
van de motor al dan niet geactiveerd moet zijn.
Met automatische inschakeling geactiveerd zal
de elektrische verwarming starten bij een lage
omgevingstemperatuur.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Niveau automatische
stuurwielverwarming om automatische
inschakeling van elektrische stuurverwarming
te activeren/deactiveren.
4.
Kies na activering van de functie uit de
niveaus Laag, Gemiddeld of Hoog.
Gerelateerde informatie
•
Elektrische stuurverwarming* activeren en
deactiveren (p. 223)
Druk meerdere keren op de knop voor de
elektrische stuurverwarming om de vier standen te doorlopen: Uit, Hoog, Gemiddeld en
Laag.
> Na wijziging van de stand geeft de knop
de ingestelde stand aan.
* Optie/accessoire. 223
KLIMAAT
Automatische klimaatregeling
activeren
2.
Druk kort of lang op AUTO.
•
Bij automatische klimaatregeling worden meerdere klimaatfuncties automatisch geregeld.
Kort drukken - de luchtrecirculatie, airconditioning en luchtverdeling worden automatisch geregeld.
•
Lang drukken - de luchtrecirculatie, airconditioning en luchtverdeling worden
automatisch geregeld, de temperatuur en
het ventilatorniveau worden gewijzigd in
de standaardinstellingen: 22 °C (72 °F)
en niveau 3 (niveau 2 op de achterbank3).
> De automatische klimaatregeling wordt
geactiveerd en de knop gaat branden.
Luchtrecirculatie activeren en
deactiveren
De luchtrecirculatie houdt vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten door recirculatie van de
lucht in het interieur.
N.B.
Het is mogelijk om de temperatuur en de
ventilatorstand te wijzigen zonder deactivering
van de automatische klimaatregeling. De
automatische klimaatregeling wordt gedeactiveerd wanneer de luchtverdeling handmatig
wordt gewijzigd of wanneer max. ontwaseming wordt geactiveerd.
Knop voor automatische klimaatregeling op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
Luchtrecirculatieknop op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Druk op Recirc..
> De luchtrecirculatie wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
BELANGRIJK
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
beslaat mogelijk de binnenzijde van de ruiten.
3
224
Voor auto's met klimaatregeling met 4 zones*.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
N.B.
De luchtrecirculatie is niet te activeren, wanneer u de maximale ontwaseming hebt ingeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
Timerinstelling voor luchtrecirculatie activeren en deactiveren (p. 225)
Timerinstelling voor luchtrecirculatie
activeren en deactiveren
Maximale ontwaseming activeren en
deactiveren
De luchtrecirculatie houdt vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten door recirculatie van de
lucht in het interieur.
U kunt instellen of een timer voor de luchtrecirculatie geactiveerd of gedeactiveerd moet zijn. Met
de timer geactiveerd wordt de luchtrecirculatie
automatisch na 20 minuten uitgeschakeld.
U kunt de maximale ontwaseming gebruiken om
de ruiten snel te ontwasemen en ontdooien.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Recirculatietimer om de timer voor de
luchtrecirculatie te activeren/deactiveren.
Maximale ontwaseming activeren en
deactiveren vanaf middenconsole
Op de middenconsole zit een fysieke knop waarmee u rechtstreeks toegang hebt tot maximale
ontwaseming.
Met elektrische voorruitverwarming* is de maximale ontwaseming alleen individueel te activeren
vanuit het klimaatscherm op het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
Luchtrecirculatie activeren en deactiveren
(p. 224)
Fysieke knop op de middenconsole.
}}
* Optie/accessoire. 225
KLIMAAT
||
Auto's zonder elektrische voorruitverwarming:
–
Druk op de knop.
> De maximale ontwaseming wordt geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
Maximale ontwaseming activeren en
deactiveren vanaf middendisplay
Gerelateerde informatie
•
Auto's met elektrische voorruitverwarming:
–
Druk meerdere keren op de knop om de drie
standen te doorlopen:
•
elektrische voorruitverwarming geactiveerd
•
Elektrische voorruitverwarming en maximale ontwaseming geactiveerd
•
Gedeactiveerd.
> De elektrische voorruitverwarming en
maximale ontwaseming worden geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
N.B.
Wanneer u de elektrische achterruitverwarming deactiveert door de knop tweemaal snel
in te drukken, wordt de maximale ontwaseming met enige vertraging ingeschakeld om
een tijdelijke verhoging van de ventilatorstand
tegen te gaan.
Knop voor maximale ontwaseming op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Druk op Max.
> De maximale ontwaseming wordt geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
Bij maximale ontwaseming worden de
automatische klimaatregeling en de luchtrecirculatie gedeactiveerd, wordt de airconditioning geactiveerd, de ventilatorstand gewijzigd in 5 en de temperatuur in
HI.
Bij deactivering van de maximale ontwaseming hervat de klimaatregeling de eerder verrichte instellingen.
226
N.B.
Het geluidsniveau neemt toe wanneer de
ventilatorstand wordt gewijzigd in 5.
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
KLIMAAT
Elektrische voorruitverwarming*
activeren en deactiveren
–
Druk meerdere keren op de knop om de drie
standen te doorlopen:
De elektrische voorruitverwarming dient om de
voorruit snel van condens en ijs te ontdoen.
•
elektrische voorruitverwarming geactiveerd
Elektrische voorruitverwarming
activeren en deactiveren vanaf
middenconsole
•
Elektrische voorruitverwarming en maximale ontwaseming geactiveerd
Op de middenconsole zit een fysieke knop waarmee u de elektrische voorruitverwarming direct
kunt bedienen.
Elektrische voorruitverwarming
activeren en deactiveren vanaf
middendisplay
•
Gedeactiveerd.
> De elektrische voorruitverwarming en
maximale ontwaseming worden geactiveerd/gedeactiveerd en de knop gaat
branden/dooft.
Knop voor elektrische voorruitverwarming op klimaatscherm.
Fysieke knop op de middenconsole.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Druk op Elektrisch.
> De elektrische voorruitverwarming wordt
geactiveerd/gedeactiveerd en de knop
gaat branden/dooft.
N.B.
Aan de beide uiteinden van de voorruit zitten
driehoekige gebieden zonder elektrische verwarming, zodat het ontdooien daar mogelijk
langer duurt.
}}
* Optie/accessoire. 227
KLIMAAT
||
N.B.
De elektrische voorruitverwarming kan de
prestaties van transponders en andere communicatie-apparatuur beïnvloeden.
N.B.
Als u de elektrische voorruitverwarming activeert, wanneer Start/Stop de motor automatisch heeft afgezet, wordt de motor opnieuw
gestart.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
Automatische inschakeling van elektrische
voorruitverwarming* activeren en deactiveren
(p. 228)
Automatische inschakeling van
elektrische voorruitverwarming*
activeren en deactiveren
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming activeren
en deactiveren
De elektrische voorruitverwarming dient om de
voorruit snel van condens en ijs te ontdoen.
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische voorruitverwarming bij het starten
van de motor al dan niet geactiveerd moet zijn.
Met automatische inschakeling geactiveerd zal
de elektrische verwarming starten, wanneer er
gevaar bestaat voor ijsvorming of condens op de
ruit. De elektrische verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer de ruit warm
genoeg is en het ijs of de condens is verdwenen.
De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming dient om de ruiten en buitenspiegels
snel van condens en ijs te ontdoen.
1.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming activeren en
deactiveren vanaf middenconsole
Op de middenconsole zit een fysieke knop waarmee u de elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming direct kunt bedienen.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Automatische voorruitverwarming
om automatische inschakeling van elektrische voorruitverwarming te activeren/deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
Elektrische voorruitverwarming* activeren en
deactiveren (p. 227)
Fysieke knop op de middenconsole.
–
228
Druk op de knop.
> De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming worden geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Automatische inschakeling van
elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming activeren
en deactiveren
De ventilator is in te stellen op diverse automatisch geregelde ventilatorstanden voor de voorstoelen.
Knop voor elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming op klimaatscherm.
De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming dient om de ruiten en buitenspiegels
snel van condens en ijs te ontdoen.
U kunt instellen of de automatische inschakeling
van elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming bij het starten van de motor al dan niet
geactiveerd moet zijn. Met automatische inschakeling geactiveerd zal de elektrische verwarming
starten, wanneer er gevaar bestaat voor ijsvorming of condens op de ruit. De elektrische verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer de ruit warm genoeg is en het ijs of de condens is verdwenen.
Ventilatorstandknoppen op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Druk op Achter.
> De elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming worden geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
2.
Druk op Klimaat.
2.
3.
Kies Automatische achterruitverwarming
om automatische inschakeling van elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
te activeren/deactiveren.
Druk op de gewenste ventilatorstand: Off,
1-5 of Max.
> De ventilatorstand wordt aangepast,
waarna de knop voor de gekozen stand
gaat branden.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming activeren en
deactiveren vanaf middendisplay
Gerelateerde informatie
•
•
4
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
Automatische inschakeling van elektrische
achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 229)
Bij klimaatregeling met 2 zones ook achterin.
Ventilatorstand voorin4 regelen
Gerelateerde informatie
•
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming activeren en deactiveren (p. 228)
}}
229
KLIMAAT
||
BELANGRIJK
Als de ventilator volledig uitstaat, start de airconditioning niet, waardoor er mogelijk condens aan de binnenkant van de ruiten
optreedt.
Ventilatorstand achterin* regelen
2.
Druk op de gewenste ventilatorstand: 1 - 5.
De ventilator is in te stellen op diverse automatisch geregelde ventilatorstanden voor de achterstoelen.
De ventilatorstand voor de tweede en derde
zitrij* is te deactiveren met een druk op
Klimaat tweede rij.
Ventilatorstand voorin regelen
De ventilatorstand voor de derde zitrij is gelijk
aan die voor de tweede zitrij. De ventilatorstand voor de derde zitrij is apart* uit te schakelen door op Klimaat derde rij te drukken.
> De ventilatorstand wordt aangepast,
waarna de knop voor de gekozen stand
gaat branden.
N.B.
De klimaatregeling past de luchtstroom zo
nodig automatisch aan, wat betekent dat de
ventilatorsnelheid kan veranderen ondanks
dat de ventilatorstand ongewijzigd is.
Ventilatorstand achterin regelen
1.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
Druk op de ontgrendelingsknop op het klimaatpaneel van de tunnelconsole om toegang te krijgen tot de bediening.
Ventilatorstandknoppen op tabblad Klimaat achter op
klimaatscherm.
1.
230
Open het klimaatscherm op het middendisplay en kies het tabblad Klimaat achter.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
N.B.
De klimaatregeling past de luchtstroom zo
nodig automatisch aan, wat betekent dat de
ventilatorsnelheid kan veranderen ondanks
dat de ventilatorstand ongewijzigd is.
Temperatuur voorin5 regelen
De temperatuur voor de klimaatzones voorin is in
te stellen op het gewenste aantal graden.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
Ventilatorregeling op klimaatpaneel achter op tunnelconsole.
2.
Druk op de gewenste ventilatorstand: 1 - 5.
> De ventilatorstand wordt aangepast,
waarna de knop voor de gekozen stand
gaat branden.
N.B.
Temperatuurknoppen in het klimaatveld.
1.
Druk op de temperatuurknop voor de linker
of rechter zone in het klimaatveld op het middendisplay om de regeling te openen.
De ventilatorstand voor achterin is niet in te
stellen, als de ventilatorstand voor voorin is
ingesteld op Off.
De ventilatorstand voor achterin is alleen uit
te schakelen via het klimaatscherm op het
middendisplay.
5
Bij klimaatregeling met 2 zones ook achterin.
}}
231
KLIMAAT
Temperatuur achterin* regelen
||
De temperatuur voor de klimaatzones achterin is
in te stellen op het gewenste aantal graden.
Temperatuur achterin regelen vanaf
voorstoelen
Temperatuurregeling.
Temperatuurregeling.
2.
3.
Regel de temperatuur door:
•
•
op +/− te drukken om de temperatuur in
stapjes te verhogen/verlagen.
> De temperatuur wordt aangepast, waarna
de knop de ingestelde temperatuur aangeeft.
N.B.
Het is niet mogelijk om het opwarmen/afkoelen te versnellen door een hogere/lagere
temperatuur te kiezen dan die eigenlijk
gewenst is.
Regel de temperatuur door:
•
de bediening naar de gewenste temperatuur te slepen, of
•
op +/− te drukken om de temperatuur in
stapjes te verhogen/verlagen.
> De temperatuur wordt aangepast, waarna
de knop de ingestelde temperatuur aangeeft.
Temperatuurknoppen op tabblad Klimaat achter op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay en kies het tabblad Klimaat achter.
2.
Druk op de temperatuurknop voor de linker
of rechter zone om de regeling te openen.
de bediening naar de gewenste temperatuur te slepen
Temperatuur achterin regelen vanaf
achterstoelen
1.
Druk op de ontgrendelingsknop op het klimaatpaneel van de tunnelconsole om toegang te krijgen tot de bediening.
Gerelateerde informatie
•
232
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Temperatuur synchroniseren
De temperatuur in de verschillende klimaatzones
van de auto is te synchroniseren met de ingestelde temperatuur voor de bestuurderszijde.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
Temperatuurregeling op klimaatpaneel achter op tunnelconsole.
2.
Druk op de </>-knoppen voor de linker of
rechter zone om de temperatuur in stapjes te
verhogen of te verlagen.
> De temperatuur wordt aangepast, waarna
het scherm van het klimaatpaneel de
ingestelde temperatuur aangeeft.
N.B.
Het is niet mogelijk om het opwarmen/afkoelen te versnellen door een hogere/lagere
temperatuur te kiezen dan die eigenlijk
gewenst is.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
Synchronisatieknop op temperatuurregeling bestuurderszone.
1.
Druk op de temperatuurknop voor de
bestuurderszone in het klimaatveld op het
middendisplay om de regeling te openen.
2.
Druk op Temperatuur synchroniseren .
> De temperatuurinstelling voor alle klimaatzones van de auto wordt gesynchroniseerd met de ingestelde temperatuur voor
de bestuurderszone en naast de temperatuurknop staat het synchronisatiesymbool.
De synchronisatie stopt wanneer u nogmaals op
Temperatuur synchroniseren drukt of wanneer u de temperatuurinstelling in een andere klimaatzone dan de bestuurderszone wijzigt.
233
KLIMAAT
Airconditioning activeren en
deactiveren
N.B.
Sluit alle zijruiten en het panoramadak* voor
optimale werking van de airconditioning.
De airconditioning koelt en droogt zo nodig de
binnenkomende lucht.
Klimaat derde zitrij* activeren en
deactiveren
De airconditioning koelt en droogt zo nodig de
binnenkomende lucht.
N.B.
Het is niet mogelijk de airconditioning te activeren, wanneer de ventilatorknop in stand Off
staat.
Gerelateerde informatie
•
Airconditioningknop op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Druk op AC.
> De airconditioning wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
Bij een actieve airconditioning bepaalt de
klimaatregeling op basis van de behoefte
automatisch de tijdstippen voor in- en uitschakeling.
234
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
Airconditioningknop op tabblad Klimaat achter op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay en kies het tabblad Klimaat achter.
2.
Druk op Klimaat derde rij.
> De airconditioning wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
N.B.
De airconditioning van de derde zitrij wordt
automatisch geactiveerd als iemand op de
derde zitrij een gordel omdoet.
Het is niet mogelijk de airconditioning voor de
derde zitrij handmatig te activeren, als de
hoofdairconditioning uitstaat of als de klimaatregeling voor de tweede zitrij* uitgeschakeld is.
Gerelateerde informatie
•
•
Automatische inschakeling van
klimaatregeling derde zitrij*
activeren en deactiveren
De airconditioning koelt en droogt zo nodig de
binnenkomende lucht.
U kunt aangeven (bij een auto met klimaatregeling met 4 zones*) of de klimaatregeling voor de
derde zitrij bij het starten van de motor al dan niet
geactiveerd moet zijn.
1.
Parkeerklimaat*
Het interieurklimaat is vooraf te regelen middels
preconditioning of te handhaven nadat u de auto
geparkeerd hebt.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
Klimaatregelingsbediening (p. 217)
2.
Druk op Klimaat.
Automatische inschakeling van klimaatregeling derde zitrij* activeren en deactiveren
(p. 235)
3.
Kies Automatisch klimaat 3e rij voor activeren/deactiveren klimaatregeling derde zitrij
bij starten van de motor.
Gerelateerde informatie
•
Klimaat derde zitrij* activeren en deactiveren
(p. 234)
Preconditioning en handhaving klimaatcomfort worden
aangestuurd vanaf tab Parkeerverwarming op het klimaatscherm op het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
Klimaatregeling (p. 206)
Preconditioning* (p. 236)
}}
* Optie/accessoire. 235
KLIMAAT
•
•
Klimaatcomfort bij parkeren* (p. 240)
Preconditioning*
Symbolen en meldingen voor parkeerklimaat*
(p. 242)
Preconditioning vooraf kan de slijtage en het
stroomverbruik beperken tijdens het rijden.
Preconditioning is direct in te schakelen of via
een timer te programmeren.
De functie maakt afhankelijk van de situatie
gebruik van uiteenlopende systemen:
•
De standverwarming* warmt bij koud weer
het interieur op tot de comforttemperatuur
en warmt eveneens de motor op.
•
De ventilator koelt bij warm weer het interieur door lucht van buiten naar binnen te blazen.
Preconditioning* inschakelen/
uitschakelen
De preconditioning verwarmt het interieur en de
motor óf ventileert het interieur vóór vertrek. De
functie is vanaf het middendisplay of een mobiele telefoon direct in te schakelen.
Inschakelen/uitschakelen via
middendisplay
N.B.
Bij preconditioning van het interieur gaat het
erom de auto te verwarmen tot een behaaglijke temperatuur te brengen en tot de op de
klimaatregeling ingestelde temperatuur.
Gerelateerde informatie
•
•
•
236
Parkeerklimaat* (p. 235)
Preconditioning* inschakelen/uitschakelen
(p. 236)
Timerinstelling voor preconditioning*
(p. 237)
Preconditioningknop op tabblad Parkeerverwarming
op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies het tabblad Parkeerverwarming.
3.
Druk op Preconditioning.
> De preconditioning wordt ingeschakeld/
uitgeschakeld en de knop gaat branden/
dooft.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
N.B.
Houd de portieren en ruiten van de auto dicht
bij het gebruik van de preconditioning.
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
•
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden
uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, zaagsel en dergelijke
kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat
van de verwarming is geblokkeerd. Een
pak sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan
bijvoorbeeld de afvoer van de verwarming
onmogelijk maken.
tot op de comforttemperatuur of ventileert het
interieur door buitenlucht in te blazen.
Timerinstelling voor
preconditioning*
Preconditioning van het interieur is ook mogelijk
via de afstandsstart van de auto (Engine Remote
Start - ERS)6 via de Volvo On Call-app*.
U kunt de timer dusdanig instellen dat de preconditioning gereed is op een bepaald tijdstip.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerklimaat* (p. 235)
Preconditioning* (p. 236)
De timer kan tot 8 verschillende instellingen hanteren voor:
•
•
Timerinstelling voor preconditioning*
(p. 237)
een tijdstip op een bepaalde datum
een tijdstip op een of meer dagen van de
week, voor eenmalige of terugkerende activering.
Gerelateerde informatie
•
•
Preconditioning* (p. 236)
Timerinstelling voor preconditioning* toevoegen en bewerken (p. 238)
•
Timerinstelling voor preconditioning* activeren en deactiveren (p. 239)
•
Timerinstelling voor preconditioning* verwijderen (p. 240)
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
Via de app starten*
Via een apparaat met de Volvo On Call-app* is
het mogelijk de preconditioning in te schakelen
én informatie te krijgen over de gekozen instellingen. De preconditioning verwarmt het interieur
6
Bepaalde markten.
* Optie/accessoire. 237
KLIMAAT
Timerinstelling voor
preconditioning* toevoegen en
bewerken
De timer voor preconditioning kan tot 8 verschillende tijdstippen hanteren.
Tijdstip toevoegen
3.
Druk op Timer toevoegen.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
7.
N.B.
Het is niet mogelijk om meer tijdstippen te
programmeren, als er al 8 timerinstellingen
bestaan. Om een nieuw tijdstip te kunnen
toevoegen moet u eerst een ouder tijdstip
verwijderen.
4.
Druk op Datum om een tijdstip in te stellen
voor een bepaalde datum.
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
•
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden
uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, zaagsel en dergelijke
kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat
van de verwarming is geblokkeerd. Een
pak sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan
bijvoorbeeld de afvoer van de verwarming
onmogelijk maken.
Druk op Dagen om een tijdstip in te stellen
voor een of meer dagen van de week.
Met Dagen: Activeer/deactiveer de repeteerfunctie door het vakje voor Wekelijks
herhalen aan/uit te vinken.
De knop voor tijdstip toevoegen op het tabblad
Parkeerverwarming op het klimaatscherm.
1.
2.
5.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
Met Dagen: Kies een dag van de week voor
de preconditioning door op de knoppen voor
de dagen van de week te drukken.
Kies het tabblad Parkeerverwarming.
6.
238
Met Datum: Kies een datum voor de preconditioning door met de pijltoetsen in de
datumlijst te bladeren.
Stel het tijdstip in dat de preconditioning
moet zijn afgerond door te bladeren met de
pijltoetsen op de klok.
Druk op Bevestig om het ingestelde tijdstip
toe te voegen.
> Het ingestelde tijdstip wordt toegevoegd
aan de lijst en geactiveerd.
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
Ingesteld tijdstip bewerken
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies het tabblad Parkeerverwarming.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
3.
4.
Druk op het tijdstip dat u wilt wijzigen.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
Bewerk het tijdstip op dezelfde manier als bij
"Tijdstip toevoegen" hierboven.
Timerinstelling voor
preconditioning* activeren en
deactiveren
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
Zo nodig kunt u een timertijdstip voor de preconditioning activeren of deactiveren.
•
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden
uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, zaagsel en dergelijke
kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat
van de verwarming is geblokkeerd. Een
pak sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan
bijvoorbeeld de afvoer van de verwarming
onmogelijk maken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Preconditioning* (p. 236)
Timerinstelling voor preconditioning* (p. 237)
Timerinstelling voor preconditioning* activeren en deactiveren (p. 239)
Timerinstelling voor preconditioning* verwijderen (p. 240)
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
Timerknoppen op tab Parkeerverwarming op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies het tabblad Parkeerverwarming.
3.
Activeer/deactiveer een tijdstip door op de
timerknop rechts van het desbetreffende tijdstip te drukken.
> Het ingestelde tijdstip wordt geactiveerd/
gedeactiveerd en de knop gaat branden/
dooft.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Preconditioning* (p. 236)
Timerinstelling voor preconditioning* (p. 237)
Timerinstelling voor preconditioning* toevoegen en bewerken (p. 238)
Timerinstelling voor preconditioning* verwijderen (p. 240)
* Optie/accessoire. 239
KLIMAAT
Timerinstelling voor
preconditioning* verwijderen
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Preconditioning* (p. 236)
Timerinstelling voor preconditioning* (p. 237)
Timerinstelling voor preconditioning* toevoegen en bewerken (p. 238)
Timerinstelling voor preconditioning* activeren en deactiveren (p. 239)
Klimaatcomfort bij parkeren*
Het interieurklimaat van de auto is tijdens het
parkeren nog enige tijd te handhaven, bijvoorbeeld als u of een of meer inzittenden na uitschakeling van de motor in de auto willen blijven
zitten en het klimaatcomfort wensen te handhaven.
Handhaving klimaatcomfort is alleen direct in te
schakelen.
De functie maakt afhankelijk van de situatie
gebruik van uiteenlopende systemen:
De knop voor lijst bewerken/ingesteld tijdstip verwijderen op het tabblad Parkeerverwarming op het klimaatscherm.
240
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies het tabblad Parkeerverwarming.
3.
Druk op Lijst bewerken.
4.
Druk op het verwijderingspictogram rechts in
de lijst.
> Het pictogram verandert in de tekst Wis.
5.
Druk ter bevestiging op Wis.
> Het ingestelde tijdstip wordt uit de lijst
verwijderd.
•
Bij koud weer wordt het interieur met de
restwarmte van de motor opgewarmd tot de
comforttemperatuur.
•
De ventilator koelt bij warm weer het interieur door lucht van buiten naar binnen te blazen.
N.B.
Handhaving klimaatcomfort wordt uitgeschakeld als de auto van buitenaf wordt vergrendeld om niet onnodig restwarmte te gebruiken. De functie dient om het klimaatcomfort
te behouden, wanneer u en/of passagiers in
de auto achterblijven.
Gerelateerde informatie
•
•
Parkeerklimaat* (p. 235)
Klimaatcomfort tijdens het parkeren* inschakelen en uitschakelen (p. 241)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Klimaatcomfort tijdens het
parkeren* inschakelen en
uitschakelen
N.B.
Het is niet mogelijk om de functie voor handhaving van het klimaatcomfort te starten, als
de restwarmte in de motor niet volstaat om
het interieurklimaat op peil te houden of als
de buitentemperatuur hoger is dan zo'n 20 °C
(68 °F).
Bij handhaving van het klimaatcomfort wordt na
afloop van een rit het interieurklimaat nog enige
tijd geregeld. De functie is vanaf het middendisplay direct in te schakelen.
N.B.
Handhaving klimaatcomfort wordt uitgeschakeld als de auto van buitenaf wordt vergrendeld om niet onnodig restwarmte te gebruiken. De functie dient om het klimaatcomfort
te behouden, wanneer u en/of passagiers in
de auto achterblijven.
Gerelateerde informatie
Knop voor handhaving klimaatcomfort op tab
Parkeerverwarming op klimaatscherm.
1.
Open het klimaatscherm op het middendisplay.
2.
Kies het tabblad Parkeerverwarming.
3.
Druk op Handhaaf klimaatcomfort.
> Handhaving klimaatcomfort wordt ingeschakeld/uitgeschakeld en de knop gaat
branden/dooft.
•
Klimaatcomfort bij parkeren* (p. 240)
* Optie/accessoire. 241
KLIMAAT
Symbolen en meldingen voor
parkeerklimaat*
Bij een actieve standverwarming brandt
dit symbool op het bestuurdersdisplay.
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van
het parkeerklimaat.
Symbool
Melding
Betekenis
Standklimatisering
Parkeerklimaat is defect. Bezoek een werkplaatsA om de werking zo spoedig mogelijk te laten controleren.
Service vereist
Standklimatisering
Tijdelijk niet beschikbaar
Standklimatisering
Niet beschikbaar, te laag brandstofniveau
Standklimatisering
Niet beschikbaar Laadniveau te laag
A
Parkeerklimaat is tijdelijk defect. Als het probleem aanhoudt, neem dan contact op met een werkplaatsA op het systeem te laten controleren.
Het parkeerklimaat is niet te activeren wanneer het brandstofpeil te gering is voor inschakeling van
de standverwarming*. Vul de brandstoftank bij.
Het parkeerklimaat is niet te activeren, wanneer de ladingsgraad van de startaccu te gering is voor
inschakeling van de standverwarming*. Laad de startaccu bij.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
242
Parkeerklimaat* (p. 235)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Verwarming*
Dankzij de verwarming komen motor en interieur
zowel vóór als tijdens het rijden sneller op temperatuur.
De verwarming heeft twee deelfuncties:
•
•
Standverwarming - verwarmt zo nodig de
motor en het interieur bij geactiveerde preconditioning*.
N.B.
N.B.
Zorg ervoor dat het laadpercentage van de
accu hoog genoeg is als de verwarming moet
worden gebruikt.
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval de verwarming
moet worden ingeschakeld.
Brandstof en tanken
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan vlam vatten. Schakel
voordat u gaat tanken de verwarming op
brandstof uit.
Extra verwarming - verwarmt zo nodig het
interieur en de motor tijdens het rijden.
Controleer op het informatiedisplay
of de verwarming is uitgeschakeld;
wanneer de standverwarming actief
is, brandt het bijbehorende symbool
op het informatiedisplay.
De verwarming werkt op brandstof en is op de
wielkast rechtsvoor gemonteerd.
N.B.
Wanneer de verwarming actief is, kan er rook
uit de wielkast rechtsvoor komen. Ook is er
wellicht een dof geluid hoorbaar. Achter in de
auto is ook een tikkend geluid vanuit de
brandstofpomp waar te nemen. Dit is volkomen normaal.
Accu en opladen
De verwarming wordt aangedreven door de startaccu van de auto. Als de ladingsgraad van de
startaccu te laag is, wordt de verwarming automatisch uitgeschakeld en geeft het bestuurdersdisplay een melding weer.
Gerelateerde informatie
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
De verwarming maakt gebruik van brandstof uit
de normale brandstoftank van de auto.
•
•
•
Klimaatregeling (p. 206)
Standverwarming* (p. 244)
Extra verwarming* (p. 245)
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert,
moet u ervoor zorgen dat de voorkant van de
auto omlaagwijst. Zo krijgt de verwarming altijd
voldoende brandstof.
Als het niveau in de brandstoftank te laag is,
wordt de verwarming automatisch uitgeschakeld
en geeft het bestuurdersdisplay een melding
weer.
* Optie/accessoire. 243
KLIMAAT
Standverwarming*
De standverwarming verwarmt indien nodig het
interieur bij geactiveerde preconditioning.
De standverwarming is een van twee deelfuncties
van de verwarming van de auto. De verwarming is
op de wielkast rechtsvoor gemonteerd.
Bij een actieve standverwarming brandt
dit symbool op het bestuurdersdisplay.
N.B.
WAARSCHUWING
Gebruik preconditioning niet als de auto is
uitgerust met verwarming*:
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval u de standverwarming moet inschakelen.
•
Zorg dat de ladingsgraad van de startaccu
hoog genoeg is, als de parkeerverwarming
moet worden gebruikt.
Binnen in ongeventileerde ruimten. Bij
inschakeling van de verwarming worden
uitlaatgassen geproduceerd.
•
Op plekken met brandbaar of licht ontvlambaar materiaal in de buurt. Brandstof,
gassen, hoog gras, zaagsel en dergelijke
kunnen ontbranden.
•
Wanneer het risico bestaat dat de uitlaat
van de verwarming is geblokkeerd. Een
pak sneeuw in de wielkast rechtsvoor kan
bijvoorbeeld de afvoer van de verwarming
onmogelijk maken.
BELANGRIJK
N.B.
Wanneer de verwarming actief is, kan er rook
uit de wielkast rechtsvoor komen. Ook is er
wellicht een dof geluid hoorbaar. Achter in de
auto is ook een tikkend geluid vanuit de
brandstofpomp waar te nemen. Dit is volkomen normaal.
De standverwarming start automatisch, als de
preconditioning* van de auto actief is en het interieur moet worden verwarmd.
De functie wordt automatisch uitgeschakeld,
wanneer het ingestelde tijdstip voor een timer of
de maximale inschakelduur voor de verwarming is
bereikt.
De verwarming werkt maximaal 40 minuten achtereen.
244
Als de standverwarming herhaaldelijk en in
combinatie met korte ritten wordt gebruikt,
ontlaadt de accu met startproblemen als
gevolg.
Om te zorgen dat de oplading van de accu in
balans is met het stroomverbruik van de
standverwarming moet u bij regelmatig
gebruik van de kachel net zo lang met de
auto rijden als dat de kachel wordt gebruikt.
Gebruik de standverwarming per keer maximaal 40 minuten lang.
Let erop dat de preconditioning kan starten
op grond van een eerder geprogrammeerd
timertijdstip.
WAARSCHUWING
Als u brandstof ruikt, abnormaal veel rook of
zwarte rook ziet of ongebruikelijke geluiden
vanuit de standverwarming waarneemt, moet
u de verwarming uitschakelen en zo mogelijk
de zekering van de standverwarming verwijderen. Volvo adviseert u om voor reparatie contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Gerelateerde informatie
•
•
Verwarming* (p. 243)
Extra verwarming* (p. 245)
Extra verwarming*
De extra verwarming helpt bij het verwarmen van
de passagiersruimte en de motor tijdens het rijden.
De extra verwarming is een van twee deelfuncties
van de verwarming van de auto. De verwarming is
op de wielkast rechtsvoor gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verwarming* (p. 243)
Standverwarming* (p. 244)
Automatische inschakeling van extra verwarming activeren en deactiveren (p. 246)
N.B.
Wanneer de verwarming actief is, kan er rook
uit de wielkast rechtsvoor komen. Ook is er
wellicht een dof geluid hoorbaar. Achter in de
auto is ook een tikkend geluid vanuit de
brandstofpomp waar te nemen. Dit is volkomen normaal.
De extra verwarming start en wordt automatisch
aangestuurd als tijdens het rijden verwarming
nodig is.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld,
wanneer de auto wordt uitgeschakeld.
N.B.
Zorg dat er voldoende brandstof in de tank
van de auto zit voor het geval u de extra verwarming moet inschakelen.
* Optie/accessoire. 245
KLIMAAT
Automatische inschakeling van
extra verwarming activeren en
deactiveren
De extra verwarming helpt bij het verwarmen van
de passagiersruimte en de motor tijdens het rijden.
U kunt de automatische inschakeling van de
extra verwarming desgewenst activeren/deactiveren.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
2.
Druk op Klimaat.
3.
Kies Extra verwarming voor activeren/
deactiveren automatische inschakeling van
extra verwarming.
N.B.
Volvo adviseert u om de automatische start
van de extra verwarming uit te schakelen tijdens korte ritten.
Gerelateerde informatie
•
246
Extra verwarming* (p. 245)
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Vergrendelingsindicatie
Slot- en alarmindicatie
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt,
lichten de richtingaanwijzers een bepaald aantal
malen op om aan te geven dat de auto op de
juiste manier vergrendeld of ontgrendeld is.
Led in vergrendelingsknoppen
Voorportier
Indicatie exterieur
Vergrendeling
•
Bij vergrendeling knipperen de alarmlichten
van de auto eenmaal en daarnaast worden
de buitenspiegels ingeklapt1.
Ontgrendelen
•
Bij ontgrendeling knipperen de alarmlichten
van de auto tweemaal en daarnaast worden
de buitenspiegels uitgeklapt1.
Om aan te geven dat de auto vergrendeld is,
moeten alle portieren, de achterklep en de
motorkap dichtstaan. Als er wordt vergrendeld
terwijl alleen het bestuurdersportier dichtstaat2,
vindt er vergrendeling plaats maar er wordt pas
aangegeven dat er vergrendeling heeft plaatsgevonden nadat alle portieren, de achterklep en de
motorkap dichtstaan.
1
2
248
De slot- en alarmindicatie op het dashboard laat de status van het vergrendelingssysteem zien.
Een keer lang knipperen betekent dat de auto
vergrendeld is. Kort pulserend knipperen geeft
aan dat de auto vergrendeld is.
Overige indicaties
Ook de Follow Me Home-verlichting en de
Approach-verlichting geven een indicatie van de
vergrendeling en ontgrendeling.
Vergrendelingsknoppen met led in voorportier.
Als de led in de desbetreffende vergrendelingsknop van de voorportieren brandt, betekent dit
dat alle portieren zijn vergrendeld. Als er een portier wordt geopend, gaat het lampje in beide portieren uit.
Alleen auto's met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Geldt niet voor auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*).
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Op achterportier*
Instelling voor
vergrendelingsbevestiging
In het instellingsmenu van het middendisplay
kunt u aangeven hoe de auto moet bevestigen
dat vergrendeling of ontgrendeling heeft plaatsgevonden.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Druk op Visuele vergrendelingsfeedback
om aan geven wanneer de auto visuele signalen moet geven: bij Vergrend.,
Ontgrendel, Beide, of om de functie uit te
schakelen.
Vergrendelingsknop met controlelampje in achterportier.
Als de led in de desbetreffende vergrendelingsknop van de portieren brandt, betekent dit dat het
desbetreffende portier is vergrendeld. Als er een
portier wordt ontgrendeld, gaat het bijbehorende
lampje uit terwijl de overige lampjes blijven branden.
•
•
•
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
Instelling voor vergrendelingsbevestiging
(p. 249)
3.
Kies Spiegel inklappen bij vergrendelen
om de functie te activeren of te deactiveren.
Approach-verlichting (p. 165)
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
Follow Me Home-verlichting gebruiken
(p. 165)
•
Met de transpondersleutel zijn de portieren, de
achterklep en de tankvulklep te vergrendelen en
ontgrendelen. De transpondersleutel moet in de
auto aanwezig zijn om deze te kunnen starten.
Vergrendeling.
Bevestiging via inklapbare buitenspiegels*
1.
een transpondersleutel
Spiegels en Comfort.
Vergrendelingsindicatie (p. 248)
Transpondersleutel, links en transpondersleutel zonder
knoppen (Key Tag)*, rechts.
U gebruikt de transpondersleutel niet actief bij
het starten, omdat een auto in standaarduitvoering is uitgerust met ondersteuning voor passief
starten (Passive Start). Om de auto te kunnen
starten moet de sleutel zich voor in het interieur
bevinden, zoals in een zak van de bestuurder of in
de bekerhouder in de tunnelconsole.
}}
* Optie/accessoire. 249
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Passieve vergrendeling en ontgrendeling
(Passive Entry*) van de portieren, achterklep en
tankvulklep is ook een optie. De sleutel heeft een
bereik van zo'n 1,5 meter (5 voet) rond het
bestuurdersportier en zo'n 1 meter (3 voet) rond
de achterklep.
Knoppen op transpondersleutel
achterklep. Bij auto's met elektrische achterklepbediening* is de klep automatisch te
openen bij lang indrukken. De klep is ook te
sluiten door lang indrukken - er klinken waarschuwingssignalen.
Paniekfunctie - bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken. Als
u de knop ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen 3
seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon
geactiveerd. U kunt deze functie met
dezelfde toets weer uitschakelen, als de
functie minimaal 5 seconden actief geweest
is. Anders wordt deze functie na zo'n 3 minuten automatisch uitgeschakeld.
Bij passief starten in combinatie met passieve
vergrendeling en ontgrendeling mag de transpondersleutel zich overal in het interieur of de
bagageruimte bevinden, zonder dat dit van
invloed is op het starten van de auto.
De transpondersleutels die bij de auto worden
geleverd zijn elk afzonderlijk te koppelen aan een
bestuurdersprofiel met unieke instellingen voor
de auto. Bij gebruik van een transpondersleutel
die gekoppeld is aan bepaald bestuurdersprofiel,
hanteert de auto de instellingen die bij dat profiel
passen.
Transpondersleutel zonder knoppen
(Key Tag)
Bij auto's met passieve vergrendeling en ontgrendeling* wordt ook een wat kleinere en lichtere sleutel zonder knoppen (Key Tag) geleverd.
De sleutel werkt op dezelfde manier als de reguliere transpondersleutel wat de passieve vergrendeling en ontgrendeling3 betreft. De sleutel heeft
echter geen uitneembare sleutelblad en de batterij is niet te vervangen.
3
4
250
De transpondersleutel heeft vier knoppen – een aan de
linker- en drie aan de rechterzijde.
Vergrendelen – Bij eenmaal indrukken
worden alle portieren, de achterklep en de
tankvulklep vergrendeld en wordt het alarm*
geactiveerd.
Bij lang indrukken worden alle ruiten en het
panoramadak* tegelijkertijd gesloten.
Ontgrendelen – Bij eenmaal indrukken
worden alle portieren, de achterklep en de
tankvulklep ontgrendeld en wordt het alarm
gedeactiveerd.
WAARSCHUWING
Als iemand in de auto achterblijft, moet u bij
het verlaten van de auto altijd de elektrisch
bedienbare ruiten en het panoramadak*
stroomloos maken door de transpondersleutel
mee te nemen.
Bij lang indrukken worden alle ruiten tegelijkertijd gesloten4.
Achterklep - Ontgrendelt alleen de achterklep en deactiveert de alarmfunctie voor de
De sleutel is waterdicht tot een diepte van zo'n 10 meter (30 feet) gedurende 60 minuten, zodat de sleutel zich leent voor gebruik in en om het water.
De doorluchtfunctie is onder te meer te gebruiken om de auto bij warm weer snel te luchten.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met de
transpondersleutel/Key Tag nog in de auto.
in de bekerhouder om het alarmsysteem van de
auto te deactiveren.
N.B.
Als u de auto vergrendelt en het alarm
inschakelt met een geldige transpondersleutel, wordt een eventuele andere transpondersleutel/Key Tag in de auto gedeactiveerd.
Ook de "Safelock-functie" wordt gedeactiveerd.
Zorg ervoor dat er geen andere autosleutels,
metalen voorwerpen of elektronische apparaten (zoals mobiele telefoons, tablets, laptops
of laders) in de bekerhouder liggen, wanneer
u de transpondersleutel in de bekerhouder
plaatst. Als er zich meerdere sleutels in de
bekerhouder bevinden, kunnen deze elkaar
storen.
De gedeactiveerde sleutel wordt bij ontgrendeling van de auto opnieuw geactiveerd.
Storingen
De passieve startfunctie van de transpondersleutel en de optie passief vergrendelen en ontgrendelen* ondervinden mogelijk storingen door elektromagnetische velden en afschermingen.
N.B.
Bewaar de transpondersleutel niet te dicht in
de buurt van metalen voorwerpen of elektronische apparaten zoals mobiele telefoons,
tablets, laptops of laders – op een afstand
kleiner dan 10-15 cm (4-6 inch).
Vergrendelen en ontgrendelen met
transpondersleutel
Met de knoppen op de transpondersleutel kunt
u alle portieren, de achterklep en de tankvulklep
gelijktijdig vergrendelen en ontgrendelen.
Vergrendelen met transpondersleutel
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 251)
•
•
Bereik transpondersleutel (p. 254)
Batterij in transpondersleutel vervangen
(p. 255)
Transpondersleutel.
•
•
Afneembaar sleutelblad (p. 260)
–
•
Elektronische startblokkering (p. 264)
Red Key - transpondersleutel met beperkte
functionaliteit* (p. 259)
Druk voor vergrendeling op de
de transpondersleutel.
-knop van
Als er toch storingen mochten optreden, gebruikt
u het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de auto te ontgrendelen en u
plaatst de sleutel vervolgens in de back-uplezer
}}
* Optie/accessoire. 251
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Om de ontgrendelingsprocedure te kunnen activeren moet het bestuurdersportier dichtstaan5.
Als een van de overige portieren of de achterklep
openstaat, wordt dit/deze pas bij sluiting ervan
vergrendeld en opgenomen in het alarm*. De
bewegingsmelder* van het alarm wordt geactiveerd, wanneer alle portieren en de achterklep
dichtstaan en vergrendeld zijn.
Vergrendelen wanneer de achterklep
openstaat
N.B.
Als de achterklep na vergrendeling van de
auto nog steeds ontgrendeld staat, controleer
dan of u de transpondersleutel soms in de
bagageruimte bent vergeten toen u de achterklep sloot en de auto vergrendelde6.
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met de
transpondersleutel/Key Tag nog in de auto.
Als u de auto vergrendelt en het alarm
inschakelt met een geldige transpondersleutel, wordt een eventuele andere transpondersleutel/Key Tag in de auto gedeactiveerd.
Ook de "Safelock-functie" wordt gedeactiveerd.
De gedeactiveerde sleutel wordt bij ontgrendeling van de auto opnieuw geactiveerd.
Ontgrendelen met transpondersleutel
–
Druk voor ontgrendeling op de
de transpondersleutel.
-knop van
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na ontgrendeling van de
buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden deze automatisch weer vergrendeld. Deze
functie beperkt de kans dat u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten staan.
Als vergrendelen of ontgrendelen via de transpondersleutel niet mogelijk is, is de batterij
mogelijk leeg – vergrendel of ontgrendel het
bestuurdersportier dan met het afneembare sleutelblad.
Gerelateerde informatie
•
Instellingen voor ontgrendeling op afstand en
van de binnenzijde (p. 253)
•
Achterklep ontgrendelen met transpondersleutel (p. 253)
•
•
een transpondersleutel (p. 249)
•
Vergrendelen en ontgrendelen met afneembaar sleutelblad (p. 262)
Batterij in transpondersleutel vervangen
(p. 255)
Wanneer de transpondersleutel niet
werkt
N.B.
Ga altijd dichter bij de auto staan en probeer
dan opnieuw te ontgrendelen.
5
6
252
Bij een auto met passieve vergrendeling/ontgrendeling moeten alle zijportieren dichtstaan.
Als bij een auto met passieve vergrendeling/ontgrendeling een transpondersleutel binnen in de auto wordt gedetecteerd, zal de achterklep bij het sluiten niet worden vergrendeld.*
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Instellingen voor ontgrendeling op
afstand en van de binnenzijde
Achterklep ontgrendelen met
transpondersleutel
U kunt verschillende procedures voor externe
ontgrendeling kiezen.
Met een knop op de transpondersleutel is het
mogelijk alleen de achterklep te ontgrendelen.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car Vergrendeling Op
afstand en van binnenuit ontgrendelen.
3.
Kies een alternatief:
De achterklep wordt ontgrendeld maar
blijft dichtstaan, terwijl de portieren vergrendeld blijven en het alarm op de portieren actief blijft.
- ontgrendelt alle portieren tegelijkertijd.
• Een portier
De instellingen die u hier verricht zijn ook van
invloed op de centrale vergrendeling via de openingsgreep aan de binnenzijde.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 251)
•
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 278)
op de transponderDruk op de knop
sleutel.
> De slot- en alarmindicatie op het dashboard dooft om aan te geven dat het
alarm niet voor alle delen van de auto is
ingeschakeld.
De hellingssensor en bewegingsmelder
alsmede de sensoren in de opening van
de achterklep worden buiten werking
gesteld.
• Alle portieren
- ontgrendelt alleen het bestuurdersportier.
Om alle portieren te ontgrendelen moet u de
ontgrendelingsknop op de transpondersleutel tweemaal indrukken.
1.
Gebruik de knop
op de transpondersleutel om het
alarm van de achterklep te halen en deze te ontgrendelen.
Om vervolgens de achterklep te openen,
pakt u het met rubber beklede drukplaatje
aan de onderzijde van de greep van de
achterklep voorzichtig vast en opent u de
klep.
Als de klep niet binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend, wordt de klep
weer vergrendeld en het alarm opnieuw
geactiveerd.
}}
253
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
2.
Met de optie elektrische achterklepbediening* Druk lang (zo'n 1,5 seconde) op de knop
van de transpondersleutel
> De achterklep wordt ontgrendeld en
geopend, terwijl de portieren vergrendeld
blijven en het alarm op de portieren actief
blijft.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen met transpondersleutel (p. 251)
•
Elektrisch bedienbare achterklep* openen en
sluiten (p. 282)
Bereik transpondersleutel
Voor een goede werking van de transpondersleutel moet de sleutel zich binnen een bepaalde
afstand van de auto bevinden.
Bij handmatig gebruik
De transpondersleutelfuncties voor bijvoorbeeld
vergrendeling en ontgrendeling die worden geacof
, werken
tiveerd bij het indrukken van
binnen een straal van zo'n 20 meter (65 voet)
rond de auto.
Als de auto niet reageert bij bediening van een
knop - probeer het dan op minder grote afstand
opnieuw.
Bij passief gebruik7
Voor passieve vergrendeling/ontgrendeling moet
een transpondersleutel of de transpondersleutel
zonder knoppen Key Tag zich binnen een straal
van zo'n 1,5 meter (5 voet) rond de zijkanten of
zo'n 1 meter (3 voet) rond de achterklep van de
auto bevinden.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de transpondersleutelfuncties door radiogolven in de
lucht, omringende gebouwen, topografische
omstandigheden e.d. Het is altijd mogelijk de
auto te vergrendelen/ontgrendelen met het
sleutelblad.
Bij verwijdering van de
transpondersleutel uit de auto
Als de transpondersleutel bij een draaiende motor uit de auto wordt verwijderd, verschijnt de waarschuwingsmelding Sleutel niet gevonden Uit auto
verwijderd op het bestuurdersdisplay en klinkt
er als het laatste portier wordt gesloten ter herinnering ook een geluidssignaal.
Het gemarkeerde gebied op de afbeelding geeft het
bereik van de systeemantennes aan.
7 Geldt
254
De melding verdwijnt wanneer u, nadat de transpondersleutel weer in de auto aanwezig is, op de
knop O van de rechter stuurknoppenset drukt of
wanneer u het laatste portier weer sluit.
alleen voor auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*).
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
een transpondersleutel (p. 249)
Batterij in transpondersleutel
vervangen
Locatie antennes voor start- en vergrendelingssysteem (p. 277)
Vervang de batterij in de transpondersleutel
wanneer deze leeg is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
N.B.
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige gebieden* (p. 274)
Alle accu's hebben een beperkte levensduur
en moeten uiteindelijk worden vervangen
(geldt niet voor Key Tag). De levensduur van
de accu hangt af van het feit hoe vaak de
auto/sleutel wordt gebruikt.
De batterij in de transpondersleutel zonder knoppen8 (Key Tag) kan niet worden vervangen - een
nieuwe sleutel is te bestellen bij een erkende
Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Lever een uitgediende Key Tag in bij een
erkende Volvo-werkplaats. De sleutel moet uit
de auto worden gewist, omdat die nog steeds
kan worden gebruikt om de auto te starten
met back-upstart.
U moet de batterij in de transpondersleutel vervangen in de volgende gevallen:
het informatiesymbool gaat branden en
de melding Batt. sleutel bijna leeg
Zie handleiding op het bestuurdersdisplay verschijnt
en/of
•
de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van
20 meter (65 voet) rond de auto bevindt.
N.B.
Ga altijd dichter bij de auto staan en probeer
dan opnieuw te ontgrendelen.
8
Deze sleutel wordt geleverd bij een auto uitgerust met de optie passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive Entry*).
}}
* Optie/accessoire. 255
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Sleutel openen en batterij vervangen
Houd de transpondersleutel met de voorzijde zichtbaar en het logo van Volvo naar de
juiste kant. Schuif de knop bij de sleutelring
aan de onderkant naar rechts. Schuif de
behuizing aan de voorkant een paar millimeter omhoog.
De behuizing komt los en is van de sleutel te nemen.
256
Keer de sleutel om, beweeg de knop
opzij en schuif de behuizing van de achterkant enkele millimeters omhoog.
De behuizing komt los en is van de sleutel te nemen.
Gebruik bijvoorbeeld een schroevendraaier
om het batterijklepje linksom te kunnen
draaien, zodat deze markering uitkomt bij de
tekst OPEN.
Verwijder voorzichtig het batterijklepje door
bijvoorbeeld uw nagel in de uitsparing te
drukken.
Werk het batterijklepje vervolgens naar
boven toe los.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
N.B.
Volvo adviseert u om batterijen voor de transpondersleutel te gebruiken die voldoen aan
UN Manual of Test and Criteria, Part III, subsection 38.3. Voor batterijen die in de fabriek
zijn geplaatst of in een erkende Volvo-werkplaats zijn vervangen is dit het geval.
De +-kant van de batterij wijst naar boven.
Wrik vervolgens de batterij voorzichtig los
zoals op de afbeelding.
BELANGRIJK
Raak nieuwe accu's en hun contactvlakken
niet met uw vingers aan, aangezien de werking hierdoor verslechtert.
Plaats een nieuwe batterij met de pluszijde
(+) omhoog. Vermijd de batterijcontacten van
de transpondersleutel met uw vingers aan te
raken.
Plaats de batterij met de kant omlaag in
de houder. Schuif de batterij daarna naar
voren, zodat deze vast komt te zitten onder
de twee kunststof pallen.
Druk de batterij vervolgens omlaag, zodat
deze vast komt te zitten onder de bovenste
zwarte kunststof pal.
Plaats het batterijklepje terug en draai de
markering rechtsom terug naar de tekst
CLOSE.
N.B.
Gebruik batterijen met de aanduiding
CR2032, 3 V.
}}
257
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Meer transpondersleutels
nabestellen
||
Plaats de behuizing aan de achterkant
terug en druk die omlaag totdat u een klik
hoort.
Keer de transpondersleutel om en plaats
de behuizing aan de voorkant terug door
deze omlaag te drukken totdat u een klik
hoort.
Schuif daarna de behuizing terug.
> Nog een klik geeft aan dat de behuizing
weer in positie vastzit.
Schuif daarna de behuizing terug.
> Nog een klik geeft aan dat de behuizing
in positie zit.
BELANGRIJK
Let erop dat lege batterijen op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt.
Gerelateerde informatie
•
een transpondersleutel (p. 249)
Bij de auto worden twee transpondersleutels
geleverd. Bij een auto met passieve vergrendeling/ontgrendeling* wordt een transpondersleutel zonder knoppen geleverd. Er zijn meer sleutels bij te stellen.
Voor dezelfde auto kunnen maximaal twaalf sleutels worden geprogrammeerd en gebruikt. Bij
nabestellen worden er meer bestuurdersprofielen
toegevoegd - één per nieuwe transpondersleutel.
Dit geldt ook voor de transpondersleutel zonder
knoppen.
Zoekgeraakte transpondersleutel
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u een
nieuwe bestellen bij een werkplaats - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Neem de resterende transpondersleutels mee
naar de werkplaats. Ter preventie van diefstal
moet de code van de zoekgeraakte sleutel uit het
systeem worden gewist.
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren via de bestuurdersprofielen op het hoofdscherm van het middendisplay: kies Instellingen Systeem
Bestuurdersprofielen.
Gerelateerde informatie
•
258
een transpondersleutel (p. 249)
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Red Key - transpondersleutel met
beperkte functionaliteit*
er moet minstens één transpondersleutel in standaarduitvoering aan de auto zijn gekoppeld.
Dankzij een Red Key kan de autobezitter beperkingen instellen voor bepaalde eigenschappen
van de auto. Dergelijke beperkingen moeten
ervoor zorgen dat de auto op veilige wijze wordt
bestuurd, zoals bij het uitlenen.
De beperkte functionaliteit dient uit voorzorg om
het risico van ongelukken te beperken, zodat u
zich minder zorgen hoeft te maken bij het afgeven van uw auto aan bijvoorbeeld jonge bestuurders en parkeer- of hotelbedienden. De bezitter
van een Red Key kan de instellingen die eraan
gekoppeld zijn niet wijzigen, want daarvoor is een
reguliere transpondersleutel vereist.
Gerelateerde informatie
•
•
Instellingen voor Red Key* (p. 259)
een transpondersleutel (p. 249)
Instellingen voor Red Key*
De bezitter van een reguliere transpondersleutel
kan de instellingen voor Red Key wijzigen. Sommige rijhulpsystemen zijn altijd actief.
1. Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op Systeem Bestuurdersprofielen
Rode sleutel.
> De volgende instellingen zijn mogelijk:
• Stel interval Adaptive Cruise
Control in
• Beperkt maximum volume
• Maximum snelheid
• Waarschuwing max. snelheid
Adaptieve cruisecontrol*:
• Instelling bij eerste gebruik: Grootste tijdsverschil
Voor een Red Key kunt u de maximale rijsnelheid
programmeren, snelheidswaarschuwingen instellen en beperkingen instellen voor het maximale
volume van het audiosysteem. Bovendien zijn
bepaalde rijhulpsystemen van de auto altijd actief.
De functies van deze sleutel zijn verder gelijk aan
die van een standaardtranspondersleutel.
Verlaagd maximumvolume (Aan/Uit):
• Instelling bij eerste gebruik: Aan
U kunt een of meer Red Keys bestellen bij een
Volvo-dealer. Er zijn in totaal elf transpondersleutels met beperkte functionaliteit te programmeren en te gebruiken voor één en dezelfde auto }}
* Optie/accessoire. 259
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Snelheidsbegrenzer (Aan/Uit):
• Instelinterval: 50-250 km/h (30-160 mph)
•
Bij het eerste gebruik geldt een standaardinstelling van 120 km/h (75 mph).
•
Stapgrootte: 1 km/h (1 mph)
Op het bestuurdersdisplay verschijnen
het symbool en de melding
Rode sleutel Overschrijden
snelheids- begrenzing niet
Gerelateerde informatie
•
Red Key - transpondersleutel met beperkte
functionaliteit* (p. 259)
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad, waarmee u een aantal functies kunt activeren en bepaalde handelingen
kunt uitvoeren.
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
mogelijk.
Snelheidswaarschuwing (Aan/Uit):
• Instelinterval: 0-250 km/h (0-160 mph)
•
Bij het eerste gebruik geldt een standaardinstelling van 50, 70 en 90 km/h (30, 45 en
55 mph).
•
•
Stapgrootte: 1 km/h (1 mph)
Maximumaantal gelijktijdige waarschuwingen:
6
Rijhulpsystemen
De volgende rijhulpsystemen zijn altijd actief voor
gebruikers met een Red Key:
•
•
•
•
•
•
260
Blind Spot Information (BLIS)*
Rijbaanassistent (LKA)*
Afstandswaarschuwing*
City Safety
Driver Alert Control (DAC)*
Verkeersbordinformatie*
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Toepassingsgebieden van het
sleutelblad
Sleutelblad verwijderen
U kunt het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel gebruiken om:
•
het linker voorportier9 handmatig te openen,
als de centrale vergrendeling niet te bedienen is vanaf de transpondersleutel.
•
alle portieren in noodgevallen te vergrendelen.
•
het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren en deactiveren.
De transpondersleutel zonder knoppen10 (Key
Tag) heeft geen afneembaar sleutelblad. Gebruik
zo nodig het afneembare sleutelblad van de standaardtranspondersleutel.
Houd de transpondersleutel met de voorzijde zichtbaar en het logo van Volvo naar de
juiste kant. Schuif de knop bij de sleutelring
aan de onderkant naar rechts. Schuif de
behuizing aan de voorkant een paar millimeter omhoog.
Verwijder het sleutelblad door het
omhoog te kantelen.
De behuizing komt los en is van de sleutel te nemen.
9 Dit geldt ongeacht of het stuur van de auto aan de linker- of de rechterzijde zit.
10 Wordt meegeleverd bij auto's met passieve vergrendeling/ontgrendeling (Passive
Entry*).
}}
* Optie/accessoire. 261
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Vergrendelen en ontgrendelen met
afneembaar sleutelblad
5.
Het afneembare sleutelblad is onder meer te
gebruiken om de auto van de buitenzijde te ontgrendelen - als bijvoorbeeld de batterij in de
transpondersleutel leeg is.
Het vergrendelen gaat op dezelfde manier. Daarbij wordt dan bij stap (3) 45 graden linksom
gedraaid in plaats van rechtsom.
Ontgrendelen
Zet het sleutelblad na gebruik op de daarvoor bestemde plaats terug in de transpondersleutel.
Plaats de behuizing terug door deze
omlaag te drukken totdat u een klik hoort.
Schuif daarna de behuizing terug.
> Nog een klik geeft aan dat de behuizing
in positie zit.
Gerelateerde informatie
Trek de voorste portiergreep links naar buiten11 totdat deze niet verder kan. De slotcilinder komt dan tevoorschijn.
•
Vergrendelen en ontgrendelen met afneembaar sleutelblad (p. 262)
Plaats de sleutel in de slotcilinder.
•
een transpondersleutel (p. 249)
Draai 45 graden rechtsom. Het sleutelblad
wijst dan recht omlaag.
Draai de sleutel 45 graden terug naar de
beginstand. Neem de sleutel uit de slotcilinder en laat de handgreep los, zodat de achterkant van de handgreep weer tegen de
auto aan veert.
11
262
Dit geldt zowel voor auto's met het stuur links als voor auto's met het stuur rechts.
Trek de handgreep naar buiten.
> Het portier wordt ontgrendeld.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Alarm uitschakelen*
N.B.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendelt en vervolgens opent, gaat het
alarm af.
tel: bij stroomuitval bijvoorbeeld of als de batterij
in de transpondersleutel leeg is.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
Het linker voorportier is te vergrendelen met de
bijbehorende slotcilinder en het afneembare
sleutelblad.
Het portier is niet vanaf de buitenzijde te
openen. Om het portier weer in stand A te
zetten moet het via de binnengreep worden
geopend.
De overige portieren hebben geen slotcilinders,
maar zijn voorzien van een vergrendeling op de
zijkant van het portier die moet worden ingedrukt
met het sleutelblad, waarna het portier mechanisch is vergrendeld en niet meer van de buitenzijde kan worden geopend.
De portieren zijn ook te ontgrendelen met de
ontgrendelingsknop op de transpondersleutel of
de knop voor centrale vergrendeling op het
bestuurdersportier.
N.B.
De portieren zijn echter nog steeds vanaf de binnenzijde te openen.
Positie back-uplezer in bekerhouder.
Schakel het alarm uit door:
1.
Plaats de transpondersleutel op het sleutelsymbool in de back-uplezer onder in de
bekerhouder van de tunnelconsole.
2.
Draai de startknop vervolgens rechtsom en
laat de knop weer los.
> De knop veert automatisch terug naar de
uitgangspositie - het alarmsignaal valt stil
en het alarm wordt uitgeschakeld.
Vergrendelen
U kunt de auto ook vergrendelen met het
afneembare sleutelblad van de transpondersleu-
•
De vergrendeling van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet alle portieren.
•
Een handmatig vergrendeld achterportier
waarvan ook het mechanische kinderslot
geactiveerd is, kan niet van de binnenzijde noch van de buitenzijde worden
geopend. Een achterportier dat op die
manier is vergrendeld, kan alleen worden
ontgrendeld met een transpondersleutel
of de knop van de centrale vergrendeling.
Gerelateerde informatie
Portier handmatig vergrendelen. Niet te verwarren met
het kinderslot.
–
Verwijder het afneembare sleutelblad uit de
transpondersleutel. Steek het sleutelblad in
de vergrendelopening en druk de sleutel er
helemaal in, ca. 12 mm.
•
•
•
•
Afneembaar sleutelblad (p. 260)
Alarm* activeren en deactiveren (p. 291)
Batterij in transpondersleutel vervangen
(p. 255)
een transpondersleutel (p. 249)
* Optie/accessoire. 263
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Elektronische startblokkering
De elektronische startblokkering is een anti-diefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de
auto kunnen starten.
De auto kan alleen worden gestart met de juiste
transpondersleutel.
De volgende foutmelding op het bestuurdersdisplay houdt verband met de op afstand bediende
startblokkering met opsporingssysteem:
Symbool
De volgende foutmelding op het bestuurdersdisplay houdt verband met de elektronische startblokkering:
Symbool
Melding
Betekenis
Sleutel
niet
gevonden
Fout bij het uitlezen
van de transpondersleutel tijdens het
starten - plaats de
sleutel op het sleutelsymbool in de
bekerhouder en probeer het opnieuw.
Zie handleiding
Melding
Betekenis
Immobilisatie op
afst.
De op afstand
bediende startblokkering met opsporingssysteem is
geactiveerd. De
auto is niet te starten. Neem contact
op met de Volvo On
Call-helpdesk.
Auto kan
niet worden
gestart
Gerelateerde informatie
•
•
een transpondersleutel (p. 249)
Meer transpondersleutels nabestellen
(p. 258)
Op afstand bediende startblokkering
met opsporingssysteem12
De auto is uitgerust met een systeem waarmee
het mogelijk is om de auto op te sporen en te
lokaliseren alsmede op afstand de startblokkering te activeren zodat de motor niet meer te
starten is. Neem contact op met de dichtstbijzijnde Volvo-dealer voor meer informatie over het
systeem en hulp bij de activering ervan.
12
264
Alleen bepaalde markten en uitsluitend in combinatie met Volvo On Call*.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Typegoedkeuring voor
transpondersleutels
De typegoedkeuring voor de transpondersleutels
van de auto staan in de volgende tabellen.
Passief starten (Passive Start) en
passieve vergrendeling/ontgrendeling
(Passive Entry*)
Voor meer informatie over de typegoedkeuring,
zie support.volvocars.com.
CEM-markering voor transpondersleutels. Zie de volgende tabellen voor aanvullende typegoedkeuringsnummers.
Land/regio
Typegoedkeuring
Europa
Delphi Deutschland GmbH, 42367 Wuppertal, verklaart bij dezen dat de
VO3-134TRX in overeenstemming is met de essentiële eisen en overige
toepasselijke bepalingen van de Richtlijn 2014/53/EU (RED).
De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring is te vinden op
support.volvocars.com.
Jordanië
TRC/LPD/2014/250
Servië
P1614120100
Argentinië
CNC ID: C-14771
}}
* Optie/accessoire. 265
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Land/regio
Typegoedkeuring
Brazilië
MT-3245/2015
Indonesië
Nomor: 38301/SDPPI/2015
Maleisië
RAAT/37A/0315/S(15-0663)
Mexico
IFETEL: RLVDEVO15-0396
Rusland
Verenigde Arabische
Emiraten
266
ER37847/15
DA0062437/11
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Namibië
TA-2016-02
Zuid-Afrika
TA-2014-1868
een transpondersleutel
Land/regio
Typegoedkeuring
Europa
Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG verklaart bij dezen dat de radioapparatuur van
het type HUF8423 in overeenstemming is met de Richtlijn 2014/53/EU.
De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring is te vinden op
support.volvocars.com.
Frequentieband: 433,92 MHz
Uitgezonden maximaal radiofrequent vermogen: 10 mW
Producent: Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG, Steeger Str. 17, 42551 Velbert,
Duitsland
Jordanië
TRC/LPD/2015/104
}}
267
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Land/regio
Typegoedkeuring
Marokko
AGREE PAR L'ANRT MAROC
Numéro d’agrément: MR 10668 ANRT 2015
Date d’agrément: 24/07/2015
Mexico
IFETEL
Marca: HUF
Modelo (s): HUF8423
NOM-121-SCT1-2009
La operación de este equipo está sujeta a las siguientes dos condiciones: (1) es
posible que este equipo o dispositivo no cause interferencia perjudicial y (2) este
equipo o dispositivo debe aceptar cualquier interferencia, incluyendo la que pueda
causar su operación no deseada.
Namibië
268
TA-2015-102
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Oman
Servië
}}
269
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Land/regio
Typegoedkeuring
Zuid-Afrika
TA-2015-432
Verenigde Arabische Emiraten
Key Tag
Land/regio
Typegoedkeuring
Europa
Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG verklaart bij dezen dat de radioapparatuur van
het type HUF8432 in overeenstemming is met de Richtlijn 2014/53/EU.
De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring is te vinden op
support.volvocars.com.
Frequentieband: 433,92 MHz
Uitgezonden maximaal radiofrequent vermogen: 10 mW
Producent: Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG, Steeger Str. 17, 42551 Velbert,
Duitsland
Jordanië
270
TRC/LPD/2015/107
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Marokko
AGREE PAR L'ANRT MAROC
Numéro d’agrément: MR 10667 ANRT 2015
Date d’agrément: 24/07/2015
Mexico
IFETEL
Marca: HUF
Modelo (s): HUF8432
NOM-121-SCT1-2009
La operación de este equipo está sujeta a las siguientes dos condiciones: (1) es
posible que este equipo o dispositivo no cause interferencia perjudicial y (2) este
equipo o dispositivo debe aceptar cualquier interferencia, incluyendo la que pueda
causar su operación no deseada.
Namibië
TA-2015-103
}}
271
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Land/regio
Oman
Servië
272
Typegoedkeuring
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Land/regio
Typegoedkeuring
Zuid-Afrika
TA-2015-414
Verenigde Arabische Emiraten
Gerelateerde informatie
•
een transpondersleutel (p. 249)
273
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Keyless vergrendeling/
ontgrendeling en aanraakgevoelige
gebieden*
Als de auto is voorzien van Keyless vergrendeling en ontgrendeling is het voldoende om de
transpondersleutel in bijv. een zak of tas bij u te
dragen. Daardoor kunt u de auto gemakkelijker
openen als u uw handen vol hebt.
N.B.
Het is belangrijk dat u slechts één aanraakgevoelig vlak tegelijk aanraakt. Als u de handgreep beetpakt terwijl u het slotoppervlak
aanraakt, bestaat het risico van dubbele commando's. Dat betekent dat de verlangde activiteit (vergrendelen/ontgrendelen) niet of met
vertraging zal plaatsvinden.
Gerelateerde informatie
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 275)
•
Achterklep passief ontgrendelen* (p. 276)
Aanraakgevoelige gebieden
Portiergrepen
Aan de buitenkant van de portiergrepen zit een
verdieping voor vergrendeling en aan de binnenkant een aanraakgevoelig gebied voor ontgrendeling.
Aanraakgevoelige holte voor vergrendeling
Aanraakgevoelig gebied voor ontgrendeling
274
Achterklep
De handgreep van de achterklep heeft een met
rubber bekleed drukplaatje, dat alleen voor ontgrendeling dient.
N.B.
Let erop dat het systeem kan worden geactiveerd bij het wassen van de auto als de transpondersleutel binnen bereik is.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Passief vergrendelen en
ontgrendelen*
tegen geopend zijn bij vergrendeling met de portiergrepen.
Vergrendeling en ontgrendeling van buiten de
auto vindt plaats met de handgreep van de portieren of de achterklep als de auto is voorzien
van passieve vergrendeling/ontgrendeling
(Passive Entry)*.
–
Het met rubber beklede drukplaatje op de achterklep
wordt alleen gebruikt voor ontgrendeling.
N.B.
Vergrendeling en ontgrendeling zijn alleen
mogelijk wanneer een van de transpondersleutels van de auto zich binnen bereik bevindt.
Aanraakgevoelige holte voor vergrendeling
Aanraakgevoelig gebied voor ontgrendeling
N.B.
Let erop dat het systeem kan worden geactiveerd bij het wassen van de auto als de transpondersleutel binnen bereik is.
Passief vergrendelen
Alle portieren moeten dichtstaan om de auto te
kunnen vergrendelen. De achterklep mag daaren13
14
Geldt bij elektrische achterklepbediening*.
Als een transpondersleutel binnen in de auto wordt gedetecteerd, zal de achterklep bij het sluiten niet worden vergrendeld.
Raak na het sluiten van het portier het
gemarkeerde gebied aan de achter- en buitenkant van een de portiergrepen aan of druk
voor vergrendeling13 de knop aan de onderzijde van de achterklep in voordat u deze
sluit.
> De slotindicator aan de binnenkant van de
voorruit bevestigt door te gaan knipperen
dat de vergrendeling heeft plaatsgevonden.
Om alle zijruiten en het panoramadak* tegelijkertijd te sluiten moet u uw vinger in de aanraakgevoelige holte aan de buitenkant van de portiergreep houden totdat de zijruiten en het panoramadak dichtstaan.
Vergrendelen wanneer de achterklep
openstaat
N.B.
Als de achterklep na vergrendeling van de
auto nog steeds ontgrendeld staat, controleer
dan of u de transpondersleutel soms in de
bagageruimte bent vergeten toen u de achterklep sloot en de auto vergrendelde14.
}}
* Optie/accessoire. 275
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Passief ontgrendelen
–
Pak een portiergreep beet of druk voor ontgrendeling op het met rubber beklede drukplaatje aan de onderzijde van de greep van
de achterklep.
> De slotindicator aan de binnenkant van de
voorruit bevestigt door uit te gaan dat de
auto is ontgrendeld. Open portieren of
achterklep op de normale wijze.
Automatische hervergrendeling
Instellingen voor passieve
ontgrendeling*
U kunt verschillende procedures voor passieve
ontgrendeling kiezen.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car Vergrendeling
Sleutelloos ontgrendelen
3.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na ontgrendeling van de
buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden deze automatisch weer vergrendeld. Deze
functie beperkt de kans dat u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten staan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Instellingen voor passieve ontgrendeling*
(p. 276)
Achterklep passief ontgrendelen* (p. 276)
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige gebieden* (p. 274)
Achterklep passief ontgrendelen*
Om de achterklep passief te ontgrendelen is het
voldoende om de transpondersleutel bijv. in een
zak of een tas bij u te dragen.
De achterklep wordt dichtgehouden door een
elektrische vergrendeling.
Kies een alternatief:
• Alle portieren
- ontgrendelt alle portieren tegelijkertijd.
• Een portier
- ontgrendelt het gekozen portier.
Gerelateerde informatie
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 275)
•
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige gebieden* (p. 274)
Om de klep te openen:
1.
Druk lichtjes op het met rubber beklede
drukplaatje onder op de handgreep van de
achterklep.
> De vergrendeling wordt ontkoppeld.
N.B.
Ontgrendeling is alleen mogelijk wanneer een
van de transpondersleutels van de auto zich
binnen bereik achter de auto bevindt.
276
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
2.
Til de buitenste handgreep helemaal omhoog
om de klep te openen.
BELANGRIJK
•
De achterklep is met heel weinig kracht te
ontgrendelen – druk gewoon lichtjes op
het met rubber beklede plaatje.
•
Breng geen druk aan op het met rubber
beklede plaatje bij het openen van de achterklep – maar til de handgreep op. Bij te
veel druk kan de elektrische schakelaar in
het met rubber beklede plaatje beschadigd
raken.
•
Achterklep openen en sluiten met een
schopbeweging* (p. 286)
Locatie antennes voor start- en
vergrendelingssysteem
De auto heeft een passief start- en vergrendelingssysteem15 en is daarom voorzien van enkele
antennes die op verschillende locaties zijn ingebouwd in de auto.
De achterklep is ook handsfree te ontgrendelen
met een schopbeweging onder de achterbumper,
zie het desbetreffende gedeelte.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Via
de bagageruimte kunnen er giftige uitlaatgassen in de auto worden gezogen.
Gerelateerde informatie
•
Passief vergrendelen en ontgrendelen*
(p. 275)
•
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige gebieden* (p. 274)
•
Bereik transpondersleutel (p. 254)
Antennelocaties.
Onder de bekerhouder voor in de tunnelconsole
Voor aan de bovenkant van het linker achterportier16
Voor aan de bovenkant van het rechter achterportier16
In het midden van de rugleuning van de achterbank16
}}
* Optie/accessoire. 277
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
WAARSCHUWING
Personen met een pacemaker mogen niet
dichter dan 22 cm (9 inch) bij de antennes
van het Keyless-systeem komen. Hierdoor
voorkomt u storingen tussen de pacemaker
en het Keyless-systeem.
Gerelateerde informatie
•
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige gebieden* (p. 274)
•
Bereik transpondersleutel (p. 254)
Vergrendelen en ontgrendelen van
de binnenzijde van de auto
Ontgrendelen met de knop op het
voorportier
De portieren en de achterklep zijn te vergrendelen en ontgrendelen met de knop voor centrale
vergrendeling op de voorportieren. Met de vergrendelingsknoppen* op de achterportieren kunt
u het desbetreffende achterportier vergrendelen.
–
Druk op de knop
om alle portieren en
achterklep te ontgrendelen.
Bij lang indrukken van knop
worden alle
zijruiten tegelijkertijd geopend17.
Centrale vergrendeling
Knop voor vergrendeling en ontgrendeling op voorportier
met controlelampje.
15
16
17
278
Het passieve vergrendelingssysteem heeft alleen betrekking op auto's met passieve vergrendeling en ontgrendeling (Passive Entry*).
Alleen bij auto's met passieve vergrendeling en ontgrendeling (Passive Entry*).
De doorluchtfunctie is onder te meer te gebruiken om de auto bij warm weer snel te luchten.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Alternatieve ontgrendelingsmethode
Vergrendelen met de knop op het
voorportier
–
Druk op de knop
- beide voorportieren
moeten dichtstaan.
> Alle portieren en de achterklep zijn vergrendeld.
Achterportier ontgrendelen
–
Trek aan de openingsgreep.
> Het achterportier wordt ontgrendeld en
geopend.
Gerelateerde informatie
•
Bij lang indrukken van knop
sluiten alle zijruiten en het panoramadak* tegelijkertijd.
Instellingen voor ontgrendeling op afstand en
van de binnenzijde (p. 253)
•
Vergrendelen met de knop op het
achterportier*
Achterklep ontgrendelen vanaf de binnenzijde (p. 280)
•
Kinderslot activeren en deactiveren (p. 280)
Openingsgreep voor alternatieve ontgrendeling op zijportier.
–
Trek een van de openingsgrepen van de zijportieren naar buiten en laat los.
> Afhankelijk van de instellingen voor de
transpondersleutel zullen ofwel alle portieren ontgrendeld ofwel alleen het aangegeven portier ontgrendeld en geopend
worden.
Druk om deze instelling aan te passen op
Instellingen My Car
Vergrendeling Op afstand en van
binnenuit ontgrendelen in het hoofdscherm van het middendisplay.
Knop voor vergrendelen in achterportier met led.
Met de vergrendelingsknop op de beide achterportieren is alleen het desbetreffende achterportier te vergrendelen.
* Optie/accessoire. 279
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Achterklep ontgrendelen vanaf de
binnenzijde
De achterklep is van de binnenzijde te ontgrendelen met een knop het instrumentenpaneel.
1.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 278)
•
Elektrisch bedienbare achterklep* openen en
sluiten (p. 282)
Kinderslot activeren en deactiveren
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde kunnen openen. Er
is een elektrisch* en een handmatig slot.
Elektrisch kinderslot* activeren en
deactiveren
Het elektrische kinderslot is in alle contactslotstanden anders dan 0 te activeren en deactiveren
en dat binnen 2 minuten na het afzetten van de
motor, op voorwaarde dat er geen portier wordt
geopend.
Druk kort op knop
op het dashboard.
> De klep is van de buitenzijde te ontgrendelen en te openen door het met rubber
beklede drukplaatje vast te pakken.
Met de optie elektrische achterklepbediening* 2.
280
Druk lang op de knop
op het dashboard.
> De klep wordt geopend.
Knop voor elektrische activering en inactivering.
1.
Start de motor of kies een contactslotstand
anders dan 0.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
2.
Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het bestuurdersdisplay staat de melding Kinderslot achter Geactiveerd en
het lampje in de knop brandt - het slot is
geactiveerd.
Symbool
Wanneer het elektrische kinderslot actief is, zijn
de achterste:
•
zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel
op het bestuurdersportier te bedienen
•
portieren niet van de binnenkant te openen.
Melding
Betekenis
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Kinderslot achter Geactiveerd
Het kinderslot
is geactiveerd.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
Kinderslot achter Gedeactiveerd
Het kinderslot
is gedeactiveerd.
N.B.
Handmatig kinderslot activeren en
deactiveren
Om het slot uit te zetten:
–
Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het bestuurdersdisplay staat de melding Kinderslot achter Gedeactiveerd
en het lampje in de knop dooft - het slot
is geïnactiveerd.
Bij het afzetten van de motor wordt de actuele
instelling vastgelegd - als het kinderslot geactiveerd was tijdens het afzetten van de motor, dan
is de functie de volgende keer dat u de motor
start eveneens actief.
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
•
Op auto’s met een elektrisch kinderslot
zit geen handmatig kinderslot.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 278)
•
Afneembaar sleutelblad (p. 260)
Mechanisch kinderslot. Niet te verwarren met de mechanische portiervergrendeling.
–
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de cilinder te verdraaien.
281
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Automatische vergrendeling bij het
wegrijden
Elektrisch bedienbare achterklep*
openen en sluiten
Bij het wegrijden worden de portieren en de
achterklep automatisch vergrendeld.
Om deze instelling te wijzigen:
De achterklep van de auto is elektrisch te openen en sluiten.
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Selecteer Aut. portiervergrendeling
tijdens rijden om de functie te deactiveren
of activeren.
Vergrendeling.
–
Druk knop
op het dashboard langdurig
in. Houd de knop ingedrukt totdat de achterklep een stukje openveert.
–
Druk lichtjes op handgreep van de achterklep.
Elektrisch bedienbare achterklep
openen
Open de achterklep op een van de volgende
manieren:
–
Druk knop
op de transpondersleutel
langdurig in. Houd de knop ingedrukt totdat
de achterklep een stukje openveert.
Gerelateerde informatie
•
282
Vergrendelen en ontgrendelen van de binnenzijde van de auto (p. 278)
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
–
Schopbeweging* onder de achterbumper.
–
Elektrisch bedienbare achterklep
sluiten
Druk op de knop
aan de onderzijde van
de achterklep om deze te sluiten.
–
Druk lang op de knop
op het dashboard.
> De achterklep sluit automatisch en er
klinkt een signaal - de klep wordt niet vergrendeld.
–
Schopbeweging* onder de achterbumper.
> De achterklep sluit automatisch en er
klinkt een signaal - de klep wordt niet vergrendeld.
> De achterklep sluit automatisch - de klep
wordt niet vergrendeld.
Sluit18 de achterklep op een van de volgende
manieren:
N.B.
De knop is 24 uur actief nadat de klep is
opengelaten. Daarna moet u de klep handmatig sluiten.
–
18
Druk lang op de knop
op de transpondersleutel.
> De achterklep sluit automatisch en er
klinkt een signaal - de klep wordt niet vergrendeld.
Een auto die is uitgerust met passieve vergrendeling en ontgrendeling (Passive Entry*) heeft een knop voor sluiten plus een knop voor sluiten en vergrendelen.
}}
* Optie/accessoire. 283
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Elektrisch bedienbare achterklep
sluiten en vergrendelen18
–
Druk op de knop
aan de onderzijde van
de achterklep om de klep te sluiten en tegelijkertijd zowel portieren als klep te vergrendelen (voor vergrendelen moeten alle portieren dichtstaan).
> De achterklep sluit automatisch - de klep
en de portieren vergrendelen automatisch
en het alarm* wordt ingeschakeld.
N.B.
•
•
Vergrendeling en ontgrendeling zijn alleen
mogelijk wanneer een van de transpondersleutels van de auto zich binnen bereik
bevindt.
Bij passief* vergrendelen of sluiten klinken
er drie signalen, als de sleutel niet dicht
genoeg bij de achterklep wordt waargenomen.
BELANGRIJK
Bij handmatige bediening van de achterklep
is het zaak de klep langzaam te openen of
sluiten. Duw de achterklep niet met kracht
open of dicht, als de achterklep weerstand
biedt. De achterklep kan beschadigd worden
en defect raken.
Openen of sluiten onderbreken
Onderbreek de opening of sluiting op een van de
volgende manieren:
•
•
•
Druk op de knop op het dashboard.
•
Druk op het met rubber beklede drukplaatje
onder de buitenhandgreep.
•
Met een schopbeweging*.
Druk op de knop op de transpondersleutel.
Druk op de sluitingsknop aan de onderzijde
van de achterklep.
•
Bij openen – de beweging wordt onderbroken, de achterklepbeweging stopt en er
klinkt een lang signaal.
•
Bij sluiten – de beweging wordt onderbroken,
de achterklepbeweging stopt, er klinkt een
lang signaal en de achterklep keert terug
naar de geprogrammeerde maximale openingshoek.
WAARSCHUWING
Let op het gevaar voor beknelling tijdens het
openen/sluiten. Controleer alvorens de achterklep te openen/sluiten of er niemand in de
buurt van de achterklep staat, omdat ernstig
beknellingsletsel anders niet uitgesloten kan
worden.
Let altijd op bij bediening van de achterklep.
De klepbeweging wordt onderbroken en de klep
komt tot stilstand. De klep is daarna handmatig te
bedienen.
Inklembeveiliging
Als de achterklep tijdens het openen of sluiten in
zekere mate wordt gehinderd door een obstakel
treedt de inklembeveiliging in werking.
18
284
Een auto die is uitgerust met passieve vergrendeling en ontgrendeling (Passive Entry*) heeft een knop voor sluiten plus een knop voor sluiten en vergrendelen.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Voorgespannen veren
Maximale openingshoek voor
elektrische achterklepbediening*
programmeren
N.B.
•
Stem de openingshoek van de achterklep af op
de dakhoogte.
De maximale openingshoek instellen:
1.
Achterklep openen; stopzetten in de gewenste openingspositie.
N.B.
Open de voorgespannen veren van de elektrische achterklepbediening niet. De veren zijn
sterk voorgespannen en kunnen bij opening
letsel toebrengen.
Gerelateerde informatie
•
Elektrisch bedienbare achterklep* openen en
sluiten (p. 282)
Het is niet mogelijk een openingsstand te
programmeren waarbij de achterklep voor
minder dan de helft geopend is.
De voorgespannen veren voor de elektrische achterklepbediening.
WAARSCHUWING
Om oververhitting tegen te gaan wordt
het systeem na langdurig en continu
gebruik automatisch even uitgeschakeld.
Ca. 2 minuten later is het opnieuw klaar
voor gebruik.
2.
Druk de knop
aan de onderzijde van de
achterklep ten minste 3 seconden in.
> Er klinken twee korte signalen en de desbetreffende stand is daarmee opgeslagen.
Resetten van de maximale openingshoek:
Gerelateerde informatie
•
Maximale openingshoek voor elektrische
achterklepbediening* programmeren
(p. 285)
•
Achterklep openen en sluiten met een
schopbeweging* (p. 286)
•
Bereik transpondersleutel (p. 254)
–
Beweeg de klep handmatig naar de hoogst
mogelijke stand. Druk de knop
op de
achterklep ten minste 3 seconden in.
> Er klinken twee signalen en de opgeslagen stand is daarmee gewist. De klep
opent voortaan tot in de maximale stand.
* Optie/accessoire. 285
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Achterklep openen en sluiten met
een schopbeweging*
Openen en sluiten met een
schopbeweging
Om de bediening van de achterklep te vereenvoudigen kunt u, als u uw handen vol hebt, de
achterklep ook openen en sluiten met een
gerichte voorwaartse schopbeweging onder de
achterbumper.
Bij een auto met passieve vergrendeling en ontgrendeling* is de achterklep te ontgrendelen met
een schopbeweging.
De functie voor het openen en sluiten van de
achterklep is alleen beschikbaar in combinatie
met elektrische achterklepbediening*.
N.B.
De handsfree achterklep is verkrijgbaar in
twee uitvoeringen:
•
een uitvoering die te openen en sluiten is
met een gerichte schopbeweging
•
een uitvoering die alleen te ontgrendelen
is met een gerichte schopbeweging (achterklep moet handmatig worden
geopend)
De sensor zit even links van het midden van de achterbumper19.
Openen en sluiten zijn alleen mogelijk wanneer
een van de transpondersleutels van de auto zich
binnen bereik achter de auto bevindt (zo'n 1
meter (3 inch)). Dit geldt ook bij een ontgrendelde auto om onbedoelde voetbediening zoals
bij een wasbeurt van de auto te voorkomen.
Let erop dat voor handsfree openen en sluiten de elektrische achterklepbediening* vereist is.
Schopbeweging binnen het geldige activeringsgebied
van de sensor.
–
Maak een langzame, naar voren gerichte
schopbeweging onder het linker gedeelte
van de achterbumper. Doe daarna een stap
terug. U mag de bumper daarbij niet aanraken.
> Bij activering van de openings- of sluitingsfunctie klinkt een kort geluidssignaal
- de achterklep wordt geopend/gesloten.
Als de achterklep openstaat, vindt er bij
activering via een schopbeweging altijd
sluiting20 plaats.
Als de sensor meerdere schopbewegingen waarneemt zonder dat er een goedgekeurde trans19
20
286
Als de auto is uitgerust met een skid plate* zit de sensor dichter bij de linkerhoek van de achterbumper.
Geldt voor een auto met elektrische achterklepbediening*.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
pondersleutel achter de auto wordt waargenomen, is de achterklep pas na enige vertraging te
openen.
Houd uw voet tijdens de schopbeweging niet
onder de auto, aangezien de activering hierdoor
kan mislukken.
Auto met het accessoire skid plate*
Als de auto is uitgerust met een skid plate zit de
sensor dichter bij de linkerhoek van de achterbumper.
Openings- of sluitingsfunctie met
schopbeweging onderbroken
– Maak tijdens het openen of sluiten van de
achterklep een langzame voorwaartse
schopbeweging om de beweging van de
achterklep te onderbreken.
Schopbeweging binnen het geldige activeringsgebied
van de sensor.
Om het openen of sluiten te onderbreken hoeft
de transpondersleutel niet in de buurt van de
auto te zijn.
N.B.
Als de achterbumper bedekt is met een dikke
laag ijs, sneeuw, vuil en dergelijke, werkt het
systeem mogelijk niet of slechts in beperkte
mate. Zorg daarom dat u het gebied schoonhoudt.
Gerelateerde informatie
Om de openings- of sluitingsfunctie met een
schopbeweging te activeren bij een auto met
skid plate dient u de schopbeweging vanaf de zijkant van de auto uit te voeren. Openen en sluiten
zijn alleen mogelijk wanneer een van de transpondersleutels van de auto zich binnen bereik
bevindt (zo'n 1 meter (3 inch)).
•
Keyless vergrendeling/ontgrendeling en aanraakgevoelige gebieden* (p. 274)
•
Elektrisch bedienbare achterklep* openen en
sluiten (p. 282)
•
Bereik transpondersleutel (p. 254)
N.B.
Bedenk dat het systeem kan worden geactiveerd tijdens het wassen van de auto en dergelijke als de transpondersleutel zich binnen
bereik bevindt.
* Optie/accessoire. 287
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Privacy locking
Het dashboardkastje en de achterklep zijn te
vergrendelen via de zogenoemde Privacy locking
die voorkomt dat de genoemde onderdelen kunnen worden geopend, bijvoorbeeld als u de auto
afgeeft voor service, bij een hotel en dergelijke.
De functieknop voor Privacy
locking staat op het functiescherm van het middendisplay.
Afhankelijk van de status van
de functie verschijnt Private
Locking ontgrendeld of
Private Locking vergrendeld.
Gerelateerde informatie
•
Privacy locking activeren en deactiveren
(p. 288)
Privacy locking activeren en
deactiveren
Om een hoofdcode in te stellen:
1.
Privacy locking is te activeren met de functieknop op het middendisplay en de gekozen pincode.
Tik op de knop Privacy locking in het functiescherm.
N.B.
Om de functie Privacy locking te kunnen activeren, moet de auto minimaal in contactslotstand I staan.
Hoofdcode invoeren bij het eerste
gebruik
Bij het eerste gebruik van de Privacy locking
moet u een hoofdcode kiezen. De code is vervolgens te gebruiken om de Privacy locking te deactiveren, als u de ingestelde pincode niet meer
weet. De hoofdcode is te beschouwen als een
pukcode voor alle pincodes die zijn ingesteld voor
de Privacy locking.
Bewaar de hoofdcode goed.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
2.
Geef de gewenste hoofdcode aan.
> De hoofdcode is opgeslagen. De functie
Privacy locking is daarmee klaar voor activering.
Na het resetten van het systeem moet u de
bovenstaande procedure herhalen.
Privacy locking activeren
1.
Tik op de knop Privacy locking in het functiescherm.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
288
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
2.
Voer de code in die na vergrendeling moet
worden gebruikt om het dashboardkastje en
de achterklep te ontgrendelen en druk op
Bevestig.
> Het dashboardkastje en de achterklep
worden vergrendeld. De vergrendeling
wordt bevestigd met een groene indicatie
bij de knop in het functiescherm.
N.B.
Als u de pincode kwijt bent of tijdelijk niet
meer weet of als u meer dan driemaal achtereen de verkeerde pincode hebt ingevoerd,
kunt u de beveiligingscode gebruiken voor
deactivering van de Privacy locking.
N.B.
Privacy locking deactiveren
1.
Als Privacy locking is geactiveerd en de auto
wordt ontgrendeld via Volvo On Call* of de
Volvo On Call*-app, wordt de Privacy locking
automatisch gedeactiveerd.
Tik op de knop Privacy locking in het functiescherm.
Gerelateerde informatie
•
> Er verschijnt een pop-upvenster.
2.
21
Geef de ingestelde ontgrendelingscode aan
en druk op Bevestig.
> Het dashboardkastje en de achterklep
worden ontgrendeld. De ontgrendeling
wordt bevestigd doordat de groene indicatie bij de knop in het functiescherm
dooft.
Geldt voor bepaalde markten.
Privacy locking (p. 288)
Alarm*
Het alarm waarschuwt met akoestische en visuele signalen als iemand zonder een geldige
transpondersleutel inbreekt in de auto of de startaccu of de alarmsirene manipuleert.
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
•
een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend21
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder*
aanwezig is)
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto's met een hellingssensor*)
•
een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
•
de sirene wordt losgekoppeld.
Alarmsignalen
Wanneer het alarm afgaat, gebeurt het volgende:
•
Er klinkt een sirene, totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
30 seconden automatisch uit.
•
Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u het
alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan ze na
vijf minuten automatisch uit.
}}
* Optie/accessoire. 289
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Als de oorzaak van het getriggerde alarm niet
wordt weggenomen, wordt de alarmcyclus tot
maximaal 10 keer22 herhaald.
Alarmindicatie
Bewegingsmelder en hellingssensor*
Bij een storing in het alarmsysteem
De bewegingsmelder en hellingssensor reageren
op bewegingen in de auto, als iemand een ruit
intikt of als iemand de wielen van de auto probeert te stelen of de auto probeert weg te slepen.
Als er een storing in het alarmsysteem
is opgetreden, verschijnen het symbool
en de melding Storing
alarmsysteem Service vereist op
het bestuurdersdisplay. Neem dan contact op
met een werkplaats - geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
De bewegingsmelder laat het alarm afgaan bij
bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het
alarm kan dan ook afgaan, als u de auto met een
ruit of panoramadak* open laat staan of als u de
interieurverwarming gebruikt.
N.B.
Probeer niet zelf de onderdelen van het
alarmsysteem te repareren of te wijzigen. Dergelijke pogingen kunnen van invloed zijn op
de verzekeringsvoorwaarden.
Om dat te voorkomen:
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
•
•
De led is uit - het alarm is uitgeschakeld.
•
De led knippert maximaal 30 seconden lang
snel vanaf het moment van uitschakelen van
het alarm tot aan het moment dat contactslotstand I wordt ingeschakeld doordat u de
startknop rechtsom draait en weer loslaat –
het alarm is afgegaan.
22
290
De led licht om de twee seconden eenmaal
op - het alarm is ingeschakeld.
•
Sluit bij het verlaten van de auto de ruiten en
het panoramadak.
•
Bij gebruik van de interieurverwarming of
standverwarming dient u de blaasmonden
dusdanig af te stellen dat deze niet omhoogwijzen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Alarm* activeren en deactiveren (p. 291)
Verlaagde guard* (p. 292)
Safelock-functie* (p. 293)
U kunt ook een gereduceerd alarmniveau (Verlaagde guard) instellen om de bewegingsmelder
en hellingssensor tijdelijk uit te schakelen.
Schakel de bewegingsmelder en hellingssensor
uit bij het gebruik van een veerverbinding of autotrein, omdat het alarm kan afgaan door de bewegingen van de auto.
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Alarm* activeren en deactiveren
1.
Bij vergrendeling van de auto wordt het alarmsysteem geactiveerd.
Open het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad.
> Het alarm gaat af.
Alarm activeren
Vergrendel de auto en activeer het alarmsysteem
van de auto door:
•
op de vergrendelingsknop op de transpondersleutel te drukken
•
het gemarkeerde gebied op de buitenportiergrepen of de met rubber beklede drukplaat23
op de achterklep aan te raken.
Bij een auto met passieve vergrendeling/
ontgrendeling* en elektrische achterklepbediening* kunt u ook gebruikmaken van de knop
aan de onderzijde van de achterklep om de auto
te vergrendelen en het alarmsysteem in te schakelen.
Het rode ledje op het instrumentenpaneel knippert eenmaal per twee seconden wanneer de auto vergrendeld
en het alarmsysteem geactiveerd is.
2.
Plaats de transpondersleutel op het sleutelsymbool in de back-uplezer, die in de bekerhouder van de tunnelconsole zit.
3.
Draai de startknop rechtsom en laat de knop
los.
> Het alarm wordt uitgeschakeld.
Alarm deactiveren
Ontgrendel de auto en deactiveer het alarmsysteem van de auto door:
•
op de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te drukken
•
een van de portiergrepen beet te pakken of
op het met rubber beklede drukplaatje23 op
de achterklep te drukken.
Alarm deactiveren zonder een werkende
transpondersleutel
Ook als de transpondersleutel niet werkt, bijvoorbeeld als de batterij leeg is, kan de auto worden
ontgrendeld en kan het alarmsysteem worden
gedeactiveerd.
23
Positie back-uplezer in bekerhouder.
Geldt alleen voor een auto met passieve vergrendeling en ontgrendeling* (Passive Entry).
Geactiveerd alarm uitschakelen
–
Druk op de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel of zet de auto in contactslotstand I door de startknop rechtsom te
draaien en weer los te laten.
}}
* Optie/accessoire. 291
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Gerelateerde informatie
N.B.
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd
bij vergrendeling van de auto.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
Automatische activering en
heractivering van het alarm
•
Alarm* (p. 289)
Verlaagde guard*
Een verlaagde guard houdt in dat de bewegingsmelder en hellingssensor tijdelijk worden
uitgeschakeld.
Schakel de bewegingsmelder en hellingssensor
uit om onbedoelde activering van het alarm tegen
te gaan – als u bijvoorbeeld een hond in een vergrendelde auto achterlaat of een autotrein of
veerverbinding gebruikt.
De automatische heractivering van het alarm
voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarmsysteem uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm gedeactiveerd) is, wordt het alarm automatisch opnieuw
ingeschakeld. De auto wordt bovendien opnieuw
vergrendeld.
Op bepaalde markten vindt automatische activering van het alarm plaats, als u na het openen en
sluiten van het bestuurdersportier vergeet te vergrendelen.
Om deze instelling te wijzigen:
292
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Passief alarm uitschakelen om de
functie tijdelijk te deactiveren.
Tik op de knop Minder
bescherming op het functiescherm van het middendisplay
om de bewegingsmelder en
hellingssensor de volgende
keer dat u de auto vergrendelt
uit te schakelen.
Tegelijkertijd wordt de Safelock-functie gedeactiveerd, zodat ontgrendeling van de binnenzijde
mogelijk is.
Als u de auto ontgrendelt en weer vergrendelt,
moet u de Verlaagde guard opnieuw activeren.
Gerelateerde informatie
•
•
Alarm* (p. 289)
Safelock-functie* (p. 293)
Vergrendeling.
* Optie/accessoire.
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
Safelock-functie*
Bij activering van de Safelock-functie worden
alle openingsgrepen mechanisch losgekoppeld,
wat het openen van de portieren van de binnenzijde onmogelijk maakt.
De Safelock-functie wordt geactiveerd via de
transpondersleutel en bij passieve vergrendeling
(Passive Entry)*. De Safelock-functie wordt met
zo'n 10 seconden vertraging actief na vergrendeling van de portieren.
Als er binnen deze vertragingsperiode een van de
portieren wordt geopend, wordt de functie geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
N.B.
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd
bij vergrendeling van de auto.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
De auto is alleen te ontgrendelen via de transpondersleutel, passieve ontgrendeling of met de
Volvo On Call*-app , wanneer de Safelock-functie
geactiveerd is.
Het linker voorportier is ook te ontgrendelen met
het afneembare sleutelblad. Bij ontgrendeling van
de auto met het afneembare sleutelblad gaat het
alarm af.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren om te
voorkomen dat u iemand opsluit.
Gerelateerde informatie
•
Safelock-functie* tijdelijk deactiveren
(p. 293)
•
Alarm* (p. 289)
Safelock-functie* tijdelijk
deactiveren
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, dient u de Safelock-functie te deactiveren.
De auto is dan vanaf de binnenzijde te ontgrendelen.
Druk op de knop Minder
bescherming op het functiescherm van het middendisplay
om de Safelock-functie tijdelijk
uit te schakelen.
Dit betekent ook dat de bewegingsmelders en
hellingssensoren* van het alarm worden uitgeschakeld.
Op het middendisplay verschijnt vervolgens
Minder bescherming, waarna bij de volgende
vergrendeling van de auto de Safelock-functie tijdelijk wordt uitgeschakeld.
Bij reguliere vergrendeling worden de stroomaansluitingen direct gedeactiveerd, maar bij een tijdelijk gedeactiveerde Safelock-functie zijn ze na
vergrendeling maximaal 10 minuten actief.
Als de auto wordt ontgrendeld en weer wordt vergrendeld, moet de Safelock-functie weer worden
gedeactiveerd.
De volgende keer dat u de motor start, wordt het
systeem gereset.
}}
* Optie/accessoire. 293
SLEUTELS, VERGRENDELINGEN EN ALARM
||
Gerelateerde informatie
•
•
Safelock-functie* (p. 293)
Alarm* (p. 289)
Detectie van onbekende
autocomponenten*
De functie "Foreign Component Detection" kan
onbekende componenten detecteren die op de
auto zijn aangesloten.
Elke led-koplamp* is afgestemd op de auto. Als
er een onbekende koplamp is aangesloten, verschijnt op het bestuurdersdisplay de melding
Onbekend onderdeel. Service vereist,
onbekend onderdeel auto gevonden. Volvo
adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
294
Serviceprogramma van Volvo (p. 614)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijhulpsystemen
De auto is voorzien van verschillende rijhulpsystemen die u in verschillende situaties actief of
passief kunnen helpen.
De systemen kunnen u bijvoorbeeld helpen om
een bepaalde snelheid of een bepaald tijdsverschil ten opzichte van de voorligger aan te houden, een aanrijding voorkomen door u te waarschuwen en de auto te laten remmen óf u helpen
bij het parkeren.
Sommige systemen zijn standaard gemonteerd,
terwijl andere optioneel zijn. Dit is tevens afhankelijk van de markt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
296
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 296)
elektronische stabiliteitsregeling (p. 298)
Stabiliteitsregeling Roll Stability Control
(p. 297)
Rear Collision Warning (p. 378)
•
•
•
•
•
•
•
•
•
BLIS* (p. 379)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht
Cross Traffic Alert* (p. 384)
De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
zorgt ervoor dat de stuurbekrachtiging afneemt
naarmate de rijsnelheid oploopt, waardoor u een
beter weggevoel krijgt.
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
Driver Alert Control (p. 394)
Rijbaanassistent (p. 396)
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 404)
Parkeerhulp* (p. 413)
Parkeerhulpcamera* (p. 418)
Actieve parkeerhulp* (p. 427)
Op snelwegen stuurt de auto stugger. Bij het
parkeren en op lage snelheden is de auto lichter
en zonder veel moeite te besturen.
N.B.
In bepaalde situaties kan de stuurbekrachtiging te warm worden zodat deze tijdelijk moet
worden gekoeld - de stuurbekrachtiging
werkt dan met een beperkt vermogen en het
draaien aan het stuurwiel kan dan wat zwaarder gaan.
Zolang de stuurbekrachtiging met een
beperkt vermogen werkt verschijnt op het
bestuurdersdisplay een melding in combinatie
met een stuursymbool.
Snelheidsbegrenzer (p. 302)
Cruisecontrol (p. 310)
Afstandswaarschuwing* (p. 315)
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Pilot Assist (p. 336)
Radarsensor (p. 351)
Camera (p. 361)
City Safety™ (p. 365)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
Zolang de stuurbekrachtiging met een
beperkt vermogen werkt zijn de rijhulpsystemen met stuurhulp niet beschikbaar.
In een dergelijk geval verschijnt de melding
Storing stuurbekracht. of Hulp
stuurbekrachtiging tijdelijk beperkt op het
bestuurdersdisplay in combinatie met een
stuursymbool.
Stuurkrachtniveau wijzigen*
Om het stuurkrachtniveau te kiezen, gaat u naar
de paragraaf "Rijmodi" en bekijkt u de beschrijving bij de optie INDIVIDUAL onder het kopje
"Mogelijke rijmodi".
Bij modellen zonder een rijmodusknop met de
optie INDIVIDUAL is het stuurkrachtniveau in te
stellen via het hoofdscherm op het middendisplay
en wel aan de hand van het volgende zoekpad:
Instellingen
Stuurkracht
My Car
Rijmodi
•
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 404)
Actieve parkeerhulp* (p. 427)
Stabiliteitsregeling Roll Stability
Control
De stabiliteitsregeling RSC1 minimaliseert het
risico dat de auto kantelt en over de kop slaat bij
plotse uitwijkmanoeuvres of slippartijen.
Het RSC-systeem registreert of en hoeveel de
helling van de auto in zijwaartse richting wordt
gewijzigd. Aan de hand van deze informatie wordt
vervolgens berekend of de kans bestaat dat de
auto over de kop slaat. Als deze kans bestaat,
treedt de elektronische stabiliteitscontrole van de
auto in werking, waarna het koppel van de motor
wordt verlaagd en een of meer wielen worden
geremd totdat de auto zijn stabiliteit terug heeft.
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
RSC-systeem voor een betere wegligging, wat
voor u echter geen reden mag zijn om sneller
te gaan rijden. Neem altijd de gebruikelijke
voorzorgsmaatregelen bij het rijden.
Het stuurkrachtniveau is niet te wijzigen tijdens
het maken van een bocht bij een snelheid hoger
dan 10 km/h (6 mph).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijmodi* (p. 458)
Pilot Assist (p. 336)
Rijbaanassistent (p. 396)
* Optie/accessoire. 297
BESTUURDERSONDERSTEUNING
elektronische stabiliteitsregeling
De elektronische stabiliteitsregeling (ESC2)
helpt u voorkomen dat de wielen doorslippen en
verbetert de tractie van de auto.
Wanneer de ESC ingrijpt, verschijnt dit symbool op het
bestuurdersdisplay.
Een ingreep van de ESC is
mogelijk waarneembaar in de
vorm van pulserende geluiden
en bij het geven van gas trekt de auto mogelijk
langzamer optrekken dan verwacht.
De ESC bestaat uit de volgende deelfuncties:
•
•
•
•
Stabiliteitsregeling3
Antispin- en tractieregeling
Motorremregeling
Aanhangwagenstabilisering
WAARSCHUWING
•
•
De stabiliteitsregeling ESC is een systeem voor aanvullende bestuurdersondersteuning om de bestuurder te ontlasten
en de rijveiligheid te verhogen, maar het
systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
ESC ontslaat u niet van de plicht om alert
en adequaat te reageren, zodat u de auto
altijd op een veilige manier moet blijven
besturen, met inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot
andere weggebruikers en met respect
voor de geldende verkeersregels en bepalingen.
Stabiliteitsregeling3
Deze regeling controleert de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen om
de auto op die manier te stabiliseren.
Antispin- en tractieregeling
De regeling is actief op lage snelheden en remt
de aandrijfwielen die doorslippen om een groter
aandeel van de aandrijfkracht op een slippend
1 Roll Stability Control
2 Electronic Stability Control
3 Ook wel antislipregeling genoemd.
4 Engine Drag Control
5 Aanhangwagenstabilisering is inbegrepen
6 Trailer Stability Assist
298
aandrijfwiel over te brengen op een aandrijfwiel
dat niet slipt.
De regeling voorkomt bovendien dat de aangedreven wielen tijdens het optrekken doorslippen
ten opzichte van de ondergrond.
Motorremregeling
De motorremregeling (EDC4) voorkomt ongewenste blokkering van de wielen, zoals na terugschakeling of bij gladheid tijdens het afremmen
op de motor in een lage versnelling.
Een van de gevolgen van ongewenste blokkering
van de wielen is dat u de auto moeilijk onder controle kunt houden.
Aanhangwagenstabilisering*5
Aanhangwagenstabilisering (TSA6) heeft tot taak
een auto met aanhangwagen te stabiliseren,
wanneer de combinatie slingerneigingen vertoont. Zie ook het hoofdstuk "Aanhangwagenstabilisering" voor aanvullende informatie.
N.B.
De functie TSA wordt gedeactiveerd als u
ESC-sportmodus activeert.
bij installatie van een originele trekhaak van Volvo.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
Sportstand bij elektronische stabiliteitsregeling (p. 299)
•
Sportstand van elektronische stabiliteitsregeling activeren/deactiveren (p. 300)
•
Beperking van Sportstand van elektronische
stabiliteitsregeling (p. 300)
•
Symbolen en meldingen voor elektronische
stabiliteitsregeling (p. 301)
Sportstand bij elektronische
stabiliteitsregeling
De ESC7 is altijd geactiveerd - uitschakelen is
niet mogelijk. U kunt echter voor ESCsportmodus kiezen voor een actievere rijervaring.
Gerelateerde informatie
•
•
elektronische stabiliteitsregeling (p. 298)
Trekhaak* (p. 492)
Wanneer de deelfunctie ESC-sportmodus is
gekozen worden ingrepen van ESC gereduceerd
zodat de auto een hogere mate van slip kan vertonen en de bestuurder meer controle over de
auto heeft dan normaal.
Het kiezen van ESC-sportmodus is te
beschouwen als het uitschakelen van ESC, hoewel de functie u in veel gevallen blijft helpen.
N.B.
Wanneer ESC-sportmodus is gekozen,
staat de aanhangwagenstabilisering (TSA8)
uit.
De ESC-sportmodus maakt ook maximale aandrijving mogelijk, als de auto is blijven steken of
over een zachte ondergrond (zoals zand of een
dikke laag sneeuw) rijdt.
7
8
Electronic Stability Control
Trailer Stability Assist
* Optie/accessoire. 299
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Sportstand van elektronische
stabiliteitsregeling activeren/
deactiveren
De ESC9 is altijd geactiveerd - uitschakelen is
niet mogelijk. U kunt echter de Sportstand kiezen voor een actievere rijervaring.
De sportstand wordt geactiveerd/gedeactiveerd op het
functiescherm van het middendisplay.
–
Druk op de knop ESC-sportmodus op het
functiescherm.
> De Sportstand wordt geactiveerd/gedeactiveerd, in de knop verschijnt een groene/
grijze indicatie.
Wanneer de ESC-sportmodus actief
is, brandt dit symbool op het bestuurdersdisplay continu totdat de functie
wordt gedeactiveerd of totdat de motor
wordt afgezet. Een volgende keer dat de motor
wordt gestart is de normale stand de ESC weer
van kracht.
Gerelateerde informatie
•
elektronische stabiliteitsregeling (p. 298)
9 Electronic Stability Control
10 Electronic Stability Control
300
Beperking van Sportstand van
elektronische stabiliteitsregeling
Bij activering van de deelfunctie ESCsportmodus van de ESC10 gelden bepaalde
beperkingen.
De deelfunctie ESC-sportmodus is niet te kiezen wanneer een van de volgende functies is
geactiveerd:
•
•
•
•
Snelheidsbegrenzer
Cruisecontrol
Adaptieve cruisecontrol
Pilot Assist.
Gerelateerde informatie
•
elektronische stabiliteitsregeling (p. 298)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
elektronische stabiliteitsregeling
elektronische stabiliteitsregeling (Electronic
Stability Control - ESC).
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van
Symbool
Melding
Betekenis
Brandt zo'n 2 seconden lang
continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
Knippert.
De ESC grijpt in.
Brandt continu.
De Sportstand is geactiveerd.
NB In deze stand is de ESC niet helemaal uitgeschakeld. Er gelden bepaalde beperkingen.
ESC
Tijdelijk uit
Wegens een te hoge temperatuur van de remmen gelden er tijdelijk beperkingen voor de ESC - de regeling
wordt automatisch opnieuw ingeschakeld wanneer de remmen voldoende zijn afgekoeld.
Zie de melding op het bestuurdersdisplay.
ESC
De ESC is defect.
Service vereist
•
•
U kunt meldingen verwijderen door kort te druk-knop in het midden van de rechken op de
ter stuurknoppenset.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
elektronische stabiliteitsregeling (p. 298)
301
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsbegrenzer
: Vanuit de actieve stand - deactiveert
de snelheidsbegrenzer/zet deze stand-by
Een snelheidsbegrenzer (SL11) is te beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt
de snelheid met het gaspedaal, terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de
vooraf gekozen/ingestelde maximumsnelheid
overschrijdt.
•
Beperkingen van de snelheidsbegrenzer
(p. 306)
heid
•
Markering voor opgeslagen maximumsnelheid
Snelheidsbegrenzer activeren en starten
(p. 303)
•
Snelheidsfuncties voor snelheidsbegrenzer
(p. 303)
•
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 304)
•
Snelheidsbegrenzer heractiveren vanuit de
stand-bystand (p. 305)
•
•
•
Snelheidsbegrenzer uitschakelen (p. 305)
•
Automatische snelheidsbegrenzer activeren/
deactiveren (p. 308)
•
Tolerantie voor de automatische snelheidsbegrenzer wijzigen (p. 309)
: Verlaagt de opgeslagen maximumsnel-
Actuele rijsnelheid
Opgeslagen maximumsnelheid
WAARSCHUWING
•
•
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies12.
: Activeert de snelheidsbegrenzer vanuit
de stand-bystand en hervat de opgeslagen
maximumsnelheid
: Verhoogt de opgeslagen maximumsnelheid
: Vanuit de stand-bystand - activeert
de snelheidsbegrenzer en slaat de actuele
snelheid op
11
12
302
•
Gerelateerde informatie
De snelheidsbegrenzer is een systeem
voor aanvullende bestuurdersondersteuning om de bestuurder te ontlasten, maar
het systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
U moet altijd zelf op de verkeerssituatie
letten en ingrijpen, als de snelheidsbegrenzer niet de juiste snelheid aanhoudt.
De snelheidsbegrenzer ontslaat u niet
van de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid
en geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Speed Limiter
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Automatische snelheidsbegrenzer (p. 306)
Beperkingen van de automatische snelheidsbegrenzer (p. 309)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsbegrenzer activeren en
starten
mogelijke maximumsnelheid die u kunt opslaan is
30 km/h (.20 mph).
Snelheidsfuncties voor
snelheidsbegrenzer
Om de snelheid te kunnen regelen moet u eerst
de snelheidsbegrenzer (SL13) kiezen en activeren.
–
De snelheidsbegrenzer (SL14) is in te stellen op
verschillende snelheden.
Druk, wanneer de snelheidsbegrenzer standis verschijby staat en het symbool
nen, op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzer wordt gestart en
de actuele snelheid wordt opgeslagen als
maximumsnelheid.
Snelheidsbegrenzer stand-by zetten
Snelheid instellen/opgeslagen snelheid
wijzigen
Gerelateerde informatie
•
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
–
Snelheidsbegrenzer (p. 302)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Druk op ◀ (1) of ▶ (3) om het symbool/
systeem voor de snelheidsbegrenzer
(4) op te zoeken.
> Er verschijnt een symbool (4), waarna de
snelheidsbegrenzer stand-by staat.
Snelheidsbegrenzer starten
Activering van de snelheidsbegrenzer is pas
mogelijk nadat de motor is gestart. De laagst
13
Speed Limiter
}}
303
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
–
•
U wijzigt de opgeslagen snelheid door kort of
(1) of
(3) te
lang op de stuurknop
drukken:
•
Kort drukken: Iedere keer dat u de knop
indrukt past u de snelheid aan in stappen
van +/- 5 km/h (+/- 5 mph).
•
Knop indrukken en vasthouden: Laat de
knop los als de snelheidsindicator (4) de
gewenste snelheid aangeeft.
Snelheidsbegrenzer deactiveren en
stand-by zetten
De snelheidsbegrenzer (SL15) is tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten.
Tijdelijk deactiveren met het gaspedaal
De ingestelde maximumsnelheid is tijdelijk te
deactiveren en te overschrijden met het gaspedaal zonder dat de snelheidsbegrenzer daarvoor
eerst stand-by moet worden gezet - om bijvoorbeeld snel te kunnen optrekken.
Doe in dat geval het volgende:
1.
Trap het gaspedaal helemaal in en laat het
pedaal weer los bij het bereiken van de
gewenste snelheid om de acceleratie te
beëindigen.
> De snelheidsbegrenzer is in dat geval nog
steeds geactiveerd, zodat het symbool op
het bestuurdersdisplay WIT van kleur is.
2.
Haal uw voet van het gaspedaal, wanneer de
tijdelijke acceleratie voltooid is.
> De auto wordt vervolgens automatisch
afgeremd tot een snelheid onder de laatst
opgeslagen maximumsnelheid.
De laatst verrichte aanpassing met de knop
wordt in het geheugen opgeslagen.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer (p. 302)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Om de snelheidsbegrenzer te deactiveren en
stand-by te zetten:
–
14
15
304
Speed Limiter
Speed Limiter
Druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van WIT in GRIJS. De snelheidsbegrenzer is daarmee tijdelijk gedeactiveerd, zodat u de ingestelde maximumsnelheid kunt overschrijden.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer (p. 302)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsbegrenzer heractiveren
vanuit de stand-bystand
–
De snelheidsbegrenzer (SL16) is te heractiveren
nadat deze tijdelijk gedeactiveerd en stand-by is
gezet.
Druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van GRIJS naar WIT en de auto
gebruikt daarna de actuele snelheid als
maximumsnelheid.
Snelheidsbegrenzer uitschakelen
De snelheidsbegrenzer (SL17) is uit te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Snelheidsbegrenzer (p. 302)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
1.
Druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzer wordt stand-by
gezet.
2.
Druk op de stuurknop ◀ (1) of ▶ (3) om naar
een andere functie te gaan.
> De snelheidsbegrenzermarkering (4) en
het symbool op het bestuurdersdisplay
doven – de ingestelde/opgeslagen maximumsnelheid is daarmee gewist.
Om de snelheidsbegrenzer te heractiveren vanuit
de stand-bystand:
–
Druk op de stuurknop
(1).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van GRIJS naar WIT - de laatst
ingestelde/opgeslagen maximumsnelheid
voor de auto is weer van kracht.
of
16
17
Speed Limiter
Speed Limiter
}}
305
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
3.
Druk nogmaals op de stuurknop
(2).
> Er wordt een andere functie geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer (p. 302)
Beperkingen van de
snelheidsbegrenzer
Op steile aflopende hellingen volstaat de remwerking van de snelheidsbegrenzer mogelijk niet,
zodat de opgeslagen maximumsnelheid mogelijk
wordt overschreden. In dat geval wordt u hierop
attent gemaakt met de melding Snelheidsgrens
overschreden op het bestuurdersdisplay.
N.B.
Er verschijnen tekstmeldingen over overschrijding van de maximumsnelheid, als de snelheid met minimaal 3 km/h (zo'n 2 mph) is
overschreden.
Gerelateerde informatie
•
18
19
20
306
Automatic Speed Limiter
Speed Limiter
Road Sign Information – RSI
Snelheidsbegrenzer (p. 302)
Automatische snelheidsbegrenzer
De automatische snelheidsbegrenzer (ASL18)
helpt u om de maximumsnelheid van de auto af
te stemmen op de op verkeersborden aangegeven maximumsnelheid.
U kunt overschakelen van de snelheidsbegrenzer
(SL19) op de automatische snelheidsbegrenzer
(ASL).
De automatische snelheidsbegrenzer gebruikt de
snelheidsinformatie van de verkeersbordinformatie20 om de maximumsnelheid van de auto automatisch aan te passen.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
•
•
•
•
ASL is een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning om de
bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid
te verhogen, maar het systeem werkt niet
in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Is SL of ASL actief?
Symbool
Zie ook de rubriek "Beperkingen van de
verkeersbordenherkenning"
SL
Groengeel
ASL
Grijs
✓
✓
Oranjegeel/
oranje
A
Ook als u zelf het snelheidsbord duidelijk
kunt waarnemen, geeft de verkeersbordenherkenning (RSI van ASL mogelijk de
verkeerde snelheid aan – u moet in dat
geval zelf ingrijpen en afremmen naar
een passende snelheid.
ASL ontslaat u niet van de plicht om alert
en adequaat te reageren, zodat u de auto
altijd op een veilige manier moet blijven
besturen, met inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot
andere weggebruikers en met respect
voor de geldende verkeersregels en bepalingen.
Kleur van het
bordsymbool
Symbolen op het bestuurdersdisplay geven aan
welke snelheidsbegrenzer actief is:
✓
BordsymboolB na "70" = ASL is geactiveerd.
A
B
Betekenis
ASL is actief
ASL staat stand-by
ASL staat tijdelijk stand-by bijvoorbeeld omdat een verkeersbord niet kon worden
herkend.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer (p. 302)
WIT symbool: De functie is actief, GRIJS symbool: Standbystand.
Zie het volgende kopje "ASL-symbool" voor de betekenis van
de kleur van het symbool.
ASL-symbool
Het bordsymbool (naast de opgeslagen snelheid "70", in het midden van
de snelheidsmeter) kan drie kleuren
hebben met de volgende betekenissen:
307
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Automatische snelheidsbegrenzer
activeren/deactiveren
Als aanvulling op de snelheidsbegrenzer (SL21)
is de automatische snelheidsbegrenzer (ASL22)
te activeren en deactiveren.
ASL activeren
•
1.
2.
21
22
308
Druk op de knop Hulp max. snelheid.
> ASL wordt stand-by gezet, het groene
lampje in de knop brandt en op het
bestuurdersdisplay verschijnt een bordsymbool in het midden van de snelheidsmeter.
Druk op de stuurknop
.
> ASL wordt met de actuele rijsnelheid
geactiveerd.
Speed Limiter
Automatic Speed Limiter
ASL deactiveren
Als de automatische snelheidsbegrenzer
geactiveerd is, verschijnt verkeersbordinformatie op het bestuurdersdisplay, ook al
is RSI niet ingeschakeld.
–
•
Om de verkeersbordinformatie van het
bestuurdersdisplay te halen moet u
zowel de automatische snelheidsbegrenzer als de RSI deactiveren.
•
Wanneer de automatische snelheidsbegrenzer geactiveerd en de RSI gedeactiveerd is, geeft de RSI geen waarschuwingen. In dat geval zijn de instellingen voor
de RSI evenmin aan te passen; om de
instellingen te kunnen aanpassen en
waarschuwingen te kunnen krijgen moet
u de RSI activeren.
De knop Hulp max. snelheid
staat op het functiescherm van
het middendisplay.
Om de automatische snelheidsbegrenzer te activeren:
N.B.
Om de automatische snelheidsbegrenzer te
deactiveren:
Druk op de knop Hulp maximum snelheid
op het functiescherm.
> ASL wordt uitgeschakeld en de kleur van
de indicatie op de knop verandert in
GRIJS - SL wordt in plaats daarvan geactiveerd.
WAARSCHUWING
De auto volgt niet langer de op de borden
aangegeven maximumsnelheid na het wisselen van ASL naar SL - de auto volgt dan
alleen de in het geheugen opgeslagen maximumsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer (p. 302)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Tolerantie voor de automatische
snelheidsbegrenzer wijzigen
–
De automatische snelheidsbegrenzer (ASL23) is
in te stellen op verschillende tolerantieniveaus.
Het is mogelijk om de op snelheidsborden gebaseerde maximumsnelheid te verhogen/verlagen.
Als de auto bijvoorbeeld de aangegeven maximumsnelheid van 70 km/h (43 mph) aanhoudt,
kunt u ervoor kiezen om een snelheid van
75 km/h (47 mph) aan te houden.
Druk op de stuurknop
(1) totdat
70 km/h (43 mph) in het midden van de
snelheidsmeter (4) is gewijzigd in 75 km/h
(47 mph).
> De auto hanteert vervolgens de gekozen
tolerantie van 5 km/h (4 mph) zolang de
gepasseerde borden 70 km/h (43 mph)
aangeven.
Deze tolerantie geldt totdat u een verkeersbord met een lagere of hogere snelheid passeert - de auto hanteert dan de
nieuwe aangegeven maximumsnelheid en
de tolerantie wordt uit het geheugen
gewist.
Als de verkeersbordinformatie* geactiveerd is, verschijnt de aangegeven snelheid vervolgens met een RODE markering
op de schaal van de snelheidsmeter.
De tolerantie is op dezelfde manier aan te passen als bij het instellen van de snelheid voor de
snelheidsbegrenzer.
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies24.
Beperkingen van de automatische
snelheidsbegrenzer
De automatische snelheidsbegrenzing vindt
plaats op basis van snelheidsinformatie afkomstig van RSI25 – niet op basis van de verkeersborden met maximumsnelheden die de auto passeert.
Als RSI25 de snelheidsinformatie niet kan interpreteren en doorgeven aan ASL, gaat ASL standby staan en wordt overgeschakeld op SL. In dergelijke gevallen moet de bestuurder zelf ingrijpen
en naar de juiste snelheid afremmen.
ASL wordt opnieuw geactiveerd, wanneer RSI25
weer snelheidsinformatie kan interpreteren en
doorgeven aan ASL.
Zie ook de paragraaf "Beperkingen van verkeersbordinformatie".
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer (p. 302)
N.B.
De grootst mogelijke marge die u kunt kiezen
is +/- 10 km/h (5 mph).
Gerelateerde informatie
•
23
24
Snelheidsbegrenzer (p. 302)
Automatic Speed Limiter
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire. 309
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Cruisecontrol
De cruisecontrol (CC26) helpt u een gelijkmatige
snelheid aan te houden, wat zorgt voor een comfortabeler rijervaring tijdens lange ritten op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met een
gelijkmatige doorstroom.
Overzicht
: Vanuit de actieve stand - deactiveert
de cruisecontrol/zet deze stand-by
WAARSCHUWING
: Verlaagt de opgeslagen snelheid
•
De cruisecontrol is een systeem voor
aanvullende bestuurdersondersteuning
om de bestuurder te ontlasten, maar het
systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt
(zie de lijst met links aan het einde van dit
artikel).
•
De cruisecontrol ontslaat u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Aanduiding voor opgeslagen snelheid
Actuele rijsnelheid
Opgeslagen snelheid
N.B.
Bij een auto met adaptieve cruisecontrol*
kunt u wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve cruisecontrol – zie de rubriek "Wisselen
tussen CC en ACC".
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies27.
: Activeert de cruisecontrol vanuit de
stand-bystand en hervat de opgeslagen snelheid
: Verhoogt de opgeslagen snelheid
: Vanuit de stand-bystand - activeert
de cruisecontrol en slaat de actuele snelheid
op
25
26
27
310
Gerelateerde informatie
•
•
•
Cruisecontrol activeren en starten (p. 311)
Snelheidsfuncties voor cruisecontrol (p. 312)
Snelheidsbegrenzer deactiveren en stand-by
zetten (p. 313)
Road Sign Information - RSI
Cruise Control
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
•
Cruisecontrol heractiveren vanuit de standbystand (p. 314)
Cruisecontrol uitschakelen (p. 315)
Cruisecontrol activeren en starten
Om de snelheid te kunnen regelen moet u eerst
de cruisecontrol (CC28) kiezen en activeren.
(20 mph) of hoger zijn. De laagst mogelijke snelheid die u kunt opslaan is 30 km/h (20 mph).
Om de cruisecontrol te starten:
–
Als het symbool/de functie
wordt
weergegeven - druk op de stuurknop
(2).
> De cruisecontrol wordt gestart en de
actuele snelheid wordt opgeslagen.
N.B.
De cruisecontrol is niet in te schakelen bij
snelheden lager dan 30 km/h (20 mph).
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
Cruisecontrol (p. 310)
Cruisecontrol stand-by zetten
Om de cruisecontrol stand-by te zetten:
–
Druk op ◀ (1) of ▶ (3) om naar het
symbool/de functie
(4) te gaan.
> Het desbetreffende symbool verschijnt,
waarna u de cruisecontrol kunt activeren.
Cruisecontrol activeren/starten
Voor het starten van de cruisecontrol vanuit de
stand-bystand moet de actuele snelheid 30 km/h
28
Cruise Control
311
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsfuncties voor
cruisecontrol
–
De cruisecontrol (CC29) is in te stellen op verschillende snelheden.
Snelheid instellen/opgeslagen snelheid
wijzigen
U wijzigt de opgeslagen snelheid door kort of
(1) of
(3) te
lang op de stuurknop
drukken:
motorrem de snelheidstoename te laten dempen.
U kunt de bedrijfsremingreep van de cruisecontrol dan tijdelijk uitschakelen.
•
Doe in dat geval het volgende:
•
•
Kort drukken: Iedere keer dat u de knop
indrukt past u de snelheid aan in stappen
van +/- 5 km/h (+/- 5 mph).
Knop indrukken en vasthouden: Laat de
knop los als de snelheidsindicator (4) de
gewenste snelheid aangeeft
De laatst verrichte aanpassing met de knop
wordt in het geheugen opgeslagen.
Als de snelheid met het gaspedaal wordt verhoogd voordat op de stuurknop
(1) wordt
gedrukt, wordt de actuele rijsnelheid bij het drukken op de knop opgeslagen, op voorwaarde dat u
bij het drukken op de knop uw voet op het gaspedaal houdt.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Motorrem gebruiken in plaats van
bedrijfsrem
De cruisecontrol regelt de snelheid met een
gereduceerde remingreep vanuit de bedrijfsrem.
Op een aflopende helling kan het soms wenselijk
zijn om iets sneller weg te rollen en alleen de
29
30
312
Cruise Control
Zie voor aanvullende informatie de paragraaf "Rijmodi".
–
Druk het gaspedaal tot ongeveer halverwege
in en laat het pedaal weer los.
> De cruisecontrol schakelt de automatische remingreep uit en remt vervolgens
alleen op de motor af.
Werking van cruisecontrol afhankelijk
van rijmodus
De manier waarop de cruisecontrol de snelheid
regelt, kan variëren naargelang de gekozen rijmodus30.
Cruisecontrol Eco Cruise
In de rijmodus ECO verlopen de acceleratie- en
remacties soepeler dan in andere rijmodi om het
brandstofverbruik en de milieu-eigenschappen te
optimaliseren. Dit kan met zich meebrengen dat
de snelheid tijdelijk iets onder of boven de opgeslagen snelheid kan liggen.
Zie het hoofdstuk "Rijmodus ECO" onder het
kopje "Cruisecontrol Eco Cruise"voor aanvullende
informatie.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Cruisecontrol Dynamic Cruise
In de rijmodus Dynamic zullen de acceleratie- en
remacties van de cruisecontrol robuuster en
directer aanvoelen dan het geval is in andere rijmodi.
Gerelateerde informatie
•
Cruisecontrol (p. 310)
Snelheidsbegrenzer deactiveren en
stand-by zetten
De cruisecontrol (CC31) is tijdelijk te deactiveren
en stand-by te zetten en vervolgens weer te activeren.
Cruisecontrol deactiveren en stand-by
zetten
Stand-by vanwege ingreep van bestuurder
De cruisecontrol wordt in de volgende gevallen
tijdelijk gedeactiveerd en stand-by gezet:
•
•
•
•
u bedient het rempedaal
u zet de keuzehendel in stand N
het koppelingspedaal meer dan 1 minuut
lang intrapt
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Om de cruisecontrol stand-by te zetten:
–
31
Cruise Control
Druk op de stuurknop
(2).
> De snelheidsbegrenzermarkeringen en symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren van WIT in GRIJS. De snelheidsbegrenzer is daarmee tijdelijk gedeactiveerd, zodat u de snelheid vervolgens zelf
moet aanpassen.
Automatische stand-bystand
De cruisecontrol wordt in de volgende gevallen
tijdelijk uitgeschakeld en stand-by gezet:
•
•
•
•
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
het motortoerental is te laag/hoog
de remtemperatuur wordt te hoog
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph).
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
}}
313
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
Cruisecontrol (p. 310)
Cruisecontrol heractiveren vanuit de
stand-bystand
De cruisecontrol (CC32) is tijdelijk te deactiveren
en stand-by te zetten en vervolgens weer te activeren.
of
Om de cruisecontrol vanuit de stand-bystand te
starten:
–
Cruisecontrol heractiveren vanuit standbystand
Druk op de stuurknop
(2).
> De cruisecontrolmarkeringen en -symbolen op het bestuurdersdisplay verkleuren
van GRIJS naar WIT en de actuele snelheid wordt hervat.
WAARSCHUWING
Wanneer u de snelheid weer hervat met de
stuurknop
, kan er een markante snelheidstoename volgen.
Gerelateerde informatie
•
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Om de cruisecontrol vanuit de stand-bystand te
starten:
–
32
314
Cruise Control
Druk op de stuurknop
(1).
> De cruisecontrolmarkeringen op het
bestuurdersdisplay verkleuren van GRIJS
naar WIT en de laatst opgeslagen snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol (p. 310)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Cruisecontrol uitschakelen
N.B.
De cruisecontrol (Cruise Control - CC) kan worden uitgeschakeld.
Bij een auto met adaptieve cruisecontrol*
kunt u wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve cruisecontrol – zie de rubriek "Wisselen
tussen CC en ACC".
Gerelateerde informatie
•
Cruisecontrol (p. 310)
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies33.
Afstandswaarschuwing*
De afstandswaarschuwing34 kan u erop helpen
attenderen dat het tijdsverschil ten opzichte van
voorliggers te gering is.
De auto moet zijn uitgerust met een head-updisplay om afstandswaarschuwingen te kunnen
geven, welke in het gegeven geval worden aangegeven met een symbool op de voorruit zolang
het tijdsverschil ten opzichte van de voorligger
kleiner is dan de vooraf ingestelde waarde.
De afstandswaarschuwing is actief bij snelheden
hoger dan 30 km/h (20 mph) en reageert alleen
op voorliggers die in dezelfde richting rijden. Voor
voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven.
Om de cruisecontrol uit te schakelen:
1.
2.
3.
33
(2).
Druk op de stuurknop
> De cruisecontrol wordt stand-by gezet.
Druk op de stuurknop ◀ (1) of ▶ (3) om naar
een andere functie te gaan.
>
Het snelheidsbegrenzersymbool
(4) dooft – de ingestelde/opgeslagen
snelheid is daarmee gewist.
Druk nogmaals op de stuurknop
(2).
> Er wordt een andere functie geactiveerd.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire. 315
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
N.B.
De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld, zolang de adaptieve cruisecontrol
actief is.
N.B.
N.B.
316
•
Distance Alert geeft alleen een waarschuwing
als het tijdsverschil ten opzichte van voorliggers korter is dan de ingestelde waarde en
past uw rijsnelheid dan ook niet aan.
Er wordt een waarschuwingslampje op de voorruit geprojecteerd en het lampje brandt continu,
als het tijdsverschil ten opzichte van de voorligger
kleiner is dan de ingestelde waarde.
34
35
De afstandswaarschuwing is alleen
beschikbaar voor auto's die informatie op
de voorruit kunnen projecteren met een
zogenoemd head-updisplay.
WAARSCHUWING
Waarschuwingslampje voor afstandswaarschuwing
onder aan de voorruit35.
In de felle zon, bij lichtschitteringen, extreme
contrastverschillen en het gebruik van een
zonnebril of als u niet recht vooruit kijkt, zijn
de op de voorruit geprojecteerde waarschuwingssignalen soms moeilijk te ontdekken.
•
Afhankelijk van de markt kan dit een standaardfunctie of een optie zijn.
Gerelateerde informatie
•
Head-updisplay voor afstandswaarschuwing
(p. 317)
•
Afstandswaarschuwing activeren/deactiveren
(p. 317)
•
Tijdsverschil instellen voor afstandswaarschuwing (p. 318)
Distance Alert
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
•
Beperkingen van afstandswaarschuwing
(p. 319)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Head-updisplay voor
afstandswaarschuwing36
N.B.
In de felle zon, bij lichtschitteringen, extreme
contrastverschillen en het gebruik van een
zonnebril of als u niet recht vooruit kijkt, zijn
de op de voorruit geprojecteerde waarschuwingssignalen soms moeilijk te ontdekken.
Bij een auto met head-updisplay* verschijnt er
een symbool op de voorruit, zolang het tijdsverschil ten opzichte van de voorligger kleiner is
dan de ingestelde waarde.
Afstandswaarschuwing activeren/
deactiveren38
Voor de afstandswaarschuwing39 zijn verschillende tijdsverschillen in te stellen en het systeem
is tevens uit te schakelen.
Aan/Uit
Tik op de knop Distance Alert
op het functiescherm van het
middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandswaarschuwing* (p. 315)
Head-updisplay* (p. 145)
•
GROENE knopindicatie - Afstandswaarschuwing is geactiveerd.
•
GRIJZE knopindicatie - Afstandswaarschuwing is gedeactiveerd.
Symbool voor afstandswaarschuwing onder aan de voorruit37.
De afstandswaarschuwing wordt na elke motorstart automatisch geactiveerd.
Daarvoor moet echter Toon rijhulp zijn geactiveerd via de instellingen in het menusysteem van
de auto – zie de paragraaf "Head-updisplay" voor
hoe dat in zijn werk gaat.
Gerelateerde informatie
36
37
38
39
•
Afstandswaarschuwing* (p. 315)
De afstandswaarschuwing is alleen aanwezig bij auto's die informatie op de voorruit kunnen projecteren via een zogenoemd head-updisplay.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
De afstandswaarschuwing is alleen beschikbaar voor auto's die informatie op de voorruit kunnen projecteren via een zogenoemd head-updisplay.
Distance Alert
* Optie/accessoire. 317
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Tijdsverschil instellen voor
afstandswaarschuwing40
Voor de afstandswaarschuwing41 zijn verschillende tijdsverschillen in te stellen.
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het bestuurdersdisplay
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe groter het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen met
zo'n 1 seconde ten opzichte van de voorligger en
5 streepjes komt overeen met zo'n 3 seconden.
N.B.
•
Houd alleen een tijdsverschil aan dat niet
in strijd is met de geldende verkeersregels.
•
Het ingestelde tijdsverschil wordt ook
gebruikt door de adaptieve cruisecontrol
en Pilot Assist.
WAARSCHUWING
Tijdsverschil verkleinen
Tijdsverschil vergroten
Afstandsindicatie
–
Druk op de stuurknop (1) of (2) om het tijdsverschil te verkleinen of te vergroten.
> De afstandsindicatie (3) toont het actuele
tijdsverschil.
•
Houd alleen een tijdsverschil aan dat zich
leent voor de actuele verkeerssituatie.
•
Let erop dat geringe tijdsverschillen u bij
plotselinge wijzigingen in de verkeerssituatie minder tijd geven om te reageren
en in te grijpen.
Gerelateerde informatie
•
318
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaald
tijdsverschil.
Bedieningselementen voor het tijdsverschil.
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
adaptieve cruisecontrol geactiveerd is.
40
41
•
Afstandswaarschuwing* (p. 315)
De afstandswaarschuwing is alleen beschikbaar voor auto's die informatie op de voorruit kunnen projecteren via een zogenoemd head-updisplay.
Distance Alert
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van
afstandswaarschuwing42
De afstandswaarschuwing43 kent mogelijk
beperkingen in bepaalde situaties.
42
43
WAARSCHUWING
•
Distance Alert is een systeem voor aanvullende bestuurdersondersteuning om
de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar het systeem werkt
niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
Ook voorliggers met geringe afmetingen
zoals motorfietsen zijn soms moeilijk te
ontdekken, wat kan betekenen dat het
geprojecteerde waarschuwingslampje pas
bij kleinere tijdsverschillen oplicht of helemaal niet gaat branden.
•
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk
dat het lampje door beperkingen in het
bereik van de radarsensor bij een kleiner
tijdsverschil oplicht.
•
Distance Alert ontslaat u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
N.B.
De functie maakt gebruik van de radareenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie het artikel "Beperkingen van de radareenheid".
Gerelateerde informatie
•
Afstandswaarschuwing* (p. 315)
De afstandswaarschuwing is alleen beschikbaar voor auto's die informatie op de voorruit kunnen projecteren via een zogenoemd head-updisplay.
Distance Alert
* Optie/accessoire. 319
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol*
(ACC44)
De adaptieve cruisecontrol
helpt u om
een gelijkmatige snelheid en een bepaald tijdsverschil ten opzichte van de voorligger aan te
houden.
Wanneer de weg voor u weer vrij is, hervat de
auto de ingestelde snelheid.
WAARSCHUWING
•
De adaptieve cruisecontrol is een systeem voor aanvullende bestuurdersondersteuning om de bestuurder te ontlasten
en de rijveiligheid te verhogen, maar het
systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt
(zie de lijst met links aan het einde van dit
artikel).
•
De adaptieve cruisecontrol ontslaat u niet
van de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid
en geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
De adaptieve cruisecontrol biedt u een comfortabeler rijervaring tijdens lange ritten op snelwegen
en lange, rechte hoofdwegen met een gelijkmatige doorstroom.
De gecombineerde camera en radarsensor meet de
afstand tot voorliggers45.
U kiest de gewenste snelheid en het aan te houden tijdsverschil ten opzichte van voorliggers. Als
de gecombineerde camera en radarsensor een
voorligger registreert die langzamer rijdt dan u,
wordt het tijdsverschil automatisch aangepast.
44
45
320
N.B.
Afhankelijk van de markt kan dit een standaardfunctie of een optie zijn.
De adaptieve cruisecontrol regelt de snelheid
door de stand van de gasklep aan te passen en
zo nodig af te remmen. Het is normaal dat de
remmen zwakke geluiden produceren, wanneer
ze worden gebruikt bij het aanpassen van de
snelheid.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In situaties waarin krachtig moet worden geremd moet
u dan ook zelf te remmen. Dit is bijvoorbeeld het
geval bij grote snelheidsverschillen of als de
voorligger krachtig remt. Door beperkingen van
de radarsensor is het mogelijk dat er onverwacht
of helemaal niet wordt geremd.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar het
door u ingestelde tijdsverschil ten opzichte van
voorliggers in dezelfde rijstrook aan te houden.
Als de radarsensor geen voorligger registreert,
houdt de auto in plaats daarvan de snelheid aan
die op de cruisecontrol werd ingesteld. Dit
gebeurt ook als de snelheid van de voorligger
toeneemt en de ingestelde snelheid overschrijdt.
Adaptive Cruise Control
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Voor auto's met een automatische versnellingsbak geldt:
•
De adaptieve cruisecontrol kan voorliggers
volgen bij snelheden van stilstand tot
200 km/h (125 mph).
Voor auto's met een handgeschakelde versnellingsbak geldt:
•
De adaptieve cruisecontrol kan voorliggers
volgen bij snelheden van 30 km/h (20 mph)
tot 200 km/h (125 mph).
WAARSCHUWING
Overzicht
•
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Als
bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor om in te grijpen, mocht het systeem een voorliggers niet ontdekken.
Bediening
•
De adaptieve cruisecontrol reageert niet
op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen. Lage aanhangers, tegenliggers,
langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens
genegeerd.
•
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
lastige situaties zoals in stadsverkeer, op
kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of
sneeuwval of slecht zicht en evenmin op
weggedeelten met veel water of natte
sneeuw, op bochtige wegen of op uit- en
opritten.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies45.
: Activeert de adaptieve cruisecontrol
vanuit de stand-bystand en hervat de opgeslagen snelheid
: Verhoogt de opgeslagen snelheid
: Vanuit de stand-bystand - activeert
de adaptieve cruisecontrol en slaat de
actuele snelheid op
: Vanuit de actieve stand - deactiveert
de adaptieve cruisecontrol/zet deze stand-by
: Verlaagt de opgeslagen snelheid
Vergroot het tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger
45
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
321
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Verkleint het tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger
||
•
Adaptieve cruisecontrol activeren en starten
(p. 324)
•
Snelheidsfuncties voor adaptieve cruisecontrol (p. 325)
•
Tijdsverschil instellen voor adaptieve cruisecontrol (p. 326)
•
Adaptieve cruisecontrol deactiveren/heractiveren (p. 327)
•
Inhaalassistent met adaptieve cruisecontrol
(p. 329)
•
Inhaalassistent van adaptieve cruisecontrol
starten (p. 329)
•
Beperkingen van de inhaalassistent bij adaptieve cruisecontrol (p. 330)
Snelheid van de voorligger.
•
Actuele snelheid van uw auto.
Van doelvoertuig veranderen bij adaptieve
cruisecontrol (p. 330)
•
Automatische remfunctie van adaptieve
cruisecontrol (p. 331)
•
Beperkingen van adaptieve cruisecontrol
(p. 332)
•
Wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve
cruisecontrol (p. 332)
•
Symbolen en meldingen voor adaptieve
cruisecontrol (p. 334)
Bestuurdersdisplay
Doelvoertuigindicatie: ACC heeft een doelvoertuig ontdekt en volgt deze met een
vooraf gekozen tijdsverschil
Symbool voor tijdsverschil ten opzichte van
voorligger
N.B.
Bij een auto met adaptieve cruisecontrol*
kunt u wisselen tussen cruisecontrol en adaptieve cruisecontrol – zie de rubriek "Wisselen
tussen CC en ACC".
Snelheidsaanduidingen45.
Opgeslagen snelheid
Voor informatie over verschillende symboolcombinaties in uitlopende verkeerssituaties - zie de
rubriek "Symbolen en meldingen voor de adaptieve cruisecontrol".
Gerelateerde informatie
45
322
•
Adaptieve cruisecontrol en waarschuwing bij
een dreigende botsing (p. 323)
•
Head-updisplay voor adaptieve cruisecontrol
bij gevaar voor botsingen (p. 323)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol en
waarschuwing bij een dreigende
botsing
N.B.
In de felle zon, bij lichtschitteringen, extreme
contrastverschillen en het gebruik van een
zonnebril of als u niet recht vooruit kijkt, zijn
de op de voorruit geprojecteerde waarschuwingssignalen soms moeilijk te ontdekken.
Head-updisplay voor adaptieve
cruisecontrol bij gevaar voor
botsingen
Bij een auto met een head-updisplay* verschijnt
een waarschuwing op de voorruit in combinatie
met een knipperend symbool.
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol waarschuwt alleen
voor door de radareenheid gedetecteerde
voertuigen – het kan dan ook voorkomen dat
een waarschuwing vertraagd of helemaal niet
wordt weergegeven.
•
Waarschuwingslampje voor Collision Warning onder aan
de voorruit46.
De adaptieve cruisecontrol gebruikt
ongeveer 40% van de capaciteit van de bedrijfsrem. Als de auto harder moet worden afgeremd
dan de adaptieve cruisecontrol aankan en u remt
zelf niet bij, dan wordt u er met het waarschuwingslampje en een waarschuwingssignaal op
attent gemaakt dat u onmiddellijk moet ingrijpen.
Wacht een waarschuwing nooit af, maar
rem als dat nodig is.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Symbool voor Collision Warning onder aan de voorruit47.
N.B.
In de felle zon, bij lichtschitteringen, extreme
contrastverschillen en het gebruik van een
zonnebril of als u niet recht vooruit kijkt, zijn
de op de voorruit geprojecteerde waarschuwingssignalen soms moeilijk te ontdekken.
Gerelateerde informatie
•
46
47
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire. 323
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol activeren
en starten
Adaptieve cruisecontrol starten/
activeren
De adaptieve cruisecontrol (ACC48) moet, om
de snelheid en het tijdsverschil te kunnen regelen, eerst worden geactiveerd en vervolgens
worden gestart.
Om ACC te kunnen starten, is het volgende vereist:
•
U moet de veiligheidsgordel om hebben en
het bestuurdersportier moet dichtstaan.
Adaptieve cruisecontrol stand-by zetten
•
Er moet binnen een redelijke afstand een
voorligger (doelvoertuig) aanwezig zijn of de
actuele snelheid moet minimaal 15 km/h
(9 mph) zijn.
•
–
Als het symbool/de functie
(4) wordt
weergegeven - druk op de stuurknop
(1).
> De adaptieve cruisecontrol wordt gestart
en de actuele snelheid wordt als snelheid
opgeslagen en met cijfers in het midden
van de snelheidsmeter weergegeven.
Alleen als het afstandssymbool
twee voertuigen aangeeft,
regelt ACC het tijdsverschil ten
opzichte van de voorligger.
Voor auto's met een handgeschakelde versnellingsbak: De snelheid moet minimaal
30 km/h (20 mph) bedragen.
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd.
De hogere snelheid is de opgeslagen/gekozen snelheid en de
lagere snelheid is de snelheid
van de voorligger (het doelvoer-
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
tuig).
De adaptieve cruisecontrol staat direct na het
starten van de motor stand-by. Doe het volgende
om het geactiveerde systeem stand-by te zetten:
–
48
324
Druk op de stuurknop ◀ (2) of ▶ (3) om naar
(4) te gaan.
het symbool/de functie
> Het symbool wordt weergegeven en de
adaptieve cruisecontrol wordt stand-by
gezet.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsfuncties voor adaptieve
cruisecontrol
–
De adaptieve cruisecontrol (ACC49) is in te stellen op verschillende snelheden.
Snelheid instellen/opgeslagen snelheid
wijzigen
•
U wijzigt de opgeslagen snelheid door kort of
(1) of
(2) te
lang op de stuurknop
drukken:
trol een voorligger volgen tot aan stilstand, is het
kiezen/opslaan van een lagere snelheid dan de
genoemde 30 km/h (20 mph) niet mogelijk.
•
Kort drukken: Iedere keer dat u de knop
indrukt past u de snelheid aan in stappen
van +/- 5 km/h (+/- 5 mph).
De hoogst mogelijk snelheid die u kunt instellen
is 200 km/h (125 mph).
•
Knop indrukken en vasthouden: Laat de
knop los als de snelheidsindicator (3) de
gewenste snelheid aangeeft.
De laatst verrichte aanpassing met de knop
wordt in het geheugen opgeslagen.
Als de snelheid met het gaspedaal wordt verhoogd voordat op de stuurknop
wordt
gedrukt, wordt de actuele rijsnelheid bij het drukken op de knop opgeslagen, op voorwaarde dat u
bij het drukken op de knop uw voet op het gaspedaal houdt.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model en de markt zijn afwijkingen mogelijk.
: Verhoogt de opgeslagen snelheid.
: Verlaagt de opgeslagen snelheid.
Opgeslagen snelheid.
Handgeschakelde versnellingsbak
De adaptieve cruisecontrol kan voorliggers volgen bij snelheden van 30 km/h (20 mph) tot
200 km/h (125 mph).
30 km/h (20 mph) is de minimumsnelheid
waarop de adaptieve cruisecontrol in te stellen is
– 200 km/h (125 mph) is de maximumsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Automatische versnellingsbak
De adaptieve cruisecontrol kan voorliggers volgen bij snelheden van stilstand tot 200 km/h
(125 mph).
Let erop dat 30 km/h (20 mph) de minimumsnelheid is waarop de adaptieve cruisecontrol in
te stellen is – ook al kan de adaptieve cruisecon-
49
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire. 325
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Tijdsverschil instellen voor
adaptieve cruisecontrol
N.B.
Voor de adaptieve cruisecontrol (ACC50) zijn
verschillende tijdsverschillen in te stellen.
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het bestuurdersdisplay
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe groter het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen met
zo'n 1 seconde ten opzichte van de voorligger en
5 streepjes komt overeen met zo'n 3 seconden.
Als het symbool op het bestuurdersdisplay
twee voertuigen toont, volgt ACC de voorligger met een vooraf gekozen tijdsverschil.
Als er slechts één auto wordt getoond, is er
binnen een redelijke afstand geen voorligger
aanwezig.
50
51
326
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaald
tijdsverschil.
•
Houd alleen een tijdsverschil aan dat niet
in strijd is met de geldende verkeersregels.
•
Als de adaptieve cruisecontrol bij activering niet lijkt te reageren met een verhoging van de snelheid, kan dat komen
doordat het actuele tijdsverschil ten
opzichte van de voorligger kleiner is dan
het ingestelde tijdsverschil.
Bedieningselementen voor het tijdsverschil51.
Tijdsverschil verkleinen
Tijdsverschil vergroten
Hetzelfde symbool verschijnt ook, wanneer de
afstandswaarschuwing geactiveerd is.
N.B.
•
Afstandsindicatie
–
Druk op de stuurknop (1) of (2) om het tijdsverschil te verkleinen of te vergroten.
> De afstandsindicatie (3) toont het actuele
tijdsverschil.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen
blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in
bepaalde situaties aanzienlijke variaties in het
tijdsverschil toe. Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot de adaptieve cruisecontrol het
tijdsverschil iets.
WAARSCHUWING
•
Houd alleen een tijdsverschil aan dat zich
leent voor de actuele verkeerssituatie.
•
Let erop dat geringe tijdsverschillen u bij
plotselinge wijzigingen in de verkeerssituatie minder tijd geven om te reageren
en in te grijpen.
Aangeven hoe ACC een bepaalde
afstand* tot voorliggers moet
aanhouden
U kunt aangeven op welke manier de adaptieve
cruisecontrol een bepaalde afstand tot voorlig-
Adaptive Cruise Control
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
gers moet aanhouden. U maakt een keuze via de
rijmodusknop DRIVE MODE.
Adaptieve cruisecontrol
deactiveren/heractiveren
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
Kies een van de volgende alternatieven:
–
• Eco - ACC streeft naar een zo laag mogelijk
De adaptieve cruisecontrol (ACC52) is tijdelijk te
deactiveren en stand-by te zetten en vervolgens
weer te activeren.
• Comfort - ACC streeft naar een zo soepel
Adaptieve cruisecontrol deactiveren en
stand-by zetten
brandstofverbruik wat grotere tijdsverschillen
ten opzichte van voorliggers betekent.
Druk op de stuurknop
(2).
> De kleur van het symbool
op het
bestuurdersdisplay verandert van WIT in
GRIJS en die van de opgeslagen snelheid
in het midden van de snelheidsmeter verandert van BEIGE in GRIJS.
mogelijke aanpassing aan de rijsnelheid van
voorliggers.
WAARSCHUWING
• Dynamic - ACC streeft naar een directere
vorm van aanpassing aan het ingestelde
tijdsverschil ten opzichte van voorliggers, wat
in bepaalde gevallen krachtiger acceleraties/
remmanoeuvres kan betekenen.
Zie voor meer informatie de paragraaf "Rijmodi".
Aanvullende informatie vindt u ook in de paragrafen "Snelheidsfunctie voor cruisecontrol" en "Rijmodus ECO".
Gerelateerde informatie
•
52
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Adaptive Cruise Control
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
•
Wanneer de adaptieve cruisecontrol standby staat moet u actief ingrijpen en zelf de
snelheid en afstand aanpassen ten
opzichte van voorliggers.
•
Wanneer de adaptieve cruisecontrol standby staat en de auto een voorligger te dicht
nadert, krijgt u echter een waarschuwing
voor de te kleine afstand van de Distance
Alert.
}}
* Optie/accessoire. 327
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Stand-by vanwege ingreep van bestuurder
De adaptieve cruisecontrol wordt tijdelijk gedeactiveerd en stand-by gezet in de volgende gevallen:
WAARSCHUWING
•
•
•
u bedient het rempedaal.
Wanneer de auto automatisch stand-by staat,
wordt u gewaarschuwd met een geluidssignaal en een melding op het bestuurdersdisplay.
u zet de keuzehendel in stand N.
•
•
u bedient het koppelingspedaal langer dan
zo'n 1 minuut – geldt voor auto's met een
handgeschakelde versnellingsbak.
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Automatische stand-bystand
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen, zoals de stabiliteitsregeling/
antislipregeling ESC53. Als een van deze andere
systemen niet meer werkt, wordt de adaptieve
cruisecontrol automatisch uitgeschakeld.
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en
ACC kan niet registreren of de voorligger
een stilstaand voertuig is of een object, zoals
een verkeersdrempel.
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en de
voorligger slaat af, zodat ACC geen voorligger meer heeft om te volgen.
•
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph) – geldt alleen voor auto's met een
handgeschakelde versnellingsbak.
•
328
Electronic Stability Control
de parkeerrem wordt geactiveerd.
de gecombineerde camera en radarsensor
wordt afgedekt door sneeuw of zware regenval (blokkering cameralens/radarsignalen).
Adaptieve cruisecontrol heractiveren
vanuit de stand-bystand
De automatische stand-by is mogelijk in de volgende gevallen:
•
•
•
•
53
Als bestuurder moet u dan zelf de snelheid aanpassen, zo nodig remmen en een
veilige afstand houden tot voorliggers.
•
•
u opent het bestuurdersportier.
u doet de veiligheidsgordel af.
het motortoerental is te laag/hoog.
een of meer wielen verliezen hun grip op het
wegdek.
de remmen hebben een hoge temperatuur.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
ACC heractiveren vanuit stand-bystand:
–
Druk op de stuurknop
(1).
> De auto hervat de laatst opgeslagen snelheid.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
Wanneer u de snelheid weer hervat met de
, kan er een markante snelstuurknop
heidstoename volgen.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Inhaalassistent met adaptieve
cruisecontrol
De adaptieve cruisecontrol (ACC54) kan u helpen bij het inhalen van andere voertuigen.
Hoe de inhaalassistent werkt
Als ACC een ander voertuig volgt en u geeft met
de richtingaanwijzer55 te kennen dat u wilt inhalen, dan helpt de adaptieve cruisecontrol door
naar de voorligger te accelereren voordat uw
auto de inhaalstrook heeft bereikt.
De functie vertraagt daarna de snelheidsverlaging om te vroeg afremmen te voorkomen als de
auto een langzamer voertuig nadert.
De functie is actief totdat u het ingehaalde voertuig bent gepasseerd.
Inhaalassistent van adaptieve
cruisecontrol starten
Voorwaarden voor gebruik van de
inhaalassistent
Om de inhaalassistent te kunnen activeren, is het
volgende vereist:
•
•
•
de actuele snelheid van uw auto is minimaal 70 km/h (43 mph)
de opgeslagen snelheid voor ACC is hoog
genoeg om veilig te kunnen inhalen.
Inhaalassistent starten
Om de inhaalassistent te starten:
–
Activeer de richtingaanwijzer.
Gebruik de linker richtingaanwijzer bij een
auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzer bij een auto met het stuur
rechts.
> De inhaalassistent wordt gestart.
WAARSCHUWING
Let erop dat dit systeem mogelijk in meer
situaties wordt geactiveerd dan tijdens het
inhalen, zoals bij het gebruik van de richtingaanwijzers om aan te geven dat u van rijbaan
wilt wisselen of wilt afslaan – de auto accelereert dan kort.
er is een voorligger (doelvoertuig) aanwezig
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Gerelateerde informatie
•
54
55
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Adaptive Cruise Control
Alleen bij gebruik van de linker richtingaanwijzers bij een auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzers bij een auto met het stuur rechts.
* Optie/accessoire. 329
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van de inhaalassistent
bij adaptieve cruisecontrol
Van doelvoertuig veranderen bij
adaptieve cruisecontrol
De inhaalassistent kent mogelijk beperkingen in
bepaalde situaties.
De adaptieve cruisecontrol (ACC57) kan bij
auto's met een automatische versnellingsbak op
bepaalde snelheden van doelvoertuig veranderen.
WAARSCHUWING
Let erop dat de inhaalassistent bij plotselinge
wijzigingen tijdens het gebruik ervan soms
ongewenste acceleraties kan verrichten.
WAARSCHUWING
Wanneer de adaptieve cruisecontrol een rijdende voorligger volgt bij snelheden boven
30 km/h (20 mph) en het doelvoertuig verruilt
voor een stilstaand voertuig, dan zal de adaptieve cruisecontrol het stilstaande voertuig
negeren en in plaats daarvan accelereren tot
de opgeslagen snelheid.
Van doelvoertuig veranderen
•
Vermijd daarom de volgende situaties:
•
u nadert een afslag om af te slaan in de
richting die normaal voor inhaalmanoeuvres geldt
•
een voorligger mindert vaart voordat uw
auto de inhaalstrook heeft bereikt
•
het verkeer op de inhaalstrook mindert
vaart
•
een auto bestemd voor rechtsrijdend verkeer rijdt in een land met linksrijdend verkeer (of andersom).
Dergelijke situaties zijn te vermijden door ACC56
tijdelijk stand-by te zetten.
Gerelateerde informatie
•
56
57
330
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
Automatische stand-bystand bij wijziging van
doelvoertuig
De adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld
en stand-by gezet in de volgende gevallen:
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat, kan het
gebeuren dat een stilstaande voorligger het nieuwe
doelvoertuig wordt.
Wanneer de adaptieve cruisecontrol een rijdende
voorligger volgt bij snelheden onder 30 km/h,
(20 mph) van doelvoertuig verandert en een stilstaand voertuig volgt, zal de adaptieve cruisecontrol voor het stilstaande voertuig remmen.
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en de
adaptieve cruisecontrol kan niet registreren
of het doelobject een stilstaand voertuig is of
een ander object, zoals een verkeersdrempel.
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en de
voorligger slaat af, zodat de adaptieve cruisecontrol geen voorligger meer heeft om te volgen.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Adaptive Cruise Control
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Automatische remfunctie van
adaptieve cruisecontrol
N.B.
ACC kan de auto maximaal 5 minuten stilhouden – daarna wordt de parkeerrem aangezet,
waarna de adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld.
De adaptieve cruisecontrol (ACC58) heeft een
speciale remfunctie voor ritten bij langzaamrijdend verkeer en stilstand.
Remfunctie bij langzaamrijdend verkeer
en stilstand
Bij korte stops tijdens filerijden of voor verkeerslichten wordt de rit automatisch hervat bij een
stop korter dan zo'n 3 seconden - duurt het langer voordat een voorligger weer gaat rijden, dan
wordt de adaptieve cruisecontrol stand-by gezet
met de automatische remfunctie.
–
De adaptieve cruisecontrol kunt u op een van
de volgende manieren heractiveren:
•
•
Druk op de stuurknop
.
Trap het gaspedaal in.
> De adaptieve cruisecontrol hervat het volgen van de voorligger als deze binnen
ongeveer 6 seconden vooruit begint te rijden.
Om de Adaptieve cruisecontrole te kunnen
heractiveren moet u eerst de parkeerrem lossen.
Annulering van automatische remfunctie
In bepaalde situaties wordt de automatische remfunctie bij stilstand geannuleerd en wordt de
adaptieve cruisecontrol stand-by gezet. Dat betekent dat de remmen worden gelost en de auto
mogelijk gaat rollen – u moet daarom ingrijpen
en zelf remmen om de auto stil te houden.
Dit gebeurt als de adaptieve cruisecontrol de
auto staande houdt met behulp van de bedrijfsrem en:
•
u het bestuurdersportier opent of de veiligheidsgordel losmaakt
•
ACC de auto langer dan ongeveer 5 minuten
staande heeft gehouden
•
•
de remmen oververhit zijn geraakt
u de motor handmatig uitschakelt.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Dat is mogelijk in de volgende situaties:
•
•
•
•
u bedient het rempedaal
u zet de parkeerrem aan
u zet de keuzehendel in de stand P, N of R
u zet de adaptieve cruisecontrol stand-by.
Automatische activering van
parkeerrem
In bepaalde situaties wordt de parkeerrem aangezet om te zorgen dat de auto blijft stilstaan.
58
Adaptive Cruise Control
* Optie/accessoire. 331
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van adaptieve
cruisecontrol
N.B.
De functie maakt gebruik van de radareenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie het artikel "Beperkingen van de radareenheid".
De adaptieve cruisecontrol (ACC59) kent mogelijk beperkingen in bepaalde situaties.
Steile wegen en/of zware belading
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in eerste
instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op
vlakke weggedeelten. Het systeem heeft mogelijk
moeite om de juiste afstand ten opzichte van
voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen – blijf dan extra alert en rem zo
nodig zelf.
•
Maak geen gebruik van de adaptieve cruisecontrol, als de auto zwaar beladen is of wanneer er een aanhangwagen achter de auto
hangt.
Overig
•
Rijmodus Off Road kan niet worden gekozen als de adaptieve cruisecontrol is geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
Wisselen tussen cruisecontrol en
adaptieve cruisecontrol
Bij een auto met adaptieve cruisecontrol
(ACC60) kunt u wisselen tussen cruisecontrol
(CC61) en ACC.
Het symbool op het bestuurdersdisplay geeft aan
welke cruisecontrol actief is:
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
CC
ACC
A
Cruisecontrol
A
A
Adaptieve cruisecontrol
WIT symbool: De functie is actief, GRIJS symbool: Stand-by zetten
Overschakelen van ACC op CC
U doet dat als volgt:
1.
Zet de adaptieve cruisecontrol stand-by met
de stuurknop
.
N.B.
Het systeem maakt gebruik van de cameraeenheid van de auto, die een aantal algemene beperkingen heeft, zie hoofdstuk
'Beperkingen van de camera-eenheid'.
59
60
61
332
Adaptive Cruise Control
Adaptive Cruise Control
Cruise Control
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
2.
Druk op de knop Cruise control op het
functiescherm van het middendisplay – de
kleur van het controlelampje in de knop verandert van GRIJS in GROEN.
> Op het bestuurdersdisplay maakt het symbool voor
ACC plaats voor
Overschakelen van CC op ACC
U doet dat als volgt:
1.
Zet de cruisecontrol stand-by met de stuur.
knop
2.
Druk op de knop Cruise control op het
functiescherm – de kleur van het controlelampje in de knop verandert van GROEN in
GRIJS.
> Op het bestuurdersdisplay maakt het sym-
CC - daarna is de adaptieve
cruisecontrol uitgeschakeld en staat de
cruisecontrol stand-by.
3.
bool voor
.
Druk op de stuurknop
> De cruisecontrol wordt gestart en de
actuele snelheid wordt opgeslagen.
WAARSCHUWING
Overschakeling van ACC op CC houdt in dat
de auto:
•
niet langer het ingestelde tijdsverschil ten
opzichte van voorliggers aanhoudt;
•
de opgeslagen snelheid hanteert, zodat u
als bestuurder waar nodig zelf actief moet
remmen.
CC plaats voor
ACC – daarmee is de cruisecontrol uitgeschakeld en staat de adaptieve
cruisecontrol stand-by.
3.
.
Druk op de stuurknop
> De adaptieve cruisecontrol start en slaat
de actuele snelheid op samen met het
vooraf ingestelde tijdsverschil ten opzichte
van voorliggers.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
Als CC bij het uitschakelen van de motor actief is,
wordt ACC bij de volgende motorstart automatisch geactiveerd.
* Optie/accessoire. 333
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
adaptieve cruisecontrol
Op het bestuurdersdisplay en/of head-updisplay* kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van de adaptieve cruisecontrol (ACC62).
Op de voorgaande afbeelding64 ziet u dat de
adaptieve cruisecontrol is ingesteld op het aanhouden van een snelheid van 110 km/h
(68 mph) en dat er geen voorliggers zijn die het
systeem kan volgen.
(68 mph) en dat het systeem een voorligger volgt
die op dezelfde snelheid rijdt.
Hier volgen enkele voorbeelden63.
Op de voorgaande afbeelding64 ziet u dat de
adaptieve cruisecontrol is ingesteld op het aanhouden van een snelheid van 110 km/h
62
63
64
334
Adaptive Cruise Control
Op de onderstaande voorbeeldafbeeldingen informeert de RSI (Road Sign Information) u dat de maximumsnelheid 130 km/h (80 mph) bedraagt.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbool
Melding
Betekenis
Het symbool is WIT.
De auto houdt de opgeslagen/gekozen snelheid aan.
Adaptieve cruise
De adaptieve cruisecontrol staat stand-by.
Niet beschikbaar
Het symbool is GRIJS.
Adaptieve cruise
Service vereist
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Het symbool is GRIJS.
Voorruitsensor
Reinig de voorruit vóór de sensoren van de gecombineerde camera en radarsensor.
Sensor afgedekt, zie handleiding
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* (p. 320)
* Optie/accessoire. 335
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Pilot Assist
Pilot Assist helpt u om tussen de zijmarkeringen
van de rijbaan te blijven rijden dankzij stuurhulp,
een constante snelheid aan te houden en een
vooraf geselecteerd tijdsverschil ten opzichte
van voorliggers.
Pilot Assist werkt als volgt
Pilot Assist is voornamelijk bestemd voor gebruik
op snelwegen, hoofdwegen en dergelijke om u
een comfortabeler en meer ontspannen rijervaring te bieden.
De gecombineerde camera en radarsensor meet de
afstand tot voorliggers en detecteert zijmarkeringen65.
Gecombineerde camera en radarsensor
Afstandssensor
U kiest de gewenste snelheid en het aan te houden tijdsverschil ten opzichte van voorliggers.
Pilot Assist registreert de afstand tot de voorligger en de zijmarkeringen van de rijstrook op de
weg via de gecombineerde camera en radarsensor. Het vooraf ingestelde tijdsverschil wordt aangehouden via automatische aanpassing van de
snelheid, terwijl de stuurassistentie helpt om de
auto binnen de rijstrookmarkeringen te houden.
Pilot Assist-stuurassistentie wordt gebaseerd op
een combinatie van het traject dat de voorligger
aflegt en de zijmarkeringen van de rijbaan. U kunt
op elk gewenst moment het stuuradvies van Pilot
Assist negeren en in een andere richting sturen,
bijvoorbeeld om van rijstrook te wisselen of om
obstakels op de weg te omzeilen.
Als Pilot Assist de rijbaan niet goed kan detecteren, bijvoorbeeld als de gecombineerde camera
en radarsensor de zijmarkeringen van de rijbaan
niet kan zien, schakelt Pilot Assist de stuurhulp
tijdelijk uit, maar de stuurhulp wordt weer ingeschakeld zodra de rijbaan weer wordt gedetecteerd – de snelheids- en afstandsregelingen blijven echter geactiveerd.
WAARSCHUWING
De stuurhulp van Pilot Assist wordt automatisch en zonder waarschuwing vooraf uit- en
weer ingeschakeld.
Zijmarkeringssensor
65
336
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
De kleur van het stuursymbool
geeft de actuele status van de
stuurhulp aan:
• een GROEN stuur geeft aan
dat de stuurhulp actief is
• een GRIJS stuur (zoals afgebeeld) geeft aan dat de stuurhulp niet actief is.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
•
•
•
•
Pilot Assist is een systeem voor aanvullende bestuurdersondersteuning om de
bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid
te verhogen, maar het systeem werkt niet
in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over het systeem in de gebruikershandleiding door te nemen en bijvoorbeeld te
lezen over de beperkingen die u moet
kennen voordat u het systeem gebruikt
(zie de lijst met links aan het einde van dit
artikel).
Gebruik Pilot Assist alleen bij duidelijke
markeringen aan weerszijden van de rijstrook. Bij gebruik in andere situaties
bestaat het risico dat u op omringende
obstakels botst die het systeem niet kan
detecteren.
Pilot Assist ontslaat u niet van de plicht
om alert en adequaat te reageren, zodat u
de auto altijd op een veilige manier moet
blijven besturen, met inachtneming van
de juiste positie binnen de rijstrook, een
passende snelheid en geschikte afstand
tot andere weggebruikers en met respect
voor de geldende verkeersregels en bepalingen.
N.B.
Afhankelijk van de markt kan dit een standaardfunctie of een optie zijn.
Pilot Assist regelt de snelheid door de stand van
de gasklep aan te passen en zo nodig af te remmen. Het is normaal dat de remmen zwakke
geluiden produceren, wanneer ze worden
gebruikt bij het aanpassen van de snelheid.
Pilot Assist probeert de snelheid op een soepele
manier te regelen. In situaties waarin krachtig
moet worden geremd moet u dan ook zelf te
remmen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij grote
snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig
remt. Door beperkingen van de gecombineerde
camera en radarsensor is het mogelijk dat er
onverwacht of helemaal niet wordt geremd.
Voor auto's met een automatische versnellingsbak geldt:
•
Pilot Assist kan voorliggers volgen bij snelheden van stilstand tot 200 km/h (125 mph).
•
Pilot Assist kan stuurhulp bieden bij snelheden van om en nabij stilstand tot 140 km/h
(87 mph).
Voor auto's met een handgeschakelde versnellingsbak geldt:
•
Pilot Assist kan voorliggers volgen bij snelheden van 30 km/h (20 mph) tot 200 km/h
(125 mph).
•
Pilot Assist kan stuurhulp bieden bij snelheden van 30 km/h (20 mph) tot 140 km/h
(87 mph).
Pilot Assist streeft ernaar het door u ingestelde
tijdsverschil ten opzichte van voorliggers in
dezelfde rijstrook aan te houden. Als de radarsensor geen voorligger registreert, houdt de auto
in plaats daarvan de snelheid aan die op de
cruisecontrol werd ingesteld. Dit gebeurt ook als
de snelheid van de voorligger toeneemt en de
ingestelde snelheid overschrijdt.
}}
337
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
•
Pilot Assist is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt
dat het systeem een voorligger niet registreert.
•
Pilot Assist remt niet voor mensen, dieren, obstakels, kleine voertuigen (zoals
fietsen en motorfietsen), lage aanhangwagens/trailers, tegenliggers en langzaam rijdende of stilstaande voorliggers.
•
Gebruik Pilot Assist niet in lastige situaties zoals in stadsverkeer, op kruisingen,
bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval
of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met veel water of natte sneeuw, op
bochtige wegen, op af- en opritten of met
een aanhangwagen achter de auto.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud aan de componenten die
onderdeel zijn Pilot Assist over aan een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
besturing zelf verder over te nemen, vooral in
bochten.
Pilot Assist probeert altijd om de auto
in het midden van de rijstrook te
houden
Wanneer Pilot Assist helpt bij het sturen, probeert de functie altijd om de auto midden tussen
de rijstrookmarkeringen te brengen en het wordt
daarom aanbevolen om de auto zelf de optimale
positie te laten zoeken, om op deze manier een
zo soepel mogelijke rijervaring mogelijk te maken.
Als bestuurder controleert u of de auto op een
veilige manier in de rijstrook gebracht wordt en u
kunt de positie dus altijd aanpassen door de
besturing zelf verder over te nemen.
Mocht Pilot Assist de auto niet op een correcte
manier naar de rijstrook brengen, dan adviseren
we om Pilot Assist uit te zetten of over te schakelen op de adaptieve cruisecontrol.
Pilot Assist werkt samen met de bestuurder
zodat u de stuurhulp van Pilot Assist niet moet
afwachten maar altijd klaar moet staan om de
338
Bediening
Als de auto een afslag of splitsing van de rijstrook nadert, dient u naar de gewenste rijstrook te
sturen om de gewenste rijrichting kenbaar te
maken aan Pilot Assist.
In bochten en bij wegsplitsingen
65
Overzicht
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Knoppen en symbolen voor desbetreffende functies65.
: Activeert Pilot Assist vanuit de standbystand en hervat de opgeslagen snelheid
en het opgeslagen tijdsverschil
: Verhoogt de opgeslagen snelheid
: Vanuit de stand-bystand - activeert
Pilot Assist en slaat de actuele snelheid op
: Vanuit de actieve stand - deactiveert
Pilot Assist zet deze stand-by
◀: Schakelt over van Pilot Assist op adaptieve cruisecontrol
: Verlaagt de opgeslagen snelheid
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Vergroot het tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger
Bestuurdersdisplay
▶: Schakelt over van adaptieve cruisecontrol
op Pilot Assist
Verkleint het tijdsverschil ten opzichte van de
voorligger
Functiesymbool
Symbolen voor doelvoertuig plus tijdsverschil
ten opzichte van voorligger
Symbool voor geactiveerde/gedeactiveerde
stuurhulp
Snelheidsaanduidingen65.
Opgeslagen snelheid
Snelheid van de voorligger
Actuele snelheid van uw auto
Voor informatie over verschillende symboolcombinaties in uitlopende verkeerssituaties – zie de
rubriek "Symbolen en meldingen voor Pilot
Assist".
•
•
Snelheidsfuncties voor Pilot Assist (p. 342)
•
Pilot Assist deactiveren/heractiveren
(p. 344)
•
•
Inhaalassistent met Pilot Assist (p. 346)
•
Beperkingen van de inhaalassistent van Pilot
Assist (p. 347)
•
Van doelvoertuig veranderen bij Pilot Assist
(p. 347)
•
Automatische remfunctie van Pilot Assist
(p. 348)
•
•
Tijdsverschil instellen voor Pilot Assist
(p. 343)
Inhaalassistent van Pilot Assist starten
(p. 346)
Beperkingen van Pilot Assist (p. 348)
Symbolen en meldingen voor Pilot Assist*
(p. 350)
Gerelateerde informatie
65
•
Pilot Assist en waarschuwing bij dreigende
aanrijding (p. 340)
•
Head-updisplay voor Pilot Assist bij dreigende botsing (p. 340)
•
Pilot Assist activeren en starten (p. 341)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire. 339
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Pilot Assist en waarschuwing bij
dreigende aanrijding
N.B.
In de felle zon, bij lichtschitteringen, extreme
contrastverschillen en het gebruik van een
zonnebril of als u niet recht vooruit kijkt, zijn
de op de voorruit geprojecteerde waarschuwingssignalen soms moeilijk te ontdekken.
Waarschuwing bij dreigende aanrijding
Head-updisplay voor Pilot Assist bij
dreigende botsing
Bij een auto met een head-updisplay* verschijnt
een waarschuwing op de voorruit in combinatie
met een knipperend symbool.
WAARSCHUWING
Pilot Assist waarschuwt alleen voor voertuigen die door de camera- en radareenheid zijn
ontdekt - daarom kan een waarschuwing uitblijven of met een bepaalde vertraging worden doorgegeven.
•
Waarschuwingslampje voor Collision Warning onder aan
de voorruit66.
Pilot Assist gebruikt zo'n 40% van de capaciteit
van de bedrijfsrem. Als de auto harder moet worden afgeremd dan Pilot Assist aankan en u remt
zelf niet bij, dan wordt u er met het waarschuwingslampje en een waarschuwingssignaal op
attent gemaakt dat u onmiddellijk moet ingrijpen.
Wacht een waarschuwing nooit af, maar
rem als dat nodig is!
Gerelateerde informatie
•
Symbool voor Collision Warning onder aan de voorruit67.
Pilot Assist (p. 336)
N.B.
In de felle zon, bij lichtschitteringen, extreme
contrastverschillen en het gebruik van een
zonnebril of als u niet recht vooruit kijkt, zijn
de op de voorruit geprojecteerde waarschuwingssignalen soms moeilijk te ontdekken.
Gerelateerde informatie
•
66
67
340
Pilot Assist (p. 336)
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Pilot Assist activeren en starten
Met de adaptieve cruisecontrol stand-by:
Pilot Assist moet, om de snelheid en het tijdsverschil te kunnen regelen en stuurhulp te kunnen
bieden, eerst worden geactiveerd en vervolgens
worden gestart.
1.
2.
Druk op de stuurknop ▶ (6).
> In de stand-bystand verandert het symbool
in Pilot Assist (8).
Druk op de stuurknop
(2).
> Pilot Assist wordt gestart en de actuele
snelheid wordt opgeslagen en met cijfers
in het midden van de snelheidsmeter
weergegeven.
...of...
Met de adaptieve cruisecontrol gestart:
–
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Om Pilot Assist te kunnen starten, is het volgende vereist:
•
U moet de veiligheidsgordel om hebben en
het bestuurdersportier moet dichtstaan.
•
Er moet binnen een redelijke afstand een
voorligger (doelvoertuig) aanwezig zijn of de
actuele snelheid moet minimaal 15 km/h
(9 mph) zijn.
•
Druk op de stuurknop ▶ (6).
> Pilot Assist wordt gestart.
Alleen wanneer de kleur van
het stuursymbool (2) verandert
van GRIJS in GROEN, is de
stuurhulp van Pilot Assist
actief.
Alleen wanneer het afstandssymbool een auto (1) boven het stuursymbool
aangeeft, regelt Pilot Assist het tijdsverschil en
opzichte van voorliggers.
De hogere snelheid is de opgeslagen/gekozen
snelheid en de lagere snelheid is de snelheid van
de voorligger (het doelvoertuig).
Handen aan het stuur
Een voorwaarde voor de werking van Pilot Assist
is dat u uw handen aan het stuur houdt. Als Pilot
Assist registreert dat u uw handen niet aan het
stuurwiel houdt, krijgt u een akoestisch waarschuwingssignaal te horen en een displaytekst
met het verzoek om de auto actief te sturen.
Als Pilot Assist daarna nog steeds niet kan registreren dat u de handen aan het stuur hebt, gaat
het systeem stand-by staan. Daarna moet u Pilot
.
Assist opnieuw starten met de stuurknop
N.B.
Let op: de hulpfunctie Pilot Assist werkt
alleen als u de handen aan het stuur hebt.
Gerelateerde informatie
•
Pilot Assist (p. 336)
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd.
Voor auto's met een handgeschakelde versnellingsbak: De snelheid moet minimaal
30 km/h (20 mph) bedragen.
341
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsfuncties voor Pilot Assist
–
Pilot Assist is in te stellen op verschillende snelheden.
U wijzigt de opgeslagen snelheid door kort of
(1) of
(2) te
lang op de stuurknop
drukken:
•
Snelheid instellen/opgeslagen snelheid
wijzigen
•
•
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model en de markt zijn afwijkingen mogelijk.
: Verhoogt de opgeslagen snelheid
: Verlaagt de opgeslagen snelheid
Opgeslagen snelheid
Kort drukken: Iedere keer dat u de knop
indrukt past u de snelheid aan in stappen
van +/- 5 km/h (+/- 5 mph).
Knop indrukken en vasthouden: Laat de
knop los als de snelheidsindicator (3) de
gewenste snelheid aangeeft.
De laatst verrichte aanpassing met de knop
wordt in het geheugen opgeslagen.
Als de snelheid met het gaspedaal wordt verhoogd voordat op de stuurknop
wordt
gedrukt, wordt de actuele rijsnelheid bij het drukken op de knop opgeslagen, op voorwaarde dat u
bij het drukken op de knop uw voet op het gaspedaal houdt.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Automatische versnellingsbak
Pilot Assist kan voorliggers volgen bij snelheden
van stilstand tot 200 km/h (125 mph).
Let erop dat 30 km/h (20 mph) de minimumsnelheid is waarop Pilot Assist in te stellen is –
ook al kan het systeem een voorligger volgen tot
aan stilstand, is het kiezen/opslaan van een
342
lagere snelheid dan de genoemde 30 km/h
(20 mph) niet mogelijk.
De hoogst mogelijk snelheid die u kunt instellen
is 200 km/h (125 mph).
Handgeschakelde versnellingsbak
Pilot Assist kan voorliggers volgen bij snelheden
van 30 km/h (20 mph) tot 200 km/h (125 mph).
30 km/h (20 mph) is de minimumsnelheid
waarop Pilot Assist in te stellen is – 200 km/h
(125 mph) is de maximumsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
Pilot Assist (p. 336)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Tijdsverschil instellen voor Pilot
Assist
N.B.
Voor Pilot Assist kunnen verschillende tijdsverschillen worden ingesteld.
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het bestuurdersdisplay
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe groter het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen met
zo'n 1 seconde ten opzichte van de voorligger en
5 streepjes komt overeen met zo'n 3 seconden.
Wanneer alleen het autosymbool verschijnt, is
er binnen een redelijke afstand geen voorligger aanwezig.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaald
tijdsverschil.
•
Houd alleen een tijdsverschil aan dat niet
in strijd is met de geldende verkeersregels.
•
Als Pilot Assist bij activering niet lijkt te
reageren met een verhoging van de snelheid, kan dat komen doordat het actuele
tijdsverschil ten opzichte van de voorligger kleiner is dan het ingestelde tijdsverschil.
Bedieningselementen voor het tijdsverschil68.
Tijdsverschil verkleinen
Tijdsverschil vergroten
N.B.
Wanneer op het bestuurdersdisplay het autosymbool met een stuur verschijnt, volgt Pilot
Assist een voorligger met het gekozen tijdverschil.
•
Afstandsindicatie
–
Druk op de stuurknop (1) of (2) om het tijdsverschil te verkleinen of te vergroten.
> De afstandsindicatie (3) toont het actuele
tijdsverschil.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen
blijven volgen staat Pilot Assist in bepaalde situaties aanzienlijke variaties in het tijdsverschil toe.
Zo vergroot Pilot Assist het tijdsverschil iets bij
lage snelheden (en korte tijden).
WAARSCHUWING
•
Houd alleen een tijdsverschil aan dat zich
leent voor de actuele verkeerssituatie.
•
Let erop dat geringe tijdsverschillen u bij
plotselinge wijzigingen in de verkeerssituatie minder tijd geven om te reageren
en in te grijpen.
Aangeven hoe Pilot Assist een
bepaalde afstand* tot voorliggers moet
aanhouden
U kunt aangeven op welke manier de Pilot Assist
een bepaalde afstand tot voorliggers moet aan-
68
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire. 343
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
houden. U maakt een keuze via de rijmodusknop
DRIVE MODE.
Pilot Assist deactiveren/
heractiveren
Kies een van de volgende alternatieven:
Pilot Assist is tijdelijk te deactiveren en stand-by
te zetten en vervolgens weer te activeren.
• Eco - Pilot Assist streeft naar een zo laag
mogelijk brandstofverbruik wat grotere tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers betekent.
Pilot Assist deactiveren en stand-by
zetten
Druk op de stuurknop ◀ (3).
> Pilot Assist wordt uitgeschakeld en schakelt over naar de adaptieve cruisecontrol
in actieve stand.
–
WAARSCHUWING
•
Wanneer Pilot Assist stand-by staat moet
u actief ingrijpen alsook zelf sturen en uw
snelheid en afstand aanpassen ten
opzichte van voorliggers.
•
Wanneer Pilot Assist stand-by staat en
de auto een voorligger te dicht nadert,
krijgt u echter een waarschuwing voor de
te kleine afstand van de Distance Alert.
• Comfort - Pilot Assist streeft naar een zo
soepel mogelijke aanpassing aan de rijsnelheid van voorliggers.
• Dynamic - Pilot Assist streeft naar een
directere vorm van aanpassing aan het ingestelde tijdsverschil ten opzichte van voorliggers, wat in bepaalde gevallen krachtiger
acceleraties/remmanoeuvres kan betekenen.
Zie voor meer informatie de paragraaf "Rijmodi".
Aanvullende informatie vindt u ook in de paragrafen "Snelheidsfunctie voor cruisecontrol" en "Rijmodus ECO".
Gerelateerde informatie
•
Pilot Assist (p. 336)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Om Pilot Assist tijdelijk uit te schakelen en
stand-by te zetten:
–
Druk op de stuurknop
(2).
> Pilot Assist gaat stand-by staan – de kleur
van het symbool (8) op het bestuurdersdisplay verandert van WIT in GRIJS en de
kleur van de opgeslagen snelheid in het
midden van de snelheidsmeter verandert
van BEIGE in GRIJS.
...of...
344
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Stand-by vanwege ingreep van bestuurder
Pilot Assist wordt tijdelijk gedeactiveerd en
stand-by gezet in de volgende gevallen:
•
•
•
u bedient het rempedaal.
•
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
•
u bedient het koppelingspedaal langer dan
ca. 1 minuut – geldt voor auto's met handgeschakelde versnellingsbak.
Wanneer de auto automatisch stand-by staat,
wordt u gewaarschuwd met een geluidssignaal en een melding op het bestuurdersdisplay.
u zet de keuzehendel in stand N.
•
u hebt de richtingaanwijzers langer dan
1 minuut gebruikt.
Wanneer u gas bijgeeft met het gaspedaal zoals
bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen
snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Bij gebruik van de richtingaanwijzers wordt de
stuurhulp van Pilot Assist tijdelijk uitgeschakeld.
Wanneer dat niet langer het geval is, wordt de
stuurhulp automatisch opnieuw geactiveerd als
de zijlijnen van de rijstrook nog steeds te detecteren zijn.
Automatische stand-bystand
Pilot Assist is afhankelijk van andere systemen
zoals de stabiliteitsregeling/antislipregeling
ESC69. Als een van dergelijke andere systemen
uitvalt, wordt Pilot Assist automatisch uitgeschakeld.
69
WAARSCHUWING
Electronic Stability Control
Als bestuurder moet u dan zelf de snelheid aanpassen, zo nodig remmen en een
veilige afstand houden tot voorliggers.
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en de
voorligger slaat af, zodat Pilot Assist geen
voorligger meer heeft om te volgen.
•
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph) – geldt alleen voor auto's met een
handgeschakelde versnellingsbak.
Pilot Assist heractiveren vanuit standbystand
De automatische stand-by kan bijvoorbeeld veroorzaakt zijn door:
•
•
•
•
•
•
•
u opent het bestuurdersportier.
•
de gecombineerde camera en radarsensor
wordt afgedekt door sneeuw of zware regenval (blokkering cameralens/radarsignalen).
•
u rijdt langzamer dan 5 km/h (3 mph) en
Pilot Assist weet niet of de voorligger een
stilstaand voertuig is of een object, zoals een
verkeersdrempel.
de remmen hebben een hoge temperatuur.
u houdt uw handen niet aan het stuurwiel.
de parkeerrem wordt geactiveerd.
het motortoerental is te laag/hoog.
u doet de veiligheidsgordel af.
een of meer wielen verliezen hun grip op het
wegdek.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Om Pilot Assist opnieuw te activeren:
–
Druk op de stuurknop
(1).
> De auto hervat de laatst opgeslagen snelheid.
}}
345
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
Wanneer u de snelheid weer hervat met de
, kan er een markante snelstuurknop
heidstoename volgen.
Gerelateerde informatie
•
Pilot Assist (p. 336)
Inhaalassistent met Pilot Assist
Pilot Assist kan u helpen bij het inhalen van
andere voertuigen.
Hoe de inhaalassistent werkt
Als Pilot Assist een ander voertuig volgt en u
geeft met de richtingaanwijzer70 te kennen dat u
wilt inhalen, dan helpt Pilot Assist door naar de
voorligger te accelereren voordat uw auto de
inhaalstrook heeft bereikt.
De functie vertraagt daarna de snelheidsverlaging om te vroeg afremmen te voorkomen als de
auto een langzamer voertuig nadert.
De functie is actief totdat u het ingehaalde voertuig bent gepasseerd.
WAARSCHUWING
Let erop dat dit systeem mogelijk in meer
situaties wordt geactiveerd dan tijdens het
inhalen, zoals bij het gebruik van de richtingaanwijzers om aan te geven dat u van rijbaan
wilt wisselen of wilt afslaan – de auto accelereert dan kort.
Gerelateerde informatie
•
70
346
Inhaalassistent van Pilot Assist
starten
Voorwaarden voor gebruik van de
inhaalassistent
Om de inhaalassistent te kunnen activeren, is het
volgende vereist:
•
•
•
er is een voorligger (doelvoertuig) aanwezig
de actuele snelheid van uw auto is minimaal 70 km/h (43 mph)
de opgeslagen snelheid voor Pilot Assist is
hoog genoeg om veilig te kunnen inhalen.
Inhaalassistent starten
Om de inhaalassistent te starten:
–
Activeer de richtingaanwijzer.
Gebruik de linker richtingaanwijzer bij een
auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzer bij een auto met het stuur
rechts.
> De inhaalassistent wordt gestart.
Gerelateerde informatie
•
Pilot Assist (p. 336)
Alleen bij gebruik van de linker richtingaanwijzers bij een auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzers bij een auto met het stuur rechts.
Pilot Assist (p. 336)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van de inhaalassistent
van Pilot Assist
Van doelvoertuig veranderen bij
Pilot Assist
De inhaalassistent kent mogelijk beperkingen in
bepaalde situaties.
Pilot Assist kan bij auto's met een automatische
versnellingsbak op bepaalde snelheden remmen.
WAARSCHUWING
Let erop dat de inhaalassistent bij plotselinge
wijzigingen tijdens het gebruik ervan soms
ongewenste acceleraties kan verrichten.
WAARSCHUWING
Wanneer Pilot Assist een rijdende voorligger
volgt bij snelheden boven 30 km/h (20 mph)
en het doelvoertuig verruilt voor een stilstaand
voertuig, dan zal Pilot Assist het stilstaande
voertuig negeren en in plaats daarvan accelereren tot de opgeslagen snelheid.
Van doelvoertuig veranderen
•
Vermijd daarom de volgende situaties:
•
u nadert een afslag om af te slaan in de
richting die normaal voor inhaalmanoeuvres geldt
•
een voorligger mindert vaart voordat uw
auto de inhaalstrook heeft bereikt
•
het verkeer op de inhaalstrook mindert
vaart
•
een auto bestemd voor rechtsrijdend verkeer rijdt in een land met linksrijdend verkeer (of andersom).
Dergelijke situaties zijn te vermijden door Pilot
Assist tijdelijk stand-by te zetten.
Gerelateerde informatie
•
Pilot Assist (p. 336)
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
Automatische stand-bystand bij wijziging van
doelvoertuig
Pilot Assist wordt uitgeschakeld en stand-by
gezet:
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat, kan het
gebeuren dat een stilstaande voorligger het nieuwe
doelvoertuig wordt.
Wanneer Pilot Assist een rijdende voorligger
volgt bij snelheden onder 30 km/h, (20 mph)
van doelvoertuig verandert en een stilstaand
voertuig volgt, zal Pilot Assist voor het stilstaande
voertuig remmen.
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(3 mph) en Pilot Assist niet kan registreren
of het doelobject een stilstaand voertuig is of
een ander object, zoals een verkeersdrempel.
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(3 mph) en de voorligger afslaat, zodat Pilot
Assist geen voorligger meer heeft om te volgen.
Gerelateerde informatie
•
Pilot Assist (p. 336)
347
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Automatische remfunctie van Pilot
Assist
Pilot Assist heeft een speciale remfunctie voor
ritten bij langzaamrijdend verkeer en stilstand.
Remfunctie bij langzaamrijdend verkeer
en stilstand
Na korte stops tot zo'n 3 seconden tijdens filerijden of voor verkeerslichten rijdt de auto automatisch verder. Duurt het langer voordat een voorligger weer gaat rijden, dan wordt de Pilot Assist
stand-by gezet met automatische remfunctie.
–
Pilot Assist kunt u op een van de volgende
manieren heractiveren:
•
•
Druk op de stuurknop
.
Trap het gaspedaal in.
> Pilot Assist hervat het volgen van de voorligger als deze binnen
ongeveer 6 seconden vooruit begint te rijden.
N.B.
Pilot Assist kan de auto maximaal 5 minuten
stilhouden - daarna wordt de parkeerrem aangezet, waarna de functie wordt uitgeschakeld.
Om Pilot Assist te kunnen heractiveren, moet
u eerst de parkeerrem lossen.
Annulering van automatische remfunctie
In bepaalde situaties wordt het automatisch remmen bij stilstand geannuleerd en wordt Pilot
Assist stand-by gezet. Dat betekent dat de remmen worden gelost en de auto mogelijk gaat rollen – u moet daarom ingrijpen en zelf remmen
om de auto stil te houden.
Dat is mogelijk in de volgende situaties:
•
•
•
•
u bedient het rempedaal
u zet de parkeerrem aan
u zet de keuzehendel in de stand P, N of R
u Pilot Assist stand-by zet.
Automatische activering van
parkeerrem
In bepaalde situaties wordt de parkeerrem aangezet om ervoor te zorgen dat de auto blijft stilstaan.
Dit gebeurt als Pilot Assist de auto staande
houdt met behulp van de bedrijfsrem en:
•
u het bestuurdersportier opent of de veiligheidsgordel losmaakt
•
Pilot Assist de auto langer dan
ongeveer 5 minuten staande heeft gehouden
•
•
de remmen oververhit zijn geraakt
u de motor handmatig uitschakelt.
Gerelateerde informatie
•
348
Pilot Assist (p. 336)
Beperkingen van Pilot Assist
In bepaalde situaties gelden mogelijk beperkingen voor de werking van Pilot Assist.
Pilot Assist is een hulpmiddel dat u in veel situaties kan ondersteunen en helpen. U bent er
echter altijd zelf verantwoordelijk voor dat u een
veilige afstand aanhoudt ten opzichte van de
omgeving en dat u de juiste positie op de rijbaan
aanhoudt.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
slechte lichtomstandigheden, tegenlicht,
een natte rijbaan et cetera.
WAARSCHUWING
In bepaalde situaties heeft de stuurassistentie
van Pilot Assist moeite om u op de juiste
manier te helpen of wordt de stuurassistentie
automatisch uitgeschakeld – in dat geval is
het advies om Pilot Assist niet te gebruiken.
Voorbeelden van dergelijke situaties:
•
de rijstrookmarkeringen zijn afgesleten,
ontbreken of kruisen elkaar.
•
de rijstrookindeling is niet duidelijk, bijvoorbeeld wanneer de rijstroken worden
gesplitst of samengevoegd, bij afritten of
als er sprake is van meerdere sets wegmarkeringen.
•
er zijn randen of andere lijnen dan rijstrookmarkeringen aanwezig op of naast de
rijbaan, zoals trottoirbanden, naden of
reparaties in het oppervlak van de rijbaan,
randen van barrières, bermen of scherpe
schaduwen.
•
•
de rijstrook is smal of bochtig.
•
het is slecht weer, met regen, (natte)
sneeuw of mist of verminderd zicht met
de rijstrook loopt over een top van een
helling of een verkeerdrempel.
Let er ook op dat Pilot Assist de volgende
beperkingen heeft:
•
•
•
Hoge trottoirbanden, barrières en tijdelijke wegversperringen (pylonen, andere
barrières et cetera) worden niet gedetecteerd. Ze kunnen ten onrechte worden
verward met rijstrookmarkeringen, zodat
het risico bestaat dat de auto in aanraking komt met dergelijke barrières. Het is
aan de bestuurder om voldoende afstand
te houden tot de genoemde barrières.
De gecombineerde radarsensor en
camera heeft onvoldoende capaciteit om
alle aanwezige objecten en obstakels in
het verkeer te ontdekken, zoals kuilen,
stilstaande obstakels of voorwerpen die
de route geheel of gedeeltelijk blokkeren.
de paragraaf "Snelheidsafhankelijke
stuurkracht").
U kunt actuele stuuringrepen van Pilot Assist
altijd corrigeren of aanpassen en zelf het stuur in
de gewenste stand draaien.
Steile wegen en/of zware belading
Let erop dat Pilot Assist in eerste instantie
bestemd is voor gebruik tijdens ritten op vlakke
weggedeelten. Het systeem heeft mogelijk
moeite om de juiste afstand ten opzichte van
voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen – blijf dan extra alert en rem zo
nodig zelf.
•
Pilot Assist "ziet" voetgangers, dieren en
dergelijke niet.
•
De aanbevolen stuuringreep is in sterkte
beperkt, wat inhoudt dat het systeem u
niet altijd kan helpen de auto zo te sturen
dat deze binnen de rijstrook blijft.
•
Pilot Assist wordt uitgeschakeld als de
stuurbekrachtiging met een beperkt vermogen werkt en bijvoorbeeld wordt
gekoeld op grond van oververhitting (zie
Maak geen gebruik van Pilot Assist als de
auto zwaar beladen is of wanneer er een
aanhangwagen achter de auto hangt.
N.B.
Pilot Assist is niet te activeren als een aanhanger, fietsdrager of iets dergelijks worden
aangesloten op het elektrische systeem van
de auto.
Overig
•
U kunt Off Road niet kiezen, wanneer Pilot
Assist is geactiveerd.
}}
349
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
N.B.
Het systeem maakt gebruik van de cameraeenheid van de auto, die een aantal algemene beperkingen heeft, zie hoofdstuk
'Beperkingen van de camera-eenheid'.
Symbolen en meldingen voor
Pilot Assist*
Op het bestuurdersdisplay en/of head-updisplay* kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien van Pilot Assist.
Hier volgen enkele voorbeelden71.
N.B.
De functie maakt gebruik van de radareenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie het artikel "Beperkingen van de radareenheid".
Op de voorgaande afbeelding72 ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat het systeem een voorligger volgt die op dezelfde snelheid rijdt.
Gerelateerde informatie
•
•
Pilot Assist (p. 336)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 296)
Pilot Assist geeft geen stuurhulp, omdat het de
zijlijnen van de rijstrook niet detecteren.
Op de voorgaande afbeelding72 ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat er geen
voorliggers zijn die het systeem kan volgen.
Pilot Assist geeft geen stuurhulp, omdat het de
zijlijnen van de rijstrook niet detecteren.
71
72
350
Op de onderstaande voorbeeldafbeeldingen informeert de RSI (Road Sign Information) u dat de maximumsnelheid 130 km/h (80 mph) bedraagt.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Radarsensor
De radarsensor wordt door meerdere rijhulpsystemen gebruikt en heeft tot taak om andere voertuigen te detecteren.
Op de voorgaande afbeelding72 ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat het systeem een voorligger volgt die op dezelfde snelheid rijdt.
Pilot Assist geeft nu stuurhulp, omdat het de zijlijnen van de rijstrook kan detecteren.
Op de voorgaande afbeelding72 ziet u dat Pilot
Assist is ingesteld op het aanhouden van een
snelheid van 110 km/h (68 mph) en dat er geen
voorliggers zijn die het systeem kan volgen.
En Pilot Assist geeft in dit geval stuurhulp, omdat
het de zijlijnen van de rijstrook kan detecteren.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
De radarsensor wordt gebruikt voor de volgende
systemen:
•
Pilot Assist (p. 336)
•
•
•
•
•
Afstandswaarschuwing*
Adaptieve cruisecontrol*
Rijbaanassistent
Pilot Assist*
City Safety
Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk
dat het gebruik ervan onwettig wordt.
72
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire. 351
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
352
Gerelateerde informatie
•
•
Beperkingen van de radarsensor (p. 353)
•
Typegoedkeuring voor radarsensor (p. 357)
Aanbevolen onderhoud van de radarsensor
(p. 356)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van de radarsensor
De radarsensor kent een aantal beperkingen, die
ook beperkingen met zich meebrengen voor de
functies die gebruikmaken van de eenheid.
Geblokkeerde eenheid
De radarsensor zit aan de binnenkant op het
bovenste deel van de voorruit, samen met de
camera van de auto.
BELANGRIJK
Plaats, plak of monteer niets aan de buitenof binnenkant van de voorruit, vóór of rond de
camera- en radareenheid - dat kan de op de
camera en radar gebaseerde functies verstoren.
Als op het bestuurdersdisplay dit symbool en de melding "Voorruitsensor
Sensor afgedekt, zie handleiding"
verschijnen, betekent dit dat de
gecombineerde camera en radarsensor geen
voorliggers, fietsers, voetgangers en grotere dieren voor de auto kan ontdekken en dat de functies die gebruikmaken van de gecombineerde
camera en radarsensor mogelijk storingen of
beperkingen vertonen, uitgeschakeld worden of
verkeerd reageren.
Dit kan er tevens toe leiden dat functies worden gereduceerd, volledig worden uitgeschakeld of niet goed reageren.
Houd het gemarkeerde gebied vrij van stickers, voorwerpen, zonnefilm et cetera73.
In de volgende tabel staan voorbeelden van mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en passende maatregelen:
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor is vuil
of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor
van vuil, sneeuw en ijs.
Dichte mist en zware regen- of sneeuwval blokkeren de radarsignalen of het
zicht van de camera.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de eenheid soms niet.
73
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
353
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Oorzaak
Maatregel
De radarsignalen of het zicht van de camera worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de eenheid soms niet.
Er is vuil tussen de binnenkant van de voorruit en de gecombineerde camera
en radarsensor gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de voorruit achter de behuizing van de eenheid te laten reinigen. Geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
beeld als een inhalend voertuig invoegt tussen u en uw voorligger.
N.B.
Houd het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde radarsensor en camera schoon.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen of
voertuigen die niet in het midden van de rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
Rijsnelheid
In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
De radarsensor heeft veel meer moeite om een
voorligger te ontdekken als:
•
de snelheid van de voorligger veel afwijkt van
die van uw eigen auto
Beperkt blikveld
De radarsensor heeft een beperkt blikveld. In
bepaalde gevallen wordt een voorligger niet ontdekt of later dan verwacht.
Het blikveld van de radarsensor.
Soms kan de radarsensor een voorligger op
korte afstand pas laat registreren, bijvoor-
354
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Lage aanhangwagens
Beschadigde voorruit
Volvo-werkplaats om te controleren of de
juiste voorruit wordt besteld en gemonteerd.
BELANGRIJK
Lage aanhangwagen in radarschaduw.
Ook lage aanhangwagens ontdekt de radarsensor soms alleen met grote moeite of helemaal
niet - u moet daarom extra voorzichtig zijn als er
een lage aanhangwagen achter de voorligger
hangt en de adaptieve cruisecontrol of Pilot
Assist actief is.
Hoge temperaturen
Bij zeer hoge temperaturen in het interieur zal de
gecombineerde camera en radarsensor na het
starten van de motor mogelijk tijdelijk worden uitgeschakeld gedurende zo'n 15 minuten om de
elektronica te beschermen. Als de temperatuur
voldoende gedaald is, wordt de gecombineerde
camera en radarsensor automatisch weer opgestart.
•
Als het voorruitoppervlak vóór een van beide
‘ogen’ van de camera- en radareenheid barsten, krassen of steenslagschade vertoont
van ca. 0,5 × 3,0 mm (0,02 × 0,12 in) of groter, neem dan contact op met een werkplaats
om de voorruit te laten vervangen. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Bij het vervangen van de voorruit moet de
camera- en radareenheid in de werkplaats
opnieuw worden gekalibreerd om de werking
van alle op de camera en radar gebaseerde
systemen van de auto te garanderen. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als u niets doet, presteren de bestuurdersondersteuningssystemen die gebruikmaken van
de gecombineerde camera en radarsensor
mogelijk minder goed.
Dit kan er tevens toe leiden dat functies worden gereduceerd, volledig worden uitgeschakeld of niet goed reageren.
Monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander type,
door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
Gerelateerde informatie
•
Radarsensor (p. 351)
Om te voorkomen dat de bestuurdersondersteuningssystemen die van de radarsensor
gebruikmaken, helemaal niet, onjuist of in
beperkte mate werken, geldt tevens het volgende:
•
Volvo adviseert u scheurtjes, krassen of
sterren in het gebied vóór de gecombineerde camera en radarsensor niet te
repareren, maar de complete voorruit te
vervangen.
•
Neem alvorens de voorruit te laten vervangen contact op met een erkende
355
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Aanbevolen onderhoud van de
radarsensor
De gecombineerde camera en radarsensor werkt
alleen naar behoren wanneer u vuil, ijs en
sneeuw van de voorruit verwijdert en de ruit
regelmatig reinigt met water en autoshampoo.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de camera- en radareenheid bedekken, neemt de functie af en
kan meten onmogelijk worden gemaakt.
Dit kan er tevens toe leiden dat functies worden gereduceerd, volledig worden uitgeschakeld of niet goed reageren.
Gerelateerde informatie
•
356
Radarsensor (p. 351)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Typegoedkeuring voor radarsensor
Hier staan de typegoedkeuringen voor de radarsensoren van de ACC74-, PA75- en BLIS76-functies.
Markt
ACCA &
PAB
BLISC
Symbool
Typegoedkeuring
Este equipamento opera em caráter secundário, isto é, não tem direito à proteção contra
interferência prejudicial, mesmo de estações do mesmo tipo, e não pode causar
interferência a sistemas operando em caráter primário.
✓
Modelo: L2C0054TR
4122-14-8645
Brazilië
EAN: (01)07897843840855
Modelo: L2C0055TR
✓
1500-15-8065
EAN: 07897843840978
Hereby, Delphi Electronics and Safety declares that L2C0054TR / L2C0055TR are in
compliance with the essential requirements and other relevant provisions of Directive
2014/53/EU (RED). The original declaration of conformity can be accessed at the
following link www.delphi.com/automotive-homologation.
Europa
✓
✓
Frequency Band: 76GHz – 77GHz
Maximum Output Power: 55dBm EIRP
The Declaration of Conformity may be consulted at Delphi Electronics & Safety / 2151 E.
Lincoln Road / Kokomo, Indiana 46902 USA
74
75
76
ACC = Adaptive Cruise Control
PA = Pilot Assist
BLIS = Blind Spot Information
}}
357
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Markt
ACCA &
PAB
BLISC
Typegoedkeuring
REGISTERED No: ER37536/15
✓
Verenigde Arabische
Emiraten (UAE)
Symbool
DEALER No: DA37380/15
✓
REGISTERED No: ER37357/15
DEALER No: DA37380/15
37295/POSTEL/2014
✓
4927
Indonesië
✓
38806/SDPPI/2015
4927
Type Approval No.: TRC/LPD/2014/255
✓
Equipment Type: Low Power Device (LPD)
Jordanië
✓
Type Approval No.: TRC/LPD/2015/3
Equipment Type: Low Power Device (LPD)
Certification No.
✓
MSIP-CMI- DPH-L2C0054TR
Korea
✓
Certification No.
MSIP-CMI-DPH-L2C0055TR
AGREE PAR L’ANRT MAROC
Marokko
✓
✓
NUMÉRO D’AGRÉMENT: MR 9929 ANRT 2014
DATE D’AGRÉMENT: 26/12/2014
358
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Markt
Mexico
Moldavië
ACCA &
PAB
BLISC
✓
Singapore
И011 14
✓
✓
IFETEL: RLVDEL215-0314
✓
✓
Servië
Typegoedkeuring
IFETEL: RLVDEL215-0299
✓
✓
Symbool
И011 15
✓
TA-2014/1824
✓
APPROVED
Zuid-Afrika
✓
TA-2014/2390
APPROVED
}}
359
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
ACCA &
PAB
Markt
BLISC
✓
Taiwan
Symbool
Typegoedkeuring
CCAB15LP0560T3
✓
CCAB15LP0680T0
Delphi і
✓
Oekraïne
✓
ACC = Adaptive Cruise Control
PA = Pilot Assist
BLIS = Blind Spot Information
A
B
C
Typegoedkeuring voor radioapparatuur
Markt
Europa
Symbool
Typegoedkeuring
Volvo Cars verklaart hierbij dat alle radioapparatuur conform de essentiele eisen en andere relevante bepalingen is van
de Richtlijn
2014/53/EU.
Gerelateerde informatie
•
360
Radarsensor (p. 351)
і
(
2009 .) Д
Delphi.
є, щ
і
і
ь
)
і і
і
і
RACAM/SRR2 і
і є
і
і
і
(П
КМ № 679 і 24
ь
і Delphi
П
і
:
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Camera
De camera wordt gebruikt door meerdere rijhulpsystemen en heeft tot taak om bijvoorbeeld
de zijlijnen van de weg of verkeersborden te
detecteren.
Gerelateerde informatie
•
•
Beperkingen van de camera (p. 362)
Aanbevolen onderhoud van de camera
(p. 365)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
De camera wordt gebruikt voor de volgende systemen:
•
•
•
•
•
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol*
Pilot Assist*
Rijbaanassistent*
Stuurhulp bij botsgevaar
City Safety
Driver Alert Control*
Verkeersbordinformatie*
Automatisch groot licht*
* Optie/accessoire. 361
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van de camera
Geblokkeerde eenheid
De camera kent een aantal beperkingen, die ook
beperkingen met zich meebrengen voor de functies die gebruikmaken van de eenheid.
Beperkt zicht
De camera kent ongeveer dezelfde beperkingen
als het menselijk oog. Dit houdt in dat hij minder
goed "ziet" bij hevige regen- of sneeuwval, in
dichte mist of in dikke stofwolken of stuifsneeuw.
In dergelijke omstandigheden kunnen functies
die gebruikmaken van de camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd worden.
Fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde
en onduidelijke rijstrookmarkeringen kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen voor de systemen die van de camera gebruikmaken om bijvoorbeeld het wegdek af te tasten en andere
voertuigen, fietsers, voetgangers en grotere dieren te ontdekken.
Houd het gemarkeerde gebied vrij van stickers, voorwerpen, zonnefilm et cetera77.
De camera zit aan de binnenkant op het bovenste deel van de voorruit, samen met de radarsensor van de auto.
BELANGRIJK
Plaats, plak of monteer niets aan de buitenof binnenkant van de voorruit, vóór of rond de
camera- en radareenheid - dat kan de op de
camera en radar gebaseerde functies verstoren.
Dit kan er tevens toe leiden dat functies worden gereduceerd, volledig worden uitgeschakeld of niet goed reageren.
77
362
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Als op het bestuurdersdisplay dit symbool en de melding "Voorruitsensor
Sensor afgedekt, zie handleiding"
verschijnen, betekent dit dat de
gecombineerde camera en radarsensor geen
voorliggers, fietsers, voetgangers en grotere dieren voor de auto kan ontdekken en dat de functies die gebruikmaken van de gecombineerde
camera en radarsensor mogelijk storingen of
beperkingen vertonen, uitgeschakeld worden of
verkeerd reageren.
In de volgende tabel staan voorbeelden van
mogelijke oorzaken van het verschijnen van de
melding en passende maatregelen:
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor is
vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde camera en radarsensor van
vuil, sneeuw en ijs.
Dichte mist en zware regen- of sneeuwval blokkeren de radarsignalen
of het zicht van de camera.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de eenheid soms niet.
De radarsignalen of het zicht van de camera worden gehinderd door
opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of sneeuw
werkt de eenheid soms niet.
Er is vuil tussen de binnenkant van de voorruit en de gecombineerde
camera en radarsensor gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de voorruit achter de behuizing van
de eenheid te laten reinigen. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Fel tegenlicht
Valt niets aan te doen. In betere lichtomstandigheden wordt de camera automatisch opnieuw geactiveerd.
N.B.
Houd het voorruitoppervlak vóór de gecombineerde radarsensor en camera schoon.
Hoge temperaturen
Bij zeer hoge temperaturen in het interieur zal de
gecombineerde camera en radarsensor na het
starten van de motor mogelijk tijdelijk worden uitgeschakeld gedurende zo'n 15 minuten om de
elektronica te beschermen. Als de temperatuur
voldoende gedaald is, wordt de gecombineerde
camera en radarsensor automatisch weer opgestart.
Beschadigde voorruit
BELANGRIJK
Als het voorruitoppervlak vóór een van beide
‘ogen’ van de camera- en radareenheid barsten, krassen of steenslagschade vertoont
van ca. 0,5 × 3,0 mm (0,02 × 0,12 in) of groter, neem dan contact op met een werkplaats
om de voorruit te laten vervangen. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als u niets doet, presteren de bestuurdersondersteuningssystemen die gebruikmaken van
de gecombineerde camera en radarsensor
mogelijk minder goed.
Dit kan er tevens toe leiden dat functies worden gereduceerd, volledig worden uitgeschakeld of niet goed reageren.
Om te voorkomen dat de bestuurdersondersteuningssystemen die van de radarsensor
gebruikmaken, helemaal niet, onjuist of in
beperkte mate werken, geldt tevens het volgende:
•
Volvo adviseert u scheurtjes, krassen of
sterren in het gebied vóór de gecombineerde camera en radarsensor niet te
repareren, maar de complete voorruit te
vervangen.
•
Neem alvorens de voorruit te laten vervangen contact op met een erkende
}}
363
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Volvo-werkplaats om te controleren of de
juiste voorruit wordt besteld en gemonteerd.
||
•
Monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander type,
door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
BELANGRIJK
Bij het vervangen van de voorruit moet de
camera- en radareenheid in de werkplaats
opnieuw worden gekalibreerd om de werking
van alle op de camera en radar gebaseerde
systemen van de auto te garanderen. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
364
Camera (p. 361)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Aanbevolen onderhoud van de
camera
De gecombineerde camera en radarsensor werkt
alleen naar behoren wanneer u vuil, ijs en
sneeuw van de voorruit verwijdert en de ruit
regelmatig reinigt met water en autoshampoo.
City Safety™
City Safety kan u met licht- en geluidssignalen
en rempedaaltrillingen attenderen op plotseling
opdoemende voetgangers, fietsers, grotere dieren en voorliggers – de auto remt automatisch
als u niet zelf binnen een redelijke tijd reageert.
Het systeem helpt u door automatisch te remmen, wanneer het gevaar voor een botsing met
een voorligger reëel is en u zelf niet snel genoeg
remt en/of uitwijkt.
City Safety start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u net
achter uw voorligger tot stilstand komt.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de camera- en radareenheid bedekken, neemt de functie af en
kan meten onmogelijk worden gemaakt.
City Safety wordt geactiveerd in situaties waar u
eigenlijk al veel eerder had moeten remmen,
zodat de functie niet altijd uitkomst biedt.
Dit kan er tevens toe leiden dat functies worden gereduceerd, volledig worden uitgeschakeld of niet goed reageren.
City Safety is erop gebouwd om zo laat mogelijk
geactiveerd te worden om onnodige ingrepen te
voorkomen.
Gerelateerde informatie
•
peld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken
kunnen leiden.
Camera (p. 361)
Locatie gecombineerde camera en radarsensor78.
U en eventuele passagiers zullen normaal alleen
merken dat City Safety actief is, wanneer een
botsing dreigt.
City Safety kan een aanrijding voorkomen of de
impactsnelheid verlagen.
City Safety is een hulpmiddel dat bedoeld is om u
te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat
u op een voetganger, een fietser, een groter dier
of een voorligger botst.
City Safety kan u helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden en dergelijke, waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekop-
78
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
365
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
•
City Safety is een systeem voor aanvullende rijhulp ter verhoging van de rijveiligheid, maar het systeem werkt niet in alle
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
Auto Brake van City Safety kan een botsing geheel voorkomen of de botssnelheid verlagen, maar voor maximale remwerking moet u altijd het rempedaal
bedienen – ook al remt de auto automatisch.
•
•
366
•
WAARSCHUWING
De waarschuwingen en stuurhulp worden
alleen geactiveerd bij een groot gevaar
voor een botsing – wacht een botswaarschuwing of ingreep van City Safety
daarom nooit af.
Er wordt niet gewaarschuwd noch
geremd voor voetgangers en fietsers bij
rijsnelheden hoger dan 80 km/h
(50 mph).
•
City Safety activeert geen automatische
remingrepen bij krachtig versnellen.
•
City Safety ontslaat u niet van de plicht
om alert en adequaat te reageren, zodat u
de auto altijd op een veilige manier moet
blijven besturen, met inachtneming van
een passende snelheid en geschikte
afstand tot andere weggebruikers en met
respect voor de geldende verkeersregels
en -bepalingen.
U wordt geadviseerd om alle paragrafen
over City Safety in de gebruikershandleiding te lezen en bijvoorbeeld kennis te
nemen van de beperkingen waar u rekening mee moet houden alvorens het systeem te gebruiken (zie de lijst met links
naar de paragrafen).
Gerelateerde informatie
•
Parameters en deelfuncties van City Safety
(p. 366)
•
Waarschuwingsafstand instellen voor City
Safety (p. 368)
•
•
•
Obstakeldetectie met City Safety (p. 369)
City Safety bij kruisend verkeer (p. 372)
Beperkingen van City Safety bij kruisend verkeer (p. 372)
•
City Safety bij ontoereikende uitwijkmanoeuvre (p. 373)
•
•
Beperkingen van City Safety (p. 374)
Meldingen voor City Safety (p. 377)
Parameters en deelfuncties van City
Safety
City Safety kan een botsing met een voorligger,
fietser, voetganger of een groter dier voorkomen
via een verlaging van de rijsnelheid door automatisch te remmen.
Bij een snelheidsverschil groter dan de volgende
snelheden kan de automatische remfunctie van
City Safety een botsing niet geheel voorkomen,
maar wel de gevolgen ervan beperken.
Voertuig
Voor een voorligger kan City Safety de snelheid
verlagen met maximaal 60 km/h (37 mph).
Fietsers
Voor een fietser kan City Safety de snelheid verlagen met maximaal 50 km/h (30 mph).
Voetganger
Voor een voetganger kan City Safety de snelheid
verlagen met maximaal 45 km/h (28 mph).
Grotere dieren
Bij gevaar voor een botsing met groot wild kan
City Safety de rijsnelheid verlagen tot 15 km/h
(9 mph).
De remingreep voor grotere dieren is in eerste
instantie bedoeld om de botskrachten bij hogere
snelheden te beperken en is het effectiefst op
snelheden hoger dan 70 km/h (43 mph) en minder effectief op lage snelheden.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Deelfuncties van City Safety
Functie-overzicht79.
Audiovisueel waarschuwingssignaal bij
gevaar voor een botsing
Afstandsmeting met gecombineerde radarsensor en camera
City Safety vervult drie functies in de volgende
volgorde:
1.
Collision Warning
2.
Brake Support
3.
Auto Brake
City Safety kan voetgangers, fietsers of voertuigen voor uw auto ontdekken, die stilstaan of in
dezelfde richting als u rijden. City Safety kan
tevens voetgangers, fietsers of grote dieren ontdekken, die het pad van uw auto kruisen.
Bij een dreigende botsing met een voetganger,
fietser, groter dier of een voertuig en met voertuigen zoals beschreven in het artikel "City Safety
bij kruisend verkeer" wordt uw aandacht getrokken met licht- en geluidssignalen en rempedaaltrillingen. Bij lagere snelheden, krachtig afremmen door de bestuurder of het geven van gas
worden geen rempedaaltrillingen verstrekt. De
intensiteit van de rempedaaltrilling is afhankelijk
van de rijsnelheid.
2 – Brake Support
Als het gevaar voor een aanrijding na de Collision
Warning verder is toegenomen, treedt de Brake
Support in werking.
Brake Support helpt u bij het remmen, als het
systeem ervan uitgaat dat de remmanoeuvre
alleen niet voldoende is om een botsing te voorkomen.
De volgende tekst licht toe wat de drie functies
doen:
3 – Auto Brake
In allerlaatste instantie wordt de automatische
remfunctie geactiveerd.
1 – Collision Warning
Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende
aanrijding.
Als u in deze fase nog steeds niet aan een uitwijkmanoeuvre bent begonnen en er een aanrijding dreigt, wordt er automatisch geremd, onge-
79
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
acht of u zelf remt of niet. De auto wordt daarbij
maximaal afgeremd om de botssnelheid te
beperken of zoveel als nodig is om een aanrijding
te voorkomen.
Bij activering van de automatische remfunctie
worden mogelijk ook de gordelspanners geactiveerd. Zie voor meer informatie onder "Gordelspanners".
Auto Brake kan in bepaalde situaties de remingreep met lichter remmen beginnen en vervolgens overgaan op de volledige remwerking.
Wanneer City Safety een botsing met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de auto
stilstaan totdat u bepaalde actie onderneemt. Als
de auto wordt afgeremd wegens een langzamer
rijdende voorligger, wordt uw snelheid afgestemd
op die van de voorligger.
N.B.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak, stopt de motor wanneer de Auto
Brake de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u voor die tijd het koppelingspedaal
weet te bedienen.
U kunt een remingreep altijd afbreken hard op
het gaspedaal te trappen.
}}
367
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
N.B.
Als City Safety remt, gaan de remlichten branden.
Wanneer City Safety ingrijpt en remt, verschijnt
op het bestuurdersdisplay de melding dat het
systeem actief is/was.
WAARSCHUWING
Pas uw rijstijl niet aan op grond van City
Safety en ga er niet blindelings van uit dat
City Safety voor u remt.
Gerelateerde informatie
•
City Safety™ (p. 365)
Waarschuwingsafstand instellen
voor City Safety
Safety niet alleen minder vaak waarschuwt, maar
ook minder snel.
City Safety mag dan altijd geactiveerd zijn, u
kunt wel een waarschuwingsafstand kiezen.
Gebruik waarschuwingsafstand Laat daarom
alleen in uitzonderingsgevallen, zoals bij sportief
rijden.
N.B.
City Safety is niet uit te schakelen, maar
wordt bij het starten van de motor/elektrische
aandrijving automatisch geactiveerd en blijft
vervolgens actief tot u de motor/elektrische
aandrijving uitschakelt.
De waarschuwingsafstand bepaalt de gevoeligheid van het systeem en de afstand waarbij de
licht- en geluidssignalen en de rempedaaltrillingen moeten worden gegeven.
Om een waarschuwingsafstand te kiezen:
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
in het hoofdscherm van het middendisplay.
2.
Kies onder Waarschuwing City Safety voor
Laat, Normaal of Vroeg voor het instellen
van de gewenste waarschuwingsafstand.
Als de instelling Vroeg te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk
kan worden ervaren), kunt u de waarschuwingsafstand Normaal of Laat kiezen.
Wanneer u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd en de signalen als storend ervaart, kunt u
de waarschuwingsafstand verkleinen zodat City
368
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
•
•
•
•
N.B.
Geen enkel automatisch systeem kan in
alle situaties een 100 % feilloze werking
garanderen. Test City Safety daarom
nooit uit op mensen, dieren of voertuigen
– dat kan namelijk tot ernstig letsel/
ernstige schade en levensgevaarlijke situaties leiden.
City Safety waarschuwt u bij gevaar voor
een botsing, maar het systeem is niet in
staat uw reactietijd te verkorten.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Vroeg, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat
worden afgegeven, bijvoorbeeld bij grote
snelheidsverschillen of als de voorligger
plotseling krachtig remt.
Waarschuwingen via de richtingaanwijzers
voor de Rear Collision Warning worden
gedeactiveerd, als de waarschuwingsafstand
voor de Collision Warning in City Safety is
ingesteld op het laagste niveau "Laat".
De functies 'gordels spannen' en 'remmen'
zijn echter nog steeds actief.
Gerelateerde informatie
•
City Safety™ (p. 365)
Obstakeldetectie met City Safety
De obstakels die City Safety kan detecteren, zijn
voertuigen, fietsers, grotere dieren en voetgangers.
Voertuig
City Safety detecteert de meeste voertuigen die
stilstaan of in dezelfde richting rijden als u en de
voertuigen die beschreven staan in "City Safety
bij kruisend verkeer".
City Safety kan voertuigen in het donker alleen
detecteren, wanneer de voor- en achterlichten
van deze voertuigen werken en duidelijk waarneembaar branden.
Fietser
Wanneer de waarschuwingsafstand is
ingesteld op Vroeg, worden de waarschuwingen eerder gegeven. Dit kan
ertoe leiden dat er vaker wordt gewaarschuwd dan bij de waarschuwingsafstand
Normaal, maar toch geniet deze instelling de voorkeur omdat het City Safety
effectiever kan maken.
Ideaalvoorbeeld van wat City Safety als een fietser
beschouwt – met herkenbare lichaams- en fietscontouren.
}}
369
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Voor optimale prestaties van het systeem moet
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van fietsers zo uniform mogelijke
informatie over de lichaams- en fietscontouren
ontvangen – wat inhoudt dat kenmerkende
(lichaams-)delen zoals fiets, hoofd, armen, schouders, benen, borstkas en buik moeten kunnen
worden waargenomen evenals een bewegingspatroon dat voor fietsers als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan fietsers niet ontdekken, als de
systeemcamera grote delen van het lichaam van
de fietser of van zijn/haar fiets niet kan waarnemen.
Het systeem kan alleen volwassen fietsers ontdekken die op fietsen voor volwassenen zitten.
WAARSCHUWING
Voetganger
City Safety is een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning dat niet altijd alle
fietsers kan detecteren en bijvoorbeeld
moeite heeft met:
•
•
slechts gedeeltelijk zichtbare fietsers;
fietsers als het contrast met de achtergrond gering is – waarschuwingen en
remingrepen kunnen dan pas laat komen
of helemaal achterwege blijven;
•
fietsers in kleding die de lichaamscontouren verhult;
•
fietsen waarop grote voorwerpen worden
vervoerd.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt, afhankelijk van de rijsnelheid.
Ideaalvoorbeelden van wat het systeem als voetgangers
met herkenbare lichaamscontouren beschouwt.
Voor optimale prestaties van het systeem moet
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke informatie over de lichaamscontouren ontvangen – wat inhoudt dat kenmerkende
lichaamsdelen zoals hoofd, armen, schouders,
benen, borstkas en buik moeten kunnen worden
waargenomen evenals een bewegingspatroon
dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
Om een voetganger te kunnen detecteren moet
er sprake zijn van een bepaald contrast ten
opzichte van de achtergrond door bijvoorbeeld
kleding, achtergrond, weersomstandigheden en
dergelijke. Bij weinig contrast worden voetgangers mogelijk laat of helemaal niet gedetecteerd.
De waarschuwingen en remingrepen kunnen dan
laat of helemaal niet plaatsvinden.
370
BESTUURDERSONDERSTEUNING
City Safety kan dankzij de koplampen van de auto
ook in het donker voetgangers detecteren.
Grotere dieren
WAARSCHUWING
City Safety is een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning dat niet altijd alle
grotere dieren kan detecteren en bijvoorbeeld
moeite heeft met:
WAARSCHUWING
City Safety is een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning dat niet altijd alle
voetgangers kan detecteren en bijvoorbeeld
moeite heeft met:
•
•
•
slechts gedeeltelijk zichtbare voetgangers, voetgangers die gekleed gaan in
kleding die de lichaamscontouren verhult
of voetgangers met een lengte korter dan
80 cm (32 in.);
voetgangers bij een gering contrast met
de achtergrond – waarschuwingen en
remingrepen kunnen dan pas laat komen
of helemaal achterwege blijven;
voetgangers die grote voorwerpen dragen.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt, afhankelijk van de rijsnelheid.
Ideaalvoorbeeld van wat City Safety als een stilstaand of
langzaam lopend groter dier beschouwt – met herkenbare lichaamscontouren.
Voor optimale prestaties van het systeem moet
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van grotere dieren (zoals een eland
of paard) zo uniform mogelijk informatie over de
lichaamscontouren ontvangen – wat inhoudt dat
het dier recht vanaf de zijkant moet kunnen worden waargenomen en dat het dier een bewegingspatroon heeft dat voor het dier als normaal
te beschouwen is.
Het systeem kan dieren niet ontdekken, als de
systeemcamera delen van het lichaam van het
dier niet kan waarnemen.
•
slechts gedeeltelijk zichtbare grotere dieren;
•
grotere dieren die met hun voor- of achtereind recht voor de auto staan of bewegen;
•
grotere dieren die snel rennen of bewegen;
•
grotere dieren als het contrast met de
achtergrond van de dieren gering is –
waarschuwingen en remingrepen kunnen
dan pas laat komen of helemaal achterwege blijven.
•
kleinere dieren zoals honden en katten.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt, afhankelijk van de rijsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
City Safety™ (p. 365)
City Safety kan dankzij de koplampen van de auto
ook in het donker grotere dieren detecteren.
371
BESTUURDERSONDERSTEUNING
City Safety bij kruisend verkeer
WAARSCHUWING
City Safety kan u helpen als uw auto tijdens het
afslaan op een kruising het pad van een tegenligger kruist.
: Gebied waarin City Safety kruisende tegenliggers
kan detecteren.
City Safety kan een tegenligger waar u tegenop
dreigt te botsen pas detecteren, wanneer de
tegenligger in het gebied is waar City Safety het
verloop kan analyseren.
Bovendien moet aan de volgende criteria zijn voldaan:
•
372
de snelheid van uw auto is minimaal 4 km/h
(3 mph)
•
uw auto slaat af naar links op markten met
rechtsrijdend verkeer (of naar rechts bij linksrijdend verkeer)
•
de koplampen van de tegenligger branden.
•
"City Safety bij kruisend verkeer" is een
systeem voor aanvullende bestuurdersondersteuning om de rijveiligheid te verhogen, maar het systeem werkt niet in alle
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
Waarschuwingen en remingrepen bij een
dreigende aanrijding met tegemoetkomende voertuigen komen vaak heel laat.
•
Wacht nooit tot u een botswaarschuwing
krijgt of tot City Safety ingrijpt.
•
City Safety ontslaat u niet van de plicht
om alert en adequaat te reageren, zodat u
de auto altijd op een veilige manier moet
blijven besturen, met inachtneming van
een passende snelheid en geschikte
afstand tot andere weggebruikers en met
respect voor de geldende verkeersregels
en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
City Safety™ (p. 365)
Beperkingen van City Safety bij
kruisend verkeer
In bepaalde gevallen kan het voor City Safety
moeilijk zijn om u te helpen bij een dreigende
aanrijding met tegemoetkomend kruisend verkeer.
Wat mogelijk is in de volgende gevallen:
•
•
•
•
•
bij gladheid zodat de stabiliteitsregeling ESC
ingrijpt
tegenliggers worden laat ontdekt
het zicht op tegenliggers wordt ergens door
belemmerd
tegenliggers voeren geen koplampen
tegenliggers rijden onvoorspelbaar en wisselen bijvoorbeeld in een laat stadium snel van
rijbaan.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
N.B.
Het systeem maakt gebruik van de cameraeenheid van de auto, die een aantal algemene beperkingen heeft, zie hoofdstuk
'Beperkingen van de camera-eenheid'.
N.B.
De functie maakt gebruik van de radareenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie het artikel "Beperkingen van de radareenheid".
City Safety bij ontoereikende
uitwijkmanoeuvre
via een uitwijkmanoeuvre een botsing te voorkomen.
City Safety kan u helpen door de auto automatisch eerder te remmen, wanneer een botsing
niet met een simpele uitwijkmanoeuvre te voorkomen is.
Als City Safety echter inschat dat u niet kunt uitwijken door verkeer in de aangrenzende rijstroken, kan het systeem u helpen door eerder dan
normaal een automatische remingreep te starten.
City Safety helpt u door voortdurend na te gaan
of er voldoende "uitwijkmogelijkheden" zijn via de
aangrenzende rijstroken, als het systeem een
langzaam rijdende of stilstaande voorligger
mogelijk laat ontdekt.
WAARSCHUWING
•
De anticiperende functies van City Safety
vormen een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning om de rijveiligheid te verhogen, maar het systeem werkt
niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
City Safety ontslaat u niet van de plicht
om alert en adequaat te reageren, zodat u
de auto altijd op een veilige manier moet
blijven besturen, met inachtneming van
een passende snelheid en geschikte
afstand tot andere weggebruikers en met
respect voor de geldende verkeersregels
en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
City Safety™ (p. 365)
Uw auto (1) "ziet" geen uitwijkmogelijkheid voor voorliggers (2) en kan daarom eerder een automatische remingreep verrichten.
Uw auto
Langzaam rijdende/stilstaande auto
City Safety grijpt niet met een automatische
remingreep in, zolang u de mogelijkheid hebt om
}}
373
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Beperkingen van City Safety bij
ontoereikende uitwijkmanoeuvre
N.B.
Het systeem maakt gebruik van de cameraeenheid van de auto, die een aantal algemene beperkingen heeft, zie hoofdstuk
'Beperkingen van de camera-eenheid'.
N.B.
De functie maakt gebruik van de radareenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie het artikel "Beperkingen van de radareenheid".
Gerelateerde informatie
•
City Safety™ (p. 365)
Beperkingen van City Safety
De City Safety kent mogelijk beperkingen in
bepaalde situaties.
Omgeving
Lage voorwerpen
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/wimpels
die uitstekende lading markeren of accessoires
zoals verstralers en frontbars die boven de motorkap uitsteken zorgen voor functiebeperkingen.
Gladheid
Bij gladheid is de remweg langer waardoor City
Safety minder goed in staat is een aanrijding te
voorkomen. In dergelijke situaties zullen het antiblokkeerremsysteem en de stabiliteitsregeling
ESC80 zorgen voor een optimale remkracht met
behoud van de stabiliteit.
Tegenlicht
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit
geprojecteerde waarschuwingslampje soms
moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk als u
niet recht vooruit kijkt.
Hitte
Bij een hoge interieurtemperatuur door bijvoorbeeld sterke instraling is het mogelijk dat het
visuele waarschuwingssignaal aan de binnenkant
van de voorruit mogelijk niet werkt.
80
374
Electronic Stability Control
Blikveld van gecombineerde camera en
radarsensor
Het blikveld van de camera is beperkt, zodat
voetgangers, fietsers, grotere dieren en voertuigen in bepaalde situaties niet kunnen worden
geregistreerd of later worden ontdekt dan verwacht.
Vuile voertuigen worden mogelijk later gedetecteerd dan andere voertuigen en motoren worden
in het donker mogelijk later of helemaal niet
gedetecteerd.
Als een tekstmelding op het bestuurdersdisplay
aangeeft dat de gecombineerde camera en
radarsensor geblokkeerd is, houdt dit in dat City
Safety moeilijk voetgangers, fietsers, grotere dieren, auto's of weglijnen vóór de auto kan registreren – daardoor kan City Safety mogelijk minder
goed functioneren.
Er verschijnt echter niet altijd een foutmelding bij
geblokkeerde voorruitsensoren - het is dan ook
belangrijk dat u het gebied van de voorruit vóór
de gecombineerde camera en radarsensor goed
schoonhoudt.
BELANGRIJK
Onderhoud en vervanging van onderdelen in
City Safety mogen uitsluitend door een werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Ingreep van bestuurder
Achteruitrijden
Wanneer u achteruitrijdt, is City Safety tijdelijk
gedeactiveerd.
Lage snelheid
City Safety wordt niet geactiveerd op zeer lage
snelheden (onder 4 km/h (3 mph)), wat betekent
dat het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u
een voorligger heel langzaam nadert zoals bij het
parkeren.
Actief rijgedrag
De commando's die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety niet
ingrijpt of met enige vertraging waarschuwt/
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando's geeft via stuurwiel en gaspedaal, zelfs als
een aanrijding onvermijdelijk lijkt.
Overig
zaam rijdende of stilstaande voorliggers
en grote dieren.
WAARSCHUWING
•
Als de gecombineerde radarsensor en
camera op grond van de verkeerssituatie
of anderszins problemen heeft voetgangers, fietsers, grotere dieren of voorliggers te ontdekken, is het mogelijk dat het
systeem pas laat, onterecht of helemaal
geen waarschuwing geeft en remt.
Er wordt niet gewaarschuwd noch
geremd voor voetgangers en fietsers bij
een rijsnelheid hoger dan 80 km/h
(50 mph).
•
•
's Nachts zijn voorliggers alleen te detecteren, als de voor- en achterlichten ervan
werken en zichtbaar branden.
Plaats, plak of bevestig niets aan de buiten- of binnenkant van de voorruit, vóór of
rond de gecombineerde radarsensor en
camera – dat kan storingen veroorzaken
in de op de camera gebaseerde functies.
•
•
De gecombineerde radarsensor en
camera heeft een beperkt bereik voor
voetgangers en fietsers, zodat het systeem voor dergelijke weggebruikers efficiënt waarschuwt en remingrepen verricht
bij rijsnelheden tot 50 km/h (30 mph).
Voor stilstaande of langzaam rijdende
voorliggers wordt efficiënt gewaarschuwd
en geremd bij rijsnelheden tot 70 km/h
(43 mph). De snelheidsreductie bij detectie van grotere dieren is minder dan 15
km/h (9 mph) en is mogelijk bij rijsnelheden hoger dan 70 km/h (43 mph). Op
lagere snelheden zijn waarschuwingen en
remingrepen bij detectie van grote dieren
minder effectief.
De aanwezigheid van voorwerpen,
sneeuw, ijs of vuil in het gebied van de
camerasensor kan aanleiding geven tot
een reductie, volledige uitschakeling of
onvoorziene reacties van de functie.
Het systeem maakt gebruik van de cameraeenheid van de auto, die een aantal algemene beperkingen heeft, zie hoofdstuk
'Beperkingen van de camera-eenheid'.
•
Bij een actief en sportief rijgedrag vinden waarschuwingen en ingrepen daarom met enige vertraging plaats om onnodige waarschuwingen
tegen te gaan.
•
In het donker of bij slecht zicht wordt
mogelijk niet gewaarschuwd voor lang-
N.B.
N.B.
De functie maakt gebruik van de radareenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie het artikel "Beperkingen van de radareenheid".
}}
375
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Marktbeperking
City Safety is niet in alle landen beschikbaar. Als
City Safety niet in het menu van het middendisplay voor Instellingen voorkomt, zit dit systeem
niet op de auto.
Zoekpad op het hoofdscherm van het middendisplay:
•
Instellingen
My Car
Gerelateerde informatie
•
376
City Safety™ (p. 365)
IntelliSafe
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Meldingen voor City Safety
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele meldingen verschijnen ten aanzien van City Safety.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Melding
Betekenis
City Safety
Als City Safety afremt of automatisch heeft afgeremd, kunnen een of meer symbolen op het bestuurdersdisplay
gaan branden terwijl tegelijkertijd een tekstmelding wordt weergegeven.
Automatische ingreep
City Safety
Beperkte functionaliteit Service vereist
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
City Safety™ (p. 365)
377
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rear Collision Warning
De Rear Collision Warning (RCW) kan u helpen
om aanrijdingen van achteren door naderende
achterliggers te voorkomen.
RCW wordt bij elke motorstart automatisch geactiveerd.
De RCW kan bestuurders van achterliggers voor
een aanrijding waarschuwen door fel met de richtingaanwijzers te knipperen.
Als de RCW bij snelheden onder 30 km/h
(20 mph) berekent dat uw auto van achteren
dreigt te worden aangereden, kunnen de gordelspanner de veiligheidsgordels van de voorstoelen
aanspannen en wordt het veiligheidssysteem
Whiplash Protection System geactiveerd.
Net voor de aanrijding van achteren kan RCW
ook de bedrijfsrem activeren om te voorkomen
dat uw auto tijdens de aanrijding wordt gelanceerd. De bedrijfsrem wordt echter alleen geactiveerd, als uw auto stilstaat. De bedrijfsrem lost
onmiddellijk als het gaspedaal wordt ingedrukt.
Gerelateerde informatie
378
•
Beperkingen van Rear Collision Warning
(p. 378)
•
Whiplash Protection System (p. 47)
Beperkingen van Rear Collision
Warning
N.B.
Waarschuwingen via de richtingaanwijzers
voor de Rear Collision Warning worden
gedeactiveerd, als de waarschuwingsafstand
voor de Collision Warning in City Safety is
ingesteld op het laagste niveau "Laat".
In bepaalde gevallen kan het voor RCW moeilijk
zijn om u te helpen bij een dreigende aanrijding.
Bijvoorbeeld als:
•
een naderende achterligger laat wordt ontdekt
•
een naderende achterligger in een laat stadium van rijbaan wisselt
•
een naderende achterligger sneller rijdt dan
80 km/h (50 mph)
•
een aanhangwagen, fietsdrager of iets dergelijks wordt aangesloten op het elektrische
systeem van de auto. De RCW wordt dan
automatisch gedeactiveerd.
N.B.
Op sommige markten waarschuwt RCW vanwege plaatselijke verkeersvoorschriften niet
met de richtingaanwijzers - in dergelijke
gevallen is dat deel van de functie daarom
gedeactiveerd.
De functies 'gordels spannen' en 'remmen'
zijn echter nog steeds actief.
Gerelateerde informatie
•
Rear Collision Warning (p. 378)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BLIS*
trolelampje over van constant branden op knipperen met een feller licht.
BLIS81
Het
dient om u te helpen bij het ontdekken van naderende achterliggers schuin achter
en naast u bij ritten in druk verkeer op wegen
met meerdere rijbanen in dezelfde richting.
N.B.
Het lampje gaat branden aan de kant van de
auto waar het systeem het voertuig heeft ontdekt. Als de auto aan beide kanten tegelijkertijd wordt ingehaald, gaan beide lampjes branden.
BLIS is een hulpmiddel om u te waarschuwen
voor:
•
•
voertuigen in de dode hoek
snel naderende achterliggers in de linker en
rechter rijbaan naast uw auto.
Werkingsprincipe van BLIS
Zone in dode hoek
WAARSCHUWING
•
BLIS is een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning om de
bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid
te verhogen, maar het systeem werkt niet
in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
Het is altijd aan u als bestuurder om op
een veilige en adequate wijze van rijstrook te veranderen.
•
BLIS ontslaat u niet van de plicht om alert
en adequaat te reageren, zodat u de auto
altijd op een veilige manier moet blijven
besturen, met inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot
andere weggebruikers en met respect
voor de geldende verkeersregels en bepalingen.
Zone voor snel naderende achterliggers.
BLIS werkt bij snelheden hoger dan 10 km/h
(6 mph).
Het systeem reageert in de volgende gevallen:
Positie van het BLIS-lampje82.
Controlelampje
Het BLIS is te activeren/deactiveren met de
desbetreffende knop op het functiescherm
van het middendisplay.
81
82
•
uw auto wordt ingehaald door andere voertuigen
•
een achterligger nadert uw auto snel.
Wanneer BLIS een voertuig binnen zone 1 of een
snel naderende achterligger in zone 2 ontdekt,
brandt het controlelampje bij de desbetreffende
zijspiegel constant. Als u in deze stand de richtingaanwijzers activeert aan de kant waarvoor de
waarschuwing wordt gegeven, schakelt het con-
Blind Spot Information Systems
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire. 379
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Activeren/deactiveren BLIS (p. 380)
Activeren/deactiveren BLIS
BLIS83 is te activeren/deactiveren.
Beperkingen van BLIS (p. 381)
Aanbevolen onderhoud van BLIS (p. 381)
Als BLIS bij het uitschakelen van de motor
gedeactiveerd is, is dat na de volgende motorstart nog steeds zo en zal er geen controlelampje
branden.
Gerelateerde informatie
Meldingen voor BLIS (p. 383)
•
BLIS* (p. 379)
Positie van het BLIS-lampje84.
Controlelampje
–
Het BLIS is te activeren/deactiveren met de
desbetreffende knop op het functiescherm
van het middendisplay.
Druk op de knop BLIS op het functiescherm.
> BLIS wordt geactiveerd/gedeactiveerd –
in de knop verschijnt een groene/grijze
indicatie.
Als BLIS bij het starten van de motor geactiveerd
is, wordt de functie bevestigd doordat de controlelampjes op de buitenspiegels één keer knipperen.
83
84
380
Blind Spot Information
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van BLIS
WAARSCHUWING
BLIS85 kent mogelijk beperkingen in bepaalde
situaties.
•
•
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
dat de oppervlakken vóór de sensoren
schoon worden gehouden.
BLIS werkt niet als de auto achteruitrijdt.
Gerelateerde informatie
•
Aanbevolen onderhoud van BLIS
• Voor een optimale werking is het belangrijk
•
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers
binnen het oppervlak van de sensoren.
BLIS* (p. 379)
Dit gebied schoonhouden – dat zowel links als rechts86.
Voorbeelden van beperkingen:
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken.
•
De functie BLIS wordt automatisch gedeactiveerd bij aansluiting van een aanhangwagen,
fietsdrager of iets dergelijks op het elektrische systeem van de auto.
•
Voor optimale prestaties van BLIS is het zaak
geen fietsdrager, bagagedrager of iets dergelijks op de trekhaak van de auto te monteren.
85
86
Blind Spot Information
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire. 381
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
||
•
•
•
•
Activeren/deactiveren Cross Traffic Alert
(p. 385)
Beperkingen van Cross Traffic Alert (p. 385)
Onderhoudsadvies voor Cross Traffic Alert
(p. 386)
Meldingen voor Cross Traffic Alert (p. 387)
Rear Collision Warning (p. 378)
Dit gebied schoonhouden – dat zowel links als rechts87.
De sensoren voor BLIS zitten aan de binnenkant
van beide hoeken van achterspatbord/bumper en
worden tevens gebruikt door Cross Traffic Alert
(CTA) en Rear Collision Warning.
BELANGRIJK
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van de
bumper mogen uitsluitend in een werkplaats
worden uitgevoerd. Een erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Gerelateerde informatie
•
•
87
382
BLIS* (p. 379)
Cross Traffic Alert* (p. 384)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Meldingen voor BLIS
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele meldingen verschijnen ten aanzien van BLIS88.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Melding
Betekenis
Dodehoeksensor
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Service vereist
Dodehoeksysteem uit
BLIS en CTA zijn gedeactiveerd, omdat er een aanhangwagen op het elektrische systeem van de auto is aangesloten.
Aanhanger gekoppeld
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
88
BLIS* (p. 379)
Blind Spot Information
* Optie/accessoire. 383
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Cross Traffic Alert*
CTA89
BLIS90
is een hulpmiddel bij
om u te
waarschuwen voor kruisend verkeer, als u achteruitrijdt met de auto.
CTA is alleen actief als de auto achteruit rolt of in
de achteruit is gezet.
WAARSCHUWING
Als CTA detecteert dat er van de zijkant iets aankomt, wordt dit aangegeven met:
•
een geluidssignaal - het geluid komt uit de
linker of rechter luidspreker, afhankelijk van
waar het object vandaan komt.
•
een brandend pictogram in de grafische
PAS91-voorstelling op het display.
•
een pictogram op het hoofdscherm van de
parkeerhulpcamera.
Principe voor CTA.
CTA vormt een aanvulling op het BLIS door bij
achteruitrijden op kruisend verkeer vanaf de zijkant te letten, bijvoorbeeld als u achteruit een
parkeervak verlaat.
CTA is bedoeld om in de eerste plaats voertuigen
te ontdekken - in gunstige gevallen kunnen ook
kleinere voorwerpen zoals fietsen en voetgangers
worden ontdekt.
384
Cross Traffic Alert is een systeem voor
aanvullende bestuurdersondersteuning
om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar het systeem
werkt niet in alle verkeers-, weers- en
wegomstandigheden.
•
Het is altijd aan u als bestuurder om op
een veilige en adequate wijze achteruit te
rijden met de auto.
•
Cross Traffic Alert ontslaat u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
Brandend pictogram voor CTA in de grafische PAS91voorstelling92 op het display.
•
•
•
89
90
91
92
•
Activeren/deactiveren Cross Traffic Alert
(p. 385)
Beperkingen van Cross Traffic Alert (p. 385)
Onderhoudsadvies voor Cross Traffic Alert
(p. 386)
Meldingen voor Cross Traffic Alert (p. 387)
Cross Traffic Alert
Blind Spot Information
Park Assist System: parkeerhulp met parkeerhulpsensoren achter
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Activeren/deactiveren Cross Traffic
Alert
U kunt er als volgt voor kiezen om de functie
CTA93 uit te schakelen:
Tik op de knop Cross Traffic
Alert op het functiescherm van
het middendisplay.
•
GRIJZE knopindicatie - CTA is gedeactiveerd.
•
GROENE knopindicatie - CTA is geactiveerd.
Beperkingen van Cross Traffic Alert
CTA94 kent mogelijk beperkingen in bepaalde
situaties.
CTA werkt niet in alle situaties optimaal, maar
heeft zijn beperkingen - zo kunnen de CTA-sensoren niet "door" andere geparkeerde voertuigen
of voorwerpen die het zicht blokkeren heen kijken.
Hier volgen enkele voorbeelden van situaties
waar het "blikveld" van het CTA aanvankelijk
beperkt kan zijn, zodat naderende voertuigen pas
op het laatste moment gedetecteerd worden:
Dode hoek van CTA.
CTA wordt na elke motorstart automatisch geactiveerd.
Detectiegebied/"blikveld" van CTA.
Gerelateerde informatie
•
In schuine parkeervakken valt de ene kant van de auto
mogelijk helemaal binnen de dode hoek van CTA.
Naarmate u verder achteruitrijdt, verandert echter
de hoek ten opzichte van het voertuig/obstakel
dat in de weg zit zodat de dode hoek snel in
grootte afneemt.
Cross Traffic Alert* (p. 384)
De auto staat ver naar achteren in een parkeervak.
93
94
Cross Traffic Alert
Cross Traffic Alert
}}
* Optie/accessoire. 385
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Voorbeelden van andere beperkingen
• Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken. Zie de aanvullende informatie in het hoofdstuk "Onderhoudsadvies voor Cross Traffic Alert".
•
•
CTA wordt automatisch gedeactiveerd bij
aansluiting van een aanhangwagen, fietsdrager of iets dergelijks op het elektrische systeem van de auto.
Onderhoudsadvies voor Cross
Traffic Alert
• Voor een optimale werking is het belangrijk
BELANGRIJK
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van de
bumper mogen uitsluitend in een werkplaats
worden uitgevoerd. Een erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
dat de oppervlakken vóór de sensoren
schoon worden gehouden.
•
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers
binnen het oppervlak van de sensoren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Voor optimale prestaties van CTA is het zaak
geen fietsdrager, bagagedrager of iets dergelijks op de trekhaak van de auto te monteren.
Cross Traffic Alert* (p. 384)
BLIS* (p. 379)
Rear Collision Warning (p. 378)
Gerelateerde informatie
•
Cross Traffic Alert* (p. 384)
Dit gebied schoonhouden – dat zowel links als rechts95.
De sensoren voor CTA zitten aan de binnenkant
van beide hoeken van achterspatbord/bumper en
worden tevens gebruikt door BLIS96 en Rear
Collision Warning.
95
96
386
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Blind Spot Information
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Meldingen voor Cross Traffic Alert
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele meldingen verschijnen ten aanzien van CTA97.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Melding
Betekenis
Dodehoeksensor
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Service vereist
Dodehoeksysteem uit
BLIS en CTA zijn gedeactiveerd, omdat er een aanhangwagen op het elektrische systeem van de auto is aangesloten.
Aanhanger gekoppeld
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
97
Cross Traffic Alert* (p. 384)
Cross Traffic Alert
* Optie/accessoire. 387
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie*
N.B.
(RSI98)
De verkeersbordinformatie
helpt u bij het
in acht nemen van snelheidsspecifieke verkeersborden en bepaalde verbodsborden die u passeert.
Op bepaalde markten is de functie verkeersbordinformatie (RSI) alleen beschikbaar in
combinatie met Sensus Navigation.
WAARSCHUWING
•
•
Voorbeelden van leesbare borden99.
RSI geeft informatie over onder meer actuele
snelheid, begin of eind van auto- of snelwegen
en eventuele inhaal- en inrijverboden.
Als u gelijktijdig een bord voor snel-/autoweg en
een bord met de maximumsnelheid passeert,
toont RSI alleen het bordsymbool voor snel-/
autoweg. De nieuwe maximumsnelheid wordt
direct aangegeven met een streepje op de snelheidsmeterschaal op het bestuurdersdisplay.
98
99
388
De verkeersbordenherkenning is een systeem voor aanvullende bestuurdersondersteuning om de bestuurder te ontlasten
en de rijveiligheid te verhogen, maar het
systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
Verkeersbordinformatie en Sensus
Navigation (p. 391)
•
Verkeersbordinformatie met snelheidswaarschuwing en instellingen (p. 391)
•
Snelheidswaarschuwing van verkeersbordinformatie activeren/deactiveren (p. 392)
•
Informatie op verkeersbord met informatie
over flitspalen (p. 393)
•
Beperkingen van Verkeersbordinformatie
(p. 393)
De verkeersbordenherkenning ontslaat u
niet van de plicht om alert en adequaat te
reageren, zodat u de auto altijd op een
veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid
en geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordinformatie activeren/deactiveren (p. 389)
•
Verkeersbordinformatie en bordweergave
(p. 389)
Road Sign Information
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek - de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie activeren/
deactiveren
N.B.
De verkeersbordinformatie is optioneel: u kunt
kiezen uit Aan of Uit.
Tik op de knop Road Sign
Information op het functiescherm van het middendisplay.
•
•
GROENE knopindicatie - RSI is geactiveerd.
GRIJZE knopindicatie - RSI is gedeactiveerd.
•
Als de automatische snelheidsbegrenzer
geactiveerd is, verschijnt verkeersbordinformatie op het bestuurdersdisplay, ook al
is RSI niet ingeschakeld.
•
Om de verkeersbordinformatie van het
bestuurdersdisplay te halen moet u
zowel de automatische snelheidsbegrenzer als de RSI deactiveren.
•
Wanneer de automatische snelheidsbegrenzer geactiveerd en de RSI gedeactiveerd is, geeft de RSI geen waarschuwingen. In dat geval zijn de instellingen voor
de RSI evenmin aan te passen; om de
instellingen te kunnen aanpassen en
waarschuwingen te kunnen krijgen moet
u de RSI activeren.
Verkeersbordinformatie en
bordweergave
De verkeersbordinformatie (RSI100) registreert
en toont verkeersborden op verschillende manieren, afhankelijk van het bord en de situatie.
Voorbeeld101 van geregistreerde snelheidsinformatie.
Gerelateerde informatie
•
100Road Sign Information
101De getoonde verkeersborden
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
zijn marktspecifiek - de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
Zodra RSI een verkeersbord met een maximumsnelheid heeft geregistreerd, laat het bestuurdersdisplay dat bord zien in de vorm van een
symbool plus een RODE aanduiding op de snelheidsschaal.
}}
* Optie/accessoire. 389
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Samen met het symbool voor
de geldende maximumsnelheid
kan ook een aanvullend
bord101 worden weergegeven,
bijvoorbeeld voor een inhaalverbod.
||
Als u een weg met een inrijverbod inrijdt met dit bord aan de
desbetreffende zijde, wordt u
gewaarschuwd met een knipperend symbool van dit bord101
op het bestuurdersdisplay.
Bij een auto met Sensus Navigation wordt ook
gebruikgemaakt van de kaartinformatie om te
bepalen of de auto in de verkeerde richting rijdt.
U kunt ook een akoestische waarschuwing ontvangen bij het negeren van een inrijverbod als
Audiowaarschuwing verkeersbord geactiveerd is - zie "Akoestische waarschuwing activeren/deactiveren" onder "Verkeersbordinformatie
activeren/deactiveren".
Einde maximumsnelheid of einde
autoweg
Wanneer RSI een "indirect snelheidsbord" detecteert, dat aangeeft dat de huidige snelheidslimiet
eindigt - bijv. bij het einde van de autoweg wordt op het bestuurdersdisplay een symbool
met het corresponderende verkeersbord getoond.
101De
390
Voorbeeld van indirect snelheidsbord101:
Einde maximumsnelheid.
Het symbool op het bestuurdersdisplay dooft na
ca. 5 minuten en blijft uit tot het volgende snelheidsspecifieke verkeersbord gepasseerd wordt.
Aanvullende borden
Einde snelweg.
Het symbool op het bestuurdersdisplay dooft na
10-30 seconden en blijft uit tot het volgende
snelheidsspecifieke verkeersbord gepasseerd
wordt.
Gewijzigde maximumsnelheid
Als u een direct snelheidsbord passeert als een
maximumsnelheid gewijzigd wordt, wordt een
symbool met het corresponderende verkeersborg
op het bestuurdersdisplay getoond.
Voorbeeld van een direct snelheidsbord101.
getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek - de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
Voorbeelden van aanvullende borden101.
Soms kent een en dezelfde weg verschillende
maximumsnelheden – een aanvullend bord geeft
dan aan onder welke omstandigheden de snelheden gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om
een gevaarlijke weg bij bijvoorbeeld regen en/of
mist.
Het aanvullende bord met betrekking tot regen
verschijnt alleen als de ruitenwissers zijn geactiveerd.
Als er een aanhangwagen is aangesloten op het
elektrische systeem van de auto en u passeert
een snelheidsbord met het onderbord "aanhang-
BESTUURDERSONDERSTEUNING
wagen", dan verschijnt deze snelheid op het
bestuurdersdisplay.
Verkeersbordinformatie en Sensus
Navigation
Sommige snelheden gelden
bijvoorbeeld alleen een bepaald
traject of op een bepaalde tijd
van de dag. U wordt hierop
geattendeerd met een symbool
voor een aanvullend bord onder
het snelheidssymbool. Het aanvullende symbool op het bestuurdersdisplay toont
dan ofwel "DIST", ofwel "TIME".
Bij een auto met Sensus Navigation, wordt er in
de volgende gevallen snelheidsspecifieke informatie opgehaald uit de navigatie-eenheid:
•
Bij verkeersborden met indirecte snelheidsinformatie, zoals borden voor autosnelwegen
en autowegen en plaatsnaamborden.
•
Als een eerder waargenomen snelheidsbord
als niet langer geldig wordt gezien en er
geen nieuw bord is gepasseerd.
Een leeg vakje onder het snelheidssymbool101 op het
bestuurdersdisplay geeft aan
dat het RSI een bord heeft
geregistreerd met aanvullende
informatie over de geldende
maximumsnelheid.
N.B.
Op bepaalde markten is de functie verkeersbordinformatie (RSI) alleen beschikbaar in
combinatie met Sensus Navigation.
N.B.
Bord voor "Schoolzone" en "Woonerf"
Als het waarschuwingsbord101
"Schoolzone" of "Woonerf" is
opgenomen in de kaartgegevens van het navigatiesysteem102, verschijnt op het
bestuurdersdisplay een bord
van dit type.
Bij gebruik van navigatie via een app die van
derden is gedownload, wordt geen snelheidsinformatie van eventueel gepasseerde verkeersborden verstrekt.
Verkeersbordinformatie met
snelheidswaarschuwing en
instellingen
De deelfunctie Waarschuwing max. snelheid
van RSI103 is optioneel: u kunt kiezen uit Aan of
Uit.
Waarschuwing max. snelheid waarschuwt u bij
overschrijding van de geldende maximumsnelheid
of de ingestelde "snelheidslimiet" – als u geen
vaart mindert, wordt u nogmaals gewaarschuwd.
De snelheidswaarschuwing
bestaat in een tijdelijk knipperend symbool104 op het
bestuurdersdisplay voor de
maximumsnelheid als deze
snelheid wordt overschreden.
U krijgt altijd een snelheidswaarschuwing bij overschrijding
van de snelheidslimiet voor flitspalen die in verband met de
flitspaalinformatie geregistreerd
staat.
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
101De getoonde
102Uitsluitend in
verkeersborden zijn marktspecifiek - de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
auto's met Sensus Navigation.
}}
* Optie/accessoire. 391
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Instellingen
Limiet voor snelheidswaarschuwing
aanpassen
U kunt kiezen om te worden gewaarschuwd bij
hogere snelheid dan de snelheid op het verkeersbord.
Kies de limiet voor de snelheidswaarschuwing als
volgt:
1.
2.
3.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
Road Sign Information in het hoofdscherm van het middendisplay.
Vink Waarschuwing max. snelheid aan.
> De functie wordt geactiveerd en een kiezer voor de snelheidslimiet wordt getoond.
Pas de limiet voor de snelheidswaarschuwing
aan door op het beeldscherm op de pijlomhoog of pijl-omlaag te drukken.
Let erop dat de functie geen
rekening houdt met de gekozen limietaanpassing, als het
bestuurdersdisplay het symbool
voor de flitspaal toont.
103Road Sign Information
104De getoonde verkeersborden
392
Audiowaarschuwing Aan/Uit
Het is ook mogelijk om samen met de snelheidswaarschuwing een geluidswaarschuwing te krijgen.
U kunt de instelling voor de geluidswaarschuwing
als volgt wijzigen:
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
Road Sign Information in het hoofdscherm van het middendisplay.
2.
Vink Audiowaarschuwing verkeersbord
aan/uit om de geluidswaarschuwing te activeren/uit te zetten.
Als de functie Audiowaarschuwing
verkeersbord actief is, wordt u ook gewaarschuwd bij het negeren van een inrijverbod of
bord voor eenrichtingsverkeer.
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
Snelheidswaarschuwing van
verkeersbordinformatie activeren/
deactiveren
U activeert de deelfunctie Waarschuwing max.
snelheid als volgt:
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
Road Sign Information in het hoofdscherm van het middendisplay.
2.
Vink Waarschuwing max. snelheid aan.
> De functie wordt geactiveerd en een kiezer voor de snelheidslimiet wordt getoond.
(zie de beschrijving onder "Snelheidslimiet
kiezen" in het artikel "Verkeersbordinformatie met snelheidswaarschuwing en
instellingen")
Gerelateerde informatie
•
•
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
Verkeersbordinformatie met snelheidswaarschuwing en instellingen (p. 391)
zijn marktspecifiek - de afbeelding in deze handleiding is slechts een voorbeeld.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Informatie op verkeersbord met
informatie over flitspalen
Auto's met RSI105 en Sensus Navigation* kunnen op het bestuurdersdisplay informatie geven
over komende flitspalen.
Zie voor meer informatie over snelheidswaarschuwingen in verband met flitspalen het hoofdstuk "Informatie op verkeersborden met snelheidswaarschuwing en instellingen" evenals het
hoofdstuk "Beperkingen van verkeersbordinformatie".
N.B.
•
Flitspaalinformatie op het bestuurdersdisplay106.
Als de auto een gedetecteerde
snelheidslimiet overschrijdt terwijl de snelheidswaarschuwing
geactiveerd is, krijgt u een
snelheidswaarschuwing als de
auto een flitspaal nadert, op
voorwaarde dat de navigatiekaart voor de actuele regio informatie over flitspalen bevat.
•
Informatie met betrekking tot flitspalen
op de navigatiekaart is niet voor alle
markten/regio's beschikbaar.
De verkeersbordinformatie (RSI107) kent mogelijk beperkingen in bepaalde situaties.
Voorbeelden van factoren die de RSI mogelijk
beperken zijn:
•
•
•
•
verbleekte borden
borden in een bocht
gedraaide of beschadigde borden
borden die hoog boven het wegdek hangen/
staan
•
borden die gedeeltelijk of geheel verscholen
of slecht geplaatst zijn
•
borden die geheel of gedeeltelijk zijn afgedekt met ijs, sneeuw en/of vuil
•
digitale wegenkaarten108 die niet actueel of
onjuist zijn of geen snelheidsinformatie109
bevatten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
105Road Sign Information
106NB De afbeelding is schematisch
Om een akoestisch waarschuwingssignaal te krijgen bij overschrijding van de
maximumsnelheid moet Waarschuwing
max. snelheid zijn geactiveerd en moet
de deelfunctie Audiowaarschuwing
verkeersbord in stand Aan staan. Er
wordt vervolgens een geluidswaarschuwing gegeven als de rijsnelheid de snelheid overschrijdt die RSI op het bestuurdersdisplay toont.
Beperkingen van
Verkeersbordinformatie
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
Verkeersbordinformatie met snelheidswaarschuwing en instellingen (p. 391)
Beperkingen van Verkeersbordinformatie
(p. 393)
– afhankelijk van het model en de markt/regio zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire. 393
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Driver Alert Control
N.B.
De RSI-functie kan sommige soorten fietsdragers die zijn aangesloten op de elektrische
aansluiting voor aanhangers interpreteren als
een aangekoppelde aanhanger. Op het
bestuurdersdisplay kan dan onjuiste snelheidsinformatie verschijnen.
N.B.
Het systeem maakt gebruik van de cameraeenheid van de auto, die een aantal algemene beperkingen heeft, zie hoofdstuk
'Beperkingen van de camera-eenheid'.
Driver Alert Control (DAC) dient om u erop te
attenderen dat u de auto op ongecontroleerde
wijze bestuurt (omdat u bijvoorbeeld afgeleid
wordt of bijna in slaap valt).
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in het
rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie op de
grotere wegen. De functie is niet bedoeld voor
gebruik in het stadsverkeer.
De functie wordt geactiveerd bij een snelheid
hoger dan 65 km/h (40 mph) en blijft actief
zolang de snelheid boven 60 km/h (37 mph) ligt.
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordinformatie* (p. 388)
Als het rijgedrag ongecontroleerd wordt, wordt u gewaarschuwd met het nevenstaande
symbool in combinatie met de
melding Tijd voor een
pauze? op het bestuurdersdisplay.
Als het rijgedrag niet verbeterd maar duidelijk
ongecontroleerd wordt, wordt u gewaarschuwd
met hetzelfde symbool op het bestuurdersdisplay
in combinatie met een geluidssignaal en de melding Tijd voor een pauze.
Een camera tast de zijmarkeringen van de rijbaan
af en vergelijkt de wegrichting met uw stuurbewegingen.
107Road Sign Information
108Bij een auto met Sensus Navigation.
109Kaartgegevens met snelheidsinformatie
394
Als Begeleiding ruststop geactiveerd is in
Sensus Navigation* bij het verschijnen van de
waarschuwing Tijd voor een pauze, krijgt u
zijn niet voor alle gebieden beschikbaar.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
tevens een suggestie voor een mogelijke locatie
om te pauzeren.
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing van Driver Alert
Control altijd serieus, omdat u bij slaperigheid
uw lichamelijke conditie vaak minder goed
kunt inschatten.
Als u uw rijgedrag niet corrigeert, krijgt u enige
tijd later opnieuw waarschuwingen.
WAARSCHUWING
•
•
•
Bij een waarschuwing of een gevoel van vermoeidheid:
Driver Alert Control is een systeem voor
aanvullende bestuurdersondersteuning
om de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar het systeem
werkt niet in alle verkeers-, weers- en
wegomstandigheden.
Gebruik Driver Alert Control niet om langer te blijven rijden dan normaal, maar
plan altijd regelmatig pauzes in en zorg
ervoor dat u uitgerust bent.
Driver Alert Control ontslaat u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
•
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand om rust te houden.
Studies hebben aangetoond dat autorijden bij
vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer
als rijden onder invloed van alcohol of andere
stimulerende middelen.
Gerelateerde informatie
•
Driver Alert Control activeren/deactiveren
(p. 395)
•
Begeleiding naar parkeerplaats kiezen bij
waarschuwing van Driver Alert Control
(p. 396)
•
Beperkingen van Driver Alert Control
(p. 396)
Driver Alert Control activeren/
deactiveren
De Driver Alert Control (DAC) is te activeren/
deactiveren.
Aan/Uit
Om de instellingen te wijzigen voor DAC:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Kies My Car
Control.
3.
Vink Alertheidswaarschuwing aan/uit om
DAC te activeren/deactiveren.
IntelliSafe
Driver Alert
Gerelateerde informatie
•
Driver Alert Control (p. 394)
395
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Begeleiding naar parkeerplaats
kiezen bij waarschuwing van Driver
Alert Control
U kunt aangeven of Begeleiding ruststop moet
zijn geactiveerd of gedeactiveerd.
Als de begeleiding geactiveerd is, verschijnt automatisch een suggestie voor een geschikte parkeerplaats bij een waarschuwing van DAC.
Om Begeleiding ruststop te kiezen:
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Kies My Car
Control.
3.
Vink Begeleiding ruststop aan/uit om de
functie te activeren/deactiveren.
IntelliSafe
Beperkingen van Driver Alert
Control
De Driver Alert Control (DAC) kent mogelijk
beperkingen in bepaalde situaties.
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit
kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
spoorvorming in het wegdek.
WAARSCHUWING
Driver Alert
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag –
zoals bij gebruik van Pilot Assist – zodat DAC
u niet waarschuwt.
De rijbaanassistent (LKA110) moet op snelwegen, hoofdwegen en dergelijke het risico beperken dat uw auto onbedoeld de eigen rijbaan verlaat.
De rijbaanassistent stuurt de auto terug in de rijbaan en/of waarschuwt u met stuurtrillingen.
De rijbaanassistent is actief in het snelheidsinterval 65–200 km/h (40–125 mph) op wegen met
goed zichtbare zijlijnen.
Op smalle wegen is de functie mogelijk niet
beschikbaar en wordt dan stand-by gezet. Als de
weg weer voldoende breed is, wordt de functie
weer beschikbaar.
Het is daarom van zeer groot belang dat u bij
de eerste tekenen van opkomende vermoeidheid de auto op een geschikte plek parkeert
om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag
of DAC nu wel of niet heeft gewaarschuwd.
Gerelateerde informatie
•
zijdelingse rukwinden
Rijbaanassistent
Driver Alert Control (p. 394)
N.B.
Het systeem maakt gebruik van de cameraeenheid van de auto, die een aantal algemene beperkingen heeft, zie hoofdstuk
'Beperkingen van de camera-eenheid'.
Gerelateerde informatie
•
396
Driver Alert Control (p. 394)
Een camera tast de zijlijnen van de weg/rijbaan af.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Afhankelijk van de instellingen reageert de rijbaanassistent als volgt:
• Sturen112 geactiveerd: Als de auto een zijlijn
WAARSCHUWING
•
De rijbaanassistent is een systeem voor
aanvullende bestuurdersondersteuning
om de rijveiligheid te verhogen, maar het
systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
Het systeem ontslaat u niet van de plicht
om alert en adequaat te reageren, zodat u
de auto altijd op een veilige manier moet
blijven besturen, met inachtneming van
een passende snelheid en geschikte
afstand tot andere weggebruikers en met
respect voor de geldende verkeersregels
en -bepalingen.
nadert, zal LKA de auto met een geringe
stuurbeweging actief terug de rijbaan in sturen.
• Waarsch112 geactiveerd: Als de auto een zijlijn dreigt te passeren, wordt u gewaarschuwd met stuurtrillingen.
N.B.
De rijbaanassistent stuurt de auto terug de rijbaan in.
Als de richtingaanwijzer aan is, biedt de rijbaanassistent geen sturing of waarschuwing.
De rijbaanassistent waarschuwt met stuurtrillingen111.
110Lane Keeping Aid
111De stuurtrillingen variëren; hoe langer de auto over de zijlijn rijdt, hoe langer de trillingen aanhouden.
112Zie de rubriek "Assistentie-opties voor LKA" in de paragraaf "Rijbaanassistent activeren/deactiveren".
}}
397
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Rijbaanassistent grijpt niet in
•
Symbolen op het bestuurdersdisplay voor de
rijbaanassistent (p. 403)
Stuurhulp bij rijbaanassistent
Een voorwaarde voor de werking van de stuurhulp LKA113 is dat u uw handen aan het stuur
houdt en het systeem controleert dat voortdurend.
Als u uw handen niet aan het
stuur houdt, verschijnt op het
bestuurdersdisplay het volgende symbool samen met een
melding om actief te sturen:
• Lane Keeping Aid Sturen
De rijbaanassistent grijpt niet in scherpe binnenbochten
in.
In bepaalde gevallen staat de rijbaanassistent u
toe om zijlijnen te passeren zonder in te grijpen
met stuurhulp of te waarschuwen – bijvoorbeeld
bij gebruik van de richtingaanwijzers of bij het
afsnijden van bochten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Stuurhulp bij rijbaanassistent (p. 398)
Beperkingen van rijbaanassistent (p. 399)
Rijbaanassistent activeren/deactiveren
(p. 399)
•
Assistentie-opties voor rijbaanassistent kiezen (p. 399)
•
Symbolen en meldingen voor rijbaanassistent
(p. 401)
113Lane
398
Keeping Aid
Als u dan niet actief gaat sturen, verschijnt het
symbool opnieuw in combinatie met een waarschuwingsgeluid en de volgende melding:
• Lane Keeping Aid Stand-by tot stuur
wordt bekrachtigd
Als u dan nog geen gehoor geeft en de auto niet
actief stuurt, wordt LKA113 stand-by gezet – het
systeem is vervolgens pas weer beschikbaar,
wanneer u de auto actief stuurt.
Gerelateerde informatie
•
Rijbaanassistent (p. 396)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent activeren/
deactiveren
Assistentie-opties voor
rijbaanassistent kiezen
De rijbaanassistent LKA114 is optioneel: u kunt
kiezen uit Aan of Uit.
U kunt kiezen wat LKA115 moet doen, als uw
auto de eigen rijbaan verlaat.
1. Kies Instellingen My Car IntelliSafe
in het hoofdscherm van het middendisplay.
Aan/Uit
Tik op de knop Lane Keeping
Aid op het functiescherm van
het middendisplay.
2.
Kies bij Modus Lane Keeping Aid wat LKA
moet doen:
• Sturen - u krijgt zonder waarschuwing
stuurhulp.
•
•
GRIJZE knopindicatie - LKA is gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
• Beide - u krijgt een waarschuwing én
GROENE knopindicatie - LKA is geactiveerd.
Rijbaanassistent (p. 396)
stuurhulp.
• Waarsch - u wordt alleen gewaarschuwd.
Gerelateerde informatie
•
Rijbaanassistent (p. 396)
Beperkingen van rijbaanassistent
In bepaalde veeleisende situaties kan de rijbaanassistent u moeilijk op de juiste manier helpen
– het wordt dan geadviseerd het systeem uit te
schakelen.
Voorbeelden daarvan:
•
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegomstandigheden
slecht wegdek
zeer sportief rijgedrag
slecht weer met beperkt zicht
wegen met onduidelijke of ontbrekende zijmarkeringen
•
randen of andere lijnen dan de zijmarkeringen
•
als de stuurbekrachtiging met een beperkt
vermogen werkt – zoals bij koeling op grond
van oververhitting (zie het artikel "Snelheidsafhankelijke stuurkracht").
N.B.
Het systeem maakt gebruik van de cameraeenheid van de auto, die een aantal algemene beperkingen heeft, zie hoofdstuk
'Beperkingen van de camera-eenheid'.
114Lane
115Lane
Keeping Aid
Keeping Aid
}}
399
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
400
Gerelateerde informatie
•
•
Rijbaanassistent (p. 396)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 296)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
rijbaanassistent
Op het bestuurdersdisplay kunnen verschillende
symbolen en meldingen verschijnen ten aanzien
van de rijbaanassistent LKA116.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Symbool
Melding
Betekenis
Best.onderst.systeem
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Beperkte functionaliteit Service vereist
Voorruitsensor
Het vermogen van de camera om de rijbaan vóór de auto af te tasten is beperkt.
Sensor afgedekt, zie handleiding
Lane Keeping Aid
Sturen
Lane Keeping Aid
De stuurhulp van LKA werkt niet als u uw handen niet aan het stuur houdt. Houd uw handen aan het stuur.
LKA blijft stand-by staan totdat u de auto weer actief stuurt.
Stand-by tot stuur wordt bekrachtigd
116Lane
Keeping Aid
}}
401
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
U kunt meldingen verwijderen door kort te druk-knop in het midden van de rechken op de
ter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
402
Rijbaanassistent (p. 396)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen op het
bestuurdersdisplay voor de
rijbaanassistent
Niet beschikbaar
Gerelateerde informatie
•
Rijbaanassistent (p. 396)
De rijbaanassistent LKA117 wordt gevisualiseerd
met een symbool op het bestuurdersdisplay. Het
symbool is afhankelijk van de situatie.
Hier volgt een aantal voorbeelden van het uiterlijk van het
symbool en in welke situaties
dit verschijnt:
Niet beschikbaar - de zijlijnen van het symbool zijn
GRIJS.
Beschikbaar
Rijbaanassistent kan de zijlijnen van de rijbaan
niet aftasten, de snelheid is te laag of de weg is
te smal.
Aanduiding van stuurhulp/waarschuwing
Beschikbaar - de zijlijnen van het symbool zijn WIT.
Rijbaanassistent tast de ene zijlijn of beide zijlijnen van de rijbaan af.
Stuurhulp/waarschuwing - de zijlijnen van het symbool
zijn GEKLEURD.
De rijbaanassistent geeft aan dat het systeem
waarschuwt en/of de auto terug de rijbaan in
probeert te sturen.
117Lane
Keeping Aid
403
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
(p. 405)
Stuurhulp bij dreigende botsing
activeren/deactiveren
•
Niveau van stuurhulp bij dreigende bermongelukken (p. 405)
•
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
activeren/deactiveren (p. 406)
De functie is optioneel: u kunt kiezen of deze
Aan of Uit moet staan.
Ga als volgt te werk om de functie uit te schakelen:
•
Beperkingen van de stuurhulp bij dreigende
bermongelukken (p. 406)
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
in het hoofdscherm van het middendisplay.
De Hulp bij het voorkomen van aanrijdingen
omvat drie deelfuncties:
•
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
(p. 407)
2.
•
•
•
•
Stuurhulp bij dreigende botsing met tegenliggers activeren/deactiveren (p. 408)
Vink Hulp bij het voorkomen van
aanrijdingen uit.
> Het systeem staat vervolgens uit.
•
Beperkingen van de stuurhulp bij dreigende
tegenliggerbotsing (p. 408)
Stuurhulp bij botsgevaar
De Hulp bij het voorkomen van aanrijdingen
heeft tot taak het risico te helpen beperken dat
de auto onbedoeld de eigen rijbaan verlaat en/of
in botsing komt met een ander voertuig of een
obstakel door de auto actief terug de eigen rijbaan in te sturen en/of een uitwijkmanoeuvre te
beginnen.
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
Stuurhulp bij dreigende staartbotsing*
N.B.
Na een automatische ingreep verschijnt op het
bestuurdersdisplay een melding dat een dergelijke ingreep heeft plaatsgevonden:
•
Stuurhulp bij dreigende staartbotsing*
(p. 409)
Bij deactivering van Hulp bij het
voorkomen van aanrijdingen worden alle
betrokken deelfuncties uitgeschakeld:
• Hulp bij het voorkomen van aanrijdingen
•
Stuurhulp bij dreigende staartbotsing activeren/deactiveren* (p. 410)
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
•
Beperkingen van de stuurhulp bij dreigende
staartbotsing (p. 410)
•
•
•
Stuurhulp bij dreigende staartbotsing*
Automatische ingreep
N.B.
Het is altijd aan u als bestuurder om de mate
van stuurhulp te bepalen – de auto kan het
commando nooit overnemen.
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
Ondanks de mogelijkheid tot deactivering
wordt geadviseerd om de functie ingeschakeld te laten, omdat deze in de meeste gevallen de rijveiligheid verhoogt.
Gerelateerde informatie
404
•
Stuurhulp bij dreigende botsing activeren/
deactiveren (p. 404)
•
Symbolen en meldingen voor de stuurhulp bij
een dreigende botsing (p. 412)
Gerelateerde informatie
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 404)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Stuurhulp bij dreigende
bermongelukken
WAARSCHUWING
•
De deelfunctie helpt het risico beperken dat u
onbedoeld van de weg raakt door uw auto in het
gegeven geval actief weer de weg op te sturen.
De functie is in werking binnen het snelheidsbereik 65-140 km/h (40-87 mph) op wegen met
duidelijk zichtbare zijmarkeringen/-strepen.
Een camera tast de zijkanten en zijmarkeringen
van de weg af. Als de auto op het punt staat om
van de weg af te rijden, wordt hij weer de weg op
gestuurd en als de stuuractie niet volstaat om de
auto op de weg te houden, wordt de remactie
ook geactiveerd.
Wanneer u de richtingaanwijzers gebruikt, biedt
het systeem echter geen assistentie in de vorm
van stuurhulp of remingrepen. En als het systeem
detecteert dat u er een actieve rijstijl op na houdt,
grijpt het systeem iets later in.
Na een automatische ingreep verschijnt op het
bestuurdersdisplay een melding dat een dergelijke ingreep heeft plaatsgevonden:
De stuurhulp bij gevaar voor bermongelukken is een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning om de rijveiligheid te verhogen, maar het systeem werkt
niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
Het systeem is niet in staat om barrières,
vangrails en dergelijke naast de rijbaan te
detecteren.
•
De stuurhulp bij gevaar voor bermongelukken ontslaat u niet van de plicht om
alert en adequaat te reageren, zodat u de
auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met inachtneming van een
passende snelheid en geschikte afstand
tot andere weggebruikers en met respect
voor de geldende verkeersregels en bepalingen.
Niveau van stuurhulp bij dreigende
bermongelukken
Het systeem heeft twee activeringsniveaus bij
een ingreep:
• Alleen stuurhulp
•
Stuurhulp en remingreep
Alleen stuurhulp
Ingreep met stuurhulp.
Gerelateerde informatie
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 404)
• Hulp bij het voorkomen van aanrijdingen
Automatische ingreep
}}
405
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Stuurhulp en remingreep
Stuurhulp bij dreigende
bermongelukken activeren/
deactiveren
De functie is optioneel: u kunt kiezen of deze
Aan of Uit moet staan.
Ga als volgt te werk om de functie uit te schakelen:
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
in het hoofdscherm van het middendisplay.
2.
Vink Hulp bij het voorkomen van
aanrijdingen uit.
> Het systeem staat vervolgens uit.
Ingreep met stuurhulp en remingreep.
Remingrepen helpen in situaties waar stuurhulp
alleen niet voldoende is. De remkracht wordt
automatisch afgestemd op de situatie waarin een
bermongeluk dreigt.
N.B.
Bij deactivering van Hulp bij het
voorkomen van aanrijdingen worden alle
betrokken deelfuncties uitgeschakeld:
Gerelateerde informatie
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 404)
•
•
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
•
Stuurhulp bij dreigende staartbotsing*
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
Ondanks de mogelijkheid tot deactivering
wordt geadviseerd om de functie ingeschakeld te laten, omdat deze in de meeste gevallen de rijveiligheid verhoogt.
Gerelateerde informatie
•
406
Beperkingen van de stuurhulp bij
dreigende bermongelukken
In bepaalde veeleisende situaties kan het systeem u moeilijk op de juiste manier helpen – het
wordt dan geadviseerd het systeem uit te schakelen.
Voorbeelden daarvan:
•
•
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegomstandigheden
smalle wegen
slecht wegdek
zeer sportief rijgedrag
slecht weer met beperkt zicht
wegen met onduidelijke of ontbrekende zijmarkeringen
•
randen of andere lijnen dan de zijmarkeringen
•
als de stuurbekrachtiging met een beperkt
vermogen werkt – zoals bij koeling op grond
van oververhitting (zie het artikel "Snelheidsafhankelijke stuurkracht").
N.B.
Het systeem maakt gebruik van de cameraeenheid van de auto, die een aantal algemene beperkingen heeft, zie hoofdstuk
'Beperkingen van de camera-eenheid'.
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 404)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
N.B.
De functie maakt gebruik van de radareenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie het artikel "Beperkingen van de radareenheid".
Stuurhulp bij dreigende
tegenliggerbotsing
De deelfunctie kan u helpen, als u wordt afgeleid
en niet merkt dat uw auto de rijbaan dreigt te
verlaten en op de verkeerde weghelft belandt.
Gerelateerde informatie
•
•
Het systeem biedt echter geen stuurhulp bij
gebruik van de richtingaanwijzers. En als het systeem detecteert dat u er een actieve rijstijl op na
houdt, grijpt het systeem iets later in.
Na een automatische ingreep verschijnt op het
bestuurdersdisplay een melding dat een dergelijke ingreep heeft plaatsgevonden:
• Hulp bij het voorkomen van aanrijdingen
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 404)
Automatische ingreep
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 296)
WAARSCHUWING
De functie kan u helpen om uit te wijken naar de eigen
rijbaan.
•
De stuurhulp bij gevaar voor tegenliggerbotsing is een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning om de rijveiligheid te verhogen, maar het systeem werkt
niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
De stuurhulp wordt alleen geactiveerd bij
een groot gevaar voor een botsing –
wacht een ingreep van het systeem
daarom nooit af.
•
Het systeem ontslaat u niet van de plicht
om alert en adequaat te reageren, zodat u
de auto altijd op een veilige manier moet
blijven besturen, met inachtneming van
een passende snelheid en geschikte
afstand tot andere weggebruikers en met
respect voor de geldende verkeersregels
en -bepalingen.
Tegenligger
Uw auto
De functie is in werking binnen het snelheidsbereik 60-140 km/h (37-87 mph) op wegen met
duidelijk zichtbare zijmarkeringen/-strepen.
Als u de rijbaan dreigt te verlaten en daarbij het
pad van een tegenligger kruist, kan het systeem
u helpen om de auto terug de eigen rijbaan in te
sturen.
}}
407
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 404)
Stuurhulp bij dreigende botsing met
tegenliggers activeren/deactiveren
Beperkingen van de stuurhulp bij
dreigende tegenliggerbotsing
De functie is optioneel: u kunt kiezen of deze
Aan of Uit moet staan.
Ga als volgt te werk om de functie uit te schakelen:
Het systeem kent mogelijk beperkingen in de
volgende situaties, zodat bijv. niet wordt ingegrepen in de volgende gevallen:
• bij kleinere voertuigen zoals motorfietsen
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
in het hoofdscherm van het middendisplay.
•
op wegen waar duidelijk zichtbare rijbaanmarkeringen ontbreken
2.
Vink Hulp bij het voorkomen van
aanrijdingen uit.
> Het systeem staat vervolgens uit.
•
als uw eigen auto voor het merendeel in de
aangrenzende rijbaan is belandt
•
buiten het snelheidsbereik 60–140 km/h
(37–87 mph)
•
als de stuurbekrachtiging met een beperkt
vermogen werkt – zoals bij koeling op grond
van oververhitting (zie het artikel "Snelheidsafhankelijke stuurkracht").
N.B.
Bij deactivering van Hulp bij het
voorkomen van aanrijdingen worden alle
betrokken deelfuncties uitgeschakeld:
•
•
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
•
Stuurhulp bij dreigende staartbotsing*
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
Ondanks de mogelijkheid tot deactivering
wordt geadviseerd om de functie ingeschakeld te laten, omdat deze in de meeste gevallen de rijveiligheid verhoogt.
Gerelateerde informatie
•
408
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 404)
Voorbeelden van andere lastige omstandigheden:
•
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegomstandigheden
smalle wegen
slecht wegdek
zeer sportief rijgedrag
slecht weer met beperkt zicht.
In deze veeleisende situaties kan het systeem u
moeilijk op de juiste manier helpen – het wordt
dan geadviseerd om het systeem uit te schakelen.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
N.B.
Het systeem maakt gebruik van de cameraeenheid van de auto, die een aantal algemene beperkingen heeft, zie hoofdstuk
'Beperkingen van de camera-eenheid'.
Stuurhulp bij dreigende
staartbotsing*
zer, maar een ander naderend voertuig niet
opmerkt.
Het systeem kan u helpen, als u bij een naderende achterligger of een voertuig in een dode
hoek wordt afgeleid en niet merkt dat uw auto
de rijbaan dreigt te verlaten.
De functie is in werking binnen het snelheidsbereik 60-140 km/h (37-87 mph) op wegen met
duidelijk zichtbare zijmarkeringen/-strepen.
N.B.
De functie maakt gebruik van de radareenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie het artikel "Beperkingen van de radareenheid".
• Hulp bij het voorkomen van aanrijdingen
Automatische ingreep
WAARSCHUWING
Gerelateerde informatie
•
•
Na een automatische ingreep verschijnt op het
bestuurdersdisplay een melding dat een dergelijke ingreep heeft plaatsgevonden:
•
De stuurhulp bij gevaar voor staartbotsingen is een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning om de rijveiligheid te verhogen, maar het systeem werkt
niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
De stuurhulp wordt alleen geactiveerd bij
een groot gevaar voor een botsing –
wacht een ingreep van het systeem
daarom nooit af.
•
Het systeem ontslaat u niet van de plicht
om alert en adequaat te reageren, zodat u
de auto altijd op een veilige manier moet
blijven besturen, met inachtneming van
een passende snelheid en geschikte
afstand tot andere weggebruikers en met
respect voor de geldende verkeersregels
en -bepalingen.
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 404)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 296)
Het systeem kan u helpen om de auto terug de eigen
rijbaan in te sturen.
Voertuig in een dode hoek
Uw auto
Als u op het punt staat de rijbaan te verlaten met
een voertuig in een dode hoek of een snel naderende achterligger in een aangrenzende rijstrook,
kan het systeem u helpen om de auto terug de
eigen rijbaan in te sturen.
Het systeem kan ook ingrijpen als u de rijbaan
bewust verlaat met geactiveerde richtingaanwij-
}}
* Optie/accessoire. 409
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 404)
Stuurhulp bij dreigende
staartbotsing activeren/
deactiveren*
De functie is optioneel: u kunt kiezen of deze
Aan of Uit moet staan.
Ga als volgt te werk om de functie uit te schakelen:
Beperkingen van de stuurhulp bij
dreigende staartbotsing
Het systeem kent mogelijk beperkingen in de
volgende situaties, zodat bijv. niet wordt ingegrepen in de volgende gevallen:
• bij kleinere voertuigen zoals motorfietsen
•
1.
Kies Instellingen My Car IntelliSafe
in het hoofdscherm van het middendisplay.
als uw eigen auto voor het merendeel in de
aangrenzende rijbaan is belandt
•
2.
Vink Hulp bij het voorkomen van
aanrijdingen uit.
> Het systeem staat vervolgens uit.
op wegen/rijstroken met onduidelijke of ontbrekende zijmarkeringen
•
buiten het snelheidsbereik 60–140 km/h
(37–87 mph)
•
als de stuurbekrachtiging met een beperkt
vermogen werkt – zoals bij koeling op grond
van oververhitting (zie het artikel "Snelheidsafhankelijke stuurkracht").
N.B.
Bij deactivering van Hulp bij het
voorkomen van aanrijdingen worden alle
betrokken deelfuncties uitgeschakeld:
•
•
Stuurhulp bij dreigende bermongelukken
•
Stuurhulp bij dreigende staartbotsing*
Stuurhulp bij dreigende tegenliggerbotsing
Ondanks de mogelijkheid tot deactivering
wordt geadviseerd om de functie ingeschakeld te laten, omdat deze in de meeste gevallen de rijveiligheid verhoogt.
Gerelateerde informatie
•
410
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 404)
Voorbeelden van andere lastige omstandigheden:
•
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegomstandigheden
smalle wegen
slecht wegdek
zeer sportief rijgedrag
slecht weer met beperkt zicht.
In deze veeleisende situaties kan het systeem u
moeilijk op de juiste manier helpen – het wordt
dan geadviseerd om het systeem uit te schakelen.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
N.B.
Het systeem maakt gebruik van de cameraeenheid van de auto, die een aantal algemene beperkingen heeft, zie hoofdstuk
'Beperkingen van de camera-eenheid'.
N.B.
De functie maakt gebruik van de radareenheid van de auto, die een aantal algemene
beperkingen heeft, zie het artikel "Beperkingen van de radareenheid".
Het systeem gebruikt niet alleen de gecombineerde camera en radarsensor maar ook de
radarsensor achter op de auto. Deze sensor heeft
enkele beperkingen die u als bestuurder moet
kennen - zie aanvullende informatie in het artikel
"Beperkingen van BLIS".
Gerelateerde informatie
•
•
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 404)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 296)
411
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor de
stuurhulp bij een dreigende botsing
Op het bestuurdersdisplay kunnen enkele symbolen en meldingen verschijnen voor de functie.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Symbool
Melding
Betekenis
Hulp bij het voorkomen van aanrijdingen
Bij activering van het systeem krijgt u een melding te zien dat het systeem ingeschakeld
is.
Automatische ingreep
Voorruitsensor
Sensor afgedekt, zie handleiding
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
412
Stuurhulp bij botsgevaar (p. 404)
Het vermogen van de camera om de rijbaan vóór de auto af te tasten is beperkt.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeerhulp*
De parkeerhulp kan u helpen bij het parkeren in
krappe ruimten door de afstand tot obstakels
aan te geven met geluidssignalen in combinatie
met grafische voorstellingen op het bestuurdersdisplay.
ondertussen het audiosysteem beluistert, wordt
het volume daarvan tijdelijk verlaagd.
WAARSCHUWING
Bij obstakels voor en naast de auto worden er
zolang de auto rijdt geluidssignalen gegeven,
maar deze geluidssignalen verdwijnen wanneer
de auto zo'n 2 seconden stilstaat. Bij obstakels
achter de auto blijven de geluidssignalen ook
klinken, wanneer de auto stilstaat.
Wanneer de auto een obstakel voor of achter de
auto tot op minder dan 30 cm (1 ft) is genaderd,
bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken
toon en is de sensorsector die het dichtst bij het
autosymbool ligt geheel gevuld.
Beeldscherm met obstakelzones en sensorsectoren.
Op het middendisplay verschijnt een schematische weergave van de onderlinge posities van de
auto en eventuele obstakels.
De gemarkeerde sector geeft aan waar het
obstakel zich bevindt. De gemarkeerde sector ligt
dichter bij het autosymbool, naarmate de afstand
tussen de auto en het waargenomen obstakel
kleiner is.
Hoe korter de afstand tot het obstakel, des te
korter op elkaar klinken de signalen. Wanneer u
Het volume van de parkeerhulp is als het geluidssignaal klinkt aan te passen met de [>II]-knop op
de middenconsole. U kunt het volume ook aanpassen met de menu-optie Instellingen in het
hoofdmenu.
N.B.
•
Geluidssignalen worden alleen gegeven
voor obstakels die zich op direct op het
traject van de auto bevinden.
•
De parkeerhulp is een systeem voor aanvullende bestuurdersondersteuning om
de bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid te verhogen, maar het systeem werkt
niet in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de parkeerhulpsensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Let daarom in het bijzonder op mensen
en dieren in de buurt van de auto.
•
De parkeerhulp ontslaat u niet van de
plicht om alert en adequaat te reageren,
zodat u de auto altijd op een veilige
manier moet blijven besturen, met inachtneming van een passende snelheid en
geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulp aan voorzijde, achterzijde en zijkanten (p. 414)
•
•
•
Parkeerhulp activeren/deactiveren (p. 415)
•
Beperkingen van parkeerhulp (p. 415)
Aanbevolen onderhoud van de parkeerhulp
(p. 416)
Symbolen en meldingen voor parkeerhulp
(p. 417)
* Optie/accessoire. 413
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeerhulp aan voorzijde,
achterzijde en zijkanten
De parkeerhulp hanteert verschillende parameters afhankelijk van de kant van de auto die een
obstakel nadert.
Achterzijde
N.B.
Naar voren
Bij het achteruitrijden met een aanhanger
achter de auto of een fietsdrager op de trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel
van Volvo – moet u de Park Assist mogelijk
handmatig uitschakelen om te voorkomen dat
de sensoren erop reageren.
Aan de zijkanten
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
De voorsensoren van de parkeerhulp worden bij
het starten van de motor automatisch geactiveerd. De voorsensoren zijn actief bij snelheden
lager dan 10 km/h (6 mph).
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het
model zijn afwijkingen mogelijk.
Als de auto in zijn vrij achteruitrolt of wanneer u
de keuzehendel in de stand voor achteruitrijden
zet, worden de sensoren aan de achterzijde
geactiveerd.
Het meetgebied reikt tot zo'n 1,5 meter (5 ft)
achter de auto.
Bij het achteruitrijden met een aanhangwagen
achter de auto wordt de parkeerhulp automatisch
gedeactiveerd.
414
Het meetgebied reikt tot zo’n 80 cm (2,5 ft) voor
de auto.
De zijsensoren van de parkeerhulp worden bij het
starten van de motor automatisch geactiveerd. Ze
zijn actief bij snelheden lager dan 10 km/h
(6 mph).
Het meetgebied reikt tot zo'n 30 cm (1 ft) naast
de zijkanten. Bij detectie van obstakels aan de zijkant komen de geluidssignalen uit de luidsprekers aan de zijkant.
N.B.
De parkeerhulp wordt gedeactiveerd wanneer
u de parkeerrem aanzet of als u bij een auto
met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P zet.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BELANGRIJK
Bij montage van verstralers: Let erop dat deze
de sensoren niet mogen hinderen - de verstralers kunnen dan als obstakel worden
gezien.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulp* (p. 413)
Parkeerhulp activeren/deactiveren
Beperkingen van parkeerhulp
De parkeerhulp is te activeren/deactiveren.
De parkeerhulp is niet in staat om in alle situaties
alles te registreren, zodat er soms beperkingen
gelden voor de werking.
Aan/Uit
De voor- en zijsensoren van de parkeerhulp worden automatisch geactiveerd bij het starten van
de motor - de achtersensoren als de auto achteruitrolt of als de achteruitversnelling wordt geselecteerd.
De functie is te activeren/
deactiveren op het functiescherm van het middendisplay.
–
Druk op de knop Parkeerhulp op het functiescherm.
> Parkeerhulp wordt geactiveerd/gedeactiveerd, in de knop verschijnt een groene/
grijze indicatie.
Als bestuurder dient u rekening te houden met
de volgende beperkingen van de parkeerhulp:
WAARSCHUWING
Wees bij het verschijnen
van dit symbool extra voorzichtig tijdens het achteruitrijden met een gemonteerde aanhangwagen,
fietsdrager of iets dergelijks
die is aangesloten op het
elektrische systeem van de auto.
Het symbool geeft aan dat de parkeerhulpsensoren achter uitgeschakeld zijn, zodat
deze niet waarschuwen voor eventuele obstakels.
Bij een auto met parkeerhulpcamera is de parkeerhulp ook te activeren/deactiveren via het
desbetreffende camerascherm.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulp* (p. 413)
}}
* Optie/accessoire. 415
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
BELANGRIJK
BELANGRIJK
Obstakels zoals kettingen, smalle glanzende
palen of lage obstakels kunnen "afgeschaduwd" worden en worden in dat geval tijdelijk
niet geregistreerd door de sensoren – het
onderbroken geluidssignaal kan dan plotseling wegvallen in plaats van over te gaan in
het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
In bepaalde omstandigheden kan het parkeerhulpsysteem ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven onder invloed van
externe geluidsbronnen met ultrasone
geluidssignalen van dezelfde frequentie als
de sensoren van het systeem.
De parkeerhulp werkt alleen optimaal, wanneer u
de bijbehorende sensoren regelmatig reinigt met
water en autoshampoo.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn claxons, natte banden op asfalt, pneumatische
remmen en uitlaatgeluid van motorfietsen et
cetera.
De sensoren kunnen geen hoge obstakels
ontdekken, zoals uitstekende laadperrons.
•
Aanbevolen onderhoud van de
parkeerhulp
Wees in dergelijke gevallen extra voorzichtig en bedien/verrijd de auto erg
langzaam of breek de parkeermanoeuvre
af – er bestaat groot gevaar voor materiele schade aan de auto of de omgeving,
aangezien de informatie afkomstig van de
sensoren in dergelijke situaties niet altijd
betrouwbaar is.
N.B.
Wanneer het elektrische systeem van de auto
is geconfigureerd voor een trekhaak, wordt de
uitsteeklengte van de trekhaak meegerekend
bij het meten van de afstand tot obstakels
achter de auto.
Positie van de sensoren118.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
aanleiding geven tot onterechte waarschuwingssignalen, tot systeembeperkingen of
ervoor zorgen dat het systeem niet meer
werkt.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulp* (p. 413)
Gerelateerde informatie
•
118NB
416
Parkeerhulp* (p. 413)
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor
parkeerhulp
Op het bestuurders- en /of middendisplay verschijnen mogelijk symbolen en meldingen voor
de parkeerhulp.
In de volgende tabel staan enkele voorbeelden.
Symbool
Melding
Betekenis
De parkeerhulpsensoren achter zijn uitgeschakeld, zodat er geen akoestische waarschuwingssignalen voor obstakels/voorwerpen verschijnen.
Parkeerhulpsysteem
Sensoren afgedekt, schoonmaken
vereist
Parkeerhulpsysteem
Niet beschikbaar Service vereist
Een of meer van de sensoren van het systeem zijn geblokkeerd. Controleer dit en verhelp de
storing zo spoedig mogelijk.
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulp* (p. 413)
* Optie/accessoire. 417
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeerhulpcamera*
Lijnen - hulplijnen activeren/deactiveren
De parkeerhulpcamera kan u helpen bij het parkeren in krappe ruimten door obstakels weer te
geven met camerabeelden en grafische voorstellingen op het middendisplay.
De parkeerhulpcamera is een hulpsysteem dat
automatisch wordt geactiveerd bij inschakeling
van de achteruitversnelling of handmatig via het
middendisplay.
Trekhaak* - hulplijn voor trekhaak activeren/
deactiveren*121
WAARSCHUWING
•
De parkeerhulpcamera is een systeem
voor aanvullende bestuurdersondersteuning om de bestuurder te ontlasten en de
rijveiligheid te verhogen, maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weersen wegomstandigheden.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de parkeerhulpcamera's zitten, zal het
systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Let daarom in het bijzonder op mensen
en dieren in de buurt van de auto.
•
Voorwerpen/obstakels kunnen dichter bij
de auto zijn dan ze lijken op het beeldscherm.
•
De parkeerhulpcamera's ontslaan u niet
van de plicht om alert en adequaat te reageren, zodat u de auto altijd op een veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid
en geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
CTA* - Cross Traffic Alert activeren/deactiveren
Voorbeeld van cameraweergave119.
Zoomen120 - in-/uitzoomen
360°-beeld* - alle camera's activeren/deactiveren
PAS* - parkeerhulp activeren/deactiveren
119De afbeelding is schematisch, zodat er
120Bij het inzoomen doven de hulplijnen.
121Niet op alle markten beschikbaar.
418
afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
Camera-aanzichten van de parkeerhulpcamera's (p. 419)
•
•
Hulplijnen voor parkeerhulpcamera (p. 421)
•
•
Parkeerhulpcamera starten (p. 423)
Sensorveld van parkeerhulp voor parkeerhulpcamera (p. 423)
Camera-aanzichten van de
parkeerhulpcamera's
Vanuit het 360°-aanzicht is ieder camera-aanzicht apart te activeren:
De functie kan een gecombineerde 360°-aanzicht tonen én een afzonderlijk aanzicht voor de
vier camera's: achter, voor, links of rechts.
•
360°-aanzicht*
Beperkingen van parkeerhulpcamera
(p. 424)
•
Aanbevolen onderhoud van de parkeerhulpcamera (p. 425)
•
Aanbevolen onderhoud van de parkeerhulpcamera (p. 425)
•
Symbolen en meldingen voor de parkeerhulpcamera (p. 426)
Tik op het display voor het "blikveld" van de
gewenste camera, bijvoorbeeld op het
gebied voor/boven de frontcamera.
Het camerasymbool in het
autosymbool op het middendisplay geeft aan welke camera
actief is.
Als de auto tevens is uitgerust
met Parkeerhulpsysteem*
wordt de afstand tot gedetecteerde obstakels
aangeduid met velden in verschillende kleuren.
De camera's zijn automatisch of handmatig te
activeren - zie de paragraaf "Parkeerhulpcamera
starten".
"Blikveld" van de parkeerhulpcamera's en hun approximatieve dekkingsgebieden.
De functie 360°-beeld activeert alle parkeerhulpcamera's waarna alle vier de zijden van de
auto gelijktijdig op het middendisplay verschijnen,
zodat u bij manoeuvreren op lage snelheden kunt
zien wat er zich rond de auto bevindt.
}}
* Optie/accessoire. 419
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Achterzijde
Naar voren
Naar zijkanten
De achtercamera122 zit boven de kentekenplaat.
De parkeerhulpcamera123 aan de voorzijde zit in de
grille.
De zijcamera's123 zitten in beide buitenspiegels.
De camera beslaat een breed gebied achter de
auto. Bij bepaalde modellen is ook een deel van
de achterbumper zichtbaar plus een eventuele
trekhaak.
Voorwerpen op het middendisplay lijken mogelijk
over te hellen – dit is volkomen normaal.
De frontcamera kan handig zijn bij het invoegen
vanuit een oprit waarbij het zicht naar beide zijden bijvoorbeeld door heggen beperkt is. De
camera is actief bij snelheden tot 25 km/h
(16 mph) – bij hogere snelheden wordt de frontcamera uitgeschakeld.
De zijcamera's kunnen weergeven wat er zich
aan de desbetreffende zijde naast de auto
bevindt.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulpcamera* (p. 418)
Als de rijsnelheid een waarde van 50 km/h
(30 mph) niet bereikt en binnen 1 minuut na uitschakeling van de frontcamera daalt tot onder
22 km/h (14 mph), wordt de camera opnieuw
geactiveerd.
122NB
123NB
420
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Hulplijnen voor parkeerhulpcamera
De parkeerhulpcamera's geeft met lijnen op het
beeldscherm aan waar de auto zich ten opzichte
van de omgeving bevindt.
achteruitrijden in krappe ruimten en aankoppelen
van aanhangwagens.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd
als stonden ze op de grond achter de auto. De lijnen zijn bovendien afhankelijk van de stuuruitslag, zodat u ook tijdens het draaien kunt zien
welke baan de auto zal nemen.
De hulplijnen zijn inclusief de uitstekende delen
van de auto, zoals de trekhaak, buitenspiegels en
hoeken.
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de hulplijnen op het
beeldscherm de baan van de auto aan –
niet die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen hulplijnen op het
beeldscherm, wanneer er een aanhanger
is aangesloten op het elektrische systeem van de auto.
•
Er verschijnen geen hulplijnen bij het
inzoomen.
BELANGRIJK
•
Let erop dat op het beeldscherm alleen
het gebied achter de auto wordt weergegeven, als u voor de achteruitkijkcamera
hebt gekozen – let in dat geval goed op
de zijkanten en voorkant van de auto
wanneer u tijdens het achteruitrijden het
stuurwiel verdraait.
•
Hetzelfde geldt ook omgekeerd – let op
wat er met de achterste delen van de
auto gebeurt als u de frontcamera hebt
gekozen.
•
De hulplijnen geven het kortste traject
aan – let er daarom extra goed op dat u
met de zijkanten van de auto nergens
tegen aankomt of overheen rijdt, als u bij
vooruitrijden aan het stuur draait of met
de voorkant van de auto nergens tegen
aankomt of overheen rijdt, als u bij achteruitrijden aan het stuur draait.
Voorbeeld124 van hulplijnen.
De hulplijnen geeft de denkbeeldige baan van de
contouren van de auto aan bij de actuele stuuruitslag - dit vereenvoudigt het achteruit insteken,
124De
afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
}}
421
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Hulplijnen in 360°-aanzicht*
Hulplijn voor trekhaak*
van een hulplijn voor de virtuele "baan" van de
trekhaak naar de aanhangwagen.
1.
Druk op Trekhaak (1).
> De hulplijn voor het vermoedelijk traject
van de trekhaak wordt getoond, terwijl de
hulplijnen van de auto tegelijkertijd
gedoofd worden.
Er zijn niet tegelijkertijd hulplijnen weer te
geven voor de auto en de trekhaak.
2.
360°-aanzicht met hulplijnen124.
Met 360°-aanzicht worden - afhankelijk van de
rijrichting - achter, voor en aan de zijkant van de
auto hulplijnen getoond:
•
•
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulpcamera* (p. 418)
Bij vooruitrijden: Frontlijnen
Bij achteruitrijden: Zijlijnen en achteruitrijlijnen.
Als de voor- of achtercamera gekozen is, worden
de hulplijnen onafhankelijk van de rijrichting
weergegeven.
Als een zijcamera gekozen is, worden hulplijnen
alleen weergegeven als er achteruit gereden
wordt.
124De
422
Druk op Zoomen (2) als u nauwkeurig moet
manoeuvreren.
> Er wordt ingezoomd op de camerabeelden.
Trekhaak met hulplijn124.
Trekhaak - hulplijn voor trekhaak activeren.
Zoomen - in-/uitzoomen.
De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhangwagen door de weergave
afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Sensorveld van parkeerhulp voor
parkeerhulpcamera
Als de auto uitgerust is met Parkeerhulp wordt
voor iedere sensor die een obstakel waarneemt
de afstand met gekleurde velden in 360°-aanzicht weergegeven.
De kleur van de velden voor de sensoren achteruit en vooruit verandert als de afstand tot het
obstakel kleiner wordt - van geel, via oranje naar
rood.
Sensorveld achteruit en vooruit
Veldkleur achteruit
en vooruit
Afstand in meter (feet)
Oranje
0,6-1,5 (2,0-4,9)
Oranje
0,4-0,6 (1,3-2,0)
Rood
0-0,4 (0-1,3)
Sensorvelden naar de zijkanten
De zijvelden worden uitsluitend weergegeven met
de kleur oranje.
Veldkleur zijkanten
Afstand in meter (feet)
Oranje
0-0,3 (0-1,0)
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulpcamera* (p. 418)
Parkeerhulpcamera starten
De parkeerhulpcamera start automatisch bij
inschakeling van de achteruitversnelling of handmatig bij het bedienen van een van de functieknoppen van het middendisplay.
Camera-aanzicht tijdens het
achteruitrijden
Bij inschakeling van de achteruitversnelling verschijnt het 360°-aanzicht als dit aanzicht of een
van de zijaanzichten het laatst gebruikte aanzicht
was, zo niet dan verschijnt het achteraanzicht.
Aanzicht bij handmatige inschakeling
van de camera
Start de parkeerhulpcamera
met deze knop op het functiescherm van het middendisplay.
Op het display verschijnt
daarna in eerste instantie het
laatst gebruikte camera-aanzicht. Na iedere nieuwe motorstart wordt een eerder weergegeven zijaanzicht vervangen door een
360°-aanzicht en een eerder getoond ingezoomd
achteraanzicht wordt vervangen door een standaardachteraanzicht.
Camera automatisch deactiveren
Het beeldscherm toont de gekleurde sensorvelden op
het autosymbool125.
125De
afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
Het vooraanzicht dooft bij 25 km/h (16 mph) om
u niet af te leiden – het vooraanzicht wordt bij
een snelheid van 22 km/h (14 mph) binnen
}}
* Optie/accessoire. 423
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
1 minuut opnieuw geactiveerd, op voorwaarde
dat u niet sneller rijdt dan 50 km/h (31 mph).
Beperkingen van
parkeerhulpcamera
De overige camera-aanzichten doven bij 15 km/h
(9 mph) en worden niet opnieuw geactiveerd.
De parkeerhulpcamera is niet in staat om in alle
situaties alles te registreren, zodat er mogelijke
beperkingen gelden voor de werking.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulpcamera* (p. 418)
Dode hoeken
Als bestuurder dient u rekening te houden met
de volgende beperkingen van de parkeerhulpcamera:
WAARSCHUWING
Wees bij het verschijnen
van dit symbool extra voorzichtig tijdens het achteruitrijden met een gemonteerde aanhangwagen,
fietsdrager of iets dergelijks
die is aangesloten op het
elektrische systeem van de auto.
Het symbool geeft aan dat de parkeerhulpsensoren achter uitgeschakeld zijn, zodat
deze niet waarschuwen voor eventuele obstakels.
N.B.
Fietsdragers of andere accessoires achter op
de auto kunnen het blikveld van de camera
blokkeren.
424
Er zitten "dode" hoeken tussen de blikvelden van de
camera's.
In het 360°-aanzicht kunnen obstakels/voorwerpen "verdwijnen" in de overgangen tussen de
afzonderlijke camera's.
WAARSCHUWING
Ook als de dode hoeken op het scherm relatief klein ogen dient u erop te letten dat de
verborgen gebieden in werkelijkheid dusdanig
groot kunnen zijn dat obstakels mogelijk pas
worden geregistreerd, wanneer de auto de
obstakels zeer dicht genaderd is.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Defecte camera
Als een camerasector zwart
blijft en het nevenstaande symbool bevat, betekent dit dat de
desbetreffende camera defect
is.
Hieronder een voorbeeld.
kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat
kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit betreft.
Slechte lichtomstandigheden leveren mogelijk
een slechtere beeldkwaliteit op.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulpcamera* (p. 418)
Aanbevolen onderhoud van de
parkeerhulpcamera
De parkeerhulpcamera's bij de kentekenplaathouder achterop, de frontgrille en in de beide
buitenspiegels vergen enige vorm van onderhoud.
Maak cameralenzen regelmatig schoon met lauw
water en autoshampoo. Wees voorzichtig zodat er
geen krassen op de lens komen.
N.B.
Houd voor optimale werking de cameralens
vrij van vuil, sneeuw en ijs. Dit is vooral van
belang in slechte lichtomstandigheden.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulpcamera* (p. 418)
De linker camera van de auto is defect.
Zwarte camerasector
Ook in de volgende gevallen blijft de desbetreffende camerasector zwart, zij het zonder het
symbool voor een defecte camera:
•
•
•
geopend portier
geopende achterklep
ingeklapte buitenspiegel.
Lichtomstandigheden
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit
* Optie/accessoire. 425
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Symbolen en meldingen voor de
parkeerhulpcamera
Op het bestuurders- en /of middendisplay verschijnen mogelijk symbolen en meldingen voor
de parkeerhulpcamera.
In de volgende tabel staan voorbeelden.
Symbool
Melding
Betekenis
De parkeerhulpsensoren achter zijn uitgeschakeld, zodat er geen akoestische waarschuwingssignalen en veldmarkeringen voor obstakels/voorwerpen verschijnen.
De camera is defect.
Parkeerhulpsysteem
Sensoren afgedekt, schoonmaken vereist
Parkeerhulpsysteem
Niet beschikbaar Service vereist
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
426
Een of meer van de sensoren van het systeem zijn geblokkeerd. Controleer dit en verhelp de storing zo spoedig mogelijk.
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerhulpcamera* (p. 418)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Actieve parkeerhulp*
De actieve parkeerhulp
in- en uitparkeren.
(PAP126)
N.B.
helpt u bij het
PAP meet de ruimte en stuurt de auto – aan
u de taak om:
PAP controleert eerst of een plek groot genoeg
is en stuurt de auto vervolgens de plek in.
•
goed op de omgeving rond de auto te letten
Op het middendisplay wordt met symbolen, grafische voorstellingen en teksten aangegeven wat u
wanneer moet doen.
•
de instructies op het middendisplay op te
volgen
•
te schakelen (achteruit/vooruit) – er klikt
een "belsignaal", wanneer u moet schakelen
•
de snelheid te regelen en daarbij een veilige snelheid aan te houden
•
te remmen en de auto tot stilstand te
brengen.
WAARSCHUWING
•
PAP is een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning om de
bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid
te verhogen, maar het systeem werkt niet
in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
•
Let daarom in het bijzonder op mensen
en dieren in de buurt van de auto.
•
PAP ontslaat u niet van de plicht om alert
en adequaat te reageren, zodat u de auto
altijd op een veilige manier moet blijven
besturen, met inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot
andere weggebruikers en met respect
voor de geldende verkeersregels en bepalingen.
126Park
Assist Pilot
Gerelateerde informatie
•
Parkeervarianten bij actieve parkeerhulp
(p. 427)
•
•
Inparkeren met actieve parkeerhulp (p. 428)
Uitparkeren met actieve parkeerhulp
(p. 431)
•
Beperkingen van de Actieve parkeerhulp*
(p. 432)
•
Aanbevolen onderhoud van de actieve parkeerhulp (p. 434)
•
Meldingen voor Actieve parkeerhulp*
(p. 435)
Parkeervarianten bij actieve
parkeerhulp
De actieve parkeerhulp PAP127 is te gebruiken
bij de volgende parkeervarianten.
Fileparkeren
Principe voor fileparkeren of achteruit insteken.
Het PAP-systeem parkeert de auto aan de hand
van de volgende stappen:
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
2.
De auto wordt achteruit het vak ingestuurd.
3.
De auto wordt netjes in het midden van het
vak geparkeerd door voor-/achteruit te rijden.
Met Uitparkeren kan een parallel geparkeerde
auto ook hulp krijgen van PAP om een parkeervak te verlaten - zie de rubriek "Uit een parkeervak rijden" in artikel "Inparkeren met actieve parkeerhulp".
}}
* Optie/accessoire. 427
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Achteruit insteken
Inparkeren met actieve parkeerhulp
De actieve parkeerhulp (PAP128) helpt u in drie
fasen bij het parkeren. De functie kan u ook helpen om uit een parkeervak te rijden.
N.B.
PAP is te activeren als na het starten van de
motor aan de volgende criteria is voldaan:
•
Er is geen aanhangwagen aan de auto
gekoppeld
•
De snelheid moet lager zijn dan 30 km/h
(20 mph).
PAP meet de ruimte en stuurt de auto – aan
u de taak om:
Principe voor (achteruit) insteken.
Het PAP-systeem parkeert de auto aan de hand
van de volgende stappen:
•
goed op de omgeving rond de auto te letten
•
de instructies op het middendisplay op te
volgen
•
te schakelen (achteruit/vooruit) – er klikt
een "belsignaal", wanneer u moet schakelen
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
•
2.
De auto wordt achteruit/vooruit het parkeervak in gestuurd en netjes in het midden
geparkeerd door voor-/achteruit te rijden.
de snelheid te regelen en daarbij een veilige snelheid aan te houden
•
te remmen en de auto tot stilstand te
brengen.
N.B.
Een haaks geparkeerde auto kan niet met
behulp van de PAP-functie Uitparkeren een
parkeervak verlaten - die functie is alleen te
gebruiken voor een parallel geparkeerde auto.
Symbolen, grafische voorstellingen en/of teksten
op het middendisplay geven aan, wanneer u iets
moet doen.
N.B.
De afstand tussen de auto en parkeervakken
moet 0,5–1,5 meter (1,6–5,0 ft) bedragen,
wanneer PAP de omgeving aftast op zoek
naar een passende parkeerplek.
Parkeren
PAP parkeert de auto aan de hand van de volgende deelmomenten:
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten.
2.
De auto wordt achteruit het vak ingestuurd.
3.
De auto wordt netjes in het midden van het
vak geparkeerd - het systeem kan u vragen
om te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp* (p. 427)
127Park
428
Assist Pilot
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeervakken zoeken en meten
De functie is te activeren op
het functiescherm van het middendisplay.
N.B.
PAP zoekt een geschikte ruimte om te parkeren, geeft instructies en parkeert de auto aan
de passagierskant in. Desgewenst kunt u de
auto ook aan de bestuurderszijde van de
straat parkeren:
Deze is ook bereikbaar vanuit
de camerabeelden.
•
Schakel de richtingaanwijzers aan de
bestuurderszijde in, waarna het systeem
een geschikte parkeerplek aan deze kant
van de straat zoekt.
Principe voor (achteruit) insteken.
U doet dat als volgt:
1.
Rijd maximaal 30 km/h (20 mph) voordat u
gaat fileparkeren of maximaal 20 km/h
(12 mph) voordat u achteruit gaat insteken.
2.
Tik op de knop Inparkeren in het functiescherm of in het camerascherm.
> PAP zoekt een parkeervak en meet of dit
vak groot genoeg is.
3.
Zorg dat u klaar bent om te stoppen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
vertellen dat er een geschikte parkeerplaats
gevonden is.
> Er verschijnt een pop-upvenster.
4.
Kies Fileparkeren of Haaks parkeren en
schakel in de achteruit.
Principe voor fileparkeren.
128Park
Assist Pilot
}}
429
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Achteruit inparkeren
Fileparkeren.
Doe het volgende om de auto achteruit in te parkeren:
1.
Controleer of de ruimte achter u vrij is en
schakel de achteruitversnelling in.
2.
Rijd langzaam en voorzichtig achteruit en
raak het stuurwiel niet aan – rijd niet sneller
dan zo'n 7 km/h (4 mph).
3.
Zorg dat u klaar bent om te stoppen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
hiertoe verzoeken.
Auto netjes in het midden van het
parkeervak parkeren
N.B.
•
Houd uw handen weg van het stuurwiel
als de PAP-functie is geactiveerd.
•
Let erop dat het stuurwiel niet door iets
wordt gehinderd en vrij kan draaien.
•
Wacht voor het beste resultaat totdat het
stuurwiel is uitgedraaid, voordat u achteruit/vooruit rijdt.
Fileparkeren.
Achteruit insteken.
Achteruit insteken.
U doet dat als volgt:
430
BESTUURDERSONDERSTEUNING
1.
Zet de keuzehendel in stand D. Wacht totdat
het stuur gedraaid is en rijd langzaam vooruit.
Uitparkeren met actieve
parkeerhulp
het stuur terugdraaien tot de maximale stuuruitslag om uit het parkeervak te kunnen rijden.
2.
Zorg dat u klaar bent om te stoppen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
hiertoe verzoeken.
De functie Uitparkeren kan u helpen om een
parkeervak uit te rijden.
3.
Schakel in de achteruit en rijd langzaam achteruit.
Als PAP oordeelt dat u zonder extra manoeuvres
kunt uitparkeren, wordt de functie uitgeschakeld,
ook al denkt u misschien dat de auto nog in het
parkeervak staat.
4.
Zorg dat u klaar bent om te stoppen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
hiertoe verzoeken.
N.B.
Het verlaten van een parkeervak met
Uitparkeren is alleen bestemd voor een
parallel geparkeerde auto - het systeem werkt
niet voor een haaks geparkeerde auto.
De waarschuwingsafstand is korter, wanneer
de sensoren worden gebruikt door PAP dan
wanneer Park Assist de sensoren gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp* (p. 427)
Actieve parkeerhulp* (p. 427)
De functie Uitparkeren is te
activeren in het functiescherm
op het middendisplay of in het
camerascherm.
Het systeem wordt automatisch gedeactiveerd,
waarna met grafische voorstellingen en een melding wordt aangegeven dat het insteken is afgerond. U moet mogelijk later corrigeren - alleen u
kunt beoordelen of de auto goed geparkeerd
staat.
BELANGRIJK
Gerelateerde informatie
•
U doet dat als volgt:
1.
Tik op de knop Uitparkeren in het functiescherm of in het camerascherm.
2.
Geef met de richtingaanwijzer aan in welke
richting de auto het parkeervak moet verlaten.
3.
Zorg dat u klaar bent om te stoppen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
hiertoe verzoeken. Volg de instructies op
dezelfde manier als bij de parkeerprocedure.
Let erop dat het stuur kan "terugveren" bij het
uitschakelen van de functie. U moet dan mogelijk
* Optie/accessoire. 431
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Beperkingen van de Actieve
parkeerhulp*
De actieve parkeerhulp PAP129 is niet in staat
om in alle situaties alles te registreren, zodat er
mogelijke beperkingen gelden voor de werking.
WAARSCHUWING
•
•
Let daarom in het bijzonder op mensen
en dieren in de buurt van de auto.
•
Let erop dat de voorkant van de auto tijdens het parkeren kan uitzwenken naar
het tegemoetkomende verkeer.
•
Voorwerpen boven het detectiegebied
van de sensoren worden niet meegenomen bij het berekenen van de parkeermanoeuvre, waardoor PAP mogelijk te vroeg
het parkeervak indraait – vermijd daarom
parkeervakken met dergelijke hoge voorwerpen.
•
129Park
432
PAP is een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning om de
bestuurder te ontlasten, maar het systeem werkt niet in alle verkeers-, weersen wegomstandigheden.
PAP ontslaat u niet van de plicht om alert
en adequaat te reageren, zodat u de auto
altijd op een veilige manier moet blijven
besturen, met inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot
andere weggebruikers en met respect
voor de geldende verkeersregels en bepalingen.
Als bestuurder dient u rekening te houden met
de volgende beperkingen van de actieve parkeerhulp:
Parkeren afbreken
Een parkeerprocedure wordt afgebroken:
•
•
als u het stuurwiel aanraakt
•
als u op Annuleren op het middendisplay
drukt
•
bij een ingreep van het antiblokkeerremsysteem of de elektronische stabiliteitsregeling,
bijvoorbeeld als een wiel geen grip meer
heeft bij een glad wegdek
•
als de stuurbekrachtiging met een beperkt
vermogen werkt – zoals bij koeling op grond
van oververhitting (zie het artikel "Snelheidsafhankelijke stuurkracht").
als u te snel met de auto rijdt – sneller dan
7 km/h (4 mph)
In voorkomende gevallen laat een melding op het
middendisplay u weten waarom de parkeerprocedure is afgebroken.
Assist Pilot
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BELANGRIJK
Onder bepaalde omstandigheden kan PAP
geen parkeerplaatsen vinden - een reden kan
zijn dat de sensoren worden verstoord door
externe geluidsbronnen, die dezelfde ultrasoonfrequenties afgeven als waar het systeem mee werkt.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn o.a.
claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van motorfietsen.
Er zijn ook een paar details waar u bij het parkeren op moet letten, bijvoorbeeld:
•
U moet altijd bepalen of het vak dat PAP
voorstelt zich leent om in te parkeren.
•
Gebruik PAP niet als u sneeuwkettingen of
een reservewiel hebt gemonteerd.
•
Gebruik PAP niet als er lading buiten de auto
uitsteekt.
•
Hevige regen of sneeuwval kan ertoe leiden
dat het parkeervak niet op een juiste manier
wordt gemeten.
•
Tijdens het zoeken en meten van parkeervakken kan PAP obstakels die diep in een
parkeervak liggen over het hoofd zien.
•
In smalle straten zijn niet altijd parkeervakken
te vinden, omdat er mogelijk te weinig ruimte
voor manoeuvreren is.
•
Gebruik goedgekeurde banden130 met de
juiste bandenspanning - dit is van invloed op
de parkeermogelijkheden van PAP.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken,
neemt de functie af en kan meten onmogelijk
worden gemaakt.
Uw verantwoordelijkheid
Vergeet niet dat PAP een hulpmiddel is en geen
onfeilbaar en volautomatisch systeem. Wees
daarom altijd voorbereid om de parkeermanoeuvre te onderbreken.
130Met
•
PAP gaat uit van de onderlinge positie van
de geparkeerde voertuigen – als deze ongelukkig geparkeerd staan, kunnen de banden
en velgen van uw auto beschadigd raken bij
contact met de stoeprand.
•
Haakse parkeervakken kunnen worden
gemist of ten onrechte worden gedetecteerd,
als een geparkeerde auto meer uitsteekt dan
de andere geparkeerde auto's.
•
PAP is bedoeld voor inparkeren in rechte
straatgedeelten – niet in straatgedeelten met
sterke krommingen of scherpe bochten. Zorg
daarom dat de auto naast het parkeervak
staat, wanneer PAP de beschikbare ruimte
meet.
BELANGRIJK
Bij montage van een andere goedgekeurde
maat velgen en/of banden kan de omtrek van
de banden veranderen, zodat de PAP-parameters mogelijk moeten worden bijgewerkt.
Informeer bij een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
Actieve parkeerhulp* (p. 427)
Snelheidsafhankelijke stuurkracht (p. 296)
‘goedgekeurde banden’ wordt bedoeld: banden van hetzelfde type en merk als die bij levering af fabriek origineel waren gemonteerd.
* Optie/accessoire. 433
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Aanbevolen onderhoud van de
actieve parkeerhulp
De actieve parkeerhulp PAP131 werkt alleen optimaal, wanneer u de bijbehorende sensoren
regelmatig reinigt met water en autoshampoo.
Positie van de sensoren132.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
aanleiding geven tot onterechte waarschuwingssignalen, tot systeembeperkingen of
ervoor zorgen dat het systeem niet meer
werkt.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp* (p. 427)
131Park Assist Pilot
132NB De afbeelding
434
is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Meldingen voor Actieve
parkeerhulp*
Op het bestuurders- en /of middendisplay verschijnen mogelijk meldingen voor de actieve parkeerhulp PAP133.
In de volgende tabel staan voorbeelden.
Melding
Betekenis
Parkeerhulpsysteem
Een of meer van de sensoren van het systeem zijn geblokkeerd. Controleer dit en verhelp de storing zo
spoedig mogelijk.
Sensoren afgedekt, schoonmaken vereist
Parkeerhulpsysteem
Niet beschikbaar Service vereist
Het systeem werkt niet naar behoren. Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
U kunt meldingen verwijderen door kort te drukken op de
-knop in het midden van de rechter stuurknoppenset.
Doe het volgende, als de melding blijft staan:
Neem contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp* (p. 427)
133Park
Assist Pilot
* Optie/accessoire. 435
STARTEN EN RIJDEN
STARTEN EN RIJDEN
Motor starten
De auto wordt gestart met de startknop op de
tunnelconsole als de transpondersleutel zich in
het interieur bevindt.
met ondersteuning voor starten zonder sleutel
(passief startsysteem).
Om de auto te starten:
1.
2.
De startknop op de tunnelconsole.
WAARSCHUWING
Vóór het starten:
•
•
•
438
Houd het rempedaal volledig ingetrapt1. Bij
een auto met een automatische versnellingsbak moet u ervoor zorgen dat u schakelstand
P of N hebt gekozen. Zorg er bij auto's met
een handgeschakelde versnellingsbak voor
dat de schakelhendel in de neutraalstand
staat of dat u het koppelingspedaal bedient.
Draai de startknop rechtsom en laat de knop
weer los. De knop veert automatisch terug
naar de uitgangspositie.
Doe de veiligheidsgordel om.
N.B.
Stel stoel, stuur en spiegels in.
Zorg ervoor dat het rempedaal volledig
kan worden ingetrapt.
U gebruikt de transpondersleutel zelf niet bij het
starten van de auto, omdat de auto is uitgerust
1
3.
Controleer of de transpondersleutel in de
auto aanwezig is. Voor auto's met passieve
start moet de sleutel zich voor in het interieur
bevinden. Met de optie passieve vergrendeling/ontgrendeling* van de auto is het voldoende dat de transpondersleutel zich
ergens in de auto bevindt.
Bij auto's met een dieselmotor slaat de motor
mogelijk met enige vertraging aan.
Positie back-uplezer in de tunnelconsole.
Als bij het starten de melding Sleutel niet
gevonden op het bestuurdersdisplay verschijnt,
plaats dan de transpondersleutel in de buurt van
de back-uplezer. Doe vervolgens een nieuwe
startpoging.
N.B.
Zorg ervoor dat er geen andere autosleutels,
metalen voorwerpen of elektronische apparaten (zoals mobiele telefoons, tablets, laptops
of laders) in de back-uplezer liggen, wanneer
u de transpondersleutel in de back-uplezer
plaatst. Als er zich meerdere sleutels in de
back-uplezer bevinden, kunnen deze elkaar
storen.
Bij het starten van de motor blijft de startmotor
draaien, totdat de motor aanslaat of totdat de
beveiliging tegen oververhitting in werking treedt.
Als de auto rolt, kunt u de motor starten door de startknop rechtsom te draaien.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
BELANGRIJK
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
•
•
•
Stuurwiel instellen (p. 204)
Auto afzetten
Starthulp met andere accu (p. 490)
U zet de auto af met de startknop op de tunnelconsole.
Contactslotstand kiezen (p. 441)
WAARSCHUWING
Haal nooit de transpondersleutel uit de auto
tijdens rijden of slepen.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel mee en zorg dat het elektrische systeem van de auto in contactslotstand 0 staat – vooral als er kinderen in de
auto achterblijven.
N.B.
Voor bepaalde motortypen kan het stationaire
toerental bij een koude start duidelijk hoger
dan normaal zijn. Dit gebeurt om het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op de
normale bedrijfstemperatuur te krijgen waardoor de uitlaatgasemissies afnemen en het
milieu wordt ontzien.
Gerelateerde informatie
•
•
De startknop op de tunnelconsole.
Om de auto af te zetten:
–
Draai de startknop rechtsom en laat de knop
weer los – de auto wordt afgezet. De knop
veert automatisch terug naar de uitgangspositie.
Als de keuzehendel bij een auto met een automatische versnellingsbak niet in stand P staat of
als de auto rijdt:
–
Draai de startknop rechtsom en houd de
knop in deze stand vast totdat de auto wordt
afgezet.
Auto afzetten (p. 439)
Contactslotstanden (p. 440)
}}
439
STARTEN EN RIJDEN
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Motor starten (p. 438)
Contactslotstanden (p. 440)
Stuurwiel instellen (p. 204)
Starthulp met andere accu (p. 490)
Contactslotstand kiezen (p. 441)
Contactslotstanden
Het elektrische systeem van de auto is in verschillende standen te zetten voor gebruik van
verschillende autosystemen.
Niveau
0
Om een beperkt aantal systemen te kunnen
gebruiken bij een uitgeschakelde motor is het
elektrische systeem van de auto in drie verschillende standen te zetten: 0, I en II. In de gebruikershandleiding worden deze standen overal aangeduid als "contactslotstanden".
De volgende tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende contactslotstanden/standen:
Functies
•
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlichtA.
•
Elektrisch bedienbare stoelen*
zijn te verstellen.
•
Elektrisch bedienbare ruiten zijn
te gebruiken.
•
Middendisplay wordt ingeschakeld en is te gebruikenA.
•
Het infotainmentsysteem is te
gebruikenA.
De functies zijn in deze contactslotstand tijdsgestuurd en worden na
een poosje automatisch uitgeschakeld.
I
•
Panoramadak, elektrisch bedienbare ruiten, 12V-aansluitingen in
passagiersruimte, Bluetooth,
navigatie, telefoon, interieurventilator en ruitenwissers zijn te
gebruiken.
•
Elektrisch bedienbare stoelen
zijn te verstellen.
•
12V-aansluiting in bagageruimte
is te gebruiken.
In deze contactslotstand is het
stroomverbruik belastend voor de
accu.
440
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Niveau
II
Functies
Contactslotstand kiezen
•
De koplampen worden ontstoken.
•
Het elektrische systeem van de auto is in verschillende standen te zetten voor gebruik van
verschillende autosystemen.
Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang.
Contactslotstand kiezen
•
Meerdere andere systemen worden geactiveerd. De stoelverwarming en achterruitverwarming
zijn echter pas te activeren na
het starten van de auto.
Deze contactslotstand vergt veel
stroom van de accu en moet
daarom worden vermeden!
A
•
Contactslotstand II - Draai de startknop
rechtsom en houd de knop zo’n 5 seconden
in deze stand vast. Laat vervolgens knop los,
die automatisch terugveert naar de uitgangspositie.
•
Terug naar contactslotstand 0 – Om terug
te gaan naar contactslotstand 0 vanuit stand
I en II moet u de startknop rechtsom draaien
en de knop loslaten. De knop veert automatisch terug naar de uitgangspositie.
Gerelateerde informatie
Ook geactiveerd bij opening van het portier.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
veert automatisch terug naar de uitgangspositie.
Motor starten (p. 438)
De startknop op de tunnelconsole.
Stuurwiel instellen (p. 204)
•
Starthulp met andere accu (p. 490)
Contactslotstand kiezen (p. 441)
Contactslotstand 0 - Vergrendel de auto en
bewaar de transpondersleutel binnen in de
auto.
•
•
•
•
•
Motor starten (p. 438)
Auto afzetten (p. 439)
Contactslotstanden (p. 440)
Stuurwiel instellen (p. 204)
Starthulp met andere accu (p. 490)
N.B.
Om stand I of II te realiseren zonder dat de
motor wordt gestart moet u bij het selecteren
van deze contactslotstanden het rempedaal
of bij een auto met een handbak het koppelingspedaal niet bedienen.
•
Contactslotstand I - Draai de startknop
rechtsom en laat de knop weer los. De knop
441
STARTEN EN RIJDEN
Alcoholslot*
Het alcoholslot voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Voordat de motor kan worden gestart, moet u een
blaastest afgeven om vast te stellen dat u niet
onder de invloed van alcohol bent. Het alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte van de
grenswaarde voor verkeersdeelname die in uw
land geldt.
De auto heeft een interface voor elektrische aansluiting van de door Volvo goedgekeurde alcoholslotmerken en -modellen. De interface maakt het
eenvoudig om een alcoholslot aan te sluiten en
biedt de mogelijkheid om alcoholslotmeldingen
op het hoofddisplay van de auto weer te geven.
Raadpleeg voor informatie over een bepaald
alcoholslot de handleiding van de fabrikant van
het alcoholslot.
•
Contactslotstanden (p. 440)
Alcoholslot* omzeilen
In noodsituaties of wanneer het alcoholslot
defect is, kunt u het alcoholslot omzeilen om
toch in de auto te kunnen rijden.
Zie de desbetreffende handleiding voor het deactiveren van een bepaald alcoholslot.
Bypass-functie activeren
N.B.
Alle bypass-activeringen worden geregistreerd en opgeslagen in een geheugen in de
regeleenheid van het alcoholslot. Het is niet
mogelijk een bypass te annuleren.
Op het scherm verschijnt de melding Blaas in
alcoholslot Bypass?:
•
Kies bij het verschijnen van "Cancel/Yes"
voor de bypass-functie door op de pijl-rechts
van de knoppenset rechts op het stuurwiel
en vervolgens op de O-knop.
•
Kies bij het verschijnen van "Yes" voor de
bypass-functie door op de O-knop te drukken.
WAARSCHUWING
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u niet
ontslaat van uw verantwoordelijkheden als
bestuurder. De bestuurder dient altijd nuchter
te blijven en de auto op een veilige manier te
besturen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
442
Alcoholslot* omzeilen (p. 442)
Alvorens een motor met alcoholslot te starten (p. 443)
Het alcoholslot is daarmee omzeild, waarna de
auto te starten is.
Bij installatie van het alcoholslot wordt het maximale aantal keren ingesteld dat de bypass-functie te activeren is voordat service vereist is.
Motor starten (p. 438)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Alcoholslot* (p. 442)
Alvorens een motor met alcoholslot te starten (p. 443)
Motor starten (p. 438)
Contactslotstanden (p. 440)
Alvorens een motor met alcoholslot
te starten
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd en
gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
Waar u op moet letten
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig
mogelijk meetresultaat:
•
Zo'n 5 minuten voor de blaastest niet eten of
drinken.
•
De voorruit niet te lang sproeien – de alcohol
in de sproeiervloeistof kan een verkeerd
meetresultaat opleveren.
N.B.
Binnen 30 minuten na afloop van een rit kan
de motor opnieuw gestart worden zonder dat
er een nieuwe blaastest nodig is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Alcoholslot* omzeilen (p. 442)
Alcoholslot* (p. 442)
Motor starten (p. 438)
Contactslotstanden (p. 440)
Remsystemen
De remmen van de auto worden gebruikt om
snelheid te minderen of om te voorkomen dat
een geparkeerde auto wegrolt.
Naast de bedrijfsrem en de parkeerrem heeft de
auto meerdere andere systemen voor automatische remondersteuning. Deze systemen bieden
ondersteuning doordat u bijvoorbeeld tijdens het
wachten voor een verkeerslicht, het wegrijden op
een oplopende helling of ritten op aflopende hellingen uw voet niet op het rempedaal hoeft te
houden.
Afhankelijk van de uitrusting van de auto beschikt
u mogelijk over de volgende remondersteuningssystemen:
•
•
•
•
•
Automatische rem bij stilstand (Auto Hold)
Hellingrem (Hill Start Assist)
Automatisch remmen na een aanrijding
City Safety
Afdalingsremregeling (Hill Descent Control)*
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Rempedaal (p. 444)
Parkeerrem (p. 446)
Automatische rem bij stilstand (p. 450)
Automatisch remmen na een aanrijding
(p. 451)
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
(p. 451)
}}
* Optie/accessoire. 443
STARTEN EN RIJDEN
•
•
City Safety™ (p. 365)
Rempedaal
Afdalingsremregeling* (p. 473)
Het rempedaal is onderdeel van het remsysteem.
De auto is uitgerust met twee remkringen. Als
een van de remkringen beschadigd raakt, neemt
de rempedaalweg toe. U moet dan harder op het
pedaal trappen voor een normale remwerking.
De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt
versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
Als u het rempedaal bedient met de motor afgezet, doet het pedaal stug aan en moet u harder
op het pedaal trappen om de auto af te remmen.
In bergachtig gebied of bij ritten met een zware
belading dient u de remmen te ontzien door op
de motor af te remmen in een handmatige schakelstand. U benut de remmende werking van de
motor het best, wanneer u tijdens het afdalen
dezelfde versnelling inschakelt als bij het oprijden
van een helling. Gebruik de rijmodus Off Road*
voor een krachtiger motorrem, wanneer u op lage
snelheden steile, aflopende hellingen afrijdt.
zodat de auto bestuurbaar blijft. Bij activering van
deze functie kunt u trillingen in het rempedaal
voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u nadat de auto is aangeslagen het
rempedaal loslaat, gaat een kortdurende, automatische test van het ABS van start. Het is
mogelijk dat er op een lage snelheid nóg een
automatische test plaatsvindt. Ook deze test is
mogelijk waarneembaar in de vorm van trillingen
in het rempedaal.
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Controleer het remvloeistofpeil. Vul
remvloeistof bij als het peil te laag
ligt en controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Brand tijdens het starten van de
motor 2 seconden continu: Automatische functietest.
Brandt langer dan 2 seconden
continu. ABS vertoont een storing.
Het standaardremsysteem van de
auto werkt dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
Antiblokkeerremsysteem
De auto heeft een antiblokkeerremsysteem, Antilock Braking System (ABS), dat kan voorkomen
dat de wielen blokkeren tijdens het remmen
444
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje voor storingen
in het remsysteem en het ABS tegelijkertijd
branden, is er mogelijk een fout opgetreden in
het remsysteem.
•
•
Als het remvloeistofpeil in dat geval normaal is, moet u voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Remversterker
Remmen op natte rijbanen
Het systeem van een remversterker, BAS (Brake
Assist System), helpt om bij afremmen de remkracht te verhogen en het verkort daarmee de
remweg.
Het systeem registreert de wijze waarop u het
rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de remkracht. De remkracht kan worden versterkt tot het
niveau waarop het ABS-systeem ingrijpt. De
regeling wordt uitgeschakeld, wanneer u de druk
op het rempedaal vermindert.
Bij lange ritten in zware regenval zonder te remmen kan de remwerking bij de eerste bediening
van het rempedaal iets op zich laten wachten.
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau
in het remvloeistofreservoir ligt, mag u
pas verder rijden als de remvloeistof is
bijgevuld. De oorzaak van het remvloeistofverlies moet worden gecontroleerd.
N.B.
Bij activering van BAS zakt het rempedaal iets
verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang als nodig is.
Bij het loslaten van het rempedaal wordt er
niet meer geremd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Dat kan ook het geval zijn als u uw auto hebt
gewassen. U moet dan harder op de rem trappen.
Houd daarom meer afstand tot voorliggers.
Trap stevig op de rem na ritten op natte wegen of
na het wassen van de auto. De remschijven worden dan warm, drogen sneller en worden
beschermd tegen corrosie. Houd bij het remmen
rekening met de verkeerssituatie.
Gerelateerde informatie
•
•
Rempedaal (p. 444)
Remmen op gepekelde rijbanen (p. 446)
Remversterker (p. 445)
Automatische rem bij stilstand (p. 450)
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
(p. 451)
Gerelateerde informatie
•
Rempedaal (p. 444)
Remmen op natte rijbanen (p. 445)
Remmen op gepekelde rijbanen (p. 446)
Onderhoud van het remsysteem (p. 446)
Remlichten (p. 164)
445
STARTEN EN RIJDEN
Remmen op gepekelde rijbanen
Onderhoud van het remsysteem
Parkeerrem
Bij remmen op gepekelde wegen kan er een
zoutlaagje ontstaan op remschijven en remblokken.
Controleer de componenten van het remsysteem
regelmatig op slijtage.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te
houden, dient u de service-intervallen van Volvo
aan te houden zoals omschreven in het Serviceen garantieboekje. De remwerking van nieuwe en
vervangen remblokken en remschijven is pas
optimaal als ze na een paar honderd kilometer
(mijl) rijden zijn 'ingesleten'. Compenseer de verminderde remwerking door harder op het rempedaal te trappen. Volvo raadt aan uitsluitend remblokken te monteren die voor uw Volvo zijn goedgekeurd.
De parkeerrem voorkomt met behulp van mechanische blokkering/vergrendeling van twee wielen
dat een stilstaande auto kan wegrollen.
Dat kan tot een langere remweg leiden. Houd
daarom extra afstand tot voorliggers. Andere
voorzorgsmaatregelen:
•
Rem af en toe om een eventueel zoutlaagje
te verwijderen. Let erop dat medeweggebruikers geen gevaar lopen doordat u remt.
•
Trap het rempedaal voorzichtig in als u op uw
plaats van bestemming bent aangekomen en
voordat u opnieuw de weg op gaat.
Gerelateerde informatie
•
•
BELANGRIJK
Rempedaal (p. 444)
Remmen op natte rijbanen (p. 445)
De onderdelen van het remsystemen moeten
regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
446
Rempedaal (p. 444)
De bediening voor de parkeerrem zit op de tunnelconsole tussen de voorstoelen.
Bij activering van de elektrische bediende parkeerrem hoort u een zwak elektromotorgeluid.
Het geluid is tevens waarneembaar bij een automatische functiecontrole van de parkeerrem.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen.
Als u de parkeerrem tijdens het rijden aanzet,
wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd. Daarbij
werkt de rem op alle vier de wielen. Wanneer de
auto bijna stilstaat, worden alleen de achterwielen geremd.
STARTEN EN RIJDEN
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Parkeerrem activeren en deactiveren
(p. 447)
Parkeerrem activeren en
deactiveren
Op een helling parkeren (p. 449)
Gebruik de parkeerrem om te voorkomen dat
een stilstaande auto kan wegrollen.
Bij een storing in de parkeerrem (p. 449)
Parkeerrem activeren
Symbool op bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Het symbool brandt wanneer de
parkeerrem is geactiveerd.
Als het symbool knippert, betekent
dit dat er ergens een storing is
opgetreden. Lees de melding op
het bestuurdersdisplay.
Automatische rem bij stilstand (p. 450)
Automatische activering
De parkeerrem wordt automatisch geactiveerd:
1.
Trek de knop omhoog.
> Het symbool op het bestuurdersdisplay
gaat branden wanneer de parkeerrem is
geactiveerd.
2.
Controleer of de auto daadwerkelijk stilstaat.
•
als de functie Auto Hold (automatische rem
bij stilstand) is geactiveerd en de auto enige
tijd (5–10 minuten) stilgestaan heeft.
•
wanneer u schakelstand P kiest op een steile
helling.
•
wanneer u de auto hebt uitgeschakeld en de
instelling voor automatische activering van de
parkeerrem geactiveerd is op het middendisplay.
}}
447
STARTEN EN RIJDEN
||
Noodrem
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens
het rijden activeren door de knop uit te trekken
en vast te houden. Bij het loslaten van de handgreep of het bedienen van het gaspedaal wordt
de rem uitgeschakeld.
Automatisch deactiveren
1. Doe de veiligheidsgordel om.
Instelling voor automatische
activering van de parkeerrem
2.
Geef aan of de parkeerrem automatisch moet
worden geactiveerd bij uitschakeling van de
auto.
Trap het rempedaal stevig in.
3.
Start de motor.
4.
Kies de schakelstand D of R en geef gas.
> De parkeerrem wordt gelost en het symbool op het bestuurdersdisplay dooft.
N.B.
Bij activeren van de noodrem bij hogere snelheden klinkt er tijdens het remmen een signaal.
N.B.
Bij de eerste start van de auto kan de parkeerrem eraf worden gehaald zonder dat de
bestuurder de veiligheidsgordel om heeft.
Parkeerrem deactiveren
Gerelateerde informatie
Handmatig deactiveren
1. Trap het rempedaal stevig in.
2.
448
Druk de knop in.
> De parkeerrem wordt gelost en het symbool op het bestuurdersdisplay dooft.
•
Instelling voor automatische activering van de
parkeerrem (p. 448)
•
•
•
Bij een storing in de parkeerrem (p. 449)
Parkeerrem (p. 446)
Op een helling parkeren (p. 449)
U maakt een keuze in het instellingsmenu op het
middendisplay.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car Parkeerrem en vering
en vink de functie Parkeerrem
automatisch activeren aan of uit.
Gerelateerde informatie
•
Parkeerrem activeren en deactiveren
(p. 447)
•
Parkeerrem (p. 446)
STARTEN EN RIJDEN
Op een helling parkeren
Bij een storing in de parkeerrem
Maak altijd gebruik van de parkeerrem bij het
parkeren op een helling.
Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats als het na meerdere pogingen niet lukt om
de parkeerrem te activeren of te deactiveren.
Er klinkt een waarschuwingssignaal als u rijdt
met de parkeerrem aangetrokken.
WAARSCHUWING
Gebruik bij het parkeren op een helling altijd
de parkeerrem. Stand P is bij een automaat
niet voldoende om de auto in alle situaties
staande te houden.
Bij het parkeren van de auto op een oplopende
helling:
Als u de auto moet parkeren voordat een eventuele storing kan worden verholpen, dient u de wielen net als bij het parkeren op een helling van de
trottoirband/berm af te draaien en de keuzehendel in stand P te zetten.
•
Lage accuspanning
Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende
helling:
•
Draai de wielen naar de trottoirband toe.
Zware belading op oplopende hellingen
Bij een zware belading zoals een aanhangwagen
is het mogelijk dat de auto op een steile, oplopende helling achteruitrolt, wanneer de parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt dit voorkomen door tijdens het wegrijden de knop omhoog
te trekken. Laat de handgreep weer los zodra de
koppeling aangrijpt.
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is.
Remblokken vervangen
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een werkplaats met het oog op de constructie van de elektrische parkeerrem - een
erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Als het symbool knippert, betekent
dit dat er ergens een storing is
opgetreden. Zie de melding op het
bestuurdersdisplay.
Storing in remsysteem. Zie de melding op het bestuurdersdisplay.
Informatiemelding op het bestuurdersdisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerrem activeren en deactiveren
(p. 447)
Startaccu (p. 634)
Serviceprogramma van Volvo (p. 614)
Gerelateerde informatie
•
Parkeerrem activeren en deactiveren
(p. 447)
449
STARTEN EN RIJDEN
Automatische rem bij stilstand
Dankzij de automatische rem bij stilstand (Auto
Hold) kunt u bij stilstand voor verkeerslichten of
een kruising het rempedaal loslaten zonder dat
dit gevolgen heeft voor de remwerking.
Zodra de auto stilstaat, worden de remmen automatisch geactiveerd. Het systeem kan de auto
staande houden met de bedrijfsrem of de parkeerrem en werkt ongeacht hellingspercentage.
Bij het wegrijden worden de remmen automatisch gelost als de bestuurder in de veiligheidsgordel zit.
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
Het symbool brandt als het systeem het rempedaal gebruikt om
de auto stil te houden.
Bij het afremmen tot stilstand op op- en aflopende hellingen moet u het rempedaal iets
steviger intrappen voordat u het loslaat om er
zeker van te zijn dat de auto helemaal stilstaat.
De parkeerrem wordt geactiveerd als:
•
•
•
•
450
de auto wordt afgezet
het bestuurdersportier wordt geopend
de bestuurder de veiligheidsgordel losneemt
de auto enige tijd (5–10 minuten) stilgestaan
heeft
De automatische rem bij stilstand is te activeren
met de knop op de tunnelconsole.
Het symbool brandt als het systeem de parkeerrem gebruikt om
de auto stil te houden.
Gerelateerde informatie
•
N.B.
Betekenis
Automatische rem bij stilstand
activeren en deactiveren
•
•
•
Automatische rem bij stilstand activeren en
deactiveren (p. 450)
Rempedaal (p. 444)
Parkeerrem (p. 446)
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
(p. 451)
–
Met de knop op de tunnelconsole kunt u de
functie activeren of deactiveren.
> Een brandend lampje in de knop geeft
aan dat de functie geactiveerd is. Een
geactiveerde functie is een volgende keer
dat u de auto start opnieuw actief.
STARTEN EN RIJDEN
Geldt bij uitschakeling
Als het systeem actief is en de auto
staande houdt met het remsysteem
(symbool A brandt), moet u rempedaal
bedienen en tegelijkertijd op de knop
drukken om het systeem uit te schakelen.
•
Het systeem blijft uitgeschakeld, totdat u het
weer activeert.
•
Bij uitschakeling van het systeem blijft de
hellingrem (HSA) actief om te voorkomen dat
de auto bij het wegrijden op een oplopende
helling achteruitrolt.
Gerelateerde informatie
•
Automatische rem bij stilstand (p. 450)
Hulp tijdens het wegrijden op een
helling
Automatisch remmen na een
aanrijding
De hellingrem, Hill Start Assist (HSA), voorkomt
dat de auto achteruitrolt bij het starten op een
oplopende helling. Tijdens het achteruitrijden op
een oplopende helling voorkomt het systeem dat
de auto vooruitrolt.
Het systeem zorgt ervoor dat de pedaaldruk
enkele seconden lang op peil blijft, wanneer u uw
voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst.
Bij een aanrijding waarbij het activeringsniveau
voor pyrotechnische gordelspanners of airbags
wordt bereikt, of als er een aanrijding met groot
wild wordt gedetecteerd, worden de remmen
van de auto automatisch geactiveerd. Het systeem moet de gevolgen van een eventueel volgende aanrijding beperken of een volgende aanrijding geheel voorkomen.
De tijdelijke remwerking wordt na enige seconden opgeheven of eerder wanneer u wegrijdt.
De hellingrem is ook beschikbaar als de automatische rem bij stilstand (Auto Hold) uitstaat.
Gerelateerde informatie
•
•
Automatische rem bij stilstand (p. 450)
Rempedaal (p. 444)
Bij een zware aanrijding bestaat het risico dat de
auto onbestuurbaar raakt. Om te voorkomen dat
de auto dan tegen een tweede obstakel of voertuig opbotst of de gevolgen te beperken wordt
automatisch de remondersteuning geactiveerd
om de auto veilig te remmen.
Tijdens het remmen worden de remlichten en
alarmlichten ingeschakeld. Wanneer de auto tot
stilstand is gekomen, blijven de alarmlichten knipperen en de parkeerrem wordt aangezet.
Als afremmen niet geadviseerd wordt, omdat bijvoorbeeld het risico bestaat dat de auto door
achterliggers geraakt wordt, kunt u het systeem
onderdrukken door het gaspedaal te bedienen.
De functie werkt alleen, als het remsysteem na
de botsing nog intact is.
De remondersteuning is onderdeel van de veiligheidssystemen Rear Collision Warning en Blind
Spot Information.
}}
451
STARTEN EN RIJDEN
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rear Collision Warning (p. 378)
BLIS* (p. 379)
Remsystemen (p. 443)
Versnellingsbak
Symbool
De versnellingsbak is een onderdeel van de aandrijflijn (krachtoverbrenging) tussen motor en
aandrijfwielen. De versnellingsbak heeft tot taak
de overbrengingsverhouding af te stemmen op
de gewenste snelheid en vermogensbehoefte.
De auto heeft een achttraps automaatbak. Dankzij de verschillende versnellingen zijn het motorkoppel en het motorvermogen efficiënt te benutten. Twee versnellingen zijn zogenoemde overdrives die brandstof besparen bij ritten met een
constant toerental. Handmatig schakelen is ook
mogelijk. Op het bestuurdersdisplay staat welke
schakelstand er op dat moment in gebruik is.
Informatie- of foutmelding voor de
versnellingsbak. Volg het gegeven
advies op.
Versnellingsbak heeft of oververhit.
Volg het gegeven advies op.
Vermogen verlaagd/Acceleratie
vermogen beperkt
Bij een tijdelijke storing in de aandrijflijn kan de auto de zogenoemde Limp Home-stand met
een lager motorvermogen innemen
om schade aan de aandrijflijn
tegen te gaan.
BELANGRIJK
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn
te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur
van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij
gevaar voor oververhitting gaat er een waarschuwingssymbool op het bestuurdersdisplay
branden en verschijnt er een displaymelding –
volg in dat geval het gegeven advies.
Betekenis
Gerelateerde informatie
•
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak (p. 453)
•
Schakelindicator* (p. 457)
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Bij een eventuele storing in de versnellingsbak
verschijnen op het bestuurdersdisplay een symbool en een melding.
452
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Schakelstanden van een
automatische versnellingsbak
Bij een auto met een automatische versnellingsbak kiest het systeem automatisch de optimale
versnelling. De versnellingsbak heeft ook een
handmatige schakelstand.
Kies stand P wanneer de auto geparkeerd staat
of als de motor moet worden gestart. De auto
moet stilstaan, wanneer u de parkeerstand kiest.
Om de keuzehendel uit de neutraalstand te kunnen halen moet u in contactslotstand II het rempedaal bedienen.
Om de keuzehendel uit de parkeerstand te kunnen halen, moet u in contactslotstand II het rempedaal bedienen.
Rijmodus - D
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug afhankelijk
van de stand van het gaspedaal en de snelheid.
De auto moet stilstaan bij het schakelen van
stand R naar stand D.
Zet bij het parkeren eerst de parkeerrem aan en
kies daarna de parkeerstand.
WAARSCHUWING
Gebruik bij het parkeren op een helling altijd
de parkeerrem. Stand P is bij een automaat
niet voldoende om de auto in alle situaties
staande te houden.
N.B.
Op het bestuurdersdisplay staat welke schakelstand er gekozen is:
De keuzehendel moet in de P-stand staan om
de auto te kunnen vergrendelen en op alarm
te zetten.
P, R, N, D of M.
In de stand voor handmatig schakelen verschijnt
ook de ingeschakelde versnelling.
Schakelstanden
Parkeerstand - P
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd.
Achteruitrijstand - R
Kies de stand R om achteruit te rijden. De auto
moet stilstaan, wanneer u de achteruitrijstand
kiest.
Neutrale stand - N
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
}}
453
STARTEN EN RIJDEN
||
Schakelen met stuurpaddles*
Stand voor handmatig schakelen - M
Handmatig schakelen kan op elk moment tijdens
het rijden geactiveerd worden. Bij het loslaten
van het gaspedaal wordt de auto op de motor
afgeremd.
De stuurpaddles vormen een aanvulling op de
keuzehendel en bieden u de mogelijkheid om
handmatig te schakelen zonder uw handen van
het stuurwiel te hoeven nemen.
Kies de stand voor handmatig schakelen door de
keuzehendel vanuit stand D helemaal opzij te
bewegen naar "±". Het bestuurdersdisplay geeft
aan welke versnelling er op dat moment is ingeschakeld.
•
•
Duw de keuzehendel naar voren in de richting van de "+" (plus) om op te schakelen
naar de eerstvolgende hogere versnelling en
laat de hendel weer los.
Duw de keuzehendel naar achteren in de
richting van de "–" (minus) om terug te schakelen naar de eerstvolgende lagere versnelling en laat de hendel weer los.
Stuurpaddles activeren
Om met de stuurpaddles te kunnen schakelen
moet u ze wel eerst activeren:
–
Stand voor handmatig schakelen op het bestuurdersdisplay2.
Haal een van de paddles in de richting van
het stuurwiel.
> Een cijfer op het bestuurdersdisplay geeft
de ingeschakelde versnelling aan.
Om schokkerig gedrag en afslag van de motor te
voorkomen schakelt de versnellingsbak automatisch terug, als de snelheid daalt tot onder de
gewenste waarde voor de gekozen versnelling.
Duw de keuzehendel helemaal opzij naar D om
terug te keren naar automatisch schakelen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
2
454
Keuzehendelblokkering (p. 456)
Schakelen met stuurpaddles* (p. 454)
Kickdownfunctie (p. 457)
Schakelindicator* (p. 457)
Bestuurdersdisplay bij het schakelen met de stuurpaddles.
De afbeelding is schematisch, zodat er afhankelijk van het model afwijkingen mogelijk zijn.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
In de schakelstand M zijn de stuurpaddles automatisch geactiveerd.
Automatische uitschakeling
In schakelstand D worden de stuurpaddles na
enige tijd van inactiviteit automatisch uitgeschakeld. Het feit dat het cijfer voor de ingeschakelde
versnelling verdwijnt bevestigt dit. Dit geldt echter
niet bij het afremmen op de motor. De paddles
blijven actief zolang er op de motor wordt afgeremd.
In schakelstand M vindt geen automatische uitschakeling plaats.
Gerelateerde informatie
"-": Eerstvolgende lagere versnelling inschakelen.
Bestuurdersdisplay bij schakelen met stuurpaddles in de
stand voor handmatig schakelen.
Wisselen
U kunt als volgt schakelen:
–
Haal een van de paddles naar achteren - in
de richting van het stuurwiel - en laat deze
weer los.
"+": Eerstvolgende hogere versnelling
inschakelen.
Bij iedere bediening van de paddles wordt er
geschakeld, tenzij het motortoerental buiten het
toelaatbare bereik komt.
•
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak (p. 453)
•
Schakelindicator* (p. 457)
Na iedere schakeling geeft het bestuurdersdisplay het cijfer van de ingeschakelde versnelling
weer.
Systeem uitschakelen
Handmatig uitschakelen in schakelstand D
– Schakel de stuurpaddles uit door de rechter
paddle (+) in de richting van het stuurwiel te
halen en in die stand vast te houden, totdat
het cijfer voor de ingeschakelde versnelling
van het bestuurdersdisplay verdwijnt.
* Optie/accessoire. 455
STARTEN EN RIJDEN
Keuzehendelblokkering
Automatische schakelblokkering
De keuzehendelblokkering voorkomt onbedoeld
schakelen tussen schakelstanden bij een automatische versnellingsbak.
De automatische keuzehendelblokkering kent
verschillende beveiligingsfuncties.
De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in twee
uitvoeringen: een mechanische en een automatische.
Mechanische schakelblokkering
Vanuit de parkeerstand - P
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen
moet u in contactslotstand II het rempedaal
bedienen.
Automatische schakelblokkering
opheffen
Bij een stroomloze auto is de automatische
schakelblokkering nog steeds op te heffen.
Automatische schakelblokkering
opheffen
Vanuit de neutrale stand - N
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens 3 seconden stilgestaan (of de
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd.
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen halen
moet u in contactslotstand II het rempedaal
bedienen.
Gerelateerde informatie
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel
vooruit of achteruit bewegen tussen de standen
P, R, N en D.
456
•
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak (p. 453)
•
Automatische schakelblokkering opheffen
(p. 456)
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu, moet u
de keuzehendel in stand N zetten voordat u de
auto kunt verslepen.
Til de rubber mat uit het vak voor de keuzehendel. Zoek in de bodem van het vak de
opening met een terugverende knop op.
Steek een smalle schroevendraaier in deze
opening en houd de knop ingedrukt.
Zet de keuzehendel in stand N en laat de
knop los.
STARTEN EN RIJDEN
4.
Leg de rubberen mat terug.
Gerelateerde informatie
•
•
Keuzehendelblokkering (p. 456)
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak (p. 453)
Kickdownfunctie
Schakelindicator*
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij de
normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere versnelling. Dit is de zogenoemde kickdown.
De schakelindicator op het bestuurdersdisplay
geeft aan welke versnelling er ingeschakeld is in
de handmatige schakelstand en wanneer u voor
optimale zuinigheid beter kunt schakelen.
Voor een milieubewuste rijstijl in de handmatige
schakelstand is het belangrijk om de juiste versnelling te kiezen en tijdig te schakelen.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand
loslaat, schakelt de versnellingsbak automatisch
op.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor tegen te gaan is het
stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien
van een terugschakelblokkering.
De schakelindicator toont de actuele versnelling
op het bestuurdersdisplay en geeft met een pijlomhoog de aanbevolen opschakeling aan.
De versnellingsbak staat geen terugschakeling/
kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental leidt dat de motor beschadigd kan raken.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt er
niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental een of meer versnellingen terugschakelen. Om schade aan de motor te voorkomen schakelt de auto op wanneer de motor het
maximumtoerental heeft bereikt.
Schakelindicator op 12 inch bestuurdersdisplay*.
Gerelateerde informatie
•
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak (p. 453)
}}
* Optie/accessoire. 457
STARTEN EN RIJDEN
||
Vierwielaandrijving*
Rijmodi*
Bij vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive),
worden alle vier de wielen van de auto tegelijk
aangedreven, wat de wegligging verbetert.
De gekozen rijmodus past de rijeigenschappen
van de auto aan om de rijbeleving te verbeteren
en ondersteuning te bieden in bepaalde omstandigheden.
Dankzij de rijmodi kunt u in uiteenlopende rijomstandigheden snel gebruikmaken van de verschillende autosystemen en instellingen. De volgende
systemen worden aangepast voor optimale rijeigenschappen in de verschillende rijmodi:
Om optimale wegligging te verkrijgen wordt de
aandrijfkracht automatisch verdeeld over de wielen met de beste grip. Het systeem berekent
voortdurend het koppel dat op de achterwielen
moet worden overgebracht en kan tot vijftig procent van het totale motorkoppel naar de achterwielen sturen.
Schakelindicator op 8 inch bestuurdersdisplay.
Gerelateerde informatie
•
Schakelstanden van een automatische versnellingsbak (p. 453)
De vierwielaandrijving werkt ook stabiliserend bij
hogere snelheden. Bij normaal rijden worden de
voorwielen naar verhouding iets sterker aangedreven dan de achterwielen. Bij stilstand is de
vierwielaandrijving altijd ingeschakeld om bij het
optrekken maximale tractie mogelijk te maken.
De eigenschappen van de vierwielaandrijving wisselen, al naar gelang de gekozen rijmodus*.
Gerelateerde informatie
•
•
•
458
Rijmodi* (p. 458)
•
•
•
•
•
•
•
Besturing
Motor/versnellingsbak/vierwielaandrijving*
Remmen
Luchtvering* en schokdemping
Bestuurdersdisplay
Start/Stop-systeem
Klimaatinstellingen
Kies de rijmodus die zich het beste leent voor de
actuele rijomstandigheden. Let erop dat alle rijmodi niet in alle situaties beschikbaar zijn.
Lagesnelheidsregeling* (p. 471)
Versnellingsbak (p. 452)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Mogelijke rijmodi
COMFORT
• Dit is de normale modus van de auto.
Bij het starten van de auto staat deze in de rijmodus Comfort en is het start/stop-systeem geactiveerd. De aanpassingen in deze stand zorgen
ervoor dat de auto comfortabel aandoet, licht
stuurt, soepel veert en dat de carrosserie minimaal beweegt.
Deze rijmodus is de stand voor de certificering
van de uitstoot van kooldioxide.
ECO
• In de rijmodus Eco wordt de auto afgestemd
op zuiniger en milieuvriendelijker rijden.
Deze rijmodus houdt onder meer in dat het start/
stop-systeem actief is, de bodemvrijheid geringer
is voor een lagere luchtweerstand en dat het
effect van bepaalde klimaatinstellingen wordt
gereduceerd.
Het bestuurdersdisplay heeft een ECO-meter
waarmee u gemakkelijker zuinig kunt rijden.
OFF ROAD
• Deze stand levert betere rijeigenschappen
van de auto op in moeilijk begaanbaar terrein
en op slechte wegen.
De rijmodus levert een grote bodemspeling op,
de auto stuurt licht en de vierwielaandrijving alsook de lagesnelheidsregeling met afdalingsremregeling (Hill Descent Control) zijn actief. Het
start/stop-systeem is uitgeschakeld.
Deze rijmodus kan alleen bij lage snelheden worden geactiveerd en de snelheidsmeter laat de
zone voor de maximumsnelheid zien. Als deze
snelheid wordt overschreden, wordt de Off roadstand onderbroken en wordt er een andere rijmodus geactiveerd.
In de rijmodus Off road zit er een kompas tussen
de snelheidsmeter en de toerenteller op het
bestuurdersdisplay.
N.B.
De rijstand is niet geschikt voor gebruik op de
openbare weg.
DYNAMIC
• De Dynamic-modus zorgt ervoor dat de auto
een sportiever gedrag vertoont en sneller
reageert op het gaspedaal.
Er wordt sneller en scherper geschakeld en de
versnellingsbak geeft de voorrang aan een versnelling die een hogere trekkracht oplevert.
De auto reageert sneller op stuurwielbewegingen, de vering is stugger dan normaal en de
geringe bodemvrijheid zorgt ervoor dat de carrosserie het wegdek beter volgt om in bochten de
mate van overhellen te beperken.
Het start/stop-systeem is uitgeschakeld.
N.B.
Als u de auto uitschakelt in de modus OFF
ROAD zodat de auto een grote bodemspeling
heeft, zakt het chassis de volgende keer dat u
de auto start omlaag.
BELANGRIJK
Rijstand OFF ROAD mag niet worden
gebruikt bij rijden met aanhanger zonder aanhangercontact. Anders bestaat het risico dat
de luchtbalgen beschadigd raken.
}}
459
STARTEN EN RIJDEN
||
3.
INDIVIDUAL
• Deze stand biedt de mogelijkheid om uw
eigen rijinstellingen op te slaan.
Kies onder Presets een rijmodus als uitgangspunt: Eco, Comfort of Dynamisch.
Instellingen die kunnen worden aangepast,
zijn instellingen voor:
Kies een van de rijmodi als uitgangspunt en pas
de instellingen voor de rijeigenschappen geheel
naar wens aan. De instellingen worden vervolgens opgeslagen in uw eigen bestuurdersprofiel.
•
•
•
•
•
•
•
De persoonlijke rijmodus is alleen beschikbaar,
wanneer u deze eerst geactiveerd hebt op het
middendisplay.
Bestuurdersscherm
Stuurkracht
Kenmerken aandrijflijn
Remkenmerken
Besturing ophanging
ECO-klimaat
Start/Stop.
Gerelateerde informatie
Instellingsscherm3
1.
2.
3
460
voor rijmodus Individual.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
Druk op My Car Individuele rijmodus en
markeer Individuele rijmodus.
•
•
•
•
•
•
•
Rijmodus* wijzigen (p. 461)
Rijmodus ECO (p. 461)
Zuinig rijden (p. 474)
Start/Stop-systeem (p. 464)
Lagesnelheidsregeling* (p. 471)
Afdalingsremregeling* (p. 473)
Vierwielaandrijving* (p. 458)
De afbeelding is schematisch; afhankelijk van de softwareversie en het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Rijmodus* wijzigen
De rijmodus is te wijzigen met de bediening op
de tunnelconsole.
Kies de rijmodus die zich het beste leent voor de
actuele rijomstandigheden. Let erop dat alle rijmodi niet in alle situaties beschikbaar zijn.
Om de rijmodus te wijzigen:
1.
Druk op de rijmodusknop DRIVE MODE.
> Er verschijnt een pop-upmenu op het middendisplay.
2.
Rol het wiel omhoog of omlaag totdat de
gewenste rijmodus gemarkeerd is.
3.
Druk op de rijmodusknop of rechtstreeks op
het touchscreen om uw keuze te bevestigen.
> Op het bestuurdersdisplay verschijnt de
gekozen rijmodus.
Als een rijmodus in de lijst grijs gearceerd staat,
is deze modus niet te selecteren.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijmodi* (p. 458)
Rijmodus ECO activeren en deactiveren met
functieknop (p. 463)
•
Lagesnelheidsregeling* activeren en deactiveren met functieknop (p. 472)
•
Afdalingsremregeling* activeren en deactiveren met functieknop (p. 474)
Rijmodus ECO
De rijmodus Eco optimaliseert de rijeigenschappen van de auto om zuiniger en milieuvriendelijker te kunnen rijden.
Gebruik deze rijmodus om brandstof te besparen
en het milieu te ontzien.
De volgende eigenschappen worden aangepast
bij ritten in de rijmodus ECO:
•
•
•
Schakelpunten van de versnellingsbak.
•
Bepaalde klimaatinstellingen werken met
gereduceerd effect of worden uitgeschakeld.
•
De niveauregeling* zorgt voor een geringe
bodemspeling om de luchtweerstand te verlagen.
•
Het bestuurdersdisplay geeft informatie weer
in een ECO-meter, wat het milieubewustzijn
vergroot en voordelig rijden bevordert.
Motorregeling en respons van het gaspedaal.
Het uitrolsysteem Eco Coast wordt geactiveerd en het afremmen op de motorrem
stopt, wanneer u het gaspedaal loslaat bij
snelheden tussen 65 en 140 km/h
(40 en 87 mph).
Uitrolsysteem Eco Coast
Het uitrolsysteem Eco Coast houdt in de praktijk
in dat er niet meer op de motor wordt afgeremd
om de bewegingsenergie van de auto te benutten om de auto te laten uitrollen. Wanneer u het
gaspedaal loslaat wordt de versnellingsbak auto}}
* Optie/accessoire. 461
STARTEN EN RIJDEN
||
matisch losgekoppeld van de motor, die voor een
lager verbruik stationair gaat draaien.
•
het hellingspercentage van een aflopende
weg is niet groter dan zo'n 6%.
De functie is het beste bruikbaar op plaatsen
waar u ver kunt uitrollen, bijvoorbeeld op wegen
die licht aflopen of bij een voorziene snelheidsverlaging, waar u een gebied met een lagere
maximumsnelheid kunt binnenrollen.
•
u schakelt handmatig met behulp van de
stuurpaddles*.
•
Vrijloopsysteem deactiveren en uitschakelen
Soms is het raadzaam om het systeem tijdelijk te
deactiveren of uit te schakelen om op de motor
te kunnen afremmen. Mogelijke voorbeelden
daarvan zijn steil aflopende hellingen of net voordat u inhaalt, zodat u dat zo veilig mogelijk kunt
doen.
Bij ritten met een actieve cruisecontrol op
een gelijkmatige weg kan de rijsnelheid tijdens het uitrollen afwijken van de ingestelde
snelheid.
•
Op een steile oplopende helling daalt de rijsnelheid totdat u terugschakelt, waarna een
beperkte acceleratie plaatsvindt om de ingestelde snelheid te bereiken.
De rijmodus Eco is geactiveerd.
Deactiveer het uitrolsysteem als volgt:
•
de keuzehendel staat in de stand D.
•
•
Bij het uitrollen op een aflopende helling kan
de rijsnelheid iets boven of onder de ingestelde snelheid liggen. Het systeem remt
normaal af op de motor om de ingestelde
snelheid aan te houden, maar zo nodig worden ook de wielremmen aangesproken.
Uitrolsysteem activeren
Het systeem wordt geactiveerd wanneer u het
gaspedaal helemaal hebt losgelaten in combinatie met het volgende:
•
•
•
•
462
bespaart. Dit betekent dat de rijsnelheid iets
boven of onder de ingestelde snelheid kan liggen.
de rijsnelheid ligt in het interval van
zo'n 65-140 km/h (40-87 mph).
het hellingspercentage van een aflopende
weg is niet groter dan zo'n 6%.
•
Bedien het gas- of rempedaal.
Zet de keuzehendel in de stand voor handmatig schakelen.
Schakel met de stuurpaddles*.
Schakel het uitrolsysteem als volgt uit:
Op het bestuurdersdisplay verschijnt COASTING
als het uitrolsysteem gebruikt wordt.
ECO-meter op bestuurdersdisplay
•
De ECO-meter geeft aan hoe zuiniger er wordt
gereden:
Beperkingen
Het uitrolsysteem is niet beschikbaar in de volgende gevallen:
Ook zonder het uitrolsysteem is het mogelijk om
kortere stukken uit te rollen. En dat draagt bij aan
een lager verbruik. Voor optimale zuinigheid is
het echter voordeliger om het uitrolsysteem te
activeren en zo langere stukken te kunnen uitrollen.
•
Bij zuinig rijden laat de meter een lage
waarde zien met de wijzer in het groene
gebied.
•
Bij onzuinig rijden, zoals bij krachtig remmen
of stevig gas geven, laat de meter een hoge
uitslag zien.
Cruisecontrol Eco Cruise
De ECO-meter heeft ook een indicator die laat
zien hoe een referentiebestuurder in dezelfde rijomstandigheden met de auto zou rijden. Dit
•
de motor en/of versnellingsbak hebben niet
de normale bedrijfstemperatuur.
•
u zet de keuzehendel vanuit stand D- in de
stand voor handmatig schakelen.
•
de snelheid ligt buiten het interval van
zo'n 65-140 km/h (40-87 mph).
Wissel van rijmodus* of schakel de rijmodus
Eco uit in het functiescherm.
Bij gebruik van de cruisecontrol in de rijmodus
Eco accelereert en decelereert de auto minder
snel dan in de overige rijmodi, wat extra brandstof
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
wordt aangegeven met de korte wijzer van de
meter.
Eco-klimaat
In de rijmodus Eco wordt automatisch het Ecoklimaat voor de passagiersruimte geactiveerd om
het stroomverbruik te beperken.
N.B.
Bij activering van de ECO-functie worden
enkele parameters in de instellingen van de
klimaatregeling gewijzigd en gelden functiebeperkingen voor bepaalde elektrische verbruikers. Bepaalde instellingen zijn handmatig
te herstellen, maar de volledige functionaliteit
is alleen te verkrijgen door de ECO-functie te
deactiveren of de rijmodus Individual* aan te
passen met maximale functionaliteit op klimaatregelingsgebied.
ECO-meter op 12 inch bestuurdersdisplay*.
Rijmodus ECO activeren en
deactiveren met functieknop
Auto's zonder een rijmodusknop op de tunnelconsole hebben een functieknop voor de rijmodus Eco op het functiescherm van het middendisplay.
Bij het afzetten van de motor wordt de rijmodus
ECO uitgeschakeld, zodat u de rijmodus iedere
keer dat u de motor start opnieuw moet activeren. Op het bestuurdersdisplay verschijnt ECO,
wanneer de rijmodus geactiveerd is.
Rijmodus Eco kiezen op functiescherm
van middendisplay
–
Tik op de knop Rijmodus ECO om het systeem te activeren of deactiveren.
Druk bij problemen met beslagen ruiten op de
knop voor maximale ontwaseming met normale
functionaliteit.
Gerelateerde informatie
ECO-meter op 8 inch bestuurdersdisplay.
•
•
Rijmodus* wijzigen (p. 461)
•
•
•
Rijmodi* (p. 458)
Rijmodus ECO activeren en deactiveren met
functieknop (p. 463)
Zuinig rijden (p. 474)
Start/Stop-systeem (p. 464)
> Een brandend lampje in de knop geeft
aan dat de functie geactiveerd is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijmodus ECO (p. 461)
Rijmodus* wijzigen (p. 461)
Rijmodi* (p. 458)
* Optie/accessoire. 463
STARTEN EN RIJDEN
Start/Stop-systeem
Rijden met Start/Stop-systeem
Het Start/Stop-systeem zet de motor tijdelijk af
wanneer de auto stilstaat voor bijvoorbeeld verkeerslichten of in een file en start de motor vervolgens automatisch wanneer u verder rijdt.
Het Start/Stop-systeem zet de motor tijdelijk af,
als de auto stilstaat en start hem vervolgens
weer als u uw weg vervolgt.
Het Start/Stop-systeem is beschikbaar bij het
starten van de motor en is te activeren als aan
bepaalde voorwaarden is voldaan. Het bestuurdersdisplay geeft aan of het systeem beschikbaar, actief of niet beschikbaar is.
Het Start/Stop-systeem beperkt het brandstofverbruik, wat op zijn beurt de uitstoot van uitlaatgassen helpt verlagen.
Het systeem maakt een milieubewuste rijstijl
mogelijk door de motor automatisch te laten
stoppen als dat zo uitkomt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijden met Start/Stop-systeem (p. 464)
Voorwaarden voor het Start/Stop-systeem
(p. 466)
Rijmodi* (p. 458)
Alle standaardsystemen van de auto zoals verlichting, radio en dergelijke werken ook na een
autostop normaal. Voor sommige systemen kunnen tijdelijk bepaalde beperkingen gelden zoals
voor de ventilatorsnelheid van de klimaatregeling
of voor de volumeregeling van het audiosysteem.
Autostop
Voor autostop geldt het volgende:
•
Zet de auto stil met het rempedaal en houd
uw voet op het rempedaal. De motor slaat
automatisch af.
•
Laat het rempedaal los. De motor start automatisch en u kunt doorrijden. Op een oplopende helling grijpt de hellingrem (HSA) in
om te voorkomen dat de auto achteruitrolt.
•
Wanneer de Auto Hold geactiveerd is, wordt
de autostart uitgesteld tot het moment van
indrukken van het gaspedaal.
•
Wanneer de adaptieve cruisecontrol of Pilot
Assist geactiveerd is, start de motor automatisch bij het intrappen van het gaspedaal of
bij het indrukken van de
-knop van de
linker stuurknoppenset.
•
Houd met uw voet het rempedaal in dezelfde
stand en bedien het gaspedaal. De motor
start automatisch.
•
Op een aflopende helling: Laat het rempedaal iets opkomen, zodat de auto begint te
rollen. De motor start automatisch na een
geringe snelheidsverhoging.
In de rijmodus Eco of Comfort4 kan de motor
automatisch stoppen voordat de auto helemaal
stilstaat.
Als de adaptieve cruisecontrol of Pilot Assist
geactiveerd is, stopt de motor na zo'n drie seconden automatisch.
Autostart
Voor autostart geldt het volgende:
4
464
Normale startstand.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
Met 12 inch bestuurdersdisplay*
• De melding READY verschijnt op de toerenteller, wanneer het systeem beschikbaar is.
•
Wit symbool: Het systeem is
beschikbaar.
Een wijzer van de toerenteller staat op
READY, wanneer het systeem actief is en de
motor automatisch is afgezet.
•
De melding READY staat grijs gearceerd,
wanneer het systeem niet beschikbaar is.
•
Er verschijnt geen displaytekst, wanneer het
systeem uitstaat.
Betekenis
Beige symbool: Het systeem is
actief en de motor is automatisch
afgezet.
Het systeem is niet beschikbaar,
omdat niet is voldaan aan de voorwaarden.
Er verschijnt geen symbool, wanneer het systeem uitstaat.
Gerelateerde informatie
Het systeem is actief en de motor is automatisch afgezet.
Met 8 inch bestuurdersdisplay
Het symbool verschijnt onder aan de snelheidsmeter.
•
Start/Stop-systeem tijdelijk uitschakelen
(p. 465)
•
Voorwaarden voor het Start/Stop-systeem
(p. 466)
•
•
Start/Stop-systeem (p. 464)
•
Automatische rem bij stilstand (p. 450)
Start/Stop-systeem tijdelijk
uitschakelen
Soms is het raadzaam om het Start/Stop-systeem tijdelijk uit te schakelen.
Schakel het systeem uit met de
functieknop Start/Stop op het
functiescherm van het middendisplay. Bij uitschakeling van
het systeem dooft de led in de
knop.
Het systeem staat uit totdat:
•
•
•
het opnieuw wordt geactiveerd
u de rijmodus wijzigt in Eco of Comfort
de auto een volgende keer wordt gestart.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijden met Start/Stop-systeem (p. 464)
Voorwaarden voor het Start/Stop-systeem
(p. 466)
Hulp tijdens het wegrijden op een helling
(p. 451)
* Optie/accessoire. 465
STARTEN EN RIJDEN
Voorwaarden voor het Start/Stopsysteem
•
de temperatuur van de startaccu ligt onder of
boven de toelaatbare grenswaarden.
Autostart zonder dat u het rempedaal
loslaat
Het Start/Stop-systeem werkt alleen, wanneer
aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
•
•
•
•
u maakt grote stuurbewegingen.
In de volgende gevallen vindt autostart plaats,
ook al hebt u het rempedaal niet losgelaten:
Als niet aan al deze voorwaarden is voldaan,
wordt dit aangegeven op het bestuurdersdisplay.
Autostop werkt niet
In de volgende gevallen werkt de autostart niet:
•
bij ritten op grote hoogte waarbij de motor
niet op de bedrijfstemperatuur heeft bereikt.
de ruiten beslaan door de hoge luchtvochtigheidsgraad in het interieur.
•
de omstandigheden in de passagiersruimte
wijken af van de ingestelde waarden.
•
er wordt tijdelijk veel stroom afgenomen of
de capaciteit van de startaccu is onder de
toelaatbare ondergrens gezakt.
•
u bedient het rempedaal met pompende
bewegingen.
•
•
het ABS is geactiveerd.
•
de beveiliging tegen oververhitting van de
startmotor is in werking getreden door frequente starts in korte tijd.
•
het roetfilter van de uitlaatgasreiniging is verzadigd5.
•
er is een aanhangwagen aangesloten op het
elektrische systeem van de auto.
•
de versnellingsbak heeft de normale bedrijfstemperatuur niet bereikt.
•
de keuzehendel staat in de stand M (±).
bij een krachtige remmanoeuvre (ook zonder
dat het ABS actief is).
•
de auto heeft na het starten geen snelheid
van zo'n 10 km/h (6 mph) bereikt.
•
na een aantal opeenvolgende autostops
moet de snelheid weer boven zo'n 10 km/h
(6 mph) komen vóór de volgende autostop.
•
de bestuurder heeft zijn/haar veiligheidsgordel losgenomen.
•
de capaciteit van de startaccu is onder de
toelaatbare ondergrens gedoken.
•
de motor heeft de normale bedrijfstemperatuur niet bereikt.
•
de buitentemperatuur ligt onder ca. -5 °C (23
°F) of boven ca. 30 °C (86 °F).
•
de elektrische voorruitwarming wordt geactiveerd.
•
In de volgende gevallen werkt de autostart niet
nadat de motor automatisch werd afgezet:
de omstandigheden in de passagiersruimte
wijken af van de ingestelde waarden.
•
•
u rijdt achteruit met de auto.
5
466
de weg is erg steil.
u ontgrendelt de motorkap.
Geldt voor een auto met dieselmotor.
Autostart werkt niet
De bestuurder draagt geen gordel, de keuzehendel staat in stand P en het bestuurdersportier staat open - er moet op de normale
manier worden gestart.
•
•
u ontgrendelt de motorkap.
de auto begint te rollen of gaat iets sneller
rijden als de auto automatisch is afgezet zonder helemaal stil te staan.
•
u hebt de veiligheidsgordel afgedaan met de
keuzehendel in stand D of N.
•
u zet de keuzehendel van D in stand R of M
(±).
•
u opent het bestuurdersportier met de keuzehendel in stand D - een "belsignaal" en
een tekstbericht geven aan dat het contact
ingeschakeld is.
STARTEN EN RIJDEN
WAARSCHUWING
Open de motorkap niet na een automatische
motorstop. Zet de motor op de normale wijze
af alvorens de motorkap te openen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Start/Stop-systeem (p. 464)
Rijden met Start/Stop-systeem (p. 464)
Start/Stop-systeem tijdelijk uitschakelen
(p. 465)
467
STARTEN EN RIJDEN
Niveauregeling* en schokdemping
De niveauregeling van de auto stemt de vering
en schokdemping van de auto automatisch af op
optimaal comfort en functioneren tijdens het rijden. Er is ook handmatige niveauregeling mogelijk om bijvoorbeeld gemakkelijker bagage te
kunnen in- en uitladen of het in- en uitstappen te
vereenvoudigen.
regeld op basis van de ondergrond, de mate van
versnelling/vertraging en de vraag of de auto op
rechte stukken of in bochten rijdt.
lijk van de temperatuur, de wijze van belading,
gebruik van de laadstand of de gekozen rijmodus
na het starten.
Wanneer er niveauregeling
plaatsvindt, geeft het bestuurdersdisplay dat aan.
Het niveau kan wellicht ook na enige tijd parkeren nog worden bijgesteld. Dit ter compensatie
van eventuele hoogtewijzigingen die zich op
grond van temperatuurveranderingen in de luchtveren kunnen voordoen, wanneer de auto afkoelt.
Luchtvering en schokdemping
De systemen zijn afgestemd op de gekozen rijmodus en de actuele rijrijsnelheid. Via de luchtvering wordt bij hogere snelheden de bodemspeling
van de auto verlaagd om op die manier de luchtweerstand te verlagen en meer stabiliteit te verkrijgen. De schokdemping staat normaal ingesteld op optimaal comfort en wordt continu bijge-
468
Bij het transporteren
Het niveau is niet te regelen, wanneer een van de
portieren of de achterklep openstaat.
Bij het parkeren
Zorg er bij het parkeren voor dat er boven en
onder de auto voldoende ruimte is, omdat de
bodemspeling bijvoorbeeld kan variëren afhanke-
Bij het transport van de auto op een veerboot,
autotrein of autotransporter mag u de spanbanden alleen rond de banden vastzetten en niet om
andere chassisonderdelen halen. Eventuele wijzigingen in de luchtvering tijdens het transport
kunnen de verankering negatief beïnvloeden.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Symbolen en meldingen op bestuurdersdisplay
Symbool
Melding
Betekenis
Vering
De gebruiker heeft de niveauregeling handmatig uitgeschakeld.
Door gebruiker uitgezet
Tijdelijk beperkte prestaties
De prestaties van de niveauregeling zijn tijdelijk gereduceerd op grond van de belasting van het systeem. Als deze melding vaak verschijnt (bijv. meerdere keren per week), neem dan contact op met een
werkplaatsA.
Vering
Er is een storing opgetreden. Bezoek zo spoedig mogelijk een werkplaatsA.
Vering
Service vereist
Storing vering
Stop veilig
Er is een kritieke storing opgetreden. Stop de auto op een veilige manier, laat de auto afslepen naar
een werkplaatsA.
}}
469
STARTEN EN RIJDEN
||
Symbool
Melding
Betekenis
Vering
Afremmen Auto te hoog
Er is een storing opgetreden. Als de melding tijdens het rijden verschijnt, neem dan contact op met een
werkplaatsA.
Vering
Er vindt afstelling tot het beoogde niveau plaats.
Niveau auto aut. afstellen
A
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
470
Instellingen voor niveauregeling* (p. 471)
Rijmodi* (p. 458)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Instellingen voor niveauregeling*
Het niveau van de auto is aan te passen om het
in- en uitladen of in- of uitstappen te vereenvoudigen.
Schakel de niveauregeling uit wanneer u de auto
moet opnemen met een krik om problemen met
de automatische niveauregeling te voorkomen.
Activeer de in- en uitstapfunctie via het middendisplay:
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Veringsregeling Easy Entry en Exit.
> Wanneer de auto geparkeerd staat en uitgeschakeld is, zakt de auto omlaag. (De
niveauregeling stopt bij het openen van
een portier en bij het openen en sluiten
van een portier kan de niveauregeling met
enige vertraging worden hervat.) Wanneer
de auto wordt gestart en in beweging
komt, komt de auto omhoog tot de hoogte
voor de gekozen rijmodus.
Laadstand aanpassen
Spiegels en Comfort.
Niveauregeling uitschakelen
In bepaalde gevallen moet u de regeling uitschakelen, zoals wanneer u de auto opneemt op een
krik*. Het niveauverschil dat ontstaat bij opname
op een krik kan er anders toe leiden dat de luchtvering de hoogte aanpast, wat niet wenselijk is.
Gebruik de knoppen in de bagageruimte om de
hoogte van de achterkant van de auto in te stellen en in- en uitladen of het aan- en loskoppelen
van een aanhangwagen te vereenvoudigen.
Instellingen op middendisplay
Instaphulp
De auto is lager te zetten om gemakkelijker te
kunnen in- en uitstappen.
Schakel het systeem uit via het middendisplay:
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Niveauregeling uitschakelen.
Parkeerrem en vering.
Lagesnelheidsregeling*
De lagesnelheidsregeling Low Speed Control
(LSC) biedt ondersteuning bij ritten in het terrein
en op een gladde ondergrond en verbetert de
rijeigenschappen. U rijdt bijvoorbeeld met een
caravan over een grasveld of met een boottrailer
op een boothelling.
Bij een auto met een rijmodusknop* is deze
functie geïntegreerd in de rijmodus Off Road.
De regeling is aangepast voor terreinritten en
voor ritten op lage snelheden (tot zo'n 40 km/h
(25 mph)) met een aanhangwagen achter de
auto.
De lagesnelheidsregeling geeft voorrang aan
lage versnellingen en vierwielaandrijving wat wielspin helpt voorkomen en een betere tractie oplevert. Op lage snelheden reageert de motor minder snel op het gaspedaal voor een betere regeling van de tractie en snelheid.
De regeling wordt samen met Hill Descent
Control (HDC) geactiveerd om de snelheid op
steile, aflopende hellingen met het gaspedaal te
kunnen regelen, zodat u het rempedaal minder
vaak hoeft te gebruiken. De regeling maakt het
mogelijk om op steile en aflopende hellingen een
lage en gelijkmatige snelheid aan te houden.
Gerelateerde informatie
•
•
Niveauregeling* en schokdemping (p. 468)
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 601)
}}
* Optie/accessoire. 471
STARTEN EN RIJDEN
||
N.B.
Wanneer het LSC met HDC geactiveerd is,
veranderen het gaspedaalgevoel en de
motorrespons.
N.B.
De rijstand is niet geschikt voor gebruik op de
openbare weg.
Lagesnelheidsregeling* activeren en
deactiveren met functieknop
Bij een auto zonder rijmodusknop op de tunnelconsole is het functiescherm van het middendisplay voorzien van een functieknop voor de lagesnelheidsregeling van Hill Descent Control.
Gerelateerde informatie
•
•
Lagesnelheidsregeling* (p. 471)
Rijmodus* wijzigen (p. 461)
Lagesnelheidsregeling kiezen op het
functiescherm van het middendisplay
–
Tik op de knop Hill Descent Control om
het systeem te activeren of deactiveren.
N.B.
De functie wordt uitgeschakeld bij ritten op
hogere snelheden en moet bij lagere snelheden opnieuw ingeschakeld worden, als dat
wenselijk is.
Gerelateerde informatie
472
•
Lagesnelheidsregeling* activeren en deactiveren met functieknop (p. 472)
•
•
•
Rijmodus* wijzigen (p. 461)
Afdalingsremregeling* (p. 473)
Vierwielaandrijving* (p. 458)
> Een brandend lampje in de knop geeft
aan dat de functie geactiveerd is.
Bij uitschakeling van de motor wordt het systeem
automatisch uitgeschakeld.
N.B.
De functie wordt uitgeschakeld bij ritten op
hogere snelheden en moet bij lagere snelheden opnieuw ingeschakeld worden, als dat
wenselijk is.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Afdalingsremregeling*
Afdalingsremregeling, Hill Descent Control
(HDC), is een systeem dat op lage snelheden
de remmende werking van de motorrem verhoogt. Dit betekent dat u op bij steile, aflopende
hellingen vaart kunt meerderen of minderen met
het gaspedaal, zonder te hoeven bijremmen.
Bij een auto met een rijmodusknop* is deze
functie geïntegreerd in de rijmodus Off Road.
De afdalingsremregeling is aangepast voor terreinritten op lage snelheden en is vooral handig
bij ritten op steile, aflopende hellingen met een
lastige ondergrond. Omdat u het rempedaal niet
hoeft te gebruiken, kunt zich volledig richten op
de besturing.
WAARSCHUWING
HDC werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt.
Functie
Met hulp van het remsysteem laat de afdalingsremregeling de auto langzaam voor- en achteruitrijden. De snelheid is tijdelijk met het gaspedaal
te verhogen. Bij het loslaten van het gaspedaal
wordt de rijsnelheid weer tot stapvoets verlaagd,
ongeacht het hellingspercentage en zonder dat u
daarvoor het rempedaal hoeft te bedienen. Bij
activering van het systeem gaan de remlichten
branden.
N.B.
Wanneer het LSC met HDC geactiveerd is,
veranderen het gaspedaalgevoel en de
motorrespons.
Met het rempedaal kunt u de auto altijd remmen
en langzamer stapvoets rijden of de auto helemaal tot stilstand brengen.
N.B.
De regeling wordt samen met de lagesnelheidsregeling Low Speed Control (LSC) geactiveerd
en biedt ondersteuning bij ritten in het terrein en
op een gladde ondergrond en verbetert de rijeigenschappen. De systemen zijn bestemd voor
gebruik op lage snelheden, tot zo'n 40 km/h (25
mph).
De rijstand is niet geschikt voor gebruik op de
openbare weg.
N.B.
De functie wordt uitgeschakeld bij ritten op
hogere snelheden en moet bij lagere snelheden opnieuw ingeschakeld worden, als dat
wenselijk is.
Aandachtspunten bij ritten met
geactiveerde HDC
•
Als u tijdens ritten op een steile aflopende
helling het systeem uitschakelt, wordt de
remwerking langzaam verlaagd.
•
HDC is te gebruiken in schakelstand D, R en
in de 1e of 2e versnelling bij handmatig
schakelen.
•
Bij handmatig schakelen is het niet mogelijk
om op te schakelen naar de 3e versnelling of
hoger.
Gerelateerde informatie
•
Afdalingsremregeling* activeren en deactiveren met functieknop (p. 474)
•
•
•
Rijmodus* wijzigen (p. 461)
Lagesnelheidsregeling* (p. 471)
Vierwielaandrijving* (p. 458)
* Optie/accessoire. 473
STARTEN EN RIJDEN
Afdalingsremregeling* activeren en
deactiveren met functieknop
Bij een auto zonder rijmodusknop op de tunnelconsole zit een functieknop voor de afdalingsremregeling met Hill Descent Control op het
functiescherm van het middendisplay.
Afdalingsremregeling kiezen op
functiescherm van middendisplay
Gerelateerde informatie
•
•
Afdalingsremregeling* (p. 473)
Rijmodus* wijzigen (p. 461)
Zuinig rijden
Rijd zuinig en milieubewust door rustig en met
vooruitziende blik te rijden én door uw rijstijl en
snelheid aan te passen aan de situatie.
• Activeer voor een lager brandstofverbruik de
rijmodus Eco.
•
Gebruik het uitrolsysteem Eco Coast in de
rijmodus Eco; er wordt niet meer op de motor
afgeremd, waardoor de bewegingsenergie
van de auto wordt gebruikt om de auto langer te laten uitrollen.
•
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling6,
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid; lagere toeren leveren een
lager brandstofverbruik op. Maak gebruik van
de schakelindicator.
•
Rijd met gelijkmatige snelheid en met vooruitziende blik om zo weinig mogelijk te hoeven remmen.
•
Bij hoge snelheden neemt het brandstofverbruik toe - de luchtweerstand neemt toe
naarmate de snelheid stijgt.
•
Houd de juiste bandenspanning aan en controleer regelmatig of dat nog steeds zo is houd voor de beste resultaten de zogenoemde ECO -bandenspanning aan.
•
De bandenkeuze is mogelijk van invloed op
het brandstofverbruik - informeer bij uw dealer naar passende banden.
De afdalingsremregeling werkt alleen op lage
snelheden.
–
Tik op de knop Hill Descent Control om
het systeem te activeren of deactiveren.
> Een brandend lampje in de knop geeft
aan dat de functie geactiveerd is.
Bij uitschakeling van de motor wordt het systeem
automatisch uitgeschakeld.
N.B.
De functie wordt uitgeschakeld bij ritten op
hogere snelheden en moet bij lagere snelheden opnieuw ingeschakeld worden, als dat
wenselijk is.
6
474
Geldt bij handmatig schakelen.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
•
Neem geen spullen in de auto mee die u niet
gebruikt - hoe groter de belading, hoe hoger
het verbruik.
Voorbereidingen voor een lange rit
Voor aanvang van een autovakantie of een langere autorit is het belangrijk om de functies en
uitrusting van de auto eens goed te controleren.
Controleer of:
•
Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk is.
•
Lading op het dak en het gebruik van een
dakbox resulteren in een grotere luchtweerstand waardoor het verbruik toeneemt – verwijder lastdragers die u niet gebruikt.
•
de motor naar behoren functioneert en of het
brandstofverbruik in orde is
•
Rijd niet met open zijruiten.
er wellicht sprake is van lekkage (brandstof,
olie of andere vloeistoffen)
•
WAARSCHUWING
de remwerking tijdens het afremmen optimaal is
•
alle gloeilampen werken – pas de koplamphoogte aan bij een zware belading van de
auto
•
de profieldiepte van de banden en de spanning voldoende zijn. Monteer winterbanden
bij ritten in gebieden met kans op
besneeuwde of beijzelde wegen.
•
de ladingstoestand van de startaccu is voldoende
•
•
de wisserbladen in goede staat verkeren
•
Zet de motor nooit af tijdens het rijden (zoals
op een aflopende helling), omdat daarbij
belangrijke systemen zoals de stuur- en rembekrachtiging wegvallen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Drive-E - schoner rijplezier (p. 32)
Rijmodus ECO (p. 461)
Bandenspanning controleren (p. 570)
•
•
•
•
•
•
•
•
Rijden tijdens de winter (p. 476)
Zuinig rijden (p. 474)
Instellingen voor automodem (p. 549)
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 601)
Rijden met aanhangwagen (p. 495)
Pilot Assist (p. 336)
Snelheidsbegrenzer (p. 302)
Noodreparatieset voor banden (p. 587)
er een gevarendriehoek en een reflecterend
hesje in de auto aanwezig zijn – in bepaalde
landen is dat wettelijk verplicht.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bandenspanning controleren (p. 570)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 686)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 667)
475
STARTEN EN RIJDEN
Rijden tijdens de winter
Bij rijden in de winter is het belangrijk om
bepaalde controles op de auto uit te voeren,
zodat u zeker weet dat u er veilig mee kunt rijden.
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder
op het volgende:
•
De koelvloeistof van de motor moet 50% glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie
is de motor beschermd tegen bevriezing tot
zo'n –35 °C (–31 °F). Om gezondheidsrisico's te vermijden is het zaak geen verschillende soorten glycol met elkaar te mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens
in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk.
Wanneer u oliesoorten met een lagere viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat de motor
bij koud weer gemakkelijker aan en neemt
bovendien het brandstofverbruik tijdens de
koude start af.
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of
warm weer.
•
476
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de startaccu. De star-
taccu wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
•
Giet sproeiervloeistof met antivries in het
sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming te
voorkomen.
Nieuwe auto's en gladde wegen
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of ijs
adviseert Volvo u om de auto rondom van winterbanden te voorzien.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn niet
in alle landen toegestaan.
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden om
te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Winterwielen (p. 585)
Sneeuwkettingen (p. 586)
Remmen op gepekelde rijbanen (p. 446)
Remmen op natte rijbanen (p. 445)
Vulopening voor sproeiervloeistof (p. 667)
Startaccu (p. 634)
Wisserblad voorruit vervangen (p. 665)
Wisserbladen achterruit vervangen (p. 664)
Koelvloeistof bijvullen (p. 626)
•
Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie (p. 681)
STARTEN EN RIJDEN
Doorwaaddiepte
Met doorwaden wordt bedoeld dat de auto door
een diepere plas water op een met water
bedekte rijbaan rijdt. Waden dient met de
nodige voorzichtigheid te gebeuren.
U kunt met de auto stapvoets door waterpartijen
van maximaal 45 cm (17,7 inch) diep rijden.
Wees extra voorzichtig als u door stromend water
rijdt.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking
optreden.
•
Maak eventuele aansluitingen voor de elektrische verwarming en de aanhangwagenkoppeling schoon na ritten in water en modder.
•
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken - elektrische
storingen zijn anders niet uitgesloten.
7
BELANGRIJK
Tankvulklep openen en sluiten
•
Als er water in het luchtfilter komt, kan er
motorschade ontstaan.
•
Als er water in de transmissie komt,
neemt de smerende werking van de oliën
af waardoor de betrokken systemen minder lang meegaan.
•
Om de tankvulklep te kunnen openen moet de
auto ontgrendeld zijn7.
Op het bestuurdersdisplay
wordt met de pijl naast het
tanksymbool aangegeven aan
welke kant van de auto de
tankvulklep zit.
Schade aan de motor, transmissie, turbocompressor, het differentieel of de inwendige onderdelen ervan als gevolg van
waterlekkage (hydrolock) of een tekort
aan olie valt niet onder de garantie.
•
Probeer de motor bij motorafslag in water
niet opnieuw te starten. Haal de auto uit
het water en breng deze naar de werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats. Kans op motorschade.
1.
Open de tankvulklep door lichte druk aan te
brengen op de achterkant van de vulklep.
2.
Sluit na het tanken de klep door er licht op te
drukken.
Gerelateerde informatie
•
•
Brandstof tanken (p. 478)
AdBlue® controleren en bijvullen (p. 485)
Gerelateerde informatie
•
•
Bergen (p. 503)
Lagesnelheidsregeling* (p. 471)
Alleen vergrendeling en ontgrendeling via de transpondersleutel, het Keyless-systeem of via Volvo On Call is van invloed op de status van de tankvulklep.
* Optie/accessoire. 477
STARTEN EN RIJDEN
Brandstof tanken
3.
De brandstoftank is voorzien van een doploos
tanksysteem.
Tanken bij een tankstation
4.
Steek het mondstuk van het vulpistool in de
brandstofvulopening. De vulpijp heeft twee
afdekkingen die te openen zijn. Zorg dat u
het mondstuk van het vulpistool langs de
beide afdekkingen hebt gestoken, voordat u
begint met tanken.
Geldt voor een auto met verwarming op
brandstof*
Gebruik de verwarming op brandstof nooit, wanneer de auto bij een tankstation staat.
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
> De tank is vol.
N.B.
Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen.
Brandstof bijvullen via een jerrycan
U tankt als volgt brandstof.
1.
Schakel de auto uit en open de tankvulklep.
2.
Kies een brandstof die is goedgekeurd voor
gebruik in de auto op basis van de aanduiding8 aan de binnenkant van de tankvulklep.
Zie de informatie over goedgekeurde brandstofsoorten en hun aanduidingen in het artikel "Benzine" of "Dieselolie".
8
478
Gebruik voor het bijvullen van brandstof met een
jerrycan de trechter die in het blok schuimrubber
onder het vloerluik in de bagageruimte ligt.
1.
Open de tankvulklep.
2.
Steek de trechter in de brandstofvulopening.
De vulpijp heeft twee afdekkingen die te
openen zijn. Zorg dat u de trechterbuis langs
de beide afdekkingen hebt gestoken, voordat
u begint met tanken.
Sticker aan binnenkant tankvulklep.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Tankvulklep openen en sluiten (p. 477)
Benzine (p. 479)
Dieselolie (p. 481)
Wanneer u de tank leegrijdt van een dieselmodel (p. 482)
De aanduiding conform de CEN-norm EN16942 zit aan de binnenkant van de tankklep en uiterlijk eind 2018 ook op de desbetreffende brandstofpompen en vulpistolen bij tankstations in heel Europa.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Hanteren van brandstof
WAARSCHUWING
Gebruik geen brandstof met een kwaliteit die
slechter is dan de kwaliteit die door Volvo wordt
aanbevolen, omdat dit een negatief effect heeft
op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
Op de grond gemorste brandstof kan vlam
vatten.
Schakel de verwarming op brandstof uit voordat u gaat tanken.
Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het
belsignaal kan er vonkvorming ontstaan waardoor de benzinedampen ontsteken en dat kan
tot brand en letsel leiden.
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen zoals
benzine, bio-ethanol, mengsels ervan en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen bij
inwendig gebruik aanleiding geven tot blijvend
letsel met mogelijk dodelijke afloop. Roep
onmiddellijk medische hulp in bij het inslikken
van brandstof.
BELANGRIJK
Door mengsels van verschillende soorten
brandstoffen of het gebruik van niet aanbevolen brandstof vervallen de garanties van Volvo
en evt. aanvullende serviceovereenkomsten.
Dit geldt voor alle motoren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Benzine (p. 479)
Dieselolie (p. 481)
Benzine
Benzine is een brandstoftype dat bestemd is
voor een auto met een benzinemotor.
Maak alleen gebruik van benzine van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit brandstof
van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De benzine
moet voldoen aan de norm EN 228.
Aanduiding voor benzine
De aanduiding conform de CEN-norm EN16942
zit aan de binnenkant van de tankklep en uiterlijk
eind 2018 ook op de desbetreffende brandstofpompen en vulpistolen bij tankstations in heel
Europa.
Dit zijn de aanduidingen die gelden voor de huidige standaardbrandstoffen in Europa. In een
auto met een benzinemotor is het toegestaan
benzine te gebruiken met de volgende aanduiding:
E5 is een benzinesoort met
maximaal 2,7% zuurstof en
maximaal 5 vol-% ethanol.
AdBlue® hanteren (p. 484)
E10 is een benzinesoort met
maximaal 3,7% zuurstof en
maximaal 10 vol-% ethanol.
}}
479
STARTEN EN RIJDEN
||
BELANGRIJK
Benzineroetfilter
•
Er is brandstof toegestaan die tot 10
volumeprocent ethanol bevat.
•
Gebruik alleen loodvrije benzine om
schade aan de katalysator tegen te gaan.
Een benzinemodel is uitgerust met een roetfilter
voor een effectievere uitlaatgasreiniging.
•
Het gebruik van EN 228 E10-benzine
(maximaal 10 volumeprocent ethanol) is
toegestaan.
•
Het gebruik van brandstof met metaaladditieven is niet toegestaan.
•
Een ethanolgehalte hoger dan E10
(maximaal 10 volumeprocent ethanol)
zoals bij E85 is niet toegestaan.
•
Gebruik geen toevoegingen die niet door
Volvo zijn aanbevolen.
In normale rijomstandigheden blijven roetdeeltjes
uit de uitlaatgassen in het benzineroetfilter achter. Normaal vindt passieve regeneratie plaats
waarbij de roetdeeltjes worden geoxideerd en
verbrand. Op die manier wordt het filter gereinigd.
Octaangetal
•
BELANGRIJK
95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
•
98 RON wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal brandstofverbruik.
•
Gebruik van brandstof met een octaangetal
lager dan RON 95 is niet toegestaan.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
(100 °F) wordt u geadviseerd een brandstofsoort
met een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Hanteren van brandstof (p. 479)
Brandstof tanken (p. 478)
Benzineroetfilter (p. 480)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 686)
Bij frequente ritten op lage snelheden of herhaalde koude starts bij lage temperaturen is
mogelijk actieve regeneratie vereist. De regeneratie van het roetfilter vindt automatisch plaats en
duurt normaal 10-20 minuten. Tijdens de regeneratie kan een branderige geur ontstaan.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming
inschakelt, bereikt de motor sneller de normale
bedrijfstemperatuur.
Bij frequente korte ritten op lage
snelheden met een benzinemodel
De capaciteit van de uitlaatgasreiniging voor benzinemotoren hangt af van de rijstijl. Voor optimale
prestaties is het belangrijk om ritten van verschillende lengte en op uiteenlopende snelheden te
maken.
Als u vaak korte ritten maakt op lage snelheid (of
bij koud weer) zodat de motor niet op bedrijfstemperatuur komt, kan problemen veroorzaken
die op termijn aanleiding kunnen geven tot storingen en waarschuwingsmeldingen kunnen triggeren. Als u vaak ritten in stadsverkeer maakt is
480
STARTEN EN RIJDEN
het belangrijk om ook regelmatig ritten op hogere
snelheden te maken om ervoor te zorgen dat de
uitlaatgasreiniging voor benzinemotoren kan
regenereren.
•
Rijd tussen de tankbeurten in minstens 20
minuten op de snelweg met snelheden
hoger dan 60 km/h (38 mph).
Gerelateerde informatie
•
Benzine (p. 479)
Dieselolie
Dieselolie is een brandstoftype dat bestemd is
voor een auto met een dieselmotor.
Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit brandstof
van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De dieselolie moet voldoen aan de norm EN 590 of
SS 155435. Dieselmotoren zijn gevoelig voor
verontreinigingen in de brandstof, zoals een te
hoog gehalte aan zwavel- of metaaldeeltjes.
Aanduiding
De aanduiding conform de CEN-norm EN16942
zit aan de binnenkant van de tankvulklep en uiterlijk eind 2018 ook op de desbetreffende brandstofpompen en mondstukken op tankstations in
heel Europa.
Dit is de aanduiding die geldt voor de huidige
standaardbrandstof in Europa. In een auto met
een dieselmotor is het toegestaan dieselolie te
gebruiken met de volgende aanduiding:
B7 is een dieselsoort met
maximaal 7 vol-% veresterde
methylvetzuren (FAME).
tot startproblemen kan leiden. De verkrijgbare
brandstofkwaliteiten moeten zich lenen voor
gebruik in het actuele jaargetijde en klimaatgebied, maar in extreme weersomstandigheden, bij
gebruik van verouderde brandstof of bij ritten
door verschillende klimaatgebieden kan desondanks uitvlokking optreden.
Het risico van condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld houdt.
Houd tijdens het tanken het gebied rond de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte
oppervlakken. Maak als u gemorst hebt het
gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK
De dieselolie:
•
moet voldoen aan de norm EN 590 en/of
SS 155435;
•
moet een zwavelgehalte hebben van
maximaal 10 mg/kg;
•
mag maximaal 7 vol% FAME9 (B7) bevatten.
Bij lage temperaturen (lager dan 0 °C (32 °F))
kan de paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat
9
Fatty Acid Methyl Ester
}}
481
STARTEN EN RIJDEN
||
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolieachtige brandstoffen:
•
•
•
•
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
FAME10 of plantaardige olie.
Wanneer u de tank leegrijdt van een
dieselmodel
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren.
Doe nadat u de brandstoftank hebt bijgevuld met
dieselolie het volgende alvorens de auto te starten:
10
482
Breng de auto tot stilstand op een zo
egaal/horizontaal mogelijke ondergrond
– als de auto overhelt, bestaat er gevaar
voor luchtbellen in de brandstoftoevoer.
Controleer of de transpondersleutel in de
auto aanwezig is.
Waar u op moet letten bij het vullen van
brandstof uit een jerrycan
2.
Gebruik voor het bijvullen van dieselolie uit een
jerrycan de trechter die onder het vloerluik in de
bagageruimte ligt. Let erop dat u de buis van de
trechter goed in de vulpijp steekt. De vulpijp heeft
twee afdekkingen die te openen zijn. Zorg dat u
de trechterbuis langs de beide afdekkingen hebt
gestoken, voordat u begint met tanken.
Wanneer u de tank leegrijdt van een dieselmodel (p. 482)
Zet de auto in contactslotstand II – draai de
startknop rechtsom zonder het rempedaal te
bedienen (of het koppelingspedaal bij een
auto met een handgeschakelde versnellingsbak) en houd de knop zo'n 4 seconden lang
in deze stand vast. Laat vervolgens knop los,
die automatisch terugveert naar de uitgangspositie.
3.
Wacht ca. één minuut.
Roetfilter (p. 483)
4.
Start de motor.
•
•
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
1.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door de
garanties van Volvo.
•
•
•
N.B.
Alvorens brandstof te tanken bij een leeggereden tank:
Hanteren van brandstof (p. 479)
Brandstof tanken (p. 478)
Uitlaatgasreiniging met AdBlue® (p. 483)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 686)
Dieselolie met maximaal 7 vol% FAME (B7) is toegestaan.
Gerelateerde informatie
Brandstof tanken (p. 478)
Dieselolie (p. 481)
Gereedschapsset (p. 578)
STARTEN EN RIJDEN
Roetfilter
Een dieselmodellen is uitgerust met een roetfilter
voor een effectievere uitlaatgasreiniging.
In normale rijomstandigheden blijven roetdeeltjes
uit de uitlaatgassen in het roetfilter achter. Wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan, gaat
een zogenoemde regeneratie van start om de
roetdeeltjes te verbranden en het filter te reinigen. Om een regeneratie te starten moet de
motor de normale bedrijfstemperatuur hebben
bereikt. De regeneratie van het roetfilter vindt
automatisch plaats en duurt normaal
10-20 minuten.
Als het filter helemaal vol deeltjes zit, kan het
moeilijk zijn om de motor te starten en het filter wordt onbruikbaar. De kans bestaat dan
dat het filter moet worden vervangen.
Bij frequente korte ritten op lage
snelheden met een dieselmodel
De capaciteit van de uitlaatgasreiniging hangt af
van de rijstijl. Voor optimale prestaties is het
belangrijk om ritten van verschillende lengte en
op uiteenlopende snelheden te maken.
•
er kan tijdelijk een geringe beperking van
het motorvermogen te bespeuren zijn
•
het brandstofverbruik kan tijdelijk toenemen
Als u vaak korte ritten maakt op lage snelheid (of
bij koud weer) zodat de motor niet op bedrijfstemperatuur komt, kan problemen veroorzaken
die op termijn aanleiding kunnen geven tot storingen en waarschuwingsmeldingen kunnen triggeren. Als u vaak ritten in stadsverkeer maakt is
het belangrijk om ook regelmatig ritten op hogere
snelheden te maken om ervoor te zorgen dat de
uitlaatgasreiniging kan regenereren.
•
er kan sprake zijn van een brandlucht.
•
N.B.
Tijdens de regeneratie kan zich het volgende
voordoen:
Wanneer u bij koud weer de standverwarming*
inschakelt, bereikt de motor sneller de normale
bedrijfstemperatuur.
11
BELANGRIJK
Rijd tussen de tankbeurten in minstens 20
minuten op de snelweg met snelheden
hoger dan 60 km/h (38 mph).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Gedeponeerd handelsmerk van VDA (Verband der Automobilindustrie e.V.)
Dieselolie (p. 481)
Uitlaatgasreiniging met AdBlue® (p. 483)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 686)
Uitlaatgasreiniging met AdBlue®11
AdBlue is een additief (toevoeging) dat de
SCR12-katalysator gebruikt om bij een dieselmotor de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken.
De SCR-katalysator zet AdBlue en stikstofoxiden
om in stikstof en waterdamp, wat de uitstoot van
schade stikstofoxiden aanzienlijk beperkt.
AdBlue
AdBlue is een kleurloze vloeistof die bestaat uit
32,5 % ureum13 opgelost in gedemineraliseerd
water en geproduceerd is volgende norm
ISO 22241. De vloeistof is speciaal ontwikkeld
voor SCR-katalysatoren van dieselmotoren.
De auto heeft een speciaal AdBlue-reservoir dat
via een aparte vulbuis achter de tankvulklep bij te
vullen is. Het verbruik is afhankelijk van de rijstijl,
buitentemperatuur en de bedrijfstemperatuur van
de katalysator.
Voorwaarden voor ritten met AdBlue
Houd het reservoir altijd gevuld met AdBlue van
de juiste kwaliteit om de auto te kunnen starten.
De SCR-katalysator is zeer gevoelig voor verontreinigingen.
De uitlaatgasreiniging bewaakt voortdurend het
peil, de kwaliteit en de dosering van AdBlue. Bij
een storing verschijnt er een melding op het
bestuurdersdisplay.
}}
* Optie/accessoire. 483
STARTEN EN RIJDEN
||
BELANGRIJK
AdBlue is vereist voor een juiste werking van
het SCR en om te voldoen aan de wettelijk
eisen op emissiegebied. Het is bij de wet verboden om het aanvoersysteem voor AdBlue
dusdanig te wijzigen of te beïnvloeden dat er
geen AdBlue wordt verbruikt. AdBlue is vereist om te voldoen aan de wettelijke eisen op
emissiegebied. Een dergelijke vorm van beïnvloeding kan strafbaar zijn en tot vervolging
leiden.
Het is niet toegestaan om de auto te gebruiken wanneer de AdBlue-tank leeg is, omdat
deze dan niet meer voldoet aan de wettelijke
eisen op emissiegebied. De auto is daarom
uitgerust met een waarschuwingssysteem dat
aangeeft wanneer het tijd is om de AdBluetank bij te vullen. Wanneer het peil in de
AdBlue-tank te laag wordt verschijnen waarschuwingen om aan te geven dat het tijd is
om AdBlue bij te vullen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
12
13
484
AdBlue® hanteren (p. 484)
AdBlue® controleren en bijvullen (p. 485)
Symbolen en meldingen voor AdBlue®
(p. 487)
Selective Catalytic Reduction
CO(NH2)2
AdBlue® hanteren
AdBlue bestaat voor het merendeel uit water
(zo'n 67,5 % water en 32,5 % ureum). De vloeistof is niet brandgevaarlijk maar dient met de
nodige voorzichtigheid te worden gehanteerd
aangezien deze huid en ogen kan irriteren.
Waar u op moet letten bij het gebruik
Adem de dampen niet in en vermijd huid- en
oogcontact. Draag bij gebruik van de vloeistof bij
voorkeur handschoenen om te voorkomen dat
gevoelige huid geïrriteerd raakt.
WAARSCHUWING
Eerste hulp bij ongevallen:
•
Bij inademing - breng het slachtoffer in
de frisse lucht.
•
Bij huidcontact - was de aangedane huid
met water en zeep.
•
Bij oogcontact - spoel de aangedane
ogen onmiddellijk uit met grote hoeveelheden water.
•
Bij inslikken - spoel de mond goed uit
met water. Laat het slachtoffer niet braken.
Roep bij aanhoudende verschijnselen of
inslikken van grote hoeveelheden de hulp van
een arts in.
Wat te doen bij morsen
Spoel gemorste AdBlue op de grond, de auto of
op gelakte oppervlakken met een ruime hoeveelheid water af. Giet de vloeistof niet in de gootsteen.
Opslag
Bewaar AdBlue in de originele verpakking met de
dop erop bij een temperatuur hoger dan –11 °C
(12 °F) en lager dan 30 °C (86 °F). Bewaar de
vloeistof niet in direct zonlicht.
AdBlue bevriest bij –11 °C (12 °F) maar is nadat
deze ontdooit is weer te gebruiken.
Gerelateerde informatie
•
•
AdBlue® controleren en bijvullen (p. 485)
Uitlaatgasreiniging met AdBlue® (p. 483)
STARTEN EN RIJDEN
AdBlue® controleren en bijvullen
AdBlue-peil controleren
Controleer regelmatig het AdBlue-peil en vul bij
als een melding voor een laag AdBlue-peil verschijnt op het bestuurdersdisplay.
Tijdens het onderhoud aan de auto vult de Volvowerkplaats AdBlue bij, maar afhankelijk van de
rijstijl moet u mogelijk ook tussen de servicebeurten door bijvullen. Als u het AdBlue-reservoir
helemaal leegrijdt, kunt u de auto niet meer starten.
1.
Open de app Auto status op het appscherm.
2.
Druk op Status om het AdBlue-peil weer te
geven.
N.B.
Rijd de AdBlue-tank nooit leeg. Vul de tank
tijdig bij.
Als u de tank leegrijdt is de motor na het
afzetten niet meer te starten; niet op de
gebruikelijke manier en evenmin met hulpmiddelen.
Het bijvullen van minimaal 3 liter AdBlue van
de gespecificeerde kwaliteit is de enige
manier om de motor weer te starten nadat u
de AdBlue-tank hebt leeggereden.
Grafische voorstelling van het AdBlue-peil op het middendisplay.
Elk blokje komt overeen met zo'n 25% van
de volledige inhoud van het reservoir.
Wanneer er minder dan 25 % van de totale
inhoud van het reservoir resteert, wordt het
laatste blokje amberkleurig en wanneer er
}}
485
STARTEN EN RIJDEN
minder dan 10 % resteert wordt het uiteindelijk rood.
||
3.
Vul AdBlue bij van de juiste kwaliteit14.
Giet het reservoir niet te vul.
Bijvullen
WAARSCHUWING
Wanneer het AdBlue-peil te laag dreigt
te worden, gaat een symbool op het
bestuurdersdisplay branden in combinatie met de melding AdBlue-niveau
Het wordt geadviseerd om bij het tanken van
AdBlue op een tankstation in eerste instantie
de pomp voor personenauto's te gebruiken.
Bij wijze van alternatief is een AdBlue-pomp
voor zwaardere voertuigen te gebruiken.
laag.
1.
Open de tankvulklep door lichte druk aan te
brengen op de achterkant van de vulklep.
BELANGRIJK
2.
Wees voorzichtig zodat er geen AdBlue op
het lakwerk van de auto terechtkomt. Spoel in
dat geval met een ruime hoeveelheid water,
omdat de vloeistof het lakwerk kan aantasten.
Gerelateerde informatie
•
•
Open de blauwe dop op de kleine vulpijp
bestemd door AdBlue.
14
486
ISO 22241
•
AdBlue® hanteren (p. 484)
Symbolen en meldingen voor AdBlue®
(p. 487)
Bij te vullen hoeveelheid AdBlue® (p. 683)
STARTEN EN RIJDEN
Symbolen en meldingen voor
AdBlue®
De uitlaatgasreiniging bewaakt voortdurend het
peil, de kwaliteit en de dosering van AdBlue. Bij
een storing verschijnt er een melding op het
bestuurdersdisplay.
Symbool
Melding
Betekenis
AdBlue-niveau laag
Het AdBlue-peil is laag zodat het reservoir moet worden bijgevuld.
AdBlue-dosering
Het systeem werkt niet naar behoren. Bezoek een werkplaatsA voor een controle van de werking.
en
AdBlue-kwaliteit
}}
487
STARTEN EN RIJDEN
||
Symbool
Melding
Betekenis
AdBlue bijvullen
Het AdBlue-peil is kritiek laag zodat het reservoir onmiddellijk moet worden bijgevuld.
Startblokkering motor
De auto kan niet worden gestart voordat er AdBlue is bijgevuld. Vul de hoeveelheid AdBlue bij die op
het bestuurdersdisplay staat aangegeven of neem contact op met een werkplaatsA.
en bijv.: Vul minimaal 4 liter
AdBlue bij
Startblokkering motor
Service AdBlue-systeem
nodig voor herstart
A
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
488
AdBlue® controleren en bijvullen (p. 485)
AdBlue® hanteren (p. 484)
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie (p. 616)
Let op het volgende:
•
De peilsensor kan de bijgevulde hoeveelheid AdBlue alleen goed registreren, als de auto horizontaal staat.
•
Na het bijvullen kan het tot 20 seconden duren voordat het systeem is bijgewerkt met de juiste
peilaanduiding.
Het systeem werkt niet naar behoren. Bezoek een werkplaatsA voor een controle van de werking.
STARTEN EN RIJDEN
Oververhitting van motor en
aandrijving
Transmissie warm Ga langzamer rijden
om temperatuur te verlagen of
Transmissie heet Stop veilig, wacht op
koelen verschijnt. Volg in dat geval het
advies op en matig uw snelheid of breng de
auto op een veilige plek tot stilstand om de
motor enkele minuten stationair te laten
draaien, zodat de versnellingsbak kan afkoelen.
In bepaalde omstandigheden, bij zware belasting op steile hellingen en warm weer, bestaat
het gevaar dat de motor en de aandrijflijn oververhit raken – vooral bij het vervoer van een
zware lading.
•
Bij oververhitting is het motorvermogen
mogelijk tijdelijk beperkt.
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten
tijdens ritten bij warm weer.
•
Als de temperatuur in het koelsysteem van
de motor te hoog oploopt, gaat een waarschuwingssymbool branden en verschijnt op
het bestuurdersdisplay de melding
Motortemperatuur Hoge temperatuur.
Stop veilig. Breng de auto in dat geval zo
spoedig mogelijk tot stilstand en laat de
motor enkele minuten stationair lopen, zodat
deze kan afkoelen.
•
Breng de auto tot stilstand en zet de motor
af, als de melding Motortemperatuur Hoge
temperatuur. Zet de motor af of
Motorkoelvloeistof Niveau laag. Zet de
motor af verschijnt.
•
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een alternatief schakelprogramma
gekozen. Boven wordt een ingebouwde
beveiligingsfunctie geactiveerd, waarbij onder
meer een waarschuwingssymbool gaat branden en op het bestuurdersdisplay de melding
•
Bij oververhitting kan de airconditioning zichzelf tijdelijk uitschakelen.
•
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten draaien.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator van de
motor een tijdje werkt nadat de motor is uitgeschakeld.
Symbolen op het bestuurdersdisplay
Symbool
Betekenis
Hoge motortemperatuur. Volg het
gegeven advies op.
Laag peil koelvloeistof. Volg het
gegeven advies op.
De versnellingsbak is heet/oververhit/wordt gekoeld. Volg het gegeven advies op.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Koelvloeistof bijvullen (p. 626)
Rijden met aanhangwagen (p. 495)
Voorbereidingen voor een lange rit (p. 475)
Schakelindicator* (p. 457)
* Optie/accessoire. 489
STARTEN EN RIJDEN
Overbelasting van de startaccu
De elektrische functies van de auto belasten de
startaccu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in stand II staan,
wanneer de auto is uitgeschakeld. Maak in
plaats daarvan gebruik van contactslotstand I het stroomverbruik is dan minder.
Gerelateerde informatie
•
•
Startaccu (p. 634)
Contactslotstanden (p. 440)
Starthulp met andere accu
Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto starten met stroom van een hulpaccu.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires
het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom nemen uit, wanneer de auto is uitgeschakeld. Voorbeelden van
dergelijke onderdelen/systemen zijn:
•
•
•
•
interieurventilator
koplampen
ruitenwisser
Aansluitpunten voor de startkabels.
audiosysteem (hoog volume).
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten wordt
geadviseerd de volgende stappen aan te houden
om kortsluiting en andere schade te voorkomen:
Bij een lage startaccuspanning verschijnt een
melding op het bestuurdersdisplay. De energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens bepaalde
onderdelen/systemen uit of verlaagt de belasting
van de accu door bijvoorbeeld de interieurventilator lager te zetten en/of het audiosysteem uit te
schakelen.
–
490
Laad de startaccu dan op door de auto te
starten en de motor minstens 15 minuten te
laten draaien – de startaccu wordt beter
opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand
met een stationair draaiende motor.
1.
Zet het elektrische systeem van de auto in
de contactslotstand 0.
2.
Controleer of de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
3.
Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de beide auto's
elkaar niet raken.
STARTEN EN RIJDEN
4.
Bevestig de ene klem van de rode startkabel
aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
5.
Open de afdekking (2) van het positieve
starthulppunt.
6.
Bevestig de andere klem van de rode startkabel aan het positieve starthulppunt (2).
7.
Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
8.
Bevestig de andere klem van de zwarte startkabel aan het negatieve starthulppunt (4).
9.
Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen
dat er tijdens de startpoging vonken ontstaan.
10. Start de motor van de "hulpauto" en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
zo'n 1500 omw/min.
11. Start de motor in de auto met de uitgeputte
accu.
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van een startkabel, kan volstaan om de
accu tot ontploffing te brengen.
•
Sluit de startkabels niet aan op een component va het brandstofsysteem of op
bewegende onderdelen. Pas op voor hete
motoronderdelen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat
ernstige chemische brandwonden kan
veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw
huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
•
Rook niet in de buurt van de accu.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen tussen de kabel en de
auto niet aan tijdens het starten. Er bestaat
namelijk gevaar voor vonkvorming.
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde volgorde - eerst de zwarte kabel en daarna de
rode.
Zorg dat geen van de aansluitklemmen aan
de zwarte startkabel contact kan maken met
het positie starthulppunt op de auto/de pluspool van de starthulpaccu of met de aangesloten klem van de rode startkabel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Motor starten (p. 438)
Contactslotstanden (p. 440)
Stuurwiel instellen (p. 204)
Contactslotstand kiezen (p. 441)
491
STARTEN EN RIJDEN
Trekhaak*
N.B.
De auto is uit te rusten met een trekhaak, zodat
bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto te
hangen is.
Er zijn verschillende trekhaakuitvoeringen verkrijgbaar voor de auto – neem voor informatie
contact op met een Volvo-dealer.
BELANGRIJK
Als de motor wordt afgezet, kan de constante
accuspanning voor het aanhangercontact
automatisch worden uitgeschakeld om de
startaccu niet te ontladen.
Als de auto is uitgerust met een trekhaak, is
er geen achterste sleepoogbevestiging.
Specificaties van de trekhaak*
Afmetingen en bevestigingspunten voor de trekhaak.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijden met aanhangwagen (p. 495)
•
Specificaties van de trekhaak* (p. 492)
In- en uitklapbare trekhaak* (p. 493)
Op trekhaak gemonteerde fietsdrager*
(p. 499)
BELANGRIJK
De trekhaak moet regelmatig worden gereinigd en ingevet om slijtage tegen te gaan.
N.B.
Wanneer een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden
gesmeerd.
Dit geldt ook bij montage van een fietsdrager
die rond de trekkogel wordt vastgeklemd.
492
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Afmetingen, bevestigingspunten in mm (inch)
A
1476 (58,1)
B
86 (3,4)
C
875 (34,4)
D
437,5 (17,2)
E
Zie afbeelding boven
F
273 (10,7)
G
Middelpunt kogel
Gerelateerde informatie
•
•
Trekhaak* (p. 492)
Trekgewichten en kogeldruk (p. 676)
In- en uitklapbare trekhaak*
1.
De in-/uitklapbare trekhaak is altijd gemakkelijk
bereikbaar en eenvoudig uit of in te klappen als
dat nodig is. In de ingeklapte stand is de trekhaak volledig onzichtbaar.
WAARSCHUWING
Neem de instructies voor het in- en uitklappen van de trekhaak zorgvuldig in acht.
Trekhaak uitklappen
WAARSCHUWING
Sta niet te dicht bij de achterbumper van de
auto bij het uitklappen van de trekhaak.
Open de achterklep Rechtsachter in de
bagageruimte zit een knop voor het in- en
uitklappen van de trekhaak. Het led-lampje in
de knop brandt permanent oranje, als de uitklapfunctie actief is.
}}
* Optie/accessoire. 493
STARTEN EN RIJDEN
||
2.
3.
N.B.
De stroomspaarstand wordt na enige tijd
geactiveerd en het controlelampje dooft. Het
systeem wordt opnieuw geactiveerd door de
achterklep te sluiten en daarna opnieuw te
openen. Dit geldt zowel bij het in- als uitklappen van de trekhaak.
Als het elektrische systeem heeft gedetecteerd dat er een aanhanger achter de auto
hangt, stopt het controlelampje met branden.
Druk de knop in en laat hem weer los - drukt
u te lang, dan kan dat betekenen dat het uitklappen niet start.
> De trekhaak klapt uit in een onvergrendelde stand. De led knippert oranje.
WAARSCHUWING
Druk niet op de knop voor het in- en uitklappen als er een aanhanger op de trekhaak is
gekoppeld.
N.B.
De trekhaak moet eerst volledig zijn uitgeklapt voordat deze in de vergrendelde stand
te zetten is. Dit kan enkele seconden duren.
Als de trekhaak niet in de vergrendelde stand
blijft, moet u enkele seconden later opnieuw
proberen.
494
Beweeg de trekhaak naar zijn eindpositie.
Daar moet hij worden vastgezet en vergrendeld - de led brandt permanent oranje.
> De trekhaak is daarmee klaar voor
gebruik.
WAARSCHUWING
Controleer of de veiligheidskabel van de aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
Trekhaak inklappen
BELANGRIJK
Zorg dat er geen aansluitcontact of adapter in
de elektrische aansluiting zit bij het inklappen
van de trekhaak.
STARTEN EN RIJDEN
1.
Rijden met aanhangwagen
2.
Bij ritten met een aanhangwagen moet u op
enkele dingen letten zoals de trekhaak, de aanhangwagen en hoe u de aanhangwagen laadt.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te
worden verminderd met de som van het gewicht
van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
Open de achterklep Druk de knop rechtsachter in de bagageruimte in en laat hem weer
los - drukt u te lang, dan kan dat betekenen
dat het inklappen niet start.
> De trekhaak klapt automatisch uit in een
onvergrendelde positie. De led in de knop
knippert oranje.
Vergrendel de trekhaak door deze terug te
bewegen naar de ingeklapte positie waar hij
wordt vergrendeld.
> Als de trekhaak correct is ingeklapt,
brandt de led nu continu.
Gerelateerde informatie
•
•
De auto wordt geleverd met de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhangwagen.
•
De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn.
•
Verdeel de lading in de aanhangwagen dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt. De kogeldruk wordt tot het laadvermogen van de auto
gerekend.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading.
•
Bij het gebruik van een aanhangwagen wordt
de motor zwaarder belast dan normaal.
•
Rijd niet met een zware aanhangwagen,
wanneer de auto nog helemaal nieuw is.
Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 km (620 miles) heeft gereden.
•
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast dan
normaal. Schakel dan terug naar een lagere
Rijden met aanhangwagen (p. 495)
Trekhaak* (p. 492)
}}
* Optie/accessoire. 495
STARTEN EN RIJDEN
versnelling bij handmatig schakelen en pas
uw snelheid aan.
||
•
Neem de geldende bepalingen in acht ten
aanzien van de toelaatbare snelheden en
gewichten.
•
Houd een lage snelheid aan, wanneer u met
een aanhangwagen achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
•
•
De aangegeven maximale aanhangwagengewichten gelden alleen voor hoogten tot
1000 m (3280 ft) boven zeeniveau. Daarboven zijn het motorvermogen en daarmee het
klimvermogen van de auto beperkt door de
lagere luchtdichtheid en moet daarom het
maximale aanhangwagengewicht worden
beperkt. Het gewicht voor auto en aanhangwagen moet worden verlaagd met 10% voor
iedere extra 1000 m (3280 ft) (of een deel
daarvan).
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12% bij het gebruik van een aanhangwagen.
N.B.
Extreme weersomstandigheden, een aangekoppelde aanhanger/caravan of ritten op
grote hoogte zijn, in combinatie met de
brandstofkwaliteit, factoren die het brandstofverbruik aanzienlijk kunnen doen toenemen.
496
Aanhangwagencontact
Niveauregeling*
Als de trekhaak van de auto een 13-polige aansluiting heeft en de aanhangwagen een 7-polige
aansluiting, hebt u een adapter nodig. Gebruik
een door Volvo goedgekeurde adapter. Zorg dat
de kabel niet over de grond sleept.
De niveauregeling van de auto streeft ernaar om
ongeacht de belading dezelfde rijhoogte aan te
houden (tenzij het maximaal toelaatbare gewicht
wordt overschreden). Wanneer de auto stilstaat,
zakt de achterkant normaal iets omlaag.
BELANGRIJK
Als de motor wordt afgezet, kan de constante
accuspanning voor het aanhangercontact
automatisch worden uitgeschakeld om de
startaccu niet te ontladen.
Aanhangwagengewichten
WAARSCHUWING
Volg de vermelde aanbevelingen voor het
aanhangergewicht. Anders is het mogelijk dat
de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en
afremmen moeilijk onder controle is te houden.
N.B.
De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. Nationale voertuigvoorschriften kunnen het aanhangergewicht en de snelheid verder beperken. De trekhaken zijn mogelijk gecertificeerd
voor hogere trekgewichten dan wat de auto
mag trekken.
Rijden in heuvelachtige gebieden en
landen met een warm klimaat
Onder bepaalde omstandigheden bestaat het
risico van oververhitting tijdens het rijden met
aanhangwagen. Bij oververhitting van de motor
en de aandrijving gaat een waarschuwingssymbool branden op het bestuurdersdisplay en verschijnt er een melding.
De automatische versnellingsbak kiest altijd de
juiste versnelling voor belasting en motortoerental.
Steile hellingen
Blokkeer de automatische versnellingsbak niet
met een hogere versnelling dan de motor "aankan" - rijden in een hoge versnelling bij een laag
motortoerental is niet altijd zuinig.
Op een helling parkeren
1. Trap het rempedaal in.
2.
Activeer de parkeerrem.
3.
Kies de schakelstand P.
4.
Laat het rempedaal los.
Gebruik wielblokken, als u een auto met aanhangwagen op een steile helling parkeert.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Op een helling wegrijden
1. Trap het rempedaal in.
2.
Kies de schakelstand D.
3.
Parkeerrem lossen.
4.
Haal uw voet van het rempedaal en rijd weg.
Gerelateerde informatie
•
•
Aanhangwagenstabilisering* (p. 497)
Aanhangwagenverlichting controleren
(p. 498)
•
•
Trekgewichten en kogeldruk (p. 676)
•
Ongunstige rijomstandigheden voor motorolie (p. 681)
Oververhitting van motor en aandrijving
(p. 489)
Aanhangwagenstabilisering*
(TSA15)
De aanhangwagenstabilisering
heeft tot
taak een auto met aanhangwagen te stabiliseren
wanneer de combinatie slingerneigingen vertoont. De functie maakt deel uit van de stabiliteitsregeling ESC16.
Oorzaken voor slingerneigingen
Bij alle combinaties van auto en aanhangwagen
kan het bekende verschijnsel met slingeren
optreden. Doorgaans treedt het verschijnsel pas
bij hoge snelheden op. Als de aanhangwagen
echter overmatig beladen is of als het gewicht
van de lading verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld
te ver naar achteren), bestaat er ook op lagere
snelheden gevaar voor slingeren.
Een pendelbeweging begint altijd met een van de
onderstaande factoren, zoals.:
•
De auto met aanhangwagen staat bloot aan
rukwinden.
•
De auto met aanhangwagen rijdt over een
oneffen wegdek of over hobbels.
•
Grote stuurbewegingen.
Slingeren is vaak niet of nauwelijks te dempen,
waardoor de combinatie moeilijk bestuurbaar
wordt en het gevaar bestaat dat u op de verkeerde weghelft of naast de weg belandt.
15
16
Trailer Stability Assist
Electronic Stability Control
Werking van de
aanhangwagenstabilisering
De aanhangwagenstabilisering houdt continu de
bewegingen van de auto in de gaten en in het
bijzonder de dwarsbewegingen. Als een neiging
tot slingeren geregistreerd wordt, worden de
voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig afgeremd
dat de combinatie gestabiliseerd wordt. Vaak is
dit voldoende om de auto weer onder controle te
krijgen.
Als de slingerbeweging ondanks de eerste
ingreep van de aanhangwagenstabilisering niet
wordt gedempt, worden alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de
motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging
vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de
combinatie weer stabiel is, beëindigt het systeem
de regeling waarna u de auto weer volledig onder
controle hebt.
N.B.
De stabiliteitsregeling wordt uitgeschakeld,
als u de Sportstand kiest door via het menusysteem van het middendisplay ESC te deactiveren.
De aanhangwagenstabilisering grijpt mogelijk
niet in als u met grote stuurbewegingen de slingering zelf tracht op te heffen, aangezien de sta-
}}
* Optie/accessoire. 497
STARTEN EN RIJDEN
||
bilisering dan niet kan bepalen of de slingering
wordt veroorzaakt door de aanhangwagen of
door uzelf.
Wanneer de aanhangwagenstabilisering werkt, knippert op
het bestuurdersdisplay het
symbool ESC.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijden met aanhangwagen (p. 495)
elektronische stabiliteitsregeling (p. 298)
Aanhangwagenverlichting
controleren
Controleer na het aankoppelen van een aanhangwagen voor het vertrek of alle lampen op de
aanhangwagen werken.
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhangwagen
Als een of meer richtingaanwijzers of remlichten
op de aanhangwagen kapot zijn, verschijnen op
het bestuurdersdisplay een symbool en een melding. De overige verlichting op de aanhangwagen
moet u vóór vertrek handmatig controleren.
Symbool
Melding
• Richtingaanw. aanh. Storing
knipperlicht rechts
• Richtingaanw. aanh. Storing
richtingaanwijzer links
• Remlicht aanhanger Storing
Als een richtingaanwijzer op de aanhangwagen
kapot is, knippert het richtingaanwijzersymbool op
het bestuurdersdisplay bovendien sneller dan
normaal.
Mistachterlicht op de aanhangwagen
Bij aansluiting van een aanhangwagen gaat het
mistachterlicht van de auto mogelijk niet branden,
498
in dat geval neemt het mistachterlicht op de aanhangwagen de functie over. Controleer daarom in
deze gevallen bij activering van het mistachterlicht of de aanhangwagen is uitgerust met een
mistachterlicht om de auto met aanhangwagen
op een veilige manier te kunnen besturen.
STARTEN EN RIJDEN
Aanhangwagenverlichting controleren*
Automatische controle
Na aansluiting van een aanhangwagen is de werking van de aanhangwagenverlichting te controleren aan de hand van een automatische verlichtingscontrole. Dankzij deze controle kunt u voor
vertrek nagaan of de aanhangwagenverlichting
werkt.
Automatische controle uitschakelen
De automatische controlefunctie is uit te schakelen op het middendisplay.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Vink Aut. contr. lamp aanhanger uit.
Lampen en verlichting.
Om deze controle te kunnen verrichten moet de
motor zijn afgezet.
Handmatige controle
Als de automatische controle is uitgeschakeld,
kunt u de controle handmatig starten.
1.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Handm. contr. lamp aanhanger.
> De lichtcontrole gaat van start. Stap uit de
auto om de werking van de verlichting te
kunnen controleren.
Wanneer er een aanhangwagen aan de trekhaak is gekoppeld, verschijnt de melding
Aut. contr. lamp aanhanger op het
bestuurdersdisplay.
2.
Bevestig de melding door de O-knop van de
rechter stuurknoppenset in te drukken.
> De lichtcontrole gaat van start.
3.
Stap uit de auto om de werking van de verlichting te kunnen controleren.
> Alle lampen van de aanhangwagen gaan
knipperen – daarna gaan de lampen één
voor één branden.
4.
Kijk of alle lampen op de aanhangwagen ook
daadwerkelijk branden.
5.
Na een poosje gaan alle lampen op de aanhangwagen weer knipperen.
> De controle is afgerond.
Het wordt geadviseerd om een van de fietsdragers te gebruiken die Volvo ontwikkeld heeft.
Dit om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden. De fietsdragers van Volvo zijn te verkrijgen bij erkende
Volvo-dealers.
Volg nauwgezet de instructies op die bij de fietsdrager zijn geleverd.
•
Het gecombineerde gewicht van de fietsdrager plus lading mag maximaal 75 kg (165
lbs) zijn.
•
Gebruik alleen een fietsdrager voor het vervoer van maximaal drie fietsen.
Lampen en verlichting.
Gerelateerde informatie
•
Op trekhaak gemonteerde
fietsdrager*
Rijden met aanhangwagen (p. 495)
WAARSCHUWING
Verkeerd gebruik van de fietsdrager kan
schade aan trekhaak en auto veroorzaken.
De fietsdrager kan van de trekhaak loskomen
als deze:
•
•
verkeerd op de trekhaak gemonteerd is
•
wordt gebruikt voor het vervoer van
andere dingen dan fietsen.
overbelast is; zie de instructies bij de
fietsdrager voor het maximale draagvermogen
}}
* Optie/accessoire. 499
STARTEN EN RIJDEN
||
Een fietsdrager die op de trekhaak is gemonteerd is van invloed op de rijeigenschappen van
de auto, op grond van bijvoorbeeld:
•
•
•
•
het zicht naar achteren beperken en tot een
hoger brandstofverbruik leiden. Ze zorgen
ook voor grotere krachten die inwerken op
de trekhaak.
het grotere gewicht van de auto
het gereduceerde acceleratievermogen
de gereduceerde bodemvrijheid
het gewijzigde remvermogen.
Gerelateerde informatie
•
Trekhaak* (p. 492)
Slepen
Bij het slepen wordt de auto met behulp van een
sleepkabel voortgetrokken door een ander voertuig.
Ga alvorens te slepen na wat de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid voor slepen is.
Voorbereidingen en slepen
Adviezen voor het vervoer van fietsen
op een fietsdrager
Hoe groter de afstand tussen het zwaartepunt
van de last en de trekhaakkogel hoe groter de
belasting van de trekhaak.
Neem bij het opladen de volgende adviezen in
acht:
•
Sleep auto's met automatische transmissie niet op een snelheid hoger dan
80 km/h (50 mph) en niet verder dan 80
km (50 mile).
•
Plaats de zwaarste fiets vooraan, zo dicht
mogelijk bij de auto.
•
Zorg dat de fietsen symmetrisch zijn opgeladen en zo dicht mogelijk tegen de auto aan
staan, door bij het vervoer van meerdere fietsen de fietsen om en om te plaatsen.
•
Controleer voordat u gaat slepen of het
stuurslot eraf is.
Verwijder losse voorwerpen van de fiets(en)
bij het vervoer, zoals een fietsmand, accu of
kinderzitje. Niet alleen om de krachten te verlagen die inwerken op de trekhaak en fietsdrager maar ook om de luchtweerstand te
verlagen die van invloed is op het brandstofverbruik.
•
Contactslotstand II moet geactiveerd zijn
– in contactslotstand I zijn alle airbags
gedeactiveerd.
•
Zorg dat de transpondersleutel tijdens
het slepen altijd in de auto aanwezig is.
•
•
500
BELANGRIJK
Sleep de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
WAARSCHUWING
Verwijder eventuele fietshoezen. Ze kunnen
de rijeigenschappen negatief beïnvloeden,
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
WAARSCHUWING
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet
als de motor is uitgeschakeld. Er moet
ca. 5 keer zo hard op het rempedaal worden
getrapt en de besturing gaat aanzienlijk
zwaarder dan normaal.
1.
Schakel de alarmlichten van de auto in.
2.
Bevestig de sleepkabel aan het sleepoog.
3.
Hef het stuurslot op door de auto te ontgrendelen.
4.
Zet de auto in contactslotstand II – draai de
startknop rechtsom zonder het rempedaal te
bedienen (of het koppelingspedaal bij een
auto met een handgeschakelde versnellingsbak) en houd de knop zo'n 4 seconden lang
in deze stand vast. Laat vervolgens knop los,
die automatisch terugveert naar de uitgangspositie.
5.
Zet de keuzehendel in neutraalstand N en
los de parkeerrem.
Als de accuspanning te laag is, kunt u de
parkeerrem niet lossen. Sluit een hulpaccu
aan, als de accuspanning te laag is.
> U kunt vervolgens beginnen met het slepen.
6.
7.
Houd, wanneer de slepende auto afremt, de
sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen zo voorkomt u schokken.
Sta klaar om te remmen om de auto tot stilstand te brengen.
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik een
hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is
dat de motor niet kan worden gestart.
Sleepoog monteren en demonteren
Gebruik het sleepoog bij het slepen. Schroef het
sleepoog vast in een draadbus achter een
afdekking in de bumper, voor of achter.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een trekhaak, is
er geen achterste sleepoogbevestiging.
Sleepoog monteren
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken bij
pogingen om de motor via slepen aan het
draaien te krijgen.
Gerelateerde informatie
•
Sleepoog monteren en demonteren
(p. 501)
•
•
•
•
Alarmlichten (p. 164)
Bergen (p. 503)
Pak het sleepoog erbij. Dit zit in het blok
schuimrubber onder de vloer in de bagageruimte.
Starthulp met andere accu (p. 490)
Contactslotstand kiezen (p. 441)
}}
501
STARTEN EN RIJDEN
4.
||
Schroef het sleepoog tot aan de aanslag
naar binnen. Draai het oog stevig vast, steek
bijvoorbeeld de wielmoersleutel* door het
oog om deze als hefboom te gebruiken.
Als de oprijplaten van het bergingsvoertuig onder
een te grote hoek staan of als de bodemspeling
onder de auto onvoldoende is, kan de auto
beschadigd raken wanneer men deze met een
sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te
trekken.
Hef de auto zo nodig op met de takelinrichting
van het bergingsvoertuig - maak geen gebruik
van het sleepoog.
Voor: Verwijder de afdekking - druk met één
vinger op de markering.
> De afdekking is horizontaal open te klappen en vervolgens te verwijderen.
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de laadvloer
wordt getrokken.
BELANGRIJK
BELANGRIJK
Het is belangrijk het sleepoog goed vast te
schroeven – dat wil zeggen, helemaal tot aan
de aanslag.
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
Sleepoog demonteren:
–
Achter: Verwijder de afdekking - druk met
een vinger op het artikel met de markering
en werk tegelijkertijd de tegenoverliggende
kant/hoek los met een muntstuk of iets dergelijks.
> De afdekking is horizontaal open te klappen en vervolgens te verwijderen.
502
Draai het sleepoog na gebruik los en leg het
weer op zijn plek.
Plaats de afdekking tot slot weer in de bumper terug.
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken om
de auto op een bergingsvoertuig met laadvloer te
trekken. De positie van de auto en de bodemspeling bepalen of dat mogelijk is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Slepen (p. 500)
Bergen (p. 503)
Gereedschapsset (p. 578)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Bergen
BELANGRIJK
Bij het bergen wordt de auto met behulp van
een ander voertuig weggesleept.
Roep professionele hulp in voor berging.
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken om
de auto op een bergingsvoertuig met laadvloer te
trekken.
Geldt voor auto's met niveauregeling*: Als de
auto is voorzien van luchtvering, moet deze worden uitgeschakeld voordat u de auto opneemt.
Schakel het systeem uit via het middendisplay.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op My Car
3.
Kies Niveauregeling uitschakelen.
Parkeerrem en vering.
De positie en bodemspeling van de auto bepalen
of de auto op een laadvloer kan worden getrokken. Als de oprijplaten van het bergingsvoertuig
onder een te grote hoek staan of als de bodemspeling onder de auto onvoldoende is, kan de
auto beschadigd raken wanneer men deze op het
bergingsvoertuig probeert te trekken. Neem de
auto dan op met de hefinrichting van het bergingsvoertuig.
BELANGRIJK
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
HomeLink®*17
HomeLink®18 is een programmeerbare afstandsbediening die in het elektrische systeem van de
auto geïntegreerd is en tot drie verschillende
installaties (zoals een garagedeuropener, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting) op afstand kan
bedienen en daarmee de originele afstandsbedieningen vervangt.
Algemeen
Gerelateerde informatie
•
Sleepoog monteren en demonteren (p. 501)
De afbeelding is schematisch, zodat de uitvoering kan
variëren.
Knop 1
Knop 2
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de laadvloer
wordt getrokken.
Knop 3
Controlelampje
}}
* Optie/accessoire. 503
STARTEN EN RIJDEN
||
HomeLink® wordt geleverd in een uitvoering die
ingebouwd is in de achteruitkijkspiegel. Het
HomeLink®-paneel bestaat uit drie programmeerbare knoppen en een controlelampje in het
spiegelglas.
Ga voor meer informatie over HomeLink® naar:
www.HomeLink.com, www.youtube.com/
HomeLinkGentex of bel 00 8000 466 354 65
(of het betaalnummer +49 6838 907 277)19.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen
goed bewaart voor eventuele programmering in
een later stadium (zoals bij aankoop van een
nieuwe auto of gebruik in een andere auto). Het
wordt tevens geadviseerd om de programmering
van de knoppen te wissen bij verkoop van de
auto.
Gerelateerde informatie
•
•
•
17
18
19
20
504
HomeLink gebruiken (p. 506)
HomeLink®* programmeren (p. 504)
Typegoedkeuring voor HomeLink®*
(p. 507)
HomeLink®*20 programmeren
1.
HomeLink®
Volg de instructies op om
te programmeren, de fabrieksinstellingen te herstellen
of een knop te herprogrammeren.
N.B.
Bij bepaalde auto’s moet het contact zijn
ingeschakeld of in de ‘accessoirestand’ staan,
voordat HomeLink® te programmeren of
gebruiken is. Plaats gerust nieuwe batterijen
in de afstandsbediening die HomeLink® moet
vervangen, omdat de programmering dan
mogelijk sneller verloopt en het radiosignaal
sterker is. Herstel de HomeLink®-knoppen
alvorens te programmeren.
Richt de afstandsbediening op de te programmeren HomeLink®-knop en houd de
afstandsbediening op zo'n 2–8 cm (1–3
inch) van de knop. Blokkeer het controlesymbool van HomeLink® niet.
Opmerking! Met sommige afstandsbedieningen is HomeLink® beter te programmeren
op een afstand van zo'n 15–20 cm (6–12
inch). Denk daaraan als er problemen zijn
met programmeren.
2.
Houd zowel op de afstandsbediening als op
HomeLink® de knoppen ingedrukt die u wilt
programmeren.
WAARSCHUWING
Tijdens het programmeren van HomeLink®
wordt de garagedeur die wordt geprogrammeerd (of het toegangshek) mogelijk geactiveerd. Let daarom op dat er niemand in de
buurt van de deur of het hek staat tijdens het
programmeren. De auto moet buiten de
garage staan bij het programmeren van de
garagedeuropener.
Geldt voor bepaalde markten.
HomeLink en het symbool met het HomeLink-huis zijn geregistreerde handelsmerken van Gentex Corporation.
Let erop dat de gratis hulplijn afhankelijk van de provider mogelijk niet beschikbaar is.
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
3.
Neem bij programmeringsproblemen contact op
met HomeLink® via: www.HomeLink.com,
www.youtube.com/HomeLinkGentex of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277)22.
Laat de knoppen pas los als het led-lampje
niet meer langzaam (ca. 1 maal per seconde)
maar snel knippert (ca. 10 maal per
seconde) of constant brandt.
> Als het led-lampje constant brandt:
Aanduiding dat de programmering is voltooid. Druk voor activering 2 maal op de
geprogrammeerde knop.
Als het led-lampje snel knippert: De
eenheid die u voor HomeLink® wenst te
programmeren is mogelijk voorzien van
een beveiligingsfunctie zodat extra stappen vereist zijn. Druk 2 maal op de geprogrammeerde knop om te controleren of
de programmering gelukt is. Ga anders
verder met de volgende stap.
Afzonderlijke knop herprogrammeren
Doe het volgende om één afzonderlijke
HomeLink®-knop te programmeren:
4.
5.
6.
21
22
Zoek de inleerknop21 op de ontvanger voor
bijvoorbeeld de garagedeur op. De knop zit
doorgaans in de buurt van de antennevoet
op de ontvanger.
Druk de inleerknop van de ontvanger eenmaal in en laat hem weer los. De programmering moet binnen 30 seconden na het
indrukken van de knop worden voltooid.
Druk de knop op HomeLink® in die u wilt
programmeren en laat de knop weer los.
Herhaal de procedure van indrukken/vasthouden/loslaten al naar gelang het model
van de ontvanger één of twee keer.
> Het programmeren is daarmee klaar en
garagedeur, toegangshek en dergelijke
moeten vervolgens geactiveerd worden bij
het indrukken van de geprogrammeerde
knop.
De aanduiding en kleur van de knop verschillen per fabrikant.
Let erop dat de gratis hulplijn afhankelijk van de provider mogelijk niet beschikbaar is.
1.
Druk op de gewenste knop en houd deze
zo'n 20 seconden ingedrukt.
2.
Wanneer het controlelampje op HomeLink®
langzaam gaat knipperen kunt u op de
gebruikelijke manier programmeren.
Opmerking! Als de te programmeren knop
opnieuw moet worden geprogrammeerd niet
met een nieuwe eenheid wordt geprogrammeerd, zal deze terugkeren naar de eerder
opgeslagen programmering.
HomeLink®-knoppen resetten
Het is alleen mogelijk om alle HomeLink®-knoppen tegelijk te resetten en dus niet slechts één
afzonderlijke knop. Afzonderlijke knoppen zijn wel
te herprogrammeren.
}}
505
STARTEN EN RIJDEN
||
–
Houd de buitenste knoppen (1 en 3) op
HomeLink® zo'n 10 seconden ingedrukt.
> Wanneer het controlelampje niet meer
constant brandt, maar is gaan knipperen
zijn de knoppen gereset en weer gereed
voor programmering.
Gerelateerde informatie
•
•
•
HomeLink gebruiken (p. 506)
HomeLink®* (p. 503)
Typegoedkeuring voor HomeLink®*
(p. 507)
HomeLink gebruiken
Zodra HomeLink® geprogrammeerd is, vormt het
een vervanging voor de afzonderlijke originele
afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in. De garagedeur, het toegangshek en dergelijke worden
geactiveerd (dit kan enkele seconden duren). Als
u de knop langer dan 20 seconden indrukt, start
de herprogrammering. Na het indrukken van de
knop brandt of knippert het controlelampje. Uiteraard kunt u de originele afstandsbedieningen
naast HomeLink® blijven gebruiken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
HomeLink®* (p. 503)
HomeLink®* programmeren (p. 504)
Typegoedkeuring voor HomeLink®*
(p. 507)
N.B.
Als het contact niet is uitgeschakeld, blijft
HomeLink® tot 30 minuten na opening van
het bestuurdersportier werken.
WAARSCHUWING
506
•
Als HomeLink® wordt gebruikt om een
garagedeur of hek te bedienen, moet u
controleren of er niemand in de buurt van
de deur of het hek staat als deze
beweegt.
•
Gebruik HomeLink® niet voor een elektrische garagedeur zonder veiligheidsstop
en -retour.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Typegoedkeuring voor
HomeLink®*23
Typegoedkeuring voor de EU
Gentex Corporation verklaart bij dezen dat de
radioapparatuur van het type HomeLink® UAHL5
in overeenstemming is met de richtlijn
2014/53/EU.
Kompas
Kompas activeren en deactiveren
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst.
Kompas activeren en deactiveren
Het kompas wordt automatisch geactiveerd bij
het starten van de motor.
Frequentiebanden waarin de radioapparatuur
werkt:
•
•
•
•
•
433,05 – 434,79 MHz <10 mW e.r.p.
–
868,00 – 868,60 MHz <25 mW e.r.p.
868,70 – 868,20 MHz <25 mW e.r.p.
869,40 – 869,65 MHz <25 mW e.r.p.
Zie voor meer informatie op
support.volvocars.com.
Gerelateerde informatie
HomeLink®* (p. 503)
Achteruitkijkspiegel met kompas.
•
•
Kompas (p. 507)
Kompas kalibreren (p. 508)
Er worden acht verschillende kompasrichtingen
met Engelse afkortingen weergegeven: N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost),
S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en NW (noordwest).
Gerelateerde informatie
•
•
23
Druk met een recht gebogen paperclip of
iets dergelijks het knopje aan de onderzijde
van de achteruitkijkspiegel in.
Gerelateerde informatie
869,70 – 870,00 MHz <25 mW e.r.p.
Adres certificaateigenaar: Gentex Corporation,
600 North Centennial Street, Zeeland MI 49464,
USA
•
Om het kompas handmatig te deactiveren/activeren:
Kompas activeren en deactiveren (p. 507)
Kompas kalibreren (p. 508)
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire. 507
STARTEN EN RIJDEN
Kompas kalibreren
7.
Voor auto’s met elektrische voorruitverwarming*: Als bij activering van de elektrische voorruitverwarming het teken C op het
display verschijnt, kalibreer dan volgens punt
6 hierboven met de elektrische voorruitverwarming ingeschakeld.
8.
Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas dient te worden gekalibreerd als u
met de auto meerdere magnetische zones doorkruist.
Kalibreer als volgt:
1.
Breng de auto tot stilstand op een groot en
open terrein waar geen stalen constructies
of hoogspanningsdraden zijn.
2.
Start de auto en schakel alle elektrische uitrusting (klimaatregeling, luchtdroger en dergelijke) uit en zorg dat alle portieren dichtstaan.
Gerelateerde informatie
Magnetische zones.
4.
Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van de gewenste magnetische
zone (1–15) verschijnt (zie de kaart met de
magnetische zones van het kompas).
5.
Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt of houd het knopje aan de
onderzijde van de achteruitkijkspiegel
zo'n 6 seconden lang ingedrukt, totdat het
teken C verschijnt.
6.
Rijd langzaam een rondje in de auto met een
snelheid van hoogstens 10 km/h (6 mph),
totdat een kompasrichting op het display verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie afgerond is. Rijd daarna nog 2 rondjes om de
kalibratie fijn af te stellen.
N.B.
De kalibratie kan mislukken of helemaal niet
worden uitgevoerd, als u de elektrische uitrusting niet uitschakelt.
3.
508
Houd het knopje aan de onderzijde van de
achteruitkijkspiegel zo'n 3 seconden lang
ingedrukt (met een paperclip of iets dergelijks). Het cijfer van de huidige magnetische
zone verschijnt.
•
•
Kompas (p. 507)
Kompas activeren en deactiveren (p. 507)
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Audio, media en internet
Het audio- en mediasysteem bestaat uit een
mediaspeler en een radio. Het is ook mogelijk
een telefoon aan te sluiten via Bluetooth om
handsfree te bellen of draadloos muziek in de
auto af te spelen. Wanneer de auto een internetverbinding heeft, kunt u ook apps gebruiken voor
het afspelen van media.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Overzicht van geluid en media
De functies zijn te bedienen met stemcommando's, de knoppenset op het stuurwiel of via het
middendisplay. Het hangt van het audiosysteem
van de auto af hoeveel luidsprekers en versterkers er in de auto zitten.
Systeemupdate
Het audio- en mediasysteem wordt voortdurend
verder verbeterd. Wanneer de auto een internetverbinding heeft is het mogelijk om systeemupdates te downloaden voor optimale functionaliteit,
zie support.volvocars.com.
510
Mediaspeler (p. 521)
Radio (p. 514)
Telefoon (p. 536)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 545)
Apps (p. 512)
Stembediening (p. 148)
Contactslotstanden (p. 440)
Afleiding van de bestuurder (p. 43)
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 615)
Licentieovereenkomst voor audio en media
(p. 555)
Audio-instellingen
Het audiosysteem is vooraf ingesteld voor optimale geluidsweergave maar is geheel naar wens
aan te passen.
Het volume wordt normaal gesproken geregeld
met de volumeknop onder het middendisplay of
met de rechter stuurknoppenset. Dit geldt bijvoorbeeld bij het afspelen van muziek, het beluisteren van de radio, de geluidsweergave van een
lopende telefoongesprek en de weergave van
actieve verkeersberichten.
Optimale geluidsweergave
Het audiosysteem is voorgekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking. Voor ieder automodel wordt
het audiosysteem tijdens de kalibratie perfect
afgestemd op de luidsprekers, de versterker, de
akoestiek in de auto, de positie van de luisteraar
en dergelijke. Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij rekening wordt gehouden met de
stand van de volumeknop en de rijsnelheid.
Audio-instellingen naar wens
aanpassen
Op het hoofdscherm onder Instellingen
Geluid kunt u uit de volgende instellingen kiezen:
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
• Toon - persoonlijke instellingen voor bijvoorbeeld lage en hoge tonen en equalizer.
• Balans - onderlinge balans tussen de luidsprekers links/rechts en de luidsprekers
voor/achter.
• Systeemvolumes - voor het aanpassen van
het volume van de verschillende autosystemen, bijv. Stembediening, Parkeerhulp en
Ringtone telefoon.
Geluidsweergave*
• Studio - de geluidsweergave is te optimali-
N.B.
seren voor Bestuurder, Alles en Achter.
Dek de microfoons in de auto niet af.
• Individuele stap - surroundstand met
instellingen voor intensiteit en ruimtelijkheid.
• Concertgebouw - zorgt voor een geluids-
weergave met de akoestiek van het concertgebouw van Gothenburg.
Actieve geluidsdemping*
Bepaalde auto's zijn uitgerust met actieve
geluidsdemping die met behulp van het audiosysteem het motorgeluid in de passagiersruimte
dempt. Microfoontjes in de hemelbekleding registreren storende geluiden, waarna het audiosysteem het geluid dempt door antigeluid voort te
brengen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Mediaspeler (p. 521)
Instellingen voor stembediening (p. 151)
Instellingen voor telefoon (p. 544)
Audio, media en internet (p. 510)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 545)
U kunt de akoestiek van het concertgebouw van Gotenburg nabootsen.
Geluidsbeleving is te openen vanuit het appscherm van het middendisplay en biedt mogelijkheden tot verdere aanpassing van de audioinstellingen. De volgende instellingen zijn mogelijk:
Microfoontjes in de plafondbekleding.
* Optie/accessoire. 511
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Apps
Start een app door in het appscherm op het middendisplay de desbetreffende app aan te klikken.
Op het appscherm staan applicaties (apps) die
toegang bieden tot bepaalde autofuncties.
Veeg van rechts naar links1 over het middendisplay om vanuit het homescherm het appscherm
te openen. Hier liggen apps die zijn gedownload
(apps van derden) maar ook apps voor ingebouwde functies, bijvoorbeeld FM-radio.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Apps downloaden (p. 513)
Apps bijwerken (p. 513)
Apps verwijderen (p. 514)
Apple® CarPlay®* (p. 530)
Android Auto* (p. 533)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 545)
•
Vrije geheugenruimte op harde schijf
(p. 554)
•
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 552)
Appscherm (algemene afbeelding, de basisapps variëren
per markt en model)
Bepaalde basisapps zijn altijd beschikbaar. Wanneer de auto een internetverbinding heeft, kunt u
andere apps downloaden zoals internetradio en
muziekdiensten.
Sommige apps kunt u alleen gebruiken, als de
auto een actieve internetverbinding heeft.
1
512
Geldt voor een auto met het stuur links. Voor een auto met het stuur rechts: veeg in tegengestelde richting.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Apps downloaden
3.
Wanneer de auto een internetverbinding heeft,
kunt u ook nieuwe apps downloaden.
N.B.
4.
Het downloaden van data kan van invloed zijn
op andere diensten die gebruik maken van
gegevensuitwisseling, zoals de internetradio.
Als u deze invloed op andere diensten als
hinderlijk ervaart, kunt u het downloaden
annuleren. Het is ook mogelijk om andere
diensten te annuleren of tijdelijk te onderbreken.
N.B.
Let bij het downloaden via een telefoon extra
goed op eventuele kosten voor dataverkeer.
1.
2.
Open de app Download Center op het
appscherm.
Kies Nieuwe apps om een lijst te openen
met de apps die beschikbaar zijn voor installatie in de auto.
Druk op een bepaalde app om de lijst uit te
vouwen en meer informatie over de app te
krijgen.
Kies Installeren om de app van uw keuze te
downloaden en installeren.
> Tijdens het downloaden en installeren
wordt de voortgang aangegeven.
Als een bepaalde download niet kan starten, verschijnt een melding. De app blijft
echter op de downloadlijst staan, zodat u
later een nieuwe poging tot downloaden
kunt doen.
Downloaden annuleren
– Druk op Annuleer om een lopende download te annuleren.
Let erop dat alleen de download te annuleren is,
zodat u een eventuele installatiefase niet meer
kunt annuleren zodra deze van start gegaan is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Apps (p. 512)
Apps bijwerken
Wanneer de auto een internetverbinding heeft, is
het mogelijk apps bij te werken.
N.B.
Het downloaden van data kan van invloed zijn
op andere diensten die gebruik maken van
gegevensuitwisseling, zoals de internetradio.
Als u deze invloed op andere diensten als
hinderlijk ervaart, kunt u het downloaden
annuleren. Het is ook mogelijk om andere
diensten te annuleren of tijdelijk te onderbreken.
N.B.
Let bij het downloaden via een telefoon extra
goed op eventuele kosten voor dataverkeer.
Als bij het bijwerken van een app blijkt dat de
desbetreffende app in gebruik is, wordt deze app
opnieuw gestart om de installatie te voltooien.
Apps bijwerken (p. 513)
Apps verwijderen (p. 514)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 545)
•
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 615)
•
Vrije geheugenruimte op harde schijf
(p. 554)
}}
* Optie/accessoire. 513
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Alle apps bijwerken
1. Open de app Download Center op het
appscherm.
2.
3.
Kies Applicatie-updates om een lijst te
openen met alle beschikbare updates.
•
514
Het is mogelijk de radiofrequentiebanden voor
AM, FM en digitale radio (DAB)* te beluisteren.
Wanneer de auto een internetverbinding heeft is
het ook mogelijk om webradio te beluisteren.
1.
Open de app Download Center op het
appscherm.
2.
Kies Applicatie-updates om een lijst te
openen met alle geïnstalleerde apps.
3.
Zoek de gewenste app op en kies Deinstalleren om de app te verwijderen.
> Zodra de app verwijderd is, verdwijnt deze
uit de lijst.
Zoek de gewenste app op en kies
Installeren.
> De update start.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Radio
Wanneer de auto een internetverbinding heeft, is
het mogelijk apps te verwijderen.
U kunt een app niet verwijderen, wanneer deze
gebruikt wordt.
Kies Alles installeren.
> De update start.
Bepaalde apps bijwerken
1. Open de app Download Center op het
appscherm.
2.
Apps verwijderen
Apps (p. 512)
Apps downloaden (p. 513)
Apps verwijderen (p. 514)
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 615)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 545)
De radio is te bedienen via
stemcommando's, de stuurknoppen of via het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Apps (p. 512)
Apps downloaden (p. 513)
Apps bijwerken (p. 513)
Systeemupdates hanteren via Download
Center (p. 615)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 545)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Radio starten (p. 515)
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 516)
Radiofavorieten instellen (p. 517)
Instellingen voor radio (p. 518)
Digitale radio* (p. 520)
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
•
•
•
•
RDS-radio (p. 519)
Radio starten
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 545)
De radio is te starten vanuit het appscherm van
het middendisplay.
1. Open de gewenste radioband (bijvoorbeeld
FM) vanuit het appscherm.
Stembediening radio en media (p. 151)
Mediaspeler (p. 521)
2.
•
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 516)
•
•
•
Radiofavorieten instellen (p. 517)
Instellingen voor radio (p. 518)
Stembediening radio en media (p. 151)
Kies een radiokanaal.
Gerelateerde informatie
•
•
Radio (p. 514)
Radiokanaal zoeken (p. 516)
* Optie/accessoire. 515
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Van radioband en radiozender
wisselen
2.
Hier volgen instructies voor het wisselen van frequentieband, het wisselen van kanaallijst in de
gekozen radioband en het wisselen van radiokanaal in de gekozen lijst.
3.
Van radioband wisselen
Open met een vegende beweging het appscherm
op het middendisplay en kies de gewenste radioband (zoals FM) of open het appmenu van het
bestuurdersdisplay met de rechter knoppenset
van het stuurwiel en maak vervolgens een keuze.
Kies weergave via Zenders, Favorieten,
Genres of Ensembles2.
Druk op het gewenste kanaal in de lijst.
Favorieten - alleen de gekozen favoriete kanalen beluisteren.
Genres - uitsluitend radiokanalen beluisteren die
het gekozen genre/programmatype uitzenden,
bijvoorbeeld pop en klassieke muziek.
Van radiokanaal wisselen in gekozen
lijst
–
Van lijst wisselen op de radioband
Druk op
of
onder het middendisplay of op de rechter stuurknoppenset.
> U springt naar het eerstvolgende alternatief in de gekozen lijst.
Wisselen van radiokanaal in de gekozen lijst kan
ook via het middendisplay.
2
516
Druk op Bibliotheek.
•
•
•
•
•
•
De zoekopties zijn afhankelijk van de gekozen
radioband:
AM - kanalen en frequentie.
Radiokanaal zoeken (p. 516)
•
•
•
Stembediening radio en media (p. 151)
1.
Druk op Bibliotheek.
Radiofavorieten instellen (p. 517)
2.
Druk op
.
> Er verschijnt een zoekscherm met toetsenbord.
Gerelateerde informatie
1.
Radiokanaal zoeken
De radio maakt automatisch een kanaallijst met
de best doorkomende radiokanalen binnen het
actuele gebied.
Radio (p. 514)
Instellingen voor radio (p. 518)
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
(p. 104)
FM - kanalen, genres en frequentie.
DAB* - ensembles en kanalen.
Geldt alleen voor digitale radio (DAB*).
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
3.
Voer de zoekterm in.
> Naarmate u meer letters invoert wordt de
zoekopdracht verfijnd. De treffers staan
per categorie geordend.
Handmatig kanalen zoeken
•
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 516)
•
•
Stembediening radio en media (p. 151)
Instellingen voor radio (p. 518)
Radiofavorieten instellen
U kunt een radiokanaal toevoegen aan de app
Radiofavorieten en aan de lijst met favorieten
van de bewuste frequentieband (bijv. FM). Hier
volgen de instructies voor het toevoegen en verwijderen van favorieten.
Radiofavorieten
Radiofavorieten laten de opgeslagen favorieten van alle radiobanden zien.
1.
Open de app Radiofavorieten vanuit het
appscherm.
2.
Druk op het gewenste radiokanaal in de lijst
om te luisteren.
Wanneer u handmatig kanalen zoekt, schakelt de
radio bij een slechte ontvangst niet meer automatisch over op een andere frequentie.
Radiofavorieten toevoegen en
verwijderen
–
–
Tik op Hndm. afstemmen, versleep de
of
. Bij lang
schuifknop of tik op
aantikken springt u naar het eerstvolgende
kanaal van de radioband. U kunt ook gebruikmaken van de rechter stuurknoppenset.
Gerelateerde informatie
•
•
Radio (p. 514)
Radio starten (p. 515)
Druk op
om een radiokanaal aan de lijst
met favorieten op de radioband en aan radiofavorieten toe te voegen of uit de lijst te verwijderen.
Wanneer u een favoriet opslaat vanuit een
kanaallijst, zoekt de radio automatisch naar de
beste frequentie. Maar als er een favoriet wordt
opgeslagen na handmatig kanalen zoeken, schakelt de radio niet automatisch over naar een sterkere frequentie.
}}
517
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Bij het verwijderen van een favoriet wordt deze
eveneens verwijderd uit de lijst met favorieten van
de desbetreffende radioband.
Instellingen voor radio
Gerelateerde informatie
Verkeersbericht onderbreken
•
•
•
•
•
•
•
Radio (p. 514)
Radio starten (p. 515)
Radiokanaal zoeken (p. 516)
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 516)
Stembediening radio en media (p. 151)
Instellingen voor radio (p. 518)
Applicatiemenu op bestuurdersdisplay
(p. 104)
Er zijn diverse radiofuncties te activeren en
deactiveren.
Een lopende uitzending van bijvoorbeeld een verkeersbericht is tijdelijk te onderbreken door op
van de rechter stuurknoppenset of op
Annuleren op het middendisplay te drukken.
Radiofuncties activeren en deactiveren
Veeg het hoofdscherm open en kies
Instellingen Media gevolgd door de gewenste radioband om de beschikbare functies te
bekijken.
AM/FM-radio
• Radiotekst weergeven: informatie weergeven over de inhoud van programma's, uitvoerende artiesten en dergelijke.
• Programmanaam bevriezen: kiezen om de
programmaservicenaam niet permanent te
laten scrollen, maar de weergave na 20
seconden te laten bevriezen.
• Kies mededelingen:
- Lokale onderbrekingen: lopende mediaweergave onderbreken voor informatie over
verkeersproblemen in de nabije omgeving.
De weergave van de voorgaande mediabron
wordt hervat zodra de melding afgerond is.
Lokale onderbrekingen is een geografische begrenzing van Verkeersinformatie.
518
De functie Verkeersinformatie moet tegelijkertijd geactiveerd zijn.
- Nieuws : lopende mediaweergave onderbreken en nieuws doorgeven. De weergave
van de voorgaande mediabron wordt hervat
zodra de nieuwsuitzending afgerond is.
- Alarm: lopende mediaweergave onderbreken en waarschuwingen voor calamiteiten en
rampen doorgeven. De weergave van de
voorgaande mediabron wordt hervat zodra de
melding afgerond is.
- Verkeersinformatie: lopende mediaweergave onderbreken voor informatie over verkeersproblemen. De weergave van de voorgaande mediabron wordt hervat zodra de
melding afgerond is.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
- Alarm: lopende mediaweergave onderbreken en waarschuwingen voor calamiteiten en
rampen doorgeven. De weergave van de
voorgaande mediabron wordt hervat zodra de
melding afgerond is.
DAB* (digitale radio)
• Service sorteren: aangeven hoe de kanalen
moeten worden gesorteerd. Op alfabetische
volgorde of op servicenummer.
• DAB-DAB-verbinding: functie starten voor
- Verkeersinformatie: informatie ontvangen
over verkeersproblemen.
schakelen binnen DAB. Wanneer het signaal
van een bepaald radiokanaal wegvalt, wordt
automatisch overgeschakeld naar hetzelfde
radiokanaal binnen een andere kanaalgroep
(ander ensemble).
- Nieuwsflits: nieuws ontvangen.
- Transportbericht: informatie ontvangen
over openbaar vervoer, bijvoorbeeld dienstregelingen voor veerboten en treinen.
• DAB-FM-verbinding: functie starten voor
schakelen tussen DAB en FM. Wanneer het
signaal van een bepaald radiokanaal wegvalt,
wordt automatisch naar een andere FM-frequentie gezocht.
- Waarschuwing/diensten: informatie ontvangen over incidenten die van minder
belang zijn dan het alarm, bijvoorbeeld
stroomstoringen.
• Radiotekst weergeven: aangeven of radiotekst of gekozen delen van radiotekst, bijvoorbeeld artiest, moet(en) worden weergegeven.
• Afbeeldingen van programma
weergeven: aangeven of op het scherm wel
of geen afbeeldingen voor de verschillende
programma's moeten verschijnen.
• Kies mededelingen: aangeven welk type
berichten moet worden doorgegeven als
DAB actief is. Bij de gekozen meldingen
wordt de lopende mediaweergave onderbroken en wordt de melding afgespeeld. De
weergave van de voorgaande mediabron
wordt hervat zodra de melding afgerond is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Radio (p. 514)
RDS-radio
RDS (Radio Data System) zorgt ervoor dat de
radio automatisch overschakelt naar de sterkste
zender. RDS biedt de mogelijkheid om bijvoorbeeld verkeersinformatie te ontvangen en naar
bepaalde soorten programma's te zoeken.
RDS verbindt FM-zenders in een netwerk met
elkaar. Een FM-zender in een dergelijk netwerk
verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDSradio onder meer de volgende mogelijkheden
biedt:
•
Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in een
bepaald gebied slecht is.
•
Zoeken op programmatype, zoals programmatypes of verkeersinformatie.
•
Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
Digitale radio* (p. 520)
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 125)
N.B.
Bepaalde radiostations gebruiken geen RDS
of slechts bepaalde onderdelen van deze
functie.
Als er nieuws of verkeersinformatie wordt uitgezonden, kan de radio naar een andere zender
overschakelen en de weergave van de actieve
audiobron onderbreken. Als de cd-speler* bijvoorbeeld actief is, wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De radio gaat naar de vorige
}}
* Optie/accessoire. 519
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
audiobron en het vorige volume terug wanneer
het ingestelde programmatype ophoudt met uitzenden. Druk om eerder te onderbreken op
op de rechter stuurknoppenset of druk op
Annuleren op het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
Radio (p. 514)
Instellingen voor radio (p. 518)
Digitale radio*
(DAB3)
Digitale radio
is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen. De radio
ondersteunt DAB, DAB+ en DMB4.
De radio is te bedienen via
stemcommando's, de stuurknoppen of via het middendisplay.
De app voor digitale radio is te
starten vanuit het appscherm
op het middendisplay.
Digitale radio is op dezelfde manier te beluisteren
als andere radiobanden, zoals FM. Behalve
Zenders, Favorieten en Genres kunt u daarbij
ook kiezen uit subkanalen en Ensembles.
Ensembles zijn groepen radiokanalen (kanaalgroep) die op dezelfde frequentie zenden.
DAB-subkanaal
Secundaire componenten worden vaak aangeduid als subkanalen. Dergelijke componenten zijn
van tijdelijke aard en kunnen bijvoorbeeld uit vertalingen van het hoofdprogramma bestaan. Subkanalen worden aangegeven met een pijlsymbool
in het kanaaloverzicht.
Gerelateerde informatie
•
Schakelen tussen de radiobanden FM en
digitale radio* (p. 521)
•
Van radioband en radiozender wisselen
(p. 516)
•
•
•
•
Radiokanaal zoeken (p. 516)
Radiofavorieten instellen (p. 517)
Stembediening radio en media (p. 151)
Instellingen voor radio (p. 518)
Als het radiokanaal zijn logo meestuurt, wordt dit
logo gedownload en weergegeven naast de
kanaalnaam (de downloadtijd varieert).
3
4
520
Digital Audio Broadcasting
Digital Multimedia Broadcasting
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Schakelen tussen de radiobanden
FM en digitale radio*
Dankzij deze functie kan de digitale radio (DAB)
overschakelen van een kanaal dat slecht of helemaal niet te ontvangen is op hetzelfde kanaal in
een andere kanaalgroep (ensemble) met een
betere ontvangst, binnen DAB en/of tussen DAB
en FM.
DAB naar DAB- en DAB naar FMschakeling
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Media
3.
Mediaspeler
Gerelateerde informatie
De mediaspeler kan geluidsbestanden op de
cd-speler* en op externe mediabronnen weergeven die zijn aangesloten via de USB-poort of
Bluetooth. De speler kan ook videobestanden
weergegeven via de USB-poort.
Wanneer de auto een internetverbinding heeft is
het ook mogelijk om webradio, audioboeken en
muziekdiensten via apps te beluisteren.
DAB.
Vink de vakjes voor DAB-DAB-verbinding
en/of DAB-FM-verbinding aan of juist niet
om de desbetreffende functies te activeren/
deactiveren.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Media afspelen (p. 522)
Media regelen en van media wisselen
(p. 523)
Media zoeken (p. 524)
Apps (p. 512)
Radio (p. 514)
Cd-speler* (p. 525)
Video (p. 526)
Media via Bluetooth® (p. 527)
Media AUX/USB-poort (p. 528)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 545)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Digitale radio* (p. 520)
Radio (p. 514)
Instellingen voor radio (p. 518)
De mediaspeler is te bedienen
vanaf het middendisplay, maar
veel functies zijn ook te bedienen vanaf de rechter stuurknoppenset of via stemcommando's.
Een beschrijving van de radio, die ook in de
mediaspeler te bedienen is, staat in een apart
artikel.
* Optie/accessoire. 521
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Media afspelen
De mediaspeler wordt bediend via het middendisplay. Veel functies zijn ook te bedienen vanaf
de rechter stuurknoppenset of via stemcommando's.
Via de mediaspeler verloopt ook de radiobediening die in een apart artikel beschreven staat.
Mediabron starten
CD*
1. Plaats een cd.
2.
Open de app Cd vanuit het appscherm.
3.
Kies wat er moet worden afgespeeld.
> Het afspelen start.
USB-stick
1. Plaats de USB-stick.
2.
Open de app USB vanuit het appscherm.
3.
Kies wat er moet worden afgespeeld.
> Het afspelen start.
Mp3-speler en iPod®
N.B.
Eenheid met Bluetooth-verbinding
1. Activeer Bluetooth op de desbetreffende
mediabron.
2.
Sluit de mediabron aan.
3.
Start de weergave op de aangesloten mediabron.
4.
Open de app Bluetooth vanuit het appscherm.
> Het afspelen start.
Media via een internetverbinding
Media afspelen via apps met een internetverbinding:
1.
Maak een internetverbinding voor de auto.
2.
Open de desbetreffende app vanuit het appscherm.
> Het afspelen start.
Om het afspelen te starten vanaf de iPod,
moet u de iPod-app gebruiken (en niet USB).
Wanneer u muziek op een aangesloten iPod
beluistert, hanteert het audio- en mediasysteem een menustructuur vergelijkbaar met die
van de iPod.
522
Video
1. Sluit de mediabron aan.
Sluit de mediabron aan.
2.
Open de app USB vanuit het appscherm.
2.
Start de weergave op de aangesloten mediabron.
3.
3.
Open de app (iPod, USB) vanuit het appscherm.
> Het afspelen start.
Druk op de titel van het weer te geven
bestand.
> Het afspelen start.
1.
Appscherm. (Algemene afbeelding, de basisapps variëren per markt en model.)
Lees het aparte hoofdstuk voor het downloaden
van apps.
Apple CarPlay
CarPlay staat in een apart artikel beschreven.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Android Auto
Android Auto staat in een apart artikel beschreven.
Gerelateerde informatie
•
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 105)
•
•
Radio (p. 514)
Media regelen en van media wisselen
(p. 523)
•
•
•
•
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 528)
•
•
•
•
•
Video (p. 526)
Media regelen en van media
wisselen
onder het middendisplay of op
ter stuurknoppenset.
De weergave van media is te regelen via stembediening, de stuurknoppenset of het middendisplay.
De mediaspeler is te bedienen
via stembediening, de stuurknoppen of via het middendisplay.
Van track/nummer wisselen - op de gewenste
track op het middendisplay drukken, op
of
onder het middendisplay of op de rechter
stuurknoppenset drukken.
Eenheid aansluiten via Bluetooth® (p. 527)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 545)
CarPlay®*
Vooruit-/achteruitspoelen - op de tijdas op het
middendisplay drukken en deze opzij slepen, of
of
onder het middendisplay of op de
rechter stuurknoppenset ingedrukt houden.
Van media wisselen – kies een eerder gebruikte
bron in de app, tik in het appscherm op de
gewenste app of kies met de rechter stuurknop.
penset via het appmenu
Apps downloaden (p. 513)
Apple®
van de rech-
Bibliotheek - op de knop
drukken om af te spelen vanuit
de bibliotheek.
(p. 530)
Android Auto* (p. 533)
Stembediening radio en media (p. 151)
Compatibele formaten voor media (p. 553)
Volume – aan de draaiknop onder het middendisvan de rechter stuurplay draaien of op
knoppenset drukken om het volume te verhogen
of te verlagen.
Shuffle - op de knop drukken
voor een willekeurige afspeelvolgorde.
Afspelen/pauzeren - op de afbeelding van de
desbetreffende track drukken, op de fysieke knop
}}
* Optie/accessoire. 523
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Verge-lijkbaar - op de knop
drukken om aan de hand van
Gracenote naar soortgelijke
muziek te zoeken op de USBeenheid en op basis daarvan
een speellijst te creëren. De
speellijst kan uit maximaal 50
||
Media zoeken
U kunt artiesten, componisten, tracks, albums,
video’s, luisterboeken, speellijsten en bij een
auto met een actieve internetverbinding podcasts (digitale media via internet) zoeken.
tracks bestaan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Mediaspeler (p. 521)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 545)
Media afspelen (p. 522)
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay (p. 131)
Ander apparaat - op de knop
drukken om te wisselen tussen
meerdere aangesloten USBeenheden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Mediaspeler (p. 521)
Media zoeken (p. 524)
Audio-instellingen (p. 510)
1.
.
Druk op
> Er verschijnt een zoekscherm met toetsenbord.
2.
Voer de zoekterm in.
3.
Druk op Zoeken.
> De gekoppelde eenheden worden doorzocht en de treffers verschijnen per categorie geordend in een lijst.
Apps (p. 512)
Gracenote® (p. 525)
Stembediening radio en media (p. 151)
Veeg overdwars over het scherm om alle categorieën apart te bekijken.
524
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Gracenote®
Gerelateerde informatie
Gracenote geeft bij het afspelen van muziek de
uitvoerende artiesten, albums, tracks en eventuele illustraties weer.
•
•
Media afspelen (p. 522)
Licentieovereenkomst voor audio en media
(p. 555)
Cd-speler*
De mediaspeler kan cd's met compatibele audiobestanden afspelen.
Gracenote MusicID® is een norm voor muziekherkenning.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Media
3.
Kies instellingen voor Gracenote-gegevens:
Gracenote®.
• Online opzoeken Gracenote® - onlinedatabase van Gracenote doorzoeken op gegevens over de afgespeelde media.
• Meerdere resultaten Gracenote® - aan-
Opening voor het plaatsen/uitwerpen van
een schijf.
geven hoe Gracenote-gegevens moeten
worden weergegeven bij meerdere treffers.
Knop voor het uitwerpen van een schijf.
1 - originele bestandsgegevens gebruiken.
2 - Gracenote-gegevens gebruiken.
3 - Gracenote- of originele data kiezen.
• Geen - geen treffers.
Gracenote bijwerken
Gerelateerde informatie
•
•
•
Media afspelen (p. 522)
Stembediening radio en media (p. 151)
Compatibele formaten voor media (p. 553)
De inhoud van de Gracenote-database wordt
voortdurend bijgewerkt. Download de nieuwste
update voor optimale functionaliteit. Zie
support.volvocars.com voor informatie en downloads.
* Optie/accessoire. 525
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Video
Video afspelen
DivX® weergeven
Videobestanden op apparaten die zijn aangesloten op de USB-poort zijn via de mediaspeler
weer te geven.
Video's zijn af te spelen via de app USB op het
appscherm.
1. Sluit een mediabron (USB-eenheid) aan.
Om Video-on-Demand-films (VOD) in DivX-formaat te kunnen afspelen moet u deze DivX
Certified® eenheid eerst registreren.
Wanneer de auto begint te rijden verdwijnt het
beeld, maar het geluid is nog steeds te horen.
Het beeld komt weer terug, wanneer de auto stilstaat.
2.
Open de app USB vanuit het appscherm.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
3.
Tik op de titel die u wilt afspelen.
> Het afspelen start.
2.
Druk op Video DivX® VOD om de registratiecode op te halen.
Informatie over compatibele mediaformaten vindt
u elders.
Gerelateerde informatie
3.
Breng voor meer informatie en om de registratie te voltooien een bezoek aan
vod.divx.com.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
526
Video afspelen (p. 526)
DivX®
weergeven (p. 526)
Instellingen voor video (p. 527)
Compatibele formaten voor media (p. 553)
•
•
•
•
Video (p. 526)
DivX® weergeven (p. 526)
Instellingen voor video (p. 527)
Compatibele formaten voor media (p. 553)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Video (p. 526)
Video afspelen (p. 526)
Instellingen voor video (p. 527)
Compatibele formaten voor media (p. 553)
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Instellingen voor video
Media via Bluetooth®
Eenheid aansluiten via Bluetooth®
U kunt de instellingen voor videoweergave wijzigen, bijv. de te hanteren taal.
Wanneer de videospeler in de stand voor volledige schermgrootte staat of wanneer u het
hoofdscherm hebt geopend en op Instellingen
Video drukt, beschikt u over de volgende
opties: Audiotaal, Uit en Ondertitelingstaal.
De mediaspeler in de auto is uitgerust met
Bluetooth en kan draadloos audiobestanden op
externe Bluetooth-eenheden afspelen zoals
mobiele telefoons en laptops.
De mediaspeler kan audiobestanden op een
externe eenheid alleen draadloos afspelen als
deze eenheid eerst via Bluetooth aan de auto is
gekoppeld.
Verbind een Bluetooth®-apparaat met de auto
om draadloos media af te spelen en een eventuele internetverbinding voor de auto te gebruiken.
Gerelateerde informatie
U kunt een media-eenheid op dezelfde manier
via Bluetooth® aan de auto koppelen als een
telefoon.
Gerelateerde informatie
•
Video (p. 526)
•
•
•
•
Eenheid aansluiten via Bluetooth® (p. 527)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 537)
Media afspelen (p. 522)
Compatibele formaten voor media (p. 553)
Hoewel veel moderne telefoons Bluetooth®-technologie bieden, zijn niet alle telefoons volledig
compatibel met de auto. Zie
support.volvocars.com voor compatibiliteit.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Media via Bluetooth® (p. 527)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 537)
Media afspelen (p. 522)
527
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Media AUX/USB-poort
Eenheid aansluiten via USB-poort
Via de USB-poort is een externe audiobron zoals
een iPod® of mp3-speler aan te sluiten op het
audiosysteem.
Via een van de USB-poorten in de auto is een
externe audiobron zoals een iPod® of mp3-speler aan te sluiten op het audiosysteem.
Apparaten met oplaadbare batterijen worden
opgeladen, wanneer ze zijn aangesloten via USB
en het contact in stand I, II staat of de motor
draait.
Bij gebruik van Apple CarPlay* en Android Auto*
moet de telefoon worden aangesloten op de
USB-poort met een witte omlijsting (als er twee
USB-poorten zijn).
•
Technische specificaties voor USB-eenheden (p. 554)
•
•
Apple® CarPlay®* (p. 530)
Android Auto* (p. 533)
De inhoud van een externe audiobron is sneller
te lezen, als er op deze audiobron alleen compatibele bestandsformaten staan. Ook videobestanden zijn via de USB-poort weer te geven.
Sommige mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem dat niet ondersteund word door
het systeem.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
528
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 528)
Media afspelen (p. 522)
Video (p. 526)
Contactslotstanden (p. 440)
Technische specificaties voor USB-eenheden (p. 554)
Apple® CarPlay®* (p. 530)
Android Auto* (p. 533)
USB-poorten (type A) in de tunnelconsole. Laat de kabel
naar voren toe liggen, zodat deze bij het sluiten van het
klepje niet bekneld raakt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Media afspelen (p. 522)
Media AUX/USB-poort (p. 528)
Mediaspeler (p. 521)
Technische specificaties voor USB-eenheden (p. 554)
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
TV*5
Tv* gebruiken6
Wanneer de auto een bepaalde snelheid bereikt,
wordt er geen beeld weergegeven. Het geluid is
dan nog wel hoorbaar. Het beeld komt terug,
wanneer de auto bijna of helemaal stilstaat.
De tv is te bedienen via het middendisplay. Verschillende functies zijn ook te bedienen via de
rechter stuurknoppenset of via stembediening.
De tv is te starten vanuit het appscherm. Tik op
de app TV en kies een zender.
De tv zoekt automatisch de best doorkomende
zenders.
Tv-gids
U beschikt over een tv-gids met informatie over
tv-programma's voor de komende 48 uur.
–
Lijst met beschikbare tv-zenders
1. Druk op Bibliotheek
2.
Kies weergave via TV-kanalen of
Favorieten.
3.
Kies het gewenste kanaal.
N.B.
Als u van locatie verandert binnen het land en
bijvoorbeeld naar een andere stad rijdt, zijn de
Favorieten niet per definitie beschikbaar
omdat het frequentiegebied mogelijk gewijzigd is.
Andere zender op gekozen lijst kiezen
– Druk op
of
onder het middendisplay of op de knoppenset op het stuurwiel.
> U springt naar het eerstvolgende alternatief in de gekozen lijst.
N.B.
Het systeem ondersteunt alleen tv-signalen in
landen die in MPEG-2- of MPEG-4-formaat
uitzenden volgens de DVB-T/T2-standaard.
Het systeem ondersteunt geen analoge tvsignalen.
Wisselen kan ook via het middendisplay.
Favorieten
U kunt een tv-zender opslaan als favoriet:
Gerelateerde informatie
•
•
5
6
Tv* gebruiken (p. 529)
Instellingen voor tv* (p. 530)
–
Druk op
om een zender aan de lijst met
favorieten toe te voegen of van de lijst te verwijderen.
Druk op Gids om informatie over tv-programma's weer te geven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
TV* (p. 529)
Instellingen voor tv* (p. 530)
Stembediening radio en media (p. 151)
Licentieovereenkomst voor audio en media
(p. 555)
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire. 529
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Instellingen voor tv*7
Apple® CarPlay®*
U kunt bepaalde instellingen verrichten in het
hoofdscherm of tijdens het tv kijken op volledige
schermgrootte.
Wanneer de tv in de stand voor volledige schermgrootte staat of wanneer u het hoofdscherm hebt
geopend en op Instellingen Media TV tikt,
beschikt u over de volgende opties:
CarPlay biedt u de mogelijkheid om tijdens het
rijden muziek te beluisteren, te bellen, routeinstructies te ontvangen, sms-berichten te versturen/ontvangen en Siri te raadplegen, zonder
afgeleid te worden.
• Ondertitelingstaal
• Audiotaal
Beeldformaat
Wanneer u op Beeldformaat drukt, kunt u de
beeldverhouding voor de tv kiezen.
1.
Auto - De tv-beelden worden weergegeven
in de oorspronkelijke beeldverhouding.
2.
Automatisch invullen - De tv-beelden worden afgestemd op het display, zonder bijsnijden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
7
8
530
TV* (p. 529)
Tv* gebruiken (p. 529)
Compatibele formaten voor media (p. 553)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 137)
CarPlay werkt alleen met
bepaalde Apple-apparaten. Bij
auto's zonder CarPlay is de app
achteraf te installeren. Neem
contact op met een Volvo-dealer om CarPlay te installeren.
Informatie over de ondersteunde apps en de
compatibele telefoons vindt u op de homepage
van Apple: www.apple.com/ios/carplay/. Gebruik
van apps die niet compatibel zijn met CarPlay kan
er soms toe leiden dat de verbinding tussen
iPhone en de auto wegvalt. Let erop dat Volvo
niet verantwoordelijk is voor de inhoud van
CarPlay.
Bij gebruik van de kaartnavigatie via CarPlay verschijnt de routebegeleiding niet op het bestuurdersdisplay of het head-updisplay maar alleen op
het middendisplay.
De CarPlay-apps zijn te bedienen via het middendisplay, de telefoon of de rechter stuurknoppenset (geldt voor bepaalde functies). De apps zijn
tevens te regelen met de stembediening van de
virtuele assistent Siri. Bij lang indrukken van de
activeert u de stembediening via
stuurknop
de virtuele assistent Siri en bij kort indrukken
activeert u de stembediening van de auto. Als Siri
te snel wordt afgebroken, kunt u de stuurknop
ingedrukt houden.8.
Door Apple CarPlay te gebruiken stemt u in
met het volgende: Apple CarPlay is een
service van Apple Inc. die valt onder de
voorwaarden van Apple Inc. Volvo Cars is
daarom niet verantwoordelijk voor Apple
CarPlay of de functies/applicaties ervan. Bij
gebruik van Apple CarPlay, wordt bepaalde
informatie van uw auto (waaronder de
locatie van de auto) doorgegeven aan uw
iPhone. Ten aanzien van Volvo Cars bent u
zelf volledig verantwoordelijk voor uw eigen
gebruik van Apple CarPlay of voor het
gebruik door iemand anders.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Apple® CarPlay®* gebruiken (p. 531)
Instellingen voor Apple® CarPlay®* (p. 532)
Stembediening (p. 148)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 137)
Geldt voor bepaalde markten.
Apple en CarPlay zijn geregistreerde handelsmerken van Apple Inc.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Apple® CarPlay®* gebruiken
4.
Om CarPlay te kunnen gebruiken moet u de virtuele assistent Siri hebben geactiveerd op uw
telefoon. De telefoon heeft bovendien een internetverbinding nodig via wifi of het mobiele netwerk.
Een iPhone aansluiten en CarPlay
starten
N.B.
CarPlay is alleen te gebruiken als Bluetooth is
uitgeschakeld. Een telefoon of mediaspeler
die via Bluetooth is verbonden met de auto, is
dan ook niet beschikbaar als CarPlay actief is.
Om een internetverbinding te maken voor de
boordapps moet u een alternatieve internetbron gebruiken. Gebruik Wi-Fi of de geïntegreerde automodem*.
1.
Sluit een iPhone aan op de USB-poort. Bij
een auto met twee USB-poorten moet u de
aansluiting met een witte omlijsting gebruiken.
2.
Lees de informatie in het pop-upvenster en
druk vervolgens op OK.
3.
Druk op Apple CarPlay op het appscherm.
5.
Neem de voorwaarden door en druk vervolgens op Accepteren om een verbinding te
maken.
> Het deelscherm met CarPlay wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
Druk op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
4.
Druk op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
CarPlay blijft op actief op de achtergrond, als u
vanuit hetzelfde deelscherm een andere app
start. Druk op het pictogram CarPlay in het appscherm om CarPlay weer in het deelscherm te
weer te geven.
Wisselen tussen CarPlay en iPod
CarPlay starten
CarPlay start als volgt na aansluiting van een
iPhone.
Van CarPlay naar iPod
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
1.
2.
Ga verder naar Communicatie
CarPlay.
3.
Vink het vakje uit voor het Apple-apparaat
dat bij aansluiting van de USB-kabel niet langer tot automatisch activering van CarPlay
moet leiden.
4.
Haal de verbinding op de USB-poort los voor
het Apple-apparaat en sluit het apparaat
weer aan.
5.
Open de app iPod vanuit het appscherm.
Sluit een iPhone aan op de USB-poort. Bij
een auto met twee USB-poorten moet u de
aansluiting met een witte omlijsting gebruiken.
> Als de instelling voor automatische
inschakeling is gekozen - de naam van
de telefoon verschijnt.
2.
Tik op de naam van de telefoon - het deelscherm met CarPlay wordt geopend en de
compatibele apps verschijnen.
3.
Druk op Apple CarPlay op het appscherm,
als het deelscherm met CarPlay niet wordt
geopend.
> Het deelscherm met CarPlay wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
Apple
}}
* Optie/accessoire. 531
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Van iPod naar CarPlay
1. Druk op Apple CarPlay op het appscherm.
2.
Lees de informatie in het pop-upvenster en
druk vervolgens op OK.
3.
Haal de verbinding op de USB-poort los voor
het Apple-apparaat en sluit het apparaat
weer aan.
> Het deelscherm met Apple CarPlay wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen9.
Instellingen voor Apple® CarPlay®*
Instellingen voor een Apple-eenheid aangesloten
met CarPlay10.
Automatisch starten
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Ga naar Communicatie
en kies de instelling:
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Instellingen voor Apple® CarPlay®* (p. 532)
Internetverbinding voor de auto maken via
een mobiel apparaat (Wi-Fi) (p. 547)
•
•
•
Apple® CarPlay®* (p. 530)
Apple® CarPlay®* gebruiken (p. 531)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 137)
Apple CarPlay
•
Vink het vakje aan - CarPlay start automatisch bij aansluiting van de USB-kabel.
•
Vink het vakje uit - CarPlay start niet automatisch bij aansluiting van de USB-kabel.
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 528)
Apple® CarPlay®* (p. 530)
Gerelateerde informatie
De lijst kan maximaal 20 Apple-eenheden bevatten. Wanneer de lijst vol is, wordt bij aansluiting
van een nieuwe eenheid de oudste aansluiting
verwijderd.
•
Internetverbinding voor de auto maken via
automodem (simkaart) (p. 548)
Om de lijst te verwijderen moet u de instellingen
herstellen op het middendisplay (fabrieksinstellingen herstellen).
•
Stembediening (p. 148)
Systeemvolumes
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Geluid Systeemvolumes om
instellingen te verrichten voor het volgende:
• Stembediening
• Navi-stembegeleid.
• Ringtone telefoon
9 Apple, CarPlay, iPhone en iPod zijn geregistreerde handelsmerken van
10 Apple en CarPlay zijn geregistreerde handelsmerken van Apple Inc.
532
Apple Inc.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Tips voor het gebruik van Apple®
CarPlay®*
Hier vindt u handige tips voor het gebruik van
CarPlay®.
• Werk uw iPhone bij met de nieuwste versie
van het besturingssysteem iOS en zorg dat u
over de nieuwste appversies beschikt.
•
Neem bij problemen met CarPlay de telefoon
los uit de USB-poort en sluit de telefoon
opnieuw aan. Het afsluiten en opnieuw starten van de app die niet werkt is ook het proberen waard of sluit alle apps en start de
telefoon opnieuw.
•
Als bij het starten van CarPlay de apps niet
verschijnen (zwart scherm), kan het minimaliseren en maximaliseren van het deelscherm
CarPlay een oplossing zijn.
•
Gebruik van apps die niet compatibel zijn met
CarPlay kan er soms toe leiden dat de verbinding tussen de telefoon en de auto wegvalt. Informatie over de ondersteunde apps
en de compatibele telefoons vindt u op de
homepage van Apple. Ook kunt u CarPlay in
App Store zoeken voor informatie over apps
die compatibel zijn met CarPlay op uw markt.
•
11
N.B.
Beschikbaarheid en werking kunnen per
markt verschillen.
Gerelateerde informatie
•
CarPlay werkt alleen in combinatie met
iPhone11.
Apple, CarPlay en iPhone zijn geregistreerde handelsmerken van Apple Inc.
Apple® CarPlay®* (p. 530)
Android Auto*
Android Auto biedt u de mogelijkheid om tijdens
het rijden muziek te beluisteren, te bellen, routeinstructies te ontvangen en voor de auto aangepaste apps op een Android-apparaat te gebruiken. Android Auto werkt alleen met bepaalde
Android-apparaten.
Informatie over de ondersteunde apps en de
compatibele telefoons vindt u op de homepage:
www.android.com/auto/. Zie Google Play voor
apps van derden. Let erop dat Volvo niet verantwoordelijk is voor de inhoud van Android Auto.
Android Auto is te starten vanuit het appscherm.
Wanneer u Android Auto eenmaal hebt geactiveerd, zal de app een volgende keer dat u hetzelfde apparaat aansluit opnieuw worden gestart.
}}
* Optie/accessoire. 533
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Deze automatische activering is uit te schakelen
onder de instellingen.
N.B.
Wanneer er een telefoon gekoppeld is aan
Android Auto kunt u via Bluetooth muziek
streamen naar een andere mediaspeler.
Bluetooth is actief bij gebruik van Android
Auto.
Bij gebruik van de kaartnavigatie via Android Auto
verschijnt de routebegeleiding niet op het
bestuurdersdisplay of head-updisplay maar alleen
op het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
•
Android Auto* gebruiken (p. 534)
Instellingen voor Android Auto* (p. 535)
Android Auto* gebruiken
Om de app Android Auto te kunnen gebruiken
moet de telefoon zijn aangesloten op de USBpoort.
Eerste aansluiting van een Android
1. Sluit de Android-telefoon aan op de USBpoort. Bij een auto met twee USB-poorten
moet u de ingang met een witte omlijsting
gebruiken.
2.
3.
Druk op Android Auto op het appscherm.
4.
Neem de voorwaarden door en druk vervolgens op Accepteren om een verbinding te
maken.
> Het deelscherm met Android Auto wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
5.
Druk op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
Android Auto is aan te sturen via het middendisplay, en wel met de rechter stuurknoppenset of
via stembediening. Bij lang indrukken van de
activeert u de stembediening en
stuurknop
bij kort indrukken deactiveert u deze functie.
Door Android Auto te gebruiken, stemt u in
met het volgende: Android Auto is een
onder de voorwaarden van Google Inc.
geleverde dienst. Volvo Cars is niet
verantwoordelijk voor Android Auto of de
functies of applicaties ervan. Wanneer u
Android Auto gebruikt, zet uw auto
bepaalde informatie (waaronder zijn locatie)
over naar uw verbonden Android telefoon. U
bent zelf volledig verantwoordelijk voor uw
eigen gebruik van Android Auto en dat door
anderen.
534
Lees de informatie in het pop-upvenster en
druk vervolgens op OK.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Eerder aangesloten Android
1. Sluit de telefoon aan op de USB-poort.
> Als de instelling voor automatische
inschakeling is gekozen - de naam van
de telefoon verschijnt.
2.
3.
4.
Tik op de naam van de telefoon - het deelscherm met Android Auto wordt geopend en
de compatibele apps verschijnen.
Automatisch starten
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
en kies de instelling:
Als u niet gekozen hebt voor automatische activering - open de app Android
Auto vanuit het appscherm.
> Het deelscherm met Android Auto wordt
geopend en de compatibele apps verschijnen.
Druk op de gewenste app.
> De app wordt gestart.
Android Auto blijft op actief op de achtergrond,
als u vanuit hetzelfde deelscherm een andere
app start. Druk op het pictogram Android Auto in
het appscherm om Android Auto weer in het
deelscherm te weer te geven.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Instellingen voor Android Auto*
Instellingen voor een telefoon die voor het eerst
via Android Auto is verbonden.
Android Auto* (p. 533)
Instellingen voor Android Auto* (p. 535)
Eenheid aansluiten via USB-poort (p. 528)
Stembediening (p. 148)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Android Auto* (p. 533)
Android Auto* gebruiken (p. 534)
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 137)
Android Auto
•
Vink het vakje aan - Android Auto start
automatisch bij aansluiting van de USBkabel.
•
Vink het vakje uit - Android Auto start niet
automatisch bij aansluiting van de USBkabel.
De lijst kan maximaal 20 Android-apparaten
bevatten. Wanneer de lijst vol is, wordt bij aansluiting van een nieuwe eenheid de oudste aansluiting verwijderd.
Om de lijst te verwijderen moet u de fabrieksinstellingen herstellen.
Systeemvolumes
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Geluid Systeemvolumes om
instellingen te verrichten voor het volgende:
• Stembediening
• Navi-stembegeleid.
• Ringtone telefoon
* Optie/accessoire. 535
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Tips voor het gebruik van Android
Auto*
Hier vindt u handige tips voor het gebruik van
Android Auto.
• Zorg dat u over de nieuwste appversies
beschikt.
•
Wacht bij het starten van de auto totdat het
middendisplay is ingeschakeld, verbind de
telefoon en open vervolgens Android Auto
vanuit het appscherm.
•
Neem bij problemen met Android Auto de
Android-telefoon los uit de USB-poort en
sluit de telefoon opnieuw aan. De desbetreffende telefoonapp afsluiten en opnieuw starten is ook het proberen waard.
•
Wanneer er een telefoon is verbonden met
Android Auto, kunt u nog steeds via
Bluetooth media weergeven op een andere
mediaspeler. De Bluetooth-functie is ingeschakeld bij het gebruik van Android Auto.
Gerelateerde informatie
•
Telefoon
Overzicht
Een telefoon met Bluetooth is draadloos aan te
sluiten op het geïntegreerde handsfreesysteem
van de auto.
Het audio- en mediasysteem werkt dan als handsfree en biedt u de mogelijkheid om enkele functies van uw telefoon op afstand te bedienen. U
kunt de telefoon ook na aansluiting nog via de
knoppen op de telefoon bedienen.
Wanneer een telefoon is gekoppeld en aangesloten is op de auto, kunt u deze gebruiken om te
bellen, berichten te versturen/ontvangen en
media te streamen. Ook kunt u de telefoon
gebruiken als internetverbinding.
Microfoon.
Telefoon.
De telefoon is te bedienen via
het middendisplay, maar
bepaalde functies zijn ook te
hanteren met stemcommando's
en het appmenu, dat bereikbaar is via de knoppenset
rechts op het stuurwiel.
Telefoonfuncties op middendisplay.
Knoppenset die op het bestuurdersdisplay
verschijnt voor telefoonfuncties en voor
stembediening.
Bestuurdersdisplay.
Android Auto* (p. 533)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
536
Telefoonfuncties (p. 541)
Telefoonboekfuncties (p. 544)
Berichtfuncties (p. 542)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 537)
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
•
Telefoon automatisch verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 539)
Telefoon eerste keer verbinden met
de auto via Bluetooth
Alternatief 1 - telefoon zoeken vanuit de
auto
•
Telefoon handmatig verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 539)
1.
Maak de telefoon identificeerbaar/zichtbaar
via Bluetooth.
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 540)
2.
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 540)
Om de auto op internet aan te sluiten via de
Bluetooth van de telefoon - activeer via
Bluetooth "internet sharing" (wifi-hotspot) op
de telefoon.
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding verwijderen (p. 541)
3.
Open het deelscherm voor de telefoon.
•
•
•
Instellingen voor telefoon (p. 544)
Verbind een telefoon met geactiveerde
Bluetooth-functie aan de auto, zodat u vervolgens vanuit de auto kunt bellen, berichten kunt
versturen/ontvangen, draadloos media kunt
afspelen en via de telefoon een internetverbinding voor de auto kunt maken.
Er kunnen twee Bluetooth-apparaten tegelijk zijn
aangesloten, waarbij het ene uitsluitend bestemd
is om draadloos te streamen. De laatst aangesloten telefoon wordt automatisch verbonden om te
kunnen bellen, berichten te kunnen versturen/
ontvangen, draadloos media te kunnen afspelen
en de telefoon te gebruiken voor een internetverbinding. Onder instellingen voor Bluetoothapparaten kunt u wijzigingen maken in het
gebruik van de telefoon.
•
•
Stembediening (p. 148)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 105)
Audio-instellingen (p. 510)
Internetverbinding voor de auto maken via
een mobiel apparaat (Bluetooth) (p. 547)
Wanneer het apparaat eenmaal via Bluetooth
verbonden/geregistreerd is, hoeft dit apparaat
niet langer zichtbaar/detecteerbaar te zijn. Activering van de Bluetooth-functie volstaat. Om de
auto via internet te kunnen aansluiten op internet,
moet ook "internet sharing" in de telefoon geactiveerd zijn. Er kunnen maximaal 20 gepairde
Bluetooth-apparaten in de auto worden opgeslagen.
U kunt op twee manieren pairen. U zoekt de telefoon vanuit de auto of u zoekt de auto vanaf de
telefoon.
•
Als er geen telefoon is aangesloten op de
auto - druk op Telefoon toevoegen.
•
Als er een telefoon is aangesloten op de
. Druk in het
auto - druk op Wijzigen
pop-upvenster op Tel. toevoegen.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare
Bluetooth-apparaten. Bij identificatie van
nieuwe apparaten wordt de lijst bijgewerkt.
4.
Druk op de naam van de te pairen telefoon.
5.
Controleer of de aangegeven cijfercode in de
auto overeenkomt met die op de telefoon.
Accepteer in dat geval op beide punten.
6.
Accepteer of weiger in de telefoon eventuele
opties voor de contactpersonen en de
berichtfuncties van de telefoon.
}}
537
GELUID, MEDIA EN INTERNET
N.B.
5.
Kies de naam van de auto op de telefoon.
Compatibele telefoons
•
Bij sommige telefoons moet de berichtenfunctie geactiveerd worden.
6.
•
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel en ze kunnen dus niet allemaal contacten en berichten in de auto
tonen.
In de auto verschijnt een pop-upvenster met
informatie over de verbinding. Bevestig de
verbinding.
7.
Controleer of de aangegeven cijfercode in de
auto overeenkomt met die op het externe
apparaat. Accepteer in dat geval op beide
punten.
Hoewel veel moderne telefoons Bluetooth-technologie bieden, zijn niet alle telefoons volledig
compatibel met de auto. Zie
support.volvocars.com voor compatibiliteit.
||
Alternatief 2 - auto zoeken vanaf de
telefoon
1.
Open het deelscherm voor de telefoon.
•
•
538
Als er geen telefoon is aangesloten op de
auto - druk op Telefoon toevoegen
Auto herkenbaar maken.
Als er een telefoon is aangesloten op de
. Druk in het
auto - druk op Wijzigen
pop-upvenster op Telefoon toevoegen
Auto herkenbaar maken.
2.
Activeer Bluetooth op de telefoon.
3.
Om de auto op internet aan te sluiten via de
Bluetooth van de telefoon - activeer via
Bluetooth "internet sharing" (wifi-hotspot) op
de telefoon.
4.
8.
Zoek op de telefoon naar Bluetooth-apparaten.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare
Bluetooth-apparaten.
Accepteer of weiger in de telefoon eventuele
opties voor de contactpersonen en de
berichtfuncties van de telefoon.
N.B.
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 536)
•
Telefoon handmatig verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 539)
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 540)
Telefoon automatisch verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 539)
•
Bij sommige telefoons moet de berichtenfunctie geactiveerd worden.
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 540)
•
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel en ze kunnen dus niet allemaal contacten en berichten in de auto
tonen.
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding verwijderen (p. 541)
•
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 545)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een mobiel apparaat (Bluetooth) (p. 547)
N.B.
Bij een update van het besturingssysteem van
de telefoon wordt de koppeling mogelijk
onderbroken. Verwijder de telefoon dan uit de
auto en breng een nieuwe koppeling tot
stand.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Telefoon automatisch verbinden
met de auto via Bluetooth
•
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 545)
Telefoon handmatig verbinden met
de auto via Bluetooth
Het is mogelijk om een telefoon automatisch via
Bluetooth te verbinden. De telefoon moet een
keer eerder met de auto zijn verbonden.
Automatische aansluiting werkt alleen voor de
twee laatst gekoppelde telefoons.
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een mobiel apparaat (Bluetooth) (p. 547)
•
Contactslotstanden (p. 440)
Het is mogelijk om een telefoon handmatig via
Bluetooth te verbinden. De telefoon moet een
keer eerder met de auto zijn verbonden.
1. Activeer Bluetooth op de telefoon.
1.
Om tegelijkertijd een internetverbinding voor
de auto tot stand te brengen moet ook 'internet sharing' (portable/persoonlijke hotspot)
op de telefoon zijn geactiveerd.
2.
Om tegelijkertijd een internetverbinding voor
de auto tot stand te brengen moet ook 'internet sharing' (portable/persoonlijke hotspot)
op de telefoon zijn geactiveerd.
Activeer Bluetooth op de telefoon alvorens
de auto in contactslotstand I te zetten.
Zet de auto in contactslotstand I of hoger.
> De telefoon wordt aangesloten.
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 536)
•
2.
Open het deelscherm voor de telefoon.
> Er verschijnt een lijst met de gekoppelde
telefoons.
3.
Druk op de naam van de te pairen telefoon.
> De telefoon wordt aangesloten.
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 536)
Telefoon handmatig verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 539)
•
•
Telefoon automatisch verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 539)
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 540)
•
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 540)
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 540)
•
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 540)
Telefoon met Bluetooth-verbinding verwijderen (p. 541)
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding verwijderen (p. 541)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 537)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 537)
}}
539
GELUID, MEDIA EN INTERNET
•
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 545)
Telefoon met Bluetooth-verbinding
loskoppelen
Andere telefoon met Bluetoothverbinding kiezen
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een mobiel apparaat (Bluetooth) (p. 547)
U kunt een telefoon met een actieve Bluetoothverbinding loskoppelen van de auto door
Bluetooth op de telefoon te deactiveren.
De telefoon wordt automatisch losgekoppeld,
wanneer deze buiten het bereik van de auto
komt. Als u de telefoon tijdens een lopend telefoongesprek loskoppelt, kunt u het gesprek via
de telefoon voortzetten.
U kunt een andere telefoon met Bluetooth-verbinding kiezen.
1. Open het deelscherm voor de telefoon.
2.
Tik op Wijzigen
of veeg het hoofdscherm open en tik op Instellingen
Communicatie Bluetooth-apparaten
Apparaat toevoegen.
> Er verschijnt een lijst met de beschikbare
Bluetooth-apparaten.
Instellingen voor telefoon (p. 544)
3.
Druk op de aan te sluiten telefoon.
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 540)
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
•
•
•
540
Telefoon (p. 536)
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding verwijderen (p. 541)
•
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 545)
•
•
Telefoon (p. 536)
•
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 545)
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 540)
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding verwijderen (p. 541)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 537)
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Telefoon met Bluetooth-verbinding
verwijderen
Telefoons zijn te verwijderen van de lijst met
geregistreerde Bluetooth-eenheden.
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Telefoonfuncties
Verwerking van gesprekken in de auto voor een
telefoon met Bluetooth-verbinding.
Ruggespraak
Tijdens lopende gesprekken:
Druk op Communicatie Bluetoothapparaten.
> Er verschijnt een lijst met de geregistreerde Bluetooth-apparaten.
3.
Druk op de te verwijderen telefoon.
4.
Druk op App. verwijderen en bevestig uw
keuze.
> De telefoon staat niet langer geregistreerd in de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
Telefoon (p. 536)
•
Telefoon met Bluetooth-verbinding loskoppelen (p. 540)
•
Andere telefoon met Bluetooth-verbinding
kiezen (p. 540)
•
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 545)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 537)
Het is ook mogelijk om te bellen via de gesprekkenlijst op het appmenu, dat toegankelijk is via
de rechter stuurknoppenset
.
Algemene afbeelding.
1.
Druk op Voeg gesprek toe.
2.
Geef aan hoe u wilt bellen: via de gesprekkenlijst, de favorieten of de contactenlijst.
3.
Druk op een post/regel in de gesprekkenlijst
voor de contactpersoon in de conof op
tactenlijst.
4.
Druk op Wissel gesprek om te wisselen
tussen gesprekken.
5.
om het lopende gesprek te
Druk op
beëindigen.
Bellen
1.
Open het deelscherm voor de telefoon.
2.
Geef aan hoe u wilt bellen: via de gesprekkenlijst, via de contactenlijst of geef het nummer aan via de knoppenset. U kunt de contactenlijst doorzoeken of doorbladeren. Druk
op
in de contactenlijst om een contactpersoon onder te brengen onder Favorieten.
3.
Druk op
4.
Druk op
.
om het gesprek te beëindigen.
Conferentiegesprek
Tijdens ruggespraak:
1.
Druk op Gesprekken samenv. om de
lopende gesprekken samen te voegen.
2.
Druk op
om het gesprek te beëindigen.
Telefoonoproepen
Telefoonoproepen verschijnen op het bestuurdersdisplay en op het middendisplay. Voer het
gesprek met de rechter stuurknoppenset of met
het middendisplay.
1.
Druk op Antwoorden/Afwijzen.
}}
541
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
2.
Druk op
om het gesprek te beëindigen.
Telefoonoproepen tijdens lopende
telefoongesprekken
1. Druk op Antwoorden/Afwijzen.
2.
Druk op
om het gesprek te beëindigen.
Privégesprek
–
Druk tijdens een lopend gesprek op Privacy
en kies de instelling:
• Naar mobiele telefoon schakelen - de
handsfree-functie wordt uitgeschakeld en
het gesprek gaat verder via de mobiele
telefoon.
•
Alleen bestuurder - de microfoon in het
plafond aan de passagierszijde wordt uitgeschakeld en het gesprek gaat verder
via de handsfree-functie van de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
542
Telefoon (p. 536)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 537)
Stembediening telefoon (p. 150)
Appmenu op bestuurdersdisplay hanteren
(p. 105)
•
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay (p. 131)
•
•
Telefoonboekfuncties (p. 544)
Berichtfuncties (p. 542)
•
Audio-instellingen (p. 510)
Berichtfuncties
Verwerking van berichten in de auto voor een
telefoon met Bluetooth-verbinding.
Op sommige telefoons moet de functie 'Berichten' worden geactiveerd. Niet alle telefoons zijn
volledig compatibel, zodat contactpersonen en
meldingen niet altijd in de auto te tonen zijn. Zie
support.volvocars.com voor compatibiliteit.
Tekstberichten op middendisplay
hanteren
Tekstberichten verschijnt alleen op het middendisplay als u deze instelling hebt gekozen.
Tik op Berichten in het appscherm voor berichtfuncties op
het middendisplay.
Tekstberichten op middendisplay lezen
Druk op het pictogram om de melding
te laten voorlezen.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Tekstberichten op middendisplay
versturen12
1. U kunt een bericht beantwoorden of een
nieuw bericht aanmaken.
•
•
Berichten beantwoorden - op de contactpersoon drukken van wie u een bericht
wilt beantwoorden en druk vervolgens op
Antwoorden.
Nieuw bericht aanmaken - tik op
Nieuw(e) aanmaken. Kies een contactpersoon of voer een nummer in.
2.
Schrijf het bericht.
3.
Druk op Verzenden.
Tekstbericht op bestuurdersdisplay
hanteren
Berichtmelding
Instellingen voor tekstbericht
In de instellingen voor sms-berichten kunt u notificaties activeren en deactiveren.
Instellingen voor tekstbericht op aangesloten
telefoon.
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Telefoon (p. 536)
Instellingen voor tekstbericht (p. 543)
Druk op Communicatie
en kies instellingen.
Instellingen voor telefoon (p. 544)
• Melding in middendisplay - berichtmel-
•
•
Stembediening telefoon (p. 150)
•
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 537)
Reactie dicteren op bestuurdersdisplay
Nadat een bericht is voorgelezen kunt u een
korte reactie dicteren als de auto een internetverbinding heeft.
12
• Melding in bestuurdersdisplay - mel-
dingen op het bestuurdersdisplay weergeven; inkomende berichten zijn te hanteren
via de rechter stuurknoppenset.
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay (p. 131)
Nieuw tekstbericht lezen op
bestuurdersdisplay
– Kies met de stuurknoppenset voor Oplezen
om het bericht te laten voorlezen.
Tekstberichten
dingen op de statusbalk van het middendisplay weergeven.
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 545)
Tekstberichten verschijnt alleen op het bestuurdersdisplay als u deze instelling hebt gekozen.
–
2.
• Tekstberichttoon - signaal voor binnenkomende sms-berichten kiezen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Telefoon (p. 536)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 537)
Berichtfuncties (p. 542)
Instellingen voor telefoon (p. 544)
Tik op Antwoorden van de stuurknoppenset.
Er verschijnt een dicteerdialoog.
Alleen bepaalde telefoons kunnen berichten verzenden via de auto. Kijk voor de compatibiliteit op support.volvocars.com.
* Optie/accessoire. 543
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Telefoonboekfuncties
N.B.
Contactfuncties in de auto voor een telefoon
met Bluetooth-verbinding.
Op het middendisplay verschijnen alleen contacten op een actieve telefoon die is aangesloten via Bluetooth. Er zijn tot 3000 contacten weer te geven.
Sorteren
De lijst met contacten staat op alfabetische volgorde en speciale tekens en cijfers staan onder
. U kunt sorteren op voor- of achternaam; u
maakt een keuze in de instellingen voor de telefoon.
Instellingen voor telefoon
Wanneer de telefoon verbonden is met de auto
zijn de volgende instellingen te kiezen.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
kies instellingen.
• Beltonen - beltoon kiezen. U kunt de
beltoon van de gekoppelde telefoon of die
van de auto gebruiken. Bepaalde telefoons zijn niet volledig compatibel en
daardoor is het niet mogelijk de beltonen
van zo'n telefoon in de auto te gebruiken.
Zie support.volvocars.com voor compatibiliteit.
Gerelateerde informatie
Blader de letters tot en met
door om de
contactpersoon van uw keuze te vinden.
Afhankelijk van de contacten die in het telefoonboek staan verschijnen alleen bepaalde
letters.
Contacten zoeken - druk op
om een
telefoonnummer of naam te zoeken in de lijst
met contacten.
Favorieten - druk op
om een contact
toe te voegen aan de lijst met favorieten of
ervan te verwijderen.
•
•
•
•
•
Telefoon (p. 536)
Instellingen voor telefoon (p. 544)
• Sorteervolgorde - sorteervolgorde van
Stembediening telefoon (p. 150)
Handmatig tekens, letters of woorden invoeren op middendisplay (p. 131)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 537)
contactenlijst kiezen.
Gespreksberichten op head-updisplay*
1.
Druk op Instellingen op het hoofdscherm
van het middendisplay.
2.
Druk op My Car Displays
head-up display.
3.
Kies Toon telefoon.
Opties
Gerelateerde informatie
•
•
544
Telefoon en
Telefoon (p. 536)
Instellingen voor tekstbericht (p. 543)
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
•
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 545)
Instellingen voor Bluetoothapparaten
Auto met actieve
internetverbinding*
•
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 537)
•
•
Head-updisplay* (p. 145)
Er zijn instellingen te verrichten voor apparaten
die via Bluetooth zijn aangesloten.
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
Audio-instellingen (p. 510)
2.
Druk op Communicatie Bluetoothapparaten en kies instellingen.
Wanneer de auto een internetverbinding heeft
kunt u bijvoorbeeld gebruikmaken van webradio
en muziekdiensten via boordapps, software
downloaden en contact opnemen met de dealer.
•
Apparaat toevoegen - nieuwe eenheid pairen.
• Eerder gepairde apparaten - lijst met
gekoppelde eenheden weergeven.
De auto maakt een internetverbinding via
Bluetooth, Wi-Fi of via de ingebouwde automodem*.
Als de auto een internetverbinding heeft, is het
mogelijk om de internetverbinding (wifi-hotspot)
• App. verwijderen - eerder gekoppelde eenheid verwijderen.
• Toegestane diensten voor dit apparaat -
instellen waarvoor u het apparaat wilt gebruiken: bellen, berichten sturen/lezen, media
streamen of als middel voor internetverbinding.
• Internetverbinding - internetverbinding
voor de auto maken via de Bluetooth-aansluiting van het apparaat
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Telefoon (p. 536)
Instellingen voor telefoon (p. 544)
Auto met actieve internetverbinding*
(p. 545)
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 537)
}}
* Optie/accessoire. 545
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
te delen, zodat andere eenheden de internetverbinding kunnen gebruiken13.
N.B.
Bij gebruik van Apple CarPlay kunt u alleen
een internetverbinding voor de auto maken
via Wi-Fi of de automodem*.
Een symbool op de statusbalk van het middendisplay geeft de status weer van de internetverbinding.
N.B.
•
Internetverbinding van auto delen via Wi-Fihotspot (p. 550)
•
•
•
•
Wi-Fi-netwerk verwijderen (p. 551)
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi (p. 552)
Volvo ID (p. 30)
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 552)
Bij gebruik van Android Auto kunt u een internetverbinding voor de auto maken via Wi-Fi,
Bluetooth of de automodem*.
Lees voordat u een internetverbinding maakt de
Servicevoorwaarden en het Privacybeleid
voor klanten op support.volvocars.com.
Gerelateerde informatie
N.B.
13
546
•
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 125)
Bij gebruik van internet wordt data overgebracht (dataverkeer) en dat kan kosten met
zich meebrengen.
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een mobiel apparaat (Bluetooth) (p. 547)
•
Het activeren van dataroaming kan tot verdere kosten leiden.
Internetverbinding voor de auto maken via
een mobiel apparaat (Wi-Fi) (p. 547)
•
Informeer bij uw provider naar de kosten voor
dataverkeer.
Internetverbinding voor de auto maken via
automodem (simkaart) (p. 548)
•
•
Apps (p. 512)
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 551)
Geldt niet bij aansluiting met Wi-Fi.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Internetverbinding voor de auto
maken via een mobiel apparaat
(Bluetooth)
Deel de internetverbinding van een telefoon via
Bluetooth om een internetverbinding te maken
en toegang te krijgen tot diverse onlinediensten
voor de auto.
De telefoon en de provider moeten ondersteuning bieden voor tethering (delen van de internetverbinding) en het abonnement moet inclusief
dataverkeer zijn.
1.
2.
3.
4.
Om een internetverbinding te kunnen maken
voor de auto via een telefoon met Bluetoothverbinding moet de bewuste telefoon eenmaal eerder via Bluetooth met de auto zijn
verbonden. Zorg dat "internet sharing" (portable/personal hotspot) geactiveerd is op de
telefoon.
Als de telefoon eerder via Bluetooth was verbonden, tik dan op Instellingen op het
hoofdscherm van het middendisplay.
Op het middendisplay: Druk op
Communicatie Bluetooth-apparaten.
Vink het vakje voor Bluetoothinternetaansluiting aan onder de rubriek
Internetverbinding.
> Uw auto heeft daarmee een internetverbinding via de via Bluetooth aangesloten
telefoon.
N.B.
Bij gebruik van Apple CarPlay kunt u alleen
een internetverbinding voor de auto maken
via Wi-Fi of de automodem*.
Gerelateerde informatie
•
•
Auto met actieve internetverbinding* (p. 545)
Internetverbinding voor de auto maken via
automodem (simkaart) (p. 548)
•
Telefoon eerste keer verbinden met de auto
via Bluetooth (p. 537)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een mobiel apparaat (Wi-Fi) (p. 547)
•
•
Apple® CarPlay®* (p. 530)
•
Internetverbinding voor de auto
maken via een mobiel apparaat
(Wi-Fi)
Deel de internetverbinding van een telefoon via
wifi om een internetverbinding te maken en toegang te krijgen tot diverse onlinediensten voor
de auto.
De telefoon en de provider moeten ondersteuning bieden voor tethering (delen van de internetverbinding) en het abonnement moet inclusief
dataverkeer zijn.
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 551)
1.
Instellingen voor Bluetooth-apparaten
(p. 545)
Activeer "internet sharing" (wifi-hotspot) op
de telefoon.
2.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
3.
Ga verder naar Communicatie
4.
Activeer/deactiveer de optie door het vakje
voor Wi-Fi aan/uit te vinken.
Wi-Fi.
5.
Druk op de naam van het netwerk waarop u
wilt aansluiten.
6.
Geef het wachtwoord van het netwerk aan.
}}
* Optie/accessoire. 547
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
7.
Gebruikte u eerder een andere methode voor
internetverbinding - bevestig de keuze van
een andere verbindingsmethode.
> De auto maakt een verbinding tot stand
met het netwerk.
Let erop dat sommige telefoons de internetverbinding verbreken, wanneer de verbinding met de
auto is verbroken (zoals wanneer u de auto
ergens parkeert tot de volgende keer dat u hem
nodig hebt). In dat geval moet u bij een volgend
gebruik van de telefoon de "internet sharing"
opnieuw activeren.
•
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 551)
Internetverbinding voor de auto
maken via automodem (simkaart)
•
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi (p. 552)
Bij auto's met Volvo On Call* is het mogelijk een
internetverbinding te maken via de automodem
en een persoonlijke simkaart (P-SIM).
Bij verbinding via de automodem gebruiken de
Volvo On Call-diensten deze verbinding.
1.
Een telefoon die verbinding heeft gemaakt met
de auto wordt opgeslagen voor later gebruik.
Wanneer het maximale aantal opgeslagen telefoons (50) is bereikt, wordt de telefoon verwijderd die als eerste een verbinding maakte. Om
een lijst met opgeslagen netwerken weer te
geven of opgeslagen netwerken handmatig te
verwijderen, gaat u naar Instellingen
Communicatie Wi-Fi Opgeslagen
netwerken.
De eisen die aan de techniek en beveiliging voor
de wifi-verbinding worden gesteld staan elders
beschreven.
Gerelateerde informatie
•
•
548
Auto met actieve internetverbinding* (p. 545)
Wi-Fi-netwerk verwijderen (p. 551)
Plaats een persoonlijke simkaart in de houder.
2.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
3.
Druk op Communicatie
automodem.
4.
Activeer/deactiveer de functie door het vakje
voor Internet via automodem aan/uit te
vinken.
Internet via
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
5.
6.
Gebruikte u eerder een andere methode voor
internetverbinding - bevestig de keuze van
een andere verbindingsmethode.
Geef de pincode van de simkaart aan.
> De auto maakt een verbinding tot stand
met het netwerk.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Auto met actieve internetverbinding* (p. 545)
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 551)
Instellingen voor automodem (p. 549)
Instellingen voor automodem14
Wijzig pincode - maximaal 4 cijfers aangeven.
De auto is uitgerust met een modem die u kunt
gebruiken om de auto met internet te verbinden.
U kunt de internetverbinding tevens delen via
Wi-Fi.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie Internet via
automodem en kies instellingen.
• Internet via automodem - aangeven of
automodem moet worden gebruikt voor internetverbinding.
• Datagebruik - bij het indrukken van Reset
worden de tellers voor de ontvangen en verstuurde hoeveelheid gegevens op nul gezet.
Pincode uitschakelen - aangeven of de
pincode vereist is voor gebruik van de simkaart.
• Gevraagde code verzenden - bestemd om
bijvoorbeeld het saldo op een chipkaart op te
laden of te controleren. Deze functie is
afhankelijk van de provider.
Gerelateerde informatie
•
Internetverbinding voor de auto maken via
automodem (simkaart) (p. 548)
•
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 551)
• Netwerk
Aanbieder selecteren - netwerkprovider
automatisch of handmatig kiezen.
Roaming - is dit vakje aangevinkt, dan zal de
automodem proberen verbinding te maken
met internet op het moment dat de auto zich
in het buitenland buiten het thuisnetwerk
bevindt. Let erop dat dit tot hoge kosten kan
leiden. Controleer uw roamingovereenkomst
met betrekking tot dataverkeer in het buitenland met uw netwerkprovider in uw eigen
land.
• Pincode simkaart
14
Alleen auto's met Volvo On Call.
* Optie/accessoire. 549
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Internetverbinding van auto delen
via Wi-Fi-hotspot
Als de auto een internetverbinding heeft, is het
mogelijk om de internetverbinding te delen,
zodat andere eenheden de internetverbinding
kunnen gebruiken15.
De provider (simkaart) moet ondersteuning bieden voor tethering (delen van de internetverbinding).
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
2.
Druk op Communicatie
auto.
3.
Druk op Netwerknaam en geeft de wifi-hotspot een naam.
4.
Druk op Wachtwoord en kies een wachtwoord dat u vervolgens op de te koppelen
eenheden moet aangeven.
5.
15
550
N.B.
Het activeren van Wi-Fi-hotspot kan tot verdere kosten van uw provider leiden.
Informeer bij uw provider naar de kosten voor
dataverkeer.
Wi-Fi hotspot
Druk op Frequentieband en kies de zendfrequentie voor de wifi-hotspot. Let erop dat
de te hanteren frequentieband niet op alle
markten te specificeren is.
6.
Activeer/deactiveer de functie door het vakje
voor Wi-Fi hotspot auto aan/uit te vinken.
7.
Als Wi-Fi eerder is gebruikt als methode voor
internetverbinding bevestigt u de keuze van
een andere verbindingsmethode.
> Externe eenheden kunnen vervolgens verbinding maken met de "internet sharing"
(Wi-Fi-hotspot) van de auto.
Een symbool op de statusbalk van het middendisplay geeft de status weer van de internetverbinding.
Druk op Aangesloten apparaten voor een lijst
met de op dit moment aangesloten eenheden.
Gerelateerde informatie
•
Symbolen op de statusbalk van het middendisplay (p. 125)
•
•
Auto met actieve internetverbinding* (p. 545)
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 551)
Geldt niet wanneer de auto een internetverbinding via Wi-Fi heeft.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Geen internetverbinding of een
slechte verbinding
Factoren die van invloed zijn op de internetverbinding
De uitgewisselde hoeveelheid gegevens is afhankelijk van de diensten of apps die in de auto worden gebruikt. Het streamen van audio kan bijvoorbeeld tot een grote hoeveelheid dataverkeer
leiden en dat vereist een goede verbinding en
signaalsterkte.
Telefoon herstarten
Wi-Fi-netwerk verwijderen
Problemen met de internetverbinding zijn soms
te verhelpen door de telefoon opnieuw op te starten.
Niet gebruikte netwerken verwijderen.
1.
Druk op Instellingen in het hoofdscherm.
Gerelateerde informatie
2.
Ga verder naar Communicatie
Opgeslagen netwerken.
3.
Druk op Vergeten voor het te verwijderen
netwerk.
4.
Bevestig uw keuze.
> De auto zal vervolgens geen verbinding
tot stand brengen met het desbetreffende
netwerk.
•
•
Auto met actieve internetverbinding* (p. 545)
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi (p. 552)
Verbinding tussen telefoon en auto
De snelheid van de internetverbinding kan variëren afhankelijk van de positie van de telefoon in
de auto. Plaats de telefoon dichter bij het middendisplay om de signaalsterkte te verbeteren.
Zorg dat de signalen niet worden gehinderd.
Verbinding tussen telefoon en
netwerkprovider
De snelheid binnen het mobiele netwerk varieert
afhankelijk van de dekking op de actuele locatie.
Een slechtere netwerkdekking is bijvoorbeeld
mogelijk in tunnels, achter bergen, in diepe dalen
of in gebouwen. De snelheid is ook afhankelijk
van uw overeenkomst met uw teleprovider.
N.B.
Neem bij problemen met de dataoverdracht
contact op met uw provider.
Wi-Fi
Alle netwerken uit geheugen
verwijderen
U kunt alle netwerken in één keer verwijderen
door de fabrieksinstellingen te herstellen. Houd
er in dat geval rekening mee dat dan de fabrieksinstellingen worden hersteld voor alle gebruikersgegevens en systeeminstellingen.
Gerelateerde informatie
•
•
Auto met actieve internetverbinding* (p. 545)
Geen internetverbinding of een slechte verbinding (p. 551)
•
Instellingen resetten op middendisplay
(p. 137)
•
Internetverbinding voor de auto maken via
een mobiel apparaat (Wi-Fi) (p. 547)
* Optie/accessoire. 551
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Techniek en veiligheid rond Wi-Fi
Mogelijke netwerktypes voor aansluiting.
Aansluiting is alleen mogelijk op netwerken van
het volgende type:
•
•
•
Frequentie - 2,4 of 5 GHz16.
Standaarden - 802.11 a/b/g/n.
Beveiligingstype - WPA2-AES-CCMP.
Het Wi-Fi-systeem van de auto is zo ingericht dat
het Wi-Fi-eenheden in de auto kan hanteren.
Als meerdere eenheden op dezelfde frequentie
actief zijn, kunnen de prestaties afnemen.
Gerelateerde informatie
•
Auto met actieve internetverbinding* (p. 545)
Gebruiksvoorwaarden en
gegevensuitwisseling
Gegevensuitwisseling activeren en
deactiveren
De eerste keer dat u bepaalde diensten en apps
start, verschijnt mogelijk een pop-upvenster met
de titel Voorwaarden en
Gegevensuitwisseling.
Het venster dient om te informeren over de
gebruiksvoorwaarden en het beleid voor gegevensuitwisseling dat Volvo hanteert. Door
akkoord te gaan gegevensuitwisseling stemt de
gebruiker erin toe dat de auto bepaalde informatie verstuurt. Dit is een vereiste voor optimale
werking van bepaalde diensten en apps.
In het instellingsmenu van het middendisplay
kunt u de gegevensuitwisseling van de desbetreffende diensten en apps instellen.
1. Druk op Instellingen in het hoofdscherm op
het middendisplay.
Toestemming voor gegevensuitwisseling is te
verstrekken via het instellingsmenu van het middendisplay.
Gerelateerde informatie
•
Gegevensuitwisseling activeren en deactiveren (p. 552)
2.
Druk op Systeem
3.
Kies Gegevensuitwisseling om de gegevensuitwisseling te activeren of deactiveren.
4.
Wanneer u de gegevensuitwisseling hebt
geactiveerd, kunt u de instellingen voor de
afzonderlijke diensten en apps in de onderstaande lijst wijzigen.
Privacy en gegevens.
Wanneer u de gegevensuitwisseling deactiveert
worden eventuele eerdere instellingen voor de
afzonderlijke diensten en apps opgeslagen, zodat
deze bij activering de gegevensuitwisseling weer
gehanteerd worden.
Gerelateerde informatie
•
16
552
Gebruiksvoorwaarden en gegevensuitwisseling (p. 552)
Het kiezen van een frequentie is niet op alle markten mogelijk.
* Optie/accessoire.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Compatibele formaten voor media
Formaat
Bestandsextensie
Bestandsextensie
.divx, .avi
Voor het afspelen van media zijn de volgende
bestandsformaten vereist.
AVI
.avi
4 GB
Audiobestanden
AVI (DivX)
.avi, divx
Maximale
bestandsgrootte
ASF
.asf, .wmv
Audiocodec
MP3, AC3
MKV
.mkv
Ondertiteling
XSUB
Speciale functies
Alternatieve ondertitels,
alternatieve audiotracks,
weergave hervatten
Referentie
Voldoet aan alle voorwaarden voor het DivX
Home Theater-profile.
Breng een bezoek aan
divx.com voor meer informatie en programma's
om bestanden te converteren naar DivX Home
Theater-video.
Formaat
Bestandsextensie
Codec
MP3
.mp3
MPEG1 Layer III,
MPEG2 Layer III,
MP3 Pro (mp3compatibel),
MP3 HD (mp3compatibel)
AAC
.m4a, .m4b, .aac
AAC LC (MPEG-4
part III Audio),
HE-AAC (aacPlus
v1/v2)
WMA
.wma
WMA8/9,
WMA9/10 Pro
WAV
.wav
LPCM
FLAC
.flac
FLAC
Videobestanden
Formaat
Bestandsextensie
MP4
.mp4, m4v
MPEG-PS
.mpg, .mp2, .mpeg, .m1v
Ondertiteling
Formaat
Bestandsextensie
SubViewer
.sub
SubRip
.srt
SSA
.ssa
DivX®
DivX-gecertificeerde eenheden zijn getest op
hoogkwalitatieve videoweergave van DivX
(.divx, .avi). Wanneer het DivX-logo zichtbaar is,
kunnen er DivX-films afgespeeld worden.
Profiel
DivX Home Theater
Videocodec
DivX, MPEG-4
Resolutie
720x576
Audiobitsnelheid
(bit rate)
4.8Mbps
Beeldsnelheid
30 fps
Gerelateerde informatie
•
•
•
Mediaspeler (p. 521)
Video (p. 526)
DivX® weergeven (p. 526)
553
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Technische specificaties voor USBeenheden
Vrije geheugenruimte op harde
schijf
Om de inhoud van USB-eenheden te kunnen
lezen moet de eenheid aan de volgende specificaties voldoen.
Een eventuele mapstructuur is tijdens het afspelen niet zichtbaar op het middendisplay.
Het is mogelijk de vrije geheugenruimte te bekijken die beschikbaar is op de harde schijf van de
auto.
Het is mogelijk informatie weer te geven over de
harde schijf van de auto, zoals de totale capaciteit, de beschikbare geheugenruimte en de
gebruikte geheugenruimte voor geïnstalleerde
apps. U vindt de informatie onder Instellingen
Systeem Systeeminformatie Opslag.
Maximumaantal
Bestanden
15 000
Mappen
1 000
Mapniveaus
8
Speellijsten
100
Maximumaantal posten in
een speellijst
1 000
Submappen
Onbeperkt
Technische specificaties voor USB-Apoort
•
•
•
•
Aansluiting type A
Versie 2.0
Voeding 5 V
Maximale stroomsterkte 2,1 A
Gerelateerde informatie
•
554
Media AUX/USB-poort (p. 528)
Gerelateerde informatie
•
Apps (p. 512)
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Licentieovereenkomst voor audio en
media
Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen te verrichten of het recht om gebruik te maken van
een product waar een andere rechtspersoon
octrooi of eigendomsrechten op heeft, onder de
voorwaarden vervat in de overeenkomst. Hier
volgen de teksten van de overeenkomsten tussen Volvo en producenten/ontwikkelaars. Een
groot aantal van deze teksten is in het Engels.
Bowers & Wilkins
Bowers & Wilkins en B&W zijn handelsmerken
van B&W Group Ltd. Nautilus is een handelsmerk
van B&W Group Ltd. Kevlar is een geregistreerd
handelsmerk van DuPont.
Dirac Unison®
DivX®
Dirac Unison optimaliseert de luidsprekers qua
tijd, ruimte en frequentie voor optimale basintegratie en helderheid. De technologie maakt ook
een waarheidsgetrouwe weergave mogelijk van
de akoestische eigenschappen van specifieke
concertzalen. Met behulp van geavanceerde algoritmes stuurt Dirac Unison op digitale wijze alle
luidsprekers aan op basis van akoestische metingen met een grote nauwkeurigheid. Net als een
echte dirigent garandeert Dirac Unison dat de
luidsprekers bij de weergave perfect op elkaar
zijn afgestemd.
DivX®, DivX Certified® en daaraan gerelateerde
logo's zijn handelsmerken die eigendom zijn van
DivX, LLC en worden gebruikt onder licentie.
Dit DivX Certified® apparaat kan DivX® Home
Theater videobestanden tot 576p weergeven
(inclusief .avi, .divx). Download gratis software van
www.divx.com om digitale videobestanden te
maken, weergeven en streamen.
OVER DIVX VIDEO-ON-DEMAND: Om Video-onDemand-films (VOD) in DivX-formaat te kunnen
afspelen moet u deze DivX Certified® eenheid
eerst registreren. U vindt uw registratiecode via
de sectie DivX VOD in het instellingsmenu van
de eenheid. Breng voor meer informatie over het
afronden van de registratie een bezoek aan
vod.divx.com.
Octrooinummer
Beschermd door een of meer van de volgende
octrooien in de VS. 7,295,673; 7,460,668;
7,515,710; 8,656,183; 8,731,369; RE45,052
}}
555
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Gracenote®
Het copyright © van bepaalde delen van de
inhoud berust bij Gracenote of zijn leveranciers.
Gracenote, Gracenote-logo en -logotype,
"Powered by Gracenote" en Gracenote MusicID
zijn geregistreerde handelsmerken of handelsmerken die eigendom zijn van Gracenote, Inc. in
de VS en/of andere landen.
Licentieovereenkomst Gracenote®
Deze toepassing of dit apparaat bevat software
van Gracenote, Inc. uit Emeryville, Californië (‘Gracenote’). Met de software van Gracenote (“Gracenote-software”) kan deze toepassing schijf- en of
bestandsidentificatie uitvoeren en muziekverwante gegevens ophalen, waaronder informatie
over de naam, artiest, track en titel (“Gracenotegegevens”) vanuit online-servers of ingesloten
databases (samen “Gracenote-servers”). De toepassing kan tevens andere functies verrichten. U
mag Gracenote-gegevens uitsluitend gebruiken
door middel van de beoogde eindgebruikersfuncties van deze toepassing of dit apparaat.
556
U stemt ermee in de Gracenote-gegevens, de
Gracenote-software en Gracenote-servers uitsluitend voor uw eigen, niet-commercieel privégebruik te gebruiken. U stemt ermee in de Gracenote-software of welke Gracenote-gegevens dan
ook niet aan derden toe te wijzen, te kopiëren,
over te dragen of door te zenden. U STEMT
ERMEE IN DE GRACENOTE-GEGEVENS, DE
GRACENOTE-SOFTWARE OF DE GRACENOTESERVERS UITSLUITEND TE GEBRUIKEN OP
DE MANIER DIE HIERIN UITDRUKKELIJK
WORDT TOEGESTAAN.
U stemt ermee in dat uw niet-exclusieve licentie
om de Gracenote-gegevens, de Gracenote-software en de Gracenote-servers te gebruiken, zal
worden beëindigd als u inbreuk maakt op deze
beperkingen. Als uw licentie wordt beëindigd,
stemt u ermee in op geen enkele wijze meer
gebruik te maken van de Gracenote-gegevens,
de Gracenote-software en de Gracenote-servers.
Gracenote behoudt zich alle rechten voor met
betrekking tot de Gracenote-gegevens, de Gracenote-software en de Gracenote-servers, inclusief alle eigendomsrechten. In geen geval is Gracenote aansprakelijk voor betaling aan u voor
informatie die u verschaft. U stemt ermee in dat
Gracenote, Inc. volgens deze overeenkomst uit
eigen naam rechtstreeks mag toezien op naleving van de rechten jegens u.
De Gracenote-service gebruikt een unieke identificatiecode om query's na te sporen voor statistische doeleinden. Het doel van deze willekeurig
toegewezen numerieke code is om de Gracenote-service query's te laten tellen zonder te
weten wie u bent. Ga voor meer informatie naar
de webpagina over het Privacybeleid van Gracenote voor de Gracenote-service.
De licentie voor de Gracenote-software en alle
onderdelen van de Gracenote-gegevens wordt
verstrekt op "AS IS"-basis. Gracenote doet geen
toezeggingen en verstrekt geen garantie, uitdrukkelijk of stilzwijgend, ten aanzien van de juistheid
van de Gracenote-gegevens in de Gracenoteservers. Gracenote behoudt zich het recht voor
om gegevens te verwijderen van de Gracenoteservers of om gegevenscategorieën te wijzigen
als Gracenote hiertoe voldoende reden ziet. Er
wordt geen garantie verstrekt dat de Gracenotesoftware of Gracenote-servers geen onjuistheden
bevatten of dat het functioneren van de Gracenote-software of Gracenote-servers ononderbroken zal zijn. Gracenote is niet verplicht u te voorzien van nieuwe, verbeterde of extra gegevenstypen of -categorieën die Gracenote mogelijk in de
toekomst verschaft; Gracenote mag de diensten
op elk moment beëindigen.
GRACENOTE WIJST ALLE GARANTIES, UITDRUKKELIJK OF STILZWIJGEND, INCLUSIEF
MAAR NIET BEPERKT TOT STILZWIJGENDE
GARANTIES MET BETREKKING TOT VERKOOPBAARHEID, GESCHIKTHEID VOOR EEN
BEPAALD DOEL, EIGENDOMSRECHT EN HET
GEEN INBREUK MAKEN OP RECHTEN VAN
DERDEN, VAN DE HAND. GRACENOTE VER-
GELUID, MEDIA EN INTERNET
STREKT GEEN GARANTIES TEN AANZIEN VAN
DE RESULTATEN DIE WORDEN VERKREGEN
VOOR UW GEBRUIK VAN GRACENOTE-SOFTWARE OF WELKE GRACENOTE-SERVER DAN
OOK. GRACENOTE IS IN GEEN GEVAL AANSPRAKELIJK VOOR INDIRECTE OF GEVOLGSCHADE, GEDERFDE WINST OF VERLIES VAN
INKOMSTEN.
© Gracenote, Inc. 2009
Sensus software
This software uses parts of sources from clib2
and Prex Embedded Real-time OS - Source
(Copyright (c) 1982, 1986, 1991, 1993, 1994),
and Quercus Robusta (Copyright (c) 1990,
1993), The Regents of the University of
California. All or some portions are derived from
material licensed to the University of California by
American Telephone and Telegraph Co. or Unix
System Laboratories, Inc. and are reproduced
herein with the permission of UNIX System
Laboratories, Inc. Redistribution and use in
source and binary forms, with or without
modification, are permitted provided that the
following conditions are met: Redistributions of
source code must retain the above copyright
notice, this list of conditions and the following
disclaimer. Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer in the
documentation and/or other materials provided
with the distribution. Neither the name of the
<ORGANIZATION> nor the names of its
contributors may be used to endorse or promote
products derived from this software without
specific prior written permission. THIS
SOFTWARE IS PROVIDED BY THE COPYRIGHT
HOLDERS AND CONTRIBUTORS "AS IS" AND
ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES,
INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE
IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY
AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE
ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE
COPYRIGHT OWNER OR CONTRIBUTORS BE
LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT,
INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING,
BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF
SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF
USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS
INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON
ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN
CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT
(INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE)
ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF
THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE
POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE.
This software is based in part on the work of the
Independent JPEG Group.
This software uses parts of sources from
"libtess". The Original Code is: OpenGL Sample
Implementation, Version 1.2.1, released January
26, 2000, developed by Silicon Graphics, Inc. The
Original Code is Copyright (c) 1991-2000 Silicon
Graphics, Inc. Copyright in any portions created
by third parties is as indicated elsewhere herein.
All Rights Reserved. Copyright (C) [1991-2000]
Silicon Graphics, Inc. All Rights Reserved.
Permission is hereby granted, free of charge, to
any person obtaining a copy of this software and
associated documentation files (the "Software"),
to deal in the Software without restriction,
including without limitation the rights to use,
copy, modify, merge, publish, distribute,
sublicense, and/or sell copies of the Software,
and to permit persons to whom the Software is
furnished to do so, subject to the following
conditions: The above copyright notice including
the dates of first publication and either this
permission notice or a reference to http://
oss.sgi.com/projects/FreeB/ shall be included in
all copies or substantial portions of the Software.
THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS",
WITHOUT WARRANTY OF ANY KIND,
EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT SHALL
SILICON GRAPHICS, INC. BE LIABLE FOR ANY
CLAIM, DAMAGES OR OTHER LIABILITY,
WHETHER IN AN ACTION OF CONTRACT,
TORT OR OTHERWISE, ARISING FROM, OUT
OF OR IN CONNECTION WITH THE SOFTWARE
OR THE USE OR OTHER DEALINGS IN THE
SOFTWARE. Except as contained in this notice,
the name of Silicon Graphics, Inc. shall not be
}}
557
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
used in advertising or otherwise to promote the
sale, use or other dealings in this Software
without prior written authorization from Silicon
Graphics, Inc.
This software is based in parts on the work of the
FreeType Team.
This software uses parts of SSLeay Library:
Copyright (C) 1995-1998 Eric Young
(eay@cryptsoft.com). All rights reserved
camellia:1.2.0
Copyright (c) 2006, 2007
NTT (Nippon Telegraph and Telephone
Corporation). All rights reserved.
Redistribution and use in source and binary
forms, with or without modification, are permitted
provided that the following conditions are met:
1.
Redistributions of source code must retain
the above copyright notice, this list of
conditions and the following disclaimer as
the first lines of this file unmodified.
2.
Redistributions in binary form must
reproduce the above copyright notice, this list
of conditions and the following disclaimer in
the documentation and/or other materials
provided with the distribution.
Linux software
This product contains software licensed under
GNU General Public License (GPL) or GNU
Lesser General Public License (LGPL), etc.
You have the right of acquisition, modification,
and distribution of the source code of the GPL/
LGPL software.
You may download Source Code from the
following website at no charge: http://
www.embedded-carmultimedia.jp/linux/oss/
download/TVM_8351_013
The website provides the Source Code "As Is"
and without warranty of any kind.
By downloading Source Code, you expressly
assume all risk and liability associated with
downloading and using the Source Code and
complying with the user agreements that
accompany each Source Code.
Please note that we cannot respond to any
inquiries regarding the source code.
558
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY NTT ``AS
IS'' AND ANY EXPRESS OR IMPLIED
WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED
TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN
NO EVENT SHALL NTT BE LIABLE FOR ANY
DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL,
EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES
(INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO,
PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR
SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS;
OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER
CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY,
WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY,
OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR
OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF
THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF
ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
Unicode: 5.1.0
COPYRIGHT AND PERMISSION NOTICE
Copyright c 1991-2013 Unicode, Inc. All rights
reserved. Distributed under the Terms of Use in
http://www.unicode.org/copyright.html.
Permission is hereby granted, free of charge, to
any person obtaining a copy of the Unicode data
files and any associated documentation (the
"Data Files") or Unicode software and any
associated documentation (the "Software") to
deal in the Data Files or Software without
restriction, including without limitation the rights
to use, copy, modify, merge, publish, distribute,
and/or sell copies of the Data Files or Software,
and to permit persons to whom the Data Files or
Software are furnished to do so, provided that (a)
the above copyright notice(s) and this permission
notice appear with all copies of the Data Files or
Software, (b) both the above copyright notice(s)
and this permission notice appear in associated
documentation, and (c) there is clear notice in
each modified Data File or in the Software as
well as in the documentation associated with the
Data File(s) or Software that the data or software
has been modified.
GELUID, MEDIA EN INTERNET
THE DATA FILES AND SOFTWARE ARE
PROVIDED "AS IS", WITHOUT WARRANTY OF
ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING
BUT NOT LIMITED TO THE WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND
NONINFRINGEMENT OF THIRD PARTY
RIGHTS. IN NO EVENT SHALL THE
COPYRIGHT HOLDER OR HOLDERS
INCLUDED IN THIS NOTICE BE LIABLE FOR
ANY CLAIM, OR ANY SPECIAL INDIRECT OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES, OR ANY
DAMAGES WHATSOEVER RESULTING FROM
LOSS OF USE, DATA OR PROFITS, WHETHER
IN AN ACTION OF CONTRACT, NEGLIGENCE
OR OTHER TORTIOUS ACTION, ARISING OUT
OF OR IN CONNECTION WITH THE USE OR
PERFORMANCE OF THE DATA FILES OR
SOFTWARE.
Verklaring van overeenstemming
Except as contained in this notice, the name of a
copyright holder shall not be used in advertising
or otherwise to promote the sale, use or other
dealings in these Data Files or Software without
prior written authorization of the copyright holder.
}}
559
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Land/
regio
Brazilië:
Este equipamento opera em caráter secundário isto e, náo tem direito a protecão contra interferéncia prejudicial, mesmo tipo, e não pode
causar interferéncia a sistemas operando em caráter primário.
Para consultas, visite: www.anatel.gov.br
EU:
Producent: Mitsubishi Electric Corporation Sanda Works 2-3-33, Miwa, Sanda-city. Hyogo, 669-1513, Japan
Mitsubishi Electric Corporation verklaart bij dezen dat de radioapparatuur van het type [Audio Navigation Unit] in overeenstemming is met de
Richtlijn 2014/53/EU.
Voor meer informatie, zie support.volvocars.com.
Verenigde
Arabische
Emiraten:
560
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Land/
regio
Kazachstan:
Modelnaam: NR-0V
Producent: Mitsubishi Electric Corporation
Exportland: Japan
}}
561
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Land/
regio
China:
1.
■ 使用频率
2.4 - 2.4835 GHz
■ 等效全向辐射
■ 最大
率(EIRP)
率谱密度
天线增益
天线增益
≤100 mW 或≤20 dBm ①
≤20 dBm / MHz(EIRP) ①
■ 载频容限
20 ppm
■ 帯外发射
率(在 2.4-2.4835GHz 頻段以外) ≤-80 dBm / Hz (EIRP)
■ 杂散发射(辐射)
•
•
•
•
•
率(对应载波±2.5 倍信道带宽以外)
≤-36 dBm / 100 kHz (30 - 1000 MHz)
≤-33 dBm / 100 kHz (2.4 - 2.4835 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (3.4 - 3.53 GHz)
≤-40 dBm / 1 MHz (5.725 - 5.85 GHz)
≤-30 dBm / 1 MHz (其它 1 - 12.75 GHz)
2.不得擅自更改发射频率
大发射
率(包括额外
3.使用时不得对各种合法的无线电通信业
使用
4.使用微
率无线电设备,必须忍
5.不得在飞机和机场附近使用
562
10dBi 时
10dBi 时
装射频
产生有害干扰
各种无线电业
率放大器),不得擅自外接天线或改用其它发射天线
一旦发现有干扰现象时,应立即停止使用,并采
的干扰或工业
科学及医疗应用设备的辐射干扰
措施消除干扰后方可继续
GELUID, MEDIA EN INTERNET
Land/
regio
Korea:
B 급 기기 (가정용 방송통신기자재)
이 기기는 가정용(B 급) 전자파적합기기로서 주로
가정에서 사용하는 것을
적으로 하며,
든
지역에서 사용할 수 있습니다.
해당 무선설비는 전파혼신 가능성이 있으므로 인명안전과 관련된 서비스는 할 수 없습니다.
Maleisië
This device has been certified under the Communications & Multimedia Act of 1998, Communications and Multimedia (Technical Standards)
Regulations 2000.To retrieve your device’s serial number, please visit (support.volvocars.com) and search for “SIRIM Label Verification”.
Device category: Navigation equipment for vehicle (Bluetooth)
Model: NR-0V
Type Approval No.:
RBAY/18A/1015S(15-4067)
}}
563
GELUID, MEDIA EN INTERNET
||
Land/
regio
Mexico:
Taiwan:
低功率電波輻射性電機管理辦法
第十二條
經型式認證合格之低功率射頻電機,非經許可,公司
變更頻率
商號或使用者均不得擅自
加大功率或變更原設計之特性及功能
第十四條
低功率射頻電機之使用不得影響飛航安全及干擾合法通信;經發現有干擾現象時,應
立停用,改善至無干擾時方得繼續使用
電通信
前項合法通信,指依電信法規定作業之無線
低功率射頻電機須忍受合法通信或工業
科學及醫療用電波輻射性電機設備
之干擾
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
564
Audio, media en internet (p. 510)
Auto met actieve internetverbinding* (p. 545)
Mediaspeler (p. 521)
Gracenote® (p. 525)
Sensus - connectiviteit en entertainment
(p. 36)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
WIELEN EN BANDEN
Banden
Nieuwe banden
De banden bieden onder meer draagvermogen,
grip op de ondergrond, trillingsdemping en
beschermen de wielen tegen slijtage.
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat,
de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn
belangrijk voor het rijgedrag van de auto.
Zuinige banden
•
•
Welke banden er op de auto zitten staat op de
bandengegevenssticker op de B-stijl (tussen
voor- en achterportier) aan bestuurderszijde.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan voor een oncontroleerbare auto zorgen.
Aanbevolen banden
De auto wordt aangeleverd met originele Volvobanden met aan de zijkant het opschrift VOL1.
Deze banden zijn zorgvuldig afgestemd op de
auto. Bij het verwisselen van banden is het
daarom belangrijk om erop te letten dat ook de
nieuwe banden voorzien zijn van dit opschrift voor
het behoud van de rijeigenschappen, het rijcomfort en het brandstofverbruik van de auto.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en
neemt de grip op het wegdek stukje bij beetje af.
Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo
nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De laatste cijfers van de
cijferreeks geven de week en het jaar van productie aan. Het is de zogenoemde DOT-code
(Department of Transportation) van de band en
bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld 0717. Een
dergelijke band is de 7e week van het jaar 2017
geproduceerd.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u door
een vakman laten controleren, ook al zien ze er
intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken
1
566
Voor bepaalde bandenmaten zijn afwijkingen mogelijk.
wordt, als banden zelden of nooit worden
gebruikt. Daarbij kan de werking van de band
worden aangetast. Dit geldt voor alle banden die
u voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is voor
gebruik.
Zorg steeds voor de juiste bandenspanning.
Vermijd snelle starts, krachtig remmen en
piepende banden.
•
Naarmate er sneller wordt gereden, slijten de
banden ook sneller.
•
De juiste instelling van de voorwielen is erg
belangrijk.
•
Ongebalanceerde wielen maken banden
minder zuinig en verslechteren het rijcomfort.
•
De banden moeten tijdens hun hele levensduur dezelfde rotatierichting hebben.
•
Als u van banden wisselt, moeten de banden
met het beste profiel op de achterwielen
worden gemonteerd om het gevaar voor
oversturen bij krachtig remmen te beperken.
•
Als u over trottoirbanden of door diepe gaten
rijdt, kunt u de banden en/of velgen permanent beschadigen.
WIELEN EN BANDEN
Bandenrotatie
De auto heeft geen verplichte bandenrotatie. De
rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en de
staat van de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten.
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op.
Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en
slijtpatronen in de banden tegen te gaan dient u
de wielen op de voor- en achteras onderling van
plaats te verwisselen. Verricht de eerste wissel na
zo'n 5000 km (zo'n 3100 miles) en doe dat
daarna om de 10.000 km (zo'n 6200 miles)
opnieuw.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, als u niet zeker bent
van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in de slijtage (> 1 mm verschil in profieldiepte) van de banden, dienen de minst versleten
banden altijd op de achteras te zitten. Slippende
voorwielen zijn gemakkelijker te corrigeren dan
slippende achterwielen, omdat de auto rechtuit
blijft rijden in plaats van uit te breken met de achterkant waarbij u mogelijk de controle over de
auto verliest. Daarom is belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de voorwielen grip verliezen.
Wielen en banden opslaan
Als u complete wielen (banden gemonteerd op
velgen) opslaat, moeten die worden opgehangen
of op hun zijkant op de vloer liggen.
Banden die niet op velgen zijn gemonteerd, moeten liggend op hun zijkant of rechtopstaand worden opgeslagen, maar niet worden opgehangen.
BELANGRIJK
Banden moeten worden opgeslagen op een
koele, droge en donkere plaats en mogen
nooit worden opgeslagen in de buurt van
oplosmiddelen, benzine, oliën e.d.
WAARSCHUWING
•
De maten van velgen en banden voor uw
Volvo zijn aangegeven om te voldoen aan
strenge eisen als het gaat om stabiliteit
en rijeigenschappen. Niet-goedgekeurde
combinaties van velg- en bandenmaten
kunnen van negatieve invloed zijn op de
stabiliteit en de rijeigenschappen van de
auto.
•
Eventuele schade veroorzaakt door
gemonteerde combinaties van velgen/
banden met niet-goedgekeurde maten
vallen niet onder de fabrieksgarantie.
Volvo aanvaardt geen aansprakelijkheid
voor overlijden, letsel of kosten die het
gevolg kunnen zijn van dergelijke installaties.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
•
Bandenspanning controleren (p. 570)
De draairichting van de banden. (p. 569)
Slijtage-indicator van banden (p. 570)
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 573)
Noodreparatieset voor banden (p. 587)
Maataanduiding voor banden (p. 568)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 688)
Adviezen voor het vervoer van bagage
(p. 601)
* Optie/accessoire. 567
WIELEN EN BANDEN
Maataanduiding voor banden
Snelheidsklasse
Aanduidingen voor de afmetingen, lastindex en
snelheidsklasse van de banden.
Elke band is berekend op een bepaalde maximumsnelheid. De snelheidsklasse, SS (Speed
Symbol), van de banden moet minimaal overeenkomen met de topsnelheid van de auto. In onderstaande tabel staat welke toelaatbare maximumsnelheid voor de verschillende snelheidsklassen
(SS) geldt. De enige uitzondering hierop vormen
winterbanden2, waarvoor een lagere snelheidsklasse gebruikt mag worden. Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor klasse Q geldt bijvoorbeeld een
maximumsnelheid van 160 km/h (100 mph).) De
gesteldheid van het wegdek is bepalend voor de
maximumsnelheid en niet de snelheidsklasse op
de banden.
De typegoedkeuring van de auto geldt in combinatie met bepaalde wielen en banden.
Maataanduiding
Alle banden hebben een bepaalde maataanduiding, bijvoorbeeld: 235/60 R18 103 H.
235
Breedte van de band (mm)
60
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
18
Velgdiameter van de band
103
Aanduiding van het draagvermogen van
de band, lastindex (LI)
H
Aanduiding van de snelheidslimiet van
de band, snelheidsklasse (SS). (In het
gegeven geval 210 km/h (130 mph).)
N.B.
In de tabel staat de maximaal toegestane
snelheid.
Q
160 km/h (100 mph) (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h (118 mph)
H
210 km/h (130 mph)
V
240 km/h (149 mph)
Lastindex
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen,
wat wordt aangeduid met de lastindex (LI). Het
gewicht van de auto bepaalt het draagvermogen
van de banden.
2
568
Onder winterbanden worden zowel banden met als zonder "spikes" verstaan.
W
270 km/h (168 mph)
Y
300 km/h (186 mph)
WAARSCHUWING
De minimaal toelaatbare lastindex (LI) en de
snelheidsklasse (SS) van de banden voor de
verschillende motorvarianten staan gespecificeerd in de gedrukte gebruikershandleiding.
Bij gebruik van banden met een te lage lastindex of snelheidsklasse kunnen de banden
oververhit en beschadigd raken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Banden (p. 566)
Maataanduiding voor wielen (p. 569)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 688)
Minimaal toelaatbare lastindex en snelheidsklassen voor banden (p. 689)
WIELEN EN BANDEN
Maataanduiding voor wielen
De draairichting van de banden.
Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals in
de onderstaande tabel.
De typegoedkeuring van de auto geldt in combinatie met bepaalde wielen en banden.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een bepaalde
richting draaien, staat deze richting aangegeven
met een pijl op de zijkant van de band.
Alle wielen hebben een bepaalde maataanduiding, bijvoorbeeld: 8Jx18x42,5.
8
Velgbreedte in inch
J
Profiel velgrand
18
Velgdiameter van de band
42,5
Bolling in mm (afstand tussen de verticale aslijn door het wiel en het contactvlak met de naaf)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden (p. 566)
Maataanduiding voor banden (p. 568)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 688)
N.B.
Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde maat
en ook hetzelfde merk voor beide wielparen
hebt.
Gerelateerde informatie
•
Banden (p. 566)
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
•
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben.
•
Banden mogen alleen van voor naar achter
verwisseld worden, nooit van links naar
rechts of omgekeerd.
•
Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen
de remeigenschappen van de auto af en
kunnen de banden regen, sneeuw en drab
minder goed afvoeren.
•
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor
slippen te verminderen).
569
WIELEN EN BANDEN
Slijtage-indicator van banden
Bandenspanning controleren
Koude banden
De slijtage-indicator geeft de status aan van de
profieldiepte van de band.
Een juiste bandenspanning is een hulpmiddel
voor een betere rijstabiliteit, een lager brandstofverbruik en banden die langer meegaan.
De bandenspanning moet worden gecontroleerd
als de banden koud zijn.
Dat de bandenspanning na verloop van tijd daalt
is normaal. De bandenspanning varieert ook
afhankelijk van de omgevingstemperatuur. Wanneer u met een te lage bandenspanning rijdt,
kunnen de banden oververhit en beschadigd
raken. De bandenspanning is van invloed op het
rijcomfort, de geproduceerde weggeluiden en de
rijeigenschappen.
De slijtage-indicator is een smalle ophoging die
dwars op het bandenprofiel staat. Op de zijwand
van de band staan de letters TWI (Tread Wear
Indicator). De slijtage-indicatoren zijn duidelijk
zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten
is dat slechts 1,6 mm (1/16 inch) van het profiel
over is. Vervang de banden dan zo spoedig
mogelijk. Let erop dat een band met een gering
profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij
regen of sneeuw.
Controleer iedere maand de bandenspanning.
Gebruik de aanbevolen bandenspanning voor
koude banden, voor optimale bandenprestaties
en een optimale slijtage. Een te lage of te hoge
bandenspanning kan ertoe leiden dat banden
onregelmatig slijten.
WAARSCHUWING
•
Gerelateerde informatie
•
Banden (p. 566)
•
570
Een te lage bandenspanning is de meest
voorkomende reden voor het stukgaan
van banden en kan leiden tot ernstige
barsten in de band, het loslaten van het
loopvlak of een klapband. Daarbij raken
mensen onverwacht de controle over de
auto kwijt en bestaat er gevaar voor letsel.
Als de bandenspanning te laag is, heeft
de auto minder laadvermogen.
De banden worden beschouwd als koud als ze
dezelfde temperatuur hebben als de omgevingslucht.
Deze temperatuur wordt normaal gesproken
bereikt als de auto minimaal 3 uur geparkeerd
heeft gestaan.
Wanneer er ongeveer 1,6 km (1 mijl) mee is
gereden, zijn de banden te beschouwen als
warm. Als u verder dan dat moet rijden voor het
oppompen van de banden, moet u eerst de bandenspanning controleren en registreren en vervolgens de juiste bandenspanning toevoegen als
u bij de pomp bent aangekomen.
Als de buitentemperatuur verandert, verandert
ook de bandenspanning. Een temperatuurverlaging van 10 graden zorgt ervoor dat de bandenspanning met 1 psi (7 kPa) daalt. Controleer vaak
de bandenspanning en pas deze aan naar de
juiste druk. Deze vindt u op het plaatje met bandeninformatie of op het certificeringsetiket.
Als u de bandenspanning controleert bij warme
banden moet u er nooit lucht uit laten. De banden zijn warm door het rijden en het is normaal
dat de druk toeneemt tot boven de aanbevolen
druk voor koude banden. Een warme band met
een bandenspanning die gelijk is aan of lager is
dan de aanbevolen druk voor koude banden kan
een te lage druk hebben.
WIELEN EN BANDEN
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bandenspanning aanpassen (p. 571)
Aanbevolen bandenspanning (p. 572)
Bandenspanningscontrolesysteem*
(p. 573)
Banden (p. 566)
Bandenspanning aanpassen
Dat de bandenspanning na verloop van tijd daalt
is normaal. Daarom moet u om de aanbevolen
bandenspanning te handhaven de bandenspanning soms aanpassen.
Gebruik de aanbevolen bandenspanning voor
koude banden, voor optimale bandenprestaties
en een optimale slijtage.
3.
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade aan
het ventiel door grind, vuil e.d. te voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn moeilijk los te draaien.
N.B.
Controleer de bandenspanning bij koude banden om de verkeerde bandenspanning tegen
te gaan. Koude banden hebben dezelfde temperatuur als de omgeving (na ca. 3 uur stilstand). Al na enkele kilometers rijden worden
de banden warm en loopt de spanning op.
1.
Verwijder de dop van het ventiel van een
band en druk vervolgens met de manometer
krachtig op het ventiel.
2.
Vul lucht bij tot de aanbevolen druk is
bereikt.
Plaats het ventieldopje terug.
4.
Controleer de banden op het oog om te kijken of er geen spijkers of andere voorwerpen in vastzitten waardoor de band lek kan
gaan.
5.
Controleer de zijwanden; kijk of er geen
putjes, sneetjes, bobbels of andere onregelmatigheden zijn.
6.
Doe dit voor alle banden, ook de reserveband*.
}}
* Optie/accessoire. 571
WIELEN EN BANDEN
||
N.B.
Als u een band te hard hebt opgepompt, kunt
u lucht laten ontsnappen door op de metalen
pen in het midden van het ventiel te drukken.
Controleer vervolgens de spanning opnieuw
met de manometer.
Aanbevolen bandenspanning
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier)
staat de juiste bandenspanning voor uw auto
aangegeven bij verschillende belading en snelheid.
Sommige reservebanden vereisen een
hogere bandenspanning dan andere banden.
Raadpleeg de bandenspanningstabel of het
bandenspanningsplaatje.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 572)
Bandenspanning controleren (p. 570)
Band oppompen met compressor uit reparatieset voor banden (p. 591)
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 690)
Op het plaatje staat de aanduiding voor de af
fabriek gemonteerde banden van de auto plus de
maximale belasting en de bandenspanning.
Zuiniger rijden met ECO-bandenspanning
Bij een lichte belading (maximaal 3 inzittenden)
en snelheden tot 160 km/h (100 mph) kunt u
voor brandstofbesparing de ECO-bandenspanning aanhouden. Als u echter uit bent op een
minimum aan rijgeluiden en optimaal rijcomfort
wordt geadviseerd de lagere Comfort-bandenspanning aan te houden.
572
Gerelateerde informatie
•
•
Bandenspanning controleren (p. 570)
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 690)
WIELEN EN BANDEN
Bandenspanningscontrolesysteem*
Het bandenspanningscontrolesysteem Indirect
Tyre Pressure Monitoring System (ITPMS) waarschuwt u met een controlesymbool op het
bestuurdersdisplay voor een te lage bandenspanning in een of meer banden van de auto.
Symbool
Uitleg
Het symbool gaat branden om een
te lage bandenspanning aan te
geven.
Als er een storing optreedt in het
systeem, zal het waarschuwingssymbool voor de bandenspanning
ongeveer een minuut knipperen en
vervolgens constant gaan branden.
Systeembeschrijving
Het bandenspanningscontrolesysteem meet met
behulp van het ABS de verschillen in de omwentelingssnelheid van de verschillende wielen om zo
te kunnen bepalen of de bandenspanning in orde
is. Bij een te geringe bandenspanning verandert
de diameter en daarmee ook de rotatiesnelheid
van de band. Aan de hand van onderlinge vergelijkingen kan het systeem vaststellen of de spanning in een of meer banden te gering is.
Algemene informatie over
bandenspanningscontrolesystemen
In de onderstaande informatie wordt het bandenspanningscontrolesysteem aangeduid met de
algemene benaming TPMS.
Iedere band, ook de reserveband*, moet maandelijks worden gecontroleerd. Bij controle moet de
band koud zijn en de bandenspanning hebben
die door de autofabrikant wordt aanbevolen op
de bandenspanningssticker of in de bandenspanningstabel. Als de auto banden heeft met een
andere maat dan aanbevolen door de fabrikant,
moet u uitzoeken wat voor deze banden het juiste
bandenspanningsniveau is.
Als extra veiligheidsmaatregel is de auto voorzien
van een bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS) dat aangeeft wanneer de bandenspanning in een of meer banden te laag is. Wanneer
het controlesymbool voor een lage bandenspanning gaat branden, moet u zo snel mogelijk stoppen, de banden controleren en de band(en)
oppompen tot de juiste spanning.
Rijden op banden met een te lage bandenspanning kan ertoe leiden dat de banden oververhit
raken, waardoor de banden lek kunnen raken.
Door een lage bandenspanning gaat u ook minder zuinig rijden en gaan de banden minder lang
mee én het kan gevolgen hebben voor de rijeigenschappen van de auto en het vermogen om
tot stilstand te komen. Let erop dat TPMS geen
vervanging is voor normaal bandenonderhoud. De
bestuurder dient de juiste bandenspanning te
handhaven, óók als de grenswaarde voor een
lage bandenspanning niet is bereikt en het controlesymbool daardoor nog niet is gaan branden.
De auto is ook voorzien van een indicator voor
storingen in het TPMS. Deze geeft aan wanneer
het systeem niet correct werkt. De indicator voor
storingen in het TPMS is gecombineerd met het
controlesymbool voor een lage bandenspanning.
Als het systeem een storing detecteert, gaat het
symbool op het bestuurdersdisplay circa één
minuut knipperen om vervolgens te blijven branden. Dit wordt telkens herhaald als de auto wordt
gestart tot de storing is verholpen. Wanneer het
symbool brandt, kan dat gevolgen hebben voor
het vermogen van het systeem om een lage bandenspanning te detecteren en ervoor te waarschuwen.
Storingen in het TPMS kunnen diverse oorzaken
hebben zoals het gebruik van een reservewiel of
andere banden of wielen, waardoor het TPMS
niet goed kan functioneren.
Controleer altijd het controlesymbool voor het
TPMS nadat u een of meer banden hebt vervangen om er zeker van te zijn dat de nieuwe band
of het nieuwe wiel goed werkt in combinatie met
het TPMS.
Meldingen op het instrumentenpaneel
Bij een te lage bandenspanning gaat het controlelampje voor een lage bandenspanning op het
}}
* Optie/accessoire. 573
WIELEN EN BANDEN
||
bestuurdersdisplay branden en er verschijnt een
melding.
WAARSCHUWING
• Bandenspanning laag Controleer
•
Een verkeerde bandenspanning kan tot
bandenpech leiden, waarbij u de controle
over de auto kunt verliezen.
•
Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
banden, kalibreer na vullen
• Bandenspanningssyst. Tijdelijk niet
beschikbaar
• Bandenspanningssyst. Service vereist
Waar u op moet letten
•
574
Kalibreer het systeem altijd na het verwisselen van wielen of het aanpassen van de bandenspanning. Zie de bandenspanningssticker
op de portierstijl aan bestuurderszijde voor
de bandenspanning die Volvo adviseert.
•
Als u wielen met een bandenmaat anders
dan de originele monteert moet u het systeem herkalibreren met de nieuwe banden
om onterechte waarschuwingen tegen te
gaan.
•
Bij gebruik van een reservewiel* werkt het
bandenspanningscontrolesysteem mogelijk
niet goed door verschillen tussen de wielen.
•
Het systeem vormt geen vervanging voor een
regelmatige bandeninspectie en onderhoud.
•
Het is niet mogelijk het bandenspanningscontrolesysteem uit te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 572)
Bandenspanningsstatus op het middendisplay* bekijken (p. 576)
•
Maatregel bij een waarschuwing voor een
lage bandenspanning (p. 577)
•
Bandenspanningscontrolesysteem kalibreren* (p. 574)
Bandenspanningscontrolesysteem
kalibreren*
Het bandenspanningscontrolesysteem Indirect
Tyre Pressure Monitoring System (ITPMS) kan
alleen correct werken, wanneer er een referentiewaarde voor de bandenspanning is vastgesteld. Dit moet na iedere bandenwissel of wijziging in de bandenspanning gebeuren.
Zo moet u de bandenspanning afstemmen op de
door Volvo geadviseerde bandenspanningswaarden bij ritten met een zware belading of op hoge
snelheden (meer dan 160 km/h (100 mph)).
Herkalibreer het systeem vervolgens.
1.
Zet de auto uit.
2.
Pomp de banden op tot de gewenste spanning, volgens de bandenspanningssticker
aan de binnenkant van de portierstijl aan
bestuurderszijde.
3.
Start de motor.
4.
Open de app Auto status op het appscherm.
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
5.
Druk op TPMS.
N.B.
De auto moet stilstaan bij het starten van de
kalibratie.
6.
Druk op Kalibreren.
7.
Druk op OK om te bevestigen dat u de bandenspanning van alle vier de wielen hebt
gecontroleerd en aangepast.
8.
Rijd in de auto totdat de kalibratie voltooid is.
N.B.
Het kalibreren vindt plaats als de auto rijdt
op een snelheid van meer dan 35 km/h
(22 mph).
> Wanneer het systeem voldoende gegevens heeft verzameld om een geringe
bandenspanning te kunnen detecteren,
verandert de kleur van de banden op het
middendisplay van grijs in groen. Het systeem geeft na afloop van de kalibratie
geen bevestiging.
Vergeet niet om altijd het bandenspanningscontrolesysteem te kalibreren als u wielen
hebt vervangen of als de bandenspanning is
aangepast volgens de bandenspanningssticker of de bandenspanningstabel.
Als niet de juiste referentiewaarden zijn ingesteld, kan het systeem niet op de juiste
manier waarschuwen voor een te lage bandenspanning.
De auto moet stilstaan met een draaiende
motor om toegang te krijgen tot de kalibratieknop en het kalibratieproces te kunnen
starten.
Als u het contact uitschakelt voordat de
kalibratie is afgerond, hebben de banden
op het middendisplay de volgende keer
dat u de auto start geen grijze maar een
groene kleur, ondanks dat de kalibratie
niet is voltooid. Start een nieuwe kalibratie
en wacht met het uitschakelen van het
contact totdat de kalibratie is voltooid om
er zeker van te zijn dat een correcte kalibratie is uitgevoerd.
Als de kalibratie niet kan worden gestart,
verschijnt de melding Kalibreren niet
gelukt. Probeer opnieuw..
WAARSCHUWING
De uitlaatgassen bevatten koolstofmonoxide.
Dit is onzichtbaar en geurloos, maar wel zeer
giftig. Het kalibreren moet daarom altijd buitenshuis of in een werkplaats met afzuiginstallatie voor uitlaatgas gebeuren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 572)
Bandenspanning aanpassen (p. 571)
Bandenspanningsstatus op het middendisplay* bekijken (p. 576)
}}
* Optie/accessoire. 575
WIELEN EN BANDEN
•
Maatregel bij een waarschuwing voor een
lage bandenspanning (p. 577)
Bandenspanningsstatus op het
middendisplay* bekijken
•
Bandenspanningscontrolesysteem* (p. 573)
Het bandenspanningscontrolesysteem, Indirect
Tyre Pressure Monitoring System (ITPMS), biedt
u de mogelijkheid om op het middendisplay de
bandenspanningsstatus te bekijken.
Status controleren
1.
Open de app Auto status op het appscherm.
Groene band:
•
2.
Druk op TPMS om de status van de banden
te bekijken.
De bandenspanning is hoger dan de grenswaarde voor een waarschuwing.
Gele band:
•
De bandenspanning is te laag. Stop de auto
en controleer/corrigeer de bandenspanningswaarde door de band onmiddellijk op te
pompen. Kalibreer het systeem na aanpassing van de bandenspanning.
Alle banden geel:
•
Statusindicatie
De grafische voorstelling op het middendisplay
geeft voor iedere band3 de status aan.
3
576
De bandenspanning van twee of meer banden is te gering. Stop de auto en controleer/
corrigeer de bandenspanningswaarden door
de banden onmiddellijk op te pompen. Kalibreer het systeem na aanpassing van de
bandenspanning.
De afbeelding is schematisch. Afhankelijk van de softwareversie en het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Alle banden grijs:
•
•
Kalibratie loopt.
Status onbekend.
U moet mogelijk enkele minuten rijden op snelheden hoger dan 35 km/h (22 mph) om het systeem te activeren.
Alle banden grijs en een melding:
• Bandenspanningssyst. Tijdelijk niet
beschikbaar. Het controlesymbool knippert
en gaat na zo'n 1 minuut constant branden.
Het systeem is tijdelijk niet beschikbaar,
maar wordt spoedig geactiveerd.
• Bandenspanningssyst. Service vereist.
Het controlesymbool knippert en gaat na
zo'n 1 minuut constant branden. Het systeem werkt niet naar behoren, neem contact
op met een werkplaats4.
Maatregel bij een waarschuwing
voor een lage bandenspanning
Wanneer het bandenspanningscontrolesysteem
Indirect Tyre Pressure Monitoring System
(ITPMS), waarschuwt, is de bandenspanning in
een of meer banden van de auto te laag zodat er
actie vereist is.
Controleer de bandenspanning en corrigeer deze zo nodig, wanneer het controlesymbool voor het systeem gaat
branden en de melding
Bandenspanning laag verschijnt.
Bandenspanningscontrolesysteem kalibreren* (p. 574)
•
Maatregel bij een waarschuwing voor een
lage bandenspanning (p. 577)
•
•
Bandenspanningscontrolesysteem* (p. 573)
Autostatus (p. 616)
N.B.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
Zet de auto uit.
2.
Controleer de bandenspanning van alle vier
de wielen met een manometer.
3.
Pomp de banden op tot de juiste spanning,
volgens de bandenspanningssticker aan de
binnenkant van de portierstijl aan bestuurderszijde.
4.
Kalibreer het systeem via het middendisplay
na aanpassing van de bandenspanning.
•
Let erop dat het symbool niet verdwijnt, voordat de geringe bandenspanning is verholpen
en een nieuwe kalibratie is verricht.
Een verkeerde bandenspanning kan tot
bandenpech leiden, waarbij u de controle
over de auto kunt verliezen.
•
Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
WAARSCHUWING
Gerelateerde informatie
•
•
4
•
1.
Gerelateerde informatie
•
N.B.
Controleer de bandenspanning bij koude banden om de verkeerde bandenspanning tegen
te gaan. Koude banden hebben dezelfde temperatuur als de omgeving (na ca. 3 uur stilstand). Al na enkele kilometers rijden worden
de banden warm en loopt de spanning op.
Aanbevolen bandenspanning (p. 572)
Bandenspanning aanpassen (p. 571)
}}
* Optie/accessoire. 577
WIELEN EN BANDEN
•
Bandenspanningscontrolesysteem kalibreren* (p. 574)
•
Bandenspanningsstatus op het middendisplay* bekijken (p. 576)
•
•
Bandenspanningscontrolesysteem* (p. 573)
Band oppompen met compressor uit reparatieset voor banden (p. 591)
Bij het verwisselen van wielen
Gereedschapsset
U kunt de wielen vervangen door bijvoorbeeld
winterwielen of een reservewiel. Neem de desbetreffende instructie in acht voor het demonteren en monteren van wielen.
In de bagageruimte van de auto ligt gereedschap dat bijvoorbeeld bij slepen of bij het verwisselen van een wiel kan worden gebruikt.
Bij montage van een andere
bandenmaat
Controleer of de bandenmaat goedgekeurd is
voor gebruik op de auto.
Neem bij montage van een andere bandenmaat
altijd contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor een update van de software. Bij montage van een grotere of kleinere bandenmaat en
ook bij het vervangen van zomerbanden door winterbanden is mogelijk een update van de software vereist.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
578
Wielen demonteren (p. 580)
Wiel monteren (p. 582)
Goedgekeurde wiel- en bandenmaten
(p. 688)
In het blok schuimrubber onder de vloer in de
bagageruimte ligt het sleepoog van de auto, een
noodreparatieset voor banden, gereedschap om
de kunststof doppen van de wielbouten te verwijderen en de dop voor de afsluitbare wielbouten.
Winterwielen (p. 585)
Bij een auto met reservewiel* treft u ook een krik
aan, een wielsleutel en een verpakking met
wegwerphandschoenen plus een opbergzak voor
het kapotte wiel.
Reservewiel* (p. 583)
Gerelateerde informatie
Gereedschapsset (p. 578)
Wielbouten (p. 579)
•
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 578)
Krik* (p. 579)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Krik*
BELANGRIJK
De krik is te gebruiken om de auto op te nemen
voor bijvoorbeeld het monteren van een reservewiel.
•
•
De afbeelding is schematisch, zodat de uitvoering kan
variëren.
Als de krik* niet wordt gebruikt, moet
deze worden bewaard op de daarvoor
bedoelde plaats onder de vloer van de
bagageruimte.
De normale krik die bij de auto zit, is
alleen bestemd voor sporadisch en kortstondig gebruik zoals bij het verwisselen
van een lekke band. Hef de auto alleen
met een krik die voor het desbetreffende
model bestemd is. Als de auto vaker
moet worden opgekrikt of voor langere
tijd zoals bij het onderling roteren van de
banden wordt het gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval de
gebruiksaanwijzing van de desbetreffende krik.
De krik past alleen als deze tot in de juiste stand
omlaaggedraaid wordt.
Modellen met niveauregeling*
Als de auto is voorzien van de optie luchtvering
moet die functie worden uitgeschakeld voordat
de auto met de krik omhoog wordt gebracht.
Gerelateerde informatie
•
Gereedschapsset (p. 578)
Wielbouten
De wielen zitten met wielbouten op de naven
vast.
BELANGRIJK
U dient de wielbouten aan te halen met
140 Nm (103 ft. lbs.). Als u ze te strak of niet
strak genoeg aanhaalt, kan de boutverbinding
beschadigd raken.
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd
zijn door Volvo en deel uitmaken van de originele
accessoires van Volvo.
Controleer met een momentsleutel het aanhaalkoppel van de wielbouten.
Gebruik geen smeermiddel op de draadwindingen van de wielbouten.
WAARSCHUWING
Trek de wielbouten enkele dagen na het verwisselen nog eens na. Temperatuurschommelingen en trillingen kunnen ertoe leiden dat de
wielbouten na verloop van tijd minder strak
vastzitten.
Afsluitbare wielbouten*
In het blok schuimrubber onder de vloer in de
bagageruimte is ruimte om de dop voor de
afsluitbare wielbouten in op te bergen.
}}
* Optie/accessoire. 579
WIELEN EN BANDEN
||
Gerelateerde informatie
•
•
Wielen demonteren (p. 580)
Wiel monteren (p. 582)
Wielen demonteren
Instructie voor het demonteren van wielen bij het
verwisselen van wielen. Het vervangen van wielen moet altijd op de juiste manier gebeuren.
BELANGRIJK
580
•
Als de krik* niet wordt gebruikt, moet
deze worden bewaard op de daarvoor
bedoelde plaats onder de vloer van de
bagageruimte.
•
De normale krik die bij de auto zit, is
alleen bestemd voor sporadisch en kortstondig gebruik zoals bij het verwisselen
van een lekke band. Hef de auto alleen
met een krik die voor het desbetreffende
model bestemd is. Als de auto vaker
moet worden opgekrikt of voor langere
tijd zoals bij het onderling roteren van de
banden wordt het gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval de
gebruiksaanwijzing van de desbetreffende krik.
WAARSCHUWING
•
Activeer de parkeerrem en zet de keuzehendel in de parkeerstand (P).
•
Blokkeer de wielen die op de grond staan
met grote houtblokken of grote stenen.
•
Controleer of de krik onbeschadigd is, of
de schroefdraden goed zijn gesmeerd en
of deze vrij van vuil is.
•
Controleer of de krik op een vaste en
vlakke ondergrond staat die niet glad is
en niet helt.
•
De krik moet op de juiste wijze in het
kriksteunpunt zijn bevestigd.
•
Leg nooit iets tussen de krik en de
ondergrond en evenmin tussen de krik en
het kriksteunpunt van de auto.
•
Laat nooit passagiers in een auto zitten
die op een krik staat.
•
Bij het verwisselen van een wiel langs de
kant van de weg dienen eventuele passagiers op veilige afstand te gaan staan.
•
Gebruik bij het verwisselen van banden
de krik die bij de auto hoort. Bok de auto
op bij alle andere werkzaamheden.
•
Kruip of reik nooit onder een auto die op
een krik staat.
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
1.
Plaats een gevarendriehoek en schakel de
alarmlichten in, als u een wiel moet verwisselen langs een drukke weg.
2.
Schakel de parkeerrem in en schakel stand
P in.
5.
Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in
de wielsleutel* vast volgens de instructie.
8.
Bij het opnemen van de auto is het belangrijk
dat u de krik* of de dragerarmen onder de
voorziene steunpunten in het onderstel van
de auto plaatst. Driehoekige markeringen op
de kunststof afdekking geven aan waar de
kriksteunpunten/hefpunten zitten. Er zitten
aan beide zijden van de auto twee kriksteunpunten. Bij elk steunpunt zit een uitsparing
voor de krik.
9.
Plaats de krik onder het te gebruiken bevestigingspunt op de grond; een stevige ondergrond die niet glad is.
Geldt voor auto's met Besturing
niveauregeling*: Bij een auto met luchtvering moet u de luchtvering uitschakelen,
voordat u de auto opneemt met een krik*.
3.
Neem de krik*, de wielsleutel* en het demontagegereedschap voor de kunststof wielboutdoppen uit het blok schuimrubber.
BELANGRIJK
Schroef het sleepoog zo ver mogelijk in de
wielsleutel*.
6.
Verwijder de kunststof boutafdekkingen met
het demontagegereedschap.
7.
Terwijl de auto nog op de grond staat,
gebruikt u de wielsleutel/het sleepoog om
de wielbouten ½-1 slag los te draaien door
omlaag te drukken (en linksom te draaien).
Demontagegereedschap voor kunststof boutafdekkingen.
4.
Plaats wielblokken voor en achter de wielen
die op de grond blijven staan. Gebruik daarvoor bijvoorbeeld grote blokken hout of grote
stenen.
}}
* Optie/accessoire. 581
WIELEN EN BANDEN
||
10. Breng de krik omhoog totdat deze goed zit
en contact maakt met het kriksteunpunt van
de auto. Controleer of de kop van de krik (of
de dragerarmen in een werkplaats) goed in
het steunpunt is (zijn) geplaatst, zodat de
verhoging in het midden van de kop in de
opening in het steunpunt past en of de voet
loodrecht onder het steunpunt staat.
11. Draai de krik zo dat de slinger zo ver mogelijk
van de zijkant van de auto komt. De armen
van de krik staan dan haaks op de rijrichting
van de auto.
12. Neem de auto zo ver op dat het wiel van de
grond komt. Verwijder de wielbouten en til
het wiel eraf.
Wiel monteren
Instructie voor het monteren van wielen bij het
verwisselen van wielen.
N.B.
De normale krik die bij de auto zit, is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band. Hef de auto alleen met een krik
die voor het desbetreffende model bestemd
is. Als de auto vaker moet worden opgekrikt
of voor langere tijd zoals bij het onderling
roteren van de banden wordt het gebruik van
een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval
de gebruiksaanwijzing van de desbetreffende
krik.
WAARSCHUWING
•
Activeer de parkeerrem en zet de keuzehendel in de parkeerstand (P).
•
Blokkeer de wielen die op de grond staan
met grote houtblokken of grote stenen.
•
Controleer of de krik onbeschadigd is, of
de schroefdraden goed zijn gesmeerd en
of deze vrij van vuil is.
•
Controleer of de krik op een vaste en
vlakke ondergrond staat die niet glad is
en niet helt.
•
De krik moet op de juiste wijze in het
kriksteunpunt zijn bevestigd.
•
Leg nooit iets tussen de krik en de
ondergrond en evenmin tussen de krik en
het kriksteunpunt van de auto.
•
Laat nooit passagiers in een auto zitten
die op een krik staat.
•
Bij het verwisselen van een wiel langs de
kant van de weg dienen eventuele passagiers op veilige afstand te gaan staan.
•
Gebruik bij het verwisselen van banden
de krik die bij de auto hoort. Bok de auto
op bij alle andere werkzaamheden.
•
Kruip of reik nooit onder een auto die op
een krik staat.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
582
Instellingen voor niveauregeling* (p. 471)
Bij het verwisselen van wielen (p. 578)
Auto opnemen (p. 619)
Krik* (p. 579)
Gereedschapsset (p. 578)
Wiel monteren (p. 582)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
1.
2.
Reinig de contactvlakken tussen het wiel en
de naaf.
WAARSCHUWING
Trek de wielbouten enkele dagen na het verwisselen nog eens na. Temperatuurschommelingen en trillingen kunnen ertoe leiden dat de
wielbouten na verloop van tijd minder strak
vastzitten.
Breng het wiel aan. Haal de wielbouten stevig aan.
Gebruik geen smeermiddel op de draadwindingen van de wielbouten.
3.
Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
4.
Draai de wielbouten kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielbouten stevig aanhaalt. Haal aan met 140 Nm (103 ft lbs).
Controleer het aanhaalkoppel met een
momentsleutel.
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
Reservewiel*
Het reservewiel van het type Temporary spare is
te gebruiken voor tijdelijke vervanging van een
standaardwiel met een lekke band.
Het reservewiel is alleen bestemd voor tijdelijk
gebruik. Vervang het zo spoedig mogelijk door
een standaardwiel.
De rijeigenschappen van de auto kunnen veranderen doordat de gewijzigde bodemvrijheid bij
gebruik van het reservewiel. Reinig de auto niet
in een automatische wasstraat bij gebruik van
een Temporary Spare.
Houd de aanbevolen bandenspanning aan ongeacht de locatie van de thuiskomer op de auto.
Als het reservewiel kapot mocht gaan is via de
Volvo-dealer een nieuw te bestellen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
5.
Instellingen voor niveauregeling* (p. 471)
Bij het verwisselen van wielen (p. 578)
Auto opnemen (p. 619)
Krik* (p. 579)
Gereedschapsset (p. 578)
Wielen demonteren (p. 580)
Plaats de kunststof doppen terug op de wielbouten.
}}
* Optie/accessoire. 583
WIELEN EN BANDEN
||
584
WAARSCHUWING
•
Rijd met een reservewiel op de auto nooit
sneller dan 80 km/h (50 mph).
•
Rijd nooit met de auto, als deze is voorzien van meer dan één reservewiel van
het type "Temporary Spare".
•
Tijdens het gebruik van een compact
reservewiel kunnen de rijeigenschappen
van de auto zich wijzigen. Vervang het
reservewiel zo spoedig mogelijk door een
standaardwiel.
•
Het reservewiel is kleiner dan het standaardwiel, wat gevolgen heeft voor de
bodemspeling van de auto. Pas op voor
hoge trottoirbanden en reinig de auto niet
in een autowasstraat.
•
Neem de bandenspanning in acht die de
fabrikant van het reservewiel adviseert.
•
Bij vierwielaangedreven auto's is de aandrijving op de achterwielen uit te schakelen.
•
Als het reservewiel op de vooras zit, kunt
u geen sneeuwkettingen omleggen.
•
Het reservewiel mag niet worden gerepareerd.
BELANGRIJK
Er mag niet met de auto worden gereden met
banden van verschillende maten of met een
reserveband die niet bij de auto is meegeleverd. Door het gebruik van wielen met verschillende maten kan de versnellingsbak van
de auto ernstig beschadigd raken.
De afbeelding is schematisch – de vorm van het blok
schuimrubber kan verschillen afhankelijk van het model.
Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag in
de ruimte voor het reservewiel. Dezelfde doorloopbout waarmee het blok schuimrubber vastzit,
houdt ook het reservewiel in positie. Het blok
schuimrubber bevat al het gereedschap voor het
verwisselen van banden.
Gerelateerde informatie
•
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 578)
Aanbevolen bandenspanning (p. 572)
WIELEN EN BANDEN
Reservewiel tevoorschijn halen
Winterwielen
Profieldiepte
Neem voor het gebruik van het reservewiel de
volgende instructies in acht:
1. Pak vloer in de bagageruimte aan de achterzijde beet en klap deze naar voren toe
omhoog.
Winterwielen zijn aangepast voor winterse
omstandigheden.
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een minimale profieldiepte van 4 mm (0,15 inch) voor winterbanden.
2.
Draai de bevestigingsbout los.
3.
Til het blok schuimrubber met het gereedschap erin uit de auto.
4.
Til het reservewiel uit de auto.
Lekke band plaatsen
1.
Pak de meegeleverde wieltas van het blok
schuimrubber en plaats het wiel in de tas.
2.
Plaats gereedschap terug op de juiste plaats
in het blok schuimrubber en til dat terug in
de auto.
3.
Zet het blok schuimrubber vast met de
bevestigingsbout en klap daarna de laadvloer
omlaag.
4.
Leg de lekke band in de kofferbak/bagageruimte.
Gerelateerde informatie
•
Reservewiel* (p. 583)
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van de
motorvariant. Gebruik altijd het juiste type winterbanden op alle vier de wielen.
N.B.
Informeer bij een Volvo-dealer naar de
geschiktste velgen en banden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bij het verwisselen van wielen (p. 578)
Rijden tijdens de winter (p. 476)
Slijtage-indicator van banden (p. 570)
Tips bij het monteren van winterbanden
Noteer bij het vervangen van de zomerbanden
door winterbanden of andersom op de banden
aan welke kant ze zaten: bijvoorbeeld L voor links,
R voor rechts.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km (300–600 miles) rustig worden
ingereden, zodat de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo gaan de banden en vooral de
“spikes” langer mee.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het gebruik
van banden met spikes verschillen per land.
* Optie/accessoire. 585
WIELEN EN BANDEN
Sneeuwkettingen
Het gebruiken van sneeuwkettingen en/of winterbanden kan helpen om onder winterse
omstandigheden voor een betere aandrijfkracht
te zorgen.
Sneeuwkettingen zijn op de auto te gebruiken, zij het met de volgende beperkingen:
•
•
Volvo raadt het gebruik van sneeuwkettingen af bij bandenmaten groter dan
19 inch.
Vermijd oneffenheden, gaten of scherpe
bochten bij ritten met sneeuwkettingen.
•
•
Neem altijd zorgvuldig de montagevoorschriften instructies van de fabrikant van
de sneeuwkettingen in acht. Leg de
sneeuwkettingen zo strak mogelijk om en
span ze van tijd tot tijd opnieuw aan.
Rijd niet op sneeuwvrije wegen, omdat de
sneeuwkettingen en de banden dan overmatig slijten.
•
•
Het gebruik van sneeuwkettingen is
alleen toegestaan op de voorwielen
(geldt ook voor modellen met voorwielaandrijving).
De rijeigenschappen van de auto kunnen
negatief worden beïnvloed door het rijden
met sneeuwkettingen. Vermijd snelle of
scherpe bochten en rem niet met blokkerende wielen.
•
•
Als er accessoire- of aftermarket-banden/wielen of anderszins speciale banden/wielen zijn gemonteerd met een
afwijkende andere maat dan de originele
banden en wielen, zijn in bepaalde gevallen GEEN sneeuwkettingen te gebruiken.
Houd voldoende afstand aan tussen de
sneeuwkettingen en de remmen, vering
en carrosserieonderdelen.
Bepaalde soorten kettingen die worden
aangespannen zijn van invloed op remonderdelen en kunnen daarom NIET worden
gebruikt.
WAARSCHUWING
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of
vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen. Alleen enkelzijdige sneeuwkettingen zijn toegestaan.
Volvo adviseert u om bij twijfel over het juiste
type sneeuwketting contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde
sneeuwketting kan ernstige schade aan de
auto veroorzaken en aanleiding geven tot een
ongeluk.
586
geval sneller rijden dan 50 km/h
(30 mph).
BELANGRIJK
•
Raadpleeg voordat u de sneeuwkettingen
monteert de lokale regels voor het
gebruik ervan.
•
Rijd nooit harder dan de maximumsnelheid die is aangegeven door de fabrikant
van de sneeuwkettingen. U mag in geen
Voor meer informatie over sneeuwkettingen kunt
u terecht bij een Volvo-dealer.
Gerelateerde informatie
•
Rijden tijdens de winter (p. 476)
WIELEN EN BANDEN
Noodreparatieset voor banden
Positie
U gebruikt de noodreparatieset voor banden5
om een lek in een band tijdelijk af te dichten én
om de bandenspanning te controleren en zo
nodig aan te passen.
De noodreparatieset voor banden zit in het blok
schuimrubber onder de vloer in de bagageruimte.
•
Banden (p. 566)
Bij auto's die zijn voorzien van een reserveband*
ontbreekt de noodreparatieset voor banden.
De noodreparatieset voor banden bestaat uit een
compressor en een bus met afdichtmiddel. Het
afdichtmiddel dient om noodreparaties uit te voeren.
N.B.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek
in het loopvlak effectief af, maar leent zich
minder goed voor banden met een gat in het
zijvlak. Gebruik de noodreparatieset niet voor
banden met diepe sneeën, barsten of soortgelijke beschadigingen.
N.B.
De compressor is bestemd voor noodreparaties van banden en is goedgekeurd door
Volvo.
5
Bus met afdichtmiddel
De bus met afdichtmiddel moet worden vervangen als de uiterste gebruiksdatum van de bus is
verstreken (zie de sticker op de bus). Behandel
de vervangen bus als klein chemisch afval (KCA).
Vervang de bus met afdichtmiddel na gebruik.
Volvo adviseert u de vervanging te laten uitvoeren
door een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden gebruiken
(p. 588)
•
Band oppompen met compressor uit reparatieset voor banden (p. 591)
Temporary Mobility Kit (TMK)
* Optie/accessoire. 587
WIELEN EN BANDEN
Noodreparatieset voor banden
gebruiken
Dicht een lek met de noodreparatieset voor banden, Temporary Mobility Kit (TMK).
Bus met afdichtmiddel
Knop
Aansluiten
Overzicht
WAARSCHUWING
Let bij gebruik van het bandenreparatiesysteem op de volgende punten:
•
De bus met afdichtmiddel bevat 1,2-Ethanol en natuurrubber-latex. Deze stoffen
zijn gevaarlijk bij inname.
•
De inhoud van deze bus kan allergische
huidreacties veroorzaken of op een
andere manier mogelijk schadelijk zijn
voor de luchtwegen, de huid, het centrale
zenuwstelsel en de ogen.
Voorzorgsmaatregelen:
Voedingskabel
Luchtslang
Drukreduceerventiel
Beschermdop
•
•
•
Gevaarlijk bij inname.
•
Na gebruik daarom zorgvuldig wassen.
N.B.
Voor het gebruik de verzegeling van de bus
niet verbreken. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
Manometer
588
Vermijd langdurig of herhaaldelijk contact
met de huid. Als er afdichtmiddel op uw
kleren is gekomen dient u de betrokken
kledingstukken uit te trekken.
Eerste hulp:
•
Huid: Was blootgestelde delen van de
huid met zeep en water. Neem bij eventuele symptomen contact op met een arts.
•
Ogen: Spoel minimaal 15 minuten overvloedig met water en til tussendoor het
onderste en bovenste ooglid op. Neem bij
eventuele symptomen contact op met
een arts.
Sticker, toelaatbare maximumsnelheid
Bushouder (oranje deksel)
Buiten bereik van kinderen bewaren.
WIELEN EN BANDEN
•
Inademing: Breng het slachtoffer in de
frisse lucht. Neem bij aanhoudende irritatie contact op met een arts.
•
Doorslikken: Laat het slachtoffer niet braken, tenzij medisch personeel dat van u
verlangt. Neem contact op met een arts.
•
Afval: Lever dit materiaal en de verpakkingen ervan in bij een inzamelingsplaats
voor gevaarlijk afval.
WAARSCHUWING
•
Verwijder de bus niet tijdens het gebruik
van de noodreparatieset voor banden.
•
Verwijder de luchtslang niet tijdens het
gebruik van de noodreparatieset voor
banden.
1.
Zet de gevarendriehoek op en schakel de
alarmlichten in, als u een lekke band moet
afdichten langs een drukke weg.
Laat een eventuele spijker of iets dergelijks
in de lekke band zitten. Het lek is zo beter af
te dichten.
2.
3.
Verwijder de sticker met de toegestane maximumsnelheid die aan de ene kant van de
compressor zit. Bevestig de sticker goed
zichtbaar aan de binnenkant van de voorruit
om u eraan te herinneren de toegestane
maximumsnelheid aan te houden. Rijd na
gebruik van de noodreparatieset voor banden
nooit sneller dan 80 km/h (50 mph).
Controleer of de knop in stand 0 (uit) staat
en neem de voedingskabel en de luchtslang
erbij.
4.
Schroef het oranje deksel van de compressor
los en draai de drop van de bus met afdichtmiddel.
5.
Schroef de bus tot aan de aanslag in de bushouder vast.
De bus en de bushouder zijn voorzien van
een terugdraaiblokkering om te voorkomen
dat er afdichtmiddel weglekt. U kunt een
vastgeschroefde bus niet meer uit de bushouder losdraaien. De bus is alleen in een
werkplaats te verwijderen; geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
6.
Draai het ventieldopje van de band los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het bandventiel.
Controleer of het drukreduceerventiel op de
luchtslang volledig is vastgedraaid.
7.
Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
N.B.
Zorg er bij een actieve compressor voor dat
geen van de overige 12V-aansluitingen in
gebruik is.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
}}
589
WIELEN EN BANDEN
||
8.
Schakel de compressor in door de knop in
stand I (aan) te zetten.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u de compressor
onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat
geval de rit. Roep pechhulp onderweg in om
de auto naar een bandenwerkplaats te slepen.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-bandenwerkplaats.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar
(22 psi) en maximaal 3,5 bar (51 psi) te
bedragen. Laat bij een te hoge bandenspanning lucht uit de band ontsnappen.
WAARSCHUWING
Als u de bus in de verkeerde volgorde verwijdert, kan er afdichtmiddel weglekken.
WAARSCHUWING
N.B.
Als de compressor start, kan de druk tot 6 bar
(88 psi) toenemen. De druk daalt echter na
ca. 30 seconden.
9.
Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
BELANGRIJK
Laat de compressor niet langer dan
10 minuten achtereen werken – risico van
oververhitting.
590
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar
(22 psi), is het gat in de band te groot. Beëindig in dat geval de rit. Roep pechhulp onderweg in om de auto naar een bandenwerkplaats te slepen. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-bandenwerkplaats.
11. Schakel de compressor uit en koppel de voedingskabel los.
12. Schroef de luchtslang los van het bandventiel en plaats het ventieldopje terug op de
band.
13. Plaats de beschermdop op de luchtslang om
te voorkomen dat restanten afdichtmiddel
weglekken. Leg de uitrusting in de bagageruimte.
14. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie minstens 3 km (2 miles) af bij een snelheid van
maximaal 80 km/h (50 mph), zodat het
afdichtmiddel de band kan afdichten en verricht daarna een tweede controle.
N.B.
Tijdens de eerste slagen die de band ronddraait spuit er afdichtvloeistof uit het gat.
WAARSCHUWING
Houd bij het wegrijden omstanders uit de
buurt van de auto om te voorkomen dat ze
afdichtmiddel op zich krijgen. De afstand
moet minimaal 2 meter bedragen (7 voet).
15. Controle achteraf
Sluit de luchtslang aan op het bandventiel en
schroef de ventielaansluiting tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het
bandventiel. De compressor moet zijn uitgeschakeld.
WIELEN EN BANDEN
16. Lees de bandenspanning van de manometer
af.
•
Bij een spanning lager dan 1,3 bar
(19 psi) is de band niet goed afgedicht.
Beëindig in dat geval de rit. Roep wegenhulp in om de auto af te slepen.
•
Bij een bandenspanning hoger dan
1,3 bar (19 psi) moet u de band oppompen tot de spanning die staat aangegeven
op de bandenspanningssticker aan de
binnenkant van de portierstijl aan de
bestuurderszijde (1 bar = 100 kPa =
14,5 psi). Laat bij een te hoge bandenspanning lucht uit de band ontsnappen.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het vervangen over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Volvo adviseert u de auto naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats te rijden om de
beschadigde band te laten vervangen/repareren.
Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er
afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
De maximale afstand die mag worden afgelegd als banden met afdichtmiddel zijn gevuld
is 200 km (120 miles).
N.B.
De compressor is een elektrisch apparaat,
zodat u zich dient te houden aan de plaatselijke voorschriften voor afvoer.
Band oppompen met compressor
uit reparatieset voor banden
De originele banden van de auto zijn op te pompen met de compressor uit de noodreparatieset
voor banden.
1.
De compressor moet zijn uitgeschakeld. Zorg
dat de knop in stand 0 (Uit) staat en neem
de voedingskabel en de luchtslang erbij.
2.
Draai het ventieldopje van de band los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het bandventiel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Aanbevolen bandenspanning (p. 572)
Controleer of het drukreduceerventiel op de
luchtslang volledig is vastgedraaid.
Noodreparatieset voor banden (p. 587)
Band oppompen met compressor uit reparatieset voor banden (p. 591)
3.
Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die afgesloten zijn of onvoldoende
ventilatie hebben.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
}}
591
WIELEN EN BANDEN
||
4.
Schakel de compressor in door de knop in
stand I (aan) te zetten.
N.B.
De compressor is een elektrisch app