KTM 990 Super Duke EU 2011 Naked Bike Handleiding

KTM 990 Super Duke EU 2011 Naked Bike Handleiding

BEDIENINGSHANDLEIDING

2011 990 Super Duke EU 990 Super Duke AUS/UK 990 Super Duke FR 990 Super Duke R EU 990 Super Duke R AUS/UK 990 Super Duke R FR

Artikelnr. 3211665nl

BESTE KTM KLANT

BESTE KTM KLANT We wensen u veel geluk met uw keuze voor een KTM motorfiets. U bent nu in het bezit van een moderne sportieve motorfiets en we zijn er zeker van dat u er veel plezier mee zult beleven, mits u de motorfiets goed onderhoudt.

We wensen u veel rijplezier!

1

Vul hieronder het serienummer van uw het voertuig in.

Chassisnummer/typeplaatje ( pag. 16)

Stempel van de dealer

Motornummer ( pag. 17) Sleutelnummer ( pag. 17)

De bedieningshandleiding komt op het tijdstip dat deze ter perse gaat overeen met de nieuwste stand van het model. Kleine afwijkingen die het resultaat zijn van een constructieve ontwikkeling kunnen echter niet worden uitgesloten.

Alle hier genoemde gegevens zijn vrijblijvend. De KTM-Sportmotorcycle AG houdt zich het recht voor technische gegevens, prijzen, kleu ren, vormen, materialen, dienst- en serviceverlening, constructies, uitrustingen en dergelijke zonder voorafgaande aankondiging en zonder opgave van redenen te wijzigen resp. zonder vergoeding te annuleren, deze aan te passen aan de plaatselijke situatie of de productie van een bepaald model zonder voorafgaande aankondiging te beëindigen. KTM is niet aansprakelijk voor leveringsmogelijkheden, afwijkingen van afbeeldingen en beschrijvingen, drukfouten en vergissingen. De afgebeelde modellen zijn voor een deel voorzien van speciale uitrustin gen die niet standaard bij de leveromvang horen.

© 2010 KTM-Sportmotorcycle AG, Mattighofen Oostenrijk Alle rechten voorbehouden Nadruk, ook gedeeltelijk, en vermenigvuldiging op welke wijze dan ook is slechts toegestaan met schriftelijke toestemming van de auteur.

BESTE KTM KLANT

ISO 9001(12 100 6061) KTM past processen voor kwaliteitsbewaking toe, zoals bedoeld in de internationale norm voor kwaliteitsmanagement ISO 9001, die tot een zo hoog mogelijke productkwaliteit leiden.

Afgegeven door: TÜV Management Service

2

KTM-Sportmotorcycle AG 5230 Mattighofen, Oostenrijk

INHOUDSOPGAVE

INHOUDSOPGAVE

SYMBOLEN EN FORMATERINGEN .......................................... 7

BELANGRIJKE AANWIJZINGEN............................................... 8

AFBEELDING VOERTUIG ...................................................... 12 Afbeelding voertuig linksvoor (symbolische weergave)........... 12

Afbeelding voertuig rechtsachter (symbolische weergave) ..... 14

SERIENUMMERS................................................................. 16 Chassisnummer/typeplaatje ............................................... 16

Sleutelnummer ................................................................ 17 Motornummer .................................................................. 17

Artikelnummer voorvork..................................................... 18 Artikelnummer schokdemper ............................................. 18

BEDIENINGSELEMENTEN.................................................... 19 Koppelingshendel............................................................. 19 Remhendel ...................................................................... 19

Gashendel ....................................................................... 20 Lichtschakelaar ................................................................ 20

Seinlichtschakelaar .......................................................... 21 Richtingaanwijzerschakelaar .............................................. 21

Claxonknop ...................................................................... 22 Contact-/stuurslot ............................................................. 22

Noodstopschakelaar.......................................................... 23 E-starterknop ................................................................... 23

Gecombineerd instrument ................................................. 24 Gecombineerd instrument - functietoetsen.......................... 24

Gecombineerd instrument - toerenteller .............................. 25 Gecombineerd instrument - controlelampjes........................ 25

Gecombineerd instrument - display .................................... 26

Gecombineerd instrument - snelheidsweergave.................... 27 Kilometer of mijl instellen ................................................. 27

3

Gecombineerd instrument - tijd ......................................... 28

Tijd instellen.................................................................... 29 Gecombineerd instrument - weergave ODO.......................... 29

Gecombineerd instrument - weergave TRIP 1 instellen/terugzetten ......................................................... 30 Gecombineerd instrument - weergave TRIP 2 instellen/terugzetten ......................................................... 30

Gecombineerd instrument - weergave TRIP F ...................... 31

Gecombineerd instrument - weergave omgevingstemperatuur ...................................................... 32 Temperatuureenheid instellen............................................ 32

Gecombineerd instrument - waarschuwing voor glad wegdek............................................................................ 33 Gecombineerd instrument - weergave koelmiddeltemperatuur ..................................................... 33

Tankdop openen............................................................... 34

Tankdop sluiten ............................................................... 36

Zadelslot (Super Duke)...................................................... 37 Zadelslot (Super Duke R) .................................................. 37

Riem (Super Duke) ........................................................... 38 Bagagebeugels (Super Duke) ............................................. 38

Boordgereedschap ............................................................ 39 Helmbeveiliging ............................................................... 39

Voetsteunen bijrijder (Super Duke) ..................................... 40 Versnellingshendel............................................................ 40

Rempedaal ...................................................................... 41

Zijstandaard..................................................................... 42

INBEDRIJFNAME ................................................................. 43 Aanwijzingen voor eerste inbedrijfname .............................. 43

Motor inrijden .................................................................. 44

INHOUDSOPGAVE

Voertuig beladen .............................................................. 45

RIJ-INSTRUCTIES ................................................................ 47 Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfname ................ 47

Starten ............................................................................ 48

Beginnen met rijden ......................................................... 49

Schakelen, rijden ............................................................. 50

Afremmen........................................................................ 53

Stoppen, parkeren ............................................................ 54

Brandstof tanken.............................................................. 56

SERVICESCHEMA ................................................................ 58 Serviceschema ................................................................. 58

CHASSIS AFSTELLEN .......................................................... 61 Voorvork/schokdemper ...................................................... 61 Ingaande demping voorvork instellen .................................. 61

Uitgaande demping voorvork instellen................................. 63

Veervoorspanning voorvork instellen.................................... 64

Ingaande demping schokdemper ........................................ 65

Ingaande demping low speed van schokdemper instellen...... 66

Ingaande demping high speed van schokdemper instellen .... 67

Uitgaande demping schokdemper instellen ......................... 69

Veervoorspanning schokdemper instellen x ....................... 70

Stuurpositie (Super Duke R) .............................................. 71

Stuurpositie instellen x (Super Duke R)............................ 72

Stuurdemper (Super Duke R)............................................. 73 Stuurdemper instellen (Super Duke R)................................ 73

Zithoogte (Super Duke R) .................................................. 74 Zadelhoogte instellen (Super Duke R)................................. 74

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS .................................. 76 Motorfiets met hefbok vooraan opkrikken ............................ 76 Motorfiets van hefbok vooraan nemen................................. 76

Motorfiets met hefbok achteraan opkrikken ......................... 77 Motorfiets van hefbok achteraan nemen.............................. 77

Vorkpoten ontluchten........................................................ 78 Spoiler demonteren .......................................................... 78

Spoiler monteren.............................................................. 79

Bugspoiler demonteren ..................................................... 81 Bugspoiler monteren......................................................... 81

Zadel afnemen ................................................................. 82

Zadel monteren ................................................................ 83 Helmbeveiliging op voertuig monteren ................................ 83

Vervuiling ketting controleren ............................................ 84 Ketting reinigen ............................................................... 84

Kettingspanning controleren .............................................. 86

Kettingspanning instellen.................................................. 87

Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren ........ 89

Uitgangspositie koppelingshendel instellen ......................... 91

Vloeistofpeil hydraulische koppeling controleren/corrigeren ....................................................... 92

REMMEN ............................................................................ 93 Uitgangspositie remhendel instellen ................................... 93 Remschijven voorwielrem controleren ................................. 93

Remvloeistofpeil voorwielrem controleren............................ 94

Remvloeistof voorwielrem bijvullen

Remplaketten voorwielrem controleren................................ 96

Remplaketten .................................................................. 97

Uitgangspositie rempedaal instellen

x

x

................................ 95

.............................. 98 Remschijf achterwielrem controleren .................................. 98

Remvloeistofpeil achterwielrem controleren......................... 99

4

INHOUDSOPGAVE

Remvloeistof achterwielrem bijvullen

Remplaketten achterwielrem controleren .......................... 101

WIELEN, BANDEN ............................................................. 103 Voorwiel uitbouwen x

x ........................... 100

.................................................... 103

Voorwiel inbouwen x ..................................................... 104

Achterwiel uitbouwen x ................................................. 105

Achterwiel inbouwen x .................................................. 107

Achterdempers achterwielnaaf controleren x ................... 108

Toestand banden controleren........................................... 109

Bandenspanning controleren ........................................... 111

ELEKTRONICA................................................................... 113 Accu uitbouwen

Accu inbouwen

x ........................................................ 113

x .......................................................... 114

Accu laden x ............................................................... 115

Hoofdzekering vervangen................................................. 117

Zekeringen afzonderlijke stroomverbruikers vervangen ........ 119

Dimlichtlamp vervangen.................................................. 121

Lamp voor groot licht vervangen....................................... 123

Zijlichtlamp vervangen .................................................... 125

Knipperlichtlamp vervangen ............................................ 127

Remlichtlamp vervangen (Super Duke) ............................. 128

Achterlichtlampen vervangen (Super Duke) ....................... 129

Nummerplaatverlichting vervangen................................... 130

Stand koplamp controleren.............................................. 133 Lichtbundelbreedte koplamp instellen .............................. 133

KOELSYSTEEM .................................................................. 135 Koelsysteem................................................................... 135 Antivries en koelmiddelpeil controleren............................. 135

Koelmiddelpeil in vast reservoir controleren ...................... 138

Koelmiddel aftappen x .................................................. 139

Koelsysteem vullen/ontluchten x .................................... 140

MOTOR AFSTELLEN........................................................... 143 Speling gaskabel controleren ........................................... 143

Speling gaskabel instellen

Uitgangspositie versnellingshendel instellen

SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR................................... 146 Motoroliepeil controleren................................................. 146

Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen reinigen x Motorolie aftappen, oliefilter vervangen en oliezeven x .................................................................... 147 .................................................................... 147

Motorolie vullen x

x .......................................... 144

x ................. 145

........................................................ 151

Motorolie bijvullen.......................................................... 153

REINIGING, ONDERHOUD.................................................. 155 Motorfiets reinigen ......................................................... 155

Conserveren voor de winter .............................................. 157

STALLING ......................................................................... 158 Stalling ......................................................................... 158

Inbedrijfname na stalling ................................................ 159

FOUTEN OPSPOREN .......................................................... 160

KNIPPERCODE MOTORBESTURING .................................... 163

TECHNISCHE GEGEVENS - MOTOR..................................... 169

Vulhoeveelheid - motorolie .............................................. 170

Vulhoeveelheid - koelmiddel ............................................ 171

AANHAALMOMENTEN MOTOR............................................ 172

TECHNISCHE GEGEVENS - CHASSIS .................................. 175

Lampen......................................................................... 177

Banden ......................................................................... 178

5

INHOUDSOPGAVE

Vulhoeveelheid - brandstof .............................................. 178

TECHNISCHE GEGEVENS - VOORVORK ............................... 179 Super Duke.................................................................... 179

Super Duke R ................................................................ 180

TECHNISCHE GEGEVENS - SCHOKDEMPER ........................ 182 Super Duke.................................................................... 182

Super Duke R ................................................................ 183

TECHNISCHE GEGEVENS - AANHAALMOMENTEN CHASSIS ........................................................................... 185

GEBRUIKSSTOFFEN .......................................................... 188

HULPSTOFFEN .................................................................. 191

NORMEN........................................................................... 193

INDEX ............................................................................... 194

6

SYMBOLEN EN FORMATERINGEN

Gebruikte symbolen

Hieronder wordt het gebruik van bepaalde symbolen verklaard.

Kenmerkt een verwachte reactie (bijv. van een bepaalde handeling of functie).

Kenmerkt een onverwachte reactie (bijv. van een bepaalde handeling of functie).

Alle werkzaamheden die met dit symbool zijn gekenmerkt vereisen vakkennis en technisch begrip. Laat de werk zaamheden voor uw eigen veiligheid uitvoeren in een geautoriseerde KTM-garage! Daar wordt uw motorfiets door spe ciaal geschoolde vakkundige personen met het benodigde speciale gereedschap optimaal onderhouden.

Kenmerkt de verwijzing naar een pagina (op de aangegeven pagina vindt u meer informatie).

Gebruikte formatering

Hieronder worden de gebruikte letterformaten verklaard.

Eigennaam

Kenmerkt een eigennaam.

Naam ®

Kenmerkt een beschermde naam.

Merk™

Kenmerkt een merk in het handelsverkeer.

7

BELANGRIJKE AANWIJZINGEN

Gebruiksdefinitie

(Super Duke)

KTM-sportmotorfietsen zijn zodanig ontworpen en gebouwd, dat ze bestand zijn tegen de gangbare belastingen in het normale wegver keer. Ze zijn echter niet geschikt voor het rijden op circuits en niet geasfalteerde wegen.

Info

De motorfiets is alleen in de gehomologeerde versie toegelaten voor het rijden op de openbare weg.

(Super Duke R)

KTM sportmotorfietsen zijn zodanig ontworpen en gebouwd, dat ze bestand zijn tegen de gangbare belastingen in het normale wegver keer en bij het rijden op circuits. Ze zijn echter niet geschikt voor het rijden op niet geasfalteerde trajecten.

Info

De motorfiets is alleen in de gehomologeerde versie toegelaten voor het rijden op de openbare weg.

8

Service

Voorwaarde voor storingsvrij gebruik en het voorkomen van voortijdige slijtage is dat u zich houdt aan de in de bedieningshandleiding genoemde service- en afstelwerkzaamheden aan de motor en het chassis. Slechte afstelling van het chassis kan leiden tot beschadiging en breken van de chassiscomponenten.

Het gebruik van de motorfietsen bij extreme omstandigheden zoals modderige en vochtige wegen kan leiden tot verhoogde slijtage van componenten zoals de aandrijving of remmen. Daarom kan het nodig zijn een service uit te voeren of slijtageonderdelen te vervangen al voordat de slijtagegrens volgens het serviceschema is bereikt.

Het is belangrijk dat u zich strikt houdt aan de voorgeschreven inrijtijden en service-intervallen. De precieze inachtneming daarvan draagt in belangrijke mate bij aan de verhoging van de levensduur van de motorfiets.

Garantie

De in het serviceschema voorgeschreven werkzaamheden mogen uitsluitend in een geautoriseerde KTM-garage worden uitgevoerd en moe ten in het serviceboekje en op

KTM dealer.net

worden bevestigd, aangezien anders de aanspraak op garantie vervalt. Bij schade of gevolg schade, die door manipulaties en/of wijzigingen aan het voertuig zijn veroorzaakt bestaat er geen aanspraak op garantie.

BELANGRIJKE AANWIJZINGEN

Bedrijfsmiddelen

U moet de in de bedieningshandleiding gespecificeerde brand- en smeerstoffen resp. bedrijfsmiddelen gebruiken.

Reserveonderdelen, toebehoren

Gebruik voor uw eigen veiligheid alleen reserveonderdelen en toebehoren die door KTM zijn vrijgegeven en laat deze alleen in een geautori seerde KTM-garage monteren. Voor andere producten en daardoor veroorzaakte schade is KTM niet aansprakelijk.

Enkele reserveonderdelen en toebehoren worden tussen haakjes vermeld bij de betreffende beschrijvingen. Uw KTM-dealer adviseert u graag.

De actuele

KTM PowerParts

voor uw voertuig vindt u op de KTM website.

Internationale KTM website: http://www.ktm.com

Werkinstructies

Voor enkele werkzaamheden is speciaal gereedschap vereist. Deze maken geen deel uit van het voertuig, maar kunnen worden besteld onder vermelding van de aangegeven nummers tussen haakjes. Voorbeeld: klepveerheffer (59029019000) Bij de montage moeten onderdelen die niet meer kunnen worden gebruikt (bijvoorbeeld zelfborgende schroeven en moeren, afdichtingen, pakkingen, keerringen, splitpennen of borgplaten) door nieuwe onderdelen worden vervangen.

Als er bij schroefverbindingen gebruik wordt gemaakt van een schroevenlijm (bijv.

Loctite ®

) moeten de specifieke aanwijzingen van de fabrikant in acht worden genomen.

Onderdelen die na de demontage weer worden gebruikt, moeten worden gereinigd en gecontroleerd op beschadiging en slijtage. Bescha digde of versleten onderdelen vervangen.

Na een reparatie en/of onderhoudsbeurt moet worden gecontroleerd of het voertuig verkeersveilig is.

Transport

Aanwijzing Gevaar voor beschadiging

  Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.

– Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.

9

BELANGRIJKE AANWIJZINGEN Aanwijzing Gevaar voor brand

  Sommige onderdelen van de motorfiets worden bij gebruik van de motorfiets zeer heet.

– Motorfiets niet op plaatsen laten staan met licht brandbare en/of ontvlambare materialen. Geen voorwerpen over het bedrijfswarme voertuig leggen. Het voertuig altijd eerst laten afkoelen.

10

– – Motor uitzetten en contactsleutel uittrekken.

Motorfiets met spanbanden of andere geschikte bevestigingsmiddelen beveiligen tegen omvallen en wegrollen.

Milieu

Motorrijden is een fantastische sport en we hopen natuurlijk dat u er volledig van kunt genieten. Maar motorfietsen kunnen ook milieu problemen en conflicten met andere personen veroorzaken. Door op een verantwoordelijke manier met de motorfiets om te gaan kunt u ervoor zorgen dat deze problemen en conflicten niet ontstaan. Om de toekomst van de motorsport veilig te stellen moet u zich houden aan de wettelijke regels, milieubewust handelen en de rechten van andere mensen respecteren.

Aanwijzingen/waarschuwingen

U moet beslist de gegeven aanwijzingen/waarschuwingen in acht nemen.

Info

Op het voertuig zijn verschillende stickers met aanwijzingen en waarschuwingen aangebracht. Deze stickers met aanwijzingen en waarschuwingen mag u nooit verwijderen. Als deze ontbreken kunt u of andere personen de gevaren niet herkennen en daardoor letsel oplopen.

BELANGRIJKE AANWIJZINGEN

Gevarenniveaus

11 Gevaar

Waarschuwing voor een gevaar dat direct en met zekerheid overlijden of zwaar blijvend letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.

Waarschuwing

Waarschuwing voor een gevaar dat waarschijnlijk overlijden of zwaar letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.

Voorzichtig

Waarschuwing voor een gevaar dat mogelijk licht letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.

Aanwijzing

Waarschuwing voor een gevaar dat aanmerkelijke schade aan machine of materiaal tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatrege len neemt.

Waarschuwing

Waarschuwing voor een gevaar dat schade aan het milieu tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.

– –

Bedieningshandleiding

Deze bedieningshandleiding beslist helemaal goed doorlezen voordat u voor het eerst gaat rijden. Daarin vindt u veel informatie en tips die de bediening en het onderhoud van de motorfiets eenvoudiger maken. Alleen zo komt u te weten hoe u uw motorfiets het beste afstemt op uw situatie en hoe u zich tegen letsel kunt beschermen. Bovendien staat in de bedieningshandleiding belangrijke informa tie over het onderhoud van de motorfiets.

De bedieningshandleiding is een belangrijk onderdeel van de motorfiets en moet bij doorverkoop aan de nieuwe eigenaar worden gege ven.

AFBEELDING VOERTUIG

3.1

Afbeelding voertuig linksvoor (symbolische weergave)

12

101180-10

1 2 3 4 5 6 7 8 9

AFBEELDING VOERTUIG

Gecombineerd instrument (

Achteruitkijkspiegel

Koppelingshendel ( pag. 19)

pag. 24)

Zadel

Zadelslot ( pag. 37)

Motornummer ( pag. 17)

Versnellingshendel ( pag. 40)

Schokdemper instelling veervoorspanning

Ingaande demping schokdemper ( pag. 65)

13

AFBEELDING VOERTUIG

3.2

Afbeelding voertuig rechtsachter (symbolische weergave)

14

101181-10

1 1 1 1 2 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11

AFBEELDING VOERTUIG

Lichtschakelaar (

Seinlichtschakelaar (

pag. 20)

pag. 21) Richtingaanwijzerschakelaar ( pag. 21)

Claxonknop ( pag. 22)

Noodstopschakelaar ( pag. 23) E-starterknop (

Gashendel (

pag. 23)

pag. 20)

Remhendel ( pag. 19)

Instelling uitgaande demping van voorvork en veervoorspanning

Chassisnummer/typeplaatje ( pag. 16)

Instelling uitgaande demping van schokdemper Remvloeistofreservoir

Rempedaal ( pag. 41)

Chassisnummer/typeplaatje ( pag. 16)

Instelling ingaande demping van voorvork

15

SERIENUMMERS

4.1

Chassisnummer/typeplaatje

Het framenummer Het typeplaatje   is in de rechterzijde van het balhoofd gegraveerd.

bevindt zich aan de rechterzijde van de bovenste framebuis.

16

B00153-10

SERIENUMMERS

4.2

Sleutelnummer

4.3

Motornummer

Het sleutelnummer  staat op de

KEYCODECARD

.

Info

U hebt het sleutelnummer nodig om een reservesleutel te bestellen. De

CARD

op een veilig plaats bewaren.

KEYCODE 17

100179-10 Het motornummer veerd.

 is in de linkerzijde van de motor onder het ketting-aandrijfwiel gegra B00154-10

SERIENUMMERS

4.4

Artikelnummer voorvork

Het artikelnummer van de voorvork  is aan de binnenzijde van de asopname gegraveerd.

18

4.5

Artikelnummer schokdemper

B00155-10 Het artikelnummer van de schokdemper  is in het bovenste gedeelte van de schokdemper aan motorzijde boven de stelring gegraveerd.

B00156-10

BEDIENINGSELEMENTEN

5.1

Koppelingshendel

De koppelingshendel  is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.

De koppeling wordt hydraulisch bediend en automatisch bijgesteld.

19

5.2

Remhendel

B00157-10 De remhendel  is aan de rechterzijde van het stuur aangebracht.

De voorwielrem wordt geschakeld met de remhendel.

B00158-10

BEDIENINGSELEMENTEN

5.3

Gashendel

De gashendel  is aan de rechterzijde van het stuur aangebracht.

20

5.4

Lichtschakelaar

101182-10 B00159-10 De lichtschakelaar 

Mogelijke toestanden

is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.

Dimlicht aan – Lichtschakelaar naar beneden geschakeld. In deze stand is het dimlicht en achterlicht ingeschakeld.

Groot licht aan – Lichtschakelaar naar boven geschakeld. In deze stand is het groot licht en achterlicht ingeschakeld.

BEDIENINGSELEMENTEN

5.5

Seinlichtschakelaar

De seinlichtschakelaar  is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.

Mogelijke toestanden

• Seinlichtschakelaar in de uitgangspositie • Seinlichtschakelaar ingedrukt – In deze stand wordt het seinlicht (groot licht) gebruikt.

21

5.6

Richtingaanwijzerschakelaar

B00160-10 B00159-11 De richtingaanwijzerschakelaar  is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.

Mogelijke toestanden

Richtingaanwijzer uit Richtingaanwijzer links aan in de middelste stand.

– Richtingaanwijzerschakelaar naar links geschakeld. De richtingaanwijzerschakelaar springt na het schakelen terug Richtingaanwijzer rechts aan in de middelste stand.

– Richtingaanwijzerschakelaar naar rechts geschakeld. De richtingaanwijzerschakelaar springt na het schakelen terug Voor het uitschakelen van de richtingaanwijzer moet u de richtingaanwijzerschakelaar rich ting het schakelaarhuis duwen.

BEDIENINGSELEMENTEN

5.7

Claxonknop

De claxonknop  is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.

Mogelijke toestanden

• Claxonknop in de uitgangspositie • Claxonknop ingedrukt – In deze stand wordt de claxon gebruikt.

5.8

Contact-/stuurslot

B00159-12 600825-01 Het contact-/stuurslot bevindt zich voor de bovenste kroonplaat.

Mogelijke toestanden

Contact uit

OFF

– In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken. Een draaiende motor schakelt uit en een stilstaande motor schakelt niet in. De contactsleutel kan worden uitgetrokken.

Contact aan

ON

– In deze stand is het ontstekingscircuit gesloten en kan de motor worden gestart.

Stuur geblokkeerd – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken en het stuur geblokkeerd. De contactsleutel kan worden uitgetrokken.

22

BEDIENINGSELEMENTEN

5.9

Noodstopschakelaar

De noodstopschakelaar

Mogelijke toestanden

 is aan de rechterzijde van het stuur aangebracht.

Noodstopschakelaar aan – Deze stand is noodzakelijk bij het rijden, het ontstekingscircuit is gesloten.

Noodstopschakelaar uit worden gestart.

– In deze stand is het ontstekingscircuit onderbro ken. Een draaiende motor schakelt uit en een stilstaande motor kan niet

23

B00161-10 5.10

E-starterknop

De e-starterknop  is aan de rechterzijde van het stuur aangebracht.

Mogelijke toestanden

• E-starterknop in de uitgangspositie • E-starterknop ingedrukt – In deze stand wordt de e-starter gebruikt.

700552-11

BEDIENINGSELEMENTEN

5.11

Gecombineerd instrument

Het gecombineerde instrument is voor het stuur aangebracht.

Het gecombineerde instrument is onderverdeeld in 4 functiebereiken.

  Functietoetsen Toerenteller   Controlelampjes Display 400972-10 5.12

Gecombineerd instrument - functietoetsen

Met de knop

MODE

 wisselt u tussen de weergavemodi.

Mogelijke weergavemodi zijn de afgelegde afstand ( ter 2 (

TRIP 2

) en omgevingstemperatuur.

ODO

), Tripmaster 1 (

TRIP 1

), Tripmas Met de

SET

teruggezet.

Knop  knop  wordt de functie Tripmaster 1 ( heeft geen functie.

TRIP 1

) en Tripmaster 2 (

TRIP 2

) op

0.0

24

400973-10

BEDIENINGSELEMENTEN

5.13

Gecombineerd instrument - toerenteller

De toerenteller  De rode markering geeft het motortoerental aan in omwentelingen per minuut.

 markeert een te hoog toerental van de motor.

25

400974-10 5.14

Gecombineerd instrument - controlelampjes

De controlelampjes geven extra informatie over de toestand van de motorfiets.

Mogelijke toestanden

Controlelampje voor de richtingaanwijzer knippert groen in het knipperritme – Richtingaanwijzer is ingeschakeld.

Controlelampje voor neutraal brandt groen keld.

– Versnelling is in vrij gescha Controlelampje voor groot licht brandt blauw – Groot licht is ingeschakeld.

400975-01 Waarschuwingslampje voor temperatuur brandt rood een kritische waarde bereikt.

– Koelmiddel heeft Waarschuwingslampje voor brandstofpeil brandt oranje heeft de reservemarkering bereikt. Display wordt overgeschakeld naar weer gave

TRIP F

.

– Brandstofpeil

BEDIENINGSELEMENTEN

Waarschuwingslampje voor oliedruk brandt rood – Oliedruk is te laag.

FI

waarschuwingslampje ( heid.

MIL

) brandt/knippert oranje – De OBD (On Board Diagnose) heeft een fout herkend die kritiek is voor de emissie of de veilig Waarschuwingslampje voor accu brandt rood laag.

– Spanning in het boordnet te

26

5.15

Gecombineerd instrument - display

Bij het inschakelen van het contact lichten alle displaysegmenten één seconde op om de functies te testen.

400892-01

BEDIENINGSELEMENTEN LEnGth

Na deze functietest wordt kort de wielomtrek

LEnGth

op de display weergegeven.

Info

Het getal 1870 mm komt overeen met de afmeting van het 17" voorwiel met stan daardbanden.

Vervolgens gaat de weergave naar de laatste geselecteerde modus.

27

400881-01 5.16

Gecombineerd instrument - snelheidsweergave

Snelheid  wordt aangegeven in kilometer per uur

km/h

of in mijl per uur

mph

.

400838-10 5.17

Kilometer of mijl instellen

Info

Als de eenheid wordt gewisseld blijft de waarde Landspecifieke instellingen instellen.

ODO

bewaard en wordt omgerekend naar de geselecteerde eenheid.

BEDIENINGSELEMENTEN Voorwaarden

De motorfiets staat stil.

– Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand – De

MODE

knop zo vaak indrukken tot de weergavemodus

ODO ON

draaien.

is geactiveerd.

– De

MODE

naar

km/h

knop ingedrukt houden tot de weergavemodus van is gewisseld.

km/h

naar

mph

of van

mph 28

400893-10 5.18

Gecombineerd instrument - tijd

De tijd wordt weergegeven in bereik  van de display.

Info

De klok moet worden ingesteld als de accu afgesloten is geweest en/of de zekering verwijderd was.

400893-11

BEDIENINGSELEMENTEN

5.19

Tijd instellen

– – –

Voorwaarden

De motorfiets staat stil.

– – – Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand De De

MODE MODE

knop zo vaak indrukken tot de weergavemodus knop en de

SET ODO ON

draaien.

is geactiveerd.

knop tegelijkertijd ingedrukt houden.

De klok begint te knipperen.

Met de

MODE

knop de uren instellen.

Met de De

SET MODE

knop de minuten instellen.

knop en de

SET

knop tegelijkertijd ingedrukt houden.

De tijd is ingesteld.

400893-12 5.20

Gecombineerd instrument - weergave ODO

In de weergavemodus mijl.

ODO

wordt de totale afgelegde afstand weergegeven in kilometer of

Info

Deze waarde blijft ook bewaard als de accu is afgesloten en/of de zekering is gesmolten.

29

400839-01

BEDIENINGSELEMENTEN

5.21

Gecombineerd instrument - weergave TRIP 1 instellen/terugzetten

Info

De teller voor de dagafstand

999.9

TRIP 1

loopt altijd mee en telt tot

999.9

.

Met deze teller kan de lengte van het traject tijdens ritten of de afstand tussen twee tankstops worden gemeten. Als de waarde wordt overschreden begint de teller voor de dagafstand weer bij

0.0

.

30

– – – Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand

ON

draaien.

De

MODE

knop zo vaak indrukken tot de weergavemodus

TRIP 1

is geactiveerd.

De

SET

knop ingedrukt houden.

De weergave

TRIP 1

staat op

0.0

.

400840-01 5.22

Gecombineerd instrument - weergave TRIP 2 instellen/terugzetten

Info

De teller voor de dagafstand

999.9

TRIP 2

loopt altijd mee en telt tot

999.9

.

Met deze teller kan de lengte van het traject tijdens ritten of de afstand tussen twee tankstops worden gemeten. Als de waarde wordt overschreden begint de teller voor de dagafstand weer bij

0.0

.

BEDIENINGSELEMENTEN

– – – Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand

ON

De

SET

-knop ingedrukt houden.

draaien.

De

MODE

-knop zo vaak indrukken tot de weergavemodus

TRIP 2

is geactiveerd.

De weergave

TRIP 2

staat op

0.0

.

31

400841-01 5.23

Gecombineerd instrument - weergave TRIP F

Als het brandstofpeil de reservemarkering bereikt, wisselt de weergave automatisch naar

TRIP F

en begint vanaf

0.0

te tellen, onafhankelijk van de op dat moment geactiveerde weergavemodus.

Info

Wanneer

TRIP F

wordt weergegeven begint tegelijkertijd het waarschuwingslampje voor het brandstofpeil te branden.

400842-01

BEDIENINGSELEMENTEN

5.24

Gecombineerd instrument - weergave omgevingstemperatuur

De omgevingstemperatuur  wordt weergegeven in

°C

of

°F

.

400893-13 5.25

Temperatuureenheid instellen

Voorwaarden

De motorfiets staat stil.

– – – Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand De De

MODE MODE

knop ingedrukt houden tot de weergavemodus van is gewisseld.

ON °C

draaien.

knop zo vaak indrukken tot de omgevingstemperatuur is geactiveerd.

naar

°F

of van

°F

naar

°C

400893-14

32

BEDIENINGSELEMENTEN

5.26

Gecombineerd instrument - waarschuwing voor glad wegdek

Als het vorstsymbool verschijnt bestaat er een verhoogd gevaar door een glad wegdek.

Het vorstsymbool verschijnt op de display als de omgevingstemperatuur onder de aange geven waarde is gedaald.

Temperatuur Temperatuur 3 °C Het vorstsymbool verdwijnt van de display als de omgevingstemperatuur weer boven de aangegeven waarde is gestegen.

4 °C

33

400894-10 5.27

Gecombineerd instrument - weergave koelmiddeltemperatuur

De temperatuur op de display wordt weergegeven met twaalf balkjes. Hoe hoger het aantal brandende balkjes, hoe heter het koelmiddel. Als het bovenste balkje brandt beginnen tege lijkertijd alle balkjes te knipperen en het waarschuwingslampje voor de temperatuur gaat branden.

Mogelijke toestanden

• Motor koud – Maximaal vijf balkjes branden.

• Warme motor • Hete motor – – Zes tot elf balkjes branden.

Alle twaalf balkjes knipperen.

700124-01

BEDIENINGSELEMENTEN

5.28

Tankdop openen

34 Gevaar Gevaar voor brand

  Brandstof is licht ontvlambaar.

– – Tank het voertuig nooit in de buurt van open vuur of brandende sigaretten en schakel de motor bij het tanken altijd uit. Let er vooral op dat er geen brandstof wordt gemorst op de hete onderdelen van het voertuig. Gemorste brandstof meteen afvegen.

Als de brandstof wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uitstromen als de tank te vol zit. Neem de aanwijzin gen voor het tanken van brandstof in acht.

Waarschuwing Gevaar voor vergiftiging

  Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.

– Erop letten dat brandstof niet in aanraking komt met de huid, ogen en kleding. Adem brandstofdampen niet in. Bij contact met de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep. Als brandstof is ingeslikt meteen een arts raadplegen. Kleding die in aanraking is gekomen met brandstof meteen uittrekken. Brandstof vol gens de voorschriften bewaren in een jerrycan en uit de buurt van kinderen houden.

Waarschuwing Gevaar voor het milieu

  Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.

– Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.

BEDIENINGSELEMENTEN

– Afdekking  op de tankdop omhoogklappen en contactsleutel in het slot steken.

Aanwijzing Gevaar voor beschadiging

  Breken van de contactsleutel.

– Voor de ontlasting van de contactsleutel op de tankdop duwen. Beschadigde con tactsleutels moeten worden vervangen.

– – Contactsleutel met de klok mee draaien.

Tankdop omhoogklappen.

35

B00162-10

BEDIENINGSELEMENTEN

5.29

Tankdop sluiten

– –

Waarschuwing Gevaar voor brand

  Brandstof is licht ontvlambaar, giftig en schadelijk voor de gezondheid.

– Tankdop na het sluiten controleren op correcte vergrendeling. Kleding die met brandstof in aanraking is gekomen uittrekken. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep.

Tankdop dichtklappen. Tankdop omlaag duwen tot het slot vastklikt.

Contactsleutel uittrekken en afdekking omlaagklappen.

36

B00163-01

BEDIENINGSELEMENTEN

5.30

Zadelslot (Super Duke)

Het zadelslot  bevindt zich in het achterste gedeelte van het zadel.

Hij kan worden vergrendeld met de contactsleutel.

37

5.31

Zadelslot (Super Duke R)

B00165-10 Het zadelslot  bevindt zich achter het bestuurderszadel.

Hij kan worden vergrendeld met de contactsleutel.

B00187-10

BEDIENINGSELEMENTEN

5.32

Riem (Super Duke)

De riem  is aan het zadel gemonteerd.

De riem is bestemd voor het vasthouden van de bijrijder.

5.33

Bagagebeugels (Super Duke)

B00164-10 B00239-10 De bagagebeugels  bevinden zich aan de onderkant van het zadel.

Info

Wanneer de beugels naar buiten worden gedraaid, zijn deze toegankelijk bij gemon teerd zadel.

Aan de naar buiten gedraaide bagagebeugels mag maximaal één kleine tas met het aange geven gewicht worden bevestigd.

Maximaal bagagegewicht 5 kg

38

BEDIENINGSELEMENTEN

5.34

Boordgereedschap

Het boordgereedschap  bevindt zich onder het zadel.

5.35

Helmbeveiliging

B00166-10 B00168-10

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Beperking van het rijgedrag en de bediening van de motor fiets door gemonteerde helmbeveiliging en/of helm.

– De helmbeveiliging niet gebruiken voor de bevestiging van de helm of andere voorwerpen tijdens het rijden. De helmbeveiliging moet altijd worden verwijderd voordat u gaat rijden.

Met de staalkabel ligd tegen diefstal.

 uit het boordgereedschap kan de helm op het voertuig worden bevei-

39

BEDIENINGSELEMENTEN

5.36

Voetsteunen bijrijder (Super Duke)

De voetsteunen voor de bijrijder kunnen worden ingeklapt.

Mogelijke toestanden

• Voetsteunen bijrijder ingeklapt – • Voetsteunen bijrijder uitgeklapt – Voor het rijden zonder bijrijder.

Voor het rijden met bijrijder.

5.37

Versnellingshendel

B00167-01 De versnellingshendel  is aan de linkerzijde van de motor gemonteerd.

40

101183-10

BEDIENINGSELEMENTEN

De posities van de versnellingen zijn weergegeven op de afbeelding.

De neutrale of vrije stand  bevindt zich tussen de 1e en 2e versnelling.

41

5.38

Rempedaal

101184-10 Het rempedaal  bevindt zich voor de rechter voetsteun.

De achterwielrem wordt geschakeld met het rempedaal.

101186-10

BEDIENINGSELEMENTEN

5.39

Zijstandaard

101185-10

42

De zijstandaard  bevindt zich aan de linker voertuigzijde.

De zijstandaard is bestemd voor het parkeren van de motorfiets.

Info

Tijdens het rijden moet de zijstandaard omhooggeklapt zijn.

De zijstandaard is gekoppeld aan het veiligheidsstartsysteem, lees de rij-instructies.

Mogelijke toestanden

• Zijstandaard uitgeklapt • Zijstandaard ingeklapt – – Het voertuig kan worden neergezet op de zijstandaard. Het veiligheidsstartsysteem is actief.

Deze stand is altijd vereist bij het rijden. Het veiligheidsstart systeem is niet actief.

INBEDRIJFNAME 43

6.1

Aanwijzingen voor eerste inbedrijfname

Gevaar Gevaar voor ongevallen

  Gevaar door onvoldoende rijvaardigheid.

– Het voertuig niet gebruiken, wanneer u door consumptie van alcohol, medicijnen of drugs of door lichamelijke of psychische beperkingen niet in staat bent veilig aan het verkeer deel te nemen.

Waarschuwing Gevaar voor letsel

  Geen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.

– Tijdens het rijden altijd beschermende kleding (helm, laarzen, handschoenen, broek en jack met bescherming) dragen. Erop letten dat de beschermende kleding zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke voorschriften.

Waarschuwing Gevaar voor vallen

  Beperking van het rijgedrag door verschillende bandprofielen aan voor- en achterwiel.

– Voor- en achterwiel moeten altijd zijn uitgerust met banden met een gelijksoortig profiel, anders kan de motor oncontroleerbaar worden.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Ongecontroleerd rijgedrag door niet vrijgegeven en/of aanbevolen banden/wielen.

– Alleen door KTM vrijgegeven en/of aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex gebruiken.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde wegligging bij nieuwe banden.

– Nieuwe banden hebben een glad contactvlak, waardoor het wegcontact niet volledig is. Het volledige contactvlak moet de eerste 200 kilometers bij een gematigde rijstijl en in verschillende schuine standen worden geruwd. Pas nadat de banden zijn ingere den wordt de volledige wegligging bereikt.

INBEDRIJFNAME Info

Houd er bij het gebruik van het voertuig rekening mee, dat andere mensen last kunnen hebben van overmatig lawaai.

– – – – – – – – Verzeker u ervan dat de afleveringsinspectie is uitgevoerd in een geautoriseerde KTM-garage.

U ontvangt het afleveringsdocument en serviceboekje bij de overdracht van het voertuig.

Voordat u voor het eerst gaat rijden de volledige bedieningshandleiding goed doorlezen.

Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bedieningselementen.

Uitgangspositie van de koppelingshendel instellen. (

Uitgangspositie van de remhendel instellen. (

pag. 91)

pag. 93)

Oefen voordat u een lange rit gaat maken eerst op geschikt terrein, zodat u gewend raakt aan het besturen van het voertuig. Probeer ook eens zo langzaam mogelijk te rijden zodat u meer gevoel voor de motorfiets krijgt.

Tijdens het rijden het stuur met beide handen vasthouden en de voeten op de voetsteunen laten rusten.

Motor inrijden. ( pag. 44)

– 6.2

Motor inrijden

Tijdens de inrijperiode het aangegeven motortoerental en motorvermogen niet overschrijden.

Voorgeschreven waarde Maximaal motortoerental Tijdens de eerste: 1.000 km Na de eerste: 1.000 km 6.500 1/min 9.500 1/min – Vol gas geven vermijden!

44

INBEDRIJFNAME 45

6.3

Voertuig beladen

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Instabiel rijgedrag.

– Het maximale totaalgewicht en asbelasting nooit overschrijden. Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de bestuurder en bijrijder met beschermende kleding en helm, plus de bagage.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Instabiel rijgedrag door ondeskundige montage van een bagagedrager of tanktas.

– Bagagedrager en tanktas volgens de aanwijzingen van de producent monteren en borgen.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Instabiel rijgedrag bij hoge snelheid.

– De snelheid aanpassen aan eventuele extra belading. Rij langzamer, als uw motorfiets is beladen met bagage.

Maximumsnelheid met bagage 130 km/h

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Vernietiging van het koffersysteem.

– Als u bagagekoffers op uw motorfiets hebt gemonteerd, moet u ook de aanwijzingen van de fabrikant over de maximale belading in acht nemen.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Door verschoven bagage bent u slecht zichtbaar voor andere verkeersdeelnemers.

– Als het achterlicht bedekt is, bent u moeilijk te zien voor de verkeersdeelnemers achter u, vooral als het donker is. Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verschillend rijgedrag en langere remweg bij hoge extra belasting door bagage.

– De snelheid aanpassen aan de extra belasting.

INBEDRIJFNAME Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Instabiel rijgedrag door verschoven bagage.

– Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.

Waarschuwing Gevaar voor verbranding

  Een heet uitlaatsysteem kan de bagage verbranden.

– De bagage zo bevestigen, dat deze niet aan het hete uitlaatsysteem kan verbranden of schroeien.

46

– – Als u bagage meeneemt moet deze veilig worden vastgezet, zo veel mogelijk in het midden van het voertuig en het gewicht moet gelijk matig zijn verdeeld over het voor- en achterwiel.

Rekening houden met het maximaal toegestane totaalgewicht en de maximale asbelasting.

Voorgeschreven waarde Maximaal toegestaan totaalgewicht 387 kg Maximaal toegestane asbelasting voor Maximaal toegestane asbelasting achter 180 kg 250 kg

RIJ-INSTRUCTIES

7.1

Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfname

Info

Voordat u gaat rijden controleren of het voertuig in een goede staat is en of er veilig mee kan worden gereden.

Bij het rijden moet het voertuig technisch in een onberispelijke staat zijn.

– – – – – – – – – – – – – – – –

Motoroliepeil controleren. ( pag. 146)

Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. (

Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. (

Remplaketten van de voorwielrem controleren. (

pag. 94)

pag. 99)

pag. 96)

Remplaketten van de achterwielrem controleren. (

Controleren of het remsysteem goed werkt.

pag. 101)

pag. 138) Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren. (

Vervuiling van de ketting controleren. ( pag. 84)

Kettingspanning controleren. ( pag. 86)

Toestand van de banden controleren. (

Bandenspanning controleren. (

pag. 109)

pag. 111)

Controleren of alle bedieningselementen goed zijn ingesteld en gemakkelijk bewegen.

Werking van de elektrische installatie controleren.

Controleren of de bagage correct is bevestigd.

Op de motorfiets gaan zitten en de stand van de achteruitkijkspiegel controleren.

Brandstofvoorraad controleren.

47

RIJ-INSTRUCTIES

7.2

Starten

Gevaar Gevaar voor vergiftiging

  Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.

– Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen, de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten draaien zonder een geschikte afzuiginstallatie.

Voorzichtig Gevaar voor ongevallen

  Als de motorfiets met een lege of zonder accu wordt gebruikt, kunnen elektronische componenten en vei ligheidsvoorzieningen worden beschadigd.

– Motorfiets nooit met een lege of zonder accu gebruiken.

Aanwijzing Beschadiging aan de motor

  Hoge toerentallen bij koude motor hebben een negatief effect op de levensduur van de motor.

– Motor altijd met een laag toerental warmrijden.

48

RIJ-INSTRUCTIES

400971-10

49

– – – – Noodstopschakelaar in stand schakelen.

Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand

ON

draaien.

Na het inschakelen van het contact is er gedurende ongeveer twee seconden het geluid van de werkende brandstofpomp te horen. Tegelijkertijd wordt de functietest van het gecombineerde instrument uitgevoerd.

Versnelling in neutraal schakelen.

Het groene controlelampje voor neutraal

N

 brandt.

E-starterknop indrukken.

Info

E-starterknop pas indrukken als de functietest van het gecombineerde instru ment is afgerond.

Tijdens het starten slaat dan niet aan.

GEEN

gas geven. Als er tijdens het starten gas wordt gege ven, wordt er geen brandstof ingespoten door het motormanagement en de motor Maximaal 5 seconden ononderbroken starten. Ten minste 5 seconden wachten tot de volgende startpoging.

Deze motorfiets is uitgerust met een veiligheidsstartsysteem. De motor kan alleen worden gestart, als de versnelling in vrij is geschakeld of als bij geschakelde versnelling de koppelingshendel is getrokken. Als u met uitgeklapte zijstandaard naar een versnelling schakelt en de koppelingshendel loslaat blijft de motor stilstaan.

– Zijstandaard ontlasten en met de voet tot de aanslag naar boven zwenken.

– 7.3

Beginnen met rijden

Koppelingshendel trekken, in de 1e versnelling zetten, koppelingshendel langzaam vrijgeven en tegelijkertijd voorzichtig gas geven.

RIJ-INSTRUCTIES

7.4

Schakelen, rijden

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Bij een abrupte verandering van de belasting kunt u de controle over de motorfiets verliezen.

– Abrupte veranderingen in belasting en hard remmen vermijden en de snelheid aanpassen aan de rijwegsituatie.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Terugschakelen bij hoog motortoerental leidt tot blokkeren van het achterwiel.

– Niet bij hoog motortoerental terugschakelen naar een lagere versnelling. De motor wordt overbelast en het achterwiel kan blok keren.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Storingen veroorzaken door een verkeerde stand van de contactsleutel.

– De contactsleutel niet in een andere stand zetten tijdens het rijden.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Afleiding van het verkeer door het instellen van de motorfiets tijdens het rijden.

– Instellingen mogen alleen worden gewijzigd als de motorfiets stilstaat.

Waarschuwing Gevaar voor letsel

  De bijrijder moet in staat zijn, om zich zoals voorgeschreven op het bijrijderzadel vast te houden.

– De bijrijder moet zich vasthouden aan de bestuurder of de daarvoor bestemde riem. De voeten moeten op de voetsteunen voor bijrijder worden geplaatst. Neem hierbij ook de in uw land geldende voorschriften over de minimumleeftijd in acht.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Gevaar voor ongevallen door gevaarlijk rijgedrag.

– Volg de verkeersregels en rijd defensief en anticiperend, om gevaren zo vroeg mogelijk te herkennen.

50

RIJ-INSTRUCTIES 51 Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde wegligging bij koude banden.

– Iedere keer dat u gaat rijden moeten de eerste kilometers voorzichtig en met gematigde snelheid worden gereden, totdat de banden hun rijtemperatuur hebben bereikt en zo een optimale wegligging garandeerd is.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde wegligging bij nieuwe banden.

– Nieuwe banden hebben een glad contactvlak, waardoor het wegcontact niet volledig is. Het volledige contactvlak moet de eerste 200 kilometers bij een gematigde rijstijl en in verschillende schuine standen worden geruwd. Pas nadat de banden zijn ingere den wordt de volledige wegligging bereikt.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Instabiel rijgedrag.

– Het maximale totaalgewicht en asbelasting nooit overschrijden. Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de bestuurder en bijrijder met beschermende kleding en helm, plus de bagage.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Instabiel rijgedrag door verschoven bagage.

– Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Ontbrekende verkeersveiligheid.

– Als u met het voertuig bent gevallen moet hij daarna worden gecontroleerd, zoals altijd voordat u gaat rijden.

Aanwijzing Beschadiging van de motor

  Ongefilterde aanzuiglucht heeft een negatief effect op de levensduur van de motor.

– Voertuig nooit zonder luchtfilter gebruiken omdat er dan stof en vervuiling in de motor terecht kunnen komen en dat heeft een hogere slijtage tot gevolg.

RIJ-INSTRUCTIES 52 Aanwijzing Beschadiging van de motor

  Oververhitting van de motor.

– Als de waarschuwingsindicator voor de koelmiddeltemperatuur brandt, moet u de motorfiets stoppen en de motor uitzetten. Motor laten afkoelen en het koelmiddelpeil in de radiateur controleren en indien nodig corrigeren. Wanneer u toch doorrijdt als de waarschuwings indicator voor de koelmiddeltemperatuur brandt kan de motor beschadigen.

Info

Als u tijdens het rijden ongewone geluiden hoort, moet u meteen stoppen, de motor uitzetten en contact opnemen met een geauto riseerde KTM-garage.

101184-10 – – Als de verhoudingen het toestaan (helling, rijsituatie e.d.) kunt u naar hogere versnellin gen schakelen.

Gas terug nemen, gelijktijdig koppelingshendel trekken, naar volgende versnelling scha kelen, koppelingshendel vrijgeven en gas geven.

Info

De posities van de zes voorwaartse versnellingen zijn weergegeven op de afbeel ding. De neutrale of vrije stand bevindt zich tussen de 1e en 2e versnelling. De 1e versnelling is de start- of bergversnelling.

– – – – Nadat met een volledig opengedraaide gashendel de maximale snelheid is bereikt, moet u deze op ¾ gas terugdraaien. De snelheid verlaagt nauwelijks, maar er wordt aanmer kelijk minder brandstof verbruikt.

Uw snelheid aanpassen aan de wegtoestand en weersituatie. Vooral in bochten mag er niet worden geschakeld en slechts voorzichtig gas worden gegeven.

Voor het terugschakelen van de motorfiets indien nodig afremmen en tegelijkertijd gas terugnemen.

Koppelingshendel trekken en naar een lagere versnelling schakelen, koppelingshendel langzaam vrijgeven en gas geven of nog een keer schakelen.

RIJ-INSTRUCTIES

– – – –

53

Als de motor bijvoorbeeld afslaat bij een kruising hoeft u alleen de koppelingshendel te trekken en de e-starterknop in te drukken. De versnelling hoeft niet in neutraal te worden geschakeld.

De motor uitzetten als het voertuig langere tijd stationair draait of stilstaat.

Als tijdens het rijden het

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) gaat branden moet u meteen stoppen. Op het moment dat de versnelling in vrij staat begint het

FI

waarschuwings lampje (

MIL

) te knipperen.

Info

Via het knipperritme kunt een tweecijferig getal ontcijferen. Dit wordt de knip percode genoemd. De knippercode geeft aan, welk component een storing heeft.

Als het vorstsymbool op het gecombineerde instrument verschijnt moet u rekening houden met een glad wegdek. De snelheid aanpassen aan de gewijzigde rijwegsituatie.

7.5

Afremmen

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Te sterk afremmen leidt tot blokkering van de wielen.

– De wijze van remmen aanpassen aan de rijsituatie en rijwegsituatie.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door natte of vervuilde remmen.

– Vervuilde of natte remmen voorzichtig schoon- resp. droogremmen.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door poreus drukpunt van de voor- en/of achterwielrem.

– Remsysteem controleren, niet meer verder rijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)

RIJ-INSTRUCTIES Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Uitvallen van het remsysteem.

– Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken. De achterwielrem kan door oververhitting uit vallen. De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt remmen.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Langere remweg door hoger totaalgewicht.

– Houd rekening met een langere remweg, als u met een bijrijder of bagage rijdt.

54 Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Vertraagde remwerking op wegen met strooizout.

– Strooizout kan zich afzetten op de remschijven. Om de normale remwerking weer te herstellen moeten de remschijven eerst schoon geremd worden.

– – – – Voor het remmen gas terugnemen en tegelijkertijd remmen met de voorwiel- en achterwielrem.

Op natte of gladde ondergrond moet overwegend de achterwielrem worden gebruikt.

Het remmen moet altijd voor het begin van de bocht zijn afgerond. Daarbij afhankelijk van de snelheid naar een lagere versnelling schakelen.

Bij lange afdalingen de remwerking van de motor gebruiken. Daarvoor een of twee versnellingen terugschakelen en hierbij de motor niet op een te hoog toerental laten draaien. Zo hoeft u veel minder te remmen en raken de remmen niet oververhit.

7.6

Stoppen, parkeren

Waarschuwing Gevaar voor diefstal

  Gebruik door onbevoegde personen.

– Het voertuig nooit onbeheerd laten staan als de motor draait. Het voertuig tegen onbevoegd gebruik beveiligen. Bij het verlaten van het voertuig het stuur op slot zetten en contactsleutel uittrekken.

RIJ-INSTRUCTIES Waarschuwing Gevaar voor verbranding

  Sommige onderdelen van het voertuig worden tijdens het rijden zeer heet.

– Hete onderdelen zoals uitlaatsysteem, radiateur, motor, schokdempers en remmen niet aanraken. De onderdelen eerst laten afkoelen voordat u met werkzaamheden aan deze onderdelen begint.

Aanwijzing Gevaar voor beschadiging

  Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.

– Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.

Aanwijzing Gevaar voor brand

  Sommige onderdelen van de motorfiets worden bij gebruik van de motorfiets zeer heet.

– Motorfiets niet op plaatsen laten staan met licht brandbare en/of ontvlambare materialen. Geen voorwerpen over het bedrijfswarme voertuig leggen. Het voertuig altijd eerst laten afkoelen.

55 Aanwijzing Schade aan materiaal

  Beschadiging en vernietiging van componenten door overmatige belasting.

– De zijstandaard is alleen geschikt voor het gewicht van de motorfiets. Ga niet op de motorfiets zitten als hij op de zijstandaard staat.

De zijstandaard of het frame kunnen beschadigen en de motorfiets kan omvallen.

– – – – Motorfiets afremmen.

Versnelling in neutraal schakelen.

Contact uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand

OFF

draaien.

Info

Als de motor met de noodstopschakelaar is uitgeschakeld en op het contactslot het contact ingeschakeld blijft, wordt de stroomvoeding van de meeste stroomverbruikers niet onderbroken en ontlaadt de accu. Motor daarom altijd met het contactslot uitzetten, de noodstopschakelaar is alleen bestemd voor noodgevallen.

Motorfiets parkeren op vaste ondergrond.

– –

RIJ-INSTRUCTIES

Zijstandaard met de voet helemaal naar voren zwenken en met het voertuig belasten.

Het stuur blokkeren. Daarvoor het stuur naar links zetten, contactsleutel in de stand Om het vastklikken in de stuurblokkering gemakkelijker te maken, het stuur in kleine afstanden heen en weer bewegen. Contactsleutel uittrekken.

OFF

omlaag duwen en in de stand draaien.

56

7.7

Brandstof tanken

Gevaar Gevaar voor brand

  Brandstof is licht ontvlambaar.

– – Tank het voertuig nooit in de buurt van open vuur of brandende sigaretten en schakel de motor bij het tanken altijd uit. Let er vooral op dat er geen brandstof wordt gemorst op de hete onderdelen van het voertuig. Gemorste brandstof meteen afvegen.

Als de brandstof wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uitstromen als de tank te vol zit. Neem de aanwijzin gen voor het tanken van brandstof in acht.

Waarschuwing Gevaar voor vergiftiging

  Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.

– Erop letten dat brandstof niet in aanraking komt met de huid, ogen en kleding. Adem brandstofdampen niet in. Bij contact met de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep. Als brandstof is ingeslikt meteen een arts raadplegen. Kleding die in aanraking is gekomen met brandstof meteen uittrekken.

Waarschuwing Gevaar voor het milieu

  Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.

– Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.

Info

Deze motorfiets is uitgerust met een geregelde katalysator. Loodhoudende brandstof vernietigt de katalysator. Daarom alleen lood vrije brandstof gebruiken.

RIJ-INSTRUCTIES

– – – – Motor uitzetten.

Tankdop openen. ( pag. 34)

Brandstoftank tot maximaal aan de onderkant len.

 van de vulopening met brandstof vul Brandstoftankvo lume totaal ca.

Tankdop sluiten. (

18,5 l

pag. 36)

Brandstof super loodvrij (ROZ 95)

( pag. 188)

57

B00243-01 – De

SET

knop  twee seconden indrukken.

Het waarschuwingslampje voor het brandstofpeil gezet en de vorige weergavemodus verschijnt.

 verdwijnt.

TRIP F

wordt op

0.0

Info

Als de

SET

 knop niet wordt ingedrukt, wordt de waarde na ca. 3 minuten automatisch teruggezet.

400970-12

SERVICESCHEMA

8.1

Serviceschema

Werking van de elektrische installatie controleren.

Foutengeheugen met KTM ‑ diagnosetool uitlezen.

x Meetwaardeblok-service controleren met KTM-diagnosetool.

x Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.

x

(

Olievernevelaars naar koppelingsmering controleren.

x

Remplaketten van de voorwielrem controleren. ( pag. 96)

Remschijven van de voorwielrem controleren. ( pag. 93)

pag. 147)

Remplaketten van de achterwielrem controleren. (

Remschijf van de achterwielrem controleren. (

pag. 101)

pag. 98)

Remkabels op beschadiging en dichtheid controleren.

Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. ( pag. 99)

Schokdemper en voorvork controleren op dichtheid. Voorvorkservice en schokdemperservice op basis van behoefte en beoogd gebruik.

Achterbruglagers controleren.

x Speling wiellagers controleren.

x

Toestand van de banden controleren. ( pag. 109)

Bandenspanning controleren. ( pag. 111)

Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren. ( pag. 89)

Kettingspanning controleren. ( pag. 86)

Alle bewegende onderdelen (bijv. zijstandaard, hendels, ketting, ...) smeren en controleren of ze gemakkelijk bewegen.

x Vuilschrapers van de vorkpoten reinigen.

• • • • • • • • •

K10N

• • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

K75A

• • • •

K150A

• • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

K300A

• • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

58

SERVICESCHEMA

Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. (

Vorkpoten ontluchten. ( pag. 78)

Speling balhoofdlager controleren.

pag. 94)

Bougies vervangen.

x Klepspeling controleren.

x (Super Duke) Klepspeling controleren.

x (Super Duke R) Alle slangen (bijv. brandstof-, radiateur-, ontluchting-, aftapslangen, ...) en manchetten controle ren op scheuren, dichtheid en correcte legging.

x

Antivries en koelmiddelpeil controleren. ( pag. 135)

Kabelboom van de regelklep controleren op beschadiging en correcte legging.

x Kabels controleren op beschadiging en knikvrije legging.

x Bowdenkabels controleren op beschadiging, knikvrije legging en instelling.

Luchtfilter vervangen. Luchtfilterbak reinigen.

x Brandstofdruk controleren.

x Waarde druksensor inlaatluchtbuis (PM-waarde) controleren met KTM-diagnosetool.

x CO-aanpassing controleren met KTM-diagnosetool.

x

Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling controleren/corrigeren. ( pag. 92)

Controleren of de schroeven en moeren goed vastzitten.

x Koelmiddel verversen.

x Remvloeistof voorwielrem verversen.

x Remvloeistof achterwielrem verversen.

x Koppeling controleren.

x

K10N

• • • • • • • • • • • •

K75A

• • • • •

59 K150A

• • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

K300A

• • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

SERVICESCHEMA

Stand van de koplamp controleren. ( pag. 133)

Werking van de radiateurventilator controleren.

x Eindcontrole: controleren of het voertuig verkeersveilig is en een proefrit maken.

Foutengeheugen met KTM-diagnosetool uitlezen na een proefrit.

x Service op

KTM DEALER.NET

en in het serviceboekje vermelden.

x

K10N: K75A: K150A: K300A:

eenmalig na 1.000 km om de 7.500 km of jaarlijks om de 15.000 km of om de 2 jaar of na sportief gebruik om de 30.000 km of om de 4 jaar

K10N

• • • • •

K75A

• • • • •

60 K150A

• • • • •

K300A

• • • • •

CHASSIS AFSTELLEN

9.1

Voorvork/schokdemper

61

B00183-10 Voorvork en schokdemper bieden veel mogelijkheden, om het chassis aan te passen aan uw rijstijl en eventuele extra belading.

Info

Om deze aanpassing voor u te vereenvoudigen, hebben we onze ervaringsgegevens in tabel  samengevat. U vindt de tabel aan de binnenkant van het zadel. Bij vrijwel alle instellingen, met uitzondering van de veervoorspanning van de schokdemper, wordt vanuit de maximaal ingedraaide positie op de aangegeven waarden afgesteld.

De stelschroeven niet met kracht tegen de aanslag draaien. De laatste voelbare klik als laatste positie nemen.

Deze instelwaarden zijn richtwaarden en vormen altijd slechts de basis voor uw eigen per soonlijke afstelling van het chassis. De instellingen niet willekeurig wijzigen (maximaal ± 40%), aangezien anders de rijeigenschappen vooral tijdens hoge snelheden kunnen ver slechteren.

9.2

Ingaande demping voorvork instellen

Info

De hydraulische ingaande demping bepaalt het gedrag bij het inveren van de voorvork.

Een optimale ingaande demping garandeert, dat de voorvork bij hard remmen en snelle wijziging van de belasting niet te ver en te snel inveert. De bestuurder krijgt hierdoor een goede feedback over de weggesteldheid.

CHASSIS AFSTELLEN

101189-10

62

– – Stelschroeven  met de klok mee draaien tot de aanslag.

Info

De stelschroeven bevinden zich aan het onderste uiteinde van de vorkpoten.

De instelling van beide vorkpoten moet gelijk zijn.

Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen de klok in terugdraaien.

Voorgeschreven waarde

(Super Duke)

Ingaande demping Comfort Standaard 20 klikken 15 klikken Sport Volledige nuttige belasting 10 klikken 10 klikken

(Super Duke R)

Ingaande demping Comfort Standaard Sport 23 klikken 18 klikken 13 klikken

Info

Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt de demping bij het inveren.

CHASSIS AFSTELLEN

9.3

Uitgaande demping voorvork instellen

Info

De hydraulische uitgaande demping bepaalt het gedrag bij het uitveren van de voorvork.

Een optimaal ingestelde uitgaande demping remt de opgewekte veerenergie, waardoor de voorvork snel en zonder schommelingen kan worden teruggezet in de nulpositie.

63

B00176-10 – Stelschroeven  met de klok mee draaien tot de aanslag.

Info

De stelschroeven bevinden zich aan het bovenste uiteinde van de vorkpoten.

De instelling van beide vorkpoten moet gelijk zijn.

– Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen de klok in terugdraaien.

Voorgeschreven waarde

(Super Duke)

Uitgaande demping Comfort 20 klikken Standaard Sport Volledige nuttige belasting 15 klikken 10 klikken 10 klikken

(Super Duke R)

Uitgaande demping Comfort Standaard Sport 12 klikken 10 klikken 8 klikken

CHASSIS AFSTELLEN 64 Info

Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt de demping bij het uitveren.

9.4

Veervoorspanning voorvork instellen

Info

De veervoorspanning bepaalt de uitgangspositie bij het veren van de voorvork.

Een optimaal ingestelde veervoorspanning is aangepast aan het gewicht van de bestuurder eventueel met bagage en bijrijder en zorgt zo voor een compromis tussen hanteerbaarheid en stabiliteit.

B00176-11 – – Stelschroeven  met de klok mee draaien tot de aanslag.

Info

De stelschroeven bevinden zich aan het bovenste uiteinde van de vorkpoten.

De instelling van beide vorkpoten moet gelijk zijn.

Afhankelijk van het voorvorktype een aantal slagen tegen de klok in terugdraaien.

Voorgeschreven waarde

(Super Duke)

Veervoorspanning -

Preload Adjuster

Comfort Standaard Sport Volledige nuttige belasting 5 omwentelingen 5 omwentelingen 5 omwentelingen 5 omwentelingen

CHASSIS AFSTELLEN (Super Duke R)

Veervoorspanning -

Preload Adjuster

Comfort Standaard Sport 5 omwentelingen 5 omwentelingen 5 omwentelingen

Info

Draaien met de klok mee verhoogt de voorspanning, draaien tegen de klok in verlaagt de voorspanning van de veren.

Een verandering van de veervoorspanning is niet van invloed op de uitgaande demping, hoewel de stelschroeven bij het instellen meedraaien. Toch moet bij verandering van de veervoorspanning altijd ook de uitgaande demping worden aangepast.

65

9.5

Ingaande demping schokdemper

B00178-01 De ingaande demping van de schokdemper is verdeeld in twee bereiken, high speed en low speed.

High- en low speed hebben betrekking op de snelheid waarmee het achterwiel inveert en niet op de rijsnelheid.

De high speed-instelling is van invloed op de landing na een sprong. Het achterwiel veert daarbij snel in.

De low speed-instelling is van invloed op het rijden over lange hobbels op de ondergrond.

Het achterwiel veert daarbij langzaam in.

De beide bereiken kunnen apart worden ingesteld, de overgang tussen high en low speed is echter vloeiend. Daarom zijn wijzigingen in het high speed-bereik van de ingaande demping ook van invloed op het low speed-bereik en omgekeerd.

CHASSIS AFSTELLEN

9.6

Ingaande demping low speed van schokdemper instellen

Voorzichtig Gevaar voor ongevallen

  Het demonteren van onder druk staande onderdelen kan letsel veroorzaken.

– De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof. Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM garage is u graag van dienst.)

66 Info

De low speed-instelling toont haar werking bij het langzaam tot normaal inveren van de schokdemper.

B00178-10 – Stelschroef bare klik.

 met een schroevendraaier met de klok mee draaien tot de laatste voel-

Info

Schroef  niet losdraaien!

– Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen de klok in terugdraaien.

Voorgeschreven waarde

(Super Duke)

Ingaande demping low speed Comfort Standaard 25 klikken 20 klikken Sport Volledige nuttige belasting 10 klikken 10 klikken

CHASSIS AFSTELLEN 67 (Super Duke R)

Ingaande demping low speed Comfort Standaard Sport 25 klikken 20 klikken 15 klikken

Info

Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt de demping.

9.7

Ingaande demping high speed van schokdemper instellen

Voorzichtig Gevaar voor ongevallen

  Het demonteren van onder druk staande onderdelen kan letsel veroorzaken.

– De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof. Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM garage is u graag van dienst.)

Info

De high speed-instelling toont haar werking bij het snel inveren van de schokdemper.

CHASSIS AFSTELLEN

B00178-11 – Stelschroef  met een steeksleutel met de klok mee draaien tot de aanslag.

Info

Schroef  niet losdraaien!

– Afhankelijk van het schokdempertype een aantal slagen tegen de klok in terugdraaien.

Voorgeschreven waarde

(Super Duke)

Ingaande demping high speed Comfort Standaard Sport Volledige nuttige belasting 2 omwentelingen 1,5 omwentelingen 1 omwenteling 1 omwenteling

(Super Duke R)

Ingaande demping high speed Comfort Standaard Sport 2 omwentelingen 1,5 omwentelingen 1 omwenteling

68 Info

Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt de demping.

CHASSIS AFSTELLEN

9.8

Uitgaande demping schokdemper instellen

Voorzichtig Gevaar voor ongevallen

  Het demonteren van onder druk staande onderdelen kan letsel veroorzaken.

– De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof. Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM garage is u graag van dienst.)

69

B00179-10 – – Stelschroef  met de klok mee draaien tot de laatste voelbare klik.

Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen de klok in terugdraaien.

Voorgeschreven waarde

(Super Duke)

Uitgaande demping Comfort Standaard Sport Volledige nuttige belasting 20 klikken 12 klikken 8 klikken 8 klikken

(Super Duke R)

Uitgaande demping Comfort Standaard Sport 12 klikken 10 klikken 8 klikken

Info

Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt de demping bij het uitveren.

CHASSIS AFSTELLEN

9.9

Veervoorspanning schokdemper instellen

x

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Wijzigingen aan het chassis kunnen het rijgedrag van het voertuig sterk veranderen.

– Na wijzigingen eerst langzaam rijden om het rijgedrag te kunnen beoordelen.

Info

De veervoorspanning bepaalt de uitgangspositie voor de vering op de schokdemper.

Een optimaal ingestelde veervoorspanning is aangepast aan het gewicht van de bestuurder eventueel met bagage en bijrijder en zorgt zo voor een compromis tussen hanteerbaarheid en stabiliteit.

Voordat u de veervoorspanning wijzigt, wordt aanbevolen de actuele instelling noteren - bijvoorbeeld door de veerlengte te meten.

– Achterwiel en achterbrug ontlasten.

Info

De veervoorspanning kan alleen correct worden ingesteld als het achterwiel en de achterbrug volledig ontlast zijn.

– – – – Contraring Stelring   losdraaien.

draaien tot de veer volledig ontspannen is.

Haaksleutel (T106S) Totale Veerlengte in ontspannen toestand meten.

Veer door het draaien van de stelring  op de voorgeschreven maat spannen.

70

B00180-10

CHASSIS AFSTELLEN

9.10

Stuurpositie (Super Duke R)

– Voorgeschreven waarde

(Super Duke)

Veervoorspanning Comfort Standaard Sport Volledige nuttige belasting

(Super Duke R)

Veervoorspanning Comfort Standaard Sport Contraring  vastdraaien.

6 mm 6 mm 6 mm 6 mm 6 mm 6 mm 6 mm Aan de bovenste kroonplaat bevinden zich twee boringen op een afstand  van elkaar.

Boringafstand  15 mm Het stuur kan in twee verschillende posities worden gemonteerd. Daardoor is het mogelijk het stuur in de voor de bestuurder meest aangename positie te zetten.

71

B00235-10

CHASSIS AFSTELLEN

9.11

Stuurpositie instellen

x

(Super Duke R)

– B00236-10 – – De vier schroeven opzij hangen.

 verwijderen. Stuurklemmen demonteren. Stuur demonteren en

Info

Motorfiets en onderdelen afdekken om deze te beschermen tegen beschadigin gen.

Kabels en leidingen niet knikken.

De twee schroeven  verwijderen. Stuuradapters verwijderen.

Stuuradapters in de gewenste positie zetten. De twee schroeven draaien.

 monteren en vast Voorgeschreven waarde Schroef stuuradapter M10 45 Nm

72 Info

Stuuradapters links en rechts gelijkmatig positioneren.

– Stuur positioneren.

Info

Erop letten dat kabels en leidingen goed worden gelegd.

– Stuurklemmen positioneren. De vier schroeven  monteren en gelijkmatig vastdraaien.

Voorgeschreven waarde Schroef stuurklemmen M8 20 Nm

CHASSIS AFSTELLEN

9.12

Stuurdemper (Super Duke R)

De stuurdemper onderdrukt de ongecontroleerde bewegingen van het stuur, die kunnen optreden bij hoge snelheden en door het kort loskomen van het voorwiel op een onregel matige ondergrond.

De instelling van de stuurdemper is afhankelijk van de rijwijze en de gesteldheid van het traject. Bij hoge snelheden kan een instelling met hoge dempkracht worden gekozen om de werking van de stuurdemper optimaal te benutten. Bij langzame en scherpe bochten beperkt een te hoge dempkracht de hanteerbaarheid en de precisie van de stuurbewegin gen. Daarom wordt aanbevolen de dempkracht lager in te stellen.

B00234-01 9.13

Stuurdemper instellen (Super Duke R)

Info

De hydraulische stuurdemper stabiliseert het stuur als het voorwiel niet is belast of de ondergrond niet raakt.

In tegenstelling tot de andere demperelementen vindt bij de stuurdemper de instelling van het geopende dempingselement uit gaand plaats.

– – Stelschroef  tot de laatste voelbare klik tegen de klok in draaien in de richting " – ".

De stuurdemper met de klok mee in de richting "

+

" instellen afhankelijk van de rijwijze en de gesteldheid van het traject.

Voorgeschreven waarde Instelbereik stuurdemper 1… 30 klikken Aanbevolen instelbereik Standaard 1… 20 klikken 15 klikken B00234-10

73

CHASSIS AFSTELLEN

9.14

Zithoogte (Super Duke R)

Info

De instelling van de stuurdemper mag niet worden gewijzigd tijdens het rijden.

Na het instellen van de stuurdemper moet worden gecontroleerd of het stuur soepel beweegt. Het stuur moet zonder blokkeringen van aanslag tot aanslag kunnen worden bewogen.

74

Bij het monozadel kan de zadelhoogte worden versteld.

Zithoogte onbelast 860… 875 mm Het zadel kan in drie verschillende posities worden ingesteld. Daardoor is het mogelijk het zadel in de voor de bestuurder meest aangename positie te zetten.

B00237-01 9.15

Zadelhoogte instellen (Super Duke R)

Zadel afnemen. ( pag. 82)

CHASSIS AFSTELLEN

B00238-10 – De vier schroeven  verwijderen.

Info

De benodigde onderdelen worden meegeleverd.

– – – Indien gewenst, afstandsstukken der  positioneren.

 met gelijke lengte tussen zadel  en zadelhou Schroeven  met de passende lengte monteren en vastdraaien.

Voorgeschreven waarde Overige schroeven chassis M6 10 Nm

Voorwaarden

Zonder afstandsstuk Schroef M6x16 gebruiken

Voorwaarden

Afstandsstuk: 7 mm Schroef M6x20 gebruiken

Voorwaarden

Afstandsstuk: 15 mm Schroef M6x30 gebruiken

Zadel monteren. ( pag. 83)

75

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

10.1

Motorfiets met hefbok vooraan opkrikken

Aanwijzing Gevaar voor beschadiging

  Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.

– Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.

– –

Motorfiets met hefbok achteraan opkrikken. ( pag. 77)

Stuur in rechtuitstand zetten. Hefbok vooraan met de adapters uitlijnen op de vorkpo ten.

Hefbok vooraan (61029055300)

Info

Motorfiets altijd eerst achteraan opkrikken.

– Motorfiets vooraan opkrikken.

101187-01 10.2

Motorfiets van hefbok vooraan nemen

Aanwijzing Gevaar voor beschadiging

  Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.

– Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.

76

– – Motorfiets beveiligen tegen omvallen.

Hefbok vooraan verwijderen.

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

10.3

Motorfiets met hefbok achteraan opkrikken

Aanwijzing Gevaar voor beschadiging

  Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.

– Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.

– – – Hefbokbevestigingen op de achterbrug monteren.

Adapter in de hefbok achteraan plaatsen.

Adapter (61029055120) Hefbok achteraan (61029055400) Motorfiets verticaal zetten, hefbok uitlijnen aan de achterbrug en de bevestigingen.

Motorfiets opkrikken.

77

101188-01 10.4

Motorfiets van hefbok achteraan nemen

Aanwijzing Gevaar voor beschadiging

  Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.

– Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.

– – – Motorfiets beveiligen tegen omvallen.

Hefbok achteraan verwijderen en voertuig op de zijstandaard plaatsen.

Hefbokbevestigingen van achterbrug verwijderen.

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

10.5

Vorkpoten ontluchten

78

– – – Motorfiets op zijstandaard zetten.

Ventilatieschroeven  even verwijderen.

Als de druk te hoog is, dan verdwijnt de overtollige druk uit de binnenruimte van de voorvork.

Ventilatieschroeven monteren en vastdraaien.

Info

Aan beide vorkpoten uitvoeren.

B00177-10 10.6

Spoiler demonteren

Info

De stappen zijn links en rechts gelijk.

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

– – Schroeven  en  verwijderen.

Spoiler verwijderen.

B00197-10 10.7

Spoiler monteren

Info

De stappen zijn links en rechts gelijk.

79

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

– – Spoiler positioneren.

Schroeven  en  monteren en vastdraaien.

Voorgeschreven waarde Schroef spoiler M6 6 Nm

80

B00197-10

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

10.8

Bugspoiler demonteren

– – Schroeven  met ring verwijderen.

Schroeven  losdraaien en bugspoiler naar voren toe verwijderen.

81

10.9

Bugspoiler monteren

B00245-10 – – – Bugspoiler positioneren.

Schroeven  met ring monteren en vastdraaien.

Voorgeschreven waarde Schroef bugspoiler M6 10 Nm Schroeven  vastdraaien.

Loctite ® 243™

B00245-10

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

10.10

Zadel afnemen

(Super Duke)

– De contactsleutel in het zadelslot –  steken en met de klok mee draaien.

Het zadel achter optillen, naar de achteren schuiven en naar boven toe afnemen.

82

B00165-10

(Super Duke R)

– De contactsleutel in het zadelslot –  steken en met de klok mee draaien.

Het zadel achter optillen, naar de achteren schuiven en naar boven toe afnemen.

B00187-10

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

10.11

Zadel monteren

(Super Duke)

– Het zadel met de tongen  aan de brandstoftank hangen, achter laten zakken en tegelijkertijd naar voren schuiven. Daarbij moeten de beide haken frame grijpen.

 in het sub – Contactsleutel in het zadelslot tegen de klok in draaien en eruit trekken.

– Vervolgens controleren of het zadel correct is gemonteerd.

83

B00188-10

(Super Duke R)

– Zadel op de motorfiets positioneren en naar voren schuiven.

– Contactsleutel in het zadelslot tegen de klok in draaien en eruit trekken.

– Vervolgens controleren of het zadel correct is gemonteerd.

B00189-01 10.12

Helmbeveiliging op voertuig monteren

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Beperking van het rijgedrag en de bediening van de motorfiets door gemonteerde helmbeveiliging en/of helm.

– De helmbeveiliging niet gebruiken voor de bevestiging van de helm of andere voorwerpen tijdens het rijden. De helmbeveiliging moet altijd worden verwijderd voordat u gaat rijden.

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

– –

Zadel afnemen. ( pag. 82)

De staalkabel uit het boordgereedschap met een van de lussen op de pen ren.

 positione Staalkabel (60012015000) De staalkabel door de helmopening halen.

De vrije lus van de staalkabel ook op de pen positioneren.

Helm voorzichtig aan de zijkant van het voertuig positioneren.

Zadel monteren. ( pag. 83)

B00190-10 – – – –

84

10.13

Vervuiling ketting controleren

– Ketting controleren op grove vervuiling.

» Als de ketting erg vuil is: –

Ketting reinigen. ( pag. 84)

400678-01 10.14

Ketting reinigen

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Smeermiddel op de banden vermindert de grip van de banden.

– Smeermiddel verwijderen met een geschikt reinigingsmiddel.

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door olie of vet op de remschijven.

– Remschijven beslist olie- en vetvrij houden en indien nodig behandelen met een remmenreiniger.

Waarschuwing Gevaar voor het milieu

  Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.

– Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.

Info

De levensduur van de ketting is voor een groot deel afhankelijk van het onderhoud.

– – – – Ketting regelmatig reinigen.

Grove vervuiling afspoelen met een zachte waterstraal.

Verbruikte smeerresten met een kettingreiniger verwijderen.

Kettingreinigingsmiddel ( pag. 191)

Na het drogen kettingspray aanbrengen.

Kettingspray onroad ( pag. 191)

400725-01

85

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

10.15

Kettingspanning controleren

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Gevaar door verkeerde kettingspanning.

– Als de ketting te strak is gespannen worden de componenten van de secundaire krachtoverbrenging (ketting, ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en lager in de aandrijving en het achterwiel) extra belast. Dit kan leiden tot vroegtijdige slijtage en in het uiterste geval kunnen ook de ketting of de uitgaande as van de aandrijving breken. Als de ketting echter te los zit kan deze van het ketting-aandrijfwiel resp. het kettingwiel vallen en het achterwiel blokkeren of de motor beschadigen. Op een correcte kettingspanning letten en indien nodig bijstellen.

86

700570-01 – – – Motorfiets op zijstandaard zetten.

Versnelling in neutraal schakelen.

De ketting in het deel achter het glijblok omhoog trekken in de richting van de achter brug en de kettingspanning  bepalen.

Info

Het bovenste deel van de ketting ken van de ketting herhalen.

 moet daarbij gespannen zijn.

Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, de meting daarom op verschillende plek Kettingspanning 7 mm » Als de kettingspanning niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde: –

Kettingspanning instellen. ( pag. 87)

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

10.16

Kettingspanning instellen

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Gevaar door verkeerde kettingspanning.

– Als de ketting te strak is gespannen worden de componenten van de secundaire krachtoverbrenging (ketting, ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en lager in de aandrijving en het achterwiel) extra belast. Dit kan leiden tot vroegtijdige slijtage en in het uiterste geval kunnen ook de ketting of de uitgaande as van de aandrijving breken. Als de ketting echter te los zit kan deze van het ketting-aandrijfwiel resp. het kettingwiel vallen en het achterwiel blokkeren of de motor beschadigen. Op een correcte kettingspanning letten en indien nodig bijstellen.

87

Kettingspanning controleren. ( pag. 86)

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

– – – Moer  losdraaien.

Moeren  losdraaien.

Kettingspanning door het draaien van de stelschroeven  links en rechts instellen.

Voorgeschreven waarde Kettingspanning 7 mm Stelschroeven rechter kettingspanner markeringen   links en rechts zo draaien, dat de markeringen aan de linker en  in dezelfde positie staan ten opzichte van de referentie . Zo wordt het achterwiel correct uitgelijnd.

88

B00130-10 – – –

Info

Het bovenste deel van de ketting moet daarbij gespannen zijn.

Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig. Daarom de instelling op verschillende plekken van de ketting controleren.

Moeren  vastdraaien.

Controleren of de kettingspanners  tegen de stelschroeven  liggen.

Moer  vastdraaien.

Voorgeschreven waarde Moer steekas achter M25x1,5 90 Nm Schroefdraad inge vet

Info

Door een groter verstelbereik van de kettingspanner (32 mm) kan bij gelijke ket tinglengte met verschillende secundaire overbrengingen worden gereden.

De kettingspanners  kunnen 180° worden gedraaid.

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

10.17

Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren

– Kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren op slijtage.

» Als kettingwiel en ketting-aandrijfwiel ingesleten zijn: – Kettingwiel en/of ketting-aandrijfwiel vervangen.

x

Info

Ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en ketting moeten altijd samen worden vervangen.

89

100132-10

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

– – – Versnelling in neutraal schakelen.

Aan het onderste deel van de ketting trekken met het aangegeven gewicht  .

Voorgeschreven waarde Gewicht voor meting van de kettingslij tage 15 kg De afstand  van 18 kettingschakels aan het onderste deel van de ketting meten.

90 Info

Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, de meting daarom op verschillende plek ken van de ketting herhalen.

700572-01 Maximale afstand van de ketting  op het langste deel 272 mm » Als de afstand –  groter is dan de aangegeven maat: Ketting vervangen.

x

Info

Als er een nieuwe ketting wordt gemonteerd, moeten ook het kettingwiel en ketting-aandrijfwiel worden vervangen.

Nieuwe kettingen slijten sneller op een oud en versleten kettingwiel en/of ketting-aandrijfwiel.

De ketting heeft om veiligheidsredenen geen kettingslot.

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

B00241-01 – – Glijblok controleren op slijtage.

» Wanneer het glijblok ingesleten is.

– Glijblok vervangen.

x Controleren of het glijblok goed vastzit.

» Wanneer het glijblok los zit.

– Glijblok vastzetten.

Voorgeschreven waarde Schroef glijblok Schroef glijblok M5 M6 5 Nm 6 Nm 10.18

Uitgangspositie koppelingshendel instellen

Info

Als de stelschroef met de klok mee wordt gedraaid komt de koppelingshendel verder van het stuur af te staan.

Als de stelschroef tegen de klok in wordt gedraaid komt de koppelingshendel dichter bij het stuur te staan.

Het instelbereik is beperkt.

De stelschroef alleen met de hand draaien en geen geweld gebruiken.

Niet instellen tijdens het rijden.

Loctite ® 243™ 91

SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS

– Uitgangspositie van de koppelingshendel met de stelschroef grootte van de hand.

 aanpassen aan de

92

100116-10 10.19

Vloeistofpeil hydraulische koppeling controleren/corrigeren

Info

Het vloeistofpeil stijgt naarmate de koppelingsplaten zijn versleten.

Geen remvloeistof gebruiken.

– – Het aan het stuur gemonteerde reservoir van de hydraulische koppeling in horizontale positie zetten.

Vloeistofpeil controleren.

Het vloeistofpeil moet tussen de markeringen

MIN

en

MAX

liggen.

» Als het vloeistofpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde: – Schroefdop met membraan verwijderen.

– Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling corrigeren.

Hydraulische olie (15) ( pag. 188)

Schroefdop met membraan monteren.

100194-10

REMMEN

11.1

Uitgangspositie remhendel instellen

– – Remhendel naar voren trekken.

Uitgangspositie van de remhendel met het stelwiel passen.

 aan de grootte van de hand aan-

Info

Niet instellen tijdens het rijden.

93

B00181-10 11.2

Remschijven voorwielrem controleren

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door versleten remschijf/remschijven.

– Versleten remschijf/remschijven meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.) 100135-10 – Op meerdere plekken van de remschijven controleren of de dikte van de remschijven overeenkomt met maat  .

Info

Door slijtage vermindert de dikte van de remschijven in het bereik van het raak vlak  van de remplaketten.

Remschijven - slijtagegrens voor 4 mm » Als de dikte van de remschijf onder de voorgeschreven waarde ligt:

REMMEN

– – Remschijven vervangen.

x Remschijven controleren op beschadiging, scheuren en vervorming.

» Als de remschijven beschadigd, gescheurd of vervormd zijn: – Remschijven vervangen.

x 11.3

Remvloeistofpeil voorwielrem controleren

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Uitvallen van het remsysteem.

– Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering

MIN

dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versle ten remplaketten. Remsysteem controleren, niet meer verder rijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door te oude remvloeistof.

– Remvloeistof van voor- en achterwielrem volgens serviceschema verversen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)

94

– – Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir in horizontale positie zetten.

Remvloeistofpeil van het remvloeistofreservoir  controleren.

» Als het remvloeistofpeil onder de

MIN

– markering is gedaald: Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen.

x ( pag. 95)

700577-10

REMMEN

11.4

Remvloeistof voorwielrem bijvullen

x

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Uitvallen van het remsysteem.

– Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering

MIN

dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versle ten remplaketten. Remsysteem controleren, niet meer verder rijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.) – – –

Waarschuwing Huidirritaties

  Remvloeistof kan bij aanraking leiden tot huidirritaties.

Erop letten dat remvloeistof niet in aanraking komt met de huid of ogen en houd deze buiten bereik van kinderen.

Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.

Als er remvloeistof in de ogen komt, moet u de ogen grondig met water spoelen en meteen een arts raadplegen.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door te oude remvloeistof.

– Remvloeistof van voor- en achterwielrem volgens serviceschema verversen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)

Waarschuwing Gevaar voor het milieu

  Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.

– Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.

95 Info

In geen geval remvloeistof DOT 5 gebruiken! Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Pakkingen en remkabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.

Erop letten dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen. Remvloeistof vreet lak aan!

Alleen schone remvloeistof gebruiken uit een gesloten verpakking!

REMMEN

B00182-10 – – – – – Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir in horizontale positie zetten.

Schroeven verwijderen.

Deksel  met membraan  afnemen.

Remvloeistof tot markering

MAX

vullen.

Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 ( pag. 190)

Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en vastdraaien.

Info

Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met water afwassen.

11.5

Remplaketten voorwielrem controleren

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door versleten remplaketten.

– Versleten remplaketten meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)

Aanwijzing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door beschadigde remschijven.

– Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Daardoor vermindert de remwerking aanmerkelijk en de remschijven beschadigen onherstelbaar. Remplaketten regelmatig controleren.

96

REMMEN

– – Controleren of alle remplaketten aan beide remklauwen de minimale plaketdikte hebben.

 Minimale plaketdikte  ≥ 1 mm » Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte: – Remplaketten van de voorwielrem vervangen.

x Alle remplaketten aan beide remklauwen controleren op beschadiging en scheuren.

» Als er beschadigingen of scheuren te herkennen zijn: – Remplaketten van de voorwielrem vervangen.

x 101190-10 11.6

Remplaketten

De door KTM gemonteerde remplaketten zijn lang getest en garanderen optimale remeigenschappen. De typeaanduidingen van de rempla ketten zijn opgenomen in de homologatiedocumenten.

97 Info

De remplaketten, die in de normale handel voor reserveonderdelen verkrijgbaar zijn, zijn vaak niet voor gebruik met KTM-voertuigen getest en vrijgegeven. De constructie en wrijvingswaarde van de remplaketten en daarmee het remvermogen kunnen sterk afwijken van de originele KTM-remplaketten. Als er remplaketten worden gebruikt die afwijken van de originele uitrusting, kan niet worden gegarandeerd, dat deze voldoen aan de originele vrijgave. Het voertuig komt dan niet meer overeen met de afleveringstoestand en de garantie vervalt.

REMMEN 98

11.7

Uitgangspositie rempedaal instellen

x – – Manchette  naar achteren schuiven.

Moer staat.

 losdraaien en drukstang  draaien totdat het rempedaal in de gewenste positie Voorgeschreven waarde Afstand  < 10 mm – –

Info

De afstand  mag niet worden overschreden!

Het instelbereik is beperkt.

Moer  vastdraaien.

Manchette  positioneren.

101199-10 11.8

Remschijf achterwielrem controleren

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door versleten remschijf/remschijven.

– Versleten remschijf/remschijven meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)

REMMEN

99

Op meerdere plekken van de remschijf controleren of de dikte van de remschijf overeen komt met maat  .

Info

Door slijtage vermindert de dikte van de remschijf in het bereik van het raak vlak  van de remplaketten.

400480-10 – 11.9

Remvloeistofpeil achterwielrem controleren

Remschijf - slijtagegrens achter 4,5 mm » Als de dikte van de remschijf onder de voorgeschreven waarde ligt: – Remschijf vervangen.

x Remschijf controleren op beschadiging, scheuren en vervorming.

» Als de remschijf beschadigd, gescheurd of vervormd is: – Remschijven vervangen.

x

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Uitvallen van het remsysteem.

– Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering

MIN

dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versle ten remplaketten. Remsysteem controleren, niet meer verder rijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door te oude remvloeistof.

– Remvloeistof van voor- en achterwielrem volgens serviceschema verversen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)

REMMEN 100

– – Het voertuig verticaal zetten.

Remvloeistofpeil in het remvloeistofreservoir controleren.

» Als het vloeistofpeil de –

MIN

markering  heeft bereikt: Remvloeistof van de achterwielrem bijvullen.

x

( pag. 100)

B00184-10 11.10

Remvloeistof achterwielrem bijvullen

x

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Uitvallen van het remsysteem.

– Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering

MIN

dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versle ten remplaketten. Remsysteem controleren, niet meer verder rijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.) – – –

Waarschuwing Huidirritaties

  Remvloeistof kan bij aanraking leiden tot huidirritaties.

Erop letten dat remvloeistof niet in aanraking komt met de huid of ogen en houd deze buiten bereik van kinderen.

Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.

Als er remvloeistof in de ogen komt, moet u de ogen grondig met water spoelen en meteen een arts raadplegen.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door te oude remvloeistof.

– Remvloeistof van voor- en achterwielrem volgens serviceschema verversen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)

REMMEN Waarschuwing Gevaar voor het milieu

  Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.

– Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.

101 Info

In geen geval remvloeistof DOT 5 gebruiken! Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Pakkingen en remkabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.

Erop letten dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen. Remvloeistof vreet lak aan!

Alleen schone remvloeistof gebruiken uit een gesloten verpakking!

– – – – Voertuig verticaal zetten.

Schroefdop  met ring en membraan Remvloeistof tot markering

MAX

vullen.

 verwijderen.

Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 ( pag. 190)

Schroefdop met ring en membraan verwijderen.

Info

Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met water afwassen.

B00185-10 11.11

Remplaketten achterwielrem controleren

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door versleten remplaketten.

– Versleten remplaketten meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)

REMMEN 102 Aanwijzing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door beschadigde remschijven.

– Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Daardoor vermindert de remwerking aanmerkelijk en de remschijven beschadigen onherstelbaar. Remplaketten regelmatig controleren.

– – Controleren of de remplaketten de minimale plaketdikte  hebben.

Minimale plaketdikte  ≥ 1 mm » Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte: – Remplaketten van de achterwielrem vervangen.

x Remplaketten controleren op beschadiging en scheuren.

» Als er beschadigingen of scheuren te herkennen zijn: – Remplaketten van de achterwielrem vervangen.

x 101191-10

WIELEN, BANDEN

12.1

Voorwiel uitbouwen

x

103

– –

(Super Duke R)

– Crashpads verwijderen.

Motorfiets met hefbok achteraan opkrikken. (

Motorfiets met hefbok vooraan opkrikken. (

Schroeven hangen.

pag. 77)

pag. 76)

aan beide remklauwen verwijderen.

Remplaketten terugduwen op de remschijf door de remklauw licht naar de zijkant te kantelen. Remklauwen voorzichtig naar achteren van de remschijven trekken en opzij

Info

Remhendel niet gebruiken als de remklauwen verwijderd zijn.

101192-10 101193-10 – – Schroef  en schroeven  losdraaien.

Schroef  ca. 6 slagen eruit schroeven en met de hand op de schroef drukken, om de steekas uit de asopname te schuiven. Schroef  verwijderen.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door beschadigde remschijven.

– Het wiel altijd zo neerleggen, dat de remschijven niet worden beschadigd.

– Voorwiel vasthouden en steekas eruit trekken. Voorwiel uit de voorvork nemen.

WIELEN, BANDEN

12.2

Voorwiel inbouwen

x

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door olie of vet op de remschijven.

– Remschijven beslist olie- en vetvrij houden en indien nodig behandelen met een remmenreiniger.

– – – – – Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.

» Wanneer de wiellager beschadigd of versleten is: – Wiellager vervangen.

x Linker en rechter afstandsbus en de keerringen reinigen, invetten en monteren.

Duurzaam vet ( pag. 191)

Schroef  en steekas  reinigen.

Voorwiel in voorvork tillen, positioneren en steekas erin plaatsen.

De pijl op de spaak wijst in looprichting.

Schroef  monteren en vastdraaien.

Voorgeschreven waarde Schroef steekas voor M25x1,5 45 Nm

104

101194-10

WIELEN, BANDEN

101192-11

105

– – – – – – – – – Remklauwen positioneren en daarbij letten op correcte plaatsing van de remplaketten.

Schroeven  aan beide remklauwen monteren, niet vastdraaien.

Remhendel meerdere keren indrukken tot de remplaketten tegen de remschijf liggen en er een drukpunt aanwezig is. Remhendel ingedrukt vastzetten.

Remklauwen worden uitgelijnd.

Schroeven  aan beide remklauwen vastschroeven.

Voorgeschreven waarde Schroef remklauw voor M10x1,25 45 Nm

Loctite ® 243™

Remhendel weer losmaken.

Motorfiets van hefbok vooraan nemen. (

Motorfiets van hefbok achteraan nemen. (

pag. 76)

pag. 77)

Voorwielrem indrukken en voorvork enkele keren krachtig inveren.

Vorkpoten worden uitgelijnd.

Schroeven  vastdraaien.

Voorgeschreven waarde Schroef asopname M8

(Super Duke R)

– Crashpads monteren.

15 Nm 101195-10 12.3

Achterwiel uitbouwen

x

(Super Duke R)

– Crashpads verwijderen.

Motorfiets met hefbok achteraan opkrikken. ( pag. 77)

WIELEN, BANDEN

– – –

106

Crashpads verwijderen.

Moer  verwijderen. Kettingspanner  afnemen.

Steekas  zover uittrekken, dat de kettingspanner niet meer tegen de stelschroef ligt.

101196-10 B00135-01 – – – Achterwiel zo ver mogelijk naar voren schuiven en ketting van het kettingwiel afnemen.

Steekas uittrekken.

Achterwiel naar achteren trekken tot de remklauwhouder vrij tussen remschijf en velg hangt.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door beschadigde remschijven.

– Het wiel altijd zo neerleggen, dat de remschijven niet worden beschadigd.

– Achterwiel voorzichtig uit de achterbrug nemen zonder de velg en/of remschijf te beschadigen.

Info

Rempedaal niet intrappen als het achterwiel is uitgebouwd.

WIELEN, BANDEN

12.4

Achterwiel inbouwen

x

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door olie of vet op de remschijven.

– Remschijven beslist olie- en vetvrij houden en indien nodig behandelen met een remmenreiniger.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Geen remwerking bij het intrappen van de achterwielrem.

– Na het inbouwen van het achterwiel altijd het rempedaal intrappen totdat er een drukpunt aanwezig is.

101197-10 – – – – – – Achterdempers van de achterwielnaaf controleren.

x Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.

( pag. 108)

» Wanneer de wiellager beschadigd of versleten is: – Wiellager vervangen.

x Bus  verwijderen. Loopvlak van bus en keerring reinigen en invetten.

Duurzaam vet ( pag. 191)

Bus monteren.

Schroefdraad van de steekas en moer reinigen en invetten.

Duurzaam vet ( pag. 191)

Aangrijppunten aan de remklauwhouder en achterbrug reinigen.

107

WIELEN, BANDEN

101198-10 – –

108

Steunlagers van remklauwhouder de steekas monteren.

 en achterbrug laten ingrijpen. Achterwiel voorzich tig in de achterbrug tillen en remschijf bevestigen. Ketting op het kettingwiel leggen en Kettingspanner  en moer  monteren.

Info

Kettingspanner links en rechts in dezelfde positie monteren.

– Het achterwiel naar voren duwen, zodat de kettingspanners tegen de spanschroeven liggen en moer vastdraaien.

Voorgeschreven waarde De markeringen op de kettingspanners moeten links en rechts in dezelfde positie ten opzichte van de referentiemarkering lijnd.

 staan, zodat het achterwiel correct is uitge Moer steekas achter M25x1,5 90 Nm Schroefdraad inge vet – – – Rempedaal meerdere keren indrukken tot de remplaketten tegen de remschijf liggen en er een drukpunt aanwezig is.

Motorfiets van hefbok achteraan nemen. (

Kettingspanning controleren. (

(Super Duke R)

– Crashpads monteren.

pag. 86)

pag. 77)

12.5

Achterdempers achterwielnaaf controleren

x

Info

De kracht van de motor wordt door het kettingwiel met 5 achterdempers overgebracht op het achterwiel. Deze slijten tijdens het rijden. Als de achterdempers niet op tijd worden vervangen, beschadigen de kettingwielhouder en de achterwielnaaf.

WIELEN, BANDEN

700274-01

109

– – – – Achterwiel uitbouwen.

x Kettingwieldrager afnemen.

( pag. 105)

Achterdempers van de achterwielnaaf controleren op beschadiging en slijtage.

» Als de achterdempers van de achterwielnaaf zijn beschadigd of versleten: – Achterdemper vervangen.

x Kettingwieldrager positioneren.

Info

Een zoveel mogelijk spelingsvrij paar bout-achterdemper verhoogt de levensduur van de achterdempers.

– Achterwiel inbouwen.

x ( pag. 107)

12.6

Toestand banden controleren

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Oncontroleerbaar rijgedrag door klappen van een band.

– Beschadigde of versleten banden voor uw eigen veiligheid meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)

Waarschuwing Gevaar voor vallen

  Beperking van het rijgedrag door verschillende bandprofielen aan voor- en achterwiel.

– Voor- en achterwiel moeten altijd zijn uitgerust met banden met een gelijksoortig profiel, anders kan de motor oncontroleerbaar worden.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Ongecontroleerd rijgedrag door niet vrijgegeven en/of aanbevolen banden/wielen.

– Alleen door KTM vrijgegeven en/of aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex gebruiken.

WIELEN, BANDEN 110 Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde wegligging bij nieuwe banden.

– Nieuwe banden hebben een glad contactvlak, waardoor het wegcontact niet volledig is. Het volledige contactvlak moet de eerste 200 kilometers bij een gematigde rijstijl en in verschillende schuine standen worden geruwd. Pas nadat de banden zijn ingere den wordt de volledige wegligging bereikt.

Info

Het type, de toestand en de spanning van de banden zijn van invloed op het rijgedrag van de motorfiets.

Versleten banden hebben vooral bij natte ondergrond een slechte invloed op het rijgedrag.

400602-10 – – De voor- en achterbanden controleren op insnijdingen, voorwerpen die tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten en andere beschadigingen.

» Als er insnijdingen, voorwerpen die tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten en andere beschadigingen aan de banden te zien zijn: – Banden wisselen.

Profieldiepte controleren.

Info

De minimale profieldiepte volgens de nationale wetgeving in acht nemen.

– Minimale profieldiepte ≥ 2 mm » Als de minimale profieldiepte lager is dan de minimale waarde: – Banden wisselen.

Leeftijd van de banden controleren.

WIELEN, BANDEN 111 Info

De productiedatum van de banden staat meestal op het opschrift van de banden en wordt met de laatste vier cijfers van de jaar van productie.

DOT

aanduiding gekenmerkt. De eer ste twee cijfers wijzen op de week van productie en de laatste twee cijfers op het KTM adviseert de banden te wisselen, onafhankelijk van de daadwerkelijke slij tage van de banden, uiterlijk echter na 5 jaar.

» Als de band ouder is dan vijf jaar: – Banden vervangen.

12.7

Bandenspanning controleren

Info

Een te lage bandenspanning leidt tot buitengewone slijtage en oververhitting van de band.

Een goede bandenspanning garandeert een optimaal rijcomfort en maximale levensduur van de band.

400695-01 – – Ventieldopje verwijderen.

Bandenspanning controleren bij koude banden.

Bandenspanning Solo voor achter 2,4 bar 2,4 bar Bandenspanning met bijrijder / volledige nuttige belasting voor achter 2,4 bar 2,6 bar » Als de bandenspanning niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:

WIELEN, BANDEN

112

– Bandenspanning corrigeren.

Ventieldopje monteren.

Info

De rubberpakking in het ventieldopje voorkomt het uitstromen van lucht uit de band als het ventiel defect is.

ELEKTRONICA 113

13.1

Accu uitbouwen

x – – – – –

Waarschuwing Gevaar voor letsel

  Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.

Houd accu's buiten bereik van kinderen.

Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.

Voorkom contact met accuzuur en accugassen.

Houd vonken of open vuur uit de buurt van de accu. Laad de accu alleen in goed geventileerde ruimtes.

Bij aanraking met de huid met veel water spoelen. Als er accuzuur in de ogen komt, ten minste 15 minuten met water spoelen en een arts opzoeken.

Voorzichtig Gevaar voor ongevallen

  Als de motorfiets met een lege of zonder accu wordt gebruikt, kunnen elektronische componenten en vei ligheidsvoorzieningen worden beschadigd.

– Motorfiets nooit met een lege of zonder accu gebruiken.

– – – – – – – Alle verbruikers uitschakelen en motor uitzetten.

Bugspoiler demonteren. ( pag. 81)

Kabelbinder verwijderen.

Stekker van startrelais verwijderen.

Kabelboom opzij duwen.

Schroeven  verwijderen.

Afdekking  omlaag klappen.

B00191-10

ELEKTRONICA

13.2

Accu inbouwen

x B00192-10 – – –

114

Minkabel  van de accu losklemmen.

Pluskabel  van de accu losklemmen.

Accu  uit het accuvak nemen.

Info

Motorfiets nooit met een lege of zonder accu gebruiken. In beide gevallen kun nen elektrische componenten en veiligheidsvoorzieningen worden beschadigd.

Het voertuig is daarom niet meer verkeersveilig.

– – – Accu in accuvak positioneren.

Pluskabel  klemmen.

Minkabel  klemmen.

B00192-11

ELEKTRONICA 115

– – – – – – Afdekking  omhoog zwenken.

Schroeven  monteren en vastdraaien.

Stekker op startrelais steken.

Kabelboom positioneren en met kabelbinder vastzetten.

Bugspoiler monteren. (

Tijd instellen. (

pag. 81)

pag. 29)

B00191-11 13.3

Accu laden

x – – – – –

Waarschuwing Gevaar voor letsel

  Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.

Houd accu's buiten bereik van kinderen.

Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.

Voorkom contact met accuzuur en accugassen.

Houd vonken of open vuur uit de buurt van de accu. Laad de accu alleen in goed geventileerde ruimtes.

Bij aanraking met de huid met veel water spoelen. Als er accuzuur in de ogen komt, ten minste 15 minuten met water spoelen en een arts opzoeken.

Waarschuwing Gevaar voor het milieu

  Componenten en zuren van de accu zijn schadelijk voor het milieu.

– Accu's nooit bij het huisvuil gooien. Voer een defecte accu op milieuvriendelijke wijze af. Geef de accu af bij uw KTM-dealer of bij een inzamelpunt voor oude accu's.

ELEKTRONICA Waarschuwing Gevaar voor het milieu

  Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.

– Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.

116 Info

Ook als de accu niet wordt belast verliest hij dagelijks aan lading.

De laadtoestand en de wijze van laden is erg belangrijk voor de levensduur van de accu.

Snel laden met een hogere laadstroom heeft een negatief effect op de levensduur.

Als de laadstroom, laadspanning en laadtijd worden overschreden ontsnapt er elektrolyt via de veiligheidskleppen. Daardoor verliest de accu aan capaciteit.

Als de accu leeg is gestart moet hij meteen weer worden geladen.

Bij langere stilstand in lege toestand treedt er diepteontlading en sulftatie op en dat kan leiden tot vernietiging van de accu.

De accu is onderhoudsvrij, dat betekent dat het zuurniveau niet hoeft te worden gecontroleerd.

– – Alle verbruikers uitschakelen en motor uitzetten.

Accu uitbouwen.

x ( pag. 113)

ELEKTRONICA

– – –

117

Acculader op de accu klemmen. Acculader inschakelen.

Acculader (58429074000) Met deze acculader kunt u ook de rustspanning en het startvermogen van de accu en dynamo testen. Bovendien kan met deze lader de accu niet worden overladen.

Info

Verwijder nooit het deksel  .

Accu laden met maximaal 10% van de capaciteit, dat op het accuhuis gegeven.

 is aan Acculader na het laden uitschakelen.

Voorgeschreven waarde Laadstroom, laadspanning en laadtijd mogen niet worden overschreden.

Accu regelmatig bijladen als de motor fiets niet wordt gebruikt 3 maanden Accu inbouwen.

x

( pag. 114)

700588-01 13.4

Hoofdzekering vervangen

Waarschuwing Gevaar voor brand

  Door het gebruik van verkeerde zekeringen kan het elektrisch systeem overbelast raken.

– Alleen zekeringen gebruiken met het voorgeschreven aantal ampères. Zekeringen nooit overbruggen of repareren.

ELEKTRONICA 118 Info

Met de hoofdzekering worden alle stroomverbruikers van het voertuig beveiligd. De hoofdzekering bevindt zich naast de accu onder de bugspoiler.

– – – – – Alle verbruikers uitschakelen en motor uitzetten.

Bugspoiler demonteren. ( pag. 81)

Stekker en beschermkap  verwijderen.

Defecte hoofdzekering  verwijderen.

Info

Een defecte zekering herkent u aan de gebroken smeltdraad In het startrelais bevindt zich een reservezekering  .

 .

Nieuwe hoofdzekering inzetten.

Zekering (58011109130) ( pag. 176)

– – –

Tip

Nieuwe reservezekering in het startrelais plaatsen, zodat u er een bij u hebt als het nodig is.

Beschermkap  en stekker monteren.

Bugspoiler monteren. (

Tijd instellen. (

pag. 81)

pag. 29)

B00194-10

ELEKTRONICA

13.5

Zekeringen afzonderlijke stroomverbruikers vervangen

Waarschuwing Gevaar voor brand

  Door het gebruik van verkeerde zekeringen kan het elektrisch systeem overbelast raken.

– Alleen zekeringen gebruiken met het voorgeschreven aantal ampères. Zekeringen nooit overbruggen of repareren.

Info

Het zekeringenblok met de zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers bevindt zich onder het zadel.

– – – Alle verbruikers uitschakelen en motor uitzetten.

Zadel afnemen. ( pag. 82)

Deksel van het zekeringenblok  openen.

119

B00195-10

ELEKTRONICA

B00196-10

120

– Zekeringen controleren.

Info

Een defecte zekering herkent u aan de gebroken smeltdraad  .

– – Defecte zekering verwijderen.

Voorgeschreven waarde Borging

1

- 10 A - ontsteking Zekering

2

- 15 A - groot licht, dimlicht, zijlicht, achterlicht, nummerplaatverlichting Zekering

3

- 10 A - claxon, remlicht, richtingaanwijzer Zekering

4

- 10 A - radiateurventilator Zekering

5

- 10 A - brandstofpomp Zekering

6

- 10 A - hoofdrelais, gecombineerd instrument Zekering

7

- 10 A - klok Zekering

8

- 10 A - voor extra apparatuur (continu plus) Zekering

9

- 10 A - voor extra apparatuur (met contactschakelaar geschakelde plus) Zekering

10

- geen functie Zekering

SPARE

- 10 A/15 A - reservezekeringen Voldoende sterke reservezekering plaatsen.

Zekering (75011088010) ( Zekering (75011088015) ( pag. 176) pag. 176)

Tip

Nieuwe reservezekering plaatsen, zodat u er een bij u hebt als het nodig is.

– – Deksel van zekeringenblok sluiten.

Zadel monteren. ( pag. 83)

ELEKTRONICA 121

13.6

Dimlichtlamp vervangen

Aanwijzing Beschadiging van de reflector

  Verminderde werking van de verlichting.

– Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.

– – Alle verbruikers uitschakelen en motor uitzetten.

Schroeven  verwijderen.

B00198-10 – – Spatbord met een doek afdekken.

Koplampkap naar voren zwenken.

B00199-01

ELEKTRONICA

– – Rubberkap  verwijderen.

Stekkerverbinding  verbreken.

B00200-10 B00201-10 – – – Veerbeugel  losmaken.

Lamp van koplamp  verwijderen.

Nieuwe lamp in het koplamphuis positioneren.

Dimlicht (H7 / sokkel PX26d) ( pag. 177)

Info

Lamp van de koplamp zo plaatsen, dat de uitsteeksels in de groeven grijpen.

– – – Veerbeugel positioneren.

Stekkerverbinding  insteken.

Rubberkap  monteren.

B00200-10

122

ELEKTRONICA

– – Koplampkap positioneren. Schroeven  monteren en vastdraaien.

Voorgeschreven waarde Overige schroeven chassis M6 10 Nm Werking van de lampen controleren.

123

B00198-10 13.7

Lamp voor groot licht vervangen

Aanwijzing Beschadiging van de reflector

  Verminderde werking van de verlichting.

– Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.

– – Alle verbruikers uitschakelen en motor uitzetten.

Schroeven  verwijderen.

B00198-10

ELEKTRONICA

– – Spatbord met een doek afdekken.

Koplampkap naar voren zwenken.

B00199-01 – – Rubberkap  verwijderen.

Stekkerverbinding  verbreken.

B00203-10 – – – Veerbeugel  losmaken.

Lamp van koplamp  verwijderen.

Nieuwe lamp in het koplamphuis positioneren.

Groot licht (H3 / sokkel PX22s) ( pag. 177)

Info

Lamp van de koplamp zo plaatsen, dat de uitsteeksels in de groeven grijpen.

B00204-10

124

ELEKTRONICA 125

– – – Veerbeugel positioneren.

Stekkerverbinding  insteken.

Rubberkap  monteren.

B00203-10 – – Koplampkap positioneren. Schroeven  monteren en vastdraaien.

Voorgeschreven waarde Overige schroeven chassis M6 10 Nm Werking van de lampen controleren.

B00198-10 13.8

Zijlichtlamp vervangen

Aanwijzing Beschadiging van de reflector

  Verminderde werking van de verlichting.

– Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.

ELEKTRONICA

– – Alle verbruikers uitschakelen en motor uitzetten.

Schroef  verwijderen.

B00206-10 – – – – – Spoiler van de koplampkap licht naar de zijkant duwen.

Lampfitting  eruit trekken.

Lamp  verwijderen.

Nieuwe lamp in de fitting positioneren.

Zijlicht (W5W / sokkel W2,1x9,5d) ( pag. 177)

Fitting met lamp voorzichtig in de houder in de koplamp positioneren.

B00207-10

126

ELEKTRONICA 127

– – Schroef  monteren en vastdraaien.

Werking van de lampen controleren.

B00206-10 13.9

Knipperlichtlamp vervangen

Aanwijzing Beschadiging van de reflector

  Verminderde werking van de verlichting.

– Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.

B00208-10 – – – – – – – Schroef aan achterzijde van het knipperlichthuis verwijderen.

Diffusorplaat  voorzichtig afnemen.

Lamp  trekken.

zacht tegen de fitting duwen, ca. 30° tegen de klok in draaien en uit de fitting Nieuwe lamp zachtjes in de fitting duwen en met de klok mee draaien tot de aanslag.

Richtingaanwijzer (RY10W / sokkel BAU15s) ( pag. 177)

Richtingaanwijzer controleren op goede werking.

Diffusorplaat positioneren.

Schroef inzetten en eerst tegen de klok in draaien, tot de schroef met een kleine ruk vastklikt in schroefgang. Schroef licht vastdraaien.

ELEKTRONICA 128

13.10

Remlichtlamp vervangen (Super Duke)

Aanwijzing Beschadiging van de reflector

  Verminderde werking van de verlichting.

– Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.

– –

Zadel afnemen. ( pag. 82)

Lampfitting  tot de aanslag tegen de klok in draaien en uit het achterlicht nemen.

B00209-10 – – – – – Lamp ken.

 zacht tegen de fitting duwen, tegen de klok in draaien en uit de fitting trek Nieuwe lamp zachtjes in de fitting duwen en met de klok mee draaien tot de aanslag.

Remlicht (PR21W / sokkel BAW15s) ( pag. 177)

Lampfitting in het achterlicht steken en met de klok mee draaien tot de aanslag.

Zadel monteren. ( pag. 83)

De werking van het remlichtsysteem controleren.

B00211-10

ELEKTRONICA 129

13.11

Achterlichtlampen vervangen (Super Duke)

Aanwijzing Beschadiging van de reflector

  Verminderde werking van de verlichting.

– Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.

– –

Zadel afnemen. ( pag. 82)

Lampfitting  voorzichtig uit de houder trekken.

B00209-11 – – – – – Lamp  verwijderen.

Nieuwe lamp in de fitting positioneren.

Achterlicht (WR5W / sokkel W2,1x9,5d) ( pag. 177)

Fitting met lampen voorzichtig in de houder in het achterlicht positioneren.

Zadel monteren. ( pag. 83)

De werking van de achterlichten controleren.

B00210-10

ELEKTRONICA

13.12

Nummerplaatverlichting vervangen

(Super Duke)

– Schroeven  verwijderen.

B00212-10 – – – – Fitting  voorzichtig uit de houder trekken.

Lamp verwijderen.

Nieuwe lamp in de fitting positioneren.

Nummerplaatverlichting (W5W / sokkel W2,1x9,5d) (

Fitting met lamp voorzichtig in de houder positioneren.

pag. 177)

B00213-10

130

ELEKTRONICA

– – Nummerplaathouder positioneren.

Schroeven  monteren en vastdraaien.

B00212-10

(Super Duke R)

– Schroef  verwijderen.

B00214-10 – Fitting  voorzichtig uit de nummerplaatverlichting trekken.

131

B00215-10

ELEKTRONICA

– – – Lamp  verwijderen.

Nieuwe lamp in de fitting positioneren.

Nummerplaatverlichting (W5W / sokkel W2,1x9,5d) ( pag. 177)

Fitting met lamp voorzichtig in de nummerplaatverlichting positioneren.

132

B00216-10 – – Schroef  monteren en vastdraaien.

De werking van de nummerplaatverlichting controleren.

B00214-10

ELEKTRONICA

13.13

Stand koplamp controleren

133

400726-10 – – – – – Voertuig op een horizontale ondergrond voor een lichte muur zetten en in de hoogte van het midden van de koplamp een markering aanbrengen.

Nog een markering aanbrengen op een afstand  onder de eerste markering.

Voorgeschreven waarde Afstand  5 cm Voertuig op afstand  loodrecht voor de muur zetten en het dimlicht inschakelen.

Voorgeschreven waarde Afstand  5 m Nu gaat de bestuurder, eventueel met bagage en bijrijder op de motorfiets zitten.

Stand van de koplamp controleren.

De grens tussen licht en donker moet bij een gebruiksklare motorfiets met bestuur der, eventueel met bagage en bijrijder, precies op de onderste markering liggen.

» Als deze grens tussen licht en donker niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde: –

Lichtbundelbreedte van de koplamp instellen. ( pag. 133)

13.14

Lichtbundelbreedte koplamp instellen

Stand van de koplamp controleren. ( pag. 133)

ELEKTRONICA

B00217-10 –

134

Door schroef  te draaien de lichtbundelbreedte van de koplamp instellen.

Voorgeschreven waarde De grens tussen licht en donker moet bij de rijklare motorfiets met bestuurder, even tueel met bagage en bijrijder, precies op de onderste markering liggen (aangebracht bij: koplampinstelling controleren).

Info

Draaien met de klok mee verbreedt de lichtbundel en draaien tegen de klok in versmalt de lichtbundel.

KOELSYSTEEM

14.1

Koelsysteem

135

Door de waterpomp  in de motor is er een gedwongen circulatie van het koelmiddel.

De druk die bij verwarming in het koelsysteem ontstaat wordt geregeld door een klep in de radiateurdop. Daardoor is de aangegeven koelmiddeltemperatuur toegestaan zonder dat er met functiestoringen rekening moet worden gehouden.

125 °C B00222-11 Koeling vindt plaats door de rijwind en een radiateurventilator die door een thermoschake laar wordt aangestuurd.

Hoe lager de snelheid, hoe lager de koelwerking. Ook vervuilde radiateurribben verlagen de koelwerking.

Door de uitzetting van de warmte stroomt het overtollige koelmiddel naar het vaste reser voir  teem.

. Als de temperatuur daalt wordt dit koelmiddel weer teruggezogen in het koelsys B00242-01 14.2

Antivries en koelmiddelpeil controleren

Waarschuwing Gevaar voor brandwonden

  Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.

– Radiateur, radiateurslangen en de overige componenten van het koelsysteem niet openen bij een warme motor. Motor en koel systeem laten afkoelen. Verbrande huid meteen onder lauw water houden.

2

KOELSYSTEEM 136 Waarschuwing Gevaar voor vergiftiging

  Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.

– Erop letten dat koelmiddel niet in aanraking komt met huid, ogen of kleding. Bij contact met de ogen meteen met water spoe len en een arts raadplegen. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep. Als koelmiddel is ingeslikt meteen een arts raadplegen. Kleding die met koelmiddel in aanraking is gekomen uittrekken. Houd koelmiddel buiten bereik van kinderen.

B00221-11

Voorwaarden

Motor is koud.

– Motorfiets verticaal zetten op een horizontale ondergrond.

Spoiler demonteren. ( pag. 78)

Info

Enkel de rechterkant demonteren.

– – – Radiateurdop  en dop  van het vaste reservoir verwijderen.

Antivries van het koelmiddel controleren.

− 25… − 45 °C » Als de antivries van het koelmiddel niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde: – Antivries van het koelmiddel corrigeren.

Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren.

Het koelmiddelpeil moet tussen

min

en

max

liggen.

» Als het koelmiddelpeil in het vaste reservoir niet met de voorgeschreven waarde overeenkomt, maar nog niet leeg is: – Koelmiddel tot de bovenste markering vullen.

Alternatief 1

Koelmiddel ( pag. 188)

KOELSYSTEEM

B00220-10 – – – –

Alternatief 2

Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd) ( pag. 188)

» Als er zich geen koelmiddel in het vaste reservoir bevindt: – Koelsysteem controleren op lekkage.

x

Info

Niet met de motorfiets rijden!

– Dop  Koelsysteem vullen/ontluchten.

op het vaste reservoir monteren.

x (

Koelmiddelpeil in de radiateur controleren.

De radiateur moet volledig gevuld zijn.

pag. 140)

» Als het koelmiddelpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde: – Koelmiddelpeil corrigeren en oorzaak van het verlies vaststellen.

Alternatief 1

Koelmiddel ( pag. 188)

Alternatief 2

Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd) ( pag. 188)

» Als meer koelmiddel moet worden bijgevuld dan de voorgeschreven waarde: > 0,50 l – Koelsysteem vullen/ontluchten.

x ( pag. 140)

Radiateurdop  monteren.

Spoiler monteren. ( pag. 79)

137

KOELSYSTEEM 138

14.3

Koelmiddelpeil in vast reservoir controleren

Waarschuwing Gevaar voor brandwonden

  Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.

– Radiateur, radiateurslangen en de overige componenten van het koelsysteem niet openen bij een warme motor. Motor en koel systeem laten afkoelen. Verbrande huid meteen onder lauw water houden.

Waarschuwing Gevaar voor vergiftiging

  Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.

– Erop letten dat koelmiddel niet in aanraking komt met huid, ogen of kleding. Bij contact met de ogen meteen met water spoe len en een arts raadplegen. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep. Als koelmiddel is ingeslikt meteen een arts raadplegen. Kleding die met koelmiddel in aanraking is gekomen uittrekken. Houd koelmiddel buiten bereik van kinderen.

B00219-10

Voorwaarden

Motor is koud.

Radiateur is volledig gevuld.

– Motorfiets op een horizontale ondergrond zetten.

– Koelmiddelpeil in het vaste reservoir  controleren.

Het koelmiddelpeil moet tussen

min

en

max

liggen.

» Als het koelmiddelpeil in het vaste reservoir niet met de voorgeschreven waarde overeenkomt, maar nog niet leeg is: –

Spoiler demonteren. ( pag. 78)

Info

Enkel de rechterkant demonteren.

– Dop van het vaste reservoir verwijderen.

KOELSYSTEEM

– Koelmiddel tot de

max

markering vullen.

Alternatief 1

Koelmiddel ( pag. 188)

Alternatief 2

Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd) ( pag. 188)

– – Dop op het vaste reservoir monteren.

Spoiler monteren. ( pag. 79)

» Als er zich geen koelmiddel in het vaste reservoir bevindt: – Koelsysteem controleren op lekkage.

x

Info

Niet met de motorfiets rijden!

– Koelsysteem vullen/ontluchten.

x ( pag. 140)

14.4

Koelmiddel aftappen

x

Waarschuwing Gevaar voor brandwonden

  Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.

– Radiateur, radiateurslangen en de overige componenten van het koelsysteem niet openen bij een warme motor. Motor en koel systeem laten afkoelen. Verbrande huid meteen onder lauw water houden.

Waarschuwing Gevaar voor vergiftiging

  Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.

– Erop letten dat koelmiddel niet in aanraking komt met huid, ogen of kleding. Bij contact met de ogen meteen met water spoe len en een arts raadplegen. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep. Als koelmiddel is ingeslikt meteen een arts raadplegen. Kleding die met koelmiddel in aanraking is gekomen uittrekken. Houd koelmiddel buiten bereik van kinderen.

139

KOELSYSTEEM

– Radiateurdop  afnemen.

B00221-10 – – – – – Geschikte bak onder de motor klaarzetten.

Schroef  verwijderen.

Voertuig licht naar rechts kantelen.

Koelmiddel volledig laten uitlopen.

Schroef  met nieuwe keerring monteren en vastdraaien.

Voorgeschreven waarde Schroef waterpompdeksel M6 10 Nm B00222-10 14.5

Koelsysteem vullen/ontluchten

x

Waarschuwing Gevaar voor vergiftiging

  Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.

– Erop letten dat koelmiddel niet in aanraking komt met huid, ogen of kleding. Bij contact met de ogen meteen met water spoe len en een arts raadplegen. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep. Als koelmiddel is ingeslikt meteen een arts raadplegen. Kleding die met koelmiddel in aanraking is gekomen uittrekken. Houd koelmiddel buiten bereik van kinderen.

140

KOELSYSTEEM

– – –

Spoiler demonteren. ( pag. 78)

Erop letten, dat de aftapplug aan het waterpompdeksel is vastgedraaid.

Ontluchtingsschroef  verwijderen.

141

B00223-10 A 0 0 A 400677-10 – Voertuig in de afgebeelde positie zetten en beveiligen tegen wegrollen. Er moet een hoogteverschil van  worden bereikt.

Voorgeschreven waarde Hoogteverschil  50 cm

Info

Om alle lucht uit het koelsysteem te laten ontsnappen moet het voertuig vooraan iets worden opgetild. Een slecht ontlucht koelsysteem heeft een lager koelvermo gen waardoor de motor oververhit kan raken.

KOELSYSTEEM

B00223-10 – – – – – – – – –

142

Radiateurdop afnemen en koelmiddel vullen totdat deze zonder luchtbellen uit de ontluchtingsopening stroomt en meteen de ontluchtingsschroef vastdraaien.

 monteren en Voorgeschreven waarde Overige schroeven chassis M6 10 Nm

Alternatief 1

Koelmiddel ( pag. 188)

Alternatief 2

Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd) ( pag. 188)

Radiateur volledig vullen met koelmiddel. Radiateurdop monteren.

Voertuig op zijstandaard zetten.

Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren. ( pag. 138)

Gevaar Gevaar voor vergiftiging

  Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.

– Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen, de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten draaien zonder een geschikte afzuiginstallatie.

Motor starten en laten warmlopen totdat de rijtemperatuur is bereikt.

6 balkjes van de temperatuurindicator branden.

Motor uitzetten en laten afkoelen.

Na het afkoelen nog een keer het koelmiddelpeil in de radiateur controleren en indien nodig koelmiddel bijvullen.

Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren. (

Spoiler monteren. ( pag. 79)

pag. 138)

MOTOR AFSTELLEN

15.1

Speling gaskabel controleren

143

400192-10 – – Stuur in rechtuitstand zetten. Gashendel licht heen en weer bewegen en de speling van de gaskabel bepalen.

Speling gaskabel 3… 5 mm » Als de speling van de gaskabel niet met de voorgeschreven waarde overeenkomt: – Speling gaskabel instellen.

x ( pag. 144)

Gevaar Gevaar voor vergiftiging

–   Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.

Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen, de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten draaien zonder een geschikte afzuiginstallatie.

Motor starten en stationair laten draaien. Stuur over het gehele stuurbereik heen en weer bewegen.

Het stationaire toerental mag daarbij niet veranderen.

» Als het stationair toerental verandert: – Speling gaskabel instellen.

x ( pag. 144)

MOTOR AFSTELLEN

15.2

Speling gaskabel instellen

x 700608-01 – – – – – Stuur in rechtuitstand zetten.

Regelklepsteller met KTM-diagnosetool in de uitgangspositie zetten.

Contramoer  losdraaien.

Speling gaskabel met de stelschroef Voorgeschreven waarde  instellen.

Speling gaskabel 3… 5 mm Contramoer  vastdraaien.

144

MOTOR AFSTELLEN

15.3

Uitgangspositie versnellingshendel instellen

– x Moeren  losdraaien en schakelstang gewenste positie staat.

 Voorgeschreven waarde draaien totdat het versnellingshendel in de Afstand  < 70 mm

145

Info

De afstand  mag niet worden overschreden!

Het instelbereik is beperkt.

Moeren  vastdraaien.

De scharniereinden  staan na het vastdraaien van de moeren in het midden en zijn identiek op elkaar uitgelijnd. De lagerschalen kunnen vrij bewegen.

101200-10

SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR

16.1

Motoroliepeil controleren

B00224-10

146

– – –

Gevaar Gevaar voor vergiftiging

  Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.

– Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen, de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten draaien zonder een geschikte afzuiginstallatie.

Motor starten en laten warmlopen totdat de rijtemperatuur is bereikt.

6 balkjes van de temperatuurindicator branden.

Motor uitzetten.

Motorfiets op een horizontaal oppervlak verticaal neerzetten (niet op de zijstandaard).

Info

Na het uitzetten van de motor eerst een minuut wachten en dan pas controleren.

– Motoroliepeil op de oliestijgbuis  controleren.

Het motoroliepeil moet tussen de markeringen

min

en

max

liggen.

» Als het motoroliepeil niet in het aangegeven bereik ligt: –

Motorolie bijvullen. ( pag. 153)

SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR

16.2

Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen

– – Motorolie aftappen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.

Motorolie vullen.

x (

x

pag. 151)

x ( pag. 147)

147

B00119-01 16.3

Motorolie aftappen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen

x

Waarschuwing Gevaar voor brandwonden

  Tijdens het rijden worden de motor- en transmissieolie in de motorfiets zeer heet.

– Geschikte beschermende kleding en een veiligheidshandschoenen dragen. Verbrande huid meteen onder lauw water houden.

Waarschuwing Gevaar voor het milieu

  Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.

– Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.

Info

De motorolie moet worden afgetapt als de motor warm is.

Bugspoiler demonteren. ( pag. 81)

SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR

– – – Geschikte bak onder de motor klaarzetten.

Olieaftapschroef  met magneet en pakking verwijderen.

Motorolie volledig uit de motor laten stromen.

B00225-10 – – Schroeven  verwijderen en deksel  verwijderen.

Oliezeef met een tang uit het motorhuis trekken.

B00226-10 – – – – Geschikte bak onder de motor klaarzetten.

Olieaftapschroef  verwijderen.

Motorolie volledig uit de olietank laten stromen.

Schroeven  verwijderen en olieleiding  opzij zwenken.

B00227-10

148

SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR

– Oliezeef  uit de olietank trekken.

B00228-10 – – – – – Schroeven  verwijderen. Oliefilterdeksel  met keerring verwijderen.

Oliefilter  uit het oliefilterhuis trekken.

Seegerringtang verkeerd (51012011000) Motorolie volledig laten uitlopen.

Alle oliezeven en olieaftapschroeven met magneet grondig reinigen.

Alle afdichtvlakken reinigen.

B00229-10 – – – Nieuw oliefilter plaatsen.

Keerring van het oliefilterdeksel insmeren met olie.

Oliefilterdeksel  monteren. Schroeven monteren en vastdraaien.

Voorgeschreven waarde Overige schroeven motor M5 6 Nm B00230-10

149

SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR

– – Pakking  van de oliezeef controleren op beschadigingen en goed vastzitten.

Oliezeef  in de olietank steken.

150

B00231-10 – – Olieleiding  positioneren. Schroeven Voorgeschreven waarde  monteren en vastdraaien.

Overige schroeven motor M6 10 Nm Olieaftapschroef  met magneet en nieuwe pakking monteren en vastdraaien.

Voorgeschreven waarde Olieaftapschroef met magneet M12x1,5 25 Nm B00227-10 – Olieaftapschroef  met magneet en nieuwe pakking monteren en vastdraaien.

Voorgeschreven waarde Olieaftapschroef met magneet M22x1,5 35 Nm B00225-10

SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR

– – – – Oliezeef met de markering

TOP

naar boven in het motorhuis schuiven.

Vormring in deksel  controleren op beschadigingen en correct vastzitten.

Deksel positioneren. Schroeven monteren en vastdraaien.

Voorgeschreven waarde Schroef koppelingsdeksel M6 10 Nm

Bugspoiler monteren. ( pag. 81)

B00226-11 16.4

Motorolie vullen

x

Info

Te weinig motorolie of olie van onvoldoende kwaliteit leidt tot voortijdige slijtage van de motor.

Spoiler demonteren. ( pag. 78)

Info

Enkel de rechterkant demonteren.

151

SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR

B00232-10 – – – De hoeveelheid olie moet in twee stappen worden gevuld.

Motorolie 3,0 l Buitentemperatuur: ≥ 0 °C Buitentemperatuur: < 0 °C Motorolie (SAE 10W/50)

( pag. 189)

Motorolie (SAE 5W/40)

( pag. 189)

Schroefdop  verwijderen en motorolie vullen.

Motorolie (1e deel hoeveelheid) ca.

2,50 l Buitentemperatuur: ≥ 0 °C Buitentemperatuur: < 0 °C Motorolie (SAE 10W/50)

( pag. 189)

Motorolie (SAE 5W/40)

( pag. 189)

Afsluitschroef monteren.

152

– – – –

Gevaar Gevaar voor vergiftiging

  Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.

– Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen, de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten draaien zonder een geschikte afzuiginstallatie.

Motor starten en laten warmlopen totdat de rijtemperatuur is bereikt.

6 balkjes van de temperatuurindicator branden.

Smeersysteem controleren op lekkage.

Motor uitzetten.

Motorfiets op een horizontaal oppervlak verticaal neerzetten (niet op de zijstandaard).

SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR

– – Afsluitschroef verwijderen.

Motorolie tot de markering

max

van de oliestijgbuis  vullen.

Motorolie (2e deel hoeveelheid) ca.

0,50 l Buitentemperatuur: ≥ 0 °C Buitentemperatuur: < 0 °C Motorolie (SAE 10W/50)

( pag. 189)

Motorolie (SAE 5W/40)

( pag. 189)

B00224-11 – – Afsluitschroef monteren.

Spoiler monteren. ( pag. 79)

153

16.5

Motorolie bijvullen

Info

Te weinig motorolie of olie van onvoldoende kwaliteit leidt tot voortijdige slijtage van de motor.

Het motoroliepeil moet bij een warme motor worden gecorrigeerd.

Spoiler demonteren. ( pag. 78)

Info

Enkel de rechterkant demonteren.

SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR

– – Schroefdop  verwijderen.

Motorolie tot de markering

max Voorwaarden

Buitentemperatuur: ≥ 0 °C van de oliestijgbuis  vullen.

Motorolie (SAE 10W/50) (

Voorwaarden

Buitentemperatuur: < 0 °C

Motorolie (SAE 5W/40) ( pag. 189) pag. 189)

B00233-10

Info

Voor een optimale prestatie van de motorolie wordt aangeraden geen verschil lende motoroliesoorten te mengen.

We raden aan indien nodig de motorolie te verversen.

– – Afsluitschroef monteren.

Spoiler monteren. ( pag. 79)

154

REINIGING, ONDERHOUD

17.1

Motorfiets reinigen

Aanwijzing Materiële schade

  Beschadiging en vernietiging van componenten door hogedrukreiniger.

– Het voertuig nooit met een hogedrukreiniger of een harde waterstraal reinigen. De te hoge druk kan in de elektrische componenten, steekverbindingen, bowdenkabels, lagers dringen en storingen veroorzaken en/of deze onderdelen vernietigen.

Waarschuwing Gevaar voor het milieu

  Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.

– Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.

155 Info

De motorfiets regelmatig reinigen, zo blijven de waarde en het uiterlijk gedurende langere tijd behouden.

Directe zonnestralen op de motorfiets tijdens het reinigen vermijden.

401061-01 – – – Uitlaatsysteem afsluiten, om te voorkomen dat er water indringt.

Grove vervuiling met een zachte waterstraal verwijderen.

Sterk vervuilde plekken met een normale in de handel verkrijgbare motorfietsreiniger inspuiten en met een kwastje behandelen.

Motorfietsreiniger ( pag. 192)

Info

Warm water met een normale in de handel verkrijgbare motorfietsreiniger en een spons gebruiken voor het reinigen van het voertuig.

Als u met het voertuig door strooizout bent gereden, moet hij in koud water wor den gereinigd. Warm water versterkt de zoutwerking.

REINIGING, ONDERHOUD 156

– Nadat de motorfiets grondig met een zachte waterstraal is afgespoeld, moet deze met perslucht en een doek worden gedroogd.

Waarschuwing Gevaar voor ongevallen

  Verminderde remwerking door natte of vervuilde rem men.

– Vervuilde of natte remmen voorzichtig schoon- resp. droogremmen.

– Na de reiniging een korte rit rijden, totdat de motor de rijtemperatuur heeft bereikt en daarbij ook de remmen gebruiken.

Info

Door de warmte verdampt het water ook op de ontoegankelijk plekken van de motor en de remmen.

– – – – – Na het afkoelen van de motorfiets alle glij- en lagerpunten smeren.

Ketting reinigen. ( pag. 84)

Blank metalen onderdelen (met uitzondering van de remschijven en het uitlaatsysteem) met antiroestmiddel behandelen.

Reinigings- en conserveringsmiddel voor metaal en rubber ( pag. 192)

Alle gelakte onderdelen behandelen met een onderhoudsmiddel voor lakken.

Hoogglans-politoer voor lak ( pag. 191)

Contact-/stuurslot, tankslot en zadelslot insmeren met olie.

Universele oliespray ( pag. 192)

REINIGING, ONDERHOUD 157

17.2

Conserveren voor de winter

Info

Als de motorfiets ook in de winter wordt gebruikt, moet rekening worden gehouden met strooizout op de wegen. Daarom moeten er voorzorgsmaatregelen worden genomen tegen het agressieve strooizout.

Als u met het voertuig door strooizout bent gereden, moet hij in koud water worden gereinigd. Warm water versterkt de zoutwerking.

401060-01 – – –

Motorfiets reinigen. ( pag. 155)

Motor, achterbrug en alle overige blanke of verzinkte onderdelen (met uitzondering van de remschijven) met antiroestmiddel op wasbasis behandelen.

Info

Er mag geen antiroestmiddel op de remschijven terechtkomen, aangezien daar door de remwerking sterk wordt verminderd.

Na het rijden op wegen met strooizout moet de motorfiets grondig met koud water gereinigd en goed gedroogd worden.

Ketting reinigen. ( pag. 84)

STALLING 158

18.1

Stalling

Info

Als u de motorfiets voor langere tijd niet wilt gebruiken moet u volgende maatregelen nemen of laten nemen.

Voordat u de motorfiets gaat stallen eerst controleren of alle onderdelen goed werken en niet zijn versleten. Als er servicewerkzaam heden, reparaties of wijzigingen nodig zijn kunt u dat het beste doen tijdens de overwintering (minder drukte bij de garages). Zo voorkomt u lange wachttijden bij aanvang van het seizoen.

401058-01 – – – – – – – – Probeer de brandstoftank zoveel mogelijk leeg te rijden, zodat u hem met verse brand stof kunt vullen als u weer gaat rijden.

Motorfiets reinigen. ( pag. 155)

Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.

Antivries en koelmiddelpeil controleren. (

Bandenspanning controleren. ( pag. 111)

pag. 135)

x ( pag. 147)

Accu uitbouwen.

x ( pag. 113)

Accu laden.

x ( pag. 115)

Voorgeschreven waarde Opslagtemperatuur van de accu zonder directe blootstelling aan zonnestralen 0… 35 °C Voertuig stallen op een droge plaats en niet blootstellen aan grote temperatuurschom melingen.

Info

KTM adviseert om de motorfiets op te krikken.

– –

Motorfiets met hefbok achteraan opkrikken. (

Motorfiets met hefbok vooraan opkrikken. (

pag. 77)

pag. 76)

STALLING

159

De motorfiets afdekken met een luchtdoorlatend dekzeil of een deken.

Info

In geen geval mogen hiervoor luchtdichte materialen worden gebruikt, omdat er dan geen vocht kan ontsnappen en er corrosie ontstaat.

Het is zeer slecht de motor van een gestalde motorfiets voor korte tijd te laten draaien. Aangezien de motor daarbij niet voldoende warm wordt, condenseert de waterdamp die bij de verbranding ontstaat en leidt ertoe dat de kleppen en uitlaat gaan roesten.

18.2

Inbedrijfname na stalling

401059-01 – – – – – – – –

Motorfiets van hefbok vooraan nemen. (

Motorfiets van hefbok achteraan nemen. (

pag. 76)

pag. 77)

Accu laden.

x ( pag. 115)

Accu inbouwen.

Tijd instellen. (

x

( pag. 114)

pag. 29)

Brandstof tanken. ( pag. 56)

Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfname uitvoeren. (

Een proefrit maken.

pag. 47)

FOUTEN OPSPOREN Fout

Motor draait bij het indrukken van de e-starterknop niet door Motor draait alleen door, als de koppe lingshendel is getrokken Motor draait door, hoewel er een ver snelling is geschakeld Motor draait door, maar springt niet aan Hoofdzekering doorgesmolten Contact-/stuurslot en/of noodstopscha kelaar defect Veiligheidsstartsysteem defect Fout CAN-bus communicatie Gecombineerd instrument defect Besturingsapparaat e-startblokkering defect Er is een versnelling geschakeld Veiligheidsstartsysteem defect Veiligheidsstartsysteem defect Koppeling brandstofslangverbinding niet verbonden Stekkerverbinding van kabelboom ver roest Fout in het brandstofinspuitsysteem Motor heeft te weinig vermogen

Mogelijke oorzaak

Bedieningsfouten Accu leeg Zekering

1, 5

doorgesmolten Luchtfilter sterk vervuild – – – – – – – – – – – –

Maatregel

– Stappen voor de startprocedure uitvoeren.

( pag. 48)

– Accu laden.

x ( pag. 115)

Ruststroom controleren.

x Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbrui-

kers vervangen. ( pag. 119)

Hoofdzekering vervangen. ( pag. 117)

Noodstopschakelaar controleren.

Contact-/stuurslot controleren.

x x Veiligheidsstartsysteem controleren.

x CAN-bus communicatie controleren.

x Gecombineerd instrument controleren.

x Besturingsapparaat e-startblokkering controle ren.

x Versnelling in neutraal schakelen.

Veiligheidsstartsysteem controleren.

Veiligheidsstartsysteem controleren.

x x – Koppeling brandstofslangverbinding verbinden.

– – – Stekkerverbinding reinigen en met contactspray behandelen.

Foutengeheugen met KTM ‑ diagnosetool uitle zen.

x Luchtfilter vervangen.

x

160

FOUTEN OPSPOREN Fout

Motor heeft te weinig vermogen Motor wordt overmatig heet

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) brandt of knippert Motor slaat tijdens het rijden af Hoog olieverbruik Koplamp en zijlicht werken niet

161 Mogelijke oorzaak

Fout in het brandstofinspuitsysteem Te weinig koelmiddel in koelsysteem Radiateurlamellen sterk vervuild Schuimvorming in het koelsysteem Geknikte of beschadigde radiateurslang Zekering

4

doorgesmolten Thermostaat defect Defect aan het ventilatiesysteem van radiateur Lucht in het koelsysteem Fout in het brandstofinspuitsysteem – – – – – – – – – – –

Maatregel

– Foutengeheugen met KTM ‑ diagnosetool uitle zen.

x Koelsysteem controleren op lekkage.

x Antivries en koelmiddelpeil controleren.

( pag. 135)

Radiateurlamellen reinigen.

Koelmiddel aftappen.

x (

Koelsysteem vullen/ontluchten.

pag. 139)

x

( pag. 140)

Radiateurslang vervangen.

x Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbrui-

kers vervangen. ( pag. 119)

Thermostaat controleren.

x Radiateurventilator controleren.

x Onvoldoende brandstof Zekering

1, 5

doorgesmolten Motoroliepeil te hoog Vloeibaarheid motorolie te dun (visco siteit) Zekering

2

doorgesmolten – – – – – Koelsysteem vullen/ontluchten.

x

( pag. 140)

Foutengeheugen met KTM ‑ diagnosetool uitle zen.

x

Brandstof tanken. ( pag. 56)

Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbrui-

kers vervangen. ( pag. 119)

Motoroliepeil controleren. ( pag. 146)

Motorolie verversen, oliefilter vervangen en olie zeven reinigen.

x

( pag. 147)

Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbrui-

kers vervangen. ( pag. 119)

FOUTEN OPSPOREN Fout

Richtingaanwijzer, remlicht en claxon werken niet Accu leeg Er wordt niets weergegeven op de dis play van het gecombineerde instru ment Snelheidsindicator in het gecombi neerde instrument werkt niet

Mogelijke oorzaak

Zekering

3

doorgesmolten Contact bij het uitzetten van het voer tuig niet uitgeschakeld Accu wordt niet geladen door de dynamo Zekering

6

doorgesmolten

Maatregel

– Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbrui-

kers vervangen. ( pag. 119)

– Accu laden.

x ( pag. 115)

– Laadspanning controleren.

x – Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbrui-

kers vervangen. ( pag. 119)

162

Kabelboom van de wieltoerentalsensor en/of stekkerverbinding verroest – Wieltoerentalsensor controleren.

x

KNIPPERCODE MOTORBESTURING Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL) Voorwaarde voor fout Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL)

02

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 2x kort Schakelcircuit impulsgever - fout in schakelcircuit

Voorwaarde voor fout

06

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 6x kort Regelklepsensor circuit A - ingangssignaal te laag Regelklepsensor circuit A - ingangssignaal te hoog

Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL) Voorwaarde voor fout

07

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 7x kort Regelklepsensor circuit B - ingangssignaal te laag Regelklepsensor circuit B - ingangssignaal te hoog

Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL) Voorwaarde voor fout

09

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 9x kort Druksensor ‑ aanzuigbuis cilinder 1 - ingangssignaal te laag Druksensor ‑ aanzuigbuis cilinder 1 - ingangssignaal te hoog

Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL) Voorwaarde voor fout

11

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 1x lang, 1x kort Druksensor ‑ aanzuigbuis cilinder 2 - ingangssignaal te laag Druksensor ‑ aanzuigbuis cilinder 2 - ingangssignaal te hoog

163

KNIPPERCODE MOTORBESTURING Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL) Voorwaarde voor fout

12

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 1x lang, 2x kort Temperatuursensor koelmiddel - ingangssignaal te laag Temperatuursensor koelmiddel - ingangssignaal te hoog

Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL) Voorwaarde voor fout

13

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 1x lang, 3x kort Temperatuursensor inlaatlucht - ingangsignaal te laag Temperatuursensor inlaatlucht - ingangsignaal te hoog

Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL) Voorwaarde voor fout

14

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 1x lang, 4x kort Druksensor omgevingslucht - ingangssignaal te laag Druksensor omgevingslucht - ingangssignaal te hoog

Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL) Voorwaarde voor fout

15

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 1x lang, 5x kort Hellingshoeksensor (A/D type) - ingangssignaal te laag Hellingshoeksensor (A/D type) - ingangssignaal te hoog

Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL) Voorwaarde voor fout

17

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 1x lang, 7x kort Lambdasonde cilinder 1, sonde 1 - fout in schakelcircuit

164

KNIPPERCODE MOTORBESTURING Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL) Voorwaarde voor fout Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL)

18

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 1x lang, 8x kort Lambdasonde cilinder 2, sonde 1 - fout in schakelcircuit

Voorwaarde voor fout Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL)

24

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 2x lang, 4x kort Voedingsspanning - fout in schakelcircuit

Voorwaarde voor fout Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL)

25

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 2x lang, 5x kort Zijstandaard (A/D type) - fout in schakelcircuit

Voorwaarde voor fout Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL)

33

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 3x lang, 3x kort Inspuitklep cilinder 1 - fout in schakelcircuit

Voorwaarde voor fout

34

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 3x lang, 4x kort Inspuitklep cilinder 2 - fout in schakelcircuit

165

KNIPPERCODE MOTORBESTURING Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL) Voorwaarde voor fout Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL)

37

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 3x lang, 7x kort Bobine 1, cilinder 1 - fout in schakelcircuit

Voorwaarde voor fout Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL)

38

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 3x lang, 8x kort Bobine 1, cilinder 2 - fout in schakelcircuit

Voorwaarde voor fout

41

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 4x lang, 1x kort Besturing brandstofpomp - onderbreking/kortsluiting met massa Besturing brandstofpomp - ingangssignaal te hoog

Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL) Voorwaarde voor fout

45

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 4x lang, 5x kort Lambdasonde verwarming cilinder 1, sonde 1 - onderbreking/kortsluiting met massa Lambdasonde verwarming cilinder 1, sonde 1 - ingangssignaal te hoog

Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL) Voorwaarde voor fout

46

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 4x lang, 6x kort Lambdasonde verwarming cilinder 2, sonde 1 - onderbreking/kortsluiting met massa Lambdasonde verwarming cilinder 2, sonde 1 - ingangssignaal te hoog

166

KNIPPERCODE MOTORBESTURING Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL) Voorwaarde voor fout Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL)

49

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 4x lang, 9x kort Smoorklepsteller circuit A - fout in schakelcircuit

Voorwaarde voor fout Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL)

50

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 5x kort Smoorklepsteller circuit B - fout in schakelcircuit

Voorwaarde voor fout

54

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 5x lang, 4x kort Secundaire luchtklep - onderbreking/kortsluiting met massa Secundaire luchtklep - ingangssignaal te hoog

Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL) Voorwaarde voor fout Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL)

68

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 6x lang, 8x kort Druksensor aanzuigbuis cilinder 1 - aansluiting niet dicht

Voorwaarde voor fout

69

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 6x lang, 9x kort Druksensor aanzuigbuis cilinder 2 - aansluiting niet dicht

167

KNIPPERCODE MOTORBESTURING Knippercode FI waarschuwings lampje (MIL) Voorwaarde voor fout

91

FI

waarschuwingslampje (

MIL

) knippert 9x lang, 1x kort Fout CAN-bus communicatie

168

TECHNISCHE GEGEVENS - MOTOR

Bouwwijze Cilinderinhoud Slag Boring Compressie (Super Duke) Compressie (Super Duke R) Besturing Klep - diameter (Super Duke) Afvoer Invoer Klep - diameter (Super Duke R) Afvoer Invoer Klepspeling Afvoer bij: 20 °C Invoer bij: 20 °C Krukaslager Drijfstanglager Zuigers Zuigerveer Motorsmering Primaire overbrenging Koppeling Aandrijving Overbrengingsverhouding 2-cilinder 4-takt ottomotor, 75° V-indeling, gekoeld met vloeistof 999 cm³ 62,4 mm 101 mm 11,5:1 12,2:1 DOHC, 4 kleppen per cilinder, aandrijving via ketting

169

33 mm 38 mm 33 mm 41 mm 0,25… 0,30 mm 0,10… 0,15 mm Glijlager Glijlager Lichtmetaal gesmeed 1 L-ring, 1 conische ring, 1 olieschraapveer Dry-sump smering met 2 rotorpompen 35:67 Meerplaats-koppeling in oliebad / hydraulisch bediend 6 versnellingen met klauwschakeling

TECHNISCHE GEGEVENS - MOTOR

1e versnelling 2e versnelling 3e versnelling 4e versnelling 5e versnelling 6e versnelling Mengselbehandeling Ontstekingssysteem Dynamo Bougie (Super Duke) Bougie (Super Duke R) Elektrodenafstand bougie Koeling Stationair toerental Starthulp 21.1

Vulhoeveelheid - motorolie

Motorolie 3,0 l 14:36 16:30 20:30 21:27 23:26 25:26 Elektronisch aangestuurde brandstofinspuiting Contactvrij aangestuurd volledig elektronisch ontstekingssysteem met digitale ontstekingsvertraging 12 V, 450 W NGK KR8DI NGK LKAR8AI-9 0,8 mm Vloeistofkoeling, permanente circulatie koelmiddel door water pomp 1.400… 1.500 1/min E-starter

170

Buitentemperatuur: ≥ 0 °C Buitentemperatuur: < 0 °C Motorolie (SAE 10W/50)

( pag. 189)

Motorolie (SAE 5W/40)

( pag. 189)

TECHNISCHE GEGEVENS - MOTOR

21.2

Vulhoeveelheid - koelmiddel

Koelmiddel 2,10 l

Koelmiddel ( pag. 188) Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd) ( pag. 188)

171

AANHAALMOMENTEN MOTOR

Olievernevelaar Slangklem aanzuigflens Overige schroeven motor Schroef hoekaansluiting aan klepdeksel Schroef lagerborging Schroef sensor versnellingsherkenning Schroef vergrendelingshendel Afsluitschroef onderdrukaansluiting Moer cilinderkop Onderdrukaansluiting Overige schroeven motor Penschroef cilinderkop in cilinder Penschroef cilinderkop in motorhuis Schroef dynamodeksel Schroef impulsgever Schroef klepdeksel Schroef koppelingsdeksel Schroef koppelingsveer Schroef lagerbout in dynamodeksel Schroef motorhuis Schroef nokkenaslagerplaat Schroef oliepomphuis Schroef startmotor Schroef stationaire ring M6 M6 M6 M6 M6 M6 M6 M6 M6 M5 M6 M6 M6 M6 M6 M6 M6 M6 M4 M4 M5 M5 M5 M5 10 Nm 10 Nm 10 Nm 10 Nm 10 Nm 10 Nm 10 Nm 10 Nm 10 Nm 10 Nm 10 Nm 13 Nm 6 Nm 1,5 Nm 6 Nm 3 Nm 6 Nm 3 Nm 6 Nm 5 Nm 8 Nm 5 Nm 10 Nm

Loctite ® 243™

– –

Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™

Loctite ® 243™

Loctite ® 243™

– – – – –

Loctite ® 243™ Loctite ® 243™

– –

Loctite ® 243™

Loctite ® 648™ 172

AANHAALMOMENTEN MOTOR

Schroef stationairhouder Schroef stator Schroef versnellingshendel Schroef versnellingsvergrendeling Schroef waterpompdeksel Schroef waterpompwiel Olievernevelaar Lagerbout distributiekettinggeleider Lagerbout distributiekettingspannerge leider Schroef cilinderkop M6 M6 M6 M6 M6 M6 M6x0,75 M8 M8 M8 Schroef koppelingsdeksel Schroef nokkenaslagerplaat Tapeind uitlaatflens Afsluitschroef koppelingssmering Lagerbout dubbel distributiewiel Moer cilinderkop (buitenliggend) M8 M8 M8 M10 M10 M10 10 Nm 10 Nm 10 Nm 10 Nm 10 Nm 10 Nm 4 Nm 15 Nm 20 Nm 1e niveau 18 Nm 2e niveau 23 Nm 15 Nm 1e niveau 10 Nm 2e niveau 18 Nm 15 Nm 15 Nm 30 Nm 1e niveau 23 Nm 2e niveau 34 Nm

173

– –

Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™

Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™

– – – Geldt alleen bij gebruik van: Ringsleutelelement 13mm (60029081000) Geolied met motorolie

AANHAALMOMENTEN MOTOR

Moer cilinderkop aan kettingkast M10 Penschroef cilinderkop in motorhuis Oliedrukschakelaar Schroef drijfstanglager M10 M10x1 M10x1 Bougie Afsluitschroef cilinderkop (2e cilinder) Temperatuursensor koelmiddel Afsluitschroef oliefilterhuis Afsluitschroef distributiekettingspanner Ontluchtingsaansluiting dynamodeksel Schroef rotor Inschroefaansluitingen koelsysteem Moer balansas Moer ketting-aandrijfwiel Moer koppelingmeenemer Olieaftapschroef met magneet Schroef in dynamodeksel Moer primair tandwiel M12x1,25 M12x1,5 M12x1,5 M14x1,5 M16x1,5 M16x1,5 M16x1,5 M20x1,5 M20x1,5 M20x1,5 M22x1,5 M22x1,5 M24x1,5 M33LHx1,5 1e niveau 25 Nm 2e niveau 38 Nm 20 Nm 10 Nm 1e niveau 25 Nm 2e niveau 30 Nm 3e niveau 60° 18 Nm 25 Nm 12 Nm 15 Nm 20 Nm 10 Nm 150 Nm 10 Nm 120 Nm 100 Nm 130 Nm 35 Nm 8 Nm 130 Nm – – – Geolied met motorolie

174

– – –

Loctite ® 243™

Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 577 Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™

– –

Loctite ® 243™

TECHNISCHE GEGEVENS - CHASSIS

Frame Voorvork Schokdemper Veerweg (Super Duke) voor achter Veerweg (Super Duke R) voor achter Remsysteem voor achter Remschijven - diameter voor achter Remschijven - slijtagegrens voor Remschijf - slijtagegrens achter Bandenspanning Solo voor achter Bandenspanning met bijrijder / volledige nuttige belasting Buisframe van chroommolybdeen staalbuizen, geëloxeerd

WP Suspension

Up Side Down 4860 ROMA PA

WP Suspension

4618 BAVP DCC 135 mm 160 mm 135 mm 150 mm Dubbele schijfrem met radiaal gemonteerde remklauwen met vier zuigers, remschijven vlottend gelagerd Enkele schijfrem met remklauw met twee zuigers, remschijf vast gelagerd 320 mm 240 mm 4 mm 4,5 mm 2,4 bar 2,4 bar

175

TECHNISCHE GEGEVENS - CHASSIS

voor achter Secundaire overbrenging Ketting Balhoofdhoek (Super Duke) Balhoofdhoek (Super Duke R) Wielstand Zithoogte onbelast (Super Duke) Zithoogte onbelast (Super Duke R) Afstand van bodem, onbelast (Super Duke) Afstand van bodem, onbelast (Super Duke R) Gewicht zonder brandstof ca.

Maximaal toegestane asbelasting voor Maximaal toegestane asbelasting achter Maximaal toegestaan totaalgewicht Accu YTZ14S 2,4 bar 2,6 bar 16:38 5/8 x 5/16” X ‑ ring 66,1° 67,3° 1.450

±10 mm 850 mm 860… 875 mm 140 mm 150 mm 186 kg 180 kg 250 kg 387 kg Zekering Zekering Zekering 75011088010 75011088015 58011109130 Accuspanning: 12 V Nominale capaciteit: 11,2 Ah Onderhoudsvrij 10 A 15 A 30 A

176

TECHNISCHE GEGEVENS - CHASSIS

23.1

Lampen

Dimlicht H7 / sokkel PX26d Groot licht Zijlicht Instrumentverlichting en controlelampjes Richtingaanwijzer Achterlicht (Super Duke) H3 / sokkel PX22s W5W / sokkel W2,1x9,5d LED RY10W / sokkel BAU15s WR5W / sokkel W2,1x9,5d Achterlicht (Super Duke R) Remlicht (Super Duke) Remlicht (Super Duke R) Nummerplaatverlichting LED PR21W / sokkel BAW15s LED W5W / sokkel W2,1x9,5d 12 V 55 W 12 V 55 W 12 V 5 W 12 V 10 W 12 V 5 W 12 V 21 W 12 V 5 W

177

TECHNISCHE GEGEVENS - CHASSIS

23.2

Banden

Geldigheid Banden voor

(Super Duke)

120/70 ZR 17 M/C 58W TL

Pirelli DIABLO CORSA III (Super Duke R)

120/70 ZR 17 M/C 58W TL

Pirelli Dragon Supercorsa Pro Meer informatie vindt u in het servicegedeelte onder: http://www.ktm.com

23.3

Vulhoeveelheid - brandstof

Brandstoftankvolume totaal ca.

Brandstofreserve ca.

18,5 l

Banden achter 180/55 ZR 17 M/C 73W TL

Pirelli DIABLO CORSA III

180/55 ZR 17 M/C 73W TL

Pirelli Dragon Supercorsa Pro

Brandstof super loodvrij (ROZ 95) (

3,5 l

pag. 188)

178

TECHNISCHE GEGEVENS - VOORVORK

24.1

Super Duke

Artikelnummer voorvork Voorvork Ingaande demping Comfort Standaard Sport Volledige nuttige belasting Uitgaande demping Comfort Standaard Sport Volledige nuttige belasting Veervoorspanning -

Preload Adjuster

Comfort Standaard Sport Volledige nuttige belasting Veerlengte met voorspanbus(sen) Veerconstante Zacht Gemiddeld (standaard) Hard Lengte voorvork 14.18.7K.13

WP Suspension

Up Side Down 4860 ROMA PA 20 klikken 15 klikken 10 klikken 10 klikken 20 klikken 15 klikken 10 klikken 10 klikken 5 omwentelingen 5 omwentelingen 5 omwentelingen 5 omwentelingen 353 mm 9 N/mm 9,5 N/mm 10 N/mm 757 mm

179

TECHNISCHE GEGEVENS - VOORVORK

Lengte luchtkamer Voorvorkolie per vorkpoot 567 ml 110±10 mm

Voorvorkolie (SAE 5) ( pag. 190)

24.2

Super Duke R

Artikelnummer voorvork Voorvork Ingaande demping Comfort Standaard Sport Uitgaande demping Comfort Standaard Sport Veervoorspanning -

Preload Adjuster

Comfort Standaard Sport Veerlengte met voorspanbus(sen) Veerconstante Zacht Gemiddeld (standaard) Hard Lengte voorvork 14.18.7J.31

WP Suspension

Up Side Down 4860 ROMA PA 23 klikken 18 klikken 13 klikken 12 klikken 10 klikken 8 klikken 5 omwentelingen 5 omwentelingen 5 omwentelingen 352 mm 9 N/mm 9,5 N/mm 10 N/mm 757 mm

180

TECHNISCHE GEGEVENS - VOORVORK

Lengte luchtkamer Voorvorkolie per vorkpoot 527 ml 100±20 mm

Voorvorkolie (SAE 5) ( pag. 190)

181

TECHNISCHE GEGEVENS - SCHOKDEMPER

25.1

Super Duke

Artikelnummer schokdemper Schokdemper Ingaande demping low speed Comfort Standaard Sport Volledige nuttige belasting Ingaande demping high speed Comfort Standaard Sport Volledige nuttige belasting Uitgaande demping Comfort Standaard Sport Volledige nuttige belasting Veervoorspanning Comfort Standaard Sport Volledige nuttige belasting Veerconstante 15.18.7E.01

WP Suspension

4618 BAVP DCC 25 klikken 20 klikken 10 klikken 10 klikken 2 omwentelingen 1,5 omwentelingen 1 omwenteling 1 omwenteling 20 klikken 12 klikken 8 klikken 8 klikken 6 mm 6 mm 6 mm 6 mm

182

TECHNISCHE GEGEVENS - SCHOKDEMPER

Zacht Gemiddeld (standaard) Hard Veerlengte Gasdruk Statische veerweg Inbouwlengte Stootdemperolie 160 N/mm 170 N/mm 180 N/mm 185 mm 10 bar 20… 25 mm 387 mm

Stootdemperolie (SAE 2,5) (50180342S1) ( pag. 190)

25.2

Super Duke R

Artikelnummer schokdemper Schokdemper Ingaande demping low speed Comfort Standaard Sport Ingaande demping high speed Comfort Standaard Sport Uitgaande demping Comfort Standaard Sport 15.18.7J.05

WP Suspension

4618 BAVP DCC 25 klikken 20 klikken 15 klikken 2 omwentelingen 1,5 omwentelingen 1 omwenteling 12 klikken 10 klikken 8 klikken

183

TECHNISCHE GEGEVENS - SCHOKDEMPER

Veervoorspanning Comfort Standaard Sport Veerconstante Zacht Gemiddeld (standaard) Hard Veerlengte Gasdruk Statische veerweg Inbouwlengte Stootdemperolie 6 mm 6 mm 6 mm 160 N/mm 170 N/mm 180 N/mm 185 mm 10 bar 17 mm 392 mm

Stootdemperolie (SAE 2,5) (50180342S1) ( pag. 190)

184

TECHNISCHE GEGEVENS - AANHAALMOMENTEN CHASSIS

Schroef zijstandaardschakelaar Overige schroeven chassis Schroef brandstofpeilsensor Schroef glijblok Schroef tankdop Schroef zadelbevestiging aan brandstof tank (Super Duke) Moer achterlicht (Super Duke) Overige moeren chassis Overige schroeven chassis Schroef brandstofpomp Schroef bugspoiler Schroef glijblok Schroef hielbescherming Schroef houder brandstoftank Schroef klem stuurdemper (Super Duke R) Schroef kogelscharnier drukstang op rempedaalcilinder Schroef rempedaalcilinder Schroef schakelaskering aan de scha kelas Schroef schakelstang Schroef spatbord achterwiel Schroef spoiler M6 M6 M6 M6 M6 M6 M6 M6 M6 M4 M5 M5 M5 M5 M5 M6 M6 M6 M6 M6 M6 2 Nm 5 Nm 3 Nm 5 Nm 5 Nm 4 Nm 8 Nm 15 Nm 10 Nm 6 Nm 10 Nm 6 Nm 2 Nm 6 Nm 4 Nm 10 Nm 10 Nm 18 Nm 12 Nm 6 Nm 6 Nm – – – –

Loctite ® 243™

– – – – –

Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™

Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™

185

TECHNISCHE GEGEVENS - AANHAALMOMENTEN CHASSIS

Overige moeren chassis Overige schroeven chassis Schroef asopname Schroef bovenste framearm Schroef bovenste kroonplaat Schroef contactslot (een keer te gebrui ken) Schroef klem stuurdemper (Super Duke R) Schroef klem stuurdemper (Super Duke R) Schroef omkering schakelas Schroef onderste framearm Schroef onderste kroonplaat Schroef rempedaal Schroef remschijf achter Schroef remschijf voor Schroef stuurdemper aan klem (Super Duke R) Schroef stuurklemmen Schroef uitlaatklem aan bochtstuk Schroef uitlaatklem aan einddemper Schroef veerhouder aan de zijstandaard console Schroef versnellingshendel M8 M8 M8 M8 M8 M8 M8 M8 M8 M8 M8 M8 M8 M8 M8 M8 M8 M8 M8 M8 30 Nm 25 Nm 15 Nm 25 Nm 12 Nm 10 Nm 10 Nm 25 Nm 25 Nm 15 Nm 25 Nm 30 Nm 30 Nm 10 Nm 20 Nm 8 Nm 35 Nm 25 Nm 25 Nm – – – – –

Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™

– –

Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™

– – –

Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ 186

TECHNISCHE GEGEVENS - AANHAALMOMENTEN CHASSIS

Schroef voetsteunhouder achter (Super Duke) Schroef voetsteunhouder voor Schroef vorkbuis Motorschroef Overige moeren chassis Overige schroeven chassis Schroef adapter zijstandaard Schroef houder brandstoftank Schroef stuuradapter (Super Duke) Schroef stuuradapter (Super Duke R) Schroef zijstandaard Schroef zijstandaardconsole Kettingwielbout Schroef remklauw voor Olieaftapschroef met magneet Schroef schokdemper boven Schroef schokdemper onder Lambdasonde Moer zadelslot Moer achterbrugbout Schroef balhoofd Moer steekas achter Schroef steekas voor M8 M8 M8 M10 M10 M10 M10 M10 M10 M10 M10 M10 M10x1,25 M10x1,25 M12x1,5 M14x1,5 M14x1,5 M18x1,5 M19x1 M19x1,5 M20x1,5 M25x1,5 M25x1,5 25 Nm 25 Nm 20 Nm 45 Nm 50 Nm 45 Nm 45 Nm 15 Nm 20 Nm 45 Nm 35 Nm 45 Nm 50 Nm 45 Nm 25 Nm 80 Nm 80 Nm 45 Nm 8 Nm 130 Nm 12 Nm 90 Nm 45 Nm

Loctite ® 243™ Loctite ® 243™

– – – –

Loctite ® 243™

– – –

Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™ Loctite ® 243™

– Schroefdraad ingevet Schroefdraad ingevet – – Schroefdraad ingevet – Schroefdraad ingevet –

187

GEBRUIKSSTOFFEN

Brandstof super loodvrij (ROZ 95)

Volgens

– DIN EN 228 (ROZ 95)

188

Hydraulische olie (15)

Volgens

– ISO VG (15)

Voorgeschreven waarde

– Alleen hydraulische olie gebruiken die voldoet aan de aangegeven norm (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigen schappen beschikt. KTM adviseert producten van

Motorex ®

te gebruiken.

Leverancier Motorex ®

Hydraulic Fluid 75

Koelmiddel

Voorgeschreven waarde

– Alleen geschikt koelmiddel gebruiken (ook in landen met hoge temperaturen). Minderwaardig antivries kan leiden tot roestvorming en schuimvorming. KTM adviseert producten van

Motorex ®

te gebruiken.

Mengverhouding

Antivries: − 25… − 45 °C 50 % antiroest/antivries 50 % gedestilleerd water

Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd)

Antivries

Leverancier Motorex ®

Anti Freeze

− 40 °C

GEBRUIKSSTOFFEN

Motorolie (SAE 10W/50)

Volgens

JASO T903 MA (

SAE ( pag. 193) pag. 193) (SAE 10W/50)

Voorgeschreven waarde

– Alleen motorolie gebruiken die voldoet aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschap pen beschikt. KTM adviseert producten van

Motorex ®

te gebruiken.

Volledig synthetische motorolie

Leverancier Motorex ®

Power Synt 4T 189

Motorolie (SAE 5W/40)

Volgens

JASO T903 MA (

SAE ( pag. 193) pag. 193) (SAE 5W/40)

Voorgeschreven waarde

– Alleen motorolie gebruiken die voldoet aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschap pen beschikt. KTM adviseert producten van

Motorex ®

te gebruiken.

Volledig synthetische motorolie

Leverancier Motorex ®

Power Synt 4T

GEBRUIKSSTOFFEN

Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1

Volgens

– DOT

Voorgeschreven waarde

– Alleen remvloeistof gebruiken die voldoet aan de aangegeven norm (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschap pen beschikt. KTM adviseert producten van

Castrol

en

Motorex ®

te gebruiken.

Leverancier Castrol

RESPONSE BRAKE FLUID SUPER DOT 4 Motorex ®

Brake Fluid DOT 5.1

190

Stootdemperolie (SAE 2,5) (50180342S1)

Volgens

SAE ( pag. 193) (SAE 2,5)

Voorgeschreven waarde

– Alleen oliesoorten gebruiken die voldoen aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschap pen beschikken.

Voorvorkolie (SAE 5)

Volgens

SAE ( pag. 193) (SAE 5)

Voorgeschreven waarde

– Alleen oliesoorten gebruiken die voldoen aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschap pen beschikken. KTM adviseert producten van

Motorex ®

te gebruiken.

Leverancier Motorex ®

Racing Fork Oil

HULPSTOFFEN

Duurzaam vet

Voorgeschreven waarde

– KTM adviseert producten van

Motorex ®

te gebruiken.

Leverancier Motorex ®

Bike Grease 2000

Hoogglans-politoer voor lak

Voorgeschreven waarde

– KTM adviseert producten van

Motorex ®

te gebruiken.

Leverancier Motorex ®

Moto Polish

Kettingreinigingsmiddel

Voorgeschreven waarde

– KTM adviseert producten van

Motorex ®

te gebruiken.

Leverancier Motorex ®

Chain Clean

Kettingspray onroad

Voorgeschreven waarde

– KTM adviseert producten van

Motorex ®

te gebruiken.

Leverancier Motorex ®

Chainlube Road 191

HULPSTOFFEN

Motorfietsreiniger

Voorgeschreven waarde

– KTM adviseert producten van

Motorex ®

te gebruiken.

Leverancier Motorex ®

Moto Clean 900

Reinigings- en conserveringsmiddel voor metaal en rubber

Voorgeschreven waarde

– KTM adviseert producten van

Motorex ®

te gebruiken.

Leverancier Motorex ®

Protect & Shine

Universele oliespray

Voorgeschreven waarde

– KTM adviseert producten van

Motorex ®

te gebruiken.

Leverancier Motorex ®

Joker 440 Synthetic 192

NORMEN 193

JASO T903 MA

Door verschillende technische ontwikkelingsrichtingen is een eigen specificatie voor 4-takt motorfietsen nodig - de JASO T903 MA norm.

Vroeger werd voor 4-takt motorfietsen motorolie voor auto's gebruikt omdat er geen eigen motorfietsspecificatie was. Bij motoren van auto's zijn lange onderhoudsintervallen vereist, bij motoren van motorfietsen staat een hoog vermogensrendement bij hoge toerentallen op de voorgrond. Bij de meeste motoren voor motorfietsen worden ook de versnelling en de koppeling met dezelfde olie ingevet. De JASO MA norm voldoet aan deze speciale vereisten.

SAE

De SAE-viscositeitsklassen zijn vastgelegd door de Society of Automotive Engineers voor de indeling van oliën op basis van hun viscositeit.

De viscositeit beschrijft slechts een van de eigenschappen van olie en zegt niets over de kwaliteit.

INDEX

INDEX

A Accu

demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113

laden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 115

monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114

Achterdempers achterwielnaaf

controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 108

Achterlichtlampen

vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 129

Achterwiel

inbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 107

uitbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105

Afbeelding voertuig

linksvoor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12

rechtsachter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14

Afremmen

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53

Antivries

controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 135

Artikelnummer schokdemper Artikelnummer voorvork

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18

B Bagage

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45

Bagagebeugels

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38

Bandenspanning

controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 111

Bedieningshandleiding

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11

194 Bedrijfsmiddelen Boordgereedschap

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39

Bugspoiler

demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81 monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81

C Claxonknop

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22

Conserveren voor de winter

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 157

Contactslot

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22

Controlelampjes

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25

D Dimlichtlamp

vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121

Display

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26

E E-starterknop

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23

F Fouten opsporen Framenummer

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 160-162

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16

G Garantie

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8

Gashendel

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20

Gebruiksdefinitie

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8

Gecombineerd instrument . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

24

controlelampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25

INDEX

display . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26

functietoetsen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24

kilometer of mijl instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27 snelheidsweergave . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27

temperatuureenheid instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32

tijd . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28

tijd instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29

toerenteller . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25

waarschuwing voor gladde wegen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33

weergave omgevingstemperatuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32

weergave van de koelmiddeltemperatuur . . . . . . . . . . . . . 33

weergave

ODO

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29

weergave

TRIP 1

instellen/terugzetten . . . . . . . . . . . . . . . 30

weergave weergave

TRIP 2

instellen/terugzetten . . . . . . . . . . . . . . . 30

TRIP F

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31

H Helmbeveiliging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

39

op voertuig monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 83

Hoofdzekering

vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 117

I Inbedrijfname

aanwijzingen voor eerste inbedrijfname . . . . . . . . . . . . . . 43

controle en onderhoud voor iedere inbedrijfname . . . . . . . 47

na de stalling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 159

195 K Ketting

controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 89

reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 84 vervuiling controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 84

Ketting-aandrijfwiel

controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 89

Kettingspanning

controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86

instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 87

Kettingwiel

controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 89

Knippercode

motorbesturing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 163-168

Knipperlichtlamp

vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127

Koelmiddel

aftappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 139

Koelmiddelpeil

controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 135

in vast reservoir controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 138

Koelsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

135

vullen/ontluchten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 140

Koppeling

vloeistofpeil controleren/corrigeren . . . . . . . . . . . . . . . . . 92

INDEX Koppelingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

19

uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 91

L Lamp voor groot licht

vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 123

Lichtschakelaar

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20

M Milieu

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10

Motor

inrijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44

Motorfiets

met hefbok achteraan opkrikken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 77

met hefbok vooraan opkrikken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76

reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 155

van hefbok achteraan nemen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 77

van hefbok vooraan nemen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76

Motornummer

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17

Motorolie

aftappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 147

bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153

vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 147

vullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 151

Motoroliepeil

controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 146

N Noodstopschakelaar

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23

196 Nummerplaatverlichting

vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 130

O Oliefilter

vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 147

Oliezeven

reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 147

Onderhoud

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 155-157

P Parkeren

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54

R Reiniging

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 155-157

Remhendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

19

uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 93

Remlichtlamp

vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128

Remmen

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53

Rempedaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

41

uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 98

Remplaketten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

97

van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 101

van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96

Remschijf van de achterwielrem

controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 98

INDEX Remschijven van de voorwielrem

controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 93

Remvloeistof

van achterwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100

van voorwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95

Remvloeistofpeil

van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 99

van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 94

Reserveonderdelen

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9

Richtingaanwijzerschakelaar

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21

Riem

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38

Rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

50

beginnen met rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49

S Schakelen

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50

Schokdemper . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

61

ingaande demping algemeen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65

ingaande demping high speed instellen . . . . . . . . . . . . . . 67

ingaande demping low speed instellen . . . . . . . . . . . . . . . 66

uitgaande demping instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 69

veervoorspanning instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 70

Seinlichtschakelaar Sleutelnummer

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21

Service

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8

Serviceschema

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58-60

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17

Speling gaskabel

controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 143

197

instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 144

Spoiler

demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78

monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79

Stalling

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 158

Stand koplamp

controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 133

Stand van de koplamp

instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 133

Starten Stoppen

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54

Stuurdemper . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

73

instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 73

Stuurpositie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

71

instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72

Stuurslot

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22

T Tankdop

openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34

sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 36

Tanken

brandstof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 56

Technische gegevens

aanhaalmomenten chassis . . . . . . . . . . . . . . . . . . 185-187

aanhaalmomenten motor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 172-174

chassis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 175-178

INDEX

motor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 169-171

schokdemper . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182-184

voorvork . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 179-181

Toebehoren Toerenteller

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25

Toestand van de banden

controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 109

Transport Typeplaatje

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16

V Versnellingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

40

uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 145

Voertuig beladen

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45

Voetsteunen bijrijder

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40

Voorvork . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

61

ingaande demping instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 61

uitgaande demping instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 63

veervoorspanning instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64

vorkpoten ontluchten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78

Voorwiel

inbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104

uitbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 103

W Waarschuwing voor glad wegdek Werkinstructies

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9

198 Z Zadel

afnemen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 82

monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 83

Zadelhoogte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

74

instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74

Zadelslot

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37

Zekering

van afzonderlijke stroomverbruikers vervangen . . . . . . . . 119

Zijlichtlamp

vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125

Zijstandaard

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42

*3211665nl*

3211665nl

KTM-Sportmotorcycle AG

5230 Mattighofen/Oostenrijk

http://www.ktm.com

12/2010 Foto: Mitterbauer

Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertisement