KTM 1190 Adventure JP 2013 Travel Bike Handleiding

KTM 1190 Adventure JP 2013 Travel Bike Handleiding
BEDIENINGSHANDLEIDING 2013
1190 Adventure EU
1190 Adventure FR
1190 Adventure AUS
1190 Adventure JP
Artikelnr. 3211955nl
BESTE KTM KLANT
1
We wensen u veel geluk met uw keuze voor een KTM motorfiets. U bent nu in het bezit van een moderne sportieve motorfiets en we zijn er
zeker van dat u er veel plezier mee zult beleven, mits u de motorfiets goed onderhoudt.
BESTE KTM KLANT
We wensen u veel rijplezier!
Vul hieronder het serienummer van uw voertuig in.
Framenummer (
pag. 20)
Motornummer (
pag. 21)
Sleutelnummer (
Stempel van de dealer
pag. 21)
De bedieningshandleiding komt op het tijdstip dat deze ter perse gaat overeen met de nieuwste stand van het model. Kleine afwijkingen
die het resultaat zijn van een constructieve ontwikkeling kunnen echter niet worden uitgesloten.
Alle hier genoemde gegevens zijn vrijblijvend. De KTM-Sportmotorcycle AG houdt zich het recht voor technische gegevens, prijzen, kleuren, vormen, materialen, dienst- en serviceverlening, constructies, uitrustingen en dergelijke zonder voorafgaande aankondiging en zonder
opgave van redenen te wijzigen resp. zonder vergoeding te annuleren, deze aan te passen aan de plaatselijke situatie of de productie van
een bepaald model zonder voorafgaande aankondiging te beëindigen. KTM is niet aansprakelijk voor leveringsmogelijkheden, afwijkingen
van afbeeldingen en beschrijvingen, drukfouten en vergissingen. De afgebeelde modellen zijn voor een deel voorzien van speciale uitrustingen die niet standaard bij de leveringsomvang horen.
© 2013 KTM-Sportmotorcycle AG, Mattighofen Oostenrijk
Alle rechten voorbehouden
Nadruk, ook gedeeltelijk, en vermenigvuldigingen van welke aard dan ook zijn uitsluitend toegestaan met toestemming van de auteur.
BESTE KTM KLANT
ISO 9001(12 100 6061)
KTM past processen voor kwaliteitsbewaking toe, zoals bedoeld in de internationale norm voor kwaliteitsmanagement ISO
9001, die tot een zo hoog mogelijke productkwaliteit leiden.
Afgegeven door: TÜV Management Service
KTM-Sportmotorcycle AG
5230 Mattighofen, Oostenrijk
2
INHOUDSOPGAVE
INHOUDSOPGAVE
1
2
3
4
5
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN................................... 8
1.1
Gebruikte pictogrammen....................................... 8
1.2
Gebruikte formatering........................................... 8
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN .......................................... 9
2.1
Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik......................... 9
2.2
Veiligheidsaanwijzingen ........................................ 9
2.3
Gevarenniveau en pictogrammen ......................... 10
2.4
Waarschuwing voor manipulaties ......................... 10
2.5
Veilig gebruik .................................................... 11
2.6
Beschermende kleding ....................................... 12
2.7
Werkinstructies.................................................. 12
2.8
Milieu ............................................................... 12
2.9
Bedieningshandleiding ....................................... 13
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN ..................................... 14
3.1
Garantie............................................................ 14
3.2
Verbruiksstoffen, hulpstoffen .............................. 14
3.3
Reserveonderdelen, toebehoren ........................... 14
3.4
Service ............................................................. 14
3.5
Afbeeldingen ..................................................... 15
3.6
Klantenservice ................................................... 15
AFBEELDING VOERTUIG ............................................... 16
4.1
Afbeelding voertuig linksvoor (symbolische
weergave).......................................................... 16
4.2
Afbeelding voertuig rechtsachter (symbolische
weergave).......................................................... 18
SERIENUMMERS.......................................................... 20
5.1
Framenummer ................................................... 20
5.2
Typeplaatje ....................................................... 20
5.3
Sleutelnummer .................................................. 21
3
6
5.4
Motornummer....................................................
5.5
Artikelnummer voorvork ......................................
5.6
Artikelnummer schokdemper...............................
BEDIENINGSELEMENTEN.............................................
6.1
Koppelingshendel ..............................................
6.2
Remhendel........................................................
6.3
Gashendel .........................................................
6.4
Schakelaar links aan stuur ..................................
6.4.1
Combinatieschakelaar ....................................
6.4.2
Lichtschakelaar .............................................
6.4.3
Noodknipperlichtschakelaar ............................
6.4.4
Menuschakelaar.............................................
6.4.5
Richtingaanwijzerschakelaar ...........................
6.4.6
Claxonknop ...................................................
6.5
Schakelaar rechts aan stuur ................................
6.5.1
Noodstopschakelaar .......................................
6.5.2
E-starterknop.................................................
6.6
Contact-/stuurslot...............................................
6.7
Wegrijblokkering ................................................
6.8
Stopcontact elektrische toebehoren .....................
6.9
Tankdop openen ................................................
6.10 Tankdop sluiten .................................................
6.11 Brandstofkranen ................................................
6.12 Opbergvak openen..............................................
6.13 Opbergvak sluiten ..............................................
6.14 Zadelslot ...........................................................
6.15 Boordgereedschap..............................................
6.16 Grepen..............................................................
6.17 Bagagedrager.....................................................
21
22
22
24
24
24
25
25
25
26
26
27
27
28
28
28
29
29
30
31
31
33
34
34
35
35
36
37
37
INHOUDSOPGAVE
7
6.18 Voetsteunen bijrijder ..........................................
6.19 Versnellingshendel .............................................
6.20 Zijstandaard ......................................................
6.21 Middenstandaard (Optie: Middenstandaard) .........
GECOMBINEERD INSTRUMENT ....................................
7.1
Overzicht...........................................................
7.2
Activering en test ...............................................
7.3
Matrixdisplay .....................................................
7.4
Segmentendisplay..............................................
7.5
Controlelampjes .................................................
7.6
Melding op matrixdisplay ....................................
7.7
Schakellicht ......................................................
7.8
Service-indicatie ................................................
7.9
Matrixdisplay menu ............................................
7.9.1
"Favorites".....................................................
7.9.2
"Trip 1" .........................................................
7.9.3
"Trip 2" .........................................................
7.9.4
"General Info" ................................................
7.9.5
"TPMS" (optioneel).........................................
7.9.6
"Set Favorites" ...............................................
7.9.7
"Settings" ......................................................
7.9.8
"Warnings" ....................................................
7.9.9
"Heat Grip" (optioneel) ...................................
7.9.10
"MTC/ABS" ....................................................
7.9.11
"Load"...........................................................
7.9.12
"Damping".....................................................
7.9.13
"Drive Mode" .................................................
7.9.14
Menu-overzicht ..............................................
7.9.15
"Language" ....................................................
4
38
38
39
40
41
41
41
42
42
43
44
45
46
46
46
47
47
48
48
49
49
50
50
51
51
52
52
54
56
8
7.9.16
"Distance" .....................................................
7.9.17
"Temp" .........................................................
7.9.18
"Volume" .......................................................
7.9.19
"Pressure" .....................................................
7.9.20
"Clock/Date" ..................................................
7.9.21
"Fuel Cons" ...................................................
7.9.22
"DRL" ...........................................................
7.9.23
"Shift Light" ..................................................
7.9.24
"Quick Shift" .................................................
7.9.25
"Heat Grips" ..................................................
ERGONOMIE ................................................................
8.1
Bestuurderszadel instellen ..................................
8.2
Stuurstand ........................................................
8.3
Stuurstand instellen
......................................
8.4
Windscherm instellen .........................................
8.5
Basisinstelling koppelingshendel instellen ............
8.6
Uitgangspositie remhendel instellen ....................
8.7
Bestuurdersvoetsteunen......................................
8.8
Voetsteunen instellen
....................................
8.9
Rempedaal........................................................
8.10 Uitgangspositie rempedaal instellen
................
8.11 Uitgangspositie versnellingshendel controleren .....
8.12 Uitgangspositie versnellingshendel instellen
....
INBEDRIJFNAME..........................................................
9.1
Aanwijzingen voor eerste inbedrijfname................
9.2
Motor inrijden....................................................
9.3
Voertuig beladen ................................................
x
x
x
9
x
56
57
57
58
58
59
59
60
60
61
62
62
63
63
64
66
66
67
67
69
69
71
71
73
73
74
75
INHOUDSOPGAVE
10 RIJ-INSTRUCTIES......................................................... 77
10.1 Controle en onderhoud voor iedere
inbedrijfname .................................................... 77
10.2 Starten ............................................................. 78
10.3 Optrekken ......................................................... 79
10.4 Schakelen, rijden ............................................... 79
10.5 Afremmen ......................................................... 83
10.6 Stoppen, parkeren.............................................. 85
10.7 Transport .......................................................... 87
10.8 Brandstof tanken ............................................... 88
11 SERVICESCHEMA ......................................................... 90
11.1 Extra informatie ................................................. 90
11.2 Verplichte werkzaamheden.................................. 90
11.3 Aanbevolen werkzaamheden................................ 93
12 CHASSIS AFSTELLEN ................................................... 94
12.1 "Damping" (Optie: Met EDS) ............................... 94
12.2 "Load" (Optie: Met EDS) ..................................... 94
12.3 Voorvork/schokdemper ........................................ 95
12.4 Ingaande demping voorvork instellen (Optie:
Zonder EDS)...................................................... 95
12.5 Uitgaande demping voorvork instellen (Optie:
Zonder EDS)...................................................... 96
12.6 Uitgaande demping schokdemper instellen
(Optie: Zonder EDS) ........................................... 97
12.7 Veervoorspanning schokdemper instellen (Optie:
Zonder EDS)...................................................... 98
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS ......................... 100
13.1 Voertuig op middenstandaard zetten (Optie:
Middenstandaard) ............................................ 100
5
13.2
Voertuig van middenstandaard nemen (Optie:
Middenstandaard) ............................................
13.3 Bijrijderzadel verwijderen..................................
13.4 Bijrijderzadel monteren ....................................
13.5 Bestuurderszadel verwijderen ............................
13.6 Bestuurderszadel monteren...............................
13.7 Kettingvervuiling controleren.............................
13.8 Ketting reinigen ...............................................
13.9 Kettingspanning controleren .............................
13.10 Kettingspanning instellen .................................
13.11 Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel
controleren......................................................
13.12 Vloeistofpeil hydraulische koppeling
controleren/corrigeren.......................................
13.13 Balhoofdlagerspeling controleren .......................
13.14 Kroonplaat onder demonteren ...........................
13.15 Kroonplaat onder monteren
..........................
13.16 Zijbekleding voor demonteren............................
13.17 Zijbekleding voor monteren ...............................
13.18 Maskerspoiler demonteren
...........................
13.19 Maskerspoiler monteren
...............................
13.20 Spatbord voor demonteren ................................
13.21 Spatbord voor monteren
...............................
13.22 Tankafdekking demonteren ...............................
13.23 Tankafdekking monteren...................................
13.24 Windscherm demonteren ..................................
13.25 Windscherm monteren......................................
14 REMSYSTEEM ............................................................
14.1 ABS / Anti Blokkeer Systeem.............................
x
x
x
x
100
101
102
102
103
103
104
105
106
108
111
111
113
113
114
115
116
119
121
122
122
124
125
126
127
127
INHOUDSOPGAVE
6
14.2 Remschijven controleren...................................
14.3 Remvloeistofpeil voorwielrem controleren ...........
14.4 Remvloeistof voorwielrem bijvullen
...............
14.5 Remplaketten voorwielrem controleren ...............
14.6 Remvloeistofpeil achterwielrem controleren ........
14.7 Remvloeistof achterwielrem bijvullen
............
14.8 Remplaketten achterwielrem controleren ............
15 WIELEN, BANDEN ......................................................
15.1 Voorwiel demonteren
...................................
.......................................
15.2 Voorwiel monteren
15.3 Achterwiel demonteren
................................
15.4 Achterwiel monteren
...................................
15.5 Demperpakkingen achterwielnaaf
controleren
.................................................
15.6 Toestand banden controleren ............................
15.7 Bandenspanning controleren .............................
15.8 Spaakspanning controleren ...............................
16 ELEKTRONICA............................................................
16.1 Dagrijlicht .......................................................
16.2 Accu demonteren
........................................
16.3 Accu monteren
...........................................
16.4 Accu laden
.................................................
16.5 Hoofdzekering vervangen ..................................
16.6 Zekeringen in zekeringenblok vervangen .............
16.7 Koplampkap met koplamp demonteren ..............
16.8 Koplampkap met koplamp monteren ..................
16.9 Dimlichtlamp vervangen ...................................
16.10 Lamp groot licht vervangen ...............................
16.11 Koplampstand controleren ................................
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
129
130
130
132
133
134
136
137
137
138
141
143
145
147
149
149
151
151
151
153
154
158
160
163
165
166
167
169
16.12 Lichtbundelbreedte koplamp instellen................
17 KOELSYSTEEM...........................................................
17.1 Koelmiddelpeil vast reservoir controleren............
17.2 Koelmiddelpeil in vast reservoir corrigeren..........
18 MOTOR AFSTELLEN ...................................................
18.1 "Drive Mode"....................................................
18.2 MTC / motorfiets-tractiecontrole ........................
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR ...........................
19.1 Motoroliepeil controleren ..................................
19.2 Motorolie verversen, oliefilter vervangen en
oliezeven reinigen
.......................................
19.3 Motorolie bijvullen ...........................................
20 REINIGING, ONDERHOUD...........................................
20.1 Motorfiets reinigen ...........................................
20.2 Controle en onderhoud voor rijden in de winter ...
21 STALLING ..................................................................
21.1 Stalling ...........................................................
21.2 Inbedrijfname na stalling ..................................
22 FOUTEN OPSPOREN...................................................
23 TECHNISCHE GEGEVENS............................................
23.1 Motor..............................................................
23.2 Aanhaalmomenten motor ..................................
23.3 Vulhoeveelheden..............................................
23.3.1
Motorolie ....................................................
23.3.2
Koelmiddel .................................................
23.3.3
Brandstof ....................................................
23.4 Chassis ...........................................................
23.4.1
Optie: Met EDS ...........................................
23.4.2
Optie: Zonder EDS .......................................
x
170
171
171
172
174
174
174
176
176
177
181
184
184
186
188
188
189
190
193
193
194
197
197
198
198
198
198
198
INHOUDSOPGAVE
23.5 Elektronica......................................................
23.5.1
Optie: Zonder EDS .......................................
23.5.2
Optie: Met EDS ...........................................
23.6 Banden ...........................................................
23.7 Voorvork..........................................................
23.7.1
Optie: Met EDS ...........................................
23.7.2
Optie: Zonder EDS .......................................
23.8 Schokdemper ..................................................
23.8.1
Optie: Met EDS ...........................................
23.8.2
Optie: Zonder EDS .......................................
23.9 Aanhaalmomenten chassis ................................
24 GEBRUIKSSTOFFEN ...................................................
25 HULPSTOFFEN...........................................................
26 NORMEN ...................................................................
INDEX ...............................................................................
7
200
200
200
201
201
201
202
203
203
203
204
208
212
215
216
1
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN
1.1
Gebruikte pictogrammen
Hieronder wordt het gebruik van bepaalde pictogrammen verklaard.
Kenmerkt een verwachte reactie (bijv. van een bepaalde handeling of functie).
Kenmerkt een onverwachte reactie (bijv. van een bepaalde handeling of functie).
Alle werkzaamheden die met dit pictogram zijn gekenmerkt vereisen vakkennis en technisch begrip. Laat de werkzaamheden voor uw eigen veiligheid uitvoeren in een geautoriseerde KTM-garage! Daar wordt uw motorfiets door speciaal geschoolde vakkundige medewerkers met het benodigde hulpgereedschap optimaal onderhouden.
Kenmerkt de verwijzing naar een pagina (op de aangegeven pagina vindt u meer informatie).
1.2
Gebruikte formatering
Hieronder worden de gebruikte letterformaten verklaard.
Eigennaam
Kenmerkt een eigennaam.
Naam®
Kenmerkt een beschermde naam.
Merk™
Kenmerkt een merk in het handelsverkeer.
8
2
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
2.1
Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik
9
KTM-sportmotorfietsen zijn zodanig ontworpen en gebouwd, dat ze bestand zijn tegen de gangbare belastingen in het normale wegverkeer
en op eenvoudige terreinen (niet geasfalteerde wegen). Ze zijn echter niet geschikt voor het rijden op racecircuits.
Info
De motorfiets is alleen in de gehomologeerde versie toegelaten voor het rijden op de openbare weg.
2.2
Veiligheidsaanwijzingen
Voor een veilige omgang met het voertuig dient u zich te houden aan enkele veiligheidsaanwijzingen. Lees deze handleiding daarom zorgvuldig door. De veiligheidsaanwijzingen zijn geaccentueerd en met links gekoppeld aan de relevante plaatsen in de tekst.
Info
Op het voertuig zijn op goed zichtbare plaatsen verschillende stickers met aanwijzingen en waarschuwingen aangebracht. Deze stickers met aanwijzingen en waarschuwingen nooit verwijderen. Als deze ontbreken kunt u of andere personen de gevaren niet herkennen en daardoor letsel oplopen.
2
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
2.3
Gevarenniveau en pictogrammen
10
Gevaar
Waarschuwing voor een gevaar dat direct en met zekerheid overlijden of zwaar blijvend letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste
voorzorgsmaatregelen neemt.
Waarschuwing
Waarschuwing voor een gevaar dat waarschijnlijk overlijden of zwaar letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen
neemt.
Voorzichtig
Waarschuwing voor een gevaar dat mogelijk licht letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat aanmerkelijke schade aan machine of materiaal tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Waarschuwing
Waarschuwing voor een gevaar dat schade aan het milieu tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
2.4
Waarschuwing voor manipulaties
Het is niet toegestaan wijzigingen aan te brengen aan de componenten van de geluidsdemping. De volgende maatregelen of de realisatie
van de betreffende toestanden zijn wettelijk verboden:
1
Verwijderen of buiten werking zetten van systemen of componenten die de geluidsdemping dienen bij een nieuw voertuig, voordat het
wordt verkocht of geleverd aan de eindklant of tijdens de gebruikdsduur van het voertuig voor andere doeleinden dan voor onderhoud,
reparatie of vervanging, evenals
2
het gebruik van het voertuig nadat een dergelijk systeem of een dergelijke component verwijderd of buiten werking is gezet.
Voorbeelden van wettelijk verboden manipulaties:
2
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
1
Verwijderen of doorboren van einddempers, geluidsdempers, bochtstukken of andere componenten, die uitlaatgassen geleiden.
2
Verwijderen of doorboren van onderdelen van het inlaatluchtsysteem.
3
Gebruik in niet correcte onderhoudstoestand.
4
Vervangen van bewegende onderdelen van het voertuig, onderdelen van het uitlaatsysteem of onderdelen van het inlaatluchtsysteem
door onderdelen die niet door de fabrikant zijn toegelaten.
2.5
11
Veilig gebruik
Gevaar
Gevaar voor ongevallen Gevaar door onvoldoende rijvaardigheid.
–
Het voertuig niet gebruiken, wanneer u door consumptie van alcohol, medicijnen of drugs of door lichamelijke of psychische
beperkingen niet in staat bent veilig aan het verkeer deel te nemen.
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen, de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten
draaien zonder een geschikte afzuiginstallatie.
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Sommige onderdelen van het voertuig worden tijdens het rijden zeer heet.
–
Hete onderdelen zoals uitlaatsysteem, radiateur, motor, schokdempers en remsysteem niet aanraken. De onderdelen eerst laten
afkoelen voordat u met werkzaamheden aan deze onderdelen begint.
Het voertuig uitsluitend in technisch goede staat, op de boogde wijze, en veiligheids- en milieubewust gebruiken.
Het voertuig mag uitsluitend door geïnstrueerde personen worden gebruikt. Voor het wegverkeer is het juiste rijbewijs vereist.
Storingen, die de veiligheid beperken, onmiddellijk in een geautoriseerde KTM-garage laten verhelpen.
De op het voertuig aangebrachte stickers met aanwijzingen en waarschuwingen in acht nemen.
2
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
2.6
Beschermende kleding
12
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Geen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
–
Tijdens het rijden altijd beschermende kleding (helm, laarzen, handschoenen, broek en jack met bescherming) dragen. Draag
altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke voorschriften.
Voor uw eigen veiligheid adviseert KTM om het voertuig uitsluitend te gebruiken met geschikte, beschermende kleding.
2.7
Werkinstructies
Voor enkele werkzaamheden is speciaal gereedschap vereist. Deze maken geen deel uit van het voertuig, maar kunnen worden besteld
onder vermelding van de aangegeven nummers tussen haakjes. Voorbeeld: klepveerheffer (59029019000)
Bij de montage moeten onderdelen die niet meer kunnen worden gebruikt (bijvoorbeeld zelfborgende schroeven en moeren, afdichtingen,
pakkingen, keerringen, splitpennen of borgplaten) door nieuwe onderdelen worden vervangen.
Als er bij schroefverbindingen gebruik wordt gemaakt van een schroevenlijm (bijv. Loctite®) moeten de specifieke aanwijzingen van de
fabrikant in acht worden genomen.
Onderdelen die na de demontage weer worden gebruikt, moeten worden gereinigd en gecontroleerd op beschadiging en slijtage. Beschadigde of versleten onderdelen vervangen.
Na een reparatie en/of onderhoudsbeurt moet worden gecontroleerd of het voertuig verkeersveilig is.
2.8
Milieu
Motorrijden is een fantastische sport en we hopen natuurlijk dat u er volledig van kunt genieten. Maar motorfietsen kunnen ook milieuproblemen en conflicten met andere personen veroorzaken. Door op een verantwoordelijke manier met de motorfiets om te gaan kunt u
ervoor zorgen dat deze problemen en conflicten niet ontstaan. Om de toekomst van de motorsport veilig te stellen moet u zich houden aan
de wettelijke regels, milieubewust handelen en de rechten van andere mensen respecteren.
2
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
2.9
Bedieningshandleiding
13
Lees de bedieningshandleiding beslist goed en volledig door voordat u voor het eerst gaat rijden. In de bedieningshandleiding vindt u veel
informatie en tips die bediening, gebruik en onderhoud eenvoudiger maken. Alleen zo komt u te weten hoe u het voertuig het beste afstelt
op uw situatie en hoe u zich tegen letsel kunt beschermen.
Bewaar de bedieningshandleiding op een eenvoudig toegankelijke plaats, zodat u deze op ieder moment kunt raadplegen wanneer dat
nodig is.
Neem contact op met een geautoriseerde KTM-dealer wanneer u meer over het voertuig wilt weten of wanneer tijdens het lezen iets niet
duidelijk is.
De bedieningshandleiding is een belangrijk onderdeel van het voertuig en moet bij verkoop aan de nieuwe eigenaar worden gegeven.
3
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
3.1
Garantie
14
De in het serviceschema voorgeschreven werkzaamheden mogen uitsluitend in een geautoriseerde KTM-garage worden uitgevoerd en moeten in het service- en garantieboekje en op KTM dealer.net worden bevestigd, aangezien anders de aanspraak op garantie vervalt. Bij schade
of gevolgschade, die door manipulaties en/of wijzigingen aan het voertuig zijn veroorzaakt bestaat er geen aanspraak op garantie.
Meer informatie over de garantie en de afwikkeling ervan vindt u in het service- en garantieboekje.
3.2
Verbruiksstoffen, hulpstoffen
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
U moet de in de bedieningshandleiding gespecificeerde verbruiks- en hulpstoffen (bijvoorbeeld brand- en smeerstoffen) gebruiken.
3.3
Reserveonderdelen, toebehoren
Gebruik voor uw eigen veiligheid alleen reserveonderdelen en toebehoren die door KTM zijn vrijgegeven en/of aanbevolen en laat deze
alleen in een geautoriseerde KTM-garage monteren. Voor andere producten en daardoor veroorzaakte schade is KTM niet aansprakelijk.
Enkele reserveonderdelen en toebehoren zijn bij de betreffende beschrijvingen tussen haakjes aangegeven. Uw geautoriseerde KTM-dealer
adviseert u graag.
De actuele KTM PowerParts voor uw voertuig vindt u op de KTM website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
3.4
Service
Voorwaarde voor storingsvrij gebruik en het voorkomen van voortijdige slijtage is dat u zich houdt aan de in de bedieningshandleiding
genoemde service- en afstelwerkzaamheden aan de motor en het chassis. Slechte afstelling van het chassis kan leiden tot beschadiging en
breken van de chassiscomponenten.
3
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
15
Het gebruik van de motorfietsen bij extreme omstandigheden zoals modderige en vochtige wegen kan leiden tot verhoogde slijtage van
componenten zoals de aandrijving of remmen. Daarom kan het nodig zijn een service uit te voeren of slijtageonderdelen te vervangen al
voordat de slijtagegrens volgens het serviceschema is bereikt.
Het is belangrijk dat u zich strikt houdt aan de voorgeschreven inrijtijden en service-intervallen. De inachtneming daarvan draagt in
belangrijke mate bij aan de verhoging van de levensduur van de motorfiets.
3.5
Afbeeldingen
De in de handleiding weergegeven afbeeldingen tonen deels speciale uitrustingen.
Voor een betere weergave en toelichting kunnen enkele onderdelen gedemonteerd of niet afgebeeld zijn. Voor de betreffende beschrijving
is het echter niet altijd noodzakelijk dat deze onderdelen worden gedemonteerd. Houdt u zich aan de aanwijzingen in de tekst.
3.6
Klantenservice
De geautoriseerde KTM-dealer beantwoordt graag uw vragen over uw voertuig of over KTM.
De lijst met geautoriseerde KTM-dealers vindt u op de KTM-website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
4
AFBEELDING VOERTUIG
4.1
Afbeelding voertuig linksvoor (symbolische weergave)
16
S00337-10
4
AFBEELDING VOERTUIG
1
Stopcontact elektrische toebehoren (
2
Koppelingshendel (
pag. 24)
3
Boordgereedschap (
pag. 36)
4
Grepen (
5
Bagagedrager (
6
Zadelslot (
7
Voetsteunen bijrijder (
8
Middenstandaard (
9
Bestuurdersvoetsteunen (
10
Versnellingshendel (
11
Zijstandaard (
12
Kijkglas motorolie
13
Brandstofkranen (
pag. 37)
pag. 37)
pag. 35)
pag. 38)
pag. 40)
pag. 67)
pag. 38)
pag. 39)
pag. 34)
pag. 31)
17
4
AFBEELDING VOERTUIG
4.2
Afbeelding voertuig rechtsachter (symbolische weergave)
18
S00343-10
4
AFBEELDING VOERTUIG
1
Combinatieschakelaar (
pag. 25)
2
Tankdop
3
Contact-/stuurslot (
4
E-starterknop (
5
Noodstopschakelaar (
6
Gashendel (
7
Remhendel (
8
Opbergvak
9
Vast reservoir koelsysteem
10
Rempedaal (
pag. 29)
pag. 29)
pag. 28)
pag. 25)
pag. 24)
pag. 69)
19
5
SERIENUMMERS
5.1
Framenummer
20
Het framenummer 1 is rechtsonder achter het balhoofd in het frame gegraveerd.
Het framenummer staat ook op het typeplaatje.
602610-10
5.2
Typeplaatje
Het typeplaatje 1 is rechtsboven achter balhoofd op het frame aangebracht.
602609-10
5
SERIENUMMERS
5.3
Sleutelnummer
21
Het sleutelnummer Code number 1 staat op de KEYCODECARD.
Info
U hebt het sleutelnummer nodig om een reservesleutel te bestellen. Bewaar
de KEYCODECARD op een veilig plek.
Met de oranje programmeersleutel activeert of deactiveert u de contactsleutel. De
oranje programmeersleutel op een veilige plek bewaren. Hij mag alleen worden
gebruikt voor leer- en programmeerfuncties.
700222-01
5.4
Motornummer
Het motornummer 1 is aan rechterkant van de motor gegraveerd.
S00261-10
5
SERIENUMMERS
5.5
Artikelnummer voorvork
22
Het artikelnummer van de voorvork 1 is aan de binnenzijde van de asopname gegraveerd.
S00306-10
5.6
Artikelnummer schokdemper
(Optie: Zonder EDS)
Het artikelnummer van de schokdemper 1 is in het bovenste deel van de schokdemper
gegraveerd.
S00347-10
5
SERIENUMMERS
23
(Optie: Met EDS)
Het artikelnummer van de schokdemper 1 is met een sticker aan het schokdemperhuis
onder de veer aangebracht.
S00361-10
6
BEDIENINGSELEMENTEN
6.1
Koppelingshendel
De koppelingshendel 1 is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.
De koppeling wordt hydraulisch bediend en automatisch bijgesteld.
S00214-10
6.2
Remhendel
De remhendel 1 is aan de rechterkant van het stuur aangebracht.
Met de remhendel worden tegelijkertijd de voorwielrem en de achterwielrem bediend.
Info
Als de ABS‑mode Offroad ingeschakeld is, wordt alleen de voorwielrem bediend.
Als het ABS uitgeschakeld is, wordt alleen de voorwielrem bediend.
S00215-10
24
6
BEDIENINGSELEMENTEN
6.3
Gashendel
25
De gashendel 1 is aan de rechterkant van het stuur aangebracht.
S00216-10
6.4
Schakelaar links aan stuur
6.4.1
Combinatieschakelaar
De combinatieschakelaar is aan de linkerkant van het stuur aangebracht.
Overzicht combinatieschakelaar links
1
S00224-10
Lichtschakelaar (
pag. 26)
2
Noodknipperlichtschakelaar (
3
Menuschakelaar (
4
Richtingaanwijzerschakelaar (
5
Claxonknop (
pag. 26)
pag. 27)
pag. 28)
pag. 27)
6
BEDIENINGSELEMENTEN
6.4.2
Lichtschakelaar
26
De lichtschakelaar 1 is aan de linkerkant van de combinatieschakelaar aangebracht.
Mogelijke toestanden
Dimlicht aan – Lichtschakelaar in stand A. In deze stand zijn het dimlicht
en achterlicht ingeschakeld.
Groot licht aan – Lichtschakelaar in stand B. In deze stand zijn het groot
licht en achterlicht ingeschakeld.
Seinlicht – Lichtschakelaar in stand C schakelen.
S00219-10
6.4.3
Noodknipperlichtschakelaar
De noodknipperlichtschakelaar 1 is aan de linkerkant van de combinatieschakelaar aangebracht.
De noodknipperlichten worden gebruikt voor het aangeven van noodsituaties.
Info
De noodknipperlichten kunnen bij ingeschakelde ontsteking of tot 60 seconden na
het uitschakelen van de ontsteking worden in- of uitgeschakeld.
Noodknipperlichten slechts zo lang gebruiken als beslist nodig is, aangezien de accu
zo leegraakt.
602606-10
Mogelijke toestanden
Noodknipperlichten aan – Alle vier richtingaanwijzers en de groene controlelampjes op het gecombineerde instrument knipperen.
6
BEDIENINGSELEMENTEN
6.4.4
Menuschakelaar
27
De menuschakelaar is links in het midden van de combinatieschakelaar aangebracht.
Met de menutoetsen wordt het matrixdisplay op het gecombineerde instrument bestuurd.
Toets 1 is de UP‑toets.
Toets 2 is de DOWN‑toets.
Toets 3 is de SET‑toets.
Toets 4 is de BACK‑toets.
S00224-11
6.4.5
Richtingaanwijzerschakelaar
De richtingaanwijzerschakelaar 1 is aan de linkerkant van de combinatieschakelaar aangebracht.
Mogelijke toestanden
Richtingaanwijzer uit – Richtingaanwijzerschakelaar indrukken.
Richtingaanwijzer links aan – Richtingaanwijzerschakelaar naar links
geschakeld. De richtingaanwijzerschakelaar springt na het schakelen terug
in de middelste stand.
S00217-10
Richtingaanwijzer rechts aan – Richtingaanwijzerschakelaar naar rechts
geschakeld. De richtingaanwijzerschakelaar springt na het schakelen terug
in de middelste stand.
Voor het uitschakelen van de richtingaanwijzer moet u de richtingaanwijzerschakelaar richting het schakelaarhuis duwen.
6
BEDIENINGSELEMENTEN
6.4.6
Claxonknop
28
De claxonknop 1 is aan de linkerkant van de combinatieschakelaar aangebracht.
Mogelijke toestanden
• Claxonknop in de uitgangspositie.
• Claxonknop ingedrukt – In deze stand wordt de claxon geactiveerd.
S00218-10
6.5
Schakelaar rechts aan stuur
6.5.1
Noodstopschakelaar
De noodstopschakelaar 1 is aan de rechterkant van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Noodstopschakelaar uit – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken. Een draaiende motor schakelt uit en een stilstaande motor kan niet
worden gestart. Er verschijnt een melding in het matrixdisplay.
Noodstopschakelaar aan – Deze stand is noodzakelijk bij het rijden, het
ontstekingscircuit is gesloten.
S00220-10
6
BEDIENINGSELEMENTEN
6.5.2
E-starterknop
29
De e-starterknop 1 is aan de rechterkant van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
• E-starterknop in de uitgangspositie.
• E-starterknop ingedrukt – In deze stand wordt de e-starter geactiveerd.
S00221-10
6.6
Contact-/stuurslot
Het contact-/stuurslot 1 bevindt zich voor de bovenste kroonplaat.
Info
Voor het inschakelen van de ontsteking mag uitsluitend een zwarte contactsleutel
worden gebruikt.
Met de oranje programmeersleutel activeert of deactiveert u de zwarte contactsleutel.
Mogelijke toestanden
602611-10
Ontsteking uit OFF – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken.
Een draaiende motor schakelt uit en een stilstaande motor schakelt niet in.
De zwarte contactsleutel kan eruit worden getrokken.
Contact ingeschakeld ON – In deze stand is het ontstekingscircuit gesloten
en kan de motor worden gestart.
6
BEDIENINGSELEMENTEN
30
Stuur geblokkeerd – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken en
het stuur geblokkeerd. De zwarte contactsleutel kan eruit worden getrokken.
6.7
Wegrijblokkering
De elektronische wegrijblokkering beveiligt het voertuig tegen gebruik door onbevoegden.
Door het eruit trekken van de contactsleutel wordt de wegrijblokkering automatisch geactiveerd en de motorelektronica geblokkeerd.
Het controlelampje wegrijblokkering 1 kan door te knipperen fouten aangeven.
Als de optionele alarminstallatie ingebouwd is, knippert het controlelampje van de wegrijblokkering 1 bij ingeschakelde alarminstallatie.
Info
401815-10
De contactsleutels zijn uitgerust met elektronische componenten. Nooit meerdere
contactsleutels in één sleutelbos dragen, aangezien ze elkaar dan kunnen storen.
Een verloren zwarte contactsleutel moet worden gedeactiveerd om te voorkomen dat onbevoegden met het voertuig gaan rijden.
De zwarte contactsleutels zijn in de leveringstoestand geactiveerd.
Bij een geautoriseerde KTM-garage kunnen nog twee extra sleutels (sleutelnummer op
de KEYCODECARD) worden besteld; deze moeten echter voor gebruik worden geactiveerd.
6
BEDIENINGSELEMENTEN
6.8
Stopcontact elektrische toebehoren
31
Het stopcontact 1 voor elektrische toebehoren is links naast het gecombineerde instrument
aangebracht.
Deze is aangesloten op continu plus en afgezekerd.
Stopcontact elektrische toebehoren
Spanning
12 V
Maximale stroomopname
10 A
S00383-10
6.9
Tankdop openen
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
–
Tank het voertuig nooit in de buurt van open vuur of brandende sigaretten en schakel de motor bij het tanken altijd uit. Let er
vooral op dat er geen brandstof wordt gemorst op de hete onderdelen van het voertuig. Gemorste brandstof meteen afvegen.
–
Als de brandstof wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uitstromen als de tank te vol zit. Aanwijzingen voor het
tanken van brandstof in acht nemen.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Erop letten dat brandstof niet in aanraking komt met de huid, ogen en kleding. Adem brandstofdampen niet in. Bij contact met
de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Verontreinigde huid meteen reinigen met water en zeep. Als brandstof is ingeslikt meteen een arts raadplegen. Met brandstof verontreinigde kleding wisselen. Brandstof volgens de voorschriften
bewaren in een jerrycan en uit de buurt van kinderen houden.
6
BEDIENINGSELEMENTEN
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
–
Afdekking 1 op de tankdop omhoog klappen en contactsleutel 2 in het tankslot steken.
602612-10
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Breken van de contactsleutel.
–
S00351-10
Voor de ontlasting van de contactsleutel op de tankdop duwen. Beschadigde contactsleutels moeten worden vervangen.
–
Contactsleutel 2 met de klok mee draaien.
–
Tankdop 3 omhoog klappen.
32
6
BEDIENINGSELEMENTEN
6.10
Tankdop sluiten
33
–
Tankdop 1 omlaag klappen.
–
Contactsleutel 2 met de klok mee draaien.
–
Tankdop indrukken en contactsleutel 2 terugdraaien totdat het tankslot sluit.
S00352-10
Waarschuwing
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar, giftig en schadelijk voor de
gezondheid.
–
S00353-10
–
Tankdop na het sluiten controleren op correcte vergrendeling. Met brandstof
verontreinigde kleding wisselen. Huid bij contact meteen reinigen met water
en zeep.
Contactsleutel 2 eruit trekken en afdekking 3 omlaag klappen.
6
BEDIENINGSELEMENTEN
6.11
Brandstofkranen
Er bevindt zich een brandstofkraan 1 aan iedere kant van de brandstoftank.
Info
De brandstofkranen moeten tijdens het rijden altijd zijn geopend.
De brandstofkranen worden alleen gesloten voor het verwijderen van de brandstoftank.
202396-10
6.12
Mogelijke toestanden
• Brandstofkranen gesloten – Er kan geen niveaucompensatie plaatsvinden en geen
brandstof uit de brandstoftank stromen.
• Brandstofkranen geopend – Er kan niveaucompensatie plaatsvinden en brandstof uit
de brandstoftank stromen.
Opbergvak openen
–
S00385-10
Toets 1 in pijlrichting duwen en tegelijkertijd het deksel optillen.
34
6
BEDIENINGSELEMENTEN
6.13
Opbergvak sluiten
–
Deksel 1 achter indrukken, totdat u hoort dat hij vergrendelt.
S00385-11
6.14
Zadelslot
(Optie: Zonder EDS)
Het zadelslot 1 bevindt zich aan de linkerkant van het voertuig.
S00355-10
35
6
BEDIENINGSELEMENTEN
(Optie: Met EDS)
Het zadelslot 1 bevindt zich aan de linkerkant van het voertuig.
Hij kan met de contactsleutel ontgrendeld worden.
602614-10
6.15
Boordgereedschap
Het boordgereedschap 1 bevindt zich onder het zadel.
602615-10
36
6
BEDIENINGSELEMENTEN
6.16
Grepen
37
De bijrijder kan zich tijdens het rijden aan de grepen 1 vasthouden.
602616-10
6.17
Bagagedrager
De bagagedragerplaat 1 bevindt zich achter het zadel.
Op de bagagedragerplaat kan de basisplaat van een koffersysteem (optioneel) worden
bevestigd.
De bagagedragerplaat mag maximaal met het aangegeven gewicht worden belast.
Maximaal toegestane belasting van de bagagedragerplaat
602616-11
8 kg
Info
Opletten op de aanwijzingen van de kofferfabrikant.
6
BEDIENINGSELEMENTEN
6.18
Voetsteunen bijrijder
De voetsteunen voor de bijrijder kunnen worden ingeklapt.
Mogelijke toestanden
• Voetsteunen bijrijder ingeklapt – Voor het rijden zonder bijrijder.
• Voetsteunen bijrijder uitgeklapt – Voor het rijden met bijrijder.
S00234-10
6.19
Versnellingshendel
De versnellingshendel 1 is aan de linkerkant van de motor aangebracht.
602629-10
38
6
BEDIENINGSELEMENTEN
39
De positie van de versnellingen kunnen afgelezen worden op de afbeelding.
De stationair bevindt zich tussen de 1e en 2e versnelling.
602630-10
6.20
Zijstandaard
De zijstandaard 1 bevindt zich aan de linker voertuigzijde.
De zijstandaard wordt gebruikt voor het parkeren van de motorfiets.
Info
Tijdens het rijden moet de zijstandaard opgeklapt zijn.
De zijstandaard is gekoppeld aan het veiligheidsstartsysteem. Lees de aanwijzingen
in het hoofdstuk Stoppen, parkeren.
602618-10
Mogelijke toestanden
• Zijstandaard uitgeklapt – Het voertuig kan op de zijstandaard worden neergezet. Het
veiligheidsstartsysteem is actief.
• Zijstandaard ingeklapt – Deze stand is altijd nodig als u gaat rijden. Het veiligheidsstartsysteem is niet actief.
6
BEDIENINGSELEMENTEN
6.21
Middenstandaard (Optie: Middenstandaard)
Naast de zijstandaard is het voertuig uitgerust met een middenstandaard 1.
602619-10
40
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.1
Overzicht
41
1
Matrixdisplay (
2
Toerenteller
pag. 42)
3
Schakellicht (
4
Segmentendisplay
5
Controlelampjes (
pag. 45)
pag. 43)
401800-10
7.2
Activering en test
Activering
Het gecombineerde instrument wordt ingeschakeld met het contact.
Info
De helderheid van de weergave wordt geregeld door een helderheidssensor in het
gecombineerde instrument.
401801-01
Test
Het segmentendisplay, de controlelampjes en de toerenteller worden kort aangestuurd voor
een functietest.
Op het matrixdisplay verschijnt een welkomsttekst en een aanwijzing over de volgende servicebeurt ( pag. 46).
Info
Als de accu losgekoppeld was, moeten tijd en datum opnieuw worden ingesteld.
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.3
Matrixdisplay
42
De weergave op het matrixdisplay wordt bestuurd met de menuschakelaar ( pag. 27).
Na het inschakelen van het contact, wordt aangegeven wanneer de volgende servicebeurt
( pag. 46) moet worden uitgevoerd.
Als bij de controlelampjes ( pag. 43) het waarschuwingslampje algemeen gaat branden, wordt de bijbehorende melding op het matrixdisplay weergegeven. Met de Set‑toets
wordt de ontvangst van de informatie bevestigd en de melding verdwijnt.
Meldingen verschijnen
10 s
401821-01
7.4
Segmentendisplay
401854-10
1
Brandstofpeil
2
Tijd
3
Eenheid voor snelheidsindicatie
4
Versnellingsindicatie
5
Snelheid
6
"Drive Mode" (
7
Koelmiddeltemperatuur
8
Ingestelde beladingstoestand (alleen bij EDS)
9
Waarschuwing voor glad wegdek
pag. 174)
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.5
Controlelampjes
43
Mogelijke toestanden
Controlelampje groot licht brandt blauw – Groot licht is ingeschakeld.
Controlelampje wegrijblokkering brandt/knippert rood – Status- of foutmelding bij de wegrijblokkering/alarminstallatie.
Waarschuwingslampje oliedruk brandt rood – Motoroliedruk is te laag .
401813-01
Waarschuwingslampje algemeen brandt geel – Een aanwijzing/waarschuwing voor de rijveiligheid is gedetecteerd. Dit wordt ook op
het matrixdisplay weergegeven.
Linker knipperlichtlamp knippert groen in het knipperritme – Richtingaanwijzer links is ingeschakeld.
Controlelampje stationair brandt groen – Versnelling is in vrij geschakeld.
Rechter knipperlichtlamp knippert groen in het knipperritme – Richtingaanwijzer rechts is ingeschakeld.
Motorwaarschuwingslampje brandt/knippert geel – De motorbesturingsunit
heeft een fout herkend.
ABS‑lampje brandt/knippert geel – Het ABS is niet actief. Het ABS-lampje
brandt ook als er een fout herkend is.
TC‑lampje brandt/knippert geel – De tractiecontrole is niet actief of is bezig
met regelen. Het TC-lampje brandt ook als er een fout herkend is.
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.6
Melding op matrixdisplay
44
Mogelijke toestanden
Motorstoring – De motorbesturingsunit heeft een fout herkend. Naar een
geautoriseerde KTM-garage gaan.
Algemene melding – Algemene melding over de rijveiligheid. Naar een
geautoriseerde KTM-garage gaan.
ABS-waarschuwing – ABS-functie is niet beschikbaar. Naar een geautoriseerde KTM-garage gaan.
401850-01
Tractiecontrole – De tractiecontrole is niet beschikbaar. Naar een geautoriseerde KTM-garage gaan.
Motoroliedruk – Motoroliedruk is te laag . De motor meteen uitzetten. Contact opnemen met geautoriseerde KTM-garage.
Motoroliepeil – Motoroliepeil is te laag. Motoroliepeil controleren en corrigeren.
Bandenspanning – De bandenspanning is niet in orde of het systeem is uitgevallen. Controleer de bandenspanning.
Lichtsysteem – Brandt als een element in het lichtsysteem uitgevallen is.
Defecte lamp vervangen of naar een geautoriseerde KTM-garage gaan.
Koelwatertemperatuur – Koelwatertemperatuur is te hoog. Motor uitzetten.
Contact opnemen met geautoriseerde KTM-garage.
Brandstofreserve – Brandstoftank bijna leeg. Bij de volgende gelegenheid
brandstof tanken.
Pictogram glad wegdek – Glad wegdek is mogelijk. De snelheid aanpassen
aan de gewijzigde rijwegsituatie.
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
45
Accuspanning – Accuspanning is te laag. Accu met geschikte acculader
laden.
Service – Er moet een servicebeurt worden uitgevoerd. Contact opnemen
met geautoriseerde KTM-garage.
Noodstopschakelaar – De noodstopschakelaar is uit.
De meldingen worden in het menu "Warnings" weergegeven.
7.7
Schakellicht
Het schakellicht knippert of brandt wanneer een schakeling moet worden uitgevoerd.
In het menu "Shift Light" kan het toerental voor het schakellicht worden ingesteld. Bij
"RMP1" knippert het schakellicht en bij "RPM2" brandt hij.
401855-01
Motorolietemperatuur
> 35 °C
"RPM1" schakellicht
knippert
"RPM2" schakellicht
brandt
Motorolietemperatuur
≤ 35 °C
Schakellicht brandt altijd bij
6.500 1/min
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.8
Service-indicatie
46
Na het inschakelen van het contact wordt kort de service-indicatie weergegeven.
De service-intervallen zijn afhankelijk van afstand en tijd. Afhankelijk van welke gebeurtenis als eerste intreedt.
De precieze service-intervallen staan in het serviceschema.
401821-01
7.9
Matrixdisplay menu
7.9.1
"Favorites"
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Favorites" op het matrixdisplay
verschijnt. Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
Met de UP of DOWN‑toets menupunt selecteren en met de SET‑toets aansturen.
–
Door twee keer op de BACK‑toets te drukken gaat u weer naar het menu "Favorites".
In het menu "Favorites" kunnen vijf menu's direct worden aangestuurd.
In het menu "Set Favorites" wordt het menu "Favorites" geconfigureerd.
401827-01
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.9.2
"Trip 1"
–
47
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Trip 1" op het matrixdisplay verschijnt.
"Trip 1" geeft de gereden afstand aan sinds de laatste reset, bijvoorbeeld tussen twee
tankstops. "Trip 1" loopt mee en telt tot 9999.
"Ø Speed 1" geeft de gemiddelde snelheid aan op basis van "Trip 1" en "Trip Time 1".
"Ø Cons 1" geeft het gemiddelde verbruik aan op basis van "Trip 1" en "Trip Time 1".
"Trip Time 1" geeft de rijtijd op basis van "Trip 1" aan en begint te lopen op het moment dat
een snelheidssignaal wordt ontvangen.
"Fuel Range" geeft de mogelijke reikwijdte van de brandstofreserve aan.
Toets 3-5 seconden ingedrukt houden.
401826-01
7.9.3
Alle items in het menu "Trip 1" worden gewist.
"Trip 2"
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Trip 2" op het matrixdisplay verschijnt.
"Trip 2" geeft de gereden afstand aan sinds de laatste reset, bijvoorbeeld tussen twee
tankstops. "Trip 2" loopt mee en telt tot 9999.
"Ø Speed 2" geeft de gemiddelde snelheid aan op basis van "Trip 2" en "Trip Time 2".
"Ø Cons 2" geeft het gemiddelde verbruik aan op basis van "Trip 2" en "Trip Time 2".
"Trip Time 2" geeft de rijtijd op basis van "Trip 2" aan en begint te lopen op het moment dat
een snelheidssignaal aanwezig is.
"Fuel Range" geeft de mogelijke reikwijdte van de brandstofreserve aan.
401825-01
Toets 3-5 seconden ingedrukt houden.
Alle items in het menu "Trip 2" worden gewist.
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.9.4
"General Info"
–
48
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "General Info " op het matrixdisplay verschijnt.
"Air Temp " geeft de omgevingsluchttemperatuur aan.
"Date" geeft de datum aan.
"ODO" geeft het totaal gereden traject aan.
"Battery" geeft de accuspanning aan.
"Oil Temp" geeft de motorolietemperatuur aan.
401824-01
7.9.5
"TPMS" (optioneel)
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "TPMS" op het matrixdisplay verschijnt.
Voorgeschreven waarde
Bandenspanning solo / met bijrijder / volledige nuttige last
401845-01
voor: Bij koude band
2,4 bar
achter: Bij koude band
2,9 bar
In het menu "TPMS" wordt de bandenspanning van voor- en achterband weergegeven.
In het menu "Front" wordt de bandenspanning voor weergegeven.
"Rear" geeft de bandenspanning achter aan.
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.9.6
"Set Favorites"
49
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Set Favorites " op het matrixdisplay verschijnt. Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
Met de UP of DOWN‑toets menu selecteren. Met de SET‑toets het menu voor de snelkeuze instellen.
In het menu "Set Favorites" wordt het menu "Favorites" geconfigureerd.
401843-01
7.9.7
"Settings"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
In het menu "Settings" worden instellingen voor eenheden of verschillende waarden uitgevoerd. Enkele functies kunnen worden geactiveerd of gedeactiveerd.
401841-01
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.9.8
"Warnings"
50
Voorwaarden
• Melding of waarschuwing
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Warnings" op het matrixdisplay verschijnt. Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑toets door de waarschuwingen navigeren.
In het menu "Warnings" worden de opgetreden waarschuwingen weergegeven en opgeslagen,
totdat ze niet meer actief zijn.
401840-01
7.9.9
"Heat Grip" (optioneel)
401838-01
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Heat Grip " op het matrixdisplay verschijnt. Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑toets door het menu navigeren. Met de SET‑toets kunt u een verwarmingsstand selecteren of de handgreepverwarming uitschakelen.
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.9.10
"MTC/ABS"
51
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "MTC/ABS" op het matrixdisplay verschijnt.
In het menu "MTC/ABS" kunnen "MTC" en "ABS" worden uitgeschakeld.
In "ABS Mode " kan tussen "Road" en "Offroad" worden gekozen.
Info
Na het inschakelen van het contact zijn de tractiecontrole en het ABS weer actief.
Als de ABS‑mode "Offroad" actief is, regelt het ABS alleen aan het voorwiel. Het achterwiel wordt niet meer via het ABS geregeld; het achterwiel kan bij het remmen
blokkeren.
Als de ABS‑mode "Road" actief is, wordt bij het gebruik van de voorwielrem ook het
achterwiel geremd. Het ABS kan aan beide wielen regelen.
401837-01
7.9.11
"Load"
Voorwaarden
• Model met EDS.
401833-01
•
Voertuig staat stil.
•
Motor draait.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Load" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑toets selecteert u een beladingstoestand. Met de SET‑toets bevestigt u de selectie.
U kunt in het menu "Beladung" kiezen uit vier beladingstoestanden.
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.9.12
"Damping"
52
Voorwaarden
• Model met EDS.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Damping" op het matrixdisplay
verschijnt. Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑toets navigeert u door het menu. Met de SET-toets kunt u de demping instellen.
U kunt in het menu "Damping" kiezen uit "SPORT", "STREET" en "COMFORT".
401831-01
7.9.13
"Drive Mode"
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Drive Mode " op het matrixdisplay verschijnt. Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑toets door het menu navigeren. Met de SET‑toets kunnen op elkaar
afgestemde instellingen van motor en tractiecontrole worden geselecteerd.
SPORT – gehomologeerd vermogen met zeer directe respons, de tractiecontrole laat
een hogere slip aan het achterwiel toe
STREET – gehomologeerd vermogen met evenwichtige respons, de tractiecontrole
laat een normale slip aan het achterwiel toe
401829-01
RAIN – gereduceerd, gehomologeerd vermogen voor betere rijbaarheid, de tractiecontrole laat een normale slip aan het achterwiel toe
OFFROAD – gereduceerd, gehomologeerd vermogen voor betere rijbaarheid, de tractiecontrole laat een hogere slip aan het achterwiel toe
53
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.9.14
Menu-overzicht
54
401848-01
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
"KTM"-startscherm
Menutoetsen
"Favorites"
"Trip 1"
"Trip 2"
"General Info"
"TPMS" (optioneel)
"Set Favorites"
"Settings"
"Warnings" (alleen actief, als er meldingen zijn actief zijn)
"Heat Grip" (optioneel)
"MTC/ABS"
"Load" (model met EDS)
"Damping" (model met EDS)
"Drive Mode"
55
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.9.15
"Language"
56
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
Door de SET‑toets nog een keer in te drukken de taal selecteren.
De menutalen zijn Engels, Duits, Italiaans, Frans en Spaans.
401842-10
7.9.16
"Distance"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken totdat "Distance" het matrixdisplay met een zwarte achtergrond wordt weergegeven. Door nog een keer op de SET‑toets te drukken wordt de
eenheid ingesteld.
De eenheid kilometer "km" of mijl "mi" voor de afstand selecteren.
401842-11
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.9.17
"Temp"
57
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken totdat "Temp" het matrixdisplay met een zwarte achtergrond wordt weergegeven. Door nog een keer op de SET‑toets te drukken wordt de eenheid ingesteld.
De eenheid "°C" oder "°F" voor de temperatuurindicatie selecteren.
401842-12
7.9.18
"Volume"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken totdat "Volume" het matrixdisplay met een zwarte achtergrond wordt weergegeven. Door nog een keer op de SET‑toets te drukken wordt de eenheid ingesteld.
De eenheid "Liter" of "Gallon" voor de verbruiksindicatie selecteren.
401842-13
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.9.19
"Pressure"
58
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken totdat "Pressure" het matrixdisplay met een zwarte achtergrond wordt weergegeven. Door nog een keer op de SET‑toets te drukken wordt de
eenheid ingesteld.
De eenheid "bar" of "psi" voor de bandendrukindicatie selecteren.
401842-14
7.9.20
"Clock/Date"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
401823-01
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken totdat "Clock/Date" op het matrixdisplay met een zwarte
achtergrond wordt weergegeven. Door nog een keer op de SET‑toets te drukken wordt
het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑toets door het menu navigeren. Met de SET‑toets wordt de tijd of
de datum ingesteld.
Als de accu losgekoppeld was, moeten tijd en datum op het matrixdisplay opnieuw worden
ingesteld.
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.9.21
"Fuel Cons"
59
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken totdat "Fuel Cons " op het matrixdisplay met een zwarte
achtergrond wordt weergegeven. Door nog een keer op de SET‑toets te drukken wordt de
eenheid ingesteld.
Eén van de mogelijke verbruiksindicaties selecteren.
401842-16
7.9.22
"DRL"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken totdat "DRL" het matrixdisplay met een zwarte achtergrond
wordt weergegeven. Door nog een keer op de SET‑toets te drukken wordt het dagrijlicht
in- of uitgeschakeld.
Dagrijlicht in- of uitschakelen.
401842-17
Info
Houdt u zich aan de wettelijke vereisten voor het dagrijlicht.
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.9.23
"Shift Light"
60
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
401846-01
7.9.24
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken totdat "Shift Light" op het matrixdisplay met een zwarte
achtergrond wordt weergegeven. Door nog een keer op de SET‑toets te drukken wordt
het menu geopend.
–
Met de UP of DOWN‑toets functie selecteren. Met de SET‑toets wordt het toerental voor
het schakellicht ingesteld.
Als het motortoerental "RPM 1" bereikt, knippert het schakellicht.
Als het motortoerental "RPM 2" bereikt, brandt het schakellicht.
Functie "Shift Light" in- of uitschakelen.
"Quick Shift"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
De functie "Quick Shift" kan niet worden geactiveerd.
Info
Deze functie is niet voor dit model bedoeld.
401842-20
7
GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.9.25
"Heat Grips"
61
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SET‑toets wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken totdat "Heat Grips" op het matrixdisplay met een zwarte
achtergrond wordt weergegeven. Door nog een keer op de SET‑toets te drukken wordt
het Heat Grips-menu in- of uitgeschakeld.
heat Grips-menu in- of uitschakelen.
401842-21
8
ERGONOMIE
8.1
Bestuurderszadel instellen
62
Voorwerk
– Bijrijderzadel verwijderen. (
pag. 101)
Alternatief 1
– Het bestuurderszadel met de uitsparingen 1 aan de brandstoftank vasthaken,
omlaag en tegelijkertijd naar voren schuiven.
401678-10
Alternatief 2
– Het bestuurderszadel met de uitsparingen 1 aan de brandstoftank vasthaken,
omhoog en tegelijkertijd naar voren schuiven.
–
Vervolgens controleren of het bestuurderszadel correct is gemonteerd.
401679-10
Nawerk
– Bijrijderzadel monteren. (
pag. 102)
8
ERGONOMIE
8.2
Stuurstand
63
De boringen op de stuuradapter zijn op een afstand A van het midden geplaatst.
Afstand boringen A
3,5 mm
Het stuur kan in verschillende twee standen worden gemonteerd. Daardoor kan het stuur in
de voor de bestuurder meest aangename stand worden gezet.
401666-11
8.3
Stuurstand instellen
x
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Gebroken stuur.
–
Als het stuur wordt gebogen of uitgelijnd, treedt er materiaalmoeheid op en kan het stuur breken. Stuur altijd vervangen.
–
Schroeven 1 verwijderen. Stuurplaten verwijderen. Stuur verwijderen en opzij leggen.
Info
Motorfiets en aanbouwdelen afdekken om deze te beschermen tegen beschadigingen.
Kabels en leidingen niet knikken.
308080-01
–
Schroeven 2 verwijderen. Stuuradapter verwijderen.
–
Stuuradapter in de gewenste stand zetten. Schroeven 2 monteren en vastdraaien.
8
ERGONOMIE
64
Voorgeschreven waarde
Schroef stuuradapter
M10
40 Nm
Loctite® 243™
Info
Stuuradapters links en rechts gelijkmatig positioneren.
–
Stuur positioneren.
Info
Erop letten dat de kabels en leidingen goed worden gelegd.
–
Stuurplaten positioneren. Schroeven 1 monteren en gelijkmatig vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef stuurklemmen
8.4
M8
Windscherm instellen
–
S00344-10
Spanhendel 1 losmaken door deze in pijlrichting te trekken.
20 Nm
8
ERGONOMIE
65
–
Windscherm in de gewenste stand zetten.
–
Spanhendel 1 vergrendelen door deze in pijlrichting te duwen.
S00345-01
S00344-11
8
ERGONOMIE
8.5
Basisinstelling koppelingshendel instellen
66
–
Uitgangspositie van de koppelingshendel met de stelschroef 1 aan de grootte van de
hand aanpassen.
Info
Als de stelschroef met de klok mee wordt gedraaid komt de koppelingshendel
verder van het stuur af te staan.
Als de stelschroef tegen de klok in wordt gedraaid komt de koppelingshendel
dichter bij het stuur te staan.
Het instelbereik is beperkt.
De stelschroef alleen met de hand draaien en geen geweld gebruiken.
Niet instellen tijdens het rijden.
S00244-10
8.6
Uitgangspositie remhendel instellen
–
Uitgangspositie van de remhendel met het stelwiel 1 aan de grootte van de hand aanpassen.
Info
Remhendel naar voren duwen en stelwiel draaien.
Niet instellen tijdens het rijden.
S00243-10
8
ERGONOMIE
8.7
Bestuurdersvoetsteunen
67
De bestuurdersvoetsteunen kunnen in twee standen worden gemonteerd.
Mogelijke toestanden
• Bestuurdersvoetsteunen laag A
• Bestuurdersvoetsteunen hoog B
602622-10
8.8
Voetsteunen instellen
x
Info
De werkstappen zijn links en rechts gelijk.
602623-10
–
Splitpen 1 met ring 2 verwijderen.
–
Bout 3 van bestuurdersvoetsteun verwijderen.
–
Bestuurdersvoetsteun met veer 4 eraf halen.
8
ERGONOMIE
68
–
Schroeven 5 verwijderen.
–
Voetsteunhouder op de gewenste stand instellen.
602624-10
602625-01
–
Schroeven 5 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef voetsteunhouder
voor
602624-10
M8
25 Nm
Loctite® 243™
8
ERGONOMIE
69
–
Bestuurdersvoetsteun met veer 4 en bout 3 monteren.
Tang voor voetsteunveer (58429083000)
–
Ring 2 en splitpen 1 monteren.
602626-10
8.9
Rempedaal
Het rempedaal 1 bevindt zich voor de rechter voetsteun.
De achterwielrem wordt geschakeld met het rempedaal.
602627-10
8.10
Uitgangspositie rempedaal instellen
x
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als er geen vrije slag aan het rempedaal aanwezig is bouwt er zich druk op in het remsysteem op de achterwielrem. De achterwielrem kan door oververhitting uitvallen. Vrije slag van het rempedaal instellen volgens de voorgeschreven waarden.
8
ERGONOMIE
70
–
Veer 1 losmaken.
–
Moer 2 losdraaien.
–
Schroef 3 verwijderen.
–
Voor de individuele aanpassing van de uitgangspositie van het rempedaal kogelscharnier 4 draaien.
Info
Het instelbereik is beperkt.
Minimaal 5 schroefgangen moeten in het kogelscharnier ingeschroefd zijn.
602628-10
–
Kogelscharnier 4 tegenhouden en moer 2 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige moeren chassis
–
M6
10 Nm
M6
10 Nm
Schroef 3 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige moeren chassis
–
Veer 1 vasthaken.
8
ERGONOMIE
8.11
Uitgangspositie versnellingshendel controleren
71
–
In de rijpositie op het voertuig gaan zitten en de afstand A meten tussen de bovenkant
van de laars en versnellingshendel.
Afstand versnellingshendel tot bovenkant
laars
»
A
0
10… 20 mm
Als de afstand niet met de voorgeschreven waarde overeenkomt:
–
Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen.
x(
400692-10
8.12
Uitgangspositie versnellingshendel instellen
–
602787-10
x
Schroef 1 verwijderen en versnellingshendel 2 verwijderen.
pag. 71)
8
ERGONOMIE
72
–
Tanden A van versnellingshendel en schakelas reinigen.
–
Versnellingshendel in de gewenste stand op de schakelas steken en de tanden laten
grijpen.
Info
Het instelbereik is beperkt.
De versnellingshendel mag bij het schakelen de voertuigcomponenten niet
raken.
602630-10
–
Schroef monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef versnellingshendel
M6
18 Nm
Loctite® 243™
9
INBEDRIJFNAME
9.1
Aanwijzingen voor eerste inbedrijfname
73
Gevaar
Gevaar voor ongevallen Gevaar door onvoldoende rijvaardigheid.
–
Het voertuig niet gebruiken, wanneer u door consumptie van alcohol, medicijnen of drugs of door lichamelijke of psychische
beperkingen niet in staat bent veilig aan het verkeer deel te nemen.
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Geen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
–
Tijdens het rijden altijd beschermende kleding (helm, laarzen, handschoenen, broek en jack met bescherming) dragen. Draag
altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke voorschriften.
Waarschuwing
Gevaar voor vallen Beperking van het rijgedrag door verschillende bandprofielen aan voor- en achterwiel.
–
Voor- en achterwiel moeten altijd zijn uitgerust met banden met een gelijksoortig profiel, anders kan de motor oncontroleerbaar
worden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Ongecontroleerd rijgedrag door niet vrijgegeven en/of aanbevolen banden/wielen.
–
Alleen door KTM vrijgegeven en/of aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex gebruiken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde wegligging bij nieuwe banden.
–
Nieuwe banden hebben een glad contactvlak, waardoor het wegcontact niet volledig is. Het volledige contactvlak moet de eerste
200 kilometers bij een gematigde rijstijl en in verschillende schuine standen worden geruwd. Pas nadat de banden zijn ingereden wordt de volledige wegligging bereikt.
9
INBEDRIJFNAME
74
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken. De achterwielrem kan door oververhitting uitvallen. De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt remmen.
Info
Houd er bij het gebruik van het voertuig rekening mee, dat andere mensen last kunnen hebben van overmatig lawaai.
–
Verzeker u ervan dat de afleveringsinspectie is uitgevoerd door een geautoriseerde KTM-garage.
U ontvangt het leveringsdocument en het service- en garantieboekje bij de overdracht van het voertuig.
–
Voordat u voor het eerst gaat rijden moet u de volledige bedieningshandleiding goed doorlezen.
–
Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bedieningselementen.
–
Stel de motorfiets op de in het hoofdstuk Ergonomie beschreven wijze in op uw behoeften.
–
Oefen voordat u een lange rit gaat maken eerst op een geschikt terrein, zodat u gewend raakt aan het besturen van de motorfiets. Probeer ook eens zo langzaam mogelijk te rijden en staand te rijden zodat u meer gevoel voor de motorfiets krijgt.
–
Houd tijdens het rijden het stuur met beide handen vast en laat de voeten op de voetsteunen rusten.
–
Motor inrijden.
9.2
–
Motor inrijden
Tijdens de inrijperiode het aangegeven motortoerental niet overschrijden.
Voorgeschreven waarde
Maximaal motortoerental
–
Tijdens de eerste: 1.000 km
6.500 1/min
Na de eerste: 1.000 km
10.250 1/min
Vol gas geven vermijden!
9
INBEDRIJFNAME
75
Info
Als het maximale motortoerental voor de eerste servicebeurt wordt overschreden, gaat het schakellicht knipperen.
9.3
Voertuig beladen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag.
–
Het maximale totaalgewicht en asbelasting nooit overschrijden. Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de
gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de bestuurder en bijrijder met beschermende kleding en helm, plus de bagage.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag door ondeskundige montage van een bagagedrager of tanktas.
–
Bagagedrager en tanktas volgens de aanwijzingen van de producent monteren en borgen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag bij hoge snelheid.
–
De snelheid aanpassen aan de extra belasting. Rijd langzamer als uw motorfiets is beladen met koffers of andere bagage.
Maximumsnelheid met bagage
150 km/h
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Gevaar voor breken van het bagagesysteem.
–
Als u een bagagedrager op uw motorfiets hebt gemonteerd, moet u rekening houden met de gegevens van de producent over de
maximale belasting.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door verschoven bagage bent u slecht zichtbaar voor andere verkeersdeelnemers.
–
Als het achterlicht bedekt is, bent u moeilijk te zien voor de verkeersdeelnemers achter u, vooral als het donker is. Controleer
regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
9
INBEDRIJFNAME
76
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verschillend rijgedrag en langere remweg bij hoge extra belasting door bagage.
–
De snelheid aanpassen aan de extra belasting.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag door verschoven bagage.
–
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Een heet uitlaatsysteem kan de bagage verbranden.
–
De bagage zo bevestigen, dat deze niet aan het hete uitlaatsysteem kan verbranden of schroeien.
–
Als u bagage meeneemt moet deze veilig worden vastgezet, zo veel mogelijk in het midden van het voertuig en het gewicht moet gelijkmatig zijn verdeeld over het voor- en achterwiel.
–
Rekening houden met het maximaal toegestane totaalgewicht en de maximale asbelasting.
Voorgeschreven waarde
Maximaal toegestaan totaalgewicht
440 kg
Maximaal toegestane asbelasting voor
159 kg
Maximaal toegestane asbelasting achter
281 kg
10
RIJ-INSTRUCTIES
10.1
Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfname
77
Info
Voordat u gaat rijden controleren of het voertuig in een goede staat is en of er veilig mee kan worden gereden.
Bij het rijden moet het voertuig technisch in een onberispelijke staat zijn.
–
Motoroliepeil controleren. (
–
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. (
–
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. (
–
Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
–
Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
–
Controleren of het remsysteem goed werkt.
–
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren. (
–
Vervuiling van de ketting controleren. (
–
Kettingspanning controleren. (
–
Toestand van de banden controleren. (
–
Bandenspanning controleren. (
–
Spaakspanning controleren. (
–
Controleren of alle bedieningselementen goed zijn ingesteld en soepel bewegen.
–
Werking van de elektrische installatie controleren.
–
Controleren of de bagage correct is bevestigd.
–
Instelling achteruitkijkspiegel controleren.
–
Brandstofvoorraad controleren.
pag. 176)
pag. 130)
pag. 133)
pag. 132)
pag. 136)
pag. 171)
pag. 103)
pag. 105)
pag. 147)
pag. 149)
pag. 149)
10
RIJ-INSTRUCTIES
10.2
Starten
78
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen, de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten
draaien zonder een geschikte afzuiginstallatie.
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Als de motorfiets met een lege of zonder accu wordt gebruikt, kunnen elektronische componenten en veiligheidsvoorzieningen worden beschadigd.
–
Motorfiets nooit met een lege of zonder accu gebruiken.
Aanwijzing
Beschadiging aan de motor Hoge toerentallen bij koude motor hebben een negatief effect op de levensduur van de motor.
–
Motor altijd met een laag toerental warmrijden.
–
Noodstopschakelaar in stand ON
–
Ontsteking inschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in de stand ON
schakelen.
draaien.
Na het inschakelen van het contact is gedurende ongeveer 2 seconden het geluid
van de werkende brandstofpomp te horen. Tegelijkertijd wordt de functiecontrole
van het gecombineerde instrument uitgevoerd.
Het ABS-lampje gaat branden en gaat weer uit als het voertuig gaat rijden.
–
Overbrengingssysteem in stationair
schakelen.
Het groene controlelampje stationair
602607-01
brandt.
10
RIJ-INSTRUCTIES
79
–
E-starterknop
indrukken.
Info
E-starterknop pas indrukken als de functiecontrole van het gecombineerde
instrument is afgerond.
Tijdens het starten GEEN gas geven. Als er tijdens het starten wordt gasgegeven,
wordt geen brandstof ingespoten door het motormanagement en de motor slaat
dan niet aan.
Maximaal 5 seconden de e-starterknop indrukken. Ten minste 5 seconden
wachten tot de volgende startpoging.
Deze motorfiets is uitgerust met een veiligheidsstartsysteem. De motor
kan alleen worden gestart, als de versnelling in vrij is geschakeld of als bij
geschakelde versnelling de koppelingshendel is getrokken. Als u met uitgeklapte
zijstandaard naar een versnelling schakelt en de koppelingshendel loslaat blijft
de motor stilstaan.
602608-01
–
10.3
–
Motorfiets van de middenstandaard resp. zijstandaard nemen.
Optrekken
Koppelingshendel trekken, in de 1e versnelling zetten, koppelingshendel langzaam vrijgeven en tegelijkertijd voorzichtig gas geven.
10.4
Schakelen, rijden
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Bij een abrupte verandering van de belasting kunt u de controle over de motorfiets verliezen.
–
Abrupte veranderingen in belasting en hard remmen vermijden en de snelheid aanpassen aan de rijwegsituatie.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Terugschakelen bij hoog motortoerental leidt tot blokkeren van het achterwiel.
–
Niet bij hoog motortoerental terugschakelen naar een lagere versnelling. De motor wordt overbelast en het achterwiel kan blokkeren.
10
RIJ-INSTRUCTIES
80
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Storingen veroorzaken door een verkeerde stand van de contactsleutel.
–
De contactsleutel niet in een andere stand zetten tijdens het rijden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Afleiding van het verkeer door het instellen van de motorfiets tijdens het rijden.
–
Instellingen mogen alleen worden gewijzigd als de motorfiets stilstaat.
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Eraf vallen van de bijrijder.
–
De bijrijder moet goed op het bijrijderzadel gaan zitten en zich vasthouden aan de bestuurder of aan de grepen. De voeten op
de bijrijdervoetsteunen zetten. De voorschriften over de minimumleeftijd voor bijrijders in acht nemen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Gevaar voor ongevallen door gevaarlijk rijgedrag.
–
Volg de verkeersregels en rijd defensief en anticiperend, om gevaren zo vroeg mogelijk te herkennen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde wegligging bij koude banden.
–
Iedere keer dat u gaat rijden moeten de eerste kilometers voorzichtig en met gematigde snelheid worden gereden, totdat de
banden hun rijtemperatuur hebben bereikt en zo een optimale wegligging garandeerd is.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde wegligging bij nieuwe banden.
–
Nieuwe banden hebben een glad contactvlak, waardoor het wegcontact niet volledig is. Het volledige contactvlak moet de eerste
200 kilometers bij een gematigde rijstijl en in verschillende schuine standen worden geruwd. Pas nadat de banden zijn ingereden wordt de volledige wegligging bereikt.
10
RIJ-INSTRUCTIES
81
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag.
–
Het maximale totaalgewicht en asbelasting nooit overschrijden. Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de
gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de bestuurder en bijrijder met beschermende kleding en helm, plus de bagage.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag door verschoven bagage.
–
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Ontbrekende verkeersveiligheid.
–
Als u met het voertuig bent gevallen moet hij daarna worden gecontroleerd, zoals altijd voordat u gaat rijden.
Aanwijzing
Beschadiging van de motor Ongefilterde aanzuiglucht heeft een negatief effect op de levensduur van de motor.
–
Voertuig nooit zonder luchtfilter gebruiken omdat er dan stof en vervuiling in de motor terecht kunnen komen en dat heeft een hogere
slijtage tot gevolg.
Aanwijzing
Beschadiging aan de motor Oververhitting van de motor.
–
Als het waarschuwingslampje voor de koelmiddeltemperatuur gaat branden, moet de motorfiets worden gestopt en de motor uitgezet.
De motor laten afkoelen en het koelmiddelpeil in de radiateur controleren en indien nodig corrigeren. Als u toch doorrijdt terwijl het
waarschuwingslampje voor de koelmiddeltemperatuur brandt beschadigt de motor.
Info
Als u tijdens het rijden ongewone geluiden hoort, moet u meteen stoppen, de motor uitzetten en contact opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
10
RIJ-INSTRUCTIES
82
–
Als de verhoudingen het toestaan (helling, rijsituatie e.d.) kunt u naar hogere versnellingen schakelen.
–
Gas terugnemen, gelijktijdig koppelingshendel trekken, naar volgende versnelling schakelen, koppelingshendel vrijgeven en gas geven.
Info
De posities van de 6 voorwaartse versnellingen zijn weergegeven op de afbeelding. De vrije stand bevindt zich tussen de 1e en 2e versnelling. De 1e versnelling is de start- of bergversnelling.
602630-10
–
Nadat met een volledig opengedraaide gashendel de maximale snelheid is bereikt, moet
u deze op ¾ gas terugdraaien. Pas uw snelheid aan de weggesteldheid en weersituatie
aan.De snelheid verlaagt nauwelijks, maar er wordt aanmerkelijk minder brandstof verbruikt.
–
Slechts zo veel gasgeven als de rijbaan en de weersomstandigheden toestaan. Vooral in
bochten mag niet geschakeld en slechts voorzichtig gasgegeven worden.
–
Voor het terugschakelen van de motorfiets indien nodig afremmen en tegelijkertijd gas
terugnemen.
–
Koppelingshendel trekken en in een lagere versnelling schakelen, koppelingshendel
langzaam vrijgeven en gas geven of nog een keer schakelen.
–
Als de motor bijvoorbeeld afslaat bij een kruising hoeft u alleen de koppelingshendel te
trekken en de e-starterknop in te drukken. De versnelling hoeft niet stationair te worden
geschakeld.
–
Zet de motor uit als het voertuig langere tijd stationair draait of stilstaat.
–
Als tijdens het rijden het waarschuwingslampje voor oliedruk begint te branden moet
u meteen stoppen en de motor afzetten. Contact opnemen met geautoriseerde KTMgarage.
–
Als tijdens het rijden het motorwaarschuwingslampje gaat branden, moet u meteen
stoppen, de motor afzetten en contact opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
10
RIJ-INSTRUCTIES
83
Info
Via het knipperritme kan een tweecijferig getal ontcijferd worden. Dit wordt de
knippercode genoemd. De knippercode geeft aan, welke component een storing
heeft.
–
Als tijdens het rijden het waarschuwingslampje algemeen
matrixdisplay gedurende 10 seconden een melding weer.
gaat branden, geeft het
Info
Bijzonder belangrijke meldingen worden in het menu "Warnings" opgeslagen.
–
10.5
Als het pictogram glad wegdek op het gecombineerd instrument verschijnt, is een
glad wegdek mogelijk. De snelheid aanpassen aan de gewijzigde rijwegsituatie.
Afremmen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door nat of vervuild remsysteem.
–
Vervuild of nat remsysteem voorzichtig schoon- resp. droogremmen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door poreus drukpunt van de voor- en/of achterwielrem.
–
Remsysteem controleren, niet doorrijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken. De achterwielrem kan door oververhitting uitvallen. De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt remmen.
10
RIJ-INSTRUCTIES
84
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Langere remweg door hoger totaalgewicht.
–
Houd rekening met een langere remweg, als u met een bijrijder of bagage rijdt.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Vertraagde remwerking op wegen met strooizout.
–
Strooizout kan zich afzetten op de remschijven. Om de normale remwerking weer te herstellen moeten de remschijven eerst
schoon geremd worden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Langere remweg door ABS.
–
De remwijze moet worden aangepast aan de rijsituatie en de wegtoestand.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te sterk remmen leidt tot blokkering van de wielen.
–
De werking van het ABS kan alleen worden gegarandeerd, wanneer deze ook is ingeschakeld.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Voertuig slaat om
–
–
In extreme rijsituaties (bijvoorbeeld bagage met hoog zwaartepunt, wisselend wegdek, steil bergaf rijden, vol remmen zonder
uitkoppelen) kan niet altijd worden voorkomen dat het voertuig omslaat. Pas het rijgedrag aan de toestand van de rijweg en uw
rijvaardigheden aan.
Voor het remmen gas terugnemen en tegelijkertijd remmen met de voorwiel- en achterwielrem.
Info
Met ABS kunt u zowel bij een volledige afremming als bij een slecht contact met de ondergrond op zandige, natte of gladde
ondergrond de volledige remkracht gebruiken, zonder het risico te lopen dat de wielen blokkeren.
10
RIJ-INSTRUCTIES
85
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Blokkeren van het wiel door de remwerking van de motor.
–
Bij het remmen in geval van nood, volledig remmen en bij remmen op gladde ondergrond moet u altijd de koppeling trekken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderd wegcontact door remmen in schuine stand of remmen op een ondergrond die aan de zijkanten afloopt.
–
Remmen afsluiten voordat u een bocht inrijdt.
–
Het remmen moet altijd voor het begin van de bocht zijn afgerond. Schakel daarbij afhankelijk van de snelheid naar een lagere versnelling.
–
Gebruik bij langdurig bergaf rijden de remwerking van de motor. Schakel daarvoor een of twee versnellingen terug en hierbij de motor
niet op een te hoog toerental laten draaien. Zo hoeft u veel minder te remmen en raken de remmen niet oververhit.
10.6
Stoppen, parkeren
Waarschuwing
Gevaar voor diefstal Gebruik door onbevoegde personen.
–
Het voertuig nooit onbeheerd laten staan als de motor draait. Het voertuig tegen onbevoegd gebruik beveiligen. Bij het verlaten
van het voertuig het stuur op slot zetten en contactsleutel eruit trekken.
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Sommige onderdelen van het voertuig worden tijdens het rijden zeer heet.
–
Hete onderdelen zoals uitlaatsysteem, radiateur, motor, schokdempers en remsysteem niet aanraken. De onderdelen eerst laten
afkoelen voordat u met werkzaamheden aan deze onderdelen begint.
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
10
–
RIJ-INSTRUCTIES
86
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
Aanwijzing
Gevaar voor brand Sommige onderdelen van de motorfiets worden bij gebruik van de motorfiets zeer heet.
–
Voertuig niet op plaatsen laten staan met licht brandbare en/of ontvlambare materialen. Geen voorwerpen over het warme voertuig leggen. Het voertuig altijd eerst laten afkoelen.
Aanwijzing
Schade aan materiaal Beschadiging en vernietiging van componenten door overmatige belasting.
–
De zijstandaard is alleen geschikt voor het gewicht van de motorfiets. Ga niet op de motorfiets zitten wanneer deze op de zijstandaard
staat. De zijstandaard of het frame kunnen beschadigen en de motorfiets kan omvallen.
Aanwijzing
Schade aan materiaal Beschadiging en vernietiging van componenten door overmatige belasting.
–
De middenstandaard is enkel ontworpen voor het gewicht van de motorfiets en de bagage. Ga niet op de motorfiets zitten wanneer deze
op de middenstandaard staat. De middenstandaard of het frame kan daardoor beschadigen en de motorfiets omvallen.
–
Trek de motorfiets aan de greep omhoog op de middenstandaard.
–
Motorfiets afremmen.
–
Overbrengingssysteem in stationair
–
Ontsteking uitschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in de stand OFF
schakelen.
draaien.
Info
Als de motor met de noodstopschakelaar is uitgeschakeld en op het contactslot de ontsteking ingeschakeld blijft, wordt de
stroomvoeding van de meeste stroomverbruikers niet onderbroken. Daardoor wordt de accu ontladen. Motor daarom altijd met
het contactslot uitzetten, de noodstopschakelaar is alleen bestemd voor noodgevallen.
–
Motorfiets parkeren op vaste ondergrond.
10
RIJ-INSTRUCTIES
87
Alternatief 1
– Zijstandaard met de voet helemaal naar voren zwenken en met het voertuig belasten.
Alternatief 2
(Optie: Middenstandaard)
– Voertuig op middenstandaard zetten. (
–
pag. 100)
Het stuur blokkeren; daarvoor het stuur naar links zetten, zwarte contactsleutel in de stand OFF indrukken en in de stand LOCK
draaien. Om het vergrendelen in de stuurblokkering gemakkelijker te maken, het stuur iets heen en weer bewegen. Zwarte contactsleutel eruit trekken.
10.7
Transport
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
–
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
Aanwijzing
Gevaar voor brand Sommige onderdelen van de motorfiets worden bij gebruik van de motorfiets zeer heet.
–
Voertuig niet op plaatsen laten staan met licht brandbare en/of ontvlambare materialen. Geen voorwerpen over het warme voertuig leggen. Het voertuig altijd eerst laten afkoelen.
10
RIJ-INSTRUCTIES
88
–
Motor uitzetten.
–
Motorfiets met spanriemen of andere geschikte bevestigingsmiddelen beveiligen tegen
omvallen en wegrollen.
401475-01
10.8
Brandstof tanken
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
–
Tank het voertuig nooit in de buurt van open vuur of brandende sigaretten en schakel de motor bij het tanken altijd uit. Let er
vooral op dat er geen brandstof wordt gemorst op de hete onderdelen van het voertuig. Gemorste brandstof meteen afvegen.
–
Als de brandstof wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uitstromen als de tank te vol zit. Aanwijzingen voor het
tanken van brandstof in acht nemen.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Erop letten dat brandstof niet in aanraking komt met de huid, ogen en kleding. Adem brandstofdampen niet in. Bij contact met
de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Verontreinigde huid meteen reinigen met water en zeep. Als brandstof is ingeslikt meteen een arts raadplegen. Met brandstof verontreinigde kleding wisselen.
Aanwijzing
Schade aan materiaal Voortijdige slijtage van het brandstoffilter.
–
In enkele landen en regio's kan het voorkomen, dat de beschikbare brandstof niet voldoende kwaliteit of zuiverheid heeft. Dit leidt tot
problemen in het brandstofsysteem. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
10
–
RIJ-INSTRUCTIES
89
Alleen zuivere brandstof tanken, die voldoet aan de aangegeven norm.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
–
Motor uitzetten.
–
Tankdop openen. (
–
Brandstoftank tot maximaal aan de onderkant A van de vulopening met brandstof vullen.
–
S00346-10
pag. 31)
Brandstoftankvolume totaal ca.
23 l
Tankdop sluiten. (
pag. 33)
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
( pag. 208)
11
SERVICESCHEMA
11.1
Extra informatie
90
Voor alle verdergaande werkzaamheden, die resulteren uit de verplichte werkzaamheden of uit de aanbevolen werkzaamheden, moet een
extra opdracht worden verstrekt, die ook apart in rekening wordt gebracht.
11.2
Verplichte werkzaamheden
om de twee jaar
ieder jaar
allemaal 30.000 km
allemaal 15.000 km
na 1.000 km
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen.
Brandstofdruk controleren.
○
x
●
●
●
●
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
x
Werking van de elektrische installatie controleren.
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.
Remschijven controleren. (
x(
pag. 129)
Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
pag. 132)
Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
pag. 136)
○
Spaken bijdraaien.
x
Spaakspanning controleren. (
Velgslag controleren. x
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
pag. 149)
Toestand van de banden controleren. (
Bandenspanning controleren. (
pag. 177)
pag. 147)
pag. 149)
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. (
pag. 133)
11
SERVICESCHEMA
91
om de twee jaar
ieder jaar
allemaal 30.000 km
allemaal 15.000 km
na 1.000 km
Schokdemper en voorvork controleren op dichtheid. Voorvorkservice en schokdemperservice afhankelijk van
behoefte en gebruiksdoel.
Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren. (
Kettingspanning controleren. (
○
●
●
●
●
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
pag. 108)
pag. 105)
Remkabels controleren op beschadiging en lekkage.
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. (
pag. 130)
○
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren. (
pag. 171)
○
Luchtfilter vervangen. Luchtfilterbak reinigen.
x
Kabels controleren op beschadiging en legging zonder knikken. (brandstoftank gedemonteerd) x
Bougies vervangen. (luchtfilter gedemonteerd) x
Klepspeling controleren. (luchtfilter en bougie gedemonteerd) x
Membranen van secundair-luchtsysteem vervangen. x
Remvloeistof voorwielrem verversen. x
Remvloeistof achterwielrem verversen. x
Balhoofdlagerspeling controleren. (
pag. 111)
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
○
●
●
●
●
11
SERVICESCHEMA
92
om de twee jaar
ieder jaar
allemaal 30.000 km
allemaal 15.000 km
na 1.000 km
○
●
●
Eindcontrole: controleren of het voertuig verkeersveilig is en een proefrit maken.
○
●
●
●
●
Na proefrit foutengeheugen uitlezen met KTM-diagnosetool.
○
●
●
●
●
○
●
●
○
●
●
●
●
Koplampstand controleren. (
pag. 169)
CO-aanpassing controleren met KTM-diagnosetool.
x
x
Service op KTM DEALER.NET invoeren en noteren in het service- en garantieboekje.
○
Eenmalig interval
●
Periodiek interval
x
11
SERVICESCHEMA
11.3
Aanbevolen werkzaamheden
93
om de vier jaren
om de twee jaar
ieder jaar
allemaal 15.000 km
na 1.000 km
Olievernevelaar naar koppelingsmering controleren.
x
○
●
Achterbrugophanging controleren.
x
Wiellagers op speling controleren. x
Alle bewegende onderdelen (bijv. zijstandaard, hendels, ketting, ...) smeren en controleren of ze gemakkelijk
bewegen. x
Alle slangen (bijv. brandstof-, radiateur-, ontluchting-, aftapslangen, ...) en manchetten controleren op
scheuren, dichtheid en correcte legging. x
Antivries controleren. x
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling controleren/corrigeren. ( pag. 111)
Vloeistof van de hydraulische koppeling verversen. x
Controleren of de schroeven en moeren goed vastzitten. x
Koelmiddel verversen. x
○
Eenmalig interval
●
Periodiek interval
●
●
○
○
○
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
12
CHASSIS AFSTELLEN
12.1
"Damping" (Optie: Met EDS)
94
Mogelijke toestanden
• SPORT – Strakke afstelling van de veerelementen met zeer directe respons van chassis
• STREET – Normale afstelling van de veerelementen met directe respons van chassis
• COMFORT – Zacht afstelling van de veerelementen met goede respons van chassis
In het menu "Damping" kunnen verschillende afstellingen voor de demping van de veerelementen worden gekozen. U kunt kiezen uit "SPORT", "STREET" en "COMFORT".
401831-01
12.2
"Load" (Optie: Met EDS)
In het menu "Load" kunnen verschillende beladingstoestanden voor het voertuig worden
gekozen. U kunt kiezen uit rijden zonder bijrijder, rijden zonder bijrijder met bagage, rijden met bijrijder en rijden met bijrijder en bagage.
De als laatste gekozen beladingstoestand wordt rechts op het segmentendisplay weergegeven.
Info
401833-01
De instelling kan door de motorfiets worden overgenomen als de motorfiets stilstaat
en de motor draait.
Het pictogram van de laatste beladingstoestand knippert totdat de nieuwe instelling
is overgenomen.
12
CHASSIS AFSTELLEN
12.3
Voorvork/schokdemper
95
(Optie: Zonder EDS)
Voorvork en schokdemper bieden veel mogelijkheden, om het chassis aan te passen aan
de rijstijl en eventuele extra belading.
Info
De aanbevelingen voor de chassisafstelling zijn samengevat in tabel 1. De tabel
bevindt aan de linker binnenbekleding van de brandstoftank.
S00380-10
Deze instelwaarden zijn richtwaarden en vormen altijd slechts de basis voor de afstelling van het chassis. Als van de richtwaarden wordt afgeweken, kunnen de rijeigenschappen verslechteren, vooral bij hoge snelheden.
(Optie: Met EDS)
Met het EDS (Electronic Damping System) kan het chassis, zonder gereedschap, individueel worden afgesteld.
Chassis altijd aanpassen aan de rijstijl en de extra belading.
In het menu "Load" kan het chassis worden afgesteld op de beladingssituatie.
In het menu "Damping" kan het dempingsgedrag van het chassis worden ingesteld.
401831-01
12.4
Ingaande demping voorvork instellen (Optie: Zonder EDS)
Info
De hydraulische ingaande demping bepaalt het gedrag bij het inveren van de voorvork.
12
CHASSIS AFSTELLEN
–
96
Witte stelschroef 1 tot de aanslag met de klok mee draaien.
Info
De stelschroef 1 bevindt zich aan het bovenste uiteinde van de linker voorpoot.
De ingaande demping bevindt zich aan de linker vorkpoot COMP (witte
stelschroef). De uitgaande demping bevindt zich aan rechter vorkpoot REB (rode
stelschroef).
–
S00262-10
Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen de klok in draaien.
Voorgeschreven waarde
Ingaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Volledige nuttige last
7 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt
de demping bij het inveren.
12.5
Uitgaande demping voorvork instellen (Optie: Zonder EDS)
Info
De hydraulische uitgaande demping bepaalt het gedrag bij het uitveren van de voorvork.
12
CHASSIS AFSTELLEN
–
97
Rode stelschroef 1 tot de aanslag met de klok mee draaien.
Info
De stelschroef 1 bevindt zich aan het bovenste uiteinde van de rechter voorpoot.
De uitgaande demping bevindt zich aan rechter vorkpoot REB (rode stelschroef).
De ingaande demping bevindt zich aan de linker vorkpoot COMP (witte
stelschroef).
S00263-10
–
Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen de klok in draaien.
Voorgeschreven waarde
Uitgaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Volledige nuttige last
7 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt
de demping bij het uitveren.
12.6
Uitgaande demping schokdemper instellen (Optie: Zonder EDS)
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Het demonteren van onder druk staande onderdelen kan letsel veroorzaken.
–
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof. Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
12
CHASSIS AFSTELLEN
98
–
Stelschroef 1 met de klok mee draaien tot de laatste voelbare klik.
–
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen de klok in draaien.
Voorgeschreven waarde
Uitgaande demping
S00372-10
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Volledige nuttige last
7 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt
de demping bij het uitveren.
12.7
Veervoorspanning schokdemper instellen (Optie: Zonder EDS)
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Het demonteren van onder druk staande onderdelen kan letsel veroorzaken.
–
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof. Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
12
CHASSIS AFSTELLEN
99
–
Handwiel 1 tegen de klok in draaien tot de aanslag.
–
Afhankelijk van het schokdempertype en het gebruik een aantal slagen met de klok mee
draaien.
Voorgeschreven waarde
Veervoorspanning
S00371-10
Comfort
4 omwentelingen
Standaard
4 omwentelingen
Sport
4 omwentelingen
Volledige nuttige last
12 omwentelingen
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de veervoorspanning, draaien tegen de klok in
verlaagt de veervoorspanning.
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.1
Voertuig op middenstandaard zetten (Optie: Middenstandaard)
100
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
–
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
Aanwijzing
Schade aan materiaal Beschadiging en vernietiging van componenten door overmatige belasting.
–
De middenstandaard is enkel ontworpen voor het gewicht van de motorfiets en de bagage. Ga niet op de motorfiets zitten wanneer deze
op de middenstandaard staat. De middenstandaard of het frame kan daardoor beschadigen en de motorfiets omvallen.
–
Trek de motorfiets aan de greep omhoog op de middenstandaard.
–
Links naast het voertuig gaan staan.
–
Het stuur met de linker hand vasthouden en met de rechter voet de middenstandaard
naar onderen duwen.
–
De zwenkarm 1 van de middenstandaard met het volledige lichaamsgewicht belasten
en tegelijkertijd het voertuig aan de linker greep omhoog trekken, totdat de middenstandaard tot de aanslagen uitklapt.
602633-10
13.2
Voertuig van middenstandaard nemen (Optie: Middenstandaard)
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
–
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
101
–
Stuur ontgrendelen en met beide handen op het stuur het voertuig naar voren bewegen.
–
Terwijl het voertuig van de middenstandaard kantelt, de voorwielrem bedienen om te
voorkomen dat het voertuig wegrolt.
–
Controleren of de middenstandaard tot de aanslag naar boven geklapt is.
–
De contactsleutel in het zadelslot 1 steken en met de klok mee draaien.
–
Het bijrijderzadel voor optillen, richting de tank trekken en naar boven toe verwijderen.
–
Contactsleutel eruit trekken.
202376-10
13.3
Bijrijderzadel verwijderen
S00349-10
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.4
Bijrijderzadel monteren
102
–
De haken aan het bijrijderzadel in de beugels van de framearm vasthaken, voorkant
neerlaten en tegelijkertijd naar achteren duwen.
–
Vergrendelbout 1 in het slothuis geleiden en het bijrijderzadel voor omlaag duwen, totdat u hoort dat de vergrendelbout vergrendelt.
–
Controleren of het bijrijderzadel correct is gemonteerd.
401680-10
13.5
Bestuurderszadel verwijderen
Voorwerk
– Bijrijderzadel verwijderen. (
pag. 101)
Hoofdwerk
– Bestuurderszadel achter optillen.
–
S00350-01
Bestuurderszadel voor losmaken en verwijderen.
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.6
Bestuurderszadel monteren
103
Hoofdwerk
– Uitsparingen in de bestuurderszadel aan de brandstoftank op de gewenste
zadelstand A of B vasthaken, tegelijkertijd bestuurderszadel naar voren schuiven en
achter neerlaten.
–
Vervolgens controleren of het bestuurderszadel correct is gemonteerd.
401704-10
Nawerk
– Bijrijderzadel monteren. (
13.7
pag. 102)
Kettingvervuiling controleren
–
Ketting controleren op grove vervuiling.
»
Als de ketting erg vuil is:
–
400678-01
Ketting reinigen. (
pag. 104)
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.8
Ketting reinigen
104
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Smeermiddel op de banden vermindert de grip van de banden.
–
Smeermiddel verwijderen met een geschikt reinigingsmiddel.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door olie of vet op de remschijven.
–
Remschijven beslist olie- en vetvrij houden en indien nodig reinigen met een remmenreiniger.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
De levensduur van de ketting is voor een groot deel afhankelijk van het onderhoud.
–
Ketting regelmatig reinigen.
–
Grove vervuiling afspoelen met een zachte waterstraal.
–
Verbruikte smeerresten met een kettingreiniger verwijderen.
Kettingreinigingsmiddel (
–
Na het drogen kettingspray aanbrengen.
Kettingspray onroad (
400725-01
pag. 212)
pag. 213)
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.9
Kettingspanning controleren
105
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Gevaar door verkeerde kettingspanning.
–
Als de ketting te strak is gespannen worden de componenten van de secundaire krachtoverbrenging (ketting,
ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en lager in de versnellingsbak en het achterwiel) extra belast. Dit kan leiden tot vroegtijdige
slijtage en in het uiterste geval kunnen ook de ketting of de uitgaande as van de versnelling breken. Als de ketting echter te los
zit kan deze van het ketting-aandrijfwiel resp. het kettingwiel vallen en het achterwiel blokkeren of de motor beschadigen. Op
een correcte kettingspanning letten en indien nodig instellen.
–
Motorfiets op zijstandaard zetten.
–
Overbrengingssysteem in stationair
–
In het bereik vóór de kettinggeleiding de ketting omhoog duwen en de kettingspanning A bepalen.
schakelen.
Info
Het bovenste deel van de ketting B moet daarbij gespannen zijn.
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, de meting daarom op verschillende plekken van de ketting herhalen.
401664-10
Kettingspanning
»
40… 45 mm
Als de kettingspanning niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Kettingspanning instellen. (
pag. 106)
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.10
Kettingspanning instellen
106
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Gevaar door verkeerde kettingspanning.
–
Als de ketting te strak is gespannen worden de componenten van de secundaire krachtoverbrenging (ketting,
ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en lager in de versnellingsbak en het achterwiel) extra belast. Dit kan leiden tot vroegtijdige
slijtage en in het uiterste geval kunnen ook de ketting of de uitgaande as van de versnelling breken. Als de ketting echter te los
zit kan deze van het ketting-aandrijfwiel resp. het kettingwiel vallen en het achterwiel blokkeren of de motor beschadigen. Op
een correcte kettingspanning letten en indien nodig instellen.
Voorwerk
– Kettingspanning controleren. (
pag. 105)
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
107
Hoofdwerk
– Moer 1 losdraaien.
–
Moeren 2 losdraaien.
–
Kettingspanning door het draaien van de stelschroeven 3 links en rechts instellen.
Voorgeschreven waarde
Kettingspanning
40… 45 mm
Stelschroeven 3 links en rechts zo draaien, dat de markeringen aan de linker en
rechter kettingspanner 4 in dezelfde positie staan ten opzichte van de referentiemarkeringen C. Zo wordt het achterwiel correct uitgelijnd.
Info
Het bovenste deel van de ketting moet daarbij gespannen zijn.
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig. Daarom de instelling op verschillende
plekken van de ketting controleren.
S00242-10
–
Moeren 2 vastdraaien.
–
Controleren of de kettingspanners 4 tegen de stelschroeven 3 liggen.
–
Moer 1 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Moer steekas achter
M25x1,5
90 Nm
Info
De kettingspanners 4 kunnen 180° worden gedraaid.
Schroefdraad ingevet
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.11
Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren
108
Voorwerk
(Optie: Middenstandaard)
– Voertuig op middenstandaard zetten. (
pag. 100)
Hoofdwerk
– Kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren op slijtage.
»
Als kettingwiel of ketting-aandrijfwiel ingesleten zijn:
–
Aandrijfset vervangen.
x
Info
Ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en ketting moeten altijd samen worden
vervangen.
100132-10
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
109
–
Overbrengingssysteem in stationair
–
Aan het onderste deel van de ketting trekken met het aangegeven gewicht A.
schakelen.
Voorgeschreven waarde
Gewicht voor meting van de kettingslijtage
–
15 kg
De afstand B van 18 kettingschakels aan het onderste deel van de ketting meten.
Info
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, de meting daarom op verschillende plekken van de ketting herhalen.
Maximale afstand B op het langste deel
van de ketting
»
0
272 mm
Als de afstand B groter is dan de aangegeven maat:
–
Aandrijfset vervangen.
x
Info
401665-10
Als er een nieuwe ketting wordt gemonteerd, moeten ook het kettingwiel
en het ketting-aandrijfwiel worden vervangen.
Nieuwe kettingen slijten sneller op een oud en versleten kettingwiel en/of
ketting-aandrijfwiel.
De ketting heeft om veiligheidsredenen geen sluitschakel.
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Glijblok aan de uitsparing controleren op slijtage.
»
Als klinknagel 1 van de ketting niet meer aan de onderzijde C van de uitsparing
van het glijblok te zien is:
–
–
110
Glijblok vervangen.
x
Controleren of het glijblok vastzit.
»
Wanneer het glijblok los zit:
–
Glijblok vastzetten.
Voorgeschreven waarde
Schroef glijblok
M5
5 Nm
S00348-10
–
Kettinggeleiding controleren op slijtage.
»
Als de kettinggeleiding is ingesleten:
–
–
Kettinggeleiding vervangen.
x
Controleren of de kettinggeleiding vastzit.
»
Als de kettinggeleiding los zit:
–
Kettinggeleiding vastzetten.
Voorgeschreven waarde
401670-01
Schroef kettinggeleiding
M6
5 Nm
Loctite® 243™
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
111
Nawerk
(Optie: Middenstandaard)
– Voertuig van middenstandaard nemen. (
13.12
pag. 100)
Vloeistofpeil hydraulische koppeling controleren/corrigeren
Info
Het vloeistofpeil stijgt naarmate de koppelingsplaten zijn versleten.
Geen remvloeistof gebruiken.
–
Het aan het stuur gemonteerde reservoir van de hydraulische koppeling in horizontale
positie zetten.
–
Schroeven 1 verwijderen.
–
Deksel 2 met membraan 3 verwijderen.
–
Vloeistofpeil controleren.
Vloeistofpeil lager dan bovenkant van
reservoir
»
S00270-10
Als het vloeistofpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling corrigeren.
Hydraulische olie (15) (
–
13.13
4 mm
pag. 208)
Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en vastdraaien.
Balhoofdlagerspeling controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Onveilig rijgedrag door een niet correcte balhoofdspeling.
–
Balhoofdspeling meteen instellen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
112
Info
Als er gedurende langere tijd wordt gereden met speling in de balhoofdlagers, beschadigen de lagers en daardoor ook de lagerzittingen in het frames.
Voorwerk
(Optie: Middenstandaard)
– Voertuig op middenstandaard zetten. (
pag. 100)
Hoofdwerk
– Voertuig aan de achterkant belasten.
Het voorwiel heeft geen contact met de bodem.
–
Stuur in rechtuitstand zetten. Vorkpoten in rijrichting heen en weer bewegen.
Er mag geen speling in de balhoofdlager te voelen zijn.
»
Als er speling voelbaar is:
–
400738-11
–
Balhoofdspeling instellen.
x
Stuur over het gehele stuurbereik heen en weer bewegen.
Het stuur moet eenvoudig kunnen worden bewogen over het gehele stuurbereik. Er
mogen geen blokkeringen te voelen zijn.
»
Als er blokkeringen voelbaar zijn:
–
Balhoofdspeling instellen.
–
Balhoofdlager controleren en indien nodig vervangen.
x
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.14
Kroonplaat onder demonteren
–
Schroeven 1 verwijderen.
–
Claxon loskoppelen.
–
Kroonplaat 2 verwijderen.
113
202248-12
13.15
Kroonplaat onder monteren
x
–
Kroonplaat 1 positioneren.
–
Claxon verbinden.
–
Schroeven 2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
202248-13
M6
10 Nm
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.16
Zijbekleding voor demonteren
–
Schroef 1 verwijderen.
S00384-10
602637-10
–
Schroeven 2 verwijderen.
–
Zijbekleding 3 verwijderen.
–
Werkstappen aan de andere kant herhalen.
114
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.17
Zijbekleding voor monteren
115
–
Zijbekleding bij A onder tankafdekking positioneren.
–
Zijbekleding met het uitsteeksel 1 en de houder 2 vastzetten en aan de brandstoftank
positioneren.
602637-11
307818-10
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
116
Schroef 3 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel
M5x12
3,5 Nm
M5x12
3,5 Nm
S00384-11
–
Schroeven 4 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel
–
Werkstappen aan de andere kant herhalen.
602637-12
13.18
Maskerspoiler demonteren
x
Voorwerk
– Bijrijderzadel verwijderen. (
pag. 101)
–
Bestuurderszadel verwijderen. (
pag. 102)
–
Zijbekleding voor demonteren. (
pag. 114)
–
Tankafdekking demonteren. (
pag. 122)
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Hoofdwerk
– Schroef 1 verwijderen.
307823-10
–
Schroef 2 verwijderen.
–
Uitsteeksel 3 van de binnenbekleding losmaken.
307824-10
602638-10
117
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Maskerspoiler naar de zijkant tot uit de bevestigingen trekken.
–
Maskerspoiler naar boven toe uit de houder 4 trekken.
307828-10
307826-10
307827-10
–
Stekker 5 loskoppelen.
–
Maskerspoiler met richtingaanwijzer verwijderen.
–
Werkstappen aan de andere kant herhalen.
118
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.19
Maskerspoiler monteren
x
Hoofdwerk
– Stekker 1 verbinden.
307827-11
–
Maskerspoiler in houder 2 positioneren.
Info
Erop letten dat de kabel van de richtingaanwijzer correct wordt gelegd.
307826-11
119
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
120
–
Maskerspoiler vanaf de zijkant in de bevestigingen duwen.
–
Uitsteeksel 3 in boring positioneren.
–
Schroef 4 monteren en vastdraaien.
307828-11
307825-10
Voorgeschreven waarde
Schroef maskerspoiler
307824-11
M5x17
3,5 Nm
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
121
Schroef 5 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef maskerspoiler
–
M5x17
Werkstappen aan de andere kant herhalen.
307823-11
Nawerk
– Tankafdekking monteren. (
13.20
pag. 124)
–
Zijbekleding voor monteren. (
pag. 115)
–
Bestuurderszadel monteren. (
pag. 103)
–
Bijrijderzadel monteren. (
–
Houder 1 van spatbord losmaken.
pag. 102)
Spatbord voor demonteren
–
Schroeven 2 verwijderen.
–
Spatbord naar voren verwijderen.
Info
Op de remkabels letten.
S00356-10
3,5 Nm
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.21
Spatbord voor monteren
122
x
–
Spatbord positioneren.
Info
Erop letten dat de remkabels correct worden gelegd.
–
Schroeven 1 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef spatbord
S00356-11
13.22
–
M5x12
Houder 2 met remkabel aan spatbord monteren.
Tankafdekking demonteren
Voorwerk
– Bijrijderzadel verwijderen. (
Bestuurderszadel verwijderen. (
pag. 102)
–
Zijbekleding voor demonteren. (
pag. 114)
Hoofdwerk
– Schroef 1 verwijderen.
–
202565-10
pag. 101)
–
Schroef 2 verwijderen.
3,5 Nm
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Schroef 3 verwijderen.
–
Schroef 4 verwijderen.
–
Schroef 5 verwijderen.
–
Tankafdekking achter optillen voorzichtig naar voren toe verwijderen.
202566-10
307821-10
307822-10
123
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.23
Tankafdekking monteren
124
Hoofdwerk
– Tankafdekking positioneren.
Info
Op afdichtlip letten.
–
Schroef 1 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel
M5x12
3,5 Nm
M6
6 Nm
M5x12
3,5 Nm
307821-11
–
Schroef 2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel
–
Schroef 3 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel
202565-11
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
125
Schroef 4 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel
–
M6
6 Nm
M5x12
3,5 Nm
Schroef 5 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel
202566-11
13.24
Nawerk
– Zijbekleding voor monteren. (
pag. 115)
–
Bestuurderszadel monteren. (
pag. 103)
–
Bijrijderzadel monteren. (
–
Schroeven 1 verwijderen en windscherm 2 eraf halen.
pag. 102)
Windscherm demonteren
202388-10
13
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.25
Windscherm monteren
–
Windscherm 1 positioneren.
–
Schroeven 2 monteren en vastdraaien.
126
Voorgeschreven waarde
Schroef windscherm
202388-11
M5
3,5 Nm
14
REMSYSTEEM
14.1
ABS / Anti Blokkeer Systeem
3
0
0
2
127
De ABS-unit 1 bestaat uit een hydraulische unit, ABS‑besturingsunit en retourpomp en
is onder het zadel gemonteerd. Er bevindt zich een wieltoerentalsensor 2 aan het voor- en
achterwiel.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beperkte werking ABS
–
Het spinnen van het achterwiel met vastgehouden voorwielrem (burn out) is uitsluitend toegestaan als het ABS uitgeschakeld is.
–
Bij wijzigingen zoals kortere en langere veerafstanden, andere velgdiameters,
andere banden, verkeerde bandenspanning, andere remplaketten en dergelijke
kan het ABS niet meer optimaal werken. De optimale werking van het ABS is
enkel gegarandeerd, wanneer voor het remsysteem uitsluitend door KTM vrijgegeven en/of aanbevolen reserveonderdelen en banden worden gebruikt.
–
Servicewerkzaamheden en reparaties moeten vakkundig worden uitgevoerd. (De
geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Het ABS is een veiligheidssysteem, dat het blokkeren van de wielen bij het rechtuit rijden
zonder inwerking van zijwaartse krachten voorkomt.
1
0
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Voertuig slaat om
–
0
2
401662-01
In extreme rijsituaties (bijvoorbeeld bagage met hoog zwaartepunt, wisselend
wegdek, steil bergaf rijden, vol remmen zonder uitkoppelen) kan niet altijd worden voorkomen dat het voertuig omslaat. Pas het rijgedrag aan de toestand van
de rijweg en uw rijvaardigheden aan.
Het ABS heeft twee modi, de ABS‑mode "Road" en de ABS‑mode "Offroad".
In de ABS‑mode "Road" remt het achterwiel mee af, als de voorwielrem wordt bediend. Het
ABS kan aan beide wielen regelen.
14
REMSYSTEEM
128
In de ABS‑mode "Offroad" remt de voorwielrem het voorwiel. De achterwielrem remt het achterwiel. Aan de achterwiel vindt er geen ABS-regeling plaats. Het ABS‑lampje 3 knippert
langzaam, om u aan het activeren van de ABS‑mode "Offroad" te herinneren.
Info
In de ABS‑mode "Offroad" kan het achterwiel blokkeren – gevaar voor vallen.
Het ABS werkt met twee onafhankelijk van elkaar werkende remcircuits (voorwiel- en achterwielrem). Als de ABS-besturingsunit de blokkeerneiging van een wiel herkent, begint het
ABS door het regelen van de remdruk te werken. De regeling is merkbaar aan een licht pulserende remhendel resp. licht pulserend rempedaal.
Het ABS‑lampje 3 moet na het inschakelen van de ontsteking gaan branden en uitgaan
wanneer het voertuig rijdt. Als het lampje na het optrekken niet uitgaat of tijdens het rijden
brandt, duidt dit op een fout in het ABS-systeem. Het ABS is dan niet meer actief en de
wielen kunnen bij het remmen blokkeren. Het remsysteem zelf blijft gewoon werken, alleen
de ABS-regeling valt uit.
Het ABS‑lampje kan ook gaan branden, als in extreme rijsituaties het toerental van het
voor- of achterwiel sterk van elkaar afwijken, bijvoorbeeld bij een wheelie of als het achterwiel doordraait. Daardoor wordt het ABS uitgeschakeld.
Om het ABS weer te activeren, moet het voertuig worden gestopt en de ontsteking uitgeschakeld. Als u weer met het voertuig gaat rijden, wordt ook het ABS weer geactiveerd. Het
ABS‑lampje gaat uit als het voertuig rijdt.
In het menu "MTC/ABS" kan het ABS met de hand uitgeschakeld worden.
Info
Na het inschakelen van het contact is het ABS weer actief.
14
REMSYSTEEM
14.2
Remschijven controleren
129
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door versleten remschijf/remschijven.
–
Versleten remschijf/remschijven meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
–
Dikte van de remschijven voor en achter op meerdere plekken controleren op afmeting A.
Info
Door slijtage vermindert de dikte van de remschijf in het bereik van het raakvlak 1 van de remplaketten.
Remschijven - slijtagegrens
400618-10
»
4 mm
achter
4,5 mm
Als de dikte van de remschijven onder de voorgeschreven waarde ligt.
–
–
voor
Remschijf vervangen.
Remschijven voor en achter controleren op beschadiging, scheuren en vervorming.
»
Als de remschijf beschadigd, gescheurd of vervormd is:
–
Remschijf vervangen.
14
REMSYSTEEM
14.3
Remvloeistofpeil voorwielrem controleren
130
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering MIN dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versleten remplaketten. Remsysteem controleren, niet doorrijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door te oude remvloeistof.
–
Remvloeistof van voor- en achterwielrem volgens serviceschema verversen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
–
Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal zetten.
–
Remvloeistofpeil van het remvloeistof-reservoir 1 controleren.
»
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering A is gedaald:
–
Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen.
x(
pag. 130)
S00269-10
14.4
Remvloeistof voorwielrem bijvullen
x
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering MIN dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versleten remplaketten. Remsysteem controleren, niet doorrijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
14
REMSYSTEEM
131
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof kan bij aanraking leiden tot huidirritaties.
–
Erop letten dat remvloeistof niet in aanraking komt met de huid of ogen en houd deze buiten bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Als er remvloeistof in de ogen komt, moet u de ogen grondig met water spoelen en meteen een arts raadplegen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door te oude remvloeistof.
–
Remvloeistof van voor- en achterwielrem volgens serviceschema verversen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
In geen geval remvloeistof DOT 5 gebruiken! Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en remkabels
zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Zorg ervoor dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen. Remvloeistof vreet lak aan!
Gebruik alleen schone remvloeistof uit een gesloten verpakking!
Voorwerk
– Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
pag. 132)
14
REMSYSTEEM
132
Hoofdwerk
– Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal zetten.
–
Schroeven 1 verwijderen.
–
Dop 2 met membraan 3 verwijderen.
–
Remvloeistof tot de MAX-markering A vullen.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
S00272-10
pag. 210)
–
Dop 2 met membraan 3 positioneren.
–
Schroeven 1 monteren en vastdraaien.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met water afspoelen.
14.5
Remplaketten voorwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door versleten remplaketten.
–
Versleten remplaketten meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door beschadigde remschijven.
–
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Daardoor vermindert de remwerking
aanmerkelijk en de remschijven beschadigen onherstelbaar. Remplaketten regelmatig controleren.
14
REMSYSTEEM
133
–
Controleren of alle remplaketten aan beide remklauwen de minimale plaketdikte A
hebben.
Minimale plaketdikte
»
Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
–
–
14.6
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
x
Alle remplaketten aan beide remklauwen controleren op beschadiging en scheuren.
»
S00358-10
≥ 1 mm
Als er beschadigingen of scheuren zijn:
–
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
x
Remvloeistofpeil achterwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering MIN dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versleten remplaketten. Remsysteem controleren, niet doorrijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door te oude remvloeistof.
–
Remvloeistof van voor- en achterwielrem volgens serviceschema verversen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
Voorwerk
(Optie: Middenstandaard)
– Voertuig op middenstandaard zetten. (
pag. 100)
14
REMSYSTEEM
134
Hoofdwerk
– Remvloeistofpeil van het remvloeistof-reservoir 1 controleren.
»
Als het vloeistofpeil de MIN-markering A heeft bereikt:
–
Remvloeistof van de achterwielrem bijvullen.
x(
pag. 134)
S00360-10
14.7
Remvloeistof achterwielrem bijvullen
x
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering MIN dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versleten remplaketten. Remsysteem controleren, niet doorrijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof kan bij aanraking leiden tot huidirritaties.
–
Erop letten dat remvloeistof niet in aanraking komt met de huid of ogen en houd deze buiten bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Als er remvloeistof in de ogen komt, moet u de ogen grondig met water spoelen en meteen een arts raadplegen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door te oude remvloeistof.
–
Remvloeistof van voor- en achterwielrem volgens serviceschema verversen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
14
REMSYSTEEM
135
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
In geen geval remvloeistof DOT 5 gebruiken! Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en remkabels
zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Zorg ervoor dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen. Remvloeistof vreet lak aan!
Gebruik alleen schone remvloeistof uit een gesloten verpakking!
Voorwerk
(Optie: Middenstandaard)
– Voertuig op middenstandaard zetten. (
–
pag. 100)
Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
pag. 136)
Hoofdwerk
– Schroefdop 1 met membraan 2 verwijderen.
–
Remvloeistof tot de MAX-markering A vullen.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
pag. 210)
Schroefdop 1 met en membraan 2 monteren en vastdraaien.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met water afspoelen.
S00359-10
14
REMSYSTEEM
14.8
Remplaketten achterwielrem controleren
136
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door versleten remplaketten.
–
Versleten remplaketten meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door beschadigde remschijven.
–
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Daardoor vermindert de remwerking
aanmerkelijk en de remschijven beschadigen onherstelbaar. Remplaketten regelmatig controleren.
–
Controleren of de remplaketten de minimale plaketdikte A hebben.
Minimale plaketdikte A
»
Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
–
–
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
x
Remplaketten controleren op beschadiging en scheuren.
»
Als er beschadigingen of scheuren te herkennen zijn:
–
S00292-10
≥ 1 mm
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
x
15
WIELEN, BANDEN
15.1
Voorwiel demonteren
137
x
Voorwerk
(Optie: Middenstandaard)
– Voertuig op middenstandaard zetten. (
pag. 100)
Hoofdwerk
– Voertuig aan de achterkant belasten.
Het voorwiel heeft geen contact met de bodem.
–
Schroef 1 verwijderen en wieltoerentalsensor 2 uit de boring trekken.
S00362-10
–
Schroeven 3 aan beide remklauwen verwijderen.
–
Remplaketten terugduwen op de remschijf door de remklauwen licht naar de zijkant te
kantelen. Remklauwen voorzichtig naar achteren van de remschijven trekken en opzij
hangen.
Info
Remhendel niet bedienen als de remklauwen verwijderd zijn.
S00363-10
15
WIELEN, BANDEN
138
–
Schroef 4 en schroeven 5 losdraaien.
–
Schroef 4 ca. 6 slagen eruit schroeven en met de hand op de schroef drukken, om de
steekas uit de asopname te schuiven. Schroef 4 verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Minder remwerking door beschadigde remschijven.
–
–
S00364-10
Het wiel altijd zeer neerleggen, dat de remschijven niet worden beschadigd.
Voorwiel vasthouden en steekas eruit trekken. Voorwiel uit de voorvork nemen.
Info
Remhendel niet gebruiken wanneer het voorwiel is gedemonteerd.
–
Afstandsbussen 6 verwijderen.
S00316-10
15.2
Voorwiel monteren
x
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door olie of vet op de remschijven.
–
Remschijven beslist olie- en vetvrij houden en indien nodig reinigen met een remmenreiniger.
15
WIELEN, BANDEN
139
–
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
»
Wanneer de wiellager beschadigd of versleten is:
–
–
Wiellager vervangen.
x
Keerringen 1 en loopvlak A van de afstandsbussen reinigen en invetten.
Duurzaam vet (
pag. 212)
S00316-11
–
De brede afstandsbus 2 in looprichting links plaatsen.
Info
Pijl B geeft de looprichting van het voorwiel aan.
Het ABS‑sensorwiel bevindt zich in de looprichting links.
–
De brede afstandsbus in looprichting rechts plaatsen.
S00339-10
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door olie of vet op de remschijven.
–
S00365-10
Remschijven beslist olie- en vetvrij houden en indien nodig reinigen met een
remmenreiniger.
–
Schroef 3 en steekas 4 reinigen.
–
Voorwiel in voorvork tillen, positioneren en steekas erin zetten.
15
WIELEN, BANDEN
140
–
Schroef 3 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef steekas voor
M25x1,5
45 Nm
–
Remklauwen positioneren en daarbij letten op correcte plaatsing van de remplaketten.
–
Schroeven 5 aan beide remklauwen monteren, maar nog niet vastdraaien.
–
Remhendel meerdere keren indrukken tot de remplaketten tegen de remschijf liggen en
een drukpunt aanwezig is. Remhendel ingedrukt vastzetten.
Remklauwen worden uitgelijnd.
–
Schroeven 5 aan beide remklauwen vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef remklauw voor
S00363-11
M10
45 Nm
–
Vastzetting remhendel verwijderen.
–
Wieltoerentalsensor 6 in de boring steken en positioneren.
–
Schroef 7 monteren en vastdraaien.
Loctite® 243™
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
(Optie: Middenstandaard)
– Voertuig van middenstandaard nemen. (
S00362-11
M6
pag. 100)
10 Nm
15
WIELEN, BANDEN
141
–
Voorwielrem indrukken en voorvork enkele keren krachtig inveren.
–
Schroeven 8 vastdraaien.
Vorkpoten worden uitgelijnd.
Voorgeschreven waarde
Schroef asopname
M8
15 Nm
S00364-11
15.3
Achterwiel demonteren
x
Voorwerk
(Optie: Middenstandaard)
– Voertuig op middenstandaard zetten. (
pag. 100)
Hoofdwerk
– Remklauw met de hand naar de remschijf duwen, om de remzuigers dicht te drukken.
S00275-10
15
WIELEN, BANDEN
142
–
Schroef 1 verwijderen en wieltoerentalsensor 2 uit de boring trekken.
–
Moer 3 verwijderen. Kettingspanner 4 verwijderen.
–
Steekas 5 slechts zo ver eruit trekken, dat het achterwiel naar voren kan worden
geschoven.
–
Achterwiel zo ver mogelijk naar voren schuiven. Ketting van kettingwiel nemen en kettingkast 6 wegleggen.
S00277-10
S00276-10
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door beschadigde remschijven.
–
S00286-10
Het wiel altijd zo neerleggen, dat de remschijven niet worden beschadigd.
15
WIELEN, BANDEN
143
–
Achterwiel vasthouden en steekas eruit trekken. Achterwiel uit de achterbrug halen.
Info
Rempedaal niet intrappen als het achterwiel is gedemonteerd.
–
15.4
Achterwiel monteren
Afstandsbus 7 verwijderen.
x
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door olie of vet op de remschijven.
–
Remschijven beslist olie- en vetvrij houden en indien nodig reinigen met een remmenreiniger.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Geen remwerking bij het intrappen van de achterwielrem.
–
Na het inbouwen van het achterwiel altijd het rempedaal intrappen totdat er een drukpunt aanwezig is.
–
Demperpakkingen van de achterwielnaaf controleren.
–
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
»
Wiellager vervangen.
–
pag. 212)
Schroefdraad van de steekas en moer reinigen en invetten.
Duurzaam vet (
S00285-10
x
Keerring 1 en loopvlak A van de afstandsbus reinigen en invetten.
Duurzaam vet (
–
pag. 145)
Wanneer de wiellager beschadigd of versleten is:
–
–
x(
pag. 212)
Demperpakkingen en kettingwieldrager in het achterwiel monteren.
15
WIELEN, BANDEN
144
–
Achterwiel in de achterbrug zetten en de remschijf in de remklauw haken.
–
Steekas 2 monteren, maar niet tot de aanslag erin schuiven.
–
Achterwiel zover mogelijk naar voren schuiven en ketting op het kettingwiel leggen.
–
Steekas tot de aanslag erin schuiven, kettingspanner 4 en moer 5 monteren.
S00287-10
Info
Kettingspanners 3 en 4 in dezelfde stand monteren.
–
Het achterwiel naar voren duwen, zodat de kettingspanners tegen de spanschroeven
liggen en moer 5 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
S00288-10
De markeringen op de kettingspanners moeten links en rechts in dezelfde stand ten
opzichte van de referentiemarkeringen B staan, zodat het achterwiel correct is uitgelijnd.
Moer steekas achter
M25x1,5
90 Nm
Schroefdraad ingevet
15
WIELEN, BANDEN
145
–
Wieltoerentalsensor 6 in de boring steken. Schroef 7 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
–
M6
10 Nm
Rempedaal meerdere keren indrukken tot de remplaketten tegen de remschijf liggen en
er een drukpunt aanwezig is.
S00289-10
15.5
Demperpakkingen achterwielnaaf controleren
x
Info
De kracht van de motor wordt door het kettingwiel overgebracht via 6 demperpakkingen op het achterwiel. De demperpakkingen
slijten tijdens het gebruik. Als de demperpakkingen niet op tijd worden vervangen, beschadigen de kettingwieldrager en de achterwielnaaf.
Voorwerk
(Optie: Middenstandaard)
– Voertuig op middenstandaard zetten. (
–
Achterwiel demonteren.
x(
pag. 141)
pag. 100)
15
WIELEN, BANDEN
146
Hoofdwerk
– Demperpakkingen 1 van de achterwielnaaf controleren op beschadiging en slijtage.
»
Als de demperpakkingen van de achterwielnaaf zijn beschadigd of versleten:
–
Alle demperpakkingen van de achterwielnaaf vervangen.
S00290-10
–
Achterwiel met het kettingwiel naar boven toe op een werkbank leggen en de steekas in
de naaf steken.
–
Kettingwielspeling A controleren.
Info
De speling wordt gemeten aan de buitenkant van het kettingwiel.
Speling schokdemperpakkingen achterwiel
S00291-10
»
≤ 5 mm
Als de speling A groter is dan de voorgeschreven waarde:
–
Alle demperpakkingen van de achterwielnaaf vervangen.
Nawerk
– Achterwiel monteren.
x(
pag. 143)
15
WIELEN, BANDEN
15.6
Toestand banden controleren
147
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Oncontroleerbaar rijgedrag door klappen van een band.
–
Beschadigde of versleten banden voor uw eigen veiligheid meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor vallen Beperking van het rijgedrag door verschillende bandprofielen aan voor- en achterwiel.
–
Voor- en achterwiel moeten altijd zijn uitgerust met banden met een gelijksoortig profiel, anders kan de motor oncontroleerbaar
worden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Ongecontroleerd rijgedrag door niet vrijgegeven en/of aanbevolen banden/wielen.
–
Alleen door KTM vrijgegeven en/of aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex gebruiken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde wegligging bij nieuwe banden.
–
Nieuwe banden hebben een glad contactvlak, waardoor het wegcontact niet volledig is. Het volledige contactvlak moet de eerste
200 kilometers bij een gematigde rijstijl en in verschillende schuine standen worden geruwd. Pas nadat de banden zijn ingereden wordt de volledige wegligging bereikt.
Info
Het type, de toestand en de spanning van de banden zijn van invloed op het rem- en rijgedrag van het voertuig.
Versleten banden hebben vooral bij natte ondergrond een slechte invloed.
15
WIELEN, BANDEN
148
–
De voor- en achterbanden controleren op insnijdingen, voorwerpen die tijdens het rijden
in de band zijn gaan zitten en andere beschadigingen.
»
Als er insnijdingen, voorwerpen die tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten en
andere beschadigingen aan de banden te zien zijn:
–
–
Banden wisselen.
Profieldiepte controleren.
Info
De minimale profieldiepte volgens de nationale wetgeving in acht nemen.
400602-10
Minimale profieldiepte
»
Als de minimale profieldiepte lager is dan de minimale waarde:
–
–
≥ 2 mm
Banden wisselen.
Leeftijd van de banden controleren.
Info
De productiedatum van de banden staat meestal op het opschrift van de banden
en wordt met de laatste vier cijfers van de DOT aanduiding gekenmerkt. De eerste twee cijfers wijzen op de week van productie en de laatste twee cijfers op het
jaar van productie.
KTM adviseert de banden te wisselen, onafhankelijk van de daadwerkelijke slijtage van de banden, uiterlijk echter na 5 jaar.
»
Als de band ouder is dan vijf jaar:
–
Banden wisselen.
15
WIELEN, BANDEN
15.7
Bandenspanning controleren
149
Info
Een te lage bandenspanning leidt tot buitengewone slijtage en oververhitting van de band.
Een goede bandenspanning garandeert een optimaal rijcomfort en maximale levensduur van de band.
–
Ventieldopje verwijderen.
–
Bandenspanning controleren bij koude banden.
Bandenspanning solo / met bijrijder / volledige nuttige last
»
15.8
–
2,4 bar
achter: Bij koude band
2,9 bar
Als de bandenspanning niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
400695-01
voor: Bij koude band
Bandenspanning corrigeren.
Ventieldopje monteren.
Spaakspanning controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag door een verkeerde spaakspanning.
–
Op een correcte spaakspanning letten. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Info
Door een losse spaak kan het wiel gemakkelijk een zij- of hoogteslag krijgen. Andere spaken raken binnen een zeer korte tijd los.
Wanneer de spaken ze strak gespannen zijn, kunnen ze door lokale overbelasting afbreken.
Regelmatig de spaakspanning controleren, vooral bij een nieuwe motorfiets.
15
WIELEN, BANDEN
150
–
Met de staaf van een schroevendraaier kort op iedere spaak slaan.
Info
De toonfrequentie is afhankelijk van de spaaklengte en van de spaakdiameter.
Wanneer er verschillende toonfrequenties hoorbaar zijn bij spaken met gelijke
lengte en dikte, duidt dat op verschillende spaakspanningen.
De toon moet helder zijn.
400694-01
»
Wanneer de spaakspanning verschillend is:
–
Spaakspanning corrigeren.
x
16
ELEKTRONICA
16.1
Dagrijlicht
151
Het dagrijlicht/zijlicht is geïntegreerd in de hoofdkoplamp.
Het dagrijlicht kan bij goede zichtverhoudingen worden ingeschakeld. Activeer het dagrijlicht in het gecombineerde instrument. De helderheidssensor in het gecombineerde instrument zorgt voor de besturing. Als er goede zichtverhoudingen zijn, wordt het dimlicht uitgeschakeld en het dagrijlicht ingeschakeld. Deze brandt vier keer helderder dan het zijlicht.
Als het dagrijlicht uitgeschakeld is, neemt het de functie van zijlicht over.
Info
Houdt u zich aan de wettelijke vereisten voor het dagrijlicht.
S00382-01
16.2
Accu demonteren
x
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
–
Houd accu's buiten bereik van kinderen.
–
Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.
–
Voorkom contact met accuzuur en accugassen.
–
Vonken of open vlammen uit de buurt van de accu houden. De accu alleen in goed geventileerde ruimtes laden.
–
Bij aanraking met de huid met veel water spoelen. Als er accuzuur in de ogen komt, ten minste 15 minuten met water spoelen
en een arts opzoeken.
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Als de motorfiets met een lege of zonder accu wordt gebruikt, kunnen elektronische componenten en veiligheidsvoorzieningen worden beschadigd.
–
Motorfiets nooit met een lege of zonder accu gebruiken.
16
ELEKTRONICA
152
Voorwerk
– Alle stroomverbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
–
Bijrijderzadel verwijderen. (
–
Bestuurderszadel verwijderen. (
pag. 101)
pag. 102)
Hoofdwerk
– Vergrendeling 1 in pijlrichting trekken.
–
Afdekking 2 openklappen.
–
Minkabel 3 van de accu loskoppelen.
–
Pluskabel 4 van de accu loskoppelen.
–
Accu met accumantel 5 uit accuvak halen.
S00373-10
S00375-10
16
ELEKTRONICA
16.3
Accu monteren
153
x
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
–
Houd accu's buiten bereik van kinderen.
–
Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.
–
Voorkom contact met accuzuur en accugassen.
–
Vonken of open vlammen uit de buurt van de accu houden. De accu alleen in goed geventileerde ruimtes laden.
–
Bij aanraking met de huid met veel water spoelen. Als er accuzuur in de ogen komt, ten minste 15 minuten met water spoelen
en een arts opzoeken.
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Als de motorfiets met een lege of zonder accu wordt gebruikt, kunnen elektronische componenten en veiligheidsvoorzieningen worden beschadigd.
–
Motorfiets nooit met een lege of zonder accu gebruiken.
Hoofdwerk
– Accu in accumantel 1 steken.
Info
De vlakke zijde van de accumantel moet tegenover de polen liggen.
–
Accu met accumantel in het accuvak plaatsen.
–
Beide pluskabels 2 aansluiten.
Voorgeschreven waarde
S00375-11
Schroef accupool
–
Beide minkabels 3 aansluiten.
M6
4,5 Nm
16
ELEKTRONICA
154
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool
–
M6
4,5 Nm
Afdekking 4 dichtklappen en door zachtjes omlaag te duwen vergrendelen.
202567-10
Nawerk
– Bestuurderszadel monteren. (
16.4
Accu laden
–
Bijrijderzadel monteren. (
–
Tijd en datum instellen.
pag. 103)
pag. 102)
x
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
–
Houd accu's buiten bereik van kinderen.
–
Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.
–
Voorkom contact met accuzuur en accugassen.
–
Vonken of open vlammen uit de buurt van de accu houden. De accu alleen in goed geventileerde ruimtes laden.
–
Bij aanraking met de huid met veel water spoelen. Als er accuzuur in de ogen komt, ten minste 15 minuten met water spoelen
en een arts opzoeken.
16
ELEKTRONICA
155
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Onderdelen en componenten van de accu belasten het milieu.
–
Accu niet bij het huisvuil gooien. Een defecte accu op milieuvriendelijke wijze afdanken. Geef de accu af bij uw geautoriseerde
KTM-dealer of bij een verzamelpunt voor oude accu's.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
Ook als de accu niet wordt belast verliest hij dagelijks aan lading.
De laadtoestand en de wijze van laden is erg belangrijk voor de levensduur van de accu.
Snel laden met een hogere laadstroom heeft een negatief effect op de levensduur.
Als de laadstroom, laadspanning en laadtijd worden overschreden ontsnapt er elektrolyt via de veiligheidskleppen. Daardoor verliest
de accu aan capaciteit.
Als de accu leeg is gestart moet hij meteen weer worden geladen.
Bij langere stilstand in lege toestand treedt er diepteontlading en sulftatie op en dat kan leiden tot vernietiging van de accu.
De accu is onderhoudsvrij, dat betekent dat het zuurniveau niet hoeft te worden gecontroleerd.
Als de accu niet met een acculader van KTM wordt opgeladen, moet de accu voor het laden worden gedemonteerd. Anders kunnen
componenten worden beschadigd door overspanning. De accu laden volgens de gegevens op het accuhuis.
Voorwerk
– Alle stroomverbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
–
Bijrijderzadel verwijderen. (
–
Bestuurderszadel verwijderen. (
pag. 101)
pag. 102)
16
ELEKTRONICA
156
Hoofdwerk
– Vergrendeling 1 in pijlrichting trekken.
–
Afdekking 2 openklappen.
–
Minkabels 3 van de accu loskoppelen om beschadiging van de boordelektronica te
voorkomen.
–
Acculader op de accu aansluiten. Acculader inschakelen.
S00373-10
602677-11
Acculader (58429074000)
Met deze acculader kunt u ook de rustspanning en het startvermogen van de accu en
dynamo testen. Bovendien kan met deze lader de accu niet worden overladen.
Info
Accu laden met maximaal 10% van de capaciteit, die op het accuhuis is aangegeven.
602678-01
16
ELEKTRONICA
157
–
Acculader na het laden uitschakelen en loskoppelen.
Voorgeschreven waarde
Laadstroom, laadspanning en laadtijd mogen niet worden overschreden.
Accu regelmatig bijladen als de motorfiets niet wordt gebruikt
–
3 maanden
Beide minkabels 3 aansluiten.
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool
M6
4,5 Nm
602677-11
–
Afdekking 4 dichtklappen en door zachtjes omlaag te duwen vergrendelen.
202567-10
Nawerk
– Bestuurderszadel monteren. (
–
Bijrijderzadel monteren. (
pag. 103)
pag. 102)
16
ELEKTRONICA
158
–
16.5
Tijd en datum instellen.
Hoofdzekering vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor brand Door het gebruik van verkeerde zekeringen kan het elektrisch systeem overbelast raken.
–
Alleen zekeringen gebruiken met het voorgeschreven aantal ampères. Zekeringen nooit overbruggen of repareren.
Voorwerk
– Alle stroomverbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
–
Bijrijderzadel verwijderen. (
–
Bestuurderszadel verwijderen. (
pag. 101)
Hoofdwerk
– Schroeven 1 verwijderen.
–
S00376-10
Achterbekleding 2 iets optillen.
pag. 102)
16
ELEKTRONICA
159
–
Beschermkapjes 3 verwijderen.
–
Defecte hoofdzekering 4 verwijderen.
S00377-10
Info
Een defecte zekering herkent u aan de gebroken smeltdraad A.
In het startrelais bevindt zich een reservezekering 5.
Met de hoofdzekering worden alle stroomverbruikers van het voertuig beveiligd.
–
Nieuwe hoofdzekering erin zetten.
Zekering (58011109130) (
S00378-10
pag. 200)
–
Werking van de elektrische installatie controleren.
–
Beschermkapjes monteren.
Tip
Nieuwe reservezekering in het startrelais plaatsen, zodat u er een bij u hebt als
het nodig is.
16
ELEKTRONICA
160
–
–
Achterbekleding 2 positioneren.
Schroeven 1 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel
M5x12
3,5 Nm
S00376-10
Nawerk
– Bestuurderszadel monteren. (
16.6
–
Bijrijderzadel monteren. (
–
Tijd en datum instellen.
pag. 103)
pag. 102)
Zekeringen in zekeringenblok vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor brand Door het gebruik van verkeerde zekeringen kan het elektrisch systeem overbelast raken.
–
Alleen zekeringen gebruiken met het voorgeschreven aantal ampères. Zekeringen nooit overbruggen of repareren.
Info
Het zekeringenblok met de zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers bevindt zich onder het zadel.
Voorwerk
– Alle stroomverbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
–
Bijrijderzadel verwijderen. (
pag. 101)
16
ELEKTRONICA
161
Hoofdwerk
– Zekeringenblokdeksel 1 openen.
S00369-10
(Optie: Zonder EDS)
– Zekeringen controleren.
Info
Een defecte zekering herkent u aan de gebroken smeltdraad A.
–
Defecte zekering verwijderen.
Voorgeschreven waarde
Zekering res - 10 A - reservezekeringen
S00370-10
Zekering 1 - 10 A - voedingsspanning besturingsunits en componenten
Zekering 2 - 10 A - stopcontact (ACC1),
Zekering 3 - 25 A - hydraulische ABS‑unit
Zekering 4 - 40 A - ABS‑retourpomp
Zekering 5 - geen functie
–
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
Zekering (58011109110) (
pag. 200)
Zekering (58011109125) (
pag. 200)
16
ELEKTRONICA
162
Zekering (58011109140) (
pag. 200)
Tip
Nieuwe reservezekering in het zekeringenblok plaatsen, zodat u er een bij u
hebt als het nodig is.
(Optie: Met EDS)
– Zekeringen controleren.
Info
Een defecte zekering herkent u aan de gebroken smeltdraad A.
–
Defecte zekering verwijderen.
Voorgeschreven waarde
Zekering res - 10 A - reservezekering
S00370-11
Zekering res - 15 A - reservezekering
Zekering 1 - 15 A - voedingsspanning besturingsunits en componenten
Zekering 2 - 10 A - stopcontact (ACC1),
Zekering 3 - 25 A - hydraulische ABS‑unit
Zekering 4 - 40 A - ABS‑retourpomp
Zekering 5 - geen functie
–
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
Zekering (58011109110) (
pag. 200)
Zekering (58011109115) (
pag. 200)
Zekering (58011109125) (
pag. 200)
Zekering (58011109140) (
pag. 200)
16
ELEKTRONICA
163
Tip
Nieuwe reservezekering in het zekeringenblok plaatsen, zodat u er een bij u
hebt als het nodig is.
–
De werking van de stroomverbruikers controleren.
–
Zekeringenblokdeksel sluiten.
Nawerk
– Bestuurderszadel monteren. (
–
16.7
Bijrijderzadel monteren. (
pag. 103)
pag. 102)
Koplampkap met koplamp demonteren
Voorwerk
– Alle stroomverbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
–
Bijrijderzadel verwijderen. (
–
Bestuurderszadel verwijderen. (
–
Zijbekleding voor demonteren. (
–
Tankafdekking demonteren. (
–
Maskerspoiler demonteren.
–
Windscherm demonteren. (
pag. 101)
pag. 102)
pag. 114)
pag. 122)
x(
pag. 116)
pag. 125)
16
ELEKTRONICA
164
Hoofdwerk
– Schroeven 1 verwijderen.
–
Koplampkap naar voren toe verwijderen.
–
Stekker 2 loskoppelen.
–
Koplampkap op een zachte doek leggen, zodat de koplamp niet beschadigt.
S00368-10
602645-10
16
ELEKTRONICA
16.8
Koplampkap met koplamp monteren
165
Hoofdwerk
– Stekker 1 van koplamp verbinden.
–
Controleren of de lampen werken.
–
Koplampkap positioneren.
602645-11
–
Schroeven 2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
M6
S00368-11
Nawerk
– Windscherm monteren. (
–
Maskerspoiler monteren.
pag. 126)
x(
pag. 119)
–
Tankafdekking monteren. (
–
Zijbekleding voor monteren. (
pag. 115)
–
Bestuurderszadel monteren. (
pag. 103)
–
Bijrijderzadel monteren. (
pag. 124)
pag. 102)
10 Nm
16
ELEKTRONICA
166
–
16.9
Koplampstand controleren. (
pag. 169)
Dimlichtlamp vervangen
Aanwijzing
Beschadiging van de reflector Lagere lichtsterkte.
–
Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.
Voorwerk
– Alle stroomverbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
–
Bijrijderzadel verwijderen. (
–
Bestuurderszadel verwijderen. (
–
Zijbekleding voor demonteren. (
–
Tankafdekking demonteren. (
pag. 101)
pag. 102)
pag. 114)
pag. 122)
–
Maskerspoiler demonteren.
–
Windscherm demonteren. (
–
Koplampkap met koplamp demonteren. (
x(
pag. 116)
pag. 125)
pag. 163)
Hoofdwerk
– Lamp van de koplamp 1 licht in de lampfitting duwen tot de aanslag tegen de klok in
draaien en eruit trekken.
–
S00297-10
Stekker 2 loskoppelen.
16
ELEKTRONICA
167
–
Stekker 2 op de nieuwe lamp van de koplamp aansluiten.
Dimlicht (H11 / sokkel PGJ19-2) (
–
pag. 200)
Lamp van de koplamp 1 in de lampfitting positioneren en tot de aanslag met de klok
mee draaien.
Lamp van koplamp vergrendeld in de lampfitting.
S00298-10
Nawerk
– Koplampkap met koplamp monteren. (
16.10
–
Windscherm monteren. (
–
Maskerspoiler monteren.
pag. 165)
pag. 126)
x(
pag. 119)
–
Tankafdekking monteren. (
–
Zijbekleding voor monteren. (
pag. 115)
–
Bestuurderszadel monteren. (
pag. 103)
–
Bijrijderzadel monteren. (
–
Koplampstand controleren. (
pag. 124)
pag. 102)
pag. 169)
Lamp groot licht vervangen
Aanwijzing
Beschadiging van de reflector Lagere lichtsterkte.
–
Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.
16
ELEKTRONICA
168
Voorwerk
– Alle stroomverbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
–
Bijrijderzadel verwijderen. (
–
Bestuurderszadel verwijderen. (
–
Zijbekleding voor demonteren. (
–
Tankafdekking demonteren. (
pag. 101)
pag. 102)
pag. 114)
pag. 122)
–
Maskerspoiler demonteren.
–
Windscherm demonteren. (
–
Koplampkap met koplamp demonteren. (
x(
pag. 116)
pag. 125)
pag. 163)
Hoofdwerk
– Lamp van de koplamp 1 licht in de lampfitting duwen tot de aanslag tegen de klok in
draaien en eruit trekken.
–
Stekker 2 loskoppelen.
–
Stekker 2 op de nieuwe lamp van de koplamp aansluiten.
S00295-10
Groot licht (H11 / sokkel PGJ19-2) (
–
pag. 201)
Lamp van de koplamp 1 in de lampfitting positioneren en tot de aanslag met de klok
mee draaien.
Lamp van koplamp vergrendeld in de lampfitting.
S00296-10
16
ELEKTRONICA
169
Nawerk
– Koplampkap met koplamp monteren. (
16.11
–
Windscherm monteren. (
–
Maskerspoiler monteren.
pag. 165)
pag. 126)
x(
pag. 119)
–
Tankafdekking monteren. (
–
Zijbekleding voor monteren. (
pag. 115)
–
Bestuurderszadel monteren. (
pag. 103)
–
Bijrijderzadel monteren. (
–
Koplampstand controleren. (
–
Voertuig op een horizontale ondergrond zetten voor een lichte muur en op hoogte van
het midden van de koplamp van het dimlicht een markering aanbrengen.
–
Nog een markering aanbrengen op een afstand B onder de eerste markering.
pag. 124)
pag. 102)
pag. 169)
Koplampstand controleren
Voorgeschreven waarde
Afstand B
–
5 cm
Voertuig op een afstand A loodrecht voor de muur zetten en het dimlicht inschakelen.
Voorgeschreven waarde
Afstand A
400726-10
5m
–
Nu gaat de bestuurder, eventueel met bagage en bijrijder op de motorfiets zitten.
–
Koplampstand controleren.
De grens tussen licht en donker moet bij een gebruiksklare motorfiets met bestuurder, eventueel met bagage en bijrijder, precies op de onderste markering liggen.
»
Als deze grens tussen licht en donker niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
–
Lichtbundelbreedte van de koplamp instellen. (
pag. 170)
16
ELEKTRONICA
16.12
Lichtbundelbreedte koplamp instellen
170
Voorwerk
– Koplampstand controleren. (
–
pag. 169)
Kroonplaat onder demonteren. (
pag. 113)
Hoofdwerk
– Met de stelschroef 1 de lichtbundelbreedte van de koplamp instellen.
Info
Draaien met de klok mee verbreedt de lichtbundelbreedte en draaien tegen de
klok in versmalt de lichtbundelbreedte.
Bij extra belading kan er een correctie van de lichtbundelbreedte van de koplamp nodig zijn.
S00301-10
–
Koplamp op markering B instellen.
Voorgeschreven waarde
De grens tussen licht en donker moet bij een gebruiksklare motorfiets met bestuurder, eventueel met bagage en bijrijder, precies op de onderste markering B liggen.
400726-11
Nawerk
– Kroonplaat onder monteren.
x(
pag. 113)
17
KOELSYSTEEM
17.1
Koelmiddelpeil vast reservoir controleren
171
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Radiateur, radiateurslangen en de overige componenten van het koelsysteem niet openen bij een warme motor. Motor en koelsysteem laten afkoelen. Verbrande huid meteen onder lauw water houden.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Erop letten dat koelmiddel niet in aanraking komt met huid, ogen of kleding. Bij contact met de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Verontreinigde huid meteen reinigen met water en zeep. Als koelmiddel is ingeslikt meteen een arts
raadplegen. Met koelmiddel verontreinigde kleding wisselen. Koelmiddel buiten bereik van kinderen houden.
Voorwaarden
Motor is koud.
Radiateur is volledig gevuld.
–
Motorfiets op een horizontale ondergrond zetten.
–
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir 1 controleren.
Het koelmiddelpeil moet tussen MIN en MAX liggen.
»
Als er zich geen koelmiddel in het vaste reservoir bevindt:
–
Koelsysteem controleren op lekkage.
x
Info
Niet met de motorfiets rijden!
602646-10
–
»
Koelmiddel vullen / koelsysteem ontluchten.
x
Als het koelmiddelpeil in het vaste reservoir niet met de voorgeschreven waarde
overeenkomt, maar nog niet leeg is:
17
KOELSYSTEEM
172
–
17.2
Koelmiddelpeil in vast reservoir corrigeren. (
pag. 172)
Koelmiddelpeil in vast reservoir corrigeren
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Radiateur, radiateurslangen en de overige componenten van het koelsysteem niet openen bij een warme motor. Motor en koelsysteem laten afkoelen. Verbrande huid meteen onder lauw water houden.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Erop letten dat koelmiddel niet in aanraking komt met huid, ogen of kleding. Bij contact met de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Verontreinigde huid meteen reinigen met water en zeep. Als koelmiddel is ingeslikt meteen een arts
raadplegen. Met koelmiddel verontreinigde kleding wisselen. Koelmiddel buiten bereik van kinderen houden.
Voorwaarden
Motor is koud.
Radiateur is volledig gevuld.
Voorwerk
– Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren. (
–
Zijbekleding voor demonteren. (
pag. 114)
Info
Alleen de rechter zijkant demonteren.
pag. 171)
17
KOELSYSTEEM
173
Hoofdwerk
– Dop 1 van vast reservoir verwijderen.
602647-10
–
Koelmiddel vullen totdat het koelmiddelpeil overeenkomt met de voorgeschreven
waarde.
Voorgeschreven waarde
Het koelmiddelpeil moet tussen MIN en MAX liggen.
Alternatief 1
Koelmiddel (
pag. 208)
Alternatief 2
Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd) (
602648-01
–
Dop op het vaste reservoir monteren.
Nawerk
– Zijbekleding voor monteren. (
pag. 115)
pag. 209)
18
MOTOR AFSTELLEN
18.1
"Drive Mode"
174
Mogelijke toestanden
• SPORT – Gehomologeerd vermogen met zeer directe respons, de tractiecontrole laat
een hogere slip aan het achterwiel toe
• STREET – Gehomologeerd vermogen met evenwichtige respons, de tractiecontrole laat
een normale slip aan het achterwiel toe
• RAIN – Gereduceerd, gehomologeerd vermogen voor betere rijbaarheid, de tractiecontrole laat een normale slip aan het achterwiel toe
• OFFROAD – Gereduceerd, gehomologeerd vermogen voor betere rijbaarheid, de tractiecontrole laat een hogere slip aan het achterwiel toe
401829-01
In het menu "Drive Mode" kunnen verschillende afstellingen voor het voertuig worden gekozen. Beschikbaar zijn "SPORT", "STREET", "RAIN" en "OFFROAD".
De als laatste gekozen rijmodus wordt rechts op het segmentendisplay weergegeven.
Info
De keuze van de rijmodus is niet van invloed op het ABS.
18.2
MTC / motorfiets-tractiecontrole
De tractiecontrole verlaagt het draaimoment bij tractieverlies aan het achterwiel. Afhankelijk van de instelling van de tractiecontrole is een lichte slip aan het achterwiel zelfs
gewenst. Bijvoorbeeld: offroad.
Info
Als de tractiecontrole uitgeschakeld is, kan het achterwiel bij sterke acceleratie of
op oppervlakken met een lage hechting doordraaien – gevaar voor vallen.
Na het inschakelen van het contact is de tractiecontrole weer actief.
401837-01
In het gecombineerd instrument wordt de tractiecontrole via het menu "Drive Mode"
( pag. 174) geregeld. In het menu "MTC/ABS" kan de tractiecontrole worden
uitgeschakeld.
18
MOTOR AFSTELLEN
175
Info
Als de tractiecontrole regelt, knippert het TC‑lampje .
Als de tractiecontrole uitgeschakeld is, brandt het TC‑lampje
.
19
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
19.1
Motoroliepeil controleren
176
Info
Het olieverbruik is afhankelijk van het rijgedrag en de gebruiksomstandigheden.
Voorwaarden
Motor is warm.
Voorwerk
– Motorfiets rechtop zetten op een horizontale ondergrond.
Hoofdwerk
– Motoroliepeil in het kijkglas voor motorolie controleren.
Info
Na het afzetten van de motor eerst een minuut wachten en dan pas controleren.
Het motoroliepeil moet in het bovenste deel B van het kijkglas voor de motorolie liggen.
401696-11
»
Als de motoroliepeil in het kijkglas voor motorolie bij A ligt:
–
»
–
»
Geen motorolie bijvullen.
Als de motoroliepeil in het kijkglas voor motorolie bij B ligt:
Motorolie kan bijgevuld worden.
Als de motoroliepeil in het kijkglas voor motorolie bij C ligt:
–
Motorolie bijvullen. (
pag. 181)
19
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
19.2
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen
177
x
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Tijdens het rijden worden de motor- en transmissieolie in de motorfiets zeer heet.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidshandschoenen dragen. Verbrande huid meteen onder lauw water houden.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Voorwerk
– Motorbescherming demonteren.
x
Hoofdwerk
– Motorfiets op een horizontale ondergrond op de zijstandaard zetten.
S00333-10
–
Geschikte bak onder de motor klaarzetten.
–
Olieaftapschroeven 1 met magneet, keerringen en oliezeef verwijderen.
19
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
–
Schroeven 2 verwijderen. Oliefilterdop 3 met keerring verwijderen.
–
Oliefilter 4 uit het oliefilterhuis trekken.
S00334-10
Seegerringtang verkeerd (51012011000)
–
Motorolie volledig laten uitlopen.
–
Onderdelen en afdichtvlak grondig reinigen.
–
Oliefilter 4 erin zetten.
–
Keerring van het oliefilterdop smeren met olie. Oliefilterdop 3 monteren.
S00335-10
S00336-10
178
19
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
–
179
Schroeven 2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven motor
M5
6 Nm
S00334-11
–
Magneet A en oliezeef B van de olieaftapschroeven grondig reinigen.
100773-12
–
Olieaftapschroeven 1 met magneet, keerringen en oliezeef monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Olieaftapschroef
S00333-10
M20x1,5
20 Nm
19
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
–
De oliehoeveelheid moet in twee werkstappen worden gevuld.
Motorolie
–
S00366-11
3,60 l
Buitentemperatuur:
≥ 0 °C
Motorolie
(SAE 10W/50)
( pag. 209)
Buitentemperatuur:
< 0 °C
Motorolie
(SAE 5W/40)
( pag. 209)
Sluitschroef 5 verwijderen en motorolie vullen.
Motorolie (1e deelhoeveelheid) ca.
–
180
3,0 l
Buitentemperatuur:
≥ 0 °C
Motorolie
(SAE 10W/50)
( pag. 209)
Buitentemperatuur:
< 0 °C
Motorolie
(SAE 5W/40)
( pag. 209)
Sluitschroef 5 monteren.
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid
en/of de dood tot gevolg hebben.
–
–
Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen,
de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten draaien zonder een
geschikte afzuiginstallatie.
Motor starten en controleren op lekkage.
19
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
181
–
Sluitschroef verwijderen en resterende motorolie tot de bovenste markering A op het
kijkglas voor de motorolie vullen.
–
Afsluitschroef monteren.
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid
en/of de dood tot gevolg hebben.
–
S00367-10
–
19.3
Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen,
de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten draaien zonder een
geschikte afzuiginstallatie.
Motor starten en controleren op lekkage.
Nawerk
– Motoroliepeil controleren. (
pag. 176)
–
x
Motorbescherming monteren.
Motorolie bijvullen
Info
Te weinig motorolie of motorolie van onvoldoende kwaliteit leidt tot voortijdige slijtage van de motor.
Te hoog motoroliepeil kan leiden tot motorschade.
Voorwaarden
Motor is warm.
Voorwerk
– Motorfiets rechtop zetten op een horizontale ondergrond.
–
Motoroliepeil controleren. (
pag. 176)
19
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
182
Hoofdwerk
– Sluitschroef 1 verwijderen.
S00366-10
–
Motorolie tot de bovenste markering A op het kijkglas voor de motorolie vullen.
Voorwaarden
Buitentemperatuur: ≥ 0 °C
Motorolie (SAE 10W/50) (
pag. 209)
Voorwaarden
Buitentemperatuur: < 0 °C
Motorolie (SAE 5W/40) (
S00367-10
pag. 209)
Info
Voor een optimale prestatie van de motorolie wordt aangeraden geen verschillende motoroliesoorten te mengen.
KTM raadt aan de motorolie te verversen als dat nodig is.
–
Afsluitschroef monteren.
19
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
183
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid
en/of de dood tot gevolg hebben.
–
–
Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen,
de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten draaien zonder een
geschikte afzuiginstallatie.
Motor starten en controleren op lekkage.
Nawerk
– Motoroliepeil controleren. (
pag. 176)
20
REINIGING, ONDERHOUD
20.1
Motorfiets reinigen
184
Aanwijzing
Materiële schade Beschadiging en vernietiging van componenten door hogedrukreiniger.
–
Bij het reinigen van het voertuig met een hogedrukreiniger, de waterstraal niet direct op de elektrische componenten, stekkers, bowdenkabels, lagers etc. richten. Een minimale afstand van 60 cm tussen de sproeier van de hogedrukreiniger en de component aanhouden. Een te hoge druk kan storingen veroorzaken of deze onderdelen vernietigen.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
Reinig de motorfiets regelmatig, zo blijven de waarde en het uiterlijk gedurende langere tijd behouden.
Directe zonnestralen op de motorfiets tijdens het reinigen vermijden.
–
Uitlaatsysteem afsluiten om het indringen van water te voorkomen.
–
Grove vervuiling eerst met een zachte waterstraal verwijderen.
–
Sterk vervuilde plekken met een normale in de handel verkrijgbare motorfietsreiniger
inspuiten en met een kwastje behandelen.
Motorfietsreiniger (
401061-01
pag. 213)
20
REINIGING, ONDERHOUD
185
Info
Warm water met een in de handel verkrijgbare motorfietsreiniger en een zachte
spons gebruiken.
Motorfietsreiniger nooit op het droge voertuig aanbrengen, altijd eerst met water
afspoelen.
Als u met het voertuig door strooizout bent gereden, moet hij in koud water worden gereinigd. Warm water versterkt de zoutwerking.
–
Nadat de motorfiets grondig met een zachte waterstraal is afgespoeld moet hij goed
worden gedroogd.
–
Afsluiting van het uitlaatsysteem verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door nat of vervuild remsysteem.
–
–
Vervuild of nat remsysteem voorzichtig schoon- resp. droogremmen.
Na de reiniging een kort stuk rijden, totdat de motor de rijtemperatuur heeft bereikt.
Info
Door de warmte verdampt het water ook op de niet toegankelijke plaatsen van de
motor en het remsysteem.
–
Beschermkappen van de stuurarmaturen terugschuiven, zodat het ingedrongen water
kan verdampen.
–
Na het afkoelen van de motorfiets alle glij- en lagerpunten smeren.
–
Ketting reinigen. (
–
Blank metalen onderdelen (met uitzondering van de remschijven en het uitlaatsysteem)
met antiroestmiddel behandelen.
pag. 104)
Reinigings- en conserveringsmiddel voor metaal en rubber (
pag. 213)
20
REINIGING, ONDERHOUD
–
186
Gelakte onderdelen behandelen met een onderhoudsmiddel voor lakken.
Hoogglans-politoer voor lak (
–
pag. 212)
Kunststof onderdelen en geëloxeerde onderdelen behandelen met een mild reinigingsen verzorgingsmiddel.
Reinigingsmiddel en politoer voor glanzende en matte lakken, metalen en kunststof
oppervlakken ( pag. 213)
–
Contact-/stuurslot, tankslot en zadelslot smeren met olie.
Universele oliespray (
20.2
pag. 214)
Controle en onderhoud voor rijden in de winter
Info
Als de motorfiets ook in de winter wordt gebruikt, moet rekening worden gehouden met strooizout op de wegen. Daarom moeten er
voorzorgsmaatregelen worden genomen tegen het agressieve strooizout.
Als u met het voertuig door strooizout bent gereden, moet hij na het einde van de rit met koud water worden gereinigd. Warm water
versterkt de zoutwerking.
–
Motorfiets reinigen. (
–
Remmen reinigen.
pag. 184)
Info
Na IEDERE rit op wegen met strooizout moeten de remklauwen en remplaketten
in afgekoelde en gemonteerde toestand, grondig met koud water worden gereinigd en goed worden gedroogd.
Na het rijden op met zout bestrooide wegen moet de motorfiets grondig met
koud water worden gereinigd en goed worden gedroogd.
401060-01
20
REINIGING, ONDERHOUD
–
187
Motor, achterbrug en alle overige blanke of verzinkte onderdelen (m.u.v. de remschijven) worden behandeld met een antiroestmiddel op wasbasis.
Info
Er mag geen antiroestmiddel op de remschijven terechtkomen. Daardoor wordt
de remwerking sterk verminderd.
–
Ketting reinigen. (
pag. 104)
21
STALLING
21.1
Stalling
188
Info
Als u de motorfiets voor langere tijd niet wilt gebruiken moet u volgende maatregelen nemen of laten nemen.
Controleer voordat u de motorfiets gaat stallen eerst of alle onderdelen goed werken en niet zijn versleten. Als er servicewerkzaamheden, reparaties of wijzigingen nodig zijn kunt u dat het beste doen tijdens de overwintering (minder drukte bij de garages). Zo
voorkomt u lange wachttijden bij aanvang van het seizoen.
–
Bij het laatste tanken voor het stilleggen van de motorfiets, brandstofadditief bijmengen.
Brandstofadditief (
401058-01
pag. 212)
–
Motorfiets reinigen. (
–
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.
–
Koelmiddelpeil en antivries controleren.
–
Bandenspanning controleren. (
–
Accu demonteren.
x(
pag. 184)
x(
pag. 177)
x
pag. 149)
pag. 151)
Voorgeschreven waarde
Opslagtemperatuur accu zonder directe
blootstelling aan zonnestralen
0… 35 °C
–
Accu laden.
–
Voertuig stallen op een droge plaats en niet blootstellen aan grote temperatuurschommelingen.
x(
pag. 154)
(Optie: Middenstandaard)
– Voertuig op middenstandaard zetten. (
–
pag. 100)
De motorfiets afdekken met een luchtdoorlatend dekzeil of een deken.
21
STALLING
189
Info
In geen geval mogen hiervoor luchtdichte materialen worden gebruikt, omdat er
dan geen vocht kan ontsnappen en er roest ontstaat.
Het is zeer slecht de motor van een gestalde motorfiets voor korte tijd te laten
draaien. Aangezien de motor daarbij niet voldoende warm wordt, condenseert
de waterdamp die bij de verbranding ontstaat en leidt ertoe dat de kleppen en
uitlaat gaan roesten.
21.2
Inbedrijfname na stalling
(Optie: Middenstandaard)
– Voertuig van middenstandaard nemen. (
–
–
pag. 100)
Accu laden.
x ( pag. 154)
Accu monteren. x ( pag. 153)
Info
Als de accu losgekoppeld was, moeten tijd en datum opnieuw worden ingesteld.
401059-01
–
Brandstof tanken. (
–
Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfname uitvoeren. (
–
Een proefrit maken.
pag. 88)
pag. 77)
22
FOUTEN OPSPOREN
190
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Er wordt niets weergegeven op het display van gecombineerd instrument
Zekering 1 gesmolten
–
Zekeringen in zekeringenblok vervangen.
( pag. 160)
Hoofdzekering doorgesmolten
–
Hoofdzekering vervangen. (
Accu leeg
–
Accu laden.
–
Ruststroom controleren.
Motor draait bij indrukken van
e-starterknop niet door
x(
pag. 158)
pag. 154)
x
Contact-/stuurslot defect
–
Contact-/stuurslot controleren.
Noodstopschakelaar is uit
–
Noodstopschakelaar in stand ON
Bedieningsfouten
–
Werkstappen voor het starten uitvoeren.
( pag. 78)
Accu leeg
–
Accu laden.
–
Ruststroom controleren.
–
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen.
Veiligheidsstartsysteem defect
x(
x
schakelen.
pag. 154)
x
x
Motor draait alleen door, als de koppelingshendel is getrokken
Motor draait door, hoewel er een versnelling is geschakeld
EWS-besturingsunit niet geactiveerd
–
EWS-besturingsunit activeren.
Fout in CAN-bus communicatie
–
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen.
x
x
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen. x
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen. x
EFI-besturingsunit heeft een fout.
–
MCZ-besturingsunit heeft een fout.
–
Er is een versnelling geschakeld
–
Overbrengingssysteem in stationair
Veiligheidsstartsysteem defect
–
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen.
Veiligheidsstartsysteem defect
–
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen.
x
x
schakelen.
22
FOUTEN OPSPOREN
191
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Motor draait door, maar springt niet
aan
Koppeling brandstofslangverbinding
niet verbonden
–
Koppeling brandstofslangverbinding verbinden.
Fout in het brandstofinspuitsysteem
–
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen.
x
Motor slaat tijdens het rijden af
Brandstofkwaliteit onvoldoende
–
Geschikte brandstof vullen.
Onvoldoende brandstof
–
Brandstof tanken. (
Fout in het brandstofinspuitsysteem
–
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen.
pag. 88)
x
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen. x
Motorwaarschuwingslampje brandt of
knippert
Fout in het brandstofinspuitsysteem
–
ABS-waarschuwingslampje brandt
Zekering ABS gesmolten
–
Zekeringen in zekeringenblok vervangen.
( pag. 160)
Wieltoerental van voor- en achterwiel
wijkt sterk af
–
Stoppen, ontsteking uitschakelen, opnieuw starten.
Fout in ABS
–
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen.
Motoroliepeil te hoog
–
Motoroliepeil controleren. (
Vloeibaarheid motorolie te dun (viscositeit)
–
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.
( pag. 177)
Een stroomverbruiker is aangesloten op
stopcontact/ACC1.
–
Stroomverbruiker loskoppelen van
stopcontact/ACC1.
–
Accu laden.
x
Hoog olieverbruik
Accu leeg
Noodknipperlichten zijn ingeschakeld
x
–
–
Accu wordt niet geladen door de
dynamo
pag. 176)
–
x ( pag. 154)
Noodknipperlichten uitschakelen.
Accu laden. x ( pag. 154)
Laadspanning controleren. x
22
FOUTEN OPSPOREN
192
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Accu leeg
Ontsteking bij het uitzetten van het
voertuig niet uitgeschakeld
–
Accu laden.
x(
pag. 154)
23
TECHNISCHE GEGEVENS
23.1
Motor
193
Bouwwijze
2-cilinder 4-takt benzinemotor, 75° V-indeling, gekoeld met vloeistof
Cilinderinhoud
1.195 cm³
Slag
69 mm
Boring
105 mm
Compressie
12,5:1
Stationair toerental
1.300… 1.500 1/min
Besturing
DOHC, 4 kleppen per cilinder, aandrijving via ketting
Klep - diameter klepsteel
Invoer
42 mm
Afvoer
34 mm
Klepspeling
Afvoer bij: 20 °C
0,25… 0,30 mm
Invoer bij: 20 °C
0,10… 0,15 mm
Krukaslager
Glijlager
Drijfstanglager
Glijlager
Zuigers
Lichtmetaal gesmeed
Zuigerveer
1 rechthoekige ring, 1 zuigerring, 1 olieschraapveer
Motorsmering
Dry-sump smering met 3 rotorpompen
Primaire overbrenging
40:76
Koppeling
Antihopping-koppeling in oliebad / hydraulisch bediend
Aandrijving
6 versnellingen met klauwschakeling
Overbrengingsverhouding
23
TECHNISCHE GEGEVENS
194
1e versnelling
12:35
2e versnelling
15:32
3e versnelling
18:30
4e versnelling
20:27
5e versnelling
24:27
6e versnelling
27:26
Mengselbehandeling
Elektronisch aangestuurde brandstofinspuiting
Ontstekingssysteem
Contactvrij aangestuurd volledig elektronisch ontstekingssysteem
met digitale ontstekingsvertraging
Dynamo
12 V, 450 W
Bougie
bougie binnen
NGK LKAR9BI9
bougie buiten
NGK LMAR7A-9
Elektrodenafstand bougie
0,8… 0,9 mm
Koeling
Vloeistofkoeling, permanente circulatie koelmiddel door waterpomp
Starthulp
E-starter
23.2
Aanhaalmomenten motor
Schroef steunplaat ventieldeksel achter
EJOT Altracs M6x10
10 Nm
–
Slangklem aanzuigflens
M4
1,5 Nm
–
Overige schroeven motor
M5
6 Nm
–
Schroef impulsgever
M5
6 Nm
Loctite® 243™
Schroef kijkglas motorolie
M5
4 Nm
–
Schroef lagerborging
M5
6 Nm
Loctite® 243™
23
TECHNISCHE GEGEVENS
195
Schroef sensor versnellingsherkenning
M5
6 Nm
Loctite® 243™
Schroef steunplaat schakelwalslager
M5
6 Nm
Loctite® 243™
Afsluitschroef onderdrukaansluiting
M6
5 Nm
Loctite® 243™
Moer cilinderkop
M6
9 Nm
–
Onderdrukaansluiting
M6
2,5 Nm
Loctite® 243™
Ontluchtingsschroef waterpompdeksel
M6
10 Nm
–
Overige schroeven motor
M6
10 Nm
–
Schroef dempingplaat
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef klepdeksel
M6
10 Nm
–
Schroef koelmiddelaansluiting op cilinderkop
M6
10 Nm
–
Schroef koppelingsdeksel
M6
10 Nm
–
Schroef koppelingsveer
M6
12 Nm
–
Schroef motorbehuizing
M6x60
10 Nm
–
Schroef motorbehuizing
M6x80
10 Nm
–
Schroef motorbehuizing
M6x90
10 Nm
–
Schroef nokkenaslagerplaat
M6 – 10.9
10 Nm
–
Schroef oliepompdeksel
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef startmotor
M6
10 Nm
–
Schroef stationaire ring
M6 – 10.9
15 Nm
Loctite® 648™
Schroef stationairhouder
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef stator
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef vergrendelingshendel
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef versnellingshendel
M6
18 Nm
Loctite® 243™
23
TECHNISCHE GEGEVENS
196
Schroef versnellingsvergrendeling
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef waterpompdeksel
M6
10 Nm
–
Schroef waterpompwiel
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Tapeind kettingkast
M6
8 Nm
–
Olievernevelaar
M6x0,75
4 Nm
Loctite® 243™
Sproeier 100
M6x0,75
4 Nm
Loctite® 243™
Afsluitschroef krukasbevestiging
M8
15 Nm
–
Schroef geledingsrail distributieketting
M8
15 Nm
Loctite® 243™
Schroef motorbehuizing
M8
18 Nm
–
Schroef motorconsole
M8
20 Nm
Loctite® 243™
Schroef nokkenaslagerplaat
M8 – 10.9
1e niveau
10 Nm
2e niveau
18 Nm
–
Schroef spanrail distributieketting
M8
15 Nm
Loctite® 243™
Tapeind uitlaatflens
M8
10 Nm
–
Afsluitschroef koppelingssmering
M10x1
12 Nm
–
Afsluitschroef sleperas
M10x1
15 Nm
–
Bougie
M10x1
15 Nm
–
Oliedrukschakelaar
M10x1
10 Nm
–
Schroef drijfstanglager
M10x1
1e niveau
25 Nm
2e niveau
30 Nm
3e niveau
90°
–
23
TECHNISCHE GEGEVENS
197
Schroef ontgrendeling voor distributiekettingspanner
M10x1
10 Nm
–
Schroef cilinderkop
M11x1,5
Draaivolgorde:
kruislings
1e niveau
15 Nm
2e niveau
30 Nm
3e niveau
90°
4e niveau
90°
Geolied met motorolie
Bougie
M12x1,5
15 Nm
–
Schroef rotor
M12x1,5
90 Nm
–
Temperatuursensor koelmiddel
M12x1,5
12 Nm
–
Moer ketting-aandrijfwiel
M20x1,5
100 Nm
Loctite® 243™
Olieaftapschroef
M20x1,5
20 Nm
–
Moer koppelingmeenemer
M22x1,5
130 Nm
Loctite® 243™
Afsluitschroef distributiekettingspanner
M24x1,5
25 Nm
–
Schroef in het dynamodeksel
M24x1,5
8 Nm
–
Moer primair wiel
M33LHx1,5
130 Nm
Loctite® 243™
23.3
Vulhoeveelheden
23.3.1
Motorolie
Motorolie
3,60 l
Buitentemperatuur: ≥ 0 °C
Motorolie (SAE 10W/50)
( pag. 209)
23
TECHNISCHE GEGEVENS
Motorolie
23.3.2
3,60 l
198
Buitentemperatuur: < 0 °C
Motorolie (SAE 5W/40)
( pag. 209)
Koelmiddel
Koelmiddel
2,40 l
Koelmiddel (
pag. 208)
Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd) (
23.3.3
Brandstof
Brandstofreserve ca.
Brandstoftankvolume totaal ca.
23.4
3,5 l
23 l
Brandstof super loodvrij (ROZ 95) (
Buisframe van chroommolybdeen staalbuizen, geëloxeerd
Optie: Met EDS
Voorvork
WP Suspension 4860 ROTA SPLIT
Schokdemper
WP Suspension 4614 WAD EDS
23.4.2
Optie: Zonder EDS
Voorvork
WP Suspension 4860 ROTA SPLIT
Schokdemper
WP Suspension 4618 Emulsion
Veerweg
pag. 208)
Chassis
Frame
23.4.1
pag. 209)
23
TECHNISCHE GEGEVENS
199
voor
190 mm
achter
190 mm
Remsysteem
voor
Dubbele schijfrem radiaal vastgeschroefde remklauw en vier zuigers, remschijven vlottend gelagerd
achter
Enkele schijfrem met remklauw met twee zuigers, remschijf vlottend gelagerd
Remschijven - diameter
voor
320 mm
achter
267 mm
Remschijven - slijtagegrens
voor
4 mm
achter
4,5 mm
Bandenspanning solo / met bijrijder / volledige nuttige last
voor: Bij koude band
2,4 bar
achter: Bij koude band
2,9 bar
Secundaire overbrenging
17:42
Ketting
5/8 x 5/16” (525) X‑ring
Balhoofdhoek
64°
Wielstand
1.560 mm
Zithoogte onbelast
860/875 mm
Afstand van bodem, onbelast
220 mm
Gewicht zonder brandstof ca.
212 kg
Maximaal toegestane asbelasting voor
159 kg
Maximaal toegestane asbelasting achter
281 kg
23
TECHNISCHE GEGEVENS
Maximaal toegestaan totaalgewicht
23.5
Elektronica
23.5.1
Optie: Zonder EDS
200
440 kg
Accu
YTZ14S
Accuspanning: 12 V
Nominale capaciteit: 11,2 Ah
Onderhoudsvrij
Zekering
58011109110
10 A
Zekering
58011109125
25 A
Zekering
58011109130
30 A
Zekering
58011109140
40 A
Accu
YTZ14S
Accuspanning: 12 V
Nominale capaciteit: 11,2 Ah
Onderhoudsvrij
Zekering
58011109110
10 A
Zekering
58011109115
15 A
Zekering
58011109125
25 A
Zekering
58011109130
30 A
Zekering
58011109140
40 A
Dimlicht
H11 / sokkel PGJ19-2
12 V
55 W
23.5.2
Optie: Met EDS
23
TECHNISCHE GEGEVENS
Groot licht
H11 / sokkel PGJ19-2
zijlicht
LED
Instrumentverlichting en controlelampjes
LED
Richtingaanwijzer
LED
Achterlicht
LED
Remlicht
LED
Nummerplaatverlichting
LED
23.6
201
12 V
55 W
Banden
Band voor
Band achter
120/70 ZR 19 M/C 60W TL
Continental ContiTrailATTACK 2 K
170/60 ZR 17 M/C 72W TL
Continental ContiTrailATTACK 2 K
Meer informatie vindt u in het servicegedeelte onder:
http://www.ktm.com
23.7
Voorvork
23.7.1
Optie: Met EDS
Artikelnummer voorvork
14.18.9M.24
Voorvork
WP Suspension 4860 ROTA SPLIT
Veerlengte met voorspanbus(sen)
393 mm
Veerconstante
Gemiddeld (standaard)
Vorklengte
6,0 N/mm
885 mm
23
TECHNISCHE GEGEVENS
Lengte luchtkamer
Vorkpootolie per vorkpoot
23.7.2
202
70±20 mm
675 ml
Vorkpootolie (SAE 4) (48601166S1) (
pag. 211)
Optie: Zonder EDS
Artikelnummer voorvork
14.18.8M.24
Voorvork
WP Suspension 4860 ROTA SPLIT
Ingaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Volledige nuttige last
7 klikken
Uitgaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Volledige nuttige last
7 klikken
Veerlengte met voorspanbus(sen)
393 mm
Veerconstante
Gemiddeld (standaard)
6,0 N/mm
Vorklengte
885 mm
Lengte luchtkamer
70±20 mm
Vorkpootolie per vorkpoot
675 ml
Vorkpootolie (SAE 4) (48601166S1) (
pag. 211)
23
TECHNISCHE GEGEVENS
23.8
Schokdemper
23.8.1
Optie: Met EDS
203
Artikelnummer schokdemper
11.18.9M.24
Schokdemper
WP Suspension 4614 WAD EDS
Veerconstante
Gemiddeld (standaard)
160 N/mm
Veerlengte
205 mm
Statische veerweg
25 mm
Dynamische veerweg
55 mm
Inbouwlengte
403 mm
Stootdemperolie (
23.8.2
pag. 210)
SAE 2,5
Optie: Zonder EDS
Artikelnummer schokdemper
01.18.7M.24
Schokdemper
WP Suspension 4618 Emulsion
Uitgaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Volledige nuttige last
7 klikken
Veervoorspanning
Comfort
4 omwentelingen
Standaard
4 omwentelingen
23
TECHNISCHE GEGEVENS
204
Sport
4 omwentelingen
Volledige nuttige last
12 omwentelingen
Veervoorspanning
Comfort
10 mm
Standaard
10 mm
Sport
10 mm
Volledige nuttige last
14 mm
Veerconstante
Gemiddeld (standaard)
170 N/mm
Veerlengte
205 mm
Statische veerweg
25 mm
Dynamische veerweg
55 mm
Inbouwlengte
402 mm
Stootdemperolie (
23.9
pag. 210)
SAE 2,5
Aanhaalmomenten chassis
Schroef combinatieschakelaar links
M4
2 Nm
–
Schroef zijstandaardschakelaar
M4
2 Nm
–
Overige schroeven chassis
M5
5 Nm
–
Schroef bekledingsdeel
M5x12
3,5 Nm
–
Schroef brandstofpeilsensor
M5
3 Nm
–
Schroef combinatieschakelaar rechts
M5
3,5 Nm
–
Schroef glijblok
M5
5 Nm
–
Schroef hitteplaat aan einddemper
M5
4 Nm
–
23
TECHNISCHE GEGEVENS
205
Schroef kabelgeleiding wieltoerentalsensor achter
M5
3 Nm
–
Schroef kabelkanaal
M5
5 Nm
–
Schroef remkabelhouder aan achterbrug
M5
5 Nm
–
Schroef rempedaalvlak
M5
6 Nm
Loctite® 243™
Schroef tankdop
M5
5 Nm
–
Schroef windscherm
M5
3,5 Nm
–
Spaaknippels
M5
4… 6 Nm
–
Massaschroefverbinding frame
M6
6 Nm
–
Moer bevestiging ABS-unit
M6
8 Nm
–
Overige moeren chassis
M6
10 Nm
–
Overige schroeven chassis
M6
10 Nm
–
Schroef accupool
M6
4,5 Nm
–
Schroef bekledingsdeel
M6
6 Nm
–
Schroef brandstofkraan
M6
6 Nm
–
Schroef brandstofpomp
M6
6 Nm
–
Schroef brandstoftank
M6
10 Nm
–
Schroef houder bochtstuk
M6
12 Nm
Loctite® 243™
Schroef kabelkanaal
M6
5 Nm
–
Schroef kettinggeleiding
M6
5 Nm
Loctite® 243™
Schroef koppelingsarmatuur
M6
5 Nm
–
Schroef magneethouder aan zijstandaard
M6
6 Nm
Loctite® 243™
Schroef motorbescherming
M6
10 Nm
–
Schroef onderste deel achterkant
M6
6 Nm
–
23
TECHNISCHE GEGEVENS
206
Schroef radiateurhouder
M6
7 Nm
–
Schroef remkabelhouder aan onderste
kroonplaat
M6
8 Nm
Loctite® 243™
Schroef rempedaalcilinder
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef remschijf achter
M6
14 Nm
Loctite® 243™
Schroef remschijf voor
M6
14 Nm
Loctite® 243™
Schroef spanningsregelaar
M6
6 Nm
–
Schroef wieltoerentalsensor achter
M6
10 Nm
–
Schroef wieltoerentalsensor voor
M6
10 Nm
–
Overige moeren chassis
M8
25 Nm
–
Overige schroeven chassis
M8
25 Nm
–
Schroef asopname
M8
15 Nm
–
Schroef bovenste kroonplaat
M8
15 Nm
–
Schroef contactslot (een keer te gebruiken)
M8
25 Nm
Loctite® 243™
Schroef klem stuurdemper
M8
12 Nm
–
Schroef kofferhaak
M8
20 Nm
–
Schroef onderste kroonplaat
M8
12 Nm
–
Schroef rempedaal
M8
25 Nm
Loctite® 243™
Schroef stuurklemmen
M8
20 Nm
–
Schroef uitlaatklem
M8
12 Nm
–
Schroef voetsteunhouder achter
M8
25 Nm
Loctite® 243™
Schroef voetsteunhouder voor
M8
25 Nm
Loctite® 243™
Motorschroef
M10
45 Nm
–
Overige moeren chassis
M10
45 Nm
–
23
TECHNISCHE GEGEVENS
207
Overige schroeven chassis
M10
45 Nm
–
Schroef remklauw voor
M10
45 Nm
Loctite® 243™
Schroef stuuradapter
M10
40 Nm
Loctite® 243™
Schroef zijstandaard
M10
35 Nm
Loctite® 243™
Schroef zijstandaardconsole
M10
45 Nm
Loctite® 243™
Holle schroef remkabel
M10x1
25 Nm
–
Moer bandendruksensor
M10x1
12 Nm
–
Schroef subframe
M10x1,25
45 Nm
Loctite® 243™
Lambdasonde
M12x1,25
25 Nm
–
Schroef schokdemper boven
M14x1,5
80 Nm
Schroefdraad ingevet
Schroef schokdemper onder
M14x1,5
80 Nm
Schroefdraad ingevet
Moer stopcontact
M18x1
4 Nm
–
Moer achterbrugbout
M19x1,5
130 Nm
Schroefdraad ingevet
Schroef balhoofd boven
M22x1,5
50 Nm
–
Moer steekas achter
M25x1,5
90 Nm
Schroefdraad ingevet
Schroef steekas voor
M25x1,5
45 Nm
–
Moer balhoofd boven
M28x1,0
12 Nm
–
24
GEBRUIKSSTOFFEN
208
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
Volgens
– DIN EN 228 (ROZ 95)
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend loodvrije superbenzine die voldoet aan de aangegeven norm of van dezelfde kwaliteit is.
–
Een aandeel van maximaal 10 % ethanol (E10 brandstof) kan daarbij zonder bezwaar worden gebruikt.
Info
Gebruik geen brandstof van methanol (bijv. M15, M85, M100) of met een aandeel van meer dan 10 % ethanol (bijv. E15,
E25, E85, E100).
Hydraulische olie (15)
Volgens
– ISO VG (15)
Voorgeschreven waarde
– Alleen hydraulische olie gebruiken die voldoet aan de aangegeven norm (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschappen beschikt. KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Hydraulic Fluid 75
Koelmiddel
Voorgeschreven waarde
– Alleen geschikt koelmiddel gebruiken (ook in landen met hoge temperaturen). Minderwaardig antivries kan leiden tot roestvorming en
schuimvorming. KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
24
GEBRUIKSSTOFFEN
209
Mengverhouding
Antivries: −25… −45 °C
50 % antiroest/antivries
50 % gedestilleerd water
Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd)
−40 °C
Antivries
Leverancier
Motorex®
– COOLANT G48
Motorolie (SAE 10W/50)
Volgens
– JASO T903 MA (
–
SAE (
pag. 215)
pag. 215) (SAE 10W/50)
Voorgeschreven waarde
– Alleen motorolie gebruiken die voldoet aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschappen beschikt. KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Volledig synthetische motorolie
Leverancier
Motorex®
– Power Synt 4T
Motorolie (SAE 5W/40)
Volgens
– JASO T903 MA (
–
SAE (
pag. 215)
pag. 215) (SAE 5W/40)
24
GEBRUIKSSTOFFEN
210
Voorgeschreven waarde
– Alleen motorolie gebruiken die voldoet aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschappen beschikt. KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Volledig synthetische motorolie
Leverancier
Motorex®
– Power Synt 4T
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1
Volgens
– DOT
Voorgeschreven waarde
– Alleen remvloeistof gebruiken die voldoet aan de aangegeven norm (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschappen beschikt. KTM adviseert producten van Castrol en Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Castrol
– RESPONSE BRAKE FLUID SUPER DOT 4
Motorex®
– Brake Fluid DOT 5.1
Stootdemperolie (SAE 2,5) (50180342S1)
Volgens
– SAE (
pag. 215) (SAE 2,5)
Voorgeschreven waarde
– Alleen oliesoorten gebruiken die voldoen aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschappen beschikken.
24
GEBRUIKSSTOFFEN
Vorkpootolie (SAE 4) (48601166S1)
Volgens
– SAE (
pag. 215) (SAE 4)
Voorgeschreven waarde
– Gebruik alleen olie die voldoet aan de aangegeven normen (zie gegevens op verpakking) en de juiste eigenschappen heeft.
211
25
HULPSTOFFEN
Brandstofadditief
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Fuel Stabilizer
Duurzaam vet
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Bike Grease 2000
Hoogglans-politoer voor lak
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Moto Polish
Kettingreinigingsmiddel
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Chain Clean
212
25
HULPSTOFFEN
Kettingspray onroad
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Chainlube Road
Motorfietsreiniger
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Moto Clean 900
Reinigings- en conserveringsmiddel voor metaal en rubber
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Protect & Shine
Reinigingsmiddel en politoer voor glanzende en matte lakken, metalen en kunststof oppervlakken
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Clean & Polish
213
25
HULPSTOFFEN
Universele oliespray
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Joker 440 Synthetic
214
26
NORMEN
215
JASO T903 MA
Door verschillende technische ontwikkelingsrichtingen is een eigen specificatie voor 4-takt motorfietsen nodig - de JASO T903 MA norm.
Vroeger werd voor 4-takt motorfietsen motorolie voor auto's gebruikt omdat er geen eigen motorfietsspecificatie was. Voor motoren van
auto's zijn lange service-intervallen vereist, bij motoren van motorfietsen staat een hoog vermogensrendement bij hoge toerentallen op de
voorgrond. Bij de meeste motoren voor motorfietsen worden ook de versnelling en de koppeling met dezelfde olie gesmeerd. De JASO MA
norm voldoet aan deze speciale vereisten.
SAE
De SAE-viscositeitsklassen zijn vastgelegd door de Society of Automotive Engineers voor de indeling van oliën op basis van hun viscositeit.
De viscositeit beschrijft slechts een van de eigenschappen van olie en zegt niets over de kwaliteit.
INDEX
216
Beschermende kleding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12
Bestuurdersvoetsteunen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 67
INDEX
A
ABS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
Accu
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 151
laden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 154
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153
Achterwiel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 141
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 143
Afbeelding voertuig
linksvoor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
rechtsachter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
Afbeeldingen . . . . . . . . . .
Afremmen . . . . . . . . . . . .
Anti Blokkeer Systeem . . . .
Artikelnummer schokdemper
Artikelnummer voorvork . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. 15
. 83
127
. 22
. 22
Bestuurderszadel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 102
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 103
Bijrijderzadel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 101
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 102
Boordgereedschap . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 36
Brandstofkranen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
C
Chassis afstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 94-99
Claxonknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28
Combinatieschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25
overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25
Contactslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
B
D
Bagage . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 75
Bagagedrager . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37
Demperpakkingen achterwielnaaf
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 145
Balhoofdlagerspeling
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 111
Dimlichtlamp
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 166
Bandenspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 149
E
Bedieningshandleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13
Beoogd gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9
E-starterknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
INDEX
217
"MTC" . . . . . . . .
overzicht . . . . . .
"Pressure" . . . . .
"Quick Shift" . . . .
schakellicht . . . .
segmentendisplay
service-indicatie .
"Set Favorites" . . .
"Settings" . . . . . .
"Shift Light" . . . .
"Temp" . . . . . . .
"TPMS" . . . . . . .
"Trip 1" . . . . . . .
"Trip 2" . . . . . . .
"Volume" . . . . . .
"Warnings" . . . . .
F
Fouten opsporen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 190-192
Framenummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
G
Garantie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
Gashendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25
Gebruiksdefinitie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9
Gecombineerd instrument . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
"ABS" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
activering en test . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
"Clock/Date" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
controlelampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
"Damping" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
"Damping" menu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
"Distance" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
"Drive Mode" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
"DRL" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
"Favorites" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
"Fuel Cons" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
"General Info" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
"Heat Grip"-menu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
"Heat Grips" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
"Language" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
"Load" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
"Load" menu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
matrixdisplay . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
melding op matrixdisplay . . . . . . . . . . . . . . . .
menu-overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
41-52, 54-61
. . . . . . . 51
. . . . . . . 41
. . . . . . . 58
. . . . . . . 43
. . . . . . . 94
. . . . . . . 52
. . . . . . . 56
. . . 52, 174
. . . . . . . 59
. . . . . . . 46
. . . . . . . 59
. . . . . . . 48
. . . . . . . 50
. . . . . . . 61
. . . . . . . 56
. . . . . . . 94
. . . . . . . 51
. . . . . . . 42
. . . . . . . 44
. . . . . . . 54
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. 51
. 41
. 58
. 60
. 45
. 42
. 46
. 49
. 49
. 60
. 57
. 48
. 47
. 47
. 57
. 50
Grepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37
H
Hoofdzekering
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 158
Hulpstoffen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
I
Inbedrijfname
aanwijzingen voor eerste inbedrijfname . . . . . . . . . . . . . . 73
controle en onderhoud voor iedere inbedrijfname . . . . . . . 77
na de stalling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 189
INDEX
K
Ketting
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 108
reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104
vervuiling controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 103
Ketting-aandrijfwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 108
Kettingspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106
Kettingwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 108
Klantenservice . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
Koelmiddelpeil
in vast reservoir controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 171
in vast reservoir corrigeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 172
Koplamp
dagrijlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 151
lichtbundelbreedte instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 170
Koplampkap met koplamp
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 163
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 165
218
Koppelingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66
Kroonplaat onder
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
L
Lamp groot licht
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 167
Lichtschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26
M
Maskerspoiler
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 116
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119
Matrixdisplay
menu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46
Middenstandaard . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40
Milieu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12
Motor
inrijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74
Motorfiets
reinigen
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 184
Koplampstand
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 169
Motorfiets-tractiecontrole . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 174
Motornummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
Koppeling
vloeistofpeil controleren/corrigeren . . . . . . . . . . . . . . . . 111
Motorolie
bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 181
INDEX
219
verversen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 177
Motoroliepeil
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 176
MTC . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 174
N
Noodknipperlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26
Noodknipperlichtschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26
Noodstopschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28
O
Remplaketten
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 136
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 132
Remschijven
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 129
Remsysteem
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127-136
Remvloeistof
van achterwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 134
van voorwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 130
Oliefilter
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 177
Remvloeistofpeil
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 133
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 130
Oliezeven
reinigen
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 177
Reserveonderdelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
Richtingaanwijzerschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27
Opbergvak
openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35
Rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79
optrekken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79
P
Parkeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 85
R
Rijden in de winter
controle en onderhoud . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 186
S
Remhendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66
Schakelaar
links aan stuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25
rechts aan stuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28
Remmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 83
Schakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79
Rempedaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 69
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 69
Schokdemper . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95
uitgaande demping instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 97
veervoorspanning instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 98
INDEX
220
aanhaalmomenten motor
banden . . . . . . . . . . . .
chassis . . . . . . . . . . . .
elektronica . . . . . . . . .
motor . . . . . . . . . . . . .
schokdemper . . . . . . . .
voorvork . . . . . . . . . . .
vulhoeveelheden . . . . . .
Service . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
Serviceschema . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 90-93
Sleutelnummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
Spaakspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 149
Spatbord voor
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 122
Stalling . . . . . . . . . . . . . . . . .
Starten . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Stopcontact elektrische toebehoren
Stoppen . . . . . . . . . . . . . . . . .
Stuurslot . . . . . . . . . . . . . . . . .
...
...
..
...
...
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
188
. 78
. 31
. 85
. 29
Stuurstand . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 63
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 63
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. . . 194
. . . 201
. . . 198
. . . 200
193-207
. . . . 203
. . . . 201
. . . . 197
Toebehoren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
Toestand banden
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 147
Transport . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 87
Typeplaatje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
V
T
Veilig gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
Verbruiksstoffen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
Tankafdekking
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 122
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 124
Versnellingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
uitgangspositie controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71
Tankdop
openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31
sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
Voertuig
beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 75
op middenstandaard zetten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100
van middenstandaard nemen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100
Tanken
brandstof
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88
Technische gegevens
aanhaalmomenten chassis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 204
Voetsteunen
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 67
Voetsteunen bijrijder . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
INDEX
221
Voorvork . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95
compressie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95
uitgaande demping instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96
Voorwiel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 137
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 138
Vulhoeveelheid
brandstof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 89, 198
koelmiddel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 198
motorolie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 180, 197-198
W
Wegrijblokkering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
Werkinstructies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12
Windscherm
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 126
Z
Zadelslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35
Zekeringen
in zekeringenblok vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 160
Zijbekleding voor
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 115
Zijstandaard
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
*3211955nl*
3211955nl
07/2013
KTM-Sportmotorcycle AG
5230 Mattighofen/Oostenrijk
http://www.ktm.com
Foto: Mitterbauer/KTM
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertisement