KTM 990 Supermoto T AU GB 2011 Supermoto Bike Handleiding

KTM 990 Supermoto T AU GB 2011 Supermoto Bike Handleiding
BEDIENINGSHANDLEIDING 2011
990 Supermoto T EU
990 Supermoto T FR
990 Supermoto T AUS/UK
Artikelnr. 3211662nl
BESTE KTM KLANT
1
We wensen u veel geluk met uw keuze voor een KTM motorfiets. U bent nu in het bezit van een moderne sportieve motorfiets en we zijn er
zeker van dat u er veel plezier mee zult beleven, mits u de motorfiets goed onderhoudt.
BESTE KTM KLANT
We wensen u veel rijplezier!
Vul hieronder het serienummer van uw het voertuig in.
Chassisnummer/typeplaatje (
Motornummer (
Sleutelnummer (
pag. 16)
Stempel van de dealer
pag. 17)
pag. 17)
De bedieningshandleiding komt op het tijdstip dat deze ter perse gaat overeen met de nieuwste stand van het model. Kleine afwijkingen
die het resultaat zijn van een constructieve ontwikkeling kunnen echter niet worden uitgesloten.
Alle hier genoemde gegevens zijn vrijblijvend. De KTM-Sportmotorcycle AG houdt zich het recht voor technische gegevens, prijzen, kleuren, vormen, materialen, dienst- en serviceverlening, constructies, uitrustingen en dergelijke zonder voorafgaande aankondiging en zonder
opgave van redenen te wijzigen resp. zonder vergoeding te annuleren, deze aan te passen aan de plaatselijke situatie of de productie van
een bepaald model zonder voorafgaande aankondiging te beëindigen. KTM is niet aansprakelijk voor leveringsmogelijkheden, afwijkingen
van afbeeldingen en beschrijvingen, drukfouten en vergissingen. De afgebeelde modellen zijn voor een deel voorzien van speciale uitrustingen die niet standaard bij de leveromvang horen.
© 2011 KTM-Sportmotorcycle AG, Mattighofen Oostenrijk
Alle rechten voorbehouden
Reproductie, ook gedeeltelijk, is alleen geoorloofd met schriftelijke toestemming van de schrijver.
BESTE KTM KLANT
ISO 9001(12 100 6061)
KTM past processen voor kwaliteitsbewaking toe, zoals bedoeld in de internationale norm voor kwaliteitsmanagement ISO
9001, die tot een zo hoog mogelijke productkwaliteit leiden.
Afgegeven door: TÜV Management Service
KTM-Sportmotorcycle AG
5230 Mattighofen, Oostenrijk
2
INHOUDSOPGAVE
INHOUDSOPGAVE
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN .......................................... 7
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN............................................... 8
AFBEELDING VOERTUIG ...................................................... 12
Afbeelding voertuig linksvoor (symbolische weergave)........... 12
Afbeelding voertuig rechtsachter (symbolische weergave) ..... 14
SERIENUMMERS................................................................. 16
Chassisnummer/typeplaatje ............................................... 16
Sleutelnummer ................................................................ 17
Motornummer .................................................................. 17
Artikelnummer voorvork..................................................... 18
Artikelnummer schokdemper ............................................. 18
BEDIENINGSELEMENTEN .................................................... 19
Koppelingshendel ............................................................. 19
Remhendel ...................................................................... 19
Gashendel ....................................................................... 20
Lichtschakelaar ................................................................ 20
Seinlichtschakelaar .......................................................... 21
Richtingaanwijzerschakelaar .............................................. 21
Claxonknop ...................................................................... 22
Contact-/stuurslot ............................................................. 22
Wegrijblokkering............................................................... 23
Noodstopschakelaar.......................................................... 23
E-starterknop ................................................................... 24
Gecombineerd instrument ................................................. 24
Gecombineerd instrument - functietoetsen.......................... 25
Gecombineerd instrument - toerenteller .............................. 25
Gecombineerd instrument - controlelampjes........................ 26
Gecombineerd instrument - display .................................... 27
Gecombineerd instrument - snelheidsweergave.................... 28
3
Kilometer of mijl instellen .................................................
Gecombineerd instrument - tijd .........................................
Tijd instellen....................................................................
Gecombineerd instrument - weergave ODO..........................
Gecombineerd instrument - weergave TRIP 1
instellen/terugzetten .........................................................
Gecombineerd instrument - weergave TRIP 2
instellen/terugzetten .........................................................
Gecombineerd instrument - weergave TRIP F ......................
Gecombineerd instrument - weergave
omgevingstemperatuur ......................................................
Temperatuureenheid instellen............................................
Gecombineerd instrument - waarschuwing voor glad
wegdek............................................................................
Gecombineerd instrument - weergave
koelmiddeltemperatuur .....................................................
Noodknipperlichtschakelaar/noodknipperlichten ..................
Stopcontact elektrische toebehoren ....................................
Tankdop openen...............................................................
Tankdop sluiten ...............................................................
Handgrepen .....................................................................
Bagagedrager ...................................................................
Zadelslot .........................................................................
Boordgereedschap ............................................................
Helmbeveiliging ...............................................................
Voetsteunen bijrijder.........................................................
Versnellingshendel............................................................
Rempedaal ......................................................................
Zijstandaard.....................................................................
28
29
29
30
30
31
32
32
33
33
34
34
35
35
36
37
37
38
38
39
39
40
41
41
INHOUDSOPGAVE
4
INBEDRIJFNAME .................................................................
Aanwijzingen voor eerste inbedrijfname ..............................
Motor inrijden ..................................................................
Voertuig beladen ..............................................................
RIJ-INSTRUCTIES ................................................................
Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfname ................
Starten ............................................................................
Beginnen met rijden .........................................................
Schakelen, rijden .............................................................
Afremmen........................................................................
Stoppen, parkeren ............................................................
Brandstof tanken ..............................................................
SERVICESCHEMA ................................................................
Serviceschema .................................................................
CHASSIS AFSTELLEN ..........................................................
Voorvork/schokdemper ......................................................
Ingaande demping voorvork instellen ..................................
Uitgaande demping voorvork instellen.................................
Veervoorspanning voorvork instellen....................................
Ingaande demping schokdemper ........................................
Ingaande demping low speed van schokdemper instellen......
Ingaande demping high speed van schokdemper instellen ....
Uitgaande demping schokdemper instellen .........................
Veervoorspanning schokdemper instellen
.......................
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS ..................................
Motorfiets met hefbok vooraan opkrikken ............................
Motorfiets van hefbok vooraan nemen.................................
Motorfiets met hefbok achteraan opkrikken .........................
Motorfiets van hefbok achteraan nemen..............................
x
42
42
43
44
46
46
47
49
49
52
54
56
58
58
61
61
61
62
63
65
65
66
67
68
70
70
70
71
71
Vorkpoten ontluchten ........................................................
Zadel afnemen .................................................................
Zadel monteren ................................................................
Helmbeveiliging op voertuig monteren ................................
Brandstoftank terugzetten .................................................
Brandstoftank positioneren................................................
Maskerspoiler demonteren.................................................
Maskerspoiler inbouwen ....................................................
Vervuiling ketting controleren ............................................
Ketting reinigen ...............................................................
Kettingspanning controleren ..............................................
Kettingspanning instellen..................................................
Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en
kettinggeleiding controleren...............................................
Uitgangspositie koppelingshendel instellen .........................
Vloeistofpeil hydraulische koppeling
controleren/corrigeren .......................................................
REMMEN ............................................................................
ABS / Anti Blokkeer Systeem .............................................
Uitgangspositie remhendel instellen ...................................
Remschijven voorwielrem controleren .................................
Remvloeistofpeil voorwielrem controleren............................
Remvloeistof voorwielrem bijvullen
................................
Remplaketten voorwielrem controleren................................
Vrije slag rempedaal controleren ........................................
Uitgangspositie rempedaal instellen ...................................
Remschijf achterwielrem controleren ..................................
Remvloeistofpeil achterwielrem controleren.........................
Remvloeistof achterwielrem bijvullen
.............................
x
x
72
72
73
73
74
75
76
78
79
79
81
82
84
86
87
89
89
90
90
91
92
93
94
95
96
96
97
INHOUDSOPGAVE
5
Remplaketten achterwielrem controleren ............................ 99
WIELEN, BANDEN ............................................................. 101
Voorwiel demonteren
.................................................. 101
Voorwiel monteren
..................................................... 102
Achterwiel demonteren
.............................................. 104
Achterwiel monteren
.................................................. 105
Achterdempers achterwielnaaf controleren
................... 108
Toestand banden controleren........................................... 108
Bandenspanning controleren ........................................... 110
ELEKTRONICA................................................................... 112
Accu uitbouwen
........................................................ 112
Accu inbouwen
.......................................................... 113
Accu laden
............................................................... 114
Hoofdzekering vervangen................................................. 116
Zekeringen ABS vervangen .............................................. 118
Zekeringen afzonderlijke stroomverbruikers vervangen ........ 119
Lamp koplamp vervangen ................................................ 121
Zijlichtlamp vervangen .................................................... 123
Knipperlichtlamp vervangen ............................................ 125
Remlichtlamp vervangen ................................................. 125
Achterlichtlampen vervangen ........................................... 130
Kentekenplaatverlichting vervangen.................................. 134
Stand koplamp controleren.............................................. 136
Lichtbundelbreedte koplamp instellen .............................. 136
Contactsleutel activeren/deactiveren................................. 137
KOELSYSTEEM .................................................................. 142
Koelsysteem................................................................... 142
Antivries en koelmiddelpeil controleren............................. 142
Koelmiddelpeil in vast reservoir controleren ...................... 144
x
x
x
x
x
x
x
x
Koelmiddel aftappen
..................................................
Koelsysteem vullen/ontluchten
....................................
MOTOR AFSTELLEN...........................................................
Speling gaskabel controleren ...........................................
Speling gaskabel instellen
..........................................
Stekkerverbinding ontstekingscurve..................................
Ontstekingscurve aanpassen aan brandstofkwaliteit ...........
Uitgangspositie versnellingshendel controleren ..................
Uitgangspositie versnellingshendel instellen
.................
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR...................................
Motoroliepeil controleren.................................................
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven
reinigen
....................................................................
Motorolie aftappen, oliefilter vervangen en oliezeven
reinigen
....................................................................
Motorolie vullen
........................................................
Motorolie bijvullen ..........................................................
REINIGING, ONDERHOUD ..................................................
Motorfiets reinigen .........................................................
Conserveren voor de winter ..............................................
STALLING .........................................................................
Stalling .........................................................................
Inbedrijfname na stalling ................................................
FOUTEN OPSPOREN ..........................................................
KNIPPERCODE WEGRIJBLOKKERING .................................
KNIPPERCODE MOTORBESTURING ....................................
TECHNISCHE GEGEVENS - MOTOR.....................................
Vulhoeveelheid - motorolie ..............................................
Vulhoeveelheid - koelmiddel ............................................
x
x
x
x
x
x
x
146
147
150
150
151
151
152
152
153
154
154
155
155
159
161
162
162
164
165
165
166
167
170
172
178
179
179
INHOUDSOPGAVE
AANHAALMOMENTEN MOTOR............................................
TECHNISCHE GEGEVENS - CHASSIS ..................................
Lampen .........................................................................
Banden .........................................................................
Vulhoeveelheid - brandstof ..............................................
TECHNISCHE GEGEVENS - VOORVORK ...............................
TECHNISCHE GEGEVENS - SCHOKDEMPER ........................
TECHNISCHE GEGEVENS - AANHAALMOMENTEN
CHASSIS ...........................................................................
GEBRUIKSSTOFFEN ..........................................................
HULPSTOFFEN ..................................................................
NORMEN...........................................................................
INDEX ...............................................................................
6
180
183
184
185
185
186
188
190
194
197
199
200
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN
Gebruikte symbolen
Hieronder wordt het gebruik van bepaalde symbolen verklaard.
Kenmerkt een verwachte reactie (bijv. van een bepaalde handeling of functie).
Kenmerkt een onverwachte reactie (bijv. van een bepaalde handeling of functie).
Alle werkzaamheden die met dit symbool zijn gekenmerkt vereisen vakkennis en technisch begrip. Laat de werkzaamheden voor uw eigen veiligheid uitvoeren in een geautoriseerde KTM-garage! Daar wordt uw motorfiets door speciaal geschoolde vakkundige personen met het benodigde speciale gereedschap optimaal onderhouden.
Kenmerkt de verwijzing naar een pagina (op de aangegeven pagina vindt u meer informatie).
Gebruikte formatering
Hieronder worden de gebruikte letterformaten verklaard.
Eigennaam
Kenmerkt een eigennaam.
Naam®
Kenmerkt een beschermde naam.
Merk™
Kenmerkt een merk in het handelsverkeer.
7
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
8
Gebruiksdefinitie
KTM-sportmotorfietsen zijn zodanig ontworpen en gebouwd, dat ze bestand zijn tegen de gangbare belastingen in het normale wegverkeer.
Ze zijn echter niet geschikt voor het rijden op circuits en niet geasfalteerde wegen.
Info
De motorfiets is alleen in de gehomologeerde versie toegelaten voor het rijden op de openbare weg.
Service
Voorwaarde voor storingsvrij gebruik en het voorkomen van voortijdige slijtage is dat u zich houdt aan de in de bedieningshandleiding
genoemde service- en afstelwerkzaamheden aan de motor en het chassis. Slechte afstelling van het chassis kan leiden tot beschadiging en
breken van de chassiscomponenten.
Het gebruik van de motorfietsen bij extreme omstandigheden zoals modderige en vochtige wegen kan leiden tot verhoogde slijtage van
componenten zoals de aandrijving of remmen. Daarom kan het nodig zijn een service uit te voeren of slijtageonderdelen te vervangen al
voordat de slijtagegrens volgens het serviceschema is bereikt.
Het is belangrijk dat u zich strikt houdt aan de voorgeschreven inrijtijden en service-intervallen. De precieze inachtneming daarvan draagt
in belangrijke mate bij aan de verhoging van de levensduur van de motorfiets.
Garantie
De in het serviceschema voorgeschreven werkzaamheden mogen uitsluitend in een geautoriseerde KTM-garage worden uitgevoerd en moeten in het serviceboekje en op KTM dealer.net worden bevestigd, aangezien anders de aanspraak op garantie vervalt. Bij schade of gevolgschade, die door manipulaties en/of wijzigingen aan het voertuig zijn veroorzaakt bestaat er geen aanspraak op garantie.
Bedrijfsmiddelen
U moet de in de bedieningshandleiding gespecificeerde brand- en smeerstoffen resp. bedrijfsmiddelen gebruiken.
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
9
Reserveonderdelen, toebehoren
Gebruik voor uw eigen veiligheid alleen reserveonderdelen en toebehoren die door KTM zijn vrijgegeven en laat deze alleen in een geautoriseerde KTM-garage monteren. Voor andere producten en daardoor veroorzaakte schade is KTM niet aansprakelijk.
Enkele reserveonderdelen en toebehoren worden tussen haakjes vermeld bij de betreffende beschrijvingen. Uw KTM-dealer adviseert u
graag.
De actuele KTM PowerParts voor uw voertuig vindt u op de KTM website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
Werkinstructies
Voor enkele werkzaamheden is speciaal gereedschap vereist. Deze maken geen deel uit van het voertuig, maar kunnen worden besteld
onder vermelding van de aangegeven nummers tussen haakjes. Voorbeeld: klepveerheffer (59029019000)
Bij de montage moeten onderdelen die niet meer kunnen worden gebruikt (bijvoorbeeld zelfborgende schroeven en moeren, afdichtingen,
pakkingen, keerringen, splitpennen of borgplaten) door nieuwe onderdelen worden vervangen.
Als er bij schroefverbindingen gebruik wordt gemaakt van een schroevenlijm (bijv. Loctite®) moeten de specifieke aanwijzingen van de
fabrikant in acht worden genomen.
Onderdelen die na de demontage weer worden gebruikt, moeten worden gereinigd en gecontroleerd op beschadiging en slijtage. Beschadigde of versleten onderdelen vervangen.
Na een reparatie en/of onderhoudsbeurt moet worden gecontroleerd of het voertuig verkeersveilig is.
Transport
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
–
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
10
Aanwijzing
Gevaar voor brand Sommige onderdelen van de motorfiets worden bij gebruik van de motorfiets zeer heet.
–
Motorfiets niet op plaatsen laten staan met licht brandbare en/of ontvlambare materialen. Geen voorwerpen over het bedrijfswarme
voertuig leggen. Het voertuig altijd eerst laten afkoelen.
–
Motor uitzetten en contactsleutel uittrekken.
–
Motorfiets met spanbanden of andere geschikte bevestigingsmiddelen beveiligen tegen omvallen en wegrollen.
Milieu
Motorrijden is een fantastische sport en we hopen natuurlijk dat u er volledig van kunt genieten. Maar motorfietsen kunnen ook milieuproblemen en conflicten met andere personen veroorzaken. Door op een verantwoordelijke manier met de motorfiets om te gaan kunt u
ervoor zorgen dat deze problemen en conflicten niet ontstaan. Om de toekomst van de motorsport veilig te stellen moet u zich houden aan
de wettelijke regels, milieubewust handelen en de rechten van andere mensen respecteren.
Aanwijzingen/waarschuwingen
U moet beslist de gegeven aanwijzingen/waarschuwingen in acht nemen.
Info
Op het voertuig zijn verschillende stickers met aanwijzingen en waarschuwingen aangebracht. Deze stickers met aanwijzingen en
waarschuwingen mag u nooit verwijderen. Als deze ontbreken kunt u of andere personen de gevaren niet herkennen en daardoor
letsel oplopen.
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
11
Gevarenniveaus
Gevaar
Waarschuwing voor een gevaar dat direct en met zekerheid overlijden of zwaar blijvend letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste
voorzorgsmaatregelen neemt.
Waarschuwing
Waarschuwing voor een gevaar dat waarschijnlijk overlijden of zwaar letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen
neemt.
Voorzichtig
Waarschuwing voor een gevaar dat mogelijk licht letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat aanmerkelijke schade aan machine of materiaal tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Waarschuwing
Waarschuwing voor een gevaar dat schade aan het milieu tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Bedieningshandleiding
–
Deze bedieningshandleiding beslist helemaal goed doorlezen voordat u voor het eerst gaat rijden. Daarin vindt u veel informatie en tips
die de bediening en het onderhoud van de motorfiets eenvoudiger maken. Alleen zo komt u te weten hoe u uw motorfiets het beste
afstemt op uw situatie en hoe u zich tegen letsel kunt beschermen. Bovendien staat in de bedieningshandleiding belangrijke informatie over het onderhoud van de motorfiets.
–
De bedieningshandleiding is een belangrijk onderdeel van de motorfiets en moet bij doorverkoop aan de nieuwe eigenaar worden gegeven.
AFBEELDING VOERTUIG
12
Afbeelding voertuig linksvoor (symbolische weergave)
3.1
B00604-10
AFBEELDING VOERTUIG
13
1
Gecombineerd instrument (
pag. 24)
2
Achteruitkijkspiegel
3
Koppelingshendel (
4
Zadel
5
Handgrepen (
6
Kijkglas motorolie
7
Versnellingshendel (
8
Motornummer (
9
Ingaande demping schokdemper (
pag. 19)
pag. 37)
pag. 40)
pag. 17)
pag. 65)
AFBEELDING VOERTUIG
14
Afbeelding voertuig rechtsachter (symbolische weergave)
3.2
B00605-10
AFBEELDING VOERTUIG
15
1
Zadelslot (
pag. 38)
2
Lichtschakelaar (
2
Seinlichtschakelaar (
2
Richtingaanwijzerschakelaar (
2
Claxonknop (
3
Tankdop
4
Noodstopschakelaar (
4
E-starterknop (
5
Remhendel (
6
Instelling uitgaande demping van voorvork en veervoorspanning
7
Instelling uitgaande demping van schokdemper
8
Voetsteunen bijrijder (
9
Rempedaal (
10
Chassisnummer/typeplaatje (
11
Instelling ingaande demping van voorvork
pag. 20)
pag. 21)
pag. 21)
pag. 22)
pag. 23)
pag. 24)
pag. 19)
pag. 39)
pag. 41)
pag. 16)
SERIENUMMERS
16
Chassisnummer/typeplaatje
4.1
Het framenummer  is in het frame gegraveerd achter het balhoofd aan de rechterzijde.
B00664-10
Het typeplaatje  is aan de rechterzijde van de framebuis aangebracht.
B00660-10
SERIENUMMERS
17
Sleutelnummer
4.2
Het sleutelnummer Code number  staat op de KEYCODECARD.
Info
U hebt het sleutelnummer nodig om een reservesleutel te bestellen. Bewaar de KEYCODECARD op een veilig plek.
Met de oranje programmeersleutel activeert of deactiveert u de contactsleutel. De
oranje programmeersleutel op een veilige plek bewaren. Hij mag alleen worden
gebruikt voor leer- en programmeerfuncties.
700563-01
Motornummer
4.3
Het motornummer  is in de linkerzijde van de motor onder het ketting-aandrijfwiel gegraveerd.
B00120-10
SERIENUMMERS
18
Artikelnummer voorvork
4.4
Het artikelnummer van de voorvork  is aan de binnenzijde van de asopname gegraveerd.
B00606-10
Artikelnummer schokdemper
4.5
Het artikelnummer van de schokdemper  is in het bovenste gedeelte van de schokdemper
aan motorzijde boven de stelring gegraveerd.
B00607-10
BEDIENINGSELEMENTEN
19
Koppelingshendel
5.1
De koppelingshendel  is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.
De koppeling wordt hydraulisch bediend en automatisch bijgesteld.
B00608-10
Remhendel
5.2
De remhendel  is aan de rechterzijde van het stuur aangebracht.
De voorwielrem wordt geschakeld met de remhendel.
B00609-10
BEDIENINGSELEMENTEN
20
Gashendel
5.3
De gashendel  is aan de rechterzijde van het stuur aangebracht.
B00655-10
Lichtschakelaar
5.4
De lichtschakelaar  is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Dimlicht aan – Lichtschakelaar naar beneden geschakeld. In deze stand is
het dimlicht en achterlicht ingeschakeld.
Groot licht aan – Lichtschakelaar naar boven geschakeld. In deze stand is
het groot licht en achterlicht ingeschakeld.
B00684-10
BEDIENINGSELEMENTEN
21
Seinlichtschakelaar
5.5
De seinlichtschakelaar  is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
• Seinlichtschakelaar in de uitgangspositie
• Seinlichtschakelaar ingedrukt – In deze stand wordt het seinlicht (groot licht) gebruikt.
B00685-10
Richtingaanwijzerschakelaar
5.6
De richtingaanwijzerschakelaar  is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Richtingaanwijzer uit
Richtingaanwijzer links aan – Richtingaanwijzerschakelaar naar links
geschakeld. De richtingaanwijzerschakelaar springt na het schakelen terug
in de middelste stand.
B00656-11
Richtingaanwijzer rechts aan – Richtingaanwijzerschakelaar naar rechts
geschakeld. De richtingaanwijzerschakelaar springt na het schakelen terug
in de middelste stand.
Voor het uitschakelen van de richtingaanwijzer moet u de richtingaanwijzerschakelaar richting het schakelaarhuis duwen.
BEDIENINGSELEMENTEN
22
Claxonknop
5.7
De claxonknop  is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
• Claxonknop in de uitgangspositie
• Claxonknop ingedrukt – In deze stand wordt de claxon gebruikt.
B00656-12
Contact-/stuurslot
5.8
Het contact-/stuurslot bevindt zich voor de bovenste kroonplaat.
Info
Voor het inschakelen van het contact mag uitsluitend een zwarte contactsleutel worden gebruikt.
Met de oranje programmeersleutel activeert of deactiveert u de contactsleutel.
Mogelijke toestanden
600825-01
Contact uit OFF – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken. Een
draaiende motor schakelt uit en een stilstaande motor schakelt niet in. De
contactsleutel kan worden uitgetrokken.
Contact ingeschakeld ON – In deze stand is het ontstekingscircuit gesloten
en kan de motor worden gestart.
Stuur geblokkeerd – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken en
het stuur geblokkeerd. De contactsleutel kan worden uitgetrokken.
BEDIENINGSELEMENTEN
23
Wegrijblokkering
5.9
De elektronische wegrijblokkering beveiligt het voertuig tegen gebruik door onbevoegden.
Door het uittrekken van de contactsleutel wordt de wegrijblokkering automatisch geactiveerd en de motorelektronica geblokkeerd.
Het rode waarschuwingslampje knippert na 1 minuut in een interval van 15 secondenl.
Het rode waarschuwingslampje kan ook door knipperen fouten aangeven.
Info
400887-01
De contactsleutels zijn uitgerust met elektronische componenten. Nooit meerdere
contactsleutels in één sleutelbos dragen, aangezien ze elkaar dan kunnen storen en
problemen kunnen veroorzaken.
Een verloren zwarte contactsleutel moet worden gedeactiveerd om te voorkomen dat onbevoegden met het voertuig gaan rijden.
In de afleveringstoestand is de tweede zwarte contactsleutel geactiveerd.
Bij een geautoriseerde KTM-garage kunnen nog twee extra contactsleutels (sleutelnummer
op de KEYCODECARD) worden besteld, deze moeten echter voor gebruik worden geactiveerd.
Noodstopschakelaar
5.10
De noodstopschakelaar  is aan de rechterzijde van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Noodstopschakelaar aan – Deze stand is noodzakelijk bij het rijden, het
ontstekingscircuit is gesloten.
Noodstopschakelaar uit – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken. Een draaiende motor schakelt uit en een stilstaande motor kan niet
worden gestart.
B00657-10
BEDIENINGSELEMENTEN
24
E-starterknop
5.11
De e-starterknop  is aan de rechterzijde van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
• E-starterknop in de uitgangspositie
• E-starterknop ingedrukt – In deze stand wordt de e-starter gebruikt.
B00657-11
Gecombineerd instrument
5.12
Het gecombineerde instrument is voor het stuur aangebracht.
Het gecombineerde instrument is onderverdeeld in 4 functiebereiken.
 Functietoetsen
 Toerenteller
 Controlelampjes
 Display
400885-10
BEDIENINGSELEMENTEN
25
Gecombineerd instrument - functietoetsen
5.13
Met de knop MODE  wisselt u tussen de weergavemodi.
Mogelijke weergavemodi zijn de afgelegde afstand (ODO), Tripmaster 1 (TRIP 1), Tripmaster 2 (TRIP 2) en omgevingstemperatuur.
Met de SET knop  wordt de functie Tripmaster 1 (TRIP 1) en Tripmaster 2 (TRIP 2) op 0.0
teruggezet.
Met de knop  kan het ABS worden uitgeschakeld.
400886-10
Gecombineerd instrument - toerenteller
5.14
De toerenteller  geeft het motortoerental aan in omwentelingen per minuut.
De rode markering  markeert een te hoog toerental van de motor.
400888-10
BEDIENINGSELEMENTEN
26
Gecombineerd instrument - controlelampjes
5.15
De controlelampjes geven extra informatie over de toestand van de motorfiets.
Mogelijke toestanden
Controlelampje voor de richtingaanwijzer knippert groen in knipperritme
– Richtingaanwijzer is ingeschakeld.
Controlelampje voor neutraal brandt groen – Versnelling is in vrij geschakeld.
Controlelampje voor groot licht brandt blauw – Groot licht is ingeschakeld.
400889-01
Waarschuwingslampje voor temperatuur brandt rood – Koelmiddeltemperatuur heeft een kritische waarde bereikt.
Waarschuwingslampje voor brandstofpeil brandt oranje – Brandstofpeil
heeft de reservemarkering bereikt. Display wordt overgeschakeld naar weergave TRIP F.
Waarschuwingslampje voor oliedruk brandt rood – Oliedruk is te laag.
FI waarschuwingslampje (MIL) brandt/knippert oranje – De OBD (On Board
Diagnose) heeft een fout herkend die kritiek is voor de emissie of de veiligheid.
Controlelampje wegrijblokkering brandt/knippert rood – Status- of foutmelding bij de wegrijblokkering/alarminstallatie.
Waarschuwingslampje voor accu brandt rood – Spanning in het boordnet te
laag.
ABS-waarschuwingslampje brandt/knippert rood – Status- of foutmelding
bij het ABS (Anti Blokkeer Systeem).
BEDIENINGSELEMENTEN
27
Gecombineerd instrument - display
5.16
Bij het inschakelen van het contact lichten alle displaysegmenten één seconde op om de
functies te testen.
400892-01
LEnGth
Na deze functietest wordt kort de wielomtrek LEnGth op de display weergegeven.
Info
Het getal 1870 mm komt overeen met de afmeting van het 17" voorwiel met standaardbanden.
Vervolgens gaat de weergave naar de laatste geselecteerde modus.
400881-01
BEDIENINGSELEMENTEN
28
Gecombineerd instrument - snelheidsweergave
5.17
Snelheid  wordt aangegeven in kilometer per uur km/h of in mijl per uur mph.
400838-10
Kilometer of mijl instellen
5.18
Info
Als de eenheid wordt gewisseld blijft de waarde ODO bewaard en wordt omgerekend naar de geselecteerde eenheid.
Landspecifieke instellingen instellen.
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
BEDIENINGSELEMENTEN
29
–
Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand ON
–
De MODE knop zo vaak indrukken tot de weergavemodus ODO is geactiveerd.
–
De MODE knop ingedrukt houden tot de weergavemodus van km/h naar mph of van mph
naar km/h is gewisseld.
draaien.
400893-10
Gecombineerd instrument - tijd
5.19
De tijd wordt weergegeven in bereik  van de display.
Info
De klok moet worden ingesteld als de accu afgesloten is geweest en/of de zekering
verwijderd was.
400893-11
Tijd instellen
5.20
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
BEDIENINGSELEMENTEN
30
–
Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand ON
–
De MODE knop zo vaak indrukken tot de weergavemodus ODO is geactiveerd.
–
De MODE knop en de SET knop tegelijkertijd ingedrukt houden.
–
Met de MODE knop de uren instellen.
–
Met de SET knop de minuten instellen.
–
De MODE knop en de SET knop tegelijkertijd ingedrukt houden.
draaien.
De klok begint te knipperen.
De tijd is ingesteld.
400893-12
Gecombineerd instrument - weergave ODO
5.21
In de weergavemodus ODO wordt de totale afgelegde afstand weergegeven in kilometer of
mijl.
Info
Deze waarde blijft ook bewaard als de accu is afgesloten en/of de zekering is
gesmolten.
400839-01
Gecombineerd instrument - weergave TRIP 1 instellen/terugzetten
5.22
Info
De teller voor de dagafstand TRIP 1 loopt altijd mee en telt tot 999.9.
Met deze teller kan de lengte van het traject tijdens ritten of de afstand tussen twee tankstops worden gemeten. Als de waarde
999.9 wordt overschreden begint de teller voor de dagafstand weer bij 0.0.
BEDIENINGSELEMENTEN
31
–
Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand ON
–
De MODE knop zo vaak indrukken tot de weergavemodus TRIP 1 is geactiveerd.
–
De SET knop ingedrukt houden.
draaien.
De weergave TRIP 1 staat op 0.0.
400840-01
Gecombineerd instrument - weergave TRIP 2 instellen/terugzetten
5.23
Info
De teller voor de dagafstand TRIP 2 loopt altijd mee en telt tot 999.9.
Met deze teller kan de lengte van het traject tijdens ritten of de afstand tussen twee tankstops worden gemeten. Als de waarde
999.9 wordt overschreden begint de teller voor de dagafstand weer bij 0.0.
–
Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand ON
–
De MODE-knop zo vaak indrukken tot de weergavemodus TRIP 2 is geactiveerd.
–
De SET-knop ingedrukt houden.
De weergave TRIP 2 staat op 0.0.
400841-01
draaien.
BEDIENINGSELEMENTEN
32
Gecombineerd instrument - weergave TRIP F
5.24
Als het brandstofpeil de reservemarkering bereikt, wisselt de weergave automatisch
naar TRIP F en begint vanaf 0.0 te tellen, onafhankelijk van de op dat moment geactiveerde
weergavemodus.
Info
Wanneer TRIP F wordt weergegeven begint tegelijkertijd het waarschuwingslampje
voor het brandstofpeil te branden.
400842-01
Gecombineerd instrument - weergave omgevingstemperatuur
5.25
De omgevingstemperatuur  wordt weergegeven in °C of °F.
400893-13
BEDIENINGSELEMENTEN
33
Temperatuureenheid instellen
5.26
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
–
Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand ON
–
De MODE knop zo vaak indrukken tot de omgevingstemperatuur is geactiveerd.
–
De MODE knop ingedrukt houden tot de weergavemodus van °C naar °F of van °F naar °C
is gewisseld.
draaien.
400893-14
Gecombineerd instrument - waarschuwing voor glad wegdek
5.27
Als het vorstsymbool verschijnt bestaat er een verhoogd gevaar door een glad wegdek.
Het vorstsymbool verschijnt op de display als de omgevingstemperatuur onder de aangegeven waarde is gedaald.
Temperatuur
3 °C
Het vorstsymbool verdwijnt van de display als de omgevingstemperatuur weer boven de
aangegeven waarde is gestegen.
Temperatuur
400894-10
4 °C
BEDIENINGSELEMENTEN
34
Gecombineerd instrument - weergave koelmiddeltemperatuur
5.28
De temperatuur op de display wordt weergegeven met twaalf balkjes. Hoe hoger het aantal
brandende balkjes, hoe heter het koelmiddel. Als het bovenste balkje brandt beginnen tegelijkertijd alle balkjes te knipperen en het waarschuwingslampje voor de temperatuur gaat
branden.
Mogelijke toestanden
• Motor koud – Maximaal vijf balkjes branden.
• Warme motor – Zes tot elf balkjes branden.
• Hete motor – Alle twaalf balkjes knipperen.
700124-01
Noodknipperlichtschakelaar/noodknipperlichten
5.29
De noodknipperlichtschakelaar  bevindt zich links naast het gecombineerde instrument.
De noodknipperlichten worden gebruikt voor het aangeven van noodsituaties.
Info
De noodknipperlichten kunnen bij ingeschakelde ontsteking of tot 30 seconden na
het uitschakelen van de ontsteking worden geactiveerd of gedeactiveerd.
Noodknipperlichten enkel zolang activeren als beslist nodig is, aangezien de accu zo
leeg raakt.
B00658-10
Mogelijke toestanden
Noodknipperlichten uit
Noodknipperlichten aan – Alle vier knipperlichten, de noodknipperlichtschakelaar en het groene controlelampje voor het knipperlicht op het
gecombineerd instrument knipperen.
BEDIENINGSELEMENTEN
35
Stopcontact elektrische toebehoren
5.30
Het stopcontact  voor elektrische toebehoren is links naast het contact-/stuurslot aangebracht.
Deze is zonder extra schakelaar met de accu verbonden.
Stopcontact elektrische toebehoren
Spanning
12 V
Maximale stroomopname
10 A
B00614-10
Tankdop openen
5.31
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
–
Tank het voertuig nooit in de buurt van open vuur of brandende sigaretten en schakel de motor bij het tanken altijd uit. Let er
vooral op dat er geen brandstof wordt gemorst op de hete onderdelen van het voertuig. Gemorste brandstof meteen afvegen.
–
Als de brandstof wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uitstromen als de tank te vol zit. Neem de aanwijzingen voor het tanken van brandstof in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Erop letten dat brandstof niet in aanraking komt met de huid, ogen en kleding. Adem brandstofdampen niet in. Bij contact met
de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep. Als brandstof
is ingeslikt meteen een arts raadplegen. Kleding die in aanraking is gekomen met brandstof meteen uittrekken. Brandstof volgens de voorschriften bewaren in een jerrycan en uit de buurt van kinderen houden.
BEDIENINGSELEMENTEN
36
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
–
Klep op de tankdop  openklappen en contactsleutel insteken.
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Breken van de contactsleutel.
–
–
Voor de ontlasting van de contactsleutel op de tankdop duwen. Beschadigde contactsleutels moeten worden vervangen.
Contactsleutel 90° tegen de klok in draaien en tankdop verwijderen.
Info
B00615-10
De tankdop is voorzien van een ontluchtingssysteem.
Tankdop sluiten
5.32
B00616-01
–
Tankdop opzetten en contactsleutel 90° met de klok mee draaien.
–
Contactsleutel uittrekken en kap dichtklappen.
BEDIENINGSELEMENTEN
37
Handgrepen
5.33
Met de handgrepen  kan de motorfiets worden gerangeerd.
Als u een bijrijder meeneemt kan deze zich tijdens het rijden hieraan vasthouden.
600923-10
Bagagedrager
5.34
De bagagedragerplaat  bevindt zich achter het zadel.
Op de bagagedragerplaat kan de basisplaat van een koffersysteem (optioneel) worden
bevestigd.
De bagagedragerplaat mag maximaal met het aangegeven gewicht worden belast.
Maximaal toegestane belasting bagagedragerplaat
8 kg
Info
B00659-10
Opletten op de aanwijzingen van de kofferfabrikant.
BEDIENINGSELEMENTEN
38
Zadelslot
5.35
Het zadelslot  bevindt aan de achterzijde onder het achterlicht.
Hij kan worden vergrendeld met de contactsleutel.
600922-10
Boordgereedschap
5.36
Het boordgereedschap  bevindt zich onder het zadel.
B00612-10
BEDIENINGSELEMENTEN
39
Helmbeveiliging
5.37
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beperking van het rijgedrag en de bediening van de motorfiets door gemonteerde helmbeveiliging en/of helm.
–
B00687-10
De helmbeveiliging niet gebruiken voor de bevestiging van de helm of andere
voorwerpen tijdens het rijden. De helmbeveiliging moet altijd worden verwijderd
voordat u gaat rijden.
Met de staalkabel  uit het boordgereedschap kan de helm op het voertuig worden beveiligd tegen diefstal.
Voetsteunen bijrijder
5.38
De voetsteunen voor de bijrijder kunnen worden ingeklapt.
Mogelijke toestanden
• Voetsteunen bijrijder ingeklapt – Voor het rijden zonder bijrijder.
• Voetsteunen bijrijder uitgeklapt – Voor het rijden met bijrijder.
B00127-01
BEDIENINGSELEMENTEN
40
Versnellingshendel
5.39
De versnellingshendel  is aan de linkerzijde van de motor gemonteerd.
B00120-11
De posities van de versnellingen zijn weergegeven op de afbeelding.
De neutrale of vrije stand  bevindt zich tussen de 1e en 2e versnelling.
B00121-10
BEDIENINGSELEMENTEN
41
Rempedaal
5.40
Het rempedaal  bevindt zich voor de rechter voetsteun.
De achterwielrem wordt geschakeld met het rempedaal.
B00122-10
Zijstandaard
5.41
De zijstandaard  bevindt zich aan de linker voertuigzijde.
De zijstandaard is bestemd voor het parkeren van de motorfiets.
Info
Tijdens het rijden moet de zijstandaard omhooggeklapt zijn.
De zijstandaard is gekoppeld aan het veiligheidsstartsysteem, lees de rij-instructies.
B00663-10
Mogelijke toestanden
• Zijstandaard uitgeklapt – Het voertuig kan worden neergezet op de zijstandaard. Het
veiligheidsstartsysteem is actief.
• Zijstandaard ingeklapt – Deze stand is altijd vereist bij het rijden. Het veiligheidsstartsysteem is niet actief.
INBEDRIJFNAME
42
Aanwijzingen voor eerste inbedrijfname
6.1
Gevaar
Gevaar voor ongevallen Gevaar door onvoldoende rijvaardigheid.
–
Het voertuig niet gebruiken, wanneer u door consumptie van alcohol, medicijnen of drugs of door lichamelijke of psychische
beperkingen niet in staat bent veilig aan het verkeer deel te nemen.
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Geen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
–
Tijdens het rijden altijd beschermende kleding (helm, laarzen, handschoenen, broek en jack met bescherming) dragen. Erop
letten dat de beschermende kleding zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke voorschriften.
Waarschuwing
Gevaar voor vallen Beperking van het rijgedrag door verschillende bandprofielen aan voor- en achterwiel.
–
Voor- en achterwiel moeten altijd zijn uitgerust met banden met een gelijksoortig profiel, anders kan de motor oncontroleerbaar
worden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Ongecontroleerd rijgedrag door niet vrijgegeven en/of aanbevolen banden/wielen.
–
Alleen door KTM vrijgegeven en/of aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex gebruiken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde wegligging bij nieuwe banden.
–
Nieuwe banden hebben een glad contactvlak, waardoor het wegcontact niet volledig is. Het volledige contactvlak moet de eerste
200 kilometers bij een gematigde rijstijl en in verschillende schuine standen worden geruwd. Pas nadat de banden zijn ingereden wordt de volledige wegligging bereikt.
INBEDRIJFNAME
43
Info
Houd er bij het gebruik van het voertuig rekening mee, dat andere mensen last kunnen hebben van overmatig lawaai.
–
Verzeker u ervan dat de afleveringsinspectie is uitgevoerd in een geautoriseerde KTM-garage.
–
Voordat u voor het eerst gaat rijden de volledige bedieningshandleiding goed doorlezen.
–
Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bedieningselementen.
–
Uitgangspositie van de koppelingshendel instellen. (
–
Uitgangspositie van de remhendel instellen. (
–
Uitgangspositie rempedaal instellen. (
–
Oefen voordat u een lange rit gaat maken eerst op geschikt terrein, zodat u gewend raakt aan het besturen van het voertuig. Probeer
ook eens zo langzaam mogelijk te rijden zodat u meer gevoel voor de motorfiets krijgt.
–
Tijdens het rijden het stuur met beide handen vasthouden en de voeten op de voetsteunen laten rusten.
–
Motor inrijden. (
U ontvangt het afleveringsdocument en serviceboekje bij de overdracht van het voertuig.
pag. 86)
pag. 90)
pag. 95)
pag. 43)
Motor inrijden
6.2
–
Tijdens de inrijperiode het aangegeven motortoerental en motorvermogen niet overschrijden.
Voorgeschreven waarde
Maximaal motortoerental
–
Tijdens de eerste: 1.000 km
6.500 1/min
Na de eerste: 1.000 km
9.500 1/min
Vol gas geven vermijden!
INBEDRIJFNAME
44
Voertuig beladen
6.3
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag.
–
Het maximale totaalgewicht en asbelasting nooit overschrijden. Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de
gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de bestuurder en bijrijder met beschermende kleding en helm, plus de bagage.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag door ondeskundige montage van een bagagedrager of tanktas.
–
Bagagedrager en tanktas volgens de aanwijzingen van de producent monteren en borgen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag bij hoge snelheid.
–
De snelheid aanpassen aan eventuele extra belading. Rij langzamer, als uw motorfiets is beladen met bagage.
Maximumsnelheid met bagage
130 km/h
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Vernietiging van het koffersysteem.
–
Als u bagagekoffers op uw motorfiets hebt gemonteerd, moet u ook de aanwijzingen van de fabrikant over de maximale belading
in acht nemen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door verschoven bagage bent u slecht zichtbaar voor andere verkeersdeelnemers.
–
Als het achterlicht bedekt is, bent u moeilijk te zien voor de verkeersdeelnemers achter u, vooral als het donker is. Controleer
regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verschillend rijgedrag en langere remweg bij hoge extra belasting door bagage.
–
De snelheid aanpassen aan de extra belasting.
INBEDRIJFNAME
45
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag door verschoven bagage.
–
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Een heet uitlaatsysteem kan de bagage verbranden.
–
De bagage zo bevestigen, dat deze niet aan het hete uitlaatsysteem kan verbranden of schroeien.
–
Als u bagage meeneemt moet deze veilig worden vastgezet, zo veel mogelijk in het midden van het voertuig en het gewicht moet gelijkmatig zijn verdeeld over het voor- en achterwiel.
–
Rekening houden met het maximaal toegestane totaalgewicht en de maximale asbelasting.
Voorgeschreven waarde
Maximaal toegestaan totaalgewicht
400 kg
Maximaal toegestane asbelasting voor
160 kg
Maximaal toegestane asbelasting achter
250 kg
RIJ-INSTRUCTIES
46
Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfname
7.1
Info
Voordat u gaat rijden controleren of het voertuig in een goede staat is en of er veilig mee kan worden gereden.
Bij het rijden moet het voertuig technisch in een onberispelijke staat zijn.
–
Motoroliepeil controleren. (
–
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. (
–
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. (
–
Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
–
Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
–
Controleren of het remsysteem goed werkt.
–
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren. (
–
Vervuiling van de ketting controleren. (
–
Kettingspanning controleren. (
–
Toestand van de banden controleren. (
–
Bandenspanning controleren. (
–
Controleren of alle bedieningselementen goed zijn ingesteld en gemakkelijk bewegen.
–
Werking van de elektrische installatie controleren.
–
Controleren of de bagage correct is bevestigd.
–
Op de motorfiets gaan zitten en de stand van de achteruitkijkspiegel controleren.
–
Brandstofvoorraad controleren.
pag. 154)
pag. 91)
pag. 96)
pag. 93)
pag. 99)
pag. 144)
pag. 79)
pag. 81)
pag. 108)
pag. 110)
RIJ-INSTRUCTIES
47
Starten
7.2
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen, de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten
draaien zonder een geschikte afzuiginstallatie.
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Als de motorfiets met een lege of zonder accu wordt gebruikt, kunnen elektronische componenten en veiligheidsvoorzieningen worden beschadigd.
–
Motorfiets nooit met een lege of zonder accu gebruiken.
Aanwijzing
Beschadiging aan de motor Hoge toerentallen bij koude motor hebben een negatief effect op de levensduur van de motor.
–
Motor altijd met een laag toerental warmrijden.
–
Noodstopschakelaar in stand
–
Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand ON
schakelen.
draaien.
Na het inschakelen van het contact is er gedurende ongeveer twee seconden het
geluid van de werkende brandstofpomp te horen. Tegelijkertijd wordt de functietest
van het gecombineerde instrument uitgevoerd.
Het ABS-waarschuwingslampje gaat branden en gaat weer uit wanneer het voertuig
gaat rijden.
–
Versnelling in neutraal schakelen.
Het groene controlelampje voor neutraal N  brandt.
B00650-10
–
E-starterknop
indrukken.
RIJ-INSTRUCTIES
48
Info
E-starterknop pas indrukken als de functietest van het gecombineerde instrument is afgerond.
Tijdens het starten GEEN gas geven. Als er tijdens het starten gas wordt gegeven, wordt er geen brandstof ingespoten door het motormanagement en de motor
slaat dan niet aan.
Maximaal 5 seconden ononderbroken starten. Ten minste 5 seconden wachten
tot de volgende startpoging.
Deze motorfiets is uitgerust met een veiligheidsstartsysteem. De motor
kan alleen worden gestart, als de versnelling in vrij is geschakeld of als bij
geschakelde versnelling de koppelingshendel is getrokken. Als u met uitgeklapte
zijstandaard naar een versnelling schakelt en de koppelingshendel loslaat blijft
de motor stilstaan.
–
Zijstandaard ontlasten en met de voet tot de aanslag naar boven zwenken.
ABS uitschakelen
KTM adviseert altijd met ABS te rijden. Er kunnen zich echter rijsituaties voordoen,
waarbij een ABS niet gewenst is.
Voorwaarde
Voertuig staat stil, motor draait.
–
Knop  3 - 5 seconden persen.
Het ABS-waarschuwingslampje gaat knipperen, het ABS is gedeactiveerd.
400886-11
RIJ-INSTRUCTIES
49
Beginnen met rijden
7.3
–
Koppelingshendel trekken, in de 1e versnelling zetten, koppelingshendel langzaam vrijgeven en tegelijkertijd voorzichtig gas geven.
Schakelen, rijden
7.4
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Bij een abrupte verandering van de belasting kunt u de controle over de motorfiets verliezen.
–
Abrupte veranderingen in belasting en hard remmen vermijden en de snelheid aanpassen aan de rijwegsituatie.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Terugschakelen bij hoog motortoerental leidt tot blokkeren van het achterwiel.
–
Niet bij hoog motortoerental terugschakelen naar een lagere versnelling. De motor wordt overbelast en het achterwiel kan blokkeren.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Storingen veroorzaken door een verkeerde stand van de contactsleutel.
–
De contactsleutel niet in een andere stand zetten tijdens het rijden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Afleiding van het verkeer door het instellen van de motorfiets tijdens het rijden.
–
Instellingen mogen alleen worden gewijzigd als de motorfiets stilstaat.
Waarschuwing
Gevaar voor letsel De bijrijder moet in staat zijn, om zich zoals voorgeschreven op het bijrijderzadel vast te houden.
–
De bijrijder moet zich vasthouden aan de bestuurder of de daarvoor bestemde riem. De voeten moeten op de voetsteunen voor
bijrijder worden geplaatst. Neem hierbij ook de in uw land geldende voorschriften over de minimumleeftijd in acht.
RIJ-INSTRUCTIES
50
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Gevaar voor ongevallen door gevaarlijk rijgedrag.
–
Volg de verkeersregels en rijd defensief en anticiperend, om gevaren zo vroeg mogelijk te herkennen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde wegligging bij koude banden.
–
Iedere keer dat u gaat rijden moeten de eerste kilometers voorzichtig en met gematigde snelheid worden gereden, totdat de
banden hun rijtemperatuur hebben bereikt en zo een optimale wegligging garandeerd is.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde wegligging bij nieuwe banden.
–
Nieuwe banden hebben een glad contactvlak, waardoor het wegcontact niet volledig is. Het volledige contactvlak moet de eerste
200 kilometers bij een gematigde rijstijl en in verschillende schuine standen worden geruwd. Pas nadat de banden zijn ingereden wordt de volledige wegligging bereikt.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag.
–
Het maximale totaalgewicht en asbelasting nooit overschrijden. Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de
gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de bestuurder en bijrijder met beschermende kleding en helm, plus de bagage.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag door verschoven bagage.
–
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Ontbrekende verkeersveiligheid.
–
Als u met het voertuig bent gevallen moet hij daarna worden gecontroleerd, zoals altijd voordat u gaat rijden.
Aanwijzing
Beschadiging van de motor Ongefilterde aanzuiglucht heeft een negatief effect op de levensduur van de motor.
RIJ-INSTRUCTIES
–
51
Voertuig nooit zonder luchtfilter gebruiken omdat er dan stof en vervuiling in de motor terecht kunnen komen en dat heeft een hogere
slijtage tot gevolg.
Aanwijzing
Beschadiging van de motor Oververhitting van de motor.
–
Als de waarschuwingsindicator voor de koelmiddeltemperatuur brandt, moet u de motorfiets stoppen en de motor uitzetten. Motor laten
afkoelen en het koelmiddelpeil in de radiateur controleren en indien nodig corrigeren. Wanneer u toch doorrijdt als de waarschuwingsindicator voor de koelmiddeltemperatuur brandt kan de motor beschadigen.
Info
Als u tijdens het rijden ongewone geluiden hoort, moet u meteen stoppen, de motor uitzetten en contact opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
–
Als de verhoudingen het toestaan (helling, rijsituatie e.d.) kunt u naar hogere versnellingen schakelen.
–
Gas terug nemen, gelijktijdig koppelingshendel trekken, naar volgende versnelling schakelen, koppelingshendel vrijgeven en gas geven.
Info
De posities van de zes voorwaartse versnellingen zijn weergegeven op de afbeelding. De neutrale of vrije stand bevindt zich tussen de 1e en 2e versnelling. De
1e versnelling is de start- of bergversnelling.
B00121-10
–
Nadat met een volledig opengedraaide gashendel de maximale snelheid is bereikt, moet
u deze op ¾ gas terugdraaien. De snelheid verlaagt nauwelijks, maar er wordt aanmerkelijk minder brandstof verbruikt.
–
Uw snelheid aanpassen aan de wegtoestand en weersituatie. Vooral in bochten mag er
niet worden geschakeld en slechts voorzichtig gas worden gegeven.
–
Voor het terugschakelen van de motorfiets indien nodig afremmen en tegelijkertijd gas
terugnemen.
RIJ-INSTRUCTIES
52
–
Koppelingshendel trekken en naar een lagere versnelling schakelen, koppelingshendel
langzaam vrijgeven en gas geven of nog een keer schakelen.
–
Als de motor bijvoorbeeld afslaat bij een kruising hoeft u alleen de koppelingshendel
te trekken en de e-starterknop in te drukken. De versnelling hoeft niet in neutraal te
worden geschakeld.
–
De motor uitzetten als het voertuig langere tijd stationair draait of stilstaat.
–
Als tijdens het rijden het FI waarschuwingslampje (MIL) gaat branden moet u meteen
stoppen. Op het moment dat de versnelling in vrij staat begint het FI waarschuwingslampje (MIL) te knipperen.
Info
Via het knipperritme kunt een tweecijferig getal ontcijferen. Dit wordt de
knippercode genoemd. De knippercode geeft aan, welke component een storing
heeft.
–
Als het vorstsymbool op het gecombineerde instrument verschijnt moet u rekening
houden met een glad wegdek. De snelheid aanpassen aan de gewijzigde rijwegsituatie.
Afremmen
7.5
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door natte of vervuilde remmen.
–
Vervuilde of natte remmen voorzichtig schoon- resp. droogremmen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door poreus drukpunt van de voor- en/of achterwielrem.
–
Remsysteem controleren, niet meer verder rijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
RIJ-INSTRUCTIES
53
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken. De achterwielrem kan door oververhitting uitvallen. De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt remmen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Langere remweg door hoger totaalgewicht.
–
Houd rekening met een langere remweg, als u met een bijrijder of bagage rijdt.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Vertraagde remwerking op wegen met strooizout.
–
Strooizout kan zich afzetten op de remschijven. Om de normale remwerking weer te herstellen moeten de remschijven eerst
schoon geremd worden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Langere remweg door ABS.
–
De remwijze moet worden aangepast aan de rijsituatie en de wegtoestand.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door te sterk remmen blokkeren de wielen.
–
De werking van het ABS kan alleen worden gegarandeerd, wanneer deze ook is ingeschakeld.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Blokkeren van het wiel door de remwerking van de motor.
–
–
Bij het remmen in geval van nood, volledig remmen en bij remmen op gladde ondergrond moet u altijd de koppeling trekken.
Voor het remmen gas terugnemen en tegelijkertijd remmen met de voorwiel- en achterwielrem.
RIJ-INSTRUCTIES
54
Info
Met ABS kunt u zowel bij een volledige afremming als bij een slecht contact met de ondergrond op zandige, natte of gladde
ondergrond de volledige remkracht gebruiken, zonder het risico te lopen dat de wielen blokkeren.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderd wegcontact door remmen in schuine stand of remmen op een ondergrond die aan de zijkanten afloopt.
–
Remmen afsluiten voordat u een bocht inrijdt.
–
Het remmen moet altijd voor het begin van de bocht zijn afgerond. Daarbij afhankelijk van de snelheid naar een lagere versnelling
schakelen.
–
Bij lange afdalingen de remwerking van de motor gebruiken. Daarvoor een of twee versnellingen terugschakelen en hierbij de motor
niet op een te hoog toerental laten draaien. Zo hoeft u veel minder te remmen en raken de remmen niet oververhit.
Stoppen, parkeren
7.6
Waarschuwing
Gevaar voor diefstal Gebruik door onbevoegde personen.
–
Het voertuig nooit onbeheerd laten staan als de motor draait. Het voertuig tegen onbevoegd gebruik beveiligen. Bij het verlaten
van het voertuig het stuur op slot zetten en contactsleutel uittrekken.
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Sommige onderdelen van het voertuig worden tijdens het rijden zeer heet.
–
Hete onderdelen zoals uitlaatsysteem, radiateur, motor, schokdempers en remmen niet aanraken. De onderdelen eerst laten
afkoelen voordat u met werkzaamheden aan deze onderdelen begint.
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
–
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
RIJ-INSTRUCTIES
55
Aanwijzing
Gevaar voor brand Sommige onderdelen van de motorfiets worden bij gebruik van de motorfiets zeer heet.
–
Motorfiets niet op plaatsen laten staan met licht brandbare en/of ontvlambare materialen. Geen voorwerpen over het bedrijfswarme
voertuig leggen. Het voertuig altijd eerst laten afkoelen.
Aanwijzing
Schade aan materiaal Beschadiging en vernietiging van componenten door overmatige belasting.
–
De zijstandaard is alleen geschikt voor het gewicht van de motorfiets. Ga niet op de motorfiets zitten als hij op de zijstandaard staat.
De zijstandaard of het frame kunnen beschadigen en de motorfiets kan omvallen.
–
Motorfiets afremmen.
–
Versnelling in neutraal schakelen.
–
Contact uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand OFF
draaien.
Info
Als de motor met de noodstopschakelaar is uitgeschakeld en op het contactslot het contact ingeschakeld blijft, wordt de
stroomvoeding van de meeste stroomverbruikers niet onderbroken en ontlaadt de accu. Motor daarom altijd met het contactslot
uitzetten, de noodstopschakelaar is alleen bestemd voor noodgevallen.
–
Motorfiets parkeren op vaste ondergrond.
–
Zijstandaard met de voet helemaal naar voren zwenken en met het voertuig belasten.
–
Het stuur blokkeren. Daarvoor het stuur naar links zetten, contactsleutel in de stand OFF omlaag duwen en in de stand draaien.
Om het vastklikken in de stuurblokkering gemakkelijker te maken, het stuur in kleine afstanden heen en weer bewegen. Contactsleutel
uittrekken.
RIJ-INSTRUCTIES
56
Brandstof tanken
7.7
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
–
Tank het voertuig nooit in de buurt van open vuur of brandende sigaretten en schakel de motor bij het tanken altijd uit. Let er
vooral op dat er geen brandstof wordt gemorst op de hete onderdelen van het voertuig. Gemorste brandstof meteen afvegen.
–
Als de brandstof wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uitstromen als de tank te vol zit. Neem de aanwijzingen voor het tanken van brandstof in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Erop letten dat brandstof niet in aanraking komt met de huid, ogen en kleding. Adem brandstofdampen niet in. Bij contact met
de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep. Als brandstof
is ingeslikt meteen een arts raadplegen. Kleding die in aanraking is gekomen met brandstof meteen uittrekken.
Aanwijzing
Schade aan materiaal Voortijdige slijtage van het brandstoffilter.
–
In enkele landen en regio's kan het voorkomen, dat de beschikbare brandstof niet voldoende kwaliteit of zuiverheid heeft. Dit leidt tot
problemen in het brandstofsysteem. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
–
Alleen zuivere brandstof tanken, die voldoet aan de aangegeven norm.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
Info
Deze motorfiets is uitgerust met een geregelde katalysator. Loodhoudende brandstof vernietigt de katalysator. Daarom alleen loodvrije brandstof gebruiken.
RIJ-INSTRUCTIES
57
–
Motor uitzetten.
–
Tankdop openen. (
–
Brandstoftank met brandstof vullen tot maximaal maat .
pag. 35)
Voorgeschreven waarde
Maat 
401182-10
–
35 mm
Brandstoftankvolume totaal ca.
19 l
Tankdop sluiten. (
pag. 36)
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
( pag. 194)
bij brandstof met laag octaangetal
Aanwijzing
Beschadiging van de motor Slechte brandstofkwaliteit is nadelig voor de motor.
–
–
–
Het voertuig maximaal één brandstoftankvulling laten rijden met een octaangetal lager dan 95 (ROZ 95 / RON 95 / PON 91).
–
De ontstekingscurve moet worden ingesteld op brandstof met een laag octaangetal.
Ontstekingscurve aanpassen aan de brandstofkwaliteit. (
pag. 152)
De SET knop  twee seconden indrukken.
Het waarschuwingslampje voor het brandstofpeil  verdwijnt. TRIP F wordt op 0.0
gezet en de vorige weergavemodus verschijnt.
Info
Als de SET  knop niet wordt ingedrukt, wordt de waarde na ca. 3 minuten
automatisch teruggezet.
400885-12
SERVICESCHEMA
58
Serviceschema
8.1
K10N
K75A
K150A
K300A
Werking van de elektrische installatie controleren.
•
•
•
•
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
x
Meetwaardeblok-service controleren met KTM-diagnosetool.
x
x(
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.
Olievernevelaars naar koppelingsmering controleren.
Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
Remschijven van de voorwielrem controleren. (
pag. 93)
pag. 99)
pag. 96)
Remkabels op beschadiging en dichtheid controleren.
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. (
Vrije slag van het rempedaal controleren. (
•
•
x
pag. 90)
Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
Remschijf van de achterwielrem controleren. (
pag. 155)
pag. 96)
pag. 94)
Schokdemper en voorvork controleren op dichtheid. Voorvorkservice en schokdemperservice op
basis van behoefte en beoogd gebruik.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Achterbruglagers controleren.
x
Speling wiellagers controleren. x
Toestand van de banden controleren. (
Bandenspanning controleren. (
pag. 108)
pag. 110)
Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en kettinggeleiding controleren. (
Kettingspanning controleren. (
pag. 84)
pag. 81)
Alle bewegende onderdelen (bijv. zijstandaard, hendels, ketting, ...) smeren en controleren of ze
gemakkelijk bewegen.
x
SERVICESCHEMA
59
K10N
Vuilschrapers van de vorkpoten reinigen.
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. (
Vorkpoten ontluchten. (
pag. 91)
•
pag. 72)
Balhoofdspeling controleren.
Bougies vervangen.
•
K75A
K150A
K300A
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
x
Klepspeling controleren.
x
Alle slangen (bijv. brandstof-, radiateur-, ontluchting-, aftapslangen, ...) en manchetten controleren op scheuren, dichtheid en correcte legging.
x
Antivries en koelmiddelpeil controleren. (
pag. 142)
•
Kabelboom van de regelklep controleren op beschadiging en correcte legging.
Kabels controleren op beschadiging en knikvrije legging.
•
x
x
Bowdenkabels controleren op beschadiging, knikvrije legging en instelling.
Luchtfilter vervangen. Luchtfilterbak reinigen.
Brandstofdruk controleren.
•
•
x
x
Waarde druksensor inlaatluchtbuis (PM-waarde) controleren met KTM-diagnosetool.
CO-aanpassing controleren met KTM-diagnosetool.
x
x
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling controleren/corrigeren. (
Controleren of de schroeven en moeren goed vastzitten.
Koelmiddel verversen.
•
x
pag. 87)
•
•
x
Remvloeistof voorwielrem verversen.
x
Remvloeistof achterwielrem verversen. x
Koppeling controleren. x
•
•
•
•
•
•
SERVICESCHEMA
Stand van de koplamp controleren. (
60
pag. 136)
K10N
K75A
K150A
K300A
•
•
•
•
•
•
•
•
Eindcontrole: controleren of het voertuig verkeersveilig is en een proefrit maken.
•
•
•
•
Foutengeheugen met KTM-diagnosetool uitlezen na een proefrit.
•
•
•
•
•
•
•
•
Werking van de radiateurventilator controleren.
x
x
Service op KTM DEALER.NET en in het serviceboekje vermelden. x
K10N: eenmalig na 1.000 km
K75A: om de 7.500 km of jaarlijks
K150A: om de 15.000 km of om de 2 jaar
K300A: om de 30.000 km of om de 4 jaar
CHASSIS AFSTELLEN
61
Voorvork/schokdemper
9.1
Voorvork en schokdemper bieden veel mogelijkheden, om het chassis aan te passen aan uw
rijstijl en eventuele extra belading.
Info
700587-01
Om deze aanpassing voor u te vereenvoudigen, hebben we onze ervaringsgegevens
in tabel  samengevat. U vindt de tabel op de luchtfilterbak, nadat u het zadel hebt
verwijderd. Bij vrijwel alle instellingen, met uitzondering van de veervoorspanning
van de schokdemper, wordt vanuit de maximaal ingedraaide positie op de aangegeven waarden afgesteld. De stelschroeven niet met kracht tegen de aanslag draaien.
De laatste voelbare klik als laatste positie nemen.
Deze instelwaarden zijn richtwaarden en vormen altijd slechts de basis voor uw eigen persoonlijke afstelling van het chassis. De instellingen niet willekeurig wijzigen (maximaal ±
40%), aangezien anders de rijeigenschappen vooral tijdens hoge snelheden kunnen verslechteren.
Ingaande demping voorvork instellen
9.2
Info
De hydraulische ingaande demping bepaalt het gedrag bij het inveren van de voorvork.
Een optimale ingaande demping garandeert, dat de voorvork bij hard remmen en snelle wijziging van de belasting niet te ver en te
snel inveert. De bestuurder krijgt hierdoor een goede feedback over de weggesteldheid.
CHASSIS AFSTELLEN
62
–
Stelschroeven  met de klok mee draaien tot de aanslag.
Info
De stelschroeven bevinden zich aan het onderste uiteinde van de vorkpoten.
De instelling van beide vorkpoten moet gelijk zijn.
–
Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen de klok in terugdraaien.
Voorgeschreven waarde
Ingaande demping
B00617-10
Comfort
25 klikken
Standaard
20 klikken
Sport
15 klikken
Volledige nuttige belasting
15 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt
de demping bij het inveren.
Uitgaande demping voorvork instellen
9.3
Info
De hydraulische uitgaande demping bepaalt het gedrag bij het uitveren van de voorvork.
Een optimaal ingestelde uitgaande demping remt de opgewekte veerenergie, waardoor de voorvork snel en zonder schommelingen
kan worden teruggezet in de nulpositie.
CHASSIS AFSTELLEN
63
–
Stelschroeven  met de klok mee draaien tot de aanslag.
Info
De stelschroeven bevinden zich aan het bovenste uiteinde van de vorkpoten.
De instelling van beide vorkpoten moet gelijk zijn.
–
Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen de klok in terugdraaien.
Voorgeschreven waarde
Uitgaande demping
B00618-10
Comfort
25 klikken
Standaard
20 klikken
Sport
15 klikken
Volledige nuttige belasting
15 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt
de demping bij het uitveren.
Veervoorspanning voorvork instellen
9.4
Info
De veervoorspanning bepaalt de uitgangspositie bij het veren van de voorvork.
Een optimaal ingestelde veervoorspanning is aangepast aan het gewicht van de bestuurder eventueel met bagage en bijrijder en
zorgt zo voor een compromis tussen hanteerbaarheid en stabiliteit.
CHASSIS AFSTELLEN
64
–
Stelschroeven  met de klok mee draaien tot de aanslag.
Info
De stelschroeven bevinden zich aan het bovenste uiteinde van de vorkpoten.
De instelling van beide vorkpoten moet gelijk zijn.
–
Afhankelijk van het voorvorktype een aantal slagen tegen de klok in terugdraaien.
Voorgeschreven waarde
Veervoorspanning - Preload Adjuster
B00618-11
Comfort
5 omwentelingen
Standaard
5 omwentelingen
Sport
3 omwentelingen
Volledige nuttige belasting
3 omwentelingen
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de voorspanning, draaien tegen de klok in
verlaagt de voorspanning van de veren.
Een verandering van de veervoorspanning is niet van invloed op de uitgaande
demping, hoewel de stelschroeven bij het instellen meedraaien. Toch moet bij
verandering van de veervoorspanning altijd ook de uitgaande demping worden
aangepast.
CHASSIS AFSTELLEN
65
Ingaande demping schokdemper
9.5
B00619-01
De ingaande demping van de schokdemper is verdeeld in twee bereiken, high speed en low
speed.
High- en low speed hebben betrekking op de snelheid waarmee het achterwiel inveert en
niet op de rijsnelheid.
De high speed-instelling is van invloed op de landing na een sprong. Het achterwiel veert
daarbij snel in.
De low speed-instelling is van invloed op het rijden over lange hobbels op de ondergrond.
Het achterwiel veert daarbij langzaam in.
De beide bereiken kunnen apart worden ingesteld, de overgang tussen high en low speed is
echter vloeiend. Daarom zijn wijzigingen in het high speed-bereik van de ingaande demping
ook van invloed op het low speed-bereik en omgekeerd.
Ingaande demping low speed van schokdemper instellen
9.6
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Het demonteren van onder druk staande onderdelen kan letsel veroorzaken.
–
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof. Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Info
De low speed-instelling toont haar werking bij het langzaam tot normaal inveren van de schokdemper.
CHASSIS AFSTELLEN
66
–
Stelschroef  met een schroevendraaier met de klok mee draaien tot de laatste voelbare klik.
Info
Schroef  niet losdraaien!
–
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen de klok in terugdraaien.
Voorgeschreven waarde
Ingaande demping low speed
B00619-10
Comfort
25 klikken
Standaard
20 klikken
Sport
15 klikken
Volledige nuttige belasting
15 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt
de demping.
Ingaande demping high speed van schokdemper instellen
9.7
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Het demonteren van onder druk staande onderdelen kan letsel veroorzaken.
–
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof. Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Info
De high speed-instelling toont haar werking bij het snel inveren van de schokdemper.
CHASSIS AFSTELLEN
67
–
Stelschroef  met een dopsleutel met de klok mee draaien tot de aanslag.
Info
Schroef  niet losdraaien!
–
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal slagen tegen de klok in terugdraaien.
Voorgeschreven waarde
Ingaande demping high speed
B00619-11
Comfort
2 omwentelingen
Standaard
1,5 omwentelingen
Sport
1 omwenteling
Volledige nuttige belasting
1 omwenteling
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt
de demping.
Uitgaande demping schokdemper instellen
9.8
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Het demonteren van onder druk staande onderdelen kan letsel veroorzaken.
–
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof. Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
CHASSIS AFSTELLEN
68
–
Stelschroef  met de klok mee draaien tot de laatste voelbare klik.
–
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen de klok in terugdraaien.
Voorgeschreven waarde
Uitgaande demping
B00620-10
Comfort
20 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
10 klikken
Volledige nuttige belasting
10 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt
de demping bij het uitveren.
Veervoorspanning schokdemper instellen
9.9
x
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Wijzigingen aan het chassis kunnen het rijgedrag van het voertuig sterk veranderen.
–
Na wijzigingen eerst langzaam rijden om het rijgedrag te kunnen beoordelen.
Info
De veervoorspanning bepaalt de uitgangspositie voor de vering op de schokdemper.
Een optimaal ingestelde veervoorspanning is aangepast aan het gewicht van de bestuurder eventueel met bagage en bijrijder en
zorgt zo voor een compromis tussen hanteerbaarheid en stabiliteit.
Voordat u de veervoorspanning wijzigt, wordt aanbevolen de actuele instelling noteren - bijvoorbeeld door de veerlengte te meten.
–
Achterwiel en achterbrug ontlasten.
CHASSIS AFSTELLEN
69
Info
De veervoorspanning kan alleen correct worden ingesteld als het achterwiel en
de achterbrug volledig ontlast zijn.
–
Contraring  losdraaien.
–
Stelring  draaien tot de veer volledig ontspannen is.
Haaksleutel (T157S)
–
Totale veerlengte in ontspannen toestand meten.
–
Veer door het draaien van de stelring  op de voorgeschreven maat spannen.
Voorgeschreven waarde
Veervoorspanning
B00619-12
–
Comfort
10 mm
Standaard
10 mm
Sport
10 mm
Volledige nuttige belasting
12 mm
Contraring  vastdraaien.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
70
Motorfiets met hefbok vooraan opkrikken
10.1
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
–
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
–
Motorfiets met hefbok achteraan opkrikken. (
–
Stuur in rechtuitstand zetten. Hefbok vooraan met de adapters uitlijnen op de vorkpoten.
pag. 71)
Hefbok vooraan (61029055300)
Info
Motorfiets altijd eerst achteraan opkrikken.
–
Motorfiets vooraan opkrikken.
B00623-01
Motorfiets van hefbok vooraan nemen
10.2
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
–
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
–
Motorfiets beveiligen tegen omvallen.
–
Hefbok vooraan verwijderen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Motorfiets met hefbok achteraan opkrikken
10.3
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
–
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
–
Hefbokbevestigingen op de achterbrug monteren.
–
Adapter in de hefbok achteraan plaatsen.
Adapter (61029055120)
Hefbok achteraan (61029055400)
–
Motorfiets verticaal zetten, hefbok uitlijnen aan de achterbrug en de bevestigingen.
Motorfiets opkrikken.
B00622-01
Motorfiets van hefbok achteraan nemen
10.4
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
–
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
–
Motorfiets beveiligen tegen omvallen.
–
Hefbok achteraan verwijderen en voertuig op de zijstandaard plaatsen.
–
Hefbokbevestigingen van achterbrug verwijderen.
71
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
72
Vorkpoten ontluchten
10.5
–
Motorfiets op zijstandaard zetten.
–
Ventilatieschroeven  even verwijderen.
Als de druk te hoog is, dan verdwijnt de overtollige druk uit de binnenruimte van de
voorvork.
–
Ventilatieschroeven monteren en vastdraaien.
Info
Aan beide vorkpoten uitvoeren.
B00621-10
Zadel afnemen
10.6
600922-10
–
De contactsleutel in het zadelslot  steken en met de klok mee draaien.
–
Het zadel achter optillen, naar de achteren schuiven en naar boven toe afnemen.
–
De contactsleutel uit het zadelslot trekken.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
73
Zadel monteren
10.7
–
De voorste inkepingen  van het zadel op de bolkopschroeven op de brandstoftank
positioneren, achter omlaag brengen en tegelijkertijd naar voren schuiven. Daarbij moeten de beide uitsteeksels  in het frame haken en de vergrendelingsbout  in het slothuis worden gevoerd.
Het zadel klikt hoorbaar vast.
–
Vervolgens controleren of het zadel correct is gemonteerd.
B00624-10
Helmbeveiliging op voertuig monteren
10.8
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beperking van het rijgedrag en de bediening van de motorfiets door gemonteerde helmbeveiliging en/of
helm.
–
De helmbeveiliging niet gebruiken voor de bevestiging van de helm of andere voorwerpen tijdens het rijden. De helmbeveiliging
moet altijd worden verwijderd voordat u gaat rijden.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
74
–
Zadel afnemen. (
–
De staalkabel uit het boordgereedschap met een van de lussen op de pen  positioneren.
pag. 72)
Staalkabel (60012015000)
B00688-10
–
De staalkabel door de helmopening halen.
–
De vrije lus van de staalkabel ook op de pen positioneren.
–
Helm voorzichtig aan de zijkant van het voertuig positioneren.
–
Zadel monteren. (
–
Zadel afnemen. (
–
Maskerspoiler demonteren. (
–
Schroeven  en spoiler aan beide zijden verwijderen.
pag. 73)
Brandstoftank terugzetten
10.9
B00669-10
pag. 72)
pag. 76)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
75
Schroef  aan beide zijden verwijderen.
Info
De brandstofslangen hoeven niet te worden afgenomen.
–
Brandstoftank voorzichtig naar achteren schuiven.
–
Brandstoftank voorzichtig naar voren schuiven.
B00670-11
Brandstoftank positioneren
10.10
De bevestigingen van de brandstoftank moeten in de uitsparingen grijpen.
–
Schroef  met lagerhuls en rubberbus aan beide zijden monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
–
B00670-10
M8
Legging van de brandstofslangen controleren.
25 Nm
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
76
Spoiler aan beide zijden positioneren. Schroeven  monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef spoiler
M6
–
Maskerspoiler inbouwen. (
–
Zadel monteren. (
–
Schroeven  verwijderen.
B00669-11
Maskerspoiler demonteren
10.11
B00625-10
pag. 78)
pag. 73)
3,3 Nm
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Schroeven  verwijderen.
–
Maskerspoiler afnemen.
–
Schroeven  verwijderen.
–
Binnenbekleding van de maskerspoiler afnemen.
–
Deze stappen aan de tegenoverliggende zijde herhalen.
B00671-10
700633-01
77
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Maskerspoiler inbouwen
10.12
–
Binnenbekleding van de maskerspoiler positioneren.
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
–
Maskerspoiler positioneren.
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
700633-10
B00625-11
78
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
79
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
–
Deze stappen aan de tegenoverliggende zijde herhalen.
–
Ketting controleren op grove vervuiling.
B00671-11
Vervuiling ketting controleren
10.13
»
Als de ketting erg vuil is:
–
Ketting reinigen. (
pag. 79)
400678-01
Ketting reinigen
10.14
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Smeermiddel op de banden vermindert de grip van de banden.
–
Smeermiddel verwijderen met een geschikt reinigingsmiddel.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
80
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door olie of vet op de remschijven.
–
Remschijven beslist olie- en vetvrij houden en indien nodig behandelen met een remmenreiniger.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
De levensduur van de ketting is voor een groot deel afhankelijk van het onderhoud.
–
Ketting regelmatig reinigen.
–
Grove vervuiling afspoelen met een zachte waterstraal.
–
Verbruikte smeerresten met een kettingreiniger verwijderen.
Kettingreinigingsmiddel (
–
Na het drogen kettingspray aanbrengen.
Kettingspray onroad (
400725-01
pag. 197)
pag. 197)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
81
Kettingspanning controleren
10.15
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Gevaar door verkeerde kettingspanning.
–
Als de ketting te strak is gespannen worden de componenten van de secundaire krachtoverbrenging (ketting,
ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en lager in de aandrijving en het achterwiel) extra belast. Dit kan leiden tot vroegtijdige slijtage
en in het uiterste geval kunnen ook de ketting of de uitgaande as van de aandrijving breken. Als de ketting echter te los zit kan
deze van het ketting-aandrijfwiel resp. het kettingwiel vallen en het achterwiel blokkeren of de motor beschadigen. Op een
correcte kettingspanning letten en indien nodig bijstellen.
–
Motorfiets op zijstandaard zetten.
–
Versnelling in neutraal schakelen.
–
De ketting in het deel achter het glijblok omhoog trekken in de richting van de achterbrug en de kettingspanning  bepalen.
Info
Het bovenste deel van de ketting  moet daarbij gespannen zijn.
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, de meting daarom op verschillende plekken van de ketting herhalen.
Kettingspanning
700570-01
»
7 mm
Als de kettingspanning niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Kettingspanning instellen. (
pag. 82)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
82
Kettingspanning instellen
10.16
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Gevaar door verkeerde kettingspanning.
–
Als de ketting te strak is gespannen worden de componenten van de secundaire krachtoverbrenging (ketting,
ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en lager in de aandrijving en het achterwiel) extra belast. Dit kan leiden tot vroegtijdige slijtage
en in het uiterste geval kunnen ook de ketting of de uitgaande as van de aandrijving breken. Als de ketting echter te los zit kan
deze van het ketting-aandrijfwiel resp. het kettingwiel vallen en het achterwiel blokkeren of de motor beschadigen. Op een
correcte kettingspanning letten en indien nodig bijstellen.
–
Kettingspanning controleren. (
pag. 81)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
83
–
Moer  losdraaien.
–
Moeren  losdraaien.
–
Kettingspanning door het draaien van de stelschroeven  links en rechts instellen.
Voorgeschreven waarde
Kettingspanning
7 mm
Stelschroeven  links en rechts zo draaien, dat de markeringen aan de linker en
rechter kettingspanner  in dezelfde positie staan ten opzichte van de referentiemarkeringen . Zo wordt het achterwiel correct uitgelijnd.
Info
Het bovenste deel van de ketting moet daarbij gespannen zijn.
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig. Daarom de instelling op verschillende
plekken van de ketting controleren.
–
Moeren  vastdraaien.
–
Controleren of de kettingspanners  tegen de stelschroeven  liggen.
–
Moer  vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
B00626-10
Moer steekas achter
M25x1,5
90 Nm
Schroefdraad ingevet
Info
Door een groter verstelbereik van de kettingspanner (32 mm) kan bij gelijke kettinglengte met verschillende secundaire overbrengingen worden gereden.
De kettingspanners  kunnen 180° worden gedraaid.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
84
Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en kettinggeleiding controleren
10.17
–
Kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren op slijtage.
»
Als kettingwiel en ketting-aandrijfwiel ingesleten zijn:
–
Kettingwiel en/of ketting-aandrijfwiel vervangen.
x
Info
Ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en ketting moeten altijd samen worden
vervangen.
100132-10
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
85
–
Versnelling in neutraal schakelen.
–
Aan het onderste deel van de ketting trekken met het aangegeven gewicht .
Voorgeschreven waarde
Gewicht voor meting van de kettingslijtage
–
15 kg
De afstand  van 18 kettingschakels aan het onderste deel van de ketting meten.
Info
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, de meting daarom op verschillende plekken van de ketting herhalen.
Maximale afstand  op het langste deel
van de ketting
»
272 mm
Als de afstand  groter is dan de aangegeven maat:
–
Ketting vervangen.
x
Info
700572-01
Als er een nieuwe ketting wordt gemonteerd, moeten ook het kettingwiel
en ketting-aandrijfwiel worden vervangen.
Nieuwe kettingen slijten sneller op een oud en versleten kettingwiel en/of
ketting-aandrijfwiel.
De ketting heeft om veiligheidsredenen geen kettingslot.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Glijblok controleren op slijtage.
»
Als er geen afstand meer is van de ketting tot aan de bovenrand van de schroef:
–
–
86
Glijblok vervangen.
x
Controleren of het glijblok goed vastzit.
»
Wanneer het glijblok los zit.
–
Glijblok vastzetten.
Voorgeschreven waarde
B00653-01
–
M5
5 Nm
–
Schroef glijblok
M6
6 Nm
Loctite® 243™
Onderste glijblok op slijtage controleren.
»
Als bij het onderste glijblok in het bereik  de boring te zien is:
–
–
Schroef glijblok
Onderste glijblok vervangen.
x
Controleren of het onderste glijblok goed vastzit.
»
Als het onderste glijblok loszit:
–
Onderste glijblok vastzetten.
Voorgeschreven waarde
B00654-10
Schroef onderste glijblok
EJOT PT K60x20
Uitgangspositie koppelingshendel instellen
10.18
Info
Als de stelschroef met de klok mee wordt gedraaid komt de koppelingshendel verder van het stuur af te staan.
Als de stelschroef tegen de klok in wordt gedraaid komt de koppelingshendel dichter bij het stuur te staan.
Het instelbereik is beperkt.
De stelschroef alleen met de hand draaien en geen geweld gebruiken.
Niet instellen tijdens het rijden.
2 Nm
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
87
–
Uitgangspositie van de koppelingshendel met de stelschroef  aan de grootte van de
hand aanpassen.
–
Bij het instellen van de koppelingshendel een minimale afstand aanhouden tot de overige het voertuigonderdelen.
Voorgeschreven waarde
Minimale afstand
5 mm
B00608-12
Vloeistofpeil hydraulische koppeling controleren/corrigeren
10.19
Info
Het vloeistofpeil stijgt naarmate de koppelingsplaten zijn versleten.
Geen remvloeistof gebruiken.
–
Het aan het stuur gemonteerde reservoir van de hydraulische koppeling in horizontale
positie zetten.
–
Schroeven  verwijderen.
–
Deksel  met membraan  afnemen.
–
Vloeistofpeil controleren.
Vloeistofpeil lager dan bovenzijde van het
reservoir
B00672-10
»
4 mm
Als het vloeistofpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling corrigeren.
Hydraulische olie (15) (
pag. 194)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en vastdraaien.
88
REMMEN
89
ABS / Anti Blokkeer Systeem
11.1
De ABS-unit  bestaat uit een hydraulische unit, ABS‑besturingsunit en retourpomp en
is onder het zadel gemonteerd. Er bevindt zich een wieltoerentalsensor  aan het voor- en
achterwiel.
40
0
3
Waarschuwing
2
0
Gevaar voor ongevallen Beperkte werking van de ABS
0
1
0
2
401188-10
–
Bij wijzigingen zoals kortere en langere veerafstanden, andere velgdiameters,
andere banden, verkeerde bandenspanning, andere remplaketten en dergelijke
kan het ABS niet meer optimaal werken.
–
De optimale werking van het ABS is enkel gegarandeerd, wanneer voor het remsysteem uitsluitend door KTM vrijgegeven en/of aanbevolen reserveonderdelen
en banden worden gebruikt.
–
Onderhoudswerkzaamheden en reparaties moeten vakkundig worden uitgevoerd.
(De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Het ABS is een veiligheidssysteem, dat het blokkeren van de wielen bij het rechtuit rijden
zonder inwerking van zijwaartse krachten voorkomt.
Het ABS werkt met twee onafhankelijk van werkende remcircuits (voorwiel- en achterwielrem). Bij normaal rijden werkt het remsysteem als een conventioneel remsysteem zonder
ABS. Pas wanneer de ABS-besturingsunit de blokkeerneiging van een wiel herkent, begint
het ABS door het regelen van de remdruk te werken. De regeling is voelbaar door een licht
pulseren aan remhendel of rempedaal.
Het ABS‑waarschuwingslampje  moet na het inschakelen van de ontsteking gaan branden
en uitgaan wanneer het voertuig rijdt. Wanneer het lampje na het optrekken niet uitgaat of
tijdens het rijden gaat branden, dan duidt dit op een fout in het ABS-systeem. Het ABS is
dan niet meer actief en de wielen kunnen bij het remmen blokkeren. Het remsysteem zelf
blijft gewoon werken, alleen de ABS-regeling valt uit.
Het ABS‑waarschuwingslampje kan ook gaan branden, wanneer in extreme rijsituaties het
toerental van het voor- of achterwiel sterk van elkaar afwijken, bijv. bij een wheelie of als
het achterwiel doordraait. Daardoor wordt het ABS uitgeschakeld.
REMMEN
90
Om het ABS weer te activeren, moet het voertuig worden gestopt en de ontsteking uitgeschakeld. Wanneer u weer met het voertuig gaat rijden, wordt ook het ABS weer geactiveerd. Het ABS‑waarschuwingslampje gaat dan uit wanneer het voertuig rijdt.
Met de knop  kan het ABS met de hand worden uitgeschakeld (zie starten).
Uitgangspositie remhendel instellen
11.2
–
Remhendel naar voren trekken.
–
Uitgangspositie van de remhendel met het stelwiel  aan de grootte van de hand aanpassen.
Info
Niet instellen tijdens het rijden.
B00627-10
Remschijven voorwielrem controleren
11.3
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door versleten remschijf/remschijven.
–
Versleten remschijf/remschijven meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
REMMEN
91
–
Op meerdere plekken van de remschijven controleren of de dikte van de remschijven
overeenkomt met maat .
Info
Door slijtage vermindert de dikte van de remschijven in het bereik van het raakvlak  van de remplaketten.
Remschijven - slijtagegrens
voor
100135-10
»
Als de dikte van de remschijf onder de voorgeschreven waarde ligt:
–
–
4,5 mm
Remschijven vervangen.
x
Remschijven controleren op beschadiging, scheuren en vervorming.
»
Als de remschijven beschadigd, gescheurd of vervormd zijn:
–
Remschijven vervangen.
x
Remvloeistofpeil voorwielrem controleren
11.4
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering MIN dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versleten remplaketten. Remsysteem controleren, niet meer verder rijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door te oude remvloeistof.
–
Remvloeistof van voor- en achterwielrem volgens serviceschema verversen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
REMMEN
92
–
Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir in horizontale positie zetten.
–
Remvloeistofpeil van het remvloeistofreservoir  controleren.
»
Als het remvloeistofpeil onder de MIN markering is gedaald:
–
Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen.
x(
pag. 92)
B00628-10
Remvloeistof voorwielrem bijvullen
11.5
x
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering MIN dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versleten remplaketten. Remsysteem controleren, niet meer verder rijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof kan bij aanraking leiden tot huidirritaties.
–
Erop letten dat remvloeistof niet in aanraking komt met de huid of ogen en houd deze buiten bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Als er remvloeistof in de ogen komt, moet u de ogen grondig met water spoelen en meteen een arts raadplegen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door te oude remvloeistof.
–
Remvloeistof van voor- en achterwielrem volgens serviceschema verversen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
REMMEN
93
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
In geen geval remvloeistof DOT 5 gebruiken! Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Pakkingen en remkabels zijn
niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Erop letten dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen. Remvloeistof vreet lak aan!
Alleen schone remvloeistof gebruiken uit een gesloten verpakking!
–
Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir in horizontale positie zetten.
–
Schroeven verwijderen.
–
Deksel  met membraan  afnemen.
–
Remvloeistof tot markering MAX vullen.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
B00629-10
pag. 196)
Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en vastdraaien.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met water afwassen.
Remplaketten voorwielrem controleren
11.6
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door versleten remplaketten.
–
Versleten remplaketten meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
REMMEN
94
Aanwijzing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door beschadigde remschijven.
–
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Daardoor vermindert de remwerking
aanmerkelijk en de remschijven beschadigen onherstelbaar. Remplaketten regelmatig controleren.
–
Controleren of alle remplaketten aan beide remklauwen de minimale plaketdikte 
hebben.
Minimale plaketdikte 
»
Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
–
–
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
x
Alle remplaketten aan beide remklauwen controleren op beschadiging en scheuren.
»
B00630-01
≥ 1 mm
Als er beschadigingen of scheuren te herkennen zijn:
–
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
x
Vrije slag rempedaal controleren
11.7
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als er geen vrije slag aan het rempedaal aanwezig is bouwt er zich druk op in het remsysteem op de achterwielrem. De achterwielrem kan door oververhitting uitvallen. Vrije slag van het rempedaal instellen volgens de voorgeschreven waarden.
REMMEN
95
–
Rempedaal tussen eindaanslag en tot aan de aanzet richting zuigerstang heen en weer
bewegen en vrije slag  controleren.
Voorgeschreven waarde
Vrije slag rempedaal
3… 5 mm
Info
De zuigerstang mag daarbij niet bewegen.
»
600921-10
Als de vrije slag niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Vrije slag weer tot stand brengen.
Uitgangspositie rempedaal instellen
11.8
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als er geen vrije slag aan het rempedaal aanwezig is bouwt er zich druk op in het remsysteem op de achterwielrem. De achterwielrem kan door oververhitting uitvallen. Vrije slag van het rempedaal instellen volgens de voorgeschreven waarden.
–
Moer  losdraaien en drukstang  draaien totdat het rempedaal in de gewenste positie
staat.
Minimaal twee schroefgangen zijn te zien aan de onderste moer.
Info
Het instelbereik is beperkt.
B00665-10
–
Vrije slag van het rempedaal controleren. (
–
Moer  vastdraaien.
pag. 94)
REMMEN
96
Remschijf achterwielrem controleren
11.9
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door versleten remschijf/remschijven.
–
Versleten remschijf/remschijven meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
–
Op meerdere plekken van de remschijf controleren of de dikte van de remschijf overeenkomt met maat .
Info
Door slijtage vermindert de dikte van de remschijf in het bereik van het raakvlak  van de remplaketten.
Remschijf - slijtagegrens
achter
400480-10
»
Als de dikte van de remschijf onder de voorgeschreven waarde ligt:
–
–
4,5 mm
Remschijf vervangen.
x
Remschijf controleren op beschadiging, scheuren en vervorming.
»
Als de remschijf beschadigd, gescheurd of vervormd is:
–
Remschijven vervangen.
x
Remvloeistofpeil achterwielrem controleren
11.10
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering MIN dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versleten remplaketten. Remsysteem controleren, niet meer verder rijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
REMMEN
97
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door te oude remvloeistof.
–
Remvloeistof van voor- en achterwielrem volgens serviceschema verversen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
–
Het voertuig verticaal zetten.
–
Remvloeistofpeil in het remvloeistofreservoir controleren.
»
Als het vloeistofpeil de MIN markering  heeft bereikt:
–
Remvloeistof van de achterwielrem bijvullen.
x(
pag. 97)
B00131-10
Remvloeistof achterwielrem bijvullen
11.11
x
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering MIN dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versleten remplaketten. Remsysteem controleren, niet meer verder rijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof kan bij aanraking leiden tot huidirritaties.
–
Erop letten dat remvloeistof niet in aanraking komt met de huid of ogen en houd deze buiten bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Als er remvloeistof in de ogen komt, moet u de ogen grondig met water spoelen en meteen een arts raadplegen.
REMMEN
98
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door te oude remvloeistof.
–
Remvloeistof van voor- en achterwielrem volgens serviceschema verversen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
In geen geval remvloeistof DOT 5 gebruiken! Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Pakkingen en remkabels zijn
niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Erop letten dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen. Remvloeistof vreet lak aan!
Alleen schone remvloeistof gebruiken uit een gesloten verpakking!
B00132-10
–
Schroeven  verwijderen.
–
Deksel  met membraan  afnemen.
REMMEN
99
–
Remvloeistof tot markering  vullen.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
pag. 196)
Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en vastdraaien.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met water afwassen.
B00133-10
Remplaketten achterwielrem controleren
11.12
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door versleten remplaketten.
–
Versleten remplaketten meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door beschadigde remschijven.
–
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Daardoor vermindert de remwerking
aanmerkelijk en de remschijven beschadigen onherstelbaar. Remplaketten regelmatig controleren.
REMMEN
100
–
Controleren of de remplaketten de minimale plaketdikte  hebben.
Minimale plaketdikte 
»
Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
–
–
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
x
Remplaketten controleren op beschadiging en scheuren.
»
Als er beschadigingen of scheuren te herkennen zijn:
–
B00631-01
≥ 1 mm
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
x
WIELEN, BANDEN
Voorwiel demonteren
12.1
101
x
–
Motorfiets met hefbok achteraan opkrikken. (
–
Motorfiets met hefbok vooraan opkrikken. (
–
Kabel wieltoerentalsensor uit de klem halen.
–
Schroef  verwijderen en wieltoerentalsensor  met huls uit de boring trekken.
–
Schroeven  aan beide remklauwen verwijderen.
–
Remplaketten terugduwen op de remschijf door de remklauw licht naar de zijkant te
kantelen. Remklauwen voorzichtig naar achteren van de remschijven trekken en opzij
hangen.
pag. 71)
pag. 70)
Info
Remhendel niet gebruiken als de remklauwen verwijderd zijn.
B00632-10
–
Schroef  en schroeven  losdraaien.
–
Schroef  ca. 6 slagen eruit schroeven en met de hand op de schroef drukken, om de
steekas uit de asopname te schuiven. Schroef  verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door beschadigde remschijven.
–
–
B00633-10
Het wiel altijd zo neerleggen, dat de remschijven niet worden beschadigd.
Voorwiel vasthouden en steekas eruit trekken. Voorwiel uit de voorvork nemen.
WIELEN, BANDEN
Voorwiel monteren
12.2
102
x
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door olie of vet op de remschijven.
–
Remschijven beslist olie- en vetvrij houden en indien nodig behandelen met een remmenreiniger.
–
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
»
Wanneer de wiellager beschadigd of versleten is:
–
–
Wiellager vervangen.
x
Linker en rechter afstandsbus en de keerringen reinigen, invetten en monteren.
Duurzaam vet (
pag. 197)
–
Schroef  en steekas  reinigen.
–
Voorwiel in voorvork tillen, positioneren en steekas erin plaatsen.
De pijl op de spaak wijst in looprichting.
–
Schroef  monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef steekas voor
B00634-10
M25x1,5
45 Nm
WIELEN, BANDEN
103
–
Huls op de wieltoerentalsensor  schuiven en samen in de boring steken. Schroef 
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef wieltoerentalsensor
B00632-11
M6
6 Nm
Loctite® 243™
–
Kabel wieltoerentalsensor in de houder vastzetten.
–
Remklauwen positioneren en daarbij letten op correcte plaatsing van de remplaketten.
–
Schroeven  aan beide remklauwen monteren, niet vastdraaien.
–
Remhendel meerdere keren indrukken tot de remplaketten tegen de remschijf liggen en
er een drukpunt aanwezig is. Remhendel ingedrukt vastzetten.
Remklauwen worden uitgelijnd.
–
Schroeven  aan beide remklauwen vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef remklauw voor
M10x1,25
45 Nm
–
Remhendel weer losmaken.
–
Motorfiets van hefbok vooraan nemen. (
–
Motorfiets van hefbok achteraan nemen. (
–
Voorwielrem indrukken en voorvork enkele keren krachtig inveren.
Loctite® 243™
pag. 70)
pag. 71)
Vorkpoten worden uitgelijnd.
–
Schroeven  vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef asopname
B00686-10
M8
15 Nm
WIELEN, BANDEN
Achterwiel demonteren
12.3
104
x
B00626-11
–
Motorfiets met hefbok achteraan opkrikken. (
–
Schroef  verwijderen en wieltoerentalsensor  uit de boring trekken.
–
Moer  verwijderen. Kettingspanner  verwijderen.
–
Steekas  zover eruit trekken, dat de kettingspanner niet meer tegen de stelschroef
ligt.
pag. 71)
WIELEN, BANDEN
105
–
Achterwiel zo ver mogelijk naar voren schuiven en ketting van het kettingwiel verwijderen.
–
Steekas eruit trekken.
–
Achterwiel naar achteren trekken tot de remklauwhouder vrij tussen remschijf en velg
hangt.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door beschadigde remschijven.
–
B00135-01
–
Het wiel altijd zo neerleggen, dat de remschijven niet worden beschadigd.
Achterwiel voorzichtig uit de achterbrug nemen zonder de velg en/of remschijf te
beschadigen.
Info
Rempedaal niet intrappen als het achterwiel is gedemonteerd.
Achterwiel monteren
12.4
x
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door olie of vet op de remschijven.
–
Remschijven beslist olie- en vetvrij houden en indien nodig behandelen met een remmenreiniger.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Geen remwerking bij het intrappen van de achterwielrem.
–
Na het inbouwen van het achterwiel altijd het rempedaal intrappen totdat er een drukpunt aanwezig is.
–
Achterdempers van de achterwielnaaf controleren.
x(
pag. 108)
WIELEN, BANDEN
106
–
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
»
Wanneer de wiellager beschadigd of versleten is:
–
–
Wiellager vervangen.
x
Bus  verwijderen. Loopvlak van bus en keerring reinigen en invetten.
Duurzaam vet (
pag. 197)
–
Bus monteren.
–
Schroefdraad van de steekas en moer reinigen en invetten.
B00635-10
Duurzaam vet (
–
pag. 197)
Aangrijppunten aan de remklauwhouder en achterbrug reinigen.
WIELEN, BANDEN
107
–
Steunlagers van remklauwhouder  en achterbrug laten ingrijpen. Achterwiel voorzichtig in de achterbrug tillen en remschijf bevestigen. Ketting op het kettingwiel leggen en
de steekas monteren.
–
Kettingspanner  en moer  monteren.
Info
Kettingspanner links en rechts in dezelfde positie monteren.
–
Het achterwiel naar voren duwen, zodat de kettingspanners tegen de spanschroeven
liggen en moer vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
De markeringen op de kettingspanners moeten links en rechts in dezelfde positie ten
opzichte van de referentiemarkeringen  staan, zodat het achterwiel correct is uitgelijnd.
Moer steekas achter
–
M25x1,5
90 Nm
Schroefdraad ingevet
Wieltoerentalsensor  in de boring steken. Schroef  monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef wieltoerentalsensor
B00626-12
M6
6 Nm
Loctite® 243™
–
Rempedaal meerdere keren indrukken tot de remplaketten tegen de remschijf liggen en
er een drukpunt aanwezig is.
–
Motorfiets van hefbok achteraan nemen. (
–
Kettingspanning controleren. (
pag. 81)
pag. 71)
WIELEN, BANDEN
108
Achterdempers achterwielnaaf controleren
12.5
x
Info
De kracht van de motor wordt door het kettingwiel met 5 achterdempers overgebracht op het achterwiel. Deze slijten tijdens het
rijden. Als de achterdempers niet op tijd worden vervangen, beschadigen de kettingwielhouder en de achterwielnaaf.
–
Achterwiel demonteren.
–
Kettingwieldrager afnemen.
–
Achterdempers van de achterwielnaaf controleren op beschadiging en slijtage.
»
pag. 104)
Als de achterdempers van de achterwielnaaf zijn beschadigd of versleten:
–
–
x(
Achterdemper vervangen.
x
Kettingwieldrager positioneren.
Info
Een zoveel mogelijk spelingsvrij paar bout-achterdemper verhoogt de levensduur
van de achterdempers.
B00636-01
–
Achterwiel monteren.
x(
pag. 105)
Toestand banden controleren
12.6
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Oncontroleerbaar rijgedrag door klappen van een band.
–
Beschadigde of versleten banden voor uw eigen veiligheid meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
WIELEN, BANDEN
109
Waarschuwing
Gevaar voor vallen Beperking van het rijgedrag door verschillende bandprofielen aan voor- en achterwiel.
–
Voor- en achterwiel moeten altijd zijn uitgerust met banden met een gelijksoortig profiel, anders kan de motor oncontroleerbaar
worden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Ongecontroleerd rijgedrag door niet vrijgegeven en/of aanbevolen banden/wielen.
–
Alleen door KTM vrijgegeven en/of aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex gebruiken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde wegligging bij nieuwe banden.
–
Nieuwe banden hebben een glad contactvlak, waardoor het wegcontact niet volledig is. Het volledige contactvlak moet de eerste
200 kilometers bij een gematigde rijstijl en in verschillende schuine standen worden geruwd. Pas nadat de banden zijn ingereden wordt de volledige wegligging bereikt.
Info
Het type, de toestand en de spanning van de banden zijn van invloed op het rijgedrag van de motorfiets.
Versleten banden hebben vooral bij natte ondergrond een slechte invloed op het rijgedrag.
–
De voor- en achterbanden controleren op insnijdingen, voorwerpen die tijdens het rijden
in de band zijn gaan zitten en andere beschadigingen.
»
Als er insnijdingen, voorwerpen die tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten en
andere beschadigingen aan de banden te zien zijn:
–
–
Banden wisselen.
Profieldiepte controleren.
Info
400602-10
De minimale profieldiepte volgens de nationale wetgeving in acht nemen.
WIELEN, BANDEN
110
Minimale profieldiepte
»
Als de minimale profieldiepte lager is dan de minimale waarde:
–
–
≥ 2 mm
Banden wisselen.
Leeftijd van de banden controleren.
Info
De productiedatum van de banden staat meestal op het opschrift van de banden
en wordt met de laatste vier cijfers van de DOT aanduiding gekenmerkt. De eerste twee cijfers wijzen op de week van productie en de laatste twee cijfers op het
jaar van productie.
KTM adviseert de banden te wisselen, onafhankelijk van de daadwerkelijke slijtage van de banden, uiterlijk echter na 5 jaar.
»
Als de band ouder is dan vijf jaar:
–
Banden vervangen.
Bandenspanning controleren
12.7
Info
Een te lage bandenspanning leidt tot buitengewone slijtage en oververhitting van de band.
Een goede bandenspanning garandeert een optimaal rijcomfort en maximale levensduur van de band.
WIELEN, BANDEN
111
–
Ventieldopje verwijderen.
–
Bandenspanning controleren bij koude banden.
Bandenspanning Solo
voor
2,4 bar
achter
2,4 bar
Bandenspanning met bijrijder / volledige nuttige belasting
400695-01
»
2,4 bar
achter
2,6 bar
Als de bandenspanning niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
–
voor
Bandenspanning corrigeren.
Ventieldopje monteren.
Info
De rubberpakking in het ventieldopje voorkomt het uitstromen van lucht uit de
band als het ventiel defect is.
ELEKTRONICA
Accu uitbouwen
13.1
112
x
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
–
Houd accu's buiten bereik van kinderen.
–
Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.
–
Voorkom contact met accuzuur en accugassen.
–
Houd vonken of open vuur uit de buurt van de accu. Laad de accu alleen in goed geventileerde ruimtes.
–
Bij aanraking met de huid met veel water spoelen. Als er accuzuur in de ogen komt, ten minste 15 minuten met water spoelen
en een arts opzoeken.
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Als de motorfiets met een lege of zonder accu wordt gebruikt, kunnen elektronische componenten en veiligheidsvoorzieningen worden beschadigd.
–
Motorfiets nooit met een lege of zonder accu gebruiken.
B00637-10
–
Alle verbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
–
Zadel afnemen. (
–
Minkabel  van de accu loskoppelen.
pag. 72)
ELEKTRONICA
113
–
Pluspoolafdekking  verwijderen.
–
Pluskabel  van de accu loskoppelen.
–
Rubberband  losmaken.
–
Accu naar boven toe uit de accuhouder trekken.
–
Accu in de accuhouder positioneren.
B00638-10
Accu inbouwen
13.2
x
Info
De accupolen moeten in de rijrichting wijzen.
B00638-11
–
Rubberband  vasthaken.
–
Pluskabel  op de accu aansluiten.
–
Pluspoolafdekking  positioneren.
ELEKTRONICA
114
–
Minkabel  op de accu aansluiten.
–
Zadel monteren. (
–
Tijd instellen. (
pag. 73)
pag. 29)
B00637-11
Accu laden
13.3
x
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
–
Houd accu's buiten bereik van kinderen.
–
Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.
–
Voorkom contact met accuzuur en accugassen.
–
Houd vonken of open vuur uit de buurt van de accu. Laad de accu alleen in goed geventileerde ruimtes.
–
Bij aanraking met de huid met veel water spoelen. Als er accuzuur in de ogen komt, ten minste 15 minuten met water spoelen
en een arts opzoeken.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Componenten en zuren van de accu zijn schadelijk voor het milieu.
–
Accu's nooit bij het huisvuil gooien. Voer een defecte accu op milieuvriendelijke wijze af. Geef de accu af bij uw KTM-dealer of
bij een inzamelpunt voor oude accu's.
ELEKTRONICA
115
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
Ook als de accu niet wordt belast verliest hij dagelijks aan lading.
De laadtoestand en de wijze van laden is erg belangrijk voor de levensduur van de accu.
Snel laden met een hogere laadstroom heeft een negatief effect op de levensduur.
Als de laadstroom, laadspanning en laadtijd worden overschreden ontsnapt er elektrolyt via de veiligheidskleppen. Daardoor verliest
de accu aan capaciteit.
Als de accu leeg is gestart moet hij meteen weer worden geladen.
Bij langere stilstand in lege toestand treedt er diepteontlading en sulftatie op en dat kan leiden tot vernietiging van de accu.
De accu is onderhoudsvrij, dat betekent dat het zuurniveau niet hoeft te worden gecontroleerd.
–
Alle verbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
–
Zadel afnemen. (
–
Minkabel van de accu loskoppelen om beschadiging van de boordelektronica te voorkomen.
pag. 72)
ELEKTRONICA
116
–
Acculader op de accu aansluiten. Acculader inschakelen.
Acculader (58429074000)
Met deze acculader kunt u ook de rustspanning en het startvermogen van de accu en
dynamo testen. Bovendien kan met deze lader de accu niet worden overladen.
Info
Verwijder nooit het deksel .
Accu laden met maximaal 10% van de capaciteit, dat op het accuhuis  is aangegeven.
–
Acculader na het laden uitschakelen. Accu aansluiten.
Voorgeschreven waarde
Laadstroom, laadspanning en laadtijd mogen niet worden overschreden.
Accu regelmatig bijladen als de motorfiets niet wordt gebruikt
–
Zadel monteren. (
3 maanden
pag. 73)
700588-01
Hoofdzekering vervangen
13.4
Waarschuwing
Gevaar voor brand Door het gebruik van verkeerde zekeringen kan het elektrisch systeem overbelast raken.
–
Alleen zekeringen gebruiken met het voorgeschreven aantal ampères. Zekeringen nooit overbruggen of repareren.
ELEKTRONICA
117
Info
Met de hoofdzekering worden alle stroomverbruikers van het voertuig beveiligd. De hoofdzekering bevindt zicht onder het zadel.
–
Alle verbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
–
Zadel afnemen. (
–
Schermkappen  afnemen.
–
Defecte hoofdzekering  verwijderen.
pag. 72)
Info
Een defecte zekering herkent u aan de gebroken smeltdraad .
In het startrelais bevindt zich een reservezekering .
–
Nieuwe hoofdzekering inzetten.
Zekering (58011109130) (
pag. 184)
Tip
Nieuwe reservezekering in het startrelais plaatsen, zodat u er een bij u hebt als
het nodig is.
B00640-10
–
Schermkappen  opsteken.
–
Zadel monteren. (
pag. 73)
ELEKTRONICA
118
Zekeringen ABS vervangen
13.5
Waarschuwing
Gevaar voor brand Door het gebruik van verkeerde zekeringen kan het elektrisch systeem overbelast raken.
–
Alleen zekeringen gebruiken met het voorgeschreven aantal ampères. Zekeringen nooit overbruggen of repareren.
Info
Twee zekeringen voor het ABS bevinden zich onder het zadel. Met deze beide zekeringen zijn de retourpomp en de hydraulische
unit van de ABS beveiligd. De derde zekering, waarmee de ABS-besturingsunit is beveiligd bevindt zich in het zekeringenblok.
–
Alle verbruikers uitschakelen en motor afzetten.
–
Zadel afnemen. (
pag. 72)
Zekering hydraulische ABS-eenheid vervangen:
– Beschermkap verwijderen en zekering  verwijderen.
–
Nieuwe zekering plaatsen.
Zekering (58011109130)
B00639-10
–
Controleren het ABS-waarschuwingslampje nog brandt.
–
Beschermkap monteren.
ELEKTRONICA
119
Zekering ABS-retourpomp vervangen:
– Beschermkap verwijderen en zekering  verwijderen.
–
Nieuwe zekering plaatsen.
Zekering (58011109130)
–
–
Controleren het ABS-waarschuwingslampje nog brandt.
–
Beschermkap monteren.
Zadel monteren. (
pag. 73)
B00639-11
Zekeringen afzonderlijke stroomverbruikers vervangen
13.6
Waarschuwing
Gevaar voor brand Door het gebruik van verkeerde zekeringen kan het elektrisch systeem overbelast raken.
–
Alleen zekeringen gebruiken met het voorgeschreven aantal ampères. Zekeringen nooit overbruggen of repareren.
Info
Het zekeringenblok met de zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers bevindt zich onder het zadel.
–
Alle verbruikers uitschakelen en motor afzetten.
–
Zadel afnemen. (
pag. 72)
ELEKTRONICA
120
–
Deksel van het zekeringenblok  openen.
–
Zekeringen controleren.
Info
Een defecte zekering herkent u aan de gebroken smeltdraad .
–
Defecte zekering verwijderen.
Voorgeschreven waarde
Zekering 1 - 10 A - ontsteking, brandstofpomp, noodknipperlichten
B00648-10
Zekering 2 - 15 A - groot licht, dimlicht, zijlicht, achterlicht, nummerplaatverlichting
Zekering 3 - 10 A - claxon, remlicht, richtingaanwijzer
Zekering 4 - 10 A - radiateurventilator
Zekering 5 - 10 A - ontsteking (EFI-unit), wegrijblokkering
Zekering 6 - 10 A - gecombineerd instrument, extra apparatuur (continu plus), alarminstallatie (optioneel), stopcontact
Zekering 7 - 10 A - extra apparatuur (met contactschakelaar geschakelde plus)
Zekering 8 - 10 A - ABS
Zekering 9 - geen functie
Zekering 10 - geen functie
Zekering SPARE - 10 A/15 A - reservezekeringen
–
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
Zekering (75011088010) (
pag. 184)
Zekering (75011088015) (
pag. 184)
Tip
Nieuwe reservezekering plaatsen, zodat u er een bij u hebt als het nodig is.
ELEKTRONICA
121
–
Deksel van zekeringenblok sluiten.
–
Zadel monteren. (
pag. 73)
Lamp koplamp vervangen
13.7
Aanwijzing
Beschadiging van de reflector Verminderde werking van de verlichting.
–
Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.
B00668-01
–
Alle verbruikers uitschakelen en motor afzetten.
–
Afdekking verwijderen.
ELEKTRONICA
122
–
Stekker  loskoppelen.
–
Rubberkap  verwijderen.
–
Beugel  losmaken.
–
Lamp koplamp  verwijderen.
–
Nieuwe lamp in het koplamphuis positioneren.
B00673-10
Dimlicht/groot licht (H4 / sokkel P43t) (
pag. 184)
Info
Lamp van de koplamp zo plaatsen, dat de uitsteeksels in de groeven grijpen.
B00674-10
B00673-10
–
Beugel positioneren.
–
Rubberkap  monteren.
–
Stekker  erin steken.
ELEKTRONICA
123
–
Afdekking monteren.
–
Werking van de lampen controleren.
B00668-01
Zijlichtlamp vervangen
13.8
Aanwijzing
Beschadiging van de reflector Verminderde werking van de verlichting.
–
Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.
B00668-01
–
Alle verbruikers uitschakelen en motor afzetten.
–
Afdekking verwijderen.
ELEKTRONICA
124
–
Kabeldoorvoer  en fitting van het zijlicht voorzichtig uit het huis trekken.
–
Lamp verwijderen.
–
Nieuwe lamp in de fitting positioneren.
Zijlicht (W5W / sokkel W2,1x9,5d) (
–
Fitting met lamp voorzichtig in het huis positioneren.
–
Kabeldoorvoer monteren.
–
Afdekking monteren.
–
Werking van de lampen controleren.
B00675-10
B00668-01
pag. 184)
ELEKTRONICA
125
Knipperlichtlamp vervangen
13.9
Aanwijzing
Beschadiging van de reflector Verminderde werking van de verlichting.
–
Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.
–
Schroef aan achterzijde van het knipperlichthuis verwijderen.
–
Diffusorplaat  voorzichtig afnemen.
–
Lamp  zacht tegen de fitting duwen, ca. 30° tegen de klok in draaien en uit de fitting
trekken.
–
Nieuwe lamp zachtjes in de fitting duwen en met de klok mee draaien tot de aanslag.
Richtingaanwijzer (RY10W / sokkel BAU15s) (
101147-10
pag. 184)
–
Richtingaanwijzer controleren op goede werking.
–
Diffusorplaat positioneren.
–
Schroef inzetten en eerst tegen de klok in draaien, tot de schroef met een kleine ruk
vastklikt in schroefgang. Schroef licht vastdraaien.
Remlichtlamp vervangen
13.10
Aanwijzing
Beschadiging van de reflector Verminderde werking van de verlichting.
–
Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.
–
Zadel afnemen. (
pag. 72)
ELEKTRONICA
126
–
Schroeven  verwijderen.
–
Grepen verwijderen.
–
Schroeven  aan linker en rechter hittebescherming verwijderen.
–
Hittebescherming verwijderen.
B00641-10
B00642-10
ELEKTRONICA
127
–
Schroeven  aan het linker en rechter deel van de achterzijde verwijderen.
–
Schroeven  verwijderen.
–
Achterzijdelen verwijderen.
–
Schroeven  verwijderen.
–
Bovenste deel achterzijde verwijderen.
B00643-10
B00644-10
ELEKTRONICA
128
–
Lampfitting  tot de aanslag tegen de klok in draaien en uit het achterlicht nemen.
–
Lamp zacht tegen de fitting duwen, tegen de klok in draaien en uit de fitting trekken.
–
Nieuwe lamp zachtjes in de fitting duwen en met de klok mee draaien tot de aanslag.
Remlicht (PR21W / sokkel BAW15s) (
pag. 185)
–
Lampfitting in het achterlicht steken en met de klok mee draaien tot de aanslag.
–
De werking van het remlichtsysteem controleren.
–
Bovenste deel achterzijde positioneren.
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
B00645-10
Voorgeschreven waarde
B00644-10
Overige schroeven chassis
M5
5 Nm
Overige schroeven chassis
EJOT PT K50x18
T20
2 Nm
ELEKTRONICA
129
–
Zijdelen achterzijde positioneren.
–
Schroeven  aan het linker en rechter deel van de achterzijde monteren en
vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef zijdeel achterkant
–
EJOT Altracs
50x16
Eerste schroefverbinding
3,3 Nm
Latere schroefverbindingen
2 Nm
Overige schroeven chassis
M5
5 Nm
Overige schroeven chassis
EJOT PT K50x12
T20
1,2 Nm
Schroeven  monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
B00643-10
–
Hittebescherming positioneren.
–
Schroeven  aan de linker en hittebescherming monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bagagedrager
B00642-10
M8
15 Nm
Loctite® 243™
ELEKTRONICA
130
–
Grepen positioneren.
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef handgreep
–
Zadel monteren. (
M8
20 Nm
pag. 73)
B00641-10
Achterlichtlampen vervangen
13.11
Aanwijzing
Beschadiging van de reflector Verminderde werking van de verlichting.
–
Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.
B00641-10
–
Zadel afnemen. (
–
Schroeven  verwijderen.
–
Grepen verwijderen.
pag. 72)
ELEKTRONICA
131
–
Schroeven  aan linker en rechter hittebescherming verwijderen.
–
Hittebescherming verwijderen.
–
Schroeven  aan het linker en rechter deel van de achterzijde verwijderen.
–
Schroeven  verwijderen.
–
Achterzijdelen verwijderen.
B00642-10
B00643-10
ELEKTRONICA
132
–
Schroeven  verwijderen.
–
Bovenste deel achterzijde verwijderen.
–
Lampfitting  voorzichtig uit de houder trekken.
–
Lamp verwijderen.
–
Nieuwe lamp in de fitting positioneren.
B00644-10
Achterlicht (WR5W / sokkel W2,1x9,5d) (
pag. 185)
–
Fitting met lampen voorzichtig in de houder in het achterlicht positioneren.
–
De werking van de achterlichten controleren.
–
Bovenste deel achterzijde positioneren.
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
B00646-10
Voorgeschreven waarde
B00644-10
Overige schroeven chassis
M5
5 Nm
Overige schroeven chassis
EJOT PT K50x18
T20
2 Nm
ELEKTRONICA
133
–
Zijdelen achterzijde positioneren.
–
Schroeven  aan het linker en rechter deel van de achterzijde monteren en
vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef zijdeel achterkant
–
EJOT Altracs
50x16
Eerste schroefverbinding
3,3 Nm
Latere schroefverbindingen
2 Nm
Overige schroeven chassis
M5
5 Nm
Overige schroeven chassis
EJOT PT K50x12
T20
1,2 Nm
Schroeven  monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
B00643-10
–
Hittebescherming positioneren.
–
Schroeven  aan de linker en hittebescherming monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bagagedrager
B00642-10
M8
15 Nm
Loctite® 243™
ELEKTRONICA
134
–
Grepen positioneren.
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef handgreep
M8
–
Zadel monteren. (
–
Schroeven  verwijderen.
–
Afdekking van nummerplaatverlichting verwijderen.
pag. 73)
B00641-10
Kentekenplaatverlichting vervangen
13.12
700602-01
20 Nm
ELEKTRONICA
135
–
Fitting  voorzichtig uit de houder trekken.
–
Lamp verwijderen.
–
Nieuwe lamp in de fitting positioneren.
Nummerplaatverlichting (W5W / sokkel W2,1x9,5d) (
–
Fitting met lamp voorzichtig in de houder positioneren.
–
Afdekking positioneren.
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
–
De werking van de kentekenplaatverlichting controleren.
700603-01
700602-01
pag. 185)
ELEKTRONICA
136
Stand koplamp controleren
13.13
A
0
–
Voertuig op een horizontale ondergrond voor een lichte muur zetten en in de hoogte van
het midden van de koplamp een markering aanbrengen.
–
Nog een markering aanbrengen op een afstand  onder de eerste markering.
Voorgeschreven waarde
0
B
Afstand 
–
5 cm
Voertuig op afstand  loodrecht voor de muur zetten en het dimlicht inschakelen.
Voorgeschreven waarde
Afstand 
400726-10
5m
–
Nu gaat de bestuurder, eventueel met bagage en bijrijder op de motorfiets zitten.
–
Stand van de koplamp controleren.
De grens tussen licht en donker moet bij een gebruiksklare motorfiets met bestuurder, eventueel met bagage en bijrijder, precies op de onderste markering liggen.
»
Als deze grens tussen licht en donker niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
–
Lichtbundelbreedte van de koplamp instellen. (
Lichtbundelbreedte koplamp instellen
13.14
–
Stand van de koplamp controleren. (
pag. 136)
pag. 136)
ELEKTRONICA
137
–
Door het stelwiel  te draaien de lichtbundelbreedte van de koplamp instellen.
Voorgeschreven waarde
De grens tussen licht en donker moet bij de rijklare motorfiets met bestuurder, eventueel met bagage en bijrijder, precies op de onderste markering liggen (aangebracht
bij: koplampinstelling controleren).
Info
B00139-10
Door naar boven te draaien verbreedt de lichtbundel en door naar beneden te
draaien versmalt de lichtbundel.
Niet instellen tijdens het rijden.
Contactsleutel activeren/deactiveren
13.15
Info
De oranje programmeersleutel mag uitsluitend worden gebruikt voor het activeren/deactiveren!
Bij verlies of vervanging van een zwarte contactsleutel moeten de afzonderlijke zwarte contactsleutels met de oranje programmeersleutel worden geactiveerd of gedeactiveerd. Daardoor wordt ook voorkomen dat een onbevoegde de verloren zwarte contactsleutel
gebruikt om te gaan rijden met het voertuig.
Er kunnen maximaal vier zwarte contactsleutels worden geactiveerd/gedeactiveerd. Alleen de tijdens het activeren
geprogrammeerde zwarte contactsleutels zijn geldig. Alle zwarte sleutels die niet tijdens het activeren zijn geprogrammeerd, zijn
ongeldig, maar kunnen achteraf nog worden geprogrammeerd.
ELEKTRONICA
138
Verlies van een zwarte contactsleutel (tweede zwarte contactsleutel is aanwezig):
Door de volgende handelingen worden alle geactiveerde zwarte contactsleutels gedeactiveerd, die niet bij deze handelingen zijn betrokken.
–
Noodstopschakelaar in stand
–
Oranje programmeersleutel in het contactslot steken.
–
Contact inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON
draaien.
schakelen.
401184-10
FI waarschuwingslampje
peren.
(MIL) gaat branden, gaat weer uit en begint te knip-
Controlelampje wegrijblokkering
B00652-10
gaat branden.
–
Contact uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF
draaien.
–
Oranje programmeersleutel uittrekken.
–
Zwarte contactsleutel in het contactslot steken.
–
Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand ON
FI waarschuwingslampje
peren.
draaien.
(MIL) gaat branden, gaat weer uit en begint te knip-
Controlelampje wegrijblokkering
gaat branden, gaat kort uit en brandt weer.
–
Contact uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand OFF
–
Zwarte contactsleutel uittrekken.
–
Oranje programmeersleutel in het contactslot steken.
draaien.
ELEKTRONICA
139
–
Contact inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON
draaien.
FI waarschuwingslampje
peren.
(MIL) gaat branden, gaat weer uit en begint te knip-
Controlelampje wegrijblokkering gaat branden, gaat kort uit en knippert
afhankelijk van het aantal werkende zwarte contactsleutels, inclusief de oranje
programmeersleutel. In dit geval twee keer.
–
Contact uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF
draaien.
–
Oranje programmeersleutel uittrekken.
De verloren zwarte contactsleutel is gedeactiveerd.
De aanwezige zwarte contactsleutel is opnieuw geactiveerd.
Verlies van beide zwarte contactsleutels (geen zwarte contactsleutel meer aanwezig):
Deze handelingen zijn nodig om misbruik met de verloren zwarte contactsleutel te voorkomen.
–
401184-11
Noodstopschakelaar in stand
schakelen.
ELEKTRONICA
140
–
Oranje programmeersleutel in het contactslot steken.
–
Contact inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON
draaien.
FI waarschuwingslampje
peren.
(MIL) gaat branden, gaat weer uit en begint te knip-
Controlelampje wegrijblokkering
B00652-10
gaat branden.
–
Contact uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF
draaien.
–
Contact inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON
draaien.
FI waarschuwingslampje
peren.
(MIL) gaat branden, gaat weer uit en begint te knip-
Controlelampje wegrijblokkering gaat branden, gaat kort uit en knippert
afhankelijk van het aantal werkende zwarte contactsleutels, inclusief de
oranje programmeersleutel. In dit geval maar een keer, aangezien alle zwarte
contactsleutels zijn gedeactiveerd.
–
Contact uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF
draaien.
–
Oranje programmeersleutel uittrekken.
–
Nieuwe zwarte contactsleutels bestellen met het sleutelnummer op de KEYCODECARD en activeren.
Alle zwarte contactsleutels zijn gedeactiveerd.
Contactsleutel activeren:
– Noodstopschakelaar in stand
schakelen.
–
Oranje programmeersleutel in het contactslot steken.
–
Contact inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON
draaien.
FI waarschuwingslampje
peren.
(MIL) gaat branden, gaat weer uit en begint te knip-
ELEKTRONICA
141
Controlelampje wegrijblokkering
gaat branden.
–
Contact uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF
draaien.
–
Oranje programmeersleutel uittrekken.
–
Zwarte contactsleutel in het contactslot steken.
–
Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand ON
FI waarschuwingslampje
peren.
draaien.
(MIL) gaat branden, gaat weer uit en begint te knip-
Controlelampje wegrijblokkering
gaat branden, gaat kort uit en brandt weer.
–
Contact uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand OFF
–
Zwarte contactsleutel uittrekken.
–
Als er meerdere contactsleutels moeten worden geactiveerd dienen de laatste vier
stappen met de betreffende contactsleutel te worden herhaald.
–
Oranje programmeersleutel in het contactslot steken.
–
Contact inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON
draaien.
FI waarschuwingslampje
peren.
draaien.
(MIL) gaat branden, gaat weer uit en begint te knip-
Controlelampje wegrijblokkering gaat branden, gaat kort uit en knippert
afhankelijk van het aantal werkende zwarte contactsleutels, inclusief de oranje
programmeersleutel.
–
Contact uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF
draaien.
–
Oranje programmeersleutel uittrekken.
Alle zwarte contactsleutels, waarvoor deze stappen zijn genomen, zijn geactiveerd.
KOELSYSTEEM
142
Koelsysteem
14.1
Door de waterpomp  in de motor is er een gedwongen circulatie van het koelmiddel.
De druk die bij verwarming in het koelsysteem ontstaat wordt geregeld door een klep in de
radiateurdop. Daardoor is de aangegeven koelmiddeltemperatuur toegestaan zonder dat er
met functiestoringen rekening moet worden gehouden.
125 °C
B00676-10
Koeling vindt plaats door de rijwind en een radiateurventilator die door een thermoschakelaar wordt aangestuurd.
Hoe lager de snelheid, hoe lager de koelwerking. Ook vervuilde radiateurribben verlagen de
koelwerking.
Door de uitzetting van de warmte stroomt het overtollige koelmiddel naar het vaste reservoir . Als de temperatuur daalt wordt dit koelmiddel weer teruggezogen in het koelsysteem.
700621-10
Antivries en koelmiddelpeil controleren
14.2
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Radiateur, radiateurslangen en de overige componenten van het koelsysteem niet openen bij een warme motor. Motor en koelsysteem laten afkoelen. Verbrande huid meteen onder lauw water houden.
KOELSYSTEEM
143
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Erop letten dat koelmiddel niet in aanraking komt met huid, ogen of kleding. Bij contact met de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep. Als koelmiddel is ingeslikt meteen een arts
raadplegen. Kleding die met koelmiddel in aanraking is gekomen uittrekken. Houd koelmiddel buiten bereik van kinderen.
Voorwaarden
Motor is koud.
–
Motorfiets verticaal zetten op een horizontale ondergrond.
–
Brandstoftank terugzetten. (
–
Radiateurdop  en dop  van het vaste reservoir verwijderen.
–
Antivries van het koelmiddel controleren.
pag. 74)
−25… −45 °C
»
Als de antivries van het koelmiddel niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
–
–
Antivries van het koelmiddel corrigeren.
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren.
Het koelmiddelpeil moet tussen de bovenste  en onderste markering  liggen.
B00677-10
»
Als het koelmiddelpeil in het vaste reservoir niet met de voorgeschreven waarde
overeenkomt, maar nog niet leeg is:
–
Koelmiddel tot de bovenste markering vullen.
Alternatief 1
Koelmiddel (
pag. 194)
Alternatief 2
Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd) (
pag. 194)
KOELSYSTEEM
144
»
Als er zich geen koelmiddel in het vaste reservoir bevindt:
–
Koelsysteem controleren op lekkage.
x
Info
Niet met de motorfiets rijden!
–
Koelsysteem vullen/ontluchten.
x(
–
Dop  op het vaste reservoir monteren.
–
Koelmiddelpeil in de radiateur controleren.
pag. 147)
De radiateur moet volledig gevuld zijn.
»
Als het koelmiddelpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Koelmiddelpeil corrigeren en oorzaak van het verlies vaststellen.
Alternatief 1
Koelmiddel (
pag. 194)
Alternatief 2
B00678-10
Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd) (
»
Als meer koelmiddel moet worden bijgevuld dan de voorgeschreven waarde:
> 0,50 l
–
–
pag. 194)
Koelsysteem vullen/ontluchten.
x(
pag. 147)
Radiateurdop  monteren.
Koelmiddelpeil in vast reservoir controleren
14.3
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Radiateur, radiateurslangen en de overige componenten van het koelsysteem niet openen bij een warme motor. Motor en koelsysteem laten afkoelen. Verbrande huid meteen onder lauw water houden.
KOELSYSTEEM
145
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Erop letten dat koelmiddel niet in aanraking komt met huid, ogen of kleding. Bij contact met de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep. Als koelmiddel is ingeslikt meteen een arts
raadplegen. Kleding die met koelmiddel in aanraking is gekomen uittrekken. Houd koelmiddel buiten bereik van kinderen.
Voorwaarden
Motor is koud.
Radiateur is volledig gevuld.
–
Motorfiets op een horizontale ondergrond zetten.
–
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir  controleren.
Het koelmiddelpeil moet tussen de bovenste  en onderste markering  liggen.
»
Als het koelmiddelpeil in het vaste reservoir niet met de voorgeschreven waarde
overeenkomt, maar nog niet leeg is:
–
Dop van het vaste reservoir verwijderen.
–
Koelmiddel tot de bovenste markering vullen.
Alternatief 1
Koelmiddel (
B00679-10
pag. 194)
Alternatief 2
Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd) (
–
»
pag. 194)
Dop op het vaste reservoir monteren.
Als er zich geen koelmiddel in het vaste reservoir bevindt:
–
Koelsysteem controleren op lekkage.
Info
Niet met de motorfiets rijden!
x
KOELSYSTEEM
146
–
Koelmiddel aftappen
14.4
Koelsysteem vullen/ontluchten.
x(
pag. 147)
x
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Radiateur, radiateurslangen en de overige componenten van het koelsysteem niet openen bij een warme motor. Motor en koelsysteem laten afkoelen. Verbrande huid meteen onder lauw water houden.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Erop letten dat koelmiddel niet in aanraking komt met huid, ogen of kleding. Bij contact met de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep. Als koelmiddel is ingeslikt meteen een arts
raadplegen. Kleding die met koelmiddel in aanraking is gekomen uittrekken. Houd koelmiddel buiten bereik van kinderen.
–
Brandstoftank terugzetten. (
–
Geschikte bak onder de radiateur klaarzetten.
–
Radiateurdop  verwijderen.
–
Schroef  verwijderen.
–
Koelmiddel volledig laten uitlopen.
–
Schroef  met nieuwe pakking monteren en vastdraaien.
pag. 74)
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
B00680-10
M6
10 Nm
KOELSYSTEEM
147
–
Geschikte bak onder de motor klaarzetten.
–
Schroef  verwijderen.
–
Koelmiddel volledig laten uitlopen.
–
Schroef  met nieuwe pakking monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef waterpompdeksel
M6
10 Nm
B00676-11
Koelsysteem vullen/ontluchten
14.5
x
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Erop letten dat koelmiddel niet in aanraking komt met huid, ogen of kleding. Bij contact met de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep. Als koelmiddel is ingeslikt meteen een arts
raadplegen. Kleding die met koelmiddel in aanraking is gekomen uittrekken. Houd koelmiddel buiten bereik van kinderen.
700629-10
–
Brandstoftank terugzetten. (
–
Controleren of de aftapschroeven op de radiateur en waterpompdeksel vastgedraaid zijn.
–
Ontluchtingsschroef  verwijderen.
pag. 74)
KOELSYSTEEM
148
–
Het voertuig in de afgebeelde positie zetten en beveiligen tegen wegrollen. Er moet een
hoogteverschil van  moet worden bereikt.
Voorgeschreven waarde
Hoogteverschil 
50 cm
Info
Om alle lucht uit het koelsysteem te laten ontsnappen moet het voertuig vooraan
iets worden opgetild. Een slechts ontlucht koelsysteem heeft een lager koelvermogen waardoor de motor oververhit kan raken.
A
0
400677-10
–
Radiateurdop afnemen en koelmiddel vullen totdat deze zonder luchtbellen uit de
ontluchtingsopening stroomt en meteen de ontluchtingsschroef  monteren en
vastdraaien.
Alternatief 1
Koelmiddel (
pag. 194)
Alternatief 2
Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd) (
B00682-10
pag. 194)
–
Radiateur volledig vullen met koelmiddel. Radiateurdop monteren.
–
Voertuig op zijstandaard zetten.
–
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren. (
pag. 144)
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid
en/of de dood tot gevolg hebben.
–
Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen,
de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten draaien zonder een
geschikte afzuiginstallatie.
KOELSYSTEEM
149
–
Motor starten en laten warmlopen totdat de rijtemperatuur is bereikt.
–
Motor uitzetten en laten afkoelen.
–
Na het afkoelen nog een keer het koelmiddelpeil in de radiateur controleren en indien
nodig koelmiddel bijvullen.
–
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren. (
–
Brandstoftank positioneren. (
6 balkjes van de temperatuurindicator branden.
pag. 75)
pag. 144)
MOTOR AFSTELLEN
150
Speling gaskabel controleren
15.1
–
Stuur in rechtuitstand zetten. Gashendel licht heen en weer bewegen en de speling van
de gaskabel bepalen.
Speling gaskabel
»
3… 5 mm
Als de speling van de gaskabel niet met de voorgeschreven waarde overeenkomt:
–
Speling gaskabel instellen.
x(
pag. 151)
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid
en/of de dood tot gevolg hebben.
400192-10
–
–
Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen,
de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten draaien zonder een
geschikte afzuiginstallatie.
Motor starten en stationair laten draaien. Stuur over het gehele stuurbereik heen en
weer bewegen.
Het stationaire toerental mag daarbij niet veranderen.
»
Als het stationair toerental verandert:
–
Speling gaskabel instellen.
x(
pag. 151)
MOTOR AFSTELLEN
Speling gaskabel instellen
15.2
151
x
–
Stuur in rechtuitstand zetten.
–
Regelklepsteller met KTM-diagnosetool in de uitgangspositie zetten.
–
Manchette  naar achteren schuiven.
–
Contramoer  losdraaien.
–
Gaskabelspeling met de stelschroef  instellen.
Voorgeschreven waarde
Speling gaskabel
B00666-10
–
Contramoer  vastdraaien.
–
Manchetten  erop schuiven.
–
Controleren of de gashendel soepel beweegt.
3… 5 mm
Stekkerverbinding ontstekingscurve
15.3
De stekkerverbinding bevindt zich onder het zadel voor het achterlicht.
Door het loskoppelen van de steekverbinding wordt een ontstekingscurve voor brandstof met
een octaangetal lager dan 95 (ROZ 95 / RON 95 / PON 91) geactiveerd. De motor verliest
daardoor slechts weinig vermogen, maar er wordt voorkomen dat er door slechte brandstof
vonkontstekingen plaatsvinden die de motor kunnen beschadigen.
Mogelijke toestanden
• Stekkerverbinding los – Voor het vullen van de brandstoftank kan brandstof met 80 tot
94 octaan (ROZ) worden gebruikt.
• Stekkerverbinding aangesloten – Er kan brandstof vanaf 95 octaan worden gebruikt.
B00667-01
MOTOR AFSTELLEN
152
Ontstekingscurve aanpassen aan brandstofkwaliteit
15.4
–
Contact uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand OFF
–
Zadel afnemen. (
draaien.
pag. 72)
Ontstekingscurve voor brandstof met laag octaangetal activeren:
Aanwijzing
Beschadiging van de motor Slechte brandstofkwaliteit is nadelig voor de motor.
–
–
Het voertuig maximaal één brandstoftankvulling laten rijden met een octaangetal lager dan 95 (ROZ 95 / RON 95 / PON 91).
–
De ontstekingscurve moet worden ingesteld op brandstof met een laag octaangetal.
Stekkerverbinding loskoppelen.
Stekkerverbinding los – Voor het vullen van de brandstoftank kan brandstof met 80 tot 94 octaan (ROZ) worden gebruikt.
( pag. 151)
Ontstekingscurve voor brandstof met een octaangetal vanaf 95 (ROZ 95 / RON 95 / PON 91) activeren:
– Stekkerverbinding aansluiten.
Stekkerverbinding aangesloten – Er kan brandstof vanaf 95 octaan worden gebruikt. (
–
Zadel monteren. (
pag. 151)
pag. 73)
Uitgangspositie versnellingshendel controleren
15.5
–
In de rijpositie op het voertuig gaan zitten en de afstand  meten tussen de bovenkant
van de laars en versnellingshendel.
Afstand versnellingshendel tot bovenkant
laars
»
A
0
Als de afstand niet met de voorgeschreven waarde overeenkomt:
–
400692-10
10… 20 mm
Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen.
x(
pag. 153)
MOTOR AFSTELLEN
153
Uitgangspositie versnellingshendel instellen
15.6
x
–
Schroef  verwijderen en versnellingshendel  verwijderen.
–
Vertanding  van versnellingshendel en schakelas reinigen.
–
Versnellingshendel in de gewenste positie op de schakelas steken en de tanden laten
grijpen.
101172-10
Info
Het instelbereik is beperkt.
De versnellingshendel mag bij het schakelen de voertuigcomponenten niet
raken.
101173-10
–
Schroef monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef versnellingshendel
M6
10 Nm
Loctite® 243™
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
154
Motoroliepeil controleren
16.1
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid
en/of de dood tot gevolg hebben.
–
Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen,
de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten draaien zonder een
geschikte afzuiginstallatie.
–
Motor starten en laten warmlopen totdat de rijtemperatuur is bereikt.
–
Motor uitzetten.
–
Motorfiets op een horizontaal oppervlak verticaal neerzetten (niet op de zijstandaard).
6 balkjes van de temperatuurindicator branden.
Info
Na het afzetten van de motor eerst een minuut wachten en dan pas controleren.
–
Motoroliepeil op oliekijkglas  controleren.
Het motoroliepeil moet tussen de bovenste  en onderste markering  liggen.
B00683-11
»
Als het motoroliepeil niet in het aangegeven bereik ligt:
–
Motorolie bijvullen. (
pag. 161)
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
155
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen
16.2
x
–
Motorolie aftappen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.
–
Motorolie vullen.
x(
x(
pag. 155)
pag. 159)
B00119-01
Motorolie aftappen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen
16.3
x
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Tijdens het rijden worden de motor- en transmissieolie in de motorfiets zeer heet.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidshandschoenen dragen. Verbrande huid meteen onder lauw water houden.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
De motorolie moet worden afgetapt als de motor warm is.
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
–
Geschikte bak onder de motor klaarzetten.
–
Olieaftapschroef  met magneet en keerring verwijderen.
–
Motorolie volledig uit de motor laten stromen.
–
Schroeven  verwijderen en deksel  afnemen.
–
Oliezeef  met een tang uit het motorhuis trekken.
700611-10
700610-10
700612-10
156
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
–
Geschikte bak onder de motor klaarzetten.
–
Olie-aftapschroef  verwijderen.
–
Motorolie volledig uit de olietank laten stromen.
–
Schroeven  verwijderen en olieleiding  opzij zwenken.
–
Oliezeef  uit de olietank trekken.
–
Schroefverbinding  losdraaien en olieleiding opzij zwenken.
–
Schroeven verwijderen. Oliefilterdeksel  met keerring verwijderen.
–
Oliefilter  uit het oliefilterhuis trekken.
700613-10
700615-10
Seegerringtang verkeerd (51012011000)
700617-10
–
Motorolie volledig laten uitlopen.
–
Alle oliezeven en olie-aftapschroeven met magneet grondig reinigen.
–
Alle afdichtvlakken reinigen.
157
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
158
–
Oliefilter  inzetten.
–
Keerring van het oliefilterdeksel insmeren met olie.
–
Oliefilterdeksel  monteren. Schroeven monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven motor
–
M5
6 Nm
Olieleiding positioneren. Schroefverbinding  monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Moer olieleiding
700618-10
M16x1,5
25 Nm
–
Pakkingring  van de oliezeef controleren op beschadigingen en goed vastzitten.
–
Oliezeef  in de olietank steken.
–
Olieleiding  positioneren. Schroeven  monteren en vastdraaien.
700614-10
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven motor
–
M6
10 Nm
Olieaftapschroef  met magneet en nieuwe pakking monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Olieaftapschroef met magneet
700613-10
M12x1,5
25 Nm
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
–
159
Olieaftapschroef  met magneet en nieuwe pakkingring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Olieaftapschroef met magneet
M22x1,5
35 Nm
700611-10
–
Oliezeef  met de markering TOP naar boven in het motorhuis schuiven.
–
Vormring in deksel  controleren op beschadigingen en correct vastzitten.
–
Deksel positioneren. Schroeven monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef koppelingsdeksel
M6
700616-10
Motorolie vullen
16.4
x
Info
Te weinig motorolie of olie van onvoldoende kwaliteit leidt tot voortijdige slijtage van de motor.
10 Nm
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
–
De hoeveelheid olie moet in twee stappen worden gevuld.
Motorolie
B00683-10
160
3,80 l
Buitentemperatuur:
≥ 0 °C
Motorolie
(SAE 10W/50)
( pag. 195)
Buitentemperatuur:
< 0 °C
Motorolie
(SAE 5W/40)
( pag. 195)
–
Afsluitschroef  verwijderen en motorolie tot de bovenste markering  vullen.
–
Afsluitschroef monteren.
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid
en/of de dood tot gevolg hebben.
–
–
Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen,
de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten draaien zonder een
geschikte afzuiginstallatie.
Motor starten en laten warmlopen totdat de rijtemperatuur is bereikt.
6 balkjes van de temperatuurindicator branden.
–
Smeersysteem controleren op lekkage.
–
Motor uitzetten.
–
Motorfiets op een horizontaal oppervlak verticaal neerzetten (niet op de zijstandaard).
–
Afsluitschroef verwijderen.
–
Motorolie tot bovenste markering  vullen.
–
Afsluitschroef monteren.
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
161
Motorolie bijvullen
16.5
Info
Te weinig motorolie of olie van onvoldoende kwaliteit leidt tot voortijdige slijtage van de motor.
Het motoroliepeil moet bij een warme motor worden gecorrigeerd.
–
Afsluitschroef  verwijderen en motorolie tot de bovenste markering  vullen.
Voorwaarden
Buitentemperatuur: ≥ 0 °C
Motorolie (SAE 10W/50) (
pag. 195)
Voorwaarden
Buitentemperatuur: < 0 °C
Motorolie (SAE 5W/40) (
B00683-10
pag. 195)
Info
Voor een optimale prestatie van de motorolie wordt aangeraden geen verschillende motoroliesoorten te mengen.
We raden aan indien nodig de motorolie te verversen.
–
Afsluitschroef monteren.
REINIGING, ONDERHOUD
162
Motorfiets reinigen
17.1
Aanwijzing
Materiële schade Beschadiging en vernietiging van componenten door hogedrukreiniger.
–
Het voertuig nooit met een hogedrukreiniger of een harde waterstraal reinigen. De te hoge druk kan in de elektrische componenten,
steekverbindingen, bowdenkabels, lagers dringen en storingen veroorzaken en/of deze onderdelen vernietigen.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
De motorfiets regelmatig reinigen, zo blijven de waarde en het uiterlijk gedurende langere tijd behouden.
Directe zonnestralen op de motorfiets tijdens het reinigen vermijden.
–
Uitlaatsysteem afsluiten, om te voorkomen dat er water indringt.
–
Grove vervuiling met een zachte waterstraal verwijderen.
–
Sterk vervuilde plekken met een normale in de handel verkrijgbare motorfietsreiniger
inspuiten en met een kwastje behandelen.
Motorfietsreiniger (
pag. 198)
Info
401061-01
Warm water met een normale in de handel verkrijgbare motorfietsreiniger en een
spons gebruiken voor het reinigen van het voertuig.
Als u met het voertuig door strooizout bent gereden, moet hij in koud water worden gereinigd. Warm water versterkt de zoutwerking.
REINIGING, ONDERHOUD
163
–
Nadat de motorfiets grondig met een zachte waterstraal is afgespoeld, moet deze met
perslucht en een doek worden gedroogd.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door natte of vervuilde remmen.
–
–
Vervuilde of natte remmen voorzichtig schoon- resp. droogremmen.
Na de reiniging een korte rit rijden, totdat de motor de rijtemperatuur heeft bereikt en
daarbij ook de remmen gebruiken.
Info
Door de warmte verdampt het water ook op de ontoegankelijk plekken van de
motor en de remmen.
–
Na het afkoelen van de motorfiets alle glij- en lagerpunten smeren.
–
Ketting reinigen. (
–
Blank metalen onderdelen (met uitzondering van de remschijven en het uitlaatsysteem)
met antiroestmiddel behandelen.
pag. 79)
Reinigings- en conserveringsmiddel voor metaal en rubber (
–
Alle gelakte onderdelen behandelen met een onderhoudsmiddel voor lakken.
Hoogglans-politoer voor lak (
–
pag. 198)
pag. 197)
Contact-/stuurslot, tankslot en zadelslot insmeren met olie.
Universele oliespray (
pag. 198)
REINIGING, ONDERHOUD
164
Conserveren voor de winter
17.2
Info
Als de motorfiets ook in de winter wordt gebruikt, moet rekening worden gehouden met strooizout op de wegen. Daarom moeten er
voorzorgsmaatregelen worden genomen tegen het agressieve strooizout.
Als u met het voertuig door strooizout bent gereden, moet hij in koud water worden gereinigd. Warm water versterkt de zoutwerking.
–
Motorfiets reinigen. (
–
Motor, achterbrug en alle overige blanke of verzinkte onderdelen (met uitzondering van
de remschijven) met antiroestmiddel op wasbasis behandelen.
pag. 162)
Info
Er mag geen antiroestmiddel op de remschijven terechtkomen, aangezien daardoor de remwerking sterk wordt verminderd.
Na het rijden op wegen met strooizout moet de motorfiets grondig met koud
water gereinigd en goed gedroogd worden.
401060-01
–
Ketting reinigen. (
pag. 79)
STALLING
165
Stalling
18.1
Info
Als u de motorfiets voor langere tijd niet wilt gebruiken moet u volgende maatregelen nemen of laten nemen.
Voordat u de motorfiets gaat stallen eerst controleren of alle onderdelen goed werken en niet zijn versleten. Als er servicewerkzaamheden, reparaties of wijzigingen nodig zijn kunt u dat het beste doen tijdens de overwintering (minder drukte bij de garages). Zo
voorkomt u lange wachttijden bij aanvang van het seizoen.
401058-01
–
Probeer de brandstoftank zoveel mogelijk leeg te rijden, zodat u hem met verse brandstof kunt vullen als u weer gaat rijden.
–
Motorfiets reinigen. (
–
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.
–
Antivries en koelmiddelpeil controleren. (
–
Bandenspanning controleren. (
–
Accu uitbouwen.
–
Accu laden.
x(
x(
pag. 162)
x(
pag. 155)
pag. 142)
pag. 110)
pag. 112)
pag. 114)
Voorgeschreven waarde
Opslagtemperatuur van de accu zonder
directe blootstelling aan zonnestralen
–
0… 35 °C
Voertuig stallen op een droge plaats en niet blootstellen aan grote temperatuurschommelingen.
Info
KTM adviseert om de motorfiets op te krikken.
–
Motorfiets met hefbok achteraan opkrikken. (
–
Motorfiets met hefbok vooraan opkrikken. (
pag. 71)
pag. 70)
STALLING
166
–
De motorfiets afdekken met een luchtdoorlatend dekzeil of een deken.
Info
In geen geval mogen hiervoor luchtdichte materialen worden gebruikt, omdat er
dan geen vocht kan ontsnappen en er corrosie ontstaat.
Het is zeer slecht de motor van een gestalde motorfiets voor korte tijd te laten
draaien. Aangezien de motor daarbij niet voldoende warm wordt, condenseert
de waterdamp die bij de verbranding ontstaat en leidt ertoe dat de kleppen en
uitlaat gaan roesten.
Inbedrijfname na stalling
18.2
401059-01
–
Motorfiets van hefbok vooraan nemen. (
–
Motorfiets van hefbok achteraan nemen. (
–
Accu laden.
pag. 70)
pag. 71)
–
x ( pag. 114)
Accu inbouwen. x ( pag. 113)
–
Tijd instellen. (
–
Brandstof tanken. (
–
Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfname uitvoeren. (
–
Een proefrit maken.
pag. 29)
pag. 56)
pag. 46)
FOUTEN OPSPOREN
167
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Motor draait bij het indrukken van de
e-starterknop niet door
Bedieningsfouten
–
Stappen voor de startprocedure uitvoeren.
( pag. 47)
Accu leeg
–
Accu laden.
–
Ruststroom controleren.
Zekering 1 of 5 doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers vervangen. ( pag. 119)
Hoofdzekering doorgesmolten
–
Hoofdzekering vervangen. (
Contact-/stuurslot en/of noodstopschakelaar defect
–
Noodstopschakelaar controleren.
–
Contact-/stuurslot controleren.
Veiligheidsstartsysteem defect
–
EWS-besturingsunit niet geactiveerd
–
Fout CAN-bus communicatie
–
Gecombineerd instrument defect
–
Besturingsapparaat e-startblokkering
defect
–
Motor draait alleen door, als de koppelingshendel is getrokken
Er is een versnelling geschakeld
–
Veiligheidsstartsysteem defect
–
Motor draait door, hoewel er een versnelling is geschakeld
Veiligheidsstartsysteem defect
–
x
x
Veiligheidsstartsysteem controleren. x
EWS-besturingsunit activeren. x
CAN-bus communicatie controleren. x
Gecombineerd instrument controleren. x
Besturingsapparaat e-startblokkering controleren. x
Versnelling in neutraal schakelen.
Veiligheidsstartsysteem controleren. x
Veiligheidsstartsysteem controleren. x
Motor draait door, maar springt niet
aan
Koppeling brandstofslangverbinding
niet verbonden
–
Koppeling brandstofslangverbinding verbinden.
Stekkerverbinding van kabelboom verroest
–
Stekkerverbinding reinigen en met contactspray
behandelen.
Fout in het brandstofinspuitsysteem
–
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen.
x
x(
pag. 114)
x
pag. 116)
FOUTEN OPSPOREN
168
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Motor heeft te weinig vermogen
Luchtfilter sterk vervuild
–
Luchtfilter vervangen.
Fout in het brandstofinspuitsysteem
–
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen.
x
x
Motor wordt overmatig heet
Ontstekingscurve voor brandstof met
laag octaangetal geactiveerd
–
Brandstof vanaf 95 octaan tanken.
–
Stekkerverbinding aansluiten.
Te weinig koelmiddel in koelsysteem
–
Koelsysteem controleren op lekkage.
–
Antivries en koelmiddelpeil controleren.
( pag. 142)
Radiateurlamellen sterk vervuild
–
Radiateurlamellen reinigen.
Schuimvorming in het koelsysteem
–
Koelmiddel aftappen.
–
Koelsysteem vullen/ontluchten.
Geknikte of beschadigde radiateurslang –
x(
Radiateurslang vervangen.
x
pag. 146)
x(
pag. 147)
x
Zekering 4 doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers vervangen. ( pag. 119)
Thermostaat defect
–
Thermostaat controleren.
Defect aan het ventilatiesysteem van
radiateur
–
Radiateurventilator controleren.
Lucht in het koelsysteem
–
FI waarschuwingslampje (MIL) brandt
of knippert
Fout in het brandstofinspuitsysteem
–
Motor slaat tijdens het rijden af
Onvoldoende brandstof
–
Brandstof tanken. (
Zekering 1 of 5 doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers vervangen. ( pag. 119)
Zekering ABS doorgesmolten
–
Zekeringen ABS vervangen. (
ABS-waarschuwingslampje brandt
x
x
Koelsysteem vullen/ontluchten. x ( pag. 147)
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen. x
pag. 56)
pag. 118)
FOUTEN OPSPOREN
169
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
ABS-waarschuwingslampje brandt
Wieltoerental van voor- en achterwiel
wijkt sterk af
–
Stoppen, ontsteking uitschakelen, opnieuw starten.
Fout in ABS
–
ABS-foutengeheugen uitlezen met
KTM-diagnosetool.
x
Motoroliepeil te hoog
–
Motoroliepeil controleren. (
Vloeibaarheid motorolie te dun (viscositeit)
–
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.
( pag. 155)
Koplamp en achterlicht werken niet
Zekering 2 doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers vervangen. ( pag. 119)
Richtingaanwijzer, waarschuwingsknipperlichten, remlicht en claxon werken
niet
Zekering 1 of 3 doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers vervangen. ( pag. 119)
Accu leeg
Contact bij het uitzetten van het voertuig niet uitgeschakeld
–
Accu laden.
Accu wordt niet geladen door de
dynamo
–
Laadspanning controleren.
Zekering 6 doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers vervangen. ( pag. 119)
Hoog olieverbruik
Er wordt niets weergegeven op de display van het gecombineerde instrument
pag. 154)
x
x(
pag. 114)
x
KNIPPERCODE WEGRIJBLOKKERING
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
12 Controlelampje wegrijblokkering knippert 1x kort, 1 seconde pauze, 2x kort
Voorwaarde voor fout
Geen enkele contactsleutel geactiveerd
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
13 Controlelampje wegrijblokkering knippert 1x kort, 1 seconde pauze, 3x kort
Voorwaarde voor fout
Antenne EWS-besturingsunit werkt niet goed
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
14 Controlelampje wegrijblokkering knippert 1x kort, 1 seconde pauze, 4x kort
Voorwaarde voor fout
Verkeerde werking in transponder van zwarte contactsleutel
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
15 Controlelampje wegrijblokkering knippert 1x kort, 1 seconde pauze, 5x kort
Voorwaarde voor fout
Zwarte contactsleutel niet geactiveerd
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
16 Controlelampje wegrijblokkering knippert 1x kort, 1 seconde pauze, 6x kort
Voorwaarde voor fout
Versleuteling EWS-besturingunit naar zwarte contactsleutel werkt niet goed
170
KNIPPERCODE WEGRIJBLOKKERING
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
21 Controlelampje wegrijblokkering knippert 2x kort, 1 seconde pauze, 1x kort
Voorwaarde voor fout
EWS-besturingsunit niet geactiveerd
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
31 Controlelampje wegrijblokkering knippert 3x kort, 1 seconde pauze, 1x kort
Voorwaarde voor fout
Versleutelingsaanvraag van EFI-besturingsunit naar EWS-besturingsunit werkt niet goed
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
32 Controlelampje wegrijblokkering knippert 3x kort, 1 seconde pauze, 2x kort
Voorwaarde voor fout
Verkeerde werking CAN-bus communicatie
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
60 Controlelampje wegrijblokkering knippert 6x kort
Voorwaarde voor fout
Verkeerde werking E²PROM
171
KNIPPERCODE MOTORBESTURING
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
02 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 2x kort
Voorwaarde voor fout
Schakelcircuit impulsgever - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
06 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 6x kort
Voorwaarde voor fout
Regelklepsensor circuit A - ingangssignaal te laag
Regelklepsensor circuit A - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
07 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 7x kort
Voorwaarde voor fout
Regelklepsensor circuit B - ingangssignaal te laag
Regelklepsensor circuit B - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
09 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 9x kort
Voorwaarde voor fout
Druksensor‑aanzuigbuis cilinder 1 - ingangssignaal te laag
Druksensor‑aanzuigbuis cilinder 1 - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
11 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 1x lang, 1x kort
Voorwaarde voor fout
Druksensor‑aanzuigbuis cilinder 2 - ingangssignaal te laag
Druksensor‑aanzuigbuis cilinder 2 - ingangssignaal te hoog
172
KNIPPERCODE MOTORBESTURING
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
12 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 1x lang, 2x kort
Voorwaarde voor fout
Temperatuursensor koelmiddel - ingangssignaal te laag
Temperatuursensor koelmiddel - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
13 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 1x lang, 3x kort
Voorwaarde voor fout
Temperatuursensor inlaatlucht - ingangsignaal te laag
Temperatuursensor inlaatlucht - ingangsignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
14 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 1x lang, 4x kort
Voorwaarde voor fout
Druksensor omgevingslucht - ingangssignaal te laag
Druksensor omgevingslucht - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
15 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 1x lang, 5x kort
Voorwaarde voor fout
Hellingshoeksensor (A/D type) - ingangssignaal te laag
Hellingshoeksensor (A/D type) - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
17 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 1x lang, 7x kort
Voorwaarde voor fout
Lambdasonde cilinder 1, sonde 1 - fout in schakelcircuit
173
KNIPPERCODE MOTORBESTURING
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
18 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 1x lang, 8x kort
Voorwaarde voor fout
Lambdasonde cilinder 2, sonde 1 - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
24 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 2x lang, 4x kort
Voorwaarde voor fout
Voedingsspanning - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
25 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 2x lang, 5x kort
Voorwaarde voor fout
Zijstandaard (A/D type) - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
33 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 3x lang, 3x kort
Voorwaarde voor fout
Inspuitklep cilinder 1 - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
34 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 3x lang, 4x kort
Voorwaarde voor fout
Inspuitklep cilinder 2 - fout in schakelcircuit
174
KNIPPERCODE MOTORBESTURING
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
37 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 3x lang, 7x kort
Voorwaarde voor fout
Bobine 1, cilinder 1 - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
38 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 3x lang, 8x kort
Voorwaarde voor fout
Bobine 1, cilinder 2 - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
41 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 4x lang, 1x kort
Voorwaarde voor fout
Besturing brandstofpomp - onderbreking/kortsluiting met massa
Besturing brandstofpomp - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
45 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 4x lang, 5x kort
Voorwaarde voor fout
Lambdasonde verwarming cilinder 1, sonde 1 - onderbreking/kortsluiting met massa
Lambdasonde verwarming cilinder 1, sonde 1 - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
46 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 4x lang, 6x kort
Voorwaarde voor fout
Lambdasonde verwarming cilinder 2, sonde 1 - onderbreking/kortsluiting met massa
Lambdasonde verwarming cilinder 2, sonde 1 - ingangssignaal te hoog
175
KNIPPERCODE MOTORBESTURING
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
49 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 4x lang, 9x kort
Voorwaarde voor fout
Smoorklepsteller circuit A - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
50 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 5x kort
Voorwaarde voor fout
Smoorklepsteller circuit B - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
54 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 5x lang, 4x kort
Voorwaarde voor fout
Secundaire luchtklep - onderbreking/kortsluiting met massa
Secundaire luchtklep - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
68 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 6x lang, 8x kort
Voorwaarde voor fout
Druksensor aanzuigbuis cilinder 1 - aansluiting niet dicht
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
69 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 6x lang, 9x kort
Voorwaarde voor fout
Druksensor aanzuigbuis cilinder 2 - aansluiting niet dicht
176
KNIPPERCODE MOTORBESTURING
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
81 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 8x lang, 1x kort
Voorwaarde voor fout
Besturingsapparaat wegrijblokkering - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
91 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 9x lang, 1x kort
Voorwaarde voor fout
Fout CAN-bus communicatie
177
TECHNISCHE GEGEVENS - MOTOR
178
Bouwwijze
2-cilinder 4-takt ottomotor, 75° V-indeling, gekoeld met vloeistof
Cilinderinhoud
999 cm³
Slag
62,4 mm
Boring
101 mm
Compressie
11,5:1
Besturing
DOHC, 4 kleppen per cilinder, aandrijving via ketting
Klep - diameter
Afvoer
33 mm
Invoer
38 mm
Klepspeling
Afvoer bij: 20 °C
0,25… 0,30 mm
Invoer bij: 20 °C
0,10… 0,15 mm
Krukaslager
Glijlager
Drijfstanglager
Glijlager
Zuigers
Lichtmetaal gesmeed
Zuigerveer
1 L-ring, 1 conische ring, 1 olieschraapveer
Motorsmering
Dry-sump smering met 2 rotorpompen
Primaire overbrenging
35:67
Koppeling
Meerplaats-koppeling in oliebad / hydraulisch bediend
Aandrijving
6 versnellingen met klauwschakeling
Overbrengingsverhouding
1e versnelling
12:35
2e versnelling
15:32
3e versnelling
18:30
4e versnelling
20:27
TECHNISCHE GEGEVENS - MOTOR
179
5e versnelling
24:27
6e versnelling
27:26
Mengselbehandeling
Elektronisch aangestuurde brandstofinspuiting
Ontstekingssysteem
Contactvrij aangestuurd volledig elektronisch ontstekingssysteem
met digitale ontstekingsvertraging
Dynamo
12 V, 450 W
Bougie
NGK LKAR8BI9
Elektrodenafstand bougie
0,8 mm
Koeling
Vloeistofkoeling, permanente circulatie koelmiddel door waterpomp
Stationair toerental
1.400… 1.500 1/min
Starthulp
E-starter
Vulhoeveelheid - motorolie
22.1
Motorolie
3,80 l
Buitentemperatuur: ≥ 0 °C
Motorolie (SAE 10W/50)
( pag. 195)
Buitentemperatuur: < 0 °C
Motorolie (SAE 5W/40)
( pag. 195)
Vulhoeveelheid - koelmiddel
22.2
Koelmiddel
2,30 l
Koelmiddel (
pag. 194)
Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd) (
pag. 194)
AANHAALMOMENTEN MOTOR
180
Schroef olievernevelaar
M4
6 Nm
Loctite® 243™
Slangklem aanzuigflens
M4
1,5 Nm
–
Overige schroeven motor
M5
6 Nm
–
Schroef hoekaansluiting aan klepdeksel
M5
3 Nm
Loctite® 243™
Schroef lagerborging
M5
6 Nm
Loctite® 243™
Schroef sensor versnellingsherkenning
M5
3 Nm
Loctite® 243™
Schroef vergrendelingshendel
M5
6 Nm
Loctite® 243™
Afsluitschroef onderdrukaansluiting
M6
5 Nm
Loctite® 243™
Moer cilinderkop
M6
8 Nm
–
Onderdrukaansluiting
M6
2,5 Nm
Loctite® 243™
Overige schroeven motor
M6
10 Nm
–
Schroef dynamodeksel
M6
10 Nm
–
Schroef impulsgever
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef klepdeksel
M6
10 Nm
–
Schroef koppelingsdeksel
M6
10 Nm
–
Schroef koppelingsveer
M6
10 Nm
–
Schroef lagerbout in dynamodeksel
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef motorhuis
M6
10 Nm
–
Schroef nokkenaslagerplaat
M6
10 Nm
–
Schroef oliepomphuis
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef startmotor
M6
10 Nm
–
Schroef stationaire ring
M6
13 Nm
Loctite® 648™
Schroef stationairhouder
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef stator
M6
10 Nm
Loctite® 243™
AANHAALMOMENTEN MOTOR
181
Schroef versnellingshendel
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef versnellingsvergrendeling
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef waterpompdeksel
M6
10 Nm
–
Schroef waterpompwiel
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Olievernevelaar
M6x0,75
4 Nm
Loctite® 243™
Lagerbout distributiekettinggeleider
M8
15 Nm
Loctite® 243™
Lagerbout distributiekettingspannergeleider
M8
20 Nm
Loctite® 243™
Schroef cilinderkop
M8
1e niveau
18 Nm
2e niveau
23 Nm
Loctite® 243™
Schroef koppelingsdeksel
M8
15 Nm
–
Schroef nokkenaslagerplaat
M8
1e niveau
10 Nm
2e niveau
18 Nm
–
Tapeind uitlaatflens
M8
15 Nm
–
Afsluitschroef koppelingssmering
M10
15 Nm
–
Lagerbout dubbel distributiewiel
M10
30 Nm
–
Moer cilinderkop (buitenliggend)
M10
1e niveau
23 Nm
2e niveau
34 Nm
Geldt alleen bij gebruik van:
Ringsleutelelement 13 mm
(60029081000)
Geolied met motorolie
AANHAALMOMENTEN MOTOR
182
Moer cilinderkop aan kettingkast
M10
1e niveau
25 Nm
2e niveau
38 Nm
Geolied met motorolie
Penschroef cilinderkop in motorhuis
M10
20 Nm
–
Oliedrukschakelaar
M10x1
10 Nm
–
Schroef drijfstanglager
M10x1
1e niveau
25 Nm
2e niveau
30 Nm
3e niveau
60°
–
Bougie
M12x1,25
18 Nm
–
Afsluitschroef cilinderkop (2e cilinder)
M12x1,5
25 Nm
–
Temperatuursensor koelmiddel
M12x1,5
12 Nm
–
Afsluitschroef oliefilterhuis
M14x1,5
15 Nm
Loctite® 243™
Afsluitschroef distributiekettingspanner
M16x1,5
20 Nm
–
Ontluchtingsaansluiting dynamodeksel
M16x1,5
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef rotor
M16x1,5
150 Nm
Loctite® 243™
Inschroefaansluitingen koelsysteem
M20x1,5
10 Nm
Loctite® 577
Moer balansas
M20x1,5
120 Nm
Loctite® 243™
Moer ketting-aandrijfwiel
M20x1,5
100 Nm
Loctite® 243™
Moer koppelingmeenemer
M22x1,5
130 Nm
Loctite® 243™
Olieaftapschroef met magneet
M22x1,5
35 Nm
–
Schroef in dynamodeksel
M24x1,5
8 Nm
–
Moer primair tandwiel
M33LHx1,5
130 Nm
Loctite® 243™
TECHNISCHE GEGEVENS - CHASSIS
183
Frame
Buisframe van chroommolybdeen staalbuizen, geëloxeerd
Voorvork
WP Suspension Up Side Down 4860 ROMA PA
Schokdemper
WP Suspension 4618 BAVP DCC
Veerweg
voor
160 mm
achter
180 mm
Remsysteem
voor
Dubbele schijfrem met radiaal gemonteerde remklauwen met vier
zuigers, remschijven vlottend gelagerd
achter
Enkele schijfrem met remklauw met twee zuigers, remschijf vast
gelagerd
Remschijven - diameter
voor
305 mm
achter
240 mm
Remschijven - slijtagegrens
voor
4,5 mm
Remschijf - slijtagegrens
achter
4,5 mm
Bandenspanning Solo
voor
2,4 bar
achter
2,4 bar
Bandenspanning met bijrijder / volledige nuttige belasting
voor
2,4 bar
achter
2,6 bar
Secundaire overbrenging
17:41
TECHNISCHE GEGEVENS - CHASSIS
184
Ketting
5/8 x 5/16” X‑ring
Balhoofdhoek
65,6°
Wielstand
1.505±15 mm
Zithoogte onbelast
855 mm
Afstand van bodem, onbelast
195 mm
Gewicht zonder brandstof ca.
198 kg
Maximaal toegestane asbelasting voor
160 kg
Maximaal toegestane asbelasting achter
250 kg
Maximaal toegestaan totaalgewicht
400 kg
Accu
YTZ14S
Accuspanning: 12 V
Nominale capaciteit: 11,2 Ah
Onderhoudsvrij
Zekering
75011088010
10 A
Zekering
75011088015
15 A
Zekering
58011109130
30 A
Dimlicht/groot licht
H4 / sokkel P43t
12 V
60/55 W
Zijlicht
W5W / sokkel W2,1x9,5d
12 V
5W
Instrumentverlichting en controlelampjes
LED
Richtingaanwijzer
RY10W / sokkel BAU15s
Lampen
24.1
12 V
10 W
TECHNISCHE GEGEVENS - CHASSIS
185
Achterlicht
WR5W / sokkel W2,1x9,5d
12 V
5W
Remlicht
PR21W / sokkel BAW15s
12 V
21 W
Nummerplaatverlichting
W5W / sokkel W2,1x9,5d
12 V
5W
Banden
24.2
Banden voor
Banden achter
120/70 ZR 17 M/C 58W TL
Continental ContiSportAttack
180/55 ZR 17 M/C 73W TL
Continental ContiSportAttack
Meer informatie vindt u in het servicegedeelte onder:
http://www.ktm.com
Vulhoeveelheid - brandstof
24.3
Brandstoftankvolume totaal ca.
Brandstofreserve ca.
19 l
Brandstof super loodvrij (ROZ 95) (
3,7 l
pag. 194)
TECHNISCHE GEGEVENS - VOORVORK
186
Artikelnummer voorvork
14.18.7K.43
Voorvork
WP Suspension Up Side Down 4860 ROMA PA
Ingaande demping
Comfort
25 klikken
Standaard
20 klikken
Sport
15 klikken
Volledige nuttige belasting
15 klikken
Uitgaande demping
Comfort
25 klikken
Standaard
20 klikken
Sport
15 klikken
Volledige nuttige belasting
15 klikken
Veervoorspanning - Preload Adjuster
Comfort
5 omwentelingen
Standaard
5 omwentelingen
Sport
3 omwentelingen
Volledige nuttige belasting
3 omwentelingen
Veerlengte met voorspanbus(sen)
384 mm
Veerconstante
Zacht
6,5 N/mm
Gemiddeld (standaard)
7,0 N/mm
Hard
7,5 N/mm
Lengte voorvork
877 mm
Lengte luchtkamer
100±20 mm
TECHNISCHE GEGEVENS - VOORVORK
Voorvorkolie per vorkpoot
737 ml
187
Voorvorkolie (SAE 5) (
pag. 196)
TECHNISCHE GEGEVENS - SCHOKDEMPER
Artikelnummer schokdemper
15.18.7K.43
Schokdemper
WP Suspension 4618 BAVP DCC
Ingaande demping low speed
Comfort
25 klikken
Standaard
20 klikken
Sport
15 klikken
Volledige nuttige belasting
15 klikken
Ingaande demping high speed
Comfort
2 omwentelingen
Standaard
1,5 omwentelingen
Sport
1 omwenteling
Volledige nuttige belasting
1 omwenteling
Uitgaande demping
Comfort
20 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
10 klikken
Volledige nuttige belasting
10 klikken
Veervoorspanning
Comfort
10 mm
Standaard
10 mm
Sport
10 mm
Volledige nuttige belasting
12 mm
Veerconstante
Zacht
140 N/mm
Gemiddeld (standaard)
150 N/mm
188
TECHNISCHE GEGEVENS - SCHOKDEMPER
Veerlengte
200 mm
Gasdruk
10 bar
Inbouwlengte
372 mm
Stootdemperolie
Stootdemperolie (SAE 2,5) (50180342S1) (
189
pag. 196)
TECHNISCHE GEGEVENS - AANHAALMOMENTEN CHASSIS
190
Overige schroeven chassis
EJOT Delta PT 50x12
1,2 Nm
–
Overige schroeven chassis
EJOT PT K50x12 T20
1,2 Nm
–
Overige schroeven chassis
EJOT PT K50x18 T20
2 Nm
–
Schroef gecombineerd instrument
EJOT Delta PT 50x12
1 Nm
–
Schroef onderste glijblok
EJOT PT K60x20
2 Nm
–
Schroef remkabelhouder
EJOT PT K60x20
2 Nm
–
Schroef zijdeel achterkant
EJOT Altracs 50x16
Eerste schroefverbinding
3,3 Nm
Latere schroefverbindingen
2 Nm
–
Schroef zijstandaardschakelaar
M4
2 Nm
Loctite® 243™
Overige moeren chassis
M5
5 Nm
–
Overige schroeven chassis
M5
5 Nm
–
Schroef dopflens brandstoftank
M5
3,3 Nm
–
Schroef glijblok
M5
5 Nm
–
Schroef kijkglas motorolie
M5
3,3 Nm
–
Schroef maskerspoiler
M5
1,2 Nm
–
Schroef remkabelhouder
M5
2 Nm
–
Schroef rempedaalvlak
M5
6 Nm
Loctite® 243™
Schroef windscherm
M5
3,3 Nm
–
Moer achterlicht
M6
8 Nm
–
Overige moeren chassis
M6
15 Nm
–
Overige schroeven chassis
M6
10 Nm
–
Schroef brandstofkraan
M6
6 Nm
–
Schroef brandstofpomp
M6
6 Nm
–
TECHNISCHE GEGEVENS - AANHAALMOMENTEN CHASSIS
191
Schroef glijblok
M6
6 Nm
Loctite® 243™
Schroef houder aan ABS‑eenheid
M6
6 Nm
–
Schroef kabelgeleiding
M6
2 Nm
–
Schroef magneethouder aan zijstandaard
M6
6 Nm
Loctite® 243™
Schroef rempedaalcilinder
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef spatbescherming
M6
6 Nm
Loctite® 243™
Schroef spoiler
M6
3,3 Nm
–
Schroef wieltoerentalsensor
M6
6 Nm
Loctite® 243™
Schroef zadelbevestiging brandstoftank
M6
3,3 Nm
–
Overige moeren chassis
M8
30 Nm
–
Overige schroeven chassis
M8
25 Nm
–
Schroef asopname
M8
15 Nm
–
Schroef bagagedrager
M8
15 Nm
Loctite® 243™
Schroef bovenste kroonplaat
M8
20 Nm
–
Schroef contactslot (een keer te gebruiken)
M8
Schroef handgreep
M8
20 Nm
–
Schroef lampenkaphouder
M8
15 Nm
Loctite® 243™
Schroef onderste kroonplaat
M8
15 Nm
–
Schroef remschijf achter
M8
30 Nm
Loctite® 243™
Schroef remschijf voor
M8
30 Nm
Loctite® 243™
Schroef stuurklemmen
M8
20 Nm
–
Schroef uitlaatklem aan einddemper
M8
20 Nm
–
Schroef uitlaatklem aan verdelerbuis
M8
35 Nm
–
Loctite® 243™
TECHNISCHE GEGEVENS - AANHAALMOMENTEN CHASSIS
192
Schroef veerhouder aan zijstandaardconsole
M8
25 Nm
Loctite® 243™
Schroef voetsteunhouder achter
M8
25 Nm
Loctite® 243™
Schroef vorkbuis
M8
20 Nm
–
Overige moeren chassis
M10
50 Nm
–
Overige schroeven chassis
M10
45 Nm
–
Schroef motorophanging
M10
45 Nm
–
Schroef stuuradapter
M10
20 Nm
–
Schroef zijstandaard
M10
35 Nm
Loctite® 243™
Schroef zijstandaardconsole
M10
45 Nm
Loctite® 243™
Holle schroef remkabel
M10x1
15 Nm
–
Remlichtschakelaar
M10x1
15 Nm
–
Schroef achterdemper/kettingwiel
M10x1,25
50 Nm
Loctite® 243™
Schroef bovenste framearm
M10x1,25
45 Nm
Loctite® 243™
Schroef onderste framearm
M10x1,25
45 Nm
Loctite® 243™
Schroef remklauw voor
M10x1,25
45 Nm
Loctite® 243™
Olieaftapschroef met magneet
M12x1,5
25 Nm
–
Schroef schokdemper boven
M14x1,5
80 Nm
Schroefdraad ingevet
Schroef schokdemper onder
M14x1,5
80 Nm
Schroefdraad ingevet
Schroefverbinding aanzuigleiding
M14x1,5
45 Nm
Loctite® 577
Moer olieleiding
M16x1,5
25 Nm
–
Moer achterbrugbout
M19x1,5
130 Nm
Schroefdraad ingevet
Schroef balhoofd
M20x1,5
12 Nm
–
Moer steekas achter
M25x1,5
90 Nm
Schroefdraad ingevet
TECHNISCHE GEGEVENS - AANHAALMOMENTEN CHASSIS
Schroef steekas voor
M25x1,5
45 Nm
193
–
GEBRUIKSSTOFFEN
194
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
Volgens
– DIN EN 228 (ROZ 95)
Hydraulische olie (15)
Volgens
– ISO VG (15)
Voorgeschreven waarde
– Alleen hydraulische olie gebruiken die voldoet aan de aangegeven norm (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschappen beschikt. KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Hydraulic Fluid 75
Koelmiddel
Voorgeschreven waarde
– Alleen geschikt koelmiddel gebruiken (ook in landen met hoge temperaturen). Minderwaardig antivries kan leiden tot roestvorming en
schuimvorming. KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Mengverhouding
Antivries: −25… −45 °C
50 % antiroest/antivries
50 % gedestilleerd water
Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd)
Antivries
Leverancier
Motorex®
– Anti Freeze
−40 °C
GEBRUIKSSTOFFEN
195
Motorolie (SAE 10W/50)
Volgens
– JASO T903 MA (
–
SAE (
pag. 199)
pag. 199) (SAE 10W/50)
Voorgeschreven waarde
– Alleen motorolie gebruiken die voldoet aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschappen beschikt. KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Volledig synthetische motorolie
Leverancier
Motorex®
– Power Synt 4T
Motorolie (SAE 5W/40)
Volgens
– JASO T903 MA (
–
SAE (
pag. 199)
pag. 199) (SAE 5W/40)
Voorgeschreven waarde
– Alleen motorolie gebruiken die voldoet aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschappen beschikt. KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Volledig synthetische motorolie
Leverancier
Motorex®
– Power Synt 4T
GEBRUIKSSTOFFEN
196
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1
Volgens
– DOT
Voorgeschreven waarde
– Alleen remvloeistof gebruiken die voldoet aan de aangegeven norm (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschappen beschikt. KTM adviseert producten van Castrol en Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Castrol
– RESPONSE BRAKE FLUID SUPER DOT 4
Motorex®
– Brake Fluid DOT 5.1
Stootdemperolie (SAE 2,5) (50180342S1)
Volgens
– SAE (
pag. 199) (SAE 2,5)
Voorgeschreven waarde
– Alleen oliesoorten gebruiken die voldoen aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschappen beschikken.
Voorvorkolie (SAE 5)
Volgens
– SAE (
pag. 199) (SAE 5)
Voorgeschreven waarde
– Alleen oliesoorten gebruiken die voldoen aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschappen beschikken. KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Racing Fork Oil
HULPSTOFFEN
Duurzaam vet
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Bike Grease 2000
Hoogglans-politoer voor lak
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Moto Polish
Kettingreinigingsmiddel
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Chain Clean
Kettingspray onroad
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Chainlube Road
197
HULPSTOFFEN
Motorfietsreiniger
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Moto Clean 900
Reinigings- en conserveringsmiddel voor metaal en rubber
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Protect & Shine
Universele oliespray
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Joker 440 Synthetic
198
NORMEN
199
JASO T903 MA
Door verschillende technische ontwikkelingsrichtingen is een eigen specificatie voor 4-takt motorfietsen nodig - de JASO T903 MA norm.
Vroeger werd voor 4-takt motorfietsen motorolie voor auto's gebruikt omdat er geen eigen motorfietsspecificatie was. Bij motoren van auto's
zijn lange onderhoudsintervallen vereist, bij motoren van motorfietsen staat een hoog vermogensrendement bij hoge toerentallen op de
voorgrond. Bij de meeste motoren voor motorfietsen worden ook de versnelling en de koppeling met dezelfde olie ingevet. De JASO MA
norm voldoet aan deze speciale vereisten.
SAE
De SAE-viscositeitsklassen zijn vastgelegd door de Society of Automotive Engineers voor de indeling van oliën op basis van hun viscositeit.
De viscositeit beschrijft slechts een van de eigenschappen van olie en zegt niets over de kwaliteit.
INDEX
INDEX
A
ABS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 89
Accu
inbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
laden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114
uitbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 112
Achterdempers achterwielnaaf
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 108
Achterlichtlampen
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 130
Achterwiel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105
200
Bandenspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 110
Bedieningshandleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
Bedrijfsmiddelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
Boordgereedschap . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
Brandstoftank
positioneren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 75
terugzetten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74
C
Claxonknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
Conserveren voor de winter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 164
Contactsleutel
activeren/deactiveren
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 137
Afbeelding voertuig
linksvoor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12
rechtsachter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
Contactslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
Controlelampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26
Afremmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 52
Anti Blokkeer Systeem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 89
Display . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27
Antivries
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 142
E-starterknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24
Artikelnummer schokdemper . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
Artikelnummer voorvork . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
B
Bagage . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44
Bagagedrager . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37
D
E
F
Fouten opsporen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 167-169
Framenummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
G
Garantie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
Gashendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
INDEX
Gebruiksdefinitie
201
controle en onderhoud voor iedere inbedrijfname . . . . . . . 46
na de stalling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 166
.................................8
Gecombineerd instrument . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
controlelampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
display . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
functietoetsen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
kilometer of mijl instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
snelheidsweergave . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
temperatuureenheid instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
tijd . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
tijd instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
toerenteller . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
waarschuwing voor gladde wegen . . . . . . . . . . . . . . . . .
weergave omgevingstemperatuur . . . . . . . . . . . . . . . . . .
weergave van de koelmiddeltemperatuur . . . . . . . . . . . .
weergave ODO . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
weergave TRIP 1 instellen/terugzetten . . . . . . . . . . . . . .
weergave TRIP 2 instellen/terugzetten . . . . . . . . . . . . . .
weergave TRIP F . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
24
. 26
. 27
. 25
. 28
. 28
. 33
. 29
. 29
. 25
. 33
. 32
. 34
. 30
. 30
. 31
. 32
H
Handgrepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37
K
Kentekenplaatverlichting
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 134
Ketting
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 84
reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79
vervuiling controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79
Ketting-aandrijfwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 84
Kettinggeleiding
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 84
Kettingspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 82
Kettingwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 84
Helmbeveiliging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
op voertuig monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 73
Knippercode
motorbesturing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 172-177
wegrijblokkering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 170-171
Hoofdzekering
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 116
Knipperlichtlamp
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125
I
Koelmiddel
aftappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 146
Inbedrijfname
aanwijzingen voor eerste inbedrijfname . . . . . . . . . . . . . . 42
INDEX
202
Koelmiddelpeil
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 142
in vast reservoir controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 144
Koelsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 142
vullen/ontluchten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 147
Koppeling
vloeistofpeil controleren/corrigeren . . . . . . . . . . . . . . . . . 87
Koppelingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86
L
Lamp koplamp
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
Motornummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
Motorolie
aftappen .
bijvullen .
vervangen
vullen . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
155
161
155
159
Motoroliepeil
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 154
N
Noodknipperlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
Noodknipperlichtschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
Noodstopschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
Lichtschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
O
M
Oliefilter
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 155
Maskerspoiler
inbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78
uitbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76
Milieu
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
Motor
inrijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 43
Motorfiets
met hefbok achteraan opkrikken
met hefbok vooraan opkrikken .
reinigen . . . . . . . . . . . . . . . .
van hefbok achteraan nemen . .
van hefbok vooraan nemen . . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. 71
. 70
162
. 71
. 70
Oliezeven
reinigen
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 155
Ontstekingscurve
aanpassen aan brandstofkwaliteit . . . . . . . . . . . . . . . . . 152
stekkerverbinding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 151
P
Parkeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54
R
Remhendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 90
INDEX
Remlichtlamp
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125
Remmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 52
Rempedaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95
vrije slag controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 94
Remplaketten
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 99
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 93
Remschijf van de achterwielrem
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96
Remschijven van de voorwielrem
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 90
Remvloeistof
van achterwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 97
van voorwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 92
Remvloeistofpeil
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 91
Reserveonderdelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9
Richtingaanwijzerschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
Rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49
beginnen met rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49
S
Schakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49
203
Schokdemper . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
ingaande demping algemeen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
ingaande demping high speed instellen . . . . . . . . . . . . .
ingaande demping low speed instellen . . . . . . . . . . . . . .
uitgaande demping instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
veervoorspanning instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Seinlichtschakelaar
Service . . . . . . . .
Serviceschema . . .
Sleutelnummer . . .
...
....
....
....
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
61
. 65
. 66
. 65
. 67
. 68
. . . 21
....8
58-60
. . . 17
Speling gaskabel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 150
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 151
Stalling
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 165
Stand koplamp
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 136
Stand van de koplamp
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 136
Starten . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Stopcontact elektrische toebehoren
Stoppen . . . . . . . . . . . . . . . . .
Stuurslot . . . . . . . . . . . . . . . . .
..
.
..
..
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. 47
. 35
. 54
. 22
T
Tankdop
openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35
sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 36
INDEX
Tanken
brandstof
204
vorkpoten ontluchten
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 56
Technische gegevens
aanhaalmomenten chassis
aanhaalmomenten motor .
chassis . . . . . . . . . . . . .
motor . . . . . . . . . . . . . .
schokdemper . . . . . . . . .
voorvork . . . . . . . . . . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
190-193
180-182
183-185
178-179
188-189
186-187
Toebehoren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9
Toerenteller . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25
Toestand van de banden
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 108
Transport . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9
Typeplaatje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
V
Versnellingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40
uitgangspositie controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 152
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153
Voertuig
beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44
Voetsteunen bijrijder . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
Voorvork . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 61
ingaande demping instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 61
uitgaande demping instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62
veervoorspanning instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 63
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72
Voorwiel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 101
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 102
W
Waarschuwing voor glad wegdek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
Wegrijblokkering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
Werkinstructies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9
Z
Zadel
afnemen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 73
Zadelslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
Zekering
van afzonderlijke stroomverbruikers vervangen . . . . . . . . 119
Zekeringen ABS
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 118
Zijlichtlamp
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 123
Zijstandaard
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
*3211662nl*
3211662nl
01/2011
KTM-Sportmotorcycle AG
5230 Mattighofen/Oostenrijk
http://www.ktm.com
Foto: Mitterbauer
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertisement