Volvo | XC90 | Gebruikershandleiding | Volvo XC90 2004 Gebruikershandleiding

Volvo XC90 2004 Gebruikershandleiding
I N S T R U K T I O N S B O K V O LV O X C 9 0
Glödlampor
Kontrollera regelbundet
1. Spolarvätska. Se till att behållaren alltid är
välfylld. På vintern med frostskydd! Se sidan 142.
2. Servostyrning. Nivån skall ligga mellan MINoch MAX markeringarna. Se sidan 143.
10
3. Kylvätskan. Nivån skall ligga mellan MINoch MAX markeringarna på expansionstanken.
Se sidan 142.
9
8
7
6
4. Oljenivån. Nivån skall ligga mellan markegarna på mätstickan. Se sidan 141.
5. Bromsvätskenivån. Nivån skall ligga mellan
MIN- och MAX markeringarna. Se sidan 141.
1 2 34 5
3
1. Blinker
H21W (orange)
2. Helljus
55W H7
VOLVO
XC90
WEB EDITION
3. Positions/parkeringsljus W5W
4. Halvljus
55W H7
5. Dimstrålkastare
55W H1
6. Dimljus, bak
21W BA5
7. Backljus
21W BA15
8. Positions/parkeringsljus
och bakljus
P21 4W
PY21W (orange)
10. Bromsljus
21W BA15
TP 6749
TP 6749 (Swedish) AT0346 3.300.10.03 Printed in Sweden, T Elanders Graphic Systems AB, Göteborg 2003
9. Blinker
2004
52930 XC90 Svensk.indd 1
2003-09-12, 07.09.41
Volvo Service
Bepaalde onderhoudswerkzaamheden aan de elektrische systemen van de auto kunnen alleen worden uitgevoerd met
speciaal ontwikkelde elektronische apparatuur. Neem daarom altijd contact op met uw Volvo-werkplaats, voordat u
onderhoudswerkzaamheden aan het elektrische systeem laat uitvoeren.
Installatie van accessoires
Een verkeerde aansluiting en installatie van accessoires kan de werking van de elektronische systemen van de auto
negatief beïnvloeden. Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de bijbehorende software in de elektronische
systemen van de auto wordt geladen. Neem daarom altijd contact op met uw Volvo-werkplaats, voordat u accessoires
installeert die in verbinding staan met of van invloed zijn op het elektrische systeem.
Vastlegging van voertuiggegevens
Er kunnen één of meer computers op uw Volvo zitten die gedetailleerde informatie kunnen opslaan. Deze informatie
kan gegevens bevatten over (maar niet beperkt zijn tot) zaken als het gebruik van de veiligheidsgordel door bestuurder
en passagiers, gegevens over de werking van verschillende autosystemen en -modules en informatie over de status
van de motor, gasklep, besturing, remmen en andere systemen.
De informatie kan tevens gegevens bevatten over de rijstijl van de bestuurder. Dergelijke informatie omvat (zonder
beperkt te zijn tot) zaken als de rijsnelheid, het gebruik van het rem- of gaspedaal en de stuuruitslag. De genoemde
informatie kan tijdens het rijden, tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk worden vastgelegd.
De vastgelegde informatie kan uitgelezen en gebruikt worden door:
•
•
•
•
52936 XC90 Holland.indd 2
Volvo Car Corporation,
service- en reparatiepersoneel,
personeel van de politiemacht en andere instanties,
andere belanghebbenden die kunnen aantonen dat ze het recht bezitten (of uw toestemming hebben) om
toegang te krijgen tot deze informatie.
2003-09-19, 12.37.38
Inleiding
Inhoud
Gebruik van het instructieboekje
In het instructieboekje vindt u tips en adviezen
voor het gebruik en onderhoud van uw auto. U
vindt er tevens belangrijke informatie over de
veiligheid van u en uw medepassagiers.
Gebruik het instructieboekje om de verschillende functies van uw auto te leren kennen en
specifieke informatie op te zoeken. Het instructieboekje helpt u om de mogelijkheden van uw
Volvo maximaal te benutten.
Behalve de standaarduitrusting worden ook de
extra uitrusting en accessoires besproken. In
bepaalde gevallen kan het voorkomen dat
vermelde extra’s, motorvarianten of uitrustingsniveaus slechts voor bepaalde landen van
toepassing zijn.
In het alfabetische trefwoordenregister achter in
het boekje vindt aan de hand van bepaalde
trefwoorden verwijzingen naar pagina’s waar u
meer informatie kunt lezen.
1%Afhankelijk van de geldende regionale of
landelijke bepalingen kan de uitrusting van
sommige modellen afwijken van die in het
instructieboekje.
'DQNXGDWXJHNR]HQKHEWYRRU9ROYR
1
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
©Volvo Car Corporation
2
Inhoud
Veiligheid
Instrumenten, schakelaars en bediening
Klimaatregeling
Interieur
Sloten en alarm
Starten en rijden
Wielen en banden
Verzorging
Onderhoud en service
Infotainment
Technische gegevens
Alfabetisch register
9
29
53
67
87
97
121
129
135
159
203
213
3
Dashboard
Linkse besturing
25
26
27
28
29
2
3
4
5
6
7 8 9 10 11
12
1
24
23
4
22 21 20 19 18
17
16
15
14
13
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
Verlichtingspaneel
Blaasmond
Display
Temperatuurmeter
Kilometerteller/Dagteller/
Cruise control
Snelheidsmeter
Indicatorlampjes richtingaanwijzer
Toerenteller
Buitentemperatuurmeter/
Klokje/Schakelstandindicatie
Brandstofmeter
Controle- en waarschuwingslampjes
Blaasmonden
Dashboardkastje
Alarmlichten
Infotainmentsysteem
Klimaatregeling
Voorruitwisser
Toetsenset telefoon-/audiosysteem
Instrumentenpaneel
Claxon
Cruise control
3DJ
38
55
35
30
30
30
30
30
30
30
31
55
77
42
165
56, 60
40
162
22. Richtingaanwijzers/Schakelaarhendel groot licht/
dimlicht/Leesknop
23. Parkeerrem
24. Handgreep voor lossen
parkeerrem
25. Knoppen leeslampjes
26. Interieurverlichting
27. Knop, elektrisch bediend
schuifdak
28. Gordelwaarschuwing
29. Achteruitkijkspiegel
30. Vergrendelingsknop, simultaanvergrendeling alle
portieren
31. Blokkeerknop raambediening achterportieren
32. Knop, elektrisch bediende
ramen
33. Knop, buitenspiegels
30 31
32
33
39, 35
45
45
74
74
50
33
49
90
%HGLHQLQJVSDQHHORSEHVWXXUGHUVSRUWLHU
47
47
49
30
4
44
5
Rechtse besturing
25
26
27
28
29
12
11 10 9
8 7
6 5 4
3
2
1
13
6
14
15 16 17 18 19 20
21 22
23
24
1. Verlichtingspaneel
2. Blaasmond
3. Controle- en waarschuwingslampjes
4. Brandstofmeter
5. Buitentemperatuurmeter/
Klokje/Schakelstandindicatie
6. Toerenteller
7. Indicatorlampjes richtingaanwijzer
8. Snelheidsmeter
9. Kilometerteller/Dagteller/
Cruise control
10. Temperatuurmeter
11. Display
12. Blaasmonden
13. Dashboardkastje
14. Alarmlichten
15. Infotainmentsysteem
16. Klimaatregeling
17. Richtingaanwijzers/Schakelaarhendel groot licht/
dimlicht/Leesknop
18. Parkeerrem
19. Cruise control
20. Claxon
21. Instrumentenpaneel
3DJ
38
55
31
30
30
30
30
30
30
30
35
55
77
42
165
56, 60
22. Toetsenset telefoon-/audiosysteem
23. Voorruitwisser
24. Handgreep voor lossen
parkeerrem
25. Knoppen leeslampjes
26. Interieurverlichting
27. Knop, elektrisch bediend
schuifdak
28. Gordelwaarschuwing
29. Achteruitkijkspiegel
30. Vergrendelingsknop, simultaanvergrendeling alle
portieren
31. Blokkeerknop raambediening achterportieren
32. Knop, elektrisch bediende
ramen
33. Knop, buitenspiegels
162
30 31
32
33
40
45
74
74
50
33
49
90
%HGLHQLQJVSDQHHORSEHVWXXUGHUVSRUWLHU
47
47
49
39, 35
45
44
6
30
7
8
Veiligheid
Veiligheidsgordels
10
Airbags (SRS)
12
SIPS-airbags (Zij-airbag)
15
Roll-Over Protection System (ROPS)
17
Opblaasgordijn (IC-systeem)
18
WHIPS-systeem
19
Activering van de veiligheidssystemen
21
Inspectie van de airbags, opblaasgordijnen
en gordelspanners
22
Kinderen en veiligheid
23
9
Veiligheid
Veiligheidsgordels
'RHKHWYROJHQGHRPGHJRUGHOORVWHPDNHQ:
Druk op de rode knop van de vergrendeling.
Laat het oprolmechanisme de gordel naar
binnen trekken. Als de gordel niet volledig
wordt opgerold, moet u de gordel handmatig
zover terugrollen dat deze niet langer slap
hangt.
Doe altijd de veiligheidsgordel
om
Zelfs bij alleen hard remmen kan het niet
dragen van een veiligheidsgordel ernstige
gevolgen hebben! Vraag daarom altijd aan uw
passagiers om de veiligheidsgordel om te doen!
Dit om te voorkomen dat bij een aanrijding de
passagiers op de achterbank tegen de
rugleuning van de voorstoelen worden
geslingerd. Alle inzittenden kunnen daarbij
gewond raken.
Gebruik de veiligheidsgordel als volgt: trek de
gordel langzaam uit en maak deze vast door de
borglip in de vergrendeling te steken. Een
duidelijke “klik” geeft aan dat de gordel vastzit.
De gordel is normaal gesproken niet geblokkeerd, zodat u zich ongehinderd kunt bewegen.
In de volgende gevallen is de gordel geblokkeerd, zodat deze niet verder worden uitgetrokken...
• ...wanneer u de gordel te snel uittrekt;
• ...wanneer u remt of optrekt;
• ...als de auto sterk overhelt.
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te
ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel
biedt de beste bescherming bij een normale
rijhouding.
10
Gordelwaarschuwing
+HXSJRUGHOVWUDNWUHNNHQ
Let op het volgende...
• gebruik geen klemmen of andere accessoires die ervoor zorgen dat u de gordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken;
• zorg dat er geen slagen in de gordel
zitten;
• de heupgordel moet laag zitten – niet over
de buik;
• trek de heupgordel over de heupen door
aan de diagonale schoudergordel te
trekken, zie de bovenstaande figuur.
Elke gordel is bestemd ter bescherming van
slechts ppQ persoon!
Het waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordels op het instrumentenpaneel en dat op de
bovenkant van de achteruitkijkspiegel
knipperen, zolang de bestuurder en een
eventuele voorpassagier de veiligheidsgordel
niet omhebben. De gordelwaarschuwing wordt
na 6 seconden automatisch uitgeschakeld, als
de snelheid lager is dan 10 km/h. Als
vervolgens bij een snelheid hoger dan 10 km/h
blijkt dat de bestuurder of de voorpassagier de
veiligheidsgordel niet omheeft, wordt de
waarschuwingsfunctie opnieuw ingeschakeld.
De functie wordt weer uitgeschakeld, wanneer
de snelheid tot onder 5 km/h terugloopt. Als de
bestuurder of voorpassagier de gordel tijdens
het rijden losmaakt, wordt de waarschuwingsfunctie opnieuw geactiveerd bij snelheden
hoger dan 10 km/h.
1%De gordelwaarschuwing is bestemd voor
volwassenen voor in de auto. Als u een kinderzitje op de passagiersstoel hebt aangebracht en
het met de veiligheidsgordel hebt vastgezet,
wordt er geen gordelwaarschuwing gegeven.
Veiligheid
Veiligheidsgordels en
gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met
gordelspanners. Een geringe hoeveelheid
springstof, ingebouwd in het oprolmechanisme,
wordt bij een botsing tot ontploffing gebracht.
Hierdoor wordt de veiligheidsgordel strak over
het lichaam van de inzittende getrokken om
eventuele speling door dikke kledingsstukken
weg te nemen. De gordel houdt de inzittende zo
beter tegen.
Aanstaande moeders
Aanstaande moeders moeten extra voorzichtig
zijn bij het gebruik van de veiligheidsgordels!
Let er altijd op de gordel dusdanig aan te
brengen, dat er geen druk op de baarmoeder
wordt uitgeoefend. De heupgordel van de
driepuntsgordel moet laag zitten.
*RHGNHXUODEHOVRS
YHLOLJKHLGVJRUGHOV
PHWJRUGHOVSDQQHU
:$$56&+8:,1*
Als de veiligheidsgordel blootgestaan heeft
aan grote krachten, zoals bij een aanrijding,
dan dient de gehele veiligheidsgordeleenheid, inclusief haspel, bevestigingen,
bouten en sluiting te worden vervangen.
Ook al ziet de gordel er onbeschadigd uit, er
kunnen toch beschermende eigenschappen
verloren zijn gegaan. Vervang de veiligheidsgordel als deze versleten of beschadigd
is.
Repareer of wijzig QRRLW zelf de veiligheidsgordel, maar laat dit aan een erkende Volvowerkplaats over.
11
Veiligheid
Airbags (SRS)
$XWRPHWOLQNVHEHVWXULQJ
$XWRPHWUHFKWVHEHVWXULQJ
3RVLWLHYDQDLUEDJDDQSDVVDJLHUV]LMGH
Airbag aan bestuurderszijde
Airbag aan passagierszijde
Om de passieve veiligheid van uw auto nog
verder te verhogen is uw auto uitgerust met een
airbag (SRS1) als aanvulling op de driepuntsgordels. De airbag, een opblaasbare luchtzak, is
opgevouwen in het hart van het stuurwiel
gemonteerd. Het stuurwiel is voorzien van het
opschrift SRS.
De airbag aan de passagierszijde ligt
opgevouwen in een ruimte boven het
dashboardkastje. Het dashboardpaneel is
voorzien van het opschrift SRS. In opgeblazen
toestand heeft de airbag aan de passagierszijde
een inhoud van ca. 140 liter.
In opgeblazen toestand heeft de airbag een
inhoud van ca. 60 liter. De airbag aan de
bestuurderszijde is kleiner dan die aan de passagierszijde.
1. “Supplemental Restraint System”
12
:$$56&+8:,1*
Breng geen klemmen of iets dergelijk op het
dashboard of het stuurwiel aan!
Ze kunnen verwondingen veroorzaken en/of
de beschermende werking van de airbags
negatief beïnvloeden bij activering van de
airbags.
:$$56&+8:,1*
De airbags (SRS) vormen een aanvulling op
(en dus geen alternatief voor) de aanwezige
veiligheidsgordels. Voor maximale
bescherming moet uDOWLMGGHYHLOLJKHLGV
JRUGHORPGRHQ.
Veiligheid
:$$56&+8:,1*
$LUEDJSDVVDJLHUV]LMGH
• Bevestig QRRLW een kinderzitje op de
passagiersstoel, als de auto is uitgerust
met een airbag aan de passagierszijde
(SRS).
• Laat kinderen QRRLW voor de passagierstoel zitten of staan.
• Personen kleiner dan 1,40 m mogen
QRRLW op de passagiersstoel plaatsnemen.
• Laat de passagier zoveel mogelijk
rechtop zitten met de voeten op de
vloer en de rug tegen de rugleuning.
De passagier moet de veiligheidsgordel omdoen.
• Breng voorwerpen of accessoires
nooit op of in de buurt van het SRSpaneel (boven het dashboardkastje) of
binnen de actieradius van de airbag
aan.
• Laat geen losse voorwerpen op de
vloer, de stoel, of het dashboard
liggen.
• Verricht nooit zelf werkzaamheden
aan de onderdelen van het SRSsysteem in de stuurwielnaaf of op het
paneel boven het dashboardkastje.
:$$56&+8:,1*
Als het waarschuwingslampje (SRS) blijft
branden of kortstondig oplicht tijdens het
rijden, dan betekent dit dat het SRS-systeem
niet naar behoren werkt. Bezoek een
erkende Volvo-werkplaats.
Waarschuwingslampje in
instrumentenpaneel
Het SRS-systeem wordt continu gecontroleerd
door de sensor/regeleenheid. Op het instrumentenpaneel bevindt zich een waarschuwingslampje. Dit lampje gaat branden, wanneer u de
contactsleutel in stand I, II of III draait. Het
lampje dooft, wanneer de sensor/regeleenheid
heeft vastgesteld dat er geen storingen zijn in
het SRS-systeem. Een dergelijke controle
neemt doorgaans ca. 7 seconden in beslag.
13
Veiligheid
Airbags (SRS) (vervolg)
“Volvo Dual-Stage Airbag”
(tweetraps airbags)
Bij minder zware aanrijdingen die desondanks
gevaar voor verwondingen opleveren, worden
de airbags opgeblazen tot ruim de helft van het
totale volume. Bij zware aanrijdingen worden
de airbags volledig opgeblazen.
:$$56&+8:,1*
656V\VWHHPDXWRPHWOLQNVHEHVWXULQJ
656V\VWHHPDXWRPHWUHFKWVHEHVWXULQJ
SRS-systeem
1%Hoe de sensor (3) reageert hangt af van de
vraag of de veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde of de passagierszijde wel of niet is
omgedaan. Het kan dan ook zijn dat er bij
ongelukken slechts één van de airbags wordt
opgeblazen. Steek de veiligheidsgordel van de
passagiersstoel nooit in de gordelsluiting van de
bestuurdersstoel!
Het SRS-systeem bestaat uit een gasgenerator
(1) met daaromheen een opblaasbare airbag (2).
Bij een voldoende krachtige botsing wordt de
ontsteking van de gasgenerator geactiveerd
door een sensor (3). De airbag wordt
opgeblazen en wordt tegelijkertijd warm. Om
het contact met de airbag te dempen loopt de
airbag leeg, wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale
verloop, van het opblazen tot het leeglopen,
neemt enkele tienden van seconden in beslag.
14
De sensoren van het SRS-systeem registreren
de kracht van een eventuele botsing en de mate
van vertraging die deze veroorzaakt. De
sensoren berekenen of de botsing dusdanig
zwaar is dat de airbags moeten worden geactiveerd om de inzittenden te beschermen.
Verricht QRRLW zelf reparaties aan het SRSof SIPS-airbagsysteem. Ingrepen in het
systeem kunnen aanleiding geven tot
storingen in de werking en ernstige verwondingen veroorzaken. Laat dergelijke
ingrepen daarom over aan een erkende
Volvo-werkplaats.
Veiligheid
SIPS-airbags (Zij-airbag)
Kinderzitjes en SIPS-airbags
Als uw auto alleen SIPS-airbags heeft (en dus
geen airbag aan de passagierszijde (SRS)), mag
u een kinderzitje op de passagiersstoel
aanbrengen.
:$$56&+8:,1*
SIPS-airbags, (zij-airbags)
De SIPS-airbags verhogen de passieve
veiligheid in de passagiersruimte.
Het SIPS-airbagsysteem is opgebouwd uit twee
hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de
sensoren. De SIPS-airbags zijn in het frame van
de rugleuning van de voorstoelen gemonteerd.
De sensoren zitten aan de binnenzijde van de Bstijlen. In opgeblazen toestand hebben de SIPSairbags een inhoud van ca. 12 liter.
2SJHEOD]HQ6,36DLUEDJ
:$$56&+8:,1*
De SIPS-airbags vormen een aanvulling op
(en dus geen alternatief voor) het aanwezige
SIPS-systeem (Side Impact Protection
System). Voor maximale bescherming moet
uDOWLMGGHYHLOLJKHLGVJRUGHORPGRHQ.
6,36DLUEDJ
• Verricht nooit zelf werkzaamheden uit
aan het SIPS-airbagsysteem.
• Gebruik alleen stoelhoezen die tot het
originele stoelhoezenassortiment van
Volvo behoren of door Volvo zijn
goedgekeurd voor gebruik op stoelen
met SIPS-airbag.
• Breng geen voorwerpen of accessoires
aan tussen de stoelen en de portierpanelen, omdat dit gebied binnen de
actieradius van de SIPS-airbag ligt.
15
Veiligheid
SIPS-airbags (Zij-airbag) (vervolg)
$XWRPHWOLQNVHEHVWXULQJ
SIPS-airbagsysteem
Het SIPS-airbagsysteem bestaat uit gasgeneratoren (1), elektrische sensoren, kabels (3) en
SIPS-airbags (2). Bij een voldoende krachtige
aanrijding, worden de gasgeneratoren geactiveerd door de sensoren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen. De airbags
worden opgeblazen tussen de inzittenden en het
portierpaneel. De klap van een aanrijding wordt
opgevangen, waarna de airbags weer leeglopen.
De SIPS-airbags worden normaal gesproken
alleen opgeblazen aan de kant waar de
aanrijding plaatsvindt.
16
$XWRPHWUHFKWVHEHVWXULQJ
Veiligheid
Roll-Over Protection System (ROPS)
Het Roll-Over Protection System van Volvo is
ontwikkeld om het gevaar te beperken dat de
auto over de kop slaat en maximale bescherming te bieden als een ongeluk onvermijdelijk blijkt.
Het systeem bestaat uit:
• een stabilisatiesysteem, het RSC (Roll
Stability Control) dat het gevaar beperkt
dat de auto kantelt en over de kop slaat
wanneer u bijv. krachtige afremt of in de
slip raakt.
• een aanvulling op de inzittendenbeveiliging door het gebruik van carrosserieverstevigingen, opblaasgordijnen en
gordelspanners op alle zitplaatsen (zie
ook pagina 11 en pagina 18).
Het RSC-systeem maakt gebruik van een
gyrosensor die wijzigingen in de helling
overdwars registreert. Aan de hand van deze
informatie wordt vervolgens berekend hoe
groot de kans is dat de auto over de kop slaat.
Als het gevaar reëel is, treedt het DSTCsysteem in werking. Het motortoerental wordt
daarbij verlaagd en één of meer van de wielen
worden afgeremd, totdat de auto zijn stabiliteit
hervonden heeft.
:$$56&+8:,1*
Onder normale omstandigheden zorgt het
RSC-systeem voor een betere wegligging.
Dit mag echter voor u geen reden zijn om
sneller te gaan rijden. Neem altijd de
gebruikelijke voorzorgsmaatregelen bij het
rijden.
Zie voor meer informatie over het DSTCsysteem pagina 34 en pagina 108.
17
Veiligheid
Opblaasgordijn (IC-systeem)
Opblaasgordijn (IC-systeem)
(Inflatable Curtain)
Het opblaasgordijn wordt geactiveerd om de
inzittenden te beschermen tegen hoofdletsel,
wanneer ze met hun hoofd tegen de zijkant of
het plafond van de auto stoten. Het opblaasgordijn biedt eveneens bescherming tegen de
obstakels zoals voertuigen of palen waar de
auto tegenop botst. Het IC-systeem beschermt
de inzittenden voorin en de achterpassagiers
links en rechts op de achterbank. Het voorkomt
bovendien dat de inzittenden bij een botsing uit
de auto worden geslingerd. Het opblaasgordijn
gaat schuil achter de plafondbekleding en
bedekt het bovenste gedeelte van het interieur
bij de voorstoelen en de achterbank.
Het opblaasgordijn wordt geactiveerd bij een
aanrijding van opzij of wanneer de auto kantelt
of over de kop slaat. Het wordt dan met gas
gevuld uit een gasgenerator die bij het
achtereind van het gordijn is aangebracht.
18
:$$56&+8:,1*
Het opblaasgordijn (IC-systeem) vormt een
aanvulling op (en dus geen alternatief voor)
de aanwezige veiligheidsgordels. Voor
maximale bescherming moet u DOWLMGGH
YHLOLJKHLGVJRUGHORPGRHQ.
Let erop dat het opblaasgordijn uw hoofd
beschermt tegen slagen en stoten tegen de
zijkant van uw hoofd – dus niet tegen de
bovenkant.
Bij de Volvo XC90 is het opblaasgordijn tevens
ontwikkeld om de inzittenden te beschermen als
de auto over de kop mocht slaan. Op de variant
met zeven zitplaatsen loopt het opblaasgordijn
door tot aan de derde zitrij.
:$$56&+8:,1*
• Schroef of bevestig geen onderdelen op
de plafondbekleding, de portierstijlen of
de zijpanelen. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Maak
alleen gebruik van originele Volvoonderdelen die bestemd zijn voor
montage in deze gebieden.
• Als u het ruggedeelte van de achterbank
hebt neergeklapt, moet u ervoor zorgen
dat de lading niet uitsteekt boven de
onderkant van de zijramen. Zorg er
bovendien voor dat de lading op 10 cm
afstand van de zijramen zit. Anders kan
het zijn dat het opblaasgordijn dat
schuilgaat achter de plafondbekleding
geen bescherming meer biedt.
Veiligheid
WHIPS-systeem
“Whiplash Protection System”
Juiste zithouding
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Het WHIPS-systeem bestaat uit energie-absorberende rugleuningen en speciaal ontwikkelde
hoofdsteunen voor de voorstoelen.
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel mogelijk
in het midden van de stoelen plaatsnemen en de
afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun zo
klein mogelijk houden.
Het WHIPS-systeem heeft geen negatieve
invloed op de beschermende werking van de
kinderzitjes. Zolang de auto geen airbag (SRS)
aan de passagierszijde heeft, mag u een kinderzitje van Volvo op de passagiersstoel
aanbrengen. Het WHIPS-systeem werkt
eveneens naar behoren, als u een kinderzitje
achterstevoren op de achterbank hebt aangebracht, met het ruggedeelte van het zitje tegen
de rugleuning van de voorstoel aan.
Stoel met WHIPS-systeem
Het WHIPS-systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig. Bij
activering worden de rugleuningen van de
voorstoelen (voor zover deze bezet zijn) achterovergekanteld, waardoor de houding van de
bestuurder en een eventuele passagier
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten
whiplash beperkt.
:$$56&+8:,1*
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op (en dus geen alternatief voor) de
aanwezige veiligheidsgordels.
Voor maximale bescherming moet uDOWLMG
GHYHLOLJKHLGVJRUGHORPGRHQ.
19
Veiligheid
WHIPS-systeem (vervolg)
:$$56&+8:,1*
Let erop dat u de werking van het WHIPSsysteem niet beïnvloedt!
• Als u één van de ruggedeelten van de
achterbank hebt neergeklapt, moet u
de voorstoel aan dezelfde kant
dusdanig bijstellen dat de rugleuning
van de stoel niet tegen het neergeklapte ruggedeelte van de achterbank
aankomt.
• Plaats geen koffers en dergelijke
tussen het zitgedeelte van de
achterbank en de rugleuning van de
voorstoelen.
20
:$$56&+8:,1*
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten, zoals bij een aanrijding van
achteren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren in een erkende Volvowerkplaats. Zelfs als de stoel op het oog
intact is, kan het zijn dat het WHIPSsysteem geactiveerd werd zonder zichtbare
schade aan de stoel. De beschermende
eigenschappen van het WHIPS-systeem
kunnen daarbij verloren zijn gegaan. Laat
ook na een lichte aanrijding van achteren het
systeem nakijken in een erkende Volvowerkplaats. Verricht nooit zelf reparaties
aan of wijzigingen in de stoel of het WHIPSsysteem!
Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
*RUGHOVSDQQHUV
Bij frontale botsingen of wanneer de auto over de kop slaat. De veiligheidsgordel wordt strak over het lichaam van de
inzittende getrokken om eventuele speling door dikke kledingsstukken weg te nemen. De gordel houdt de inzittende zo
beter tegen.
Tijdens aanrijdingen waarbij de inzittenden voorin het gevaar lopen gewond te raken wanneer ze tegen het dashboard of
het stuurwiel slaan.
Tijdens aanrijdingen van opzij waarbij de auto met voldoende kracht wordt geraakt.
Tijdens aanrijdingen van opzij of wanneer de auto over de kop slaat. Het opblaasgordijn beperkt het gevaar voor hoofdletsel.
Bij aanrijdingen van achteren. Het systeem beperkt het gevaar voor nekletsel, de zogeheten whiplash.
Wanneer de auto bijv. krachtig afremt of in de slip raakt. Het systeem beperkt het gevaar dat de auto over de kop slaat.
$LUEDJV 656
6,36DLUEDJV
2SEODDVJRUGLMQ
,&V\VWHHP
:+,36V\VWHHP
56&V\VWHHP
:$$56&+8:,1*
:$$56&+8:,1*
De sensor van het SRS-systeem zit in de
middenconsole van de auto. Als de vloer van
de passagiersruimte doorweekt geraakt is,
moet u de accukabels in de bagageruimte
loskoppelen. Probeer de auto niet te starten,
omdat de airbags daarbij geactiveerd
kunnen worden. Sleep de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats.
Rijd nooit met geactiveerde airbags! Ze
kunnen u bij het sturen danig in de weg
zitten. Ook de andere veiligheidssystemen
kunnen beschadigd raken. Langdurige
blootstelling aan de rook en stof die
vrijkomen bij activering van de airbags kan
oog- en huidirritatie c.q. -letsel veroorzaken.
Spoel bij irritatie met koud water en/of neem
contact op met een arts. De snelheid
waarmee de airbags/gordijnen worden
opgeblazen kan in combinatie met de toegepaste materialen aanleiding geven tot
schaaf- en brandwonden.
1%Het SRS-systeem, de SIPS-airbags en het
IC-systeem worden slechts eenmaal
geactiveerd bij een aanrijding. Na activering
van de airbags adviseren wij u het volgende:
• Sleep de auto naar een Volvo-werkplaats.
Rijd niet in een auto met geactiveerde
airbags, zelfs niet als u na het ongeluk nog
verder kunt rijden.
• Laat het vervangen van de onderdelen van
het SRS-systeem, de SIPS-airbags en het
IC-systeem aan een erkende Volvowerkplaats over.
Het kan zijn dat de airbags niet werden
geactiveerd, ondanks dat de carrosserie van de
auto danig vervormd is. Dit houdt niet per
definitie in dat de airbags niet goed werkten.
Het betekent alleen dat activering van deze
aanvullende veiligheidssystemen niet nodig
was, omdat de bestaande systemen de inzittenden voldoende bescherming boden.
21
Veiligheid
Inspectie van de airbags, opblaasgordijnen en gordelspanners
De stickers op de portierstijl(en) geven het jaar
en de maand aan waarin u contact moet
opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats
om de airbags en/of gordelspanners te laten
controleren en eventueel vervangen. Neem
voor meer informatie over de systemen contact
op met een erkende Volvo-werkplaats.
'H]HVWLFNHUYLQGWXLQGH
SRUWLHURSHQLQJOLQNV
DFKWHU
'DWXPYRRUGHLQVSHFWLHYDQ
$LUEDJDDQEHVWXXUGHUV]LMGH
$LUEDJDDQSDVVDJLHUV]LMGH
6,36DLUEDJDDQEHVWXXUGHUV
]LMGH
6,36DLUEDJDDQSDVVDJLHUV
]LMGH
2SEODDVJRUGLMQDDQEHVWXXU
GHUV]LMGH
2SEODDVJRUGLMQDDQSDVVDJLHUV
]LMGH
22
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel
en veilig zitten
Kinderzitje en
gordelwaarschuwing
Onthoud dat alle kinderen, ongeacht hun
leeftijd en lengte, een veiligheidsgordel moeten
dragen. Laat kinderen nooit bij passagiers op
schoot zitten!
Als u een baby- of kinderzitje (achterstevoren)
op de passagiersstoel hebt aangebracht en met
de aanwezige veiligheidsgordel hebt vastgezet,
wordt er niet altijd een gordelwaarschuwing
gegeven. Controleer daarom altijd of de gordel
goed in de sluiting steekt, voordat u wegrijdt!
Aan de hand van het gewicht en de lengte van
het kind bepaalt u welke uitrusting u nodig hebt
en waar u deze moet aanbrengen, zie pagina 24.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Als u voor de uitrusting van Volvo kiest,
dan weet u ook zeker dat de bevestigingspunten
en bevestigingsonderdelen op de juiste wijze
worden aangebracht en sterk genoeg zijn.
Kinderen tot 3 jaar zitten het veiligst in een
achterstevoren gemonteerd kinderzitje.
1%In veel landen gelden er wettelijke
voorschriften voor het vervoer van kinderen in
de auto. Informeer ook naar de bepalingen die
gelden in de landen die u tijdens buitenlandse
reizen aandoet.Airbags en kinderzitjes gaan niet
samen!
Kinderzitjes en airbags
Wanneer uw auto is uitgerust met een airbag
aan passagierszijde, moet u kinderen altijd op
de achterbank vervoeren.
Kinderen die u in een kinderzitje op de
voorstoel vervoert kunnen ernstige verwondingen oplopen, wanneer de airbag aan passagierszijde wordt opgeblazen.
1%Laat passagiers kleiner dan 1,40 m QRRLW
op de passagiersstoel plaatsnemen, als uw auto
is uitgerust met een airbag aan passagierszijde.
:$$56&+8:,1*
Bevestig nooit een kinderzitje op de passagiersstoel, als de auto is uitgerust met een
airbag aan de passagierszijde (SRS).
23
Veiligheid
Kinderen en veiligheid (vervolg)
Plaats van kinderen in de auto
Gewicht
(leeftijd)
NJ
WRWPDDQGHQ
Passagiersstoel met airbag*
Passagiersstoel zonder airbag (extra)
Ongeschikte plaats voor deze leeftijdscategorie. 0RJHOLMNKHGHQ
•
•
•
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel en extra
bevestigingsband.
7\SHJRHGN(
Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel.
7\SJRHGN(
Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met ISOFIX-systeem.
7\SHJRHGN(
±NJ
±PDDQGHQ
Ongeschikte plaats voor deze leeftijdscategorie. 0RJHOLMNKHGHQ
±NJ
±MDDU
Ongeschikte plaats voor deze leeftijdscategorie.
:$$56&+8:,1*
* Bevestig NOOIT een kinderzitje op de passagiersstoel,
wanneer uw auto uitgerust is met een airbag aan de passagierszijde.
24
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel en extra
bevestigingsband.
7\SHJRHGN(
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel.
7\SHJRHGN(
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met ISOFIX-systeem.
7\SHJRHGN(
• Kinderzitje met of zonder rugleuning.
7\SHJRHGN(
1.
Geschikt voor speciale kinderzitjes, zie overzicht onder genoemde
typegoedkeuring. Kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor één bepaald
merk auto, voor een beperkte groep merken, semi-universeel of universeel
zijn.
Veiligheid
Gewicht
(leeftijd)
Tweede zitrij, buitenste zitplaatsen*
NJ
WRWPDDQGHQ
0RJHOLMNKHGHQ
±NJ
±PDDQGHQ
0RJHOLMNKHGHQ
±NJ
±MDDU
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met
veiligheidsgordel, steunbeen en extra bevestigingsband.
7\SHJRHGN(
• Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met
veiligheidsgordel en steunbeen. 7\SJRHGN(
• Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met
ISOFIX-systeem en steunbeen. 7\SHJRHGN(
Tweede zitrij,
middelste zitplaats*
Derde zitrij op model met
zeven zitplaatsen.
• Achterstevoren gemonteerd
kinderzitje, te bevestigen met
veiligheidsgordel, steunbeen
en extra bevestigingsband.
7\SHJRHGN(
Ongeschikte plaats voor deze leeftijdscategorie.
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met • Achterstevoren gemonteerd
veiligheidsgordel, steunbeen en extra bevestigingsband.
kinderzitje, te bevestigen met
veiligheidsgordel, steunbeen
7\SHJRHGN(
en extra bevestigingsband.
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met
7\SHJRHGN(
veiligheidsgordel en steunbeen. 7\SHJRHGN(
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met
ISOFIX-systeem en steunbeen. 7\SHJRHGN(
• Kinderzitje met of zonder rugleuning.
Mogelijkheden:
7\SHJRHGN(
• Kinderzitje met of zonder
rugleuning.
7\SHJRHGN(
• Geïntegreerd kinderzitje.
7\SHJRHGN(
Ongeschikte plaats voor deze leeftijdscategorie.
1. Geschikt voor speciale kinderzitjes, zie overzicht onder genoemde
typegoedkeuring. Kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor één bepaald merk
auto, voor een beperkte groep merken, semi-universeel of universeel zijn.
2. Ingebouwd en goedgekeurd voor deze leeftijdscategorie.
*Bij modellen met zeven zitplaatsen moet de zitrij in de achterste stand
staan bij gebruik van een kinderzitje.
• Kinderzitje met of zonder rugleuning.
7\SHJRHGN(
:$$56&+8:,1*
Bevestig NOOIT een kinderzitje op de passagiersstoel, wanneer
uw auto uitgerust is met een airbag aan de passagierszijde.
25
Veiligheid
Kinderen en veiligheid (vervolg)
=RUJGDW
• het kinderzitje in de vergrendelde stand
staat;
• de stand van de hoofdsteun zorgvuldig
afgestemd is op de lengte van het kind;
• de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens
slap hangt of verdraaid is;
• de veiligheidsgordel goed over de
schouder loopt (en dus niet onderlangs);
• de heupgordel laag over de heupen, het
bekken, loopt om maximale bescherming
te bieden.
,62),;EHYHVWLJLQJHQHQ,62),;JHOHLGHU
ISOFIX-bevestigingssysteem
voor kinderzitjes
In de fabriek zijn voorbereidingen getroffen
voor de montage van het ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes op de beide buitenste
zitplaatsen van de achterbank (tweede zitrij).
Neem contact op met uw Volvo-dealer voor
meer informatie over de verkrijgbare veiligheidsuitrusting voor kinderen.
De ISOFIX-bevestigingspunten zitten op de
beide buitenste zitplaatsen van de achterbank.
U kunt de ISOFIX-geleider zo nodig
verplaatsen.
26
Geïntegreerd kinderzitje voor
middelste zitplaats (extra op
model met vijf zitplaatsen,
standaard op model met zeven
zitplaatsen)
De geïntegreerde kinderzitjes van Volvo zijn
speciaal ontworpen om kinderen een betere
bescherming en een hoger zitcomfort te bieden.
In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels zijn de kinderzitjes goedgekeurd voor
kinderen met een gewicht van 15 tot 36 kg.
Veiligheid
:$$56&+8:,1*
Als het geïntegreerde kinderzitje aan grote
krachten blootgestaan heeft, zoals bij een
aanrijding, moet u het kinderzitje met de
gordel in zijn geheel, d.w.z. inclusief de
schroeven, vervangen door een nieuw
kussen en nieuwe schroeven. Ook als het
geïntegreerde kinderzitje er op het oog intact
uitziet, kan het kussen een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben
verloren.
.LQGHU]LWMHXLWNODSSHQ
.LQGHU]LWMHLQNODSSHQ
1. Trek aan de handgreep zodat het kinderzitje omhoogkomt.
2. Pak het kussen met beide handen beet en
duwhet naar achteren.
3. Haal de gordelsluiting opzij en duw het
kussen zo ver achteruit dat het vastklikt.
1. Trek aan de handgreep.
2. Duw het kussen zo ver omlaag dat het
vastklikt.
Let erop dat u het kinderzitje eerst moet
inklappen, voordat u het ruggedeelte van de
achterbank voorover kunt klappen.
Het kinderzitje moet eveneens worden
vervangen, als het erg versleten of
beschadigd is. Let er echter op dat het
kussen vakkundig wordt vervangen, omdat
het voor de overige inzittenden van groot
belang is dat het nieuwe kussen op de juiste
wijze wordt gemonteerd. Laat het vervangen
en repareren van het kinderzitje daarom over
aan een erkende Volvo-werkplaats.
Als het kussen vuil geworden is, moet u het
ter plekke schoonmaken. Als de bekleding
dusdanig vuil is dat u deze apart moet
reinigen, gelden de bovenstaande aanwijzingen voor vervanging en montage van het
kussen.
Verricht geen wijzigingen in of aanvullingen op de constructie van de kinderzitjes.
27
Veiligheid
Kinderen en veiligheid (vervolg)
Belangrijke adviezen!
Bij het gebruik van andere in de handel zijnde
veiligheidsproducten voor kinderen is het
EHODQJULMN dat u de bijgeleverde montagevoorschriften zorgvuldig doorleest en nauwkeurig
opvolgt. Hier volgen enkele punten waar u op
moet letten:
• Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor
kinderen die afgestemd is op uw Volvo en
uitvoerig door Volvo getest is.
• Breng een kinderzitje altijd volgens de
instructies van de fabrikant aan. Zie voor
uitgebreide montagevoorschriften de
gebruiksaanwijzing bij het kinderzitje.
• Zet de bevestigingsbanden van het
kinderzitje nooit aan de hendel vast
waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren, rails of
balken met scherpe randen onder de stoel.
• Laat het ruggedeelte van het kinderzitje
tegen het dashboard steunen. (Geldt voor
modellen dieQLHW zijn uitgerust met een
airbag (SRS) aan de passagierszijde).
• Bevestig nooit een kinderzitje op de
passagiersstoel, wanneer uw auto
uitgerust is met een airbag (SRS) aan de
passagierszijde.
1%Bij problemen tijdens de montage van
kinderveiligheidsproducten moet u contact
opnemen met de fabrikant voor nadere inlichtingen over de montage.
28
:$$56&+8:,1*
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of
andere constructies die tegen de ontgrendelingsknop van de gordelsluiting aan kunnen
komen. Dit om te voorkomen dat de gordels
plotseling los kunnen schieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant
tegen de voorruit aan komt.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
30
Controle- en waarschuwingslampjes
31
Schakelaars op middenconsole
36
Verlichtingspaneel
38
Richtingaanwijzerhendel
39
Ruitenwisser/-sproeier
40
Alarmlichten, elektrisch verwarmde achterruit/
buitenspiegels/voorstoelen
42
Boordcomputer
43
Cruise control
44
Parkeerrem, motorkap, elektrische aansluiting
e.d.Parkeerrem, auto met linkse besturing
45
Elektrisch bediende ramen
47
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
49
Elektrisch bediend schuifdak (extra)
50
29
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
7HPSHUDWXXUPHWHU
De temperatuurmeter geeft de temperatuur in
het koelsysteem van de motor aan. Op het
display verschijnt een bericht, als de temperatuur abnormaal hoog is en de naald tot in het
rode gebied uitslaat. Let erop dat verstralers
voor de radiateurgrille het koelvermogen
verminderen bij een hoge buitentemperatuur en
een zware belasting van de motor.
'LVSOD\
Op het display worden informatieve berichten
en waarschuwingsberichten weergegeven.
6QHOKHLGVPHWHU
De snelheidsmeter geeft de snelheid van de auto aan.
'DJWHOOHUV7HQ7
De dagtellers gebruikt u om kortere afstanden
op te meten. Het rechter cijfer geeft de afstand
in honderden meters aan. U kunt de dagtellers
op nul zetten door de knop langer dan 2
seconden in te drukken. U wisselt van dagteller
door de knop korte tijd in te drukken.
30
,QGLFDWLHYRRU&UXLVHFRQWURO
Zie pagina 44.
.LORPHWHUWHOOHU
De kilometerteller geeft het totale aantal
kilometers aan dat er met de auto is gereden.
*URRWOLFKWDDQXLW
:DDUVFKXZLQJVODPSMH
Als er een storing optreedt, licht het waarschuwingslampje op en verschijnt er een bericht op
het display.
7RHUHQWHOOHU
De toerenteller geeft het motortoerental aan in
duizenden toeren per minuut. Laat de naald van
de toerenteller niet tot in het rode gebied
uitslaan.
,QGLFDWLHYRRUDXWRPDWLVFKHYHUVQHO
OLQJVEDN
U ziet hier welk schakelprogramma er wordt
aangehouden.
%XLWHQWHPSHUDWXXUPHWHU
De buitentemperatuurmeter geeft de buitentemperatuur aan. Wanneer de temperatuur in het
interval van –5 °C tot + 2 °C ligt, verschijnt er
een sneeuwvlokje op het display. Het symbool
wijst op het gevaar voor gladheid.
Wanneer de auto stilstaat of geparkeerd gestaan
heeft, kan het zijn dat de buitentemperatuurmeter een te hoge waarde aangeeft.
.ORNMH
Draai aan de knop om het klokje op de juiste tijd
in te stellen.
%UDQGVWRIPHWHU
De brandstoftank heeft een inhoud van
ongeveer 70 liter. Er zit nog ongeveer 8 liter
brandstof in de tank, wanneer het lampje op het
instrumentenpaneel oplicht.
&RQWUROHHQZDDUVFKXZLQJVODPSMHV
,QGLFDWRUODPSMHVULFKWLQJDDQZLM]HU
OLQNVUHFKWV
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Storing in ABS-systeem
Als het waarschuwingssymbool voor
het ABS-systeem oplicht, werkt het
ABS-systeem niet meer. Het normale
remsysteem van de auto werkt dan nog,
zij het zonder ABS-regeling.
De controle- en waarschuwingslampjes lichten
korte tijd op, wanneer u vóór het starten de
contactsleutel in de rijstand (stand II) draait. Dit
geeft aan dat de lampjes naar behoren werken.
Wanneer de motor is aangeslagen, doven alle
lampjes weer. Als de motor niet binnen
5 seconden aanslaat, doven alle lampjes
behalve de symbolen
en
. Afhankelijk
van het uitrustingsniveau van uw auto kan het
zijn dat bepaalde symbolen geen functie
vervullen. Het symbool voor de parkeerrem
dooft, wanneer u de auto van de parkeerrem
haalt.
Waarschuwingssymbool
instrumentenpaneel
op
Het waarschuwingssymbool knippert met een
rood of oranje licht afhankelijk van de ernst van
de geregistreerde storing.
Rood licht:
Oranje licht:
Breng de auto tot
stilstand. Lees het
bericht op het display.
Lees het bericht op het
display. Verhelp de
storing!
• Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af. Start de
motor opnieuw.
• Als het waarschuwingssymbool dooft,
kunt u verder rijden. Er was dan geen
sprake van een werkelijke storing.
• Als het waarschuwingssymbool echter
blijft branden, moet u de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
ABS-systeem te laten controleren.
Storing in remsysteem
Als het symbool voor het remsysteem
oplicht, kan het zijn dat het remvloeistofpeil te laag is.
• Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir.
• Als het peil lager is dan het MIN-merkje
van het reservoir, kunt u beter niet verder
rijden met de auto. Laat de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats slepen om het
remsysteem te controleren.
31
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes (vervolg)
Als de waarschuwingssymbolen
5(06<67((0en $%6 tegelijkertijd branden, kan er een storing in
de remkrachtverdeling zijn
opgetreden.
•
•
•
•
32
•Breng de auto op een veilige plaats
tot stilstand en zet de motor af. Start
de motor opnieuw.
Als de beide symbolen weer doven, was
er geen sprake van een werkelijke storing.
Als de waarschuwingssymbolen echter
blijven branden, moet u het peil in het
remvloeistofreservoir controleren.
Als het peil lager is dan het MIN-merkje
van het remvloeistofreservoir, kunt u
beter niet verder rijden met de auto. Laat
de auto naar een erkende Volvowerkplaats slepen om het remsysteem te
controleren.
Als de symbolen echter blijven branden
ondanks dat het peil in het remvloeistofpeil in orde is, moet u de auto uiterst
voorzichtig naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren.
:$$56&+8:,1*
Als de waarschuwingssymbolen
REMSYSTEEM en ABS tegelijkertijd
oplichten, bestaat het gevaar dat de achtertrein bij krachtig remmen gaat slippen.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Gordelwaarschuwing
Storing in SRS-systeem
Parkeerrem aangezet
Het lampje brandt, zolang de bestuurder
en de voorpassagier de gordel niet hebben
omgedaan.
Als het waarschuwingssymbool oplicht, is
er een storing in het SRS-systeem geregistreerd. Rijd de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats om het systeem te laten
controleren.
Let erop dat het lampje alleen aangeeft
dát u de parkeerrem hebt aangezet en
niet hoe hard. Controleer dit laatste door
op het parkeerrempedaal te trappen! Als
u de parkeerrem tijdens het rijden aanzet,
hoort u een belsignaal als waarschuwing.
Te lage oliedruk
Dynamo laadt niet bij
Mistachterlicht
Als het lampje tijdens het rijden oplicht, is
de druk van de motorolie te laag. Zet de
motor onmiddellijk af en controleer het
motoroliepeil. Als het lampje oplicht
terwijl het oliepeil in orde is, moet u de
auto tot stilstand brengen en contact
opnemen met een erkende Volvowerkplaats.
Als het lampje tijdens het rijden oplicht, is
er waarschijnlijk sprake van een storing in
het elektrische systeem. Breng een bezoek
aan een erkende Volvo-werkplaats.
Het lampje brandt, wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Storing in uitlaatgasreinigingssysteem
Voorgloeifunctie motor
(diesel)
Controlelampje aanhanger
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats om het systeem te laten
controleren.
Het lampje licht op wanneer de voorgloeifunctie van de motor actief is. Wanneer het
lampje dooft, kunt u de motor starten.
Geldt alleen voor dieselmodellen.
Het controlelampje knippert, wanneer u
de richtingaanwijzers op de auto en op
de aanhanger gebruikt. Als het lampje
niet knippert, is één van de richtingaanwijzers op de auto of de aanhanger
defect.
33
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes (vervolg)
DSTC met RSC
Het DSTC-systeem (Dynamic Stability and
Traction Control) met RSC-systeem (Roll
Stability Control) staat uitvoeriger beschreven
op pagina 36 en pagina 108. Het systeem
bestaat uit meerdere deelsystemen:
:$$56&+8:,1*
Onder normale omstandigheden zorgt het
DSTC-systeem voor een betere wegligging.
Dit mag echter voor u geen reden zijn om
sneller te gaan rijden. Wees altijd
voorzichtig bij het nemen van bochten en het
rijden op gladde wegen.
Beperkte tractie
Het symbool licht op en brandt continu,
wanneer er beperkingen voor het DSTCsysteem gelden door een te hoge temperatuur
van de remmen. De tekst “TRACTIECONTROLE TIJDELIJK UIT” verschijnt op het
display.
Beperkte anti-doorslipregeling
De LED in de knop dooft, wanneer u de functie
van het DSTC-systeem beperkt hebt met een
druk op de knop DSTC. De tekst “DSTC SPIN
CONTROL UIT” verschijnt op het display.
Storing in DSTC-systeem
Als het waarschuwingssymbool oplicht en
continu brandt, terwijl u het systeem niet hebt
uitgeschakeld is er sprake van een storing in één
van de systemen. De tekst “ANTI-SKID
SERVICE VEREIST” verschijnt op het
display.
34
• Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af. Start de
motor opnieuw.
• Als het waarschuwingssymbool dooft,
was er geen sprake van een werkelijke
storing. U hoeft dan geen bezoek aan een
werkplaats te brengen.
• Als het waarschuwingssymbool echter
blijft branden, moet u de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
systeem te laten controleren.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Displayberichten
Wanneer er een controle- of waarschuwingssymbool oplicht, verschijnt er tevens een
bericht op het display. Wanneer u het bericht
gelezen en begrepen hebt, kunt u op de knop
READ (A) drukken. Het bericht wordt dan van
het display gewist en in het geheugen
opgeslagen. Het bericht blijft in het geheugen
opslagen, totdat u de onderliggende storing hebt
laten verhelpen.
%HULFKWHQGLHGXLGHQRS]HHUHUQVWLJH
VWRULQJHQNXQWXQLHWYDQKHWGLVSOD\ZLVVHQ
'HEHULFKWHQEOLMYHQRSKHWGLVSOD\VWDDQ
WRWGDWXGHRQGHUOLJJHQGHVWRULQJKHEWODWHQ
YHUKHOSHQ
Bericht:
STOP AUTO Z.S.M.
ZET DE MOTOR AF
SERVICE SPOED
ZIE HANDLEIDING
SERVICE VEREIST
BIJ ONDERHOUD
TIJD VOOR REG.
SERVICE
Berichten die in het geheugen liggen
opgeslagen kunt u op een later tijdstip nogmaals
doorlezen. Druk op de knop READ (A), als u de
opgeslagen berichten wilt bekijken. U kunt
door de berichten bladeren door op de knop
READ (A) te drukken. Druk nogmaals op de
knop READ (A) om de berichten weer in het
geheugen op te slaan.
1%Als er een waarschuwingsbericht
verschijnt terwijl u zich bijv. in een menu van
de boordcomputer bevindt of wilt telefoneren,
moet u eerst bevestigen dat u het bericht hebt
gezien. U doet dat door op de knop READ (A)
te drukken.
Betekenis:
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote
kans op schade.
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote
kans op schade.
Breng uw auto voor controle naar de werkplaats.
Raadpleeg het instructieboekje.
Laat uw auto zo spoedig mogelijk controleren.
Laat uw auto tijdens de volgende servicebeurt controleren.
Als de displaytekst verschijnt, moet de auto voor een
servicebeurt naar de werkplaats. Wanneer de tekst
verschijnt, hangt af van de afgelegde afstand, het aantal
maanden dat verstreken is sinds de laatste servicebeurt
en het aantal draaiuren van de motor.
35
Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
1
2
3
4
5
6
7
8
1%'HRQGHUOLQJHSRVLWLHYDQGHNQRSSHQNDQYDULsUHQ
³3DUNLQJ6XSSRUW´ (extra)
De “Parking Support” (parkeerhulpsysteem) is
bij het starten van de motor altijd ingeschakeld.
Druk op de knop om de “Parking Support” uit
te schakelen/opnieuw in te schakelen.
,QNODSEDUHEXLWHQVSLHJHOV (extra)
Met deze knop kunt u de elektrisch bediende
buitenspiegels in- en uitklappen.
Ga als volgt te werk, als één van de buitenspiegels per ongeluk in- of uitgeklapt is:
• Klap de buitenspiegel die verzet is terug
in de normale stand.
• Draai de contactsleutel in stand II.
• Klap de buitenspiegels met behulp van de
knop eerst naar binnen en vervolgens
weer naar buiten toe. De buitenspiegels
36
staan daarna weer in hun oorspronkelijke
stand.
9HUVWUDOHUV (extra)
Druk op deze knop als u de verstralers van de
auto’s tegelijk met het groot licht wilt voeren of
als u de verstralers uit wilt schakelen. De LED
in de knop brandt om aan te geven dat de functie
actief is.
'67&V\VWHHP
Met deze knop kunt u de functie van het DSTCsysteem beperken of een geldende beperking
opheffen. Wanneer de LED in de knop brandt,
is het DSTC-systeem actief (voor zover er geen
sprake is van een storing).
1%Om veiligheidsredenen moet u de knop
minstens een halve seconde lang ingedrukt
houden om de functie van het DSTC-systeem te
beperken.
De tekst “SPIN CONTROL UIT” verschijnt op
het display.
Beperk de functie van het systeem als u een wiel
met een afwijkende maat gebruikt.
De volgende keer dat u de motor start, is het
DSTC-systeem weer actief.
:$$56&+8:,1*
Let erop dat de rijeigenschappen van de auto
veranderen, als u het DSTC-systeem
uitschakelt.
Instrumenten, schakelaars en bediening
$LUFRQGLWLRQLQJDFKWHULQ
SDVVDJLHUVUXLPWH(extra)
Druk op de knop om de airconditioning achter
in de passagiersruimte in te schakelen. De
airconditioning achter in de passagiersruimte
wordt uitgeschakeld, wanneer u het contact
uitschakelt.
6DIHORFNIXQFWLHHQDODUPVHQVRUHQ
XLWVFKDNHOHQ
Met deze knop kunt u de safelock-functie
desgewenst uitschakelen (safelock houdt in dat
portieren na vergrendeling niet meer van de
binnenkant te openen zijn). Met deze knop kunt
u ook de bewegings- en niveausensoren van het
alarmsysteem buiten werking stellen. De LED
in de knop brandt, wanneer de functies zijn
uitgeschakeld of buiten werking zijn gesteld.
door de knop in te drukken. Wanneer de
aansteker heet genoeg is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en
gebruik het roodgloeiende stuk metaal om een
sigaar of sigaret aan te steken. Om veiligheidsredenen moet u het deksel altijd op de
aansluiting laten zitten, wanneer deze niet in
gebruik is. U kunt maximaal 10 A via de
aansluiting afnemen.
.LQGHUVORWRSDFKWHUSRUWLHUHQ(extra)
Met deze knop kunt u het elektrisch kinderslot
op de achterportieren in- of uitschakelen.
De contactsleutel moet daarbij in stand I of II
staan. Wanneer het kinderslot geactiveerd is,
brandt de LED in de knop. Er verschijnt een
bericht op het display, wanneer u het kinderslot
in- of uitschakelt.
(OHNWULVFKHDDQVOXLWLQJ(standaard)
$DQVWHNHU(extra)
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken, zoals een mobiele
telefoon of koelbox. U activeert de aansteker
37
Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
A
B
C
A - Koplampen en stadslichten
D - Mistlampen, vóór
&RQWDFWVOHXWHOLQVWDQG,, Druk op de knop.
De mistlampen vóór branden in combinatie met
de stadslichten en het groot licht/dimlicht. De
LED in de knop brandt, wanneer u de
mistlampen hebt ingeschakeld.
Alle verlichting uit.
$XWR¶VPHWDXWRPDWLVFKGLPOLFKW
EHSDDOGHODQGHQ
&RQWDFWVOHXWHOLQVWDQG,,: Dimlicht aan
(plus stadslichten voor en verlichting
achter, kentekenplaatverlichting en
instrumentenverlichting). Het dimlicht
gaat automatisch aan, wanneer u de
contactsleutel in de startstand draait en
kan niet worden uitgeschakeld. Als dat
voor buitenlandse reizen noodzakelijk is,
kunt u het automatische dimlicht in uw
Volvo-werkplaats buiten werking late
stellen.
Stadslichten voor en verlichting achter.
&RQWDFWVOHXWHOLQVWDQG Alle
verlichting uit.
&RQWDFWVOHXWHOLQVWDQG,, Koplampen
aan (plus stadslichten vóór en
verlichting achter, kentekenplaatverlichting en instrumentenverlichting).
1%U moet de verlichtingsdraaiknop
altijd in deze stand zetten, voordat u het
groot licht kunt inschakelen.
1%In sommige landen mag u geen dimlicht
voeren in combinatie met mistlampen.
E - Mistachterlicht
D
E
B - Koplamphoogteverstelling
Bepaalde modellen zijn uitgerust met stelmotoren bij de beide koplampen, waarmee u de
koplamphoogte kunt afstellen op de belading
van de auto. U stelt de koplamphoogte bij met
de bijbehorende draaiknop op het dashboard.
Auto’s met Bi-Xenon-lampen (extra) zijn
voorzien van automatische koplamphoogteverstelling.
C - Instrumentenverlichting
Draaiknop omhoog ± fellere verlichting.
Draaiknop omlaag ±zwakkere verlichting.
Een schemeringssensor (zie pagina 60) stemt de
instrumentenverlichting automatisch af op de
lichtinval.
38
&RQWDFWVOHXWHOLQVWDQG,,Druk op de knop.
Het mistachterlicht brandt in combinatie met
het groot licht/dimlicht. De LED in de knop en
het symbool op het instrumentenpaneel
branden, wanneer u het mistachterlicht hebt
ingeschakeld.
2SJHOHW De regels voor het gebruik van de
mistlampen vóór en achter verschillen van land
tot land.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Richtingaanwijzerhendel
7HUXJYHUHQGHVWDQG
Bij het wisselen van rijstrook of inhalen duwt u
de hendel zo ver omhoog of omlaag dat deze
merkbaar weerstand biedt. De hendel keert in
de ruststand terug, wanneer u deze loslaat.
1RUPDOHERFKW
De richtingaanwijzers gaan knipperen, wanneer
u de hendel met het stuurwiel mee beweegt.
Wanneer u het stuurwiel na de bocht weer in de
uitgangspositie terugdraait, worden de richtingaanwijzers automatisch uitgeschakeld.
/LFKWVLJQDDO
U kunt lichtsignalen geven, wanneer u de
hendel voorzichtig naar u toe trekt (totdat u een
lichte weerstand voelt). Het groot licht blijft
branden, totdat u de hendel weer loslaat.
³)ROORZ0H+RPH´YHUOLFKWLQJ
Doe het volgende, als u uw auto bij donker
verlaat:
• Neem de sleutel uit het contactslot.
• Haal de linker stuurhendel (richtingaanwijzerhendel) naar u toe.
• Stap uit de auto.
• Vergrendel de portieren.
Het dimlicht, de stadslichten, de achterlichten,
de kentekenplaatverlichting en de verlichting
van de buitenspiegels (extra) lichten vervolgens
op. De lampen blijven 30, 60 of 90 seconden
lang branden. In een erkende Volvo-werkplaats
kunt u een voor u passende inschakelduur laten
instellen.
:LVVHOHQJURRWOLFKWGLPOLFKW
Haal de hendel via de lichtsignaalstand naar u
toe en laat de hendel vervolgens weer los om te
wisselen tussen groot licht en dimlicht.
39
Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruitenwisser/-sproeier
Regensensor (extra)
De regensensor vervangt de intervalfunctie. De
ruitenwissers gaan automatisch sneller of
langzamer slaan afhankelijk van de hoeveelheid
regen op de voorruit die de regensensor registreert. 8NXQWGHJHYRHOLJKHLG van de sensor
afstellen met behulp van de ring (zie
afbeelding) op de wisserhendel.
Doe het volgende om de regensensor te
activeren:
:HUNLQJZLVVHUVSURHLHUV\VWHHPYRRUUXLW
Voorruitwisser
Ruitenwissers uitgeschakeld.
Wanneer u de hendel vanuit stand 0
omhoogduwt, maken de wissers slagen
zolang u de hendel vasthoudt.
Intervalstand
U kunt de snelheid van wissers voor de
intervalstand bijstellen. Wanneer u de
ring van u af draait, neemt de frequentie
van de wisserslagen toe. Wanneer u de
ring (A op de afbeelding) naar u toe
draait, neemt de frequentie van de
wisserslagen af.
40
De wissers werken op normale snelheid.
De wissers werken op hoge snelheid.
3 – Ruitensproeier/ koplampsproeier
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
• Schakel het contact in.
• Duw de hendel vanuit stand 0 in de intervalstand.
De regensensor wordt buiten werking gesteld,
wanneer u het contact uitschakelt. Doe het
volgende om de regensensor weer in te
schakelen:
Koplampsproeiers
De koplampsproeiers verbruiken grote
hoeveelheden sproeivloeistof. Om vloeistof
te besparen worden de koplampen alleen
iedere vijfde keer dat u de voorruitsproeier
activeert gesproeid (gerekend over een
periode van 2 minuten).
• Schakel het contact in.
• Duw de hendel in stand 0 en vervolgens
in de intervalstand.
Wanneer er meer dan 2 minuten zijn
verstreken sinds de laatste sproeibeurt van
de voorruit, worden ook de koplampen weer
gesproeid bij het activeren van de ruitensproeiers.
1%In automatische wasstraten: Schakel de
regensensor uit (zet de hendel in stand 0) of
schakel het contact uit. Als u dat niet doet zal de
regensensor de ruitenwissers activeren, waarbij
deze beschadigd kunnen raken.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruitenwissers, achteruitrijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet
terwijl de voorruitwissers actief zijn, zal de
achterruitwisser automatisch in de intervalstand* gaan staan. Als de achterruitwisser
echter al op normale snelheid werkt, vindt er
geen wijziging in de wisfunctie plaats.
* Deze functie (intervalfunctie tijdens het
achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Neem daarvoor contact op met uw
Volvo-dealer.
:HUNLQJZLVVHUVSURHLHUV\VWHHPDFKWHUNOHS
Ruitensproeier, achterklep
Wanneer u de hendel QDDUYRUHQ duwt,
schakelt u de ruitensproeier op de achterklep in.
A. Achterruitwisser, intervalstand
B. Achterruitwisser, normale wissnelheid
41
Instrumenten, schakelaars en bediening
Alarmlichten, elektrisch verwarmde achterruit/buitenspiegels/voorstoelen
Elektrisch
verwarmde
achterruit en
buitenspiegels
Alarmlichten
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen of moet
parkeren op een plaats waar deze gevaar of
hinder voor het overige verkeer oplevert. Druk
op de knop om de alarmlichten in te schakelen.
2SJHOHW De regels voor het gebruik van de
alarmlichten verschillen van land tot land.
42
Schakel de elektrische
verwarming in om ijs en
wasem van de achterruit
en buitenspiegels te
verwijderen. Wanneer u
eenmaal op de schakelaar
drukt, worden de
verwarming van de achterruit en die van de
buitenspiegels geactiveerd. De LED in de
schakelaar gaat branden. Een ingebouwde
tijdschakelaar zorgt dat de buitenspiegelverwarming na ongeveer 4 minuten en de achterruitverwarming na ongeveer 12 minuten wordt
uitgeschakeld.
Elektrisch
verwarmde
voorstoelen
Zie pagina 59 of 63 voor
meer informatie.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer
Bediening
Functies
Om toegang te krijgen tot de informatie van de
boordcomputer moet u de ring (B) op de hendel
stapsgewijs linksom of rechtsom draaien.
Wanneer u na het laatste menu nogmaals aan de
ring draait, keert u terug in de uitgangspositie.
De boordcomputer krijgt een grote hoeveelheid
gegevens binnen die voortdurend door een
microprocessor worden beoordeeld. Het
systeem bestaat uit vier functies die op het
display worden weergegeven:
• Gemiddelde snelheid
• Huidig brandstofverbruik
• Gemiddeld brandstofverbruik
• Bereik tot lege brandstoftank
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid sinds de laatste maal
dat u de waarde op nul hebt gezet (RESET).
Wanneer u het contact uitschakelt, wordt de
gemiddelde snelheid opgeslagen om als
uitgangswaarde te dienen bij het vervolg van de
rit. U kunt de waarde op nul zetten met een druk
op de knop RESET (C) op de hendel.
1%Als er een waarschuwingsbericht
verschijnt terwijl u zich bijv. in een menu van
de boordcomputer bevindt of wilt telefoneren,
moet u eerst bevestigen dat u het bericht hebt
gezien. U doet dat door op de knop READ (A)
te drukken. U keert dan terug naar het menu van
de boordcomputer waarin u zich bevond.
Huidig brandstofverbruik
In het menu voor het huidige brandstofverbruik
wordt het brandstofverbruik voortdurend bijgehouden. Het brandstofverbruik wordt eenmaal
per seconde berekend. De waarde op het display
wordt om de paar seconden bijgewerkt.
Wanneer de auto stilstaat, geeft het display
“----” aan.
1% Na gebruik van een standverwarming op
brandstof kan de displaywaarde iets afwijken.
Gemiddeld brandstofverbruik
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt gezet
(RESET). Wanneer u het contact uitschakelt,
wordt het gemiddelde brandstofverbruik
opgeslagen. De waarde blijft in het geheugen
opgeslagen, totdat u deze met een druk op de
knop RESET (C) op nul zet.
1% Na gebruik van een standverwarming op
brandstof kan de displaywaarde iets afwijken.
Bereik tot lege brandstoftank
Het bereik tot lege brandstoftank is de afstand
die bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank
(d.w.z. de actieradius). De waarde is berekend
aan de hand van het gemiddelde brandstofverbruik over de laatste 30 km en de resterende
hoeveelheid brandstof. Wanneer de actieradius
kleiner is dan 20 km, geeft het display “----”
aan.
1% Na gebruik van een standverwarming op
brandstof kan de displaywaarde iets afwijken.
43
Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruise control
Tijdelijk uitschakelen
Uitschakelen
Druk op om de Cruise control tijdelijk uit te
schakelen.
Druk op CRUISE om de Cruise control uit te
schakelen. De tekst “CRUISE” verdwijnt van
het instrumentenpaneel.
U kunt van de ingestelde snelheid afwijken,
wanneer u op het rem- of koppelingspedaal
trapt. De eerder ingestelde snelheid blijft in het
geheugen opgeslagen.
De Cruise control wordt bovendien uitgeschakeld, als...
• de snelheid tot onder de grenswaarde
voor inschakeling daalt;
• u de keuzehendel in stand N zet;
• de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren.
Inschakelen
Snelheid hervatten
De bedieningsorganen voor de Cruise control
vindt u links op het stuurwiel.
Wanneer u op
drukt, neemt de auto de
eerder ingestelde snelheid weer aan.
*HZHQVWHVQHOKHLGLQVWHOOHQ
• Druk op de knop CRUISE. Op het instrumentenpaneel verschijnt de tekst
“CRUISE”.
• Verhoog of verlaag de gewenste snelheid
met de knoppen + en –.
1% De Cruise control kan niet worden
ingeschakeld bij snelheden lager dan
35 km/h.
• Druk lichtjes op + of – om de gewenste
snelheid vast te zetten.
44
Snelheid meerderen
Een tijdelijke verhoging van de snelheid, zoals
bij het inhalen, is niet van invloed op de
instelling van de Cruise control. De auto neemt
automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
Als u de Cruise control hebt ingeschakeld, kunt
u de aan te houden kruissnelheid verhogen of
verlagen door de knop + of – ingedrukt te
houden. Een korte druk komt overeen met een
snelheidswijziging van ca. 1 km/h. De nieuwe
snelheid die de auto heeft op het moment dat u
de knop loslaat, zal vervolgens worden geprogrammeerd.
De Cruise control wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u het contact uitschakelt.
1%Als u één van de knoppen van de Cruise
control langer dan één minuut ingedrukt houdt,
wordt het systeem uitgeschakeld. Om de Cruise
control weer in te schakelen, moet u eerst het
contact uitschakelen.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Parkeerrem, motorkap, elektrische aansluiting e.d.
2
1
Parkeerrem
Links op de vloer vindt u het parkeerrempedaal.
U zet de parkeerrem aan door op het pedaal (1)
te trappen. U lost de parkeerrem door de
handgreep (2) uit te trekken.
De parkeerrem werkt op de achterwielen.
Wanneer de rem is aangezet, brandt het bijbehorende waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel.
Let erop dat het waarschuwingssymbool op het
instrumentenpaneel al brandt, wanneer de
parkeerrem ook maar “iets” aangezet is.
1
2
3DUNHHUUHPDXWRPHWUHFKWVHEHVWXULQJ
Motorkap openen
Trek de handgreep naar u toe om de motorkapvergrendeling op te heffen.
:$$56&+8:,1*
Sluit de motorkap door uw ene hand er
bovenop te leggen en de kap vervolgens
omlaag te duwen. Houd de motorkap tijdens
het sluiten niet aan de grille beet. Dit om te
voorkomen dat u met uw vingers tegen
motoronderdelen aankomt en daarbij
verwondingen oploopt.
45
Instrumenten, schakelaars en bediening
Parkeerrem, motorkap, elektrische aansluiting e.d. (vervolg)
Elektrische aansluiting voor
achterpassagiers (extra)
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken, zoals een mobiele
telefoon of een cd-speler. U kunt maximaal
10 A via de aansluiting afnemen.
Stuurwielafstelling
Achterklep openen
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen. Duw de hendel aan de
linkerzijde van de stuurkolom omlaag. Zet
vervolgens het stuurwiel in de gewenste stand.
Duw de hendel in positie terug om het stuurwiel
in de nieuwe stand te blokkeren. Als dit veel
moeite kost, kunt u lichtjes het stuurwiel
omhoog- of omlaagbewegen wanneer u de
blokkeerhendel terugduwt.
Open de achterklep door aan de handgreep te
trekken zoals aangegeven op de afbeelding.
Klap het achterschot omlaag door de handgreep
op te tillen.
:$$56&+8:,1*
Stel het stuurwiel af, voordat u gaat rijden en
nooit tijdens het rijden. Controleer of het
stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd
staat.
46
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bediende ramen
Met de schakelaars op de armleuning van de
portieren kunt u de ramen elektrisch bedienen.
U kunt de ramen alleen bedienen, wanneer de
contactsleutel in stand I of II staat. Ook wanneer
de auto stilstaat en u de contactsleutel hebt
uitgenomen, kunt u de ramen nog steeds openen
en sluiten zolang u geen van de voorportieren
hebt geopend.
A
B
De ramen gaan open, wanneer u de voorzijde
van de schakelaar omlaagdrukt, of dicht,
wanneer u de voorzijde van de schakelaar
omhoogtrekt.
Elektrisch bediende ramen in
de voorportieren
U kunt de ramen in de voorportieren op twee
manieren vanaf de voorstoelen openen.
1. Druk de schakelaars (A) YRRU]LFKWLJomlaag
of trek zeYRRU]LFKWLJ omhoog. De
elektrisch bediende ramen gaan dan steeds
verder omhoog of omlaag zolang u de
schakelaars bedient.
2. Druk de schakelaars (A) YROOHGLJomlaag of
trek ze YROOHGLJomhoog en ODDW]H
YHUYROJHQVZHHUORV. De zijramen gaan dan
automatisch volledig open of dicht. Als de
ramen worden geblokkeerd, wordt de op- of
neergaande beweging van de zijramen
afgebroken en zakken de ramen weer iets
omlaag.
1%Alleen op bepaalde markten werkt de
DXWRPDWLVFKHVOXLWLQJVIXQFWLH ook aan de
passagierszijde.
Met de achterste schakelaars (B) bedient u de
ramen in de achterportieren.
Elektrisch bediening van ramen
in achterportieren blokkeren
U kunt de elektrische bediening van de ramen in
de achterportieren blokkeren met de schakelaar
op het bedieningspaneel op het bestuurdersportier. Let erop dat u altijd de stroomtoevoer
voor de elektrisch bediende ramen verbreekt
(d.w.z. de contactsleutel verwijdert), wanneer u
kinderen alleen in de auto achterlaat.
'H/('LQGHVFKDNHODDUEUDQGWQLHW
U kunt de ramen in de achterportieren zowel
met de schakelaars op de beide achterportieren
als met de schakelaars op het bestuurdersportier
bedienen.
'H/('LQGHVFKDNHODDUEUDQGW
U kunt de ramen in de achterportieren alleen
vanaf het bestuurdersportier bedienen.
47
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bediende ramen (vervolg)
:$$56&+8:,1*
Wanneer u de zijramen in de achterportieren
met de knoppen op het bestuurdersportier
sluit, moet u erop letten dat eventuele
achterpassagiers niet met hun handen
bekneld kunnen raken.
Elektrisch bediend raam in
voorportier, passagierszijde
Elektrisch bediende ramen in
achterportieren
Met de schakelaar voor elektrische bediening
van het raam op het passagiersportier kunt u
alleen het raam in het passagiersportier
bedienen.
U kunt de ramen in de achterportieren zowel
met de schakelaars op de beide achterportieren
als met de schakelaars op het bestuurdersportier
bedienen. Als de LED in de schakelaar
waarmee u de elektrische bediening van de
ramen in de achterportieren blokkeert (op het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier)
brandt, kunt u de ramen in de achterportieren
alleen vanaf het bestuurdersportier bedienen.
48
Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Buitenspiegels met geheugen
(extra)
Als de auto is uitgerust met buitenspiegels met
geheugen, werkt het geheugen synchroon met
dat van de bestuurdersstoel, pagina 70.
A
B
Achteruitkijkspiegel
Buitenspiegels
A. Normale stand.
De schakelaars waarmee u de twee buitenspiegels bedient vindt u voor op de armleuning
van het bestuurdersportier.
B. Anti-verblindingsstand. Gebruik deze stand,
als u de koplampen van het achteropkomende
verkeer als hinderlijk ervaart.
Bepaalde modellen hebben een zogeheten
DXWRGLP-functie (extra), hetgeen inhoudt dat
de achteruitkijkspiegel automatisch in de antiverblindingsstand gaat staan afhankelijk van de
lichtinval. De gevoeligheid van deze functie
kunt u in uw Volvo-werkplaats laten afstellen.
:$$56&+8:,1*
Stel de spiegels af, voordat u gaat rijden!
Geheugenfunctie in afstandsbediening
Wanneer u de auto met één van de afstandsbedieningen ontgrendelt en de instelling van de
buitenspiegels wijzigt, wordt de nieuwe positie
van de spiegels in de afstandsbediening
opgeslagen. De volgende keer dat u de auto
ontgrendelt met dezelfde afstandsbediening en
het bestuurdersportier binnen twee minuten na
ontgrendeling opent, gaan de buitenspiegels in
de opgeslagen positie staan. Dit geldt echter
alleen voor de twee afstandsbedieningen die bij
de auto worden geleverd, zie pagina 88.
• Druk de schakelaar L of R in (L = linker
buitenspiegel, R = rechter buitenspiegel).
De LED in de schakelaar brandt.
• U stelt de stand van de buitenspiegels bij
met het centrale hendeltje. Druk
vervolgens eenmaal op de schakelaar. De
LED mag niet langer branden.
Gebruik geen krabber met een stalen blad om de
spiegels van ijs te ontdoen. Er kunnen daarbij
krassen ontstaan!
49
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bediend schuifdak (extra)
+DQGPDWLJHEHGLHQLQJ
2SHQHQ: Trek de schakelaar achteruit naar het
drukpunt (3). Het schuifdak schuif steeds
verder open zolang u de schakelaar in deze
stand vasthoudt.
A
4
2
1
3
5
B
6
Openingsstanden
De bedieningsknoppen voor het schuifdak
zitten op het plafond. U kunt het schuifdak op
twee manieren bedienen:
A: achterkant omhoog/omlaag (ventilatiestand)
B: achteruit/vooruit (openingsstand/comfortstand*)
De contactsleutel moet daarbij in stand I of
II staan.
Ventilatiestand
2SHQHQ Duw de achterkant van de schakelaar
(5) omhoog.
6OXLWHQTrek de achterkant van de schakelaar
(6) omlaag.
U kunt het schuifdak vanuit de YHQWLODWLHVWDQG
rechtstreeks in de FRPIRUWVWDQG zetten: Trek
de schakelaar achteruit in de eindstand (4) en
laat de schakelaar los.
50
$XWRPDWLVFKVOXLWHQ
+DQGPDWLJVOXLWHQ
+DQGPDWLJRSHQHQ
$XWRPDWLVFKRSHQHQ
2SHQHQWRWLQYHQWLODWLHVWDQG
6OXLWHQYDQXLWYHQWLODWLHVWDQG
6OXLWHQ: Duw de schakelaar naar vooruit in het
drukpunt (2). Het schuifdak schuift steeds
verder dicht zolang u de schakelaar in deze
stand vasthoudt.
:$$56&+8:,1*
Als er kinderen in de auto zitten, moet u
zorgen dat ze bij het sluiten van het
schuifdak niet met hun handen gekneld
kunnen raken.
Openingsstand/comfortstand*
$XWRPDWLVFKHEHGLHQLQJ
Duw de schakelaar door het drukpunt (3) in de
achterste eindstand (4) of via het drukpunt (2) in
de voorste eindstand (1) en laat de schakelaar
vervolgens los. Het schuifdak schuift dan tot in
de FRPIRUWVWDQG open of helemaal dicht.
Doe het volgende om het schuifdak vanuit de
FRPIRUWVWDQG volledig te openen: trek de
schakelaar nogmaals achteruit in de eindstand
(4) en laat de schakelaar vervolgens los.
* In de comfortstand staat het schuifdak op een
kier om de rijwindgeluiden te beperken.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Zonnescherm
Beveiliging tegen overbelasting
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen
van het schuifdak.
Doe het volgende om het zonnescherm te
sluiten: Pak de handgreep beet en schuif het
scherm naar voren.
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een bepaald voorwerp wordt
gehinderd.
Het schuifdak komt dan tot stilstand en neemt
daarna automatisch de laatst gebruikte stand
weer in.
:$$56&+8:,1*
De beveiliging tegen overbelasting werkt alleen
wanneer het schuifdak op de normale manier
openstaat – niet in de ventilatiestand.
=RUJGDWXKHWVFKXLIGDNYROOHGLJKHEW
JHVORWHQYRRUGDWXGHDXWRYHUODDW
51
Instrumenten, schakelaars en bediening
52
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
54
Handbediende klimaatregeling met airconditioning, AC
56
Elektronische klimaatregeling, ECC
60
Standverwarming (extra)
64
53
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Beslagen ramen
Auto’s met ECC
Een probaat middel om het beslaan van de
voorruit en/of andere ruiten tegen te gaan is
poetsen. Gebruik een normaal poetsmiddel voor
glaswerk. Let erop dat u vaker moet poetsen, als
er in de auto gerookt wordt.
Werkelijke temperatuur, ECC
De door u gekozen temperatuur komt overeen
met de gevoelstemperatuur op grond van de
heersende omstandigheden in en rond de auto
wat de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte enz. betreft.
Interieurfilter
Zorg dat u het interieurfilter op gezette tijden
vervangt. Informeer bij uw Volvo-werkplaats.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (het rooster tussen de motorkap
en de voorruit).
Storingen opsporen
Uw Volvo-werkplaats beschikt over de juiste
uitrusting en instrumenten voor het opsporen
van storingen en het uitvoeren van reparaties
aan de klimaatregeling. Laat controle- en
reparatiewerkzaamheden alleen over aan
gekwalificeerd personeel.
Sensoren, ECC
De zonnesensor zit boven op het dashboard. Let
erop dat u de zonnesensor niet mag afdekken.
Dek de interieurtemperatuursensor op het
bedieningspaneel van de klimaatregeling
evenmin af.
Zijramen en schuifdak
Voor een goede werking van het AC-systeem
moet u de zijramen en een eventueel schuifdak
gesloten houden.
Snelheid meerderen
Wanneer u volgas optrekt, wordt het ACsysteem tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur
kan dan tijdelijk iets oplopen.
Milieuzorg
Condensatie/Droogblazen
Het AC-systeem bevat het koudemiddel R134a.
Het bevat geen chloor, hetgeen inhoudt dat het
koudemiddel volledig onschadelijk is voor de
ozonlaag.
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van het AC-systeem een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen
normaal. Zo nodig slaat de ventilator
50 minuten nadat u het contact in stand 0 hebt
gezet, nog eens aan om de klimaatregeling tot
maximaal zeven minuten lang droog te blazen.
De ventilator wordt vervolgens automatisch
uitgeschakeld.
Voor het bijvullen/verversen van koudemiddel
mag alleen gebruik maken van R134a. Laat
dergelijke werkzaamheden over aan een
erkende werkplaats.
54
Brandstofbesparing, elektronische
klimaatregeling (ECC)
Bij gebruik van ECC wordt ook het ACsysteem automatisch geregeld en alleen dan
ingeschakeld wanneer de lucht in de passagiersruimte moet worden afgekoeld en de binnenkomende lucht van vocht moet worden ontdaan.
Zo wordt meer brandstof bespaard dan bij
gebruik van conventionele systemen, waarbij
het AC-systeem tot net boven het vriespunt de
lucht voortdurend afkoelt.
Energiebesparingsfunctie ventilator
Wanneer de motor is afgezet (ook al staat de
contactsleutel in stand I of II), zal de ventilator
automatisch worden uitgeschakeld. Om de
ventilator in dat geval te activeren, moet u de
ventilatorknop in de gewenste stand draaien. De
ventilator gaat twee minuten later op een lagere
snelheid draaien om te voorkomen dat de accu
uitgeput raakt.
Klimaatregeling
D
D
C
A
C
A
B
B
Luchtverdeling
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
meerdere blaasmonden die op verschillende
punten in de auto zijn aangebracht.
Blaasmonden in
dashboard
Blaasmonden in
portierstijlen
A. Open
B. Dicht
C. Luchtstroom naar links of rechts
D. Luchtstroom omhoog of omlaag
A. Open
B. Dicht
C. Luchtstroom naar links of rechts
D. Luchtstroom omhoog of omlaag
• Richt de buitenste blaasmonden op de
zijramen om ze te ontwasemen.
• Bij koud weer: Doe de middelste blaasmonden dicht om de temperatuur in de
auto zo comfortabel mogelijk te houden
en de ruiten optimaal te ontwasemen.
• Richt de blaasmonden op de achterste
zijramen om ze te ontwasemen.
• Richt de blaasmonden naar binnen toe
voor een behaaglijke temperatuur achter
in de auto.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn voor
luchtstromen en tocht.
55
Klimaatregeling
Handbediende klimaatregeling met airconditioning, AC
2. Recirculatie
3. Luchtverdeling
4. Elektrisch verwarmde
achterruit en buitenspiegels
1. AC aan/uit
9. Ventilator
8. Temperatuur
linkerzijde
• Als u het AC-systeem wilt inschakelen,
moet u de ventilatorknop (9) uit stand 0
draaien.
• Gebruik het AC-systeem ook bij lage
temperaturen (0 tot 15 °C) om de
inkomende lucht van vocht te ontdoen.
56
7. Schemeringssensor
6. Temperatuur
rechterzijde
5. Elektrisch verwarmde
voorstoelen
Klimaatregeling
1. AC, ON/OFF
De koel- en ontwasemingsfunctie van de
airconditioning is actief, wanneer de LED (ON)
brandt. De airconditioning is uitgeschakeld,
wanneer de LED (OFF) brandt.
Wanneer u op de ontdooierknop
drukt, is
de airconditioning ook altijd actief (voor zover
de draaiknop voor de ventilatorsnelheid niet in
stand 0 staat).
• Telkens wanneer u op
drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
• Druk de knop
nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. De LED gaat
5 seconden branden ter bevestiging van
uw keuze.
Wanneer u de ontdooierfunctie
kiest, is
de recirculatie altijd uitgeschakeld.
2. Recirculatie
U kunt de recirculatie inschakelen, als u vieze
lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt
houden. De lucht in het passagierscompartiment wordt dan gerecirculeerd, d.w.z. er
wordt geen lucht van buiten de auto aangezogen, wanneer de functie actief is. Bij gebruik
van de recirculatie (in combinatie met het ACsysteem) wordt de lucht in de passagiersruimte
bij warm weer sneller afgekoeld.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de
binnenkant van de ruiten ontstaan. Met de
timerfunctie beperkt u de kans op ijs, wasem en
een slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
• Druk de knop
langer dan 3
seconden in. De LED knippert gedurende
5 seconden. De lucht in de auto wordt
gedurende 3 tot 12 minuten gerecirculeerd, afhankelijk van de buitentemperatuur.
3. Luchtverdeling
Voor optimaal comfort kunt u de met stippen
gemarkeerde luchtverdelingsstanden tussen de
verschillende symbolen gebruiken om de luchtverdeling precies af te stellen.
Luchtverdeling
Lucht via de
blaasmonden
voor- en achterin.
Toepassing
Voor een goede
koeling bij warm
weer.
Lucht naar de
ramen.
In deze stand
vindt er geen luchtrecirculatie plaats. Het ACsysteem is altijd
ingeschakeld. Er komt
een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
Lucht naar de
vloer en de
ramen. Er komt
een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
Voor het verwijderen van ijs en
wasem. Laat de
ventilator op hoge
snelheid draaien.
Lucht naar de
vloer. Er komt
een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden en uit de
ontdooieropeningen voor
de voorruit en de
zijramen.
Lucht naar de
vloer en de blaasmonden.
Voor verwarming
van de voeten.
Voor een comfortabel klimaat en een
goede ontwaseming
bij koud weer. Laat
de ventilator niet te
langzaam draaien.
Bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
57
Klimaatregeling
Handbediende klimaatregeling met airconditioning, AC (vervolg)
2. Recirculatie
3. Luchtverdeling
4. Elektrisch verwarmde
achterruit en buitenspiegels
1. AC aan/uit
9. Ventilator
58
8. Temperatuur
linkerzijde
7. Schemeringssensor
6. Temperatuur
rechterzijde
5. Elektrisch
verwarmde
voorstoelen
Klimaatregeling
4. Elektrisch verwarmde
achterruit en buitenspiegels
Met deze knop kunt u de achterruit en de buitenspiegels snel ontdoen van condens of ijs, zie
pagina 42 voor meer informatie over deze
functie.
9. Ventilator
U kunt de snelheid waarmee de ventilator draait
verhogen of verlagen door aan de knop te
draaien.
5. Elektrisch verwarmde
voorstoelen
Doe het volgende, als u extra verwarming in de
voorstoel(en) wenst:
• Eenmaal indrukken: Maximale
verwarming – beide LED’s in de
schakelaar(s) gaan branden.
• Nogmaals indrukken: Minimale
verwarming – één van de LED’s in de
schakelaar(s) gaat branden.
• Nogmaals indrukken: Verwarming uitgeschakeld – geen van de LED’s in de
schakelaar(s) brandt.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
uw Volvo-werkplaats laten bijstellen.
6 en 8. Temperatuur,
linker-/rechterzijde
Draai aan de knop om de temperatuur van de
binnenkomende lucht te regelen. Koeling is
alleen mogelijk, wanneer de airconditioning
actief is.
7. Schemeringssensor
De schemeringssensor stemt de verlichting van
de instrumenten automatisch af op de lichtinval.
59
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
3. Recirculatie
4. AUTO
5. Luchtverdeling
6. Interieurtemperatuursensor
2. Recirculatie/Combifilter met “Air
Quality Sensor”
7. Ontdooien voorruit
en zijramen
8. Elektrisch
verwarmde achterruit
en buitenspiegels
1. AC aan/uit
13. Ventilator
9. Elektrisch
verwarmde
voorstoelen
12. Temperatuur
linkerzijde
11. Schemeringssensor
10. Temperatuur rechterzijde
14. Ventilator, achter in
passagiersruimte
(extra op modellen
met zeven
zitplaatsen)
60
Klimaatregeling
1. AC, ON/OFF
Wanneer de LED bij ON brandt, wordt het ACsysteem automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan automatisch afgekoeld
en van vocht ontdaan. Wanneer u gekozen hebt
voor AC OFF en de LED bij OFF brandt, blijft
het AC-systeem uitgeschakeld totdat u het weer
handmatig inschakelt. De overige functies van
de klimaatregeling worden nog steeds automatisch geregeld. Het AC-systeem werkt tot
temperaturen tot ongeveer 0 °C.
Wanneer u de ontdooierfunctie selecteert, zorgt
het AC-systeem dat de lucht maximaal
ontvochtigd wordt.
2. "Air Quality Sensor" met
combifilter (extra op bepaalde
markten)
Bepaalde auto’s zijn uitgerust met een
zogeheten combifilter en een “Air Quality
Sensor”. Het combifilter ontdoet de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes en
beperkt zo eventuele hinderlijke geuren en
verontreinigingen. De “Air Quality Sensor”
meet de concentratie van de verontreinigingen
in de buitenlucht. Wanneer de sensor een
verhoogde concentratie registreert, wordt de
luchtinlaat afgesloten en recirculeert de lucht in
het passagierscompartiment. De lucht in het
passagierscompartiment wordt ook tijdens de
recirculatie door het combifilter gereinigd.
Let erop dat:
Wanneer de “Air Quality Sensor” actief is,
brandt de groene LED AUT in de knop
.
Bediening
Druk op
om de
“Air Quality Sensor” te activeren (normale
instelling).
Of:
Kies uit drie verschillende functies door
verschillende malen op de knop
drukken.
te
• De LED AUT brandt om aan te geven dat
de “Air Quality Sensor” actief is.
• Geen van de LED’s brandt om aan te
geven dat de recirculatiefunctie niet is
ingeschakeld (voor zover dat niet nodig is
om voor verkoeling te zorgen bij warm
weer).
• De LED MAN brandt om aan te geven
dat de recirculatiefunctie opnieuw
ingeschakeld is.
• U de “Air Quality Sensor” altijd hebt
ingeschakeld.
• Er bij koud weer beperkingen voor de
recirculatiefunctie gelden om te
voorkomen dat de ramen beslaan.
• U de “Air Quality Sensor” uitschakelt,
wanneer de ramen beslaan.
• Wanneer de ramen beslaan, u beter ook
de ontdooiers van de voorruit, de
zijramen en de achterruit kunt inschakelen. Zie pagina 63.
• Raadpleeg het serviceprogramma van
Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval voor het combifilter. In zeer
sterk verontreinigde gebieden kan het zijn
dat u het combifilter vaker moet
vervangen.
61
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC (vervolg)
2. Recirculatie/
Combifilter
met “Air
Quality
Sensor”
3. Recirculatie
4. AUTO
5. Luchtverdeling
6. Interieurtemperatuursensor
7. Ontdooien
voorruit en
zijramen
8. Elektrisch
verwarmde
achterruit en
buitenspiegels
1. AC aan/uit
9. Elektrisch
verwarmde
voorstoelen
13. Ventilator
12. Temperatuur
linkerzijde
11. Schemerings- 10. Temperatuur
rechterzijde
sensor
14. Ventilator,
achter in
passagiers
ruimte
(extra op
modellen
met zeven
zitplaatsen)
Wanneer u de ontdooierfunctie
de recirculatie altijd uitgeschakeld.
kiest, is
4. AUTO
3. Recirculatie
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
De recirculatie kan handmatig worden
ingeschakeld, als u vieze lucht, uitlaatgassen en
dergelijke buiten wilt houden. De lucht in het
passagierscompartiment wordt dan gerecirculeerd, d.w.z. er wordt geen lucht van buiten de
auto aangezogen, wanneer de functie actief is.
• Druk de knop
langer dan
3 seconden in. De LED knippert
gedurende 5 seconden. De lucht in de
auto wordt gedurende 3 tot 12 minuten
gerecirculeerd, afhankelijk van de buitentemperatuur.
• Telkens wanneer u op
drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de
binnenkant van de ruiten ontstaan.
Met de WLPHUIXQFWLH(op modellen met een
combifilter en “Air Quality Sensor” ontbreekt
de timerfunctie) beperkt u de kans op ijs, wasem
en een slechte lucht.
62
• Druk de knop
nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. De LED gaat
5 seconden branden ter bevestiging van
uw keuze.
Bij activering van de AUTO-functie wordt de
klimaatregeling automatisch dusdanig ingesteld
dat de gekozen temperatuur wordt bereikt. De
automatische functie regelt de verwarming, het
AC-systeem, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de luchtverdeling. Ook als u één of meer
van de genoemde functies handmatig instelt,
worden de resterende functies nog
automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u de
AUTO-functie activeert.
Klimaatregeling
5. Luchtverdeling
• Wanneer u de bovenste knop hebt
ingedrukt, stroomt er lucht uit de
openingen bij de ruiten.
• Wanneer u de middelste knop hebt
ingedrukt, stroomt er lucht uit de
openingen ter hoogte van bovenlichaam
en hoofd.
• Wanneer u de onderste knop hebt
ingedrukt, stroomt er lucht uit de
openingen ter hoogte van benen en
voeten.
Druk op AUTO, wanneer u de automatische
luchtverdeling weer wilt activeren.
6. Interieurtemperatuursensor
De interieurtemperatuursensor registreert de
temperatuur in het interieur.
7. Ontdooier, voorruit en
zijramen
Met deze knop kunt u de voorruit en de
zijramen snel ontwasemen en ontdooien. De
ventilator draait dan op hoge snelheid en stuurt
lucht naar de zijramen. De LED in de
ontdooierknop brandt, wanneer de functie is
ingeschakeld. Het AC-systeem wordt automatisch dusdanig ingesteld, dat de binnenkomende
lucht zoveel mogelijk van vocht ontdaan wordt.
De lucht wordt niet gerecirculeerd.
8. Elektrisch verwarmde
achterruit en buitenspiegels
Met deze knop kunt u de achterruit en de buitenspiegels snel ontdoen van condens of ijs, zie
pagina 42 voor meer informatie over deze
functie.
9. Elektrisch verwarmde
voorstoelen
Doe het volgende, als u extra verwarming in de
voorstoel(en) wenst:
• Eenmaal indrukken: Maximale
verwarming – beide LED’s in de
schakelaar(s) gaan branden.
• Nogmaals indrukken: Minimale
verwarming – één van de LED’s in de
schakelaar(s) gaat branden.
• Nogmaals indrukken: Verwarming uitgeschakeld – geen van de LED’s in de
schakelaar(s) brandt.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
uw Volvo-werkplaats laten bijstellen.
11. Schemeringssensor
De schemeringssensor stemt de verlichting van
de instrumenten automatisch af op de lichtinval.
13. Ventilator
U kunt de snelheid waarmee de ventilator draait
verhogen of verlagen door aan de knop te
draaien. In de stand AUTO wordt de ventilatorsnelheid automatisch geregeld. De eerder
ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan
genegeerd.
Als u de knop voor de ventilatorsnelheid zover
linksom draait dat alleen de oranje LED links
boven de knop oplicht, zijn de ventilator en het
AC-systeem uitgeschakeld.
14. Ventilator, achter in
passagiersruimte
U kunt de snelheid waarmee de ventilator draait
verhogen of verlagen door aan de knop te
draaien. Dit geldt alleen, als u voor zowel
airconditioning voor- (1) als achterin hebt
gekozen, zie pagina 37.
10 en 12. Temperatuur
Met de twee draaiknoppen kunt u de temperatuur aan de bestuurderszijde en de passagierszijde instellen. Let erop dat de
passagiersruimte niet sneller warm of koud
wordt, wanneer u een hogere of lagere temperatuur kiest dan de gewenste temperatuur.
63
Klimaatregeling
Standverwarming (extra)
Korte druk op de knop RESET (C) weergave van uren en minuten
U kunt de standverwarming meteen inschakelen of twee verschillende uitschakeltijden
voor de standverwarming instellen: TIMER 1
en TIMER 2.
Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip
verstaan waarop de auto op de gewenste temperatuur is.
De elektronica van de auto rekent aan de hand
van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de
standverwarming moet worden ingeschakeld
om de ingestelde uitschakeltijd te kunnen halen.
Bij een buitentemperatuur hoger dan 25°C vindt
geen activering van de standverwarming plaats.
Bij temperaturen van -7°C en lager is de
maximale bedrijfstijd van de standverwarming
60 minuten.
Wanneer de standverwarming meerdere malen
achtereen niet kon worden ingeschakeld,
verschijnt er een storingsmelding op het
64
Lange druk op de knop RESET
activering van de timer (AAN)
Lange druk op de knop RESET
uitschakeling van de timer (UIT)
Het AAN-lampje brandt continu
de timer is geactiveerd
Het AAN-lampje knippert
de standverwarming is geactiveerd
display. Neem in dat geval contact op met een
Volvo-werkplaats.
In de buitenlucht
Let erop dat de auto bij het gebruik van de
standverwarming op benzine of dieselolie in de
buitenlucht moet staan.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling
parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
naar de top van de helling wijst. De standverwarming krijgt dan voldoende brandstof.
Onmiddelijke inschakeling van
standverwarming
• Ga met de draairing (B) naar "Immediate
Start" (onmiddellijke inschakeling).
• Druk op de knop RESET (C) om één van
de opties AAN of UIT te selecteren.
Kies voor AAN. De standverwarming zal 60
minuten lang blijven werken. De verwarming
van het interieur van de auto gaat van start,
zodra de koelvloeistof in de motor een temperatuur van 20°C heeft bereikt.
Handmatig geactiveerde verwarming
uitschakelen
• Ga met de draairing (B) naar "Immediate
Start" (onmiddellijke inschakeling).
• Druk op de knop RESET (C) om één van
de opties AAN of UIT te selecteren.
• Kies voor UIT.
Klimaatregeling
TIMER 1 en 2 instellen
Tijdgestuurde verwarming uitschakelen
Accu en brandstof
Om veiligheidsredenen kunt u alleen uitschakeltijden voor het volgende etmaal programmeren en dus niet voor meerdere dagen tegelijk.
Doe het volgende om de tijdgestuurde
verwarming uit te schakelen voordat de timer
dat doet:
Als de accu niet voldoende opgeladen is of als
de brandstoftank bijna leeg is, wordt de standverwarming uitgeschakeld.
1. Ga met de draairing (B) naar TIMER 1.
2. Druk kort op de knop RESET (C), zodat de
uuraanduiding gaat knipperen.
3. Ga met de draairing naar de gewenste ureninstelling.
4. Druk kort op de knop RESET (C), zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
5. Ga met de draairing naar de gewenste
minuten-instelling.
6. Druk kort op de knop RESET (C) om de
instelling te bevestigen.
7. Druk kort op de knop RESET (C) om de
timer te activeren.
Wanneer u TIMER 1 hebt ingesteld, kunt u naar
TIMER 2 bladeren. U stelt deze timer op
dezelfde manier in als TIMER 1.
1. Druk op de knop READ (A).
2. Ga met de draairing (B) naar de tekst
TIMER PARK. VERW 1 of 2. De tekst ON
(AAN) knippert.
3. Druk op de knop RESET (C). De tekst OFF
(UIT) brandt continu en de verwarming
wordt uitgeschakeld.
Er verschijnt in dat geval een bericht op het
display. U moet dit bericht met de knop READ
(A) bevestigen.
Displaybericht
Wanneer u de geprogrammeerde functies
TIMER 1, TIMER 2 en “DIRECTE START”
(onmiddellijke inschakeling) activeert, brandt
het oranje waarschuwingssymbool op het
instrumentenpaneel. Op het display verschijnt
bovendien een verklarende tekst.
Belangrijk!
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat
de accu uitgeput raakt en startproblemen
opleveren.
Om er zeker van te zijn dat de dynamo
evenveel energie produceert als de
verwarming afneemt, moet u bij regelmatig
gebruik van de verwarming minstens even
lang met de auto rijden als de inschakelduur
van de verwarming.
Wanneer u de auto verlaat, ontvangt u een
bericht met de status van de standverwarming.
Het klokje en het gebruik van de
timer(s)
Als u na het instellen van de timer(s) het klokje
bijstelt, worden alle timer-instellingen om
veiligheidsredenen geannuleerd.
65
Klimaatregeling
66
Interieur
Voorstoelen
68
Achterbank
72
Interieurverlichting
74
Opbergmogelijkheden in
passagierscompartiment
76
Bagageruimte
80
Opbergvakken in bagageruimte
85
Gevarendriehoek (bepaalde landen)
86
67
Interieur
Voorstoelen
Afstelling in de hoogte,
voorstoel
De voorzijde van het zitgedeelte van de beide
voorstoelen kunt u in zeven verschillende
standen zetten, de achterzijde in negen.
Voorste hendel (A): Voorzijde zitting afstellen.
Achterste hendel (B): Achterzijde zitting
afstellen.
Lendesteun
Afstelling in de lengte
Wanneer u de beugel optilt, kunt u de stoel naar
voren of naar achteren schuiven.
Hellingshoek van de
rugleuning
Controleer of de stoel na het afstellen in de
nieuwe positie geblokkeerd staat.
Rechtsom: Achterover
Linksom: Voorover
:$$56&+8:,1*
Stel de stoel in, voordat u gaat rijden.
Afstelling in de
lengte
Elektrisch bedieningspaneel
68
Interieur
Rugleuning voorstoel naar
voren klappen
U kunt de rugleuning van de passagiersstoel
horizontaal vooroverklappen om lange
voorwerpen te kunnen vervoeren. Klap de
rugleuning als volgt naar voren:
• Schuif de stoel zo ver mogelijk naar
achteren.
• Zet de rugleuning rechtop.
• Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog.
• Klap tegelijkertijd de rugleuning naar
voren.
69
Interieur
Elektrisch bediende voorstoel
(extra)
Voorbereidingen
Passagiersstoel: U kunt de stoel alleen
verstellen, als de contactsleutel in stand I of
II staat.
%HVWXXUGHUVVWRHO U kunt de stoel alleen
verstellen, als de contactsleutel in stand I of
II staat. U kunt de bestuurdersstoel ook in de
volgende gevallen verstellen:
1. Gedurende een periode van 40 seconden,
nadat u de contactsleutel in stand 0 hebt
gedraaid of uit het contactslot hebt
genomen.
2. Gedurende een periode van ca. 10 minuten,
nadat u het bestuurdersportier met de sleutel
of de afstandsbediening hebt ontgrendeld en
geopend, ]RODQJKHWSRUWLHURSHQVWDDW. Na
het sluiten van het portier hebt u slechts
40 seconden om de instellingen te wijzigen.
U mag de contactsleutel daarbij in stand hebben staan of nog niet in het contactslot
hebben gestoken.
Geheugenfunctie in afstandsbediening
(extra)
Wanneer u de auto met één van de afstandsbedieningen vergrendelt nadat u de instelling van
de bestuurdersstoel hebt gewijzigd, wordt de
nieuwe positie van de stoel in de afstandsbediening opgeslagen. De volgende keer dat u de
auto ontgrendelt met dezelfde afstandsbediening en het bestuurdersportier binnen twee
minuten na ontgrendeling opent, gaat de
bestuurdersstoel in de opgeslagen positie staan.
Dit geldt echter alleen voor de twee afstandsbedieningen die bij de auto worden geleverd, zie
pagina 88.
70
Stoel afstellen
Als uw Volvo is uitgerust met elektrisch
bediende voorstoelen, kunt u met behulp van de
twee schakelaars op de zijkant van de
voorstoelen het volgende afstellen:
A. De hoogte van de voorzijde van de zitting
B. De beenruimte (stoel vooruit – achteruit)
C. De hoogte van de achterzijde van de zitting
D. De hellingshoek van de rugleuning
1%De elektrisch bediende voorstoelen zijn
voorzien van een beveiliging tegen overbelasting, die geactiveerd wordt als één van de
stoelen door een obstakel wordt geblokkeerd.
Als dit het geval is, moet u het contact uitschakelen (contactsleutel in stand 0) en 20 seconden
wachten voordat u de stoel opnieuw probeert te
verstellen.
Stoel met geheugen (extra)
U kunt drie verschillende standen in het
geheugen opslaan. Na afstelling van de stoel en
de buitenspiegels moet u de knop MEM
ingedrukt houden, terwijl u op knop 1 drukt.
Met de knoppen 2 en 3 kunt u nog twee anderen
standen van de stoel en de spiegels in het
geheugen opslaan.
6WRHOLQRSJHVODJHQVWDQG]HWWHQ
Houd één van de knoppen 1, 2 of 3 ingedrukt,
totdat de stoel niet verder beweegt.
$OVXGHJHKHXJHQNQRSYRRUWLMGLJORVODDW]DO
GHDIVWHOOLQJYDQGHVWRHORPYHLOLJKHLGVUH
GHQHQRQPLGGHOOLMNZRUGHQVWRSJH]HW
Interieur
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op één van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
:$$56&+8:,1*
Zorg dat er bij het afstellen geen voorwerpen
vóór of achter de stoel liggen. Zorg er tevens
voor dat geen van de achterpassagiers
gekneld raakt. Vanwege het gevaar voor
beknelling mag u kinderen niet met de
schakelaars laten spelen.
71
Interieur
Achterbank
1
2
A
Achterbank, tweede zitrij
(model met zeven zitplaatsen)
Verschuifbare stoel
(model met zeven zitplaatsen)
Ruggedeelte vooroverklappen om in te
stappen
U kunt de middelste stoel van de tweede zitrij
iets verder naar voren zetten dan de resterende
stoelen. Wanneer u de middelste stoel naar
voren schuift kunt u een kind op het geïntegreerde kinderzitje beter in de gaten houden
vanaf de voorstoelen.
• Til/trek de handgreep (1) omhoog en duw
de middelste stoel naar voren. Doe het
tegenovergestelde om de stoel in de
oorspronkelijke stand terug te zetten.
Stoel vooruit-achteruit zetten
• Til de beugel (2) op om de stoel verder
naar voren of achteren te zetten.
72
Til de beugel (A) op en de stoel naar voren of
achteren te zetten.
Middenconsole verwijderen
Om de middelste stoel van de tweede zitrij naar
voren te kunnen schuiven, moet u eerst de
middenconsole verwijderen. U doet dat als
volgt:
• Verwijder de middenconsole door de pal
recht naar buiten toe te trekken zoals
aangegeven op de afbeelding.
• Til de console vervolgens uit de auto.
Interieur
:$$56&+8:,1*
Zet de hoofdsteun alleen in de onderste
positie, wanneer u het ruggedeelte van de
stoel vooroverklapt of wanneer er niemand
op de stoel zit.
Na u de stoelen op de tweede en derde zitrij
rechtop gezet hebt, moet u controleren of het
ruggedeelte van de stoelen geblokkeerd is.
Als dat niet het geval is, kan het beveiligingssysteem zijn werk niet doen.
Hoofdsteunen achterbank,
middelste stoel
U kunt de hoofdsteun in het midden van de
achterbank al naar gelang de lengte van de
passagier afstellen. Trek de hoofdsteun zover
als nodig is naar boven. Als u de hoofdsteun
omlaag wilt duwen, moet u tegelijkertijd de pal
indrukken, zie afbeelding.
Let erop dat u de hoofdsteun niet helemaal kunt
verwijderen!
73
Interieur
Interieurverlichting
De algemene verlichting wordt ingeschakeld
om 10 minuten lang te blijven branden,
wanneer...
• één van de portieren openstaat;
• de algemene verlichting niet wordt uitgeschakeld.
De algemene verlichting gaat uit, wanneer...
Algemene verlichting
U schakelt de algemene verlichting in en uit,
wanneer u op de middelste knop drukt. De
algemene verlichting is voorzien van een
automatische inschakelfunctie die ervoor zorgt
dat de verlichting wordt ingeschakeld en
30 seconden of 10 minuten aanblijft wanneer u
de motor hebt afgezet.
De algemene verlichting wordt ingeschakeld
om 30 seconden lang te blijven branden,
wanneer u...
• de auto vanaf de buitenzijde ontgrendelt
met de sleutel of de afstandsbediening;
• de motor hebt afgezet en de contactsleutel
in stand 0 draait.
74
• u de motor start;
• u de auto vanaf de buitenzijde vergrendelt
met de sleutel of de afstandsbediening.
U kunt de algemene verlichting altijd in- en
uitschakelen door kort op de bijbehorende knop
te drukken.
De algemene verlichting gaat 10 minuten na
het afzetten van de motor automatisch uit, voor
zover u de verlichting niet eerder handmatig
hebt uitgeschakeld.
U kunt de automatische inschakelfunctie buiten
werking stellen door de bijbehorende knop
langer dan 3 seconden ingedrukt te houden.
Wanneer u dezelfde knop daarna nogmaals kort
indrukt, stelt u de automatische inschakelfunctie weer in werking.
De voorgeprogrammeerde inschakeltijden van
30 seconden en 10 minuten kunt u desgewenst
laten wijzigen. Neem hiervoor contact op met
uw Volvo-werkplaats.
Leeslampjes
U schakelt de leeslampjes in en uit met een druk
op de bijbehorende knop. Voor de leeslampjes
op de derde zitrij van een model met zeven
zitplaatsen geldt dat bij een druk op één van de
knoppen beide leeslampjes in- of uitgeschakeld
worden. De leeslampjes gaan 10 minuten na het
afzetten van de motor automatisch uit, voor
zover u ze niet eerder handmatig uitschakelt.
Interieur
Vloermatten
Volvo biedt vloermatten aan die speciaal voor
uw auto vervaardigd zijn. Zorg dat u de vloermatten goed in de bevestigingsklemmen voor
matten aanbrengt en vastzet om te voorkomen
dat ze achter of onder de pedalen aan bestuurderszijde blijven haken.
Make-upspiegel
Wanneer u het deksel van de make-upspiegel
opklapt gaat het ingebouwde lampje branden.
75
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagierscompartiment
2SEHUJYDNNHQHQEHNHUKRXGHUV
3DUNHHUNDDUWKRXGHU
2SEHUJYDNRS
GHUGH]LWULM
'DVKERDUGNDVWMH
7DIHOWMHLQ
PLGGHQFRQVROH
+RXGHUYRRUERRGVFKDSSHQWDVVHQ
2SEHUJYDN
%HNHUKRXGHUVYRRUDFKWHUSDVVDJLHUV H[WUD
:$$56&+8:,1*
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware voorwerpen in de opbergruimten liggen of er uitsteken om te voorkomen dat ze verwondingen kunnen
veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre. Maak grote en zware voorwerpen altijd vast met één van de veiligheidsgordels.
76
Interieur
Pennenvak
Dashboardkastje
Kledinghaak
Op het dashboard vindt u een vak waarin u
pennen kunt bewaren.
In het dashboardkastje kunt u bijv. het instructieboekje, wegenkaarten, pennen en een
tankpas bewaren.
Gebruik de kledinghaak voor niet al te zware
kledingsstukken.
77
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagierscompartiment (vervolg)
Asbak voor achterpassagiers
(extra)
Bekerhouder/flessenhouder
voor achterpassagiers (extra)
Opbergvakken en bekerhouders
(model met zeven zitplaatsen)
U opent de asbak door de bovenkant van het
klepje naar buiten toe te klappen.
Trek het insteekelement aan de onderkant
openen. U kunt het insteekelement voor bekers
als volgt verwijderen. Wanneer u de twee
klemmen losmaakt, kunt u de bekerhouder
gebruiken als flessenhouder voor twee grote
PET-flessen.
U kunt de opbergvakken gebruiken om bijv.
cd’s en boeken in te bewaren.
Leeg de asbak als volgt:
• Open de asbak.
• Duw het klepje omlaag en kantel het
achterover.
• Til de asbak vervolgens uit de middenconsole.
78
Interieur
Tafeltjes in middenconsole
Bekerhouders
De middenconsole kan tevens dienst doen als
tafeltje om bijv. eten en drinken op weg te
zetten. U moet daarvoor de middenarmsteun
naar achteren toe wegkleppen, zodat de achterpassagiers het onderliggende blad als “afeltje”
kunnen gebruiken.
Bekerhouders voor de bestuurders- en passagierszijde.
Opbergvak op derde zitrij
(model met zeven zitplaatsen)
U kunt de opbergvakken gebruiken om bijv.
pennen en kleine voorwerpen in te bewaren.
Asbak (extra)
Om de asbak te legen moet u het insteekelement
uitnemen.
79
Interieur
Bagageruimte
1
Bagageruimte vergroten,
tweede zitrij
1. Zet de stoelen in de achterste stand (geldt
alleen voor modellen met zeven
zitplaatsen).
2. Klap de hoofdsteunen omlaag.
3. Hef de blokkering (1) op en klap het ruggedeelte voorover. Duw het ruggedeelte aan
om het in neergeklapte stand te blokkeren.
:$$56&+8:,1*
Om veiligheidsredenen mag u geen passagiers
op de derde zitrij vervoeren, als de hoofdsteunen van de buitenste zitplaatsen van de
tweede zitrij omlaaggeklapt zijn.
80
Bagageruimte vergroten,
derde zitrij
(model met zeven zitplaatsen)
Schuif de tweede zitrij naar voren toe in de inen uitstappositie, zie pagina 72.
1. Trek de handgreep omhoog.
2. Schuif het zitgedeelte in de achterste stand.
Klap de verankeringsogen links en rechts
dusdanig in, dat ze niet beschadigd raken
wanneer u de ruggedeelten vooroverklapt.
3. Klap het ruggedeelte voorover. (De hoofdsteun wordt automatisch ingeklapt bij het
vooroverklappen van het ruggedeelte.)
Stoelen op derde zitrij rechtop
zetten
• Zet het ruggedeelte van de stoelen weer
rechtop.
• Pak de lus beet en trek het zitgedeelte zo
ver uit dat u een klik hoort.
• De stoel staat daarmee weer in de
normale stand geblokkeerd.
Interieur
• Breng de lading zo dicht mogelijk tegen
de rugleuning van de achterbank aan.
• Leg zware voorwerpen zo veel mogelijk
plat op de vloer.
• Breng zware lading dusdanig aan dat
deze recht voor de deellijn in de
rugleuning van de achterbank komt te
zitten.
• Zet de lading met sjorbanden aan de
verankeringsogen vast.
• Zorg dat de lading nooit boven de
rugleuning uitsteekt, wanneer u geen
gebruik maakt van een bagagenet.
Lading in de bagageruimte
Veiligheidsgordels en airbags bieden de
bestuurder en eventuele passagiers een goede
bescherming, met name bij frontale botsingen.
Zorg ook voor een goede afscherming in de rug.
Let er bij het vervoer van lading in de bagageruimte op dat voorwerpen die niet goed zijn
vastgezet of op de juiste manier zijn ingeladen
bij een aanrijding of een krachtige remmanoeuvre met hoge snelheid en met grote kracht
naar voren kunnen worden geslingerd en
daarbij ernstige verwondingen kunnen
toebrengen.
Let erop dat een voorwerp met een gewicht van
20 kg bij een frontale botsing op een snelheid
van 50 km/h zich gedraagt als een voorwerp
met een gewicht van 1.000 kg.
Let op het volgende bij het inladen:
:$$56&+8:,1*
• Zorg dat u de bagage altijd goed
verankert. Bij krachtig remmen kan de
bagage namelijk gaan schuiven en
inzittenden verwonden.
• Dek scherpe randen met iets zachts af.
• Zet de motor af en zet de parkeerrem
aan bij het in- en uitladen van lange
voorwerpen! Lange voorwerpen
kunnen namelijk tegen de versnellingspook of keuzehendel aan komen
en zo per ongeluk een versnelling
inschakelen, waarna de auto kan gaan
rollen.
:$$56&+8:,1*
• Duw zware lading niet te dicht tegen
de voorstoelen aan om te voorkomen
dat het neergeklapte ruggedeelte
onnodig zwaar belast wordt.
• Zorg dat de lading nooit boven de
ruggedeelten uitsteekt! Als dat
namelijk wel het geval is, kan de
lading bij een krachtige remmanoeuvre of een aanrijding naar voren
worden geslingerd en u of eventuele
passagiers ernstig verwonden. Let er
ook op dat u lading altijd goed
verankert (vastbindt).
• Wanneer u het ruggedeelte van de
achterbank hebt neergeklapt, moet u
zorgen dat de lading niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale
lijn op 50 mm onder de bovenkant van
de ramen in de achterportieren. Zorg
er bovendien voor dat de lading op
10 cm afstand van de zijramen zit.
Anders kan het zijn dat het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de
plafondbekleding geen bescherming
meer biedt.
81
Interieur
Bagageruimte (vervolg)
1
Bagagenet
Het bagagenet voorkomt dat bagage of lading
uit de bagageruimte de passagiersruimte kan
binnendringen bij krachtige remmanoeuvres.
Het bagagenet is gemaakt van stevige nylonmateriaal en kan op twee verschillende manieren
worden bevestigd:
1. Achter het ruggedeelte van de achterbank,
2. Achter de voorstoelen, als u de achterbank
hebt neergeklapt.
Bagagenet aanbrengen
1. Als de auto is uitgerust met een bagagerolhoes, moet u deze verwijderen voordat u
het bagagenet aanbrengt.
2. Haak de bovenste stang achter de voorste
of achterste plafondbevestigingen vast.
82
3. Haak het andere uiteinde van de stang aan de
tegenoverliggende plafondbevestiging vast.
4. Haak de banden van het bagagenet aan de
ogen op de vloer vast, wanneer u het net
aan de achterste plafondbevestigingen hebt
vastgezet.
Maak gebruik van de verankeringsogen op
de stoelrails, wanneer u het net aan de
voorste plafondbevestigingen hebt
vastgezet.
Geldt alleen voor een model met zeven
zitplaatsen:
• Zorg dat het net voor de armleuning van
het zijpaneel komt te liggen bij
aanspanning.
5. Trek het bagagenet strak met de
trekbanden.
Bagagenet opvouwen
U kunt het bagagenet opvouwen en opbergen
onder de vloerplaat van de bagageruimte (geldt
voor modellen met vijf zitplaatsen).
• Druk de knoppen (1) op de scharnieren
van het bagagenet in om de scharnieren te
ontgrendelen en het net op te vouwen.
:$$56&+8:,1*
• Controleer altijd of de bovenste
bevestigingen van het bagagenet goed
zijn aangebracht en of de banden
stevig vastzitten.
• Een beschadigd net mag u niet meer
gebruiken.
Interieur
9. Draai de beide bevestigingsbeugels beurtelings vast.
10. Breng de beschermdoppen aan op het
blootliggende schroefdraadsegment boven
de draaiknoppen.
:$$56&+8:,1*
Stalen bagagerek (extra)
Het bagagerek in de bagageruimte voorkomt
dat bagage of huisdieren bij krachtige remmanoeuvres de passagiersruimte in worden
geslingerd.
U moet het bagagerek voor de veiligheid altijd
op de juiste manier bevestigen en verankeren.
Breng het bagagerek als volgt aan:
1. Til het bagagerek via de achterklep of één
van de achterportieren in de auto (in het
laatste geval moet u eerst de tweede zitrij
neerklappen).
2. Breng één van de bevestigingspennen van
het bagagerek in de bijbehorende houder
aan die zich boven het achterportier achter
de tweede zitrij bevindt.
3. Duw de bevestigingspen van het bagagerek
naar voren toe in de houder.
4. Breng de andere bevestigingspen van het
bagagerek in de houder boven het tegenoverliggende portier en duw ook hier de
bevestigingspen vooruit in de houder.
5. Steek de bevestigingsbeugel vanaf de
onderzijde door de onderste houder van het
bagagerek zoals aangegeven op de
afbeelding.
6. Breng de veer op de bevestigingsbeugel
aan en draai de draaiknop erop vast.
7. Bevestig de haak van de bevestigingsbeugel in het verankeringsoog en draai aan
de draaiknop, totdat de bevestigingsbeugel
in het verankeringsoog vastgrijpt.
8. Doe hetzelfde aan de andere kant van het
rek.
Geldt voor modellen met zeven zitplaatsen:
Om veiligheidsredenen mag u geen passagiers op de derde zitrij vervoeren, als u het
bagagenet achter de tweede zitrij hebt
gemonteerd.
83
Interieur
Bagageruimte (vervolg)
Elektrische aansluiting in
bagageruimte
Bagagerolhoes (extra uitrusting,
model met 7 zitplaatsen)
Houder voor
boodschappentassen
Verwijder het kapje, wanneer u de aansluiting
wilt gebruiken. De elektrische aansluiting werkt
onafhankelijk van de stand van het contactslot.
Trek de bagagerolhoes over de bagage heen uit
en haak de hoes vast in de openingen die in de
achterste stijlen van de bagageruimte zitten.
Open het luik in de bagageruimte. Hang of bind
de boodschappentassen vast met bagagebanden
of houders.
Als bij het uitschakelen van het contact blijkt
dat de stroomsterkte die via de aansluiting
wordt afgenomen hoger is dan 0,1 A, verschijnt
er een waarschuwing op het display.
Bagagerolhoes verwijderen
De elektrische aansluiting is berekend op een
maximale stroomsterkte van 15 A.
Let erop dat u de aansluiting niet gebruikt,
wanneer het contact is uitgeschakeld. Als u de
aansluiting dan namelijk wel gebruikt, bestaat
de kans dat de accu uitgeput raakt.
84
Druk het eindstuk van de bagagerolhoes naar
binnen toe en trek het naar boven toe los. Bij het
aanbrengen moet u de eindstukken van de
bagagerolhoes in de houders omlaag drukken.
:$$56&+8:,1*
Leg geen voorwerpen op de bagagerolhoes.
Ze kunnen de inzittenden verwonden bij
afremmen of uitwijkmanoeuvres.
Interieur
Opbergvakken in bagageruimte
4
3
2
3
4
2
1
1
PRGHOPHWYLMI]LWSODDWVHQ
Vakken onder vloer bagageruimte (model met vijf zitplaatsen)
• Til het luik in de vloer van de bagageruimte op.
Doe het volgende als uw auto is uitgerust met
een houder voor boodschappentassen:
• Til het vloerluik op en maak de bagagebanden van de houder voor de
boodschappentassen los.
Onder de vloer van de bagageruimte vindt u het
volgende:
1.
2.
3.
4.
3. Gevarendriehoek
4. EHBO-kit
1%Let erop dat er geen voorwerpen onder de
stoelkussens liggen wanneer u de stoelen hebt
neergeklapt. Dergelijke voorwerpen kunnen de
stoelkussens en de verstelmechanismen
namelijk beschadigen.
Gevarendriehoek (bepaalde markten)
Gereedschapstas
EHBO-kit (bepaalde markten)
Krik (alternatieve opbergplaats)
PRGHOPHW]HYHQ]LWSODDWVHQ
Vakken onder vloer
bagageruimte (model met zeven
zitplaatsen)
• Til het vloerluik op.
Doe het volgende als uw auto is uitgerust met
een houder voor boodschappentassen:
• Klap het bovenste vloerluik open, maak
de bagagebanden van een eventuele
houder voor boodschappentassen los en
klap vervolgens het onderste vloerluik
open.
Onder de vloer van de bagageruimte vindt u het
volgende:
1. Krik
2. Gereedschapstas
85
Interieur
Gevarendriehoek (bepaalde landen)
Gevarendriehoek
Houd u aan de bepalingen die gelden voor het
gebruik van gevarendriehoeken in uw land.
Gebruik de gevarendriehoek als volgt:
• Haal de opberghoes met de gevarendriehoek los. De hoes zit met klittenband
vast.
• Haal de gevarendriehoek uit de hoes (A).
• Klap de vier steunpootjes van de gevarendriehoek uit.
• Klap de beide rode driehoekszijden uit.
Zet de gevarendriehoek op een geschikt
punt achter de auto neer om het achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
86
Doe het volgende na gebruik:
• Berg de onderdelen in de omgekeerde
volgorde weer op.
• Zorg dat de opberghoes met de gevarendriehoek goed vastzit in de bagageruimte.
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
88
Vergrendelen en ontgrendelen
90
Kinderslot
93
Alarmsysteem
95
87
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
Sleutels, elektronische
startblokkering
Bij de auto worden twee hoofdsleutels en een
servicesleutel geleverd. Eén hoofdsleutel is
inklapbaar en voorzien van een ingebouwde
afstandsbediening.
+RRIGVOHXWHO
Sleutel die op alle sloten past.
Als u één van de sleutels verliest, moet u
contact opnemen met een erkende Volvowerkplaats en alle resterende sleutels
meenemen. Ter voorkoming van diefstal moet
de code van de zoekgeraakte sleutel uit het
systeem worden gewist. Tegelijkertijd moeten
de codesignalen van de resterende sleutels
opnieuw in het systeem worden geprogrammeerd.
Bij de sleutels werd een label met de codes van
het mechanische deel van de sleutels geleverd.
Bewaar het label zorgvuldig. Neem het label
mee naar de Volvo-dealer, wanneer u nieuwe
sleutels wilt bestellen. Er kunnen maximaal zes
sleutels/afstandsbedieningen worden geprogrammeerd en gebruikt.
Elektronische startblokkering
6HUYLFHVOHXWHO Sleutel die past op bestuurdersportier en
stuurslot/contactslot.
*: alleen bepaalde markten
88
De sleutels zijn voorzien van gecodeerde transponderchips. De code in de transponderchips
moet overeenkomen met die van de ontvanger
in het contactslot. U kunt de auto alleen starten,
wanneer u een sleutel met de juiste code
gebruikt.
1
2
6
5
4
3
2QWJUHQGHOHQ$FKWHUNOHSRSHQHQ
3DQLHNIXQFWLH³$SSURDFK´YHUOLFKWLQJ
9HUJUHQGHOHQ6OHXWHOLQXLWNODSSHQ
Functies afstandsbediening
1. Ontgrendelen
Met knop (1) ontgrendelt u alle portieren, de
achterklep en de tankvulklep.
2. Achterklep
Wanneer u knop (2) eenmaal indrukt,
ontgrendelt u alleen de achterklep.
3. Paniekfunctie
U kunt gebruik maken van de paniekfunctie om
in noodgevallen de aandacht van anderen te
trekken. Als u de rode alarmknop (3) ten minste
3 seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal
achtereen indrukt, activeert u de richtingaanwijzers en de claxon. U schakelt de paniek-
Sloten en alarm
functie weer uit met een druk op een
willekeurige knop van de afstandsbediening.
Als u niets doet, wordt de paniekfunctie na 25
seconden automatisch uitgeschakeld.
4. “Approach”-verlichting
Doe het volgende, wanneer u de auto nadert:
• Druk op de gele knop (4) van uw
afstandsbediening.
De interieurverlichting, de stadslichten, de
kentekenplaatverlichting en de lampjes in de
buitenspiegels (extra) gaan branden. Als er een
aanhanger achter de auto hangt, gaat ook de
verlichting van de aanhanger branden. De
lampen blijven 30, 60 of 90 seconden branden.
In een erkende Volvo-werkplaats kunt u een
passende inschakelduur laten instellen.
Doe het volgende om de “Approach”verlichting uit te schakelen:
• Druk nogmaals op de gele knop van uw
afstandsbediening.
5. Vergrendelen
Met knop (5) vergrendelt u alle portieren, de
achterklep en de tankvulklep. Voor de
tankvulklep geldt een vertraging van ca.
10 minuten.
6. Sleutel in-/uitklappen
U kunt de sleutel inklappen door knop (6) in te
drukken, terwijl u het mechanische gedeelte
inklapt.
De ingeklapte sleutel wordt automatisch uitgeklapt met een druk op de knop.
Batterij in afstandsbediening
vervangen
Als de sloten niet meer op de gebruikelijke
afstand reageren op signalen van de afstandsbediening, moet u de batterij vervangen.
• Haal de afdekking los door deze met een
smalle schroevendraaier aan de
achterkant voorzichtig open te wrikken.
• Vervang de batterij (type CR 2032, 3 volt)
en zorg dat de pluspool omhoogwijst.
Kom niet met uw vingers aan de polen
van de batterij of de contactvlakken.
• Plaats de afdekking terug. Zorg dat het
afdichtrubber goed zit en intact is, zodat
er geen vocht kan binnendingen.
• Geef de lege batterij af bij uw Volvodealer, zodat deze op milieuvriendelijke
wijze wordt verwerkt.
89
Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Auto van de buitenzijde
vergrendelen en ontgrendelen
Auto van de binnenzijde
vergrendelen en ontgrendelen
Met de hoofdsleutel of de afstandsbediening
kunt u alle portieren en de achterklep gelijktijdig (vanaf de buitenkant) vergrendelen of
ontgrendelen. De vergrendelingsknoppen en de
openingshendels zijn dan niet meer vanaf de
binnenkant te bedienen.
Met de schakelaar op het portierpaneel kunt u
alle portieren en de achterklep tegelijkertijd
vergrendelen en ontgrendelen.
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat. De tankvulklep
blijft 10 minuten lang onvergrendeld staan,
nadat u de auto vergrendeld hebt.
Het bovenstaande geldt, zolang u de auto niet
van de buitenzijde hebt vergrendeld!
90
U kunt alle portieren ook vergrendelen en
ontgrendelen met de vergrendelingsknoppen.
Dashboardkastje vergrendelen
U kunt het dashboardkastje alleen met de
hoofdsleutels vergrendelen/ontgrendelen en
dus niet met de servicesleutel.
Sloten en alarm
1%Als u van deze toets gebruik maakt om de
achterklep te ontgrendelen ]RQGHU de klep te
openen, wordt de klep twee minuten later
automatisch opnieuw vergrendeld.
Automatische vergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na ontgrendeling vanaf de
buitenkant met de afstandsbediening opent,
worden alle sloten automatisch weer
vergrendeld. Deze functie voorkomt dat u de
auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan.
Voor auto’s met alarm, zie pagina 95.
Achterklep met afstandsbediening vergrendelen/ontgrendelen
Ga als volgt te werk om de achterklep alleen te
ontgrendelen:
• Druk tweemaal binnen 3 seconden
langzaam op de bijbehorende toets van de
afstandsbediening (zie afbeelding).
• Als de achterklep openstond toen u de
overige portieren vergrendelde, blijft de
achterklep ook na sluiting onvergrendeld
en onbewaakt staan. De overige portieren
zijn echter nog steeds vergrendeld en
bewaakt.
• Om de achterklep in een dergelijk geval
te vergrendelen en in het alarm te
betrekken moet u de toets LOCK
nogmaals indrukken.
91
Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen (vervolg)
Safelock-functie
Bij activering van de zogeheten safelockfunctie zijn de portieren niet meer van de
binnenzijde te openen, als ze eenmaal
vergrendeld zijn.
De safelock-functie kan alleen van de buitenzijde worden geactiveerd door het bestuurdersportier met de sleutel of de afstandsbediening
te vergrendelen. Alle portieren moeten zijn
gesloten, voordat u de safelock-functie kunt
activeren. De portieren kunnen daarna niet meer
van de binnenzijde worden geopend. De auto
kan alleen van de buitenzijde worden geopend
met de sleutel in het bestuurdersportier of via de
afstandsbediening.
De safelock-functie treedt 25 seconden na
vergrendeling van de portieren in werking.
Safelock-functie en eventuele
alarmsensoren tijdelijk
deactiveren
Als u de portieren van de buitenzijde wilt
vergrendelen terwijl er iemand in de auto
achterblijft (bijvoorbeeld tijdens de overtocht
met een veerverbinding), kunt u de safelockfunctie tijdelijk deactiveren. U doet dat als
volgt:
92
:$$56&+8:,1*
Laat niemand in de auto zitten zonder op het
moment dat de safelock-functie geactiveerd
wordt.
• Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze in stand II en vervolgens terug in
stand I of 0.
• Druk op de knop (zie afbeelding).
Als de auto is uitgerust met alarm stelt u ook de
bewegings- en niveausensoren buiten werking,
zie pagina 96.
De LED in de knop licht op en blijft branden,
totdat u de auto met de sleutel of de afstandsbediening vergrendelt. Er verschijnt een bericht
op het display zolang de sleutel in het
contactslot steekt. De volgende keer dat u het
contact inschakelt, worden de sensoren weer
geactiveerd.
Sloten en alarm
Kinderslot
A
A
B
Handbediend kinderslot,
achterportieren en achterklep
De bedieningscilinders van het kinderslot (op
bepaalde markten) vindt u achter op de korte
kant van de achterportieren, zodat ze alleen
bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan.
Gebruik de contactsleutel van de auto om de
bedieningscilinder te verdraaien en zo de
kindersloten in of uit te schakelen.
B
A. Het portier kan wel vanaf de binnenkant
worden geopend
B. Het portier kan niet vanaf de binnenkant
worden geopend
:$$56&+8:,1*
Laat de achterpassagiers weten dat de
portieren niet van de binnenzijde kunnen
worden geopend, als het kinderslot is
ingeschakeld. +RXGGHYHUJUHQGHOLQJV
NQRSSHQYDQGHSRUWLHUHQWLMGHQVKHW
ULMGHQRPKRRJ! Bij ongelukken kunnen
hulpverleners de portieren dan vanaf de
buitenkant openen.
93
Sloten en alarm
Kinderslot (vervolg)
1%Wanneer u het elektrisch kinderslot
DFWLYHHUW, worden tegelijkertijd de instellingen
van het handbediende kinderslot tenietgedaan.
Elektrisch kinderslot, achterportieren (extra, bepaalde markten)
Gebruik de knop op de middenconsole om het
kinderslot op de achterportieren in of uit te
schakelen. Het contactslot moet daarbij in stand
I of II staan. De LED in de knop brandt om aan
te geven dat het kindersloten is ingeschakeld. Er
verschijnt tevens een melding op het display,
wanneer u het kinderslot in- of uitschakelt.
1%Zolang het HOHNWULVFKNLQGHUVORW is
ingeschakeld, kunnen de achterportieren niet
vanaf de binnenkant worden geopend.
94
Sloten en alarm
Alarmsysteem
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden alle
beveiligde onderdelen continu gecontroleerd.
Het alarm gaat af, als...
•
•
•
•
•
•
•
•
de motorkap wordt geopend
de achterklep wordt geopend
één van de zijportieren wordt geopend
het contactslot wordt omgedraaid met een
verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd
er een beweging in het passagierscompartiment wordt waargenomen
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor (extra)
de accukabel wordt ontkoppeld
iemand de sirene probeert uit te
schakelen.
Automatische herinschakeling
van het alarm
Als u de portieren of de achterklep niet binnen
twee minuten na uitschakeling van het alarm
opent wanneer u de auto via de afstandsbediening hebt ontgrendeld, wordt het alarm
automatisch weer ingeschakeld. De auto wordt
bovendien vergrendeld. Deze functie voorkomt
dat u de auto onbedoeld kunt achterlaten zonder
het alarm in te schakelen.
Automatische activering van het alarm
In bepaalde landen (zoals in België, Israël e.d.)
wordt het alarm na enige vertraging automatisch ingeschakeld, wanneer het bestuurdersportier werd geopend en gesloten maar daarna
niet werd vergrendeld.
Inschakeling van het alarm
Uitschakelen van geactiveerd
alarm
Druk op de toets LOCK van de afstandsbediening. De richtingaanwijzers van de auto
geven een lang lichtsignaal af ter bevestiging
dat het alarm is ingeschakeld en dat alle
portieren zijn gesloten.
Om het alarm uit te schakelen wanneer het
eenmaal is afgegaan, moet u op de knop
UNLOCK van de afstandsbediening drukken.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
Alarmsignalen
Een sirene met reservebatterij geeft de geluidssignalen voor het alarm af. De geluidssignalen
duren telkens 25 seconden.
Wanneer het alarm afgaat, gaan alle richtingaanwijzers 5 minuten lang knipperen of korter
wanneer u het alarm volgens de bovenstaande
aanwijzingen eerder uitschakelt.
1%Als uw afstandsbediening niet werkt of
zoek is, kunt u de auto toch starten en wel op de
volgende manier. Open het bestuurdersportier
met de sleutel. Het alarm gaat af en de sirene
klinkt. Start de motor op de gebruikelijke
manier. Het alarm wordt vervolgens gedeactiveerd.
Uitschakeling van het alarm
Druk op de toets UNLOCK van de afstandsbediening. De richtingaanwijzers van de auto
geven twee korte lichtsignalen af ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld.
95
Sloten en alarm
Alarmsysteem (vervolg)
keer dat u het contact inschakelt, worden de
sensoren weer geactiveerd.
Als uw auto is uitgerust met de zogeheten
safelock-functie, wordt ook deze functie tegelijkertijd geactiveerd, zie pagina 92.
Alarmdiode op dashboard
Een alarmdiode boven op het dashboard (zie
afbeelding) geeft de status van het alarmsysteem aan:
Alarmsensoren en safelockfunctie tijdelijk deactiveren
Om te voorkomen dat het alarm afgaat wanneer
u bijv. een hond in de auto achterlaat of gebruik
maakt van een veerboot, kunt u de bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk uitschakelen en wel als volgt:
• Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze in stand II en vervolgens terug in
stand I of 0.
• Druk op de knop.
De LED in de knop licht op en blijft branden,
totdat u de auto met de sleutel of de afstandsbediening vergrendelt.
Er verschijnt een bericht op het display zolang
de sleutel in het contactslot steekt. De volgende
96
• Het lampje brandt niet: Het alarm is
uitgeschakeld.
• Het lampje licht éénmaal per seconde op:
Het alarm is ingeschakeld.
• Het lampje knippert snel vanaf het
moment van uitschakelen van het alarm
tot het moment van inschakelen van het
contact: Het alarm is afgegaan.
• Als er een storing is opgetreden in het
alarmsysteem, verschijnt er een displaybericht.
Als het alarmsysteem niet goed werkt,
moet u de auto in een erkende Volvowerkplaats laten nakijken.
:$$56&+8:,1*
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Starten en rijden
Algemene informatie
98
Tanken
100
Motor starten
101
Handgeschakelde versnellingsbak
102
Automatische versnellingsbak AW5en GM met Geartronic
103
Vierwielaandrijving
105
Remsysteem
106
Stabiliteitssysteem
108
“Parking Support” (extra)
110
Slepen
111
Starten met hulpaccu
112
Rijden met een aanhanger
113
Trekhaak (extra)
115
Lading op het dak
119
97
Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Op oneffen wegen rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de heersende verkeerssituatie.
Let op het volgende:
• Laat de motor zo spoedig mogelijk op
bedrijfstemperatuur komen! D.w.z. dat u
de motor niet stationair moet laten lopen,
maar zo spoedig mogelijk moet
wegrijden en de motor licht moet
belasten.
• Een koude motor verbruikt meer
brandstof dan een warme.
• Laat de auto zoveel mogelijk staan voor
de kortere ritten, waarbij de motor niet op
temperatuur komt.
• Rijd rustig! Vermijd onnodig snel
optrekken en krachtig remmen.
• Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
• Gebruik geen winterbanden op sneeuwvrije en droge wegen.
• Verwijder de lastdrager, wanneer u deze
niet meer nodig hebt.
• Open de zijramen niet onnodig.
Hoewel de Volvo XC90 voornamelijk geconstrueerd is voor het gebruik op verharde wegen,
biedt de auto ook goede eigenschappen op
onverharde en slecht onderhouden wegen. De
auto gaat desondanks langer mee als u op het
volgende let:
• Rijd langzaam als het wegdek oneffen is
om schade aan het onderstel van de auto
te voorkomen.
• Als de ondergrond rul is of uit droog zand
of sneeuw bestaat, verdient het altijd de
voorkeur om de auto in beweging te
houden en overschakelen te voorkomen.
Breng de auto nooit tot stilstand.
• Als de weg buitengewoon steil is zodat
het gevaar bestaat dat de auto kantelt,
moet u de auto nooit op de helling
proberen te keren maar achteruit terugrijden. Rijd nooit schuin maar altijd recht
een helling op en af.
1% Rijd bij voorkeur geen steile helling op of af,
wanneer het brandstofniveau laag is. De katalysator kan beschadigd raken, als de motor onvoldoende brandstof krijgt.
Zorg er bij het beklimmen van buitengewoon steile
helling voor dat de brandstoftank voor meer dan de
helft gevuld is, om motoruitval te voorkomen.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Het rijgedrag van de auto varieert afhankelijk van
de vraag of uw auto is uitgerust met een handgeschakelde of een automatische versnellingsbak.
Aarzel daarom niet om onder gecontroleerde
omstandigheden (zoals op een slipbaan) te testen
hoe de auto bij gladheid reageert.
98
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 48 cm diep rijden.
1%Bij diepere waterpartijen kan er water in
de differentieelklokken en de transmissie
dringen. De smerende eigenschappen van de
olie nemen daarbij af, waardoor deze systemen
minder lang meegaan.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de
remwerking in orde is. Bij water en vuil op de
remblokken kunnen er vertragingen in de
remwerking optreden.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarmer en de aanhangerkoppeling
schoon na ritten in water en modder.
1%Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken komt om
elektrische storingen te voorkomen.
Stroomverbruik, zuinig omgaan
met stroom
De elektrische functies van de auto belasten de
accu in verschillende mate. Laat de
contactsleutel niet te lang achtereen in stand II
staan, wanneer u de motor hebt afgezet. Maak
in plaats daarvan gebruik van stand I. In deze
stand wordt er minder stroom afgenomen.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die veel
stroom afnemen zijn: interieurventilator, ruitenwissers, Infotainmentsysteem (hoog volume)
en parkeerlichten. Let er tevens op dat de
verschillende accessoires het elektrische
systeem belasten. Maak daarom geen gebruik
van functies die veel stroom nemen, wanneer u
de motor hebt afgezet.
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
melding op het display. U moet de accu in dat
geval bijladen door de motor te starten.
Starten en rijden
Voorkom oververhitting van de
motor en het koelsysteem
met een geopende achterklep moet rijden, kunt
u het volgende doen:
In speciale omstandigheden, bijv. op steile
hellingen en bij het vervoer van een zware
lading, bestaat het gevaar dat de motor en het
koelsysteem oververhit raken. Dit geldt in het
bijzonder bij warm weer.
• Doe alle ramen dicht.
• Stuur de lucht naar de voorruit en de
vloer en laat de ventilator op de hoogste
snelheid draaien.
Om oververhitting van het koelsysteem
te voorkomen
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange, steile helling oprijdt.
• Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd
stationair laten lopen.
• Verwijder verstralers die voor de grille
zitten, als u bij extreem warm weer rijdt.
Om oververhitting van de motor te
voorkomen
Laat de motor geen hogere toeren maken dan
4500 omw/min, wanneer u met een aanhanger
of caravan achter de auto in heuvelachtig gebied
rijdt. Als u dat wel doet, kan de olietemperatuur
te hoog oplopen.
Rijd niet met een geopende
achterklep!
Wanneer u met de achterklep open rijdt, kunnen
er uitlaatgassen en daarmee giftig koolmonoxide via de bagageruimte de passagiersruimte
in worden gezogen. Als u echter toch een stukje
trapt, en stemt de gevoeligheid van de
schakelingen af op uw specifieke rijstijl.
Veiligheidssystemen
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale veiligheidssystemen:
Automatische versnellingsbak
³.H\ORFN´VOHXWHOEORNNHULQJ
Koude start
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen
moet de contactsleutel minstens in stand I staan.
Om na de rit de contactsleutel te kunnen
uitnemen moet de keuzehendel in stand P staan.
Als u bij koud weer wegrijdt, kan het zijn dat de
schakelingen stug aandoen. Dit komt omdat de
versnellingsbakolie bij lagere temperaturen
stroperiger wordt.
Om de uitstoot van uitlaatgassen te beperken
schakelt de versnellingsbak later op dan
normaal, wanneer u bij lage temperaturen
wegrijdt.
Wanneer u met een koude motor wegrijdt,
schakelt de versnellingsbak bij een hoger
toerental op dan normaal. Dit om ervoor te
zorgen dat de katalysator sneller op de juiste
temperatuur komt.
³6KLIWORFN´VFKDNHOEORNNHULQJ
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen
terwijl de contactsleutel in stand I of II staat,
moet u op het rempedaal trappen.
:DDUXRSPRHWOHWWHQELMKHWZHJULMGHQ
YDQXLWVWLOVWDQG
Houd u voet op het rempedaal, wanneer u de
keuzehendel uit stand P haalt.
Adaptieve schakelpatronen
De versnellingsbak wordt afgeregeld aan de
hand van zogeheten adaptieve schakelpatronen.
De regeleenheid “leert” voortdurend hoe de
versnellingsbak zich gedraagt. De regeleenheid
registreert de wijze waarop de versnellingsbak
schakelt, zodat er in elke situatie optimaal
wordt geschakeld. De regeleenheid analyseert
ook uw rijstijl, bijv. hoe snel u het gaspedaal in
99
Starten en rijden
Tanken
Tankvuldop
Benzine tanken
De tankvuldop vindt u achter de tankvulklep in
het spatscherm rechtsachter.
1%Voeg nooit zelf reinigende additieven
(dopes) aan de benzine toe zonder het uitdrukkelijke advies van een Volvo-werkplaats.
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank
ontstaan. Draai de tankvuldop dan langzaam
open. Tank niet te veel brandstof in de tank.
Laat het vulpistool bij voorkeur niet meer dan
éénmaal automatisch afslaan! Als de brandstoftank te vol zit, kan het zijn dat de tank bij
hoge buitentemperaturen overloopt!
Tankvulklep openen
Breng na het tanken de tankvuldop weer aan en
draai deze zover dicht dat u één of meer klikken
hoort.
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat.
1%De tankvulklep blijft tien minuten lang
onvergrendeld staan, nadat u de auto
vergrendeld hebt. De tankvulklep wordt daarna
automatisch vergrendeld.
100
:$$56&+8:,1*
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon XLW. Het belsignaal kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor brand en
verwondingen.
%HODQJULMN
Giet benzinemodellen altijd met loodvrije
benzine vol om te voorkomen dat de katalysator beschadigd raakt.
Dieselolie tanken
Bij lage temperaturen (–5 °C tot –40 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat tot
startproblemen kan leiden. Zorg er daarom voor
dat u tijdens de wintermaanden speciale winterbrandstof gebruikt.
Starten en rijden
Motor starten
U start de motor als volgt
(benzine)
1. Trap op het parkeerrempedaal.
2. $XWRPDWLVFKHYHUVQHOOLQJVEDNZet de
keuzehendel in stand P of N.
+DQGJHVFKDNHOGHYHUVQHOOLQJVEDNZet
de versnellingspook in de vrijstand en trap
het koppelingspedaal volledig in. Dit is
vooral van belang bij strenge kou.
3. Draai de contactsleutel in de startstand. Als
de motor niet binnen 5 tot 10 seconden
aanslaat, moet u de sleutel loslaten en een
nieuwe startpoging doen.
1%Tijdens de koude start kan het (afhankelijk
van de motortemperatuur) gebeuren dat het
motortoerental van bepaalde motortypes korte
tijd iets hoger is dan normaal. Dit omdat Volvo
ernaar streeft de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu door het
uitlaatgasreinigingssysteem van de motor zo
spoedig mogelijk op bedrijfstemperatuur te
brengen.
U start de motor als volgt
(diesel)
1. Trap op het parkeerrempedaal.
2. $XWRPDWLVFKHYHUVQHOOLQJVEDNZet de
keuzehendel in stand P of N.
+DQGJHVFKDNHOGHYHUVQHOOLQJVEDNZet
de versnellingspook in de vrijstand en trap
het koppelingspedaal volledig in. Dit is
vooral van belang bij strenge kou.
3. Draai de contactsleutel in de rijstand. Een
controlesymbool op het instrumentenpaneel licht op om aan te geven dat de
voorgloeifunctie van de motor actief is.
Draai de sleutel in de startstand, wanneer
het controlesymbool is gedoofd.
Contactsleutels en
elektronische startblokkering
Let er bij het starten op dat er geen andere
contactsleutels met transponderchip aan
dezelfde sleutelbos hangen. Als dat wel het
geval is, kan de elektronische startblokkering
worden geactiveerd. Als dat gebeurt, moet u de
andere sleutels van de sleutelbos halen en de
motor opnieuw starten.
/DDWGHPRWRUPHWHHQQDHHQNRXGHVWDUW
QRRLWRSWHKRJHWRHUHQGUDDLHQ1HHP
FRQWDFWRSPHWGHGLFKWVWELM]LMQGH9ROYR
ZHUNSODDWVDOVGHPRWRUQLHWDDQVODDWRI
RYHUVODDW
:$$56&+8:,1*
Schakel tijdens het rijden nooit het contact
uit (sleutel in stand 0 of 1) en neem de
contactsleutel evenmin uit het contactslot. U
loopt dan het gevaar dat het stuurslot wordt
geactiveerd, waarbij de auto onbestuurbaar
wordt.
Neem altijd de contactsleutel uit het
contactslot, wanneer u de auto verlaat – dat
geldt met name als u kinderen alleen in de
auto achterlaat.
Contact- en
stuurslot
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de
sleutel uitneemt.
I – Tussenstand,
“radiostand”
Sommige onderdelen van het
elektrische systeem kunnen
worden ingeschakeld. Het
elektrische systeem van de
motor is echter uitgeschakeld.
II – Rijstand
De stand waarin de
contactsleutel tijdens het
rijden staat. Het complete
elektrische systeem van de
auto is ingeschakeld.
III – Startstand
De startmotor wordt
ingeschakeld. Wanneer u
nadat de motor is aangeslagen
de sleutel loslaat, veert deze
automatisch terug in de rijstand. Als het u
moeite kost om de sleutel om te draaien, kan het
zijn dat de stand van de voorwielen voor
spanningen in het stuurslot zorgt. Draai de
contactsleutel in dat geval om, terwijl u het
stuurwiel heen en weer draait.
Zorg dat het stuurwiel geblokkeerd is, wanneer
u de auto verlaat. Zo beperkt u de kans op
diefstal.
101
Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelstanden
Blokkering achteruitversnelling
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen
altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na het
schakelen weer van het koppelingspedaal af!
Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Schakel de achteruitversnelling alleen in,
wanneer de auto stilstaat!
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden moet u zoveel mogelijk gebruik maken
van de 6de versnelling.
102
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak AW5- en GM met Geartronic
P – Parkeerstand
N – Neutraalstand
Zet de keuzehendel in de parkeerstand, wanneer
u de motor start of de auto parkeert.
Stand N is de neutraalstand. In deze stand kunt
u de motor starten, maar er is geen versnelling
ingeschakeld. =HWGHSDUNHHUUHPDDQ
ZDQQHHUGHDXWRVWLOVWDDWHQGHNHX]HKHQGHO
LQVWDQG1VWDDW
=HWGHNHX]HKHQGHODOOHHQLQVWDQG3
ZDQQHHUGHDXWRVWLOVWDDW
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Zet na het parkeren altijd de
parkeerrem aan!
R – Achteruitrijstand
=HWGHNHX]HKHQGHODOOHHQLQVWDQG5
ZDQQHHUGHDXWRVWLOVWDDW
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg dat de auto stilstaat, voordat u
de keuzehendel vanuit stand 5in stand ' zet.
• 5-cilindermodel met turbocompressor;
5 versnellingen
• 6-cilindermodel met turbocompressor;
4 versnellingen
Keuzehendelblokkering
U kunt de keuzehendel altijd ongehinderd heen
en weer halen tussen de standen 1en '. Om de
hendel in één van de overige standen te kunnen
zetten moet u een blokkering opheffen door op
de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Wanneer u de blokkeerknop op de keuzehendel
indrukt, kunt u de hendel overlangs heen en
weer halen tussen de standen 5en 1 en tussen
de standen ', , en /.
103
Starten en rijden
Handmatige schakelstanden
keuzehendel
Als u vanuit de automatische stand ' wilt
overgaan op de handmatige standen, moet u de
hendel naar links duwen. Als u vanuit stand
0$1 wilt overgaan op ', moet u de hendel
naar rechts in stand ' duwen.
De 3de, 4de en 5de versnelling hebben een
slipvrije overbruggingsfunctie (lock-up),
waardoor er beter op de motor kan worden
afgeremd en er minder brandstof wordt
verbruikt. Alleen modellen met een 5-cilindermotor zijn uitgerust met een 5-versnellingsbak.
Tijdens het rijden
Tijdens het rijden is het altijd mogelijk voor de
handmatige schakelstanden te kiezen. De
ingeschakelde versnelling is geblokkeerd,
zolang u geen andere versnelling kiest. De
versnellingsbak schakelt alleen terug, als u uw
vaart drastisch mindert.
Als u de keuzehendel naar de min (–) haalt,
schakelt de versnellingsbak één versnelling
terug en wordt er op de motor afgeremd. Als u
de keuzehendel naar de plus (+) haalt, schakelt
de versnellingsbak één versnelling op.
De 3de versnelling is de hoogste versnelling die
u bij het wegrijden kunt inschakelen.
104
W – Winterprogramma
“Kickdown”
U schakelt het winterprogramma in- en uit met
een druk op de bijbehorende knop W.
Gebruik het winterprogramma bij het
optrekken en rijden op gladde wegen.
Bij inschakeling van het programma licht het
symbool : op het instrumentenpaneel op.
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand) schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit wordt “kickdown” genoemd.
Wanneer de maximale snelheid voor de
ingeschakelde versnelling is bereikt of wanneer
u het gaspedaal uit de “kickdown”-stand
loslaat, schakelt de versnellingsbak automatisch weer op. Gebruik de “kickdown” om zo
spoedig mogelijk te accelereren zoals bij het
inhalen.
Let erop dat de knop W links van de keuzehendel zit op modellen met het stuur rechts.
De versnellingsbak is voorzien van een terugschakelblokkering voor alle versnellingen.
Starten en rijden
Vierwielaandrijving
AWD, “All Wheel Drive”
De vierwielaandrijving van uw Volvo is altijd
actief en voldoet aan zeer strenge eisen qua
technische standaard. Bij het juiste gebruik
ervan biedt vierwielaandrijving in vergelijking
tot conventionele voor- of achterwielaandrijving de bestuurder grotere mogelijkheden om
zich uit onvoorziene situaties op verschillende
soorten ondergrond te redden.
Vierwielaandrijving houdt in dat alle vier de
wielen van de auto tegelijkertijd worden aangedreven. De kracht wordt automatisch verdeeld
over de voor- en achterwielen. Een elektronisch
geregeld koppelingssysteem verdeelt de kracht
over het wielpaar dat op dat moment de beste
grip op het wegdek heeft. Dit om een optimale
wegligging te verkrijgen en te voorkomen dat
de wielen doorslippen.
Bij normaal rijden worden de voorwielen naar
verhouding iets sterker aangedreven dan de
achterwielen.
Bandenmaat en
bandenspanning
Volvo adviseert u alleen gebruik te maken van
banden die alle vier van hetzelfde merk zijn,
dezelfde maat en aanduiding hebben en
voorzien zijn van dezelfde index voor het
draagvermogen en de snelheidslimiet. Welke
bandenmaat en bandenspanning de juiste zijn,
ziet u aan de binnenzijde van de tankvulklep en
in het instructieboekje, zie pagina 125.
Sneeuwkettingen
Op auto’s met vierwielaandrijving mag u alleen
sneeuwkettingen aanbrengen op de voorwielen.
1%Om schade aan de onderdelen van de
wielkuip te voorkomen moet u alleen gebruik
maken van sneeuwkettingen die speciaal
ontwikkeld zijn voor en afgestemd zijn op de
Volvo XC90.
Deze verbeterde vorm van aandrijving verhoogt
de rijveiligheid tijdens regen- en sneeuwval en
bij ijzel.
105
Starten en rijden
Remsysteem
Als een remkring
defect raakt
Wanneer één van de remkringen
defect is, moet u het rempedaal
verder dan normaal intrappen. Het pedaal voelt
bovendien iets minder stug aan. Ook moet u dan
meer kracht uitoefenen voor hetzelfde
remmende vermogen.
De rembekrachtiging werkt alleen, als
de motor loopt
Als de auto rijdt of wordt gesleept met een
uitgeschakelde motor, moet u ongeveer
vijfmaal zoveel druk uitoefenen op het
rempedaal. +HWUHPSHGDDOYRHOWVWXJHQVWLMI
DDQ
1%Trap met de motor uitgeschakeld eenmaal
hard en resoluut op het rempedaal – dus niet
pompen.
Vocht op de remschijven en
remvoeringen kan de eigenschappen
van de remmen beïnvloeden!
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat. Het
vocht beïnvloedt de wrijvingseigenschappen
van de remvoeringen negatief, zodat u een
bepaalde verlenging van de aanspreekduur van
de remmen kunt merken. Trap het rempedaal
van tijd tot tijd lichtjes in, wanneer u lange
afstanden in de regen of in sneeuwmodder
106
aflegt. Doe dit ook voordat u de auto voor
langere tijd parkeert in dergelijke weersomstandigheden. Op die manier verwarmt u de remvoeringen zodat het vocht verdampt. Doe dit ook,
wanneer u meteen na een wasbeurt of in zeer
vochtige of koude weersomstandigheden
wegrijdt.
Als de remmen zwaar belast worden
De remmen van de auto worden uitermate
zwaar belast, wanneer u in de Alpen of op
wegen met vergelijkbare niveauverschillen
rijdt; zelfs als u niet bijzonder hard op het
rempedaal trapt. Omdat de snelheid in dergelijke omstandigheden vaak laag is, worden de
remmen niet even goed gekoeld als bij het
rijden op egale wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten, kunt
u beter geen gebruik maken van het rempedaal,
maar in plaats daarvan terugschakelen en
tijdens het klimmen en dalen dezelfde
versnelling gebruiken (handgeschakelde
versnellingsbak). Op die manier kunt u beter op
de motor afremmen en hoeft u de voetrem
slechts korte perioden te gebruiken.
Let erop dat u de remmen van de auto zwaarder
belast, wanneer u met een aanhanger rijdt.
Starten en rijden
Anti-blokkeerremsysteem (ABS)
Het ABS-systeem (Anti-lock
Braking System) is ontworpen
om te voorkomen dat de wielen tijdens het
remmen geblokkeerd raken. Hierdoor kan
tijdens het remmen een zo groot mogelijke
respons van het stuurwiel worden verkregen.
Het ABS-systeem zorgt ervoor dat de auto beter
bestuurbaar blijft om bijvoorbeeld obstakels te
kunnen ontwijken. Het ABS-systeem verbetert
de totale remcapaciteit niet. Als bestuurder hebt
u echter wel meer controle over de besturing
van de auto, wat de veiligheid verhoogt.
Wanneer u na het starten van de motor met de
auto wegrijdt en een snelheid van ca. 20 km/h
hebt bereikt, gaat een kortstondige zelftest van
start die te horen en te voelen is. Als het ABSsysteem actief is, treden er merkbare pulsaties
in het rempedaal op. Dit is volkomen normaal.
1%Om het ABS-systeem optimaal te benutten
moet u zo hard mogelijk op het rempedaal
trappen. Haal uw voet niet van het rempedaal,
wanneer u pulsaties van het ABS-systeem hoort
en voelt. Aarzel niet om onder gecontroleerde
omstandigheden (zoals op een slipbaan) te
testen hoe het ABS-systeem werkt.
• als het ABS-systeem uitgeschakeld is
door een storing.
Elektronische
remkrachtverdeling (EBD)
Het EBD-systeem (Electronic Brakeforce
Distribution) vormt een geïntegreerd onderdeel
van het ABS-systeem. Het EBD-systeem regelt
de remkracht op de achterwielen altijd dusdanig
af dat de maximale remwerking wordt
verkregen. Wanneer het systeem de remkracht
afregelt, treden er merkbare pulsaties in het
rempedaal op.
Als de waarschuwingssymbolen
5(06<67((0
en $%6
tegelijkertijd oplichten, bestaat het gevaar
dat de achtertrein bij krachtig remmen gaat
slippen. Als de symbolen echter blijven
branden ondanks dat het peil in het
remvloeistofpeil in orde is, moet u de auto
uiterst voorzichtig naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren.
+HW$%6V\PERROOLFKWRSHQEOLMIWFRQWLQX
EUDQGHQ
• gedurende twee seconden tijdens de start
om het systeem te controleren.
107
Starten en rijden
Stabiliteitssysteem
DSTC, Dynamisch
stabiliteits- en
tractieregelsysteem
Het DSTC-systeem (Dynamic Stability and
Traction Control) omvat meerdere functies:
• 7UDFWLHUHJHOLQJ7&
(Traction Control)
De tractieregeling brengt de aandrijfkracht voor een slippend wiel over op
een aandrijfwiel dat niet slipt, door het
slippende wiel af te remmen. Om de
aandrijfkracht in een dergelijke situatie te
verhogen kan het zijn dat u het gaspedaal
verder dan normaal moet intrappen.
Wanneer de tractieregeling actief is, kunt
u een tikkend geluid horen. Dit is
volkomen normaal. De tractieregeling is
voornamelijk actief op lage snelheden. U
kunt de tractieregeling niet uitschakelen.
• 6WDELOLWHLWVV\VWHHP6&
(Stability Control)
Het stabiliteitsysteem is ontwikkeld om te
voorkomen dat de aangedreven wielen
hun grip op het wegdek verliezen tijdens
het optrekken door het motorkoppel te
beperken dat op de wielen wordt overgebracht. Het systeem verbetert de aandrijving en verhoogt de veiligheid op
gladde wegen. In bijzondere omstandigheden zoals bij het gebruik van sneeuwkettingen of bij het rijden in diepe
108
sneeuw of zand, kan het handig zijn het
SC-systeem buiten werking te stellen om
de tractie te verhogen. U doet dat met een
druk op de knop DSTC.
• $QWLVOLSUHJHOLQJ$<&
(Active Yaw Control)
De anti-slipregeling zorgt ervoor dat één
of meer wielen van de auto automatisch
worden afgeremd. Dit om de auto te
stabiliseren als deze in de slip dreigt te
raken. Als u in een dergelijke situatie zelf
op de rem trapt, zal het rempedaal stugger
aandoen dan normaal en tikkende
geluiden maken. Het anti-slipregeling is
altijd actief en kan om veiligheidsredenen
niet buiten werking worden gesteld.
• $QWLNRSUROV\VWHHP56&
(Roll Stability Control)
Het anti-koprolsysteem zorgt ervoor dat
één of meer wielen van de auto automatisch worden afgeremd. Dit om de auto in
dwarsrichting te stabiliseren en te
voorkomen dat de auto over de kop slaat
als deze in de slip dreigt te raken. Als u in
een dergelijke situatie zelf op de rem
trapt, zal het rempedaal stugger aandoen
dan normaal en tikkende geluiden maken.
Het anti-koprolsysteem is altijd actief en
kan om veiligheidsredenen niet buiten
werking worden gesteld.
Knop DSTC
Met de knop DSTC op de middenconsole kunt
u de functie van het DSTC-systeem beperken of
een geldende beperking opheffen.
Bij beperking van de functie van het DSTCsysteem, wordt het stabiliteitssysteem (SC)
uitgeschakeld en gelden er beperkingen voor de
anti-slipregeling (AYC). De overige systemen
werken onverminderd voort.
Wanneer de LED in de knop brandt, is het
DSTC-systeem actief (voor zover er geen
storingen zijn).
1%Om veiligheidsredenen moet u de knop
minstens een halve seconde lang ingedrukt
houden om de functie van het DSTC-systeem te
beperken.
1%De LED in de knop dooft en op het display
verschijnt de tekst: “DSTC SPIN CONTROL
UIT”.
Het DSTC-systeem wordt iedere keer dat u de
motor start automatisch geactiveerd.
Het waarschuwingssymbool
knippert wanneer...
• het SC-systeem actief is om te
voorkomen dat de aangedreven wielen
van de auto doorslippen;
• de TC-regeling actief is om de tractie van
de auto te verbeteren;
• het AYC-systeem actief is om te
voorkomen dat de auto in de slip raakt;
• het RSC-systeem actief is om te
voorkomen dat de auto over de kop slaat.
Starten en rijden
Het waarschuwingssymbool
licht
op en dooft weer na ca. 2 seconden
wanneer...
• u de motor start. (Het lampje licht op om
het systeem te testen.)
De LED in de knop dooft en op het
display verschijnt de melding “DSTC
SPIN CONTROL UIT”, wanneer...
• u de functie van het SC-systeem van het
DSTC-systeem hebt beperkt met een druk
op de knop DSTC.
Het oranje waarschuwingssymbool
licht op en blijft continu branden
en de melding “TRACTIECONTROLE
TIJDELIJK UIT” verschijnt op het
display, wanneer...
• de functie van de TC-regeling van het
remsysteem tijdelijk beperkt is wegens
een te hoge remtemperatuur. De
beperking van de TC-regeling wordt
automatisch opgeheven, wanneer de
remtemperatuur weer normaal is.
Het oranje waarschuwingssymbool
licht op en blijft continu branden
en de melding “ANTI-SKID SERVICE
VEREIST” verschijnt op het display
wanneer:
Remkrachtverhoging (EBA)
Het EBA-systeem (Emergency Brake
Assistance) vormt een geïntegreerd onderdeel
van het DSTC-systeem. Het EBA-systeem is
dusdanig geconstrueerd dat u, wanneer u
krachtig moet afremmen, altijd meteen het
maximale remvermogen kunt afnemen. Het
systeem registreert het moment waarop u
krachtig wilt afremmen door de snelheid te
meten waarmee u op het rempedaal trapt.
Het EBA-systeem is op alle snelheden actief en
kan om veiligheidsredenen niet buiten werking
worden gesteld.
1%Wanneer het EBA-systeem geactiveerd
wordt, zakt het rempedaal omlaag en kunt u het
maximale remvermogen van de auto afnemen.
Breng gedurende de totale remmanoeuvre
evenveel druk aan op het rempedaal. Het EBAsysteem wordt uitgeschakeld, wanneer u de
druk van het rempedaal haalt.
:$$56&+8:,1*
Onder normale omstandigheden zorgt het
DSTC-systeem voor een betere wegligging.
Dit mag echter voor u geen reden zijn om
sneller te gaan rijden. Wees altijd
voorzichtig bij het nemen van bochten en het
rijden op gladde wegen.
• het DSTC-systeem uitgeschakeld is
wegens een storing.
109
Starten en rijden
“Parking Support” (extra)
Werking van “Parking Support”
De “Parking Support” is bedoeld als
hulpmiddel tijdens het parkeren. Bij gebruik
van het systeem geven de luidsprekers van het
audiosysteem een signaal af dat de afstand tot
een obstakel achter de auto aangeeft. Wanneer
u ondertussen naar een andere geluidsbron van
het audiosysteem luistert, wordt het volume
daarvan tijdelijk verlaagd. Hoe dichter u het
obstakel achter de auto nadert, des te sneller
volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer
de auto het obstakel tot op ca. 30 cm is
genaderd, bestaat het geluidssignaal uit één
ononderbroken toon. De afstand wordt met
ultrasone sensoren in de achterbumper
opgemeten. Het meetbereik van de sensoren
strekt tot ca. 1,5 m recht achter de auto.
110
1%Bij gebruik van een aanhanger of een fietsdrager op de trekhaak moet u de “Parking
Support” uitschakelen. Als u dat niet doet,
zullen de sensoren de aanhanger/fietsdrager als
obstakels aanmerken.
“Parking Support”
in-/uitschakelen
De “Parking Support” wordt automatisch
ingeschakeld, wanneer u de achteruitrijversnelling inschakelt (voor zover u het niet met
een druk op de knop hebt uitgeschakeld). De
LED in de knop licht op, wanneer het systeem
actief is.
Storingsindicatie
Als er een storing optreedt in de “Parking
Support”, dooft de LED in de knop. Op het
display van het instrumentenpaneel verschijnt
dan de melding “PARKING SUPPORT
SERVICE VEREIST”.
Sensoren schoonmaken
De sensoren werken alleen naar behoren,
wanneer u ze regelmatig schoonmaakt. Reinig
ze met water en autoshampoo.
:$$56&+8:,1*
Hoewel de “Parking Support” handig is bij
het parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij eventuele fouten. Wanneer
eventuele obstakels in de dode hoeken van
de sensoren zitten, zal het systeem ze niet
kunnen ontdekken. Houd kinderen en
huisdieren in de buurt van de auto in de
gaten.
Starten en rijden
Slepen
Motor niet op gang slepen
Als u de motor van een auto met een handgeschakelde versnellingsbak op gang probeert te
slepen, kan/kunnen de katalysator(en) beschadigd worden. Auto’s met een automatische
versnellingsbak kunt u niet op gang slepen. Als
de accu uitgeput is, moet u een opgeladen
hulpaccu gebruiken.
6OHHSRRJ
YRRU
Als de auto gesleept moet
worden
• Zorg ervoor dat de contactsleutel in stand
I staat, zodat het stuurslot niet werkt en de
auto bestuurbaar is.
‡ /HWHURSGDWXGHPD[LPDDOWRHJHVWDQH
VQHOKHLGDDQKRXGW
• Let erop dat de rem- en stuurbekrachtiging niet werken, als u de motor hebt
afgezet! U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder.
• Rijd rustig. Houd de sleepkabel
gespannen om schokkende bewegingen te
voorkomen.
0RGHOOHQPHWHHQDXWRPDWLVFKHYHUVQHO
OLQJVEDN
• Zorg dat de keuzehendel in stand N staat.
• De maximaal toelaatbare snelheid voor
modellen met een automatische versnellingsbak bedraagt 80 km/h (met geheven
6OHHSRRJDFKWHU
vooras). De maximaal toelaatbare afstand
bedraagt 80 km.
• Sleep de auto alleen vooruit weg.
• U kunt de motor niet op gang slepen.
Voor “Starten met hulpaccu”, zie de
volgende pagina.
Sleepoog
Het sleepoog vindt u in de gereedschapstas in
de bagageruimte. Schroef het sleepoog op zijn
plaats vóór het slepen. De uitsparing en
afdekking voor het sleepoog vindt u aan de
rechterzijde van de voor- en achterbumper.
B. Schroef het sleepoog tot aan de flens vast
(C). Maak bij voorkeur gebruik van de
wielsleutel.
Draai het sleepoog na gebruik los en plaats de
afdekking terug.
1%Het sleepoog is alleen te gebruiken voor
het slepen over de weg en niet geschikt voor
berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden. Voor bergingswerkzaamheden
moet u professionele hulp inroepen.
Ga als volgt te werk om een afdekking te
verwijderen:
A. Haal de onderkant van de afdekking los met
een muntstuk.
111
Starten en rijden
Starten met hulpaccu
4
2
3
• Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een
toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
• Start de motor van de auto met de
uitgeputte accu.
• Verwijder de kabels in omgekeerde
volgorde.
1%Kom niet aan de klemmen tijdens de startpoging (gevaar voor vonkvorming).
1
:$$56&+8:,1*
Ga als volgt te werk om de auto
met een hulpaccu te starten...
Als de accu om wat voor reden dan ook
ontladen is, kunt u stroom “ lenen ” van een
losse reserveaccu of van een accu in een andere
auto om op die manier de motor te starten.
Controleer altijd of de accuklemmen goed
vastzitten en of er geen vonken ontstaan tijdens
de startpogingen.
Om explosiegevaar te voorkomen adviseren wij
u de volgende aanwijzingen nauwkeurig op te
volgen:
• Draai de contactsleutel in stand 0.
• Zorg dat de hulpaccu een spanning van
YROWOHYHUW
112
• Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van deze auto
afzetten en zorgen dat de twee auto’s
elkaar niet kunnen raken.
• Sluit de rode kabel aan tussen de pluspool
van de hulpaccu (1+) en de rode aansluiting in de motorruimte van uw auto (2+).
Bevestig de klem aan het contactpunt dat
onder een zwart luikje met een plusteken
erop zit. Het luikje vormt één geheel met
het deksel van het zekeringenkastje.
• Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
op de minpool (3–) van de hulpaccu.
• Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op één van de hijsogen van de motor
(4–) in uw auto.
Let erop dat accu’s, en dan met name de
hulpaccu, het zeer explosieve knalgas
bevatten. Eén enkele vonk, veroorzaakt door
een onjuiste aansluiting van de startkabels,
volstaat om een accu te laten ontploffen en
zo schade aan de auto en verwondingen te
veroorzaken. Een accu bevat ook
zwavelzuur, wat ernstige verwondingen
door etsing kan veroorzaken.
Als u accuzuur in uw ogen krijgt, of op uw
huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een arts,
als u accuzuur in uw ogen krijgt.
Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
• De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
• Als u een model met trekhaak bij Volvo hebt
besteld wordt de auto compleet aangeleverd
met de benodigde randuitrusting voor het
gebruik van een aanhanger. Bij montage
achteraf moet u contact opnemen met uw
Volvo-dealer om te controleren of uw auto
van de nodige uitrusting is voorzien om met
een aanhanger te kunnen rijden.
• Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig,
dat het gewicht op de trekhaak bij aanhangers
tot 1200 kg ongeveer 50 kg en bij aanhangers
zwaarder dan 1200 kg ongeveer 90 kg
bedraagt.
1%Het gewicht op de trekhaak (50/90 kg)
is bij de laadcapaciteit van de auto
inbegrepen.
Het kan dus zijn dat u gewicht uit de
bagageruimte moet verwijderen om te
voorkomen dat de asdruk en/of de laadcapaciteit van de auto worden overschreden bij het
gebruik van een aanhanger.
• Verhoog de bandenspanning tot de druk die
geldt voor maximale belasting. Raadpleeg de
bandenspanningstabel!
• Maak de trekhaak regelmatig schoon en vet
de kogel* en alle bewegende delen in om
onnodige slijtage te voorkomen.
• Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer
de auto nog helemaal nieuw is! Wacht
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast dan
normaal. Schakel dan terug naar een lagere
versnelling en pas uw snelheid aan.
• Wanneer de auto bij warm weer zwaar belast
wordt, kunnen de motor en de versnellingsbak oververhit raken. Bij oververhitting
slaat de temperatuurmeter in het instrumentenpaneel tot in het rode gebied uit. Breng de
auto dan tot stilstand en laat de motor enkele
minuten afkoelen.
• Bij oververhitting schakelt de airconditioning
zichzelf automatisch tijdelijk uit.
• Bij oververhitting schakelt de versnellingsbak een ingebouwde beschermingsfunctie in. Zie het displaybericht!
• Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder dan normaal belast.
• Rijd als veiligheidsmaatregel niet harder dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
• Het maximaal toelaatbare gewicht voor een
ongeremde aanhanger bedraagt 750 kg.
• Zet de keuzehendel bij het parkeren met een
aanhanger altijd in stand P (automatische
versnellingsbak) of schakel een versnelling
in (handgeschakelde versnellingsbak). Maak
altijd gebruik van de parkeerrem. Gebruik
wielblokken bij het parkeren op steile
hellingen.
* Geldt niet voor de kogel bij gebruik van een
aanhangerkoppeling met trillingsdemper.
0D[LPDDOWRHODDWEDDU
DDQKDQJHUJHZLFKWYRRU
JHUHPGHDDQKDQJHUV
.RJHOGUXN
0–1200 kg
50 kg
2250 kg
90 kg
1%De aangegeven maximaal toelaatbare
aanhangergewichten zijn door Volvo Car
Corporation bepaald. Let erop dat er op grond
van de wetgeving voor motorvoertuigen in uw
land verdere beperkingen van de maximale
aanhangergewichten en snelheden kunnen
gelden. Het is bovendien mogelijk dat de
trekhaak gespecificeerd is voor hogere
gewichten dan het maximaal toelaatbare
aanhangergewicht van de auto.
:$$56&+8:,1*
Als u de vermelde aanbevelingen niet
opvolgt, kan de combinatie van auto plus
aanhanger onbestuurbaar worden bij
uitwijk- en remmanoeuvres, met alle risico’s
van dien voor uzelf en de overige weggebruikers.
113
Starten en rijden
Rijden met een aanhanger in een
Volvo met een automatische
versnellingsbak
• Zet bij het parkeren op hellingen eerst de
parkeerrem aan, voordat u de keuzehendel in stand P zet. Zet bij het
wegrijden op een helling eerst de keuzehendel in de rijstand en haal de auto
vervolgens van de parkeerrem.
• Kies op steile hellingen of in langzaam
rijdend verkeer de juiste lageversnellingsstand. Zo voorkomt u dat de automatische
versnellingsbak opschakelt. De versnellingsbakolie wordt dan minder warm.
• Schakel geen hogere, handmatige
versnelling in dan de motor “aankan”.
Rijden in hoge versnellingen is niet altijd
zuinig.
• Vermijd hellingen met een percentage
van meer dan 15% bij het gebruik van een
aanhanger achter een model met automatische versnellingsbak.
1%Sommige modellen moeten worden
uitgerust met een oliekoeler voor de automatische versnellingsbak om gebruik te maken van
een aanhanger.
Informeer dan ook bij de dichtstbijzijnde
Volvo-dealer naar wat er voor uw auto geldt, als
u achteraf een trekhaak monteert.
114
Niveauregeling (extra op model
met vijf zitplaatsen, standaard op
model met zeven zitplaatsen)
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling, neemt de achtertrein tijdens het
rijden altijd de juiste rijhoogte aan ongeacht de
belading. Wanneer de auto stilstaat, zakt de
achtertrein omlaag. Dit is volkomen normaal.
Starten en rijden
Trekhaak (extra)
1%Controleer of de auto is uitgerust met een
transmissie-oliekoeler, als u achteraf een
trekhaak monteert.
Vaste trekhaak (A)
Let erop dat u de veiligheidskabel altijd aan de
daarvoor bestemde bevestiging vastmaakt, zie
figuur!
A
Afneembare trekhaak (B)
Volg altijd nauwkeurig de montagevoorschriften op.
Let erop dat u de veiligheidskabel altijd aan de
daarvoor bestemde bevestiging vastmaakt, zie
figuur!
/HWHUWHYHQVRSGDWXGHNRSSHOSHQUHJHO
PDWLJVFKRRQPDDNWHQLQYHW
0DDNGDDUYRRUJHEUXLNYDQGHDDQEHYROHQ
YHWVRRUWPHWKHWDUWQU
B
Let op het
volgende als uw
auto is uitgerust
met de
afneembare
trekhaak van
Volvo:
• Zorg dat u de trekhaak hebt
vergrendeld, voordat u wegrijdt.
• De rode indicatorpen (zie de pijl in de
illustratie hierboven) mag niet
zichtbaar zijn.
• Zorg dat u de trekhaak met de sleutel
hebt vergrendeld. Zie de beschrijving
op pagina 117.
1%Het kan zijn dat er op uw auto een
trekhaak zit met een 13-polig contact dat u wilt
aansluiten op een aanhanger met een 7-polig
contact. Maak in dat geval alleen gebruik van
een originele adapterkabel van Volvo. Zorg dat
de kabel niet over de grond sleept.
115
Starten en rijden
%HYHVWLJLQJVSXQWHQRQGHUGHDXWR
Specificaties
Afstand A in de bovenstaande figuur:
Afstand B in de bovenstaande figuur:
Vaste trekhaak: =
Vaste trekhaak: =
1124 mm
Afneembare trekhaak: = 1124 mm
Max. toelaatbare kogeldruk: 90 kg
116
80 mm
Afneembare trekhaak: = 80 mm
Starten en rijden
Afneembare trekhaak, monteren
1
2 ONTGRENDELD
3 ONTGRENDELD
B
Verwijder de beschermkap.
4
Steek de sleutel in het slot en draai de
sleutel rechtsom in de ontgrendelde
stand.
5
BLOKKEREN
Duw het kogelsegment zover op de
koppelpen dat het blokkeert. Wees
voorzichtig, omdat de handgreep met
kracht in positie schiet!
Houd het kogelsegment vast en draai de
handgreep rechtsom in de vergrendelde
stand.
6
VERGRENDELD
RODE PIN (B) NIET
ZICHTBAAR
Controleer of de indicatorpen (B)
ingeschoven is.
Draai de sleutel linksom in de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
117
Starten en rijden
Afneembare trekhaak, demonteren
1
ONTGRENDELD
2
ONTGRENDELD
Steek de sleutel in het slot en draai de
Draai de handgreep linksom in de
sleutel rechtsom in de ontgrendelde stand. vergrendelde stand.
4
VERGRENDELD
Draai de sleutel linksom in de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
118
5
Schuif de beschermkap over de
koppelpen zoals aangegeven in de figuur.
3
Trek het kogelsegment van de koppelpen.
Starten en rijden
Lading op het dak
Positie van lasdragers
(accessoire)
Zorg dat u de lastdrager in de juiste positie op
de dakrelingen (rails) aanbrengt. U kunt de
lastdragers in iedere gewenste stand over de
volle lengte van de dakrelingen aanbrengen.
Wanneer u geen lading op het dak vervoert,
moet u de voorste lasdrager ca. 200 mm voor de
middelste dakbevestiging aanbrengen en de
achterste lastdrager recht tussen de middelste en
de achterste dakbevestiging (zie bovenstaande
afbeelding) om de rijwindgeluiden te beperken.
Lastdrager monteren
Dekkap van lastdrager
Zorg dat de lastdrager goed om de beide dakrelingen heen vastklemt. Schroef de lastdrager
vervolgens vast. Maak gebruik van de bijgeleverde momentsleutel om de schroeven tot aan
het merkje op de sleutel vast te draaien
(overeenkomend met een moment van 6 Nm).
Zie de afbeelding!
Gebruik bij voorkeur de nok aan het uiteinde
van de momentsleutel (zie afbeelding) of de
contactsleutel om de kap vast te draaien. Een
kwartslag draaien.
119
Starten en rijden
Waar u bij het gebruik van
lastdragers op moet letten
• Om schade aan de auto te voorkomen en
op een veilige manier lading op het dak te
kunnen vervoeren, adviseren wij u alleen
gebruik te maken van de lastdragers die
Volvo speciaal voor uw auto ontwikkeld
heeft.
• Controleer regelmatig of de lastdragers
en de lading goed vastzitten. Zet de
lading stevig vast met sjorbanden!
• De maximale dakbelasting bedraagt
100 kg (incl. lastdragers).
• Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de lading
niet diagonaal op de lastdragers. Zorg dat
u de zwaarste voorwerpen onderop legt.
• Let erop dat het zwaartepunt van de auto
verschuift en dat de rijeigenschappen zich
wijzigen bij het vervoer van lading op het
dak.
• Houd er rekening mee dat de auto meer
wind vangt en daardoor meer brandstof
verbruikt, naarmate de omvang van de
lading toeneemt.
• Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel
op, rem niet te hard en maak niet te
scherpe bochten.
120
Wielen en banden
Algemene informatie
122
Bandenspanning
125
Wielen verwisselen
126
121
Wielen en banden
Algemene informatie
Algemene informatie over
wielen en banden
bandentype geldt. De meest voorkomende
snelheidsklassen staan in de onderstaande tabel.
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding is 5+.
Let erop dat de aangegeven snelheid de
maximumsnelheid is.
Deze aanduiding die door alle bandenfabrikanten wordt toegepast houdt het volgende in:
Q
225
70
R
16
102
H
breedte van de band (mm)
verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band in procenten
aanduiding voor radiaalbanden
velgdiameter van de band (")
index van het draagvermogen van
de band, in dit geval 850 kg
index van de snelheidslimiet van
de band die aangeeft dat deband
bestemd is voor snelheden tot en
met 210 km/h
Uw auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dit betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en prestaties die staan aangegeven op het kentekenbewijs van de auto. De
enige uitzondering daarop vormt het gebruik
van winterbanden en banden met “spikes”, voor
zover deze met de snelheidsindex op het kentekenbewijs staan vermeld. Bij gebruik van
dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan
de maximumsnelheid die voor het gebruikte
122
T
H
V
W
160 km/h, veelal
toegepast voor banden
met “spikes”
190 km/h
210 km/h
240 km/h
270 km/h
1%Let er bij het verwisselen van banden op
dat alle vier de banden van hetzelfde type zijn,
dezelfde afmeting en aanduiding hebben en van
hetzelfde merk zijn. Anders kunnen de rijeigenschappen van de auto veranderen. Informeer bij
uw dealer naar de bandenmaten die voor uw
auto verkrijgbaar zijn.
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en niet
de snelheidsindex van de banden.
1%Dit is in het bijzonder van belang voor
modellen met vierwielaandrijving (AWD),
omdat bij dergelijke modellen zelfs geringe
verschillen tussen de wielen al tot schade aan de
aandrijflijn kunnen zorgen.
Nieuwe banden
Let erop dat banden een
beperkte houdbaarheidsdatum hebben – na enkele
jaren worden banden hard
en neemt de grip op het
wegdek stukje bij beetje af. Gebruik daarom zo
mogelijk nieuwe banden bij het verwisselen.
Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden.
De week en het jaar van productie worden
aangeduid met vier cijfers (zo betekent 1502 dat
de band de 15de week van het jaar 2002 werd
gemaakt).
:$$56&+8:,1*
De enige “speciale wielvelgen” die Volvo
goedkeurt zijn de velgen die door Volvo zijn
gecontroleerd en deel uitmaken van het assortiment aan ³RULJLQHOH9ROYRDFFHVVRLUHV´.
Wielen en banden
Winterbanden
6QHHXZNHWWLQJHQ
Voor alle XC90-modellen met vijf zitplaatsen
of zonder een T6-motor adviseert Volvo winterbanden met de maten 225/70 R16. Voor de
modellen met een T6-motor of zeven
zitplaatsen adviseert Volvo winterbanden met
de maten 235/65 R17.
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen.
Gebruik altijd winterbanden op alle vier de
wielen!
1%Neem contact op met uw Volvo-dealer
voor advies over de beste velgen en banden
voor uw auto.
1%Maak uitsluitend gebruik van sneeuwkettingen die door Volvo zijn goedgekeurd. Bij
gebruik van andere sneeuwkettingen kan er
schade aan uw auto ontstaan.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen!
Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen, omdat
zowel de banden als de sneeuwkettingen
daardoor overmatig slijten.
Spijkerbanden
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500 tot 1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee en maakt de auto minder lawaai.
Houd er rekening met dat de bepalingen voor
het gebruik van spijkerbanden van land tot land
verschillen.
1%Maak nooit gebruik van sneeuwkettingen met zogeheten snelsluitingen, omdat
de ruimte tussen de schijfremmen en de
wielen te gering is.
123
Wielen en banden
Banden met
slijtageindicatoren
De slijtage-indicatoren
bestaan uit smalle
ophogingen die dwars op
het profiel staan (de
letters TWI op de zijkant
van de band geven aan dat de band is uitgerust met
slijtage-indicatoren). Wanneer een band dusdanig
versleten is dat de profieldiepte nog slechts
1,6 mm bedraagt, zijn de indicatoren duidelijk
zichtbaar en moet u de band ]RVSRHGLJPRJHOLMN
vervangen. Let erop dat een band met een profieldiepte van 3–4 mm al beduidend minder grip op
het wegdek heeft bij sneeuw of regen en het water
minder snel kan afvoeren.
Rijeigenschappen en banden
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat
als de bandenspanning zijn van grote invloed op
het rijgedrag van de auto. Wanneer u de banden
verwisselt, moet u erop letten dat de nieuwe
banden op alle vier de wielen van hetzelfde type
als de oude zijn, dezelfde afmetingen hebben en
van hetzelfde merk zijn. Volg tevens de aanbevelingen voor de bandenspanning op.
Banden verwisselen
(zomer/winter)
Wanneer u de zomerbanden verwisselt voor
winterbanden of andersom, moet u op de band
noteren waar de band zat: bijv. L voor links, R
voor rechts enz.
124
Compact reservewiel
Het compacte reservewiel (“Temporary Spare”)
mag alleen worden gebruikt gedurende de korte
tijd die nodig is om het normale wiel te
repareren of te vervangen.
9ROJHQVGHZHWPDJKHWUHVHUYHZLHOGHEDQG
DOOHHQWLMGHOLMNZRUGHQJHEUXLNWZDQQHHU
HHQEDQGEHVFKDGLJGLV(HQZLHOEDQGYDQ
GLWW\SHPRHWGDDURP]RVSRHGLJPRJHOLMN
GRRUHHQQRUPDDOZLHOQRUPDOHEDQG
ZRUGHQYHUYDQJHQ
1%
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting
hebben.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een bepaalde
richting draaien, staat deze richting aangegeven
met een pijl op de zijkant van de band.
Als u de wielen verkeerd aanbrengt, nemen de
remeigenschappen van de auto af en kunnen de
banden sneeuw en drab minder goed afvoeren.
%(/$1*5,-.
Monteer de banden met het diepste profiel altijd
op de achteras ongeacht de vraag of de auto
achterwiel- of voorwielaandrijving heeft.
Neem ter controle contact op met de dichtstbijzijnde Volvo-dealer als er onzekerheid bestaat.
Bewaar de wielen liggend of hangend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Let er ook op dat het compacte reservewiel in
combinatie met normale wielen of banden
wijzigingen in de rijeigenschappen kan veroorzaken. De maximumsnelheid bij gebruik van
een compact reservewiel bedraagt daarom
80 km/h. Bij modellen met vierwielaandrijving
kan overschrijding van deze snelheid
bovendien aanleiding geven tot schade aan de
aandrijflijn.
1%Gebruik DOOHHQhet originele reservewiel
dat bij de auto hoort! Banden met afwijkende
maten kunnen schade aan uw auto veroorzaken.
U mag per keer slechts ppQ reservewiel
gebruiken.
Wielen en banden
Bandenspanning
De bandenspanning is
belangrijk!
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Als u met de verkeerde bandenspanning rijdt, is
het rijgedrag van de auto opvallend veel
slechter en slijten de banden sterker dan
normaal.
Bandenspanning
Op de sticker aan de binnenzijde van de
tankvulklep staat de juiste bandenspanning
voor uw auto aangegeven.
Let erop dat de waarden in de tabel gelden voor
koude banden (buitentemperatuur). Al na
enkele kilometers rijden worden de banden
warm en loopt de spanning op. Omdat dit een
volkomen normaal verschijnsel is, moet u dan
ook geen lucht laten ontsnappen wanneer u de
spanning van warme banden controleert. U
moet de spanning echter wel verhogen als deze
te laag is.
Let erop dat de bandenspanning ook kan
variëren al naar gelang de omgevingstemperatuur. Controleer daarom de spanning in de
buitenlucht, wanneer de banden koud zijn.
125
Wielen en banden
Wielen verwisselen
Reservewiel, terugplaatsen
Het is handigst als u iemand u helpt bij het
terugplaatsen van het reservewiel. Eén van u
beiden draait aan de slinger, terwijl de ander het
wiel in de juiste richting duwt.
Reservewiel, te voorschijn halen
Het reservewiel zit onder de auto. U kunt het
met de slingerdelen uit de gereedschapstas en
onder het vloerluik losmaken, zie pagina 85.
Maak het reservewiel als volgt los:
1. Klap het onderste gedeelte van de
achterklep omlaag.
2. Til het vloerluik in de bagageruimte op.
3. Haal de twee delen van de slinger te
voorschijn en monteer deze.
4. Steek de slinger in de lier.
5. Laat het wiel zakken door de slinger tot aan
de aanslag linksom te draaien.
6. Haal het wiel van de kabel af.
7. Draai de kabel weer met de slinger
(rechtsom) omhoog.
126
1%De kabel kan schade aan de auto
toebrengen, als deze tijdens het rijden loshangt.
8. Leg de lekke band in de bagageruimte. U
vindt een plastic zak in de gereedschapstas
om de band in op te bergen.
1%De reservewielruimte onder de auto is
uitsluitend bestemd voor het originele reservewiel. U kunt er dan ook geen andere merken
reservewielen aanbrengen.
1. Vier de kabel met de slinger en breng de
anker aan het uiteinde van de kabel in het
gat in het midden van de velg aan.
2. Haal de kabel een stukje omhoog door de
slinger langzaam (rechtsom) te draaien.
3. Kantel het reservewiel om het langs de
uitlaatpijp te halen.
4. Houd de achterkant van het wiel omlaag,
terwijl u het met de slinger omhooghaalt.
5. Breng het wiel boven op de achteras, tegen
de vloerplaat aan.
6. Draai de slinger tot aan de aanslag verder
rechtsom.
1%Controleer of het wiel goed vastzit!
Wielen en banden
:$$56&+8:,1*
'HNULNVWHXQSXQWHQ]LWWHQLQKHWPLGGHQGH
RQGHUGHSRUWLHUHQ
Wielen verwisselen
Let erop dat u de gevarendriehoek opzet, wanneer
u een wiel moet verwisselen aan de kant van de
weg. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Deze steunpunten zitten in het
midden onder de portieren.
:$$56&+8:,1*
Controleer of u gebruik maakt van de juiste
steunpunten. Tussen de kriksteunpunten op de
auto is een speciale kriksteunpunt voor productiedoeleinden aangebracht. Dit steunpunt is
voorzien van een pen. Het steunpunt is echter
niet sterk genoeg om de auto onder op te krikken.
Bij twijfel over de positie van de verschillende
kriksteunpunten kunt u contact opnemen met uw
Volvo-werkplaats. Wanneer u de krik op een
verkeerd punt aanbrengt, kan er schade aan het
portier en de carrosserie ontstaan.
1. Parkeer de auto op een egale en stevige, niet
hellende ondergrond.
2. Zet de parkeerrem aan en schakel de eerste
versnelling in op auto’s met een handgeschakelde versnellingsbak (stand P op auto’s
met een automatische versnellingsbak).
Breng houten wielblokken of grote stenen
aan vóór en achter de wielen die op de grond
blijven staan.
3. Haal de krik en de slinger te voorschijn (zie
pagina 85 voor de opbergplaatsen).
4. Draai de wielbouten ½ – 1 slag los met de
dopsleutel. U draait de bouten linksom los.
• Kruip nooit onder een auto die slechts op
een krik steunt! De auto kan namelijk van
de krik vallen en letsel toebrengen.
• Gebruik de krik die bij de auto werd
geleverd alleen voor het verwisselen van
wielen. Voor de overige werkzaamheden
moet u gebruik maken van een garagekrik
en steunbokken onder het geheven deel
van de auto aanbrengen.
• Zorg dat u schroef van de krik altijd goed
ingevet houdt.
• Als de ondergrond te zacht is, kan de krik
opzij wegglijden zodat de auto van de
krik valt. Zorg dat er zich niemand onder
de auto bevindt, wanneer u een wiel
verwisselt.
127
Wielen en banden
Wielen verwisselen (vervolg)
:LHOPRQWHUHQ
5. Zet de krik onder een kriksteunpunt neer en
breng de krik zo ver omhoog dat deze
tegen de bodemplaat van de auto aankomt.
Controleer of u de krik juist hebt aangebracht onder het kriksteunpunt, voordat u
de auto van de grond krikt. Stel de krik
vervolgens dusdanig af dat de voet van de
krik loodrecht onder het kriksteunpunt van
de auto zit. Zie afbeelding. Breng geen
blokken hout of iets dergelijks onder de
krik aan, omdat de draagkracht van de krik
daardoor afneemt.
:$$56&+8:,1*
Wanneer u de auto op het verkeerde punt
opkrikt, kan de auto van de krik vallen. Er
bestaat dan gevaar voor verwondingen!
128
6. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt.
7. Draai de wielbouten los en verwijder het
wiel.
1. Reinig de contactvlakken op het wiel en de
naaf.
2. Breng het wiel aan. Draai de wielbouten
vast.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat de wielen
niet meer ongehinderd kunnen draaien.
4. Draai de wielbouten kruiselings telkens iets
strakker vast. Aanhaalmoment:
140 Nm (14,0 kpm). Het is belangrijk dat u
de bouten met het juiste aanhaalmoment
vastdraait. Controleer het aanhaalmoment
dan ook met een momentsleutel.
5. Schroef de krik weer volledig in elkaar,
voordat u deze in de bagageruimte
teruglegt. Bind de krik vervolgens weer
vast.
6. Controleer of het nieuwe wiel de juiste
bandenspanning heeft.
1%Wielbouten zijn er twee verschillende
uitvoeringen afhankelijk van de vraag of er
stalen of lichtmetalen velgen op uw auto zitten.
Op de wielbouten van lichtmetalen velgen
zitten losse ringen, terwijl die op de bouten voor
stalen velgen ontbreken.
Let erop dat u de juiste soort bouten gebruikt.
Neem bij twijfel contact op met uw Volvowerkplaats.
Verzorging
Schoonmaken
130
Lakschade herstellen
132
Roestwering
133
129
Verzorging
Schoonmaken
Was de auto regelmatig!
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Dit is
met name‘s winters van belang, omdat
strooizout en vocht al snel aanleiding kunnen
geven tot corrosie.
Was de auto als volgt:
• Spoel zorgvuldig het vuil van het
onderstel van de auto.
• Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij
gebruik van een hogedrukreiniger: Houd
bij het wassen de spuitkop van de
hogedrukreiniger ten minste 30 cm van
de carrosserie af. Spuit niet direct in de
richting van de sloten of schuin van
achteren tegen de tankvulklep.
• Gebruik een spons en veel water met of
zonder schoonmaakmiddel.
• Gebruik bij voorkeur handwarm water
(maximaal 35 °C) en geen heet water.
• Als het vuil uiterst hardnekkig is, kunt u
de auto met een ontvettingsmiddel voor
koude toepassingen wassen. Zorg in dat
geval dat de auto op een spoelplaat met
afvoerscheiding staat. Als u een ontvettingsmiddel voor koude toepassingen
gebruikt, moet u zorgen dat de auto niet
in direct zonlicht staat. De lak mag
evenmin warm zijn geworden door blootstelling aan zonlicht of door de uitgestraalde motorwarmte. Zonlicht en
130
warmte kunnen blijvende schade aan de
lak veroorzaken. Vraag uw Volvowerkplaats om advies.
• Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer.
• Reinig de wisserbladen met een
handwarme zeepoplossing.
Geschikt schoonmaakmiddel
Autoshampoo
Let op het volgende:
Verwijder YRJHOSRHS altijd zo spoedig
mogelijk van de lak.
Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak
aantasten en deze zeer snel doen verkleuren.
Een dergelijke verkleuring kunt u niet
wegpoetsen.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarmer en de aanhangerkoppeling
(extra) schoon.
:$$56&+8:,1*
Maak de motor niet schoon, wanneer de
motor nog warm is. Brandgevaar! Laat het
schoonmaken van de motor over aan een
erkende Volvo-werkplaats.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig wassen. Let er echter op dat
een wasbeurt in een automatische wasstraat
geen goede vervanging vormt voor een goede
wasbeurt met de hand, omdat de borstels van de
wasstraat niet overal even goed bij kunnen. We
raden u aan om een nieuwe auto de eerste
maanden alleen met de hand te wassen.
:$$56&+8:,1*
7HVWQDKHWZDVVHQDOWLMGGHUHPPHQ om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remvoeringen kunnen aantasten waardoor de
remwerking afneemt! Trap tijdens het rijden
bij regen of natte sneeuw af en toe lichtjes op
het rempedaal zodat de remvoeringen warm
worden en het vocht kan verdampen. Doe dit
ook bij het starten onder zeer vochtige of
koude weersomstandigheden.
Verzorging
Bekleding reinigen
Veiligheidsgordel schoonmaken
Behandeling van vlekken op textiel
Uw Volvo-dealer heeft een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding. Andere reinigingsmiddelen kunnen de brandvertragende
eigenschappen van de bekleding aantasten.
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel.
Behandeling van vlekken op vinyl
Krab of wrijf QRRLWover een vlek. Gebruik
QRRLW sterke ontvlekkingsmiddelen. Neem het
vinyl af met een milde zeepoplossing en
handwarm water.
Behandeling van vlekken op leer
Maak bij voorkeur gebruik van de speciale
reinigingsmiddelen voor leren bekleding die bij
uw Volvo-dealer te verkrijgen zijn.
We raden u aan de leren bekleding een- tot
tweemaal per jaar te behandelen met de speciale
leerverzorgingskit van Volvo om het leer soepel
en comfortabel te houden.
Gebruik QRRLW sterke oplosmiddelen zoals
benzine, alcohol, terpentine e.d., omdat dergelijke middelen textiel, vinyl en leer kunnen
beschadigen.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto op en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet en u deze extra bescherming
wilt bieden zoals net voor het begin van de
winterperiode.
Normaal gesproken hoeft u de auto pas na een
jaar te poetsen. Was kunt u eerder aanbrengen.
Was de auto schoon en droog deze zorgvuldig
af, voordat u begint te poetsen/de was
aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met
terpentine. De hardnekkiger vlekken kunt u
verwijderen met een speciaal voor autolak
bestemde fijne schuurpasta (“rubbing
compound”). Poets de lak eerst op en behandel
deze daarna met was in vloeibare of vaste vorm.
Volg de aanwijzingen op de verpakking
nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel
poetsmiddel als was.
Onderdelen die warmer zijn dan 45°C kunt u
beter niet poetsen of in de was zetten.
131
Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. Lakschade moet u
meteen herstellen om roestvorming te
voorkomen. De meest voorkomende soorten
lakschade die u zelf kunt herstellen zijn:
• minder grote steenslagplekken en krassen
• schade aan de spatbordranden en de
portieren
9RRUKHWKHUVWHOYDQODNVFKDGHPRHWXGH
DXWRHHUVWVFKRRQZDVVHQHQ]RUJYXOGLJODWHQ
GURJHQ=RUJGDWGHDXWRHHQWHPSHUDWXXU
YDQPHHUGDQƒ&KHHIW
Kleurcode
Zorg dat u de juiste lakkleur hebt. De kleurcode
staat op het typeplaatje in de motorruimte.
132
Minder grote steenslagplekken
en krassen
Benodigdheden:
•
•
•
•
•
Grondlak (primer) in een bus
Lak in een bus of een zogeheten bijtip-pen
Kwastje
Afplaktape
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na
verwijdering van het vuil de ontbrekende
lak aan te brengen.
Als de sleenslagplek echter wel tot het
blanke plaatwerk is doorgedrongen,
moet u als volgt te werk gaan
• Plak een stuk afplaktape over het
beschadigd gebied heen. Trek de tape weer
van de lak af om zoveel mogelijk lakresten
te verwijderen (figuur 1).
• Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om
en breng met een fijn kwastje of een lucifer
(figuur 2) aan.
• Wanneer de grondlak droog is, brengt u de
lak aan met een kwastje.
• Zorg dat u de lak goed hebt omgeroerd en
breng de lak vervolgens in meerdere,
dunne lagen aan. Laat de lak na elke laag
drogen.
• Krassen kunt u op dezelfde manier
herstellen, zij het dat u de onbeschadigde
lak het beste met afdektape kunt
beschermen (zie figuur 3).
• Wacht enkele dagen en rond de werkzaamheden af door de bijgewerkte lak op te
poetsen. Gebruik daarvoor een zachte doek
en wees zuinig met de schuurpasta.
9HUZLMGHUHYHQWXHOHODNUHVWHQPHWHHQVWXNWDSH
1
2
3ODN]RQRGLJDI
3
Verzorging
Roestwering
Roestwering, controleren en
bijwerken
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling
ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit
gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is
voorzien van een slijtvaste bodembescherming
“undercoating”. In de langsdragers, de holle
ruimten en de gesloten profielen werd een
dunne, penetrerende roestwerende vloeistof
gespoten.
U kunt de roestwering van de auto als volgt
onderhouden:
• Houd de auto schoon! Spoel het onderstel
af. Houd bij gebruik van een hogedrukreiniger de spuitkop ten minste 30 cm van
gelakte onderdelen af!
• Controleer de roestwering regelmatig en
werk deze zo nodig bij.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ongeveer 8 jaar te worden
nabehandeld. Laat de auto daarna om de 3 jaar
een nabehandeling ondergaan. Laat u hierin
assisteren door uw Volvo-werkplaats.
Roestwering herstellen
Als u de roestwering zelf wilt bijwerken, moet
u zorgen dat het te behandelen gebied schoon en
droog is. Spoel de auto af, was deze schoon en
droog deze zorgvuldig af. Gebruik een spuitbus
of breng het roestwerende middel met een
kwastje op.
Als u de motor echter wast met zogeheten
aromatische oplosmiddelen zoals terpentine of
thinner (en dan met name middelen die geen
emulgatoren bevatten), moet u de waslaag na
het reinigen vernieuwen. Uw Volvo-dealer
heeft dergelijke wassen op voorraad.
Er zijn twee soorten roestwerende middelen
verkrijgbaar:
a) dunne (kleurloze) middelen, voor de
zichtbare plaatsen
b) dikke middelen, voor de slijtplekken op het
onderstel
U kunt de middelen op de volgende plaatsen
aanbrengen:
• Zichtbare lasnaden en paneelverbindingen (dunne vloeistof)
• Onderstel (dikke vloeistof)
• Portierscharnieren (dunne vloeistof)
• Scharnieren en slotpal van de motorkap
(dunne vloeistof)
Wanneer u klaar bent met de behandeling, kunt u
het teveel aan roestwerend middel verwijderen
met een doek die u hebt bevochtigd met het aanbevolen reinigingsmiddel. Onderdelen van de motor
en de veerpootbevestigingen in de motorruimte
zijn in de fabriek behandeld met een kleurloos
roestwerend middel op wasbasis. Dit middel is
bestand tegen normale wasmiddelen zonder dat
het middel daarbij oplost of wordt afgebroken.
133
Verzorging
134
Onderhoud en service
Volvo Service
136
Onderhoud
137
Motorkap en motorruimte
138
Diesel
139
Oliën en vloeistoffen
140
Wisserbladen
144
Accu
145
Gloeilampen
147
Gloeilampen vervangen
148
Zekeringen
155
135
Onderhoud en service
Volvo Service
Volvo Serviceprogramma
Ongunstige rijomstandigheden
Milieuzorg
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
uitvoerig getest. De auto werd nogmaals gecontroleerd naar de normen van Volvo Car Corporation, net voordat de auto aan u werd geleverd.
Bij gebruik van de auto in ongunstige rijomstandigheden wordt u geadviseerd de motorolie,
het oliefilter en het luchtfilter vaker te
verversen/vervangen dan aangegeven in het
Service- en garantieboekje.
De bedrijfsactiviteiten van Volvo getuigen op
vele punten van een grote zorg voor het milieu.
Volvo past een chloorvrij koudemiddel toe in de
klimaatregelingssystemen dat geheel
ongevaarlijk is voor de ozonlaag en slechts in
zeer beperkte mate bijdraagt aan het broeikaseffect. Asbestvrije remmen, katalysatoren en
motoren op biogas zijn andere voorbeelden van
Volvo’s inspanningen voor het milieu. Ook
andere aspecten zijn van invloed op het milieu,
zoals het gebruik van originele Volvo-onderdelen, een goede afstelling van de ontsteking en
brandstofinspuiting en andere maatregelen die
de uitstoot van uitlaatgassen direct beperken.
Verder willen wij de milieuvriendelijkheid
benadrukken van de wijze waarop de Volvowerkplaatsen schadelijke stoffen e.d. hanteren.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van uw Volvo op een hoog
peil te houden, moet u de voorschriften van het
Volvo Serviceprogramma opvolgen zoals die
omschreven staan in het Volvo Service- en
Garantieboekje. Wij raden u aan om de serviceen reparatiewerkzaamheden altijd door een
erkende Volvo-werkplaats te laten uitvoeren.
Uw Volvo-werkplaats beschikt over het
personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken die u een zo hoog mogelijke
servicekwaliteit garanderen. Uw Volvowerkplaats maakt altijd gebruik van originele
vervangingsonderdelen. Het Volvo Serviceprogramma is ontwikkeld voor normale rijomstandigheden.
BELANGRIJK!
Voor de geldigheid van de garantie is het van
belang dat u het Volvo Service- en Garantieboekje controleert en de aanwijzingen opvolgt.
136
Tot ongunstige rijomstandigheden behoren:
• lange ritten in een stoffige/zanderige
omgeving,
• lange ritten met een caravan of aanhanger
achter de auto,
• lange ritten in bergachtig gebied,
• lange ritten op hoge snelheid,
• langdurig stationair draaien en/of rijden
op lage snelheden,
• ritten bij lage temperaturen (onder 0 °C)
over veelal korte afstanden; minder dan
10 km.
Onderhoud en service
Onderhoud
• Als u de auto met een tweekoloms
hefbrug omhoogbrengt, moet u zorgen
dat de voorste en achterste dragerarmen
onder de hefpunten bij de drempelkokers
komen te zitten, zie figuur.
:$$56&+8:,1*
Verricht QRRLW zelf reparaties aan het SRS- of
SIPS-airbagsysteem. Ingrepen in het systeem
kunnen aanleiding geven tot storingen in de
werking en ernstige verwondingen veroorzaken. Laat dergelijke ingrepen daarom over
aan een erkende Volvo-werkplaats.
Let op het volgende, voordat u
met de werkzaamheden begint
Accu
• Zorg dat de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig
vastzitten.
• Ontkoppel de accu nooit, wanneer de
motor draait (bij het vervangen van de
accu).
• Gebruik nooit een snellader voor het
opladen van de accu. Zorg dat de
accukabels zijn ontkoppeld tijdens het
opladen.
• De accu bevat een zuur dat zowel giftig
als corrosief is. Het is om die reden van
belang dat u de accu op een milieuvriendelijke manier hanteert. Neem hiervoor
contact op met uw Volvo-dealer.
:$$56&+8:,1*
Als u de auto met een garagekrik omhoogbrengt, moet u de krik tegen de voorzijde van
het subframe van de motor aanbrengen.
Het ontstekingssysteem van de auto wekt
zeer hoge spanningen op!
De spanning van het ontstekingssysteem is
levensgevaarlijk!
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer de
motor draait of het contact is ingeschakeld!
=HWFRQWDFWDIELM
Zorg dat de spatplaat onder de motor niet
beschadigd raakt. Let erop dat u de garagekrik
dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet vanaf
kan glijden. Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
• het aansluiten van motortestapparatuur;
• Het vervangen van onderdelen van het
ontstekingssysteem zoals de bougies,
de bobine e.d.
Omhoogbrengen van de auto
137
Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
9
10
11
8
7
6
5
1
4
2
3
Motorkap openen
Motorruimte
1. Trek aan de ontgrendelingshandgreep
uiterst links onder het dashboard (of rechts
op modellen met het stuur rechts). U hoort
dat de slotpal losschiet.
2. Steek uw hand rechts onder de voorzijde
van de motorkap (onder de grille).
3. Duw de handgreep van de slotpal omhoog.
4. Laat de handgreep weer los.
5. Open de motorkap.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
:$$56&+8:,1*
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt!
138
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
Relais en zekeringen
Luchtfilter
Radiateur
Peilstok, motorolie
Vultuit, motorolie
Reservoir voor sproeiervloeistof
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
9. Expansiereservoir, koelsysteem
10. Chassisnummerplaatje (VIN)
11. Accu (in bagageruimte)
:$$56&+8:,1*
De koelventilator achter de radiateur (4) kan
tot enige tijd QD het afzetten van de motor
nog automatisch aanslaan! Gevaar voor
verwondingen!
:$$56&+8:,1*
Maak de motor niet schoon, wanneer de
motor nog warm is. Brandgevaar! Laat het
schoonmaken van de motor over aan een
erkende Volvo-werkplaats.
Onderhoud en service
Diesel
Brandstofsysteem
Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreinigingen. Maak daarom alleen gebruik van
dieselolie van de gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De grote
oliemaatschappijen hebben tevens een speciale
dieselolie bestemd voor gebruik tijdens de
wintermaanden. Deze dieselolie is dunner bij
lage temperaturen en beperkt de kans op
uitvlokkingen in het brandstofsysteem.
De kans op condens in de brandstoftank neemt
af, als u de tank altijd goed gevuld houdt. Houd
tijdens het tanken het gebied rond de vulpijp
goed schoon.
Voorkom morsen op gelakte oppervlakken. Bij
morsen het gebied met water en zeep schoonwassen.
1%Bij toevoeging van RME in concentraties
hogere dan 5% bestaat er gevaar voor schade
aan de motor.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Om motorstoringen tegen te gaan ontdoet het
brandstoffilter de brandstof van condenswater.
Houd u voor het aftappen van het condenswater
aan de intervallen voor de servicebeurten die in
uw Service- en Garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er
vervuilde brandstof is gebruikt, moet u het
brandstoffilter aftappen.
Wanneer u de brandstoftank
leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden.
Bij het tanken wordt het brandstofsysteem
automatisch ontlucht.
RME (“Rape Methyl Ester”
of biodiesel)
• U mag maximaal 5% RME in de
dieselolie mengen.
139
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Oliekwaliteit:
%HQ]LQHPRWRUHQ$&($$
U mag ook olie gebruiken die voldoet aan de
kwaliteitsnorm ACEA A3. Let erop dat een
bepaalde soort olie kan voldoen aan zowel
ACEA A1 als ACEA B1. Dit ongeacht de vraag
of de gebruikte olie van minerale oorsprong is
of geheel of gedeeltelijk van synthetische aard
is.
'LHVHOPRWRUHQ$&($%
Let erop dat een bepaalde soort olie kan
voldoen aan zowel ACEA A3, ACEA B3 als
ACEA B4. Dit ongeacht de vraag of de
gebruikte olie van minerale oorsprong is of
geheel of gedeeltelijk van synthetische aard is.
9RHJJHHQH[WUDWRHYRHJLQJVPLGGHOHQDDQGH
ROLHWRH=HNXQQHQGHPRWRUEHVFKDGLJHQ
Voor benzinemotoren met turbocompressor en
dieselmotoren wordt de volledig synthetische
motorolie van Castrol® geadviseerd.
Olie verversen en oliefilter
vervangen
In het Volvo Service- en Garantieboekje vindt u
aanwijzingen voor passende termijnen voor het
verversen van de olie en het vervangen van het
oliefilter.
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
(zie pagina 136) wordt u geadviseerd kortere
intervallen aan te houden.
140
Viscositeit
(bij een constante luchttemperatuur)
Onder extreme rijomstandigheden die tot een
abnormaal hoge olietemperatuur of olieconsumptie leiden, zoals wanneer u in de bergen
rijdt en veelvuldig op de motor afremt of op
hoge snelheden over de autosnelweg rijdt,
wordt het gebruik van oliesoorten aanbevolen
die voldoen aan de kwaliteitsnorm ACEA A3
(benzinemotoren).
* Oliesoorten met een viscositeitsindex van
0W-30 en 0W-40 moeten voldoen aan de eisen
van de kwaliteitsnormen ACEA A3 (benzinemotoren).
9ROYRDGYLVHHUWGHROLHSURGXFWHQYDQ
&DVWUROŠ
Onderhoud en service
MIN
MAX
Ca. 1,5 liter voor benzinemotoren
Ca. 2,0 liter voor dieselmotoren
Oliepeil controleren
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km te
controleren.
Het is buitengewoon belangrijk dat u het
oliepeil van de motor controleert, voordat de
olie de eerste keer volgens schema moet worden
ververst. Parkeer de auto op een egale ondergrond, zet de motor af en wacht ten minste vijf
minuten, zodat de olie terug het carter in kan
lopen.
De beste meting wordt verkregen bij een koude
motor, voordat u wegrijdt. Veeg de peilstok
schoon, voordat u gaat meten.
'HROLHPRHWLQKHWJHPDUNHHUGHJHELHGRSGH
SHLOVWRNVWDDQ
De afstand tussen het MIN- en MAX-streepje
op de peilstok komt overeen met een
hoeveelheid olie van ca. 1,5 liter voor benzinemotoren en ca. 2,0 liter voor dieselmotoren.
Als de olie op het MIN-streepje staat, moet u de
volgende hoeveelheid olie bijvullen:
• 1,0 liter (koude motor)
• 0,5 liter (warme motor)
:$$56&+8:,1*
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk.
Brandgevaar!
141
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen (vervolg)
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem plaatselijk
dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor
schade (scheurvorming) in de cilinderkop
ontstaat. Vul koelvloeistof bij, wanneer het peil
tot onder het MIN-streepje is gezakt.
5HVHUYRLUVSURHLHUYORHLVWRI
.RHOYORHLVWRIUHVHUYRLU
Sproeiervloeistofreservoir
Koelvloeistof
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan allemaal in verbinding met hetzelfde
vloeistofreservoir. Het reservoir dat in de
motorruimte ondergebracht is heeft een inhoud
van ca. 6,5 liter.
Wanneer er minder dan ca. 1 liter sproeiervloeistof in het reservoir zit, zullen alleen de
ruitensproeiers werken.
Giet tijdens de wintermaanden antivries in het
reservoir om te voorkomen dat de vloeistof in
de pomp, het reservoir en de slangen bevriest.
Vul het reservoir nooit alleen met schoon water!
Maak het hele jaar door gebruik van water en
Volvo-koelvloeistof in een verhouding van 1:1.
Het is belangrijk dat u deze mengverhouding
aanhoudt. De kans op bevriezing neemt toe,
wanneer het percentage koelvloeistof te laag of
te hoog is.
142
1%Sommige onderdelen van de motor zijn
gemaakt van een aluminiumlegering. Het is
daarom erg belangrijk dat u altijd gebruik maakt
van Volvo-koelvloeistof. Een dergelijke
koelvloeistof heeft uitstekende roestwerende
eigenschappen! Het koelsysteem van nieuwe
auto’s is gevuld met koelvloeistof die bestand is
tegen temperaturen tot ca. –35 °C.
:$$56&+8:,1*
Als u koelvloeistof moet bijvullen wanneer
de motor warm is, moet u de dop van het
expansiereservoir langzaam losdraaien om
de overdruk van het systeem te halen.
Onderhoud en service
1%Wanneer uw vaak met uw auto in de
bergen of in landen met een tropisch klimaat en
een hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt,
moet u de remvloeistof ieder jaar verversen.
Verversing van de remvloeistof maakt
weliswaar geen deel uit van het serviceschema,
maar kan het beste tijdens een servicebeurt in
uw Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Reservoir voor rem- en
koppelingsvloeistof
Reservoir voor
stuurbekrachtigingsvloeistof
De rem en de koppeling maken gebruik van
hetzelfde vloeistofreservoir. Waar het vloeistofreservoir zit hangt af van de positie van het
stuurwiel.
De rem- en koppelingsvloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan.
9ORHLVWRIW\SHRemvloeistof DOT 4+.
&RQWUROHHUKHWSHLO regelmatig.
9ORHLVWRIYHUYHUVHQ om de twee jaar of iedere
tweede geplande servicebeurt.
De rem- en koppelingsvloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan.
9ORHLVWRINZDOLWHLWStuurbekrachtigingsvloeistof van het type Pentosin CHF 11S of iets
dergelijks.
3HLOFRQWUROHUHQ bij iedere servicebeurt.
Verversing van de vloeistof is niet nodig.
1%
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u de
auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar. Houd er echter rekening mee dat
de auto dan veel zwaarder stuurt dan normaal,
zodat u meer kracht moet uitoefenen om het
stuurwiel te verdraaien.
143
Onderhoud en service
Wisserbladen
Wisserbladen voorruit
vervangen
1. Klap de wisserarm uit en houd het
wisserblad onder 45° ten opzichte van de
wisserarm. Druk de borgveer op het
wisserblad in.
2. Trek het complete wisserblad omlaag,
zodat het oog van de wisserarm door het
gat in de wisserbladhouder gaat.
3. Til het wisserblad vervolgens omhoog,
zodat het oog van de wisserarm aan de
zijkant van de wisserbladhouder kan
passeren. Breng het nieuwe wisserblad in
omgekeerde volgorde aan en FRQWUROHHURI
KHWJRHGYDVW]LW
1%Let erop dat het wisserblad aan de bestuurderszijde recht is en van een spoiler is voorzien,
terwijl dat aan de passagierszijde enigszins
gekromd is. De spoiler op het wisserblad aan de
bestuurderzijde moet onderaan komen te zitten.
De kromming van het wisserblad aan de passagierszijde moet overeenkomen met die van de
onderkant van de voorruit.
144
Wisserblad achterruit vervangen
1. Klap de wisserarm naar achteren toe uit.
2. Verwijder het wisserblad door het naar
buiten toe, in de richting van de achterklep
te halen.
3. Duw het nieuwe wisserblad vast.
Controleer of het blad goed vastzit!
Onderhoud en service
Accu
Onderhoud van de accu
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn stuk voor stuk van invloed op de
levensduur en de werking van de accu.
.
Belangrijk!
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming en soortgelijke grote stroomverbruikers bij korte ritten kan ertoe leiden dat
de accu uitgeput raakt en startproblemen
opleveren.
Om er zeker van te zijn dat de dynamo
evenveel energie produceert als de grote
stroomverbruikers afnemen, moet u bij
regelmatig gebruik van dergelijke grote
stroomverbruikers minstens even lang met
de auto rijden als de inschakelduur van deze
stroomverbruikers.
:$$56&+8:,1*
Let erop dat de accu het zeer explosieve
knalgas bevat. Roken of open vuur in de
onmiddelijke omgeving van de accu is al
voldoende om de accu te doen ontploffen.
Daarbij kan er schade aan de auto ontstaan
en kunt uzelf ook verwondingen oplopen.
De accu bevat ook zwavelzuur, wat ernstige
verwondingen door etsing kan veroorzaken.
Als u accuzuur in uw ogen krijgt, of op uw
huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een arts,
als u accuzuur in uw ogen krijgt.
Symbolen:
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat bij
de auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
De accu bevat een bijtend
zuur.
Vermijd vonken en open
vuur.
Explosiegevaar.
145
Onderhoud en service
Accu (vervolg)
Afvoer van knalgas
Accu vervangen
De accu kan het zeer explosieve knalgas produceren. Om te voorkomen dat dit knalgas in de
bagageruimte blijft hangen, is er een ontluchtingsslang om het gas af te voeren. Als u de accu
om wat voor reden dan ook moet vervangen,
moet u altijd zorgen dat u de ontluchtingsslang
op de nieuwe accu aansluit op de afvoeropening
in de carrosserie.
Om de accu te kunnen verwijderen moet u,
nadat u de afdekking hebt losgeschroefd, als
volgt te werk gaan:
146
• Zorg dat het contact is afgezet.
• :DFKW ten minste 5 minuten, voordat u
één van de elektrische aansluitingen
aanraakt (zo kan de informatie van de
elektrische systemen van de auto worden
opgeslagen in de verschillende regeleenheden).
‡ 2QWNRSSHOHHUVWGHPLQNDEHO
• Ontkoppel daarna de pluskabel en de
ontluchtingsslang voor het knalgas.
Ga als volgt te werk bij het aanbrengen van een
accu:
•
‡
•
•
Plaats de accu.
6OXLWHHUVWGHSOXVNDEHODDQ
Sluit daarna de minkabel aan.
Zorg dat de ontluchtingsslang op de juiste
manier is aangesloten tussen de accu en
de afvoeropening in de carrosserie.
:$$56&+8:,1*
Let erop dat de accu het zeer explosieve
knalgas bevat. Zorg dat de ontluchtingsslang
goed is aangesloten!
Onderhoud en service
Gloeilampen
9. Kentekenplaatverlichting
W5W
Stadslichten
W5W
in koplampen
Zijmarkeringslichten
W5W
Zijrichtingaanwijzers (oranje)
W5W
10. Mistlampen, vóór
55W H1
11. Mistachterlicht
21W BA5
12. Achterlichten
P21 4 W
Uw auto is voorzien van de
onderstaande gloeilampen:
1. Dimlicht
55W H7
Groot licht
55W H7
2. Bi-Xenon (extra)
35W D2R
(gasontladingslamp)
3. Achteruitrijlichten
21W BA 15
4. Remlichten
21W BA15
5. Richtingaanwijzers achter (oranje) PY21W
6. Richtingaanwijzers voor
H21W
7. Instapverlichting
W5W
Bagageruimteverlichting
W5W
8. Make-upspiegel
1,2W
1%Raak het glas van de gloeilampen 1, 2, 3
en 10 niet met blote vingers aan. De vetten en
oliën van uw vingers kunnen door de hitte
verdampen en voor aanslag op de reflector
zorgen, waardoor deze al snel kapotgaat. BiXenon-lampen bevatten een geringe
hoeveelheid kwik. Om die reden moeten
kapotte lampen op de juiste wijze worden
verwerkt. Neem daarvoor contact op met uw
Volvo-dealer of -werkplaats.
:$$56&+8:,1*
Als uw auto is uitgerust met zogeheten BiXenon-koplampen (extra), moet u de
lampen vanwege de hoge spanning laten
vervangen door een Volvo-werkplaats.
147
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
1
5
Dimlicht, groot licht,
richtingaanwijzers, stadslichten
en zijmarkeringslichten
Bij het vervangen van de gloeilampen van het
dimlicht, groot licht en de stadslichten moet u
eerst het lampelement in zijn geheel verwijderen. Verwijder de gloeilampen door het
lampelement als volgt te verwijderen en volg
daarna de specifieke aanwijzingen voor de
verschillende gloeilampen op.
1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel in stand 0.
2. Open de motorkap.
3. Maak het lampelement los door de twee
borgpennen omhoog te trekken waarmee
het element vastzit.
148
4. Til het lampelement recht omhoog naar
buiten.
5. Koppel de connector los door de
kliksluiting eerst vanaf de onderkant in te
drukken en vervolgens vanaf de bovenkant
iets omhoog te trekken.
6. Til het koplampelement in zijn geheel naar
buiten en leg het op een zachte ondergrond
neer om krassen op de lens te voorkomen.
Plaats het koplampelement in omgekeerde
volgorde terug. Controleer na afloop of u de
borgpennen correct hebt ingestoken.
2
4
3
Positie van gloeilampen in
koplamphuis
1.
2.
3.
4.
5.
Dimlicht
Groot licht
Richtingaanwijzer
Stadslicht
Zijmarkeringslicht
Onderhoud en service
Gloeilamp dimlicht
Gloeilamp groot licht
1. Draai de buitenste afdekking linksom los.
2. Trek de connector los.
3. Maak de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts zodat de veerklem loskomt en
haal de klem vervolgens schuin naar buiten
toe omlaag.
4. Trek de gloeilamp naar buiten.
5. Breng de nieuwe gloeilamp aan. Dit kan
slechts op één manier.
6. Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te
zitten.
7. Druk de connector in positie terug.
8. Draai de afdekking weer vast. Het opschrift
“HAUT” moet naar boven wijzen.
1. Trek de buitenste afdekking recht naar
achteren toe los.
2. Trek de connector los.
3. Maak de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts zodat de klemveer loskomt en
haal de klem vervolgens schuin naar buiten
toe omlaag.
4. Trek de gloeilamp naar buiten.
5. Breng de nieuwe gloeilamp aan. Dit kan
slechts op één manier.
6. Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te
zitten.
7. Druk de connector in positie terug.
8. Plaats de afdekking terug.
Zijmarkeringslichten en
stadslichten/ parkeerlichten
De lamphouders zijn voorzien van een bajonetfitting.
1. Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
2. Trek de gloeilamp recht naar buiten.
3. Breng de nieuwe gloeilamp aan door deze
voorzichtig in de uitsparingen te duwen.
4. Plaats de lamphouder terug en draai deze
linksom.
149
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen (vervolg)
55W H1
W5W (oranje)
Richtingaanwijzers
Zijrichtingaanwijzers
Mistlampen, vóór
De lamphouder is voorzien van een bajonetfitting.
1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel in stand 0.
2. Probeer voorzichtig met een platte schroevendraaier het lamphuis los te halen.
3. Draai de lamphouder een kwartslag
linksom en trek deze recht naar buiten toe.
4. Trek de defecte gloeilamp recht naar buiten
toe.
5. Vervang de gloeilamp en druk deze recht
naar binnen.
1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel in stand 0.
2. Draai de lamphouder iets naar links.
3. Verwijder de gloeilamp.
4. Breng de nieuwe gloeilamp aan. Het
profiel van de lamphouder past in de voet
van de lamp.
5. Plaats de lamphouder terug door deze iets
naar rechts te draaien. Zorg dat het
opschrift “TOP” omhoogwijst!
1. Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
2. Duw de gloeilamp naar binnen, draai de
lamp linksom en verwijder deze.
3. Breng de nieuwe gloeilamp aan door deze
in de uitsparingen te duwen en vervolgens
rechtsom te draaien.
150
Onderhoud en service
1
B
2
C
D
A
3
4
D
Positie van gloeilampen in
achterlamphuis
1.
2.
3.
4.
Richtingaanwijzers
Remlichten
Achteruitrijlichten
Achterlichten
PY 21 W (oranje)
21 W BA 15
21 W BA 15
P21/4W
Gloeilampen in achterlamphuis
1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel in stand 0.
2. Klap het onderste gedeelte van de
achterklep omlaag en open het vloerluik.
3. Als uw auto is uitgerust met een houder
voor boodschappentassen (extra), moet u
de steunband van deze houder losnemen.
4. Verwijder het hoekstuk (A).
5. Open het luik (B) in het zijpaneel door de
pal (C) omhoog en naar u toe te trekken.
6. Neem ringsleutel nr. 10 uit de gereedschapstas.
7. Draai de moeren (D) los.
8. Trek het lampelement in zijn geheel recht
naar achteren.
9. Maak de bijeengebonden extra kabellengte
los om ruimte te maken.
10. Leg het element op een zachte ondergrond
neer om krassen op het lampglas te
voorkomen.
11. Trek de lamphouder linksom naar buiten.
12. Draai de gloeilamp linksom los.
13. Vervang de gloeilamp.
14. Plaats de lamphouder in de uitsparing terug
en draai de houder rechtsom.
15. Duw de extra kabellengte terug.
16. Plaats het lampelement over de schroefgaten heen. Duw het element in positie.
17. Draai de moeren vast.
18. Plaats het zijpaneel en het hoekstuk terug.
151
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen (vervolg)
W5W
W5W
Mistachterlicht
Kentekenplaatverlichting
Instapverlichting
1. Steek een platte schroevendraaier bij de pijl
op de afbeelding naar binnen.
2. Beweeg het lampelement naar buiten toe.
3. Draai het lampelement linksom en trek de
gloeilamp naar buiten.
4. Vervang de gloeilamp.
1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel in stand 0.
2. Draai de schroef los met een schroevendraaier.
3. Verwijder voorzichtig het complete
lamphuis en trek het naar buiten. Draai de
connector linksom en trek de gloeilamp
naar buiten.
4. Vervang de gloeilamp.
5. Plaats de connector terug en draai deze
rechtsom.
6. Plaats het complete lamphuis terug en draai
de schroef vast.
De instapverlichting vindt u onder het dasboard
aan de bestuurders- en passagierszijde. Vervang
de gloeilampen van de instapverlichting als
volgt:
152
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
2. Verwijder de defecte gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
Controleer of de gloeilamp werkt.
4. Plaats het lamphuis terug.
Onderhoud en service
Gloeilamp in achterklep
Make-upspiegel
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
2. Verwijder de defecte gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
Controleer of de gloeilamp werkt.
4. Plaats het lamphuis terug.
1. Steek een platte schroevendraaier naast de
middelste clip onder aan het spiegelelement. Beweeg het spiegelelement
omhoog, zodat de middelste clip loskomt.
2. Trek de schroevendraaier naar de linker- en
de rechterkant zodat de buitenste clips
loskomen.
3. Til het spiegelelement naar buiten.
4. Vervang de gloeilampjes.
5. Plaats het spiegelelement met de bovenkant
naar voren gekanteld terug. Let erop dat de
bovenste clips goed ingedrukt zijn, voordat
u het spiegelelement in positie terugklapt.
Plafondverlichting met
leeslampjes voorin
De gloeilampjes zijn van een speciaal type.
Wij raden u aan de vervanging door een Volvowerkplaats te laten uitvoeren.
153
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen (vervolg)
Leeslampjes achterin
De gloeilampjes zijn van een speciaal type.
Wij raden u aan de vervanging door een Volvowerkplaats te laten uitvoeren.
154
Onderhoud en service
Zekeringen
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van uw auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, zijn alle verschillende
elektrische functies en componenten door een
aantal zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op verschillende plaatsen
in de auto:
$5HODLVHQ]HNHULQJHQNDVWMHLQGHPRWRU
UXLPWH
%=HNHULQJHQNDVWMHLQGHSDVVDJLHUVUXLPWH
&5HODLVHQ]HNHULQJHQNDVWMHLQGHEDJDJH
UXLPWH
'=HNHULQJHQNDVWMHLQGHSDVVDJLHUVUXLPWH
DXWRPHWUHFKWVHEHVWXULQJ
zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en
aanbrengen.
Als één van de elektrische componenten of
functies niet werkt, kan dit te wijten zijn aan het
feit dat de bijbehorende zekering overbelast
werd en daardoor gesmolten is. Zoek in de
zekeringentabel op waar de zekering zit. Trek
de zekering naar buiten en bekijk deze van opzij
om te kijken of het gebogen draadje soms
doorgebrand is. Breng in dat geval een nieuwe
zekering aan PHWGH]HOIGHNOHXUHQKHW]HOIGH
DPSHUDJH. In het zekeringenkastje van de
motorruimte zitten enkele reservezekeringen. U
vindt er ook een zekeringtrekker waarmee u de
Als telkens dezelfde zekering doorbrandt, is er
sprake van een storing in de bijbehorende
component en moet u een bezoek brengen aan
een erkende Volvo-werkplaats om er de auto te
laten controleren.
155
Onderhoud en service
Zekeringen (vervolg)
A. Relais-/zekeringenkastje in de motorruimte
$
Het zekeringenkastje in de motorruimte biedt plaats aan 24 zekeringen.
Let erop dat u een doorgebrande zekering altijd vervangt door een nieuwe
zekering met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
=HNHULQJWUHNNHU
,QWDFWH]HNHULQJ
'RRUJHEUDQGH]HNHULQJ
Zekeringen in de motorruimte
1U
$PSHUDJH
1. Standverwarming (extra)..................................................................25
2. Verstralers (extra) .............................................................................20
3. 4. Lambdasondes, motorregeleenheid (diesel), hogedrukklep (diesel) 20
5. Carterventilatieverwarming, magneetkleppen, pomp brandstof
lekkage-controle ...............................................................................10
6. Luchtmassameter, motorregeleenheid, injectoren............................15
Luchtmassameter (diesel)...................................................................5
7. 8. AC-compressor, gaspedaalsensor, ventilator elektronicakastje .......10
9. Claxon ..............................................................................................15
10. Sproeier, achterruit ...........................................................................10
11. AC-compressor, bobines, magneetkleppen (diesel) .........................20
156
$'XZGHNXQVWVWRIERUJQRNNHQDDQGHDFKWHU]LMGHYDQKHWNDVWMHLQHQ
WUHNKHWGHNVHORPKRRJ
12. Remlichtschakelaar ............................................................................5
13. Voorruitwisser ..................................................................................25
14. DSTC, ABS......................................................................................30
15. Koplampsproeiers.............................................................................30
16. Sproeiers (voorruit) ..........................................................................15
17. Dimlicht (rechts) ..............................................................................10
18. Dimlicht (links) ................................................................................10
19. ABS, DSTC......................................................................................30
20. Groot licht (links) .............................................................................15
21. Groot licht (rechts) ...........................................................................15
22. Startmotor.........................................................................................40
23. Motorregeleenheid, systeemrelais......................................................5
24. ............................................................................................................ -
Onderhoud en service
B. Zekeringenkastje in de passagiersruimte
De zekeringen zitten achter het luikje aan de korte kant van het dashboard.
U vindt er ook een aantal reservezekeringen.
1U
$PSHUDJH
1. Ventilator klimaatregeling ................................................................30
2. Versterker audiosysteem...................................................................30
3. Elektrisch bediende stoel (bestuurderszijde)....................................30
4. Elektrisch bediende stoel (passagierszijde)......................................30
5. Centrale vergrendeling, elektrisch bediend raam, buitenspiegel
(linksvoor).........................................................................................25
6. Centrale vergrendeling, elektrisch bediend raam, buitenspiegel
(rechtsvoor) .......................................................................................25
7. Elektrisch bediende ramen (achterportieren), kindersloten..............30
8. 9. Koplamphoogteverstelling ...............................................................15
10. Elektrisch bediende stoel (passagierszijde)........................................5
11. Elektrische aansluiting 12 V.............................................................15
12. Contactslot (30-voeding), centrale elektronische module, relais
start motor, SRS, antennering, motorregeling ..................................10
13. 14. Elektronische module (plafond), interieurverlichting (plafond) ......10
15. Telefoon (extra) ................................................................................10
16. Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging (extra), vacuümpomp ....15
17. DSTC, ABS........................................................................................5
18. Elektrisch verwarmde stoel (linksvoor) ...........................................15
19. Elektrisch verwarmde stoel (linksvoor) ...........................................15
20. Infotainment .....................................................................................10
21. Aanvullende D1-voeding, klimaatregeling, elektrisch bediende
stoel (bestuurderszijde), instrumentenpaneel, standverwarming
(extra) ................................................................................................10
22. Bedieningseenheid verlichting, bedieningseenheid klimaatregeling,
diagnose-aansluiting, bedieningseenheid stuur hendels .....................5
23. Indicatorlampjes richtingaanwijzer ..................................................20
24. Automatische versnellingsbak, schakelblokkering
(aanvullende D2-voeding)................................................................10
25. Brandstofpomp .................................................................................15
26. Schuifdak..........................................................................................15
27. Centrale elektronische module, verlichting make-upspiegel,
algemene verlichting, verlichting dashboardkastje, sirene alarm
systeem .............................................................................................10
28. Sirene alarmsysteem...........................................................................5
29.............................................................................................................. 30. Daglichten (MVO)...........................................................................10
31. Daglichten (MVO)...........................................................................10
32. Stadslichten/achterlichten (links) ....................................................7,5
33. Stadslichten en achterlichten (rechts), kentekenplaatverlichting.....7,5
34. Mistlampen (vóór)............................................................................15
35.............................................................................................................. 36. Koplampen (groot licht) ...................................................................20
37. RTI-display (extra), mediaspeler......................................................10
38. Koplampen (dimlicht), Bi-Xenon (extra).........................................15
157
Onderhoud en service
Zekeringen (vervolg)
C. Relais- en zekeringenkastje in de bagageruimte
=HNHULQJWUHNNHU
,QWDFWH]HNHULQJ
'RRUJHEUDQGH]HNHULQJ
1U
$PSHUDJH
1. Achterste elektronische module (REM), verlichting
(bagageruimte) ..................................................................................10
2. Mistachterlicht..................................................................................10
3. Remlichten .......................................................................................15
4. Achteruitrijlichten ............................................................................10
5. Achterruitverwarming, relais 15I-voeding (achterin) ........................5
6. Ontgrendeling achterklep .................................................................10
7. Elektrische aansluiting bagageruimte...............................................15
8. Vergrendeling achterportieren, tankvulklep .....................................20
9. Trekhaak (30-voeding) .....................................................................15
10. Antenne ..............................................................................................5
11. Elektronische module, AEM (extra) ................................................15
12. Wisser, achterruit..............................................................................15
158
13. Subwoofer/AC achterin....................................................................15
14. Remlichten ......................................................................................7,5
15. Trekhaak (15I-voeding), “Parking Support” ....................................20
16.............................................................................................................. 17. Elektrisch verwarmd brandstoffilter (diesel), regeleenheid
vierwie laandrijving (AWD)............................................................7,5
18. Elektrisch verwarmd brandstoffilter (diesel)....................................15
Infotainment
Infotainment
160
Bedieningspanelen
161
Functies Infotainmentsysteem
165
Functies radio
170
Cd/md (extra)
182
Cd-wisselaar (extra)
184
Menu-instellingen en menuselectie, audio
187
Telefoonsysteem
189
Telefoonfuncties (extra)
191
Menu-instellingen en menuselectie, telefoon
199
159
Infotainment
Infotainment
Informatie en amusement
Het Infotainmentsysteem bestaat uit een geïntegreerd audio- en telefoonsysteem.
Het Infotainmentsysteem kunt u handig en
eenvoudig bedienen vanaf het gemeenschappelijke bedieningspaneel of de toetsenset op het
stuur.
Op het display staat altijd aangegeven welke
functie er in gebruik is.
De XC90 is uitgerust met Dolby Surround Pro
Logic II (extra). Dit systeem zorgt voor een zeer
realistische geluidsweergave met een breed en
natuurlijk geluidsprofiel.
Het Infotainmentsysteem biedt u en eventuele
passagiers de mogelijkheid een hoofdtelefoon
(extra) aan te sluiten zodat iedereen naar een
verschillende geluidsbron kan luisteren.
160
Infotainment
Bedieningspanelen
3
4
5
6
7
8
2
1
9
10
11
12
13
20
19
18
14
17
$DQXLWDXGLRV\VWHHP
9ROXPHUHJHOLQJ
9RRUNHXUWRHWVFG
9RRUNHXUWRHWV$0)0
)0±)0±$0
'LVSOD\
(17(5PHQXRSWLHVNLH]HQHHQNHX]H
DFWLYHUHQRIWHOHIRRQDFWLYHUHQGLHVWDQG
E\VWDDW
$DQXLWVWDQGE\WHOHIRRQ
16
15
0<.(<WHSURJUDPPHUHQYRRUNHXU
WRHWVYRRUIDYRULHWHIXQFWLH
6(/(&725JHOXLGVEURQNLH]HQ
6281'JHOXLGVUHJHOLQJ
(;,7&/($5WHUXJEODGHUHQLQ
PHQX¶VHHQNHX]HDQQXOHUHQGHWHOHIRRQ
VWDQGE\]HWWHQRIKHWYRRUJDDQGHWHNHQ
ZLVVHQELMLQYRHUYDQFLMIHUVHQRIWHNHQV
6,0NDDUWKRXGHU
.HX]HWRHWVHQPHQXRSWLHV
8LWZHUSHQFGVSHOHUHQFGZLVVHODDU
8LWZHUSHQPGVSHOHU
&GVSHOHUHQFGZLVVHODDU (extra)
0GVSHOHU (extra)
9RRUNHXUWRHWVHQUDGLR]HQGHUVNHX]H
WRHWVVOHXIFGZLVVHODDU ± DOIDQXPH
ULHNHWRHWVHQYRRUWHOHIRRQHQVQHOWRHWVHQ
LQPHQX¶V
,5RQWYDQJHUYRRUDIVWDQGVEHGLHQLQJHQ
(extra)
1XPPHU]HQGHURS]RHNHQZLVVHOHQRI
YRRUXLWHQDFKWHUXLWEODGHUHQELMLQYRHU
YDQWHNVWHQFLMIHUV
161
Infotainment
Bedieningspanelen (vervolg)
1
Menusysteem
Met het menusysteem kunt u instellingen
controleren of wijzigen en nieuwe functies in
het systeem programmeren. De verschillende
menu-opties verschijnen op het display.
Wanneer menu-opties gevolgd worden door
een aantal punten bestaan er meerdere subniveaus.
Druk op de toets MENU (1) om het
menusysteem te openen.
Voor het menusysteem geldt het volgende:
Toetsenset op stuurwiel (extra)
Audio, telefoon
Met de vier toetsen van de toetsenset op het
stuurwiel kunt u zowel het audiosysteem als de
telefoon regelen. De functie van de toetsen
hangt af van het systeem dat u geactiveerd hebt.
Met de toetsenset op het stuur kunt u het volume
regelen en een andere zender (radio) of een
ander nummer (cd/md) selecteren.
Wanneer u de toetsen
of
ingedrukt
houdt, kunt u een nummer versneld voor- of
achteruitspoelen of een radiozender opzoeken.
162
Om de telefoonfuncties met deze toetsen te
kunnen sturen, moet het telefoonsysteem in de
actieve stand staan, pagina 191.
Als u de toetsen wilt gebruiken om instellingen
in het audiosysteem te verrichten, moet u eerst
de telefoon stand-by zetten.
• Met de keuzetoetsen voor menu-opties
(pijl omhoog/pijl omlaag) gaat u een stap
omhoog of omlaag in het geopende menu.
• Wanneer u EXIT/CLEAR lang ingedrukt
houdt, verlaat u het menusysteem.
• Wanneer u EXIT/CLEAR kort ingedrukt
houdt, annuleert u een optie of gaat u een
stap terug in het menusysteem.
• Wanneer u op ENTER drukt, bevestigt of
selecteert u een optie of gaat u van een
submenu naar het volgende submenu.
Infotainment
1
Aansluiting voor hoofdtelefoon
(extra)
De passagiers beschikken over hoofdtelefoonaansluitingen in de portierstijlen achter de
tweede zitrij. Zo kunnen er meerdere personen
tegelijk elk naar hun eigen geluidsbron
luisteren, zonder elkaar te storen.
Op elke aansluiting zijn twee hoofdtelefoons
aan te sluiten.
• Met de toets SEL kunt u de verschillende
geluidsbronnen doorbladeren.
• Met de pijltoetsen
of
kunt u van
nummer wisselen op de cd/md of van
radiozender veranderen.
• Houd de toetsen
of
ingedrukt om
versneld voor- of achteruit te spoelen of de
eerstvolgende goed doorkomende zender
op de geselecteerde golflengte te zoeken.
• Druk op de toets SEL en houd deze
ingedrukt om het systeem uit te schakelen.
• Wijzig het volume voor de hoofdtelefoons
met de bijbehorende volumeregelingstoets
aan de zijkant van het paneel.
Wanneer u het audiosysteem met de contactsleutel uitzet, schakelt u daarmee ook alle
hoofdtelefoons uit. U moet ze bij het starten van
de motor stuk voor stuk en handmatig opnieuw
inschakelen.
Voor de beste geluidsweergave adviseren wij u
een hoofdtelefoon met een impedantie van
16–32 ohm te gebruiken. De gevoeligheid van
dergelijke hoofdtelefoons moet minstens
102 dB zijn. De hoofdtelefoonaansluiting zit
onder aan het bedieningspaneel (1) en is
bestemd voor jackpluggen van 3,5 mm. Er zijn
adapters leverbaar van DIN naar mini-jack.
Hoofdtelefoon, beperkingen
• Wanneer passagiers met een hoofdtelefoon
naar dezelfde geluidsbron luisteren als de
bestuurder via de luidsprekers, is het niet
mogelijk om vanaf het bedieningspaneel
voor de hoofdtelefoon van nummer of
zender te veranderen. Dit om de bestuurder
niet te veel af te leiden.
• Als de bestuurder via het bedieningspaneel
echter overschakelt naar de geluidsbron
waarnaar een passagier met een hoofdtelefoon luistert, neemt de bestuurder
daarmee de controle over deze geluidsbron
over.
2
• Gebruikers van een hoofdtelefoon kunnen
een keuze maken uit de mogelijke
voorkeuren binnen de golflengte
(AM, FM1, FM2) die de bestuurder heeft
geselecteerd. Dit betekent dat de
bestuurder in bepaalde gevallen geen
nieuws- (NEWS) of verkeersbulletin (TP)
kan ontvangen, ook al is de functie
TP/NEWS geselecteerd.
• Er kan slechts één nummer van één van de
cd’s in de cd-wisselaar tegelijk worden
beluisterd.
Display
Op het display (2) worden de actuele functies
zoals menu’s, berichten, telefoonnummers of
instellingen weergegeven.
Maak het display met een droge en zachte doek
schoon. Gebruik geen schoonmaakmiddelen.
163
Infotainment
Bedieningspanelen (vervolg)
1
4
2
5
3
6
7
8
9
Afstandsbediening (extra)
0(025<VODDWGHJHYRQGHQUDGLR
]HQGHUVRS6ODHHQ]HQGHUDOVYROJWRS
• Druk op de toets MEMORY.
• Selecteer PRESET met PRESET/DISC (5).
• Bevestig uw keuze met de toets
MEMORY.
9ROXPHUHJHOLQJ
1XPPHUYRRUXLWDFKWHUXLWVSRHOHQ
ZLVVHOHQ
6285&(JHOXLGVEURQQHQGRRUQHPHQ
35(6(7',6&FGLQFGZLVVHODDURI
YRRUNHXU]HQGHUVHOHFWHUHQ
164
$872GHEHVWGRRUNRPHQGH]HQGHUV
RSVODDQ
*HHQIXQFWLH
*HHQIXQFWLH
$DQXLWDXGLRV\VWHHP
Richt de afstandsbediening op de IR-ontvanger
(zie afbeelding) die zich onder de aan/uit-knop
bevindt.
1%De afstandsbediening bevat batterijen van
het type AAA of R03. Als de afstandsbediening
niet werkt, moet u eerst controleren of de batterijen aan vervanging toe zijn.
Infotainment
Functies Infotainmentsysteem
3
4
2
1
Aan/uit-knop, audiosysteem
Geluidsbron kiezen
Druk op de knop POWER (1) om het audiosysteem in of uit te schakelen.
U kunt op twee verschillende manieren een
geluidsbron kiezen:
Als u de motor afzet terwijl het audiosysteem
actief is, zal het audiosysteem de volgende keer
dat u de motor start opnieuw actief zijn.
Met de selectietoetsen CD (2) en AM/FM (3) of
met de knop SELECTOR (4).
• Draai aan de knop SELECTOR om te
kiezen uit radio (FM1, FM2 of AM),
cd/cd-wisselaar (extra) of md (extra).
• Wanneer u op de toets AM/FM blijft
drukken, loopt u de golflengten FM1,
FM2 en AM door.
Op het display staat aangegeven welke
geluidsbron u hebt gekozen.
U kunt alleen voor md kiezen met de knop
SELECTOR.
165
Infotainment
Functies Infotainmentsysteem (vervolg)
1
Volumeregeling
Draai de knop (1) rechtsom of linksom om het
volume te verhogen of te verlagen. De volumeregeling verloopt elektronisch en kent geen
eindstanden. U kunt het volume ook verhogen
of verlagen met de toetsen (+) of (–) van de
toetsenset op het stuurwiel mits de telefoon niet
actief is.
Pauzestand
Wanneer u het volume op nul hebt afgeregeld,
staat de cd/md-speler in de pauzestand.
Activeer de speler in dat geval door het volume
te verhogen.
166
Volumeregeling,
TP/PTY/NEWS/ALARM
Als u naar een geluidsbron zoals een cd luistert
op het moment dat de radio een verkeersbulletin
ontvangt, wordt de cd-speler in de pauzestand
gezet. Het bericht wordt weergegeven op het
volume dat u van tevoren met de volumeknop
hebt ingesteld voor het beluisteren van het
bericht. Het systeem hervat na afloop onmiddellijk het oude volume en speelt (in het
gegeven geval) de cd verder af. Als u het
volume tijdens de weergave van het bericht
bijregelt, wordt het nieuwe volume opgeslagen
en bij een volgend bericht opnieuw gehanteerd.
Infotainment
1
2
Geluidsregeling
1. Druk op de toets SOUND (1).
2. Druk net zolang op de toets SOUND totdat
de aanduiding van de functie verschijnt die
u wilt bijregelen. U hebt de keuze uit
BASS, TREBLE, FADER, BALANCE,
SUBWOOFER (extra), CENTRE (extra)
en SURROUND (extra).
3. Regel het niveau bij met de knop
SELECTOR (2). Op het display verschijnt
een schaal van MIN tot MAX. De functie is
normaal gesproken op de middelste stand
afgesteld.
1%U kunt het niveau van de middenluidspreker alleen bijregelen, als u voor Dolby Pro
Logic II (DPL II) of driekanaals stereoweergave (3 CHANNEL) hebt gekozen in het
menu.
U kunt het niveau van de “Ambient Surround
Sound” alleen bijregelen, als u voor Dolby Pro
Logic II hebt gekozen in het menu.
*HOXLGVUHJHOLQJ
'LVSOD\WHNVW
Lage tonen
BASS
Hoge tonen
TREBLE
Balans tussen
luidsprekers links en
rechts
BALANCE
Balans tussen
luidsprekers voor en
achter
FADER
Niveau voor basluidspreker
SUBWOOFER
(extra)
Niveau voor middenluidspreker
CENTRE
(extra)
Niveau voor “Ambient
Surround Sound”
SURROUND
(extra)
Het niveau van de subwoofer is alleen bij te
regelen als u voor Subwoofer hebt gekozen in
het menu.
167
Infotainment
Functies Infotainmentsysteem (vervolg)
SURROUND (extra)
Dolby Surround Pro Logic II
In combinatie met een centrale luidspreker in
het midden van het dashboard zorgt Dolby
Surround Pro Logic II voor een zeer realistische
geluidsweergave. De normale stereokanalen
links en rechts worden dan opgedeeld in links,
midden en rechts. Bovendien produceren de
luidsprekers achterin het zogeheten “ambient
surround sound”. Dit effect evenaart de nagalm
in de opnameruimte. Dolby Surround Pro Logic
II werkt alleen wanneer u een cd, md beluistert.
Als u naar een AM- of FM-zender luistert,
wordt u geadviseerd voor driekanaals stereoweergave (3-CH) te kiezen. Dolby Surround
Pro Logic II is alleen beschikbaar op het
Premium Sound-systeem.
168
1. Kies voor AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor SURROUND en druk op
ENTER.
3. Kies voor Dolby AM/FM of Dolby cd/md
en druk op ENTER.
4. Kies voor PRO LOGIC II, 3 CHANNEL of
OFF en druk op ENTER.
• Het symbool
PL II verschijnt op het
display om aan te geven dat u voor Dolby
Pro Logic II hebt gekozen.
• Het symbool 3 CH verschijnt op het
display, als u voor 3 CHANNEL hebt
gekozen.
• Wanneer u voor OFF kiest, is de normale
stereoweergave actief.
Dolby Surround Pro Logic II is het
handelsmerk van Dolby Laboratories
Licensing Corporation. Dolby Pro Logic II
Surround Systeem is vervaardigd onder
licentie van Dolby Laboratories Licensing
Corporation.
Infotainment
Basluidsprekers, SUBWOOFER
(extra)
De basluidspreker ondersteunt het audiosysteem en zorgt voor een voller geluidsbeeld
en een diepere basweergave.
1. Kies voor AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor SUBWOOFER en druk op
ENTER. Een kruisje in het selectievakje
geeft aan dat u voor SUBWOOFER hebt
gekozen.
Equalizer FR (extra)
Equalizer RR (extra)
De functie Equalizer FR gebruikt u om de
geluidsweergave van de voorste luidsprekers
fijn af te regelen.
De functie Equalizer RR gebruikt u om de
geluidsweergave van de achterste luidsprekers
fijn af te regelen.
1. Kies voor AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor Equalizer FR en druk op
ENTER.
3. Stel het gewenste niveau in met de keuzetoetsen voor de menu-opties (pijl omhoog/
pijl omlaag) of met de knop SELECTOR.
4. Druk op ENTER om de volgende
frequentie te kiezen. U hebt de keuze uit
vijf frequenties.
5. Druk op ENTER totdat u in het
menusysteem bent aangekomen om de
wijzigingen die u aanbracht op te slaan.
1. Kies voor AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor Equalizer RR en druk op
ENTER.
3. Stel het gewenste niveau in met de keuzetoetsen voor de menu-opties (pijl omhoog/
pijl omlaag) of met de knop SELECTOR.
4. Druk op ENTER om de volgende
frequentie te kiezen. U hebt de keuze uit
vijf frequenties.
5. Druk op ENTER totdat u in het
menusysteem bent aangekomen om de
wijzigingen die u aanbracht op te slaan.
169
Infotainment
Functies radio
1
2
Zenders zoeken
• Kies een golflengte AM/FM1/FM2 met
de knop SELECTOR (2) of de toets
AM/FM (1).
• Druk de toets
of
korte tijd in om
de eerstvolgende goed doorkomende
zender op te zoeken.
• Druk nogmaals op één van de toetsen om
een andere zender te zoeken.
170
Handmatig een bekende
frequentie instellen
1. Druk op de toets
of
en houd deze
ingedrukt. Op het display verschijnt de
tekst MAN. De radio loopt de frequenties
aanvankelijk langzaam in de gekozen
richting door om na enige seconden te
versnellen.
2. Laat de toets los, wanneer de gewenste
frequentie op het display verschijnt.
3. Als u de frequentie nog iets wilt bijregelen,
kunt u de pijltoetsen
of
kortstondig
indrukken.
4. Wanneer u de laatste toets loslaat, hebt u
nog vijf seconden de tijd om handmatig
instellingen te verrichten.
Infotainment
1
Zenders opslaan
U kunt als volgt een favoriete radiozender
opslaan onder één van de voorkeurtoetsen 0–9
(1) voor radiozenders:
1. Stel de gewenste radiozender in.
2. Druk op de voorkeurtoets waaronder u de
zender wilt opslaan en houd de toets
ingedrukt. Het geluid valt enige seconden
weg en op het display verschijnt STATION
STORED. De zender is daarmee
opgeslagen.
U kunt tot 10 radiozenders per golflengte (AM,
FM1 en FM2), dus in totaal 30 zenders opslaan.
5DGLR
*ROIOHQJWH
FM
AM (LW)
AM (MW)
87,5 – 108 MHz
153 – 279 kHz
522 – 1611 kHz
171
Infotainment
Functies radio (vervolg)
Automatisch zenders opslaan,
AUTOSTORE
Met behulp de functie AUTOSTORE kunt u tot
tien goed te ontvangen AM- of FM-zenders
opzoeken en deze opslaan in een afzonderlijk
geheugen. Als er meer dan tien zenders
gevonden worden, worden alleen de tien best
doorkomende zenders geselecteerd. Deze
functie is met name handig in gebieden, waar u
de radiozenders en hun frequenties niet kent.
1. Kies een golflengte met de knop
SELECTOR of de toets AM/FM.
2. Kies voor AUTOSTORE en druk op
ENTER.
3. Kies voor AST SEARCH en druk op
ENTER.
4. Op het display verschijnt de tekst
AUTOSTORING, terwijl een aantal
172
zenders met een krachtig signaal
(maximaal 10) op de gekozen golflengte
automatisch in het geheugen worden
opgeslagen. Als er geen radiozender kont
worden gevonden met een signaal dat
krachtig genoeg is, verschijnt de tekst NO
AST FOUND.
5. U kunt de opgeslagen radiozenders
activeren met een druk op één van de
voorkeurtoetsen 0–9.
6. Wanneer de functie AUTOSTORE van de
radio actief is, verschijnt de tekst AUTO op
het display. De tekst AUTO verdwijnt
weer, wanneer u terugkeert naar de
normale radiostand.
7. Keer terug naar de normale radiostand met
een druk op de toets AM/FM of
EXIT/CLEAR.
8. Om een eerder opgeslagen zender te
activeren, moet u de punten 1–2 uitvoeren
zoals eerder beschreven maar in punt 3
voor AST MODE kiezen en vervolgens en
ENTER drukken.
Infotainment
1
Scannen, SCAN
“Radio Data System”, RDS
Bij activering van de functie scannen zoekt de
radio automatisch de dichtstbijzijnde radiozender (AM of FM) met een krachtig signaal
op. Wanneer de radio een zender heeft
gevonden, wordt het scannen ca. 8 seconden
stopgezet. De radio gaat daarna verder met
scannen.
RDS is een systeem dat radiozenders binnen
een netwerk met elkaar verbindt. Het systeem
wordt onder meer gebruikt om automobilisten
te helpen op de beste frequentie van een
bepaalde zender afgestemd te blijven ongeacht
de beluisterde zender of geluidsbron (zoals een
cd). Het systeem wordt tevens gebruikt om
verkeersinformatie te ontvangen en radioprogramma’s van een bepaald type te vinden. Bij
activering van radiotekst, een andere functie
van RDS, wordt radiozenders de mogelijkheid
geboden om tijdens de uitzending informatie
over het programma op het display te laten
verschijnen.
1. Kies een golflengte met de knop
SELECTOR of de toets AM/FM.
2. Kies voor SCAN en druk op ENTER.
3. De tekst SCAN verschijnt op het display.
4. Druk op de toets EXIT/CLEAR om de
scanfunctie te beëindigen.
1%Sommige radiozenders maken geen
gebruik van RDS of slechts in beperkte mate.
Automatisch programma-informatie zoeken, PI Seek
Bij het beluisteren van een RDS-zender wordt
diverse informatie in de radio (zoals verkeersinformatie) opgeslagen.
Wanneer u op een ingestelde RDS-zender
afstemt, werkt de radio de opgeslagen RDSinformatie van deze zender bij. Als de auto zich
net binnen of buiten het bereik van de zender
bevindt, zoekt de radio automatisch naar het
krachtigste signaal van een andere zender die
het door u beluisterde programma doorgeeft.
Als er geen andere zender binnen het bereik ligt,
valt de radio stil en verschijnt de displaytekst
"PI SEEK PRESS EXIT TO CANCEL" zolang
er geen andere zender gevonden is.
Als u op EXIT (1) drukt, geeft de radio de
gekozen zender weer zonder de RDS-informatie bij te werken.
173
Infotainment
Functies radio (vervolg)
Nieuws, NEWS
Met de functie NEWS kunt u ervoor zorgen dat
de weergave van andere geluidsbronnen zoals
een cd wordt onderbroken voor een nieuwsbulletin.
1. Kies een golflengte met de knop
SELECTOR of de toets AM/FM.
2. Kies voor NEWS en druk op ENTER.
3. De tekst NEWS verschijnt op het display.
4. Kies nogmaals voor NEWS en druk op
ENTER om de functie NEWS uit te
schakelen.
174
Bij activering van deze functie krijgt u nieuwsbulletins binnen van RDS-zenders. Als u een
andere geluidsbron dan de radio beluistert,
wordt deze weergave onderbroken en ontvangt
u de bulletins op het volume dat u voor het
beluisteren hebt ingesteld. Na afloop van het
bulletin hervat het audiosysteem de weergave
van de voorgaande geluidsbron op het oude
volume.
• Als u een nieuwsbulletin voortijdig wilt
afbreken, moet u op de toets EXIT
drukken. De functie NEWS blijft echter
actief, zodat de radio op het volgende
nieuwsbulletin wacht.
Infotainment
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van de functie TP krijgt u
verkeersinformatie binnen van RDS-zenders.
Als u een andere geluidsbron dan de radio
beluistert, wordt deze weergave onderbroken en
ontvangt u de verkeersinformatie op het volume
voor het beluisteren van verkeersinformatie dat
u tevoren hebt ingesteld. Na afloop van de
verkeersinformatie hervat het audiosysteem de
weergave van de voorgaande geluidsbron op
het oude volume.
1. Kies voor TP in het menu en druk op
ENTER.
2. De tekst TP verschijnt op het display.
3. Kies nogmaals voor TP en druk op ENTER
om de functie TP uit te schakelen.
Wanneer de functie actief is, verschijnt de tekst
TP op het display. Als de door u beluisterde
radiozender verkeersinformatie kan doorgeven,
staat er TP ))) op het display. De weergave van
een geluidsbron kan dan ook alleen worden
onderbroken, wanneer de tekst TP ))) op het
display staat.
• Als u een verkeersbulletin voortijdig wilt
afbreken, moet u op de toets EXIT
drukken. De functie TP blijft echter
actief, zodat de radio op het volgende
verkeersbulletin wacht.
TP SEARCH
Met de functie TP SEARCH kunt u naar
verkeersinformatie blijven luisteren tijdens
internationale ritten (in Europa) zonder dat u
daarvoor zelf van zender hoeft te wisselen.
1. Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor TP en druk op ENTER.
3. Kies voor TP SEARCH en druk op
ENTER.
4. Om de functie uit te schakelen moet u
nogmaals voor TP SEARCH kiezen en op
ENTER drukken.
175
Infotainment
Functies radio (vervolg)
Radiotekst
Alarm
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de programma’s, de uitvoerende artiesten e.d. Dergelijke informatie kan
dan in tekstvorm op het display verschijnen.
Alarmmeldingen worden altijd automatisch
doorgegeven, zodat u de functie niet kunt
uitschakelen.
1. Druk op de toets MENU.
2. Kies voor RADIOTEXT in het menu en
druk op ENTER.
3. Kies nogmaals voor RADIOTEXT en druk
op ENTER om de functie uit te schakelen.
176
Er verschijnt “Alarm!” op het display van de
radio, wanneer er een alarmmelding wordt
verzonden. Deze functie wordt gebruikt om u
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten, zoals ingestorte bruggen of
ongelukken in kerncentrales.
Infotainment
Programmatype, PTY
Met de functie PTY kunt u programma’s met
een bepaald onderwerp kiezen. U hebt de
keuze uit de programmatypes die in de
nevenstaande lijst staan.
PTY weergeven
Tot welk PTY behoort de zender die u
beluistert?
1. Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor PTY in het menu en druk op
ENTER.
3. Kies voor SHOW PTY en druk op ENTER.
Het PTY van de zender die u beluistert
verschijnt vervolgens op het display.
1%1LHWDOOHUDGLR]HQGHUV]LMQYRRU]LHQYDQ
HHQ37<FRGH
3URJUDPPDW\SH
Actualiteiten
'LVSOD\WHNVW
CURRENT
AFFAIRS
Informatie
INFORMATION
Sport
SPORT
Educatie
EDUCATION
Hoorspel
DRAMA
Kunst en cultuur
CULTURES
Wetenschap
SCIENCE
Gevarieerde praatpro- VARIED SPEECH
gramma’s
Pop
POP MUSIC
Rock
ROCK MUSIC
Easy listening
EASY LISTENING
Licht klassiek
LIGHT CLASSIC
Serieus klassiek
SERIOUS CLASSIC
3URJUDPPDW\SH
Overige muziek
Weer
Financieel nieuws
Kinderprogramma’s
Maatschappelijke
programma’s
Religie
Inbelprogramma’s
Reizen
Ontspanning
Jazz
Country
Nationale muziek
Goud van oud
Volksmuziek
Documentaires
'LVSOD\WHNVW
OTHER MUSIC
WEATHER
FINANCE
CHILDREN
SOCIAL AFFAIRS
RELIGION
PHONE IN
TRAVEL
LEISURE & HOBBY
JAZZ MUSIC
COUNTRY MUSIC
NATIONAL MUSIC
OLDIES MUSIC
FOLK MUSIC
DOCUMENTARY
177
Infotainment
Functies radio (vervolg)
Zender met een bepaald
programmatype (PTY) zoeken
U kunt de radio een zender met een bepaald
soort programma’s laten opzoeken op de aangegeven golflengte.
1. Kies FM1 of FM2 en druk op de toets
MENU.
2. Kies voor RADIO SETTINGS en druk op
ENTER.
3. Kies voor PTY en druk op ENTER.
4. Kies voor SELECT PTY en druk op
ENTER.
5. Druk op ENTER om een of meer van de
opgesomde programmatypes te selecteren.
Het symbool PTY verschijnt op het
display, wanneer u uw eerste keuze maakt.
178
6.
7.
8.
9.
De functie PTY van de radio staat
vervolgens stand-by.
Wanneer u alle programmatypes van uw
keuze geselecteerd hebt, moet u op
EXIT/CLEAR drukken om de PTY-lijst te
verlaten.
Kies voor SEARCH PTY en druk op
ENTER. Als de radio een zender met het
gekozen programmatype heeft gevonden,
wordt deze zender via de luidspreker
weergegeven.
Als de radio een zender heeft gevonden die
niet in de smaak valt, kunt u de radio
verder laten zoeken met de toetsen
en
.
Als er geen zender met het gekozen
programmatype kan worden gevonden,
gaat de radio terug naar de voorgaande
frequentie. De functie PTY staat dan standby, totdat er een programma van het
gekozen type wordt uitgezonden. Wanneer
dat het geval is, gaat de radio automatisch
over op de zender die het geselecteerde
programmatype uitzendt.
10. Om de stand-bystand van de functie PTY
op te heffen, moet u het menu openen en
voor CLEAR PTY kiezen. Het symbool
PTY verdwijnt dan van het display en de
radio keert terug naar de normale weergavestand.
PTY stand-by
Om de functie PTY van de radio stand-by te
zetten moet u de stappen 1–6 herhalen.
Infotainment
Verkeersinformatie, TP
STATION
In het menu TP STATION kunt u aangeven van
welke radiozender u verkeersinformatie wenst
te ontvangen.
Let erop dat de functie alleen werkt wanneer het
symbool ))) op het display staat.
1. Stem af op de radiozender met de verkeersinformatie die u wilt ontvangen.
2. Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
3. Kies voor TP en druk op ENTER.
4. Kies voor TP STATION en druk op
ENTER.
5. Kies voor SET CURRENT en druk op
ENTER.
1%U zult vervolgens alleen verkeersinformatie van de opgeslagen zender doorkrijgen.
Nieuws, NEWS STATION
Onder NEWS STATION kunt u aangeven van
welke radiozender u nieuws wenst te
ontvangen.
Let erop dat functie alleen werkt als de
ingestelde zender een RDS-zender is.
1. Stem af op de radiozender met het nieuws
dat u wilt ontvangen.
2. Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
3. Kies voor NEWS STATION en druk op
ENTER.
4. Kies voor SET CURRENT en druk op
ENTER.
1%U zult vervolgens alleen nieuws van de
opgeslagen zender doorkrijgen.
TP STATION/NEWS STATION
uitschakelen
1. Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor TP/NEWS STATION en druk op
ENTER.
3. Kies voor RESET STATION en druk op
ENTER.
179
Infotainment
Functies radio (vervolg)
Automatische afstemfunctie, AF
De functie AF is normaal gesproken actief en
zorgt ervoor dat de radio afstemt op de zender
met het sterkste signaal voor de gekozen
zender.
1. Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor AF en druk op ENTER.
3. Om de functie AF uit te schakelen, moet u
nogmaals AF kiezen en op ENTER
drukken.
180
Regionale radioprogramma’s,
REG
De functie REG die normaal gesproken uitgeschakeld is, maakt het u mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blijven,
ook al is het bijbehorende zendersignaal zwak.
1. Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor REGIONAL en druk op
ENTER.
3. De tekst REG verschijnt op het display.
4. Kies nogmaals voor REG en druk daarna
op ENTER om de functie REG uit te
schakelen.
Infotainment
EON – LOCAL/DISTANT
(Enhanced Other Networks)
RDS-instellingen resetten,
RESET ALL
De functie EON staat normaal gesproken in de
stand DISTANT. De functie EON LOCAL/
DISTANT geeft aan of het radioprogramma dat
u beluistert alleen moet worden onderbroken
voor bijv. verkeersinformatie of nieuwsbulletins (voor zover u deze functies hebt geselecteerd). De functie kent twee standen. Als u voor
LOCAL kiest, vindt er alleen onderbreking
plaats wanneer het signaal krachtig genoeg is.
Als u voor DISTANT kiest, vindt er ook onderbreking plaats wanneer het binnenkomende
signaal zwakker is.
Er vindt geen onderbreking plaats, als u voor
OFF kiest.
Met de functie RESET ALL kunt u alle fabrieksinstellingen voor de RDS-functies van de radio
hervatten.
1. Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor RESET ALL in het menu en
druk op ENTER.
3. Druk nogmaals op ENTER om uw keuze te
bevestigen.
1. Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
2. Kies voor EON en druk op ENTER.
3. Kies voor LOCAL, DISTANT of OFF en
druk op ENTER.
181
Infotainment
Cd/md (extra)
1
2
3
4
Cd/md-speler starten
• Start de cd-speler met de knop
SELECTOR (3) of druk op de toets
CD (1). Leg een cd in de cd-speler (4).
• Start de md-speler met de knop
SELECTOR (3). Leg een md in de mdspeler (2).
Van nummer wisselen
Druk op
om naar het volgende nummer te
gaan of op
om naar het vorige nummer te
gaan. Het display geeft het nummer aan dat
wordt afgespeeld. Als uw stuurwiel is uitgerust
met een toetsenset, kunt u gebruik maken van
de bijbehorende toetsen.
182
Versneld spoelen
Druk op
of
en houd deze toets ingedrukt
om een bepaald gedeelte binnen een nummer of
op de cd/md op te zoeken. Zolang u de toets
ingedrukt houdt, zoekt de speler verder. Als uw
stuurwiel is uitgerust met een toetsenset, kunt u
gebruik maken van de bijbehorende toetsen.
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM
Met de functie RANDOM kunt u de nummers
op een cd/md in een willekeurige volgorde laten
afspelen.
1. Kies voor RANDOM in het menu en druk
op ENTER.
2. De tekst RND staat op het display, zolang
de functie actief is.
3. Kies voor RANDOM OFF of druk op de
toets EXIT/CLEAR om de functie te beëindigen.
1%Maak geen gebruik van cd’s met een
opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in
de cd-speler kan het etiket losraken en schade
aan de cd-speler veroorzaken.
Speel uitsluitend cd’s met een diameter van
12 cm af! Probeer nooit kleinere cd’s af te
spelen! Als de kwaliteit van de cd niet voldoet
aan de vereisten zoals beschreven in de norm
EN60908 of als de opname op ondermaatse
apparatuur heeft plaatsgevonden, kan het zijn
dat het geluid te wensen over laat of zelfs
helemaal uitblijft.
Infotainment
1
2
Scannen
Disctext (alleen md)
Md uitwerpen
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
ieder nummer de eerste tien seconden weer te
geven.
Op sommige schijven staat informatie over het
album en de nummers. Deze informatie
verschijnt in tekstvorm op het display, als u de
functie DISCTEXT hebt geactiveerd.
Als u op de uitwerptoets (1) drukt, valt de
weergave van de md stil en wordt de md uitgeworpen.
1. Kies voor SCAN en druk op ENTER.
2. Druk op de toets EXIT/CLEAR, wanneer u
een nummer hebt gevonden dat u wilt
beluisteren.
1. Kies voor DISCTEXT in het menu en druk
op ENTER.
2. Als er aanvullende informatie op de md
staat, verschijnt deze vervolgens op het
display.
3. Om de functie weer uit te schakelen moet u
DISCTEXT selecteren en op ENTER
drukken.
Cd uitwerpen
Als u op de uitwerptoets (2) drukt, valt de
weergave van de cd stil en wordt de cd uitgeworpen.
Om veiligheidsredenen hebt u 12 seconden de
tijd om de uitgeworpen cd uit te nemen. Als de
cd na afloop van deze periode nog in de cdspeler zit, wordt de cd weer ingenomen. Druk
op de toets CD (3) om de cd-speler weer te
activeren.
183
Infotainment
Cd-wisselaar (extra)
2
1
3
Cd-wisselaar starten
Sleuf kiezen
Van nummer wisselen
De cd-wisselaar biedt plaats aan maximaal zes
cd’s.
U kiest de sleuf waarin de af te spelen cd ligt
met de voorkeurtoetsen 1–6 (3). Op het display
verschijnt het nummer van de geselecteerde cd
en het gekozen nummer op deze cd.
Druk op
om naar het volgende nummer te
gaan of op
om naar het vorige nummer te
gaan. Het display geeft het nummer aan dat
wordt afgespeeld. Als uw stuurwiel is uitgerust
met een toetsenset, kunt u gebruik maken van
de bijbehorende toetsen.
1. Selecteer de cd-stand met de knop
SELECTOR (2) of druk op de toets CD (1).
2. Kies een lege sleuf met de voorkeurtoetsen
1–6 (3). Op het display staat aangegeven
welke sleuf leeg is.
3. Breng een cd in de cd-wisselaar aan.
Wacht totdat de tekst INSERT DISC verschijnt,
voordat u een nieuwe cd aanbrengt.
184
Infotainment
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM
Met de functie RANDOM kunt u de nummers
op een cd/md in een willekeurige volgorde laten
afspelen.
Versneld spoelen
Scannen
Druk op
of
en houd deze toets ingedrukt
om een bepaald gedeelte binnen een nummer of
op de cd/md op te zoeken. Zolang u de toets
ingedrukt houdt, zoekt de speler verder. Als uw
stuurwiel is uitgerust met een toetsenset, kunt u
gebruik maken van de bijbehorende toetsen.
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
ieder nummer de eerste tien seconden weer te
geven.
1. Druk op de toets MENU.
2. Kies voor SCAN en druk op ENTER.
3. Druk op de toets EXIT/CLEAR, wanneer u
een nummer hebt gevonden dat u wilt
beluisteren.
De functie scannen werkt alleen voor de
geselecteerde cd.
1. Kies voor RANDOM in het menu en druk
op ENTER.
2. Kies voor SINGLE DISC of ALL DISCS
om de nummers op één van de cd’s of op
alle cd’s in de cd-wisselaar in een willekeurige volgorde te laten afspelen.
3. De tekst RND of RND ALL staat op het
display, zolang de functie actief is.
4. Druk op de toets EXIT/CLEAR om de
functie te beëindigen.
Druk op
om het volgende willekeurig
gekozen nummer af te spelen.
1%U kunt alleen een volgend, willekeurig
nummer op dezelfde cd kiezen.
185
Infotainment
Cd-wisselaar (extra) (vervolg)
Alle cd’s uitwerpen, EJECT ALL
Wanneer u de uitwerptoets EJECT (1) lang
indrukt, activeert u de functie EJECT ALL. Alle
cd’s in het magazijn van de cd-wisselaar
worden dan één voor één uitgeworpen. De tekst
EJECTING ALL verschijnt op het display.
1
Disctekst
Cd uitwerpen
Op sommige schijven staat informatie over het
album en de nummers. Deze informatie
verschijnt in tekstvorm op het display, als u de
functie DISCTEXT hebt geactiveerd.
Als u op de uitwerptoets (1) drukt, valt de
weergave van de cd stil en wordt de cd uitgeworpen.
1. Druk op de toets MENU.
2. Kies voor DISCTEXT in het menu en druk
op ENTER.
3. Als er aanvullende informatie op de cd
staat, verschijnt deze vervolgens op het
display.
4. Om de functie weer uit te schakelen moet u
DISCTEXT selecteren en op ENTER
drukken.
186
Om veiligheidsredenen hebt u 12 seconden de
tijd om de uitgeworpen cd uit te nemen. Als de
cd na afloop van deze periode nog in de cdspeler zit, wordt de cd weer ingenomen.
U kunt de uitwerpfunctie alleen activeren,
wanneer de auto stilstaat. Als u tijdens de
uitworp wegrijdt, wordt de functie beëindigd.
Om veiligheidsredenen hebt u 12 seconden de
tijd om de uitgeworpen cd uit te nemen. Als de
cd na afloop van deze periode nog in de cdwisselaar zit, wordt de cd weer ingenomen.
1%Maak geen gebruik van cd’s met een
opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in
de cd-speler kan het etiket losraken en schade
aan de cd-speler veroorzaken.
Speel uitsluitend cd’s met een diameter van
12 cm af! Probeer nooit kleinere cd’s af te
spelen! Als de kwaliteit van de cd niet voldoet
aan de vereisten zoals beschreven in de norm
EN60908 of als de opname op ondermaatse
apparatuur heeft plaatsgevonden, kan het zijn
dat het geluid te wensen over laat of zelfs
helemaal uitblijft.
Infotainment
Menu-instellingen en menuselectie, audio
Hoofd-/submenu’s
5$',2
1. AUTOSTORE*
1.1. AST Mode
1.2. AST Search
1.2.1. AUTOSTORING
2. SCAN* ON/OFF**
3. NEWS* ON/OFF**
4. TP* ON/OFF**
5. RADIOTEXT* ON/OFF**
6. RADIO SETTINGS
6.1. PTY
6.1.1. SELECT PTY
6.1.2. SEARCH PTY*
6.1.3. SHOW PTY ON/OFF**
6.2. TP
6.2.1. TP STATION
SET CURRENT/RESET STN
6.2.2. TP SEARCH ON/OFF**
6.3. NEWS STATION
6.3.1. SET CURRENT/RESET STN
6.4. AF* ON**/OFF
6.5. REGIONAL* ON/OFF**
6.6. EON
6.6.1. OFF
6.6.2. LOCAL
6.6.3. DISTANT**
6.7. RESET All
7. AUDIO SETTINGS (extra)
7.1. Dolby AM/FM
7.1.1. Pro Logic II
7.1.2. 3CH
7.1.3. OFF**
7.2. Dolby cd/md
7.2.1. Pro Logic II**
7.2.2. 3CH
7.2.3. OFF
7.3. SUBWOOFER* ON**/OFF (extra)
7.4. EQUALIZER Fr (extra)
7.5. EQUALIZER Rr (extra)
7.6. RESET ALL
&'
1. RANDOM*
2. SCAN*
3. NEWS* ON/OFF**
4. TP* ON/OFF**
5. AUDIO SETTINGS
5.1. Dolby AM/FM
5.1.1. Pro Logic II
5.1.2. 3 Channel
5.1.3. Off**
5.2. Dolby cd/md
5.2.1. Pro Logic II**
5.2.2. 3 Channel
5.2.3. OFF
5.3. SUBWOOFER* ON**/OFF (extra)
5.4. EQUALIZER Fr (extra)
5.5. EQUALIZER Rr (extra)
5.6. RESET ALL
*Te programmeren met MY KEY
**Default (standaardwaarde)
187
Infotainment
Hoofd-/submenu’s
&';
0'
1. RANDOM*
1.1. Off**
1.2. Single Disc
1.3. All Discs
1. RANDOM*
2. SCAN*
3. NEWS*
3. NEWS* ON/OFF**
4. TP*
4. TP* ON/OFF**
5. DISC TEXT* ON/OFF**
5. DISC TEXT* ON/OFF**
6. AUDIO SETTINGS
6.1. SURROUND*
6.1.1. Pro Logic II
6.1.2. 3 Channel
6.1.3. Off**
6.2. SUBWOOFER* ON**/OFF (extra)
6.3. EQUALIZER Fr (extra)
6.4. EQUALIZER Rr (extra)
6.5. RESET All
6. AUDIO SETTINGS
6.1. Dolby AM/FM
6.1.1. Pro Logic II
6.1.2. 3 Channel
6.1.3. Off**
6.2. Dolby cd/md
6.2.1. Pro Logic II**
6.2.2. 3 Channel
6.2.3. OFF
6.3. SUBWOOFER* ON**/OFF (extra)
6.4. EQUALIZER Fr (extra)
6.5. EQUALIZER Rr (extra)
6.6. RESET All
2. SCAN*
*Te programmeren met MY KEY
**Default (standaardwaarde)
188
1
Persoonlijke voorkeurtoets,
MY KEY
Onder de persoonlijke voorkeurtoets MY KEY
(1) kunt u uw favoriete menufunctie opslaan,
zoals SCAN, AUTOSTORE of TP.
• Blader de functies door met de keuzetoetsen voor menu-opties.
• Kies de functie die u wilt opslaan door de
toets MY KEY meer dan twee seconden
lang ingedrukt te houden.
• Wanneer de tekst MY KEY STORED op
het display verschijnt, is de functie
opgeslagen.
• Activeer de functie vervolgens door de
toets MY KEY kortstondig in te drukken.
• Om een nieuwe functie onder de toets op
te slaan moet u de bovenstaande punten
(1–4) herhalen.
Infotainment
Telefoonsysteem
189
Infotainment
7RHWVHQVHWRSVWXXUZLHO
Met de toetsenset op het stuurwiel kunt u
de meeste functies van uw telefoonsysteem
regelen.
Wanneer het telefoonsysteem in de actieve
stand staat, kunt u de toetsenset op het
stuurwiel alleen gebruiken voor de
telefoonfuncties. In de actieve stand staan
er altijd telefoongegevens op het display.
0LFURIRRQ
De microfoon voor de handsfree is
ingebouwd in de achteruitkijkspiegel of in
het plafondpaneel.
%HGLHQLQJVSDQHHO
Met behulp van de toetsen op het bedieningspaneel kunt u alle functies van het
telefoonsysteem behalve het gespreksvolume regelen. Op het display verschijnen
menu’s, berichten, telefoonnummers e.d.
6,0NDDUW
U breng de SIM-kaart aan de voorkant van
het bedieningspaneel in.
+DQGVHW
De handset kunt u gebruiken om
ongestoord te kunnen praten.
$QWHQQH
De antenne is tegen de voorruit aangebracht, achter de achteruitkijkspiegel.
Algemene voorschriften
• Verkeersveiligheid staat voorop! Als u als
bestuurder gebruik wilt maken van de
handset, moet u de auto eerst op een
veilige plaats parkeren.
• Schakel het systeem uit tijdens het
tanken.
• Schakel het systeem uit in gebieden waar
met explosieven wordt gewerkt.
• Laat reparatie van de telefoon aan erkend
servicepersoneel over.
Noodoproepen
Ook zonder een SIM-kaart is het mogelijk het
alarmnummer te bellen. Uw auto moet zich
echter wel binnen het dekkingsgebied van een
GSM-provider bevinden.
• Activeer het telefoonsysteem.
• Kies het alarmnummer van het land
waarin u zich bevindt (112 binnen de
EU).
• Druk op de toets ENTER op het bedieningspaneel of het stuurwiel.
190
Luidsprekers
Het telefoonsysteem maakt gebruik van de
luidspreker in het bestuurdersportier of van de
middenluidspreker (voor zover aanwezig) van
het audiosysteem.
Infotainment
Telefoonfuncties (extra)
1
2
2
3
4
4
8
7
'LVSOD\
(17(5±JHVSUHNNHQEHDQWZRRUGHQ
PHQXVHOHFWLHVYHUULFKWHQRIWHOHIRRQ
DFWLYHUHQGLHVWDQGE\VWDDW
$DQXLWVWDQGE\
(;,7&/($5HHQJHVSUHNEHsLQGLJHQ
ZHLJHUHQWHUXJEODGHUHQLQPHQX¶VHHQ
NHX]HDQQXOHUHQRILQJHYRHUGHFLMIHUV
WHNHQVZLVVHQ
6,0NDDUWKRXGHU
.HX]HWRHWVHQPHQXRSWLHV
5
6
9
$OIDQXPHULHNHWRHWVHQYRRUWHOHIRRQHQ
VQHOWRHWVLQPHQX¶V
3LMOQDDUOLQNVUHFKWVYRRUXLWRIDFKWHU
XLWEODGHUHQELMGHLQYRHUYDQWHNVWHQRI
QXPPHUV
*HVSUHNVYROXPHYHUKRJHQYHUODJHQ
191
Infotainment
Telefoonfuncties (extra) (vervolg)
1
Toets Aan/uit/stand-by, telefoon
Systeem activeren:
• Druk op de toets PHONE (1) om het
telefoonsysteem in te schakelen.
Systeem uitschakelen:
• Houd de toets PHONE ingedrukt om het
telefoonsysteem uit te schakelen.
Zet het systeem als volgt stand-by:
• Druk korte tijd op de toets PHONE of
druk op de toets EXIT/CLEAR om het
telefoonsysteem stand-by te zetten.
• Druk korte tijd op de toets PHONE om
het systeem opnieuw te activeren.
192
Wanneer het telefoonsysteem actief is of de
stand-by staat, staat er een hoorn op het display.
Volumeverlaging tijdens
gesprekken
1%Bij het audiosysteem Performance kunt u
tijdens een telefoongesprek geen radioprogramma, cd, md of verkeersbulletin beluisteren.
Als u het contact uitschakelt terwijl het
telefoonsysteem actief is, zal het telefoonsysteem eveneens actief zijn wanneer u het
contact opnieuw inschakelt. Wanneer u het
telefoonsysteem hebt uitgeschakeld, kunt u
geen gesprekken aannemen.
Als de telefoon gaat terwijl u naar de radio
luistert, wordt het volume verlaagd zodra u het
gesprek aanneemt. Na afloop van het gesprek
speelt de radio op het oude volume verder. U
kunt het radiovolume ook tijdens het gesprek
bijregelen, waarna de radio na afloop van het
gesprek op het nieuwe volume verder speelt. U
kunt het geluid van het audiosysteem ook
helemaal uitzetten tijdens een telefoongesprek.
Zie het menu 5.5.3 op pagina 199.
De functie geldt alleen voor het geïntegreerde
telefoonsysteem van Volvo.
Infotainment
Stand-by
Sneltoetsen in menu’s
Verkeersveiligheid
Wanneer het telefoonsysteem stand-by staat,
kunt u gesprekken aannemen terwijl het audiosysteem aanstaat en er informatie van de
geluidsbronnen van het audiosysteem op het
display verschijnt.
Wanneer u met de menutoets naar het
menusysteem bent gesprongen, kunt u gebruik
maken van de numerieke toetsen in plaats van
de pijltoetsen en de toets ENTER om naar het
gewenste submenu op het hoofdniveau te
springen. Iedere menu-optie heeft een bepaald
nummer. Het nummer van het geselecteerde
menu staat samen met de naam van de menuoptie op het display weergegeven.
Om veiligheidsredenen zijn delen van het
menusysteem voor de telefoon niet toegankelijk
bij snelheden hoger dan
8 km/h. U kunt de begonnen activiteiten in het
menusysteem echter nog wel beëindigen.
Om van de overige functies van het telefoonsysteem gebruik te maken moet de telefoon in
de actieve stand staan.
In het menu 5.6 kunt u deze snelheidsbegrenzing opheffen.
193
Infotainment
Telefoonfuncties (extra) (vervolg)
SIM-kaart
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige SIM-kaart
(Subscriber Identity Module). U hebt deze kaart
van uw provider ontvangen.
Breng altijd de SIM-kaart aan, als u gebruik wilt
maken van het telefoonsysteem.
• Schakel het telefoonsysteem uit.
• Duw de SIM-kaarthouder naar buiten toe
door de houder korte tijd in te drukken.
• Leg de kaart dusdanig in de houder dat de
kant met het metaal omlaagwijst.
• Zorg dat de afgeschuinde hoek van de
SIM-kaart overeenkomt met die van de
houder.
• Duw de houder weer naar binnen toe.
194
Neem bij problemen met de SIM-kaart contact
op met uw netwerkprovider.
Bellen en gesprekken aannemen
%HOOHQ
• Kies het nummer en druk op ENTER op
de toetsenset op het stuurwiel of op het
bedieningspaneel (of til de handset op).
,QNRPHQGJHVSUHN aannemen:
• Druk op ENTER of til de handset op. U
kunt ook gebruik maken van de automatische aanneemfunctie “Auto antw.”, zie
menu-optie 4.3.
Het geluid van het audiosysteem kan automatisch worden uitgeschakeld tijdens een gesprek,
zie menu-optie 5.6.3.
Gesprekken beëindigen
Druk op EXIT/CLEAR op de toetsenset van
het stuurwiel of op het bedieningspaneel of leg
de handset op. Het audiosysteem gaat weer in
de voorgaande stand staan.
U weigert inkomende gesprekken met een druk
op de toets EXIT/CLEAR.
Infotainment
A
het bedieningspaneel) en kies voor
Handsfree. Druk op ENTER en leg de
handset neer. Als u de handset al hebt
opgenomen wanneer de telefoon gaat,
wordt het geluid via het handsfreesysteem
doorgegeven. Druk op de toets MENU, ga
naar Handset en druk op ENTER om het
geluid in de handset weer te geven.
Laatst gekozen nummers
Het telefoonsysteem slaat automatisch de tien
laatst gekozen telefoonnummers/namen op.
Handset
Als u privégesprekken wilt voeren, kunt u
gebruik maken van de handset. Neem de
handset op door korte tijd op de bovenkant (A)
te drukken.
1. Voer het gewenste nummer in met de
toetsenset op het bedieningspaneel en neem
de handset op om te bellen. U regelt het
volume met de draaiknop op de zijkant van
de handset.
2. U kunt het gesprek beëindigen door de
handset terug in de houder te leggen.
Doe het volgende als u tijdens een lopend
gesprek wilt overgaan op het gebruik van
de handsfree zonder daarvoor het gesprek
te beëindigen: druk op
op het stuurwiel
(of maak gebruik van de menutoetsen op
1. Druk op ENTER van de toetsenset op het
stuurwiel of op het bedieningspaneel.
2. Blader met de pijltoetsen vooruit of
achteruit door de laatst gekozen nummers.
De nummers verschijnen op het display.
3. Druk op ENTER.
4. Zoek de naam of het telefoonnummer van
uw keuze op in het telefoonboek. Druk op
ENTER om een keuze te maken.
Voorkeuzetoets gebruiken
Houd de gewenste voorkeuzetoets ca. twee
seconden ingedrukt om te bellen of druk eerst
kort op de voorkeurtoets en daarna op de toets
ENTER.
1%Na inschakeling van de telefoon moet u
enkele seconden wachten, voordat u gebruik
kunt maken van de functie verkort kiezen.
Om verkort te kunnen kiezen moet Menu 3.3.1
geactiveerd zijn.
Verkort kiezen
Telefoonnummers onder een
voorkeuzetoets opslaan
De nummers die zijn opgeslagen in het
telefoonboek van het systeem kunt u koppelen
aan een bepaalde voorkeuzetoets (1–9). U doet
dat als volgt:
1. Kies voor Telefoonboek in het menu en
druk op ENTER.
2. Blader verder naar Verk. kiezen (menu 3.3)
en druk op ENTER.
3. Druk op de voorkeuzetoets waaronder u het
nummer wilt opslaan. Druk op ENTER om
uw keuze te bevestigen.
195
Infotainment
Tijdens een lopend gesprek een
tweede gesprek aannemen
Als u tijdens een lopend gesprek twee korte
geluidssignalen hoort, komt er een tweede
gesprek binnen. U kunt deze functie in- of
uitschakelen in dit menu.
U kunt het tweede gesprek vervolgens wel of
niet aannemen. Als u het gesprekQLHW wilt
aannemen, moet u op EXIT/CLEAR drukken of
niets doen.
Als u het gesprek echter ZHO wilt aannemen,
moet u op ENTER drukken. U parkeert het
lopende gesprek dan tijdelijk. Als u op EXIT/
CLEAR drukt, worden beide gesprekken
beëindigd.
Functies tijdens lopende
gesprekken
Tijdens HHQORSHQG gesprek kunt u de volgende
functies activeren (blader met de pijltoetsen en
druk op ENTER om een keuze te maken):
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Parkeren/
Hervatten
Handset/
Handsfree
Telefoonboek
196
Ruggespraakstand
Om het lopende wel of
niet te parkeren
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Om het telefoonboek te
bekijken
Wanneer u tijdens een ORSHQGJHVSUHN een
tweede gesprek hebt JHSDUNHHUG, kunt u de
volgende functies activeren (blader met de
pijltoetsen en druk op ENTER om een keuze te
maken):
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Handset/
Handsfree
Telefoonboek
Samenvoegen
Wisselen
Ruggespraakstand
1
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Om het telefoonboek te
bekijken
Om twee gesprekken
tegelijk te voeren (conferentie)
Om te wisselen tussen de
twee gesprekken
Gespreksvolume
Verhoog of verlaag het gespreksvolume door
tijdens het gesprek op de toetsen + of – (1) van
de toetsenset op het stuurwiel te drukken.
Wanneer de telefoon in de actieve stand staat,
kunt u met de toetsenset op het stuurwiel alleen
de telefoonfuncties regelen.
Als u de toetsen wilt gebruiken om instellingen
in het audiosysteem te verrichten, moet u eerst
de telefoon stand-by zetten, zie pagina 192.
Infotainment
Telefoonboek
def3èéëê
Telefoonnummers en namen kunt u in het
geheugen van de telefoon zelf opslaan of in het
geheugen op de SIM-kaart.
ghi4ìíîï
Wanneer u een gesprek aanneemt afkomstig
van één van de nummers die in het telefoonboek
liggen opgeslagen, wordt de bijbehorende naam
op het display weergegeven.
U kunt maximaal 255 namen in het geheugen
van de telefoon opslaan.
Telefoonnummers met namen
opslaan
1. Druk op de toets MENU, kies voor
Telefoonboek en druk op ENTER.
2. Blader verder naar Toevoegen en druk op
ENTER.
3. Voer een naam in en druk op ENTER.
4. Voer een nummer in en druk op ENTER.
5. Geef aan in welk geheugen u het nummer
en de naam wilt opslaan en druk
vervolgens op ENTER.
Namen (of berichten) invoeren
Druk op de toets met het teken van uw keuze:
druk eenmaal op de toets om het eerste teken
van de toets in te voeren, tweemaal om het
tweede teken in te voeren enz. Druk op de 1 om
een spatie in te voegen.
spatie 1 - ? ! , . : " ' ( )
abc2äåàáâæç
jkl5
mno6ñöòóØ
pqrs7ß
tuv8üùúû
wxyz9
om tweemaal achtereen hetzelfde
teken van een toets in te voeren
moet u na de eerste maal op *
drukken of enkele seconden
wachten.
+0@*#&$£/%
om te wisselen tussen hoofdletters
en kleine letters
om het laatst ingevoerde teken te
wissen. Wanneer u de toets lang
ingedrukt houdt, kunt u het
nummer of de tekst in zijn geheel
wissen.
Tekstinvoer onderbreken
1. U kunt alle ingevoerde tekens wissen door
lang op de toets EXIT/CLEAR te drukken.
2. Keer terug naar het menu door nogmaals
lang op de toets EXIT/CLEAR te drukken.
1
Nummers uit het geheugen
bellen
1. Druk op de pijl omlaag (1) van de MENUtoetsen of op
op het stuurwiel om het
telefoonboek door te zoeken.
2. Kies uit de volgende mogelijkheden:
• Druk op ENTER en blader met de
pijltoetsen naar de naam van uw keuze.
• Druk op de toets die overeenkomt met de
eerste letter van de bijbehorende naam (of
voer de complete naam in) en druk op
ENTER.
3. Druk op ENTER om het geselecteerde
nummer te bellen.
197
Infotainment
Specificaties
Vermogen
SIM-kaart
Geheugenposities
SMS
(Short Message Service)
Data/Fax
Dualband
2W
klein, 3V
255 a
Ja
Nee
Ja (900/1800)
a.255 geheugenposities in het geheugen van de
telefoon. Het aantal geheugenposities op de
SIM-kaart verschilt naargelang het
abonnement.
Dubbele SIM-kaart
Veel providers bieden dubbele SIM-kaarten
aan: één voor de autotelefoon en één voor een
andere telefoon. Als u over dubbele SIMkaarten beschikt, kunt u hetzelfde nummer voor
twee verschillende telefoons gebruiken. Neem
contact op met uw provider over de mogelijkheden en het gebruik van dubbele SIMkaarten.
198
IMEI-nummer
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEInummer van de telefoon aan uw provider
doorgeven. Dit nummer is een serienummer
bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon geprogrammeerd is. Toets *#06# op uw telefoon in
om het nummer op het display te zien. Noteer
het nummer en bewaar het op een veilige plaats.
Infotainment
Menu-instellingen en menuselectie, telefoon
1. Oproepreg., CALL
1.1. Gem. oproep
1.2. Ontvangen oproepen
1.3. Uitgaande opr.
1.4. Wis lijst
1.4.1. Alle oproepen
1.4.2. Gemiste oproepen
1.4.3. Ontv. oproepen
1.4.4. Uitgaande opr.
1.5. Duur oproep
1.5.1. Laatste oproepen
1.5.2. Tel oproepen
1.5.3. Totale tijd
1.5.4. Reset timer
2. Boodschappen
2.1. Lezen
2.2. Nieuwe boodschap invoeren
2.3. Inst. boodsch.
2.3.1. SMSC-nummer
2.3.2. Geldigheid
2.3.3. Soort boodsch.
3. Telefoonboek
3.1. Toevoegen
3.2. Zoeken
3.3. Alles kopiëren
3.3.1. SIM naar telefoon
3.3.2. Telefoon naar SIM
3.4. Verk. kiezen
3.4.1. Actief
3.4.2. Nummer kiezen
3.5. SIM-geheugen wissen
3.6. Telefoongeheugen wissen
3.7. Geheugenstatus
4. Bel-opties
4.1. Nummer mee
4.2. Oproep wacht
4.3. Auto antw.
4.4. Automatisch herkiezen
4.5. Doorschakelen
4.5.1. Alle oproepen
4.5.2. Bij bezet
4.5.3. Onbeantwoord
4.5.4. Onbereikbaar
4.5.5. Fax-oproepen
4.5.6. Data-oproepen
4.5.7. Alles annul.
5.2.11. Português P
5.2.12. Suomi
5.2.13. Svenska
5.3. SIM-beveiligd
5.3.1. Aan
5.3.2. Uit
5.3.3. Automatisch
5.4. Wijzig codes
5.4.1. PIN-code
5.4.2. Telefooncode
5.5. Geluiden
5.5.1. Belvolume
5.5.2. Belsignaal
5.5.3. Radio Mute
5.5.4. Boodsch.sign.
5.6. Verkeersv.
5.7. Fabrieksinst.
5. Inst. tel.
5.1. Netwerk
5.1.1. Automatisch
5.1.2. Handgesch.
5.2. Taal
5.2.1. Dansk
5.2.2. Deutsch
5.2.3. English UK
5.2.4. English US
5.2.5. Español
5.2.6. Français CAN
5.2.7. Français FR
5.2.8. Italiano
5.2.9. Nederlands
5.2.10. Português BR
199
Infotainment
Menu 1. Oproepregister
*HPLVWHRSURHSHQ
In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst
gemiste oproepen. U kunt de nummers bellen,
wissen of toevoegen aan het telefoonboek.
2QWYDQJHQRSURHSHQ
In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst
ontvangen oproepen. U kunt de nummers
bellen, wissen of toevoegen aan het
telefoonboek.
8LWJDDQGHJHVSUHNNHQ
In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst
gekozen nummers. U kunt de nummers bellen,
wissen of toevoegen aan het telefoonboek.
:LVOLMVW
Met behulp van deze functie kunt u de lijsten
onder de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3 wissen zoals
hieronder beschreven.
1.4.1. Alles
1.4.2. Gemist
1.4.3. Ontvangen
1.4.4. Uitgaande
'XXURSURHS
In dit menu hebt u de mogelijkheid om de duur
van al uw oproepen of alleen de laatste te zien.
U kunt ook het aantal oproepen bekijken en de
timer resetten.
1.5.1. Laatste oproepen
1.5.2. Tel oproepen
1.5.3. Totale tijd
1.5.4. Reset timer
200
Om de timer te kunnen resetten moet u over de
telefooncode beschikken (zie Menu 5.5).
Menu 2. Boodschappen
/H]HQ
In dit menu kunt u de ingekomen boodschappen
lezen. U kunt de gelezen boodschappen (of
gedeelten ervan) vervolgens wissen,
doorsturen, wijzigen of opslaan.
1LHXZHERRGVFKDSLQYRHUHQ
Met de toetsenset kunt u boodschappen
invoeren. U kunt de boodschappen vervolgens
opslaan of versturen.
,QVWHOOLQJHQERRGVFKDSSHQ
In dit menu kunt u het nummer van de mailbox
(SMSC-nummer) aangeven waarnaar u uw
boodschappen wilt doorschakelen. U kunt
tevens aangeven hoe uw boodschap de
geadresseerde moet bereiken en hoelang deze in
de mailbox moet blijven liggen.
2.3.1. SMSC-nummer
2.3.2. Geldigheid
2.3.3. Soort boodschap
Neem contact op met uw provider voor informatie over deze instellingen en het SMSCnummer. U hoeft deze instellingen normaal
gesproken niet te wijzigen.
Menu 3. Telefoonboek
7RHYRHJHQ
In dit menu hebt u de mogelijkheid om namen
en telefoonnummers op te slaan in het
telefoonboek. Zie het hoofdstuk over het
telefoonboek voor meer informatie.
=RHNHQ
$OOHVNRSLsUHQ
Telefoonnummers en namen op de SIM-kaart
kopiëren naar het telefoongeheugen.
3.3.1. Van het SIM-geheugen naar het telefoongeheugen
3.3.2. Van het telefoongeheugen naar het
SIM-geheugen
9HUNRUWNLH]HQ
Een nummer dat in het telefoonboek ligt
opgeslagen, kunt u aan een voorkeuzetoets met
een bepaald nummer koppelen.
6,0JHKHXJHQZLVVHQ
In dit menu kunt u het complete geheugen op de
SIM-kaart wissen.
7HOHIRRQJHKHXJHQZLVVHQ
In dit menu kunt u het complete geheugen van
de telefoon wissen.
*HKHXJHQVWDWXV
In dit menu kunt u zien hoeveel geheugenposities in beslag genomen worden door de namen
en telefoonnummers in het geheugen op de
SIM-kaart en in dat van de telefoon.
Infotainment
Menu 4. Bel-opties
1XPPHUPHH
Geef aan of uw eigen nummer wel of niet op het
display van de ontvanger moet verschijnen.
Neem contact op met uw provider voor een
permanent geheim nummer.
2SURHSZDFKW
Geef aan of u wel of geen signaal wilt
ontvangen, wanneer er tijdens een lopend
gesprek een tweede oproep wacht.
$XWRDQWZ
Geef aan of u inkomende gesprekken automatisch wilt beantwoorden.
$XWRPDWLVFKKHUNLH]HQ
Geef aan of u een eerder gekozen nummer na
een bezettoon automatisch wilt laten herkiezen.
'RRUVFKDNHOHQ
In dit menu kunt u aangegeven welke soorten
oproepen moeten worden doorgeschakeld naar
het gespecificeerde telefoonnummer en
wanneer.
4.5.1. Alle oproepen (de instelling geldt
alleen tijdens het lopende gesprek).
4.5.2. Bij bezet
4.5.3. Onbeantwoord
4.5.4. Onbereikbaar
4.5.5. Fax-oproepen
4.5.6. Data-oproepen
4.5.7. Alles annul.
Menu 5. Telefooninstellingen
1HWZHUN
Geef aan of u automatisch of handmatig
netwerken wilt selecteren. De geselecteerde
provider verschijnt tijdens het inschakelen van
het telefoonsysteem op het display.
5.1.1. Auto
5.1.2. Handgesch.
7DDO
In dit menu kunt u aangeven in welke taal u de
berichten op het display wilt zien.
5.2.1.
5.2.2.
5.2.3.
5.2.4.
5.2.5.
5.2.6.
5.2.7.
5.2.8.
5.2.9.
5.2.10.
5.2.11.
5.2.12.
5.2.13.
Dansk
Deutsch
English UK
English US
Español
Français CAN
Français FR
Italiano
Nederlands
Português BR
Português P
Suomi
Svenska
6,0EHYHLOLJG
In dit menu kunt u aangeven of de invoer van de
PIN-code actief of inactief moet zijn of automatisch moet verlopen.
5.3.1. Aan
5.3.2. Uit
5.3.3. Automatisch
:LM]LJFRGHV
In dit menu kunt u uw PIN-code of uw
telefooncode wijzigen.
5.4.1. PIN-code
5.4.2. Telefooncode (gebruik 1234, voordat
u overgaat op uw eigen code). U
gebruikt de telefooncode om de
timer op nul te kunnen stellen.
1%Noteer de code en bewaar deze op een
veilige plaats.
*HOXLGHQ
5.5.1. Belvolume: In dit menu kunt u het
volume van het belsignaal bij een
binnenkomend gesprek instellen.
5.5.2. Belsignaal: In dit menu kunt u
kiezen uit verschillende soorten belsignalen.
5.5.3. Radio Mute: On/off
5.5.4. Aanp. Snelh.: Geef aan of het volume wel of niet afhankelijk moet
zijn van de rijsnelheid.
5.5.5. Boodschapsignaal
9HUNHHUVYHLOLJKHLG
In dit menu kunt u aangeven of u de snelheidsbegrenzing die geldt voor het menusysteem wel
of niet wilt uitschakelen, zodat u het complete
menusysteem ook tijdens het rijden kunt
gebruiken.
)DEULHNVLQVWHOOLQJHQ
Functie om de fabrieksinstellingen te herstellen.
201
Infotainment
202
Technische gegevens
Type-aanduidingen
204
Maten, gewichten, hoeveelheden
205
Smeermiddelen
206
Koelsysteem
206
Katalysator
207
Brandstof
208
Wielophanging, vering
209
Elektrisch systeem
210
Motorspecificaties
211
203
Technische gegevens
Type-aanduidingen
Wanneer u contact opneemt met uw Volvodealer of vervangingsonderdelen en accessoires
wilt bestellen, kan het handig zijn als u de typeaanduiding, het chassisnummer en het motornummer van de auto bij de hand hebt.
&KDVVLVQXPPHU 9,1
In de motorruimte gestampt, onder de
voorruit.
7\SHDDQGXLGLQJFKDVVLVQXPPHU
PD[LPDDOWRHODDWEDDUJHZLFKWNOHXU
FRGHVYRRUGHODNHQGHEHNOHGLQJHQ
W\SHJRHGNHXULQJVQXPPHU
Op het plaatje op het binnenspatbord achter
het linker koplamphuis.
7\SHDDQGXLGLQJYDQGHPRWRU
RQGHUGHHOHQVHULHQXPPHU
Aan de rechterzijde van het motorblok.
7\SHDDQGXLGLQJHQVHULHQXPPHUYDQ
GHYHUVQHOOLQJVEDN
D Automatische versnellingsbak GM: aan
de achterzijde
EAutomatische versnellingsbak AW: aan
de bovenzijde
F Handgeschakelde versnellingsbak: aan
de bovenzijde
204
Technische gegevens
Maten, gewichten, hoeveelheden
Maten en gewichten
Lengte
Breedte
Hoogte
Wielbasis
Spoorbreedte,
vooras
Spoorbreedte,
achteras
480 cm
190 cm
178 cm
286 cm
163 cm
162 cm
Toelaatbare belasting (zonder bestuurder) =
Totaalgewicht, rijklaar gewicht
Hoeveelheden
%UDQGVWRIWDQN(liter)
Benzine
Diesel
ca.
72
68
0RWRUROLH incl. inhoud filter1 (liter)
B5254T2 2,5T
5,5
B6294T T6
6,5
D5244T D5
7,0
*HJHYHQVSODDWMHPHWJHZLFKWHQRSKHW
SODDWZHUNLQGHPRWRUUXLPWH
9HUVQHOOLQJVEDNROLH(liter)
Handgesch.
2,0
Autom.
7,5
1. Max. totaalgewicht
2. Max. treingewicht (auto + aanhanger)
3. Max. voorasdruk
4. Max. achterasdruk
Max. belasting, zie kentekenbewijs
'LYHUVHQ
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Sproeiervloeistof
Rem- en
koppelingsvloeistof
Airconditioning
Airconditioning achter
in passagiersruimte
Max. dakbelasting
100 kg
Max. aanhangergewicht 2250 kg
0,9 liter
6,5 liter
0,6 liter
1000 gram
1300 gram
1:Om te controleren welke motor er in uw auto
zit kunt u de typeaanduiding in de motorruimte
bekijken (voorgaande pagina, punt 3).
Belangrijk!
Controleer na verversing van de motorolie
met de peilstok of de juiste hoeveelheid olie
in de motor zit. Controleer het peil bij een
warme motor enkele minuten nadat de
motor is afgezet.
205
Technische gegevens
Smeermiddelen
Motor
Benzinemotoren: ACEA A1
U mag ook olie gebruiken die voldoet aan de
kwaliteitsnorm ACEA A3. Let erop dat een
bepaalde soort olie kan voldoen aan zowel
ACEA A1 als ACEA B1. Dit ongeacht de vraag
of de gebruikte olie van minerale oorsprong is
of geheel of gedeeltelijk van synthetische aard is.
Dieselmotoren: ACEA B4
Let erop dat een bepaalde soort olie kan
voldoen aan zowel ACEA A3, ACEA B3 als
ACEA B4. Dit ongeacht de vraag of de
gebruikte olie van minerale oorsprong is of
geheel of gedeeltelijk van synthetische aard is.
Voor benzinemotoren en dieselmotoren met
turbocompressor adviseren wij het gebruik van
volledig synthetische motorolie van Volvo.
9RHJJHHQH[WUDWRHYRHJLQJVPLGGHOHQDDQGH
ROLHWRH=HNXQQHQGHPRWRUEHVFKDGLJHQ
Viscositeit
(bij een constante luchttemperatuur)
Onder extreme rijomstandigheden die tot een
abnormaal hoge olietemperatuur of olieconsumptie leiden, zoals wanneer u in de bergen
rijdt en veelvuldig op de motor afremt of op
hoge snelheden over de autosnelweg rijdt,
wordt het gebruik van oliesoorten aanbevolen
die voldoen aan de kwaliteitsnorm ACEA A3
(benzinemotoren).
206
1%Oliesoorten met een viscositeitsindex van
0W-30 en 0W-40 moeten voldoen aan de eisen
van de kwaliteitsnormen ACEA A3 (benzinemotoren).
Versnellingsbak
2OLHNZDOLWHLW
Handgesch.: Synthetische versnellingsbakolie
van Volvo
Geartronic: GM4T65EV
Synthetische versnellingsbakolie van Volvo
(een oliesoort die voldoet aan de kwaliteitseisen
conform Dexron IIIG).
Autom. (AW55-51)
Uitsluitend versnellingsbakolie van Volvo met
art.nr. 1161540-8. Niet met andere soorten olie
mengen!
Stuurbekrachtigingsvloeistof
9ORHLVWRINZDOLWHLW Stuurbekrachtigingsvloeistof van het type Pentosin CHF 11S of iets
dergelijks.
+RHYHHOKHLG ca. 0,9 liter
Remvloeistof
9ORHLVWRIW\SH Remvloeistof DOT 4+.
+RHYHHOKHLG ca. 0,6 liter
Belangrijk!
Neem bij twijfel over de juiste oliekwaliteit
contact op met een Volvo-werkplaats.
Koelsysteem
0RWRU
Benzine, 5 cil. 2.5T
Benzine, 6 cil. T6
Diesel
D5
+RHYHHOKHLG
(liter)
ca. 9,0
ca. 10,5
ca. 12,5
Gesloten overdruksysteem. Thermostaat opent
bij 90°C.
Technische gegevens
Katalysator
Katalysator
De katalysator vormt een aanvulling op het
uitlaatsysteem en heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator bestaat in hoofdzaak
uit een behuizing met daarin twee zogeheten
monolieten, die zó geconstrueerd zijn dat de
uitlaatgassen er via kanalen doorheen stromen.
De wanden van deze kanalen zijn bekleed met
een dun laagje platina/rhodium/palladium.
Deze edelmetalen hebben een katalytische
werking, d.w.z. ze versnellen een chemische
reactie zonder dat ze daar actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor,
alleen benzinemotoren)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te
beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten. Een zuurstofsensor registreert
het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de
motor verlaten. De waarde van de uitlaatgasanalyse wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren
afregelt. De lucht-brandstofverhouding die de
motor ontvangt wordt continu afgeregeld. De
afregeling schept de ideale omstandigheden
voor een effectieve verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide
en stikstofoxiden) in de driewegkatalysator.
207
Technische gegevens
Brandstof
Benzine
Brandstofverbruik en uitstoot van kooldioxide
De motor loopt op benzine met een
octaangetal van 91, 95 en 98 RON.
Motor
Versnellingsbak
Verbruik in
liter/100 km
Uitstoot van kooldioxide (CO²) g/km
• 98 (RON) wordt geadviseerd
voor een maximaal rendement
tegen een minimaal brandstofverbruik.
• 95 (RON) is te gebruiken in de
normale rijomstandigheden.
• 91 (RON) kunt u beter alleen in
uitzonderingsgevallen
gebruiken. De motor loopt bij
gebruik van deze brandstofkwaliteit echter geen schade op.
Norm DIN 51600
B5254T2 2.5T
Handmatig
Automaat
11,1-11,4
11,8-12,0
266-273
282-287
B6294T
T6
Automaat
12,7-12,9
304-309
D5244T
D5
Handmatig
8,2-8,3
9,0-9,1
216-219
239-242
Automaat
Min. octaangetal 91 (RON), loodvrij
Diesel
Norm SS-EN 590
1% Bovenstaande motoren zijn niet op alle markten verkrijgbaar.
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus conform de EU-richtlijn 80/1268 voor voertuigen met
verbrandingsmotoren.
Het gebruik van extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Ook de rijstijl en
andere technische factoren kunnen van invloed zijn op het brandstofverbruik.
208
Technische gegevens
Wielophanging, vering
Voortrein
McPherson-veerpoten. De schokdempers zijn
in de veerpoten ingebouwd. Rondsel-entandheugelstuurinrichting. Veiligheidsstuurkolom.
Achtertrein
Gescheiden ophanging met onafhankelijk
afgeveerde wielen en schokdempers. De
ophanging bestaat uit naar achteren gerichte
wieldraagarmen, bovenste en onderste
ophangarmen, spoorstangen en een stabilisatorstang.
209
Technische gegevens
Elektrisch systeem
12-voltsysteem met wisselstroomdynamo en spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders worden
gebruikt. De minpool is verbonden met het chassis.
$FFX
Als u de accu moet vervangen, moet u erop letten dat de nieuwe accu
dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele accu
heeft (zie de sticker op de accu).
Motor
Spanning
Koudestartcapaciteit (SAE)
Reservecapaciteit (RC)
2.5T
12 V
520 A*
90 min.
Maximale stroomsterkte dynamo 140 A**
Startmotor, vermogen
1,4 kW
T6
12 V
600 A*
115 min.
D5
12 V (diesel)
800 A
170 min.
160 A
1,7 kW
140 A**
2,2 kW
* Auto’s met standverwarming zijn uitgerust met een accu van 800 A.
** Auto’s met AC achter in de passagiersruimte zijn uitgerust met een
accu van 160 A.
210
Gloeilampen
Vermogen Lampvoet
Groot licht
Dimlicht
Bi-Xenon-systeem
Mistlampen, vóór
Stadslichten
Richtingaanwijzers, voor
Richtingaanwijzers, achter
(oranje)
Zijmarkeringslicht
Remlichten
Achteruitrijlichten
Mistachterlicht, achterlichten
55 W
55 W
35 W
55 W
W5W
H21 W
PY21 W
H7
H7
D2R
H1
W 2.1x9.5 d
BAY9s
BA 15
W5W
21 W
21 W
W2,1x9,5d
BA 15
BA 15
P21/4 W
W5W
W5W
W5W
W3W
1,2 W
BA15
W 2,1x9,5 d
SV 8,5
SV 8,5
BA 9
SV 5,5
Kentekenplaatverlichting
Instapverlichting, vooraan
Bagageruimteverlichting
Verlichting dashboardkastje
Make-upspiegel
Technische gegevens
Motorspecificaties
Vermogen* (kW bij omw/s)
(pk bij omw/min)
Koppel* (Nm bij omw/s)
(kpm bij omw/min)
Aantal cilinders
Cilinderboring (mm)
Slaglengte (mm)
Cilinderinhoud (cm³)
Compressieverhouding
B5254T2
2,5T
154/83
210/5000
320/25–75
32,6/1500–4500
5
83
93,2
2521
9,0:1
B6294T
T6
200/85
272/5100
380/30–83
38,8/1800–5000
6
83
90
2922
8,5:1
D5244T
D5
120/67
163/4000
340/29–50
34,7/1750–3000
5
81
93,2
2401
18,0:1
1% Bovenstaande motoren zijn niet op alle markten verkrijgbaar.
*: Vermogen en koppel gemeten conform de
testnorm 80/1269/EEG. Voor benzinemotoren
wordt tijdens deze tests gebruik gemaakt van 98
octaan.
Om te controleren welke motor er in uw auto zit
kunt u de typeaanduiding in de motorruimte
bekijken (Typeaanduidingen pagina 204,
punt 3).
211
Technische gegevens
212
Alfabetisch register
Alfabetisch register
$
Aanhanger ..................................................113
Aansteker ......................................................37
ABS ......................................................31, 107
AC ................................................................57
Accu ...........................................137, 145, 210
Achterklep ....................................................46
Achterlichten ..............................................151
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels .........49
Achteruitrijlichten ......................................151
Afstandsbediening ..................................88, 89
Airbags .........................................................12
“Air Quality Sensor” ..............................61, 62
Alarmdiode ...................................................96
Alarmlichten .................................................42
Algemene verlichting ...................................74
“All Wheel Drive” ......................................105
Antenne ......................................................190
“Approach”-verlichting ................................89
Asbak ............................................................79
AUTO ...........................................................62
Auto wassen ...............................................130
Automatische versnellingsbak ......................99
AWD ..........................................................105
%
Bagagenet .....................................................82
Bagagerek .....................................................83
Bagagerolhoes ..............................................84
Bagageruimte .........................................80, 85
Bagageruimteverlichting ............................152
Banden ........................................................122
Bandenspanning .........................................125
Bedieningspaneel .......................................190
Bekerhouders ................................................79
Bekleding ...................................................131
Benzine .......................................................208
Benzine tanken ...........................................100
Bereik tot lege brandstoftank .......................43
Bergen ........................................................111
Blaasmonden ................................................55
Blokkering achteruitversnelling .................102
Boordcomputer .............................................43
Brandstof ....................................................208
Brandstofmeter .............................................30
Brandstoftank .............................................205
Brandstofverbruik .......................................208
Buitenspiegels ..............................................36
Buitentemperatuurmeter ...............................30
&
Cd-speler ....................................................161
Comfortstand ................................................50
Compact reservewiel ..................................124
Contact- en stuurslot ...................................101
Controle- en waarschuwingslampjes ......30, 31
Controlelampje aanhanger ............................33
Cruise control ...............................................44
'
Dagtellers .....................................................30
Diesel ..................................................139, 208
Dieselolie tanken ........................................100
Dimlicht ........................................................39
Display .......................................................163
Displaybericht ..............................................64
Displayberichten ...........................................35
Dolby Pro Logic II (DPL II) ......................167
DSTC ....................................................34, 108
(
EBA ............................................................109
EBD ............................................................107
EHBO-kit .....................................................85
Elektrisch bediende ramen ...........................47
Elektrisch bediende voorstoel ......................70
Elektrisch kinderslot .....................................94
Elektrisch systeem ......................................210
Elektrisch verwarmde achterruit ......42, 59, 63
Elektrisch verwarmde buitenspiegels ...........42
Elektrisch verwarmde voorstoelen ...............63
Elektrische aansluiting ...............37, 45, 46, 84
Elektronisch geregeld systeem ...................105
Elektronische startblokkering .....................101
Emergency Brake Assistance .....................109
213
Alfabetisch register
)
Fader ...........................................................167
Follow-Me-Home..........................................39
*
Geavanceerde gebruikersfunctie ................177
Geavanceerde gebruikersstand ...................180
Gemiddeld brandstofverbruik ......................43
Gemiddelde snelheid ....................................43
Gereedschapstas ...........................................85
Gevarendriehoek ....................................85, 86
Geïntegreerd kinderzitje ...............................26
Gloeilamp dimlicht .....................................149
Gloeilamp groot licht .................................149
Gloeilampen .......................................147, 210
Gordelspanners .............................................11
Gordelwaarschuwing ..............................10, 33
Groot licht ..............................................30, 39
+
Handbediende klimaatregeling .....................56
Handgeschakelde versnellingsbak ..............102
Hoeveelheden .............................................205
Hoge tonen .................................................167
Hoofdsteun ...................................................73
Hoofdtelefoon .............................................163
Houder voor boodschappentassen ................84
Huidig brandstofverbruik .............................43
,
IC-systeem ....................................................18
214
Immobilizer ..................................................88
In de was zetten ..........................................131
Infotainmentsysteem ..................................160
Instapverlichting .........................................152
Instrumentenverlichting ...............................38
Interieurfilter ................................................54
Interieurverlichting .......................................74
Intervalstand .................................................40
ISOFIX .........................................................26
Lage tonen ..................................................167
Lak ..............................................................132
Lakschade ...................................................132
Lambdasonde TM ......................................207
Lastdragers .................................................119
Leeslampjes ..........................................74, 153
Lichtsignaal ..................................................39
Luchtverdeling .............................................57
Luidsprekers ...............................................190
.
0
Katalysator .................................................207
Kentekenplaatverlichting ...........................152
Kilometerteller .............................................30
Kinderen en veiligheid .................................23
Kinderslot ...............................................37, 93
Kinderzitje ....................................................26
Kinderzitjes ..................................................23
Kleurcode ...................................................132
Klokje ...........................................................30
Knalgas .......................................................146
Koelsysteem ...............................................206
Koelventilator .............................................138
Koelvloeistof ..............................................142
Kooldioxide ................................................208
Koplampen ...................................................38
Koplampsproeier ..........................................40
Koude start ...................................................99
Krik ...............................................................85
Maataanduiding ..........................................122
Make-upspiegel ....................................75, 152
Maten en gewichten ...................................205
Microfoon ...................................................190
Middenconsole .............................................79
Mistachterlicht ......................................38, 152
Mistlampen ...................................................33
Mistlampen, vóór .......................................150
Motor starten ..............................................101
Motorkap ....................................................138
Motorruimte ...............................................138
Motorspecificaties ......................................211
/
Lading op het dak .......................................119
1
Niveauregeling ...........................................114
Noodoproepen ............................................190
Normale bocht ..............................................39
2
Olie .............................................................140
Oliedruk ........................................................33
Alfabetisch register
Oliefilter .....................................................140
Onderbreking tekstinvoer ...........................197
Ontdooier ......................................................63
Ontgrendelen ................................................90
Opbergmogelijkheden in
passagierscompartiment ...............................76
Opbergvakken ..............................................79
Opblaasgordijn .............................................18
Overzicht, telefoonsysteem ........................190
3
Paniekfunctie ................................................88
Parkeerlichten .............................................149
Parkeerrem .............................................33, 45
“Parking Support” ......................................110
Penhouder .....................................................77
Plafondverlichting ......................................153
Poetsen .......................................................130
5
Recirculatie ...................................................57
Regensensor .................................................40
Remkrachtverhoging ..................................109
Remkring ....................................................106
Remlichten .................................................151
Remsysteem .........................................31, 106
Remvloeistof ..............................................143
Reservewiel ................................................124
Reservoir sproeiervloeistof ........................142
RFD ............................................................109
Richtingaanwijzers .................30, 39, 150, 151
RME ...........................................................139
Roestwering ................................................133
Rugleuning ...................................................69
Ruitensproeier ..............................................40
Ruitenwisser .................................................40
6
Safelock-functie ...........................................92
Schakelaars op middenconsole .....................36
Schakelblokkering ........................................99
Schakelstanden ...........................................102
Schoonmaken .............................................130
Schuifdak ......................................................50
SEL-toets ....................................................163
Service ........................................................136
SIM-kaart ...........................................190, 198
SIPS-airbags .................................................15
Sleepoog .....................................................111
Slepen .........................................................111
Sleutelblokkering .........................................99
Sleutels .........................................................88
Slijtage-indicatoren ....................................124
Smeermiddelen ...........................................206
Sneeuwkettingen ................................105, 123
Snelheidsmeter .............................................30
Spijkerbanden .............................................123
SRS ...............................................................12
Stabiliteitssysteem ......................................108
Stadslichten ..................................................38
Standverwarming .........................................64
Starten met hulpaccu ..................................112
Startblokkering ............................................101
Starthulp .....................................................112
Steenslagplekken ........................................132
Stuurbekrachtigingsvloeistof ......................143
Stuurwielafstelling .......................................46
7
Tanken ........................................................100
Tankvuldop .................................................100
Technische ..................................................203
Technische gegevens ..................................203
Telefoon ......................................................190
Temperatuur .................................................63
Temperatuurmeter ........................................30
Terugverende stand ......................................39
Toerenteller ..................................................30
Trekhaak .....................................................115
Type-aanduidingen .....................................204
8
Uitlaatgasreinigingssysteem .........................33
Uitschakelen, safelock-functie .....................37
9
Veiligheidsgordel .........................................10
Ventilatiestand ..............................................50
Ventilator ......................................................63
Vergrendelen ................................................90
Verlichtingspaneel ........................................38
Verstralers ....................................................36
Vierwielaandrijving ....................................105
Viscositeit ...................................................140
Vloermatten ..................................................75
Voorgloeifunctie motor ................................33
215
Alfabetisch register
Voorruitwisser ............................................144
Voorstoelen ..................................................68
:
Waarschuwingssymbool ...............................31
WHIPS-systeem ...........................................19
Wielen ........................................................122
Wielen verwisselen ....................................126
Wielophanging ...........................................209
Winterbanden .............................................123
Wisserbladen ..............................................144
=
Zekeringen ..........................................154, 155
Zij-airbag ......................................................15
Zijrichtingaanwijzers ..................................150
Zuinig rijden .................................................98
216
I N S T R U C T I E B O E K J E V O LV O X C 9 0
Gloeilampen
Regelmatig controleren
6SURHLHUYORHLVWRI. Zorg dat u het reservoir
altijd goed gevuld houdt. Gebruik tijdens de
wintermaanden antivries! Zie pagina 142.
10
6WXXUEHNUDFKWLJLQJ. Zorg dat het peil tussen
de MIN- en MAX-streepjes ligt. Zie pagina 143.
9
8
7
6
.RHOYORHLVWRI. Zorg dat het peil tussen de MINen MAX-streepjes op het expansiereservoir ligt.
Zie pagina 142.
0RWRUROLH. Zorg dat het peil tussen de streepjes
op de peilstok ligt. Zie pagina 141.
5HPYORHLVWRI. Zorg dat het peil tussen de MINen MAX-streepjes ligt. Zie pagina 141.
3
1. Richtingaanwijzer
H21W (oranje)
2. Groot licht
55W H7
3. Stadslichten
W5W
4. Groot licht
55W H7
5. Mistlampen, vóór
55W H1
6. Mistachterlicht
21W BA5
7. Achteruitrijlichten
21W BA15
8. Stadslichten
en achterlichten
P21 4W
9. Richtingaanwijzer
PY21W (oranje)
10. Remlichten
21W BA15
XC90
TP 6754
TP 6754 (Dutch) AT0346 2.500.10.03 Printed in Sweden, TElanders Graphic Systems AB, Göteborg 2003
1 2 34 5
VOLVO
2004
52936 XC90 Holland.indd 1
2003-09-19, 12.37.30
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising